<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>82980_8</dcterms:identifier><dcterms:title>CAR/UWO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-11</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2017, 71637</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2017-04-11</dcterms:issued><dcterms:alternative>Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                Amersfoort</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Ambtenarenwet, art. 125, Gemeentewet art.
                160</dcterms:source><dcterms:subject>personeel en organisatie</dcterms:subject></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 9b:22a; 9b:45a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>5493266</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ARGA wijzigingen 2017-2 als gevolg van de wijziging
                leeftijdsafhankelijke factoren in het kader van het FLO-overgangsrecht. De
                ingangsdatum van de wijzigingen is 1 januari 2017.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Aldus besloten in de vergaderingen van 11 april 2017.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de gemeente is
                                        aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede
                                        hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                                        aangegaan; </al></li><li nr="b"><al><vet> functie:</vet> het geheel van werkzaamheden dat door
                                        de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1; </al></li><li nr="c"><al><vet> pensioenwet:</vet>de Algemene burgerlijke pensioenwet,
                                        zoals die gold tot en met 31 december 1995; </al></li><li nr="d"><al><vet> pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="e"><al><vet> arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang van
                                        het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door
                                        de ambtenaar arbeid moet worden verricht; </al></li><li nr="f"><al><vet> arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals die
                                        voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;
                                    </al></li><li nr="g"><al><vet>formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                                        volgens de aanstelling; </al></li><li nr="h"><al><vet> feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                                        zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is
                                        vastgesteld; </al></li><li nr="i"><al> vervallen;</al></li><li nr="j"><al><vet> arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis herleide
                                        formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;
                                    </al></li><li nr="k"><al><vet>dienstverband: </vet>een aanstelling voor bepaalde of
                                        onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; </al></li><li nr="l"><al><vet> overwerk:</vet> werkzaamheden die de ambtenaar, voor
                                        wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in
                                        dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per
                                        week; </al></li><li nr="m"><al><vet>werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                        verrichten; </al></li><li nr="n"><al><vet> werktijd:</vet> de periode tussen vastgestelde
                                        tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet
                                        worden verricht; </al></li><li nr="o"><al><vet> uurloon: </vet>1/156 gedeelte van het - zo nodig naar
                                        een volledig dienstverband herberekende - salaris van de
                                        ambtenaar per maand; </al></li><li nr="p"><al><vet> Zvw:</vet> de Zorgverzekeringswet</al></li><li nr="q"><al><vet>CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor
                                        de sector gemeenten; </al></li><li nr="r"><al><vet> UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst; </al></li><li nr="s"><al>vervallen;</al></li><li nr="t"><al>vervallen;</al></li><li nr="u"><al><vet> LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                        Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v"><al><vet>WAO:</vet> de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering; </al></li><li nr="w"><al><vet> arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in de
                                        zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; </al></li><li nr="x"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de WAO;
                                    </al></li><li nr="y"><al><vet> WIA:</vet>Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
                                    </al></li><li nr="z"><al><vet> IVA:</vet> Regeling inkomensvoorziening volledig
                                        arbeidsongeschikten; </al></li><li nr="aa"><al><vet> IVA-uitkering:</vet> de uitkering bij volledige en
                                        duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; </al></li><li nr="bb"><al><vet> WGA:</vet> Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                        arbeidsgeschikten; </al></li><li nr="cc"><al><vet> WGA-uitkering:</vet> de werkhervattingsuitkering
                                        gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; </al></li><li nr="dd"><al><vet> WAJONG:</vet>Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                        voor jong gehandicapten; </al></li><li nr="ee"><al><vet> WAZ:</vet>Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                        zelfstandigen;</al></li><li nr="ff"><al><vet>Wazo:</vet>Wet arbeid en zorg; </al></li><li nr="gg"><al><vet> SUWI:</vet> de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie
                                        Werk en Inkomen; </al></li><li nr="hh"><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> een uitvoeringsinstelling
                                        als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet
                                        sociale verzekeringen 1997; </al></li><li nr="ii"><al><vet> pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van de
                                        Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="jj"><al><vet> WPA:</vet> de Wet privatisering ABP; </al></li><li nr="kk"><al>vervallen;</al></li><li nr="ll"><al>vervallen;</al></li><li nr="mm"><al><vet>volledig dienstverband:</vet> een dienstverband waarvan
                                        de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele
                                        arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd
                                        dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur
                                        per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per
                                        week </al></li><li nr="nn"><al><vet>ZW:</vet> de Ziektewet; </al></li><li nr="oo"><al><vet>ZW-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering krachtens
                                        de ZW; </al></li><li nr="pp"><al><vet> UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut
                                        Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de
                                        wet SUWI. </al></li><li nr="qq"><al><vet> Salaris:</vet> maandbedrag dat binnen de salarisschaal
                                        aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens
                                        formele arbeidsduur.</al></li><li nr="rr"><al><vet> Salaristoelagen:</vet> de in paragraaf 3 van hoofdstuk
                                        3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de
                                        waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de
                                        buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst,
                                        de inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de
                                        garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker
                                        zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari 2016 tot de
                                        bezoldiging gerekend. </al></li><li nr="ss"><al><vet> Functieschaal:</vet> de salarisschaal die bij een
                                        functie hoort; </al></li><li nr="tt"><al><vet> Periodiek:</vet> het maandbedrag in een salarisschaal;
                                    </al></li><li nr="uu"><al><vet>Salarisschaal:</vet> een reeks maandbedragen als
                                        opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; </al></li><li nr="vv"><al><vet>Achterblijvende Partner:</vet> weduwe, weduwnaar,
                                        geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de
                                        ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de
                                        overleden ambtenaar.</al></li><li nr="ww"><al><vet>Vakantietoelage:</vet> jaarlijkse toelage van 8% van
                                        het salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met
                                        ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het
                                        Individueel Keuze Budget vormt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                bedrijven door de gemeente beheerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:1:1:1</titel></kop><al>Voor de toepassing van de CAR, de UWO en de lokaal geldende
                            rechtspositieregelingen van de gemeente Amersfoort wordt de volgende
                            begripsomschrijving toegevoegd:ARGA: Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                            Amersfoort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a"><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                        onderwijs;</al></li><li nr="b"><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                                        openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de
                                        zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c"><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                        zodanig;</al></li><li nr="d"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231,
                                        tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; </al></li><li nr="e"><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                        benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                        belastingen;</al></li><li nr="f"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                        zonder opsporingsbevoegdheid; </al></li><li nr="g"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                        opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h"><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening
                                        en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in
                                        dienst is van de gemeente, met uitzondering van de
                                        geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader
                                        van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet
                                        sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i"><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”,
                                        van de sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de
                                ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de
                                hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling
                                de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die
                                behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in de leden 2, 3 of 4 van dit artikel, heeft
                                recht op:</al><lijst><li nr="a"><al>8% vakantietoelage, met dien verstande dat dit ten minste
                                        een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband,
                                        en</al></li><li nr="b"><al> 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor
                                        de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien
                                        verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij
                                        een volledig dienstverband, en</al></li><li nr="c"><al> 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw
                                        geldende salaris.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:1:1 Geen ambtenaar</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 1:2:1 is artikel 3:22:1:1 niet van toepassing
                            op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                            aangegaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2a Stageplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of
                                onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een
                                stage-overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en
                                artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de
                                duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de
                                stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de
                                stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate
                                begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2b Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats
                                aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en
                                artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                voor een periode van maximaal 6 maanden. De
                                werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een
                                periode van maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de
                                medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat.
                                Het college zorgt voor adequate begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="salarisschaal A" type="tekst" id="i289990"></illustratie></plaatje> in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond
                                van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de
                                Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk
                                minimumloon kan verdienen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college vaststellen dat
                                de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling
                                krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een
                                loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een
                                door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door
                                het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het
                                wettelijk minimumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk
                                aan het wettelijk minimumloon. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 1 gelden niet de in artikel 3:28
                                lid 2, onderdelen a , b en c genoemde minimumbedragen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 2 gelden als minimumbedragen, de
                                bedragen genoemd in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a, b en c naar
                                rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het college voor de in lid 2 genoemde ambtenaar
                                loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college
                                deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde
                                toelagen en vergoedingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3 Toepassing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden
                                ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of
                                krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor
                                zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is
                                geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op
                                ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden
                                uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de
                                eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het
                                secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                                aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3a Toepassing</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de
                            op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3:1 Toepassing</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college,
                            indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: </al><lijst><li nr="a"><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                    bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                    functioneren van de dienst; </al></li><li nr="b"><al>instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de
                                    vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze
                                regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen
                                welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of
                                worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het
                                vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a"><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten
                                        tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de
                                        Vereniging van Nederlandse Gemeenten;</al></li><li nr="b"><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van
                                        gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de
                                        onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c"><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                        aanmerking komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor
                                hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter
                                uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of
                                welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven,
                                tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke
                                plaats ter inzage liggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk
                                te zijner kennis gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd
                            van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                            dragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</titel></kop><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van
                            de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een
                            decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:6 Vrijstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen
                                voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan
                                worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor
                                bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van
                                het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor
                                georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de
                                criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies
                                zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is
                                ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                                regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij
                                het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die
                                projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te
                                bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen
                                worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate
                                zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de
                                werkzaamheden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</titel></kop><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                            geschiedt de aanstelling door het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter
                                uitvoering van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is
                                met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene
                                dienst van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang
                                van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een
                                passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in
                                verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem
                                bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de
                                ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a"><al> tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te
                                        verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te
                                        nemen;</al></li><li nr="b"><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                        vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c"><al> beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie
                                        vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd
                                        periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt
                                        de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten
                                        ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode
                                        van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen
                                        uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid
                                en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden
                                redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij –
                                onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te
                                vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond
                                kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter
                                zake neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en
                                geschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na
                                een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij
                                in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten
                                van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                                gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde
                                onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in
                                het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de
                                Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan
                                slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt
                                over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting
                                is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid
                                vreemdelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde
                                functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen
                                op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld,
                                aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht
                                op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen
                                van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het
                                geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n),
                                daartoe aangewezen door het college. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:3:1:1 </titel></kop><al>Het college heeft een protocol aanstellingskeuringen en
                            intredeonderzoeken vastgesteld en een lijst van functies waarvoor een
                            aanstellingskeuring c.q. een intredeonderzoek is vereist. Deze zijn te
                            vinden in bijlage 11.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor
                                bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6
                                maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen
                                inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als
                                een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd
                                elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden,
                                geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde
                                tijd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende
                                aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en
                                verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de
                                hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de
                                verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars
                                opvolger te zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,
                                geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de
                                dag waarop:</al><lijst><li nr="a"><al> de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met
                                        tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd
                                        en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen,
                                        hebben overschreden;</al></li><li nr="b"><al> meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar
                                        hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes
                                        maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende
                                aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in
                                tijdelijke dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het
                                bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a"><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a
                                        tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993,
                                        635);</al></li><li nr="b"><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c"><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                        aangesteld:</al><lijst><li nr="I"><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde
                                                tijd;</al></li><li nr="II"><al>in een aanstelling bij wijze van proef;</al></li><li nr="III"><al>voor een project met een eenmalig en uniek karakter;
                                            </al></li><li nr="IV"><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke
                                                of praktische opleiding of vorming;</al></li><li nr="V"><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI"><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                                                van een door de overheid getroffen regeling, die het
                                                karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling
                                                de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                                                personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                                groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII"><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de
                                wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:2 Vacatures</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen
                                verzet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens
                                hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:2:1 Volgorde van voorrang bij vacatures</titel></kop><al>Bij de toepassing van artikel 2:4:2 gelden in volgorde de volgende
                            voorrangsposities:</al><lijst><li nr="-"><al> Herplaatsingskandidaten; </al></li><li nr="-"><al> Medewerkers die een uitkering krachtens hoofdstuk 10d genieten
                                    ten laste van de gemeente Amersfoort; </al></li><li nr="-"><al> Loopbaankandidaten; </al></li><li nr="-"><al> Andere medewerkers van de gemeente Amersfoort;</al></li><li nr="-"><al> Kandidaten uit het WWB/WSW-bestand van de Sociale Dienst; </al></li><li nr="-"><al>Medewerkers van organisaties met wie het college daarover
                                    afspraken heeft gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Door het college kan met een persoon slechts een
                                arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het
                                bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang
                                wisselend karakter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                                opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing
                                op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is
                                gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn
                            de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</titel></kop><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een
                            minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van
                            minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per
                            kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer
                            of minder uren wordt gewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen
                                    die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen,
                                    het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                    bieden;</al></li><li nr="b"><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                    daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c"><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                                    aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht
                                    kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang
                                    van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d"><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                    vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden
                                    verricht;</al></li><li nr="e"><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                    oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging
                                    respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de
                                    aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij
                                    kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de
                                    termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever
                                    gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk
                                    vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van
                                    twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig
                                    aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f"><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                                    heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste
                                    een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de
                                    oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens
                                    ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag
                                    van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum
                                afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge
                                hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan
                                van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het
                                kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is
                                ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in
                                belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand
                                kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende
                                een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde
                                arbeidspatroon van de oproepkracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:5 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:6 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:7 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:8 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:9 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:10 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:11 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:6 Overgangsrecht</titel></kop><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van
                            artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien
                            een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten
                            hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen
                                of de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uur
                                van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                                dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij
                                zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is
                                aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn
                                arbeidsplaats.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met
                                wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde
                                leeftijd heeft bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die
                                is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week,
                                worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: </al><lijst><li nr="1"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een
                                        vooraf te bepalen periode; </al></li><li nr="2"><al> het salaris evenredig wordt verhoogd; </al></li><li nr="3"><al> de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; </al></li><li nr="4"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; </al></li><li nr="5"><al> het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a
                                        evenredig wordt verhoogd; </al></li><li nr="6"><al> het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel b
                                        evenredig wordt verhoogd; </al></li><li nr="7"><al> instemming van de ambtenaar is vereist; </al></li><li nr="8"><al> de verkoop van vakantieuren op grond van artikel 3:36 voor
                                        de duur van de verruiming niet is toegestaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer lid 1 van dit artikel wordt toegepast, meldt het college
                                dit vooraf aan de OR.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over
                                het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar
                                maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan
                                de OR.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                                    uitkeringen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                                gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                                functiewaarderingssysteem.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis
                                van een functiewaarderingssysteem. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                                uitkeringen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris,
                                vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk.
                                Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met
                                zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de
                                uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders
                                is bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Salaris</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al></li><li><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al></li><li><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al></li><li><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al></li><li><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van
                                zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en
                                bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een
                                periodiek in de functieschaal.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al
                                voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding,
                                ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst
                                lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:3:1:1 Bandbreedtebepaling (onderschaal, functieschaal
                                en bovenschaal)</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Functies in de gemeente Amersfoort worden beschreven naar de organieke
                            (is gelijk aan door de organisatie gewenste) situatie zoals omschreven
                            in of afgeleid uit het actuele Organisatie- en Ontwikkelplan. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Aan iedere functie is voor de salariëring een bandbreedte verbonden,
                            bestaande uit de functieschaal, de onderschaal (zijnde één schaal onder
                            de functieschaal) en de bovenschaal (zijnde één schaal boven de
                            functieschaal).</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De functieschaal wordt bepaald op basis van de functiebeschrijving met
                            behulp van het functiewaarderingssysteem Amersfoort, als bijlage A
                            behorend bij de in hoofdstuk 24 ARGA opgenomen Procedureregeling
                            functiewaardering.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Indien aan de ambtenaar wordt opgedragen een zwaardere of lichtere
                            invulling te geven aan zijn functie zoals beschreven in de organieke
                            functiebeschrijving, kan hij worden ingeschaald in de bovenschaal of in
                            de onderschaal. De toepassing van de bandbreedte wordt schriftelijk aan
                            de medewerker bevestigd met een omschrijving van de lichtere dan wel
                            zwaardere invulling van de functie.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Indien de ambtenaar er in salaris op achteruit gaat als gevolg van de
                            toepassing van de onderschaal zal een afbouwregeling worden
                            getroffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:4 Salarisverhoging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende
                                periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>de ambtenaar functioneert voldoende; </al></li><li nr="b"><al>de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet
                                        bereikt; </al></li><li nr="c"><al> er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling ,
                                        zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging
                                aanvullende voorwaarden stellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging
                                toekennen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het
                                college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste
                                verhogingsdatum vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:4:1:1 Periodieke verhogingen </titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor de bepaling of sprake is van voldoende functioneren wordt het
                            functioneren getoetst aan de vraag of het functioneren volgens de
                            beoordeling conform artikel 24a:1:1:4 lid 2 en 3 van de
                            jaargesprekregeling voldoet aan de verwachtingen wat betreft
                            werkresultaten en competentieresultaten. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Een periodieke verhoging vindt in beginsel plaats voor zover hij sinds
                            de aanstelling het maximumsalaris van de voor hem geldende schaal nog
                            niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van
                            de maand waarin zijn aanstelling of zijn promotie een jaar is verstreken
                            en nadien telkens nadat 12 maanden zijn verstreken. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien het jaargesprek niet (tijdig) plaatsvindt wordt de periodiek op
                            grond van artikel 24a:1:1:2 lid 2 van de jaargesprekregeling eveneens
                            toegekend, tenzij het uitstel is te wijten aan de ambtenaar.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het tijdstip waarop een periodieke verhoging wordt toegekend kan worden
                            vervroegd indien daartoe naar het oordeel van het college aanleiding
                            bestaat.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal
                                gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze
                                regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn
                                instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere
                                schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het
                                salaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing
                                van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met
                                een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het
                                salaris.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing
                                van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager
                                maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het
                                salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal
                                statuut.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</titel></kop><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat,
                            heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:6:1:1 Inpassing na promotie of
                                functieherwaardering</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Na een promotie wordt de ambtenaar in principe een salaris toegekend
                            overeenkomend met het naast hogere bedrag in de nieuwe salarisschaal,
                            tenzij de verhoging minder is dan 51% van het verschil tussen het
                            salarisnummer van het naast hogere bedrag en het vorige salarisnummer.
                            In dat geval wordt ingeschaald op het volgende salarisnummer van de
                            nieuwe salarisschaal. De datum van de periodieke verhoging kan worden
                            gewijzigd. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien voor de functie van de ambtenaar op grond van de
                            functiewaardering een functieschaal gaat gelden met een hoger
                            maximumsalaris, kan het college besluiten de ambtenaar die alle
                            taakelementen beheerst en de functie op voldoende wijze vervult te
                            bevorderen naar de (naast)hogere salarisschaal. Het college kan ter zake
                            nadere regels stellen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Bij bevordering naar een naast hogere salarisschaal kan gepaard gaan met
                            een extra salarisverhoging als bedoeld in artikel 3:4:1:1, lid 4.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7 Uitloopschaal</titel></kop><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december
                            2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één
                            schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden
                            voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in-
                            en het doorlopen van de uitloopschaal. </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Salaristoelagen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al></li><li><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al></li><li><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al></li><li><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al></li><li><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al></li><li><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al></li><li><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al></li><li><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al></li><li><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of
                                uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft
                                geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt,
                                een functioneringstoelage toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het
                                voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze
                                opnieuw worden toegekend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen
                                om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de
                                arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende
                                vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is
                                vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:9:1:1 Arbeidsmarkttoelage</titel></kop><al> De arbeidsmarkttoelage wordt als regel slechts voor maximaal een jaar
                            toegekend, met de mogelijkheid van verlenging op basis van een
                            uitdrukkelijk besluit van het college. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen
                                met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van
                                waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt
                                niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage
                                gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet
                                en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de
                                waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid
                                toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de
                                werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt
                                uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende
                                tijdvakken van de week: </al><lijst><li nr="-"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en
                                        tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% </al></li><li nr="-"><al> maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en
                                        tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="-"><al> zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="-"><al> zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid
                                        tussen 0.00 en 24.00 uur: 65%</al></li></lijst><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk
                                aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal
                                6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week
                                slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een
                                van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt
                                uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel
                                3:18) worden uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden
                                en die door het college is aangewezen om te werken buiten het
                                dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een
                                buitendagvenstertoelage. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="-"><al>50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren
                                        buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag
                                        24:00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt
                                        op zaterdag; </al></li><li nr="-"><al> 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt
                                        op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger
                                heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                                beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage
                                beschikbaarheidsdienst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot
                                en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag,
                                zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk
                                aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal
                                7.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen,
                            indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of
                            gevaarlijke arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:15 Garantietoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager
                            salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige
                                dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de
                                inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft
                                recht op een afbouwtoelage indien: </al><lijst><li nr="-"><al>hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee
                                        maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én</al></li><li nr="-"><al>met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag
                                        is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="-"><al>op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a,
                                        9b, 9d of 9e) van toepassing is, of </al></li><li nr="-"><al> indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in
                                        een sociaal plan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De
                                afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar
                                50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen
                                onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde
                                van de voorgaande 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een
                                functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden,
                                wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al></li><li><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al></li><li><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al></li><li><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                                    prestaties</al></li><li><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al></li><li><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al></li><li><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al></li><li><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval
                                    in en door de dienst</al></li><li><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</al></li><li><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam
                                te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de
                                Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie-
                                of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in
                                verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere
                                regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een
                                overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding
                                wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst
                                (artikel 3:11) worden uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk,
                                    </al></li><li nr="b"><al> het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte
                                        van het volgende percentage van het uurloon van de
                                        ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al> 100% voor overwerk op een zondag of feestdag
                                                (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en
                                                24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend
                                                op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag,
                                                donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag
                                                donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur;
                                            </al></li><li nr="-"><al> 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag,
                                                donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo
                                vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover
                                de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op
                                een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde
                                lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat
                                bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het
                                uurloon conform het tweede lid onder b.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van
                                toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt
                                opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een
                                overwerkvergoeding.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger
                                heeft geen recht op een overwerkvergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25,
                                40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt
                                verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP
                                aangesloten werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                                maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van
                                jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar
                                overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen
                                vermeerderd met 8%.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel
                                8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag,
                                maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou
                                hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van
                                de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van
                                ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                                prestaties</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een
                            geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde
                            bijzondere prestaties. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:20:1:1 Gratificatie en bonus</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien de ambtenaar een bijzondere eenmalige prestatie verricht kan hem
                            een gratificatie worden toegekend. De hoogte van de gratificatie
                            bedraagt maximaal het bedrag opgenomen in bijlage 10. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Aan de ambtenaar die het maximum van de voor hem geldende salarisschaal
                            nog niet heeft bereikt wordt naast de verhoging als bedoeld in artikel
                            3:4:1:1 een bonus toegekend van € 500,- netto indien het functioneren
                            van de ambtenaar volgens de beoordeling conform artikel 24a:1:1:4 lid 2
                            en 3 van de jaargesprekregeling de verwachtingen ter zake werkresultaten
                            of competentieresultaten overtreft. Indien het functioneren de
                            verwachtingen zowel ter zake werkresultaten als competentieresultaten
                            overtreft ontvangt de ambtenaar een extra salarisverhoging als bedoeld
                            in artikel 3:4:1:1.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien de ambtenaar het maximum van zijn schaal heeft bereikt ontvangt
                            hij een bonus van €500,- netto als zijn functioneren volgens de
                            beoordeling conform artikel 24a:1:1:4 lid 2 en 3 van de
                            jaargesprekregeling de verwachtingen ter zake werkresultaten of
                            competentieresultaten overtreft. Indien het functioneren de
                            verwachtingen ter zake zowel werkresultaten als competentieresultaten
                            overtreft ontvangt hij een bonus van €1.000,- netto. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De beloningsregeling als bedoeld in de leden 2 en 3 ziet er schematisch
                            uit als volgt:</al><al><vet>Maximum aanstellingsschaal nog niet bereikt</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Beoordeling op competenties: "voldoet"</al></entry><entry colname="col3"><al>Beoordeling op competenties: "overtreft"</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beoordeling op werkresultaten: "voldoet"</al></entry><entry colname="col2"><al>Periodiek</al></entry><entry colname="col3"><al>Periodiek + 500,-- netto</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beoordeling op werkresultaten: "overtreft"</al></entry><entry colname="col2"><al>Periodiek + 500,-- netto</al></entry><entry colname="col3"><al>Dubbele periodiek</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Maximum aanstellingsschaal bereikt</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Beoordeling op competenties: "voldoet"</al></entry><entry colname="col3"><al>Beoordeling op competenties: "overtreft"</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beoordeling op werkresultaten: "voldoet"</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>500,-- netto</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beoordeling op werkresultaten: "overtreft"</al></entry><entry colname="col2"><al>500,-- netto</al></entry><entry colname="col3"><al>1000,-- netto</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</titel></kop><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten
                            voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij
                            gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e
                            klasse tarief.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> In deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet> Medewerker:</vet> de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1,
                                    aanhef en onder a van de ARGA.</al></li><li nr="b"><al><vet> Dienstreis:</vet>een reis, die in het belang van de dienst
                                    en in opdracht van het bevoegd gezag in of buiten Amersfoort
                                    wordt gemaakt.</al></li><li nr="c"><al><vet> Woongebied: </vet>het gebied dat, met het stadhuis als
                                    middelpunt, binnen de omtrek ligt van een denkbeeldige cirkel
                                    met een straal van 11 kilometer.</al></li><li nr="d"><al><vet>NS-Businesskaart:</vet>is een reisdocument voor zakelijke
                                    reizen of zakelijke cursusreizen met de trein, tram, bus, metro
                                    en de OV-fiets.</al></li><li nr="e"><al><vet>Greenwheels-auto:</vet>een bedrijfsauto die door de
                                    ambtenaar gebruikt kan worden bij dienstreizen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:2 Wijze van reizen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor dienstreizen binnen de gemeente Amersfoort dient de medewerker
                            gebruik te maken van een (dienst)fiets of het openbaar vervoer. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Dienstreizen buiten de gemeente Amersfoort worden in de regel met het
                            openbaar vervoer gemaakt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kan het college
                            toestaan dat gereisd wordt met de eigen auto:</al><lijst><li nr="a"><al> Indien de verhouding reistijd openbaar vervoer/auto groter is
                                    dan de factor 1,2 als bedoeld in artikel 3:21:1:11 of indien
                                    aantoonbaar is dat de in een van de in artikel 3:21:1:11
                                    genoemde plaatsen/bepaalde locaties met de auto sneller
                                    bereikbaar zijn dan 1,2 keer de duur van het openbaar vervoer;
                                </al></li><li nr="b"><al> Indien met tenminste drie personen in 1 auto wordt
                                    gereisd;</al></li><li nr="c"><al> Indien naar een bestemming wordt gereisd die niet met het
                                    openbaar vervoer te bereiken is;</al></li><li nr="d"><al> Indien apparatuur moet worden vervoerd tijdens de
                                    dienstreis;</al></li><li nr="e"><al> in bijzondere gevallen waar deze regeling niet in
                                    voorziet.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De medewerker die een functie vervult waarvoor het bezit van een auto
                            wordt gevraagd, mag dienstreizen afleggen met een auto, ook binnen de
                            gemeente Amersfoort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:3 Regeling voor de vergoeding van reis- en
                                verblijfkosten van reizen in het belang van de dienst</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al> Bij dienstreizen met een enkele reisafstand van tenminste 20 kilometer
                            kan als alternatief voor het reizen met eigen auto als bedoeld in
                            artikel 3:21:1:2, lid 5 gebruik worden gemaakt van een greenwheels-auto,
                            indien en voor zover de gemeente een contract heeft met Greenwheels. </al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>Een greenwheelsauto dient via een aanvraagformulier tenminste 1 uur van
                            tevoren te worden aangevraagd. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De medewerker mag zo nodig met toestemming van het college gebruik maken
                            van een taxi.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Schade aan een greenwheelsauto wordt op de gebruiker verhaald, indien
                            deze niet door de verzekering wordt vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid 5 </vet></tussenkop><al>Boetes als gevolg van verkeersovertredingen en boetes als gevolg van het
                            niet tijdig of niet op de juiste standplaats terugbrengen van de auto
                            komen voor rekening van de gebruiker en worden bij de eerstvolgende
                            salarisbetaling met het salaris verrekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:4 NS-Businesskaart</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al> De medewerker kan de NS-Businesskaart via Yoost uiterlijk 24 uur van te
                            voren kan aanvragen en voor vertrek op te halen bij de facilitydesk, als
                            regel tijdens de openingstijden 7.30 – 17.00 uur, buiten de
                            openingstijden in overleg. De medewerker dient de kaart de eerstvolgende
                            werkdag in te leveren bij de facilitydesk.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker die redelijkerwijze niet in staat is om van tevoren een
                            NS-Businesskaart te reserveren en op te halen, dient zelf zorg te dragen
                            voor een geldig vervoersbewijs.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:5 Vergoeding reiskosten</titel></kop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> De kosten van gebruik van de NS-Businesskaart zijn voor rekening van de
                            gemeente Amersfoort. </al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De medewerker die in de situatie als bedoeld in artikel 3:21:1:4 een
                            vervoersbewijs heeft aangeschaft, komt in aanmerking voor een volledige
                            vergoeding van de door hem betaalde kosten.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Voor de medewerker geldt in de situatie als genoemd in artikel 3:21:1:2,
                            lid 3 van deze regeling een vergoeding zoals genoemd in bijlage 10 onder
                            de kop Vergoeding reiskosten (artikel 3:21:1:5, leden 3 en 4).</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Voor de medewerker geldt in de situatie als genoemd in artikel 3:21:1:2,
                            lid 4 lid 3 van deze regeling een vergoeding zoals genoemd in bijlage 10
                            onder de kop Vergoeding reiskosten (artikel 3:21:1:5, leden 3 en
                            4).</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Het aantal kilometers dat op grond van de leden 3 en 4 voor vergoeding
                            in aanmerking komt, wordt berekend volgens een door het college
                            aangewezen routeplanner.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:6 Vergoeding verblijfkosten</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al> De in verband met een dienstreis noodzakelijk gemaakte verblijfkosten
                            worden vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten voor zover deze
                            binnen de bedragen zijn gebleven die door het rijk zijn vastgesteld in
                            artikel 5 van de Reisregeling Binnenland. De bedragen, die de landelijke
                            wijzigingen van algemeen karakter volgen, zijn opgenomen in bijlage 10. </al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>Verblijfkosten die ter vervulling van de betrekking worden gemaakt in
                            het woongebied worden niet vergoed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:7 Kosten van overnachting</titel></kop><al> De kosten van overnachting worden alleen vergoed als de dienstreis niet
                            in één dagreis kan worden volbracht, een en ander ter beoordeling van
                            het college. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:8 Wijze van declareren</titel></kop><al> Voor het in rekening brengen van reis- en verblijfkosten welke op grond
                            van het gestelde in artikel 3:21:1:4, lid 2 en lid 3 van deze Regeling
                            voor vergoeding in aanmerking komen, moet de medewerker gebruik maken
                            van de bij de gemeente Amersfoort van toepassing zijnde
                            declaratieformulieren en de daarbij behorende procedure. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:9 Voorkomen van dubbele vergoedingen</titel></kop><al> Als voor de dienstreis uit andere hoofde al in enigerlei vorm een
                            vergoeding of tegemoetkoming voor reis- of verblijfskosten wordt
                            verleend, mag slechts in rekening worden gebracht het bedrag, waarop
                            ingevolge bedoelde bepalingen aanspraak bestaat, verminderd met de
                            bovenbedoelde vergoeding of tegemoetkoming. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:10 Onvoorziene gevallen</titel></kop><al> In de gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21:1:11 Plaatsen met een factor van 1,2 of
                                lager</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Plaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>Taxi:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alkmaar</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Almelo</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Amsterdam</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Amsterdam RAI</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Amsterdam Sloterdijk</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Apeldoorn</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Assen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Baarn</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Delfzijl</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Den Bosch</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Den Dolder</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Den Haag</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Den Helder</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Deventer</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ede-Wageningen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eindhoven</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Emmen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Enschede</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ermelo</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Geldermalsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gouda</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Groningen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Haarlem</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harderwijk</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hengelo</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hilversum</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leeuwarden</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leiden</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Marienburg</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Middelburg</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nijkerk</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nunspeet</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Putten</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Roermond</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rotterdam</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schiphol</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sittard</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tilburg</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Utrecht (met uitzondering van De Uithof)</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zoetermeer</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zwolle</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zutphen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Vanaf Amersfoort met de stadsbus naar: </vet></al><lijst><li nr="-"><al> Hoevelaken</al></li><li nr="-"><al>Stoutenburg</al></li><li nr="-"><al> Bunschoten</al></li><li nr="-"><al> Hoogland</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</titel></kop><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
                            toekennen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:22:1:1 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer </titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar die geen recht (meer) heeft op een vergoeding voor
                            woon-werkverkeer en blijkens overgelegde bewijzen voor het
                            woon-werkverkeer gebruik maakt van het openbaar vervoer, de fiets of de
                            bromfiets of een combinatie daarvan, krijgt: </al><lijst><li nr="-"><al> een grootverbruikerskorting bij de aanschaf van een
                                    treinabonnement voor woon-werkverkeer via de gemeente</al></li><li nr="-"><al> jaarlijks 5 <vet>onderhoudsbonnen</vet> ad € 15,00.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ambtenaar die geen recht (meer) heeft op de vergoeding als bedoeld in
                            het vorige lid en meer dan 7,5 kilometer van zijn standplaats woont kan
                            via de gemeente een openbaar vervoerabonnement voor woon-werkverkeer
                            kopen met 10% (extra) korting. De kosten van dit abonnement worden
                            ingehouden op zijn salaris.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De ambtenaar die buiten het woongebied als bedoeld in artikel 3:21:1:1
                            woont en voor het woonwerkverkeer (nagenoeg) dagelijks gebruik maakt van
                            een auto samen met tenminste twee andere personen, waarvan er minimaal
                            een ook werkzaam is bij de gemeente geldt als carpooler en komt in
                            aanmerking voor:</al><lijst><li nr="-"><al> een plaats in de parkeergarage onder het stadhuis ook als hij
                                    nog in aanmerking komt voor een vergoeding
                                    woon-werkverkeer;</al></li><li nr="-"><al> een vergoeding voor een inzittendenverzekering als hij geen
                                    recht (meer) heeft op een vergoeding woon-werkverkeer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen
                                eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende
                                partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen –
                                een overlijdensuitkering, die bestaat uit: driemaal het laatst
                                genoten salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen
                                vermeerderd met 8%.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande
                                lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de
                                meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                overledene kostwinner was.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval
                                in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks
                                gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de
                                achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de
                                overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de
                                minderjarige kinderen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende
                                salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12
                                kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                overlijden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval
                                in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het
                                tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met
                                een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid
                                dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige
                                kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene
                                kostwinner was. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                    gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten
                                als hij één van de volgende aanvullende zorgverzekeringen heeft:
                                Extra Zorg 3 of 4 bij IZA, Plus Collectief of Top Collectief bij CZ,
                                Collectief Aanvullend 3 of 4 bij Menzis.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar
                                in de maand december uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de
                                ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de
                                ziektekosten. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                    gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag
                                dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen
                                wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van
                                de tijd dat hij in dienst is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt
                                is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste
                                maand dat de ambtenaar in dienst is geweest. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Individueel keuzebudget</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:27 Algemeen</al></li><li><al>Artikel 3:28 Opbouw IKB</al></li><li><al>Artikel 3:29 Doelen IKB</al></li><li><al>Artikel 3:30 Doelen IKB</al></li><li><al>Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur</al></li><li><al>Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</al></li><li><al>Artikel 3:33 Wet- en regelgeving</al></li><li><al>Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016</al></li><li><al>Artikel 3:35 Overige bepalingen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:27 Algemeen</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te
                                noemen: IKB. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college is beheerder van het IKB</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de
                                ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in artikel
                                3:29, op de wijze zoals vastgelegd is in deze paragraaf.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:28 Opbouw IKB</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover
                                pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt
                                opgebouwd. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd
                                bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al> 8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw
                                        geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd
                                        in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit
                                        ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig
                                        dienstverband, en </al></li><li nr="b"><al>6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende
                                        salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is
                                        van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en </al></li><li nr="c"><al>1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor
                                        de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien
                                        verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij
                                        een volledig dienstverband. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd
                                bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al> 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw
                                        geldende salaris, en </al></li><li nr="b"><al> indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de
                                        ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van
                                        opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor
                                        maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 9a:9 lid 1, onderdeel
                                        b van toepassing is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend
                                op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde
                                salaristoelage(n). Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris
                                dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en
                                met 4 dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in
                                die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende
                                salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een
                                persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is
                                opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 van hoofdstuk 3.
                            </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Op de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:1 is lid 2, onderdeel c van
                                dit artikel niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de
                                ambtenaar bedoeld in artikel 9b:50.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:29 Doelen IKB</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor:</al><lijst><li nr="a"><al>het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal
                                        de aanstellingsduur per week gedurende het
                                        kalenderjaar;</al></li><li nr="b"><al> extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum
                                        van het tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde
                                        IKB;</al></li><li nr="c"><al> het financieren van een opleiding, indien en voor zover
                                        deze niet door de gemeente wordt vergoed en de geldende
                                        fiscale regelgeving de besteding van het IKB aan dit doel
                                        belastingvrij mogelijk maakt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1
                                aanvullen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:30 Doelen IKB</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te
                                gebruiken voor een of meerdere van de in artikel 3:29 genoemde
                                doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke
                                maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar
                                moet maken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een
                                deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het
                                resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het
                                gereserveerde IKB op een later moment in het lopende kalenderjaar
                                besteden. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking in
                                december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de salarisbetaling
                                van die maand uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget
                                toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking
                                op hetzelfde kalenderjaar. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden
                                teruggestort in het IKB. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur</titel></kop><al>Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt het
                            IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende uurloon
                            in de maand waarin hij de vakantie-uren koopt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB bij
                                de laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de
                                overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de nagelaten
                                betrekkingen zoals omschreven in artikel 3:23, lid 2 en 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:33 Wet- en regelgeving</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen,
                                pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze
                                gevolgen te kennen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij is
                                uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing
                                of eventuele boetes op de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen
                                van wet- en regelgeving dan wordt dat niet gecompenseerd door het
                                college. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met
                                geldende wet- en regelgeving.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de periode
                                van juni 2016 tot en met december 2016 op grond van artikel 6:3
                                zoals dat gold op 31 december 2016 wordt uitbetaald bij de
                                salarisbetaling van mei 2017. Dit bedrag maakt geen onderdeel uit
                                van het IKB. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan wordt
                                de opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de laatste
                                salarisbetaling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:35 Overige bepalingen </titel></kop><al>Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie artikel
                            19b:10 van toepassing is, is artikel 3:28, lid 3, niet van toepassing.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Overige individuele keuzemogelijkheden</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste
                                72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd
                                dienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel
                                3:29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit
                                artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij
                                zwaarwegende bedrijfsof dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 3:31 is van overeenkomstige toepassing.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Overgangsrecht </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december
                                    2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden
                                    waaronder ze zijn toegekend.</al></li><li nr="2"><al>Lokale financiële arbeidsvoorwaarden <noot id="FN740781_1"><noot.al>Bruto blijft bruto, netto blijft netto.</noot.al></noot> die op al het personeel binnen een gemeente worden
                                    toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale
                                    bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor
                                    het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het
                                    zittende personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de
                                    toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1. </al></li><li nr="3"><al>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale
                                    bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen
                                    (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per
                                    1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op
                                    basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle
                                    andere relevante factoren) voor elke medewerker die het betreft
                                    bepaald:</al><lijst><li nr="a"><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen
                                            zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels
                                            voor toelagen/vergoedingen </al></li><li nr="b"><al> hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen
                                            zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek.</al></li></lijst><al> Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag)
                                    deel 2. </al></li><li nr="4"><al>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage
                                    overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                    loonontwikkelingen.</al></li><li nr="5"><al> Er zijn geen anticumulatiebepalingen. </al></li><li nr="6"><al> Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een
                                    keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december. </al></li><li nr="7"><al> De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op
                                    jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze
                                    afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.</al></li><li nr="8"><al>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt,
                                    dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd.
                                </al></li><li nr="9"><al> Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de
                                    toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al></li><li nr="10"><al> Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen
                                    effect. </al></li><li nr="11"><al> Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
                                    betaling in termijnen gemaakt worden.</al></li><li nr="12"><al> Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op
                                    31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over
                                    de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het
                                    nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval
                                    van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht
                                    zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale
                                    regeling niet was vervallen, krijgen de
                                    ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op
                                    31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het
                                    ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De
                                    gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe
                                    hoofdstuk 3. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:28:1:1 Indexering diverse bedragen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Financiële arbeidsvoorwaarden waarvoor het college geen afzonderlijke
                            indexering heeft vastgesteld, volgen de door het college vastgestelde
                            begrotingsrichtlijnen zoals nader opgenomen in bijlage 10. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De bedragen van onderhoudsbonnen als bedoeld in artikel 3:22:1:1 worden
                            ineens verhoogd en afgerond naar een bedrag dat eindigt op een 5 of 0,
                            zodra de indexering conform de door het college vastgestelde
                            begrotingsrichtlijnen, te rekenen vanaf 1 januari 2016, sinds de laatste
                            aanpassing van de bedragen van de onderhoudsbonnen cumulatief de € 4
                            overstijgt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:29:1:1 Doelen IKB</titel></kop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> Het college wijst met toepassing van artikel 3:29, tweede lid van de
                            ARGA de volgende lokale doelen aan: </al><lijst><li nr="a"><al> Reiskosten woon-werkverkeer, ten hoogste gelijk aan de fiscaal
                                    vrijgestelde vergoeding: € 0,19 per kilometer; </al></li><li nr="b"><al> Bedrijfsfitness, ten hoogste € 160,- ;</al></li><li nr="c"><al> Contributie vakbondslidmaatschap (niet gemaximeerd); </al></li><li nr="d"><al> Aanschaf van een complete fiets, ten hoogste € 749,- inclusief
                                    BTW voor een fiets, accessoires voor een bedrag van € 246,-,
                                    waarop in mindering komen de onderhoudsbonnen als bedoeld in
                                    artikel 3:22:1:1 ARGA en een fietsverzekering (niet
                                    gemaximeerd). </al></li></lijst><tussenkop><vet> Lid 2 </vet></tussenkop><al> Voor zoveel als mogelijk gelden de voorwaarden zoals die tot en met 31
                            december 2016 golden op van de hoofdstukken 30a (<plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Keuzemodel arbeidsvoorwaarden)" type="tekst" id="i289991"></illustratie></plaatje> en 30b (<plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Fietsregeling" type="tekst" id="i289992"></illustratie></plaatje>) van de ARGA. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </titel></kop><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming
                            van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Bedrijfstijd:</vet> De tijd waarin medewerkers op kantoor
                                    werkzaamheden kunnen verrichten. Dit is afhankelijk van de
                                    openingstijden van het kantoorpand. </al></li><li nr="b"><al><vet>Beschikbaarheidsdienst:</vet> Een dienst waarbij de
                                    medewerker zich buiten de voor zijn functie vastgestelde
                                    werktijden volgens rooster ter beschikking moet houden voor het
                                    verrichten van werkzaamheden. </al></li><li nr="c"><al><vet>Bloktijd:</vet> De tijden waarop medewerkers in principe
                                    werkzaam moeten zijn op kantoor. </al></li><li nr="d"><al><vet>Compensatieuren:</vet> de uren waarmee de feitelijke
                                    arbeidsduur de formele arbeidsduur overschrijdt over een jaar
                                    berekend. </al></li><li nr="e"><al><vet>Dienstbelang:</vet> factoren die van invloed zijn op de
                                    bedrijfsvoering o.m. efficiency-effecten, noodzakelijke
                                    bezetting, mogelijkheid tot het bijwonen van noodzakelijk
                                    geachte overlegvormen, belangen van andere medewerkers in een
                                    organisatie-onderdeel, dienstverlening aan publiek, vastgestelde
                                    bloktijden, etc. </al></li><li nr="f"><al><vet>Feitelijke arbeidsduur:</vet> Het aantal uren dat de
                                    medewerker in een bepaalde periode arbeid heeft verricht. </al></li><li nr="g"><al><vet>Formele arbeidsduur:</vet> De volgens de aanstelling
                                    vastgestelde omvang van het aantal uren dat de medewerker in een
                                    bepaalde periode arbeid moet verrichten. </al></li><li nr="h"><al><vet>Medewerker:</vet> De ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1,
                                    eerste lid, sub a van de ARGA, alsmede uitzendkrachten,
                                    detacheringskrachten, stagiaires en personen die anderszins
                                    werkzaam zijn bij de werkgever. </al></li><li nr="i"><al><vet>Pauze:</vet> Een periode van een onafgebroken aantal
                                    minuten waarop geen arbeid wordt verricht. </al></li><li nr="j"><al><vet>Persoonlijk belang:</vet> factoren die van invloed zijn op
                                    de privé-sfeer o.m. zorgtaken, vrijetijdsbesteding,
                                    familieverplichtingen, studie, veiligheid/gezondheid etc. </al></li><li nr="k"><al><vet>Werkgever:</vet> Het college</al></li><li nr="l"><al><vet>Werktijd:</vet> De periode waarop door de medewerker arbeid
                                    wordt verricht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:2 Toepassing</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De werktijdenregeling is van toepassing op alle medewerkers. De regeling
                            bestaat uit een standaard- en een bijzondere regeling. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De standaardregeling geldt voor de medewerkers die zelf regelruimte
                            hebben voor het bepalen van hun werktijden. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De bijzondere regeling is van toepassing op medewerkers die op
                            wisselende tijden volgens rooster werken, waarvoor de individuele
                            werktijden eenzijdig door de werkgever worden vastgesteld. De werkgever
                            bepaalt welke functiegroep(en) en functies onder de bijzondere regeling
                            vallen. Deze functiegroep(en) en functies zijn opgenomen in Bijlage A
                            van deze regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:3 Arbeidsduur</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De formele arbeidsduur bedraagt bij een voltijd dienstverband gemiddeld
                            36 uur per week en 1823,66 uur per jaar.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>Bij een deeltijd dienstverband is de formele arbeidsduur per week het
                            aantal uren dat in de aanstelling is vermeld. De formele arbeidsduur per
                            jaar wordt naar rato berekend.</al><tussenkop><vet>Lid 3 </vet></tussenkop><al>De feitelijke arbeidsduur kan afwijken van de formele arbeidsduur, met
                            inachtneming van de artikelen uit dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:4 Werktijden</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De werktijd bedraagt per dag maximaal 11 uur. De arbeidsduur bedraagt
                            ten hoogste 50 uur per week.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De werktijden worden in overleg met de leidinggevende vastgesteld.
                            Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen persoonlijk belang en
                            dienstbelang. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De medewerker heeft recht op de pauzeregeling overeenkomstig artikel
                            5:4, tweede lid Arbeidstijdenwet. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:5 Compensatie-uren</titel></kop><al>Compensatie-uren zijn opneembaar volgens de regels die gelden voor
                            vakantieverlof. Compensatie-uren, die niet zijn opgenomen in het
                            kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd, vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:6 Doktersbezoek e.d.</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Doktersbezoek, tandartsbezoek, ziekenhuisbezoek, e.d. dienen buiten
                            werktijd plaats te vinden. </al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>Wanneer het niet mogelijk is om een bezoek als bedoeld in het eerste lid
                            buiten werktijd plaats te laten vinden danwel indien er sprake is van
                            bijzondere omstandigheden, treden leidinggevende en medewerker in
                            overleg om tot een passende oplossing te komen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:7 Dagvenster</titel></kop><al>Medewerkers kunnen werkzaamheden verrichten binnen het dagvenster van
                            maandag tot en met vrijdag tussen 7.00 uur en 22.00 uur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:8 Bezetting en werkafspraken</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De leidinggevende is verantwoordelijk voor de bezetting van de afdeling.
                            Op grond van artikel 4:2:1:2 ARGA kan de werkgever (na instemming van de
                            Ondernemingsraad bloktijden vaststellen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Eenmaal per jaar worden basisafspraken gemaakt tussen de leidinggevende
                            en de medewerker over de werktijden, verlof en werkplanning binnen het
                            dagvenster. Deze onderwerpen worden besproken tijdens het jaargesprek en
                            schriftelijk vastgelegd. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Uitgangspunt bij het maken van de basisafspraken over werktijden is een
                            efficiënte en effectieve bedrijfsvoering, een goede procesgang van de
                            werkzaamheden op de afdeling, bereikbaarheid voor interne en externe
                            klanten en een optimale samenwerking op en tussen de afdelingen. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De volgende onderwerpen dienen in ieder geval te worden besproken:</al><lijst><li nr="-"><al>Het aantal uren per werkdag dat de medewerker normaal gesproken
                                    werkt. </al></li><li nr="-"><al> Het opnemen van compensatie-uren.</al></li><li nr="-"><al> Een afweging tussen het persoonlijk belang van de medewerker en
                                    het dienstbelang. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Bijstelling van de afspraken kan in overleg plaatsvinden. In ieder geval
                            worden tweemaal per jaar de basisafspraken over werktijden, verlof en
                            werkplanning geëvalueerd. </al><tussenkop><vet>Lid 6 </vet></tussenkop><al>Wanneer de medewerker binnen het dagvenster werkzaamheden moet
                            verrichten buiten de afgesproken werktijden, wordt de gewerkte tijd op
                            een ander moment gecompenseerd. De leidinggevende en de medewerker maken
                            samen afspraken om de tijd op korte termijn te compenseren. Deze uren
                            kunnen niet opgespaard worden of worden omgezet in vakantie-uren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:9 Thuiswerken</titel></kop><al>De medewerker kan de leidinggevende verzoeken om thuis te werken. Een
                            dergelijk verzoek zal worden bekeken in het licht van het
                            thuiswerkbeleid. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:10 Buitendagvenstervergoeding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>Indien de medewerker, in opdracht van de leidinggevende, buiten het
                            dagvenster werkzaamheden moet verrichten, komt hij in aanmerking voor de
                            buitendagvenstervergoeding zoals beschreven in artikel 3:12 ARGA. Deze
                            vergoeding bedraagt per gewerkt uur een percentage van het uurloon. De
                            gewerkte uren buiten het dagvenster worden in tijd gecompenseerd. De
                            medewerker maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De medewerker die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11 of
                            hoger verbonden is, heeft conform artikel 3:12 ARGA geen recht op een
                            buitendagvenstervergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:11 Bijzondere regeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al> De bijzondere regeling is van toepassing op de in bijlage A opgenomen
                            functiegroep(en) en functies. </al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De leidinggevende stelt voor deze groep eenzijdig de individuele
                            werktijden vast conform artikel 4:4 ARGA.</al><tussenkop><vet>Lid 3 </vet></tussenkop><al>De werkgever kan met instemming van de OR de in de bijlage A genoemde
                            functies/functiegroep(en) wijzigen.</al><tussenkop><vet>Lid 4 </vet></tussenkop><al>Medewerkers in de bijzondere regeling kunnen conform de bepalingen in de
                            ARGA aanspraak maken op de overwerkvergoeding (artikel 3:18 ARGA),
                            toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11 ARGA), en
                            beschikbaarheidsvergoeding (artikel 3:13 ARGA). </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:12 Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet,
                            kan de werkgever een bijzondere voorziening treffen. Dit geldt in het
                            bijzonder voor afspraken waarbij door wijziging van de omstandigheden
                            het resultaat van de afweging tussen persoonlijk belang en dienstbelang
                            onevenredig anders uitvalt of als de gezondheid/veiligheid van de
                            medewerker in gevaar komt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage A Werktijdenregeling Gemeente Amerfoort (1 oktober
                                2015)</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdeling</al></entry><entry colname="col2"><al>Team</al></entry><entry colname="col3"><al>Functie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Interne Dienstverlening en Advies (IDA)</al></entry><entry colname="col2"><al>UTV-BK (team uitvoering-Bodekamer) </al></entry><entry colname="col3"><al>Bode/chauffeur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>UTV-FD (team uitvoering-facility desk) </al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker facility desk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>IT Dienstverlening en Advies (ITD)</al></entry><entry colname="col2"><al>BE (team beheer)</al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker servicedesk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>BE (team beheer)</al></entry><entry colname="col3"><al>Senior ICT specialist</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>AM (team applicatiemanagement)</al></entry><entry colname="col3"><al>Technisch Applicatiebeheerder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Burgerzaken (BZ)</al></entry><entry colname="col2"><al>BZ (afdeling burgerzaken)</al></entry><entry colname="col3"><al>Teamleider</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Allround medew.BS/productbeheer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Allround medewerker BS</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Coördinator Klantstromen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Mdw. dienstverlening/productbeheer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker dienstverlening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Specialist burgerzaken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Publiekscontact en Advies (PCA)</al></entry><entry colname="col2"><al>KCC (afdeling klant contact centrum)</al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker Klantcontact A</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker Klantcontact B</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker Klantcontact C</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Loket Werk, Inkomen en Zorg (WIZ)</al></entry><entry colname="col2"><al>KB1 (afdeling klantbeheer 1)</al></entry><entry colname="col3"><al>Sociaal Rechercheur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woon en Werkklimaat (WW)</al></entry><entry colname="col2"><al>MH (markt en haven) </al></entry><entry colname="col3"><al>Adjunct markt- en havenmeester</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Assistent markt- en havenmeester</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Markt- en havenmeester</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergunning, Toezicht en Handhaving (VTH)</al></entry><entry colname="col2"><al>HOR (handhaving openbare ruimte)</al></entry><entry colname="col3"><al>Handhaver / boa</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Toezichthouder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Crematorium en Begraafplaatsen Amersfoort (CBA)</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Adjunct-bedrijfsleider</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Coördinator gebouwen en groen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker klantcontacten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Ceremoniebegeleider</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker bedrijfsvoering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker gebouwen en groen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Medewerker horeca</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage B Tekst artikel 5:4, tweede lid Arbeidstijdenwet</titel></kop><al> Artikel 5:4, lid 1 en lid 2 Arbeidstijdenwet d.d. 1 februari 2014 is
                            als volgt: </al><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>De werkgever organiseert de arbeid van een jeugdige werknemer zodanig
                            dat, indien hij meer dan 4,5 uren arbeid per dienst verricht, zijn
                            arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken door een pauze. De pauze
                            bedraagt ten minste 30 minuten, die zonodig kan worden gesplitst in
                            pauzes van elk ten minste 15 minuten.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De werkgever organiseert de arbeid van een werknemer van 18 jaar of
                            ouder zodanig, dat indien hij: </al><lijst><li nr="a"><al> meer dan 5,5 uren arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt
                                    onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten, die kan
                                    worden gesplitst in pauzes van elk ten minste 15 minuten;</al></li><li nr="b"><al> meer dan 10 uren arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt
                                    onderbroken door een pauze van ten minste 45 minuten, die kan
                                    worden gesplitst in pauzes van elk ten minste 15 minuten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                                dagvenster.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en
                                22:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar
                                afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de
                                werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt
                                dat</al><lijst><li nr="a"><al> hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar
                                        en het college;</al></li><li nr="b"><al>de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet
                                        blijven; </al></li><li nr="c"><al> de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per
                                        week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan
                                        wordt afgeweken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de
                                werktijden aangepast worden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de
                                werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het
                                ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt
                                tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de
                                afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college
                                het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar
                                onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de
                                overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar
                                ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van
                                het uurloon of een uur vakantieverlof. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster
                                wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren
                                die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een
                                buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster
                                vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van
                                overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de
                                werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college
                                wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met
                                afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten
                                aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling
                                als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang
                                incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden
                                die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van
                                het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen
                                overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een
                                vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de
                                buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel
                                3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over
                                de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om
                                verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen
                                gemotiveerd kan afwijken. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer
                                dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan
                                blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:1:1</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het college heeft Goede Vrijdag en Bevrijdingsdag aangewezen als dagen
                            waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Op 5, 24 en 31 december kan de ambtenaar het werk om 16.00 uur
                            beëindigen, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. Voor de
                            toepassing van verlof- en salaristoelagenregelingen blijft de
                            gebruikelijke arbeidsduur op die dag gelden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:1:2 </titel></kop><al>De directeur van een sector kan (na instemming van de
                            onderdeelcommissie) voor zijn sector of onderdelen daarvan:</al><lijst><li nr="-"><al>Bloktijden vaststellen</al></li><li nr="-"><al>In afwijking van artikel 4:2:1:1 een andere regeling
                                    vaststellen</al></li></lijst><al>Een andere dan de gebruikelijke werktijdenregeling vaststellen bij
                            extreme weersomstandigheden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:1:3 </titel></kop><al>Hetgeen in artikel 4:5 lid 3 is bepaald ten aanzien van het verrichten
                            van arbeid op zondag, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de
                            Goede Vrijdag, Bevrijdingsdag en iedere dag die daarboven door het
                            college wordt aangewezen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al></li><li><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                            eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per
                                week. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het
                                college deze vast in een rooster. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in
                                acht genomen: </al><lijst><li nr="a"><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang
                                        bekend gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b"><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend
                                        vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT
                                        wordt ontweken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag,
                                tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking
                                hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel
                                mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende
                                kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn
                                zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de
                                nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede
                                Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van
                                de koning wordt gevierd. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in
                                dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is
                                bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of
                                plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn
                                aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is
                                gesloten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de
                                zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe
                                strekkend verzoek heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of
                            zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij
                            arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:7 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6
                            nadere regels stellen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in
                                dienstroosters</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters
                            </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de
                                ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van
                                dit artikel een werktijdenregeling vast. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg
                                voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                    verlofspaarmogelijkheid</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>opgebouwde verloftegoed: </vet>het voor 1 april 2006
                                        opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                        verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b"><al><vet> kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed:</vet>
                                        het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een
                                        geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten
                                        hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon
                                        van de ambtenaar</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door
                                het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als
                                mogelijk in een aaneengesloten periode.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                                verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden
                                voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer
                                de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het
                                gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn
                                levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                                verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de
                                wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een
                                bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden
                                gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een
                                verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde
                                verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden
                                voldaan. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende
                                opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de
                                opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de
                                maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de
                                ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander
                                dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen,
                                wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed
                                uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:10
                                wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het
                                ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien
                                dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde
                                verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
                            </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de
                                ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na
                                afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt
                                het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het
                                tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2,
                                het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
                                bepaalde in het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het
                                college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende
                                opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                                uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon
                                van de ambtenaar. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Seniorenmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 5a is vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Vakantie en verlof</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6:1 Recht op vakantie</titel></kop><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                            salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1,
                                wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen
                                verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel
                                6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt verleend door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2 Duur vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt
                                ten minste 144 uur per kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                                verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar
                                te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een
                                maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als
                                bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor
                                een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1 Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college
                                algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor
                                een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar
                                evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien
                                van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een
                                vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of
                                bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het
                                tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene
                                regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten
                                aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien
                                regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt
                                gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde
                                verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.
                            </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college
                                bijzondere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1:1 Duur vakantieverlof</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De duur van het vakantieverlof bedraagt 158,4 uren per jaar voor een
                            ambtenaar met een volledig dienstverband. Daarvan is 14,4 uur
                            buitenwettelijk verlof. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De in het eerste lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt
                            verhoogd:</al><lijst><li nr="a"><al> ingaande het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van
                                    35 jaar bereikt en verder elke vijf jaar later, het laatst
                                    ingaande het kalenderjaar waarin hij de leeftijd van 50 jaar
                                    bereikt, telkens met 7,2 uren;</al></li><li nr="b"><al> voor minderjarige ambtenaren:</al><lijst><li nr="1"><al> voor ambtenaren die op 31 december van enig jaar 18
                                            jaar of jonger zijn, met 21,6 uren (drie keer 7,2
                                            uren);</al></li><li nr="2"><al> voor ambtenaren die in enig jaar 19 jaar worden, met
                                            14,4 uren (twee keer 7,2 uren);</al></li><li nr="3"><al> voor ambtenaren die in enig jaar 20 jaar worden, met
                                            één keer 7,2 uren.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Jaarlijks kan het college, in overleg met de Ondernemingsraad, maximaal
                            3 werkdagen als verplicht vrije dagen aanwijzen. Indien het college van
                            deze mogelijkheid gebruik maakt wordt dit voorafgaand aan het
                            kalenderjaar waarop de aanwijzing betrekking heeft, aan medewerkers
                            kenbaar gemaakt. Het verloftegoed van de medewerker wordt – na opdracht
                            daartoe van de medewerker via de digitale verlofkaart - verminderd met
                            het aantal uren dat de medewerker gebruikelijk op de aangewezen dagen
                            had gewerkt. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Indien een ambtenaar op verplicht vrije uren als bedoeld in het vierde
                            lid moet werken wordt aan hem niet om die reden extra compensatie
                            verstrekt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten
                                minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen,
                                aaneensluitend verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder
                                voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste
                                lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar
                                wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële
                                feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond
                                anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het
                                huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in
                                eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden
                                verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie
                                eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de
                                vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen
                                van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel
                                mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of
                                wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato
                                van de tijd dat hij zijn functie vervult.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het
                                eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie
                                vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd
                                behoudens het bepaalde in het derde lid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                                vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;</al></li><li nr="b"><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                                werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn
                                arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de
                                ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou
                                werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met
                                ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een
                                vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de
                                ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                                kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem
                                die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende,
                                doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de
                                vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten
                                het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het
                                college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan
                                met 1/3 worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:5 Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                                redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten
                                gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts
                                gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van
                                die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het
                                aantal genoten vakantie-uren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie
                                geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet
                                is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                        schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of</al></li><li nr="c"><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor
                                        eerste oefening,</al></li></lijst><al> wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar
                                verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de
                                andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld
                                onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie
                                minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk
                                kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren
                                verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande,
                                dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan
                                opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid
                                1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de
                                ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit dienstverband</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan
                            zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding
                            worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of
                                gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het
                                einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip
                                om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit
                                vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet
                                mogelijk is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof
                                gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het
                                college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</titel></kop><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of
                            gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het
                            einde van dat kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3:1:1 Vakantietoelage</titel></kop><al>Voor de gemeente Amersfoort geldt in plaats van hetgeen gesteld staat in
                            het eerste lid van artikel 6:3:1 het volgende. De vakantietoelage,
                            bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over
                            de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het
                            voorafgaande kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten-
                                en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit
                                verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere
                                gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met
                                behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan worden
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid,
                                toegelaten organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke
                                inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is
                                verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het
                                huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt
                                voltrokken. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal
                                plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1:1 Nadere regeling buitengewoon verlof</titel></kop><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt aan de
                            ambtenaar door het college naast het gestelde in artikel 6:4:1 eveneens
                            verlof met behoud van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                            verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>Voor het deelnemen aan examens welke voor de functie die de
                                    ambtenaar vervult van belang moeten worden geacht;</al></li><li nr="b"><al> Voor gehuwden en geregistreerde partners of voor hen die een
                                    eigen huishouding hebben bij verhuizing zoveel verlof als nodig
                                    is om eenmaal per jaar de vrije beschikking te hebben over een
                                    aaneengesloten periode van twee dagen;</al></li><li nr="c"><al> Gedurende 1 werkdag indien deze samenvalt met de dag van zijn
                                    ondertrouw of de aangifte van zijn geregistreerd partnerschap en
                                    bij zijn huwelijk of zijn geregistreerd partnerschap zoveel
                                    verlof dat de ambtenaar over een aaneengesloten periode van vier
                                    dagen de vrije beschikking heeft;</al></li><li nr="d"><al> Gedurende 1 werkdag indien deze samenvalt met de dag waarop de
                                    ambtenaar zijn 25-, 40,- of 50-jarig ambts-, huwelijks- of
                                    geregisteerd partnerschapsjubileum viert dan wel waarop zijn
                                    ouders, pleegouders, stief- of schoonouders hun 25-, 40-, 50-,
                                    of 60-jarig huwelijksjubileum vieren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend
                                zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak
                                op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen
                                opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op
                                zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof
                                geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                langdurend zorgverlof. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen,
                                wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de
                                duur van de vakantie beëindigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>Centrales van overheidspersoneel: </al><lijst><li nr="1"><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);
                                            </al></li><li nr="2"><al>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs
                                                Personeel (CCOOP); </al></li><li nr="3"><al>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen
                                                bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen
                                                (CMHF). </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Verenigingen van ambtenaren:</al><al>de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de
                                        onder a genoemde centrales van overheidspersoneel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                        verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene
                                        verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren
                                        dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van
                                        algemene vergaderingen van een landelijke groep van
                                        gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het
                                        hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                        afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat
                                        van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte
                                        daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum
                                        van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; </al></li><li nr="b"><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij
                                        lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                        bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of
                                        bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid
                                        is van een landelijke groepsraad;</al></li><li nr="c"><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de
                                        centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar
                                        is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn
                                        vereniging aan die vergadering deelneemt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door
                                het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) verleend: </al><lijst><li nr="a"><al>om, indien hij daartoe door een centrale van
                                        overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of
                                        door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen.</al><lijst><li nr="-"><al>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende
                                                activiteiten te ontplooien binnen die centrale of
                                                die daarbij aangesloten vereniging,
                                                onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat,
                                                welke ertoe strekken de doelstellingen van deze
                                                centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij
                                                aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel
                                                voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; </al></li><li nr="-"><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per
                                                jaar voor een organisatie met minder dan 400
                                                medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie
                                                met meer dan 400 medewerkers; </al></li><li nr="-"><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50
                                                uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400
                                                medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een
                                                organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien
                                                verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof
                                                wordt toegekend aan maximaal een
                                                arbeidsvoorwaardenadviseur</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren
                                        - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten
                                        behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt
                                        gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee
                                        kalenderjaren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week
                                van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid
                                onder de a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de
                                ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten
                                hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat
                                ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar
                                die: </al><lijst><li nr="a"><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                        overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1
                                        of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die
                                        rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. </al></li><li nr="b"><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in
                                        het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een
                                        sector of sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar
                                die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder
                                dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en
                                b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan
                                de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld
                                in het eerste lid, onder b. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij
                                lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel
                                12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de
                                vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per
                                uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de
                                voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die
                                door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen
                                als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1,
                                tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels
                                stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede,
                                derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur
                                per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond
                                van de Waz. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor
                                de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang
                                van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en
                                voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en
                                de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak
                                heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding -
                                wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de
                                tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet
                                een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan
                                worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof
                                overeenkomende tijd niet te boven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                                vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het
                            genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende
                            salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden,
                            verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel
                            6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal
                            één jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                functie voor ten hoogste twee jaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                                het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</titel></kop><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                            mindering gebracht op de vakantie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald
                                ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit
                                verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur
                                per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar
                                die wordt gesalarieerd volgens:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>schaal 1:</al></entry><entry colname="col2"><al>90%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col2"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col2"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col2"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het
                                betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht.
                                Het college kan hieromtrent nadere regels stellen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek
                                indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een
                                zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college
                                hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende
                                ouderschapsverlof wordt opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:2 Meerlingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op
                                betaald ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                                kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                                mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie</titel></kop><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet,
                            wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                            ouderschapsverlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1,
                                eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft
                                genoten, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a"><al>het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij
                                        een andere gemeente; </al></li><li nr="b"><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege
                                        werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag
                                        heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde
                                        partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken
                                        noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor
                                minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof
                                vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelagen,
                                die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee
                                zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt,
                                dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het
                                eerste en derde lid bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende
                                bepaling</titel></kop><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid
                            voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a:1 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt
                                in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het
                                UWV. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt
                                opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te
                                wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende
                                salaristoelagen in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of
                                pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het
                                UWV.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                                de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                                vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd,
                                danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                                geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de
                                Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in
                                mindering gebracht. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                artikel 7:3, niet op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                                levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente
                                kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een
                                periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18
                                maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op
                                maximaal één periode van onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid
                                gestelde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                arbeidsduur of op een deel daarvan. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee
                                maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij
                                onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                hiermee instemmen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof
                                geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                                vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                                het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is,
                                eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in
                                schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake
                                is van verlof voorafgaand aan pensionering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof</titel></kop><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6a De gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling als
                                    bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b"><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                    kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                    vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c"><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                    ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                    ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d"><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door de
                                    ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                    ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e"><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een
                                    levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                    kapitaal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen
                                zoals genoemd in artikel 6a:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten
                                aanzien van dit levenslooptegoed. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed
                                van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn
                                opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                                dienst is. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet
                                aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname
                                stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:5 Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg
                                per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6
                                genoemde bronnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:6 Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                            levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:</al><lijst><li nr="a"><al> het salaris; </al></li><li nr="b"><al> het IKB indien het college de levensloopregeling op grond van
                                    artikel 3:29 lid 2 heeft aangewezen als bestedingsdoel van het
                                    IKB; </al></li><li nr="c"><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren,
                                    bedoeld in artikel 3:36; </al></li><li nr="d"><al> het opgebouwde verloftegoed, bedoeld in artikel 4:9 lid 3.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7a Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                daarnaast:</al><lijst><li nr="a"><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c"><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</titel></kop><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de
                            opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en
                            hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste
                            ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn)
                            levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet
                            plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:10 Slotbepaling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk
                            9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van
                            hoofdstuk 9b van toepassing is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:11 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Definities</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:1 Definities</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:1 Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de krachten
                                        en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                        aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                                        sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al></li><li nr="b"><al><vet>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie:</vet>
                                        loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer
                                        in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn
                                        vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9,
                                        derde lid;</al></li><li nr="c"><al><vet>scholing in het kader van de
                                        reïntegratie:</vet>scholing die gericht is op terugkeer in
                                        de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn
                                        vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9,
                                        derde lid;</al></li><li nr="d"><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                        arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in
                                        overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de
                                                bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
                                                worden verricht of;</al></li><li nr="-"><al>in een dienstongeval verband houdende met de aard
                                                van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere
                                                omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten
                                                worden verricht;</al></li></lijst><al>en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te
                                        wijten; </al></li><li nr="e"><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te
                                        stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en
                                        bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                                        verdienen;</al></li><li nr="f"><al><vet>arbodienst:</vet>een dienst als bedoeld in artikel 17,
                                        eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g"><al><vet>inactieve:</vet>de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                        aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering,
                                        WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die
                                        direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een
                                        gemeente;</al></li><li nr="h"><al><vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een uitkering
                                        functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van het ABP
                                        of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze
                                        uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of
                                        inactieve was;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al></li><li><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al></li><li><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al></li><li><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                    ambtenaar</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                            bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</titel></kop><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                            deskundige(n).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
                                overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt
                                door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig
                                door het college te stellen regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te
                            consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met
                            zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: </al><lijst><li nr="a"><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                        aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede
                                        gezondheidstoestand van de ambtenaar; </al></li><li nr="b"><al> indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt
                                        is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn
                                        functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische
                                        oorzaken zijn aan te wijzen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het
                                eerste lid, te onderwerpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van een
                                zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat
                                naar het oordeel van de arbodienst de belangen van de ambtenaar, die
                                van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich
                                tegen voortzetting van zijn werkzaamheden verzetten, wordt de
                                ambtenaar door het college buiten dienst gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet
                                plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke
                                of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij
                                tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor
                                zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                                toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld
                                met een verhindering wegens ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                                bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te
                                laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het
                                herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud,
                                het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende
                                    salaristoelagen</al></li><li><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                                    onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al></li><li><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst</al></li><li><al>Artikel 7:6 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                    arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al></li><li><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al></li><li><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al></li><li><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al></li><li><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                    toepassing van artikel 2:7a</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende
                                salaristoelagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg
                                van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid
                                gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn
                                volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende
                                de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van
                                90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12
                                maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand
                                recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24
                                maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling
                                van 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                                gebreken verstaan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop hij: </al><lijst><li nr="a"><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b"><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c"><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                                        verricht;</al></li><li nr="d"><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht
                                op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                dienst.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende ten
                                minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende
                                arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of
                                scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het
                                zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van
                                5% berekend over het salaris en de toegekende salaristoelagen waar
                                hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum
                                het salaris en de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in het
                                eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon,
                                berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is
                                als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het
                                eerste tot en met het vierde lid, op. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden
                                perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of
                                indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel
                                6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
                                geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                salaristoelagenzoals genoemd in het eerste, tweede, derde en vierde
                                lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een
                                andere functie. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht
                                op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of
                                ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste
                                lid, het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt
                                doorbetaald</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                                onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</titel></kop><al> De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet
                            heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                            salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de
                            ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou
                            hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst,
                                een aanvullende uitkering verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                                ambtenaar met een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat
                                nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering,
                                vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke
                                aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van het
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar heeft
                                genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is
                                afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij
                                een arbeidsongeschiktheid van: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>80% of meer: </al></entry><entry colname="col2"><al>95% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65 tot 80% </al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 tot 65% </al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 tot 55% </al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 tot 45% </al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het
                                        eerste lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van
                                dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van
                                wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of
                                bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van
                                het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
                                behandeling of verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                                voorschriften geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</titel></kop><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van
                            de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                            overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten
                            behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende
                            salaristoelage(n) tijdens ziekte, dient in een lokale regeling nader te
                            worden uitgewerkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</titel></kop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                            lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                toepassing van artikel 2:7a</titel></kop><al> De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a ,
                            kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is
                            bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de
                            arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur.
                            Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is
                            verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de
                            aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al></li><li><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking
                                    bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                    reïntegratie</al></li><li><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al></li><li><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al></li><li><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                    ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan
                                    ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al></li><li><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al></li><li><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al></li><li><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9 Verplichtingen college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te
                                treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat
                                de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat
                                wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht
                                en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid
                                voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de
                                ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan
                                van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het
                                plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
                                geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                                opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven
                                aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek-
                                en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:1:1 Protocol ziekteverzuim (ex artikel 7:9, lid 4
                                ARGA) </titel></kop><tussenkop><vet>Definities </vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al><vet> Ziekte:</vet>ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                    arbeid als rechtstreeks en objectief medisch gevolg van ziekte
                                    of gebrek<cursief>zijn arbeid: moet gaan om een aandoening
                                        waardoor de eigen arbeid niet kan worden verricht objectief
                                        medisch gevolg van ziekte of gebrek:</cursief> medisch
                                    deskundigen moeten kunnen aantonen dat er een objectief medische
                                    oorzaak ten grondslag ligt aan de aandoening <cursief>Pas als
                                        aan beide criteria is voldaan, wordt een aandoening als
                                        ziekte beschouwd en ontstaat er een recht op financiële
                                        aanspraken bij ziekte.</cursief></al></li><li nr="b"><al><vet> Medewerker: </vet>de ambtenaar in de zin van artikel 1:1
                                    ARGA</al></li><li nr="c"><al><vet>Leidinggevende:</vet>de direct leidinggevende van de
                                    medewerker </al></li><li nr="d"><al><vet> Bedrijfsarts:</vet>de bedrijfsgeneeskundige die is belast
                                    met het geneeskundige oordeel en advisering bij ziekte en
                                    re-integratie van medewerkers. </al></li><li nr="e"><al><vet> Casemanager: </vet>de leidinggevende van de medewerker,
                                    die verantwoordelijk is voor de verzuimbegeleiding </al></li><li nr="f"><al><vet> Verzuimcoördinator</vet> (Jaap van Dijk, tst 4260): de
                                    medewerker van FPA die als verzuimcoördinator is aangewezen. De
                                    verzuimcoördinator ondersteunt leidinggevenden (casemanagers) in
                                    de uitoefening van hun taken op het gebied van de Wet
                                    verbetering Poortwachter (WVP), de Wet Arbeid en Zorg (Wazo) en
                                    no-risk-polis Ziektewet (zgn. vangnetregelingen). Bewaakt het
                                    proces en signaleert mogelijke knelpunten of vertraging.
                                    Beantwoordt desgewenst vragen van medewerkers. </al></li><li nr="g"><al><vet> Verzuimmeldingscoördinatiepunt: </vet>degene die belast is
                                    met de registratie van ziekmeldingen binnen de afdeling; meestal
                                    het afdelingssecretariaat.</al></li><li nr="h"><al><vet> Kort verzuim: </vet>verzuim met een duur van 1 tot en met
                                    7 dagen </al></li><li nr="i"><al><vet>Middellang verzuim:</vet>verzuim met een duur van 8 tot en
                                    met 42 dagen </al></li><li nr="j"><al><vet>Lang verzuim:</vet>verzuim met een duur van 43 dagen of
                                    meer </al></li><li nr="k"><al><vet> Pims: </vet>Pims@all, het personeelsinformatiesysteem in
                                    de gemeente Amersfoort, waarvan de verzuimregistratie onderdeel
                                    uitmaakt</al></li></lijst><tussenkop><vet>A. ZIEKMELDING </vet></tussenkop><tussenkop><vet>1. De melding: </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> De medewerker meldt zich telefonisch ziek bij de leidinggevende
                                    op de eerste verzuimdag omstreeks het tijdstip waarop hij
                                    normaal begint, maar uiterlijk om 09.00 uur ‘s morgens.</al></li><li nr="-"><al> Als de leidinggevende niet bereikbaar is, meldt de medewerker
                                    zich ziek bij een naaste collega of het secretariaat, die de
                                    melding doorgeeft aan de leidinggevende. De leidinggevende belt
                                    dezelfde dag terug. </al></li><li nr="-"><al> Als de medewerker tijdens werktijd ziek naar huis gaat wordt
                                    dezelfde procedure gevolgd. </al></li><li nr="-"><al> Ziekte tijdens vakantie moet zo spoedig mogelijk worden gemeld
                                    op de bovenbeschreven manier (NB de medewerker moet achteraf de
                                    ziekte kunnen aantonen bijv. door een doktersverklaring of een
                                    rekening).</al></li></lijst><tussenkop><vet>2. Het ziekmeldingsgesprek </vet> tussen de medewerker en de
                            leidinggevende </tussenkop><al>De werkgever mag op grond van privacywetgeving niets vragen noch
                            registreren over de aard en oorzaak van ziekte. Hij mag alleen die
                            gegevens registreren die van belang zijn 1) voor het vaststellen van het
                            recht op loondoorbetaling en 2) voor de re-integratie van de zieke
                            medewerker. Het ziekmeldingsgesprek bevat de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al> De medewerker hoeft niet de precieze klachten te melden; dat
                                    mag uiteraard wel; de medewerker moet aangeven welke beperkingen
                                    hij heeft, waardoor hij zijn werkzaamheden niet kan uitoefenen.
                                </al></li><li nr="-"><al> onder welk telefoonnummer en op welke adres de medewerker
                                    bereikbaar is </al></li><li nr="-"><al> of er een arts is geraadpleegd, of wanneer dat gaat gebeuren
                                </al></li><li nr="-"><al> of er behoefte is aan snel contact met de bedrijfsarts of met
                                    andere personen (bijv. de P&amp;O-adviseur of één van de
                                    zorgverleners van het IZA/bedrijfszorgpakket zoals
                                    bedrijfsmaatschappelijk werk, bedrijfsfysiotherapeut,
                                    psycholoog. Zo ja, dan wordt hierover een concrete afspraak
                                    gemaakt. </al></li><li nr="-"><al> welke zaken moeten worden overgenomen, welke afspraken moeten
                                    worden afgezegd, wanneer hij/zij verwacht weer terug te zijn
                                    e.d. </al></li><li nr="-"><al> of de ziekte veroorzaakt is door een arbeidsongeval </al></li><li nr="-"><al> of de medewerker behoort tot een bijzondere groep (zie onder
                                    4); de leidinggevende is ervoor verantwoordelijk dat dit wordt
                                    geregistreerd in het registratiesysteem en wordt (telefonisch of
                                    per email) gemeld aan de verzuimcoördinator.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting: De werkgever mag op grond van privacywetgeving
                                niets vragen noch registreren over de aard en oorzaak van ziekte.
                                Hij mag alleen die gegevens registreren die van belang zijn 1) voor
                                het vaststellen van het recht op loondoorbetaling en 2) voor de
                                re-integratie van de zieke medewerker. Uitgangspunt van de wetgeving
                                is dat gezondheidsgegevens ten behoeve van werknemers worden
                                verwerkt door een bedrijfsarts. Deze informeert de werkgever
                                vervolgens over de functionele beperkingen van de zieke
                                medewerker.De leidinggevende beoordeelt, op basis van informatie
                                verkregen in het ziekmeldingsgesprek, of medewerker niet in staat is
                                om te werken (al dan niet in aangepaste vorm). Desgewenst vraagt de
                                leidinggevende medisch advies aan de bedrijfsarts of ondersteuning
                                van de P&amp;O adviseur. </cursief></al><tussenkop><vet>3. De registratie </vet></tussenkop><al>De registratie van de ziekmelding in het personeelsinformatiesysteem
                            gebeurt diezelfde dag via het verzuimmeldingscoördinatiepunt van de
                            afdeling. De leidinggevende is hiervoor verantwoordelijk. Wanneer de
                            medewerker behoort tot een van de bijzondere groepen (zie hieronder)
                            geeft de leidinggevende dit aan in het registratiesysteem en meldt dit
                            ook aan de verzuimcoördinator. De leidinggevende registreert dus niets
                            over de aard en oorzaak van de ziekte. Het veld ‘toelichting’ in het
                            tabblad van de ziekmelding wordt niet ingevuld.</al><tussenkop><vet>4. Bijzondere groepen (belangrijk i.v.m. financiële
                                aanspraken)</vet> zijn:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al> vrouwen die met
                                        <onderstreept>zwangerschapsverlof</onderstreept> gaan; in
                                    het registratiesysteem noteert de leidinggevende dat de
                                    medewerker zwanger is. </al></li><li nr="-"><al><onderstreept>zwangere vrouwen die ziek worden voorafgaand of
                                        aansluitend</onderstreept> aan hun zwangerschapsverlof, voor
                                    zover er een relatie is met de zwangerschap en/of bevalling;
                                </al></li><li nr="-"><al><onderstreept>heringetreden arbeidsgehandicapten</onderstreept>
                                    die ziek worden; </al></li><li nr="-"><al><onderstreept> medewerkers die afwezig zijn wegens
                                        orgaandonatie</onderstreept>; </al></li><li nr="-"><al><onderstreept>stagiaires</onderstreept> en
                                        <onderstreept>oproepkrachten</onderstreept> die ziek worden;
                                </al></li><li nr="-"><al> werknemers met
                                        <onderstreept>adoptie-/pleegzorgverlof</onderstreept> zoals
                                    bedoeld in artikel 6:8 ARGA; </al></li><li nr="-"><al> werknemers die <onderstreept>ziek worden aan het einde van hun
                                        dienstverband</onderstreept> (in verband met het eventuele
                                    recht op ziekengeld van het UWV na hun ontslag). Bovengenoemde
                                    medewerkers moeten gemeld worden bij het UWV. </al></li><li nr="-"><al> Medewerkers die door een <onderstreept>ongeval</onderstreept>
                                    dat aan de schuld van een ander is te wijten ziek zijn geworden.
                                    De leidinggevende meldt deze ongevallen bij Juridische Zaken,
                                    die evt. de schade gaan verhalen.</al></li></lijst><al>De verzuimcoördinator (FPA) zorgt voor verdere melding (UWV en
                            Juridische Zaken) als de zieke behoort tot een bijzondere groep zoals
                            hiervoor genoemd.</al><al><cursief>Toelichting: tijdige registratie van bijzondere groepen is
                                essentieel in verband met de financiële mogelijkheden, zoals
                                ziektewetuitkeringen en subsidiemogelijkheden. Zo krijgt de
                                werkgever voor een medewerkster die met zwangerschapsverlof is een
                                uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo-uitkering) en kan
                                schade als gevolg van een ongeval van een medewerker veroorzaakt
                                door een ander worden verhaald. De leidinggevende registreert direct
                                of de zieke medewerker behoort tot een van de bijzondere groepen.
                            </cursief></al><tussenkop><vet>B. VERZUIMBEGELEIDING (eerste 4 weken) </vet></tussenkop><tussenkop><vet>1. De leidinggevende: </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Is verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding en heeft, in
                                    vervolg op het ziekmeldingsgesprek, regelmatig contact met de
                                    zieke medewerker over de voortgang en mogelijke
                                    hervatting/re-integratie. Maakt hierover, al dan niet op basis
                                    van een advies van de bedrijfsarts (zie hierna), afspraken.
                                    Bouwt een compleet verzuimdossier op door alle acties en
                                    contactmomenten te registreren in PIMS. </al></li><li nr="-"><al> Neemt contact op met de bedrijfsarts indien voor de
                                    verzuimbegeleiding een advies van of controle door de
                                    bedrijfsarts nodig is. Licht het verzoek voor een advies of
                                    controle (normaal of spoed) door de bedrijfsarts schriftelijk
                                    (email) of mondeling toe met daarbij de concrete vraagstelling
                                    van hem/haarzelf en/of de medewerker. </al></li><li nr="-"><al>Maakt, indien noodzakelijk, afspraken met de bedrijfsarts over
                                    de betrokkenheid van de bedrijfsarts bij vervolgstappen en de
                                    frequentie ervan.</al></li><li nr="-"><al> Bespreekt bij frequent verzuim (na 3 ziekmeldingen) het
                                    verzuimgedrag met de medewerker. Doel van het gesprek: hoe kan
                                    de medewerker een vierde keer verzuim voorkomen. </al></li><li nr="-"><al> Bespreekt desgewenst in het Sociaal Medisch Team de begeleiding
                                    van de medewerker.</al></li><li nr="-"><al> Noteert na ieder contact met de medewerker de relevante (niet
                                    medische) gegevens in het personeelsinformatiesysteem, met
                                    behulp waarvan het traject mede bewaakt kan worden. De
                                    leidinggevende mag alleen registreren wat hij voor de
                                    loondoorbetaling nodig heeft en wat hij nodig heeft om zijn
                                    re-integratieverplichtingen te kunnen naleven.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting:de leidinggevende beoordeelt, op basis van
                                informatie, of medewerker niet in staat is om te werken (al dan niet
                                in aangepaste vorm). Desgewenst vraagt de leidinggevende medisch
                                advies aan de bedrijfsarts of ondersteuning van de P&amp;O adviseur.
                            </cursief></al><tussenkop><vet>2. De bedrijfsarts: </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Heeft geen contact met de medewerker, tenzij de leidinggevende
                                    of de medewerker hierom vraagt. </al></li><li nr="-"><al> Adviseert medewerkers op verzoek over preventie van verzuim en
                                    re-integratie. </al></li><li nr="-"><al> Adviseert en ondersteunt leidinggevende op zijn verzoek bij de
                                    verzuimbegeleiding. </al></li><li nr="-"><al> Voert op verzoek van de leidinggevende een spoedspreekuur uit
                                    of legt een huisbezoek af. </al></li><li nr="-"><al> Geeft na ieder (spreekuur)contact een terugkoppeling met een
                                    schriftelijk advies aan leidinggevende en medewerker, die
                                    hierover vervolgens afspraken maken. De verzuimcoördinator
                                    registreert het advies in Pims.</al></li></lijst><tussenkop><vet>3. De verzuimcoördinator </vet></tussenkop><al>De verzuimcoördinator noteert en bewaakt ter ondersteuning van de
                            leidinggevende de correspondentie en het proces en afspraken rondom de
                            Wet Verbetering Poortwachter (WVP). Is tevens vraagbaak voor
                            medewerkers.</al><al><cursief>Toelichting: de leidinggevende is als casemanager
                                verantwoordelijk voor het proces rondom de Wet Verbetering
                                Poortwachter. De verzuimcoördinator heeft een ondersteunende rol
                                hierin: hij bewaakt de verschillende processtappen en signaleert
                                c.q. informeert leidinggevende, P&amp;O adviseur en medewerker
                                tijdig over de te ondernemen acties. </cursief></al><tussenkop><vet>C. HERSTELMELDING </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> De medewerker meldt zich zo spoedig mogelijk na ziekte hersteld
                                    bij de leidinggevende. Als datum van herstel geldt de datum
                                    waarop de medewerker feitelijk beter was (die kan dus liggen
                                    vóór de eerste werkdag, bijv. als de datum van herstel in het
                                    weekend valt of op een vrije dag). Leidinggevende checkt dit.
                                </al></li><li nr="-"><al> De leidinggevende geeft dit door aan het
                                    verzuimmeldingscoördinatiepunt van de afdeling die dit in het
                                    personeelsinformatiesysteem registreert. De medewerker begint
                                    weer met werken zodra hij daartoe in staat is. De medewerker
                                    beoordeelt dit zelf, tenzij de werkgever (na advies van de
                                    bedrijfsarts) anders bepaalt. Dan dient de medewerker de
                                    aanwijzingen van de werkgever op te volgen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>D. VERZUIMBEGELEIDING (na 4 weken ziekte) </vet></tussenkop><tussenkop><vet>1. Probleemanalyse (binnen 6 weken na 1e ziektedag) </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Na 4 weken ziekte informeert de verzuimcoördinator de zieke
                                    medewerker schriftelijk over wat er gaat gebeuren bij langer
                                    durend verzuim (procedureel, financieel). </al></li><li nr="-"><al> Na 4 weken ziekte vraagt de verzuimcoördinator aan de
                                    leidinggevende of het nodig is dat de bedrijfsarts een
                                    probleemanalyse opstelt. Een probleemanalyse is nodig indien het
                                    verzuim naar verwachting langer dan 13 weken zal gaan duren. Als
                                    de leidinggevende herstel op korte termijn verwacht, dan kan de
                                    probleemanalyse achterwege blijven. Bij twijfel over de
                                    hersteltermijn wordt de bedrijfsarts om advies gevraagd. Als na
                                    13 weken ziekte blijkt dat herstel toch langer duurt dan
                                    verwacht, wordt alsnog een probleemanalyse opgesteld.</al></li><li nr="-"><al> De probleemanalyse bevat het oordeel van de bedrijfsarts over
                                    de functionele beperkingen van de medewerker als gevolg van de
                                    aard van de ziekte en een advies inzake
                                    re-integratiemogelijkheden.</al></li><li nr="-"><al>De bedrijfsarts stuurt de probleemanalyse naar, de
                                    leidinggevende, de werknemer en de verzuimcoördinator.</al></li><li nr="-"><al> De verzuimcoördinator informeert de leidinggevende over het
                                    maken van een plan aanpak door toezending van het formulier Plan
                                    van Aanpak</al></li></lijst><tussenkop><vet>2. Leidinggevende stelt plan van aanpak op (na 6e week, maar
                                uiterlijk vóór 8e week) </vet></tussenkop><al>Het plan van aanpak wordt opgesteld indien de ziekte naar verwachting
                            langer dan 13 weken zal gaan duren. Als dat niet het geval is, wordt
                            geen plan van aanpak opgesteld. Als na 13 weken blijkt dat de ziekte
                            voortduurt, wordt alsnog een plan van aanpak opgesteld. De
                            verzuimcoördinator bewaakt deze termijnen en signaleert tijdig naar de
                            leidinggevende wanneer hij in actie moet komen.</al><tussenkop><vet>Procedure</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Het plan van aanpak wordt vastgelegd in het registratiesysteem,
                                    de verzuimcoördinator maakt het document “Plan van aanpak” aan
                                    en stelt het document beschikbaar. Dit document is alleen
                                    toegankelijk voor de leidinggevende, de zieke medewerker, de
                                    verzuimcoördinator en de P&amp;O-adviseur.</al></li><li nr="-"><al> Leidinggevende en medewerker vullen het plan van aanpak in,
                                    tekenen voor akkoord en sturen het naar de verzuimcoördinator.
                                    De verzuimcoördinator bewaakt de tijdige invulling en draagt
                                    zorg voor verzending van een kopie naar de bedrijfsarts, de
                                    leidinggevende, de medewerker, de P&amp;O-adviseur en zorgt voor
                                    opname in het digitale personeelsdossier en in Pims.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Inhoud</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Samen met de zieke medewerker wordt op basis van de
                                    probleemanalyse bekeken of en op welke manier de medewerker kan
                                    re-integreren. Vaak bestaat re-integratie uit een combinatie van
                                    verschillende maatregelen, bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="o"><al> tijdelijke aanpassing van de functie: aanpassing van de
                                            werkplek (bijv. een andere bureaustoel), van de
                                            werkzaamheden of aanpassing van de arbeidsduur;</al></li><li nr="o"><al> tijdelijk re-integreren in een andere functie</al></li><li nr="o"><al> activiteiten gericht op terugkeer naar de oude functie:
                                            medische behandelingen (bijv. fysiotherapie),
                                            trainingen, opleidingen of psychische begeleiding;
                                            werkplekonderzoek;</al></li><li nr="o"><al> activiteiten gericht op herplaatsing naar een andere
                                            functie: onderzoek naar beroepswensen en -
                                            mogelijkheden, opleiding of training om te voldoen aan
                                            eisen van de nieuwe functie. Hier kan een extern
                                            re-integratiebureau bij worden ingeschakeld.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Toelichting: uitgangspunt bij de re-integratie is dat de
                                medewerker na herstel terugkeert in de eigen functie. Alleen als
                                terugkeer in de eigen functie medisch gezien niet verantwoord of
                                mogelijk is (advies van de bedrijfsarts), worden alternatieven
                                onderzocht. </cursief></al><tussenkop><vet>3. Uitvoeren plan van aanpak </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> De leidinggevende is verantwoordelijk voor de uitvoering van
                                    het plan van aanpak (is case manager). De medewerker is
                                    verplicht medewerking te verlenen. De leidinggevende kan worden
                                    ondersteund door de bedrijfsarts, de P&amp;O-adviseur, de
                                    bedrijfsmaatschappelijk werker, de Amersfoortse Loopbaan
                                    Academie (ALA), een extern re-integratiebureau en/of de
                                    verzuimcoördinator. </al></li><li nr="-"><al> De leidinggevende bekijkt iedere 6 weken samen met de zieke
                                    medewerker de voortgang van het plan van aanpak. Zo nodig worden
                                    de afspraken bijgesteld. Deze gesprekken worden schriftelijk
                                    vastgelegd in het registratiesysteem bij ‘lopend ziektegeval’.
                                    Zowel leidinggevende als medewerker kunnen hierbij advies vragen
                                    aan de bedrijfsarts. Op gezette tijden kunnen leidinggevende,
                                    bedrijfsarts en P&amp;O-adviseur in het Sociaal Medisch Overleg
                                    (SMO) de voortgang bespreken.</al></li><li nr="-"><al> De verzuimcoördinator bewaakt de gemaakte procedureafspraken en
                                    wijst de leidinggevende zo nodig op het uitblijven van
                                    noodzakelijke acties. </al></li><li nr="-"><al> Alle acties ter uitvoering van het plan van aanpak worden
                                    vastgelegd in de verzuimnotities in PIMS.</al></li></lijst><tussenkop><vet>4. Korting op de bezoldiging na 6 maanden </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Conform artikel 7:3 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                                    Amersfoort (ARGA) wordt de bezoldiging van de zieke medewerker
                                    na 6 maanden gekort naar 90%. De medewerker is hierover al
                                    vroegtijdig (na 4 weken ziekte) geïnformeerd. Voor meer
                                    informatie over de korting wordt verwezen naar bijlage B
                                    [juridisch kader]</al></li></lijst><tussenkop><vet>5. Melding zieke medewerker bij UWV (in de 42e week) </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> De verzuimcoördinator doet deze melding. Tevens informeert hij
                                    de medewerker over de melding en de werkwijze bij UWV.</al></li><li nr="-"><al> De verzuimcoördinator meldt ook een hersteld gemelde medewerker
                                    die binnen 4 weken opnieuw ziek wordt. NB zie voor
                                    herstelmelding ook C.</al></li></lijst><tussenkop><vet>6. 1ste jaars evaluatiemoment (tussen 46e en 52e week) </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Hierbij wordt door leidinggevende en medewerker samen bekeken
                                    hoe het re-integratietraject verloopt met als doel een evt.
                                    stagnerend re-integratietraject weer vlot te trekken. De
                                    verzuimcoördinator levert de stukken aan bij de leidinggevende.
                                    De leidinggevende bepaalt of het nodig is dat de bedrijfsarts
                                    een actuele probleemanalyse opstelt.</al></li><li nr="-"><al> De evaluatie wordt door werkgever en werknemer opgesteld,
                                    ondertekend en aan de verzuimcoördinator gestuurd. Het
                                    evaluatieverslag maakt t.z.t. onderdeel uit van het
                                    re-integratieverslag (zie onder 7).</al></li><li nr="-"><al> De verzuimcoördinator bewaakt de tijdige invulling en draagt
                                    zorg voor verzending van een kopie naar de bedrijfsarts, de
                                    leidinggevende, de medewerker, de P&amp;O-adviseur en zorgt voor
                                    opname in het digitale personeelsdossier.</al></li></lijst><tussenkop><vet>7. Aanvraag WIA-uitkering en re-integratieverslag (87- 91 weken)
                            </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Omstreeks de 20e verzuimmaand (week 87) stuurt het UWV de zieke
                                    medewerker een WIA-aanvraagformulier met toelichting. De
                                    verzuimcoördinator ontvangt het werkgeversformulier, dat hij
                                    doorstuurt naar de betreffende leidinggevende. </al></li><li nr="-"><al> Indien gewenst kan aan het UWV verzocht worden de WIA-aanvraag
                                    uit te stellen (verlenging van de wachttijd), bijvoorbeeld omdat
                                    herstel binnen 104 weken ziekte verwacht wordt. Verzoek gebeurt
                                    op initiatief van de leidinggevende door de verzuimcoördinator.
                                    Verlenging is mogelijk met 13, 26, 39 of 52 weken. Voordat een
                                    verzoek tot verlenging wordt ingediend, wint de leidinggevende
                                    hierover advies in bij de bedrijfsarts. </al></li><li nr="-"><al> In geval al voor de 20e maand duidelijk is dat er sprake is van
                                    een duurzame ziektesituatie, kan het UWV verzocht worden eerder
                                    een keuring te doen (zogenaamde verkorte wachttijd). Indien
                                    nodig wordt deze procedure in opdracht van de leidinggevende
                                    door de verzuimcoördinator opgestart. </al></li><li nr="-"><al> Let op: Een re-integratieverslag is ook verplicht als de
                                    medewerker ziek uit dienst gaat! </al></li><li nr="-"><al> De medewerker is er verantwoordelijk voor dat de complete
                                    WIA-aanvraag volledig ingevuld, tijdig (dat betekent uiterlijk
                                    in de 91e week), bij het UWV binnen is, inclusief het
                                    re-integratieverslag, dat bestaat uit de werkgeversbijdrage, het
                                    medische deel en de werknemersbijdrage. De leidinggevende houdt
                                    in dit verband een vinger aan de pols. Als de medewerker niet of
                                    niet voldoende meewerkt, zijn er diverse sanctiemogelijkheden:
                                    de bezoldiging kan worden stopgezet en de medewerker riskeert
                                    disciplinaire maatregelen (hoofdstuk 16 ARGA) </al></li><li nr="-"><al> Het werkgeversdeel van het re-integratieverslag komt als volgt
                                    tot stand:</al><lijst><li nr="o"><al>Op verzoek van de verzuimcoördinator geeft de
                                            bedrijfsarts een ‘actueel oordeel’ van de
                                            Probleemanalyse.</al></li><li nr="o"><al> De verzuimcoördinator zorgt er voor dat het document
                                            Plan van aanpak en andere relevante gegevens worden
                                            geprint en samen met het actuele oordeel van de
                                            bedrijfsarts en de loongegevens die UWV heeft opgevraagd
                                            ter beschikking worden gesteld aan de leidinggevende,
                                            voor een laatste evaluatie, die het daarna aan de
                                            werknemer uitreikt. De verzuimcoördinator zorgt ervoor
                                            dat het werkgeversdeel in het digitale personeelsdossier
                                            wordt opgenomen.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al> Het medische deel van het re-integratieverslag wordt door de
                                    bedrijfsarts rechtstreeks aan de medewerker verstrekt.</al></li><li nr="-"><al> De medewerker vult zelf het werknemersdeel in.</al></li></lijst><al>UWV neemt de WIA aanvraag in behandeling. Als het UWV de aanvraag heeft
                            geaccepteerd, vindt de WIA-keuring plaats. Er wordt beoordeeld in
                            hoeverre de medewerker in staat is om nog arbeid te verrichten en er
                            wordt beoordeeld of de werkgever en medewerker zich voldoende hebben
                            ingespannen voor re-integratie. De uiteindelijke hoogte van de
                            WIA-uitkering is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en
                            het dagloon van de medewerker.Als de werkgever onvoldoende aan
                            re-integratie heeft gedaan of zich niet heeft gehouden aan de termijnen,
                            kan het UWV besluiten om het in behandeling nemen van de WIA-aanvraag
                            uit te stellen. Werkgever en medewerker kunnen dan alsnog activiteiten
                            ontplooien om de re-integratie te bevorderen. De werkgever is verplicht
                            het loon gedurende deze periode door te betalen. UWV legt deze sanctie
                            op om de werkgever ertoe te bewegen alsnog de benodigde
                            re-integratie-inspanningen te verrichten. Deze sanctie duurt maximaal 52
                            weken.Als de medewerker niets of te weinig heeft gedaan aan
                            re-integratie, kan de behandeling van de WIA aanvraag worden uitgesteld
                            of (gedeeltelijk) worden stopgezet. UWV kan zelfs besluiten dat de
                            medewerker – hoewel hij arbeidsongeschikt is - niet in aanmerking komt
                            voor WIA.Met de UWV beoordeling over de WIA aanvraag (de WIA
                            beschikking) eindigt het poortwachterproces. Afhankelijk van de uitkomst
                            UWV beoordeling (zie bijlage A) volgt ofwel ontslag ofwel een derde
                            ziektejaar (N.B. Het derde ziektejaar geldt voor ziektegevallen na 1
                            juli 2007).</al><al><vet>EINDE WET POORTWACHTER / AANVANG WIA EVT. AANVANG 3E ZIEKTEJAAR,
                                ZIE BIJLAGE A </vet></al><tussenkop><vet>8. (voorgenomen) besluit tot ontslag </vet></tussenkop><al>Zie voor verdere toelichting bijlage A.</al><tussenkop><vet>9. Re-integratie na 104 weken: medewerkers &lt;80%
                                arbeidsongeschikt: 3e ziektejaar </vet></tussenkop><al>Indien geen ontslag plaatsvindt na twee jaar ziekte, is sprake van een
                            derde ziektejaar. Gedurende het derde ziektejaar werken werkgever en
                            werknemer samen door aan de re-integratie. Definitieve herplaatsing is
                            gebonden aan voorwaarden, zie verder bijlage A. Mocht de re-integratie
                            na het derde ziektejaar niet tot een definitieve oplossing hebben
                            geleid, dan kan alsnog ontslag plaatsvinden. Casemanager gedurende het
                            derde ziektejaar blijft de leidinggevende van de medewerker, die
                            verantwoordelijk is voor de verzuimbegeleiding.</al><tussenkop><vet>10. Re-integratie na ontslag </vet></tussenkop><al>Ontslag is mogelijk ofwel na 24 maanden (bij volledige
                            arbeidsongeschiktheid) ofwel na 36 maanden (zie voor de voorwaarden
                            bijlage A). De gemeente Amersfoort heeft ervoor gekozen eigen
                            risicodrager te zijn voor de WIA; dit betekent dat de gemeente ook na
                            ontslag verantwoordelijk blijft voor de re-integratie van medewerkers
                            met een WGA-uitkering.</al><tussenkop><vet>DIVERSEN </vet></tussenkop><tussenkop><vet>Second opinion (kan gedurende het hele traject van ziekte) </vet></tussenkop><al>Werkgever of werknemer kunnen het UWV gedurende het gehele ziektetraject
                            om een second opinion (deskundigenoordeel) vragen bij een
                            meningsverschil over:</al><lijst><li nr="-"><al> de mate van arbeidsongeschiktheid </al></li><li nr="-"><al> de vraag of er sprake is van passende arbeid in de organisatie
                                </al></li><li nr="-"><al>de vraag of de werkgever voldoende re-integratie-inspanning
                                    heeft gepleegd</al></li></lijst><al>Leidinggevende en/of medewerker kan zich bij de verzuimcoördinator nader
                            laten informeren. De verzuimcoördinator voorziet medewerker en/of
                            leidinggevende van de juiste aanvraagformulieren.</al><tussenkop><vet>Frequent verzuim </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Van frequent verzuim is sprake bij meer dan drie ziekmeldingen
                                    in een periode van 12 maanden.</al></li><li nr="-"><al> Bij frequent verzuim wordt een gesprek belegd tussen de
                                    leidinggevende en de medewerker. De leidinggevende is
                                    verantwoordelijk voor het tot stand komen van dit gesprek.
                                    Indien gewenst kan de leidinggevende zich laten ondersteunen
                                    door de P&amp;O adviseur</al></li><li nr="-"><al> Gesproken worden in ieder geval over:</al><lijst><li nr="o"><al> Hoe kan een medewerker een volgend verzuim
                                            voorkomen?</al></li><li nr="o"><al> Afspraken maken over wat de medewerker gaat ondernemen
                                            en of de leidinggevende hierin kan faciliteren.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>De leidinggevende maakt een verslag van het gesprek en zorgt
                                    ervoor dat dit wordt opgenomen in het digitale pd.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Vakantie tijdens ziekte en ziekte tijdens vakantie </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> De zieke medewerker die op vakantie wil, heeft hiervoor
                                    toestemming nodig van de leidinggevende (na advies van de
                                    bedrijfsarts). De opbouw en opname van verlof tijdens ziekte is
                                    geregeld in de ARGA, zie artikel 6:2:3. Voor meer informatie
                                    wordt naar de ARGA verwezen. De leidinggevende registreert in
                                    Pims ([in de verzuimnotities) wanneer en hoe lang de zieke
                                    medewerker vakantie geniet, ook als hiervoor geen verlofuren
                                    worden afgeboekt. Hoofdregel is dat bij volledige
                                    arbeidsongeschiktheid geen verlof wordt afgeschreven. Bij
                                    gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt wel verlof
                                    afgeschreven, als ware er geen sprake van arbeidsongeschiktheid
                                    (voorbeeld: medewerker die 50% arbeidsongeschikt is en normaal 8
                                    uur werkt op een dag, neemt voor een verlofdag de volle 8 uur
                                    verlof op (en niet 4 uur)). </al></li><li nr="-"><al> De verlofopbouw van de zieke medewerker stopt na 6 maanden. Pas
                                    als de medewerker meer dan 45% hersteld is wordt de verlofopbouw
                                    hervat. Meer informatie hierover is te vinden op de
                                    personeelswinkel. </al></li><li nr="-"><al>Als de medewerker tijdens zijn vakantie ziek wordt geldt de
                                    normale ziekmeldingsprocedure. De medewerker zorgt ervoor dat
                                    hij kan aantonen dat hij daadwerkelijk ziek was (bijvoorbeeld
                                    met doktersverklaring).</al></li></lijst><tussenkop><vet>Toegang tot ziekteverzuimgegevens </vet></tussenkop><al>De ziekteverzuimgegevens worden geregistreerd in een aparte sectie in
                            Pims. De volgende personen hebben toegang tot de gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al> Verzuimcoördinator</al></li><li nr="-"><al> Casemanager</al></li><li nr="-"><al> P&amp;O adviseur</al></li><li nr="-"><al>Bedrijfsarts</al></li><li nr="-"><al> De medewerker heeft op diens verzoek recht op inzage</al></li></lijst><al>Alle personen die toegang hebben zijn uit hoofde van hun functie tot
                            geheimhouding verplicht.</al><al><cursief>Toelichting: het is technisch gezien niet mogelijk alle
                                medewerkers toegang te verlenen de verzuimgegevens in Pims. In
                                Web4Pims kan de medewerker informatie vinden over zijn
                                ziekmeldingen. Daarin staan echter niet alle verzuimnotities. Er is
                                daarom gekozen voor een recht op inzage: op verzoek van de
                                medewerker kan hij de verzuimnotities in Pims inzien bij zijn
                                leidinggevende of bij de P&amp;O adviseur. </cursief></al><tussenkop><vet>BIJLAGEN </vet></tussenkop><lijst><li><al>A. Gevolgen na 104 weken arbeidsongeschiktheid</al></li><li><al>B. Juridisch kader</al></li><li><al>C. Schema Wet verbetering poortwachter</al></li></lijst><tussenkop><vet>BIJLAGE A DE GEVOLGEN NA 104 WEKEN ARBEIDSONGESCHIKTHEID </vet></tussenkop><al>Bij de beoordeling van de aanvraag voor een WIA-uitkering gaat het UWV
                            onder andere na of de medewerker en de werkgever zich voldoende hebben
                            ingespannen voor re-integratie (= poortwachtertoets). Deze beoordeling
                            vindt na twee jaar arbeidsongeschiktheid (=104 weken) plaats. Daarbij
                            wordt ook bekeken of de werkgever beschikt over passende arbeid voor
                            zijn medewerker en of hij dit heeft aangeboden. Uit de poortwachtertoets
                            blijkt in hoeverre:</al><lijst><li nr="1"><al> de medewerker volledig arbeidsongeschikt is voor de
                                    overeengekomen werkzaamheden</al></li><li nr="2"><al> de werkgever en medewerker voldoende re-integratie-inspanningen
                                    hebben verricht, en met welk resultaat</al></li><li nr="3"><al> re-integratie van de medewerker in aangepaste op passende
                                    arbeid binnen de gemeente binnen afzienbare tijd mogelijk is.
                                    Een indicatie voor deze termijn is binnen 6 maanden na 24
                                    maanden ziekte.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Ontslag? </vet></tussenkop><al>Vanaf 2008 gelden nieuwe regels voor medewerkers die gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikt zijn bevonden door het UWV. Voor deze medewerkers
                            geldt een zogenaamd 3e ziektejaar.Dit betekent onder meer dat
                            medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn pas na een periode
                            van 36 maanden ontslagen en/of definitief herplaatst kunnen worden.
                            Volledig arbeidsongeschikte medewerkers kunnen nog wel na 24 maanden
                            ontslagen worden.</al><al>De werkgever kan vanaf week 87 zijn voornemen tot ontslag wegens
                            arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5 ARGA) schriftelijk aan de ambtenaar
                            kenbaar maken. Meestal gaat hier een gesprek aan vooraf. Alleen in die
                            gevallen waarin verwacht wordt dat de medewerker volledig
                            arbeidsongeschikt beoordeeld wordt, zal het voornemen voor de WIA
                            keuring worden kenbaar gemaakt aan de medewerker. In gevallen waarin nog
                            onduidelijk is wat de uitslag van de WIA keuring zal zijn, zal eerst de
                            keuring worden afgewacht. Het gesprek over het voornemen tot ontslag
                            wordt gevoerd door de leidinggevende en de P&amp;O adviseur. In dat
                            gesprek worden de te nemen stappen en de gevolgen besproken. Bij het
                            ontslag wordt de beoordeling van het UWV over de WIA betrokken.</al><al>De <cursief>aanzegging</cursief> van het college dat een
                            ontslagprocedure op grond van arbeidsongeschiktheid zal worden
                            opgestart, is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
                            (Awb) en daarom geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. De
                            werkgever moet het ontslagbesluit binnen één jaar na de datum van de
                            WIA-beschikking (=besluit van UWV omtrent de WIA keuring) nemen. In dit
                            besluit moet naar de WIA-beschikking worden verwezen. Het
                                <cursief>ontslagbesluit</cursief> is uiteraard wel een besluit dat
                            vatbaar is voor bezwaar en beroep.Na de WIA keuring (na 104 weken
                            ziekte) moet een passende oplossing zijn/worden gevonden. Voor
                            medewerkers die volledig arbeidsongeschikt beoordeeld zijn (80-100% WGA
                            of IVA) betekent dit dat ontslag mogelijk is. In geval van een
                            toegekende IVA uitkering (volledig en duurzaam arbeidsongeschikt) zal
                            een ontslag duidelijk zijn. In geval van een 80-100% WGA is er weliswaar
                            sprake van volledige arbeidsongeschiktheid, maar niet van duurzaamheid.
                            Het hangt van de omstandigheden van het geval af of wordt overgegaan tot
                            ontslag of dat gezocht wordt naar c.q. gewacht wordt op verdere
                            re-integratiemogelijkheden. Deze afweging wordt gemaakt door de
                            sectordirecteur, op advies van P&amp;O en de verantwoordelijke
                            leidinggevende (casemanager).</al><tussenkop><vet>3e ziektejaar </vet></tussenkop><al><cursief>Medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt beoordeeld
                                worden door het UWV zijn in twee categorieën te verdelen:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al> &lt;35% arbeidsongeschikt</al></li><li nr="-"><al> 35-80% arbeidsongeschikt</al></li></lijst><al>Voor beide categorieën geldt het 3e ziektejaar. Tijdens dit derde
                            ziektejaar gelden dezelfde rechten en plichten als tijdens de eerste 24
                            maanden van ziekte. Gedurende de gehele ziekteperiode wordt voor de
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte medewerker gezocht naar een passende
                            functie binnen of buiten de gemeente. Zieke medewerkers mogen gedurende
                            de eerste twee jaar van ziekte niet definitief herplaatst of ontslagen
                            worden. Hiervan kan dus pas na 24 maanden sprake zijn. Om vanaf die
                            datum iemand definitief te herplaatsen of te ontslaan gelden bijzondere
                            voorwaarden. De mate van arbeidongeschiktheid bepaalt welke voorwaarden
                            gelden. Deze voorwaarden voor herplaatsing en ontslag van de
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte medewerker zijn bedoeld om de
                            inkomenspositie na herplaatsing of ontslag te verbeteren.</al><tussenkop><vet>Voorwaarden bij ongeschiktheid &lt;35% </vet></tussenkop><al>Tijdens het derde ziektejaar moet de werkgever voor de medewerker die
                            minder dan 35% arbeidsongeschikt is, zoeken naar een passende functie
                            waarmee hij zijn volledige restverdiencapaciteit* kan benutten. Dit kan
                            een nieuwe functie binnen of buiten de gemeente zijn. Er is sprake van
                            definitieve herplaatsing als de nieuwe functie binnen de gemeente
                            gevonden wordt. Bij een nieuwe functie buiten de gemeente is sprake van
                            volledig ontslag. Dit ontslag mag plaatsvinden in het derde ziektejaar.
                            (zie ook artikel 7:16 lid 3 en artikel 8:5 ARGA)</al><tussenkop><vet>Voorwaarden bij ongeschiktheid vanaf 35% tot 80% </vet></tussenkop><al>Tijdens het derde ziektejaar moet de werkgever voor de medewerker die
                            tussen de 35% en 80% arbeidsongeschikt i, zoeken naar een passende
                            functie waarmee hij tenminste 50% van zijn restverdiencapaciteit* kan
                            benutten. Dit kan een nieuwe functie binnen of buiten de gemeente zijn.
                            Er is sprake van definitieve herplaatsing als de nieuwe functie binnen
                            de gemeente gevonden wordt. Bij een nieuwe functie buiten de gemeente is
                            sprake van volledig ontslag. Dit ontslag mag plaatsvinden in het derde
                            ziektejaar. (zie ook artikel 7:16 lid 4 en artikel 8:5 ARGA)</al><tussenkop><vet>*Restverdiencapaciteit </vet></tussenkop><al>De restverdiencapaciteit (rvc) is het inkomen dat iemand met zijn
                            vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                            verdienen. De restverdiencapaciteit wordt bepaald door het UWV en is
                            opgenomen in de WIA-beschikking.</al><tussenkop><vet>Inkomenspositie bij gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid &lt;35%
                            </vet></tussenkop><al>De medewerker die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wiens
                            functie voldoet aan de voorwaarde voor definitieve herplaatsing of
                            ontslag in het 3e ziektejaar, heeft (behalve de bezoldiging gekoppeld
                            aan deze nieuwe functie) recht op een bijzondere uitkering. De hoogte
                            van deze uitkering is 75% van het verschil tussen het oude en het nieuwe
                            inkomen. Een eventuele uitkering op grond van de WW wordt hierop in
                            mindering gebracht. De maximale duur van deze bijzondere uitkering is
                            vijf jaar na aanvaarding van de nieuwe functie. (zie artikel 10d:21 e.v.
                            ARGA)</al><tussenkop><vet>Inkomenspositie bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid 35-80%
                            </vet></tussenkop><al>De medewerker die tussen de 35% en 80% arbeidsongeschikt is, definitief
                            herplaatst of ontslagen is, en een functie aanvaardt waarmee ten minste
                            50% van de restverdiencapaciteit is ingevuld, ontvangt allereerst de
                            loongerelateerde WGA uitkering op grond van de Wet WIA. Zolang de
                            medewerker in dienst is van de gemeente ontvangt de medewerker de
                            bezoldiging gekoppeld aan de functie waarop hij is geplaatst. De WGA
                            uitkering wordt in mindering gebracht op de bezoldiging.Na de
                            loongerelateerde WGA uitkering komt de medewerker mogelijk in aanmerking
                            voor een loonaanvullingsuitkering op grond van de WGA. De hoogte van
                            deze loonaanvulling is 70% van het verschil tussen het oude loon en 100%
                            van de restverdiencapaciteit. Daarnaast bestaat, indien en voor zolang
                            de medewerker ABP-deelnemer is, recht op een uitkering op grond van het
                            ABP arbeidsongeschiktheidspensioen.Bij invulling van minder dan 50% van
                            de restverdiencapaciteit volgt na de loongerelateerde uitkering een
                            vervolguitkering, die in een veel lager inkomen voorziet.</al><tussenkop><vet>BIJLAGE B JURIDISCH KADER </vet></tussenkop><al>Onderstaand op hoofdlijnen wet- en regelgeving op het gebied van ziekte
                            en arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop><vet>Wet verbetering Poortwachter (WvP) </vet></tussenkop><al>Met ingang van <vet>1 april 2002</vet> is de Wet verbetering
                            Poortwachter in werking getreden. De processtappen uit de Wet
                            verbetering Poortwachter zijn verwerkt in het
                            ziekteverzuimprotocol.</al><tussenkop><vet>Arbeidsomstandighedenwet </vet></tussenkop><al>De overheid geeft organisaties meer vrijheid voor maatwerk om vorm te
                            geven aan de bescherming van medewerkers op het gebied van veilig en
                            gezond werken. Zie de Arbeidsomstandighedenwet. De overheid stelt
                            doelvoorschriften op (Beschrijving in Arbo-wet, het Arbobesluit en de
                            Arboregeling). De afspraken over de manier waarop de doelen bereikt
                            kunnen worden komen in een arbocatalogus. De werkgever dient de arbeid
                            ‘redelijkerwijs’ zodanig te organiseren, dat het geen nadelige invloed
                            heeft op de veiligheid en de gezondheid van de medewerkers. De werkgever
                            dient zorg te dragen voor een goed arbeidsomstandighedenbeleid.</al><tussenkop><vet>Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte (Wulbz)en
                                wijzigingen in de loondoorbetaling </vet></tussenkop><al>Met ingang van <vet>1 januari 2004</vet> is de loondoorbetalingsperiode
                            bij zieke medewerkers verlengd van één naar twee jaar. De werkgever is
                            verplicht het loon twee jaar lang door te betalen voor uren die de
                            medewerker door ziekte niet werkt. Het doel van deze wet is om de
                            werkgever extra te prikkelen zich in te spannen om het verzuim terug te
                            dringen en de arbeidsongeschikte medewerker zo snel mogelijk weer aan
                            het werk te krijgen. De instroom in de arbeidsongeschiktheidsverzekering
                            moet worden beperkt. De eerste twee ziektejaren is geen sprake van
                            instroom in de arbeidsongeschiktheidsverzekering: de werkgever betaalt
                            het loon gedeeltelijk door.De percentages loondoorbetaling bij ziekte
                            zijn met ingang van <vet>1 januari 2006</vet> gewijzigd, als gevolg van
                            CAO-afspraken. Het doel van de WIA is terugkeer naar het werk. Om deze
                            reden worden inspanningen ten behoeve van werk beloond. Hoe meer iemand
                            actief bezig is met terugkeer naar eigen of ander werk, hoe meer loon
                            dat oplevert.Met de inwerkingtreding van de wijzigingen in de
                            loondoorbetaling worden de verantwoordelijkheden van werkgever en
                            werknemer voor de terugdringen van ziekteverzuim versterkt.
                            Uitgangspunten zijn: Terugkeer naar werk en inspanningen ten behoeve van
                            werk worden beloond.</al><tussenkop><vet>ARGA </vet></tussenkop><al>De loondoorbetaling is geregeld in artikel 7:3 van de ARGA en is als
                            volgt.</al><lijst><li nr="-"><al> Gedurende de eerste 6 maanden van de ziekte wordt 100% van het
                                    salaris doorbetaald.</al></li><li nr="-"><al> Gedurende de 7de tot en met de 12de maand ontvangt een
                                    medewerker 90%.</al></li><li nr="-"><al> Gedurende de 13de tot en met de 24ste maand wordt 75% van het
                                    salaris uitbetaald.</al></li></lijst><al>Ziekteperioden die elkaar opvolgen met een tussenpoos van minder dan
                            vier weken mogen samengeteld worden.Na deze 24 maanden wordt bij
                            voortdurende arbeidsongeschiktheid (indien er geen ontslag wordt
                            aangevraagd), 70% doorbetaald van het salaris.De medewerker heeft in
                            alle bovenstaande gevallen <cursief>ten minste</cursief> recht op het
                            wettelijke minimumloon, of als het een deeltijder is, een evenredig deel
                            van het minimumloon. Over de uren die de medewerker hersteld is, wordt
                            100% doorbetaald als hij die uren: </al><lijst><li nr="-"><al> Zijn arbeid verricht</al></li><li nr="-"><al> Passende arbeid verricht<cursief>Passende arbeid: alle arbeid
                                        die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is
                                        berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
                                        geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd
                                        (artikel 7:1 ARGA) </cursief></al></li><li nr="-"><al>Werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie
                                        verricht<cursief>Werkzaamheden in het kader van de
                                        re-integratie: loonvormende arbeid (arbeid met loonwaarde),
                                        die specifiek is gericht op terugkeer in de eigen functie
                                        dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd
                                        in het plan van aanpak (artikel 7:1 ARGA)</cursief></al></li><li nr="-"><al> Scholing volgt in het kader van zijn
                                        re-integratie.<cursief>Scholing in het kader van de
                                        re-integratie: scholing die is gericht op terugkeer in de
                                        eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn
                                        vastgelegd in het plan van aanpak (artikel 7:1
                                        ARGA)</cursief></al></li></lijst><al>Over de uren die de medewerker wel werk verricht, bijvoorbeeld in het
                            kader van re-integratie, heeft hij recht op een volledige doorbetaling
                            van het salaris. Na het eerste ziektejaar geldt hierbij voor de zieke
                            medewerker een extra financiële stimulans als hij voor ten minste 50%
                            van zijn arbeidsduur werkzaamheden verricht of scholing volgt in het
                            kader van de re-integratie. In dat geval heeft de medewerker recht op
                            een bonus van 5%, berekend over het salaris waar hij recht op heeft.
                            Hierbij geldt als maximum de eigen bezoldiging.</al><tussenkop><vet>Voorbeeld </vet></tussenkop><al>Kees verdient per maand € 1000. Hij wordt ziek. Dertien maanden na de
                            eerste ziektedag heeft hij voor 60% zijn eigen betrekking hervat. Kees
                            heeft recht op 100% loondoorbetaling over de gewerkte uren (100% x 60% x
                            € 1000 = € 600) en recht op 75% loondoorbetaling over de niet-gewerkte
                            uren (75% x 40% x € 1000 = € 300). Aangezien Kees voor ten minste 50%
                            van zijn arbeidsduur werkt, heeft hij recht op een bonus van 5% boven op
                            zijn loondoorbetaling. Het totale inkomen bedraagt dan € 900 + 5% = €
                            945.</al><tussenkop><vet>Toepassing hardheidsclausule, artikel 7:3 lid 14 </vet></tussenkop><al>Artikel 7:3 van de ARGA kent in lid 14 een zogenaamde hardheidsclausule:
                                <cursief>Het college zal rekening houden met individuele gevallen
                                van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt
                                of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het
                                eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</cursief> De
                            sectordirecteur is bevoegd hierover een beslissing te nemen, met
                            inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Deze bevoegdheid is
                            niet ondergemandateerd.</al><tussenkop><vet>Bijzondere aandacht verdient het begrip arbeidstherapie. </vet></tussenkop><al>Arbeidstherapie is een begrip dat niet voorkomt in de ARGA of in andere
                            wettelijke bepalingen. Het is wel een begrip dat in de volksmond (ook
                            door bedrijfsarts en UWV) gehanteerd wordt. Het is daarom van belang uit
                            te leggen wat wij in Amersfoort onder arbeidstherapie verstaan en welke
                            consequenties dat heeft.</al><tussenkop><vet>Definitie arbeidstherapie </vet></tussenkop><al><vet>Arbeidstherapie is het verrichten van niet-loonvormende
                                werkzaamheden die zijn gericht op re-integratie van de medewerker in
                                zijn eigen functie dan wel andere passende arbeid, zonder dat
                                daarbij een volledige arbeidsprestatie wordt verlangd. </vet></al><al>Of sprake is van loonvormende arbeid is ter beoordeling van de
                            leidinggevende, die zich hierover desgewenst laat adviseren door de
                            bedrijfsarts of de P&amp;O adviseur.Belangrijk kenmerk van
                            arbeidstherapie is dat de werkgever geen arbeidsinspanning verlangt,
                            waarop de medewerker kan worden afgerekend. De medewerker heeft de
                            vrijheid gedurende de arbeidstherapeutische werkzaamheden te stoppen als
                            het niet meer gaat. Arbeidstherapie kan zeer uiteenlopend zijn: van
                            koffie drinken met collega’s tot het schrijven van stukken.
                            Arbeidstherapie is bedoeld om de medewerker geleidelijk te laten
                            re-integreren in het arbeidsproces. Per definitie is de periode van
                            arbeidstherapie beperkt in duur en zit er een opbouw in van hersteld
                            uren en een afbouw van uren arbeidstherapie. Leidinggevende en
                            medewerker maken hier afspraken over. Deze afspraken bevatten een
                            einddatum en worden tijdig geëvalueerd en herzien met als doel de
                            loonwaarde te optimaliseren.</al><tussenkop><vet>Verplichtingen medewerker en sanctiemogelijkheden </vet></tussenkop><al>De medewerker die ziek is, moet (gedurende de hele periode van ziekte)
                            alle medewerking verlenen om snelle re-integratie mogelijk te maken. Hij
                            heeft de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al><onderstreept> Relevante informatie</onderstreept>: Hij is
                                    verplicht de werkgever alle informatie te geven die voor de
                                    uitvoering van de re-integratie en loondoorbetaling noodzakelijk
                                    is.</al></li><li nr="-"><al><onderstreept>Medisch onderzoek</onderstreept>: Als de werkgever
                                    dit nodig acht moet de medewerker zijn medewerking verlenen aan
                                    een medisch onderzoek.</al></li><li nr="-"><al><onderstreept>Verlenen van medewerking aan
                                        re-integratie</onderstreept>:</al><lijst><li nr="o"><al> Medewerker is verplicht de maatregelen (zoals het
                                            verrichten van werkzaamheden of het volgen van scholing
                                            in het kader van re-integratie) op te volgen, die de
                                            werkgever getroffen heeft;</al></li><li nr="o"><al> Medewerker is verplicht medewerking te verlenen aan het
                                            opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van
                                            aanpak;</al></li><li nr="o"><al> Medewerker is verplicht zich te gedragen naar de
                                            regels, zoals deze in het verzuimprotocol en de ARGA
                                            zijn vastgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al><onderstreept>Aanvaarden passende arbeid</onderstreept>: als de
                                    werkgever de medewerker passende arbeid aanbiedt, moet de
                                    medewerker deze aanvaarden. Hierbij geldt dat naarmate de ziekte
                                    langer duurt, een bredere oriëntatie ten aanzien van de te
                                    verrichten arbeid mag worden verwacht.</al></li><li nr="-"><al><onderstreept>Terugkeer in eigen betrekking</onderstreept>:
                                    voordat de medewerker terugkeert in zijn eigen betrekking kan
                                    toestemming nodig zijn van de werkgever. Op dat moment wordt ook
                                    de mate van hervatting vastgesteld. De werkgever zal hierbij een
                                    advies van de bedrijfsarts of het UWV betrekken.</al></li></lijst><al>Als de medewerker zich niet houdt aan de eisen die hem bij ziekte
                            gesteld worden, kan de doorbetaling van zijn bezoldiging gestaakt
                            worden. Ook kan een disciplinaire maatregel worden opgelegd. Wanneer de
                            ambtenaar stelselmatig weigert medewerking te verlenen aan zijn
                            re-integratie, kan zelfs ontslag worden verleend (zie artikel 8:5a
                            ARGA)</al><tussenkop><vet>Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) </vet></tussenkop><al>Met ingang van <vet>29 december 2005</vet> is de WAO opgevolgd door de
                            Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). In deze wet staat WERKEN
                            NAAR VERMOGEN voorop, waarbij de werkgever moet zorgen voor een gezonde
                            werkomgeving en het uitgangspunt is dat het gaat om wat iemand nog wél
                            kan. De WIA vormt het sluitstuk van het stelsel rond ziekte op het werk,
                            arbeidsongeschiktheid en re-integratie. De werkgever en werknemer moeten
                            zich nog meer samen inspannen om terugkeer naar het werk mogelijk te
                            maken. Werk gaat bóven uitkering en werken is lonend. De WIA is van
                            toepassing voor medewerkers die op of na 1 januari 2004 ziek geworden
                            zijn. Door middel van financiële prikkels worden werkgevers en
                            werknemers gestimuleerd om er alles aan te doen om medewerkers die
                            (gedeeltelijk) nog kunnen werken, aan het werk te helpen en houden. Als
                            de inspanningen niet tot voldoende resultaat leiden, kan iemand in
                            aanmerking komen voor een uitkering. Er is inkomensbescherming voor
                            mensen die echt niet meer aan de slag kunnen.</al><tussenkop><vet>Uitgangspunten WIA </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Werkgever en medewerker blijven samen verantwoordelijk voor een
                                    gezonde werkomgeving. </al></li><li nr="-"><al> Werkgever en medewerker spannen zich samen in om bij langdurige
                                    ziekte terugkeer naar werk mogelijk te maken. </al></li><li nr="-"><al> De nadruk ligt op wat iemand nog wel kan. </al></li><li nr="-"><al> Werken en dus ook weer en meer werken en inspanningen voor
                                    terugkeer naar werk zijn lonend. </al></li><li nr="-"><al> Hoe arbeidsongeschikt iemand is, hangt af van wat hij door
                                    ziekte/gebrek aan inkomen verliest. </al></li><li nr="-"><al> Wie niet meer kan werken en geen kans heeft op herstel krijgt
                                    een solide uitkering.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Hoe werkt de WIA </vet></tussenkop><al>Wanneer een medewerker na twee jaar arbeidsongeschiktheid een WIA -
                            uitkering aanvraagt, wordt hij door het UWV gekeurd (= de
                            poortwachtertoets). Het UWV bepaalt bij de keuring wat de medewerker,
                            inclusief beperkingen door ziekte of handicap, nog kan en
                                    <cursief><vet>welk loon hij nog kan verdienen</vet></cursief>.
                            Dit is de resterende verdiencapaciteit (RVC) genoemd. Wanneer de
                            medewerker minder kan verdienen dan het laatst verdiende loon, is er
                            sprake van loonverlies. Dit <vet>loonverlies</vet> bepaalt de mate van
                            de arbeidsongeschiktheid.De WIA kent twee soorten uitkeringen: </al><lijst><li nr="-"><al>uitkering gebaseerd op de regeling <vet>Werkhervatting
                                        Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA)</vet>;Amersfoort is
                                    eigen risicodrager voor de WGA: de uitkeringen komen ten laste
                                    van de gemeente Amersfoort </al></li><li nr="-"><al> uitkering gebaseerd op de regeling <vet>Inkomensvoorziening
                                        Volledig Arbeidsongeschikten (IVA)</vet>;Amersfoort is geen
                                    eigen risicodrager voor de IVA: deze uitkeringen komen niet ten
                                    laste van de gemeente Amersfoort</al></li></lijst><al>De WIA maakt vervolgens verschil tussen vier groepen:</al><lijst><li nr="1"><al> werknemers met een loonverlies van minder dan 35%; </al></li><li nr="2"><al> werknemers met een loonverlies van tenminste 35% maar minder
                                    dan 80%; </al></li><li nr="3"><al> werknemers met een loonverlies van tenminste 80% met meer dan
                                    geringe kans op herstel;</al></li><li nr="4"><al> werknemers met een loonverlies van tenminste 80% zonder of met
                                    slechts een geringe kans op herstel.</al></li></lijst><al>Medewerkers die in categorie 1 (&lt;35% a.o., geen WIA) vallen komen
                            niet in aanmerking voor een WIA uitkering. De werkgever beoordeelt aan
                            de hand van de WIA beschikking wat de medewerker nog wel kan en of dat
                            in zijn eigen functie kan. Definitieve herplaatsing is mogelijk door
                            aanpassing van de aanstelling, zie artikel 7:16 ARGA. Afhankelijk van de
                            eerste ziektedag is sprake van een derde ziektejaar en is daarmee de
                            mogelijkheid van definitieve herplaatsing aan voorwaarden gebonden.</al><al>Medewerkers in categorie 2 (35-80% a.o, WGA uitkering) komen mogelijk in
                            aanmerking voor een WGA uitkering.</al><al>Medewerkers in categorie 3 (80-100% a.o, volledig maar niet duurzaam,
                            WGA uitkering) komen in mogelijk in aanmerking voor een WGA uitkering.
                            Ontslag is mogelijk. De werkgever blijft ook na ontslag verantwoordelijk
                            voor de re-integratie van deze zieke medewerkers.</al><al>Medewerkers in categorie 4 (80-100% a.o., volledig en duurzaam a.o., IVA
                            uitkering) komen in aanmerking voor een IVA uitkering.</al><al>Hoe de situatie van een arbeidsongeschikte medewerker eruit ziet of zal
                            gaan zien na 2 jaar ziekte is afhankelijk van tal van factoren (uitslag
                            WIA keuring, herplaatsingsmogelijkheden, wel/geen ontslag, definitieve
                            herplaatsing, hoe zit het financieel, ben ik extra verzekerd, gelden
                            speciale subsidies etc). De medewerker wordt hierover ingelicht in een
                            persoonlijk gesprek.</al><al>Meer informatie is te vinden via www.uwv.nl. Er zijn ook brochures over
                            de respectievelijke uitkeringen: ‘Ik krijg een WGA-uitkering. Wat
                            betekent dat voor mij?’en ‘Ik krijg een IVA-uitkering. Wat betekent dat
                            voor mij?</al><tussenkop><vet>BIJLAGE C SCHEMA WET VERBETERING POORTWACHTER </vet></tussenkop><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Schema Wet Verbetering Poortwachter" type="tekst" id="i289994"></illustratie></plaatje></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:1 Protocol ziekteverzuim ex-werknemers die een
                                ZW-uitkering (kunnen gaan) ontvangen van de gemeente Amersfoort 2016
                                (ex artikel 7:9, lid 4 ARGA). Toepassingsbereik</titel></kop><al> Dit verzuimprotocol is van toepassing op de (ex) stagiair bij- en de ex
                            medewerker van de gemeente Amersfoort, die: </al><lijst><li nr="a"><al> gedurende de stage periode ziek wordt;</al></li><li nr="b"><al> ziek uit dienst/stageperiode is gegaan;</al></li><li nr="c"><al> binnen 4 weken na het beëindigen van de
                                    arbeidsrelatie/stageperiode ziek wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:2 Wat te doen bij ziekte</titel></kop><al> Bij ziekte moet u zich zo snel mogelijk, in ieder geval voor 09.00 uur,
                            ziek melden bij uw (voormalig) direct leidinggevende. Als u zelf niet in
                            staat bent u ziek te melden, kunt u dat door iemand anders laten doen.
                            Laat weten hoe wij u kunnen bereiken bijvoorbeeld door het verstrekken
                            van uw mailadres en/of 06-nummer. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:3 Bel bij ziekte buiten Nederland</titel></kop><al> Wordt u buiten Nederland ziek? Geef dit dan binnen 48 uur aan uw
                            (voormalig) direct leidinggevende door. U hoort dan wat u moet doen. Wij
                            kunnen u doorverwijzen naar een arts. Als wij daarom vragen, moet u de
                            medische verklaringen van deze arts aan de bedrijfs- c.q.
                            verzekeringsarts geven. Ook kunnen wij u doorverwijzen naar het bevoegde
                            sociale verzekeringsorgaan van het land waar u verblijft. U bent
                            verplicht de aanwijzingen van deze instelling op te volgen. Krijgt u een
                            oproep van deze instelling of een arts en kunt u niet langskomen? Geef
                            dit dan aan ons door. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:4 Uw plichten met een Ziektewet-uitkering</titel></kop><al> U heeft zich ziek gemeld. Als u ziek bent, krijgt u misschien een
                            Ziektewet-uitkering. Wij, de gemeente Amersfoort, zijn als
                            (ex-)werkgever eigenrisicodrager. Dat betekent dat u geen
                            Ziektewet-uitkering van UWV krijgt, maar van ons. Ook zijn wij samen met
                            u verantwoordelijk voor uw re-integratie. Dat betekent dat u vanaf het
                            moment dat u zich ziek meldt een aantal plichten (zoals beschreven in de
                            Controlevoorschriften Ziektewet) heeft. Hieronder leest u meer hierover.
                            UWV blijft echter eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de
                            Ziektewet. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:5 Zorg ervoor dat u thuis bent</titel></kop><al> Uiteraard willen wij als uw (ex-)werkgever weten hoe het met u gaat. En
                            wanneer u weer in staat bent om te werken. Daarom nemen wij binnen 2
                            werkdagen nadat u zich ziek heeft gemeld contact met u op. </al><lijst><li nr="-"><al> Na uw ziekmelding moet u elke dag tot 18.00 uur thuisblijven
                                    totdat u contact heeft gehad met de contactpersoon/bedrijfs-
                                    c.q. verzekeringsarts. Bijvoorbeeld totdat de bedrijfs-
                                    c.q.verzekeringsarts u belt, u thuis bezoekt of totdat u een
                                    uitnodiging krijgt om naar het spreekuur te komen.</al></li><li nr="-"><al> Tot dit eerste contact met de bedrijfs- c.q. verzekeringsarts
                                    mag u wel uw arts of uw fysiotherapeut bezoeken. Of naar een
                                    sollicitatiegesprek gaan. Graag verzoeken wij u de
                                    contactpersoon/bedrijfs- c.q. verzekeringsarts hierover te
                                    informeren.</al></li><li nr="-"><al> Soms vragen wij u de eerste 2 weken thuis te zijn, omdat de
                                    bedrijfs- c.q. verzekeringsarts bij u langskomt. Blijf dan ’s
                                    morgens tot 10.00 uur en ’s middags van 12.00 tot 14.30 uur
                                    thuis. Bent u dan niet thuis omdat u een afspraak heeft met
                                    bijvoorbeeld uw arts of fysiotherapeut, of omdat u naar een
                                    sollicitatiegesprek moet? Geef dat dan altijd vooraf aan de door
                                    ons aangegeven contactpersoon en de bedrijfs- c.q.
                                    verzekeringsarts door.</al></li><li nr="-"><al> Kunt u thuis niet zelf de voordeur opendoen? Zorg er dan voor
                                    dat er iemand bij u is die dat wel kan. Doet uw deurbel het
                                    niet? Laat de door ons aangegeven contactpersoon en de bedrijfs-
                                    c.q. verzekeringsarts dan duidelijk weten hoe u wel bereikbaar
                                    bent. Bijvoorbeeld met een briefje op de deur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:6 Werk aan uw herstel</titel></kop><al> Tijdens uw ziekte moet u er alles aan doen om zo snel mogelijk weer
                            beter te worden. Ga, als dat nodig is, langs bij uw (huis)arts en volg
                            zijn adviezen op. Zorg ervoor dat u dingen doet die goed zijn voor uw
                            genezing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:7 Vakantie</titel></kop><al> Wanneer u op vakantie gaat, dient u de vakantie en het verblijfsadres
                            aan de contactpersoon en de bedrijfs- c.q. verzekeringsarts door te
                            geven uiterlijk 48 uur voordat u vertrekt. De vakantie mag uw herstel
                            niet belemmeren. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:8 Werk mee aan uw re-integratie</titel></kop><al> U moet actief meewerken aan uw re-integratie. Doe er dus alles aan om
                            zo snel mogelijk weer aan het werk te kunnen. U stelt samen met de
                            bedrijfs- c.q. verzekeringsarts een Plan van aanpak op als u langer dan
                            6 weken ziek bent. Hierin staan afspraken over uw
                            re-integratieactiviteiten. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:9 Accepteer passend werk</titel></kop><al> Soms kunt u door uw ziekte uw eigen werk niet meer doen, maar wel ander
                            werk. Wat voor werk dat is, hangt af van uw gezondheid en van hoelang u
                            ziek bent. De bedrijfs- c.q. verzekeringsarts bepaalt in overleg met u
                            wat passend werk is. U moet dit werk altijd accepteren, ook als dat
                            onder uw niveau ligt. Is er geen passend werk beschikbaar, maar bent u
                            daartoe wel in staat? Dan bent u verplicht om u in te schrijven als
                            werkzoekende. U moet dan proberen passend werk te krijgen. U hoeft niet
                            op zoek te gaan naar passend werk als u met vakantie bent, tot maximaal
                            4 weken per jaar. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:10 Kom naar afspraken bij de bedrijfs- c.q.
                                verzekeringsarts</titel></kop><al> Krijgt u een oproep voor het spreekuur? Of nodigt de bedrijfs- c.q.
                            verzekeringsarts u uit voor een gesprek of onderzoek? Dan bent u
                            verplicht om te komen. Wilt u de afspraak verzetten? Neem dan uiterlijk
                            24 uur voor de afspraak contact op met de bedrijfs- c.q.
                            verzekeringsarts voor een nieuwe afspraak. U kunt de afspraak alleen
                            verzetten met een geldige reden. Wij beoordelen of de reden die u
                            opgeeft geldig is. Heeft u geen geldige reden of komt u zomaar niet naar
                            een afspraak? Dan kan dit gevolgen hebben voor uw Ziektewetuitkering.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:11 Zorg voor een geldig identiteitsbewijs</titel></kop><al> Komt u naar het spreekuur of komt de bedrijfs- c.q. verzekeringsarts
                            bij u langs? Dan moet u een geldig identiteitsbewijs laten zien. Bij een
                            eerste contact kan dat een paspoort, identiteitskaart of
                            verblijfsdocument zijn. Bij een vervolgcontact is ook een rijbewijs
                            voldoende. Ook een begeleider moet een geldig identiteitsbewijs bij zich
                            hebben. Medewerkers van de arbodienst legitimeren zich altijd als ze bij
                            u langskomen. Gebeurt dit niet, dan kunt u vragen naar hun legitimatie.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:12 Geef wijzigingen door</titel></kop><al> Als er iets verandert in uw situatie, kan dat gevolgen hebben voor de
                            hoogte of duur van uw uitkering. U bent daarom verplicht deze informatie
                            direct aan uw contactpersoon en de bedrijfs- c.q. verzekeringsarts door
                            te geven. De meest voorkomende veranderingen die u moet doorgeven, zijn: </al><al><onderstreept>Veranderingen in uw werk of inkomsten</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al> U gaat (meer of minder) verdienen.</al></li><li nr="-"><al> U stopt met werken.</al></li><li nr="-"><al> U krijgt andere inkomsten dan loon. Bijvoorbeeld een aanvulling
                                    op uw uitkering.</al></li></lijst><al>Deze veranderingen moet u aan de contactpersoon doorgeven binnen 24 uur
                            nadat deze bij u bekend had kunnen zijn.</al><al><onderstreept>Verandering vanwege uw gezondheid</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al> Uw gezondheid verbetert of gaat achteruit. </al></li></lijst><al>Deze verandering moet u aan de bedrijfs- c.q. verzekeringsarts doorgeven
                            binnen 24 uur nadat deze bij u bekend had kunnen zijn.</al><al><onderstreept>Veranderingen in uw leefsituatie</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al> Uw persoonlijke situatie verandert. U gaat bijvoorbeeld
                                    verhuizen. Of u krijgt een nieuw rekeningnummer. U gaat naar een
                                    ander woon of verblijfadres in Nederland. Bijvoorbeeld omdat u
                                    tijdelijk wordt opgenomen in een ziekenhuis, verpleeghuis of
                                    inrichting. Of omdat u met vakantie gaat.</al></li><li nr="-"><al> U wordt gedetineerd.</al></li></lijst><al>Deze veranderingen moet u aan de contactpersoon en de bedrijfs- c.q.
                            verzekeringsarts doorgeven binnen 48 uur nadat deze bij u bekend hadden
                            kunnen zijn.</al><al><onderstreept>Verblijf in het buitenland</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al> U gaat naar een woon- of verblijfadres buiten Nederland. </al></li></lijst><al>Deze verandering moet u uiterlijk 7 dagen voor vertrek doorgeven aan de
                            contactpersoon en de bedrijfs- c.q. verzekeringsarts. </al><al>Twijfelt u over wat u wel of niet moet doorgeven? Neem dan contact op
                            met de contactpersoon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:13 Wat te doen als u beter bent</titel></kop><al> Zodra u weer beter bent, moet u dat binnen 48 uur doorgeven aan uw
                            contactpersoon en de bedrijfs- c.q. verzekeringsarts. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:2:14 Houd u aan de plichten</titel></kop><al> Het is belangrijk dat u zich aan de plichten houdt. Houdt u zich niet
                            aan uw plichten? Dan krijgt u tijdelijk minder of geen uitkering en/of
                            een boete. U leest daar meer over in het Maatregelenbesluit
                            socialezekerheidswetten.Als u te veel uitkering heeft ontvangen, moet u
                            dat bedrag terugbetalen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage 1 Informatie over de contactpersoon en/of bedrijfs- c.q.
                                verzekeringsarts </titel></kop><al> In het besluit “Ontslag van rechtswege/ziek uit dienst” worden de namen
                            van de contactperso(o)n(en) bij de gemeente Amersfoort en die van de
                            bedrijfs- c.q. verzekeringarts genoemd. </al><al>Bedrijfs- c.q. verzekeringarts:Immediator B.V.Torenallee 45, 8.0065617
                            BA EINDHOVENT: 040 243 03 27E: info@immediator.nlW:
                            www.immediator.nl</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking
                                bij ziekte</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                            noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10:4 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                reïntegratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en
                                        mee te werken aan door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in
                                        artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        7:9, derde lid;</al></li><li nr="c"><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld
                                        in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te
                                vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te
                                verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe
                                in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te
                                verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                beantwoording van de vragen:</al><lijst><li nr="a"><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn
                                        functie wegens ziekte;</al></li><li nr="b"><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld
                                        onder a;</al></li><li nr="c"><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn
                                        functie opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d"><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                        behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich
                                        niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende
                                        geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen
                                        voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een
                                        ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;</al></li><li nr="e"><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing
                                        wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f"><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het
                                        belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het
                                        belang van het behoud, het herstel of de bevordering van
                                        zijn arbeidsgeschiktheid; </al></li><li nr="g"><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan
                                        worden hervat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van
                                medisch onderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</titel></kop><al>Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
                            salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 en geen opbouw van het IKB,
                            bedoeld in artikel 3:28, bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel
                                    7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar
                                    opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                    heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn
                                    geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b"><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een
                                    halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde
                                    geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij
                                    onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft
                                    verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de
                                    verklaring dat tegen de vervulling van zijn functie uit medisch
                                    oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij
                                    de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft
                                    gehandeld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                                bedoeld in artikel 7:3 en de opbouw van het IKB, bedoeld in artikel
                                3:28, worden gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het
                                        verlenen van medewerking aan een door of vanwege de
                                        arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te
                                        komen;</al></li><li nr="b"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte
                                        heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te
                                        stellen of te blijven stellen;</al></li><li nr="c"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                                        voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met
                                        uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een
                                        ingreep van heelkundige aard;</al></li><li nr="d"><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek
                                        schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt
                                        belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="e"><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
                                        onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet
                                        kan plaatshebben; </al></li><li nr="f"><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                        wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht,
                                        tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn
                                        genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe
                                        toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="g"><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij
                                        heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst
                                        in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid
                                        voor zichzelf of derden; </al></li><li nr="h"><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst
                                        bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate,
                                        indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door
                                        de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft
                                        opgegeven;</al></li><li nr="i"><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie te
                                        verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit
                                        hoofdstuk. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                en de opbouw van het IKB vinden wel plaats indien de ambtenaar op
                                grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt
                                van het gedrag, genoemd in het lid 1. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene
                                verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 7:11 lid 1, onderdeel c, wordt disciplinair gestraft
                                wegens plichtsverzuim. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                                bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB bedoeld in artikel
                                3:28, worden gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a"><al> weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of
                                        getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11 lid 1,
                                        onderdeel a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat
                                        te stellen de eigen passende arbeid te verrichten; </al></li><li nr="b"><al> weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        7:11 lid 1, onderdeel b; </al></li><li nr="c"><al> weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe
                                        hij op grond van artikel 7:11 lid 2 verplicht is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                                en de opbouw van het IKB, bedoeld in lid 2, vinden wel plaats indien
                                de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan
                                worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het lid 2. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan
                                ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding
                                geven, bepalen dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en
                                7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar
                                zal worden uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de
                                artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) alsnog aan de ambtenaar uitbetaald
                                wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform
                                artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel
                                over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                ambtenaar opgedragen: </al><lijst><li nr="a"><al> door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling; </al></li><li nr="b"><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling;</al></li><li nr="c"><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel
                                7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve
                                herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door
                                wijziging van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode
                                van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de
                                passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan
                                80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar
                                met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer
                                benut.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder
                                een andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde
                                werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie
                                tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of
                                bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.
                            </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien
                                zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                                of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
                                waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden
                                voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie
                                die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn
                                functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie
                                slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor
                                toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de
                                hervatting kan geschieden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden
                                gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist
                                indien de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig verhinderd
                                is geweest zijn functie te vervullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in
                            mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit
                            passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens
                            reïntegratie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van
                                zijn functie, op grond van een aan het college uitgebracht advies
                                door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing
                                of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing
                                wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht,
                                worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op het
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht
                                op heeft krachtens artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend
                                een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van
                                het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke
                                benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid
                                bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al></li><li><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al></li><li><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de
                                    WIA</al></li><li><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al></li><li><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al></li><li><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering,
                                wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het
                                bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW
                                gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is,
                                wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering
                                ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met
                                een volledige ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                                de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de
                                ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de
                                ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn
                                schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit
                                artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking
                                aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de
                                ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                                ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere
                                aan de ambtenaar uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </titel></kop><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                            ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft
                            op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering
                            gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht
                            heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de
                                WIA</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot
                                het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of een
                                IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering
                                gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht
                                heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel
                                een WGAuitkering in verband met volledige, maar niet duurzame
                                arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een
                                bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGAuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit
                                hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar
                                rato van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de
                                verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking
                                op grond waarvan de betaling wordt gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de
                                in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of
                                IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening
                                gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                                de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in
                                aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit
                                redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit
                                artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan
                                wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem
                                dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                                dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd
                                genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van
                                het bedrag plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking
                                aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of
                                IVA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</titel></kop><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                            aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht
                            heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het
                            Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</titel></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft
                            op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de
                            toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond
                            van de WIA.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Ziektekosten</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al></li><li><al>Artikel 7:24a Zorgverzekering</al></li><li><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al></li><li><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al></li><li><al>Artikel 7:25b Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</titel></kop><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren,
                            postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18
                            van de Zorgverzekeringswet</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24a Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25a Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25b Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Overige bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al></li><li><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al></li><li><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
                                december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering op grond
                                van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt,
                                blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31
                                december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de
                                betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de
                                betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                                Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem,
                                die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien
                                hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet
                                wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid
                                onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien
                                naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op
                                een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid
                                is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                                toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid
                                wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid
                                waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en
                                bekwaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van
                                aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden
                                100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar genoot
                                in de oorspronkelijke functie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de
                                ambtenaar ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is herplaatst
                                en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering,
                                invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in
                                verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de
                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die
                                kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij
                                weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk
                                inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag
                                van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde
                                of de verloren gegane inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de
                                        leeftijd van 65 jaar bereikt;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1,
                                7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van
                                toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1,
                                7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden
                                op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i289995"></illustratie></plaatje>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond
                                van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1,
                                7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1,
                                7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i289996"></illustratie></plaatje> , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21,
                                eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als
                                een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="1 januari 2006" type="tekst" id="i289997"></illustratie></plaatje> . </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte
                                van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring
                                van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel
                                7:3, eerste tot en met het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet
                                van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals
                                dat gold op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i289998"></illustratie></plaatje> , van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28a Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008" type="tekst" id="i289999"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28b Overgangsartikel</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                            artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008" type="tekst" id="i290000"></illustratie></plaatje>.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Ontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang
                                van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie
                                maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste
                                lid worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig
                                is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor
                                disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek
                                om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de
                                strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf
                                onherroepelijk is geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                leeftijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag
                                waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede
                                instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
                            </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het
                                bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van
                                de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als
                                bedoeld in artikel 8:2 lid 3 wordt beëindigd wanneer een van de
                                partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één
                                maand in acht genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn
                                van 13 weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van
                                zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het
                                dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd,
                                ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd
                            in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het
                            aan de betrokken ambtenaren medegedeeld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een IVA-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                                ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte.
                                Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan
                                gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is
                                van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de
                                claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke
                                herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                                ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze
                                melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste
                                ziektedag. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                                functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan
                                vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
                                wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs
                                niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                verlengd: </al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte
                                mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden
                                indien: </al><lijst><li nr="a"><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                        betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36
                                        maanden;</al></li><li nr="b"><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de
                                        ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op
                                        te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is
                                van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de
                                claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een
                                mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake
                                is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan
                                de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld.
                                Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de
                                eerste ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van de functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand
                                aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens
                                ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
                                minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan
                                en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel
                                a, wordt verlengd</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende
                                arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig
                                is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid
                                op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn
                                van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel
                                7:16 overeenkomstig toegepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie
                                wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij
                                zonder deugdelijke grond weigert:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee
                                        te werken aan door het college of een door hem aangewezen
                                        deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen
                                        de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in
                                        artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten
                                        waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;</al></li><li nr="c"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        25, tweede lid, van de WIA;</al></li><li nr="d"><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
                                het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend
                                advies van het UWV in.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of
                                ongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van
                                dit artikel wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a"><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                                    bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij
                                    aanvaarding van de functie geldt;</al></li><li nr="b"><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                                    functie zou uitsluiten; </al></li><li nr="c"><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                    rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="d"><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                    onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e"><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                    misdrijf;</al></li><li nr="f"><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                    indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt
                                    kan worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag
                            op grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan
                            niet eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop de reden voor het
                            ontslag voor het eerst aanwezig was.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op
                                een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden
                                in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel
                            8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                            vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
                            een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen
                            tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij
                            ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het
                            college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                                urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
                                rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien
                                na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband
                                feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is
                                verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd
                                te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                                Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de urenuitbreiding
                                feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een urenuitbreiding
                                is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding geacht voor
                                dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan
                                ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                aanstelling leidde is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is
                                aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag
                                worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding
                                leidde, is vervallen. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan
                                niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4
                                zijn overschreden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een
                                tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling
                                of urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan
                                ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in
                                dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook
                                ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke
                                aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid,
                                wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a"><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;</al></li><li nr="b"><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter
                                        dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al></li><li nr="c"><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft
                                        geduurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van zijn
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</titel></kop><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                            worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                                vakorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>wet:</vet>Wet op de ondernemingsraden; </al></li><li nr="b"><al><vet>ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals
                                        bedoeld in de wet; </al></li><li nr="c"><al><vet>ambtenaar:</vet> de persoon zoals bedoeld in artikel 1,
                                        tweede lid, van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a"><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst
                                        als bedoeld in artikel 9 van de wet; </al></li><li nr="b"><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c"><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel
                                        15 van de wet; </al></li><li nr="d"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                        geweest van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                        geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit
                                dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in
                                artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is
                                aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te
                                ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q.
                                binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag
                                op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene
                                schriftelijk in het ontslag toestemt. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                                toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing
                                op die secretaris. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door
                                het college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                        onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de
                                        oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b"><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van
                                        het Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                        uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c"><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                        misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d"><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het
                                        belang van de dienst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                                        ingaat;</al></li><li nr="b"><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                        omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing
                                        aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c"><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                        schorsing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b
                                of c , kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor een
                                derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes
                                weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook
                                tot het volle bedrag , plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het
                                derde lid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a ,
                                kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van
                                ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of gedeeltelijk worden
                                gestaakt, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de
                                datum van het ontslag wordt de doorbetaling geheel gestaakt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden
                                uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in
                                ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem
                                verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief de
                                toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de
                                schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt
                                gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot
                                uitbetaling wordt besloten. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en toegekende
                                salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing
                                bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet
                                volgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                                aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                vervuld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld,
                                met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een
                                omschrijving of aanduiding van die datum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het
                                ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de
                                dienst </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen
                                arbeidsduur</titel></kop><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk
                            wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan,
                            dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit
                            hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op
                            grond van artikel 7:16.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen
                                8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en
                                8:5a niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5
                                en 8:5a, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 juni 2006" type="tekst" id="i290001"></illustratie></plaatje>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen
                                8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond
                                van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5
                                en 8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5
                                en 8:5a, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 juni 2006" type="tekst" id="i290002"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5,
                                is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="zoals dat gold op 30 juni 2008" type="tekst" id="i290003"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                            artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel
                            8:5 van toepassing, zoals dat gold op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 november 2008" type="tekst" id="i290004"></illustratie></plaatje>.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 9 is vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                            bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9a:1 Algemeen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006
                            in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3,
                            zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290005"></illustratie></plaatje> .</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:2 Definities</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                    belasting door het frequent draaien van piket of het werken in
                                    roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                    werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                    gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b"><al><vet>de tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de
                                    organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de
                                    gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de
                                    bezwarende functie en die past bij de richting zoals afgesproken
                                    is in het loopbaanplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:4 Het loopbaanplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                                functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de
                                ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten
                                de gemeentelijke dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende
                                bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan
                                de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis
                                en vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen
                                opleiding en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na
                                maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in een bezwarende functie een
                                tweede loopbaan te beginnen. Het loopbaanplan omvat in ieder geval
                                die opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de
                                brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau.
                                Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend worden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen
                                aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het
                                loopbaanplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding
                                opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                                geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen
                                van het college als met de belangen van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot
                                benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het college die
                                de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te
                                voeren.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                                college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de
                                activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a"><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b"><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                        wordt;</al></li><li nr="c"><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de
                                        activiteit plaatsvindt;</al></li><li nr="d"><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e"><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de
                                        te volgen scholing;</al></li><li nr="f"><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="g"><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                        scholing;</al></li><li nr="h"><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i"><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                        ondernemen activiteit kan worden onderbroken of
                                        gestopt;</al></li><li nr="j"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:6 Terugbetaling</titel></kop><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die
                            het college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de
                            activiteiten dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed,
                            terug te betalen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke
                                dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan
                                binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief
                                plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats
                                door aanpassing van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats
                                door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende
                                functie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het
                                loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet
                                begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13
                                disciplinair ontslag verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                                wanneer:</al><lijst><li nr="a"><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het
                                        college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet
                                        nakomt;</al></li><li nr="b"><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en
                                        de ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.</al></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de
                                bezwarende functie door te werken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen
                                wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet
                                medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken,
                                geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt;
                                overbruggingsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende
                                functie door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal
                                jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is
                                geweest.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                                overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                                overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is
                                vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12
                                maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het
                                salaris.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht
                                op de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze
                                hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel
                                7:3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom
                                van:</al><lijst><li nr="a"><al> het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b,
                                    </al></li><li nr="b"><al> de vakantieuitkering, </al></li><li nr="c"><al> de eindejaarsuitkering, </al></li><li nr="d"><al> de functioneringstoelage, </al></li><li nr="e"><al> de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f"><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                                        toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar
                                        zijn toegekend, berekend over een periode van 12 maanden
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het begin van de tweede
                                        loopbaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de
                                feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1,
                                tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging van de feitelijke
                                uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid,
                                onderdeel c door in de oude bezoldiging</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid werkt een verhoging of verlaging van
                                de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1,
                                tweede lid, onderdeel c bij uitruil in het kader van de uitwisseling
                                van arbeidsvoorwaarden genoemd in hoofdstuk 4a niet door in de oude
                                bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede
                                loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het
                                negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude
                                salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging,
                                zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging
                                wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze
                                in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de
                                organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest,
                                die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een aflopende
                                afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het verschil tussen
                                de oude toelagen en vergoedingen en eventuele toelagen en
                                vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De afbouwtoelage
                                bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al> het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b"><al> het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c"><al> het derde jaar 50%; </al></li><li nr="d"><al> het vierde jaar 25%.</al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de
                                generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector
                                wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag
                                waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen,
                                behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de
                                afbouwtoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging
                                wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze
                                in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie
                                van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van
                                het verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris,
                                inclusief eventuele toelagen en vergoedingen. Het nieuwe
                                jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen, wordt
                                berekend naar het bedrag dat voor de ambtenaar bij indiensttreding
                                bij de nieuwe werkgever is vastgesteld. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                        beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke
                                        ambulancedienst; en</al></li><li nr="b"><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door
                                        het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290006"></illustratie></plaatje>, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft
                                        vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat
                                        luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290007"></illustratie></plaatje>, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar
                                        of ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar
                                die</al><lijst><li nr="a"><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                                        ambulancedienst, of</al></li><li nr="b"><al>overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps,
                                        dan wel naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij
                                        bij de overstap tussen de werkgever en ambtenaar andere
                                        afspraken zijn gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de
                                functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie
                                is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290008"></illustratie></plaatje>, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                ouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst
                                mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage
                                levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9
                                niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949
                                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</al></li><li><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                                    9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                                    en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                    artikel 9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                    artikel 9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                    geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in
                                    een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                                    onbezoldigd volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                    leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</al></li><li><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                    ziekte</al></li><li><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                                    20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</al></li><li><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</al></li><li><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                    geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in
                                    een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bezoldiging:</vet> de optelsom van</al><lijst><li nr="I"><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub
                                            b, </al></li><li nr="II"><al> de vakantieuitkering;</al></li><li nr="III"><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV"><al> de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V"><al> de waarnemingstoelage en </al></li><li nr="VI"><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                                            toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar
                                            zijn toegekend, met uitzondering van de
                                            levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9,
                                            berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk
                                            voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de
                                            toepassing van artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel
                                            9b:25, zesde lid, artikel 9b:26, artikel 9b:47 en
                                            artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met uitzondering
                                            van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25, na
                                            deze datum geïndexeerd met de generieke
                                            salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector
                                            wordt overeengekomen. Indien verlofopname door de
                                            ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot een
                                            wijziging van de feitelijke uitbetaling van de
                                            bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid,
                                            onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="b"><al><vet> bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                    belasting door het frequent draaien van piket of het werken in
                                    roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                    werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                    gezondheidsklachten; </al></li><li nr="c"><al><vet>dienstjaren voor brandweerpersoneel:</vet> de jaren in
                                    dienst van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren
                                    werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het
                                    stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment recht
                                    gaf op functioneel leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger
                                    bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en
                                    regelmatig in de uitruk is ingezet en men niet tegelijkertijd
                                    een aanstelling had als beroepsbrandweer. Bij twijfel over het
                                    aantal dienstjaren als vrijwilliger dient de ambtenaar
                                    aannemelijk te maken hoeveel jaren hij als vrijwilliger is
                                    ingezet; </al></li><li nr="d"><al><vet>dienstjaren voor ambulancepersoneel: </vet>de jaren
                                    werkzaam bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren
                                    werkzaam bij een ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een
                                    ambulancedienst in de particuliere sector en de jaren werkzaam
                                    als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits
                                    dit een functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel
                                    leeftijdsontslag; </al></li><li nr="e"><al><vet> niet-bezwarende functie:</vet> een functie die niet valt
                                    onder de definitie van onderdeel b; </al></li><li nr="f"><al><vet> tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de
                                    organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de
                                    gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de
                                    bezwarende functie; </al></li><li nr="g"><al><vet> onbezoldigd volledig verlof:</vet> verlof voor de formele
                                    arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949
                            en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende
                            functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                            werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in
                            artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering
                            en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949
                                met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand
                                volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt
                                volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van 80%
                                van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Voor zover het
                                dienstbelang het toelaat, kan de ambtenaar vanaf de datum bedoeld in
                                de eerste volzin in plaats van het volledig buitengewoon verlof als
                                hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de volgende mogelijkheden: </al><lijst><li nr="a"><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt
                                        een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar
                                        geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning
                                        van de bonus; </al></li><li nr="b"><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken,
                                        tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                        bezoldiging;</al></li><li nr="c"><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus
                                        wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende
                                        jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de
                                        bonus.</al></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk
                                is en de werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel
                                als alternatief voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking
                                werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende
                                bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid
                                bedoelde datum het college door middel van een verzoek bekend naar
                                welke variant zijn voorkeur uitgaat. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290009"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a
                                en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te
                                werken. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid gestelde
                                keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een periode van
                                een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is
                                om door te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes
                                kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover
                                het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment,
                                bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat
                                de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel
                                9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als voorwaarde dat als tweede en
                                eventueel volgende keuze alleen een optie in aanmerking komt waarbij
                                minder gewerkt wordt dan bij de eerdere keuze. Het tweede lid is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari
                                2011 gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van
                                het eerste lid van dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een
                                functie bekleedde waaraan salarisschaal 6 of lager was verbonden,
                                ontvangt gedurende die periode € 500,- netto per kalenderjaar. De
                                ambtenaar die in deze periode geen volledig kalenderjaar gebruik
                                maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato.
                                Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                                betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een
                                vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het
                                totaalbedrag, waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald
                                dat hoger is dan de reeds ontvangen vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel
                                9b:4</titel></kop><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c,
                            wordt geen pensioen opgebouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                                9b:4</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                            vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                            werkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin
                            en onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                            respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                                toepassing.<noot id="FN137323_1"><noot.al>Noot Driessen: Verwijzing van artikel 3:1:1 is onjuist en
                                    wordt nog aangepast na bericht CvA. De link verwijst wel naar
                                    het correcte artikel.</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:8 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                artikel 9b:4</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig
                            buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor
                            de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                            ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                artikel 9b:4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4,
                                eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                                in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of
                                na de datum waarop artikel 9b:4 van toepassing is geworden, wordt op
                                de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de
                                doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4 van toepassing is
                                geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:4.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt
                                en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen
                                te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel
                                die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b,
                                wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                                hij de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig verlof
                                verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290010"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het
                                vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer
                                het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290011"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar,
                                het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum
                                daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                                onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:13 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                            artikel 9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:15 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:16 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                            in artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd
                            volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                            9b:11, telt niet mee voor de berekening van de
                            ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar
                                valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290012"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van
                                herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel
                                9b:4 tot en met artikel 9b:18 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar
                                en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze
                                ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is, verandert deze
                                keuze in een keuze die op grond van zijn medische geschiktheid nog
                                wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4,
                                eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die
                                resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem
                                blijft artikel 9b:11 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290013"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie
                                van de gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een
                                garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude
                                bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het
                                totaalinkomen wordt de nieuwe bezoldiging gerekend, alsmede de
                                uitkeringen die de ambtenaar in verband met zijn
                                arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief
                                herplaatst wordt in een functie met een lager totaal inkomen buiten
                                de organisatie van de gemeente, maken het college en de ambtenaar
                                afspraken over een financiële regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                            college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                            op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290014"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling
                            van hoofdstuk 9e van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53
                                jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van
                                het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                                behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde
                                loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend
                                is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend
                                dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig
                                dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP
                                Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het
                                tweede lid, het in het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                Pensioen gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt
                                berekend tot het moment van uittreden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie
                                van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg
                                met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>leeftijd </al></entry><entry colname="col2"><al>factor </al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col4"><al>factor </al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col6"><al>factor </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,282</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,440</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,686</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,291</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,453</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,706</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,300</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,467</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,727</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,309</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,481</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,749</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,318</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,495</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,772</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,327</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,495</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,795</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,337</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,526</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,819</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,347</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,541</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,843</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,358</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,558</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,869</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,369</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,574</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,895</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,380</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,591</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,922</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,391</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,609</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,949</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,403</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,627</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,978</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,415</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,646</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>1,007</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,427</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,666</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,037</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren
                                vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer
                                    uit de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                    blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                            uittreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                                dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op
                                het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                                werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in
                                artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                                uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en
                                    tenzij tweede loopbaan gestart wordt</al></li><li><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan
                                    20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:27 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                                    en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al></li><li><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof
                                    voorde ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren
                                    op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                                    9b:28</al></li><li><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                    artikel 9b:28</al></li><li><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                                    9b:26 en 9b:28</al></li><li><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                    artikel 9b:26 en artikel 9b:28</al></li><li><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                    geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006
                                    in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij persioenopbouw tijdens
                                    onbezoldigd volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de
                                    ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                    met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949
                            en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                            functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                            werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in
                            artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering
                            en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en
                                tenzij tweede loopbaan gestart wordt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder
                                toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam tot
                                het moment, bedoeld in artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de
                                ambtenaar in het kader van het loopbaanplan hierover andere
                                afspraken maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de
                                maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a van
                                toepassing, met inachtneming van de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290015"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede
                                loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie binnen de organisatie
                                van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een
                                procedure voor erkenning verworven competenties zijn competenties
                                laten erkennen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan
                                heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten, voor zover
                                redelijk, van een extern loopbaanadvies.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere
                                functie aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, ontvangt,
                                in afwijking van artikel 9a:11, eerste tot en met zevende lid, een
                                garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude
                                bezoldiging en de nieuwe bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het college en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan
                                afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het
                                kader van de tweede loopbaan buiten de organisatie van de gemeente
                                een functie aanvaardt met een lager totaalinkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand volgend
                                op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt 50% van de
                                voor hem geldende formele arbeidsduur werken tegen doorbetaling van
                                90% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Indien dit voor
                                het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                                werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als
                                alternatief 60% van een volledige betrekking werken tegen
                                doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290016"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld in
                                het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld
                                in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt
                                ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43, eerste lid, van toepassing.
                            </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde
                                moment later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar.
                                Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door
                                te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes
                                kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:27 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                                en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de
                            artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en
                            artikel 6:3 niet van toepassing.<noot id="FN137119_1"><noot.al>Noot Driessen: Verwijzing van artikel 3:1:1 is onjuist en
                                    wordt nog aangepast na bericht CvA. De link verwijst wel naar
                                    het correcte artikel.</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor
                                de ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren heeft,
                                wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                                hij een bepaalde leeftijd bereikt, volledig buitengewoon verlof
                                verleend, tegen doorbetaling van een bepaald percentage van de voor
                                de ambtenaar geldende bezoldiging. De leeftijd en het percentage
                                zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1 januari 2006. De
                                leeftijd waaraan de ingangsdatum van het volledig buitengewoon
                                verlof is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment wordt
                                betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a"><al> 5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75% </al></li><li nr="b"><al> 10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78% </al></li><li nr="c"><al> 15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290017"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die
                                periode, waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft
                                gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                                9b:28</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar
                            pensioen op over de volledige bezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                artikel 9b:28</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig
                            buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of 80%
                            van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening
                            van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26
                                en 9b:28</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt
                            opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de
                            ambtenaar werkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:32 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:33 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                artikel 9b:26 en artikel 9b:28</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26
                                en artikel 9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband
                                met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                datum waarop artikel 9b:26 van toepassing is geworden, wordt op de
                                doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de
                                doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:26 van toepassing is
                                geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:26.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt
                                en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen
                                te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van 60
                                jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290018"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van
                                het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie
                                het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290019"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later
                                laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                                ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                                functie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum
                                daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                                onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:37 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                            artikel 9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:39 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:40 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                            in artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd
                            volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                            9b:35, telt niet mee voor de berekening van de
                            ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld
                                in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in artikel
                                9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar
                                valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290020"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum
                                van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                            college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                            op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290021"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling
                            van hoofdstuk 9e van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende
                                dienstjaren heeft op het moment van storting, op de leeftijd van 53
                                jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van
                                het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                                behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde
                                loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend
                                is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend
                                dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig
                                dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20
                                dienstjaren heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het
                                eerste lid gedeeld door 20 en vermenigvuldigd met het aantal
                                dienstjaren dat de ambtenaar heeft op de leeftijd van 53 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de
                                bezwarende functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd van
                                59 jaar of tot een moment hiervoor, wanneer eerder 20 dienstjaren
                                bereikt zijn, een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte
                                van het inkomen in dat jaar x de deeltijdfactor in dat jaar x 2,85%
                                maal de leeftijdsafhankelijke factor, die hoort bij de leeftijd op
                                het moment van het recht op uitbetaling. De leeftijd van 59 jaar is
                                60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op 31 december
                                2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP
                                Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar
                                overgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het
                                vierde lid, het in het eerste lid genoemde of, indien van
                                toepassing, het in het tweede lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                Pensioen, gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt
                                berekend tot het moment van uittreden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken, als
                                bedoeld in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal dienstjaren
                                niet verhoogd met het aantal jaren na 59 jaar.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal dienstjaren
                                niet verhoogd met het aantal jaar na 59 jaar. De leeftijd van 59
                                jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op 31
                                december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie
                                van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg
                                met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met
                                minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>leeftijd </al></entry><entry colname="col2"><al>factor </al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col4"><al>factor </al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col6"><al>factor </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,282</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,440</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,686</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,291</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,453</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,706</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,300</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,467</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,727</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,309</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,481</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,749</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,318</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,495</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,772</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,327</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,495</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,795</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,337</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,526</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,819</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,347</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,541</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,843</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,358</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,558</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,869</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,369</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,574</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,895</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,380</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,591</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,922</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,391</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,609</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,949</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,403</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,627</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,978</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,415</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,646</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>1,007</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,427</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,666</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,037</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren
                                vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer
                                    uit de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                    blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                            uittreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Vervallen</titel></kop><al>Artikel 9b:46 tm 9b:49 zijn vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:46 tm 9b:49 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 De ambtenaar in een niet bezwarende functie</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                    meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:52 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:52a Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:53 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende
                            functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20
                                dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet
                                bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het college
                                krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290022"></illustratie></plaatje> , leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een levensloopbijdrage
                                van 2% van het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over het jaar dat
                                de functie werd bekleed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die
                                direct voorafgaan aan 1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen
                                als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:52 Vervallen</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:52a Vervallen</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:53 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst
                                mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage
                                levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9
                                in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die geen
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al></li><li><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                                    en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al></li><li><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                    artikel 9b:56</al></li><li><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                    verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                    leeftijd van 50 jaar</al></li><li><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij
                                    regionalisering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949
                            en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende
                            functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                            werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 – als bedoeld in
                            artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO-uitkering en
                            die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel
                            9b:22, artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel
                                die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b,
                                wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                                hij de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon verlof
                                verleend voor een periode van 3 jaar, tegen doorbetaling van 70% van
                                de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290023"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het
                                vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer
                                het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290024"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar,
                                het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum
                                daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar
                                bij uittreden recht op volledig buitengewoon verlof als bedoeld in
                                het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld
                                in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet
                                wordt, dan is het zesde lid niet van toepassing en behoudt de
                                ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en met vijfde
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                                en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3 en
                            3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet
                            van toepassing.<noot id="FN580853_1"><noot.al>Noot Driessen: Verwijzing van artikel 3:3:1 is onjuist en
                                    wordt nog aangepast na bericht CvA. De link verwijst wel naar
                                    het correcte artikel.</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:58 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:59 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                artikel 9b:56</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig
                            buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor
                            de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                            ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                artikel 9b:56 </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56,
                                inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop
                                artikel 9b:56 van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van
                                de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                                gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde
                                bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:56 van kracht is
                                geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:56.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de
                                wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te
                                overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof
                            </titel></kop><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                            artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof
                            </titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld
                            in artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het volledig
                            buitengewoon verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar
                                valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290025"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van
                                herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel
                                9b:4 tot en met artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot en met 9b:62
                                van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar
                                en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze
                                ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is, verandert deze
                                keuze in een keuze die op grond van zijn medische geschiktheid nog
                                wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4,
                                eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die
                                resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:56, eerste lid. Op hem
                                blijft artikel 9b:56 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290026"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering
                            </titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij
                            de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze
                            paragraaf van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                                dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op
                                het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                                werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006 - in aanmerking
                                kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen
                                levensloop heeft ontvangen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al></li><li><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                                    en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al></li><li><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                    artikel 9b:67</al></li><li><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                    artikel 9b:67</al></li><li><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                    verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</al></li><li><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij
                                    regionalisering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:65 Werkingssfeer </titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949
                            en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                            functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                            werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006 - in aanmerking kwam
                            voor een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop
                            heeft ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel
                            9b:45a en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig
                                buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3 jaar tegen
                                doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20
                                dienstjaren zijn bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig verlof
                                als bedoeld in het eerste lid verleend naar rato van het aantal
                                dienstjaren, dat op dat moment is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van 60
                                jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290027"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van
                                het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie
                                het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290028"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later
                                laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                                ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                                functie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde
                                ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar
                                bij uittreden recht op buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste
                                lid naar rato van aantal dienstjaren op dat moment met een maximum
                                van 20 dienstjaren.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld
                                in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet
                                wordt, dan is het zevende lid niet van toepassing en behoudt de
                                ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en met zesde
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                                en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3 en
                            3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet
                            van toepassing.<noot id="FN580878_1"><noot.al>Noot Driessen: Verwijzing van artikel 3:3:1 is onjuist en
                                    wordt nog aangepast na bericht CvA. De link verwijst wel naar
                                    het correcte artikel.</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:69 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                artikel 9b:67</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk
                            bezoldigd volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de
                            voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                            ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                artikel 9b:67</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67
                                inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop
                                artikel 9b:67 van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van
                                de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                                gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde
                                bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is
                                geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:67.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de
                                wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te
                                overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof
                            </titel></kop><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof,
                            bedoeld in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren
                            plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld
                            in artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het gedeeltelijk
                            bezoldigd volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld
                                in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 50
                                jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290029"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum
                                van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede 9b:67 tot
                                en met 9b:73 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering
                            </titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij
                            de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze
                            paragraaf van toepassing. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn
                            in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                            college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald</titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 9c is vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949
                            of die geboren is voor 1950, maar...</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling</titel></kop><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari
                                2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en
                                verwijzingen in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat
                                geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm
                                gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de betekenis
                                van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van </cursief><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290030"></illustratie></plaatje><cursief> moet worden geraadpleegd</cursief>.</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                            gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                            geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                            geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari
                            2006 werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens
                            artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290031"></illustratie></plaatje> , leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31
                                december 2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of
                                daarna FLO-ontslag zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof
                                verleend met behoud van de volledige bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar
                                FLO-ontslag zou zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk
                                totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:3 Slotbepaling</titel></kop><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                            buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige
                            bezoldiging, worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van
                            hoofdstuk 9b gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:4 Slotbepaling</titel></kop><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden
                            op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9e:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3
                            van hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling
                                            FLO-overgangsrecht</vet>: een regeling als bedoeld in
                                        artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b"><al><vet>instelling</vet>: een door de ambtenaar gekozen
                                        kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                        vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c"><al><vet>levenslooprekening</vet>: een bij de instelling door de
                                        ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg
                                        van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d"><al><vet>levensloopverzekering</vet>: een bij de instelling door
                                        de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e"><al><vet>levenslooptegoed</vet>: het tegoed op een
                                        levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                        kapitaal;</al></li><li nr="f"><al><vet>netto spaarverzekering</vet>: de bij Loyalis Levensloop
                                        Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als
                                        productnaam “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="g"><al><vet>netto spaarverzekeringstegoed</vet>: het tegoed op de
                                        netto spaarverzekering;</al></li><li nr="h"><al><vet>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</vet>: het
                                        product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het
                                        FLO-overgangsrecht, dat bestaat uit een
                                        levensloopverzekering en een netto spaarverzekering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a"><al> moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                        Ambulance en,</al></li><li nr="b"><al> de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om
                                        in te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                        op het moment dat de werkgever deze levensloopbijdrage
                                        verstrekt en,</al></li><li nr="c"><al> niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                        leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer
                                        &amp; Ambulance.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:3 Doel</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                            voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                            periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De
                            gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel
                            19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen
                                zoals genoemd in artikel 9e:5.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig
                                te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed
                                van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn
                                opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                                dienstbetrekking staat. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als
                                bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:6 Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste
                                bedrag van de inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7
                                genoemde bronnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:7 Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                            levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de
                            volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a"><al> het salaris</al></li><li nr="b"><al> de vakantietoelage;</al></li><li nr="c"><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d"><al> de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;</al></li><li nr="e"><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                    bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f"><al> het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59
                                jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van
                                ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn
                                bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de
                                som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.
                                De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken
                                van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat
                                hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                                volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed
                                heeft overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                                artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed
                                en het netto spaarverzekeringstegoed.De controle hierop vindt plaats
                                binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van
                                210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                volgt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 9b:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan
                                20 dienstjaren op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59
                                jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in
                                artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het bereiken van 20
                                dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed heeft overeenkomend
                                met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij
                                is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto
                                spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                                half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat
                                hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                                volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande
                                van het bereiken van 20 dienstjaren of meer, een tegoed heeft
                                overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel
                                9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                                netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats
                                binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren
                                bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren
                                bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van
                                210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.
                            </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog
                                geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in
                                een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige
                                leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd is bereikt. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 3:1. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 9b:2. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke
                                levensloopregeling FLO-overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt daarnaast: </al><lijst><li nr="a"><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al> bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c"><al> op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede
                                lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij
                                het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt,
                                bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, of 9b:35, eerste lid, heeft
                                recht op een afkoopbedrag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde
                                lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij
                                het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt,
                                bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede lid, heeft
                                recht op een afkoopbedrag. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het
                                eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed
                                heeft overeenkomend met 210% van de bezoldiging op het moment van
                                ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en
                                het netto spaarverzekeringstegoed. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het
                                tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed
                                heeft overeenkomend met 140% van de bezoldiging op het moment van
                                ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en
                                het netto spaarverzekeringstegoed. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn
                                bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige
                                leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van
                                ontslag. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij: </al><lijst><li nr="a"><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                        voorafgaand aan het moment van ontslag; </al></li><li nr="b"><al> er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                        waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c"><al> het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond
                                        op hele maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                                3:1. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                                9b:2. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                            ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer
                                    uit de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                    blijft, </al></li></lijst><al>geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot
                            afkoop.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</titel></kop><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                            naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                            tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de
                            voorwaarde voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de
                            ambtenaar het afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar
                            stelt voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: </al><lijst><li nr="a"><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een
                                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de
                                        Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald
                                        volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35;</al></li><li nr="b"><al> ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in
                                        een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het
                                        Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor
                                        zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964
                                        niet worden overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                                tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat
                                hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het
                                college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in
                                geval van beëindiging van het dienstverband. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                                afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als
                                voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in
                                artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde
                                verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse
                                aanbieders. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Wachtgeld</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1
                                    januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                    terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van de
                                    CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in
                                    ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                                    verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                                    hoofdstuk, de CARUWO van </cursief><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290032"></illustratie></plaatje><cursief> moet worden geraadpleegd.</cursief></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                                        artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een
                                        betrekking:</al><lijst><li nr="1"><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2"><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die
                                                aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en
                                                niet is geschied in een betrekking van kennelijk
                                                tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                                        artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij
                                        toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6,
                                        tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld
                                in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het
                                voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling
                                ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat-
                            en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die
                            met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
                            ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                            doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
                                artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
                                zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door
                                een verzoek, bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor pensioen
                                geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                        lid;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
                                        daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                        lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                                        van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders
                                dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden,
                                worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag
                                waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd
                                buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
                                bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze
                                laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                                vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze
                                regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
                                de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
                                bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
                                ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
                                aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
                                werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
                                gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op
                                wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de
                                betrokkene :</al><lijst><li nr="a"><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens
                                        het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></li><li nr="b"><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c"><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                                        bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht
                                op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het wachtgeld
                                wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                        ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                        lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                        toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen
                                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
                                        of meer mede in aanmerking wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                        ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
                                afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a,
                                recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten van
                                het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de
                                betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou
                                hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge
                                artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op de eerste dag
                                volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 11a:5,
                                onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
                                wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is
                                ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten
                                toepassing laten van het eerste lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd.
                                Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in
                                die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
                                ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
                                waarop het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
                                        bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                        geweest of</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><lijst><li nr="-"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
                                        jaar;</al></li><li nr="-"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                        jaar;</al></li><li nr="-"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al></li><li nr="-"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
                                        jaar;</al></li><li nr="-"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al></li><li nr="-"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
                                        jaar;</al></li><li nr="-"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar,
                                        en</al></li><li nr="-"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                        jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van: </al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                        het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
                                        als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
                                        zijn geweest, en</al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                        betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                                        van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                                        het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
                                        een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
                                        ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
                                        toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                        de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar
                                        een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage
                                        op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                        het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur,
                                        bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
                                genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
                                aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor
                                de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan
                                het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                        werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                        bedoeld in het vierde lid volledig; en</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
                                        van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                        voor de helft in aanmerking genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
                                        uitkering ter zake van werkloosheid, of</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                        tijdens vakantie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
                                zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
                                lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
                                personen die zij als zodanig hebben aangewezen. In geval geen
                                verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd een van
                                hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                                moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                        onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
                                de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                                bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de
                                duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende
                                leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5%;</al></li><li nr="c"><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
                                        gelijk aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld,
                                waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid
                                van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de
                                berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid
                                mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening
                                van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende
                                duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in
                                het volgende lid, in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die
                                ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de
                                som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60
                                jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld
                                is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere
                                verlenging duurt tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in
                                het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                verlenging, buiten aanmerking</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat
                                wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7,
                                        eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede
                                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
                                        arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                                        wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                vervolgwachtgeld een jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag
                                van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid
                                van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                                heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is,
                                aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel
                                10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                                bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft
                                aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende
                                wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer
                                dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen
                                maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die
                                bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb.
                                1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige volzin, met 3
                                procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter
                                niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht
                                zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
                                wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn
                                gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen,
                                en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk
                                aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien
                                verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het
                                wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23
                                jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld
                                in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet,
                                beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld
                                in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:12 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt,
                                is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband
                                met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het
                                recht op wachtgeld ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben
                                bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is
                                voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door
                                het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden
                                gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere
                                bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan
                                wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
                                of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
                                te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld
                                van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:14 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                            arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet
                            van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                            van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:15 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling
                                is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op het
                                wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die
                                inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de
                                bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
                                inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging
                                overschrijdt, wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het
                                bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, niet in aanmerking
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en
                                die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
                                wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                                gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en
                                waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden
                                inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De
                                inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het
                                ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                                wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                                betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In
                                afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
                                verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende
                                wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering,
                                in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van
                                het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter
                                hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
                                of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet
                                verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk,
                                opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal
                                verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde
                                bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                                wachtgeldtermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke
                                wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde
                                termijn</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:17 Verlenging</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                            recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld
                            komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking
                            gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de
                            duur van die betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8
                            vastgestelde duur van het wachtgeld toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:18 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte
                                aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten
                                bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband
                                met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in
                                deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die
                                aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:19 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij
                                met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
                                toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                                percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                                arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het
                                verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het
                                onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake is
                                van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende
                                bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
                                waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel
                                of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing
                                van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt gedurende de
                                termijn waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts
                                uitbetaald voor zover het evenbedoelde uitkeringen te boven
                                gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:20 Betaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld
                                werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:21 Afkoop</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                            regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten
                            dele wordt vervangen door een afkoopsom.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                                        eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig
                                        doet; </al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
                                        tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt,
                                        tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden
                                        gemaakt; </al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                                        in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
                                        duurzaam te verblijven; </al></li><li nr="d"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                        of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn
                                        gesteld; </al></li><li nr="e"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag
                                        zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven; </al></li><li nr="f"><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
                                        voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding
                                        zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
                                        artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten,
                                de bezoldiging te boven zou zijn gegaan. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan
                                wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld
                                wordt toegekend. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens
                                het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is
                                dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers
                                of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het
                                oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige
                                functionering van de openbare dienst. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt;</al></li><li nr="b"><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c"><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
                                        derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar
                                        op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
                                        instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                                        doen verlengen; </al></li><li nr="d"><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                        arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
                                        oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
                                        instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat
                                        voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk
                                        werk te aanvaarden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit
                                wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van
                                artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan
                                de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                                uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5,
                                over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering
                                ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen
                                dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen
                                dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
                                of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van
                                een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op
                                het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel
                                10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde
                                wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide
                                uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde
                                wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar
                                het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van
                                de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens
                                begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens
                                begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als
                                bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur,
                                nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december
                                1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan
                                het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
                                het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste
                                lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk
                                van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar
                                arbeidsvermogen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                            uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en
                            10:23 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:28:1:1 Richtlijnen voor naleving en controle bij
                                hoofdstuk 10</titel></kop><lijst><li><al>1. Aanvraag uitkering/wachtgeld</al></li><li><al> 2. Opgave van inkomsten</al></li><li><al> 3. Sollicitatieplicht</al></li><li><al> 4. Opleiding met behoud van uitkering</al></li><li><al> 5. Vakantierechten</al></li><li><al> 6. Sancties</al></li><li><al> 7. Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop><vet>1. Aanvraag uitkering/wachtgeld</vet></tussenkop><al>De uitkering of het wachtgeld dient binnen een maand na het einde van
                            het dienstverband te worden aangevraagd bij het bureau personeels- en
                            salarisadministratie (verder te noemen “bureau PSA”) op straffe van een
                            sanctie overeenkomstig het sanctiebeleid genoemd in punt 6 van deze
                            richtlijn.</al><tussenkop><vet>2. Opgave van inkomsten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>2.1 Maandelijkse opgave inkomsten</vet></tussenkop><al> Op grond van artikel 10:16 van hoofdstuk 10 rust op de
                            uitkeringsgerechtigde de plicht om opgave te doen van inkomsten naast de
                            uitkering. Deze (eventuele) inkomsten zullen maandelijks worden ingevuld
                            op de 'Verklaring van inkomsten' (verkrijgbaar bij bureau PSA) en aan de
                            gemeente worden verzonden. De 'Verklaring van inkomsten' alsmede
                            daarvoor bestemde retourenveloppen zullen door de gemeente aan de
                            uitkeringsgerechtigde worden verstrekt. De verklaring dient aan het
                            einde van de maand te worden ingevuld en vóór de 15e van de volgende
                            maand in het bezit van de gemeente te zijn.</al><tussenkop><vet>2.2 Sanctie</vet></tussenkop><al>Indien de gemeente de verklaring over een afgelopen maand niet heeft
                            gekregen, zal een herinnering worden gestuurd. Het herhaaldelijk niet of
                            niet tijdig insturen van de 'Verklaring van inkomsten', kan leiden tot
                            een sanctie overeenkomstig het sanctiebeleid genoemd in punt 6 van deze
                            richtlijn.</al><tussenkop><vet>3. Sollicitatieplicht</vet></tussenkop><tussenkop><vet>3.1 Sollicitatieplicht op grond van de verordeningen</vet></tussenkop><al> Op grond van artikel 10:12 is de uitkeringsgerechtigde verplicht zelf
                            ernstig te trachten ander werk te vinden (de zogenaamde
                            sollicitatieplicht). Een aangeboden betrekking, die hem/haar in verband
                            met zijn/haar persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan
                            worden opgedragen, is hij/zij verplicht te aanvaarden.</al><tussenkop><vet>3.2 Passende arbeid</vet></tussenkop><al>De uitkeringsgerechtigde hoeft in beginsel in het eerste half jaar van
                            de werkloosheid geen ander werk te aanvaarden op een lager niveau of in
                            een ander beroep. Naarmate de werkloosheid langer duurt, worden de
                            grenzen van wat passend is ruimer en komt werk op een steeds lager
                            niveau en van andere aard in aanmerking (zie onderstaand schema).
                            Gelijke verruiming geldt voor het aanvaarden van banen tegen lager loon
                            en met grotere reistijden. Bij voortdurende werkloosheid is het moeten
                            verhuizen op zich geen argument om een baan als niet passend te
                            beschouwen.</al><table><tgroup cols="6"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Niveau</al></entry><entry colname="col2"><al>Academisch</al></entry><entry colname="col3"><al>HBO</al></entry><entry colname="col4"><al>MB</al></entry><entry colname="col5"><al>LBO</al></entry><entry colname="col6"><al>Basis</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry namest="col2" nameend="col4" colname="col2"><al>Aantal maanden</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Academicus</al></entry><entry colname="col2"><al>00 - 06</al></entry><entry colname="col3"><al>06 - 12</al></entry><entry colname="col4"><al>12 - 18</al></entry><entry colname="col5"><al>18 - 24</al></entry><entry colname="col6"><al>na 24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>HBO-er</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>00 - 06</al></entry><entry colname="col4"><al>06 - 12</al></entry><entry colname="col5"><al>12 - 18</al></entry><entry colname="col6"><al>na 18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MBO-er*</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>00 - 06</al></entry><entry colname="col5"><al>06 - 12</al></entry><entry colname="col6"><al>na 12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LBO-er**</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>00 - 06</al></entry><entry colname="col6"><al>na 06</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col7" colname="col1"><al><cursief>* Onder MBO-niveau wordt mede verstaan
                                                  HAVO/VWO-niveau ** Onder LBO-niveau wordt mede
                                                  verstaan MAVO-niveau</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>3.3 Inschrijving bij het Arbeidsbureau</vet></tussenkop><al> Op grond van artikel 10:12 is de uitkeringsgerechtigde verplicht zich
                            in te schrijven als werkzoekende bij het Arbeidsbureau. Een kopie van
                            het bewijs van inschrijving en de verlengingen dienen maandelijks worden
                            meegestuurd met de 'Verklaring van inkomsten'.</al><tussenkop><vet>3.4 Controle sollicitatieplicht</vet></tussenkop><al>Ter controle van de door de uitkeringsgerechtigde verrichte inspanning
                            om een andere betrekking te vinden, moet de uitkeringsgerechtigde op de
                            'Verklaring van inkomsten' aangegeven waar hij/zij gesolliciteerd heeft
                            en kopieën van deze sollicitaties en de daarop ontvangen reacties
                            meesturen.</al><tussenkop><vet>3.5 Contact met het Arbeidsbureau</vet></tussenkop><al>Indien nodig, zal de gemeente over de uitkeringsgerechtigde contact
                            onderhouden met het Arbeidsbureau. Het betreft hier veelal informatie
                            over eventuele begeleiding, de kansen op de arbeidsmarkt en of de
                            uitkeringsgerechtigde een betrekking is aangeboden.</al><tussenkop><vet>3.6 Sancties</vet></tussenkop><al>Indien de gemeente de indruk heeft, dat de uitkeringsgerechtigde niet
                            zijn uiterste best doet om een andere betrekking te vinden of anderszins
                            niet voldoet aan de hem/haar opgelegde verplichtingen, dan zal de
                            gemeente de uitkeringsgerechtigde uitnodigen voor een gesprek. In dit
                            gesprek krijgt de uitkeringsgerechtigde de gelegenheid uitleg te geven
                            over onduidelijkheden of redenen aan te geven waarom niet aan de
                            verplichting(en) wordt voldaan. Indien er geen legitieme reden is voor
                            de niet-naleving, of de indruk bevestigd wordt, dat de
                            uitkeringsgerechtigde niet zijn uiterste best doet een andere betrekking
                            te vinden, dan zal de uitkeringsgerechtigde een sanctie worden opgelegd
                            conform het onder punt 6 genoemde sanctiebeleid.</al><tussenkop><vet>4. Opleiding met behoud van uitkering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>4.1 Objecttoets</vet></tussenkop><al>Bij een verzoek om een opleiding te mogen volgen met behoud van
                            uitkering, zal eerst bekeken worden of de opleiding voldoet aan de
                            volgende criteria:</al><lijst><li nr="-"><al> het scholingsprogramma moet door het Arbeidsbureau zijn
                                    goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al> de opleiding mag niet een bedrijfsopleiding of een toelaatbare
                                    bedrijfsopleiding zijn;</al></li><li nr="-"><al> er mag geen sprake zijn van een loonbetalingsverplichting uit
                                    hoofde van een dienstverband;</al></li><li nr="-"><al>er mag geen productief werk worden verricht;</al></li><li nr="-"><al> de stage mag niet onevenredig lang zijn in verhouding tot de
                                    opleidingsduur;</al></li><li nr="-"><al> er moet sprake zijn van een arbeidsmarktrelevante
                                    scholing;</al></li><li nr="-"><al> de scholingsactiviteit vindt plaats door sociale partners op
                                    bedrijfstakniveau;</al></li><li nr="-"><al> de duur van de opleiding bedraagt niet meer dan 6 à 9 maanden
                                    tot maximaal - inclusief vakantie - één jaar.</al></li></lijst><al>Van de goedgekeurde opleidingen is door de bedrijfsverenigingen een
                            catalogus opgesteld die bij twijfel geraadpleegd kan worden.</al><tussenkop><vet>4.2 Subjecttoets</vet></tussenkop><al>Indien de opleiding aan de criteria genoemd in punt 3.1 voldoet, zal
                            bekeken worden of de uitkeringsgerechtigde in aanmerking kan komen voor
                            de opleiding. Hiertoe moet worden vastgesteld of in het individuele
                            geval van de uitkeringsgerechtigde sprake is van een in de praktijk
                            gebleken onmogelijkheid voor die uitkeringsgerechtigde, om zich zonder
                            de gewenste opleiding of scholing in een voor betrokkene passende arbeid
                            op de arbeidsmarkt te handhaven. Hierbij wordt gekeken naar:</al><lijst><li nr="-"><al><vet>de genoten vooropleiding:</vet> Wanneer reeds een opleiding
                                    is genoten die (goede) vooruitzichten biedt voor het vinden van
                                    een functie, kan dit reden zijn om de scholing als niet
                                    noodzakelijk aan te merken. Carrièrescholing zal niet als
                                    noodzakelijk worden aangemerkt.</al></li><li nr="-"><al><vet>de leeftijd van betrokkene:</vet> Naarmate de leeftijd
                                    hoger is, zal eerder sprake zijn van een noodzakelijke
                                    scholing.</al></li><li nr="-"><al><vet>de duur van de werkloosheid:</vet> De duur van de
                                    werkloosheid kan een aanwijzing zijn, dat de kans op
                                    werkhervatting klein is.</al></li><li nr="-"><al><vet>het arbeidsverleden en de uitgeoefende functie:</vet> Een
                                    arbeidsverleden dat uit verschillende kortdurende
                                    dienstbetrekkingen bestaat, afgewisseld door perioden van
                                    werkloosheid, zal een indicatie kunnen zijn voor een
                                    noodzakelijke scholing.</al></li><li nr="-"><al> het aanwezig zijn van vacatures die gezien het arbeidsverleden
                                    voor betrokkene als passend zijn aan te merken</al></li><li nr="-"><al>medische aspecten</al></li></lijst><tussenkop><vet>4.3 Ontheffing sollicitatieplicht</vet></tussenkop><al>Indien de uitkeringsgerechtigde toestemming krijgt om de opleiding te
                            volgen, dan zal hij/zij gedurende de opleiding zijn/haar uitkering
                            behouden voor zover er uitkeringsduur is. Tevens is hij/zij ontheven van
                            de sollicitatieplicht.</al><tussenkop><vet>4.4 Beëindiging opleiding</vet></tussenkop><al>Indien de uitkeringsgerechtigde de opleiding (voortijdig) beëindigd
                            heeft, herleeft de sollicitatieplicht.</al><tussenkop><vet>5. Vakantierechten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>5.1 Vakantiedagen</vet></tussenkop><al>De uitkeringsgerechtigde heeft recht op maximaal 24 dagen vakantie per
                            jaar (bij een volledige betrekking). Voor het opnemen van de
                            vakantiedagen heeft de uitkeringsgerechtigde toestemming nodig van de
                            gemeente. De uitkeringsgerechtigde kan deze toestemming (uiterlijk één
                            maand van tevoren) vragen door middel van het invullen van vraag V van
                            de 'Verklaring van inkomsten'. Indien de uitkeringsgerechtigde binnen
                            een maand na de aanvraag geen reactie heeft gekregen van de gemeente,
                            kan de toestemming als verleend worden beschouwd.</al><tussenkop><vet>5.2 Ontheffing sollicitatieplicht</vet></tussenkop><al>Gedurende de opgenomen vakantiedagen is de uitkeringsgerechtigde
                            ontheven van de sollicitatieplicht.</al><tussenkop><vet>5.3 Benadeling gemeente</vet></tussenkop><al>De gemeente mag door de vakantie van de uitkeringsgerechtigde niet
                            benadeeld worden. De uitkeringsgerechtigde kan dus niet gaan (betaald of
                            onbetaald) werken tijdens zijn/haar vakantie. Desgevraagd dient de
                            uitkeringsgerechtigde inlichtingen betreffende de vakantie te
                            verschaffen.</al><tussenkop><vet>5.4 Sancties tijdens vakantie</vet></tussenkop><al>Gedurende de vakantie van de uitkeringsgerechtigde zal de gemeente geen
                            sanctie toepassen. De gemeente is wel bevoegd een sanctie toe te passen
                            tijdens de vakantie bij het geldend maken van een recht dat tijdens de
                            vakantieperiode ontstaat of herleeft (bijvoorbeeld als er sprake is van
                            verwijtbare werkloosheid).</al><tussenkop><vet>6. Sancties</vet></tussenkop><tussenkop><vet>6.1 Sancties</vet></tussenkop><al> Er wordt aangesloten bij de Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag (11
                            januari 2000) als bedoeld in artikel 13, derde lid, van het
                            Rijkswachtgeldbesluit 1959 (zie artikel 10:28:1:2).</al><tussenkop><vet>6.2 Hoorverplichting</vet></tussenkop><al>Geen sanctie wordt opgelegd, dan nadat de uitkeringsgerechtigde in de
                            gelegenheid is gesteld redenen aan te voeren/uitleg te geven omtrent het
                            niet voldoen aan de verplichtingen van de verordeningen of deze
                            richtlijn.</al><tussenkop><vet>7. Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>7.1 Bijzondere gevallen</vet></tussenkop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens
                            deze richtlijn gestelde regelen beslissen in individuele gevallen,
                            waarin deze regelen naar hun oordeel niet of niet in redelijkheid
                            voorzien.</al><tussenkop><vet>7.2 Nadere regels</vet></tussenkop><al>Ter uitvoering van deze richtlijn kan het college nadere voorschriften
                            geven.</al><tussenkop><vet>7.3 Uitvoering</vet></tussenkop><al>Uitvoering van deze richtlijnen berust bij het bureau PSA van de sector
                            Dienst Algemene Zaken en bij burgemeester en wethouders van de gemeente
                            Amersfoort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:28:1:2 Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag</titel></kop><tussenkop><cursief>Algemene bepalingen</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1</vet></tussenkop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Wachtgeldregeling:</vet>het Rijkswachtgeldbesluit 1959;
                                </al></li><li nr="b"><al><vet>Betrokkene:</vet> de betrokkene, bedoeld in artikel 2 van
                                    de wachtgeldregeling;</al></li><li nr="c"><al><vet>Wachtgeld:</vet> een uitkering in de zin van de
                                    wachtgeldregeling;</al></li><li nr="d"><al><vet>Maatregel:</vet> het met toepassing van artikel 13, derde
                                    lid, van de wachtgeldregeling geheel of gedeeltelijk vervallen
                                    verklaren van het wachtgeld tot maximaal het niveau als
                                    aangegeven in deze regeling;</al></li><li nr="e"><al><vet>Baanzekerheid:</vet> een baangarantie of een zodanige kans
                                    op een baan, na afronding van een opleiding of scholing, dat
                                    deze gelijk te stellen is met een baangarantie;</al></li><li nr="f"><al><vet>Werk:</vet> werk dat voor betrokkene passend is te achten.
                                    Als passend werk wordt beschouwd alle arbeid die voor de
                                    krachten en bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij
                                    aanvaarding van redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale
                                    aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend werk
                                    wordt beschouwd arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de
                                    Wet Sociale Werkvoorziening;</al></li><li nr="g"><al><vet>UVI:</vet> de Uitvoeringsinstelling die namens de minister
                                    van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties de uitvoering van
                                    de wachtgeldregeling verzorgt.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2</vet></tussenkop><al>Onder ‘niet ernstig tracht werk te vinden’ bedoeld in artikel 13, derde
                            lid, onderdeel e, van de wachtgeldregeling worden in elk geval de
                            volgende gedragingen verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al> Betrokkene weigert te voldoen aan een oproep van de instantie
                                    die belast met de uitvoering van de wachtgeldregeling;</al></li><li nr="b"><al> Betrokkene wordt of blijft werkloos omdat hij in onvoldoende
                                    mate tracht werk te verkrijgen;</al></li><li nr="c"><al> Betrokkene stelt eisen die het aanvaarden of verkrijgen van
                                    werk belemmeren;</al></li><li nr="d"><al> Betrokkene weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste
                                    opleiding of scholing, of weigert voldoende mee te werken aan
                                    het bereiken van een gunstig studieresultaat;</al></li><li nr="e"><al> Betrokkene stelt zich geheel of gedeeltelijk niet beschikbaar
                                    voor werk.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 3</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De betrokkene heeft recht op begeleiding bij het trachten werk te
                            vinden.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Deze begeleiding wordt namens de minister van Binnenlandse Zaken en
                            Koninkrijkrelaties gegeven door de UVI.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De inhoud van de begeleiding wordt in overleg tussen de betrokkene en de
                            UVI vastgesteld en neergelegd in een reïntegratieplan.</al><tussenkop><cursief>Geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren van het recht op
                                uitkering</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 4</vet></tussenkop><al>De hoogte en de duur van de maatregel op grond van artikel 13, derde
                            lid, onderdeel e van de wachtgeldregeling bedragen:</al><lijst><li nr="a"><al> 5% gedurende 4 weken indien sprake is van een gedraging of
                                    nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel a;</al></li><li nr="b"><al> 20% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of
                                    nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel b;</al></li><li nr="c"><al> 20% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging,
                                    bedoeld in artikel 2, onderdeel c;</al></li><li nr="d"><al> 10% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of
                                    nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel d;</al></li><li nr="e"><al> 30% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of
                                    nalaten, bedoeld in artikel 2 onderdeel d, indien het een
                                    opleiding of scholing betreft die baanzekerheid geeft;</al></li><li nr="f"><al> een hoogte en duur naar rato van de mate waarin betrokkene zich
                                    niet beschikbaar stelt voor werk, bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel e.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 5</vet></tussenkop><al>Bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
                            artikel 13, derde lid, onderdeel c, van de wachtgeldregeling, bedraagt
                            de hoogte en de duur van de maatregel:</al><lijst><li nr="a"><al>5% over de te late termijn indien het gestelde tijdstip met niet
                                    meer dan 56 kalenderdagen wordt overschreden;</al></li><li nr="b"><al> 10% over de te late termijn indien het gestelde tijdstip met
                                    niet meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden;</al></li><li nr="c"><al> 20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken,
                                    indien het gestelde tijdstip met meer dan 112 kalenderdagen
                                    wordt overschreden. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 6</vet></tussenkop><al>Bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen, bedoeld
                            in artikel 13, derde lid, onderdeel d, van de wachtgeldregeling,
                            bedraagt de hoogte en duur van de maatregel 10% gedurende 8 weken.</al><tussenkop><cursief>Verwijtbaarheid</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 7</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van
                            de betrokkene daartoe aanleiding geeft, wordt het percentage, genoemd
                            bij de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4, 5, en 6 gehalveerd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In afwijking van het eerste lid wordt, indien de mate van
                            verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de betrokkene
                            daartoe aanleiding geeft, het percentage, genoemd in artikel 4,
                            onderdeel a, vastgesteld op 2.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Er wordt geen maatregel opgelegd indien iedere verwijtbaarheid ontbreekt
                            ten aanzien van het niet of niet behoorlijk nakomen van een
                            verplichting.</al><tussenkop><cursief>Samenloop</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 8</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien een betrokkene twee of meer verplichtingen niet of niet
                            behoorlijk nakomt en indien het niet nakomen van deze verplichtingen
                            niet voortkomt uit één oorzaak, worden de bij deze verplichtingen
                            behorende maatregelen na toepassing van deze regeling samengevoegd en
                            zoveel als mogelijk gelijktijdig gerealiseerd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien een betrokkene twee of meer verplichtingen niet of niet
                            behoorlijk nakomt en indien het niet nakomen van deze verplichtingen
                            voortkomt uit één oorzaak, wordt één maatregel toegepast overeenkomend
                            met de zwaarste van de bij deze verplichtingen behorende maatregelen na
                            toepassing van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien een betrokkene meer dan één verplichting bedoeld in artikel 13,
                            derde lid, onderdeel c, van de wachtgeldregeling niet of niet behoorlijk
                            is nagekomen en tussen de nakoming van deze verplichtingen niet meer dan
                            zeven kalenderdagen zijn gelegen, wordt aan de overtreding van bedoelde
                            verplichtingen één oorzaak ten grondslag gelegd.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Indien als gevolg van de samenvoeging, genoemd in het eerste lid, of de
                            verhoging genoemd in artikel 8, eerste lid, het percentage van de
                            maatregel meer dan 30% bedraagt, wordt het percentage van de maatregel
                            gemaximeerd op 30%. De volledige samenvoeging wordt niettemin
                            gerealiseerd door de duur van de maatregel overeenkomstig te
                            verlengen.</al><tussenkop><cursief>Recidive</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 9</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien aan een betrokkene schriftelijk is bekendgemaakt dat hem wegens
                            het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in
                            artikel 13, derde lid, van de wachtgeldregeling met toepassing van de
                            artikelen 4,5, of 6 een maatregel is opgelegd en hij binnen twee jaar na
                            de dagtekening van die bekendmaking opnieuw dezelfde verplichting niet
                            of niet behoorlijk nakomt, wordt het percentage van de maatregel, op
                            grond van genoemde artikelen met de helft daarvan verhoogd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Bij toepassing van artikel 4, onderdeel a, of artikel 5, onderdeel a,
                            wordt het in het eerste lid bedoelde percentage in afwijking van het
                            eerste lid gesteld op 7.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In afwijking van het eerste lid wordt het recht op wachtgeld blijvend
                            geheel vervallen verklaard indien:</al><lijst><li nr="a"><al>Na schriftelijke bekendmaking dat een maatregel is opgelegd in
                                    verband met een gedraging als bedoeld in artikel 2, onderdeel b,
                                    dezelfde maatregel binnen twaalf maanden voor de derde maal
                                    wordt opgelegd;</al></li><li nr="b"><al> De betrokkene blijft volharden in zijn gedraging, bedoeld in
                                    artikel 2, onderdeel d, in situaties waarin de opleiding of
                                    scholing baanzekerheid geeft.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 10</vet></tussenkop><al>Een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag dat een
                            verplichting als bedoeld in deze regeling niet of niet behoorlijk is
                            nagekomen.</al><tussenkop><cursief>Inwerkingtreding</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 11</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
                            dagtekening van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.</al><tussenkop><cursief>Citeertitel</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 12</vet></tussenkop><al>Deze regeling wordt aangehaald als Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag
                            als bedoeld in artikel 13, derde lid, van het Rijkswachtgeldbesluit
                            1959.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:29 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
                                CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
                                december 2000.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari
                                2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en
                                verwijzingen in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat
                                geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm
                                gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de betekenis
                                van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van </cursief><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290033"></illustratie></plaatje><cursief> moet worden geraadpleegd.</cursief></al><lijst><li><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van artikel
                                        16 van de Werkloosheidswet;</al></li><li nr="b"><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos geworden
                                        is;</al></li><li nr="c"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de
                                        Werkloosheidswet, zonder de maximering van het dagloon, als
                                        bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels
                                        werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van de
                                        Wet financiering sociale verzekeringen;</al></li><li nr="d"><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die de
                                        ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de
                                        aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit
                                        hoofdstuk en de aansluitende uitkering als omschreven in
                                        paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de
                                        gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel
                                        10a:9, lid 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Aanvullende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                    suppletie</al></li><li><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al></li><li><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor
                                    mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos
                                    zijn geworden</al></li><li><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor
                                    mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
                                    van toepassing is</al></li><li><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al></li><li><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al></li><li><al>Artikel 10a:11 Scholing</al></li><li><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al></li><li><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al></li><li><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot
                                        en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b"><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
                                        8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
                                recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
                                CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
                                het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
                                WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de
                                mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                                vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan
                                uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
                                aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
                                inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering:
                                berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op
                            de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht
                            op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft
                            op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende
                            uitkering wordt ontleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1
                                januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens
                                LOGA-partijen vastgestelde wijze.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag
                                van de aanvullende uitkering wijzigt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                uitkering bedragen tezamen een percentage van de
                                berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b"><al>vervolgens 70%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van
                                de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                                berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als
                                bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum
                                van ontslag</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen
                                die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                                tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode
                                van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet
                                is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor
                                mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                            2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid,
                            van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                            recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                            toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                            vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                            vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in
                                lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
                                Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                                aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen
                                komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent
                                het college een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig
                                dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag
                                waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen
                                zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen
                                komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een
                                gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de
                                duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te
                                kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen
                                komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan
                                de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een
                                aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
                                toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke
                                werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:10 Anticumulatie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:11 Scholing</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                            activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op
                            de aanvullende uitkering. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                                verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet
                                ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een
                                aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk
                                als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat
                                ziekengeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen
                                tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op
                                grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte
                                ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft
                            op een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot
                            het voor haar geldende dagloon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge
                                een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij
                                proefplaatsing en scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op
                                een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie
                                arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een aanvullende
                                uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij
                                geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er
                                ook in dit geval recht op aanvulling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                                bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een
                                WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een
                                overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag
                                van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
                                betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13
                                weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een
                                WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
                                voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft,
                                uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland
                                woont.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a"><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens
                                        ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om
                                        arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een
                                        uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel
                                        a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering
                                        op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b"><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op
                                        een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op
                                        bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden
                                        is aan dat recht op een WW-uitkering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid
                                recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de
                                aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
                                indien hij in Nederland zou hebben gewoond. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
                                wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar
                                het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing
                                van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op
                                grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt
                                plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige
                                uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze
                                gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op
                                grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering
                                waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland
                                had gewoond. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid
                                naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in
                                mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over
                                dezelfde periode. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
                                ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een
                                bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
                                strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht
                                van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het
                                karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond
                                van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                                wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien
                                deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk
                                is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Aansluitende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al></li><li><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop
                                    met suppletie</al></li><li><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                    mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos
                                    zijn geworden</al></li><li><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                    mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
                                    van toepassing is</al></li><li><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering:
                                    berekeningsgrondslag</al></li><li><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al></li><li><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al></li><li><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al></li><li><al>Artikel 10a:24 Scholing</al></li><li><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al></li><li><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:14 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het
                                ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan
                                het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden,
                                alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn
                                verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
                                ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van
                                het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering
                                ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        jaar;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee
                                        gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens
                                        onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                        pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van
                                        de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        ingaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop
                                met suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot
                                        en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b"><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
                                        8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene
                                die door het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een
                                gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel
                                8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik
                                is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste
                                volzin biedt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag
                                van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra
                                de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het
                                recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag,
                                waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                                uitkeringsduur van de verlengde uitkering is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de
                                aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                                aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
                                recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
                                CAR.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in
                                artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                                aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als bepaald in
                                artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is ontstaan
                                uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
                                aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
                                inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
                                maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a"><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                        zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                        werkloosheid en </al></li><li nr="b"><al>twee jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                                betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan
                                van de datum van het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55
                                jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht
                                heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003
                                maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op
                                drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5% en wordt verminderd met de duur van de
                                        loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                        zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                        werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd
                                        in artikel 10a:5a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55
                                jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die
                                waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op
                                basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de
                                aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                            2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid,
                            van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering:
                                berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag,
                                zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
                                werkloosheid nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de
                                berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                                bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum
                                van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                                gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                                aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het
                                verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op
                                een uitkering krachtens de Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
                                uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de
                                Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de
                                uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het
                                verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering,
                                berekend overeenkomstig artikel 10a:16.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na
                            aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering
                            krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in
                            mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van
                                het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                                Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet
                                van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de
                                verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
                                Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:23 Anticumulatie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op
                            de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:24 Scholing</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                            activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                            overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
                                overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid,
                                Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat
                                het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
                                voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13
                                weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                                artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende
                                uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou
                                hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a,
                                tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al></li><li><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al></li><li><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat
                                nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke
                                werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben
                                aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn
                                aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als
                                tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                                verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming
                                in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het
                                eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                                aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of
                                        bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b"><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                                        werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de
                                        oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de
                                        uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c"><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde
                                        tijd met een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de
                                        overlegging van het arbeidscontract;</al></li><li nr="d"><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats
                                        van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen
                                        deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer
                                        moet bedragen;</al></li><li nr="e"><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen
                                        hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft
                                        als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze
                                        melding verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat
                                        de uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst
                                als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is
                                verhuisd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
                                indien:</al><lijst><li nr="a"><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet
                                        aanvaardt en</al></li><li nr="b"><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager
                                        is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                        berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                                dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is
                                dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                                reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van
                                de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van
                                tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te
                                zijn overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel
                                10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het
                                eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol
                                jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of
                                aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet
                                zou hebben verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis
                                van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog
                                recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar
                                beneden afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al></li><li nr="b"><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                        betrekking;</al></li><li nr="c"><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie
                                        maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de
                                        reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b
                                wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe
                                betrekking per kalenderweek:</al><lijst><li nr="a"><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                        kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf
                                        arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b"><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                        kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft van
                                        de arbeidsuren resteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren
                                waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan
                                naar rato uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een
                                overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
                                dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis van
                                dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een
                                reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste
                                lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer
                                herleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking
                                aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28,
                                derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe
                                betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar
                                rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
                                toegekend indien:</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                        wegens werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b"><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of
                                        bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig
                                        wordt opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient
                                uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van de
                                Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het
                                verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt
                                toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen
                                bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens
                                vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene
                                op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en
                                10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21
                                herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent
                                de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief
                                besloten op dit verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
                                maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop
                                betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe
                                dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende
                                periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op bovenwettelijke
                                uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven als dat hij is
                                op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe
                                werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van
                                de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de
                                datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen
                                invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                            berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het
                            dagloon van de betrokkene.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Overgangsbepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:35 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                            algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
                            wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes
                            maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                            gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de aanvullende en
                            aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde
                            datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan
                            zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:38 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                                juli 2008 wordt ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO
                                moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de
                                tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                            werkloosheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een
                            organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6
                            of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3,
                            8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>aanvullende uitkering:</vet>uitkering tijdens de
                                    werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b"><al><vet>grondslag:</vet>het gemiddelde van het salaris, de
                                    toegekende salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht (TOR)
                                    hoofdstuk 3, berekend over een periode van 12 maanden direct
                                    voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of de start
                                    van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met het IKB,
                                    bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a en b. Deze wordt
                                    geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de
                                    gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c"><al><vet>gemeentelijke sector:</vet> de gemeenten en
                                    gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing hebben
                                    verklaard;</al></li><li nr="d"><al><vet>boventalligheid:</vet>de situatie dat een ambtenaar wegens
                                    reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de
                                    reorganisatie;</al></li><li nr="e"><al><vet>na-wettelijke uitkering:</vet> de uitkering na afloop van
                                    de werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f"><al><vet>werkloosheid:</vet>werkloosheid als bedoeld in de
                                    Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit
                                    de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                                    gemeente;</al></li><li nr="g"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet>uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling
                                    of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
                                bepalingen in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
                                overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken
                                college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd
                                Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale
                                afspraken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                8:8</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
                                treft het college een passende regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door
                                het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud
                                van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit
                                hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al></li><li><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                    gemeente</al></li><li><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                    levensloop</al></li><li><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</titel></kop><al> Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>re-integratiefase: </vet>de fase voorafgaand aan ontslag,
                                    waarin door middel van een reintegratieplan afspraken worden
                                    gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar
                                    het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven
                                    met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen;
                                </al></li><li nr="b"><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                    re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar
                                    beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de
                                    ambtenaar te bevorderen; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft
                                recht op een re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van
                                artikel 8:6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
                                overhandiging van het besluit tot ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij
                                wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van
                                indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de
                                datum van de start van de re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband
                                van: </al><lijst><li nr="a"><al> 2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b"><al> 10 tot 15 jaar 8 maanden </al></li><li nr="c"><al> 15 jaar of meer 12 maanden. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de
                                ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van
                                deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de
                                re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid
                                genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en
                                een na-wettelijke uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich
                                tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
                                oorspronkelijke reintegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de
                                nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte
                                afspraken uit het reintegratieplan van kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met
                                maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
                                mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
                                tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen
                                aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a"><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                                        arbeidsduur; en</al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed
                                        opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling;
                                        en</al></li><li nr="c"><al> tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden
                                        ondernomen of voortgezet die de re-integratie
                                        bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan,
                                tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een
                                maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het
                                college gehoord. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar
                                verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval
                                afspraken over: </al><lijst><li nr="-"><al> verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                                        neergelegd zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="-"><al> scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing,
                                        het begin van die scholing, het einde van die scholing, de
                                        betaling en de te behalen resultaten;</al></li><li nr="-"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel; </al></li><li nr="-"><al> sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten
                                voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De
                                kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits
                                redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een
                                maximum van € 7.500,=.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij
                                boventalligheid</titel></kop><al><vet>Toelichting</vet>In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen
                            opgenomen voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.</al><lijst><li><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al></li><li><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar
                                            werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al></li><li><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al></li></lijst></li><li><al><vet>Inhoud Van werk naar werk-traject</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al></li><li><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al></li><li><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                                            werk-contract</al></li></lijst></li><li><al><vet>Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al></li><li><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al></li><li><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                                            werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar
                                            werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk
                                            naar werk-contract</al></li></lijst></li><li><al><vet>Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar
                                        werk-trajecten</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                            boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze
                            boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft
                            bij de betreffende gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                            werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit
                            tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</titel></kop><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig
                            verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de
                            uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar
                            werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een
                            passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar van
                            een functie buiten de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot
                            boventalligverklaring in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken
                                college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en
                                ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de
                                gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
                                regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd
                                loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum
                                waarop het Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen
                                een maand na die datum afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
                                werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar
                                werk-contract op. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de
                                voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere
                                afspraken en daaraan verbonden termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="-"><al> het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en
                                        de tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="-"><al> het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="-"><al> de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk
                                        naar werk-traject verricht; </al></li><li nr="-"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor
                                        beschikbare budget;</al></li><li nr="-"><al> eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken
                                        uit het Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="-"><al> de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                        sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op
                                        het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt
                                        tenminste 20% van de omvang van de aanstelling; </al></li><li nr="-"><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende
                                        voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot
                                een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien
                                van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college een
                                afzonderlijk besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                                werk-contract</titel></kop><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                            wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere
                            drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan
                            wordt een verslag opgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar -
                            al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de
                            gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om
                            een andere reden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
                                plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de gemeente of
                                de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de gemeente
                                weigert. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van
                                het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich
                                niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar
                                werk-contract.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het
                                eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag
                                verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op
                                die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In dit geval
                                kan het college aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid
                                en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een
                                na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden
                                sinds de start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten
                                of om een andere reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd
                                loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit aan het college
                                over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de
                                evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht genomen. De
                                ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
                                voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op
                                de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin voortzetting de
                                kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn
                                vergroot.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of
                                niet wordt overgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                                werk-traject</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het
                                college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en
                                stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet
                                wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van
                                artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag
                                na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging
                                van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de
                                ambtenaar kan worden gevonden, of indien voortzetting van het Van
                                werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of
                                geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het college besluiten
                                het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat
                                een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan
                                één keer worden verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar
                                werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de
                                ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag
                                na afloop van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is
                                verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                werk-contract </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij
                                zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk
                                naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere partij in
                                een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk
                                afspraken te maken over verbetering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het
                                eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk
                                naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen
                                dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract. Deze
                                partij maakt dit schriftelijk aan de andere partij kenbaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht
                                gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject
                                wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn,
                                waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als
                                richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt
                                het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de uitvoering
                                van het Van werk naar werk-contract zijn ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik
                                maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen
                                op grond van artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond
                                van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar
                                werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel
                                een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de
                                paritaire commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</titel></kop><lid><lidnr>1 </lidnr><al> Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die
                                desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen
                                in deze paragraaf. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
                                uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in
                                artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een
                                bindend advies uit.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling,
                                bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:28 Sancties</al></li><li><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de
                                        re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals
                                        beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid niet aan de
                                        orde is; of</al></li><li nr="b"><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar
                                        werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals
                                        beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en</al></li><li nr="c"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        en deze ook daadwerkelijk ontvangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat
                                de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende
                                uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed
                                kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering
                                wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag zoals
                                gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, over het aantal uren dat
                                de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></li><li nr="b"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van €
                                        5.250,= 20%; </al></li><li nr="c"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al> voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n) van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,=
                                        10%; </al></li><li nr="b"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n) van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,=
                                        20%;</al></li><li nr="c"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen
                                vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop
                                van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                werkloosheidsuitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:28 Sancties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig
                                toegepast op de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie
                                op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                toegepast kan het college besluiten om het recht op na-wettelijke
                                uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels
                                op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</titel></kop><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is
                            verstreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht
                                op een na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a"><al> de werkloosheid direct aansluitend op de
                                        werkloosheidsuitkering voortduurt;</al></li><li nr="b"><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                        gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                                        van zijn na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het
                                ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
                                heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
                                bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat
                                de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of
                                in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de
                                grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet
                                overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke
                                uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de
                            gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a"><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b"><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van
                                    50 jaar </al></li><li nr="c"><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                                verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag
                                waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                            toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel
                            van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het
                            college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en
                            hoogte van de na-wettelijke uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:35 Afkoop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op
                                verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de
                                na-wettelijke uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden
                                waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder
                                dan 35% arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                                    herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li><li><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond
                                    van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</al></li><li><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond
                                    van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</al></li><li><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                                herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die
                                gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid,
                                is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is
                                herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere
                                uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de
                                restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                                ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                bijzondere uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond
                                van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                                totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de
                                nieuwe arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                                mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
                                artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</titel></kop><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding
                            van de nieuwe arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke
                            uitkering voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke
                                    sector en</al></li><li nr="b"><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25
                                    + (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar,
                                    met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38.
                                    Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag
                                    van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de
                                    gemeentelijke sector.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:1 Werkingssfeer</titel></kop><al> Deze regeling is van toepassing op de ambtenaar, die op grond van
                            artikel 8:3, 8:6 of 8:8 ARGA is ontslagen en een aanvullende of
                            nawettelijke uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk 10d ARGA. Voor de
                            ambtenaar die wordt ontslagen op grond van artikel 8:6 dan wel de
                            ambtenaar die met toepassing van artikel 10d:11 boventallig wordt
                            verklaard geldt, dat tijdens het voortduren van het dienstverband de
                            sanctiemogelijkheid van de artikelen 10d:7 respectievelijk 10d:19
                            gedurende de re-integratiefase respectievelijk het Van werk naar
                            werk-traject toereikend wordt geacht. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a"><al><vet> aanvullende uitkering:</vet> de uitkering tijdens de
                                    werkloosheidsuitkering; </al></li><li nr="b"><al><vet> nawettelijke uitkering:</vet> de uitkering na afloop van
                                    de werkloosheidsuitkering; </al></li><li nr="c"><al><vet> medewerker:</vet> de ambtenaar die op grond van artikel
                                    8:3, 8:6 of 8:8 ARGA wordt of is ontslagen en die zich in de
                                    periode van aanvullende uitkering of de periode van de
                                    nawettelijke uitkering bevindt; </al></li><li nr="d"><al><vet> re-integratiefase:</vet> de fase voorafgaand aan ontslag,
                                    waarin door middel van een re-integratieplan afspraken worden
                                    gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar
                                    het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven
                                    met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk is te voorkomen;
                                </al></li><li nr="e"><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                    re-integratie-inspanningen van gemeente en de medewerker
                                    beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de
                                    medewerker te bevorderen; </al></li><li nr="f"><al><vet>Van werk naar werk-traject: </vet>het begeleidingstraject
                                    bij boventalligheid als bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk 10d
                                    ARGA; </al></li><li nr="g"><al><vet> Van werk naar werk-contract:</vet> het Van werk naar werk
                                    contract als bedoeld in artikel 10d:16 ARGA; </al></li><li nr="h"><al><vet> werkloosheid:</vet> werkloosheid als bedoeld in de
                                    Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit
                                    de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente waaruit de
                                    werkloosheid plaatsvindt; </al></li><li nr="i"><al><vet> werkloosheidsuitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling
                                    of arbeidsovereenkomst met de gemeente. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:3 Grondslag</titel></kop><al>Deze regeling berust op de artikelen 10d:28 en 10d:34 ARGA. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:4 Indeling verplichtingen in categorieën</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Als verplichtingen van de <onderstreept>eerste categorie</onderstreept>
                            worden beschouwd verplichtingen die gericht zijn op het stroomlijnen van
                            het administratieve proces.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Als verplichtingen van de <onderstreept>tweede categorie</onderstreept>
                            worden beschouwd verplichtingen ter opvolging van controlevoorschriften. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Als verplichtingen van de <onderstreept>derde categorie</onderstreept>
                            worden beschouwd de verplichtingen in het kader van re-integratie en
                            werkhervatting. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Als verplichtingen van de <onderstreept>vierde categorie</onderstreept>
                            worden beschouwd de verplichtingen die gericht zijn op het beperken van
                            het (financiële) risico van de gemeente. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> In een nadere regeling (bijlage) wordt uitgewerkt welke verplichtingen
                            in ieder geval onder welke categorie vallen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:5 Verplichtingen voor de medewerker</titel></kop><al>Gedurende de periode van de aanvullende uitkering en de periode van de
                            nawettelijke uitkering, gelden voor de medewerker de verplichtingen die
                            zijn opgenomen in de nadere regeling, bedoeld in artikel 10d:40:1:4,
                            vijfde lid. In het individuele re-integratieplan en het Van werk naar
                            werk-contract kunnen aanvullende verplichtingen worden opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:6 Sancties tijdens aanvullende uitkering</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de eerste categorie worden
                            gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 5%
                            gedurende één maand, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste
                            2% of ten hoogste 20% van het uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de tweede categorie worden
                            gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 10%
                            gedurende twee maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten
                            minste 5% of ten hoogste 30% van het uitkeringsbedrag. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de derde categorie worden
                            gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 25%
                            gedurende vier maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten
                            minste 15% of ten hoogste 100% van het uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de vierde categorie worden
                            gesanctioneerd met een blijvende gehele weigering van de aanvullende
                            uitkering en het vervallen van het recht op de nawettelijke
                            uitkering.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd tweemaal zijn verplichtingen
                            niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van een categorie
                            hoger beschouwd.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd drie maal zijn verplichtingen
                            niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van de vierde
                            categorie beschouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:7 Sancties tijdens nawettelijke
                                uitkering</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de eerste categorie worden
                            gesanctioneerd met een korting op de nawettelijke uitkering van 5%
                            gedurende één maand, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste
                            2% of ten hoogste 20% van het uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de tweede categorie worden
                            gesanctioneerd met een korting op de nawettelijke uitkering van 10%
                            gedurende twee maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten
                            minste 5% of ten hoogste 30% van het uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de derde categorie worden
                            gesanctioneerd met een korting op de nawettelijke uitkering van 25%
                            gedurende vier maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten
                            minste 15% of ten hoogste 100% van het uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de vierde categorie worden
                            gesanctioneerd met een blijvende gehele weigering van de nawettelijke
                            uitkering.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd tweemaal zijn verplichtingen
                            niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van een categorie
                            hoger beschouwd.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd drie maal zijn verplichtingen
                            niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van de vierde
                            categorie beschouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:8 Recidive</titel></kop><al>Indien binnen één maand na de oplegging van een sanctie een verplichting
                            niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, wordt de sanctie voor het
                            nieuwe feit in percentage en tijd verdubbeld, met inachtneming van het
                            bepaalde in artikel 10d:40:1:6, vijfde lid en artikel 10d:40:1:7, vijfde
                            lid. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:9 Samenloop</titel></kop><al>Indien sprake is van het niet nakomen van meer dan één verplichting en
                            het niet nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit één oorzaak,
                            wordt slechts één sanctie opgelegd. Wanneer de niet nagekomen
                            verplichtingen behoren tot verschillende categorieën wordt de sanctie
                            voor de hoogste categorie toegepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:10 Afstemmen sanctie op ernst en verwijtbaarheid
                            </titel></kop><al>Het percentage van de sanctie wordt verlaagd of verhoogd indien de
                            verminderde of verhoogde ernst of verwijtbaarheid van het niet naleven
                            van de verplichting daartoe aanleiding geeft. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:11 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze regeling indien toepassing leidt tot onbillijkheden van overwegende
                            aard. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:12 Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:40:1:13 Citeertitel en inwerkingtreding </titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als de ’Regeling sanctiebeleid
                            hoofdstuk 10d ARGA’ en treedt in werking een dag na bekendmaking
                            ervan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage Matrix van verplichtingen en bijhorende sancties </titel></kop><al> Fases: De aanvullende en nawettelijke uitkering </al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene beschrijving categorie</al></entry><entry colname="col2"><al>Niet nagekomen verplichting zoals:</al></entry><entry colname="col3"><al>Sanctie </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 1: Onder deze categorie vallen
                                                verplichtingen die gericht zijn op het stroomlijnen
                                                van het administratieve proces. </al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker vraagt toestemming om op vakantie te
                                                gaan, zodra hij zijn vakantieplanning weet, maar
                                                minimaal 4 weken van tevoren.</al><al>- De medewerker meldt zich op zijn eerste ziektedag
                                                ziek volgens de daarvoor geldende interne
                                                afspraken.</al><al>- De medewerker informeert de werkgever direct over
                                                andere inkomsten dan de WW-uitkering en/of de
                                                bovenwettelijke uitkering.</al><al>- De medewerker doet de werkgever direct mededeling
                                                van alle wijzigingen die zich in de persoonlijke
                                                situatie voordoen en die van belang kunnen zijn voor
                                                de beoordeling op aanspraak op en de voortzetting
                                                van de uitkering. Hieronder worden in ieder geval
                                                begrepen wijzigingen in woonplaats, wijzigingen met
                                                betrekking tot gezondheidssituatie en wijzigingen
                                                met betrekking tot (neven)werkzaamheden of
                                                (neven)inkomsten. </al></entry><entry colname="col3"><al>5% korting op de uitkering gedurende een maand </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 2: Bij deze categorie gaat het om het
                                                nakomen van plichten ter opvolging van
                                                controlevoorschriften. </al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker moet komen op de afspraak om de
                                                voortgang van het re-integratieplan te
                                                bespreken.</al><al>- De medewerker overlegt een kopie van de verlenging
                                                van het inschrijvingsbewijs bij het UWV
                                                Werkbedrijf.</al><al>- De medewerker onderhoudt <noot id="FN739506_1"><noot.al> Inclusief de eventuele verlenging van de
                                                  inschrijving bij dat bureau. </noot.al></noot> zijn inschrijving(en) bij:</al><al>a het UWV Werkbedrijf</al><al>b de Amersfoortse Loopbaanacademie (ALA)</al><al>c de (specifieke) uitzendbureaus</al><al>d de werving- en selectiebureaus</al><al>e het re-integratiebureau/outplacementbureau.</al><al>f sociale mediasites</al><al>- De medewerker verschijnt op de afgesproken
                                                evaluatiemomenten. </al><al>- De medewerker moet voldoen aan elke oproep om
                                                aanwezig te zijn of het beantwoorden van vragen die
                                                door de werkgever in verband met het recht op
                                                uitkering wordt gesteld. </al><al>- De medewerker meldt de werkgever of het
                                                re-integratiebureau/outplacementbureau tijdig als
                                                re-integratieverplichtingen niet (kunnen) worden
                                                nagekomen, met vermelding van de reden hiervan.</al></entry><entry colname="col3"><al>10% korting op de bezoldiging gedurende twee
                                                maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 3: Onder deze categorie verplichtingen
                                                valt gedrag dat de re-integratie en werkhervatting
                                                bevordert. </al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker stelt zich niet belemmerend op bij
                                                het vinden van werk. Dit houdt concreet in dat de
                                                medewerker:</al><al>o meewerkt aan het wijzigen van het
                                                re-integratieplan; </al><al>o de afspraken zoals deze zijn vastgesteld in het
                                                re-integratieplan nakomt; </al><al>o solliciteert op door de werkgever aangereikte
                                                functies en zelf actief op zoek gaat naar passende
                                                vacatures <noot id="FN739506_2"><noot.al>Naarmate de re-integratiefase langer
                                                  duurt, mag een bredere oriëntatie op arbeid
                                                  verwacht worden. Een functie van maximaal 2
                                                  schalen lager dan de oorspronkelijke functie kan
                                                  ook passend zijn (zie toelichting op artikel 10d:6
                                                  en 10d:19 ARGA).</noot.al></noot> en hierop solliciteert; </al><al>o meewerkt en gemotiveerd deelneemt aan noodzakelijk
                                                geachte scholing, opleiding en/of activiteiten
                                                gericht op inschakeling in de arbeid; </al><al>o medewerking verleent aan onderzoek over de inhoud,
                                                passendheid, voortgang en uitvoering van de
                                                re-integratieactiviteiten. </al><al>- De medewerker is verplicht een eigen portfolio bij
                                                te houden en deze ter beoordeling mee te nemen naar
                                                de evaluatiegesprekken. </al><al>- Wanneer de medewerker gebruik wil maken van
                                                re-integratie-instrumenten en/of middelen die niet
                                                zijn opgenomen in het re-integratieplan dient dit
                                                eerst overlegd te worden met de werkgever. </al><al>- De medewerker is verplicht gebruik te maken van de
                                                instrumenten en activiteiten van het UWV werkbedrijf
                                                en de re-integratiecoördinator, wanneer de werkgever
                                                hiertoe opdraagt.</al><al>- De medewerker doet de werkgever wekelijks
                                                schriftelijk opgave van zijn
                                                sollicitatieactiviteiten conform de afspraken in het
                                                re-integratieplan.</al><al>- De medewerker is verplicht de werkgever in kennis
                                                te stellen over het indienen van een verzoek bij UWV
                                                voor sollicitatieplichtontheffing of vrijstelling
                                                van de sollicitatieplicht. </al><al>- Wanneer een re-integratiebureau/outplacementbureau
                                                is ingeschakeld, is de medewerker verplicht
                                                informatie te leveren aan het bureau die nodig is
                                                voor zijn begeleiding. </al><al>- De medewerker voorkomt voortduring werkloosheid
                                                door onvoldoende sollicitatieactiviteiten.</al><al>- De medewerker voorkomt voortduring van de
                                                werkloosheid door het stellen van eisen die het
                                                aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid
                                                belemmeren. </al><al>- De medewerker dient mee te werken aan gestelde
                                                voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn
                                                de medewerker in staat te stellen om arbeid te
                                                verrichten.</al><al>- De medewerker is verplicht zich tijdens ziekte te
                                                blijven inzetten voor zijn re-integratie voor zover
                                                de gezondheidstoestand van de medewerker dit
                                                toelaat. </al></entry><entry colname="col3"><al>25% korting op de bezoldiging gedurende vier
                                                maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 4: Onder deze categorie vallen handelingen
                                                die gemeente kunnen benadelen. </al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker benadeelt de werkgever niet. Dit
                                                houdt concreet in dat:</al><al>o de medewerker zonder toestemming van zijn
                                                werkgever geen (betaald) werk voor zichzelf of
                                                derden verricht; </al><al>o de medewerker niet langer dan is toegestaan met
                                                vakantie is; </al><al>o de medewerker zich tijdens ziekte niet schuldig
                                                maakt aan gedragingen die herstel belemmeren; </al><al>o de medewerker geen onjuiste en/of onvolledige
                                                informatie verstrekt over zijn persoonlijke
                                                situatie, werkhervatting, vakantieopname en andere
                                                zaken die van invloed zijn op het recht op een
                                                uitkering op grond van hoofdstuk 10d ARGA. </al></entry><entry colname="col3"><al>Blijvende gehele weigering van de aanvullende of
                                                nawettelijke uitkering </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de
                            ambtenaar met op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Uitkeringsregeling ontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1
                                    januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                    terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van de
                                    CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in
                                    ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                                    verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                                    hoofdstuk, de CARUWO van </cursief><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290034"></illustratie></plaatje><cursief> moet worden geraadpleegd.</cursief></al><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking
                                        waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling
                                        minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in
                                        een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al></li><li nr="b"><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
                                        regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag
                                        niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan eigen
                                        schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat ontslag geen
                                        recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan
                                        ontlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij
                                of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die door geheel
                                buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats
                                moet veranderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat-
                            en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die
                            met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
                            ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                            doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
                                artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
                                zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door
                                inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de
                                pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
                                blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        maand daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
                                        daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 11:8, vierde lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                                        pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                                        van de datum waarop de uitkering ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met ingang
                                van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die
                                diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
                                bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze
                                laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                                vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze
                                regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
                                de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
                                bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
                                ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
                                aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
                                werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
                                gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:6 Recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat
                                behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag
                                waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur
                                wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26
                                        weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                        Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
                                        11:7;</al></li><li nr="b"><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste
                                        drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                                        ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het bepaalde in
                                        artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding geeft ingevolge
                                        artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel
                                        11:8, vierde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden
                                waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid
                                verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft
                                verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de
                                hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste
                                lid, onder a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur
                                van de perioden van de bedoelde verhindering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking
                                genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking
                                waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of meer
                                dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de
                                plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking
                                zijn genomen voor een recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde
                                lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet
                                aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid,
                                is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de
                                inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft
                                plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                        WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                        80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                        suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze
                                        regeling;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd
                                        van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d"><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                                        wijten;</al></li><li nr="e"><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht
                                        moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
                                        werkloosheid;</al></li><li nr="f"><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                        heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem
                                        eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling
                                        een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met
                                        zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend
                                        is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op
                                uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering
                                wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                        ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                        lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                        toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen,
                                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
                                        of meer mede in aanmerking wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                        ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag
                                door de betrokkene.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                                ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
                                        bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                        geweest of;</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ</al><al>wordt de duur van de uitkering verlengd met:</al><lijst><li nr="o"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
                                                jaar;</al></li><li nr="o"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                                jaar;</al></li><li nr="o"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15
                                                jaar;</al></li><li nr="o"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
                                                jaar;</al></li><li nr="o"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25
                                                jaar;</al></li><li nr="o"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
                                                jaar;</al></li><li nr="o"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35
                                                jaar en</al></li><li nr="o"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                                jaar.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van:</al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                        het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
                                        als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
                                        zijn geweest, en; </al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                        betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                                        van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                                        het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
                                        een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
                                        ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
                                        toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                        de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar
                                        een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage
                                        op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                        het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur,
                                        bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; </al></li></lijst><lijst><li><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband
                                        met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per
                                        week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar,
                                        bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de
                                        vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                                        bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de
                                perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                        werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                        bedoeld in het vierde lid, volledig, en;</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
                                        van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                        voor de helft in aanmerking genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
                                        uitkering ter zake van werkloosheid of;</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                        tijdens vakanties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
                                zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
                                lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
                                personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen
                                verzorgende persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van
                                hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                                moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                        onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
                                de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien
                                dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover
                                van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde
                                lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering
                                vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden,
                                gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven
                                wordt afgerond op hele maanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van
                                ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en
                                diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60
                                jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover
                                uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes
                                maanden een bijzondere verlenging verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:9 Vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die
                                uitkering recht op een vervolguitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                                        eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede
                                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
                                        arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                                        uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                vervolguitkering een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag
                                van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is
                                en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft
                                aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                                uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer
                                deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                vervolguitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3
                                procentpunten verhoogd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
                                het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste
                                lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of,
                                indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
                                leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
                                artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de
                                daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die
                                wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:12 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                            elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                            voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de
                            kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:13 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling
                                is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in
                                artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast tot het
                                bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te
                                boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering
                                vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering
                                ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en
                                die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking
                                ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht
                                op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer
                                was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in
                                het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen
                                met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de
                                betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering
                                doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand
                                waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt
                                deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
                                dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip
                                van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
                                of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                                inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave
                                van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of
                                dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in
                                alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van
                                de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke
                                uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde
                                termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in
                                artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde
                                partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld
                                in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de
                                overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
                                geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                                natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken
                                ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van
                                ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                                overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een
                                door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan
                                op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel
                                11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde
                                uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig
                                aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het
                                bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of
                                van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
                                of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
                                te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld
                                van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft
                                op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met
                                11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens
                                ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met
                                ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering
                                toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene
                                deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft
                                genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit
                                luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:18 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17,
                            eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens
                            ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de
                            artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:19 Afkoop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                            artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                            geheel of ten dele worden afgekocht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op
                                uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                                uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid,
                                vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en
                                wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw
                                toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de
                                laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake
                                van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige
                                publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                werkloosheid begrepen:</al><lijst><li nr="a"><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                        dienstbetrekking;</al></li><li nr="b"><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van
                                        een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde
                                        werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                                        dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                                        dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
                                        bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering
                                als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft
                                opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                                        ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a,
                                        arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b"><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                                        werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                        Werkloosheidswet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met
                                gewerkte weken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes
                                maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende
                                uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als
                                bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als
                                bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid,
                                niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het
                                opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:21 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt,
                                is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband
                                met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen
                                veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende
                                van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                groepen van betrokkenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich
                                te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het
                                algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot
                                het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:22 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een
                                uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband
                                met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
                                deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die
                                aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:23 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij
                                met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
                                toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                                percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                                arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de
                                verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde
                                uitkering die wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop.
                                Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op de
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
                                waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel
                                of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing
                                van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:24 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                            Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover
                            die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende
                            uitkeringen niet uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:25 Betaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                uitkering werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                uitkering over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:26 Verval van uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                                        bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan
                                        wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
                                        artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
                                        zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin
                                        hij een uitkering geniet, de in evengenoemde leden bedoelde
                                        inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het
                                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                        arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen
                                        verlengen;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde
                                        lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                                        redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel
                                        indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat
                                        hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al></li><li nr="d"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                                        in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
                                        duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="e"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                        of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn
                                        gesteld;</al></li><li nr="f"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag
                                        zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="g"><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
                                        voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding
                                        zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
                                        artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;</al></li><li nr="h"><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te
                                        vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau,
                                welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden,
                                vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de
                                verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                                zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen
                                van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam
                                te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid
                                of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende
                                        op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft
                                        bereikt;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
                                        is overleden;</al></li><li nr="c"><al>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze
                                uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van
                                artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                            geven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde
                                tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de
                                werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede
                                lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde
                                voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel
                                13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1
                                augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende
                                uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de
                                duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                                tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:31 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:31:1:1 Richtlijnen voor naleving en controle bij
                                hoofdstuk 11</titel></kop><lijst><li><al>1. Aanvraag uitkering/wachtgeld</al></li><li><al> 2. Opgave van inkomsten</al></li><li><al> 3. Sollicitatieplicht</al></li><li><al> 4. Opleiding met behoud van uitkering</al></li><li><al> 5. Vakantierechten</al></li><li><al> 6. Sancties</al></li><li><al> 7. Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop><vet>1. Aanvraag uitkering/wachtgeld</vet></tussenkop><al>De uitkering of het wachtgeld dient binnen een maand na het einde van
                            het dienstverband te worden aangevraagd bij het bureau personeels- en
                            salarisadministratie (verder te noemen “bureau PSA”) op straffe van een
                            sanctie overeenkomstig het sanctiebeleid genoemd in punt 6 van deze
                            richtlijn.</al><tussenkop><vet>2. Opgave van inkomsten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>2.1 Maandelijkse opgave inkomsten</vet></tussenkop><al> Op grond van artikel 11:14 rust op de uitkeringsgerechtigde de plicht
                            om opgave te doen van inkomsten naast de uitkering. Deze (eventuele)
                            inkomsten zullen maandelijks worden ingevuld op de 'Verklaring van
                            inkomsten' (verkrijgbaar bij bureau PSA) en aan de gemeente worden
                            verzonden. De 'Verklaring van inkomsten' alsmede daarvoor bestemde
                            retourenveloppen zullen door de gemeente aan de uitkeringsgerechtigde
                            worden verstrekt. De verklaring dient aan het einde van de maand te
                            worden ingevuld en vóór de 15e van de volgende maand in het bezit van de
                            gemeente te zijn.</al><tussenkop><vet>2.2 Sanctie</vet></tussenkop><al>Indien de gemeente de verklaring over een afgelopen maand niet heeft
                            gekregen, zal een herinnering worden gestuurd. Het herhaaldelijk niet of
                            niet tijdig insturen van de 'Verklaring van inkomsten', kan leiden tot
                            een sanctie overeenkomstig het sanctiebeleid genoemd in punt 6 van deze
                            richtlijn.</al><tussenkop><vet>3. Sollicitatieplicht</vet></tussenkop><tussenkop><vet>3.1 Sollicitatieplicht op grond van de verordeningen</vet></tussenkop><al> Op grond van artikel 11:21 is de uitkeringsgerechtigde verplicht zelf
                            ernstig te trachten ander werk te vinden (de zogenaamde
                            sollicitatieplicht). Een aangeboden betrekking, die hem/haar in verband
                            met zijn/haar persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan
                            worden opgedragen, is hij/zij verplicht te aanvaarden.</al><tussenkop><vet>3.2 Passende arbeid</vet></tussenkop><al>De uitkeringsgerechtigde hoeft in beginsel in het eerste half jaar van
                            de werkloosheid geen ander werk te aanvaarden op een lager niveau of in
                            een ander beroep. Naarmate de werkloosheid langer duurt, worden de
                            grenzen van wat passend is ruimer en komt werk op een steeds lager
                            niveau en van andere aard in aanmerking (zie onderstaand schema).
                            Gelijke verruiming geldt voor het aanvaarden van banen tegen lager loon
                            en met grotere reistijden. Bij voortdurende werkloosheid is het moeten
                            verhuizen op zich geen argument om een baan als niet passend te
                            beschouwen.</al><table><tgroup cols="6"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Niveau</al></entry><entry colname="col2"><al>Academisch</al></entry><entry colname="col3"><al>HBO</al></entry><entry colname="col4"><al>MBO</al></entry><entry colname="col5"><al>LBO</al></entry><entry colname="col6"><al>Basis</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry namest="col2" nameend="col4" colname="col2"><al>Aantal maanden</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Academicus</al></entry><entry colname="col2"><al>00 - 06</al></entry><entry colname="col3"><al>06 - 12</al></entry><entry colname="col4"><al>12 - 18</al></entry><entry colname="col5"><al>18 - 24</al></entry><entry colname="col6"><al>na 24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>HBO-er</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>00 - 06</al></entry><entry colname="col4"><al>06 - 12</al></entry><entry colname="col5"><al>12 - 18</al></entry><entry colname="col6"><al>na 18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MBO-er*</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>00 - 06</al></entry><entry colname="col5"><al>06 - 12</al></entry><entry colname="col6"><al>na 12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LBO-er**</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>00 - 06</al></entry><entry colname="col6"><al>na 06</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col7" colname="col1"><al><cursief>* Onder MBO-niveau wordt mede verstaan
                                                  HAVO/VWO-niveau ** Onder LBO-niveau wordt mede
                                                  verstaan MAVO-niveau</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>3.3 Inschrijving bij het Arbeidsbureau</vet></tussenkop><al> Op grond van artikel 11:21 is de uitkeringsgerechtigde verplicht zich
                            in te schrijven als werkzoekende bij het Arbeidsbureau. Een kopie van
                            het bewijs van inschrijving en de verlengingen dienen maandelijks worden
                            meegestuurd met de 'Verklaring van inkomsten'.</al><tussenkop><vet>3.4 Controle sollicitatieplicht</vet></tussenkop><al>Ter controle van de door de uitkeringsgerechtigde verrichte inspanning
                            om een andere betrekking te vinden, moet de uitkeringsgerechtigde op de
                            'Verklaring van inkomsten' aangegeven waar hij/zij gesolliciteerd heeft
                            en kopieën van deze sollicitaties en de daarop ontvangen reacties
                            meesturen.</al><tussenkop><vet>3.5 Contact met het Arbeidsbureau</vet></tussenkop><al>Indien nodig, zal de gemeente over de uitkeringsgerechtigde contact
                            onderhouden met het Arbeidsbureau. Het betreft hier veelal informatie
                            over eventuele begeleiding, de kansen op de arbeidsmarkt en of de
                            uitkeringsgerechtigde een betrekking is aangeboden.</al><tussenkop><vet>3.6 Sancties</vet></tussenkop><al>Indien de gemeente de indruk heeft, dat de uitkeringsgerechtigde niet
                            zijn uiterste best doet om een andere betrekking te vinden of anderszins
                            niet voldoet aan de hem/haar opgelegde verplichtingen, dan zal de
                            gemeente de uitkeringsgerechtigde uitnodigen voor een gesprek. In dit
                            gesprek krijgt de uitkeringsgerechtigde de gelegenheid uitleg te geven
                            over onduidelijkheden of redenen aan te geven waarom niet aan de
                            verplichting(en) wordt voldaan. Indien er geen legitieme reden is voor
                            de niet-naleving, of de indruk bevestigd wordt, dat de
                            uitkeringsgerechtigde niet zijn uiterste best doet een andere betrekking
                            te vinden, dan zal de uitkeringsgerechtigde een sanctie worden opgelegd
                            conform het onder punt 6 genoemde sanctiebeleid.</al><tussenkop><vet>4. Opleiding met behoud van uitkering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>4.1 Objecttoets</vet></tussenkop><al>Bij een verzoek om een opleiding te mogen volgen met behoud van
                            uitkering, zal eerst bekeken worden of de opleiding voldoet aan de
                            volgende criteria:</al><lijst><li nr="-"><al>het scholingsprogramma moet door het Arbeidsbureau zijn
                                    goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al>de opleiding mag niet een bedrijfsopleiding of een toelaatbare
                                    bedrijfsopleiding zijn;</al></li><li nr="-"><al>er mag geen sprake zijn van een loonbetalingsverplichting uit
                                    hoofde van een dienstverband;</al></li><li nr="-"><al>er mag geen productief werk worden verricht;</al></li><li nr="-"><al>de stage mag niet onevenredig lang zijn in verhouding tot de
                                    opleidingsduur;</al></li><li nr="-"><al>er moet sprake zijn van een arbeidsmarktrelevante scholing;</al></li><li nr="-"><al>de scholingsactiviteit vindt plaats door sociale partners op
                                    bedrijfstakniveau;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de opleiding bedraagt niet meer dan 6 à 9 maanden
                                    tot maximaal - inclusief vakantie - één jaar.</al></li></lijst><al>Van de goedgekeurde opleidingen is door de bedrijfsverenigingen een
                            catalogus opgesteld die bij twijfel geraadpleegd kan worden.</al><tussenkop><vet>4.2 Subjecttoets</vet></tussenkop><al> Indien de opleiding aan de criteria genoemd in punt 3.1 voldoet, zal
                            bekeken worden of de uitkeringsgerechtigde in aanmerking kan komen voor
                            de opleiding. Hiertoe moet worden vastgesteld of in het individuele
                            geval van de uitkeringsgerechtigde sprake is van een in de praktijk
                            gebleken onmogelijkheid voor die uitkeringsgerechtigde, om zich zonder
                            de gewenste opleiding of scholing in een voor betrokkene passende arbeid
                            op de arbeidsmarkt te handhaven. Hierbij wordt gekeken naar:</al><lijst><li nr="-"><al>de genoten vooropleiding: Wanneer reeds een opleiding is genoten
                                    die (goede) vooruitzichten biedt voor het vinden van een
                                    functie, kan dit reden zijn om de scholing als niet noodzakelijk
                                    aan te merken. </al></li><li nr="-"><al>de leeftijd van betrokkene: Naarmate de leeftijd hoger is, zal
                                    eerder sprake zijn van een noodzakelijke scholing.</al></li><li nr="-"><al>de duur van de werkloosheid:De duur van de werkloosheid kan een
                                    aanwijzing zijn, dat de kans op werkhervatting klein is. </al></li><li nr="-"><al>het arbeidsverleden en de uitgeoefende functie: Een
                                    arbeidsverleden dat uit verschillende kortdurende
                                    dienstbetrekkingen bestaat, afgewisseld door perioden van
                                    werkloosheid, zal een indicatie kunnen zijn voor een
                                    noodzakelijke scholing.</al></li><li nr="-"><al>het aanwezig zijn van vacatures die gezien het arbeidsverleden
                                    voor betrokkene als passend zijn aan te merken</al></li><li nr="-"><al>medische aspecten</al></li></lijst><tussenkop><vet>4.3 Ontheffing sollicitatieplicht</vet></tussenkop><al>Indien de uitkeringsgerechtigde toestemming krijgt om de opleiding te
                            volgen, dan zal hij/zij gedurende de opleiding zijn/haar uitkering
                            behouden voor zover er uitkeringsduur is. Tevens is hij/zij ontheven van
                            de sollicitatieplicht.</al><tussenkop><vet>4.4 Beëindiging opleiding</vet></tussenkop><al>Indien de uitkeringsgerechtigde de opleiding (voortijdig) beëindigd
                            heeft, herleeft de sollicitatieplicht.</al><tussenkop><vet>5. Vakantierechten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>5.1 Vakantiedagen</vet></tussenkop><al>De uitkeringsgerechtigde heeft recht op maximaal 24 dagen vakantie per
                            jaar (bij een volledige betrekking). Voor het opnemen van de
                            vakantiedagen heeft de uitkeringsgerechtigde toestemming nodig van de
                            gemeente. De uitkeringsgerechtigde kan deze toestemming (uiterlijk één
                            maand van tevoren) vragen door middel van het invullen van vraag V van
                            de 'Verklaring van inkomsten'. Indien de uitkeringsgerechtigde binnen
                            een maand na de aanvraag geen reactie heeft gekregen van de gemeente,
                            kan de toestemming als verleend worden beschouwd. </al><tussenkop><vet>5.2 Ontheffing sollicitatieplicht</vet></tussenkop><al>Gedurende de opgenomen vakantiedagen is de uitkeringsgerechtigde
                            ontheven van de sollicitatieplicht.</al><tussenkop><vet>5.3 Benadeling gemeente</vet></tussenkop><al>De gemeente mag door de vakantie van de uitkeringsgerechtigde niet
                            benadeeld worden. De uitkeringsgerechtigde kan dus niet gaan (betaald of
                            onbetaald) werken tijdens zijn/haar vakantie. </al><tussenkop><vet>5.4 Sancties tijdens vakantie</vet></tussenkop><al>Gedurende de vakantie van de uitkeringsgerechtigde zal de gemeente geen
                            sanctie toepassen. De gemeente is wel bevoegd een sanctie toe te passen
                            tijdens de vakantie bij het geldend maken van een recht dat tijdens de
                            vakantieperiode ontstaat of herleeft (bijvoorbeeld als er sprake is van
                            verwijtbare werkloosheid).</al><tussenkop><vet>6. Sancties</vet></tussenkop><tussenkop><vet>6.1 Sancties</vet></tussenkop><al> Er wordt aangesloten bij de Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag (11
                            januari 2000) als bedoeld in artikel 13, derde lid, van het
                            Rijkswachtgeldbesluit 1959 (zie artikel 11:31:1:2).</al><tussenkop><vet>6.2 Hoorverplichting</vet></tussenkop><al>Geen sanctie wordt opgelegd, dan nadat de uitkeringsgerechtigde in de
                            gelegenheid is gesteld redenen aan te voeren/uitleg te geven omtrent het
                            niet voldoen aan de verplichtingen van de verordeningen of deze
                            richtlijn.</al><tussenkop><vet>7. Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>7.1 Bijzondere gevallen</vet></tussenkop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens
                            deze richtlijn gestelde regelen beslissen in individuele gevallen,
                            waarin deze regelen naar hun oordeel niet of niet in redelijkheid
                            voorzien.</al><tussenkop><vet>7.2 Nadere regels</vet></tussenkop><al>Ter uitvoering van deze richtlijn kan het college nadere voorschriften
                            geven.</al><tussenkop><vet>7.3 Uitvoering</vet></tussenkop><al>Uitvoering van deze richtlijnen berust bij het bureau PSA van de sector
                            Dienst Algemene Zaken en bij het college van de gemeente
                            Amersfoort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:31:1:2 Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag</titel></kop><tussenkop><cursief>Algemene bepalingen</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1</vet></tussenkop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Wachtgeldregeling:</vet> het Rijkswachtgeldbesluit
                                    1959;</al></li><li nr="b"><al><vet>Betrokkene:</vet> de betrokkene, bedoeld in artikel 2 van
                                    de wachtgeldregeling;</al></li><li nr="c"><al><vet>Wachtgeld:</vet> een uitkering in de zin van de
                                    wachtgeldregeling;</al></li><li nr="d"><al><vet>Maatregel:</vet> het met toepassing van artikel 13, derde
                                    lid, van de wachtgeldregeling geheel of gedeeltelijk vervallen
                                    verklaren van het wachtgeld tot maximaal het niveau als
                                    aangegeven in deze regeling;</al></li><li nr="e"><al><vet>Baanzekerheid:</vet> een baangarantie of een zodanige kans
                                    op een baan, na afronding van een opleiding of scholing, dat
                                    deze gelijk te stellen is met een baangarantie;</al></li><li nr="f"><al><vet>Werk:</vet> werk dat voor betrokkene passend is te achten.
                                    Als passend werk wordt beschouwd alle arbeid die voor de
                                    krachten en bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij
                                    aanvaarding van redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale
                                    aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend werk
                                    wordt beschouwd arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de
                                    Wet Sociale Werkvoorziening;</al></li><li nr="g"><al><vet>UVI:</vet> de Uitvoeringsinstelling die namens de minister
                                    van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties de uitvoering van
                                    de wachtgeldregeling verzorgt.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2</vet></tussenkop><al>Onder ‘niet ernstig tracht werk te vinden’ bedoeld in artikel 13, derde
                            lid, onderdeel e, van de wachtgeldregeling worden in elk geval de
                            volgende gedragingen verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>Betrokkene weigert te voldoen aan een oproep van de instantie
                                    die belast met de uitvoering van de wachtgeldregeling;</al></li><li nr="b"><al>Betrokkene wordt of blijft werkloos omdat hij in onvoldoende
                                    mate tracht werk te verkrijgen;</al></li><li nr="c"><al>Betrokkene stelt eisen die het aanvaarden of verkrijgen van werk
                                    belemmeren;</al></li><li nr="d"><al>Betrokkene weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste
                                    opleiding of scholing, of weigert voldoende mee te werken aan
                                    het bereiken van een gunstig studieresultaat;</al></li><li nr="e"><al>Betrokkene stelt zich geheel of gedeeltelijk niet beschikbaar
                                    voor werk.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 3</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De betrokkene heeft recht op begeleiding bij het trachten werk te
                            vinden.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Deze begeleiding wordt namens de minister van Binnenlandse Zaken en
                            Koninkrijkrelaties gegeven door de UVI.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De inhoud van de begeleiding wordt in overleg tussen de betrokkene en
                            de UVI vastgesteld en neergelegd in een reïntegratieplan.</al><tussenkop><cursief>Geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren van het recht op
                                uitkering</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 4</vet></tussenkop><al>De hoogte en de duur van de maatregel op grond van artikel 13, derde
                            lid, onderdeel e van de wachtgeldregeling bedragen:</al><lijst><li nr="a"><al>5% gedurende 4 weken indien sprake is van een gedraging of
                                    nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel a;</al></li><li nr="b"><al>20% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of
                                    nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel b;</al></li><li nr="c"><al>20% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging,
                                    bedoeld in artikel 2, onderdeel c;</al></li><li nr="d"><al>10% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of
                                    nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel d;</al></li><li nr="e"><al>30% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of
                                    nalaten, bedoeld in artikel 2 onderdeel d, indien het een
                                    opleiding of scholing betreft die baanzekerheid geeft;</al></li><li nr="f"><al>een hoogte en duur naar rato van de mate waarin betrokkene zich
                                    niet beschikbaar stelt voor werk, bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel e.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 5</vet></tussenkop><al>Bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
                            artikel 13, derde lid, onderdeel c, van de wachtgeldregeling, bedraagt
                            de hoogte en de duur van de maatregel:</al><lijst><li nr="a"><al>5% over de te late termijn indien het gestelde tijdstip met niet
                                    meer dan 56 kalenderdagen wordt overschreden;</al></li><li nr="b"><al>10% over de te late termijn indien het gestelde tijdstip met
                                    niet meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden;</al></li><li nr="c"><al>20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken, indien
                                    het gestelde tijdstip met meer dan 112 kalenderdagen wordt
                                    overschreden.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 6</vet></tussenkop><al>Bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen, bedoeld
                            in artikel 13, derde lid, onderdeel d, van de wachtgeldregeling,
                            bedraagt de hoogte en duur van de maatregel 10% gedurende 8 weken.</al><tussenkop><cursief>Verwijtbaarheid</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 7</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van
                            de betrokkene daartoe aanleiding geeft, wordt het percentage, genoemd
                            bij de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4, 5, en 6 gehalveerd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> In afwijking van het eerste lid wordt, indien de mate van
                            verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de betrokkene
                            daartoe aanleiding geeft, het percentage, genoemd in artikel 4,
                            onderdeel a, vastgesteld op 2.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Er wordt geen maatregel opgelegd indien iedere verwijtbaarheid
                            ontbreekt ten aanzien van het niet of niet behoorlijk nakomen van een
                            verplichting.</al><tussenkop><cursief>Samenloop</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 8</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien een betrokkene twee of meer verplichtingen niet of niet
                            behoorlijk nakomt en indien het niet nakomen van deze verplichtingen
                            niet voortkomt uit één oorzaak, worden de bij deze verplichtingen
                            behorende maatregelen na toepassing van deze regeling samengevoegd en
                            zoveel als mogelijk gelijktijdig gerealiseerd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien een betrokkene twee of meer verplichtingen niet of niet
                            behoorlijk nakomt en indien het niet nakomen van deze verplichtingen
                            voortkomt uit één oorzaak, wordt één maatregel toegepast overeenkomend
                            met de zwaarste van de bij deze verplichtingen behorende maatregelen na
                            toepassing van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Indien een betrokkene meer dan één verplichting bedoeld in artikel 13,
                            derde lid, onderdeel c, van de wachtgeldregeling niet of niet behoorlijk
                            is nagekomen en tussen de nakoming van deze verplichtingen niet meer dan
                            zeven kalenderdagen zijn gelegen, wordt aan de overtreding van bedoelde
                            verplichtingen één oorzaak ten grondslag gelegd.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Indien als gevolg van de samenvoeging, genoemd in het eerste lid, of de
                            verhoging genoemd in artikel 8, eerste lid, het percentage van de
                            maatregel meer dan 30% bedraagt, wordt het percentage van de maatregel
                            gemaximeerd op 30%. De volledige samenvoeging wordt niettemin
                            gerealiseerd door de duur van de maatregel overeenkomstig te
                            verlengen.</al><tussenkop><cursief>Recidive</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 9</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien aan een betrokkene schriftelijk is bekendgemaakt dat hem wegens
                            het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in
                            artikel 13, derde lid, van de wachtgeldregeling met toepassing van de
                            artikelen 4,5, of 6 een maatregel is opgelegd en hij binnen twee jaar na
                            de dagtekening van die bekendmaking opnieuw dezelfde verplichting niet
                            of niet behoorlijk nakomt, wordt het percentage van de maatregel, op
                            grond van genoemde artikelen met de helft daarvan verhoogd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Bij toepassing van artikel 4, onderdeel a, of artikel 5, onderdeel a,
                            wordt het in het eerste lid bedoelde percentage in afwijking van het
                            eerste lid gesteld op 7.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> In afwijking van het eerste lid wordt het recht op wachtgeld blijvend
                            geheel vervallen verklaard indien:</al><lijst><li nr="a"><al>Na schriftelijke bekendmaking dat een maatregel is opgelegd in
                                    verband met een gedraging als bedoeld in artikel 2, onderdeel b,
                                    dezelfde maatregel binnen twaalf maanden voor de derde maal
                                    wordt opgelegd;</al></li><li nr="b"><al>De betrokkene blijft volharden in zijn gedraging, bedoeld in
                                    artikel 2, onderdeel d, in situaties waarin de opleiding of
                                    scholing baanzekerheid geeft.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 10</vet></tussenkop><al>Een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag dat een
                            verplichting als bedoeld in deze regeling niet of niet behoorlijk is
                            nagekomen.</al><tussenkop><cursief>Inwerkingtreding</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 11</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
                            dagtekening van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.</al><tussenkop><cursief>Citeertitel</cursief></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 12</vet></tussenkop><al>Deze regeling wordt aangehaald als Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag
                            als bedoeld in artikel 13, derde lid, van het Rijkswachtgeldbesluit
                            1959.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:32 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
                                CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
                                uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31
                                december 2000. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11a Suppletie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1
                                    januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                    terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van de
                                    CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in
                                    ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                                    verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                                    hoofdstuk, de CARUWO van </cursief><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290035"></illustratie></plaatje><cursief> moet worden geraadpleegd</cursief>.</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a"><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid in
                                        de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b"><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                        uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
                                        voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                        WAO;</al></li><li nr="d"><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in
                                        artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5
                                        ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                        vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten
                                        tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is,
                                        met uitzondering van degene die zijn resterende
                                        verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                        betrekkingen;</al></li><li nr="e"><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in artikel
                                        8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te
                                        verlenen;</al></li><li nr="f"><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel
                                        11a:6;</al></li><li nr="g"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de
                                        maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                                        Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het
                                        bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de Wet
                                        financiële voorzieningen privatisering ABP, en in voorkomend
                                        geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van
                                        de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten
                                        particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel
                                        1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
                                        Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h"><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het
                                        dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het
                                        ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt
                                        toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen
                                        uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt
                                        ontleend;</al></li><li nr="i"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke uitkering
                                        ter zake van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit
                                        enig dienstverband van betrokkene.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem
                                ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling
                                van zijn betrekking wegens ziekte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid
                                bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid
                                voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden
                                onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode
                                van 90 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
                                Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare
                                arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen
                                geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
                                bekwaamheden in staat is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate
                                    van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                    ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van
                                    het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                    overleden;</al></li><li nr="c"><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene
                                    de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:6 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast
                                aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                bezoldigingswijziging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b"><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:7 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan
                                het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de
                                in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de
                                periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop
                                genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze
                                vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende
                                welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24
                                maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met
                                een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:8 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering
                                dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het
                                bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht
                                op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
                                hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer
                                recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de
                                toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking
                                ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van
                                de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een
                                dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen
                                vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan
                                hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                                laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate
                                van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het
                                bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
                                als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de
                                in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de
                                feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot
                                een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het
                                bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van
                                toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:9 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in
                                het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met
                                arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                                        waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
                                        aangezegd;</al></li><li nr="b"><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                        voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                        suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c"><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                        suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en
                                        b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid
                                        of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden
                                        genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die
                                        meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn
                                        van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
                                        het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:10 Suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                            geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg
                            van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of
                            meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                            arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet
                            dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met
                            laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:</al><lijst><li nr="a"><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b"><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c"><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan
                                    wel;</al></li><li nr="d"><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:11 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie
                                een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit,
                                gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene
                                over een tijdvak van drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a"><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde
                                        partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere
                                        echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden leefde;</al></li><li nr="b"><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c"><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
                                        degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
                                        kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
                                        gezinsverband leefde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
                                geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van
                                verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
                                huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie
                                bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan
                                slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk
                                voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in
                                de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
                                verzorging voorzien.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar
                                aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen,
                                waarop betrokkene recht had.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit,
                                doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie
                                heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de
                                regel per maand achteraf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer
                                betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste
                                van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te
                                stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid
                                bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de
                                suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen
                                van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd
                                als een suppletie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                activiteiten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die
                                regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels
                                te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan
                                een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen
                                aan een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan
                                noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het
                                bestuursorgaan te stellen regels het recht op suppletie bestaan
                                totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in
                                het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                activiteiten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht
                                daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van
                                onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                bestuursorgaan nodig.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot
                                :</al><lijst><li nr="a"><al>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al></li><li nr="b"><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                                        suppletie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                artikel 11a:15.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16:1:1 Uitvoeringsvoorschriften
                                suppletieregeling</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>suppletieregeling:</vet> de suppletieregeling die is
                                    opgenomen in hoofdstuk 11a van de Collectieve
                                    arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten;</al></li><li nr="b"><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6 van
                                    de suppletieregeling;</al></li><li nr="c"><al><vet>betrokkene:</vet> de betrokkene, bedoeld in artikel 11a:1,
                                    onder d, van de suppletieregeling;</al></li><li nr="d"><al><vet>Tica:</vet> het Tijdelijke instituut voor coördinatie en
                                    afstemming dat is erkend op grond van artikel 31 van de
                                    Organisatiewet sociale verzekeringen en is ingesteld op grond
                                    van artikel 35 van die wet;</al></li><li nr="e"><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> de instelling aan wie het
                                    bestuursorgaan, belast met de uitvoering van de
                                    suppletieregeling, de werkzaamheden, verbonden aan de uitvoering
                                    van de suppletieregeling, heeft opgedragen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16:1:2 Uitvoeringsvoorschriften
                                suppletieregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De artikelen 1 tot en met 8 van het Model-uitkeringsreglement
                            Werkloosheidswet gelden voor zoveel mogelijk als
                            uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van een doelmatige controle van
                            betrokkenen en als uitvoeringsvoorschriften met betrekking tot het
                            genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie, met dien
                            verstande dat voor de hierna te noemen begrippen uit het
                            model-uitkeringsreglement moet worden gelezen:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bedrijfsvereniging:</vet> het bestuursorgaan belast met de
                                    uitvoering van de suppletieregeling;</al></li><li nr="b"><al><vet>bestuur:</vet> de uitvoeringsinstelling;</al></li><li nr="c"><al><vet>werknemer:</vet> betrokkene;</al></li><li nr="d"><al><vet>werkgever:</vet> het bestuursorgaan dat bevoegd is
                                    betrokkenen ontslag te verlenen;</al></li><li nr="e"><al><vet>uitkering:</vet> suppletie;</al></li><li nr="f"><al><vet>Werkloosheidswet, wat de toepassing van artikel 7
                                        betreft:</vet> suppletieregeling.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                            suppletie gelden als uitvoeringsvoorschriften de Regels betreffende het
                            begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op
                            uitkering, vastgesteld bij besluit van de toenmalige Sociale
                            verzekeringsraad, d.d. 23 januari 1992 (Stcrt. 1992, 19) welke ingevolge
                            artikel Regels vakantieperiode met behoud van recht op uitkering XLVII
                            van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen gelden als het
                            besluit van het Tica op grond van artikel 19, vijfde lid, van de
                            Werkloosheidswet, met dien verstande dat voor uitkering dient te worden
                            gelezen: suppletie.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Wijzigingen in het in het eerste lid genoemde modelreglement
                            onderscheidenlijk de in het tweede lid genoemde Regels, gelden, voor
                            zover deze als uitvoeringsvoorschriften van de suppletieregeling zijn
                            aangeduid, als wijzigingen van deze uitvoeringsvoorschriften. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16:1:3 Uitvoeringsvoorschriften
                                suppletieregeling</titel></kop><al>Betrokkene is verplicht om met inachtneming van de nadere aanwijzingen
                            van de uitvoeringsinstelling, het ontstaan van de ziekte als gevolg
                            waarvan hij verhinderd is arbeid te verrichten, aan de
                            uitvoeringsinstelling te melden, alsook zijn herstel daarvan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16:1:4 Uitvoeringsvoorschriften
                                suppletieregeling</titel></kop><al>Het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor
                            hem naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling noodzakelijke
                            opleiding of scholing, blijft bestaan totdat die opleiding of scholing
                            is beëindigd, indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is, deel uitmaakt
                                    van het reïntegratieplan dat door de uitvoeringsinstelling in
                                        <vet>samenspraak</vet> met betrokkene is vastgesteld en naar
                                    aard en omvang niet meer omvat dan in het reïntegratieplan is
                                    vastgesteld; of;</al></li><li nr="-"><al>de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is en, wanneer er
                                    geen reïntegratieplan is, zoals bedoeld in onderdeel a, de
                                    uitvoeringsinstelling daarvoor toestemming geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16:1:5</titel></kop><al>In afwijking van artikel 11a:16:1:4 blijft het recht op suppletie van de
                            betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van de
                            uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of scholing, na afloop van
                            de ingevolge de artikelen 11a:2, 11a:6, en 11a:7, onderscheidenlijk
                            artikel 11a:17 van de suppletieregeling vastgestelde reguliere duur van
                            de suppletie niet bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd,
                            indien:</al><lijst><li nr="a"><al> tijdens de opleiding of scholing ter zake van die opleiding of
                                    scholing recht bestaat op een voorziening in de derving van de
                                    inkomsten;</al></li><li nr="b"><al> de opleiding of scholing de strekking heeft om na afloop
                                    daarvan werkzaamheden bij een bepaalde onderneming of een
                                    bepaald bestuursorgaan te gaan verrichten;</al></li><li nr="c"><al> de opleiding of scholing langer duurt dan een jaar;</al></li><li nr="d"><al> tijdens de opleiding of scholing sprake is van het verrichten
                                    van productieve werkzaamheden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16:1:6 Uitvoeringsvoorschriften
                                suppletieregeling</titel></kop><al>De betrokkene kan de in artikel 11a:15 van de suppletieregeling bedoelde
                            onbeloonde activiteiten verrichten met behoud van suppletie, indien naar
                            het oordeel van de uitvoeringsinstelling:</al><lijst><li nr="a"><al> de betreffende activiteiten van de betrokkene geen
                                    bedrijfsmatig karakter hebben;</al></li><li nr="b"><al> de betreffende activiteiten van de betrokkene in de gegeven
                                    situatie doorgaans niet door een betaalde kracht zullen of
                                    kunnen worden verricht en;</al></li><li nr="c"><al> de instelling die of het bestuursorgaan dat de niet betaalde
                                    werkzaamheden organiseert, geen subsidie heeft of kan verkrijgen
                                    wat de loonkosten betreft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                                uitkering wegens ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de
                                sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als
                                bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de
                                Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum,
                                en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft
                                recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een
                                op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
                                van.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="18" colname="col1"><al>19 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="18" colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="18" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="19" colname="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="19" colname="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="19" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="20" colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="20" colname="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="20" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="21" colname="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="21" colname="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="21" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="22" colname="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="22" colname="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="22" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="23" colname="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="23" colname="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="23" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="24" colname="col1"><al>25 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="24" colname="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="24" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="25" colname="col1"><al>26 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="25" colname="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="25" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="26" colname="col1"><al>27 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="26" colname="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="26" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="27" colname="col1"><al>28 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="27" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="27" colname="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="28" colname="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="28" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="28" colname="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="29" colname="col1"><al>30 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="29" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="29" colname="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="30" colname="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="30" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="30" colname="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="31" colname="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="31" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="31" colname="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="32" colname="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="32" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="32" colname="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="33" colname="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="33" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="33" colname="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="34" colname="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="34" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="34" colname="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="35" colname="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="35" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="35" colname="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="36" colname="col1"><al>37 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="36" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="36" colname="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="37" colname="col1"><al>38 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="37" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="37" colname="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="38" colname="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="38" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="38" colname="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="39" colname="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="39" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="39" colname="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="40" colname="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="40" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="40" colname="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="41" colname="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="41" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="41" colname="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="42" colname="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="42" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="42" colname="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="43" colname="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="43" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="43" colname="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="44" colname="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="44" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="44" colname="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="45" colname="col1"><al>46 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="45" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="45" colname="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="46" colname="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="46" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="46" colname="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="47" colname="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="47" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="47" colname="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="48" colname="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="48" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="48" colname="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="49" colname="col1"><al>50 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="49" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="49" colname="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="50" colname="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="50" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="50" colname="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="51" colname="col1"><al>52 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="51" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="51" colname="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="52" colname="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="52" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="52" colname="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="53" colname="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="53" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="53" colname="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="54" colname="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="54" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="54" colname="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="55" colname="col1"><al>56 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="55" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="55" colname="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="56" colname="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="56" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="56" colname="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="57" colname="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="57" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="57" colname="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="58" colname="col1"><al>59 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="58" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="58" colname="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8,
                                11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met
                                11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer
                                als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met
                                inachtneming van het in dit artikel bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met
                                dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag
                                voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in
                                artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van
                                de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                                Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden
                                afgerond op een hele maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                                uitkering wegens ziekte</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1
                            januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken
                            arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van
                            de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn
                            algemene invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld
                            op ten minste 15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid
                            ingevolge de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid,
                            van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste
                            25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als
                            betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in
                            artikel 39, vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de
                            maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                            Sociale Verzekering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf
                            9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
                            neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen,
                            binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel
                            is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
                            doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van
                            inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes
                            maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van
                                artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op
                                grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is,
                                met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht
                                heeft op een WAO-uitkering.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde
                                        commissie voor georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b"><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de
                                        collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die
                                        werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c"><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende
                                        groeperingen van de landelijke verenigingen van
                                        overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn
                                        toegelaten tot het centraal overleg met het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld
                                uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een
                                vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale
                                van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van
                                Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van
                                Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs,
                                bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de bij deze
                                centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                                respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                                worden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in
                                de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens
                                ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van
                                ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van
                                de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal
                                leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is
                                met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van
                                de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in
                                overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                                toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden.
                                Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg
                                besproken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                                verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende
                                representatief geacht worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:1 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie,
                                bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of
                                meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing
                                geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts
                                telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
                                commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in
                                artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
                                aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties,
                                welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien
                                verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale,
                                geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties
                                gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                                bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:1:1 Samenstelling</titel></kop><al>Het minimum aantal ambtenaren als bedoeld in artikel 12:1:1 lid 2 wordt
                            vastgesteld op 10% van de georganiseerde medewerkers die zijn
                            aangesloten bij vakorganisaties als genoemd in artikel 12:1 lid 3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:2 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in
                                artikel 12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf van het aantal
                                der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                                aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie
                                schriftelijk aan het college doet weten dat zijn aanwijzing als
                                vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze
                                gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:3 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                                Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de
                                tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de
                                commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt
                                dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
                                overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het
                                college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd
                                overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                                verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel,
                                wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen,
                                stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op
                                de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de
                                inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:</al><lijst><li nr="a"><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als
                                        bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b"><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                                        betrokken ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c"><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid,
                                vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel
                                12:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:5:1 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><al>Onder “verandering” in de zin van artikel 12:1:5 wordt verstaan een
                            “organisatiewijziging” in de zin van de Leidraad bij
                            organisatieveranderingen zoals weergegeven in hoofdstuk 23 van de ARGA.
                            Voor de uitvoering van artikel 12:1:5 wordt deze Leidraad gevolgd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen
                                belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de
                                algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die
                                voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken
                                van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie
                                voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling
                                hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
                                overeenstemming leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden</titel></kop><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                            worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
                            daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
                            concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:1:1 Taak en bevoegdheden</titel></kop><al>Besluiten en voorstellen als genoemd in artikel 12:2:1 worden slechts
                            genomen nadat daarover overeenstemming is bereikt in de commissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:1:2 Taakafbakening tussen Georganiseerd overleg
                                Ondernemingsraad</titel></kop><al>Er kunnen in overeenstemming met alle partijen vertegenwoordigd in het
                            georganiseerd overleg enerzijds en de voor de gemeente Amersfoort
                            ingestelde ondernemingsraad anderzijds nadere afspraken worden gemaakt
                            over de taakverdeling tussen georganiseerd overleg en
                            ondernemingsraad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is
                                bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde
                                onderwerpen voorstellen te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                                bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een
                                beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan
                                legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter
                                besluitvorming voor aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen
                                van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de
                                organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde
                                organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door
                                haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de
                                behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                                subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen
                                die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking
                                staan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op
                                door hem te bepalen tijdstippen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie
                                leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen
                                verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het
                                verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter
                                vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk
                                de te behandelen onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste
                                de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee of meer
                                leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien
                                ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de
                                organisaties is vertegenwoordigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                                vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                                onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen
                                14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die
                                onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</titel></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken
                            door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die
                            onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de
                            orde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergaderingen zijn niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                                vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                                deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten
                                bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun
                                organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda
                                binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling
                                van zaken aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte
                                van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de
                                hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</titel></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls
                            hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                            tijd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem
                                uit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
                                bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
                                buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van
                                de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald
                                door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke
                                organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij
                                haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met
                                dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in
                                aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere
                                organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen
                                wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
                                aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</titel></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                            notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden
                            gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is
                            bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</titel></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen
                            wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8
                            zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de
                            advies- en arbitragecommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:1:1 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De gemeente Amersfoort is aangesloten bij de advies- en
                            arbitragecommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                    gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties
                                    genoemd in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b"><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                                    ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                                    van Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van
                            toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel
                            12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de
                            rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene
                            regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg
                            tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst
                            die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben,
                            brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het
                            overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige
                            deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4,
                                schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor
                                georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen
                                zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten
                                het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de
                                vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat
                                het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing
                                van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van
                                het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en
                                arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een
                                arbitrale uitspraak van die commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van
                                alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en
                                vierde lid, bevoegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming
                                vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de
                                toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en
                                vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5,
                                wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter
                                van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend
                                door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het
                                advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de
                                inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel
                                12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan
                                het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het
                                geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie
                                op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes
                                dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van
                                de advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt
                                het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van
                                de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
                                te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b"><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                        onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                            geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                            bindende kracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college,
                            na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:9:1 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Dit hoofdstuk kan niet worden gewijzigd dan nadat het voorstel tot
                            wijziging in de commissie is behandeld en overeenstemming is
                            bereikt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De commissie heeft het recht voorstellen omtrent wijziging voor te
                            leggen aan het college.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1:De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn
                                overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari
                                1996.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                                ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan
                                wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                                regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen,
                                waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                                opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de
                                gevolgen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                                artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23
                                tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en
                                tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende
                                kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:1:1:1 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking per 1 januari 1995.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige
                            dienstverband heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1
                            januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft
                            verzocht om handhaving van het aantal uren van het dienstverband per 31
                            december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en
                            uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997
                            geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5,
                            eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14 Medezeggenschap</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                werknemers</titel></kop><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer
                            en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet
                            voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                            zittingstermijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                werknemers</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                            ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of
                            onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een
                            ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming
                            ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en
                            derde lid, van de WOR.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:1 Begripsbepaling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk verstaat onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ondernemer:</vet> de gemeente Amersfoort;</al></li><li nr="b"><al><vet>onderneming:</vet> de gemeente Amersfoort, met uitzondering
                                    van de Griffie;</al></li><li nr="c"><al><vet>wet:</vet> de Wet op de ondernemingsraden;</al></li><li nr="d"><al><vet>bedrijfscommissie:</vet> de Bedrijfscommissie voor de
                                    Overheid;</al></li><li nr="e"><al><vet>bestuurder:</vet>de gemeentesecretaris, uit hoofde van zijn
                                    functie van algemeen directeur;</al></li><li nr="f"><al><vet>werknemersorganisaties:</vet> de verenigingen van
                                    werknemers bedoeld in artikel 9, lid 2, onder a, van de
                                    wet;</al></li><li nr="g"><al><vet>ambtelijk secretaris:</vet> de door de bestuurder
                                    beschikbaar gestelde medewerker die de ondernemingsraad
                                    ondersteunt bij de uitvoering van zijn taken, maar geen lid is
                                    van de ondernemingsraad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:2 Samenstelling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad bestaat uit 13 leden die integraal worden gekozen
                            door de medewerkers: De 13 zetels zijn als volgt geoormerkt: </al><lijst><li nr="-"><al> 3 leden worden gekozen door afdelingscluster 1 / de afdelingen
                                    Sociale Wijkteams en Loket Werk, Inkomen en Zorg; </al></li><li nr="-"><al> 2 leden worden gekozen door afdelingscluster 2 / de afdelingen
                                    Leefomgeving, Crematorium en begraafplaatsen, Stad- en
                                    ontwikkeling en Samen Leven; </al></li><li nr="-"><al> 2 leden worden gekozen door afdelingscluster 3 / de afdelingen
                                    Interne dienstverlening en advies, Publiekscontact en advies en
                                    Burgerzaken; </al></li><li nr="-"><al> 2 leden worden gekozen door afdelingscluster 4 / de afdelingen
                                    Belastingen, Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving en
                                    Programma’s en projecten; </al></li><li nr="-"><al> 2 leden worden gekozen door afdelingscluster 5 / de afdelingen
                                    Financiën en Advies, Juridische dienstverlening en Woon- en
                                    Werkklimaat; </al></li><li nr="-"><al> 2 leden worden gekozen door afdelingscluster 6 / de afdelingen
                                    IT dienstverlening en advies, Bestuur, strategie en veiligheid,
                                    organisatie- en talentontwikkeling, Bureau Regio Amersfoort en
                                    Archief Eemland.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een
                            plaatsvervangende voorzitter.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De voorzitter, of bij diens verhindering de plaatsvervangende
                            voorzitter, vertegenwoordigt de ondernemingsraad in rechte.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad heeft de mogelijkheid om voor bepaalde onderwerpen
                            een commissie in te stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:3 Zittingsduur</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De leden van de ondernemingsraad worden aangesteld voor de periode tot
                            aan de eerstvolgende landelijke OR verkiezingen die door het A+O fonds
                            Gemeenten worden georganiseerd (derde week van maart 2017).</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De aftredende leden zijn terstond herkiesbaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:4 Voorbereiding van de verkiezing</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De organisatie van de verkiezing van de leden van de ondernemingsraad
                            berust bij de ondernemingsraad.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad kan de organisatie van de verkiezing opdragen aan
                            een commissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:5 Actief en passief kiesrecht</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Kiesgerechtigd zijn de personen die die gedurende ten minste zes maanden
                            in de onderneming werkzaam zijn.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn de personen die,
                            gedurende ten minste twaalf maanden bij de onderneming werkzaam zijn.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:6 Bepaling verkiezing</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad bepaalt na overleg met de bestuurder de datum van de
                            verkiezingen alsmede de tijdstippen van aanvang en einde van de
                            stemming. De secretaris van de ondernemingsraad doet van een en ander
                            mededeling aan de bestuurder, aan de in de onderneming werkzame personen
                            en aan de werknemersorganisaties. Tussen het doen van deze mededeling en
                            de datum waarop de verkiezing wordt gehouden, liggen ten minste 15
                            weken. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De datum van de verkiezing ligt niet eerder dan 4 weken en niet later
                            dan 2 weken voor de afloop van de zittingsperiode van de aftredende
                            leden van de ondernemingsraad, tenzij er om moverende redenen
                            verkiezingen gehouden moeten worden op een datum buiten genoemde periode
                            en daarover overeenstemming is met de bestuurder. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:7 Kandidaatstelling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Uiterlijk 12 weken voor de verkiezingen stelt de ondernemingsraad een
                            lijst op van de in de onderneming werkzame personen die op de
                            verkiezingsdatum kiesgerechtigd zijn respectievelijk verkiesbaar zijn,
                            en maakt deze lijst in de onderneming bekend.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Kandidaatstelling geschiedt door indiening van een lijst van een of meer
                            kandidaten bij de secretaris van de ondernemingsraad. Deze verstrekt een
                            gedagtekend bewijs van ontvangst, gesteld ten name van degene die de
                            lijst heeft ingediend.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Tot uiterlijk 4 weken voor de verkiezingsdatum kunnen
                            werknemersorganisaties kandidatenlijsten indienen.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Tot uiterlijk 4 weken voor de verkiezingsdatum kunnen kandidatenlijsten
                            bij de secretaris van de ondernemingsraad worden ingediend door iedere
                            in de onderneming werkzame kiesgerechtigde persoon of groep van
                            personen, die geen lid zijn van een werknemersorganisatie welke een
                            kandidatenlijst heeft ingediend.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Bij elke kandidatenlijst wordt van iedere daarop voorkomende kandidaat
                            de schriftelijke verklaring overgelegd inhoudende dat hij de kandidatuur
                            aanvaardt.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De naam van een kandidaat mag per verkiezing slechts op één
                            kandidatenlijst voorkomen.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>De OR kan van de termijnen genoemd in lid 1, 3 en 4 afwijken, indien
                            daarover overeenstemming is met de werkgeversorganisaties.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:8 Kandidatenlijsten</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad onderzoekt of de ingediende kandidatenlijsten en de
                            daarop voorkomende kandidaten voldoen aan de vereisten van de wet en van
                            dit reglement.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad verklaart een kandidatenlijst die niet aan de in het
                            vorige lid bedoelde vereisten voldoet, ongeldig en deelt dit onverwijld
                            schriftelijk en met opgave van redenen mede aan degene(n) die de lijst
                            heeft (hebben) ingediend.Gedurende één week na deze mededeling bestaat
                            de gelegenheid de lijst aan de gestelde vereisten aan te passen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De kandidatenlijsten worden uiterlijk 2 weken voor de verkiezingsdatum
                            door de ondernemingsraad aan de in de onderneming werkzame personen
                            bekend gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:9 Geen verkiezing</titel></kop><al>Indien er niet meer kandidaten zijn gesteld dan er plaatsen zijn te
                            vervullen in de ondernemingsraad, vindt er geen verkiezing plaats en
                            worden de gestelde kandidaten geacht te zijn gekozen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:10 Wijze van stemmen bij verkiezingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De verkiezing geschiedt bij geheime digitale en/of geheime schriftelijke
                            stemming.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Bij digitale stemming wordt door of namens de ondernemingsraad uiterlijk
                            2 weken voorafgaand aan de verkiezingen aan iedere kiesgerechtigde
                            persoon per e-mail en/of per post een oproep met een digitale code
                            uitgereikt. In deze oproep staat beschreven op welke wijze digitaal kan
                            worden gestemd. Op de dag(en) van de verkiezingen kan de kiesgerechtigde
                            vanaf elke (werk)plek met internettoegang digitaal stemmen via het
                            internetadres van het digitale stembureau. Op het digitale stembiljet
                            staan de namen van de kandidaten vermeld. Direct na de datum en het
                            tijdstip van aanvang van de stemming kan aan de kiesgerechtigden, die
                            over een e-mailadres beschikken, een digitale oproep per e-mail worden
                            gestuurd. In dit e-mailbericht kan een link worden opgenomen met behulp
                            waarvan de kiesgerechtigde direct kan stemmen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Bij schriftelijke stemming wordt door of namens de ondernemingsraad op
                            de verkiezingsdatum op de daartoe door de ondernemingsraad aangewezen
                            plaatsen aan iedere kiesgerechtigde persoon een gewaarmerkt stembiljet
                            uitgereikt. Op dit stembiljet staan de namen van de kandidaten vermeld.
                            Dadelijk na invulling doet de kiesgerechtigde persoon dit stembiljet in
                            een daartoe bestemde bus.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:11 Aantal stemmen</titel></kop><al>Iedere kiesgerechtigde persoon brengt één stem uit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:12 Ongeldige stemmen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Na het einde van de stemming stelt de ondernemingsraad het aantal
                            geldige stemmen vast dat op elke kandidaat is uitgebracht.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Ongeldig zijn de stembiljetten:</al><lijst><li nr="a"><al> die niet door of namens de ondernemingsraad zijn
                                    gewaarmerkt,</al></li><li nr="b"><al> waaruit niet duidelijk de keuze van de stemgerechtigde
                                    blijkt,</al></li><li nr="c"><al> waarop niet het vereiste aantal stemmen is uitgebracht; </al></li><li nr="d"><al> waarop andere aantekeningen voorkomen dan de uitgebrachte
                                    stemmen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:13 Verdeling zetels</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De 13 kandidaten met de meeste stemmen krijgen een zetel in de
                            ondernemingsraad. Bij een gelijk aantal stemmen van twee of meer
                            kandidaten beslist het lot welke kandidaat een zetel in de
                            ondernemingsraad krijgt. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De uitslag van de verkiezing wordt door de ondernemingsraad vastgesteld
                            en volledig bekend gemaakt aan de bestuurder, aan de in de onderneming
                            werkzame personen en aan de werknemersorganisaties die de
                            kandidatenlijsten hebben ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:14 Bewaring stembiljetten</titel></kop><al>De uitgebrachte stemmen worden bewaard tot het moment waarop de
                            ondernemingsraad voor de eerste vergadering bijeen is gekomen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:15 Voorziening in tussentijdse vacatures</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In gevat van een tussentijdse vacature in de ondernemingsraad wijst de
                            ondernemingsraad tot opvolger van het betrokken lid aan de kandidaat die
                            blijkens de uitslag van de laatstgehouden verkiezing daarvoor als eerste
                            in aanmerking komt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De aanwijzing geschiedt binnen een maand na het ontstaan van de
                            vacature. Artikel 14:1:1:13, tweede lid, is van overeenkomstige
                            toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien er geen opvolger als bedoeld in het eerste lid aanwezig is, wordt
                            in de vacature voorzien door het houden van een tussentijdse verkiezing
                            voor de vacante zetel(s), tenzij binnen één jaar een algemene verkiezing
                            plaatsvindt. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De OR kan in voorkomende gevallen, nadat besloten is het derde lid niet
                            toe te passen, een aspirant-lid benoemen, die op de dag van de benoeming
                            voldoet aan het in dit reglement te stellen eisen aan het lidmaatschap
                            van de OR, behoudens de eis dat betrokkene op een kieslijst staat. Dit
                            aspirant-lid krijgt alle rechten die een OR-lid toekomt, behalve het
                            stemrecht. Een dergelijke benoeming kan plaatsvinden om het aspirant-lid
                            kennis te laten maken met de werkzaamheden van de OR. Besluiten genoemd
                            in dit artikel worden terstond ter kennis gebracht aan de bestuurder. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De OR kan daarnaast een tussentijdse verkiezing organiseren: </al><lijst><li nr="a"><al> bij een gelijktijdig aftreden van alle leden van de OR voor het
                                    verstrijken van de zittingsduur; </al></li><li nr="b"><al> als het aantal leden van de OR kleiner is dan de helft van het
                                    aantal op grond van artikel 2 van dit reglement, en tussentijdse
                                    vervulling van de vacature niet mogelijk is op grond van dit
                                    artikel, eerste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:16 Bezwarenregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Tegen een besluit van een ondernemingsraad met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al> de bepaling van de datum van de verkiezing en de tijdstippen
                                    van het begin en einde van de stemming (artikel 14:1:1:6, eerste
                                    lid),</al></li><li nr="b"><al> de opstelling van de lijst van kiesgerechtigde en verkiesbare
                                    personen (artikel 14:1:1:7, eerste lid),</al></li><li nr="c"><al>de geldigheid van een kandidatenlijst (artikel 14:1:1:8),</al></li><li nr="d"><al>de vaststelling van de uitslag van de verkiezing (artikel
                                    14:1:1:13, tweede lid),</al></li><li nr="e"><al>de voorziening in een tussentijdse vacature (artikel 14:1:1:15),
                                    kan iedere belanghebbende binnen een week na de bekendmaking van
                                    het besluit bezwaar maken bij de ondernemingsraad.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad beslist onverwijld op het bezwaar en treft daarbij
                            zo nodig de noodzakelijke voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:17 Wijze van vergaderen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad komt in vergadering bijeen in de navolgende
                            gevallen:</al><lijst><li nr="a"><al>op verzoek van de voorzitter,</al></li><li nr="b"><al> op gemotiveerd verzoek van ten minste een derde van het aantal
                                    leden.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De voorzitter bepaalt tijd en plaats van de vergadering. Een vergadering
                            op verzoek van leden van de ondernemingsraad wordt gehouden binnen 14
                            dagen nadat hun verzoek daartoe bij de voorzitter is ingekomen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De bijeenroeping geschiedt door de ambtelijk secretaris, door middel van
                            een schriftelijke kennisgeving aan de leden. De bijeenroeping geschiedt
                            ten minste 7 dagen vóór de te houden vergadering, behoudens in
                            spoedeisende gevallen.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Een vergadering kan slechts plaatsvinden indien de meerderheid van de
                            leden van de ondernemingsraad aanwezig is.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Bij ontstentenis van de voorzitter en van zijn plaatsvervanger(s) kiest
                            de ondernemingsraad uit de aanwezige leden een voorzitter voor de
                            vergadering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:18 Stemming</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad beslist bij gewone meerderheid van stemmen. Ter
                            bepaling of aan dit voorschrift wordt voldaan tellen blanco stemmen niet
                            mee.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Over zaken wordt mondeling en over personen wordt schriftelijk
                            gestemd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien bij een besluit met betrekking tot de benoeming van een persoon
                            geen van de kandidaten bij een eerste stemming de gewone meerderheid
                            haalt, vindt herstemming plaats tussen de twee kandidaten die bij de
                            eerste stemming de meeste stemmen kregen. Bij deze herstemming is
                            diegene gekozen, die alsdan de meeste stemmen op zich heeft verenigd.
                            Indien de stemmen staken beslist het lot.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Bij staking van stemmen over een voorstel tot een door de
                            ondernemingsraad te nemen besluit dat geen betrekking heeft op een te
                            benoemen persoon, wordt dit voorstel op de eerstvolgende vergadering
                            opnieuw aan de orde gesteld. Indien dan wederom de stemmen staken, wordt
                            het voorstel geacht te zijn verworpen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:19 Agenda</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De secretaris stelt in overleg met de voorzitter voor iedere vergadering
                            een agenda op. Ieder lid van de ondernemingsraad kan de secretaris
                            verzoeken een onderwerp op de agenda te plaatsen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De secretaris brengt de agenda ter kennis van de leden van de
                            ondernemingsraad, alsmede van de ondernemer en bevordert, zoveel als in
                            zijn vermogen ligt, dat de in de onderneming werkzame personen van de
                            agenda kunnen kennisnemen. Behoudens in spoedeisende gevallen geschiedt
                            de bekendmaking van de agenda niet later dan zeven dagen vóór de
                            vergadering van de ondernemingsraad. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Zo spoedig mogelijk na iedere vergadering van de ondernemingsraad maakt
                            de secretaris daarvan een verslag en zendt hij/zij dit in concept toe
                            aan de leden. De leden hebben de mogelijkheid – bij voorkeur gemotiveerd
                            – bezwaar te maken tegen de inhoud van het verslag. De ondernemingsraad
                            beslist over de inhoud van het verslag en stelt het vast in zijn
                            eerstvolgende vergadering. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn maakt de secretaris
                            het verslag bekend aan de in de onderneming werkzame personen en aan de
                            ondernemer. Het aan de in de onderneming werkzame personen bekend te
                            maken verslag bevat geen gegevens waaromtrent ingevolge artikel 20 van
                            de wet geheimhouding moet worden betracht. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Indien tegen het verslag overeenkomstig het eerste lid bezwaar is
                            gemaakt, vindt de bekendmaking bedoeld in het tweede lid eerst plaats
                            nadat de ondernemingsraad over het verslag heeft beslist. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:20 Jaarverslag van de OR</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De secretaris stelt jaarlijks vóór 1 maart een verslag op van de
                            werkzaamheden van de ondernemingsraad en van de commissies van de raad
                            in het afgelopen jaar. Dit verslag behoeft de goedkeuring van de
                            ondernemingsraad.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De secretaris maakt het jaarverslag na de goedkeuring van de
                            ondernemingsraad bekend aan de ondernemer en aan de in de onderneming
                            werkzame personen, alsmede aan de bedrijfscommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:21 Slotbepaling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Dit reglement kan worden gewijzigd en aangevuld bij besluit van de
                            ondernemingsraad.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Alvorens de wijziging of aanvulling vast te stellen, stelt de
                            ondernemingsraad de ondernemer in de gelegenheid daarover zijn standpunt
                            kenbaar te maken. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In de vergadering waarin wordt besloten het reglement te wijzigen of aan
                            te vullen dienen ten minste twee derde van de leden van de
                            ondernemingsraad aanwezig te zijn.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Een dergelijk besluit behoeft ten minste een meerderheid van twee derde
                            der uitgebrachte stemmen. Voor de bepaling of aan dit voorschrift is
                            voldaan tellen blanco stemmen niet mee.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad maakt de wijziging of aanvulling bekend aan de in de
                            onderneming werkzame personen en verstrekt een afschrift daarvan aan de
                            ondernemer en aan de bedrijfscommissie. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1:22 Slotbepaling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad waarborgt dat de medewerkers bekend zijn met de
                            werkwijze en taakverdeling binnen de ondernemingsraad.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad waarborgt dat de medewerkers bekend zijn waar,
                            wanneer en op welke wijze, de leden te bereiken zijn.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad informeert periodiek – via een communiqué en/of
                            intranet – alle medewerkers van de organisatie, over de in behandeling
                            zijnde onderwerpen en de beoogde resultaten.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad zal minstens één keer per jaar verantwoording
                            afleggen aan alle medewerkers in de organisatie over het gevoerde
                            beleid, de bereikte resultaten en de wenselijke ontwikkelingen in de
                            organisatie. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De ondernemingsraad zal, bij uitoefening van de adviserende taak over
                            grote wijzigingen in de organisatie en werkwijze én bij de behandeling
                            van instemmingsverzoeken over belangrijke wijzigingen in het sociaal
                            beleid, waarborgen dat de medewerkers zoveel mogelijk worden
                            geraadpleegd alvorens een definitief standpunt in te nemen.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>In voorkomende gevallen zal de ondernemingsraad hoorzittingen
                            organiseren voor alle of groepen van medewerkers. </al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage 1 Faciliteitenafspraken ondernemingsraad /
                                WOR-bestuurder</titel></kop><al>Voor de uitvoering van zijn taak is het noodzakelijk dat er voor de
                            ondernemingsraad faciliteiten zijn, zoals hieronder weergegeven: </al><lijst><li nr="1"><al> De voorzitter van de OR krijgt 10 uur per week om het werk voor
                                    de OR te doen. De twee leden van het db van de OR ieder 8 uur.
                                    De OR-leden ieder 6 uur. Hierin zijn niet inbegrepen 5
                                    trainingsdagen per jaar. Niet inbegrepen incidentele extra
                                    vergaderingen in spoedeisende gevallen e.d. </al></li><li nr="2"><al> De afdelingen krijgen een compensatie voor de medewerkers die
                                    in een OR (of commissie) deelnemen. Dit beleid wordt
                                    gecontinueerd. Deze compensatie wordt ingezet voor vervanging,
                                    daar waar dat mogelijk is, van het deelnemende OR-lid. Er is
                                    benadrukt door de directie dat geen OR lid zich bezwaard hoeft
                                    te voelen; deelname aan OR wordt gewaardeerd. Het niet
                                    beschikbaar hebben van geld voor vervanging binnen een afdeling
                                    kan geen reden zijn om niet in een OR zitting te nemen. </al></li><li nr="3"><al> De werkgever stelt een ambtelijk secretaris beschikbaar. De
                                    ambtelijk secretaris krijgt 26 uur per week om de taken voor de
                                    OR uit te voeren. </al></li><li nr="4"><al> De werkgever stelt per kalenderjaar een budget voor scholing,
                                    ondersteuning of overige zaken ter beschikking van maximaal €
                                    2.000,= per zetel. (13 zetels à € 2.000,= is € 26.000,=). </al></li><li nr="5"><al> De WOR-bestuurder stelt een vaste (vergader)kamer voor de OR
                                    ter beschikking. </al></li><li nr="6"><al> Eens per jaar nodigt de WOR bestuurder de leidinggevenden van
                                    de OR-leden uit voor een lunch. Het afdelingshoofd Organisatie-
                                    &amp; Talentontwikkeling is hierbij ook aanwezig. In deze lunch
                                    wordt het belang van een goed werkende medezeggenschap benadrukt
                                    en gevraagd naar mogelijke belemmeringen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:4 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:5 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:6 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:7 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:8 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:9 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:10 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:11 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:12 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:13 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:14 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:15 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:16 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:17 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:18 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:19 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:20 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:21 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:22 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:23 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:24 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:25 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:26 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:27 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:28 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:29 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:30 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:31 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:32 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:33 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:34 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:35 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:36 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:37 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:38 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:39 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:40 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:41 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:42 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:43 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:2:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:2:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>15 Overige rechten en verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15:0:0:0 Uitgangspunten voor de
                                rechtsbijstandverzekering</titel></kop><al> LOGA-partijen hebben, ter uitwerking van hetgeen hieromtrent is
                            afgesproken in het arbeidsvoorwaardenakkoord 2002-2003, vastgesteld dat
                            de verplichte collectieve rechtsbijstandsverzekering aan de volgende
                            criteria dient te voldoen: </al><lijst><li nr="1"><al> De rechtsbijstandsverzekering wordt verplicht gesloten door
                                    gemeenten ten behoeve van hun ambtenaren binnen het kader van de
                                    werkgevers- en werknemersverhouding. </al></li><li nr="2"><al> De premie komt voor rekening van de werkgever. </al></li><li nr="3"><al> Doel van de verzekering is het verstrekken van juridische
                                    bijstand aan de ambtenaar die zijn functie uitoefent zoals het
                                    een goed ambtenaar betaamt, en geconfronteerd wordt met: </al><lijst><li nr="a"><al>strafrechtelijke vervolging wegens het plegen van een
                                            strafbaar feit tijdens de uitoefening van de functie;
                                        </al></li><li nr="b"><al> civielrechtelijke aanspraken van derden voor schade
                                            veroorzaakt tijdens de uitoefening van de functie, voor
                                            zover deze niet gedekt wordt door de
                                            aansprakelijkheidsverzekering;</al></li><li nr="c"><al>schade als gevolg van fysiek geweld door derden ontstaan
                                            tijdens de uitoefening van zijn functie, hetwelk hij via
                                            een gerechtelijke procedure wil verhalen op de dader;
                                        </al></li><li nr="d"><al> een klacht op grond van het toepasselijke tuchtrecht -
                                            niet zijnde een disciplinaire maatregel in het kader van
                                            de werkgevers- en werknemersverhouding - ten aanzien van
                                            zijn handelen of nalaten bij de uitoefening van zijn
                                            functie.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al> De ambtenaar heeft geen aanspraak op rechtsbijstand indien
                                    tegen de gemeente (of een bestuursorgaan behorende tot die
                                    gemeente) geprocedeerd wordt. De ambtenaar heeft evenmin
                                    aanspraak op rechtsbijstand ter zake van een strafbaar feit waar
                                    hij van verdacht wordt, waarvan door de gemeente (of een
                                    bestuursorgaan behorende tot die gemeente) aangifte is gedaan.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1 Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen
                            en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1a Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet,
                            bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of
                                diensten</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of
                            namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a"><al>diensten te laten verrichten door personen in
                                    gemeentedienst;</al></li><li nr="b"><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c"><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de
                                    vervulling van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a"><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                    beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te
                                    verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het
                                    college;</al></li><li nr="b"><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen
                                of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij
                                verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                mededelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan
                                te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
                                verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
                                dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling,
                                kunnen raken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                eerste lid gedane opgaven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren
                                van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere
                                ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                                integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van
                                nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie
                                waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                koersgevoelige informatie verbonden is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op
                                een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen
                                respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de
                                belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de
                                functievervulling, kunnen raken. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het
                                tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare
                                dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de
                                ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen
                                ten behoeve van anderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:9 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en
                            met 15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                                werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
                                heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te
                                verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden
                                behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks
                                met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de
                                regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente
                                noodzakelijk is. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt
                                zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in
                                artikel 12:1 tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het
                                college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of
                                andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te
                                verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze
                                werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in
                                die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed
                                en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college
                                wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                                veiligheidsregio’s.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                                veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van
                                het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van
                                de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht
                                van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is
                                te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan
                                oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide
                                taak.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                zulks redelijkerwijs toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan
                                zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding
                                daarvan op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden
                                niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld
                                zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de
                                wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                                aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate
                                hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft
                                genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit
                                een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt
                                bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen
                                van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens
                                aanwijzing door of namens het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:14 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college
                                te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
                                uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn functie vervult en
                                omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar
                                zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn functie of de
                                wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover deze aanleiding
                                geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan
                                de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn functie
                                vervult naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de
                                door het college voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden
                                voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te
                                dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                                uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of
                                namens het college toestemming is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes
                                of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken
                                te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn
                                verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het
                                college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing
                                ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door
                                het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld
                                betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het
                                eerste lid bedoelde kleding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:16:1 Regeling bedrijfskleding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1 Definities</vet></tussenkop><al>In deze regeling bedrijfskleding wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Directeur: </vet>de directeur van de sector DIA </al></li><li nr="b"><al><vet>Hoofd van de hoofdafdeling:</vet>hoofd van de hoofdafdeling
                                    Burgerzaken en Belastingen (BB) (voor wat betreft Burgerzaken en
                                    KCC) of hoofd van de hoofdafdeling Voorzieningen en Intern
                                    Advies (VIA) (voor wat betreft Bodekamer) </al></li><li nr="c"><al><vet>Leidinggevende:</vet> afdelingshoofd Burgerzaken,
                                    afdelingshoofd Klant Contract Centrum of afdelingshoofd
                                    Facilitaire Zaken </al></li><li nr="d"><al><vet>Medewerker: </vet>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1
                                    lid 1 onder a van de ARGA, voor zover deze in vaste dienst is
                                    aangesteld of voor zover deze in tijdelijke dienst is aangesteld
                                    voor de duur van tenminste één jaar </al></li><li nr="e"><al><vet>Tijdelijke medewerker:</vet> de ambtenaar als bedoeld in
                                    artikel 1:1 onder a van de ARGA, voor zover deze in tijdelijke
                                    dienst is aangesteld voor een duur van minder dan één jaar dan
                                    wel een externe medewerker </al></li><li nr="f"><al><vet>Bedrijfskleding: </vet>de voor de vervulling van de functie
                                    voorgeschreven kleding</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2 Doel en reikwijdte</vet></tussenkop><al>Doel van deze regeling is vastlegging van afspraken die gelden voor het
                            verplicht dragen van bedrijfskleding. De regeling is van toepassing op
                            medewerkers van de sector DIA.</al><al>Voor <onderstreept>alle medewerkers</onderstreept> van de afdelingen
                            Burgerzaken (BZ), Klant Contact Centrum (KCC) en Bodekamer van de sector
                            DIA, die werken in het zicht van de klanten, is het dragen van
                            bedrijfskleding verplicht.</al><al><onderstreept>Medewerkers in vaste dienst</onderstreept> krijgen een
                            volledig kledingpakket afgestemd op het aantal dagen dat zij in het
                            zicht van de klant werken.<onderstreept>Tijdelijk
                                medewerkers</onderstreept> krijgen geen volledig kledingpakket. Voor
                            hen geldt dat er bovenkleding (blouses en overhemden in de meest
                            gangbare maten) ter beschikking gesteld wordt. Verder geldt als
                            kledingvoorschrift een representatieve donkere (eigen) broek in de kleur
                            donkerblauw of zwart (geen spijkerbroek).</al><al>Bedrijfskleding wordt ook gedragen wanneer medewerkers op locatie
                            gaan.</al><tussenkop><vet>Lid 3 Kleur van de kleding</vet></tussenkop><al>Het hoofd van de hoofdafdeling bepaalt de kleur van de
                            bedrijfskleding.</al><al>Het dragen van nylons onder een rok is verplicht, tenzij dat in verband
                            met een hoge buitentemperatuur ongewenst is. De nylons dienen
                            representatief te zijn en de kleur moet passen bij de
                            bedrijfskleding.</al><tussenkop><vet>Lid 4 Afschrijving kleding en vervangen van kleurstelling</vet></tussenkop><al>Indien de kleding vanwege afschrijving moet worden vervangen kan voor
                            een andere kleurstelling worden gekozen.</al><tussenkop><vet>Lid 5 Kleedruimte</vet></tussenkop><al>Er is een omkleedruimte beschikbaar. Indien gewenst kunnen medewerkers
                            en tijdelijke medewerkers zich opfrissen in de al in het gebouw
                            aanwezige doucheruimten. Het omkleden en opfrissen gebeurt buiten
                            werktijd.</al><tussenkop><vet>Lid 6 Omvang kledingpakket</vet></tussenkop><al>Iedere medewerker krijgt een kledingpakket.</al><al>De samenstelling van het kledingpakket is afhankelijk van de afdeling
                            waartoe de medewerker behoort en vindt plaats op basis van het aantal
                            dagen waarop de medewerker in het zicht van de klant werkt. Voor de
                            medewerkers van Burgerzaken en het KCC geldt een zogenaamd
                            puntensysteem: de medewerker ontvangt een basiskledingpakket en krijgt
                            daarnaast een aantal punten ter beschikking. Het aantal punten is
                            afhankelijk van het aantal dagen per week dat de medewerker in het zicht
                            van de klant werkt. De medewerker heeft op deze manier de gelegenheid om
                            zijn of haar kledingpakket voor een deel naar eigen keus samen te
                            stellen.</al><al>Voor BZ/KCC geldt het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al> Het kledingpakket bestaat uit een ‘basis’ gedeelte en uit een
                                    variabel deel dat de medewerker naar eigen inzicht kan
                                    samenstellen. Voor dit laatste geldt een puntensysteem. Het
                                    aantal punten wordt naar rato van het aantal werkdagen
                                    toegekend.</al></li><li nr="-"><al> Het aantal punten wordt telkens voor twee jaar toegekend. De
                                    medewerker hoeft de punten niet ineens te besteden, maar moet
                                    hier twee jaar mee doen.</al></li><li nr="-"><al> De kleding uit het basispakket is verplicht.</al></li></lijst><al><vet>Omvang kledingpakket medewerkers Burgerzaken en KCC:</vet></al><table><tgroup cols="6"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry namest="col2" nameend="col6" colname="col2"><al><vet>BASISPAKKET</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>EXTRA</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Aantal dagen dat medewerker in het zicht van de
                                                  klant werkt</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aantal blouses / overhemden</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Aantal shirtjes/ hemdjes (alleen dames)</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Aantal broeken en / of rokken</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Aantal colberts en gilets (max. 2
                                                  colberts)</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>Extra punten om collectie te kunnen
                                                  uitbreiden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al>Eenmalig 1 extra kledingstuk naar keuze</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al>230</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 soms (niet elke week)</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al>250</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 altijd</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>250</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 soms (niet elke week)</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>270</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 altijd</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>270</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>270</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Puntensysteem</vet>Aan de kledingstukken zijn, afhankelijk van de
                            aanschafprijs, punten toebedeeld:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Broek/rok</al></entry><entry colname="col2"><al>50</al></entry><entry colname="col3"><al>punten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Blouse/wikkelblouse/overhemd</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry><entry colname="col3"><al>punten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Colbert</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry><entry colname="col3"><al>punten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gilet</al></entry><entry colname="col2"><al>75</al></entry><entry colname="col3"><al>punten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Jurk</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry><entry colname="col3"><al>punten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hemdje</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry><entry colname="col3"><al>punten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Shirtje korte mouw</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry><entry colname="col3"><al>punten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Shirtje lange mouw</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>punten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Shirtjes, (mouwloze) hemdjes en blouses:</vet>In het kledingpakket
                            zijn ook shirtjes en (mouwloze) hemdjes opgenomen. Het is niet
                            toegestaan om shirtjes en/of mouwloze hemdjes zonder andere bovenkleding
                            te dragen. Hemdjes moeten onder een blouse gedragen worden, shirtjes
                            onder een colbert of jurkje. Het is niet toegestaan om de blouse
                            helemaal los te dragen, ook niet met een hemdje of shirtje eronder.
                            Vanuit oogpunt van representativiteit dient deze gesloten gedragen te
                            worden. Onder een gilet dient altijd een blouse of overhemd gedragen te
                            worden.</al><al><vet>Omvang kledingpakket medewerkers bodekamer:</vet></al><table><tgroup cols="6"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Aantal dagen dat medewerker werkt</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aantal blouses / overhemden</vet></al></entry><entry namest="col3" nameend="col5" colname="col3"><al><vet>Aantal broeken en /of rokken</vet></al></entry><entry namest="col5" nameend="col7" colname="col5"><al><vet>Aantal colberts gilets</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>M</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>V</vet></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>1 broek 2 rokken</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>1 broek 2 rokken</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>1 broek 2 rokken</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>1 broek 2 rokken</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>Lid 7 Accessoires</vet></tussenkop><al>Er worden de volgende accessoires ter beschikking gesteld: sjaal,
                            stropdas of hoofddoek. Het dragen van andere sjaals, stropdassen of
                            hoofddoeken is niet toegestaan. Uit veiligheidsoverwegingen worden de
                            stropdassen voorzien van een clip zodat deze direct loslaten als er aan
                            getrokken wordt.</al><tussenkop><vet>Lid 8 Schoenen</vet></tussenkop><al>Onder bedrijfskleding worden representatieve zwarte schoenen en sokken
                            gedragen.</al><al><vet>BZ/KCC:</vet>Schoenen en sokken zijn niet opgenomen in het pakket;
                            daar draagt de medewerker zelf zorg voor.</al><al><vet>Bodekamer: </vet>medewerkers van de Bodekamer ontvangen, vanwege
                            het ambulante karakter van hun functie, een jaarlijkse vergoeding voor
                            schoeisel van € 90,- netto. De vergoeding wordt eens in de vijf jaar
                            geïndexeerd conform de “consumentenprijsindex alle huishoudens” zoals
                            die wordt gepubliceerd door het Centraal Planbureau.Sokken zijn niet
                            opgenomen in het kledingpakket; daar draagt de medewerker zelf zorg
                            voor.</al><tussenkop><vet>Lid 9 Reinigen bedrijfskleding</vet></tussenkop><al>De verstrekte bedrijfskleding kan door de medewerker zelf worden
                            gereinigd (gewassen).</al><tussenkop><vet>Lid 10 Representatief</vet></tussenkop><al>Medewerkers dragen er zorg voor dat zij er, naast het tijdig reinigen
                            van de bedrijfskleding, representatief en verzorgd uitzien.</al><tussenkop><vet>Lid 11 Eigendom en inleveren bedrijfskleding</vet></tussenkop><al>De kleding wordt voorzien van het logo van de gemeente Amersfoort en
                            blijft eigendom van de gemeente Amersfoort. Bij uitdiensttreding en bij
                            uitlevering van nieuwe bedrijfskleding wordt de bedrijfskleding
                            ingeleverd.</al><tussenkop><vet>Lid 12 Zwangerschap</vet></tussenkop><al>Bij zwangerschap treedt de medewerker in overleg met de leidinggevende
                            indien de ter beschikking gestelde bedrijfskleding niet meer past (bijv.
                            grotere maat bedrijfskleding of als dat niet meer past eigen kleding in
                            dezelfde kleur).</al><tussenkop><vet>Lid 13 Handhaving</vet></tussenkop><al>Het dragen van bedrijfskleding is bij collegebesluit verplicht gesteld.
                            Afwijking zonder geldige reden wordt gekwalificeerd als plichtsverzuim
                            en kan rechtspositionele gevolgen hebben.</al><tussenkop><vet>Lid 14 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al>In die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                            voorziet, beslist de directeur van de sector DIA.</al><tussenkop><vet>Lid 15 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling bedrijfskleding sector
                            DIA.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:17 Standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting
                                worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan
                                wonen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met
                                name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk
                                zijn werkzaamheden verricht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde
                                nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van
                                de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die
                                daaromtrent zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn,
                                tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</titel></kop><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de
                            kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf
                            aldaar worden ontzegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met
                                een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens
                                de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht
                                geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de
                                dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de
                                hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de
                                volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor
                                overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht
                                moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                                situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan
                                het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
                                vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                                overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie
                                te vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:21 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en
                                uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                                Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke
                                hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de
                                vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet bestaat uit
                                de normale slijtage dier goederen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van
                                zijn functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a"><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b"><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
                                        grenzende verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c"><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar
                                        rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een
                                        vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
                                        belastingvrije bedrag per kilometer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig
                            in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
                            vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem
                            daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze
                            toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</titel></kop><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                            schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                            volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig
                            ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan
                            het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten
                            komen ten laste van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:26:1 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>Zie voor <cursief>opleiding</cursief> het gestelde in Hoofdstuk 17 dat
                            handelt over studiefaciliteiten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit
                            wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet
                            verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van
                            doorbetaling verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor
                            voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor
                            leerplichtvrije jeugd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:27:1 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>Zie voor <cursief>studieverlof</cursief> het gestelde in Hoofdstuk 17
                            dat handelt over Opleiding en ontwikkeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen</titel></kop><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
                            kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
                            voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende
                            ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven
                            haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd
                                Overleg</titel></kop><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                            plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de
                            commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten
                            vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan
                            genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt
                            benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2 Klokkenluiders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens
                                van misstanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld
                                worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:1 Begripsbepalingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> een ieder die werkzaam is of is geweest
                                    bij de gemeente Amersfoort op grond van een aanstelling of een
                                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. </al></li><li nr="b"><al><vet>bevoegd gezag:</vet> het College van Burgemeester en
                                    Wethouders, de Raad, dagelijks bestuur of directie; </al></li><li nr="c"><al><vet> vermoeden van een misstand: een vermoeden van:</vet></al><lijst><li nr="-"><al> schending van wettelijke voorschriften of
                                            beleidsregels;</al></li><li nr="-"><al> een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het
                                            milieu;</al></li><li nr="-"><al> een onbehoorlijke wijze van functioneren die een gevaar
                                            vormt voor het goed functioneren van de openbare
                                            dienst;</al></li></lijst></li><li nr="d"><al><vet> melder:</vet> de ambtenaar die een vermoeden van een
                                    misstand meldt overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze regeling.
                                </al></li><li nr="e"><al><vet> melding:</vet> de melding van een vermoeden van een
                                    misstand door de melder;</al></li><li nr="f"><al><vet>vertrouwenspersoon:</vet> de functionaris als zodanig
                                    benoemd door het bevoegd gezag;</al></li><li nr="g"><al><vet>extern meldpunt:</vet> de Onderzoeksraad Integriteit
                                    Overheid (OIO). </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt degene die anders dan op
                            basis van een ambtelijke aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar
                            burgerlijk recht werkzaam is binnen de gemeente Amersfoort gelijkgesteld
                            met een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid, onder a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:2 Bescherming van de melder </titel></kop><al>Een ieder die betrokken is bij de behandeling van een melding maakt de
                            identiteit van de melder niet bekend zonder zijn instemming, dat zijn in
                            ieder geval de leidinggevende, de vertrouwenspersoon en het externe
                            meldpunt.</al><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar zal als gevolg van de melding van een vermoeden van een
                            misstand geen nadelige gevolgen ondervinden voor zijn rechtspositie.
                            Onder nadelige gevolgen worden in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>het verlenen van ongevraagd ontslag;</al></li><li nr="b"><al>het niet verlengen van een aanstelling voor bepaalde tijd; </al></li><li nr="c"><al>het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in een
                                    vaste aanstelling;</al></li><li nr="d"><al>de opgelegde benoeming in een andere functie; </al></li><li nr="e"><al>het treffen van disciplinaire maatregelen;</al></li><li nr="f"><al>het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning of
                                    toekenning van vergoedingen;</al></li><li nr="g"><al>het onthouden van promotiekansen;</al></li><li nr="h"><al>het afwijzen van een verlofaanvraag,</al></li></lijst><al>voor zover dit redelijkerwijs verband houdt met de door de melder gedane
                            melding van een vermoeden van een misstand.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de melder ook anderszins bij
                            de uitoefening van zijn functie geen nadelige gevolgen van de melding
                            ondervindt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het bepaalde in lid 2 en 3 van dit artikel geldt ook voor de ambtenaar
                            die te goeder trouw een vermoeden van een misstand in een andere
                            organisatie dan die van de gemeente Amersfoort, volgens de in die
                            organisatie geldende regels, bij die organisatie heeft gemeld. De
                            bescherming geldt alleen als de ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al>uit hoofde van zijn functie met die andere organisatie
                                    samenwerkt of heeft samengewerkt;</al></li><li nr="-"><al>uit hoofde van zijn functie kennis heeft verkregen van de
                                    vermoede misstand;</al></li><li nr="-"><al>het vermoeden van de misstand tijdig bij zijn leidinggevende
                                    heeft gemeld;</al></li><li nr="-"><al>zich heeft gehouden aan de afspraken die ter zake van deze
                                    melding met hem of haar zijn gemaakt door het bevoegd gezag.
                                </al></li></lijst><al>De ambtenaar heeft recht op juridische bijstand wanneer hij als gevolg
                            van het te goede trouw melden van een vermoeden van een misstand
                            nadelige gevolgen ondervindt in zijn rechtspositie, tijdens en/of na het
                            volgen van deze regeling. Deze juridische bijstand wordt gefinancierd
                            door de gemeente Amersfoort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:3 De vertrouwenspersoon</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag wijst een of meer vertrouwenspersonen aan.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De vertrouwenspersoon heeft tot taak de melder te adviseren.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon maakt jaarlijks een geanonimiseerd verslag van de
                            aard en de omvang van het aantal interne meldingen. Dit verslag wordt
                            aan het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar
                            gemaakt. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon geniet bescherming overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 2, tweede tot en met het vijfde lid, tegen benadeling van zijn
                            rechtspositie als gevolg van de hem bij deze regeling toebedeelde
                            taken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:4 Het externe meldpunt</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag wijst als extern meldpunt aan de Onderzoeksraad
                            Integriteit Overheid. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De Onderzoeksraad Integriteit Overheid heeft tot taak een door de melder
                            gemeld vermoeden van een misstand te onderzoeken en het bevoegd gezag
                            daarover te adviseren. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:5 Melding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar doet een melding bij zijn leidinggevende, bij de
                            vertrouwenspersoon of, indien daartoe aanleiding bestaat, rechtstreeks
                            bij het externe meldpunt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Een melding laat de wettelijke verplichting tot het doen van aangifte
                            van een strafbaar feit onverlet.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De afdelingsmanager Organisatie en Talentontwikkeling (O&amp;T) is
                            aangewezen als vertrouwenspersoon en de gemeentesecretaris als het gaat
                            om een melding waarbij de afdelingsmanager O&amp;T zelf is
                            betrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:6 Melding door een ex-ambtenaar</titel></kop><al>De ex-ambtenaar die een vermoeden van een misstand wil melden doet dit
                            binnen een periode van twaalf maanden na zijn ontslag of beëindiging van
                            zijn werkzaamheden voor de gemeente Amersfoort bij een
                            vertrouwenspersoon. Hij kan alleen een melding van een vermoeden van een
                            misstand doen als hij in de hoedanigheid van ambtenaar kennis heeft
                            gekregen van het vermoeden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:7 Informeren van het bevoegd gezag</titel></kop><al>De leidinggevende of de vertrouwenspersoon bij wie een melding is gedaan
                            draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag onverwijld op de hoogte wordt
                            gesteld van de melding en van de datum waarop de melding ontvangen is.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:8 Ontvangstbevestiging door het bevoegd
                                gezag</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag zendt aan de melder of de vertrouwenspersoon bij wie
                            het vermoeden van een misstand is gemeld een ontvangstbevestiging. In
                            het laatste geval stuurt de vertrouwenspersoon de ontvangstbevestiging
                            door aan de melder. De ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden
                            van een misstand en de datum waarop de melder het vermoeden heeft
                            gemeld. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag informeert de persoon of personen op wie een melding
                            betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor het onderzoeksbelang
                            kan worden geschaad.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de identiteit van de melder die
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 of 6 een melding heeft gedaan,
                            niet verder bekend wordt dan noodzakelijk is voor de behandeling van de
                            melding. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:9 Onderzoek door het bevoegd gezag</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag stelt na ontvangst van de melding onverwijld een
                            onderzoek in.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk
                            betrokken is of is geweest bij de vermoede misstand. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag kan een deskundige raadplegen.</al><al>NB Deze bevoegdheid is gemandateerd aan de gemeentesecretaris, tenzij
                            het gaat om een onderzoek waarbij deze zelf is betrokken. </al><al>Als de melding een griffiemedewerker betreft stelt de griffier het
                            onderzoek in tenzij het gaat om een onderzoek waarbij deze zelf is
                            betrokken, dan doet het presidium het onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:10 Standpunt en kennisgeving door het bevoegd
                                gezag</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag stelt de melder of de vertrouwenspersoon bij wie de
                            melding is gedaan binnen tien weken na ontvangst van de melding
                            schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt omtrent het gemelde
                            vermoeden van een misstand.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien niet binnen tien weken een standpunt kan worden gegeven worden
                            de melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan voordat
                            deze termijn is verstreken daarvan door middel van een kennisgeving
                            schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag kan
                            het advies met ten hoogste vier weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:11 Melding bij het externe meldpunt</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De melder kan zijn vermoeden van een misstand binnen redelijke termijn
                            melden bij het externe meldpunt, indien:</al><lijst><li nr="a"><al> hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in artikel
                                    10;</al></li><li nr="b"><al> hij geen standpunt heeft ontvangen binnen de termijnen bedoeld
                                    in artikel 10.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien zwaarwegende belangen de toepassing van de interne
                            meldingsprocedure in de weg staan, kan de melder het vermoeden van een
                            misstand rechtstreeks melden bij het externe meldpunt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De melding bij het externe meldpunt bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a"><al> naam en adres van de melder;</al></li><li nr="b"><al> de organisatie waar de betrokkene werkzaam is of is
                                    geweest;</al></li><li nr="c"><al> de organisatie waarop de melding betrekking heeft;</al></li><li nr="d"><al>de omschrijving van de misstand die wordt vermoed;</al></li><li nr="e"><al> de reden van melding aan het externe meldpunt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:12 Ontvangstbevestiging</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het externe meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een
                            vermoeden van een misstand aan de melder. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het externe meldpunt draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag op de
                            hoogte wordt gesteld van de melding bij het meldpunt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het externe meldpunt informeert de persoon of personen op wie een
                            melding betrekking heeft over de melding bij het externe meldpunt,
                            tenzij het onderzoeksbelang hierdoor kan worden geschaad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:13 Niet ontvankelijkheid</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het externe meldpunt verklaart de melding niet ontvankelijk indien:</al><lijst><li nr="a"><al> er geen sprake is van een misstand of van een misstand van
                                    voldoende gewicht;</al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar niet aantoont dat hij het vermoeden eerst intern
                                    aan de orde heeft gesteld volgens deze regeling, tenzij
                                    zwaarwegende belangen toepassing van de interne procedure in de
                                    weg staan; </al></li><li nr="c"><al> de ambtenaar het vermoeden intern aan de orde heeft gesteld
                                    volgens deze regeling, maar de termijn waarbinnen het bevoegd
                                    gezag een inhoudelijk standpunt omtrent het vermoeden van een
                                    misstand dient te geven, nog niet verstreken is;</al></li><li nr="d"><al> geen sprake is van een ambtenaar zoals bedoeld in deze
                                    regeling;</al></li><li nr="e"><al> de melding niet binnen redelijke termijn is ontvangen nadat de
                                    ambtenaar op de hoogte is gesteld van het standpunt van het
                                    bevoegd gezag. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien de melding niet ontvankelijk is, stelt het externe meldpunt de
                            melder of vertrouwenspersoon en het bevoegd gezag hiervan binnen vier
                            weken op de hoogte.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:14 Onderzoek door het externe meldpunt</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Wanneer de melding ontvankelijk is, kan het meldpunt indien dit voor de
                            uitoefening van zijn taak noodzakelijk is een onderzoek instellen. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Ten behoeve van het onderzoek genoemd in het eerste lid is het externe
                            meldpunt gerechtigd bij het bevoegd gezag alle inlichtingen in te winnen
                            die het voor de vorming van zijn advies nodig acht. Het bevoegd gezag
                            verschaft het externe meldpunt alle inlichtingen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het externe meldpunt kan een deskundige raadplegen. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Wanneer de inhoud van bepaalde door het bevoegd gezag verstrekte
                            informatie vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter
                            kennisneming van het externe meldpunt dient te blijven, wordt dit aan
                            het externe meldpunt meegedeeld. Het externe meldpunt beveiligt
                            informatie met een vertrouwelijk karakter tegen kennisneming door
                            onbevoegden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:15 Advies en kennisgeving door het externe
                                meldpunt</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het externe meldpunt legt binnen acht weken na ontvangst van de melding
                            zijn bevindingen neer in een advies aan het bevoegd gezag. Het externe
                            meldpunt zendt een afschrift van het advies aan de melder of de
                            vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien niet binnen acht weken een advies kan worden gegeven worden de
                            melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan alsmede het
                            bevoegd gezag voordat deze termijn is verstreken daarvan door middel van
                            een kennisgeving schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Het
                            externe meldpunt kan het advies met ten hoogste vier weken
                            verdagen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het advies wordt, in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van het
                            eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het externe meldpunt
                            verstrekte informatie en de ter zake geldende wettelijke bepalingen,
                            door het externe meldpunt openbaar gemaakt op een wijze die het externe
                            meldpunt geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen
                            verzetten. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Het externe meldpunt maakt zijn advies niet openbaar voordat het
                            standpunt van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 16 van deze
                            regeling, is ontvangen, of er twee weken zijn verstreken sinds het
                            advies is gegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:16 Standpunt bevoegd gezag naar aanleiding van het
                                advies van het externe meldpunt </titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies
                            het externe meldpunt schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt en de
                            eventuele consequenties die het daaraan verbindt. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het externe meldpunt zal het standpunt van het bevoegd gezag aan de
                            melder doen toekomen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Een van het advies afwijkend standpunt wordt gemotiveerd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:1:17 Jaarverslag </titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Jaarlijks wordt door het externe meldpunt een verslag opgemaakt. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van de
                            ter zake wettelijke bepalingen gemeld:</al><lijst><li nr="a"><al>het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een
                                    misstand;</al></li><li nr="b"><al>het aantal meldingen dat niet heeft geleid tot een
                                    onderzoek;</al></li><li nr="c"><al>het aantal onderzoeken dat het externe meldpunt heeft
                                    verricht;</al></li><li nr="d"><al>het aantal adviezen en de aard van de adviezen dat het externe
                                    meldpunt heeft uitgebracht.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Dit jaarverslag wordt aan het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad
                            gestuurd en openbaar gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:4:1:1 Regeling Vertrouwenspersoon Integriteit
                                (VPI)</titel></kop><al>Er is een Vertrouwenspersoon Integriteit (VPI). Binnen de gemeente
                            Amersfoort is het afdelingshoofd O&amp;T aangewezen als VPI. Voor zaken
                            die het afdelingshoofd O&amp;T zelf betreffen dan wel in geval van
                            (langdurige) afwezigheid of indien de ambtenaar zich anderszins niet wil
                            wenden tot het afdelingshoofd O&amp;T, is de gemeentesecretaris
                            aangewezen als VPI. Voor zaken die politieke ambtsdragers betreffen is
                            het afdelingshoofd O&amp;T aangewezen als VPI. Het afdelingshoofd
                            O&amp;T stelt in die gevallen de gemeentesecretaris op de hoogte. De
                            gemeentesecretaris handelt de zaak af.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:4:1:2 Regeling Vertrouwenspersoon Integriteit
                                (VPI)</titel></kop><al>De VPI heeft de volgende taken:</al><lijst><li nr="-"><al>De VPI informeert de organisatie over zijn rol en taken en hoe
                                    hij te werk gaat;</al></li><li nr="-"><al> De VPI is aanspreekpunt en draagt zorg voor de eerste opvang
                                    voor ambtenaren die vragen hebben op het gebied van
                                    integriteit;</al></li><li nr="-"><al> De VPI adviseert ambtenaren over ethische of
                                    integriteitskwesties;</al></li><li nr="-"><al> De VPI adviseert, begeleidt en ondersteunt de melder bij het
                                    aankaarten van vermoedens van niet-integer handelen bij het
                                    bevoegd gezag;</al></li><li nr="-"><al> Alle meldingen die bij de VPI binnenkomen, worden op een
                                    uniforme wijze geregistreerd. Daarnaast rapporteert de VPI
                                    jaarlijks geanonimiseerd aan het bevoegd gezag;</al></li><li nr="-"><al> De VPI kan het bevoegd gezag gevraagd en ongevraagd adviseren
                                    op het gebied van integriteit;</al></li><li nr="-"><al> De VPI verleent nazorg aan de melder. De VPI signaleert of de
                                    melder naar aanleiding van de melding nadelige gevolgen
                                    ondervindt voor zijn functioneren. Tevens houdt de
                                    vertrouwenspersoon in de gaten in hoeverre de betrokken melder
                                    tevreden is met de afwikkeling van de aangekaarte problematiek,
                                    zowel door de VPI zelf als eventueel door anderen binnen de
                                    organisatie. Daar hoort ook bij dat de VPI de melder op de
                                    hoogte houdt van de voortgang en eventueel de afhandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:4:1:3 Regeling Vertrouwenspersoon Integriteit
                                (VPI)</titel></kop><al>De informatie die de VPI verkrijgt en verwerkt wordt vertrouwelijk
                            behandeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:4:1:4 Regeling Vertrouwenspersoon Integriteit
                                (VPI)</titel></kop><al>Artikel 15:2, tweede lid, van de ARGA, is van overeenkomstige toepassing
                            op de VPI.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:4:1:5 Regeling Vertrouwenspersoon Integriteit
                                (VPI)</titel></kop><al>In een nadere regeling of beleidsdocument kan nadere invulling worden
                            gegeven aan de functie van VPI. Dit kan door middel van afspraken tussen
                            bevoegd gezag en VPI.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:4:1:6 Regeling Vertrouwenspersoon Integriteit
                                (VPI)</titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling Vertrouwenspersoon
                            Integriteit gemeente Amersfoort (VPI)”.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>16 Disciplinaire straffen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of
                                zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij
                                herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van
                                maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de
                                tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden
                                gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
                                het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                                omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                                disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar
                                        vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
                                        lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren
                                        met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande
                                        dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de
                                        voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen; </al></li><li nr="c"><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal
                                        uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
                                        kalenderjaar aanspraak heeft;</al></li><li nr="d"><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris
                                        per jaar;</al></li><li nr="e"><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
                                        bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
                                        maand;</al></li><li nr="f"><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                                        verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
                                        herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten
                                        hoogste vier jaren;</al></li><li nr="g"><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de
                                        laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door
                                        de ambtenaar beklede functie geen schaal is verbonden,
                                        vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en
                                        ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren; </al></li><li nr="h"><al> plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander
                                        onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en
                                        met of zonder vermindering van salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n); </al></li><li nr="i"><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk
                                        genot van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd
                                door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf
                                genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat
                                bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar
                                vervulde functie. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                                uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
                                gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet
                                schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de
                                bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim
                                en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen
                                bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:3 Verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
                                schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten
                                overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De
                                verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan
                                12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze
                                termijn worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36
                                uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door
                                hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de
                                ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan
                                in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen,
                                melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de
                                ambtenaar uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in
                                de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten
                                of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten
                                betrekking hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:4 Verantwoording</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                            schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:5 Verantwoording</titel></kop><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
                            uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                            strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>17 Opleiding en ontwikkeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn
                                duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens
                                positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de
                                ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van
                                werkervaring.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
                                loopbaanbeleid. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:0 Afwijking cao-afspraak</titel></kop><al> In afwijking van het bepaalde in de artikelen 17:1 tot en met 17:7 CAR,
                            wordt in Amersfoort het individuele loopbaanbudget niet ingevoerd maar
                            het bestaande opleidingsbeleid gehandhaafd. De ondernemingsraad heeft
                            hiermee ingestemd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk verstaat onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>opleiding:</vet> iedere vorm van door het college
                                    deugdelijk beoordeelde studie, scholing of training, gericht op
                                    vermeerdering van kennis, inzicht en/of vaardigheden.</al></li><li nr="b"><al><vet>opleidingsplan:</vet> de jaarlijkse verdeling van het
                                    centrale of sectorale opleidingsbudget over individuele
                                    medewerkers. </al></li><li nr="c"><al><vet>persoonlijk ontwikkelingsplan (POP):</vet> afspraken over
                                    de loopbaanontwikkeling van de medewerker in zijn huidige
                                    functie of in een andere en over de wijze waarop deze
                                    ontwikkeling zal worden gerealiseerd. </al></li><li nr="d"><al><vet>functiegerichte opleiding:</vet> eeen opleiding die conform
                                    artikel 15:1:27 aan een medewerker wordt opgedragen of een
                                    opleiding die naar het oordeel van het college noodzakelijk is
                                    om de huidige functie goed te kunnen (blijven) uitoefenen,
                                    eventueel neergelegd in een persoonlijk ontwikkelingsplan.</al></li><li nr="e"><al><vet>ontwikkelingsgerichte opleiding:</vet> een opleiding (niet
                                    vallend onder d) die naar het oordeel van het college een
                                    bijdrage levert aan het breder inzetbaar maken van de
                                    medewerker, eventueel neergelegd in een persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan.</al></li><li nr="f"><al><vet>kosten van de opleiding:</vet> cursus-, les- of
                                    collegegelden, examen- en diplomagelden, verzendkosten in geval
                                    van schriftelijke opleidingen, alsmede opleidingsmateriaal met
                                    uitzondering van schrijfbehoeften, duurzame gebruiksartikelen en
                                    niet verplicht voorgeschreven boeken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:2 Studiefaciliteiten algemeen</titel></kop><lijst><li nr="a"><al>Het college kan de medewerker faciliteiten verlenen voor het
                                    volgen van een functiegerichte en/of een ontwikkelingsgerichte
                                    opleiding, indien zo’n opleiding is of wordt opgenomen in het
                                    opleidingsplan en de te vergoeden kosten ervan binnen het
                                    beschikbare opleidingsbudget blijven.</al></li><li nr="b"><al> Studiefaciliteiten worden verleend voor de gebruikelijke
                                    studieduur met een maximum van vier jaar. Verlenging is
                                    mogelijk.</al></li><li nr="c"><al> Een aanvraag om toekenning van studiefaciliteiten kan worden
                                    afgewezen als de verwachting bestaat dat de medewerker de
                                    opleiding niet binnen de normale opleidingsduur met succes zal
                                    voltooien of als de opleiding een beletsel is voor een goede
                                    functievervulling.</al></li><li nr="d"><al> Het college kan verleende studiefaciliteiten intrekken als de
                                    medewerker de opleiding voortijdig staakt of wanneer de
                                    resultaten van dien aard zijn dat van een voortzetting van de
                                    opleiding geen gunstige resultaten zijn te verwachten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:3 Faciliteiten functiegerichte opleiding</titel></kop><al>Voor het volgen van een functiegerichte opleiding kan het college de
                            medewerker de volgende faciliteiten verlenen:</al><lijst><li nr="a"><al>Vergoeding van de kosten van de opleiding;</al></li><li nr="b"><al> Vergoeding van de voor de opleiding noodzakelijke reis- en
                                    verblijfkosten op basis van de minst kostbare wijze van openbaar
                                    vervoer;</al></li><li nr="c"><al>Verlof.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:4 Verlof functiegerichte opleiding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het verlof als bedoeld in artikel 17:1:1:3 wordt gegeven voor het
                            volgen van de opleiding als die in de werktijd van de medewerker wordt
                            gegeven en/of voor zelfstudie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De duur van het verlof wordt vastgesteld aan de hand van de gegevens van
                            het opleidingsinstituut en bedraagt maximaal 1/5 van de voor medewerker
                            vastgestelde arbeidsduur per week.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het verlof kan worden geweigerd of beperkt als het dienstbelang niet
                            toelaat dat verlof in de volle omvang wordt verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:5 Faciliteiten ontwikkelingsgerichte
                                opleiding</titel></kop><al>Het college kan de medewerker voor het volgen van een
                            ontwikkelingsgerichte opleiding de volgende faciliteiten verlenen: </al><lijst><li nr="a"><al>Vergoeding van een percentage van de kosten van de opleiding;
                                    en/of</al></li><li nr="b"><al> Vergoeding van de voor de opleiding reiskosten op basis van de
                                    minst kostbare wijze van openbaar vervoer; en/of</al></li><li nr="c"><al> Verlof tot een bepaald percentage voor het volgen van de
                                    opleiding en/of voor zelfstudie. Artikel 17:1:1:4 lid 2 daarbij
                                    van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:6 Vergoedingspercentages ontwikkelingsgerichte
                                opleiding</titel></kop><lijst><li nr="a"><al>Het percentage bedoeld in artikel 17:1:1:5 onder a. en c.
                                    bedraagt:</al></li><li nr="b"><al> 100%: als de beoogde bredere inzetbaarheid gericht is op een
                                    functie binnen de gemeente, die binnen afzienbare termijn vacant
                                    zal komen; 75%: als de beoogde bredere inzetbaarheid naar
                                    verwachting vooral binnen de gemeente benut zal worden;</al></li><li nr="c"><al> 50%: als de beoogde bredere inzetbaarheid van de medewerker
                                    naar verwachting zowel binnen als buiten de gemeente benut kan
                                    worden;</al></li><li nr="d"><al> 25%: als de beoogde bredere inzetbaarheid van de medewerker
                                    naar verwachting vooral buiten de gemeente benut zal
                                    worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:7 Terugbetalingsverplichting vergoeding
                                opleidingskosten</titel></kop><al>Vergoeding van de opleidingskosten als bedoeld in de artikelen 17:1:1:3
                            onder a en 17:1:1:5 onder a. wordt pas uitbetaald nadat de medewerker
                            schriftelijk heeft verklaard dat hij die vergoeding zal terugbetalen
                            als: </al><lijst><li nr="a"><al>De faciliteiten met toepassing van artikel 17:1:1:2 onder d.
                                    zijn ingetrokken, tenzij de intrekking niet aan de medewerker te
                                    wijten is.</al></li><li nr="b"><al> De medewerker de opleiding niet of met onvoldoende resultaten
                                    voltooit, tenzij hem daarvan geen verwijt is te maken.</al></li><li nr="c"><al> De medewerker op eigen verzoek of door eigen schuld of toedoen
                                    wordt ontslagen voor het einde van de opleiding, tenzij het gaat
                                    op een opleiding waarvoor een vergoedingspercentage van 25% is
                                    toegekend.</al></li><li nr="d"><al> De medewerker op eigen verzoek of door eigen schuld of toedoen
                                    wordt ontslagen binnen de termijnen na het beëindigen van de
                                    opleiding genoemd in artikel 17:1:1:8 ,tenzij het gaat om een
                                    opleiding van een jaar of korter of om een opleiding waarvoor
                                    een vergoedingspercentage van 25% is toegekend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:8 Beperking terugbetalingsverplichting</titel></kop><al>De termijnen genoemd in artikel 17:1:1:7 onder d. zijn:</al><lijst><li nr="a"><al>voor opleidingen met een duur van 1-2 jaar: een jaar; de terug
                                    te betalen vergoeding wordt verminderd met 1/12 deel voor iedere
                                    volle maand die is verstreken na het beëindigen van de
                                    opleiding.</al></li><li nr="b"><al>voor opleidingen met een duur van 2-3 jaar: twee jaar; de terug
                                    te betalen vergoeding wordt verminderd met 1/24 deel voor iedere
                                    volle maand die is verstreken na het beëindigen van de
                                    opleiding</al></li><li nr="c"><al>voor opleidingen met een duur van meer dan 3 jaar: drie jaar; de
                                    terug te betalen vergoeding wordt verminderd met 1/36 deel voor
                                    iedere volle maand die is verstreken na het beëindigen van de
                                    opleiding. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1:9 Slotbepalingen</titel></kop><al>Het college is bevoegd in gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet in
                            redelijkheid voorziet een voorziening te treffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het
                                verbeteren en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en
                                onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                                organisatieverandering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
                                gemeentelijk loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
                                500.-. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
                                opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan
                                loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
                                loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit
                                opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde
                                in het eerste lid. Dit na instemming van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van
                                loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training,
                                scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op de
                                vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten
                                behoeve van een andere functie binnen of buiten de organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op
                                een reëel loopbaanperspectief.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
                                vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
                                aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
                                loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee
                                eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt
                                vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop
                                van de overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is
                                benut komt het resterende budget te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het
                                college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de
                                afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
                                vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te
                                volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per
                                drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in
                                de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het
                                gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het
                                college vastgestelde opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door
                                het college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd
                                met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking
                                van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten
                                stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd
                                met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                                        redelijkerwijs te maken kosten; </al></li><li nr="-"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal
                                        worden;</al></li><li nr="-"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
                                    </al></li><li nr="-"><al> de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan
                                        worden onderbroken of gestopt; </al></li><li nr="-"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door
                                        de ambtenaar; </al></li><li nr="-"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst
                                        binnen een te bepalen periode na afronding van de studie;
                                    </al></li><li nr="-"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:5 Loopbaanadvies</titel></kop><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies
                            bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:6 Inzetbaarheid</titel></kop><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek
                            met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting
                            en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan
                            afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:7 Flankerend beleid</titel></kop><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                            beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                            Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al></li><li><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al></li><li><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                            aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:2 Begripsbepaling</titel></kop><al><vet>Hoofdwerkgever:</vet> de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                            loondienst is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</titel></kop><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de
                            rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van
                            artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor
                            georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens
                            welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van
                                dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn
                                werkzaamheden heeft na te leven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk
                                zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</titel></kop><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle
                            regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de
                            vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop,
                            worden kosteloos ter beschikking gesteld aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg
                                    bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                    aanmerking komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al></li><li><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al></li><li><al>Artikel 19:7a Vervallen</al></li><li><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al></li><li><al>Artikel 19:9 Bevordering</al></li><li><al>Artikel 19:10 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in
                                tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze
                                van proef.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van
                                maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de
                                tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten
                                hoogste een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de
                                maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is,
                                tenzij de proef niet geslaagd is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in
                                aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel
                                veiligheidsregio’s daarvoor stelt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger
                                voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                        karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b"><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse
                                        werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om
                                        zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar behoren
                                        te vervullen;</al></li><li nr="c"><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht
                                van aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
                                        vrijwilliger;</al></li><li nr="b"><al> de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling
                                        wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo
                                        nauwkeurig mogelijk omschreven;</al></li><li nr="c"><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d"><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de
                                        vergoeding die aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig
                                mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:9 Bevordering</titel></kop><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie
                            bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel
                            veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden
                            ten minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding
                            vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:10 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al></li><li><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                                indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en
                                informeert het college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger
                                informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer
                                informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en
                                verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het
                                tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo
                                spoedig mogelijk over wijzigingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</titel></kop><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                            indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a"><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; </al></li><li nr="b"><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor
                                    brandweerwerkzaamheden; </al></li><li nr="c"><al> de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden
                                    voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden
                                    hier rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d"><al> de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor
                                    brandweeractiviteiten tijdens werktijd; </al></li><li nr="e"><al> ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                    brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Vergoedingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                                    werkzaamheden</al></li><li><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                                    hulpverlening</al></li><li><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al></li><li><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al></li><li><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met
                                    zwangerschap</al></li><li><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al></li><li><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al></li><li><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al></li><li><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:13 Vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding
                                overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de
                                CAR-UWO.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31
                                december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam
                                is, zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de
                                regels van dit hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage,
                                genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie,
                                behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de
                                tweede kolom.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter
                                vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de
                                beroepsuitoefening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                                netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de
                                beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding
                                of andere hulpverlening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                                werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met
                                toestemming van het college, of in opdracht van het college overige
                                werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in
                                de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie
                                waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de
                                vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger voor die
                                activiteit geen recht op vergoeding. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                                hulpverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt
                                met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt
                                hiervoor een vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in
                                de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de
                                functiecategorie, behorende bij de functie van de vrijwilliger, in
                                de vierde kolom. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer
                                ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige
                                brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige
                                aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het
                                uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld
                                achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                                vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen
                                recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt
                                over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft,
                                een cursus gevolgd heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht
                                heeft. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</titel></kop><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te
                            worden voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze
                            vergoeding bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                    bijlagen, genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag,
                                    tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide
                                    Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt
                                    gevierd en iedere andere dag die daarnaast door het college
                                    wordt aangewezen als feestdag; </al></li><li nr="b"><al> per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                    bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</titel></kop><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding
                            van kazerneringsdiensten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met
                                zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode
                                dat zij niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of
                                niet deelneemt aan oefeningen recht op doorbetaling van de
                                vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag
                                dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de
                                eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon
                                in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke, past het
                                college deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel
                                sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:21 Opleidingskosten</titel></kop><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een
                            cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor
                            zover deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:22 Gratificatie</titel></kop><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het
                            toekennen van een gratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</titel></kop><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                            gunstige personeelsvoorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:24 Salarismutaties</titel></kop><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het
                            LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de
                            ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in
                            bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende
                            vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding afgerond op hele
                            euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op eurocenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al></li><li><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al></li><li><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al></li><li><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de
                                vrijwilliger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en
                                blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval,
                                overeenkomstig de polisvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de
                                inhoud van de verzekering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                vrijwilliger gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van
                                de polisvoorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte
                                medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval
                                en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten
                                hoogste het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft
                                verzekerd. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste
                                lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan
                                het college in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in
                                de hogere kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is
                                een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering
                                bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                dienstongeval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij
                                indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien
                                dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking
                                van de verzekering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</titel></kop><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding,
                            uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                            aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld
                            of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichte
                            werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale slijtage
                            van die goederen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Zwangerschap</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:29 Zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk
                                stadium bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de
                                periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor
                                repressieve brandweeractiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde
                                situaties vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de
                                bedrijfsarts.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten
                                vrijwilliger</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al></li><li><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al></li><li><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al></li><li><al>Artikel 19:33 Verboden</al></li><li><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al></li><li><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al></li><li><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al></li><li><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger
                                voor de brandweerdienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en
                                cursussen die door of vanwege het college zijn georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of
                                niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet
                                daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig
                                de instructie van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:31 Verplichtingen</titel></kop><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te
                            verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:32 Eed of belofte</titel></kop><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet,
                            bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:33 Verboden</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a"><al> de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor
                                    persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend
                                    door of namens het college;</al></li><li nr="b"><al> vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                    vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor
                                    toestemming is verleend door of namens het college; </al></li><li nr="c"><al> steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van
                            de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten
                            behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door
                            het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen
                            bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het
                                college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te
                                dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college
                                kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij
                                ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
                                bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is
                                verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle,
                                wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding
                                en uitrustingsstukken. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a"><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij
                                    geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de
                                    gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend;
                                </al></li><li nr="b"><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen
                                    te geven;</al></li><li nr="c"><al> dienstkleding te dragen voorzien van:</al><lijst><li nr="I"><al> andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan
                                            de rang, behorende bij de functie die de vrijwilliger
                                            bekleedt;</al></li><li nr="II"><al> insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot
                                            het dragen daarvan door de staat of door het college
                                            toestemming is verleend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente
                                schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of
                                gedeeltelijk te vergoeden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen
                                kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de
                                schadevergoeding op zijn vergoeding. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van
                                de dienst</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al></li><li><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al></li><li><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan
                                disciplinair worden gestraft. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als
                                het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in
                                gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</titel></kop><al> De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a"><al> schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al>inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel
                                    19:14;</al></li><li nr="c"><al> schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van
                                    de vergoeding;</al></li><li nr="d"><al> ongevraagd ontslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</titel></kop><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a"><al> wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of
                                    hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b"><al> wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het
                                    Wetboek van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling
                                    of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;</al></li><li nr="c"><al> wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld
                                    wegens misdrijf;</al></li><li nr="d"><al> in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit
                                    noodzakelijk maakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 9 Ontslag</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al></li><li><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al></li><li><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom
                                verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste
                                een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst
                                van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag
                                aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke
                                vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de
                                vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het
                                ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter
                                onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de
                                vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond
                                van:</al><lijst><li nr="a"><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of
                                        wegens verandering van de brandweerorganisatie; </al></li><li nr="b"><al>de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn
                                        dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning
                                        geacht moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de
                                        brandweer te vervullen; </al></li><li nr="c"><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken; </al></li><li nr="d"><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of
                                        gebreken;</al></li><li nr="e"><al> onder curatelestelling;</al></li><li nr="f"><al> toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g"><al> onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                        wegens misdrijf;</al></li><li nr="h"><al> een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van
                                het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van
                                dit artikel. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag
                                van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband
                                nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke
                                aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de
                                eerste dag na het verstrijken van vorenbedoelde periode in vaste
                                dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd
                                worden op een van de gronden genoemd in artikel 19:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                                gemeentelijke brandweer</titel></kop><al><vet>Vergoedingentabellen</vet></al><al>De actuele tabellen kunt u vinden in de bijlagen IIb en IIc.</al><al>Bijlage IIb Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer </al><al>Bijlage IIc Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                            gemeentelijke brandweer</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19a Keuringen brandweerpersoneel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19a:1 Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de
                                brandweer is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie
                                van bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit
                                personeel veiligheidsregio’s. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij
                                de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen
                                mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden
                                functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch
                                oogpunt geen bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals
                                opgenomen in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die
                                daartoe door het college zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is
                                aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst
                                conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb
                                van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig
                                of minimaal een half jaar na indienstreding.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een
                                leeftijd van:</al><lijst><li nr="a"><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b"><al> tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar; </al></li><li nr="c"><al> ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de
                                frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden
                                afgenomen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het
                                college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van
                                een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde
                                tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid
                                zich voordoet, worden verlengd. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                                beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige
                                medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op
                                toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de
                                medewerker recht hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke
                                vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is hoofdstuk 7
                                onverkort van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps
                                gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden
                                opleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:4 Fysieke test</titel></kop><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld
                            in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een
                            instelling voor kunsteducatie</titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 19b:3 Functie-eisen</al></li><li><al>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</al></li><li><al>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de
                            kunsteducatie in de functie van:</al><lijst><li nr="a"><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b"><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c"><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling:
                            een onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:3 Functie-eisen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de
                                functie van docent en consulent in het bezit is van een diploma van
                                een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de
                                OR, afwijken van het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</titel></kop><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                            functioneringsgesprek gehouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief
                                        contact is met leerlingen;</al></li><li nr="b"><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren
                                        zijn als lesgebonden uren;</al></li><li nr="c"><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                        niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
                                zijn in te delen in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="a"><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b"><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van
                                        dezelfde instelling;</al></li><li nr="c"><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere
                                        activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op
                                        peil te houden;</al></li><li nr="d"><al>algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een
                                regeling vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus
                                niet-lesgebonden uren staat. In de regeling kan per discipline een
                                afwijking op deze verhouding en de voorwaarden daarvoor worden
                                opgenomen. Voor de vaststelling van deze regeling is overeenstemming
                                vereist tussen de werkgever en de OR. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde
                                lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding
                                lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in
                                het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal
                                65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal
                                35% van zijn formele arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Salariëring</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</al></li><li><al>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</al></li><li><al>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</al></li><li><al>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In plaats van bijlage II en IIa, past het college de salaristabel,
                                genoemd in bijlage IV, toe bij het vaststellen van het salaris van
                                de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid,
                                is niet van toepassing. De functie van </al><lijst><li nr="a"><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b"><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c"><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering
                                en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt
                                hiervoor de functiebeschrijving vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds
                                voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of
                                vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de
                                aanloopbedragen van de bij de functie behorende salarisschaal. De
                                aanloopbedragen zijn opgenomen in de salaristabel, genoemd in
                                bijlage IV.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen
                                en voor de bevordering naar een bij de functie behorende
                                salarisschaal.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen
                                opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te
                                zijn in het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal
                                een periodieke verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens
                                vindt periodieke verhoging iedere keer na twee jaar plaats. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Artikel 3:11 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op
                                een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op
                                zondag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van
                                verlof en bedraagt 25% van de uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de
                                ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen
                                verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de
                                toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Arbeidsduur en vakantie</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</al></li><li><al>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</al></li><li><al>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</al></li><li><al>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</al></li><li><al>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</al></li><li><al>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met
                                    een verplicht vrije periode</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de
                                ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien </al><lijst><li nr="a"><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is
                                        aangemerkt als verplicht vrije periode of </al></li><li nr="b"><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen
                                        hebben gekregen van lessen/cursussen</al></li></lijst><al>Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar
                                rato.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes
                                en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum
                                van 36 uur per week. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar
                                verplicht vrij is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende
                                maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar
                                voor werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de
                                ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7
                                van de Arbeidstijdenwet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel
                                mogelijk maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van een
                                cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te werken uren.
                            </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het
                                college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een
                                aangepast rooster.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een volledig dienstverband, die op 31 december
                                2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de
                                arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar
                                verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat voor de ambtenaar
                                een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar. Voor een ambtenaar met
                                een deeltijdbetrekking gelden deze verhogingen naar rato. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor
                                deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren,
                                die in dienst zijn van de instelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens
                                overgangstermijn</titel></kop><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3
                            indien en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door
                            verhoging van het aantal te werken uren als bedoeld in artikel
                            19b:13.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met
                                een verplicht vrije periode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in
                                artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                heeft de ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie
                                van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op
                                compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van
                                de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
                                daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in
                                artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Ontslag en uitkeringen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19b:16 Overtolligheid</al></li><li><al>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</al></li><li><al>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of,
                                    bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder
                                    dan de helft van de formele arbeidsduur</al></li><li><al>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:16 Overtolligheid</titel></kop><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of
                            het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie
                            overeenkomt met de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld
                                in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende
                                ontslagvolgorde gehanteerd:</al><lijst><li nr="a"><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in
                                        aanmerking wensen te komen;</al></li><li nr="b"><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;</al></li><li nr="c"><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van
                                        het afspiegelingsbeginsel in combinatie met
                                        anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste
                                lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met
                                dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen: </al><lijst><li nr="-"><al>van 15 tot 30 jaar;</al></li><li nr="-"><al>van 30 tot 45 jaar; en</al></li><li nr="-"><al>van 45 jaar en ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de
                                ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij
                                een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de
                                helft van de formele arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5
                                uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor
                                minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in
                                artikel 8:3, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet
                                bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op
                                grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een
                                zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar
                                binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende
                                werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
                                werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie
                                maanden in acht genomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij
                                        een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder
                                        dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                        ontslagen</al></li><li nr="-"><al>minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als
                                        bedoeld in de Wet minimumloon en
                                        minimumvakantiebijslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a"><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond
                                        van artikel 8:3;</al></li><li nr="b"><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in
                                        tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                        van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest;</al></li><li nr="c"><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk
                                        voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag
                                        is gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen
                                        per jaar loon heeft ontvangen;</al></li><li nr="d"><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht
                                        heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte
                                van het dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband
                                van:</al><lijst><li nr="a"><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6
                                        maanden;</al></li><li nr="b"><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12
                                        maanden;</al></li><li nr="c"><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18
                                        maanden;</al></li><li nr="d"><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24
                                        maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de
                                        dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het
                                        aantal verloren arbeidsuren, en</al></li><li nr="b"><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met
                                        het aantal verloren arbeidsuren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de
                                ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder
                                c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid, recht op
                                een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze uitkering
                                bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd met het aantal
                                verloren arbeidsuren.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is
                                verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich
                                beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden.
                                Daarnaast dient hij alle informatie te verstrekken die voor de
                                uitvoering van deze regeling noodzakelijk is. Bij het niet nakomen
                                van deze verplichtingen kan het college besluiten de
                                garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend,
                                na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de
                                garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe
                                werkzaamheden omvat.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het
                                zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de
                                werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden
                                te bestaan, herleeft het recht op de garantie-uitkering KV voor
                                zover er geen nieuwe rechten op enige uitkering uit hoofde van het
                                ontslag uit deze werkzaamheden zijn ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a"><al>als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat
                                        tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid,
                                        een andere uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
                                        waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP
                                        Keuzepensioen;</al></li><li nr="c"><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d"><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op
                                        een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>20 Aanvullende regelingen hoofdstuk 3 voor brandweerpersoneel</titel></kop><artikel><kop><titel>Pragraaf 1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li><li><al>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li><li><al>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</titel></kop><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem
                            geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de
                            brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</titel></kop><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt
                            verleend zo spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het
                            tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het
                            verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking
                            moest houden, voor zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede
                            Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                            waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag,
                            die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van het aantal
                            uren waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren
                            vielen op andere dagen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</titel></kop><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet
                            tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                            vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                            voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                            zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                            Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop
                            de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die
                            daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van dat
                            salarisgedeelte voor elk uur, waarin hij zich ter beschikking moest
                            houden, indien deze uren vielen op andere dagen. De uitbetaling heeft zo
                            spoedig mogelijk plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op
                                brandweerpersoneel in dienstroosters</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op
                                    brandweerpersoneel in dienstroosters</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op
                                brandweerpersoneel in dienstroosters</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die bij een
                                Veiligheidsregio, onderdeel brandweer, werkzaam is in een
                                dienstrooster, en die voor wat betreft de vaststelling van zijn
                                werktijden valt onder artikel 4:8. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De artikelen 3:11 en 3:18 zijn niet van toepassing op de ambtenaar
                                genoemd in het eerste lid. Voor deze ambtenaar zijn de lokale regels
                                over vergoeding van het verrichten van onregelmatige diensten en
                                overwerk van toepassing, zoals deze op 31 december 2015 lokaal
                                golden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling verschuivingstoelage
                                van kracht was, dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016 van
                                toepassing op de ambtenaar genoemd in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling van kracht was die
                                voorziet in een functiegebonden toelage dan blijft deze regeling
                                vanaf 1 januari 2016 van toepassing voor de ambtenaar genoemd in het
                                eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel laat onverlet dat de in de leden 2 tot
                                en met 4 genoemde lokale regelingen in het lokale overleg gewijzigd
                                kunnen worden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan:
                            een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het
                            oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding
                            voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht
                            volgens door het college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan
                            slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met
                                echtgenoot</titel></kop><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op
                            overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een
                            levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens
                            worden gelezen "levenspartner".</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met
                                echtgenoot</titel></kop><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid
                            voorziet, treft het college een passende voorziening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan
                                wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van
                                het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
                                verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn
                                aan de bepalingen van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit
                                verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele
                                ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt
                                overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22:1:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><al>Het gestelde in artikel 22:1:1 is niet van toepassing voor de gemeente
                            Amersfoort. De voor de gemeente geldende overgangs- en slotbepalingen
                            zijn opgenomen in artikel 34:1:1:1.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Overige regelingen</titel></kop><structuurtekst><al></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>23 Leidraad bij organisatieverandering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23:1:1:1 Definities</titel></kop><al>In dit sociaal statuut wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>medewerker:</vet> de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1,
                                    aanhef en onder a van de ARGA </al></li><li nr="b"><al><vet>werkgever:</vet> de gemeente Amersfoort</al></li><li nr="c"><al><vet>organisatiewijziging:</vet> een belangrijke inkrimping of
                                    wijziging van de werkzaamheden van de gemeente (of een onderdeel
                                    daarvan) of een belangrijke wijziging van de laatst vastgestelde
                                    organisatiestructuur van de gemeente (of een onderdeel daarvan),
                                    die niet van tijdelijke aard is en die personele gevolgen met
                                    zich meebrengt.</al></li><li nr="d"><al><vet>reorganisatiebesluit:</vet> een besluit waarin is
                                    vastgelegd welke nieuwe organisatorische en/of formatieve
                                    situatie ontstaat dan wel op termijn
                                    (organisatie-ontwikkelingsplan) gaat ontstaan in plaats van een
                                    bestaande organisatorische en/of formatieve situatie.</al></li><li nr="e"><al><vet>privatisering:</vet> organisatiewijziging die het gevolg is
                                    van de verzelfstandiging van een deel van de organisatie tot een
                                    nieuwe (privaatrechtelijke) rechtspersoon of de overdracht van
                                    een deel van de organisatie aan een derde (privaatrechtelijke)
                                    partij.</al></li><li nr="f"><al><vet>publiekrechtelijke taakoverheveling:</vet>
                                    organisatiewijziging die het gevolg is van de overheveling van
                                    een deel van de organisatie naar een ander publiekrechtelijk
                                    orgaan.</al></li><li nr="g"><al><vet>personele gevolgen:</vet> gevolgen voor de functie of de
                                    rechtspositie van de betrokken medewerkers.</al></li><li nr="h"><al><vet>salaris:</vet> het voor de medewerker geldende bedrag van
                                    de aan hem toegekende schaal zoals bedoeld in artikel 1:1, lid 1
                                    aanhef en onder qq van de ARGA</al></li><li nr="i"><al><vet>salarisperspectief:</vet> de opeenvolgende
                                    salarisperiodieken tot en met het hoogste bedrag van de
                                    functieschaal van de medewerker en eventueel schriftelijk
                                    vastgelegde extra individuele salarisafspraken.</al></li><li nr="j"><al><vet>salaris en salaristoelage(n): </vet> het salaris
                                    vermeerderd met de salaristoelage(n) zoals bedoeld in artikel
                                    1:1, lid 1 aanhef en onder qq van de ARGA</al></li><li nr="k"><al><vet>toelage:</vet> de salaristoelage(n) zoals bedoeld in
                                    artikel 1:1, lid 1 aanhef en onder rr van de ARGA </al></li><li nr="l"><al><vet>functie:</vet> het geheel van werkzaamheden dat de
                                    medewerker volgens zijn functiebeschrijving verricht.</al></li><li nr="m"><al><vet>ongewijzigde functie:</vet> een functie die gelijk of
                                    nagenoeg gelijk is aan de functie die de medewerker voor de
                                    organisatiewijziging vervulden.</al></li><li nr="n"><al><vet>passende functie:</vet>een functie van gelijkwaardig werk-
                                    en denkniveau, die de medewerker redelijkerwijs in verband met
                                    zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande
                                    vooruitzichten kan worden opgedragen. Een passende functie is
                                    doorgaans van hetzelfde functieniveau als de oude functie, maar
                                    kan ook van een hoger niveau of maximaal een niveau lager zijn
                                    dan de oude functie.</al></li><li nr="o"><al><vet>geschikte functie:</vet> een functie die niet valt onder
                                    het begrip passende functie, maar die de medewerker bereid is te
                                    vervullen.</al></li><li nr="p"><al><vet>sociaal plan:</vet> nadere afspraken gebaseerd op en
                                    aanvullend op deze leidraad met betrekking tot de personele
                                    gevolgen van een organisatiewijziging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:2:1:1 Onderzoek</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Als de werkgever voornemens is de mogelijkheid en wenselijkheid van een
                            organisatiewijziging te onderzoeken, worden de ondernemingsraad en de
                            betrokken medewerkers hier in een vroeg stadium van op de hoogte
                            gesteld.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het tijdstip van kennisgeving is dusdanig, dat de ondernemingsraad zijn
                            mening over het onderzoek kenbaar kan maken.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De medewerkers en de ondernemingsraad worden zo veel mogelijk betrokken
                            bij de uitvoering van het onderzoek. Bovendien worden zij, indien
                            mogelijk, tussentijds op de hoogte gehouden van de vorderingen van het
                            onderzoek.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De schriftelijke eindrapportage van het onderzoek wordt ter kennisneming
                            toegezonden aan de ondernemingsraad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:2:1:2 Extern advies</titel></kop><al>Indien de werkgever voornemens is om over de wenselijkheid van de
                            organisatiewijziging extern advies te vragen, wordt de ondernemingsraad
                            om advies gevraagd over het verstrekken en formuleren van de
                            adviesopdracht, conform artikel 25 WOR.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:2:1:3 Sociaal plan</titel></kop><al>Indien de organisatiewijziging zodanig ingrijpende personele gevolgen
                            met zich meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden
                            gemaakt, wordt door de werkgever een sociaal plan opgesteld. Over dit
                            sociaal plan moet in het georganiseerd overleg overeenstemming worden
                            bereikt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:2:1:4 Advies reorganisatiebesluit</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voordat een definitief reorganisatiebesluit wordt genomen wordt de
                            ondernemingsraad schriftelijk om advies gevraagd, conform artikel 25
                            WOR. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De adviesaanvraag bevat een heldere omschrijving van het voorgenomen
                            besluit, de beweegredenen van het besluit, de personele gevolgen van het
                            besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen personele
                            maatregelen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het nog van
                            wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:2:1:5 Kennisgeving en uitvoering besluit</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Als er een definitief reorganisatiebesluit is genomen, wordt dit besluit
                            zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de ondernemingsraad en de betrokken
                            medewerkers. Daarbij wordt tevens ingegaan op de personele gevolgen van
                            het besluit.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Als in het besluit wordt afgeweken van het advies van de
                            ondernemingsraad, zal deze afwijking duidelijk worden gemotiveerd. De
                            uitvoering van het reorganisatiebesluit wordt in dat geval uitgesteld
                            tot op zijn vroegst een maand nadat de ondernemingsraad van het besluit
                            in kennis is gesteld, conform artikel 25, lid 6 WOR.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:3:1:1 Indeling A-, B- en C- kandidaten</titel></kop><al>Het bevoegd gezag stelt op basis van het reorganisatiebesluit een
                            personeelsplan vast. Daarbij wordt allereerst bepaald welke ongewijzigde
                            functies in de nieuwe organisatie voorkomen.Medewerkers in vaste dienst
                            en medewerkers in tijdelijke dienst op proef worden aan de hand hiervan
                            verdeeld in A-, B- en C-kandidaten.</al><lijst><li nr="-"><al>A-kandidaten zijn medewerkers met een ongewijzigde functie.</al></li><li nr="-"><al>B-kandidaten zijn medewerkers van wie de functie niet meer
                                    terugkomt in de nieuwe organisatie.</al></li><li nr="-"><al>C-kandidaten zijn A- of B-kandidaten die hebben aangegeven
                                    voorkeur te hebben voor een bepaalde functie in de nieuwe
                                    organisatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:3:1:2 Plaatsingsonderzoek</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Ongewijzigde functies worden gereserveerd voor A-kandidaten. Als er meer
                            A-kandidaten zijn dan functies wordt een selectie gemaakt uit de meest
                            geschikte kandidaten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Vervolgens wordt onderzocht of de overgebleven A- of B-kandidaten kunnen
                            worden geplaatst op de nog openstaande functies. Criterium voor
                            plaatsing is of de functie passend of geschikt is. Daarbij wordt zoveel
                            als mogelijk is rekening gehouden met de wensen van de
                            C-kandidaten.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Dit onderzoek vindt plaats aan de hand van de geschiktheid van de
                            medewerker voor een functie, zoals die blijkt uit opleidings- en
                            ervaringsgegevens, jaargesprekken (inclusief eventuele Persoonlijke
                            Ontwikkelingsplannen), eventuele geschiktheidstesten en andere
                            gesprekken met de medewerker. De medewerker is verplicht mee te werken
                            aan de gesprekken en tests die nodig zijn. De kosten van eventuele test
                            zijn voor rekening van de werkgever. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:3:1:3 Positie medewerkers in tijdelijke dienst</titel></kop><al>Vervolgens wordt onderzocht of medewerkers in tijdelijke dienst
                            geplaatst kunnen worden op de eventueel nog overblijvende functies.
                            Daarbij gelden de artikelen 23:3:1:1 en 23:3:1:2 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:3:1:4 Vaststelling personeelsplan en
                                bedenkingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het concept-personeelsplan wordt vastgesteld op basis van de uitkomst
                            van de stappen genoemd in de artikelen 23:3:1:2 en 23:3:1:3 van deze
                            leidraad. In dit concept-plaatsingsplan wordt tevens - indien nodig -
                            aangegeven welke medewerkers niet geplaatst kunnen worden.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerkers worden op de hoogte gesteld van hun positie in dit
                            concept-plaatsingsplan en in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
                            Daarna stelt het college het definitieve plaatsingsplan vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:3:1:5 Plaatsingscommissie</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het college kan een plaatsingscommissie in het leven roepen die de
                            werkgever bij een organisatiewijziging adviseert over het
                            personeelsplan.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De plaatsingscommissie bestaat uit:</al><lijst><li nr="-"><al> een of meer leidinggevenden van de nieuwe organisatie of bij
                                    ontbreken daarvan van de oude organisatie</al></li><li nr="-"><al> een extern deskundige van werknemerszijde</al></li><li nr="-"><al> de P&amp;O-adviseur</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De plaatsingscommissie neemt bij haar advies de stappen genoemd in de
                            artikelen 23:3:1:1 tot en met 23:3:1:4 van deze leidraad in acht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:3:1:6 Plaatsings- en besluiten tot
                                boventalligverklaring</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Nadat het personeelsplan is vastgesteld wordt de medewerker zo spoedig
                            mogelijk schriftelijk op de hoogte gesteld van het besluit tot
                            plaatsing. De functiebeschrijving en –waardering worden als bijlagen aan
                            het plaatsingsbesluit gehecht. In het plaatsingsbesluit wordt zo nodig
                            aangegeven op welke termijn de plaatsing zal plaatsvinden, onder welke
                            voorwaarden en welk ontwikkelingstraject de medewerker nog dient te
                            volgen. In de motivering van het besluit wordt ingegaan op eventuele
                            bedenkingen die de medewerker heeft ingediend conform artikel 23:3:1:4,
                            lid 2 van deze leidraad.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker voor wie in de plaatsingsprocedure geen passende of
                            geschikte functie is gevonden wordt daarvan zo spoedig mogelijk in
                            kennis gesteld door middel van een besluit tot boventalligverklaring,
                            zoals bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk 10d (nieuw). In de motivering
                            van het besluit wordt ingegaan op eventuele bedenkingen die door hem
                            zijn ingediend.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Voor medewerkers met een vaste aanstelling die per datum van het besluit
                            tot boventalligverklaring twee jaar of langer in dienst zijn is de duur
                            van het Van werk naar werk-traject conform artikel 10d:12 (nieuw)
                            maximaal 2 jaar.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De medewerker kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de besluiten zoals
                            bedoeld in het eerste en tweede lid. Hierbij is de regeling ‘Regeling
                            bezwaren personele zaken Amersfoort 2007’ (hoofdstuk 24b van de ARGA)
                            van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:4:1:1 Ondersteuning van werk naar werk</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien ten aanzien van een medewerker een besluit als bedoeld in artikel
                            23:3:1:6, lid 2 van deze leidraad is genomen zullen werkgever en
                            werknemer zich inspannen om gezamenlijk een oplossing te vinden. De
                            Amersfoortse Loopbaan Academie (ALA) verleent daarbij
                            ondersteuning.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker als bedoeld in lid 1 is verplicht zich in te schrijven bij
                            de ALA en krijgt als zodanig een voorrangspositie bij interne
                            vacatures.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De ondersteuning voor medewerkers die recht hebben op een Van werk naar
                            werk-traject, bestaat uit uitvoering van paragraaf 5 (Van werk naar
                            werk-begeleiding bij boventalligheid) van hoofdstuk 10d (nieuw).Voor de
                            overige medewerkers geldt dat de ALA loopbaanbegeleiding biedt door
                            middel van persoonlijkheidstests, sollicitatietraining, adviezen inzake
                            bij- en omscholing, detachering en dergelijke. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:5:1:1 Salarisgarantie</titel></kop><al>De medewerker die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de
                            gemeentelijke organisatie behoudt recht op het salaris en het
                            salarisperspectief zoals die voor hem golden in de oude functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:5:1:2 Toelagen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de
                            gemeentelijke organisatie behoudt recht op zijn persoonsgebonden
                            toelagen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor de medewerker als bedoeld in lid 1 vervallen de functiegebonden
                            toelagen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De medewerker als bedoeld in lid 1 wiens salaris en salaristoelage(n)
                            als gevolg van het vervallen van de functiegebonden toelagen een
                            blijvende verlaging ondergaat krijgt een aflopende compensatie indien de
                            blijvende verlaging tenminste 3% van het salaris en de desbetreffende
                            salaristoelage(n) bedraagt en de medewerker deze toelagen gedurende
                            tenminste tien jaar zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Deze compensatie bedraagt achtereenvolgens de volgende percentages van
                            de inkomensdaling</al><lijst><li nr="-"><al>het eerste jaar 100%</al></li><li nr="-"><al>het tweede jaar 75%</al></li><li nr="-"><al>het derde jaar 50%</al></li><li nr="-"><al>het vierde jaar 25%.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:5:1:3 Studiefaciliteiten</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker behoudt de rechten die hem op grond van hoofdstuk 17 van
                            de ARGA (Ontwikkeling en opleiding) zijn toegekend indien hij de studie
                            voortzet.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker die in overleg met zijn nieuwe leidinggevende besluit te
                            stoppen met zijn studie wordt ontheven van de
                            terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit hoofdstuk 17 van de
                            ARGA (Ontwikkeling en opleiding).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:5:1:4 Aanvaarding passende functie en
                                omscholing</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker is verplicht, onverminderd het recht op bezwaar en beroep,
                            een passende functie die hem met inachtneming van de plaatsingsprocedure
                            is toegewezen, te aanvaarden.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Wanneer de medewerker na herhaald en zorgvuldig overleg weigert een
                            passende functie te aanvaarden kan hem reorganisatieontslag worden
                            verleend. Daarbij kan bij de instelling die de Werkloosheidswet uitvoert
                            worden gemeld, dat de betreffende medewerker weigert een passende
                            functie te aanvaarden.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De medewerker is verplicht zich bij of om te scholen, indien het college
                            van oordeel is dat dit nodig is voor het vervullen van zijn nieuwe
                            functie. De kosten van scholing zijn voor rekening van de
                            werkgever.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:6:1:1 Behoud werkgelegenheid</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De werkgever zal zich bij privatisering en publiekrechtelijke
                            taakoverheveling tot het uiterste inspannen om ervoor te zorgen dat de
                            werkgelegenheid van de bij de privatisering of publiekrechtelijke
                            overheveling van taken betrokken medewerkers behouden blijft. Daarbij
                            wordt het principe 'mens volgt werk' gehanteerd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De werkgever treedt met de betrokken privaatrechtelijke of
                            publiekrechtelijke instantie in overleg over de overname van de
                            medewerkers van het desbetreffende organisatieonderdeel. Gemaakte
                            afspraken worden schriftelijk vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:6:1:2 Plaatsingsplan</titel></kop><al>Indien het principe 'mens volgt werk' niet kan worden gehanteerd wordt
                            voor de overgang een plaatsingsplan opgesteld. Daarbij worden de
                            artikelen 23:3:1:1 tot en met 23:3:1:6 van deze leidraad toegepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:6:1:3 Ontbreken passende of geschikte functie</titel></kop><al>Indien de werkgever er niet in slaagt om de medewerker in een passende
                            of geschikte functie over te laten gaan naar de nieuwe werkgever worden
                            artikelen 23:3:1:6 en 23:4:1:1 van deze leidraad toegepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:6:1:4 Sociaal plan</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Als de privatisering of taakoverheveling zodanig ingrijpende gevolgen
                            met zich meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden
                            gemaakt wordt door de werkgever een sociaal plan opgesteld. Dit plan
                            regelt de overplaatsingsprocedure (inclusief de ontslag- en
                            aanstellingsprocedure van de over te plaatsen medewerkers) en bevat
                            rechtspositionele regelingen. Over dit sociaal plan moet overeenstemming
                            worden bereikt in het Georganiseerd Overleg.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Er worden geen definitieve besluiten genomen ten aanzien van medewerkers
                            voordat er overeenstemming is over het sociaal plan. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:6:1:5 Rechtspositievergelijking</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien de betrokken medewerkers overgaan naar een privaatrechtelijke of
                            een andere publiekrechtelijke werkgever waarvoor een afwijkende
                            rechtspositieregeling of CAO geldt, maakt de werkgever een vergelijking
                            tussen de beide arbeidsvoorwaardenpakketten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien uit de vergelijking blijkt dat het totaalpakket van
                            arbeidsvoorwaarden (bestaande uit in ieder geval salaris, uitkeringen en
                            salaristoelagen, (pre)pensioen, vakantie, ziektekostenregeling en
                            werkloosheidsuitkering) bij de nieuwe werkgever niet gelijkwaardig is
                            aan het totaalpakket van de nieuwe werkgever worden in het sociaal plan
                            nadere afspraken gemaakt over compensatie van de verschillen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In het sociaal plan worden onder meer de volgende garanties
                            opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>een netto-nettogarantie van het salaris en het
                                    salarisperspectief.</al></li><li nr="-"><al> medewerkers met een vaste aanstelling, krijgen bij de nieuwe
                                    werkgever een vaste aanstelling dan wel een arbeidsovereenkomst
                                    voor onbepaalde tijd zonder proeftijd.</al></li><li nr="-"><al>De medewerker aan wie studiefaciliteiten zijn toegekend wordt op
                                    verzoek in de gelegenheid gesteld zijn studie af te ronden met
                                    behoud van de faciliteiten. De door de werkgever betaalde kosten
                                    worden niet teruggevorderd.</al></li><li nr="-"><al> De aanvullende en nawettelijke werkloosheidsuitkering wordt
                                    gegarandeerd, indien de medewerker binnen vijf jaar na de
                                    overgang buiten zijn schuld of toedoen bij de nieuwe werkgever
                                    wordt ontslagen. Deze garantie vervalt als de medewerker een
                                    andere functie bij de nieuwe werkgever weigert of wanneer de
                                    medewerker als gevolg van het ontslag bij de nieuwe werkgever
                                    een uitkering ineens ontvangt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:7:1:1 Hardheidsclausule</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In de gevallen waarin toepassing van deze leidraad zou leiden tot een
                            onbillijke situatie voor een medewerker, kan het college van
                            burgemeester en wethouders van deze leidraad afwijken in een voor de
                            medewerker gunstige zin.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze leidraad niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23:7:1:2 Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Amersfoortse leidraad bij
                            organisatieveranderingen 2009’.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Deze Amersfoortse leidraad bij organisatieveranderingen 2009 treedt in
                            werking met ingang van 1 maart 2009.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24 Procedureregeling functiewaardering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 24:1:1:1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>het college:</vet>het college van burgemeester en
                                    wethouders van Amersfoort;</al></li><li nr="b"><al><vet>medewerker:</vet>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1,
                                    aanhef en onder a van de ARGA;</al></li><li nr="c"><al><vet>directeur:</vet>lid van de tweehoofdige directie, de
                                    hoogste leidinggevende van het Archief Eemland en (indien het
                                    functiebeschrijving en –waardering van een directeur betreft) de
                                    algemeen directeur;</al></li><li nr="d"><al><vet>O&amp;O plan:</vet>organisatie- en ontwikkelplan waarin de
                                    doelstellingen en taken van een organisatieonderdeel, alsmede de
                                    daarvoor benodigde kwalitatieve formatie staat omschreven;</al></li><li nr="e"><al><vet>functie:</vet>het samenstel van werkzaamheden zoals
                                    beschreven in de functiebeschrijving;</al></li><li nr="f"><al><vet>functiebeschrijving:</vet>beschrijving van de functie met
                                    als uitgangspunt de organieke (is gelijk aan door de organisatie
                                    gewenste) situatie zoals omschreven in of afgeleid uit het
                                    actuele Organisatie- en Ontwikkelplan;</al></li><li nr="g"><al><vet>functiewaarderingsresultaat:</vet>de met behulp van het
                                    functiewaarderingssysteem vastgestelde functieschaal;</al></li><li nr="h"><al><vet>O&amp;T: </vet>de afdeling Organisatie &amp;
                                    Talentontwikkeling;</al></li><li nr="i"><al><vet>functiedeskundige:</vet>een medewerker van O&amp;T of
                                    iemand die door O&amp;T wordt geregisseerd en deskundig is op
                                    het gebied van functiebeschrijving en –waardering;</al></li><li nr="j"><al><vet> P&amp;O-adviseur:</vet>een door O&amp;T aangewezen
                                    deskundige op het terrein van personeel en organisatie van de
                                    afdeling O&amp;T;</al></li><li nr="k"><al><vet>arbeidsjurist: </vet>een door O&amp;T aangewezen
                                    arbeidsvoorwaardenspecialist van de afdeling O&amp;T;</al></li><li nr="l"><al><vet>WOR: </vet>Wet op de Ondernemingsraden;</al></li><li nr="m"><al><vet>verantwoordelijk leidinggevende:</vet>de leidinggevende
                                    onder wiens verantwoordelijkheid de functie valt die wordt
                                    beschreven en gewaardeerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24:1:1:2 Functiewaarderingssysteem</titel></kop><al>Alle bij de gemeente voorkomende functies worden gewaardeerd
                            overeenkomstig het in bijlage A van deze regeling opgenomen
                            systeem.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24:1:1:3 Functie-inventarisatie</titel></kop><al>De directeur is verantwoordelijk voor conceptbeschrijvingen van de
                            functies binnen zijn organisatieonderdeel, waarbij de in het O&amp;O
                            plan omschreven organieke/gewenste situatie uitgangspunt is. Hij laat
                            zich hierbij adviseren door de afdeling O&amp;T.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24:1:1:4 Vaststelling functie-inhoud</titel></kop><al>De functiebeschrijvingen worden door de directeur conform de WOR om
                            advies voorgelegd aan de ondernemingsraad, waarna deze door de directeur
                            worden vastgesteld. Indien het de functiebeschrijvingen van de
                            directeuren betreft wordt de functiebeschrijving door de algemeen
                            directeur vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24:1:1:5 Vaststelling functiewaarderingsresultaat</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De verantwoordelijk leidinggevende doet op advies van de
                            functiedeskundige een voorstel tot waardering van de functie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien sprake is van een functie waarop een medewerker is aangesteld
                            wordt die medewerker in de gelegenheid gesteld zijn mening ten aanzien
                            van de waardering kenbaar te maken ten overstaan van de verantwoordelijk
                            leidinggevende.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De arbeidsjurist toetst het voorstel aan de hand van het
                            functiewaarderingsysteem en brengt advies uit aan de directeur. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De directeur stelt de functiewaardering vast met inachtneming van het
                            advies van de arbeidsjurist.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Indien de directeur de functiewaardering niet conform het advies van de
                            arbeidsjurist wil vaststellen, stelt de algemeen directeur de
                            functiewaardering vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24:1:1:6 Mogelijkheid van bezwaar</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien sprake is van een functie waarop een medewerker reeds is
                            aangesteld, ontvangt die medewerker een plaatsingsbesluit met de
                            functiebeschrijving en –waardering.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker kan binnen zes weken na ontvangst van het
                            plaatsingsbesluit in bezwaar conform de bepalingen van hoofdstuk 24b
                            ARGA. Hij doet daarvan mededeling aan de directeur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24:1:1:7 Overgangs- en Slotbepalingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Regelmatig worden organisatie en formatie (en in het verlengde daarvan
                            de functiebeschrijvingen) getoetst aan de ontwikkelingen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Procedureregeling
                            Functiewaardering Amersfoort 2008.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage A Functiewaarderingssysteem</titel></kop><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Functiewaarderingssysteem" type="tekst" id="i290037"></illustratie></plaatje></artikel><artikel><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>De functies worden in de praktijk vaak beschreven door de direct
                            leidinggevenden. Indien het om functies gaat waarop medewerkers zijn
                            aangesteld worden die doorgaans eveneens bij de beschrijving betrokken.
                            Zij kunnen zich dan tevens uitlaten over de functiewaardering.</al><al>De directeur is echter degene die de functiebeschrijving vaststelt, na
                            advies van de OR. Indien sprake is van functiebeschrijvingen in het
                            kader van een reorganisatie stelt de directeur onder wiens
                            verantwoordelijkheid het nieuwe organisatieonderdeel valt met
                            inachtneming van het advies de functiebeschrijving vast.</al><al>De functiewaardering wordt ook door de directeur vastgesteld na advies
                            vanuit O&amp;T vooral van de P&amp;O-adviseur en de arbeidsjurist. In de
                            praktijk worden de functiebeschrijving en –waardering gelijktijdig in
                            een besluit vastgelegd.Als de directeur een andere functiewaardering
                            voorstaat dan vanuit O&amp;T wordt geadviseerd, hakt de algemeen
                            directeur de knoop door. </al><al>Als de medewerker zich niet kan verenigen met het
                            functiewaarderingsresultaat, kan hij in bezwaar conform de
                            bezwaarprocedure binnen zes weken na ontvangst van het plaatsingsbesluit
                            waarbij de functiebeschrijving en –waardering is aangehecht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24a Regeling jaargesprek</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:1 Begripsbepalingen regeling jaargesprek</titel></kop><al>Ter uitvoering van artikel 15:1:15 lid 1 Arbeidsvoorwaardenregeling
                            Gemeente Amersfoort (ARGA) is een regeling jaargesprek vastgesteld. Voor
                            de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a"><al><vet>jaargesprek:</vet> het jaarlijks terugkerend gesprek
                                    waarin</al><lijst><li nr="I"><al> leidinggevende en medewerker de beoordeling bespreken
                                            en</al></li><li nr="II"><al> leidinggevende en medewerker het navolgende bespreken
                                            en eventueel afspraken maken over: de prestaties en
                                            resultaten van de medewerker in het aansluitende jaar,
                                            de gewenste ontwikkeling van de medewerker in het
                                            aansluitende jaar en de rol van de leidinggevende.</al></li></lijst></li><li nr="b"><al><vet>medewerker:</vet>de ambtenaar bedoeld in artikel 1:1,
                                    aanhef en onder a van de ARGA. </al></li><li nr="c"><al><vet>leidinggevende:</vet>de direct leidinggevende van de
                                    medewerker, of, als deze geen leidinggevende heeft, een nader
                                    door het bevoegd gezag aan te wijzen persoon.</al></li><li nr="d"><al><vet>bevoegd gezag:</vet>het college. </al></li><li nr="e"><al><vet>beoordelingsperiode:</vet>de periode waarover de
                                    beoordeling plaatsvindt.</al></li><li nr="f"><al><vet>beoordeling:</vet>het oordeel dat de leidinggevende opstelt
                                    over het functioneren van de medewerker, met betrekking tot de
                                    vastgestelde beoordelingsperiode. </al></li><li nr="g"><al><vet>functioneren:</vet>de wijze waarop de medewerker zijn
                                    functie uitoefent, gemeten aan de hand van de competenties (op
                                    basis van het competentieprofiel en in het licht van de daarover
                                    gemaakte afspraken) en werkresultaten (op basis van de
                                    functiebeschrijving, werkpakket en de resultaatafspraken).</al></li><li nr="h"><al><vet>beoogd niveau:</vet>het niveau van functioneren zoals
                                    vastgelegd in of rechtstreeks voortvloeiend uit
                                    functiebeschrijving, werkpakket, competentieprofiel en/of
                                    ontwikkelingsafspraken.</al></li><li nr="i"><al><vet>resultaatafspraken:</vet>de afspraken die medewerker en
                                    leidinggevende over de door de medewerker te behalen prestaties
                                    en resultaten maken, doorgaans aan de hand van het
                                    sectorcontract en het afdelingsplan.</al></li><li nr="j"><al><vet>ontwikkeling:</vet>de door de leidinggevende en/of
                                    medewerker gewenste (persoonlijke en/of functionele)
                                    ontwikkeling van de medewerker binnen of buiten diens functie,
                                    eventueel vastgelegd in ontwikkelingsafspraken.</al></li><li nr="k"><al><vet>informant:</vet>een persoon die een functionele werkrelatie
                                    met de medewerker heeft en informatie kan verstrekken aan de
                                    leidinggevende over het functioneren van de medewerker en/of
                                    diens ontwikkeling en/of resultaten.</al></li><li nr="l"><al><vet>jaargesprekformulier:</vet>de via een formulier
                                    schriftelijk vastgelegde beoordeling, resultaatafspraken en
                                    ontwikkeling voor het aansluitende jaar en overige
                                    afspraken.</al></li><li nr="m"><al><vet>varianten in het jaargesprek:</vet>mogelijkheden die
                                    medewerker en leidinggevende ten dienste staan als er behoefte
                                    is aan een ander stramien dan de standaardprocedure bij het
                                    jaargesprek. </al></li><li nr="n"><al><vet>tweede beoordelaar:</vet>de direct leidinggevende van de
                                    leidinggevende die het jaargesprek voert, respectievelijk de
                                    medewerker beoordeelt; of, als de medewerker geen direct
                                    leidinggevende heeft, een nader door het bevoegd gezag aan te
                                    wijzen persoon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:2 Grote lijnen jaargesprek</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De leidinggevende houdt één keer per jaar een jaargesprek met de
                            medewerker. Dit gesprek valt uiteen in twee elementen:</al><lijst><li nr="I"><al>De leidinggevende bespreekt met de medewerker de beoordeling
                                    over het functioneren van de medewerker en </al></li><li nr="II"><al> Leidinggevende en medewerker bespreken de volgende onderwerpen
                                    en maken daar eventueel afspraken over:</al><lijst><li nr="a"><al>de resultaten in het aansluitend jaar </al></li><li nr="b"><al>de ontwikkeling in het aansluitend jaar</al></li><li nr="c"><al>de rol van de leidinggevende. </al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het jaargesprek vindt in de laatste maand van de beoordelingsperiode
                            plaats. Indien dit door omstandigheden niet mogelijk is, vindt het
                            gesprek zo spoedig mogelijk na afloop van de beoordelingsperiode plaats.
                            Het niet (tijdig) plaatsvinden van het jaargesprek leidt niet tot
                            uitblijven of opschorting van consequenties voor de beloning, tenzij het
                            uitstel is te wijten aan de medewerker. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:3 Gang van zaken jaargesprek</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De leidinggevende en de medewerker stellen in overleg een datum vast
                            voor een jaargesprek. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het jaargesprek wordt gevoerd tussen de leidinggevende en de medewerker
                            aan de hand van het jaargesprekformulier. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De leidinggevende geeft in het gesprek zijn visie op het functioneren
                            van de medewerker en beoordeelt aan de hand van de criteria zoals
                            opgesomd in artikel 24a:1:1:4 van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De medewerker maakt in het jaargesprek zijn visie kenbaar op zijn
                            functioneren tijdens de beoordelingsperiode en de condities die er nodig
                            zijn voor goed functioneren.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De rol van de leidinggevende is expliciet gespreksonderwerp in het kader
                            van de condities die nodig zijn voor het goed functioneren van de
                            medewerker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:4 Beoordeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De leidinggevende beoordeelt het functioneren van de medewerker aan de
                            hand van </al><lijst><li nr="a"><al>de functie-eisen die zijn opgenomen in de functiebeschrijving,
                                </al></li><li nr="b"><al>het daarbij behorend competentieprofiel en </al></li><li nr="c"><al>de schriftelijke afspraken die tussen medewerker en
                                    leidinggevende zijn gemaakt over de beoordelingsperiode, met
                                    name ten aanzien van de werkresultaten en de ontwikkeling.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Aan de hand van het competentieprofiel en de ontwikkelingsafspraken
                            worden de competenties beoordeeld:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Voldoet
                                        </cursief><cursief><vet>niet</vet></cursief><cursief>,</cursief>
                                    indien de score overwegend onder het beoogd niveau is;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Voldoet </cursief><cursief><vet>niet
                                        geheel</vet></cursief>, indien het beoogd niveau niet
                                    volledig wordt waargemaakt;</al></li><li nr="-"><al><cursief><vet>Voldoet</vet></cursief>, indien het beoogd niveau
                                    volledig of meer dan volledig wordt waargemaakt;</al></li><li nr="-"><al><cursief><vet>Overtreft</vet></cursief>, indien er overwegend op
                                    een hoger niveau dan beoogd wordt gescoord waarbij tevens sprake
                                    is van duidelijk of actief voorbeeldgedrag op de desbetreffende
                                    competenties en dit hogere niveau meerwaarde heeft voor de
                                    functie.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Aan de hand van de functiebeschrijving, werkpakket en de
                            resultaatafspraken worden de werkresultaten beoordeeld:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Voldoet </cursief><cursief><vet>niet</vet></cursief>,
                                    indien over de hele linie sprake is van tekortschietende
                                    kwaliteit of kwantiteit of een patroon van fouten, klachten of
                                    incidenten;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Voldoet </cursief><cursief><vet>niet
                                        geheel</vet></cursief>, indien op het punt van kwaliteit of
                                    kwantiteit of opgedragen taken sprake is van incidentele
                                    tekortkomingen, fouten, klachten of incidenten;</al></li><li nr="-"><al><cursief><vet>Voldoet</vet></cursief>, indien de werkresultaten
                                    over de hele linie conform de gemaakte afspraken zijn;</al></li><li nr="-"><al><cursief><vet>Overtreft</vet></cursief>, indien de geleverde
                                    werkresultaten substantieel van hogere kwaliteit en/of grotere
                                    kwantiteit zijn, ofwel regelmatig extra inzet wordt getoond of
                                    werkresultaten spraakmakend, verrassend of opvallend zijn in
                                    positieve zin.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De leidinggevende gaat bij de beoordeling zoveel mogelijk uit van zijn
                            eigen ervaringen en maakt zo mogelijk gebruik van de ervaringen van door
                            hem aan te wijzen informanten. De beoordeling zelf blijft de
                            verantwoordelijkheid van de leidinggevende.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De beoordeling heeft louter betrekking op het functioneren van de
                            medewerker in de voor de beoordeling vastgestelde beoordelingsperiode.
                            De duur van de beoordelingsperiode is in principe een jaar. Hiervan kan
                            de leidinggevende na overleg met de medewerker afwijken, bijvoorbeeld na
                            indiensttreding, wijziging van de functie of langdurige afwezigheid van
                            de medewerker wegens ziekte.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:5 Resultaat</titel></kop><al>De leidinggevende stelt na overleg met de medewerker vast welke
                            prestaties en resultaten in het aansluitende jaar van de medewerker
                            worden verwacht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:6 Ontwikkeling</titel></kop><al>De leidinggevende stelt na overleg met de medewerker vast welke
                            ontwikkeling van de medewerker binnen en buiten diens functie wordt
                            verwacht. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:7 Overige afspraken</titel></kop><al>Er worden zo nodig afspraken gemaakt over de condities die van belang
                            zijn voor goed functioneren, waaronder de rol van de leidinggevende.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:8 Vastlegging</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Naar aanleiding van het jaargesprek stelt de leidinggevende een
                            definitieve beoordeling op. Hij gebruikt daarvoor het
                            jaargesprekformulier. Op dat formulier worden ook de verwachte
                            resultaten en ontwikkeling voor het aansluitend jaar vastgelegd, de
                            afspraken over voornoemde onderwerpen en overige afspraken. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker kan op het jaargesprekformulier kanttekeningen plaatsen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In het jaargesprek kan worden afgesproken dat de medewerker het
                            jaargesprekformulier volledig invult. Bij verschil van mening over de
                            formulering van de beoordeling, resultaatafspraken of
                            ontwikkelingsafspraken is de versie van de leidinggevende bepalend.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De leidinggevende legt beoordeling, verwacht resultaat en ontwikkeling
                            vast binnen twee weken na het jaargesprek. De medewerker ondertekent het
                            jaargesprekformulier binnen twee weken na ontvangst voor akkoord.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:9 Varianten in het jaargesprek</titel></kop><al>Op verzoek van de medewerker of leidinggevende kunnen diverse varianten
                            worden toegepast bij het voeren van het jaargesprek, zoals:</al><lijst><li nr="a"><al> het jaargesprek wordt gevoerd in fasen, waarbij ook onderwerpen
                                    in separate gesprekken kunnen worden behandeld;</al></li><li nr="b"><al> de leidinggevende wint alsnog inlichtingen in bij een
                                    informant; deze informatie wordt besproken en betrokken bij de
                                    opstelling van de beoordeling en/of afspraken over resultaten en
                                    ontwikkeling;</al></li><li nr="c"><al> bij het jaargesprek of een deel daarvan is een derde aanwezig,
                                    bijvoorbeeld een vertrouweling, informant of
                                    P&amp;O-adviseur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:10 Heroverweging met tweede beoordelaar</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Bij onenigheid tussen medewerker en leidinggevende over de beoordeling
                            kan de medewerker verzoeken om een heroverweging, een oordeel door de
                            tweede beoordelaar. Het verzoek maakt de medewerker binnen twee weken na
                            de ontvangst van het jaargesprekformulier schriftelijk en gemotiveerd
                            aan de leidinggevende en de tweede beoordelaar bekend. Heroverweging
                            gaat vooraf aan bezwaar bij het bevoegd gezag.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De tweede beoordelaar stelt in overleg met de leidinggevende een nieuwe
                            (voorlopige) beoordeling op door middel van het
                            jaargesprekformulier.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Op basis van het nieuw ingevulde jaargesprekformulier vindt opnieuw een
                            gesprek plaats conform het bepaalde in artikel 24a:1:1:3 tot en met
                            24a:1:1:7 en 24a:1:1:9 van deze regeling: dit keer in aanwezigheid van
                            de tweede beoordelaar. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het nieuw ingevulde jaargesprekformulier wordt tenminste een week voor
                            het gesprek aan de medewerker gezonden ter voorbereiding. In het nieuw
                            opgestelde jaargesprekformulier (of in een begeleidend schrijven) wordt
                            expliciet op de argumenten van de medewerker ingegaan. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De leidinggevende stelt na het gesprek een nieuw definitief
                            jaargesprekformulier op, conform het bepaalde in artikel 24a:1:1:8 van
                            deze regeling. Hiermee komt de oorspronkelijke beoordeling te vervallen.
                            In de definitieve vastlegging wordt in elk geval ingegaan op de
                            argumenten van de medewerker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:11 Vaststelling door bevoegd gezag</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag stelt de beoordeling, al dan niet aangepast, vast. Het
                            vaststellen geschiedt door ondertekening van het definitieve
                            jaargesprekformulier door de leidinggevende, of, indien die
                            leidinggevende zelf daartoe niet bevoegd is, door de eersthogere
                            leidinggevende die bevoegd is op grond van het Algemeen
                            Bevoegdhedenbesluit gemeente Amersfoort.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker ontvangt een afschrift van het ondertekende
                            jaargesprekformulier. Op het formulier staan de mogelijkheden van
                            bezwaar en beroep in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht
                            vermeld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het college is bevoegd tot de behandeling van de bezwaarschriften. Het
                            stelt het bezwaar onmiddellijk voor advies in handen van de in hoofdstuk
                            24b ARGA genoemde commissie. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het ondertekende jaargesprekformulier wordt opgenomen in het
                            (gedigitaliseerde) personeelsdossier.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:12 Jaarcyclus</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De onderwerpen van het jaargesprek zijn onderdeel van de reguliere
                            gesprekken die leidinggevende en medewerker gedurende de
                            beoordelingsperiode voeren.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien de afspraken, die tijdens het jaargesprek zijn gemaakt, worden
                            gewijzigd, wordt een en ander schriftelijk vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:13 Hardheidsclausule</titel></kop><al>In die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                            voorziet beslist het bevoegd gezag. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:14 Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling jaargesprek gemeente
                            Amersfoort”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>In Amersfoort bespreken leidinggevenden het functioneren van de
                            medewerkers doorgaans daar waar nodig en op regelmatige basis met hen.
                            Tenminste eenmaal per jaar wordt het functioneren besproken en
                            beoordeeld in het zogeheten jaargesprek. </al><al>Kenmerkend voor het Amersfoortse jaargesprek is, dat niet alleen het
                            functioneren van de medewerker wordt beoordeeld, maar dat er sprake is
                            van een dialoog, waarbij ook de resultaatverwachtingen en
                            ontwikkelingsafspraken aan de orde komen. Er is expliciet ruimte voor
                            inbreng van de medewerker, ook over hetgeen hij verwacht van de
                            leidinggevende. Het is de bedoeling dat er in het jaargesprek geen grote
                            verrassingen meer zijn, in elk geval niet wat betreft de beoordeling van
                            het functioneren. In de loop van het jaar zijn er immers gesprekken
                            waarin zo nodig bijsturing wordt gegeven. Dit is reeds geruime tijd
                            praktijk en deze Amersfoortse elementen zijn dan ook in de
                            jaargesprekregeling geïncorporeerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:1</titel></kop><tussenkop><vet>Sub b</vet></tussenkop><al>Deze regeling geldt ook indien sprake is van een dienstverband op basis
                            van een civielrechtelijk contract.</al><tussenkop><vet>Sub g en h</vet></tussenkop><al>Bijvoorbeeld in het kader van de bandbreedteregeling (artikel 3:3:1:1
                            ARGA) kan een specifiek werkpakket aan de medewerker worden opgedragen,
                            dat een zwaardere of lichtere invulling aan de functie met zich
                            meebrengt. In dat geval is dat werkpakket doorslaggevend en niet
                            standaardfunctiebeschrijving en -competentieprofiel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:2</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het jaargesprek is een gesprek waarin diverse onderwerpen aan de orde
                            komen. De beoordeling is een element daarvan. Van nature ligt bij dat
                            onderwerp het initiatief meer bij de leidinggevende. Vanzelfsprekend
                            worden echter de opmerkingen van de medewerker bij de definitieve
                            beoordeling meegewogen. De regeling voorziet verder in een
                            herbeoordeling door een tweede beoordelaar indien de medewerker het niet
                            eens is met de beoordeling en de vastlegging daarvan door de
                            leidinggevende. Bij de vastlegging van de nieuwe (al of niet aangepaste)
                            beoordeling wordt in elk geval schriftelijk aandacht besteed aan de
                            argumenten van de medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In geval van afwezigheid wegens ziekte, zwangerschap, detacheringen e.d.
                            wordt zoveel mogelijk getracht het jaargesprek toch door te laten gaan.
                            Indien het afwezigheid van de leidinggevende betreft, wordt getracht het
                            jaargesprek te laten voeren door een waarnemer van de leidinggevende. De
                            laatste zin van het artikel ziet op gevallen waarin het jaargesprek door
                            leidinggevende of medewerker (herhaaldelijk) wordt uitgesteld of te laat
                            gepland. Als de leidinggevende dit niet zorgvuldig bewaakt kan hij de
                            medewerker de periodieke salarisverhoging niet onthouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:3</titel></kop><al>In dit artikel wordt een leidraad gegeven, maatwerk is het devies. Dat
                            wil zeggen dat het leidinggevenden en medewerkers vrij staat afspraken
                            te maken over een iets andere gang van zaken, bijvoorbeeld door het
                            initiatief voor het regelen van een tijdstip van het jaargesprek aan de
                            medewerker over te laten, tevoren het jaargesprekformulier reeds in
                            concept aan de ander voor te leggen, al of niet over en weer concepten
                            uit te wisselen. Zie ook artikel 24a:1:1:9 varianten bij het
                            jaargesprek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:4</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1 sub a en b</vet></tussenkop><al>In het kader van de bandbreedte (artikel 3:3:1:1 ARGA) kunnen afwijkende
                            afspraken worden gemaakt over de norm waaraan de medewerker moet
                            voldoen, afwijkingen van de standaarden in functiebeschrijving en
                            competentieprofiel.</al><tussenkop><vet>Lid 1 sub c</vet></tussenkop><al>Vanzelfsprekend vormen niet alleen het jaargesprekformulier van het
                            voorgaande jaar, maar ook de uitkomsten van gesprekken die in de loop
                            van het jaar zijn gevoerd het uitgangspunt van de beoordeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2 en 3</vet></tussenkop><al>Een mindere score op een mineur punt leidt niet per se tot een
                            eindoordeel “voldoet niet geheel” . Het betreft immers de afweging van
                            het geheel van competenties of werkresultaten, een totaaloordeel.</al><al>Tot welke beloning de beoordeling leidt is vastgelegd in hoofdstuk 3,
                            artikelen 3:4:1:1 e.v.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>schaalmax nog niet bereikt</al></entry><entry colname="col2"><al>alleen werkresultaten</al></entry><entry colname="col3"><al>alleen competentieresultaten</al></entry><entry colname="col4"><al>zowel werkresultaten als competentieresultaten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voldoet</al></entry><entry colname="col2"><al>periodiek</al></entry><entry colname="col3"><al>periodiek</al></entry><entry colname="col4"><al>periodiek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overtreft</al></entry><entry colname="col2"><al>periodiek+bonus</al></entry><entry colname="col3"><al>periodiek +bonus</al></entry><entry colname="col4"><al>extra periodiek</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>schaalmax.bereikt</al></entry><entry colname="col2"><al>alleen werkresultaten</al></entry><entry colname="col3"><al>alleen competentieresultaten</al></entry><entry colname="col4"><al>zowel werkresultaten als competentieresultaten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overtreft</al></entry><entry colname="col2"><al>bonus</al></entry><entry colname="col3"><al>bonus</al></entry><entry colname="col4"><al>bonus</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien sprake is van beoordelingen “voldoet niet” of “voldoet niet
                            geheel” zijn sturingsmiddelen aan de orde, zoals verbeterafspraken,
                            gedegen monitoring daarop door middel van vervolggesprekken in de
                            jaarcyclus, een evaluatietraject (intensivering verbeterafspraak), her-
                            of uitplaatsing.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Indien de leidinggevende informanten gaat raadplegen stelt hij de
                            medewerker daarvan eerst op de hoogte.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De beoordeling betreft alleen het functioneren in het afgelopen jaar,
                            althans de afgesproken beoordelingsperiode.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:6</titel></kop><al>Het betreft hier de door de leidinggevende en de door de medewerker
                            gewenste ontwikkeling. Voor dat laatste kan een separaat persoonlijk
                            ontwikkelingsplan (POP) worden gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:8</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het jaargesprekformulier is het centrale document dat de leidraad vormt
                            voor het jaargesprek. Doorgaans zal de leidinggevende degene zijn die de
                            definitieve versie invult en ter ondertekening voorlegt. De medewerker
                            kan ook degene zijn die het concept aanreikt ter vaststelling door de
                            leidinggevende. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Op het jaargesprekformulier is ruimte voor kanttekeningen van de
                            medewerker. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:9</titel></kop><al>Maatwerk is het devies. De meeste gesprekken zullen conform het gewone
                            stramien verlopen, maar daar waar nodig kunnen leidinggevende en
                            medewerker in overleg daarvan afwijken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:10</titel></kop><al>Uiteindelijk dient de leidinggevende eenzijdige beslissingen te nemen,
                            maar het is de bedoeling dat de medewerker daar zoveel mogelijk bij
                            betrokken wordt en dat de dialoog zo lang mogelijk centraal blijft
                            staan. De tweede beoordeling heeft twee functies: allereerst is het
                            bedoeling dat medewerker en leidinggevende alsnog tot overeenstemming
                            komen over de beoordeling. Ten tweede heeft de herbeoordeling de functie
                            van tussenstap voordat een en ander definitief wordt vastgesteld en de
                            medewerker is aangewezen op de bezwaarprocedure in de zin van de
                            Algemene Wet Bestuursrecht (AWB). Het is de bedoeling dat in deze fase
                            de discussie over feiten zoveel mogelijk uitkristalliseert en
                            uitdrukkelijk wordt ingegaan op de argumenten van de medewerker. Daarbij
                            wordt ofwel alsnog overeenstemming bereikt, ofwel de eenzijdige
                            beslissing nadrukkelijk gemotiveerd. De medewerker kan zich voorbereiden
                            op het gesprek doordat het nieuwe jaargesprekformulier tenminste een
                            week tevoren in concept aan hem wordt gestuurd. De tweede beoordelaar
                            kan ook, voorafgaand aan het formele tweede gesprek, een bemiddelend
                            gesprek organiseren, mits leidinggevende en medewerker daar allebei voor
                            voelen. Het staat de betrokkenen (ook de tweede beoordelaar) vrij de
                            P&amp;O-adviseur of een andere derde als procesbewaker te laten
                            fungeren, mits daarover overeenstemming bestaat. De medewerker staat het
                            in elk geval vrij een derde als vertrouweling mee te nemen naar het
                            gesprek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:11</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Hier geldt ondermandaat zoals uitgewerkt in het Algemeen
                            bevoegdhedenbesluit gemeente Amersfoort. Hoofdstuk 25 ARGA verwijst
                            daarnaar.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De externe commissie die thans adviseert bij bezwaarprocedures inzake de
                            leidraad bij organisatieveranderingen en functiewaardering wordt ook
                            verzocht advies uit te brengen over bezwaarschriften ter zake de
                            jaargesprekregeling. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24a:1:1:12</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In de gesprekken komen dezelfde onderwerpen aan de orde als in het
                            jaargesprek. Met name is er ruimte voor het bespreken van de beoordeling
                            van het functioneren van de medewerker. Het jaargesprek mag in dat
                            opzicht geen verrassing vormen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Eventuele wijzigingen in de afspraken worden schriftelijk vastgelegd.
                            Elk geschrift waaruit blijkt dat er sprake is van overeenstemming
                            volstaat, als het maar geschikt is om te worden opgenomen in het
                            digitale personeelsdossier. Denk aan e-mails, afsprakenlijstjes,
                            verslagen, een door beiden geparafeerde aantekening op het
                            jaargesprekformulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24b Bezwaren personele zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:1 Begripsbepalingen regeling bezwaren personele
                                zaken</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a"><al><vet>medewerker:</vet> een ambtenaar in de zin van artikel 1:1
                                    lid 1, sub a ARGA;</al></li><li nr="b"><al><vet>werkgever:</vet> de gemeente Amersfoort;</al></li><li nr="c"><al><vet>rechtspositioneel besluit:</vet> een besluit in de zin van
                                    de Algemene Wet Bestuursrecht, genomen door of namens het
                                    college, dat betrekking heeft op wetten en regelingen over de
                                    aanstelling van ambtenaren. met name de Ambtenarenwet en de
                                    Arbeidsvoorwaarden Gemeente Amersfoort (ARGA);</al></li><li nr="d"><al><vet>commissie:</vet> de Bezwarenadviescommissie Personele Zaken
                                    die het college adviseert bij bezwaarschriften aangaande
                                    rechtspositionele besluiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:2 Indienen bezwaarschrift</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien een medewerker zich niet kan verenigen met een rechtspositioneel
                            besluit kan hij binnen zes weken na dagtekening daarvan in bezwaar
                            komen, door indiening van een bezwaarschrift bij het college.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het bezwaarschrift is ondertekend door de medewerker en bevat
                            tenminste</al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de indiener;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening van het bezwaarschrift;</al></li><li nr="c"><al>een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is
                                    gericht;</al></li><li nr="d"><al>de gronden van het bezwaar;</al></li><li nr="e"><al>de inhoud van de gevraagde herziene beslissing.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het college stelt het bezwaarschrift onmiddellijk voor advies in handen
                            van de commissie.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Van lid 3 kan worden afgeweken ofwel indien wegens urgentie van de
                            afhandeling van het bezwaar de geplande hoorzitting van de commissie
                            niet kan worden afgewacht, ofwel indien advisering door de commissie
                            niet opportuun is in verband met de aard van het bezwaar. In die
                            gevallen besluit het college zonder advies van de commissie en houdt de
                            portefeuillehouder P&amp;O van het college de hoorzitting. De commissie
                            wordt daarvan in kennis gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:3 Bezwarenadviescommissie personele zaken</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De commissie brengt een advies uit inzake de door het college te nemen
                            beslissing op het bezwaar. De commissie toetst integraal.</al><tussenkop><vet>Lid 2a</vet></tussenkop><al>De commissie bestaat uit drie leden:</al><lijst><li nr="a"><al> een door het college aan te wijzen lid, noch zijnde lid van het
                                    college, noch zijnde in dienst van de gemeente Amersfoort;</al></li><li nr="b"><al> een door de vakorganisaties aan te wijzen lid, noch zijnde
                                    medewerker, noch deelnemer aan het Georganiseerd Overleg van de
                                    gemeente Amersfoort;</al></li><li nr="c"><al> een externe juridische deskundige, door het college en de
                                    vakorganisaties gezamenlijk aan te wijzen, tevens voorzitter van
                                    de commissie.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2b</vet></tussenkop><al>De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van vier jaar.
                            De benoemingsperiode kan eenmalig met vier jaar worden verlengd. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Aan de commissie is een medewerker van de sectie rechtspositie van
                            P&amp;O als ambtelijk secretaris toegevoegd.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Voor de leden van de commissie worden zo nodig plaatsvervangende leden
                            aangewezen.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Burgemeester en wethouders stellen de hoogte van de vergoeding vast
                            overeenkomstig de geldende Verordening geldelijke voorzieningen
                            fracties, raads- en commissieleden waarbij vanwege de specifieke
                            werkzaamheden van de commissieleden naar boven wordt afgeweken van de
                            standaardvergoeding genoemd in tabel IV voor de klasse waartoe de
                            gemeente behoort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:4 Werkwijze commissie; hoorzitting</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De voorzitter van de commissie stelt de datum, tijdstip en plaats van de
                            commissie vast en draagt zorg voor de uitnodigingen. De commissie
                            beraadslaagt en besluit in voltallige bijeenkomsten. Het houden van
                            hoorzittingen kan in geval van urgentie geschieden door de voorzitter en
                            een van de commissieleden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De voorzitter kan, al dan niet op verzoek van partijen, personen
                            oproepen voor het geven van inlichtingen tijdens de zittingen van de
                            commissie. Van de kant van de werkgever is de degene die het
                            rechtspositioneel besluit heeft genomen aanwezig op de hoorzitting.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De voorzitter stelt de medewerker en/of een vertegenwoordiger of
                            vertegenwoordigers van een groep van medewerkers in de gelegenheid zijn
                            of hun bezwaren voor de commissie toe te lichten, schriftelijk of ter
                            hoorzitting; de medewerker wordt tevoren in de gelegenheid gesteld
                            kennis te nemen van de op zijn bezwaarschrift betrekking hebbende
                            stukken. Van de hoorzitting wordt een zakelijk verslag gemaakt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De medewerker kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een
                            gemachtigde. Er wordt een machtiging verlangd van gemachtigden die geen
                            advocaten of medewerkers zijn van een vakbond, rechtsbijstandverzekering
                            of een vergelijkbare rechtsbijstandverlenende instantie.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De zittingen en beraadslagingen van de commissie zijn niet
                            openbaar.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De commissie stelt haar advies vast bij meerderheid van stemmen.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>De commissie brengt binnen de wettelijke termijn op grond van de
                            Algemene Wet Bestuursrecht, nadat het bezwaarschrift haar heeft bereikt,
                            schriftelijk en gemotiveerd advies uit aan het college. Het verslag van
                            de hoorzitting wordt als bijlage aan het advies gehecht. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:5 Collegebesluit</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Na ontvangst van het advies van de commissie neemt het college een
                            besluit met betrekking tot het ingediende bezwaar.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het college stelt de medewerker en de betrokken sectordirecteur van de
                            werkgever schriftelijk en met redenen omkleed in kennis van zijn
                            besluit, onder toezending van het advies van de commissie en het verslag
                            van de hoorzitting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:6 Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet
                            kan het college een bijzondere voorziening treffen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:7 Regeling bezwaren personele zaken</titel></kop><al>De regeling kan worden aangehaald als “Regeling bezwaren personele zaken
                            Amersfoort 2007”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:1</titel></kop><tussenkop><vet>algemeen</vet></tussenkop><al>De bezwarencommissie voor functiewaardering en reorganisatie adviseert
                            voortaan ook over overige bezwaarschriften over rechtspositionele
                            besluiten.</al><tussenkop><vet>sub a</vet></tussenkop><al>Het is mogelijk dat andere belanghebbenden (in de zin van de Algemene
                            Wet Bestuursrecht) dan medewerkers in bezwaar komen of een
                            bezwaarprocedure voortzetten, bijvoorbeeld nabestaanden wier belang
                            rechtstreeks bij een rechtspositioneel besluit is betrokken. Waar in
                            deze regeling “medewerker” staat worden ook deze belanghebbenden
                            bedoeld.</al><tussenkop><vet>sub c</vet></tussenkop><al>Het gaat om besluiten in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht. Dat
                            wil zeggen schriftelijke besluiten waardoor de desbetreffende medewerker
                            rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, zoals ontslag,
                            salarisbetaling, functiewaardering en beoordeling in het jaargesprek. De
                            weigering zo’n besluit te nemen wordt ook gezien als een besluit
                            waartegen bezwaar mogelijk is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:2</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het is niet vereist, maar strekt wel tot aanbeveling een kopie van het
                            besluit waartegen het bezwaar gericht is mee te sturen, alsook andere
                            documentatie die het bezwaar ondersteunt. Artikel 24b:1:1:2, lid 2 geeft
                            aan wat vereist is: als daar niet aan wordt voldaan kan het bezwaar
                            niet-ontvankelijk worden verklaard. De Algemene Wet Bestuursrecht wordt
                            in deze toegepast.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In gevallen van grote spoed en bijvoorbeeld bij verhindering van meer
                            dan een commissielid kan de portefeuillehouder P&amp;O van het college
                            de hoorzitting houden. Indien het rechtspositioneel besluit zich minder
                            leent voor advisering door de commissie (bijvoorbeeld bij bezwaar tegen
                            een salariële berekening) kan de portefeuillehouder besluiten
                            adviesverzoek aan de commissie achterwege te laten. De commissie wordt
                            daarvan in voorkomende gevallen in kennis gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:3</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De secretaris heeft geen stemrecht bij de besluitvorming van de
                            commissie.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De commissieleden/ondernemers dienen een Verklaring arbeidsrelatie (VAR)
                            van de belastingdienst te kunnen overleggen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:4</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Jaarlijks worden acht vaste data voor hoorzittingen vastgesteld. Deze
                            data worden in de organisatie bekend gemaakt. Zo nodig kunnen daarbuiten
                            hoorzittingen worden gehouden, bijvoorbeeld in geval van urgentie of
                            indien nadere informatie-uitwisseling nodig blijkt. Bij uitzondering
                            wordt de hoorzitting door de voorzitter en een van de leden gehouden,
                            ingeval sprake is van urgentie van de zaak en verhindering aan de kant
                            van een commissielid. De besluitvorming over het advies aan het college
                            geschiedt altijd door de voltallige commissie. </al><tussenkop><vet>lid 2</vet></tussenkop><al>Van de kant van de werkgever is veelal de gemandateerde
                            (sectordirecteur) aanwezig of de ondergemandateerde (het hoofd van de
                            hoofdafdeling), al of niet vergezeld van een adviseur. In voorkomende
                            gevallen is de direct leidinggevende eveneens aanwezig.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b:1:1:5</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Met name indien het college afwijkt van het advies van de commissie
                            wordt zulks uitdrukkelijk gemotiveerd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker wordt gewezen op de mogelijkheid van beroep bij de
                            rechtbank binnen 6 weken vanaf de dagtekening van het besluit.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25 Bevoegdhedenbesluit</titel></kop><structuurtekst><al></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26 Hypotheekregeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:1:1 Hypotheekverstrekking</titel></kop><al>In deze regeling wordt onder ‘ambtenaren’ verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>Medewerkers met een vaste aanstelling of een arbeidsovereenkomst
                                    naar burgerlijk recht voor onbepaalde tijd en medewerkers met
                                    een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef.</al></li><li nr="b"><al>Medewerkers met een tijdelijke aanstelling of een tijdelijke
                                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht op het moment dat
                                    duidelijk is dat de looptijd van hun aanstelling of
                                    arbeidsovereenkomst in zijn totaliteit minimaal twee jaar
                                    bedraagt.</al></li><li nr="c"><al>Medewerkers in dienst bij stichtingen en instellingen waarvoor
                                    de rechtspositie van de gemeente Amersfoort geldt en waarvoor de
                                    gemeente Amersfoort de volledige financiële verantwoordelijkheid
                                    draagt, indien zij voldoen aan het onder 1 of 2 bepaalde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:1:2 Hypotheekverstrekking</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen tot en met 31 december 2008 aan
                            ambtenaren die een huis voor eigen bewoning wensen te (doen) bouwen of
                            te kopen of een bestaand eigen huis dat door henzelf wordt of zal worden
                            bewoond, wensen te verbouwen, een geldlening onder verband van een
                            eerste hypotheek verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:1:3 Hypotheekverstrekking</titel></kop><al>De geldlening als bedoeld in artikel 26:1:1:2 wordt verstrekt voor ten
                            hoogste dertig jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:1:4 Hypotheekverstrekking</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen ter uitvoering van deze regeling
                            algemene voorwaarden vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:1:5 Hypotheekverstrekking</titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Hypotheekregeling gemeente
                            Amersfoort”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:1 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>In deze “Algemene voorwaarden” wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Debiteur:</vet>de ambtenaar aan wie op grond van de
                                    “Hypotheekregeling gemeente Amersfoort” en de “Algemene
                                    voorwaarden” van gemeentewege onder verband van hypotheek een
                                    geldlening is verstrekt alsmede de gewezen ambtenaar aan wie
                                    tijdens het ambtenaarschap als bedoeld in “Hypotheekregeling
                                    gemeente Amersfoort” onder verband van hypotheek een geldlening
                                    is verstrekt;</al></li><li nr="b"><al><vet>Geldlening:</vet>de van gemeentewege te verstrekken c.q.
                                    verstrekte hypothecaire geldlening ingevolge de
                                    “Hypotheekregeling gemeente Amersfoort”;</al></li><li nr="c"><al><vet>Looptijd:</vet>de periode waarover de geldlening wordt
                                    verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:2 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen naast de bepalingen vervat in deze
                            “Algemene voorwaarden” andere voorwaarden aan een geldlening
                            verbinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:3 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien een geldlening wordt verstrekt ten behoeve van een perceel, dat
                            is gelegen buiten het woongebied, zijnde het gebied dat binnen een
                            straal van 11 kilometer van het Stadhuis van de gemeente Amersfoort
                            ligt, wordt de geldende rente verhoogd met 0,1%. De geldende rente is
                            het op (een veelvoud van) 1/8% naar boven afgeronde effectieve rendement
                            zoals bedoeld in artikel 26:1:2:5. De met 0,1% verhoogde rente wordt
                            naar boven afgerond op (een veelvoud van) 1/8%.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de ambtenaar op grond
                            van zwaarwegende omstandigheden afwijken van het gestelde in lid 1 van
                            dit artikel. Dit staat ter beoordeling van burgemeester en
                            wethouders.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:4 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beoordelen aanvragen om een geldlening aan de
                            hand van de inkomensnormen van de Nationale Hypotheekgarantie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:5 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De rente van de geldlening zal worden bepaald op het effectieve
                            rendement, dat de gemeente zou moeten betalen op de eerste werkdag van
                            de week van de bij de NV Bank Nederlandse Gemeenten aan te gane
                            leningen. Dit rendement zal naar boven worden afgerond op (een veelvoud
                            van) 1/8 (= 0,125) %. Als datum voor de vaststelling van de rente zal
                            gelden de datum van binnenkomst bij de gemeente van het
                            aanvraagformulier voor het verstrekken van de geldlening. In afwijking
                            van het hiervoor gestelde wordt het in de offerte genoemde
                            rentepercentage bij een rentedaling aangepast aan het geldende
                            rentepercentage in de week voorafgaande aan de aktepassering.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De aflossing van de geldlening geschiedt bij wijze van annuïteit,
                            tenzij de lening of een deel daarvan als aflossingsvrije hypotheek is
                            verstrekt. Over de aflossingsvrije lening dan wel het deel van de
                            lening, dat als aflossingsvrije hypotheek is verstrekt, vindt gedurende
                            de looptijd in zijn geheel geen aflossing plaats, tenzij de debiteur dit
                            wenst. Artikel 26:1:2:7 is hierop dan van overeenkomstige
                            toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het bedrag van de rente en aflossing zal moeten worden voldaan in
                            maandelijkse termijnen, vervallende op de vijftiende van iedere maand.
                            Artikel 116 van de Ambtenarenwet wordt hierbij voor zoveel nodig van
                            toepassing verklaard.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:6 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De looptijd van de annuïtaire geldlening bedraagt ten hoogste dertig
                            jaar.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De looptijd van de aflossingsvrije geldlening dan wel het deel van de
                            geldlening dat als aflossingsvrije geldlening is verstrekt bedraagt
                            dertig jaar. Na ommekomst van deze termijn kan telkenmale een nieuwe
                            termijn van maximaal tien jaar worden overeengekomen tegen eenzelfde
                            rentepercentage als gold voor de daaraan voorafgegane aflossingsvrije
                            geldlening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:7 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De debiteur is bevoegd tweemaal per jaar vervroegd af te lossen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Deze vervroegde aflossing dient plaats te vinden in afgeronde bedragen
                            van € 250,-.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Deze vervroegde aflossing kan zonder kosten plaatshebben.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Van het voornemen tot vervroegde aflossing moet de debiteur minimaal 5
                            werkdagen van tevoren schriftelijk mededeling doen aan de gemeente.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:8 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Tot zekerheid van de voldoening van alle door de debiteur uit hoofde van
                            de aan hem verstrekte geldlening verschuldigde bedragen, hierbij
                            inbegrepen de kosten welke op enigerlei wijze verband houden met de
                            geldlening, verleent de debiteur aan de gemeente:</al><lijst><li nr="a"><al>het recht van hypotheek op de grond en de daarop te bouwen c.q.
                                    gebouwde opstallen;</al></li><li nr="b"><al>machtiging de maandelijkse termijnen als bedoeld in artikel
                                    26:1:2:5, derde lid, op de vervaldatum automatisch van zijn/haar
                                    bank- of girorekening af te schrijven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:9 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Uitgezonderd in het geval van verkoop als bedoeld in artikel 3:268 van
                            het Burgerlijk Wetboek kan bij willige verkoop van het verbonden
                            onroerend goed geen zuivering van de verleende hypotheek
                            plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:10 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Indien bij het opvorderbaar worden van hetgeen aan de gemeente uit
                            hoofde van de verstrekking van de geldlening verschuldigd is al het aan
                            de gemeente verschuldigde met de kosten niet terstond wordt voldaan,
                            heeft de gemeente onherroepelijk volmacht om, tot verhaal van al het
                            verschuldigde en de kosten, het verbonden onroerend goed in het openbaar
                            volgens plaatselijk gebruik te doen verkopen, de kooppenningen te
                            ontvangen en daarvoor kwijting te geven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:11 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Bij het verlijden van de hypotheekakte zal de ambtenaar het bedrag van
                            de beschikbaar gestelde geldlening aan de gemeente schuldig moeten
                            erkennen. Het door de ambtenaar schuldig erkende bedrag zal in geval van
                            bouw van een woning voor hem/haar in bewaring worden gehouden en worden
                            uitbetaald naarmate de bouw vordert, hetgeen zoveel mogelijk moet
                            blijken uit de door de ambtenaar over te leggen betalingsmandaten van de
                            architect c.q. aannemer onder wiens directie de bouw wordt
                            uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:12 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Zolang de leningsgelden geheel of gedeeltelijk in bewaring worden
                            gehouden is over het in bewaring zijnde bedrag over en weer geen rente
                            verschuldigd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Over elke verstrekte termijn uit de in bewaring gehouden gelden is
                            rente verschuldigd, welke ingaat op de dag waarop uitbetaling
                            plaatsvindt; bij betaling van de laatste termijn vindt verrekening
                            plaats van de tot op die dag verschenen rente van de eerder uitbetaalde
                            termijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:13 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Vanaf de datum waarop de laatste termijn wordt uitbetaald, of ingeval de
                            schuldig erkende som in één termijn wordt verstrekt vanaf de datum
                            waarop deze wordt uitbetaald, is tot de vijftiende van die of de
                            volgende maand alleen rente verschuldigd. Met ingang van de maand
                            daaropvolgend zal naast de rente ook aflossing verschuldigd zijn. Over
                            de aflossingsvrije hypotheek dan wel het deel van de lening, dat als
                            aflossingsvrije hypotheek is verstrekt, vindt gedurende de looptijd in
                            zijn geheel geen aflossing plaats, tenzij de debiteur dit wenst. Artikel
                            26:1:2:7 is dan van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:14 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De hoofdsom of het restant van een verstrekte geldlening is onmiddellijk
                            en zonder dat enige waarschuwing wordt vereist, opeisbaar:</al><lijst><li nr="a"><al> indien de debiteur enige verplichting uit de overeenkomst van
                                    geldlening en hypotheek voortvloeiende, tegenover de gemeente
                                    niet nakomt;</al></li><li nr="b"><al>indien de debiteur onder curatele wordt gesteld, in staat van
                                    faillissement wordt verklaard, surseance van betaling aanvraagt
                                    of boedelafstand doet;</al></li><li nr="c"><al> bij vervreemding van het onroerend goed, onteigening
                                    inbegrepen, of bij niet nakoming door de debiteur van enige
                                    bepaling der hypotheekakte;</al></li><li nr="d"><al> indien de debiteur heeft opgehouden ambtenaar te zijn als
                                    bedoeld in de “Hypotheekregeling gemeente Amersfoort” anders dan
                                    door toekenning van een ouderdomspensioen of FPU-uitkering door
                                    het ABP, een WAO-uitkering door de USZO, een FLO-uitkering of
                                    door het toekennen van een wachtgeld of een uitkering zolang
                                    deze wordt genoten;</al></li><li nr="e"><al> indien de debiteur zonder noodzaak, zulks ter beoordeling van
                                    burgemeester en wethouders, heeft opgehouden de woning voor
                                    eigen bewoning te gebruiken.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De debiteur die heeft opgehouden ambtenaar te zijn als bedoeld in de
                            “Hypotheekregeling gemeente Amersfoort” anders dan door toekenning van
                            een ouderdomspensioen of FPU-uitkering door het ABP, een
                            WAO-uitkering/invaliditeitspensioen of een suppletie door de USZO, een
                            FLO-uitkering of door het toekennen van een wachtgeld of een uitkering
                            zolang deze wordt genoten kan de geldlening bij de gemeente voortzetten
                            onder gelijkblijvende voorwaarden voor de periode van maximaal één jaar.
                            Na de ommekomst van die periode wordt de overeengekomen rente verhoogd
                            met een half procent.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:15 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Bij vervreemding door de debiteur van de met hypotheek bezwaarde woning
                            gevolgd door aankoop en eventuele verbouw van een bestaande woning dan
                            wel de bouw van een nieuwe woning, heeft de debiteur de mogelijkheid dat
                            de hem/haar verstrekte geldlening tot ten hoogste het bedrag van de
                            restantschuld in stand blijft, mits de nieuwe woning onder verband van
                            eerste hypotheek ten gunste van de gemeente wordt verbonden. Dit geldt
                            niet voor de debiteur wiens dienstverband met de gemeente is beëindigd,
                            tenzij er als gevolg van deze beëindiging recht bestaat op een
                            ouderdomspensioen, een FPU-uitkering, een WAO-uitkering, een
                            FLO-uitkering of een uitkering wegens werkloosheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:16 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Zolang de verstrekte geldlening nog niet geheel is afgelost, rusten op
                            de debiteur de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="a"><al>hij/zij moet tot genoegdoening van burgemeester en wethouders de
                                    woning behoorlijk onderhouden, haar zonder verplichting tot
                                    herbouw tegen brandschade verzekeren en verzekerd houden;
                                    hij/zij is verplicht aan de gemeente op eerste aanvraag de
                                    brandverzekeringspolis of een duplicaat daarvan te overhandigen
                                    en de laatste premiekwitantie ter inzage te verstrekken; ingeval
                                    van brandschade zullen de verzekeringspenningen worden
                                    uitbetaald aan de gemeente, waaraan de debiteur deze penningen
                                    reeds bij het verlijden der hypotheekakte voor alsdan moet
                                    cederen; de gemeente heeft onherroepelijke volmacht de
                                    verzekeringspenningen te innen, ter verrekening van de nog op
                                    het onroerend goed rustende hypothecaire schuld;</al></li><li nr="b"><al>hij/zij zal de woning niet afbreken, noch haar bezwaren, er
                                    zakelijke rechten op vestigen of haar verhuren zonder
                                    toestemming van burgemeester en wethouders, die daaraan
                                    voorwaarden kunnen verbinden;</al></li><li nr="c"><al>hij/zij is gehouden, indien burgemeester en wethouders zulks
                                    verlangen, met gebruikmaking van een door of namens burgemeester
                                    en wethouders toegezonden formulier, binnen veertien dagen na
                                    toezending een ondertekende opgaaf te verstrekken van het aan de
                                    gemeente ter zake van de hem/haar verstrekte geldlening nog
                                    verschuldigde bedrag;</al></li><li nr="d"><al>hij/zij is gehouden te voorzien in een
                                    overlijdensrisicoverzekering tot een zodanig bedrag dat de
                                    werkelijke woonlasten voortvloeiende uit de lening, na aftrek
                                    van het bedrag van een eventuele overlijdensrisicoverzekering,
                                    op enig moment niet meer zullen bedragen dan zevenenzestig
                                    procent van de toegestane woonlasten op het moment van
                                    kredietverstrekking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:17 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders of een door of namens hen aangewezen
                            ambtenaar hebben na voorafgaande schriftelijke mededeling en indien
                            gerede twijfel bestaat omtrent de onderhoudstoestand van de woning,
                            toegang tot de verbonden goederen, ten einde te controleren of deze
                            behoorlijk worden onderhouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:18 Algemene voorwaarden bij de Hypotheekregeling
                            </titel></kop><al>De debiteur dient reeds bij het verlijden van de hypotheekakte eventueel
                            van overheidswege te ontvangen bijdragen te cederen aan de
                            gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:19 Vervallen</titel></kop><al>Dit artikel is vervallen per 1 februari 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26:1:2:20 Algemene voorwaarden bij de
                                Hypotheekregeling</titel></kop><al>Dit besluit kan worden aangehaald als “Algemene voorwaarden bij de
                            Hypotheekregeling gemeente Amersfoort“.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>30c Privacyreglement e-mail, internet en ander
                            computergebruik</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit privacyreglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Wbp</vet>: Wet bescherming persoonsgegevens </al></li><li nr="b"><al><vet>College bescherming persoonsgegevens</vet>: het College als
                                    bedoeld in artikel 51 Wbp</al></li><li nr="c"><al><vet>Gemeente</vet>: de gemeente Amersfoort</al></li><li nr="d"><al><vet>Betrokkene</vet>: gebruiker van de elektronische
                                    communicatiemiddelen op wie een persoonsgegeven betrekking heeft
                                    en die aan te merken is als:</al><lijst><li nr="a"><al>medewerker in dienst van de gemeente;</al></li><li nr="b"><al>persoon die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden
                                            voor de gemeente verricht, anders dan in ambtelijk
                                            dienstverband.</al></li></lijst></li><li nr="e"><al><vet>E-mailfaciliteiten</vet>: de door of namens de gemeente aan
                                    betrokkenen ter beschikking gestelde e-mailfaciliteiten.</al></li><li nr="f"><al><vet>Internetfaciliteiten</vet>: de door of namens de gemeente
                                    aan betrokkenen ter beschikking gestelde
                                    internetfaciliteiten.</al></li><li nr="g"><al><vet>Elektronische communicatiemiddelen</vet>: e-mail, internet
                                    of andere computerfaciliteiten</al></li><li nr="h"><al><vet>Persoonsgegeven</vet>: elk gegeven betreffende een
                                    geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon in de
                                    zin van de Wbp. </al></li><li nr="i"><al><vet>Verwerken van persoonsgegevens</vet>: elke handeling of
                                    geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens,
                                    waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen,
                                    bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken,
                                    verstrekken doormiddel van doorzending, verspreiding of enige
                                    andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar
                                    in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of
                                    vernietigen van gegevens. </al></li><li nr="j"><al><vet>Bestand</vet>: elk, al dan niet geautomatiseerd,
                                    gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit
                                    geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een
                                    functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde
                                    criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende
                                    personen. </al></li><li nr="k"><al><vet>Verantwoordelijke</vet>: het College van B en W, zijnde het
                                    bestuursorgaan dat het doel van en de middelen voor de
                                    verwerking van persoonsgegevens vaststelt.</al></li><li nr="l"><al><vet>Onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische
                                        communicatiemiddelen</vet>: een doen of nalaten in strijd
                                    met dit privacyreglement of andere wet- en regelgeving of een
                                    inbreuk op een recht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:2 Reikwijdte</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Dit privacyreglement is van toepassing op het verwerken van
                            persoonsgegevens inzake het gebruik van elektronische
                            communicatiemiddelen. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Dit privacyreglement geldt voor medewerkers in dienst van de gemeente en
                            personen die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de gemeente
                            verrichten, anders dan in ambtelijk dienstverband. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:3 Doeleinden</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De verwerking van persoonsgegevens inzake het gebruik van de
                            elektronische communicatiemiddelen heeft de volgende doeleinden: </al><lijst><li nr="a"><al>het verkrijgen van inzicht in de mate van gebruik van de
                                    elektronische communicatiemiddelen; </al></li><li nr="b"><al> het voorkomen van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de
                                    elektronische communicatiemiddelen. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De omvang van de controle ter voorkoming van onrechtmatig gebruik, dan
                            wel misbruik van elektronische communicatiemiddelen als bedoeld in het
                            eerste lid sub b, wordt zo beperkt mogelijk gehouden, in die zin dat
                            deze in redelijke verhouding staat tot het doel waarvoor deze wordt
                            aangewend. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:4 Verantwoordelijkheden en beheer</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Door de verantwoordelijke worden de nodige maatregelen getroffen, opdat
                            persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt,
                            juist en nauwkeurig zijn.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Door de verantwoordelijke worden passende technische en organisatorische
                            maatregelen ten uitvoer gelegd om persoonsgegevens te beveiligen tegen
                            verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Door de verantwoordelijke worden één of meerdere systeembeheerders
                            aangewezen die belast zijn met het beheer van het (de) bestand(en). Deze
                            systeembeheerders zijn, op grond van artikel 125a, derde lid,
                            Ambtenarenwet, verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens
                            waarvan zij kennisnemen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift
                            hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling
                            voortvloeit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:5 Gebruik elektronische
                                communicatiemiddelen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Betrokkenen gebruiken de elektronische communicatiemiddelen primair voor
                            het uitvoeren van de aan hen door de gemeente opgedragen taken.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Incidenteel privégebruik van de elektronische communicatiemiddelen door
                            betrokkenen is toegestaan mits dit gebruik in overeenstemming is met dit
                            privacyreglement en dit gebruik in geen geval storend is voor dan wel
                            ten koste gaat van het uitvoeren van de aan hen door de gemeente
                            opgedragen taken.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het is betrokkenen niet toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten
                            kettingbrieven te versturen of pornografisch materiaal te versturen of
                            op te vragen, dan wel dreigende, seksueel intimiderende, racistische of
                            discriminerende opmerkingen te maken. Evenmin is het betrokkenen
                            toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten illegale software te
                            verzenden of op te vragen, dan wel bestanden zonder voorafgaand overleg
                            met de systeembeheerder(s) te verzenden of op te vragen waarvan
                            betrokkene redelijkerwijs moet aannemen dat deze te omvangrijk zijn. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het is betrokkenen niet toegestaan met behulp van de
                            internetfaciliteiten bewust internetsites die pornografisch, dan wel
                            racistisch materiaal bevatten te bezoeken, mee te doen in chat-sessies,
                            online te gokken, illegale software te downloaden dan wel zonder
                            voorafgaand overleg met de systeembeheerder(s) bestanden te downloaden
                            waarvan betrokkene redelijkerwijs moet aannemen dat deze te omvangrijk
                            zijn. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Mails gericht aan iedereen binnen de gemeente Amersfoort worden
                            verzonden aan de helpdesk, die deze om 00.00 uur verzendt.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Indien betrokkenen met gebruik van de internetfaciliteiten handelingen
                            verrichten die als e-mailtoepassingen zijn te kwalificeren, dan zijn de
                            bepalingen van artikel 5, derde en vijfde lid, van overeenkomstige
                            toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Betrokkenen zullen bij het gebruik van de elektronische
                            communicatiemiddelen de nodige zorgvuldigheid betrachten en de
                            integriteit en goede naam van de gemeente waarborgen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:6 Voorkomen onrechtmatig gebruik dan wel
                                misbruik</titel></kop><al>De gemeente neemt zo veel mogelijk maatregelen in technische zin ter
                            voorkoming van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de
                            elektronische communicatiemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:7 Vastlegging</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Elektronisch vastleggen van persoonsgegevens geschiedt (automatisch)
                            door de door de gemeente ingezette sofware. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De vastlegging beperkt zich tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor
                            de doeleinden van de verwerking als bedoeld in 30c:1:1:3 te weten: </al><lijst><li nr="a"><al> voor het verkrijgen van inzicht in de mate van gebruik van de
                                    elektronische communicatiemiddelen worden alleen stroom- en
                                    soortgegevens vastgelegd; </al></li><li nr="b"><al> voor het voorkomen van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik
                                    van de elektronische communicatiemiddelen wordt het gebruik van
                                    de elektronische communicatiemiddelen op individueel en
                                    inhoudelijk niveau gevolgd. Dit geschiedt slechts bij een
                                    redelijk vermoeden van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik
                                    van de elektronische communicatiemiddelen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:8 Persoonsgegevens</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In de in 30c:1:1:7 genoemde vastlegging worden ten hoogste de volgende
                            persoonsgegevens opgenomen: </al><lijst><li nr="a"><al> gebruikersidentificatie, naam, voornaam of voorletters van de
                                    betrokkene; </al></li><li nr="b"><al> naam en/of codering van de sector, afdeling waaronder de
                                    betrokkene valt; </al></li><li nr="c"><al> gegevens over de toegang tot internet die door de gemeente is
                                    geboden aan de betrokkene, inclusief gebruikersnaam en internet
                                    protocoladres; </al></li><li nr="d"><al> gegevens betreffende de datum en het tijdstip van het openen en
                                    sluiten van de toegang tot internet door de betrokkene en
                                    gegevens betreffende de datum en het tijdstip van het verzenden,
                                    dan wel ontvangen van e-mailberichten door de betrokkene; </al></li><li nr="e"><al> gegevens, inclusief datum en tijdstip, betreffende de door de
                                    betrokkene bezochte internetsites (internet protocoladressen en
                                    (de onderdelen van) de webpagina's; </al></li><li nr="f"><al> de inhoud van de door de betrokkene verzonden, dan wel
                                    ontvangen e-mailberichten. </al></li><li nr="g"><al> de inhoud van de door de betrokkene op de computer opgeslagen
                                    gegevens.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien er een redelijk vermoeden bestaat van onrechtmatig gebruik, dan
                            wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen door betrokkene,
                            kan door de verantwoordelijke opdracht worden gegeven om de in het
                            eerste lid, sub e en/of f van dit artikel bedoelde, gegevens vast te
                            leggen en te verstrekken aan de personen bedoeld in artikel 30c:1:1:10.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:9 Bewaring en verwijdering</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De in artikel 30c:1:1:8, eerste lid, genoemde persoonsgegevens worden
                            maximaal zes maanden bewaard. Gegevens die ouder zijn dan zes maanden
                            worden automatisch verwijderd, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat
                            van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische
                            communicatiemiddelen in die periode. In dat geval worden de gegevens uit
                            die betreffende maand bewaard zolang dit in het kader van nader
                            onderzoek en eventueel te treffen maatregelen jegens een betrokkene
                            noodzakelijk is. Zodra een nader onderzoek is afgerond en dit niet leidt
                            tot maatregelen jegens een betrokkene worden de gegevens verwijderd. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien de systeembeheerder om technische redenen persoonsgegevens als
                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, niet kan verwijderen, wordt onder
                            verwijderen verstaan het niet meer verstrekken van deze gegevens voor de
                            in artikel 30c:1:1:3 geformuleerde doeleinden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:10 Personen aan wie persoonsgegevens worden
                                verstrekt</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De vastgelegde persoonsgegevens worden, na bewerking, verstrekt aan: </al><lijst><li nr="a"><al>Hoofden van afdelingen om inzicht te verkrijgen in de mate van
                                    gebruik van de elektronische communicatiemiddelen. Het betreft
                                    hier dan slechts de gegevens als bedoeld in artikel 30c:1:1:8,
                                    eerste lid, sub a tot en met d in geaggregeerde, niet tot de
                                    persoon herleidbare vorm;</al></li><li nr="b"><al> de verantwoordelijke indien er een redelijk vermoeden bestaat
                                    van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische
                                    communicatiemiddelen. Het betreft hier dan de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 30c:1:1:8, eerste lid; </al></li><li nr="c"><al> degene(n) die op verzoek van de verantwoordelijke is (zijn)
                                    belast met of leiding geeft (geven) aan onderzoek naar
                                    onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische
                                    communicatiemiddelen. Het betreft hier dan de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 30c:1:1:8, eerste lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:11 Rechten van betrokkene</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Aan de betrokkene die daarom aan verantwoordelijke verzoekt, wordt een
                            overzicht verschaft van de hem/haar betreffende persoonsgegevens die
                            worden verwerkt. Indien een belang van de verzoeker dit eist, voldoet de
                            verantwoordelijke aan dit verzoek in een andere dan schriftelijke vorm,
                            die aan dat belang is aangepast.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Degene aan wie overeenkomstig het eerste lid kennis is gegeven van de
                            hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken
                            deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen
                            indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van
                            de verwerking onvolledig of niet ter zaken dienend zijn, dan wel
                            anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het
                            verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst
                            van het in het tweede lid genoemde verzoek schriftelijk of, dan wel in
                            hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed. Een
                            beslissing op een verzoek geldt als een besluit in de zin van artikel
                            1:3, Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De verantwoordelijke draagt er zorg voor dat een beslissing tot
                            verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk
                            wordt uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:12 Sancties</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Overtreding van dit privacyreglement kan voor medewerkers in dienst van
                            de gemeente resulteren in disciplinaire maatregelen als bedoeld in de
                            arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Overtreding van dit privacyreglement kan voor personen die (betaalde of
                            niet-betaalde)werkzaamheden voor de gemeente verrichten, anders dan in
                            ambtelijk dienstverband, resulteren in:</al><lijst><li nr="-"><al>maatregelen waardoor deze personen, al dan niet tijdelijk, geen
                                    beschikking meer hebben over (een deel van) de elektronische
                                    communicatiemiddelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:13 Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen waarin dit privacyreglement niet voorziet of bij twijfel
                            omtrent de toepassing van dit privacyreglement beslist de
                            verantwoordelijke.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:14 Openbaarmaking en inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit privacyreglement wordt verstrekt of ter beschikking gesteld aan
                            degenen die, direct of indirect, de beschikking krijgen over
                            elektronische communicatiemiddelen.</al><al>Dit privacyreglement treedt in werking op 1 december 2002.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30c:1:1:15 Slotbepaling</titel></kop><al>Onverminderd het bepaald in dit privacyreglement, zal op het verwerken
                            van persoonsgegevens de op 1 september 2001 in werking getreden Wbp van
                            toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>30c:1:1:0 Algemeen</titel></kop><al>De werkgever kan met technische hulpmiddelen het gebruik van e-mail en
                            internet op de werkplek volgen. Er kan dus gekeken worden hoe vaak
                            iemand gebruik maakt van e-mail en internet en ook wat er via e-mail
                            wordt verstuurd en welke sites op internet worden bezocht. Dat volgen
                            kan voor de organisatie nodig zijn, maar daarbij kan ook inbreuk worden
                            gemaakt op de privacy van de medewerkers. De Wet bescherming
                            persoonsgegevens regelt de bescherming van de privacy. De manier waarop
                            de gemeente omgaat met het volgen van e-mail en internet gebruik moet
                            daarom voldoen aan de voorschriften van die wet.</al><al>Dit reglement is daarom voor een groot deel toegespitst op de
                            voorschriften van de Wet bescherming persoonsgegevens. Veel bepalingen
                            gaan over welke gegevens mogen worden geregistreerd, hoe lang ze bewaard
                            mogen worden en aan wie de verzamelde gegevens mogen worden verstrekt.
                            De gegevens over een individuele medewerker moeten op zijn verzoek aan
                            hem verstrekt worden. Hij kan vragen om deze gegevens te verwijderen of
                            te wijzigen bijv. als ze niet juist zijn. </al><al>Verder zijn in dit reglement de volgende voorschriften opgenomen over
                            het gebruik van de computer door de medewerkers:</al><lijst><li nr="-"><al> De computer op de werkplek, incl. e-mail en internet, dient
                                    primair gebruikt te worden voor het uitvoeren van de opgedragen
                                    werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al> De computer op de werkplek, incl. e-mail en internet, mag
                                    incidenteel gebruikt worden voor privédoeleinden, maar dat mag
                                    niet storend zijn voor of ten koste gaan van de opgedragen
                                    werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al> De computer op de werkplek, incl. e-mail en internet mag o.m.
                                    niet gebruikt worden voor pornografisch, discriminerend of
                                    racistisch materiaal;</al></li><li nr="-"><al> Er mogen geen e-mail aan iedereen worden verzonden</al></li><li nr="-"><al> Bij het gebruik van de computer, inclusief e-mail en internet,
                                    moet de nodige zorgvuldigheid betracht worden om de integriteit
                                    en de goede naam van gemeente te waarborgen. </al></li></lijst><al>Heeft een leidinggevende het vermoeden dat een medewerker zijn computer,
                            of de e-mail of internet gebruikt in strijd met bovengenoemde
                            voorschriften, dan kan hij de medewerker hierop aanspreken en hem erop
                            wijzen dat het computergebruik kan worden gecontroleerd.</al><al>Bij overtreding van de voorschriften over het computergebruik kunnen er
                            disciplinaire maatregelen worden genomen. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>31 Stageregeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:1 Doel van de stage</titel></kop><al>Een stage is een middel om doelen te realiseren van het onderwijs, van
                            stagiair en van de gemeente:</al><lijst><li nr="a"><al>voor het onderwijs is het doel het bevorderen van
                                    praktijkgericht onderwijs;</al></li><li nr="b"><al>de stagiair heeft als doel de beroepskeuze en de integratie
                                        <cursief>van</cursief> beroep en praktijk;</al></li><li nr="c"><al>voor de gemeente is het doel bij te dragen
                                        <cursief>aan</cursief> de realisering van de doelen van het
                                    onderwijs en de stagiair en het verkrijgen van een product.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:2 Procedure</titel></kop><al>De hoogste leidinggevende van een afdeling beslist over het aangaan van
                            een stageovereenkomst na advies te hebben ingewonnen bij de
                            P&amp;O-adviseur. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:3 Criteria</titel></kop><al>Een beslissing over een stageverzoek wordt genomen op basis van de
                            volgende criteria:</al><lijst><li nr="a"><al> de aard van het onderwijs en de kennis van de stagiair sluiten
                                    aan bij de te verrichten werkzaamheden bij de gemeente
                                    Amersfoort;</al></li><li nr="b"><al> de stage past in het onderwijsprogramma en bij de kennis en de
                                    vaardigheden van de stagiair;</al></li><li nr="c"><al> zowel door de onderwijsinstelling als door de gemeente wordt
                                    stagebegeleiding gegeven;</al></li><li nr="d"><al>er is budget voor de te betalen vergoeding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:4 Stageprogramma en begeleiding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Met de stagiair en de onderwijsinstelling worden afspraken gemaakt over
                            de duur en de inhoud van de stage. Deze afspraken worden schriftelijk
                            vastgelegd in de stageovereenkomst.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Naast de begeleiding vanuit de onderwijsinstelling <cursief>zorgt
                                ook</cursief> de gemeentelijke organisatie <cursief>voor</cursief>
                            een goede begeleiding van de stagiair, <cursief>opdat de
                                stagiair</cursief> zo goed mogelijk zijn stageopdracht kan
                            vervullen. Zo nodig vindt er gedurende de stage bijsturing plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:5 Stagevergoeding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De stagiair ontvangt bij een stage die ten minste twee weken duurt een
                            maandelijkse stagevergoeding ter hoogte van het bedrag genoemd in
                            bijlage 10. De hoogte van de vergoeding is gekoppeld aan het
                            opleidingsniveau. Zij wordt jaarlijks bijgesteld conform de
                            “consumentenprijsindex alle huishoudens” zoals die wordt gepubliceerd
                            door het Centraal Planbureau.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De stagevergoeding is gebaseerd op een fulltime-stage, dat wil zeggen 36
                            uur per week. Bij een deeltijdstage wordt naar rato vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien de stagiair niet kan beschikken over een OV-kaart ontvangt hij
                            een reiskostenvergoeding op basis van openbaar vervoer, tweede
                            klasse.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:6 Rechtspositie stagiair</titel></kop><al>De rechtspositie van de stagiair is geregeld in de stageovereenkomst die
                            is geschoeid op de leest van de modelovereenkomst zoals vastgelegd in
                            artikel 31:2:1:1 van de ARGA.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:7 Stageregeling</titel></kop><al>De regeling kan worden aangehaald als “Stageregeling gemeente Amersfoort
                            2008”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:2:1:1 Stageovereenkomst</titel></kop><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Stageovereenkomst" type="tekst" id="i290039"></illustratie></plaatje></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:4</titel></kop><al>De stagiair is geen ambtenaar en geen werknemer, maar een student. De
                            ARGA is niet op hem van toepassing. Zijn rechtspositie ligt vast in de
                            individuele stageovereenkomst. In artikel 31:2:1:1 is de
                            modelovereenkomst opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31:1:1:5</titel></kop><al>Stagiairs die langer dan twee kalenderweken stage lopen ontvangen een
                            stagevergoeding. Alle stagiairs (ook bij stage korter dan twee weken)
                            komen in aanmerking voor de reiskostenvergoeding van lid 3 van dit
                            artikel.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>32 Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke
                            overheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bevoegdgezag</vet>: het bestuursorgaan van de gemeente dat
                                    bevoegd is tot afdoening van een klacht met betrekking tot
                                    ongewenst gedrag;</al></li><li nr="b"><al><vet>commissie</vet>: de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst
                                    Gedrag voor de decentrale overheid; </al></li><li nr="c"><al><vet>gemeente</vet>: de gemeente of gemeentelijke instelling die
                                    zich heeft aangesloten bij de commissie en deze regeling van
                                    toepassing heeft verklaard op de behandeling van klachten op het
                                    gebied van ongewenst gedrag;</al></li><li nr="d"><al><vet>ongewenst gedrag</vet>: gedrag dat valt binnen de begrippen
                                    discriminatie, (seksuele) intimidatie zoals verwoord in artikel
                                    1, 1 a en 2 van de Algemene wet gelijke behandeling en agressie
                                    geweld en pesten zoals bedoeld in de Arbowet artikel 3 lid 2 jo.
                                    artikel 1 lid 3 sub e en f; </al></li><li nr="e"><al><vet>klacht</vet>: een door de klager ondertekend en van naam-
                                    en adresgegevens voorzien geschrift waarin het jegens hem
                                    ongewenste gedrag waarop de klacht betrekking heeft is
                                    omschreven, behoudens een klacht op grond van artikel 32:1:1:13
                                    van deze regeling;</al></li><li nr="f"><al><vet>klager</vet>: een persoon, niet zijnde een politieke
                                    ambtsdrager van de gemeente, die werkzaam is of werkzaam is
                                    geweest in de organisatie van de gemeente en een klacht over
                                    ongewenst gedrag indient; </al></li><li nr="g"><al><vet>aangeklaagde</vet>: een persoon, niet zijnde een politieke
                                    ambtsdrager van de gemeente, die werkzaam is of werkzaam is
                                    geweest in de organisatie van de gemeente en over wiens gedrag
                                    geklaagd wordt;</al></li><li nr="h"><al><vet>informant</vet>: degene die namens het bevoegd gezag
                                    informatie verstrekt aan de commissie; </al></li><li nr="i"><al><vet> getuigen</vet>:andere dan onder h. genoemde personen die
                                    door de commissie worden verzocht informatie te
                                    verstrekken;</al></li><li nr="j"><al><vet>vertrouwenspersoon</vet>: de persoon als bedoeld in artikel
                                    32:1:1:3 van deze regeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:2 Klachten over politiek ambtsdragers</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan in afwijking artikel 32:1:1:1 onder g. de
                            commissie ad hoc belasten met onderzoek naar- en advies over een klacht,
                            die betrekking heeft op ongewenst gedrag van een politiek ambtsdrager
                            van de gemeente jegens klager.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:3 Vertrouwenspersoon</titel></kop><al>Het college wijst een of meerdere vertrouwenspersonen aan. Deze
                            vertrouwenspersonen zijn deskundig op het gebied van ongewenste
                            omgangsvormen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:3a Taken vertrouwenspersoon</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De vertrouwenspersoon heeft de volgende taken:</al><lijst><li nr="-"><al>eerste opvang van klager;</al></li><li nr="-"><al> bijstaan, begeleiden en adviseren van klager en zo nodig
                                    verwijzen;</al></li><li nr="-"><al> in overleg met klager trachten te komen tot oplossing van de
                                    problemen;</al></li><li nr="-"><al> ondersteunen van klager bij het indienen van een klacht bij de
                                    klachtencommissie of – indien het een strafbaar feit betreft
                                    (aanranding, verkrachting, mishandeling) bij het doen van
                                    aangifte bij de politie.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De vertrouwenspersoon verricht geen handelingen ter uitvoering van zijn
                            taak dan met toestemming van klager.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:3b Overige taken vertrouwenspersoon</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De vertrouwenspersoon houdt een registratie bij van alle bij hem
                            ingediende meldingen van ongewenste omgangsvormen en de afdoening ervan.
                            De vertrouwenspersoon verstrekt jaarlijks een geanonimiseerd overzicht
                            van het aantal klachten en de afdoening ervan aan het college. De
                            stukken behorend bij een melding worden drie jaar na afdoening
                            vernietigd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De vertrouwenspersoon kan de dienstleiding gevraagd en ongevraagd
                            adviseren op het gebied van preventie en bestrijding van ongewenste
                            omgangsvormen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:4 Taakstelling en samenstelling van de
                                commissie</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De commissie heeft tot taak een klacht te onderzoeken en daarover advies
                            uit te brengen aan het bevoegd gezag.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Uit de commissie worden door de voorzitter van de commissie drie leden
                            aangewezen om een klacht te onderzoeken, waaronder een
                            (plaatsvervangend) voorzitter.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Deze leden beslissen bij gewone meerderheid van stemmen over het uit te
                            brengen advies. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Een lid wordt vervangen als deze direct of indirect betrokken is geweest
                            bij enige vorm van ongewenst gedrag waarover de klacht is ingediend dan
                            wel een persoonlijk belang heeft bij de afhandeling van de
                            klacht.Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden
                            en hun plaatsvervangers geschiedt door de voorzitter van het College
                            voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden en hun
                            plaatsvervangers geschiedt door de voorzitter van het College voor
                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor
                            een periode van zes jaar.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>De commissie kan een nadere werkwijze bepalen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:5 Secretaris en administratie</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De voorzitter van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                            Nederlandse Gemeenten wijst na overleg met de voorzitter van de
                            commissie een secretaris en een of meer plaatsvervangend secretarissen
                            aan.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De administratie ten behoeve van de commissie wordt gevoerd door het
                            secretariaat van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                            Nederlandse Gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:6 Indienen van de klacht</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De klager kan de klacht zowel rechtstreeks bij de commissie indienen als
                            bij het bevoegd gezag.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De klager vermeldt in de klacht zo mogelijk de datum, tijd, plaats van
                            het ongewenst gedrag, de omstandigheden, de namen van aangeklaagde en
                            eventuele getuigen, alsmede de stappen die klager reeds heeft
                            ondernomen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien de klager de klacht indient bij het bevoegd gezag, bevestigt het
                            bevoegd gezag de ontvangst van de klacht aan de klager en vermeldt
                            daarbij dat de klacht zal worden doorgezonden naar de commissie die het
                            bevoegd gezag over de afhandeling zal adviseren. Het bevoegd gezag zendt
                            de klacht, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo
                            spoedig mogelijk door aan de commissie. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De commissie bevestigt de ontvangst van de klacht aan de klager en stelt
                            hem op de hoogte van de termijnen en de wijze van afdoening van de
                            klacht. Tevens informeert de commissie het bevoegd gezag binnen twee
                            weken, dat een klacht is ontvangen. Indien de klacht rechtstreeks bij de
                            commissie is ingediend bevat de melding aan het bevoegd gezag geen
                            persoonsgegevens van klager, beklaagde of getuigen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:7 In behandeling nemen van de klacht</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van de commissie alle op de
                            klacht betrekking hebbende gegevens, waaronder de gemeentelijke
                            klachtenregeling, de contact- en functiegegevens van de klager en de
                            aangeklaagde, een overzicht van eventueel binnen de gemeente ondernomen
                            stappen en reeds geproduceerde stukken met betrekking tot de
                            klacht.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien verplichte
                            stappen uit de gemeentelijke klachtenprocedure niet zijn doorlopen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De commissie verklaart de klacht niet ontvankelijk indien deze niet valt
                            binnen de begripsbepalingen van artikel 32:1:1:1 onder c, d, e, f en g
                            van deze regeling. De commissie brengt de klager binnen twee weken na
                            ontvangst van de klacht hiervan schriftelijk op de hoogte.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Ingeval lid 2 van toepassing is brengt de commissie klager- en in geval
                            lid 3 van toepassing is klager en het bevoegd gezag binnen twee weken na
                            ontvangst van de klacht schriftelijk op de hoogte van het niet in
                            behandeling nemen (lid 2) of de niet ontvankelijkheid (lid 3) van de
                            klacht.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De commissie kan de klacht voorts niet in behandeling nemen indien:</al><lijst><li nr="a"><al> de klacht niet binnen een redelijke termijn nadat het
                                    ongewenste gedrag heeft plaatsgevonden aan de commissie is
                                    voorgelegd;</al></li><li nr="b"><al>er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 9:8,
                                    eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht. </al></li><li nr="c"><al>wanneer niet in voldoende mate voldaan is aan het bepaalde in
                                    artikel 32:1:1:6 lid 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:8 Onderzoek naar de klacht</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien de commissie dit voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk
                            acht stelt zij een onderzoek in.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Ten behoeve van het onderzoek is de commissie bevoegd bij het bevoegd
                            gezag alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar
                            advies nodig acht. Het bevoegd gezag verschaft de commissie de gevraagde
                            inlichtingen en stelt de commissie desgevraagd in de gelegenheid de
                            werkomgeving te aanschouwen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag stelt personen werkzaam binnen de organisatie van
                            gemeente in de gelegenheid te worden gehoord.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Personen als bedoeld in lid 3 die door de commissie worden opgeroepen,
                            zijn verplicht te verschijnen.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De commissie kan het bevoegd gezag adviseren tussentijdse maatregelen te
                            nemen indien en voor zover dit in het belang is van het onderzoek of van
                            de positie van de in het onderzoek betrokken personen.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De commissie kan op verzoek van klager en op door klager te motiveren
                            gronden de behandeling van de klacht voor een periode van ten hoogste
                            twee maanden opschorten. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:9 Horen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Alvorens een advies uit te brengen stelt de commissie de klager, de
                            aangeklaagde en zo nodig de informant en getuigen in de gelegenheid om
                            te worden gehoord. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter
                            of een ander lid van de commissie of aan beiden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Van het horen kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond
                            is. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Van het horen wordt een verslag gemaakt.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De zittingen vinden zoveel mogelijk plaats op een voor partijen goed
                            bereikbare locatie die voldoende rust en discretie biedt aan alle
                            betrokkenen.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De commissie zendt tijdig voorafgaand aan de hoorzitting aan de
                            aangeklaagde - en voor zover nodig aan klager en informant - een
                            afschrift van de klacht en van andere stukken die op de klacht
                            betrekking hebben. </al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>De commissie hoort de klager, de aangeklaagde en de getuigen in beginsel
                            buiten elkaars aanwezigheid. De commissie stelt klager en aangeklaagde
                            in de gelegenheid van elkaars zienswijzen, alsmede van de inhoud van de
                            hoorgesprekken met de informant en/of de getuigen kennis te nemen en
                            daarop te reageren. </al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al>De klager en aangeklaagde kunnen zich op eigen kosten ter zitting laten
                            bijstaan door een (raads)persoon.</al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al>De commissie is bevoegd om getuigen, andere betrokkenen en deskundigen
                            schriftelijk of mondeling te raadplegen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:10 Omgang met persoonsgegevens</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De commissie verzamelt en verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die
                            noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een advies. Bij de verwerking
                            van persoonsgegevens zorgt de commissie voor beveiliging van de gegevens
                            tegen verlies en onrechtmatige verwerking.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor de commissie alsmede de secretaris geldt de plicht tot
                            geheimhouding van persoonsgegevens voor zover overdracht van informatie
                            niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak van de commissie.
                            Wanneer de inhoud van bepaalde informatie uitsluitend ter kennisneming
                            door de commissie dient te blijven wordt dit aan de commissie
                            meegedeeld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De commissie wijst personen die worden gehoord of geraadpleegd op de
                            vertrouwelijkheid van hetgeen ter zitting aan de orde komt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:11 Advies over de klacht</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht door de
                            commissie advies uit aan het bevoegd gezag over de gegrondheid van de
                            klacht vergezeld van een rapport van bevindingen. Het rapport bevat een
                            verslag van het horen. Een afschrift van het advies wordt aan klager en
                            aangeklaagde toegezonden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De commissie kan het bevoegd gezag verzoeken de in het eerste lid
                            genoemde termijn met 4 weken te verdagen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Met schriftelijke instemming van de klager kan de commissie het bevoegd
                            gezag op basis van artikel 9:11 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
                            verzoeken om verder uitstel.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>In het advies kunnen aanbevelingen worden gedaan over door het bevoegd
                            gezag te nemen maatregelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:12 Afdoening van de klacht</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag handelt de klacht binnen tien weken na ontvangst van
                            het klaagschrift af. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag kan op verzoek van de commissie de afdoening voor ten
                            hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk
                            mededeling gedaan aan klager en aangeklaagde. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 32:1:1:11, lid 2 en 3, stelt het
                            bevoegd gezag binnen twee weken na ontvangst van het advies van de
                            commissie bedoeld in artikel 32:1:1:11, lid 1, klager en aangeklaagde
                            schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn besluit alsmede de
                            conclusies die het daaraan verbindt. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag zendt een afschrift van het ter afdoening van de
                            klacht genomen besluit naar de commissie. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:13 Klachten betreffende het functioneren van de
                                commissie</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Ingeval een klager of het bevoegd gezag een klacht heeft over enig
                            handelen of nalaten van de commissie betreffende de uitvoering van haar
                            taak, wordt deze klacht behandeld door tenminste twee leden uit de
                            commissie die niet aan het betreffende onderzoek hebben
                            deelgenomen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voornoemde leden doen binnen vier weken na ontvangst van de klacht,
                            bedoeld in lid 1 uitspraak over de (on)gegrondheid daarvan. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:14 Jaarverslag</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Jaarlijks wordt een verslag opgesteld door de commissie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met in achtneming van de
                            terzake geldende wettelijke bepalingen vermeld:</al><lijst><li nr="a"><al> het aantal klachten dat de commissie heeft ontvangen; </al></li><li nr="b"><al> het aantal niet-ontvankelijk, (gedeeltelijk) gegrond en
                                    ongegrond geachte klachten;</al></li><li nr="c"><al> de aard van de klachten; </al></li><li nr="d"><al> statistische gegevens over klagers, aangeklaagden en de
                                    doorlooptijd van de adviezen;</al></li><li nr="e"><al> aanbevelingen en tendensen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het verslag wordt gepubliceerd op de website van de VNG.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:15 Inwerkingtreding </titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ‘Klachtenregeling ongewenst gedrag voor de decentrale overheid 2015’
                            treedt in werking op 1 januari 2015.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke
                            overheid wordt ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van de
                            Klachtenregeling ongewenst gedrag voor de decentrale overheid 2015.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In een schrijven d.d. 29 januari 2015 met kenmerk or/4885778 heeft de
                            Ondernemingsraad instemming verleend aan de Klachtenregeling ongewenst
                            gedrag voor de decentrale overheid 2015. </al></artikel><artikel><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Deze regeling voorziet in de instelling en procedure van de
                            Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid. Deze
                            landelijke commissie geeft advies aan het bevoegd gezag van aangesloten
                            gemeenten met betrekking tot klachten op het gebied van ongewenst
                            gedrag. Bij afzonderlijk besluit kunnen gemeenten zich op vrijwillige
                            basis aansluiten bij de commissie. Ook instellingen zoals gemeentelijke
                            samenwerkingsverbanden kunnen zich aansluiten bij de commissie.</al><tussenkop><onderstreept>Arbeidsomstandighedenwet</onderstreept></tussenkop><al>Uitgangspunt bij de regelgeving over ongewenst gedrag is de
                            verantwoordelijkheid van de werkgever voor een veilige werkomgeving en
                            de plicht werknemers te beschermen tegen discriminatie, seksuele
                            intimidatie, agressie, geweld en pesten. Dit is neergelegd in de
                            Arbeidsomstandighedenwet. In artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet
                            is neergelegd dat de werkgever zorgt voor de veiligheid en gezondheid
                            van de werknemers en een beleid voert gericht op het voorkomen, en
                            indien dat niet mogelijk is, beperken van psychosociale
                            arbeidsbelasting. Ook bij het ontbreken van een (aanwijsbare)
                            veroorzaker van ongewenst gedrag blijft de werkgever
                            verantwoordelijkheid dragen voor het doen ophouden van ongewenst gedrag.
                            De term ‘psychosociale arbeidsbelasting’ is een nieuw begrip dat in de
                            wet als volgt is gedefinieerd: “de factoren direct of indirect
                            onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie, agressie en geweld,
                            pesten en werkdruk in de arbeidssituatie die stress teweeg brengen”. De
                            begripsbepaling ongewenst gedrag in deze klachtenregeling verwijst naar
                            de omschrijving van deze begrippen in de Arbeidsomstandighedenwetgeving. </al><tussenkop><onderstreept>Algemene wet bestuursrecht</onderstreept></tussenkop><al>De verantwoordelijkheid van de werkgever komt ook tot uitdrukking in de
                            Algemene wet bestuursrecht waarin bepaald is dat een gedraging van een
                            persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan
                            wordt aangemerkt als een gedraging van dat bestuursorgaan (artikel 9:1,
                            lid 2). De procedure van de Klachtencommissie ongewenst gedrag is deels
                            gebaseerd op hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over
                            klachtbehandeling door een bestuursorgaan. Het gaat in de Awb in de
                            eerste plaats om klachten van burgers, maar het kan ook gaan om klachten
                            van ambtenaren tegen het bestuursorgaan als werkgever, zoals een klacht
                            over ongewenst gedrag. De Awb bevat minimumeisen voor behoorlijke
                            klachtafhandeling. Op grond van de Awb is het bevoegd gezag
                            verantwoordelijk voor de afdoening van de klacht. Het kan daarbij
                            gebruikmaken van een klachtenadviesinstantie, zoals de landelijke
                            Klachtencommissie ongewenst gedrag. Deze commissie geeft een advies op
                            basis waarvan een bestuursorgaan de klacht afhandelt. Het advies van de
                            commissie maakt deel uit van de interne klachtenprocedure. </al><al>De Awb regelt voorts het recht van een klager om zich na interne
                            behandeling van een klacht tot een externe adviesinstantie te wenden
                            zoals de Ombudsman.</al><tussenkop><onderstreept>Gelijke behandelingswetgeving</onderstreept></tussenkop><al>Het wettelijk kader met betrekking tot (seksuele) intimidatie wordt
                            daarnaast gevormd door de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet
                            gelijke behandeling mannen en vrouwen. In het kader van de gelijke
                            behandelingswetgeving wordt (seksuele) intimidatie beschouwd als het
                            maken van onderscheid, hetgeen verboden is. In de Wet gelijke
                            behandeling mannen en vrouwen is opgenomen dat het verbod op direct
                            onderscheid tussen mannen en vrouwen ook het verbod op intimidatie en
                            seksuele intimidatie omvat. Dit leidt tot een versterking van de
                            rechtspositie van de werknemer tegen ongelijke behandeling op grond van
                            geslacht, waaronder (seksuele) intimidatie. Dit maakt het noodzakelijker
                            voor werkgevers om maatregelen ter voorkoming van (seksuele) intimidatie
                            te nemen en adequaat te reageren op signalen van (seksuele) intimidatie.
                            Zulke maatregelen zijn onder meer het instellen van een
                            vertrouwenspersoon en een klachtenprocedure. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:1</titel></kop><tussenkop><onderstreept>Artikel 32:1:1:1 sub a: bevoegd gezag</onderstreept></tussenkop><al>Het college, de raad, gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van
                            het waterschap is bevoegd om besluiten te nemen over de afdoening van
                            klachten. Deze bevoegdheid kan gemandateerd zijn aan een ambtenaar,
                            bijvoorbeeld een diensthoofd.</al><tussenkop><onderstreept>Artikel 32:1:1:1 sub b: commissie</onderstreept></tussenkop><al>De klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid
                            heet nu vanwege uitbreiding van het werkgebied klachtencommissie
                            ongewenst gedrag voor de decentrale overheid.</al><tussenkop><onderstreept>Artikel 32:1:1:1 sub c: decentrale overheid en aangesloten
                                organisatie</onderstreept></tussenkop><al>Vanwege verbreding van het werkgebied is de omschrijving verbreed en het
                            begrip “aangesloten organisatie” opgenomen. Ook organisaties die geen
                            onderdeel uitmaken van de decentrale overheid kunnen zich aansluiten. </al><tussenkop><onderstreept>Artikel 32:1:1:1 sub d: ongewenst gedrag </onderstreept></tussenkop><al>Het begrip “ongewenst gedrag” dient ruim te worden geïnterpreteerd. Alle
                            vormen van verbale, fysieke en psychische agressie worden tot ongewenst
                            gedrag gerekend, waaronder ook sociale uitsluiting, negeren, pesten. Ter
                            toelichting dient de omschrijving van de begrippen discriminatie,
                            seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten uit de memorie van
                            toelichting op de Arbeidsomstandighedenwet zoals deze luidt per 1
                            januari 2009. De factoren “direct en indirect” onderscheid met inbegrip
                            van seksuele intimidatie en agressie en geweld, pesten en werkdruk
                            vallen onder het begrip psychosociale arbeidsbelasting. (…) Onder
                            psychosociale arbeidsbelasting worden factoren in de arbeidssituatie
                            verstaan, die stress veroorzaken. </al><al>Onder seksuele intimidatie wordt verstaan enige vorm van verbaal,
                            non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of
                            gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het
                            bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende
                            of kwetsende situatie wordt gecreëerd. (…) Seksuele intimidatie, kan
                            zich voordoen in een aantal verschijningsvormen. Het kan gaan om
                            dubbelzinnige opmerkingen, onnodig aanraken, gluren, pornografische
                            afbeeldingen op het werk, maar ook om aanranding en verkrachting. De
                            definitie van seksuele intimidatie geeft tevens aan dat hieronder moeten
                            worden verstaan de gevallen waarin sprake kan zijn van seksuele
                            chantage, zodanig dat de kans op promotie en beslissingen over het werk
                            afhangt van verrichte seksuele diensten. Door dit gedrag kan een
                            vijandige of seksueel intimiderende en kwetsende omgeving ontstaan die
                            een aanslag is op de waardigheid van de betrokken werknemer. </al><al>Onder pesten wordt verstaan alle vormen van intimiderend gedrag met een
                            structureel karakter, van een of meerdere werknemers (collega’s,
                            leidinggevenden) gericht tegen een werknemer of een groep van werknemers
                            die zich niet kan of kunnen verdedigen tegen dit gedrag. Een belangrijk
                            element aangaande pesten op het werk is de herhaling van die gedraging
                            in de tijd. Het gaat bij pesten dus niet om een eenmalige gedraging. Dit
                            gedrag uit zich op verschillende manieren maar in het bijzonder
                            door:</al><lijst><li nr="-"><al> Sociaal isoleren </al></li><li nr="-"><al> Werken onaangenaam of onmogelijk maken </al></li><li nr="-"><al> Bespotten </al></li><li nr="-"><al> Roddelen/geruchten verspreiden </al></li><li nr="-"><al> Dreigementen </al></li><li nr="-"><al> Lichamelijk geweld </al></li><li nr="-"><al> Seksuele intimidatie </al></li></lijst><al>Deze opsomming is niet limitatief. Veelal is het doel van de dader om
                            opzettelijk een andere persoon te kwetsen, te vernederen en de
                            waardigheid van die persoon aan te tasten. </al><al>Onder agressie en geweld wordt verstaan voorvallen waarbij een werknemer
                            psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van
                            arbeid. Bij agressie en geweld gaat het om gedragingen van verbaal
                            geweld (uitschelden, beledigen) en fysiek geweld (schoppen, slaan, met
                            een wapen dreigen en/of overvallen worden). Het kan ook gaan om
                            psychisch geweld: bedreigen, intimideren, onder druk zetten,
                            thuissituatie bedreigen en het beschadigen van eigendommen.</al><al>Naast seksuele intimidatie, pesten, agressie en geweld wordt
                            uitdrukkelijk ook discriminatie tot ongewenst gedrag in de zin van deze
                            regeling gerekend. Voor uitleg van het begrip discriminatie wordt
                            verwezen naar de Algemene wet gelijke behandeling. Wettelijk is het
                            begrip discriminatie overigens niet gedefinieerd. De Awgb noemt de
                            gronden waarop het maken van onderscheid verboden is.</al><tussenkop><onderstreept>Artikel 32:1:1:1 sub e: klacht</onderstreept></tussenkop><al>Een klacht is schriftelijk en mag niet anoniem worden ingediend. Bij de
                            omschrijving van het begrip klacht is aangesloten op de
                            ontvankelijkheideisen die de Awb stelt. In artikel 32:1:1:6 van deze
                            regeling is opgenomen dat de klacht indien mogelijk nog nadere gegevens
                            bevat. </al><tussenkop><onderstreept>Artikel 32:1:1:1 sub f: klager</onderstreept></tussenkop><al>De personen die een beroep kunnen doen op de klachtenregeling dienen
                            werkzaam te zijn in de organisatie van de aangesloten organisatie. Dit
                            kan betreffen ambtenaren, arbeidscontractanten, medewerkers van de
                            griffie, stagiairs, gedetacheerden, personeel werkzaam op basis van
                            inhuur, uitzendkrachten, vrijwilligers bij de brandweer en andere
                            vrijwilligers. </al><al>Ten behoeve van de toepassing op medewerkers van de griffie dient de
                            raad c.q. provinciale staten een klachtenregeling vast te stellen of de
                            bevoegdheid tot vaststelling en uitvoering hiervan gedelegeerd te hebben
                            aan het bevoegd gezag.</al><al>Daarnaast is de regeling ook van toepassing op personen die in het
                            verleden werkzaam waren bij de aangesloten organisatie. De ervaring
                            leert dat er vaak pas na verloop van tijd een formele klacht over
                            ongewenst gedrag wordt geuit, soms pas na beëindiging van het
                            dienstverband. Voor de aangesloten organisatie als werkgever zijn
                            dergelijke klachten ook dan nog relevant. Behandeling van de klacht kan
                            aanleiding zijn om de aangeklaagde alsnog met maatregelen te
                            confronteren of om de werking van het beleid tegen ongewenst gedrag te
                            evalueren. </al><al>Niet binnen deze regeling vallen klachten van en over onderwijspersoneel
                            (in de zin van het rechtspositiebesluit onderwijspersoneel), politieke
                            ambtsdragers van de aangesloten organisatie en burgers. </al><tussenkop><onderstreept>Artikel 32:1:1:1 sub g: aangeklaagde </onderstreept></tussenkop><al>Net als de klager dient ook de aangeklaagde werkzaam te zijn of te zijn
                            geweest in de organisatie van de aangesloten organisatie. Voor de
                            aangeklaagde geldt dezelfde omschrijving als in het vorige lid. Ook een
                            klacht over een ex-medewerker kan relevant zijn voor de werkgever.
                            Opgemerkt wordt dat de behandeling van een klacht tegen een voormalig
                            medewerker zijn beperkingen kent omdat aan een voormalig medewerker niet
                            dezelfde verplichtingen kunnen worden opgelegd als een in dienst zijnde
                            medewerker of omdat een ex-medewerker niet meer te traceren is. </al><al>Zie voor klachten over politieke ambtsdragers ook de toelichting bij
                            artikel 32:1:1:2.</al><tussenkop><onderstreept>Overige niet binnen de regeling vallende klachten
                            </onderstreept></tussenkop><al>Met betrekking tot klachten over ongewenst gedrag die niet binnen deze
                            regeling vallen, bijvoorbeeld een mondelinge klacht, een klacht van een
                            derde of een klacht tegen een burger, geldt dat los van deze
                            klachtenregeling het bevoegd gezag op grond van de Algemene wet
                            bestuursrecht zorg dient te dragen voor een behoorlijke behandeling van
                            zowel mondelinge en schriftelijke klachten. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:2</titel></kop><al>De klachtenregeling is niet van toepassing op de burgemeester,
                            wethouders, raadsleden, de commissaris van de koningin, gedeputeerden,
                            leden van provinciale staten, dijkgraven, leden van het algemeen en
                            dagelijks bestuur van waterschappen, noch als klager noch als
                            aangeklaagde. De aangesloten organisatie heeft met bestuurders juridisch
                            een andere relatie dan met medewerkers. Anderzijds kan in de
                            (hiërarchische) relatie tussen een medewerker en een bestuurder sprake
                            zijn van ongewenst gedrag waartegen de medewerker beschermd dient te
                            worden. Om deze reden is in de regeling de mogelijkheid opgenomen dat
                            het bevoegd gezag in voorkomende gevallen een beroep kan doen op de
                            klachtencommissie voor het behandelen van een klacht over ongewenst
                            gedrag van een bestuurder (of gekozen lid). Indien van deze mogelijkheid
                            gebruik wordt gemaakt geldt de procedure uit deze regeling in beginsel
                            niet maar wordt de werkwijze zoveel mogelijk analoog toegepast. Het
                            bevoegd gezag en de klachtencommissie dienen ad hoc een procedure af te
                            spreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:3</titel></kop><al>In Amersfoort is de bedrijfsmaatschappelijk werker aangewezen als
                            vertrouwenspersoon. Als achtervang treedt het GIMD op. Bij afwezigheid
                            of ziekte van de bedrijfsmaatschappelijk werker kan men gebruik maken
                            van een van de bedrijfsmaatschappelijk werkers van het GIMD (tel.
                            058-2954777). Daarnaast is het hoofd P&amp;O aanspreekpunt voor mensen
                            die problemen hebben of denken te hebben bij de inschakeling van de
                            bedrijfsmaatschappelijk werker als vertrouwenspersoon. Zij treedt niet
                            op als vertrouwenspersoon, maar verzorgt de eerste opvang en zal
                            doorverwijzen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:3a</titel></kop><al>De vertrouwenspersoon heeft nogal wat mogelijkheden om een klacht te
                            behandelen. Dat kan variëren van een kort gesprekje met de klager,
                            waardoor deze de weg wordt gewezen om het probleem zelf op te lossen.
                            Tot een traject van gesprekken met klager en aangeklaagde om het
                            probleem op te lossen. Natuurlijk zijn daarbij de wensen van de klager
                            maatgevend. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:3b</titel></kop><al>In dit artikel zijn de meer algemene taken van de vertrouwenspersoon
                            neergelegd. Om te bevorderen dat er een duidelijk beeld ontstaat over
                            het voorkomen van ongewenste omgangsvormen moeten alle meldingen worden
                            geregistreerd, dus niet alleen de klachten. Een geanonimiseerd overzicht
                            hiervan wordt jaarlijks verstrekt. Dat gebeurt via het jaarverslag van
                            de bedrijfsmaatschappelijk werker. Dat jaarverslag wordt aan bestuur,
                            management en ondernemingsraad verstrekt. Mocht uit dat overzicht
                            blijken dat het bestaande beleid bijgestuurd moet worden dan kan de
                            vertrouwenspersoon gebruik maken van haar algemene
                            adviesbevoegdheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:4</titel></kop><al>De commissie fungeert als adviesorgaan van het bevoegd gezag bij
                            klachten over ongewenst gedrag indien het bevoegd gezag zich heeft
                            aangesloten bij de commissie en de regeling klachtencommissie lokaal
                            heeft vastgesteld. </al><al>Voor de samenstelling van de commissie wordt gebruik gemaakt van een
                            pool van deskundigen met ervaring in het behandelen van klachten over
                            ongewenst gedrag en discriminatie en met kennis van de decentrale
                            overheid. Afhankelijk van de aard van de ontvangen klacht wordt bij het
                            samenstellen van de commissie gekeken naar specifieke deskundigheid en
                            diversiteit (onder meer psychosociale, medische en juridische
                            deskundigheid, man-vrouw verhouding). Er wordt op toegezien dat de
                            betrokken commissieleden geen binding hebben met de organisatie waaruit
                            de klacht afkomstig is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:5</titel></kop><al>De klachtencommissie wordt bij de behandeling van een klacht inhoudelijk
                            ondersteund door een extern secretaris. Het algemeen secretariaat en de
                            administratie rondom aansluitingen en declaratie van de kosten van een
                            klachtenprocedure wordt gevoerd door het secretariaat van het College
                            voor Arbeidszaken van de VNG. Aangesloten organisaties maar ook
                            individuele medewerkers die overwegen een klacht in te dienen, kunnen
                            voor nadere informatie rechtstreeks contact opnemen met het secretariaat
                            van de commissie. College voor Arbeidszaken Postbus 30435 2500 GK Den
                            Haag 070 373
                            8530klachtencommissie.ongewenstgedrag@vng.nlwww.vng.nl/ongewenstgedrag</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:6</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de afhandeling van de klacht.
                            Het is in veel klachtenregelingen ongewenst gedrag echter gebruikelijk
                            dat een klager een klacht niet aan het bevoegd gezag adresseert maar
                            rechtstreeks aan de commissie. Ook in deze regeling is gekozen voor
                            rechtstreekse toegang tot commissie. Door middel van aansluiting bij de
                            commissie kan het bevoegd gezag de commissie machtigen klachten over
                            ongewenst gedrag rechtstreeks te ontvangen. Dit moet dan ook expliciet
                            in de lokale regeling staan. Mocht een klager zich met een klacht wenden
                            tot het bevoegd gezag, dan zendt het bevoegd gezag de klacht door naar
                            de commissie. Voor het bepalen van de termijnen geldt de ontvangstdatum
                            van een rechtstreekse melding bij de commissie dan wel, indien de klacht
                            is ingediend bij het bevoegd gezag, de datum waarop het bevoegd gezag de
                            klacht heeft ontvangen.</al><tussenkop><onderstreept>De adressering voor klachten is </onderstreept></tussenkop><al>Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag Postbus 30435 2500 GK Den
                            Haagklachtencommissie.ongewenstgedrag@vng.nl</al><al>Na ontvangst wordt aan de klager een ontvangstbevestiging gestuurd en
                            aan het bevoegd gezag wordt, zonder vermelding van betrokkenen,
                            mededeling gedaan van de ontvangst van een klacht. Bij doorzending van
                            een klacht wordt een overeenkomstige werkwijze gevolgd. Alle
                            correspondentie geschiedt onder aantekening van persoonlijk en
                            vertrouwelijk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:7</titel></kop><al>Het is de taak van de commissie om het college te adviseren in de
                            beoordeling en afdoening van een klacht. Daartoe behoort ook de
                            ontvankelijkheidtoetsing. Hierbij zijn vier situaties te
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al> De klacht valt binnen de regeling en wordt in behandeling
                                    genomen. In het kader van de behandeling stelt de commissie het
                                    bevoegd gezag op de hoogte van het bestaan van de klacht, voor
                                    zover het hiervan nog niet op de hoogte was gesteld in het kader
                                    van het onderzoek naar de ontvankelijkheid (artikel 32:1:1:7,
                                    lid 1 en artikel 32:1:1:8, lid 2). De aangeklaagde wordt ten
                                    behoeve van de behandeling tijdig op de hoogte gesteld (artikel
                                    32:1:1:9 lid 6).</al></li><li nr="-"><al> De klacht valt niet binnen de regeling of wordt niet binnen
                                    redelijke termijn voorgelegd of valt onder de uitzonderingen van
                                    artikel 9:8 Awb. De commissie adviseert (dan wel: kan adviseren)
                                    het bevoegd gezag de klacht niet in behandeling te nemen c.q.
                                    niet-ontvankelijk te verklaren (artikel 32:1:1:7, leden 2 en 3,
                                    respectievelijk artikel 32:1:1:7, lid 5 sub a en b). De
                                    aangeklaagde wordt in beginsel niet op de hoogte gesteld.</al></li><li nr="-"><al> De klacht valt binnen de regeling maar klager heeft (nog) niet
                                    de lokaal verplichte stappen ondernomen. De commissie stelt
                                    klager hiervan op de hoogte. Het bevoegd gezag wordt niet op de
                                    hoogte gesteld van de klacht, de aangeklaagde ook niet. Aan
                                    klager is de keuze om de verplichte stappen alsnog te doorlopen
                                    of af te zien van verdere actie (artikel 32:1:1:7, lid 2). </al></li><li nr="-"><al> De commissie kan de klager de mogelijkheid geven om aan
                                    niet-ontvankelijkheid op basis van artikel 32:1:1:7 lid 5 sub c
                                    te ontkomen door de gegevens van de klacht aan te vullen. De
                                    termijn van behandeling begint te lopen op het moment dat de
                                    gegevens van de klacht voldoende zijn aangevuld (zie Art. 4: 15
                                    Awb).</al></li></lijst><tussenkop><onderstreept>Verplichte stappen uit de gemeentelijke klachtenprocedure
                                (artikel 32:1:1:7, lid 2)</onderstreept></tussenkop><al>Bij lokale stappen kan gedacht worden aan overleg met of bemiddeling
                            door de vertrouwenspersoon of de leidinggevende. De commissie zal alleen
                            dan afzien van behandeling als een actie in de regeling van de
                            aangesloten organisatie uitdrukkelijk verplicht is gesteld. In de meeste
                            regelingen is dat overigens niet het geval. Wel is het beleid er
                            doorgaans op gericht dat de medewerkers eerst contact zoeken met een
                            vertrouwenspersoon om de zaak te overleggen en zo mogelijk op te lossen. </al><tussenkop><onderstreept>Indieningstermijn (artikel 32:1:1:7, lid 5, sub
                                a)</onderstreept></tussenkop><al>Een klacht is niet ontvankelijk indien deze niet is ingediend binnen een
                            redelijke termijn nadat het ongewenst gedrag heeft plaats gevonden. Als
                            richtlijn kan worden aangehouden een termijn van twee jaar (in afwijking
                            van de termijn van een jaar uit artikel 9:8 van de Awb).De ervaring
                            leert dat klachten over ongewenst gedrag vaak pas na enige tijd worden
                            ingediend, nadat de klager op andere wijze naar oplossingen heeft
                            gezocht. De commissie kan een langere indieningtermijn dan twee jaar
                            redelijk achten, indien de aard van de klacht daartoe aanleiding geeft,
                            bijvoorbeeld indien er sprake is van ernstige feiten. Wel moet er
                            rekening mee worden gehouden dat een onderzoek naar de feiten moeilijker
                            wordt naarmate het langer geleden is dat ongewenst gedrag heeft plaats
                            gevonden. </al><tussenkop><onderstreept>Andere gronden voor niet-ontvankelijkheid (artikel
                                32:1:1:7, lid 5, sub b en artikel 9:8 Awb)</onderstreept></tussenkop><al>In de Algemene wet bestuursrecht worden uitzonderingen op de plicht tot
                            klachtbehandeling genoemd. Deze uitzonderingen zijn in deze regeling
                            overgenomen. Indien er reeds een klacht over het gedrag is behandeld is
                            het bevoegd gezag niet verplicht de klacht opnieuw in behandeling te
                            nemen. Ook in gevallen van voor beroep vatbare besluiten en van
                            samenloop met een opsporingsonderzoek is die plicht niet aanwezig.
                            Beoordeeld zal moeten worden of de samenloop met de strafrechtelijke
                            procedure onwenselijk is. Bepaald is dat de commissie kan adviseren om
                            een dergelijke klacht niet-ontvankelijk te verklaren. Het ligt voor de
                            hand dat in dergelijke gevallen overleg gepleegd wordt tussen de
                            commissie en het bevoegd gezag. Voorts geldt dat het een derde (in dit
                            geval: de commissie) op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens in
                            beginsel niet is toegestaan om strafrechtelijke gegevens te verwerken.
                            Een derde uitzonderingsgrond op de verplichte klachtbehandeling betreft
                            de situatie dat het belang van de klager dan wel het gewicht van het
                            ongewenst gedrag kennelijk onvoldoende is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:9</titel></kop><tussenkop><onderstreept>Informant (artikel 32:1:1:1, sub h en artikel 32:1:1:9,
                                lid 1)</onderstreept></tussenkop><al>Het bevoegd gezag kan een informant aanwijzen om de commissie van
                            informatie te voorzien. Hierbij kan worden gedacht aan informatie over
                            de organisatie, de cultuur en de procedures bij ongewenst gedrag. Als
                            informant kan bijvoorbeeld fungeren een medewerker P&amp;O, een manager
                            of de vertrouwenspersoon.</al><tussenkop><onderstreept>Hoor en wederhoor</onderstreept></tussenkop><al>De commissie past hoor en wederhoor toe. De commissie dient er met het
                            oog hierop voor te zorgen dat de aangeklaagde tijdig op de hoogte is van
                            de klacht en eventuele andere voor hem relevante stukken. Er zullen
                            doorgaans één of meer zittingen gehouden worden waarop betrokkenen
                            gehoord worden. Omdat betrokkenen in beginsel buiten elkaars
                            aanwezigheid worden gehoord (artikel 32:1:1:9, lid 7) kan het nodig zijn
                            dat men tweemaal tijdens de zitting wordt gehoord om te reageren op
                            nieuwe informatie en op de zienswijzen van andere betrokkenen. Een
                            andere mogelijkheid is dat men reageert op gespreksverslagen. Aan de
                            commissie wordt overgelaten op welke wijze het wederhoor wordt
                            gerealiseerd. </al><tussenkop><onderstreept>Verplichting tot medewerking</onderstreept></tussenkop><al>Ten behoeve van het onderzoek van de commissie stelt het bevoegd gezag
                            van de desbetreffende aangesloten organisatie zijn medewerkers in de
                            gelegenheid te worden gehoord (artikel 32:1:1:8, lid 3). Op grond van
                            het goed ambtenaarschap zijn medewerkers in beginsel verplicht om
                            medewerking te verlenen aan een onderzoek naar een klacht. Afhankelijk
                            van de omstandigheden van het geval kan het niet verlenen van
                            medewerking door een medewerker als plichtsverzuim beschouwd worden.
                            Voor de aangeklaagde geldt dat deze niet verplicht kan worden om
                            informatie te verstrekken die zijn positie kan schaden. </al><tussenkop><onderstreept>Bijstand</onderstreept></tussenkop><al>Indien een klager of een aangeklaagde zich laat bijstaan door een
                            raadsman of -vrouw (advocaat, rechtsbijstandjurist) zijn de kosten
                            daarvan voor eigen rekening. Betrokkenen kunnen ook kiezen voor een
                            niet-professionele raadspersoon. In sommige organisaties is het mogelijk
                            dat de vertrouwenspersoon tevens als raadspersoon van de klager fungeert
                            bij een zitting. Of dit mogelijk en wenselijk is hangt af van de
                            rolopvatting/functiebeschrijving van vertrouwenspersoon die de
                            betreffende organisatie hanteert. Het fungeren van de vertrouwenspersoon
                            als raadspersoon ter zitting kan in conflict komen met andere aspecten
                            van de rol van de vertrouwenspersoon zoals geheimhouding en
                            onafhankelijkheid. Een raadsman of vrouw dan wel een vertrouwenspersoon
                            kan slechts één van de in de procedure betrokken personen bijstaan.Voor
                            de bijstand van een raadsman of vrouw kan bij gemeenten een beroep
                            gedaan worden op de voor gemeenten verplichte
                            rechtsbijstandsverzekering. Medewerkers bij de waterschappen en de
                            provincies kunnen hierover informatie inwinnen bij de afdeling
                            personeelszaken, de vertrouwenspersoon of de verzekeringsmaatschappij
                            bij wie wel door de waterschappen en provincies een
                            rechtsbijstandsverzekering voor werknemers is gesloten. Betrokkene doet
                            de commissie tijdig opgave van de naam en de hoedanigheid van degene(n),
                            die hij meeneemt naar het hoorgesprek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:10</titel></kop><al>De commissie werkt met (persoons)gegevens, waartoe ook bijzondere
                            persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens
                            kunnen behoren. Persoonsgegevens mogen door de commissie slechts
                            verzameld en verwerkt worden met het doel een advies uit te brengen over
                            de klacht. Grondslag hiervoor is de verplichting van het bevoegd gezag
                            om klachten op zorgvuldige wijze te behandelen. De commissie verwerkt de
                            gegevens op een veilige wijze. In de praktijk betekent dit dat de
                            secretaris van de commissie de gegevens op zodanige wijze opslaat en
                            communiceert dat er geen risico is op onbevoegde kennisname. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:11</titel></kop><al>Het bevoegd gezag dient de klacht binnen 10 weken af te doen. Daarbinnen
                            geldt de termijn van 8 weken voor het advies van de commissie aan het
                            bevoegd gezag. Dat is alleen anders als de commissie op grond van
                            artikel 32:1:1:7, tweede of derde lid, besluit een klacht niet in
                            behandeling te nemen (lid 2) dan wel niet ontvankelijk te verklaren (lid
                            3). In dat geval meldt de commissie dat binnen twee weken aan het
                            bevoegd gezag (zie artikel 32:1:1:7, lid 4).Er zijn twee soorten advies
                            mogelijk: het advies over de gegrondheid van de klacht (artikel
                            32:1:1:11, lid 1) en het advies om de klacht niet ontvankelijk te
                            verklaren (artikel 32:1:1:7, lid 3). De commissie is niet verplicht het
                            afschrift van een advies tot niet ontvankelijkverklaring aan de
                            aangeklaagde te zenden. Dit wordt niet nodig geacht omdat het niet tot
                            klachtbehandeling komt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:12</titel></kop><tussenkop><onderstreept>Termijnen</onderstreept></tussenkop><al>De wettelijke termijnen gelden, hetgeen wil zeggen dat de klacht binnen
                            10 weken wordt afgedaan, met de mogelijkheid van verdaging voor ten
                            hoogste 4 weken. Er kan bijvoorbeeld verdaagd worden indien de
                            klachtencommissie niet binnen 8 weken advies uitbrengt. In
                            uitzonderlijke gevallen kan de commissie klager verzoeken schriftelijk
                            in te stemmen met een verder uitstel van de termijn.</al><tussenkop><onderstreept>Bezwaar en beroep</onderstreept></tussenkop><al>De conclusie van het bevoegd gezag in het kader van een
                            klachtenprocedure, de afdoeningsbrief, is niet vatbaar voor bezwaar en
                            beroep. Als de conclusies van de klachtenprocedure aanleiding geven tot
                            het nemen van een ander besluit, bijvoorbeeld een rechtspositionele
                            maatregel, staat daar voor de belanghebbende de normale rechtsgang tegen
                            open. Een klager kan zich in tweede instantie wenden tot een externe
                            klachtinstantie met een klacht over het bestuursorgaan. Het bevoegd
                            gezag dient klager in de afdoeningsbrief op deze externe
                            klachtenprocedure (zoals de (nationale Ombudsman) te wijzen. </al><tussenkop><onderstreept>Niet-ontvankelijkheid</onderstreept></tussenkop><al>Indien het bevoegd gezag concludeert dat een klacht niet ontvankelijk is
                            in de zin van deze regeling dient de klacht op andere wijze te worden
                            behandeld. Op grond van de Awb is een bestuursorgaan verplicht om een
                            klacht behoorlijk te behandelen.</al><tussenkop><onderstreept>Openbaarheid</onderstreept></tussenkop><al>Informatie van een bestuursorgaan is in beginsel openbaar. Verstrekking
                            van informatie blijft achterwege indien het persoonsgegevens betreft.
                            Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor schriftelijke stukken omtrent een
                            klacht, zoals een verslag van het horen, het advies en de
                            afdoeningsbrief. Verstrekking van deze documenten is mogelijk indien
                            deze geanonimiseerd zijn, dat wil zeggen geen gegevens bevatten die tot
                            personen herleidbaar zijn, of wanneer degenen op wie de persoonsgegevens
                            betrekking hebben daarvoor toestemming geven. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32:1:1:13</titel></kop><al>De commissie voorziet door dit artikel in een klachtregeling betreffende
                            haar eigen functioneren. Deze beoordeling geschiedt door leden van de
                            commissie die niet deelgenomen hebben aan de werkzaamheden van de
                            commissie waartegen de klacht zich richt. In deze fase vindt geen nieuwe
                            inhoudelijke beoordeling van de primaire melding plaats. Afhankelijk van
                            de conclusies over de klacht met betrekking tot de procedure kan in
                            tweede instantie wel een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de
                            oorspronkelijke klacht plaatsvinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>33 Vergoedingsregeling gestolen fietsen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 33:1:1:1 Vergoeding</titel></kop><al>Aan de ambtenaar, van wie een fiets wordt ontvreemd uit de
                            fietsenstalling van de dienst, wordt:</al><lijst><li nr="a"><al> geen vergoeding verleend, als de fiets nog geen drie jaar
                                    geleden is aangeschaft;</al></li><li nr="b"><al> als de fiets drie jaar of ouder is, een tegemoetkoming in de
                                    schade toegekend ter grootte van het bedrag genoemd in bijlage
                                    10 bij het kopje ‘gestolen fiets’ ongeacht de ouderdom en de
                                    aankoopwaarde van de fiets, onder voorwaarde dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de fiets tijdens de diefstal op slot heeft gestaan
                                            en</al></li><li nr="-"><al> aangifte van de diefstal is gedaan bij de politie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>34 Overgangs- en slotbepalingen invoering
                            Arbeidsvoorwaardenregeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 34:1:1:1 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als Arbeidsvoorwaardenregeling
                            Gemeente Amersfoort (ARGA) en treedt in werking op de datum van
                            vaststelling. De ARGA omvat de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                            (CAR), de Uitwerkingsovereenkomst (UWO), zoals overeengekomen in het
                            Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) en aangepast
                            aan de plaatselijke situatie. Daarnaast zijn in de ARGA opgenomen de
                            plaatselijk vastgestelde rechtspositionele regelingen c.q. verordeningen
                            voor de ambtenaar.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in de onderscheidene onderdelen en artikelen
                            van de ARGA, vervallen met ingang van de datum van inwerkingtreding van
                            de ARGA alle bepalingen van de geldende rechtspositieregelingen en
                            eerder algemeen genomen besluiten, die tekstueel dan wel materieel
                            gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Voor zover de ARGA in enig onderdeel de rechtspositie betreffend niet is
                            voorzien, beslist het college met inachtneming van alle relevante
                            factoren, rekening houdende met de eventuele oorspronkelijke bepalingen
                            van de bij de invoering van de ARGA vervallen regelingen betreffende dit
                            onderdeel, een en ander voor zover deze niet strijden met het bepaalde
                            in de ARGA.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Indien de inwerkingtreding van de ARGA ertoe leidt dat bepalingen uit de
                            geldende rechtspositieregelingen vervallen, waardoor aanspraken van
                            individuele ambtenaren c.q. werknemers in neerwaartse of opwaartse zin
                            worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>35 Rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar van de
                            burgerlijke stand </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>buitengewoon ambtenaar:</vet>de bezoldigd buitengewoon
                                    ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bedoeld in het
                                    Reglement op de burgerlijke stand. </al></li><li nr="b"><al><vet>ARGA:</vet> de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                                    Amersfoort </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:2 Aanstelling</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Aanstelling geschiedt in vaste dienst of in tijdelijke dienst voor
                            bepaalde tijd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:3 Salaris en onkostenvergoeding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De buitengewoon ambtenaar ontvangt een salaris in de vorm van een
                            vergoeding per voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap. De
                            vergoeding per uur is gebaseerd op het hoogste bedrag van schaal 8,
                            bijlage IIa van de ARGA. De vergoeding per huwelijk is afhankelijk van
                            het soort huwelijk (kosteloos, eenvoudig of normaal), van de locatie
                            waar het huwelijk wordt voltrokken en van de dag waarop het huwelijk
                            wordt voltrokken. </al><lijst><li nr="-"><al> Huwelijken op de locatie Oude Stadhuis: voor het voltrekken van
                                    huwelijken op de locatie oude stadhuis ontvangt de buitengewoon
                                    ambtenaar een vergoeding gelijk aan viermaal het uurloon, indien
                                    het huwelijk doordeweeks wordt voltrokken. Bij huwelijken in het
                                    weekend ontvangt de buitengewoon ambtenaar een vergoeding van
                                    viermaal het uurloon, waarvan één uur wordt vergoed conform het
                                    overwerktarief van artikel 3:18, tweede lid, ARGA: op zaterdag
                                    is dit 75% en op zondag 100%.</al></li><li nr="-"><al> Huwelijken op de locatie stadhuis: voor het voltrekken van
                                    kosteloze en eenvoudige huwelijken op het stadhuis ontvangt de
                                    buitengewoon ambtenaar een vergoeding gelijk aan 1,5 uur.</al></li><li nr="-"><al> Huwelijken op een locatie elders: voor het voltrekken van
                                    huwelijken op een locatie anders dan oude stadhuis of stadhuis
                                    ontvangt de buitengewoon ambtenaar een vergoeding gelijk aan
                                    zesmaal het uurloon, indien het huwelijk doordeweeks wordt
                                    voltrokken. Bij huwelijken in het weekend wordt van de zes uur,
                                    twee uur vergoed conform het overwerktarief van artikel 3:18,
                                    tweede lid, ARGA: op zaterdag is dit 75% en op zondagen 100%.
                                </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De vergoeding bedoeld in het eerste lid, wordt opgehoogd met het
                            percentage genoemd in artikel 3:28, lid 2 aanhef en onder a en onder b
                            van de ARGA. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met een
                            percentage van 9,4 % ter compensatie van het niet genieten van
                            vakantieverlof.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De buitengewoon ambtenaar ontvangt per huwelijk een onkostenvergoeding.
                            Deze vergoeding bedraagt € 7,69 netto per huwelijk bij het voltrekken
                            van kosteloze en eenvoudige huwelijken in het stadhuis en € 15,38 per
                            huwelijk bij het voltrekken van huwelijken in het oude stadhuis of op
                            een locatie elders.De onkostenvergoedingen volgen de door het college
                            vastgestelde begrotingsrichtlijnen zoals nader opgenomen in bijlage
                            10</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:4 Aanspraken bij ziekte</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Bij ziekte van de buitengewoon ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd
                            nog niet heeft bereikt zijn de artikelen 7:1 tot en met 7:3 (definities,
                            begeleiding en recht op salaris en de toegekende salaristoelage(n) bij
                            ziekte), 7:9 tot en met 7:14 (verplichtingen en sancties) en 7:19 tot en
                            met 7:21 (samenloop salaris en uitkering) van de ARGA van
                            overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder salaris verstaan: het
                            gemiddelde van het totaal aan vergoedingen bedoeld in artikel 35:1:1:3,
                            over de 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van
                            ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar (met uitzondering van
                            vergoedingen op grond van artikel 35:1:1:3 lid 5 van deze regeling).
                            Voor zover de ambtenaar op deze datum zijn betrekking nog geen 12
                            maanden heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld
                            per maand is toegekend over de periode waarin hij in dienst is.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de eerste dag van
                            ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar verstaan: de dag waarop de
                            ambtenaar is aangewezen om een huwelijk of geregistreerd partnerschap te
                            voltrekken, waarvoor hij wegens ziekte is verhinderd. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het college kan nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:5 Ontslag en schorsing</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Ontslag kan worden verleend overeenkomstig de artikelen 8:1 (op
                            verzoek), 8:2 en 8:2a (wegens AOW gerechtigde leeftijd), 8:3 (wegens
                            reorganisatie), 8:4 (wegens volledige arbeidsongeschiktheid), 8:5
                            (wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid), 8:5a (wegens
                            arbeidsongeschiktheid, 8:6 (wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid), 8:7
                            en 8:8 (overige ontslaggronden), 8:12 en 8:12:1 (van rechtswege en
                            tussentijds ontslag uit tijdelijke aanstelling) en 8:13 (als
                            disciplinaire straf) van de ARGA.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Schorsing van de buitengewoon ambtenaar vindt plaats overeenkomstig
                            artikel 8:15:1 en 8:15:2 van de ARGA.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:6 Plichtsverzuim</titel></kop><al>De buitengewoon ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet
                            nakomt of zich overigens schuldig maakt aan plichtsverzuim, kan
                            disciplinair worden gestraft, overeenkomstig hoofdstuk 16 van de ARGA.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:7 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2008.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:8 Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als de Rechtspositieregeling voor de
                            buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
                            Amersfoort 2008. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:1</titel></kop><al>De wet-Mulder heeft met ingang van 1 januari 1995 de buitengewoon
                            ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) geïntroduceerd. De
                            buitengewoon ambtenaar burgerlijke stand (babs) wordt aangesteld door
                            het college van burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1:
                            artikel 16). Gemeenten hebben een Reglement burgerlijke stand. Daarin
                            kan geregeld zijn welke benoemingsmogelijkheden er zijn.
                            Gemeenteambtenaren, en ook burgemeester, wethouders en leden van de
                            raad, kunnen tot (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand
                            benoemd worden. Tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand
                            (babs) kunnen bovendien anderen, niet werkzaam bij de gemeente, benoemd
                            worden. De gemeenteambtenaar, de burgemeester, de wethouders en de
                            raadsleden worden beschouwd als onbezoldigd buitengewoon ambtenaar van
                            de burgerlijke stand. De vergoeding voor de werkzaamheden is in het
                            algemeen alleen op de medewerkers van buiten de gemeentelijke
                            organisatie van toepassing. De babs is een ambtenaar in de zin van de
                            Ambtenarenwet. Omdat de Arbeidsvoorwaarden Regeling Gemeente Amersfoort
                            (ARGA) op grond van artikel 1:2 sub d niet op hem van toepassing is
                            dient een afzonderlijke rechtspositieregeling te gelden (art. 125
                            Ambtenarenwet). Doorgaans is de functie van babs een nevenfunctie, die
                            in omvang sterk kan variëren. </al><al>Een aantal aspecten van de rechtspositie van de babs is niet opgenomen
                            in de rechtspositieregeling, maar als achtergrondinformatie wel
                            relevant. Vandaar dat deze aspecten in de toelichting zijn opgenomen.
                            Deze aspecten zijn: </al><tussenkop><vet><onderstreept>Pensioen</onderstreept></vet>:</tussenkop><al>de babs is in beginsel verplicht deelnemer aan de pensioenverzekeringen
                            volgens het pensioenreglement ABP. De lijn van het ABP luidt dat degene
                            die met zekere regelmaat als babs functioneert overheidswerknemer is in
                            de zin van de Wet privatisering ABP. Als richtlijn kan gehanteerd worden
                            het sluiten van ten minste tien huwelijken per jaar. De babs die zeer
                            incidenteel een huwelijk voltrekt kan geschaard worden onder de
                            uitzonderingsbepaling (artikel 2, tweede lid, onderdeel j van de
                            Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de
                            Wet privatisering ABP. </al><tussenkop><vet><onderstreept>Pensioengrondslag</onderstreept></vet>:</tussenkop><al>als pensioengrondslag geldt het inkomen van het jaar ervoor. </al><tussenkop><vet><onderstreept>Recht op WW</onderstreept></vet>:</tussenkop><al>er bestaat aanspraak op WW indien aan de voorwaarden wordt voldaan,
                            waaronder de eis van een arbeidsurenverlies per week van minimaal 5 uur
                            of, bij kleine deeltijdbanen, minimaal de helft van het aantal
                            arbeidsuren per week. </al><tussenkop><vet><onderstreept>Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering,
                                    tegemoetkoming ziektekosten, korting IZA-verzekering en
                                    levensloopbijdrage</onderstreept></vet>:</tussenkop><al>deze bepalingen gelden niet voor de babs omdat de ARGA niet op hem van
                            toepassing is. </al><tussenkop><vet><onderstreept>Premieafdracht en
                                loonbelasting</onderstreept></vet>:</tussenkop><al>Het Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 21 december 1994 de
                            vergoeding voor het werk van de babs aangemerkt als loon in de zin van
                            de Wet op de loonbelasting. Bovendien is sprake van een premieplicht
                            voor sociale verzekeringen. In principe is de gehele vergoeding van de
                            babs onderworpen aan loonheffing en premie sociale verzekeringen (en de
                            inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage). </al><tussenkop><vet><onderstreept>Levensloopregeling en
                                    spaarloonregeling</onderstreept></vet>:</tussenkop><al>omdat de babs onder de Wet op de Loonbelasting valt kan hij inleggen in
                            een levensloop- of spaarloonregeling. De ARGA bepalingen over de opname
                            van levensloopverlof zijn niet van toepassing. </al><tussenkop><vet><onderstreept>Aanstelling voor één
                            dag</onderstreept></vet>:</tussenkop><al>een persoon kan incidenteel (ten behoeve van één huwelijk) benoemd
                            worden tot babs. Indien de rechtspositieregeling daarbij niet van
                            toepassing is verklaard maakt hij geen aanspraak op een vergoeding. </al><tussenkop><vet><onderstreept>Eerste dag melding voor de
                                    fiscus</onderstreept></vet>:</tussenkop><al>de eerste dag melding geldt ook voor de babs. De gemeente dient de
                            relevante gegevens, waaronder het sofi-nummer van betrokkene, aan de
                            Belastingdienst door te geven voordat het dienstverband begint. </al><al>In de rechtspositieregeling zijn wel bepalingen opgenomen over </al><lijst><li nr="-"><al>Aanstelling</al></li><li nr="-"><al> Salaris</al></li><li nr="-"><al>Ontslag</al></li><li nr="-"><al>Aanspraken bij ziekte </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:2</titel></kop><al>In het lokale Reglement burgerlijke stand kan een benoemingstermijn
                            geregeld zijn. In Amersfoort is dat niet het geval. Benoeming vindt in
                            de praktijk veelal plaats voor een periode van 5 jaar. Het gevolg van
                            een kortere aanstellingsduur is onder meer dat de verplichtingen van de
                            gemeente jegens de ambtenaar in het kader van ziekte (doorbetaling
                            salaris, re-integratie) eerder ophouden te bestaan, namelijk bij einde
                            van het dienstverband. Bovendien geldt voor de duur van het nog
                            resterende dienstverband dat van de werkgever geen onredelijke
                            inspanningen gevergd worden door het UWV. Op de toepasselijkheid van de
                            arbeidsongeschiktheidswetgeving op de babs wordt verder ingegaan bij de
                            toelichting op artikel 4. </al><al>De aanstelling kan opnieuw tijdelijk verleend worden. De flexwetbepaling
                            geldt niet omdat noch de ARGA, noch het Burgerlijk Wetboek (7:615 BW)
                            van toepassing is. Bij het benoemen van een personeelslid of raadslid
                            (dan wel andere politieke ambtsdrager) tot babs is het raadzaam de
                            benoeming te beperken tot de periode waarin het (politieke) ambt wordt
                            vervuld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:3</titel></kop><al>Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor ambtenaren nadere regels
                            voor de salariëring moeten worden getroffen. Artikel 3 van deze regeling
                            voorziet hierin. Per huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt een
                            vergoeding uitbetaald. Deze vergoeding per huwelijk is afhankelijk van
                            het soort huwelijk (kosteloos, eenvoudig huwelijk of normaal huwelijk),
                            de locatie waar het huwelijk wordt voltrokken en de dag waarop het
                            huwelijk wordt voltrokken. In Amersfoort onderscheiden we kosteloze
                            huwelijken, eenvoudige huwelijken en normale huwelijken. Kosteloze en
                            eenvoudige huwelijken worden altijd voltrokken op het stadhuis en kosten
                            de babs relatief weinig tijd: er vindt bijvoorbeeld geen voorgesprek
                            plaats met het bruidspaar en er is geen ruimte voor een persoonlijke
                            toespraak gedurende de ceremonie. Normale (lees: uitgebreide) huwelijken
                            worden veelal voltrokken in het oude stadhuis of op een locatie elders
                            in Amersfoort. Deze huwelijken kosten de babs aanzienlijk meer tijd in
                            zowel voorbereiding als gedurende de ceremonie. </al><al>De vergoedingen per huwelijk zijn gebaseerd op een vergoeding per uur,
                            die gelijk is aan het maximum van schaal 8 (conform bijlage IIa van de
                            ARGA). Er wordt onderscheid gemaakt in de verschillende soorten
                            huwelijken, in de dagen waarop huwelijken worden voltrokken en in de
                            locaties waar de huwelijken worden voltrokken. </al><tussenkop><onderstreept>Huwelijken op het oude stadhuis:</onderstreept></tussenkop><al>Voor het voltrekken van huwelijken op de locatie oude stadhuis ontvangt
                            de buitengewoon ambtenaar een vergoeding gelijk aan viermaal het
                            uurloon, indien het huwelijk doordeweeks wordt voltrokken. Bij
                            huwelijken in het weekend ontvangt de buitengewoon ambtenaar een
                            vergoeding gelijk aan viermaal het uurloon, waarvan een uur wordt
                            vergoed conform het overwerktarief van artikel 3:18, vijfde lid, ARGA:
                            op zaterdag is dit 75% en op zondag 100%. </al><tussenkop><onderstreept>Huwelijken op de locatie stadhuis: </onderstreept></tussenkop><al>Voor het voltrekken van kosteloze en eenvoudige huwelijken op het
                            stadhuis ontvangt de buitengewoon ambtenaar een vergoeding gelijk aan
                            1,5 uur. </al><tussenkop><onderstreept>Huwelijken op een locatie elders: </onderstreept></tussenkop><al>voor het voltrekken van huwelijken op een locatie anders dan het (oude)
                            stadhuis ontvangt de buitengewoon ambtenaar een vergoeding gelijk aan
                            zesmaal het uurloon, indien het huwelijk doordeweeks wordt voltrokken.
                            Bij huwelijken in het weekend wordt van de zes uur, twee uur vergoed
                            conform het overwerktarief van artikel 3:18, vijfde lid, ARGA: op
                            zaterdag is dit 75% en op zondagen 100%. </al><tussenkop><onderstreept>Vakantietoelage, eindejaarsuitkering en afkoop niet
                                genoten vakantie </onderstreept></tussenkop><al>Naast deze vergoeding per huwelijk heeft de buitengewoon ambtenaar
                            aanspraak op een vakatietoelage en een eindejaarsuitkering. De
                            berekeningssystematiek is dezelfde als die in de ARGA, dat wil zeggen
                            dat de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering worden gebaseerd op het
                            salaris.De vergoeding die de babs per huwelijk ontvangt (op grond van
                            het eerste lid) wordt opgehoogd met het percentage van de
                            vakantie-uitkering op grond van artikel 6:3 van de ARGA en met het
                            percentage van de eindejaarsuitkering op grond van artikel 3:6 van de
                            ARGA. In het vierde lid wordt het recht op vakantie-uren, dat de
                            ‘normale’ gemeenteambtenaar heeft op grond van artikel 6:2 van de ARGA,
                            afgekocht door het toekennen van een vergoeding van 9,4 %. Dit
                            percentage is gebaseerd op de breuk tussen het aantal vakantie-uren per
                            jaar (in Amersfoort 172,8) en de arbeidsduur per jaar (1836) van de
                            gemeenteambtenaar. Vakantie-aanspraken worden afgekocht vanwege het
                            oproepkarakter van de werkzaamheden. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry namest="col1" nameend="col3" colname="col1"><al>Voorbeeld salarisberekening (huwelijk oude
                                                stadhuis)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Salaris per verrichting</al></entry><entry colname="col2"><al>74,31 (4 maal 1/156e deel van 2898) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vakantietoelage</al></entry><entry colname="col2"><al>5,94 (8% van 74,31)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eindejaarsuitkering</al></entry><entry colname="col2"><al>2,23 (3% van 74,31)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Compensatie vakantie-uren</al></entry><entry colname="col2"><al>6,99 (9,4% van 74,31)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al> 89,47 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><onderstreept>Onkostenvergoeding</onderstreept></tussenkop><al>Tot nu toe was het gebruikelijk dat de babs per huwelijk een
                            onkostenvergoeding ontving, waarvan een gedeelte belast was en een
                            gedeelte onbelast. Deze bedragen waren aan herziening toe. In de nieuwe
                            regeling is gekozen voor een netto onkostenvergoeding. De nieuwe
                            bedragen worden verhoogd naar € 7,50 netto voor een kosteloos of
                            eenvoudig huwelijk en € 15,00 netto voor een normaal huwelijk. In deze
                            onkostenvergoeding worden alle denkbare onkosten geacht te zijn
                            begrepen: te denken valt aan bijvoorbeeld reiskosten en kosten voor
                            persoonlijke verzorging. Deze onkostenvergoedingen worden geïndexeerd
                            door de door het college vastgestelde begrotingsrichtlijnen te volgen.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:4</titel></kop><al>De regeling verklaart de ARGA op het punt van doorbetaling salaris bij
                            ziekte van toepassing op de babs jonger dan 65 jaar. Achtergrond hiervan
                            is het dwingende karakter van de sociale wetgeving die zieke werknemers
                            (voor zover jonger dan 65 jaar) rechten en plichten toekent. Artikel 76a
                            van de Ziektewet geeft de persoon “krachtens publiekrechtelijke
                            aanstelling gehouden tot het verrichten van arbeid” bij ziekte het recht
                            op 104 weken (of zolang als het dienstverband nog duurt) doorbetaling
                            van 70% van het salaris of, indien het salaris op een ander wijze dan
                            naar tijdruimte vastgesteld wordt, het gemiddelde salaris dat
                            betrokkene, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd
                            had kunnen verdienen. De ARGA geeft aanspraak op een hoger
                            doorbetalingpercentage dan 70%. </al><al>Eerste dag van ongeschiktheid: in lid 3 is bepaald (conform de
                            Ziektewet) welke dag als eerste ziektedag geldt. Het is niet de
                            bedoeling dat de babs direct bij aanvang van het ziekteverzuim salaris
                            krijgt doorbetaald, maar pas vanaf het tijdstip dat hij een huwelijk zou
                            sluiten als hij niet ziek was geweest (met andere woorden: als hij
                            ingepland stond en al gestart is met de voorbereidende werkzaamheden).
                            In de praktijk van de babs zal het overigens niet altijd duidelijk zijn
                            of en wanneer de eerste ziektedag valt en daarmee op welk moment de
                            doorbetaling salaris ingaat, bijvoorbeeld omdat een rooster ontbreekt en
                            de babsen zelf voor vervanging zorg dragen. In Amersfoort krijgt de babs
                            in de praktijk in geval van ziekte pas een vergoeding als hij was
                            ingepland voor het voltrekken van een huwelijk, zijn voorbereidende
                            werkzaamheden in dat kader al heeft aangevangen, maar op het laatste
                            moment wegens ziekte niet in staat is het huwelijk te voltrekken. Als
                            deze ziekteperiode onafgebroken voortduurt, vinden de
                            loondoorbetalingsregels in de ARGA overeenkomstige toepassing. De
                            uitkering van de door te betalen vergoeding zal plaatsvinden na herstel
                            van de babs en op basis van de gemiddelde vergoeding het jaar
                            voorafgaand aan de eerste ziektedag. Indien deze Amersfoortse regels
                            nadere invulling behoeven, kan het college nadere regels stellen. </al><al>De babs is verplicht zo spoedig mogelijk zijn verhindering tot werken
                            door te geven; artikel 7:9 lid 4 (verzuimprotocol) van de ARGA is van
                            toepassing verklaard op de babs. </al><al>Naast het recht op doorbetaling van salaris staat de verplichting van
                            werkgever en werknemer (jonger dan 65 jaar) zich in te spannen tot
                            re-integratie in het arbeidsproces. In de praktijk wordt deze
                            verplichting niet altijd als wenselijk beschouwd. De babs is op grond
                            van het Burgerlijk Wetboek immers uitsluitend benoemd tot het verrichten
                            van de formaliteiten rondom en sluiting van het huwelijk/geregistreerd
                            partnerschap. Bovendien heeft de babs in de regel een hoofdfunctie waar
                            van uit re-integratieverplichtingen bestaan. In de praktijk zal bezien
                            moeten worden hoe arbodienstverleners en het UWV omgaan met de
                            verplichting tot re-integratie van de gemeente ten aanzien van een zieke
                            babs. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35:1:1:5</titel></kop><al>De babs wordt geschorst en ontslagen door het college (Burgerlijk
                            Wetboek, Boek 1: artikel 16). Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat
                            voor schorsing, ontslag en uitkering nadere regels worden getroffen. Er
                            wordt een limitatieve opsomming gegeven van de ontslaggronden voor de
                            babs, onder verwijzing naar de ARGA.Opgemerkt wordt dat ontslag bij het
                            bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd niet verplicht is. Artikel 8:2
                            tweede lid en 8:2a bieden de mogelijkheid om een gepensioneerde in
                            dienst te houden dan wel te nemen. Het dienstverband met een
                            gepensioneerde is op grond van artikel 8:2a eenvoudig te beëindigen. In
                            de praktijk zal het beëindigen van de werkzaamheden door de babs in
                            overleg gaan met de coördinator. Ontslag van een babs heeft tot nu toe
                            niet tot problemen geleid. Ter formele afhandeling dient het ontslag –
                            onder verwijzing naar een van de ontslaggronden van artikel 8 van de
                            ARGA - te worden bekrachtigd door een ontslagbesluit. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>36 Reglement commissie Van werk naar werk</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 36:1:1:1 Samenstelling commissie</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><lijst><li nr="1"><al>Het college stelt een commissie in als bedoeld in artikel 10d:24
                                    CAR-UWO.</al></li><li nr="2"><al>De commissie bestaat uit:</al><lijst><li nr="-"><al> een vaste onafhankelijk voorzitter;</al></li><li nr="-"><al>een lid aan te wijzen door het college;</al></li><li nr="-"><al>een lid, aan te wijzen door de werknemersgeleding.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Voor elk lid wordt een plaatsvervanger benoemd. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36:1:1:2 Benoemingsduur commissieleden</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van vier
                            jaar. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De benoemingsperiode kan eenmalig met vier jaar worden verlengd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36:1:1:3 Vergoeding commissieleden</titel></kop><al>Het college stelt de hoogte van de vergoeding vast overeenkomstig de
                            geldende Verordening geldelijke voorzieningen fracties, raads- en
                            commissieleden waarbij vanwege de specifieke werkzaamheden van de
                            commissieleden naar boven wordt afgeweken van de standaardvergoeding
                            genoemd in tabel IV voor de klasse waartoe de gemeente behoort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36:1:1:4 Verantwoordelijkheden</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De commissie heeft als taak het college desgevraagd te adviseren:</al><lijst><li nr="a"><al>over de naleving van tussen het college en de ambtenaar gemaakte
                                    afspraken in het kader van het Van werk naar werk-contract;</al></li><li nr="b"><al>over eventuele verlenging van het Van werk naar werk-contract,
                                    zoals bedoeld in artikel 10d:22;</al></li><li nr="c"><al>over geschillen voortvloeiend uit het Van werk naar werk
                                    contract.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Een verzoek om advies als bedoeld in lid 1 kan worden gedaan door of
                            namens het college of door de betrokken ambtenaar. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De commissie brengt een bindend advies uit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36:1:1:5 Werkwijze</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De commissie kan belanghebbenden en bij de voorbereiding en uitvoering
                            van het Van werk naar werk-contract betrokkenen horen. </al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>Het college en de betrokken ambtenaar zijn verplicht alle gevraagde
                            informatie te verschaffen aan de commissie.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar.</al><tussenkop><vet>Lid 4 </vet></tussenkop><al>De commissie brengt haar advies schriftelijk uit, binnen vier weken na
                            de aanvraag daartoe.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36:1:1:6 Citeertitel</titel></kop><al> Deze regeling kan worden aangehaald als " Reglement commissie Van werk
                            naar werk gemeente Amersfoort" en treedt in werking met ingang van 1
                            juli 2013.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>37 Regeling bedrijfshulpverlening</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 37:1:1:1 Algemene bepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Bedrijfshulpverlener</vet>: de ambtenaar die door de
                                    algemeen directeur is aangewezen om conform artikel 22 van de
                                    Arbeidsomstandighedenwet hulp in of rond de gebouwen van de
                                    gemeente te verlenen met één van de volgende taken:</al><lijst><li nr="-"><al> het verlenen van levensreddende eerste handelingen bij
                                            ongevallen;</al></li><li nr="-"><al> het beperken en bestrijden van brand en het voorkomen
                                            en beperken van ongevallen;</al></li><li nr="-"><al> het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle
                                            werknemers en andere personen in het bedrijf of de
                                            inrichting;</al></li><li nr="-"><al> het alarmeren van en samenwerken met de gemeentelijke
                                            brandweer en andere hulpverleningsorganisaties;</al></li><li nr="-"><al> het uitvoeren van veiligheidsinspecties.</al></li></lijst><al>Daarbij worden binnen de gemeente de volgende categorieën
                                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>eerstehulpverlener (EHV’er);</al></li><li nr="-"><al> bedrijfshulpverlener (BHV’er);</al></li><li nr="-"><al> ploegleider bedrijfshulpverleningsorganisatie
                                            (ploegleider BHV);</al></li><li nr="-"><al> hoofd bedrijfshulpverleningsorganisatie (hoofd
                                            BHV).</al></li></lijst></li><li nr="b"><al><vet>BHV</vet>: de bedrijfshulpverleningsorganisatie</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37:1:1:2 Aanwijzing als bedrijfshulpverlener</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Aanwijzing als bedrijfshulpverlener voor de onbepaalde tijd wordt
                            schriftelijk door de algemeen directeur verleend, na overleg met het
                            hoofd BHV.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In de aanwijzing wordt in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="-"><al> de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, adres en
                                    woonplaats van de bedrijfshulpverlener;</al></li><li nr="-"><al> het organisatieonderdeel waar de bedrijfshulpverlener werkzaam
                                    is;</al></li><li nr="-"><al> de BHV-locatie, de taak bij de BHV en de datum met ingang
                                    waarvan hij wordt aangewezen voor de taak bij de BHV.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Intrekking van het besluit tot aanwijzing als bedrijfshulpverlener door
                            de algemeen directeur vindt plaats:</al><lijst><li nr="-"><al> op schriftelijk verzoek van de bedrijfshulpverlener;</al></li><li nr="-"><al> indien de bedrijfshulpverlener niet meer in bezit is van een
                                    geldig BHV-certificaat;</al></li><li nr="-"><al> indien het hoofd BHV hem niet meer in staat acht op adequate
                                    wijze zijn taak uit te voeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37:1:1:3 Criteria voor BHV-werkzaamheden</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De bedrijfshulpverlener voert naast zijn normale werkzaamheden de
                            bedrijfshulpverleningstaken naar behoren uit.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Er is sprake van naar behoren uitvoeren van de
                            bedrijfshulpverleningstaken naast de normale taak als de
                            bedrijfshulpverlener voldoende inzetbaar is geweest voor de uitoefening
                            van deze taken.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Onderstaand worden de taken aangegeven voor de verschillende categorieën
                            bedrijfshulpverleners.</al><lijst><li nr="a"><al>taken bedrijfshulpverlener:</al><lijst><li nr="1"><al>het ontruimen van het gebouw;</al></li><li nr="2"><al> het begeleiden van personen naar veilige plaatsen;</al></li><li nr="3"><al> het controleren van het gebouw op aanwezigheid van
                                            personen;</al></li><li nr="4"><al> het verrichten van levensreddende eerste
                                            handelingen;</al></li><li nr="5"><al> het bestrijden van branden met kleine
                                            blusmiddelen;</al></li><li nr="6"><al> het afvoeren van gewonden, het begeleiden van personen
                                            in geval van ontruiming.</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>taken eerstehulpverlener:</al><lijst><li nr="1"><al>het verlenen van eerste hulp aan personen;</al></li><li nr="2"><al> het afvoeren van gewonden, het begeleiden van personen
                                            in geval van ontruiming;</al></li><li nr="3"><al> het controleren van gebouwen op aanwezigheid van
                                            personen.</al></li></lijst></li><li nr="c"><al>taken ploegleider bedrijfshulpverlening:</al><lijst><li nr="1"><al> het beoordelen van de veiligheidssituatie in het
                                            werkgebied;</al></li><li nr="2"><al> het voorbereiden van de inzet van de BHV-ploeg;</al></li><li nr="3"><al> het oefenen met de BHV-ploeg;</al></li><li nr="4"><al> het evalueren en rapporteren van de oefeningen en de
                                            inzet;</al></li><li nr="5"><al> het beheren en controleren van de (hulp) middelen van
                                            de BHV-ploeg.</al></li></lijst></li><li nr="d"><al>taken hoofd bedrijfshulpverlening</al><lijst><li nr="1"><al>het dagelijks leiding geven aan de
                                            bedrijfshulpverleningsorganisatie;</al></li><li nr="2"><al> geeft bij calamiteiten leiding aan de BHV en het
                                            beveiligingspersoneel;</al></li><li nr="3"><al> draagt zorg voor de werving, opleiding en oefening van
                                            het BHV-personeel;</al></li><li nr="4"><al> het opstellen en uitvoeren van het BHV-noodplan
                                            (aanvalsplan en ontruimingsplan); </al></li><li nr="5"><al> het voordragen aan de algemeen directeuren voor de aan
                                            de bedrijfshulpverleners toe te kennen toelagen.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al> Om het vorenvermelde naar behoren te kunnen uitvoeren, dienen
                                    alle bedrijfshulpverleners in het bezit te zijn van een
                                    BHV-certificaat van een erkend opleidingsinstituut.
                                    Bedrijfshulpverleners die nog niet in het bezit zijn van een
                                    BHV-certificaat kunnen slechts worden ingezet onder de bij a in
                                    het vorige lid vermelde taken 1 tot en met 3;</al></li><li nr="b"><al> daarnaast dient de EHV’er voor het verrichten van de taken in
                                    artikel 37:1:1:3, lid 3 aanhef en onder b in het bezit te zijn
                                    van het Eenheidsdiploma EHV van het Oranje Kruis;</al></li><li nr="c"><al> Het hoofd BHV dient in het bezit te zijn van het certificaat
                                    van de opleiding HBHV.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De bedrijfshulpverlener is voldoende inzetbaar, indien de
                            bedrijfshulpverlener zich vrijwillig gedurende een jaar verdienstelijk
                            heeft gemaakt op het terrein van de bedrijfshulpverlening, conform het
                            in dit artikel bepaalde. Dit blijkt jaarlijks uit het regelmatig en in
                            voldoende mate (minimaal 20 uur voor BHV’er, minimaal 18 uur voor
                            EHV’er) deelnemen aan de herhalingslessen en oefeningen. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De directeur van de dienst ziet, op voordracht van het hoofd
                            bedrijfshulpverlening, toe op inzetbaarheid voor de aangewezen
                            taak.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>BHV-cursussen, -herhalingslessen,-oefeningen en -wedstrijden worden
                            zoveel mogelijk tijdens de normale bedrijfstijd gehouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37:1:1:4 Vergoedingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien de bedrijfshulpverlener heeft voldaan aan de voor hem geldende
                            criteria neergelegd in artikel 37:1:1:3 ontvangt de bedrijfshulpverlener
                            een toelage conform artikel 3:17 ARGA.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Bij samenloop van de EHV-, BHV-, ploegleider BHV-, hoofd BHV-taken
                            ontvangt de betrokkene naast de in het vorige lid bedoelde toelage geen
                            extra vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37:1:1:5 Aansprakelijkheid</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In afwijking van de bepalingen ten aanzien van een dienstongeval, geldt
                            bij BHV-activiteiten dat de schade die de bedrijfshulpverlener
                            ondervindt als gevolg van een dienstongeval gedekt wordt door een
                            ongevallenverzekering bedrijfshulpverleners bij een externe verzekeraar. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien de bedrijfshulpverlener in het kader van BHV-activiteiten
                            ondeskundig of onrechtmatig handelt, is de schade dientengevolge jegens
                            derden voor rekening van de gemeente conform de algemene regels omtrent
                            aansprakelijkheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37:1:1:6 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Het college van de gemeente Amersfoort,</al><al></al><al>de gemeentesecretaris, de burgemeester</al><al>H. Elbers L.M.M. Bolsius</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting CAR-UWO</titel></kop><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> Het eerste lid geeft onder a een
                    begripsomschrijving van de term "ambtenaar", zoals deze voor de toepassing van
                    de CAR/UWO geldt. Uit de gekozen terminologie blijkt dat er aansluiting is
                    gezocht bij artikel 1, lid 1, van de Ambtenarenwet. Toegevoegd aan het begrip
                    ambtenaar volgens de Ambtenarenwet zijn de woorden "door of vanwege de
                    gemeente". Hoewel de burgemeester ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet is
                    de CAR/UWO niet op hem van toepassing. Een burgemeester wordt immers benoemd
                    door de Kroon en dus niet door of vanwege de gemeente. De rechtspositie van de
                    burgemeester is geregeld in het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (KB. van
                    15 juni 1994, Stb. 462). De wethouder is geen ambtenaar in de zin van de CAR/UWO
                    of de Ambtenarenwet. Behalve in de Gemeentewet is zijn rechtspositie geregeld in
                    de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en in het Rechtspositiebesluit
                    wethouders (KB. van 22 maart 1994, Stb. 243). Omdat er tussen de wethouder en de
                    gemeente geen gezagsverhouding werkgever/werknemer bestaat, is er geen sprake
                    van een dienstverband.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Hoewel de pensioenwet per 1 januari
                    1996 is vervallen en vervangen door een privaat pensioenreglement, blijft
                    niettemin de vermelding van de pensioenwet noodzakelijk. Dit met het oog op
                    bijvoorbeeld de vaststelling van voor pensioengeldige tijd in het kader van de
                    wachtgeldregeling (hoofdstuk 10 van de CAR).</al><al><vet><cursief>Onderdeel g en h</cursief></vet> De feitelijke arbeidsduur per
                    week kan afwijken van de formele arbeidsduur per week. </al><al><vet><cursief>Onderdeel j en k</cursief></vet> Een volledig dienstverband heeft
                    een arbeidsduur van ten hoogste 1836 uur per jaar. In deze berekening zijn
                    meegenomen het aantal werkdagen verminderd met het aantal, niet jaarlijks op
                    zaterdag of zondag vallende, feestdagen per jaar, gecorrigeerd met de kans dat
                    zij periodiek op een zaterdag of zondag vallen. Het gaat hier gemiddeld om 5 6/7
                    dag per jaar. De in aanmerking genomen feestdagen zijn Nieuwjaarsdag (gemiddeld
                    per jaar 5/7 dag), 2e paasdag (7/7), Koningsdag (5/7), Hemelvaartsdag (7/7), 2e
                    pinksterdag (7/7) en de beide kerstdagen (10/7) De berekening is dan als volgt:
                    365,25 dagen x 5/7 - 5 6/7 = 255 dagen. 255 x 7,2 uren (= 36 uren : 5) = 1836
                    uren.</al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen (zoals bijv. bevrijdingsdag,
                    Goede Vrijdag, 1 mei, maar ook andere dagen zoals de biddag voor het gewas,
                    carnavalsmaandag en/of -dinsdag, vrije dagen voor de plaatselijke kermis etc.)
                    moeten deze, op overeenkomstige wijze, in mindering worden gebracht op de in dit
                    lid genoemde maximale arbeidsduur. De vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd
                    met 7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op een andere dag van de week valt en
                    7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op dezelfde dag van de week valt, niet
                    zijnde een zaterdag of zondag.</al><al>Een volledig dienstverband kent een formele arbeidsduur van 36 uur per week. De
                    feitelijke arbeidsduur kan daarvan afwijken.</al><al><vet><cursief>Onderdeel n</cursief></vet> De arbeidsduur kan in de vorm van
                    werktijden zowel geheel worden vastgelegd als ook gedeeltelijk. Indien de
                    werktijden gedeeltelijk zijn vastgelegd, spreekt men bijvoorbeeld van
                    bloktijden.</al><al><vet><cursief>Onderdeel o</cursief></vet> De berekening hiervoor luidt als
                    volgt: 36 x 52 weken : 12 maanden = 156 uur per maand.</al><tussenkop>Artikel 1:2 Geen ambtenaar (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> De rechtspositie van het onderwijzend
                    personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs is onder andere geregeld in
                    het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Grondslag voor dit besluit ligt in
                    de diverse onderwijswetten. Onderwijzend personeel bij het bij zonder onderwijs
                    is op arbeidsovereenkomst werkzaam bij die instellingen en dus daarom al is de
                    CAR-UWO niet op hen van toepassing. De gemeente treedt hier immers niet als
                    werkgever op.</al><al><vet><cursief>Onderdeel b</cursief></vet> Het onderwijsondersteunend personeel
                    is belanghebbende in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel als
                    het rechtstreeks bij de school is aangesteld. Wanneer bijvoorbeeld een
                    schoolschoonmaker bij de gemeente is aangesteld, is de CAR-UWO onverkort van
                    toepassing.</al><al><vet><cursief>Onderdeel c</cursief></vet>Ook de (buitengewoon) ambtenaar van de
                    burgerlijke stand, die als zodanig optreedt, is geen ambtenaar in de zin van het
                    CAR. Wanneer het gaat om een ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente
                    werkzaam is, geldt de uitzondering dus uitsluitend indien de ambtenaar - in
                    nevenfunctie - functioneert in de hoedanigheid van (buitengewoon) ambtenaar van
                    de burgerlijke stand.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Alle onbezoldigde gemeenteambtenaren
                    die conform artikel 231 van de Gemeentewet zijn belast met de heffing en
                    invordering van gemeentelijke belastingen worden voor de toepassing van de
                    CAR-UWO niet als ambtenaar beschouwd.</al><al><vet><cursief>Onderdeel f en g</cursief></vet>Gemeenten kunnen voor de
                    uitoefening van bepaalde taken toezichthouders aanstellen. Een toezichthouder is
                    volgens artikel 5:11 van de Awb: ‘Een persoon, bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde
                    bij of krachtens enig wettelijk voorschrift’. Er zijn toezichthouders zonder
                    opsporingsbevoegdheid en toezichthouders met opsporingsbevoegdheid. Aan deze
                    laatste groep wordt door het Ministerie van Justitie een BOAakte verleend.</al><al>Gemeenten krijgen door het toevoegen van onderdeel f aan artikel 1:2 CAR-UWO de
                    mogelijkheid om toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid, maar die volgens
                    wet- en regelgeving aangesteld dienen te zijn als ambtenaar om hun
                    toezichthoudende werkzaamheden te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen
                    zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis van dit artikel
                    kunnen gemeenten dus toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid inhuren via
                    particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>Met het toevoegen van onderdeel g aan artikel 1:2 CAR-UWO krijgen gemeenten de
                    mogelijkheid om toezichthouders met opsporingsbevoegdheid aan te stellen als
                    onbezoldigd ambtenaar zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt.
                    Belangrijk hierbij is dat dit alleen toegepast kan worden op ambtenaren in
                    functies die door het ministerie van Justitie zijn uitgezonderd van de
                    hoofdregel dat BOA-aktes alleen worden toegekend als de ambtenaar in bezoldigde
                    dienst is van de overheid. De gemeentelijke functies van parkeercontroleur en
                    APV-controleur zijn de twee uitzonderingen. Dit is geregeld in een functielijst
                    in de circulaire van het ministerie van Justitie, Directoraat-Generaal
                    Rechtshandhaving, Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden, 2
                    december 2004, onderwerp: functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar, kenmerk
                    5324449/504 en de aanvulling daarop van 7 februari 2006, kenmerk
                    5402271/506/CBK.</al><al><cursief><vet>Onderdeel h</vet></cursief>Veelal laten gemeenten de Wet sociale
                    werkvoorziening (Wsw) uitvoeren door een gemeenschappelijke regeling. Gemeenten
                    kunnen er echter ook voor kiezen om de Wet sociale werkvoorziening zelf uit te
                    voeren en geïndiceerden voor de sociale werkvoorziening zelf in dienst te nemen.
                    In het kader van de wet dienen geïndiceerden op basis van een
                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te worden genomen. Deze
                    mensen vallen onder de CAO sociale werkvoorziening. Op grond van onderdeel h,
                    eerste zinsdeel, worden deze personen uitgezonderd van de toepassing van de
                    CAR-UWO. Hiermee wordt voorkomen dat deze personen zowel aanspraken kunnen
                    ontlenen aan de CAO sociale werkvoorziening als aan de CAR-UWO. Uitzondering op
                    de regel zijn degenen die werkzaam zijn bij de gemeenten in het kader van
                    begeleid werken. Zij vallen wel onder de CAR-UWO. Deze uitzondering is geregeld
                    in het tweede (en laatste zinsdeel) van onderdeel h.</al><al><vet>Onderdeel i </vet>Per 1 januari 2011 is voor de gehele ambulancesector één
                    arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing: de sector-cao Ambulancezorg. De
                    directe aanleiding voor de totstandkoming van de cao vormt de inwerkingtreding
                    van de Wet ambulancezorg. De sector-Cao Ambulancezorg heeft geen rechtstreekse
                    doorwerking naar de publieke ambulancediensten. Dat wordt ook niet gerealiseerd
                    door de voorgenomen algemeenverbindendverklaring van de sector-Cao. Tussen alle
                    bij de Cao betrokken partijen is afgesproken dat de publieke diensten de
                    sector-Cao Ambulancezorg als rechtspositionele regeling zullen vaststellen en
                    daarin boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
                    toepassing zullen verklaren. Deze afspraak wordt neergelegd in een apart en
                    bindend convenant dat alle betrokken ambulancediensten ondertekenen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voordat ambtenaren zoals genoemd in onderdeel f of g van het eerste lid kunnen
                    worden uitgesloten van de toepasselijkheid van de CAR-UWO dient er
                    overeenstemming over te zijn bereikt in het GO of met de OR. Of dit in het GO of
                    met de OR besproken moet worden is afhankelijk van de lokale
                    bevoegdheidsverdeling tussen het GO en de OR.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Niet als ambtenaar in de zin van de CAR-UWO wordt beschouwd de vrijwilliger bij
                    de gemeentelijke brandweer. De rechtspositie voor deze categorie is geregeld in
                    hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van de UWO. Het personeel van de beroepsbrandweer
                    is wel ambtenaar in de zin van de CAR-UWO.</al><tussenkop>Artikel 1:2:1:1</tussenkop><al>De uitsluiting hangt samen met het feit dat artikel 3:22:1:1 tot 1 januari 2016
                    inhoudelijk was geregeld in hoofdstuk 18, waarvan de toepasselijkheid als in
                    artikel 1:2:1:1 bedoeld was uitgesloten.</al><tussenkop>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar (T)</tussenkop><al><vet>Lid 5 </vet></al><al> De ambtenaren die vallen onder de leden 2, 3 en 4 van dit artikel zijn de enige
                    medewerkers waarvoor nog een vakantietoelage geldt. Deze 8% is pensioengevend.
                    De 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, was tot 1 januari 2017
                    de levensloopregeling geregeld in artikel 6a:7 lid 1. Deze 1,5% is
                    pensioengevend. De 0,8% van het in de maand van opbouw geldende salaris, was tot
                    1 januari 2017 het bovenwettelijk verlof van 14,4 uren geregeld in artikel 6:2
                    lid 1. Deze 0,8% is niet pensioengevend. </al><al>Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk
                    zijn uitbetaald dan worden de in de percentages in die maand berekend op basis
                    van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n). Indien in een
                    maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn
                    uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en met 4 dan worden, in afwijking
                    van voorgaande volzin, de percentages in die maand berekend op basis van het
                    volledige salaris en toegekende salaristoelage(n).</al><al>Uitbetaling vindt plaats bij de maandelijkse salarisbetaling.</al><tussenkop>Artikel 1:2a en 1:2b Stage-werkervaringsplaats (T)</tussenkop><al>De werkervaringsplaats is bedoeld voor personen die op eigen initiatief
                    werkervaring willen opdoen. De stageplaats is bedoeld voor personen die in het
                    kader van een opleiding/onderwijs praktijkervaring op willen doen. Er is in dat
                    geval sprake van een driehoeksrelatie tussen stage verlener, stagiaire en
                    opleidingsinstituut.</al><al>Bij een werkervaringsplaats (wep) staan het leerproces en het opdoen van
                    ervaring centraal en niet het verdienen van geld <noot id="FN688204_1"><noot.al>CRvB 17 juli 1990, RSV 1990/345 / CRvB 23 juni 1992, RSV
                            1992/351.</noot.al></noot>. Dit neemt niet weg dat er wel een redelijke onkostenvergoeding wordt
                    betaald. Wat een redelijke onkostenvergoeding is voor stagiaires en wep-ers
                    wordt lokaal in overleg met het bevoegde medezeggenschapsorgaan
                    vastgesteld.</al><al>Een sterke gezagsverhouding kan bij een eventuele gerechtelijke procedure wijzen
                    op het bestaan op een arbeidsovereenkomst. Het is echter onmogelijk om als
                    wep-er niet in een zekere gezagsverhouding tot je leidinggevende te staan. In de
                    praktijk komt het erop neer dat de wep-er een zekere keuze moet hebben in de
                    werkzaamheden die hij/zij verricht, om zodoende invloed te hebben op het eigen
                    leerproces. Ook bij het opnemen van vrije dagen e.d. moet de wep-er een zekere
                    mate van vrijheid hebben.</al><al>In de artikelen 1:2a en 1:2b worden een aantal artikelen en hoofdstukken van de
                    CAR-UWO van toepassing uitgesloten. Voor zover het de bedoeling is om ook
                    (onderdelen) van lokale regelingen uit te sluiten van toepassing op stagiaires
                    en wep-ers, moet dat in die lokale regeling worden geregeld. Zowel de stagiaire
                    als de wep-er zijn geen ambtenaar in de zin van artikel 1:1.</al><tussenkop>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak (T)</tussenkop><al>Gemeenten kunnen ambtenaren aanstellen vanwege de Wet banenafspraak en quotum
                    arbeidsbeperkten. Onder deze wet vallen: (1) Mensen met een WSW-indicatie; (2)
                    Wajongers met arbeidsvermogen; (3) mensen met een WIW-baan of ID-baan; (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen en die door beperkingen niet het
                    wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Om de instroom van deze doelgroepen te
                    bevorderen, maakt de CAR-UWO het mogelijk om het salaris af te stemmen op de
                    verdiencapaciteit of de loonwaarde. Deze mogelijkheid is beperkt tot de
                    ambtenaren die onder de wettelijke omschrijving vallen van de doelgroepen (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen, en (2) Wajongers met
                    arbeidsvermogen.</al><lijst><li nr="1"><al>De omschrijving van deze doelgroep staat in de Wet financiering sociale
                            verzekeringen, artikel 38b lid 1 sub a. In <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="salarisschaal A" type="tekst" id="i290040"></illustratie></plaatje> is het salaris bij periodiek 0 het wettelijk minimumloon en
                            is het salaris bij periodiek 11 120% van het wettelijk minimumloon. De
                            bedragen in <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="schaal A" type="tekst" id="i290041"></illustratie></plaatje> worden, in plaats van op de salarisontwikkeling in de Cao
                            Gemeenten, geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon
                            en elk jaar op 1 januari bijgesteld. De actuele schaalbedragen worden na
                            goedkeuring door het LOGA gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1:3 Toepassing (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel biedt de mogelijkheid de CAR/UWO of delen van deze regeling, om
                    bijzondere redenen, uit te zonderen voor ambtenaren of groepen ambtenaren.</al><al>Voor het uitzonderen van de CAR/UWO, of van gedeelten daarvan, is een
                    collegebesluit nodig. Omdat het hier een aangelegenheid betreft die de
                    rechtspositie van ambtenaren aangaat, dient het voornemen een categorie
                    ambtenaren van de werking van CAR/UWO uit te sluiten, eerst in het lokale
                    georganiseerd overleg aan de orde te zijn geweest. Vervolgens kan een
                    collegebesluit niet genomen worden dan nadat partijen in het Landelijk Overleg
                    Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) van dit voornemen in kennis zijn
                    gesteld. Immers, het is niet de bedoeling dat op grote schaal groepen werknemers
                    van de werking van de CAR/UWO worden uitgesloten. Op deze wijze kan namelijk
                    afbreuk worden gedaan aan de bindende werking van de CAR/UWO.</al><al>Indien LOGA-partijen van mening zijn dat het niet wenselijk is (een groep)
                    ambtenaren van de werking van de CAR/UWO - of gedeelten daarvan - uit te
                    zonderen, wordt besloten tot een verdere procedure. Het is de bedoeling dat en
                    afvaardiging van het LOGA in contact treedt niet het lokale bestuur om te
                    motieven voor het voorgenomen besluit door te spreken. Vervolgens kunnen
                    LOGA-partijen oordelen dat tegen de uitzondering geen bezwaren bestaan. Ingeval
                    het LOGA zijn bezwaren handhaaft, kan het LOGA een procedure in gang zetten, die
                    ertoe leidt dat het betreffend besluit onverbindend wordt verklaard.</al><tussenkop>Artikel 1:3a Toepassing (T)</tussenkop><al>Dit artikel heeft de volgende functies:</al><lijst><li nr="a"><al>het maakt zichtbaar dat de raad bevoegd gezag is ten aanzien van de
                            griffier en diens ambtenaren;</al></li><li nr="b"><al>het maakt duidelijk dat de CAR-UWO van toepassing is op de griffier en
                            diens ambtenaren;</al></li><li nr="c"><al>het biedt een kapstok voor besluiten van de raad ten aanzien van de
                            rechtspositie van de griffier.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de toepassing van de CAR-UWO op de griffier en de
                    griffiemedewerkers wordt het volgende opgemerkt. De griffier valt onder de
                    begripsomschrijving in artikel 1:1, eerste lid onder a van de CAR. In de memorie
                    van antwoord op de Wet dualisering gemeentebestuur is gesteld dat de
                    rechtspositie van het griffiepersoneel gelijk zal zijn aan die van het overige
                    gemeentepersoneel, omdat ook deze ambtenaren vallen onder de algemene afspraken
                    die de VNG met de bonden voor de sector gemeenten heeft gemaakt. Dit geldt zowel
                    voor de CAR als voor de UWO. Het LOGA heeft in de ledenbrief van 30 mei 2002
                    geadviseerd om de lokale gemeentelijke rechtspositie en de toekomstige
                    wijzigingen daarin van toepassing te laten verklaren op de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren. Dit dient door de raad te gebeuren omdat de raad
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de griffie.</al><al><cursief>Delegatie uitvoering rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de
                        griffie.</cursief> Omdat de raad bevoegd gezag is, is ook de uitvoering van
                    rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de griffie een zaak van de raad.
                    In de CAR-UWO wordt in nagenoeg alle bepalingen uitgegaan van of gesproken over
                    het college als bevoegd gezag. Voor de uitvoering van deze bepalingen op de
                    griffie dient dus voor 'het college' te worden gelezen: de raad.</al><al>De raad zal moeten bepalen hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk
                    wordt uitgeoefend. Het zal niet wenselijk geacht worden om de raad zelf met de
                    gehele uitvoering van de rechtspositie te belasten. Het uitvoeren van de CAR-UWO
                    en de lokale rechtspositieregeling ten aanzien van de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren, kan door de raad gedelegeerd worden aan het
                    college. Zoals gebruikelijk binnen de ambtelijke organisatie, zal het college op
                    zijn beurt een groot aantal bevoegdheden hebben gemandateerd aan zijn
                    ambtenaren, volgens het in de gemeente geldende delegatie- en mandaatbesluit. De
                    bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie, aanstelling, schorsing en
                    ontslag leent zich in het kader van het dualisme minder goed voor
                    delegatie.</al><al>Daarnaast is er een categorie personele bevoegdheden die in het algemeen aan
                    diensthoofden is gemandateerd. Voor wat betreft het griffiepersoneel is het
                    wenselijk dat deze door of namens de raad uitgevoerd worden, omdat deze in
                    verband staan met de aansturing van de griffie. Gedacht kan worden aan
                    beloningsbeslissingen, opdracht tot overwerk, verlofverlening, het verplichten
                    tot aanvaarding van een andere functie, het beoordelen, het verplichten tot het
                    volgen van een opleiding, het opleggen van een disciplinaire maatregel en het
                    vaststellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan. In het delegatiebesluit dient
                    bepaald te worden welke bevoegdheden door of namens de raad uitgevoerd worden,
                    en dus niet gedelegeerd worden aan het college. Tevens dient bepaald te worden
                    wie namens de raad de van delegatie uitgezonderde personele bevoegdheden
                    uitoefent. Ten aanzien van de griffiemedewerkers zal de griffier gemandateerd
                    worden. Ten aanzien van de griffier zelf kan dat het seniorenconvent, het
                    raadspresidium, een raadscommissie of de burgemeester zijn.</al><tussenkop>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies (T)</tussenkop><al>Bij de in dit artikel bedoelde voorschriften en instructies kan gedacht worden
                    aan uitvoeringsregelingen van de UWO of daarmee vergelijkbare lokale regelingen.
                    Voorbeelden daarvan zijn een uitvoeringsregeling onbetaald verlof, de
                    bijzonderverlofregeling of de verplaatsingskostenregeling.</al><tussenkop>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO (T)</tussenkop><al>De verstrekking kan ook plaatsvinden door een elektronische tekstdrager,
                    bijvoorbeeld een diskette, of door terbeschikkingstelling via een intern
                    netwerk. Bij het tweede lid, onder d, kan onder meer gedacht worden aan de
                    ondernemingsraad. Op grond van artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden
                    heeft deze immers tot taak toe te zien op de naleving van de
                    rechtspositieregeling.</al><tussenkop>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO (T)</tussenkop><al>Hetgeen in artikel 1:4:3 is bepaald ten aanzien van de UWO, geldt ook voor de
                    lokale (uitvoerings)regels.</al><tussenkop>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen (T)</tussenkop><al>Voor de volledigheid: voor iedere ambtenaar, ook de gemeentesecretaris, is het
                    bevoegd bestuursorgaan het college. Dit geldt niet voor de griffier en de
                    griffiemedewerkers. Zij dienen hun belangen bij de gemeenteraad voor te
                    dragen.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Omvang van het dienstverband (T)</tussenkop><al>Bij het berekenen van de nieuwe omvang van een dienstverband of voor het
                    berekenen van verlof kunnen uren uitgerekend worden tot meerdere decimalen
                    achter de komma. Op grond van het bepaalde in artikel 1:5 moeten uren aan het
                    einde van de berekening worden afgerond tot op twee decimalen achter de komma.
                    Hiermee wordt voorkomen dat afrondingsverschillen ontstaan die ongewenste
                    salarisverschillen met zich kunnen brengen. Op jaarbasis kan het hierbij gaan om
                    tientallen euro’s. Onder de gangbare afbreekregel wordt verstaan dat tot en met
                    vier wordt afgerond naar beneden en vanaf vijf wordt afgerond naar boven.</al><tussenkop>Artikel 1:6 Vrijstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om voor hogere functies van artikel 2:4 af te
                    wijken. Dit betekent onder andere dat de termijn van 24 maanden niet van
                    toepassing is. Ook geldt voor de hier bedoelde hogere functies niet het principe
                    dat de vierde aanstelling een vaste aanstelling is. Daarbij kan ook worden
                    bepaald dat voor de nader aan te wijzen hogere functies wordt afgeweken van de
                    salaristabel. Tevens kunnen in de nadere regeling bepalingen worden opgenomen
                    die inhouden dat degene die een functie bekleedt waarbij afwijkende afspraken
                    worden gemaakt, niet behoort tot de kring van rechthebbenden op de
                    bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d. Voordat een
                    dergelijke regeling kan worden opgesteld, dient overeenstemming te zijn bereikt
                    in het georganiseerd overleg over de criteria aan de hand waarvan de functies
                    worden aangewezen en over de functies zelf.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Behalve voor hogere functies kan ook voor projectmedewerkers en andere
                    tijdelijke functionarissen de algemene vrijstelling worden toegepast, uiteraard
                    onder de procedurele voorwaarden die in het eerste lid zijn aangewezen. Deze
                    mogelijkheid maakt het aantrekken van interim-personeel in gemeentelijke dienst
                    gemakkelijker. Behalve van de salaristabel kan ook van de limitatieve opsomming
                    van ontslaggronden in hoofdstuk 8 en van de bovenwettelijke
                    werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d worden afgeweken. Uiteraard
                    dient elke afwijking van de CAR in ieder individueel geval bij de aanstelling te
                    worden vastgelegd, evenals de criteria op grond waarvan de te verrichten
                    prestatie wordt beoordeeld en de voorwaarden waaronder deze dient te worden
                    verricht.</al><tussenkop>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag (T)</tussenkop><al>De gemeentesecretaris en de overige ambtenaren die werkzaam zijn voor het
                    college, worden benoemd door het college. De griffier en de griffiemedewerkers
                    worden benoemd door de gemeenteraad.</al><tussenkop>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Er bestaat een verplichting om de functie waarin de ambtenaar wordt geplaatst in
                    het bericht van aanstelling op te nemen (Wet van 2 december 1993, Stb. 1993,
                    635). Dit is geregeld in artikel 2:4:1 UWO. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In de CAO gemeenten 2011-2012 hebben LOGA-partijen de afspraak opgenomen dat
                    alle ambtenaren uiterlijk op 1 januari 2013 een aanstelling in algemene dienst
                    hebben. De functie van de medewerker verandert niet als gevolg van deze
                    omzetting.</al><tussenkop>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In elk concreet geval zal nauwkeurig moeten worden overwogen of een nieuwe
                    functie passend is. Het ‘horen’ van de ambtenaar moet niet als formaliteit
                    worden beschouwd. Uit de besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de
                    argumenten van de ambtenaar rekening is gehouden. Het belang van de dienst moet
                    de reden zijn voor de aanwijzing van een andere betrekking. Het dienstbelang is
                    hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus niet om of naar het oordeel van
                    het bevoegd gezag een dienstbelang aanwezig is, maar of er gemeten met
                    objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake is.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden is
                    een minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking. De
                    voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de opdracht daartoe te kunnen geven
                    zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet – in tegenstelling tot het
                    bepaalde in het eerste lid – al aanwezig worden geacht als dat naar het oordeel
                    van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of
                    het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel is gekomen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De ambtenaar moet met de werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct
                    beginnen, ook als hij daartegen bezwaren heeft in verband met zijn
                    persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort de werking van het besluit
                    niet op.</al><tussenkop>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid
                    (T)</tussenkop><al>Slechts diegenen kunnen als ambtenaar worden aangesteld van wie mag worden
                    aangenomen dat zij voldoen aan de voor de functie te stellen bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen. Deze bepaling vormt als het ware de keerzijde van artikel
                    8:6 en artikel 8:7, onderdeel a. Hoe duidelijker de bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen zijn geformuleerd, des te beter zal men de artikelen 8:6 en
                    8:7, onderdeel a, kunnen toepassen.</al><al>Wanneer personeel van gemeenten of rechtspositievolgers van gemeenten
                    werkzaamheden verrichten die een risico geven op besmetting met hepatitis B, dan
                    moet aan de werknemers, die dit risico lopen een inenting tegen hepatitis B
                    aangeboden worden. Het gaat om bij operaties betrokken personeel. In het geval
                    dat vaccinatie om principiële redenen wordt geweigerd of vaccinatie niet leidt
                    tot de gewenste bescherming, moet de medewerker wel toestaan dat hij enkele
                    malen per jaar gecontroleerd wordt. Medewerkers mogen niet gedwongen worden zich
                    te laten inenten. Meer informatie is op te vragen bij de Commissie Preventie
                    Iatrogene Hepatitis B.</al><tussenkop>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek (T)</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de aanstellingskeuring geen regel is, maar uitzondering.
                    Slechts in een beperkt aantal gevallen is het mogelijk een aanstellingskeuring
                    op te leggen. Deze gevallen doen zich voor als er aan de vervulling van de
                    functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden
                    gesteld. Deze bepaling vloeit voort uit de Wet op de medische keuringen, die
                    sinds 1 januari 1998 van kracht is en ook voor de overheid van toepassing
                    is.</al><al>De functies waarvoor een aanstellingskeuring wenselijk is, dienen in overleg met
                    de Arbo-dienst geïnventariseerd te worden. In de regel zullen deze functies in
                    een lijst worden opgenomen. Wanneer een regeling wordt opgesteld, waarin
                    criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan bepaald wordt of voor een functie en
                    aanstellingskeuring wenselijk is, heeft de ondernemingsraad (OR) op grond van
                    artikel 27, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de ondernemingsraden
                    instemmingsrecht omtrent deze regeling. De lijst van functies die uit deze lijst
                    voortvloeit hoeft in dat geval niet aan de OR te worden voorgelegd. Wanneer er
                    voor gekozen wordt om niet eerst een regeling te ontwerpen, maar direct een
                    lijst op te stellen, heeft de OR instemmingsrecht wat betreft deze lijst. Het
                    verdient aanbeveling de lijst met functies waarvoor een aanstellingskeuring
                    geldt openbaar te maken en in sollicitatieprocedures met betrekking tot
                    dergelijke functies al in het beginstadium aan te geven dat de keuring deel
                    uitmaakt van de sollicitatieprocedure.</al><al>Het ligt voor de hand dat de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd door de
                    geneeskundigen van de Arbo-dienst waarbij de gemeente is aangesloten.</al><tussenkop>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling (T)</tussenkop><al>In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of
                    tijdelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of
                    onbepaalde tijd plaatsvinden.</al><al>In tegenstelling tot de situatie van voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve
                    opsomming van aanstellingsgronden meer. Iedere grond mag gebruikt worden. Alleen
                    bij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd móet een aanstellingsgrond
                    genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer aanwezig zijn van de
                    aanstellingsgrond is de reden dat uit die aanstelling voor onbepaalde tijd
                    ontslag verleend kan worden (zie ook artikel 8:12). Bij een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig om een aanstellingsgrond te
                    noemen. Het verstrijken van de termijn van aanstelling is de reden van
                    beëindiging van die aanstelling (zie artikel 8:12).</al><al>In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke aanstellingen
                    bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke aanstellingen dat mag worden
                    gegeven alvorens een tijdelijke aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een
                    vaste aanstelling. Hierbij is aangesloten bij de wijzigingen in het BW als
                    gevolg van het van kracht worden van de betreffende bepalingen in de Wet werk en
                    zekerheid per 1 juli 2015 (stb.2014, 216)</al><al>Met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 per 1 juli 2015, waarin de
                    materiele normen van de Wet Werk en Zekerheid zijn verwerkt, is het oude lid 4
                    komen te vervallen waarin de ‘aanstelling bij wijze van proef’ was geregeld. De
                    reden daarvan is dat met de wijziging van artikel 2:4 de maximale
                    aanstellingsduur voor (opeenvolgende) aanstellingen voor bepaalde tijd is
                    vastgesteld op 24 maanden. Dit maximum gold tot 1 juli 2015 voor de ‘aanstelling
                    bij wijze van proef’, maar heeft sindsdien zijn betekenis verloren. Onder het
                    huidige artikel 2:4 kunnen nieuwe medewerkers nog steeds ‘op proef’ worden
                    aangesteld.</al><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd kan de 24 maanden overschrijden voor een
                    eenmalig project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en
                    waarvoor van de gemeente redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de
                    kennis in huis heeft.</al><al>Zoals ook in het Burgerlijk Wetboek is geregeld, zijn de ketenbepalingen in
                    artikel 2:4 niet van toepassing op aanstellingen in verband met een
                    beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Het met ingang van 1 juli 2015 geldende
                    vierde lid regelt de arbeidsrechtelijke gevolgen van opeenvolgende
                    dienstverbanden die een medewerker heeft met verschillende werkgevers (zoals
                    uitzendbureaus, payroll bedrijven of detacheringsbureaus), waarbij deze
                    medewerker binnen dezelfde organisatie feitelijk of in hoofdzaak dezelfde
                    werkzaamheden blijft verrichten, voor rekening komen van de (opvolgende)
                    werkgever bij overschrijding van de grenzen genoemd in het tweede of derde lid.
                    E.e.a. heeft – behoudens voorafgaande detachering in dezelfde functie - geen
                    betrekking op de situatie waarin een ambtenaar bij gemeente A uit dienst gaat om
                    vervolgens bij gemeente B in dienst te treden.</al><tussenkop>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat welke gegevens een aanstellingsbesluit moet bevatten. De Wet
                    van 2 december 1993 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese
                    Gemeenschappen betreffende informatie van de werknemer over zijn
                    arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993, 635) stelt regels terzake.
                    In deze wet wordt bepaald dal de overheidswerkgever verplicht is de werknemer
                    een schriftelijke opgave te doen van:</al><lijst><li nr="-"><al>de identiteit van de werkgever;</al></li><li nr="-"><al>de naam en woonplaats van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de functie van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de datum van indiensttreding;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de aanstelling of de arbeidsovereenkomst, indien deze voor
                            bepaalde duur wordt aangegaan;</al></li><li nr="-"><al>de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van deze
                            aanspraak;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de door de werkgever en de werknemer in acht te nemen
                            ontslag- respectievelijk opzegtermijnen;</al></li><li nr="-"><al>het salaris en de termijn van uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al>de gemiddelde wekelijkse of dagelijkse arbeidsduur;</al></li><li nr="-"><al>het toepasselijk algemeen verbindend verklaarde voorschrift, houdende
                            regelen inzake de algemene arbeidsvoorwaarden en het salaris.</al></li></lijst><al>De LOGA-brief van 17 februari 1994 (kenmerk ARZ/401235) informeert hierover. Het
                    derde lid verwijst naar een artikel uit genoemde wet, waarin is bepaald dat
                    wijziging van salaris of gemiddelde arbeidsduur kosteloos aan de werknemer wordt
                    medegedeeld.De elementen die een aanstellingsbesluit moet bevatten staan in het
                    algemeen een aanstelling in algemene dienst niet in de weg. Gedetailleerde
                    functiebeschrijvingen vormen hiertoe overigens wel een belemmering.</al><al>In het bericht van de aanstelling moet worden opgenomen wat de grond van
                    aanstelling is indien de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is
                    aangegaan. Het vervallen van deze grond (dit is de reden van aanstelling) is
                    namelijk de reden om tot beëindiging van die aanstelling over te gaan (zie ook
                    artikel 8:12). De reden dat de overige gronden in artikel 2:4:1, eerste lid,
                    onder c, in het aanstellingsbesluit genoemd moeten worden is dat voor deze
                    categorie medewerkers bepaalde artikelen en hoofdstukken van de CAR niet van
                    toepassing zijn. Het aanstellen op deze gronden heeft dus gevolgen voor de
                    rechtspositie van deze medewerkers. Zie ook artikel 1:2:1.</al><tussenkop>Artikel 2:4:2:1</tussenkop><al>Dit artikel is een nadere uitwerking van artikel 2:4:2 waarin is voorgeschreven
                    dat vacatures bij voorkeur worden vervuld door het eigen personeel. Natuurlijk
                    blijft daarbij artikel 2:2 gelden, n.l. dat de kandidaat in voldoende mate moet
                    beschikken over de hoedanigheden die nodig zijn om de opgedragen werkzaamheden
                    te verrichten. In dit artikel worden de verschillende voorrangsposities en hun
                    mate van voorrang neergelegd. </al><al>Herplaatsingskandidaten zijn medewerkers van de gemeente van wie de functie
                    vanwege reorganisatie is vervallen en voor wie (nog) geen andere functie
                    beschikbaar is en medewerkers die om medische of andere dringende redenen hun
                    functie niet meer kunnen uitoefenen. Loopbaankandidaten zijn medewerkers met wie
                    specifieke loopbaan- of ontwikkelings- of andere afspraken zijn gemaakt,
                    bijvoorbeeld in het kader van een POP of van een aanstelling in algemene dienst. </al><tussenkop>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst (T)</tussenkop><al>De CAR heeft als uitgangspunt dat de aanstelling als ambtenaar (in vaste of
                    tijdelijke dienst) regel is en het aangaan van een arbeidsovereenkomst
                    uitzondering. Daarom is het slechts mogelijk om een arbeidsovereenkomst naar
                    burgerlijk recht aan te gaan in het geval van oproepkrachten.</al><al>Op grond van Europese regelgeving (richtlijn 1999/70/EG) mag een werkgever geen
                    onderscheid maken in arbeidsvoorwaarden tussen de medewerker in tijdelijke
                    dienst en de medewerker in vaste dienst, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is
                    (legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit). Voor de beoordeling bij de
                    vraag of er sprake is van gelijke behandeling is een vergelijkbare medewerker in
                    vaste dienst het ijkpunt. Met een vergelijkbare medewerker in vaste dienst wordt
                    de medewerker bedoeld die in dezelfde organisatie, hetzelfde of soortgelijk werk
                    verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening
                    wordt gehouden met kwalificaties en bekwaamheden.</al><al>Voor medewerkers bij de overheid met een aanstelling is dit geregeld in artikel
                    125h van de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet is echter niet van toepassing op
                    arbeidscontractanten. Daarom is in de CAR artikel 125h van de Ambtenarenwet van
                    overeenkomstige toepassing verklaard op medewerkers met wie de gemeente een
                    tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten.</al><tussenkop>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst (T)</tussenkop><al>De belangrijkste consequentie van de bepaling dat artikel 2:1 tot en met 2:4:2
                    van overeenkomstige toepassing zijn, is dat hierdoor de termijnen uit artikel
                    2:4 ook voor arbeidsovereenkomsten gelden. Dit betekent onder meer dat het bij
                    de termijnen van artikel 2:4 niet uitmaakt of sprake is geweest van een
                    opeenvolging van slechts arbeidsovereenkomsten of aanstellingen dan wel van een
                    combinatie daarvan.</al><tussenkop>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten (T)</tussenkop><al>In dit artikel wordt de minimumomvang van de oproep gegarandeerd, alsmede de
                    minimum salarisgarantie per maand. Het aantal te werken uren wordt per kwartaal
                    bepaald, zodat eventueel te veel gewerkte uren in één maand ertoe kunnen leiden
                    dat in de volgende maand (binnen datzelfde kwartaal) minder dan 15 uur hoeft te
                    worden gewerkt. Zowel over de maand dat meer dan 15 uur is gewerkt als over de
                    dan minder dan 15 uur is gewerkt hoeft slechts 15 uur te worden uitbetaald.
                    Slechts wanneer over een kwartaal meer dan 15 uur per maand gemiddeld is
                    gewerkt, moet een nabetaling plaatsvinden. Zie ook de LOGA-brief van 6 mei 1994,
                    kenmerk ARZ/403483.</al><tussenkop>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele afspraken die de arbeidsovereenkomst tussen de
                    werkgever en de oproepkracht moet bevatten. In de overeenkomst kan naar dit
                    artikel worden verwezen. Het gaat hier - naast de tweezijdigheid - om de andere
                    essenties die de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer maken tot een
                    arbeidsovereenkomst. Beide partijen nemen verplichtingen op zich en verkrijgen
                    rechten ten opzichte van elkaar. In onderdeel f is aangegeven dat ingeval de
                    oproepkracht herhaalde malen weigert aan een oproep door de werkgever gehoor te
                    geven, terwijl er geen sprake is van ziekte, dit kan leiden tot ontslag op grond
                    van artikel 8:13 (disciplinair ontslag). Daarbij is het wel noodzakelijk dat het
                    aantal malen dat de oproepkracht gedurende een bepaald tijdvak een oproep kan
                    weigeren in de overeenkomst is vastgelegd. Wederzijds is dus geen sprake van
                    vrijblijvendheid.</al><tussenkop>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht (T)</tussenkop><al>Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15 uur per
                    maand. Voor die uren bestaat er dan ook een loonbetalingsverplichting, ook als
                    de oproepcontractant ziek is. Aangezien hoofdstuk 7 per definitie van toepassing
                    is (de CAR/UWO is namelijk van toepassing), hoeft deze
                    loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte niet meer expliciet te worden
                    opgenomen. De berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door het
                    inkomen dat de oproepkracht gedurende het laatste kwartaal genoot. De
                    oproepcontractant heeft een IKB conform de regeling in paragraaf 5 van hoofdstuk
                    3.</al><tussenkop>Artikel 2:6 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4
                    (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende
                    aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na
                    het einde van de laatste aanstelling.</al><tussenkop>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al> De Wet flexibel werken (Stb. 2015, 245 en latere wijzigingen in Stb. 2015, 376
                    en Stb. 2015, 274) is de opvolger van de Wet aanpassing arbeidsduur. De wet is
                    direct van toepassing op medewerkers (ambtenaren en arbeidscontractanten) van de
                    gemeente. Als de ambtenaar een verzoek indient zal dit verzoek moeten worden
                    afgehandeld met inachtneming van de (procedurele) bepalingen uit de Wet flexibel
                    werken.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Als een medewerker verzoekt om aanpassing van de arbeidsduur of werktijden moet
                    de werkgever dit verzoek honoreren, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. De Wet flexibel werken geeft
                    voorbeelden van situaties die – afhankelijk van het soort verzoek – vallen onder
                    de noemer zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als een ambtenaar een verzoek doet tot aanpassing van de werkplaats
                    (thuiswerken/plaats onafhankelijk werken), moet dit verzoek worden overwogen
                    door het college. Voor het afwijzen van het verzoek tot wijziging van de
                    arbeidsplaats is niet vereist dat er sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In de Wet flexibel werken is opgenomen dat de wet niet van toepassing is ten
                    aanzien van de aanpassing van de arbeidsduur van de ambtenaar die de
                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een medewerker die de AOW-gerechtigde
                    leeftijd heeft bereikt, heeft daarom op grond van de Wet flexibel werken geen
                    recht op vermindering of uitbreiding van zijn uren, maar hij kan op grond van
                    deze wet wel een verzoek doen tot aanpassing van de arbeidsplaats of (spreiding
                    van de) werktijden.</al><tussenkop>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet> Het college kan tijdelijk, voor een vooraf vast te stellen
                    periode de formele arbeidsduur per week van een ambtenaar van 36 naar maximaal
                    40 uur uitbreiden. Instemming van de ambtenaar is hierbij vereist. De periode
                    waarin de arbeidsduur wordt uitgebreid kan na afloop eventueel worden
                    verlengd.</al><al>Uitgangspunt is dat de formele arbeidsduur ook voor de betreffende functies
                    structureel op maximaal 1836 uur per jaar en gemiddeld 36 uur per week blijft
                    liggen. Hierop wordt voor de betreffende medewerker in het jaar waarin de
                    uitbreiding zich voordoet, een uitzondering gemaakt. Het gaat om een tijdelijke
                    uitbreiding van gemiddeld maximaal 4 uur, die na afloop van de vastgestelde
                    periode weer van rechtswege ophoudt (zie artikel 8:12, tweede lid). De regeling
                    betekent niet dat de aanstelling zelf verandert. Als de omvang van de
                    aanstelling na de bepaalde periode teruggaat naar 36 uur behoudt de betrokkene
                    derhalve een volledig dienstverband en wordt hij geen deeltijder.</al><al>Deze systematiek brengt met zich dat salaris, toelagen, premies
                    inkomensafhankelijke bijdragen en vergoedingen op grond van de Zvw, afdracht
                    loonbelasting, pensioenopbouw, minimum vakantietoelage, bodembedrag van de
                    eindejaarsuitkering en vakantieaanspraken evenredig worden aangepast gedurende
                    de uitbreiding van de arbeidsduur.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Onderdeel 8: Naast de afspraak van een tijdelijke uitbreiding van de arbeidsduur
                    kunnen niet gelijktijdig via het cafetariamodel vakantie-uren worden
                    gekocht.</al><tussenkop>Preambule</tussenkop><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2013-2015 hebben partijen in het LOGA afspraken
                    gemaakt over een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk, dat in werking is getreden
                    op 1 januari 2016. De belangrijkste veranderingen waartoe het LOGA heeft
                    besloten zijn: Het integreren van de lokale bezoldigingsverordening in hoofdstuk
                    3 van de CAR; Het niet langer hanteren van het begrip bezoldiging; en Het laten
                    vervallen van gedetailleerde aanwijzingen voor de uitvoering. In het nieuwe
                    begrip ‘salaristoelagen’ worden de toelagen opgesomd, die samen met het salaris
                    tot 1 januari 2016 de oude ‘bezoldiging’ vormden. Met de introductie van
                    ‘salaristoelagen’, kon afscheid worden genomen van het begrip ‘bezoldiging’,
                    zonder dat de daaraan verbonden rechten en verplichtingen teniet zijn gegaan. De
                    begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt, zijn in artikel 1:1 nader
                    omschreven.</al><al>Het vernieuwde beloningshoofdstuk is met ingang van 1 januari 2016 ook van
                    toepassing op brandweerpersoneel in dienst van een veiligheidsregio. In overleg
                    met het Landelijk Overleg Brandweerspecifieke Arbeidsvoorwaarden (LOBA) heeft
                    het LOGA aanvullende afspraken gemaakt voor toepassing van hoofdstuk 3 voor
                    brandweerpersoneel. Deze aanvullende afspraken zijn vastgelegd in hoofdstuk 20
                    van de car-uwo.</al><al>Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter, hetgeen betekent dat afwijkingen ten
                    nadele of ten gunste van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Hoofdstuk 3 bevat
                    een limitatieve opsomming van beloningselementen. Alleen ten aanzien van die
                    onderdelen waarbij in de tekst van dit hoofdstuk is bepaald dat het college iets
                    ‘kan’, heeft het college regelruimte. Daarbij gaat het zowel om de zogenaamde
                    ‘kan-bepalingen’, als de lokale invulling van een op centraal niveau afgesproken
                    ‘bandbreedte’. Bij de kan-bepalingen (artikelen 3:14, 3:15, 3:20 en 3:22) heeft
                    het college de vrijheid om de betreffende arbeidsvoorwaarde al dan niet toe te
                    passen (de ambtenaar kan er dus niet zondermeer rechten aan ontlenen) en áls dat
                    het geval is, op welke wijze dat gebeurt. Daarnaast bevat dit hoofdstuk
                    ‘bandbreedte-bepalingen’, waar de ambtenaar wél rechten aan kan ontlenen. Ten
                    aanzien van de bandbreedte-bepalingen hebben LOGA-partijen een bandbreedte
                    afgesproken, die op lokaal niveau nader kan worden ingevuld. Zo is bijvoorbeeld
                    in artikel 3:8 met betrekking tot de functioneringstoelage geregeld dat deze
                    maximaal 10% van het salaris bedraagt en voor een periode van maximaal een jaar
                    wordt toegekend. Deze twee indicatoren voor de omvang van de
                    functioneringstoelage, bepalen de ‘bandbreedte’ die in het lokale
                    beloningsbeleid nader kunnen worden ingevuld.</al><al>De keuze voor het toepassen van ‘kan bepalingen’ en de nadere invulling van de
                    ‘bandbreedte bepalingen’, vormen samen met de bestaande beleidsregels met
                    betrekking tot de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk, het
                    beloningsbeleid van de gemeente(lijke organisatie). Afspraken over het
                    beloningsbeleid worden op werkgeversniveau gemaakt. Deze afspraken behoeven de
                    instemming van het lokale Georganiseerd Overleg (GO).</al><al>Uitgangspunt van het beloningsbeleid is dat alle gemeenten een
                    functiewaarderingssysteem hebben, aan de hand waarvan de functies worden
                    beschreven. Gemeenten zijn vrij in de keuze van een functiewaarderingssysteem.
                    In die organisaties waarin naast of in plaats van ‘functies’ wordt gesproken
                    over ‘rollen’, worden die rollen overeenkomstig een functiewaarderingssysteem
                    beschreven.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 is de oude salarisregeling die gold tot 1 april
                    1996 komen te vervallen. Ambtenaren op wie deze regeling nog van toepassing was,
                    zijn uiterlijk per 1 januari 2016 ingepast in de nieuwe structuur.</al><tussenkop>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                    uitkeringen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In situaties waarin onduidelijk is of de ambtenaar wel verantwoordelijk kan
                    worden gehouden voor zijn nalatigheid, bijvoorbeeld vanwege zijn fysieke of
                    psychische gesteldheid, zal nader onderzoek plaats moeten vinden. De artikelen
                    7:13:1 en 7:13:2 vormen een nadere uitwerking van lid 1 in gevallen van
                    arbeidsongeschiktheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De uitbetaling per maand geldt ongeacht de lengte van de maand.</al><tussenkop>Artikel 3:3 Vaststelling salaris (T) </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld aan de hand van de waardering
                    van de functie op een van de periodieken van de functieschaal. De wijze waarop
                    het salaris wordt vastgesteld kan in het beloningsbeleid nader worden
                    uitgewerkt. Het is mogelijk om functies op verschillend niveau in te vullen;
                    bijvoorbeeld op junior-, medior- of senior-niveau. In dat geval gaat het om drie
                    te onderscheiden functies met ieder een eigen functieschaal. Uitgangspunt is dat
                    de functieschaal van begin tot eind wordt doorlopen. Uit dit artikel vloeit
                    echter niet voort dat de ambtenaar bij aanvang in de functie noodzakelijkerwijs
                    op het minimum van de salarisschaal dient te worden ingeschaald. Het college kan
                    hiervan afwijken, bijvoorbeeld als de aan te stellen ambtenaar in zijn vorige
                    functie een hoger salaris genoot of als de situatie op de arbeidsmarkt daartoe
                    aanleiding geeft.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze lagere schaal, die lokaal ook wel wordt aangeduid als ‘aanloopschaal’, is
                    bedoeld voor de ambtenaren die nog niet voldoende zijn gekwalificeerd voor de
                    functie waarin zij zijn geplaatst. De periode die de ambtenaar in deze
                    aanloopschaal doorbrengt, wordt gebruikt om alsnog te voldoen aan de voor de
                    functie gelden eisen op het gebied van opleiding, ervaring en bekwaamheid, zodat
                    de functie volledig en zelfstandig kan worden vervuld. Zodra dit het geval is
                    dient de ambtenaar te worden ingedeeld in de voor de functie geldende
                    functieschaal.</al><tussenkop>Artikel 3:3:3:1</tussenkop><al>In de oude situatie was in artikel 3a:1:1:1 sprake van een onderschaal en een
                    bovenschaal. Die situatie wordt bestendigd, met dien verstande dat de term
                    bovenschaal wordt gereserveerd voor de situatie omschreven in lid 4.Lid 5 nieuw
                    komt zakelijk overeen met het oude artikel 3a:1:1:8, lid 2.</al><tussenkop>Artikel 3:4 Salarisverhoging (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het college heeft de mogelijkheid om – in afwijking van lid 1 – het toekennen
                    van een periodiek afhankelijk te stellen van een periodieke beoordeling van het
                    functioneren van de ambtenaar. De invoering en het gebruik van een systeem van
                    periodieke functionerings- en beoordelingsgesprekken vereist de instemming van
                    de OR.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het college heeft de mogelijkheid om een extra periodiek toe te kennen. De
                    toekenning van deze periodiek heeft, net als de reguliere periodiek, een
                    blijvend karakter in tegenstelling tot de flexibele beloningen op grond van
                    artikel 3:8 en 3:20.</al><tussenkop>Artikel 3:4:1:1</tussenkop><al> Lid 4 is het oude 3a:1:1:11, lid 3. </al><tussenkop>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit deze bepaling vloeit voort dat een herwaardering van de functie, die leidt
                    tot een lagere functieschaal, geen gevolgen heeft voor het salaris van degene
                    die op het moment van herwaardering de functie vervult.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Instemming met herplaatsing in lager gewaardeerde functie met een bijbehorend
                    lager salaris, bij de eigen werkgever of een andere werkgever in de
                    gemeentelijke sector, heeft voor ambtenaren die binnen 10 jaar de
                    aow-gerechtigde leeftijd bereiken, bij een gelijkblijvende aanstellingsomvang,
                    geen gevolgen voor de pensioenopbouw. Een en ander is geregeld in artikel 3:5
                    van het Pensioenreglement.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit lid ziet op de situatie waarin een ambtenaar als gevolg van reorganisatie
                    boventallig is geworden. Afwijking van het in lid 1 geformuleerde uitgangspunt
                    is mogelijk in de gevallen waarin het sociaalplan of –statuut voorziet in de
                    mogelijkheid om een ambtenaar te herplaatsen in een functie met een lager
                    maximumsalaris en een evenredige aanpassing van zijn salaris.</al><tussenkop>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal (T)</tussenkop><al>Onder promotie wordt zowel de bevordering naar een hoger gewaardeerde functie,
                    als de overstap van de aanloopschaal (zoals geregeld in artikel 3:3 lid 2) naar
                    de functieschaal verstaan. Een nadere uitwerking van deze bepaling kan op
                    werkgeversniveau worden geregeld, waarbij het geldende beloningsbeleid als
                    uitgangspunt dient.</al><tussenkop>Artikel 3:7 Uitloopschaal (T)</tussenkop><al>Uitloopschalen zijn uitsluitend toegestaan op basis van een ‘oude’ lokale
                    regeling (in werking voor 1 januari 2016) en conform deze regeling. Indien de
                    doorgroei in een uitloopschaal lokaal blijvend is geregeld, staat deze ook open
                    voor ambtenaren die op of na 1 januari 2016 in dienst zijn gekomen.</al><tussenkop>Artikel 3:8 Functioneringstoelage (T) </tussenkop><al><vet></vet></al><al>Dit artikel regelt de toelage als beloning voor meerdere jaren uitstekend
                    functioneren en/of het leveren van bijzondere prestaties. Noodzakelijke
                    voorwaarde voor de toelage is dat de ambtenaar het maximum van zijn
                    functieschaal heeft bereikt. Zolang dat nog niet het geval is, kan het
                    functioneren worden beloond met extra periodieken, zoals geregeld in artikel 3:4
                    lid 3, en/of een toelage op grond van artikel 3:20. Deze toelage heeft altijd
                    een tijdelijk karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het maximumsalaris
                    en de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend. Komt deze koppeling te
                    vervallen (bijvoorbeeld in het geval waarin de functie als gevolg van
                    herwaardering hoger wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de
                    functioneringstoelage.</al><al>De functioneringstoelage moet worden gezien in samenhang met artikel 3:20
                    beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties). Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor variabel beloningsbeleid, waarbij het altijd gaat om
                    tijdelijke toelagen voor de beloning van bijzondere prestaties, uitstekend
                    functioneren en/of flexibele (projectmatige) inzet van medewerkers. Dit in
                    tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken (artikel 3:4 lid 3) die
                    structureel van karakter zijn en tot gevolg hebben dat de medewerker sneller het
                    maximum van de salarisschaal bereikt.</al><al>Door het tijdelijke karakter van de toelagen wordt voorkomen dat ze een blijvend
                    beslag op de loonsom leggen en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van
                    tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. Zolang de grond waarop de
                    toelage in eerste instantie is toegekend blijft voortbestaan, kan deze meerdere
                    keren opeenvolgend worden toegekend. Om te kunnen beoordelen of de grond waarop
                    de toelage is toegekend nog steeds bestaat, moet deze in het toekenningsbesluit
                    expliciet worden vermeld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De toelage bedraagt maximaal 10% van het salaris van de ambtenaar en kan per
                    maand of in een veelvoud daarvan worden toegekend (bijvoorbeeld per kwartaal of
                    op jaarbasis).</al><tussenkop>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage (T)</tussenkop><al>De arbeidsmarkttoelage is een beloningsinstrument dat tijdelijk kan worden
                    gebruikt om ambtenaren te werven of te behouden in tijden van schaarste op de
                    arbeidsmarkt, doordat in een bepaald functiegebied weinig aanbod is of doordat
                    in de er een zeer grote vraag aan arbeidskrachten in de regio is. Om gewenning
                    aan het door de arbeidsmarkttoelage verhoogde salaris te voorkomen, kan het
                    college besluiten om deze toelage in plaats van maandelijks, één maal per jaar
                    uit te keren. Zolang de knelpunten op de arbeidsmarkt voortduren, kan de
                    arbeidsmarkttoelage aansluiten worden toegekend voor een nieuwe periode van
                    maximaal 3 jaar.</al><tussenkop>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar heeft geen recht op een waarnemingstoelage als het waarnemen van
                    de hogere functie een integraal onderdeel is van zijn functie, waarmee rekening
                    is gehouden bij de beschrijving en waardering van die functie. Voorbeeld van een
                    dergelijke situatie is de adjunct directeur die de directeur vervangt tijdens
                    vakantie en kortdurende afwezigheid.</al><al><vet>Lid 2 + 3</vet></al><al>Met deze bepaling wordt beoogd dat de waarnemer – voor het deel van de functie
                    dat wordt waargenomen – op het zelfde niveau wordt beloond als het geval zou
                    zijn geweest indien hij/zij bij bevordering in de waar te nemen functie zou zijn
                    aangesteld. Voor een juiste vaststelling van de toelage moet de betrokken
                    ambtenaar volgens de bij de werkgever geldende regels – fictief – worden
                    ingeschaald in de functieschaal van de functie die wordt waargenomen. Het
                    verschil tussen dat bedrag en het salaris van de ambtenaar wordt als
                    waarnemingstoelage uitgekeerd. In het beloningsbeleid kan de toepassing van deze
                    bepaling nader worden uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de ambtenaar op wie de bijzondere
                    regeling voor de werktijden van toepassing is (artikel 4:3 t/m 4:7). Voor deze
                    ambtenaar geldt als hoofdregel dat er een aanspraak op de toelage onregelmatige
                    dienst bestaat over uren gewerkt tijdens onregelmatige werktijden. Onregelmatig
                    zijn werktijden die vallen op zaterdag, zondag en feestdagen(gehele etmaal) én
                    op maandag t/m vrijdag buiten de periode van 8.00 uur tot 18.00 uur.</al><al>De toelage onregelmatige dienst kan zowel achteraf (op basis van het
                    gerealiseerde rooster), als vooraf (op basis van het geplande rooster) worden
                    toegekend.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ingeroosterde uren waarover TOD wordt uitbetaald behoren tot de feitelijke
                    arbeidsduur zoals omschreven in artikel 1:1 en vallen op die grond buiten de
                    definitie van ‘overwerk’.</al><tussenkop>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage (T)</tussenkop><al>Er zijn twee situaties waarin een ambtenaar recht kan hebben op de
                    buitendagvenstertoelage:</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die een dienstopdracht krijgt om buiten het dagvenster werkzaamheden te
                            verrichten (artikel 4:2 lid 8) heeft recht op een
                            buitendagvenstertoelage.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die door de werkgever wordt aangewezen om beschikbaarheidsdiensten te
                            verrichten ontvangt hiervoor een vergoeding op grond van artikel 3:13.
                            Wordt de ambtenaar tijdens deze beschikbaarheidsdienst opgeroepen om
                            daadwerkelijk werkzaamheden te verrichten gedurende zijn
                            beschikbaarheidsdienst dan ontvangt hij een buitendagvenstertoelage over
                            de uren die hij heeft gewerkt buiten het dagvenster.</al></li></lijst><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het
                    uurloon. Daarnaast worden de buiten het dagvenster gewerkte uren in tijd
                    gecompenseerd. De ambtenaar maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende. De
                    uren die buiten het dagvenster gewerkt worden kunnen niet omgezet worden in
                    vakantieverlof.</al><tussenkop>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst (T) </tussenkop><al>Met deze toelage wordt het zich beschikbaar houden voor werk buiten de voor de
                    ambtenaar geldende werktijden beloond. Van beschikbaarheidsdienst die recht
                    geeft op een toelage is sprake als het gaat om:</al><lijst><li nr="-"><al>afgebakende periodes, </al></li><li nr="-"><al> buiten de normale, voor de ambtenaar geldende werktijden, </al></li><li nr="-"><al>waarin de medewerker beschikbaar is om onvoorzien, op afroep
                            werkzaamheden te verrichten.</al></li></lijst><al>Afgebakende periodes: Sommige functies brengen met zich mee dat men er altijd
                    rekening mee moet houden dat men voor werk wordt opgeroepen maar dat men zelden
                    of nooit daadwerkelijk wordt opgeroepen. Denk hierbij aan de ICT-medewerker die
                    ’s nachts gebeld kan worden om het systeem te herstarten, of een
                    beleidsmedewerker die onverwachte vragen van de raad moet beantwoorden. Hierbij
                    gaat het om incidenten die bij het werk horen. De beschikbaarheidsdienst is voor
                    onvoorziene maar niet-incidentele werkzaamheden. Daarom kent de Arbeidstijdenwet
                    ook regels voor de beschikbaarheidsdienst. Deze kan op grond van artikel 5:9 van
                    de Arbeidstijdenwet alleen in beperkte omvang en gedurende afgebakende periodes
                    worden opgelegd.</al><al>Buiten de normale voor de ambtenaar geldende werktijden: In sommige functies is
                    de medewerker tijdens de vastgestelde werktijd bereikbaar voor onvoorziene
                    omstandigheden. In dat geval is er geen sprake van beschikbaarheidsdienst in de
                    zin van dit artikel.</al><al>Beschikbaar zijn: Een medewerker die beschikbaarheidsdienst heeft, is verplicht
                    om gehoor te geven aan een oproep om werkzaamheden te verrichten. Het is niet
                    noodzakelijk dat deze werkzaamheden op de werkplek worden verricht; in
                    voorkomende gevallen kunnen de werkzaamheden ook vanuit huis worden
                    verricht.</al><al>Ten aanzien van de vergoeding van de uren gedurende welke de ambtenaar tijdens
                    deze beschikbaarheidsdienst – na een oproep daartoe – werkzaamheden heeft
                    verricht, geldt het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden,
                            ontvangt over de tijdens deze dienst gewerkte uren die buiten het
                            dagvenster vallen, een buitendagvenstertoelage op grond van artikel
                            3:12. </al></li><li nr="-"><al>De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                            heeft over alle tijdens deze dienst gewerkte uren recht op een
                            overwerkvergoeding op grond van artikel 3:18.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:15 Garantietoelage (T)</tussenkop><al>Deze bepaling vormt de grondslag voor toelagen die door het college worden
                    toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de
                    functie van een ambtenaar als gevolg van herwaardering in een lagere
                    salarisschaal wordt ingedeeld. Deze bepaling is niet van toepassing op
                    salaristoelagen waarvan de toekenningsperiode is verstreken. De toelage
                    overgangsrecht hoofdstuk 3, is geen garantietoelage in de zin van deze
                    bepaling.</al><tussenkop>Artikel 3:16 Afbouwtoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De afbouwregeling heeft uitsluitend betrekking op de hier genoemde toelagen en
                    niet op de andere in dit hoofdstuk genoemde uitkeringen, vergoedingen of vormen
                    van variabele beloning.</al><tussenkop>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Tot de genoemde taken worden ook de deelname aan opleiding en oefeningen
                    gerekend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het betreft hier een standaardvergoeding, die bij stapeling van taken niet
                    cumuleert.</al><tussenkop>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding (T)</tussenkop><al>Het recht op een overwerkvergoeding geldt alleen voor de ambtenaar voor wie de
                    bijzondere regeling voor de werktijden geldt. De bijzondere regeling voor de
                    werktijden staat in de artikelen 4:3 tot en met 4:7.</al><al>Van overwerk kan ook sprake zijn tijdens de gebruikelijke kantooruren.
                    Voorbeeld: een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk nooit op woensdag werkt, maar
                    op een woensdag van 11:00 tot 16:00 uur moet overwerken, krijgt voor de op die
                    woensdag gewerkte overuren een overwerkvergoeding van 25%.</al><tussenkop>Artikel 3:19 Ambtsjubileum (T) </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum wordt uitgegaan van de al
                    dan niet aansluitende tijd – in voltijd en/of deeltijd – doorgebracht in een
                    dienstverband bij een (destijds) bij het ABP aangesloten werkgever. Het is niet
                    noodzakelijk dat de betrokken ambtenaar destijds ook zelf ABP-deelnemer is
                    geweest. De tijd doorgebracht als vrijwilliger bij de brandweer telt niet mee,
                    evenals onbetaalde baantjes, werkervaringsovereenkomsten of stages.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtsjubileumgratificatie wordt berekend op basis van het geldende salaris en
                    de toegekende salaristoelagen, tezamen vermeerderd met 8% (deze 8% betreft de
                    vakantietoelage die per 1 januari 2017 is toegevoegd aan het IKB; hoofdstuk 3,
                    par. 5) naar rato over de maand waarin het jubileum valt. Een
                    ambtsjubileumgratificatie kan niet in alle gevallen onbelast worden uitgekeerd;
                    aanbevolen wordt om dit bij de Belastingdienst na te gaan.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij
                    reorganisatieontslag, of bij ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor 80%
                    of meer. Alleen bij reorganisatie is gedeeltelijk ontslag mogelijk en kan het
                    dus voorkomen dat een proportionele ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet
                    worden naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag is verleend. Artikel 3:20
                    Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties Het college kan aan
                    een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor
                    uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties. </al><tussenkop>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 3:20 is een ‘kan-bepaling’, op basis waarvan lokaal een regeling kan
                    worden opgesteld. LOGA-partijen hebben hiermee een mogelijkheid gemaakt om
                    lokaal beleid voor bijzondere prestaties of gratificaties onder te kunnen
                    brengen in hoofdstuk 3. Ambtenaren kunnen aan artikel 3:20 zelf geen rechten
                    ontlenen; dat kan alleen als een lokale regeling de mogelijkheid daartoe bevat.
                    Aan een lokale gratificatieregeling kunnen medewerkers geen aanspraak ontlenen
                    van structurele aard. Het moet echt gaan om eenmalige en bijzondere
                    gebeurtenissen.</al><al>Dit artikel moet worden gezien in samenhang met artikel 3:8. Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor een variabel beloningsbeleid, waarmee het college
                    bijzondere prestaties, uitstekend functioneren en/of flexibele (projectmatige)
                    inzet van medewerkers extra kan belonen. Dit in tegenstelling tot het toekennen
                    van extra periodieken (art. 3:4 lid 3) die structureel van karakter zijn, en tot
                    gevolg hebben dat de ambtenaar sneller het maximum van de salarisschaal bereikt.
                    Het tijdelijke karakter van de beloningselementen voorkomt dat ze een blijvend
                    beslag op de loonsom leggen, en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van
                    tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. In de artikelen 3:8 en 3:20 gaat
                    het dan ook nadrukkelijk om het toekennen van tijdelijke en incidentele
                    beloningselementen, die overigens wel meerdere keren opeenvolgend kunnen worden
                    toegekend. Desgewenst kan het college besluiten om het geldbedrag in meerdere
                    termijnen uit te keren.</al><tussenkop>Artikel 3:20:1:1 </tussenkop><al> Deze bepaling, leden 2 t/m 4, komt inhoudelijk overeen met de artikelen
                    3a:1:1:12 en 3a:1:1:14 zoals die gold tot 1 januari 2016. </al><tussenkop>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding (T)</tussenkop><al>Het college stelt de regeling vast op grond waarvan deze kosten worden vergoed.
                    Met inachtneming van de aangegeven begrenzing van de vergoeding OV (2e klasse),
                    kan voor vergoeding van de overige kosten desgewenst de ‘Reisregeling
                    binnenland’(BZK) worden toegepast.</al><tussenkop>Artikel 3:21:1:2</tussenkop><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Om te berekenen of de in artikel 3:21:1:11 genoemde plaatsen vanaf station
                    Amersfoort naar de desbetreffende plaats/locatie sneller met de auto te bereiken
                    is dan 1,2 keer de duur van het openbaar vervoer, wordt gebruik gemaakt van het
                    aantal minuten dat vermeld staat in de NS-reisplanner versus het aantal minuten
                    dat genoemd staat in de routeplanner. </al><tussenkop>Artikel 3:21:1:3</tussenkop><al> De gemeente stelt voor dienstreizen 3 greenwheelsauto's ter beschikking aan
                    haar personeel voor een periode van een jaar als proef. Na dit jaar zal bezien
                    worden of het gebruik van greenwheelsauto's zal worden voortgezet. </al><al>Met gebruik van een aanvraagformulier greenwheelsauto kan de medewerker een
                    greenwheelsauto bespreken. Bij 2 of meer dienstreizen op 1 dag dient de auto
                    voor de gehele duur waarin men de auto nodig heeft te worden gereserveerd. Het
                    aanvraagformulier dient bij de helpdesk gebouwen en voorzienigen te worden
                    ingediend. De helpdesk reserveert de auto. De medewerker kan de pas van de auto
                    afhalen bij de helpdesk. Na terugkomst van de dienstreis dient de auto weer op
                    de plaats te worden geparkeerd waar deze is afgehaald. De pas van de auto dient
                    direct na terugkomst bij de helpdesk te worden ingeleverd.</al><al>De greenwheelsauto's zijn all-risk verzekerd. Schade die niet door de
                    verzekeringsmaatschappij wordt vergoed, te denken valt aan opzet en/of
                    roekeloosheid, rijden onder invloed enzovoort. zal op de gebruiker worden
                    verhaald.</al><tussenkop>Artikel 3:21:1:4 </tussenkop><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Hierbij dient onder andere gedacht te worden aan de betrokkene die niet van
                    tevoren in staat is geweest om een kaartje bij de facilitydesk op te halen.
                    Bijvoorbeeld de betrokkene dient in plaats van zijn plotseling ziek geworden
                    collega 's ochtends vanuit zijn woonplaats een dienstreis te maken. </al><al>Dit lid is ook van toepassing op de betrokkene die geen NS-Businesskaart heeft
                    kunnen verkrijgen, omdat er geen beschikbaar was of omdat de daartoe bevoegde
                    ambtenaar niet aanwezig was.</al><tussenkop>Artikel 3:22:1:1</tussenkop><al> Deze bepaling is geënt op het hoofdstuk 18, dat bij de invoering van het nieuwe
                    hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 in de toenmalige vorm is komen te vervallen.
                    Inhoudelijk is het oude artikel 18:1:1:6 aangepast aan feitelijk doorgevoerde
                    wijzigingen opgenomen in artikel 3:22:1:1. In lid 3 is de begripsbepaling
                    ‘carpooler’ uit 18:1:1:1 omschreven.Met de oude term ‘fietsbonnen’ uit artikel
                    3a:1:1:21, die niet meer terugkomt, wordt feitelijk bedoeld ‘onderhoudsbonnen’.
                    De indexatiebepaling uit het vervallen artikel 3a:1:1:21 wordt opgenomen in
                    artikel 3:28:1:1 en nader geduid in bijlage 10.</al><tussenkop>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en
                    door de dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de
                    dienst overlijden, krijgen deze overlijdensuitkering naast de
                    overlijdensuitkering van artikel 3:23.</al><al>De hoogte van de uitkering is één jaarsalaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8% (deze 8% betreft de
                    vakantietoelage die per 1 januari 2017 is toegevoegd aan het IKB; hoofdstuk 3,
                    par. 5), waarbij de 12 kalendermaanden direct voorafgaand aan de maand van
                    overlijden als referteperiode dient.</al><al>Ziekte van de ambtenaar in die referteperiode, waarbij zijn salaris is gekort
                    o.g.v. artikel 7:3 CAR, heeft geen invloed op de hoogte van de
                    overlijdensuitkering. Op jaarbasis wordt gerekend met het volledige salaris. Ook
                    bij toepassing van lid 3 gelden de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand
                    van overlijden als referteperiode.</al><tussenkop>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van dit artikel zijn er twee mogelijke tegemoetkomingen in de
                    ziektekosten, namelijk € 168 per jaar of € 296 per jaar. De maand december is de
                    peildatum voor de beoordeling of de ambtenaar de lage of de hoge tegemoetkoming
                    in de ziektekosten ontvangt. In de maand december wordt het salaris van de
                    ambtenaar in die maand vergeleken met het in december geldende bedrag van het
                    maximum van schaal 6. Is het salaris van de ambtenaar in december meer dan het
                    maximum van schaal 6, dan ontvangt hij de lage tegemoetkoming. Is het salaris
                    van de ambtenaar in december gelijk aan of minder dan het maximum van schaal 6,
                    dan ontvangt hij de hoge tegemoetkoming.</al><tussenkop>Artikel 3:28 Opbouw IKB (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>In dit lid is geregeld wat de bronnen van het pensioengevende deel van het IKB
                    zijn. De bronnen komen uit arbeidsvoorwaarden die tot 1 januari 2017 onder een
                    andere naam in de CARUWO geregeld waren. Het IKB is opgebouwd uit:</al><lijst><li nr="a"><al>de vakantietoelage, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 6:3, en
                        </al></li><li nr="b"><al> de eindejaarsuitkering, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel
                            3:18a, en </al></li><li nr="c"><al> De levensloopuitkering, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel
                            6a:7, lid 1. </al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In dit lid zijn de niet-pensioengevende bronnen van het IKB geregeld: De
                    financiële tegenwaarde van 14,4 uren bovenwettelijk vakantieverlof is niet
                    pensioengevend. Tot 1 januari 2017 had de ambtenaar op grond van artikel 6:2
                    recht op ten minste 158,4 uren vakantieverlof per kalenderjaar. Met ingang van 1
                    januari 2017 is de aanspraak op vakantieverlof verminderd tot 144 uren per
                    kalenderjaar. De financiële tegenwaarde van 14,4 uren vakantieverlof is per
                    diezelfde datum opgenomen in het IKB. Brandweerpersoneel dat valt onder
                    hoofdstuk 9a heeft recht op 2,5% opbouw van de levenslooptoelage, in plaats van
                    1,5%. De extra 1% is niet pensioengevend en is daarom in het IKB niet een bron
                    die pensioengevend is. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>In dit lid is geregeld dat de 1,5% opbouw van het IKB, als vervanging van de
                    levensloopuitkering, niet van toepassing is op brandweerpersoneel dat recht
                    heeft op FLO overgangsrecht zoals omschreven in hoofdstuk 9b. De reden hiervan
                    is dat voor medewerkers met FLO overgangsrecht aparte afspraken gelden over
                    levensloop. Voor medewerkers als bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk 9b geldt
                    deze uitzondering niet. </al><tussenkop>Artikel 3:29:1:1 Doelen IKB</tussenkop><al> Het gaat bij deze doelen steeds om kosten die voor eigen rekening van de
                    medewerker komen. Feitelijk zijn het dezelfde doelen als waren opgenomen in de
                    tot en met 31 december 2016 geldende hoofdstukken 30a (<plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Keuzemodel arbeidsvoorwaarden" type="tekst" id="i290042"></illustratie></plaatje>) en 30b (<plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Fietsregeling" type="tekst" id="i290043"></illustratie></plaatje>). </al><tussenkop>Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De reden dat dit lid is opgenomen, is dat het op grond van fiscale regelgeving
                    niet is toegestaan om vakantie-uren te verkopen die in het IKB zijn gekocht. </al><tussenkop>Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3 (T)</tussenkop><tussenkop><cursief><onderstreept>1a Bestaande garantietoelage en afbouwtoelagen</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die
                    naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de
                    betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris
                    of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen,
                    niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met
                    andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in
                    de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit
                    overgangsrecht.</al><al>Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari
                    2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de
                    voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden
                    bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing
                    blijven.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke overeengekomen
                            einddatum</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond
                    omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag
                    en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld,
                    maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens
                    worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de
                    toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de
                    einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke toelage wordt betaald
                    schriftelijk is vastgelegd in een besluit.</al><al>Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige
                    gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt
                    aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage
                    gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de
                    TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in
                    een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde
                    einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgelegde
                    einddatum.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>2.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in hoofdstuk
                    3, conform de formulering in hoofdstuk 3. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>3.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de <onderstreept>grondslag van de
                        vakantietoelage</onderstreept> meer beloningselementen (inclusief
                    emolumenten) omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij
                    het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij
                    gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te
                    vervallen of die worden verlaagd, dienen de betreffende bedragen bij wijze van
                    nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd.</al><al>In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan
                    het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is.
                    Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning.
                    Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de
                    tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom
                    afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te
                    compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                    aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband
                    ongewijzigd bestaan. </al><al>De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten
                    toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd
                    achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is
                    een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld
                    een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat deze voor iedereen verschillend
                    zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de
                    lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde
                    dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als
                    refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent afgesloten
                    jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan onregelmatige diensten,
                    beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op basis van de
                    in 2014 geldende (lokale) regels.</al><al>De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het
                    nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het bedrag
                    dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt
                    daarmee de TOR 2 gevuld.</al><al>Geen roosters </al><al>Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren heeft de
                    berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA
                    afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt
                    gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat
                    de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op
                    basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend
                    met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de
                    hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de
                    ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om
                    ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. </al><al>Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het
                    overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt
                    geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden
                    toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe
                    medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele
                    kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit
                    alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
                    overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het
                    oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat
                    die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige
                    ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk
                    of andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief
                    refertetijdvak vastgesteld. </al><al>Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de
                    bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als
                    medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de
                    TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode
                    gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het
                    overgangsrecht. </al><al>De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd
                    dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze
                    vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door
                    invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan</al><al>Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker
                    en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het
                    om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is
                    betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde
                    werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>4.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief
                    verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen
                    ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot
                    een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (- Euro 200) = Euro
                    100-. </al><al>De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar is
                    geen salaristoelage en geen grondslag voor het IKB.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>5.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de
                    medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door
                    promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet
                    verrekend met de TOR van de medewerker. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>6.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt
                    uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld
                    omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een
                    uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13)
                    afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft
                    niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat
                    als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een
                    enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden
                    gemaakt.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>7.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt
                    het bedrag naar rato verlaagd.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>9.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR
                    daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>10.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato,
                    behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt
                    verhoogd. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>11.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Zie punt 8.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>12.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de
                    afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een
                    ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze
                    ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook
                    dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het
                    relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de
                    gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op
                    individueel niveau. Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende
                    artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden (T)</tussenkop><al>In hoofdstuk 4 zijn regels over de werktijden vastgelegd. Dit laat onverlet dat
                    ook op lokaal niveau een werktijdenregeling moet worden vastgesteld in overleg
                    met de OR. In deze regeling kunnen aanvullende regels gesteld worden die recht
                    doen aan de lokale situatie. Voorbeelden daarvan zijn bloktijden, openingstijden
                    van het kantoorpand etc.</al><tussenkop>§ 1 Standaardregeling voor de werktijden (T)</tussenkop><al> LOGA partijen hebben in de CAO 2011-2012 afspraken gemaakt over flexibilisering
                    van de werktijden, aansluitend bij de behoefte van werkgevers en werknemers. De
                    standaardregeling is de norm, de bijzondere regeling de uitzondering.
                    Uitgangspunt bij de standaardregeling is dat de ambtenaar (enige) vrijheid heeft
                    bij het bepalen van zijn werktijden. Dit betekent niet dat er sprake moet zijn
                    van volledige zeggenschap van de ambtenaar, dit zou ook strijdig zijn met de
                    gezagsverhouding die de relatie werkgever en werknemer typeert. De ambtenaar
                    heeft een zekere vrijheid in het in het bepalen van zijn werktijden. De ene dag
                    werkt hij meer omdat hij een deadline moet halen, dit compenseert hij door op
                    een ander moment minder te werken. De werkgever kan wel van de ambtenaar
                    verlangen dat hij op aangewezen momenten aanwezig of beschikbaar is omdat dit
                    bij de uitoefening van zijn functie hoort. Dat strijdt niet met de
                    standaardregeling.</al><al>Uitgangspunt is goed werkgeverschap en goed werknemerschap. De leidinggevende
                    geeft ruimte en vertrouwen, de medewerker draagt een grote professionele
                    verantwoordelijkheid. De OR heeft in dit proces een belangrijke rol; zij
                    monitort of het proces rondom het individueel vaststellen van de werktijden goed
                    verloopt binnen de organisatie en past binnen de kaders van de
                    werktijdenregeling. Als blijkt dat dit niet het geval is kan de OR
                    verbetervoorstellen doen. Een verbetervoorstel kan bijvoorbeeld zijn dat alle
                    medewerkers van een afdeling, vanwege terugkerende problemen rondom de
                    werktijden, onder de bijzondere regeling geplaatst worden, tijdelijk of voor
                    onbepaalde tijd.</al><al>Indien de functie van dien aard is dat er niet of nauwelijks sprake is van
                    zeggenschap van de ambtenaar, dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in vaste
                    roosterdienst gewerkt wordt, dan kan de standaardregeling niet meer van
                    toepassing zijn. In dat geval worden de werktijden eenzijdig vastgesteld door
                    het college en geldt de bijzondere regeling van artikel 4:3 en verder.
                    Medewerkers die naast hun reguliere werktijden uit hoofde van hun functie
                    beschikbaarheidsdiensten verrichten, zoals ict-medewerkers en woordvoerders,
                    vallen niet om die reden onder de bijzondere regeling van de werktijden. Als
                    deze medewerkers (enige) vrijheid hebben bij het bepalen van hun reguliere
                    werktijden dan vallen ook zij onder de standaardregeling. Ook het werken in
                    roosters heeft niet per definitie tot gevolg dat medewerkers onder de bijzondere
                    regeling van de werktijden vallen.</al><al>Indien de gemeente gebruik maakt van een systeem van zelfroostering, waardoor
                    medewerkers zeggenschap krijgen over hun werktijden, dan geldt ook voor deze
                    medewerkers de standaardregeling. De bijzondere regeling is uitsluitend van
                    toepassing op medewerkers die (vrijwel) geen zeggenschap hebben over hun
                    werktijden.</al><tussenkop>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet><cursief></cursief> De standaardregeling heeft als
                    uitgangspunt dat de ambtenaar met zijn leidinggevende afspraken maakt over
                    invulling van zijn werktijden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de
                    standaardregeling dat voor iedere ambtenaar een individueel rooster wordt
                    opgesteld in overleg met de leidinggevende. Flexibiliteit en zeggenschap van de
                    ambtenaar zijn sleutelbegrippen. De leidinggevende laat een deel van de
                    “control” los. Daarvoor in de plaats komt verantwoordelijkheid van de
                    medewerker. De ruimte die de ambtenaar krijgt zal hij zoals het een goed
                    ambtenaar betaamt moeten invullen.</al><al><vet>Lid 3, 4, 5, 6 en 7 </vet></al><al>Kern van de standaardregeling is dat de ambtenaar met zijn leidinggevende
                    afspraken maakt over zijn werkzaamheden, zijn verlof en de planning van zijn
                    werkzaamheden. Voorwaarde voor toepassing van de standaardregeling is dat de
                    ambtenaar en zijn leidinggevende samen tot overeenstemming komen. Als dat
                    uiteindelijk niet lukt dan stelt het college eenzijdig de werktijden vast, maar
                    dan kan de standaardregeling niet meer van toepassing zijn. In die situatie valt
                    de medewerker onder de bijzondere regeling. Het is onwenselijk dat binnen een
                    afdeling verschillende regimes gelden voor de werktijden. Toch kan dit voorkomen
                    indien een leidinggevende met een individuele medewerker niet tot goede
                    afspraken komt. Komt dit frequenter voor dan is de OR aan zet; zie hiervoor de
                    toelichting op lid 12.</al><al>De ambtenaar en zijn leidinggevende overleggen tweemaal per jaar over de
                    werktijden en de planning van de werkzaamheden. Het is niet gewenst dat de
                    ambtenaar veel meer of minder uren werkt dan zijn formele arbeidsduur. Op de
                    ambtenaar rust een verantwoordelijkheid om teveel of te weinig werk tijdig aan
                    te kaarten zodat de afspraken daarop afgestemd kunnen worden. In de situatie dat
                    ambtenaar en leidinggevende het erover eens zijn dat de formele arbeidsduur per
                    jaar overschreden zal worden dan wordt de omvang daarvan vastgesteld. De
                    ambtenaar ontvangt een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur
                    vakantieverlof over de teveel gewerkte uren. De ambtenaar en zijn leidinggevende
                    stellen vast welke vergoeding het meest passend is. Dit gebeurt in ieder geval
                    aan het einde van elk kalenderjaar en bij het einde van een dienstverband.
                    Indien er geen keuze wordt gemaakt dan worden de te veel gewerkte uren
                    uitbetaald tegen de vergoeding.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De toepassing van de standaardregeling sluit niet uit dat het dienstbelang
                    werken buiten het dagvenster noodzakelijk maakt. Hier staat een
                    buitendagvenstervergoeding tegenover.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In het derde lid is bepaald dat de ambtenaar en zijn leidinggevende afspraken
                    maken over de werktijden. Als dat niet lukt is dit lid van toepassing. Dit lid
                    heeft geen betrekking op incidentele gevallen; daarvoor geldt het bepaalde in
                    het elfde lid.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>Ten aanzien van de werktijden zijn de afspraken zoals bedoeld in het derde lid
                    leidend. Het kan incidenteel voorkomen dat een ambtenaar vanwege dienstbelang op
                    andere tijden moet werken. Het gaat in dit lid dan om tijden die binnen het
                    dagvenster vallen. Uitgangspunt is dat ook in deze situatie de ambtenaar en zijn
                    leidinggevende tot goede afspraken komen. Als dat niet mogelijk blijkt te zijn
                    en het is om redenen van dienstbelang noodzakelijk dat de ambtenaar
                    werkzaamheden verricht dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding ter hoogte
                    van de laagste buitendagvenstervergoeding.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>Het individuele overleg over werktijden vraagt veel van leidinggevende en
                    medewerker. Daarom is het belangrijk dat binnen de organisatie gevolgd wordt hoe
                    dit proces verloopt. De OR is hiervoor het aangewezen orgaan. Als de OR
                    problemen signaleert, bijvoorbeeld binnen een specifieke afdeling, dan kan de OR
                    verbetervoorstellen doen aan het college.</al><al><vet>Lid 13</vet></al><al>Er zijn gemeenten waar voor inwerkingtreding van de nieuwe regels over
                    werktijden een dagvenster gold dat op onderdelen ruimer was dan het dagvenster
                    zoals omschreven in artikel 4:2, tweede lid. Met dagvenster wordt in dit verband
                    gedoeld op uren/dagen waarvoor geen toelage onregelmatige dienst verstrekt
                    wordt. Op grond van de regels over de TOD en werktijden zoals deze golden op 31
                    december 2013 was het bijvoorbeeld mogelijk om de ambtenaar op zaterdag voor ten
                    hoogste drie uren in te roosteren zonder aanspraak op een TOD. Als de gemeente
                    op 31 december 2013 een werktijdenregeling met een ruimer dagvenster had en die
                    in overeenstemming met de regels van de CAR-UWO was, dan blijft dit ruimere
                    dagvenster ook gelden vanaf 1 januari 2014.</al><tussenkop>Artikel 4:3 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>De bijzondere werktijdenregeling geldt voor medewerkers die geen of heel geringe
                    zeggenschap hebben over hun werktijden; hun werktijden worden eenzijdig
                    vastgesteld door het college. Het gaat in deze situatie in elk geval om
                    medewerkers die in een rooster werken en geacht worden op vaste tijden hun werk
                    te verrichten. Als de ambtenaar die valt onder de standaardregeling geen
                    overeenstemming bereikt met zijn leidinggevende over zijn werktijden dan is de
                    bijzondere regeling op hem van toepassing. Zijn werktijden worden dan eenzijdig
                    vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet worden
                    verricht, moet de ambtenaar zo veel mogelijk In de gelegenheid worden gesteld de
                    kerk te bezoeken en dient de arbeid zo beperkt mogelijk te worden gehouden. Hoe
                    moet worden omgegaan met degene die tot een kerkgenootschap behoort dat de
                    wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, is geregeld in het
                    vijfde lid van dit artikel.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit artikel
                    gelijkgesteld aan het verrichten van arbeid op zondag.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voorbeelden van door het college aangewezen feestdagen zijn de carnavalsmaandag,
                    maar ook de 5-meiviering in de jaren dat geen sprake is van de officiële
                    lustrumviering. Dergelijke aangewezen dagen moeten in de berekening van de
                    arbeidsduur op jaarbasis worden meegenomen Wat het recht op overwerkvergoeding
                    op dergelijke feestdagen betreft geldt hetzelfde als in de toelichting bij het
                    derde lid is aangegeven De hoogte van de overwerkvergoeding is in dit geval
                    afhankelijk van de dag waarop de feestdag valt. Zo geldt voor de bepaling van de
                    hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op een carnavalsmaandag
                    hetgeen in artikel 3:18, is geregeld ten aanzien van een "gewone" maandag.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Vervallen hoofdstuk (T)</tussenkop><al>Vervallen hoofdstuk.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5a Vervallen hoofdstuk (T)</tussenkop><al>Vervallen hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid heeft als uitgangspunt dat vakantie op verzoek van de ambtenaar
                    wordt verleend. Mede ter voorkoming van verlofstuwmeren kan het college in de
                    algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie (artikel 6:2:1,
                    eerste lid) ook aangeven welke gedragslijnen worden gehanteerd wanneer het
                    vakantieverlof van enig jaar niet in zijn geheel is genoten. De mogelijkheid om
                    niet-genoten verlofuren door te schuiven naar een volgend jaar zijn beperkt tot
                    die gevallen zoals genoemd in de artikelen 6:2:4, eerste lid, en 6:2:6 UWO. In
                    het geval dat het dienstbelang zich tegen het verlenen van vakantie verzet en
                    hierdoor de vakantie in dat kalenderjaar geheel of gedeeltelijk niet is
                    toegekend, wordt de niet-genoten vakantie zo veel rnogelijk in het eerstvolgend
                    kalenderjaar verleend (artikel 6:2:4, eerste lid). Wanneer vakantie niet is
                    verleend op gronden genoemd in artikel 6:2:6 (op verzoek, wegens ziekte of
                    herhalingsoefening militaire dienst), wordt de niet-genoten vakantie in principe
                    toegekend in het volgend kalenderjaar. Op verzoek van de ambtenaar kunnen over
                    het tijdstip van opname ook andere afspraken worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 6:2 Duur vakantie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het aantal vakantiedagen is vermenigvuldigd met de factor 7,2. Indien de
                    ambtenaar is ingeroosterd voor meer of minder dan 7.2 uur per dag, zal het
                    verlof met het aantal ingeroosterde uren waarop de ambtenaar verlof wil
                    genieten, worden verminderd.</al><al>De situatie kan zich voordoen dat een ambtenaar gedurende de weken dat hij voor
                    42 uur is ingeroosterd, verlof wil. Dit kost de ambtenaar relatief veel
                    verlofuren. Daar tegenover staat dat, als de ambtenaar verlof wil in weken
                    waarbij zijn feitelijke arbeidsduur slechts 30 uur bedraagt, het verlof slechts
                    met relatief minder uren wordt verminderd.</al><al>Indien, als gevolg van verlof in weken met een feitelijke arbeidsduur van 42
                    uur, de ambtenaar bijvoorbeeld weinig verlofuren resteert, kan het de ambtenaar
                    worden toegestaan om gedurende de weken dat hem een feitelijke arbeidsduur van
                    minder dan 36 uur is opgedragen, deze arbeidsduur te realiseren over minder dan
                    vijf dagen waardoor de ambtenaar aaneengesloten vrije tijd kan creëren.</al><al>Op grond van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88/EG ‘betreffende een
                    aantal aspecten van de Organisatie van de arbeid’, hebben werknemers jaarlijks
                    recht op ten minste 4 weken vakantie met behoud van salaris, dat wil zeggen
                    viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dat betekent dat bij een
                    36-urige werkweek het wettelijk verlof 144 uur bedraagt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij een
                    volledig dienstverband) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836 uur
                    voortvloeit. Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid aantal uren als
                    maximum. </al><al>Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht op een gelijk aantal extra
                    vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in vóór 1 november (tenzij anders
                    geregeld) in het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor het verzoek
                    geldt. Gelet op de samenhang met paragraaf 5 en 6 van hoofdstuk 3 ligt het voor
                    de hand dat het college bij de toewijzing van de verzoeken rekening houdt met
                    alle mutaties van het verlof, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al> extra vakantie-uren op basis van dit artikel </al></li><li nr="-"><al> verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 3:36; </al></li><li nr="-"><al> koop van vakantie-uren op basis van artikel 3:29 lid 1, onderdeel
                            a.</al></li></lijst><al>Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan worden
                    bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van organisatorische dan wel
                    roostertechnische aard.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zoals vermeld in het derde lid is
                    in ieder geval sprake indien toekenning van het verzoek leidt tot ernstige
                    problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:2:1 Nadere regels (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit artikellid is aangegeven dat de basisverlofduur voor deeltijders naar
                    rato moet worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij vormt de formele arbeidsduur
                    op jaarbasis. Dit is de arbeidsduur overeenkomstig de aanstelling De minimale
                    duur van de vakantie voor ambtenaren met een volledig dienstverband is
                    vastgelegd in artikel 6:2 CAR. Dit betekent dat voor een deeltijder met een
                    formele arbeidsduur van 24 uur per week het aantal verlofuren ten minste 24/36 x
                    158,4 = 105,6 uur per kalenderjaar bedraagt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Door middel van een lokale regeling voortziet het college ten aanzien van (een
                    groep) ambtenaren in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte
                    diensttijd, bereikte leeftijd dan wel beide. Per extra verlofdag dient het
                    basisverlof voor een voltijder met 7,2 uur te worden vermeerderd. Een werknemer
                    met bijvoorbeeld drie leeftijdverlofdagen heeft derhalve 21,6 uur verlof bovenop
                    het basisverlof van ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Bij een deeltijder
                    wordt het extra aantal verlofdagen naar rato vastgesteld. In het
                    arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997 (kenmerk ARZ/507630) is het lokale overleg
                    geadviseerd om twee leeftijdverlofdagen voor nieuw indiensttredend personeel te
                    laten vervallen. Ook in het geval dat iemand de ene gemeentelijke werkgever
                    verruilt voor een andere gemeentelijke werkgever vervallen deze
                    leeftijdverlofdagen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat ambtenaren die op onregelmatige tijdstippen werken en
                    ambtenaren die zich buiten de voor hun functie vastgestelde werktijden ter
                    beschikking houden, aanspraak hebben op extra verlof. Voorwaarde hierbij is wel
                    dat het onregelmatige arbeidspatroon van de ambtenaar dan wel de evengenoemde
                    plicht zich beschikbaar te houden, regelmatig en in belangrijke mate geldt.</al><tussenkop>Artikel 6:2:1:1</tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In verband met de 14,4 uren bovenwettelijk vakantieverlof en het extra lokale
                    buitenwettelijke verlof van 14,4 uur bij de gemeente Amersfoort was de duur van
                    de vakantie voor de invoering van het IKB 172,8 uur. Omdat het IKB is gevoed met
                    de financiële tegenwaarde van 14, 4uren bovenwettelijk vakantieverlof, dient de
                    totale duur van de vakantie met dit aantal uren te worden verminderd. Het
                    leeftijdsverlof conform artikel 6:2:1:1 blijft gehandhaafd. Het buitenwettelijk
                    verlof kan worden opgenomen als bovenwettelijk verlof. </al><tussenkop><vet> Lid 4 </vet></tussenkop><al> Het college van burgemeester en wethouders heeft de mogelijkheid om jaarlijks,
                    in overleg met de Ondernemingsraad, maximaal 3 dagen aan te wijzen als
                    verplichte vrije dagen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de vrijdag na Hemelvaart
                    of de maandag voor Kerstmis indien Kerstmis op dinsdag en woensdag valt. Bij de
                    aanwijzing van deze dagen beslist het college tevens over het geheel of
                    gedeeltelijk geopend zijn van de publieksafdelingen, zoals burgerzaken,
                    vergunningen, toezicht en handhaving, het crematorium en begraafplaatsen en de
                    sociale dienst. Afhankelijk van de normale arbeidsduur van de ambtenaar op de
                    aangewezen dag schrijft de ambtenaar het benodigde aantal uren verlof zelf van
                    zijn verlofkaart af. Het aantal af te schrijven uren kan daarmee voor een
                    deeltijd medewerker anders zijn dan voor een voltijdmedewerker. Als de
                    medewerker normaal gesproken vrij is op de aangewezen dag, hoeft geen verlof te
                    worden afgeschreven. Indien de medewerker compensatie-uren heeft, kunnen het
                    vereiste aantal uren naar keuze worden afgeschreven van het
                    compensatie-urentegoed dan wel van het reguliere verloftegoed.Indien het college
                    van deze mogelijkheid gebruik maakt wordt hierover tijdig – bij voorkeur voor 1
                    december voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar - gecommuniceerd naar de
                    organisatie, zodat ambtenaren hiermee rekening kunnen houden bij het plannen van
                    hun verlof.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Dit betreft medewerkers van bijvoorbeeld publieksafdelingen waarvan is besloten
                    deze toch geopend te houden. Voor deze medewerkers is sprake van een gewone
                    werkdag, waarbij geen compensatie aan de orde is. De medewerkers die op deze
                    dagen niet hoeven te werken moeten verplicht verlof opnemen.</al><tussenkop>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit lid aan de
                    ambtenaar geeft om voor bepaalde gelegenheden verlof op te nemen, mag van de
                    ambtenaar redelijkerwijs worden verwacht dat de werkgever zo vroeg mogelijk op
                    de hoogte wordt gesteld van het voornemen om verlof op deze gronden op te
                    nemen.</al><tussenkop>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en
                    andere redenen van afwezigheid (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit lid geeft in algemene zin aan dat de opbouw wordt verminderd naar rato van
                    afwezigheid.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Afwezigheid leidt niet in alle gevallen tot vermindering van vakantie-opbouw.
                    Dat geldt voor afwezigheid wegens bevallings- en zwangerschapsverlof en
                    afwezigheid wegens ziekte. Dat vloeit voort de uit Europese richtlijn
                    2003/88/EG. De richtlijn beperkt zich tot het wettelijk verlof. In de CAR wordt
                    echter geen onderscheid gemaakt tussen wettelijk en bovenwettelijk verlof.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof opnemen. De vakantie mag zijn
                    herstel niet belemmeren; bij twijfel kan de bedrijfsarts hierover een advies
                    geven, een en ander zoals veelal zal zijn geregeld in het Protocol als bedoeld
                    in artikel 7:9 lid 4 CAR. De opgenomen vakantie wordt in mindering gebracht van
                    het verlofsaldo. Op grond van artikel 6:1 wordt gedurende de vakantie het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) doorbetaald zonder de korting die
                    eventueel al geldt gezien de duur van de ziekte. In het geval waarin de
                    ambtenaar in het kader van een medische behandeling of therapie elders moet
                    verblijven wordt geen vakantieverlof afgeschreven.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar een
                    vergoeding. Het uurloon bedraagt 1/156 van het - voor deeltijders naar een
                    volledig dienstverband herberekend - salaris van de ambtenaar per maand (artikel
                    1:1, eerste lid, sub o van de CAR). Het salaris is het bedrag van de schaal dat
                    op de ambtenaar van toepassing is op het moment dat het ontslag wordt verleend
                    of, indien voor de functie een vast bedrag geldt, dit bedrag.</al><tussenkop>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid regelt dat de toekenning van de niet-verleende vakantie om
                    redenen van dienstbelang niet op de lange baan wordt geschoven. De vakantie
                    dient uiterlijk voor het einde van het tweede volgend kalenderjaar te worden
                    verleend. Dit betekent echter niet dat de vakantie na twee jaar is
                    verjaard.</al><tussenkop>Artikel 6:2:5 Intrekking (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat indien op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk
                    vakantie wordt genoten omdat de verleende vakantie wordt ingetrokken, de genoten
                    vakantie-uren als niet verleend worden beschouwd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Alleen de geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van vakantie wordt
                    vergoed, er vindt derhalve geen vergoeding plaats van immateriële schade. Bij
                    geldelijke schade kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huur van een
                    vakantiehuisje dat niet betrokken kan worden of de kosten van vliegtickets waar
                    geen gebruik van gemaakt kan worden.</al><tussenkop>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het op een van de in dit lid genoemde gronden niet genoten verlof wordt in een
                    volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen
                    van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Doet zich de situatie niet of
                    niet langer voor, dan kan het nog niet genoten verlof worden geëffectueerd met
                    inachtneming van de beperking zoals verwoord in lid 3. Deze bepaling geeft
                    overigens niet de bevoegdheid niet opgenomen verlofuren te schrappen (met
                    uitzondering van het bepaalde in artikel 6:2:3, tweede lid).</al><al>Het is mogelijk dat een ambtenaar gedurende zijn ziekte een bepaalde tijd
                    doorbrengt buiten zijn woonplaats, zonder dat daartegen uit medisch oogpunt
                    bezwaren bestaan of omdat men daarvan verwacht dat dit een heilzame uitwerking
                    zal hebben. Als voorwaarde kan worden gesteld dat de ambtenaar moet kunnen
                    aantonen, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de behandelend of
                    controlerend arts, dat hij gedurende die periode nog niet genezen was en dat er
                    uit medisch oogpunt geen bezwaren bestonden tegen zijn afwezigheid dan wel dat
                    er een heilzame uitwerking werd verwacht. Er wordt tijdens deze periode geen
                    verlof opgenomen. Gedurende ziekte geniet de ambtenaar namelijk ziekteverlof
                    gedurende welke niet nog eens verlof uit andere hoofde kan worden opgenomen.
                    Indien de ambtenaar wegens ziekte slechts een gedeelte van zijn arbeid kan
                    verrichten en vakantie opneemt, geldt artikel 6:2:3, vierde lid. Indien het
                    aantal naar een volgend kalenderjaar over te boeken verlofuren slechts een
                    gering aantal betreft – het college dient dan in een besluit te bepalen hoeveel
                    - kan een verzoek tot overboeking achterwege blijven. Het overboeken geschiedt
                    dan automatisch. Daarbij kan het college tevens stipuleren dat dit aantal
                    verlofdagen vóór een bepaalde datum moet worden opgenomen. Het spreekt vanzelf
                    dat over een dergelijke nadere regelgeving plaatselijk overleg dient te worden
                    gevoerd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikellid heeft betrekking op situaties dat de ambtenaar ziek wordt tijdens
                    zijn vakantie. Het aannemelijk maken kan bestaan uit het overleggen van een
                    verklaring van een arts of van een op verleende geneeskundige hulp betrekking
                    hebbende rekening. De ambtenaar moet zich zo spoedig mogelijk ziek melden.
                    Indien het onmogelijk is dit bij aanvang van de ziekte te doen, is het voldoende
                    dat hij achteraf aantoont dat hij ziek was.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid vormt een beperking op de mogelijkheid van het opnemen van het op
                    grond van lid 1 naar een volgend kalenderjaar overgeboekt vakantieverlof. Een
                    ambtenaar met bijvoorbeeld recht op 144 uren vakantieverlof kan, wanneer op zijn
                    verzoek dit verlof in zijn geheel wordt overgeboekt naar een volgend
                    kalenderjaar, nooit meer dan 1,5 x 144 = 216 uur verlof opnemen (tenzij op
                    verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist). De dan nog resterende
                    verlofuren worden vervolgens naar het volgende kalenderjaar doorgeschoven.</al><tussenkop>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het wettelijk verlof is primair bedoeld ter recuperatie in het jaar waarin het
                    wordt opgebouwd. Niettemin zullen er situaties zijn waarin het wettelijk verlof
                    in enig jaar niet geheel kan worden opgenomen. Daarom geldt een vervaltermijn
                    van 12 maanden. Als een ambtenaar te ziek is om verlof op te nemen, bijvoorbeeld
                    omdat hij in een ziekenhuis moet verblijven, geldt deze termijn niet.
                    Vanzelfsprekend zal in onderling overleg tussen college en ambtenaar na herstel
                    een plan worden gemaakt hoe om te gaan met het resterende wettelijk verlof.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als een ambtenaar een langere verlofperiode wil opnemen, bijvoorbeeld voor een
                    loopbaanverlof (sabbatical) en daarvoor ook wettelijk verlof wil inzetten, kan
                    hij het college vragen om af te zien van de vervaltermijn. Het college en de
                    ambtenaar maken in onderling overleg hierover afspraken op basis van een
                    onderbouwd schriftelijk verzoek van de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof (T)</tussenkop><al>Het totale saldo verlofuren waarover de ambtenaar op 31 december 2014 beschikt,
                    wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof.</al><al>Vanwege de gewijzigde regels rond opbouw en opname van verlof - analoog aan hoe
                    dit in het Burgerlijk Wetboek is geregeld - is het van belang om een duidelijk
                    onderscheid te maken tussen de civielrechtelijke begrippen “vervallen” en
                    “verjaren” die hierop van toepassing zijn. Bij verval komt het recht op verlof
                    onherroepelijk te vervallen door het verstrijken van een termijn. De
                    uitzonderingen daarop zijn geregeld in artikel 6:2a eerste lid. Bij verjaring
                    komt het verlof in beginsel ook te vervallen na het verstrijken van de termijn,
                    maar kan dit door middel van een schriftelijke verklaring van de rechthebbende
                    medewerker worden ‘gestuit’. De strekking van deze verklaring moet zijn dat
                    betrokkene de beschikking wil houden over het verlof dat dreigt te verjaren. Het
                    gevolg van stuiten is dat een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen en de
                    medewerker zijn aanspraak op het verlof behoudt. Dit laatste wil overigens niet
                    zeggen dat hij er ook altijd over kan ‘beschikken’ zoals geregeld in artikel
                    6:2:6, derde lid, UWO.</al><tussenkop>Artikel 6:3 Vervallen (T)</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 6:3:1 Vervallen (T)</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 6:3:1:1 </tussenkop><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Dit artikellid bepaalt onder andere dat indien een deel van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) wordt ingehouden in geval van een disciplinaire
                    maatregel of een schorsing, over deze periode geen vakantietoeslag wordt
                    uitbetaald. Voorwaarde is wel dat dit expliciet bij de strafoplegging of
                    schorsing is bepaald. Is dat niet dat geval, dan ontvangt betrokkene een
                    vakantietoeslag over dat deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    dat niet is ingehouden. </al><tussenkop>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het kraamverlof, calamiteiten en ander kortverzuimverlof is geregeld in de Wet
                    arbeid en zorg (Wazo). De Wazo is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                    2001, 567) en is van toepassing op werknemers en ambtenaren. Het doel van de
                    Wazo is werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen om betaald werk te
                    combineren met zorgtaken. In de Wazo zijn daarom regels gesteld omtrent diverse
                    vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kort verzuimverlof, zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof, verlof bij adoptie en pleegzorg, kraamverlof,
                    ouderschapsverlof en kortdurend zorgverlof. De bepalingen van de Wazo zijn niet
                    opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                    toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die
                    aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende aanspraken
                    bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de regeling een bepaling
                    uit de Wazo overgenomen.</al><al>De bepalingen in de Wazo m.b.t. het calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 565), Bij die
                    gelegenheid is de in de wet opgenomen opsomming van situaties op grond waarvan
                    calamiteiten- of kort verzuim verlof kan worden toegekend, verruimd. Daarbij
                    gaat het om de introductie van het criterium ‘onvoorzienbaarheid’ en de
                    toevoeging van spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd
                    te plannen arts- of ziekenhuisbezoek – of de noodzakelijke begeleiding daarbij –
                    als reden voor het toekennen van verlof. Het calamiteiten-, kort verzuim- en
                    kraamverlof is geregeld in de artikelen 4:1 t/m 4:7 Wazo.</al><al><cursief>Kraamverlof</cursief>Met ingang van 1 januari 2015 is ook in de Wazo
                    geregeld dat het kraamverlof kan worden uitgebreid met drie dagen, door een
                    ‘voorschot’ te nemen op het (onbetaald of betaald) ouderschapsverlof. Eén en
                    ander is geregeld in artikel 6:5 lid 4 Wazo.</al><al>Overzicht graden van bloed- en aanverwantschap</al><tussenkop>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Onder huwelijksdag wordt verstaan de dag dat het burgerlijk huwelijk wordt
                    voltrokken.</al><tussenkop>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het langdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en
                    zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo met betrekking tot
                    het langdurend zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb.
                    2014, 565). Daarbij is de kring van personen ten behoeve waarvan kort – en
                    langdurend zorgverlof kan worden opgenomen verruimd met bloedverwanten in de
                    eerste en tweede graad, huisgenoten en andere personen uit de sociale omgeving.
                    Behalve in het geval van een levensbedreigende ziekte kan er ook langdurend
                    zorgverlof worden toegekend t.b.v. de noodzakelijke verzorging bij ziekte of
                    hulpbehoevendheid. Het langdurend zorgverlof is geregeld in de artikelen 5:9 tot
                    en met 5:16 Wazo.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het wettelijk recht op langdurend zorgverlof is onbetaald. In dit lid is
                    geregeld dat de ambtenaar recht heeft op doorbetaling van 50% van zijn salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n) over de uren dat hij langdurend zorgverlof
                    geniet.</al><al><vet>Lid 2 tot en met 5</vet></al><al>Ten aanzien van de opbouw van vakantie-uren en vakantietoelage geldt een
                    vergelijkbare regeling als bij het ouderschapsverlof. Ziekte schort het
                    langdurend zorgverlof niet op. Ingeval van samenloop tussen langdurend
                    zorgverlof en ziekte heeft de ambtenaar na 7 kalenderdagen ziekte aanspraak op
                    zijn volledige salaris en toegekende salaristoelage(n), wordt de vermindering
                    van de duur van de vakantie beëindigd en vindt de opbouw van de vakantietoelage
                    weer plaats op basis van de volledige beloning.</al><tussenkop>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zie lid 5 ten aanzien van het maximum van het verlof.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Vakbondsconsulenten zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een
                    vakvereniging en die binnen de gemeente medewerkers bijstaan in individuele
                    aangelegenheden. Arbeidsvoorwaardenadviseurs zijn ambtenaren die daartoe zijn
                    aangewezen door een vakvereniging en onder andere GO-leden adviseren binnen de
                    eigen of een andere organisatie in de regio, conform artikel 12:2:7 lid 3.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Er wordt alleen verlof verleend voor de vóórvergadering en de vergadering zelf.
                    Voor de voorbereiding van de vergadering en werkzaamheden ten gevolge van de
                    vergadering wordt geen verlof verleend.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Aangezien het hier een regeling betreft met maximumaanspraken, zal het nodig
                    zijn dat in goed overleg met de vakorganisaties plaatselijk in de
                    uitvoeringsregeling inhoud wordt gegeven aan het verlenen van het bijzonder
                    verlof. Hierbij ligt het in de rede dat rekening wordt gehouden met de lokale
                    omstandigheden, zoals de gemeentegrootte, de personeelsbezetting, het aantal in
                    de vakorganisaties actieve leden etc.. Een nadere regeling kan bijvoorbeeld
                    voorkomen dat steeds (terecht of onterecht) bijzonder verlof wordt geweigerd op
                    grond van het dienstbelang.</al><tussenkop>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het kortdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en
                    zorg. Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                    kortdurend zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb. 2014,
                    565), waarbij de kring van personen t.b.v. waarvan kortdurend zorgverlof kan
                    worden opgenomen is verruimd met bloedverwanten in de eerste en tweede graad,
                    huisgenoten en andere personen uit de sociale omgeving. Het kortdurend
                    zorgverlof is geregeld in de artikelen 5:1 tot en met 5:8, 5:15 en 5:16
                    Wazo</al><al><vet>Samenloop met andere verlofvormen</vet> De wetgever heeft het noodzakelijk
                    geacht om een regeling te treffen over samenloop tussen de diverse verlofvormen.
                    Het is immers mogelijk dat een situatie zowel voldoet aan de voorwaarden voor
                    calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor kortdurend zorgverlof. In dat
                    geval zou het voor de ambtenaar aantrekkelijk kunnen zijn om voor
                    calamiteitenverlof te kiezen omdat dit verlof verleend wordt met behoud van het
                    volledige salaris en toegekende salaristoelage(n). In artikel 5:8 Wazo is daarom
                    bepaald dat indien zowel is voldaan aan de voorwaarden voor het
                    calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor het kortdurend zorgverlof, het
                    calamiteitenverlof na één dag eindigt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat een ambtenaar met een volledig dienstverband
                    ten hoogste 72 uur zorgverlof per jaar kan opnemen. Dit betekent dat ook de
                    ambtenaar wiens aanstelling op grond van artikel 2:7a verruimd is naar maximaal
                    40 uur per week maximaal 72 uur per kalenderjaar zorgverlof kan opnemen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is bepaald dat het recht op kortdurend zorgverlof van de
                    ambtenaar met een dienstverband van minder dan 36 uur per week, naar
                    evenredigheid wordt verminderd.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>In de leden 3 en 4 is geregeld dat het kortdurend zorgverlof voor de helft voor
                    rekening van de ambtenaar en voor de andere helft voor rekening van de werkgever
                    komt. Voor de verrekening van het verlof kan worden gedacht aan de inlevering
                    van regulier verlof. Ook kan de mogelijkheid worden geboden om het verlof op een
                    later moment in te halen. Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar hoe de
                    verrekening van het verlof zal plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 6:4:4 Non-activiteit (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van afdracht van pensioen-, vut- en AAOP-premies zijn afspraken
                    gemaakt in artikel 3, lid 7, onderdeel a, van de Pensioenovereenkomst van 15
                    maart 1995 tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van
                    overheidspersoneel. Wanneer volledig politiek verlof wordt genoten, vindt geen
                    pensioenopbouw plaats vanuit het ambtenaarschap. Wethouders, gedeputeerden of
                    hoogheemraden bouwen bij het overheidsorgaan waar zij zijn benoemd een pensioen
                    op op basis van de Algemene pensioenwet politiek ambtsdragers (Appa). De vut- en
                    AAOP-premies blijven verschuldigd. Echter, op grond van de Pensioenovereenkomst
                    blijft de verdeling van het verhaal ongewijzigd: de werkgever draagt de lasten
                    van het werkgeversdeel, maar hij kan het werknemersdeel wel verhalen op de
                    ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Het is aan de gemeente om invulling te geven aan dit artikel. Het kan
                    bijvoorbeeld gaan om verlof wanneer het langdurend zorgverlof niet toereikend
                    blijkt te zijn (zie daarvoor ook artikel 6:4:1a) of om verlof om het overlijden
                    van een verwant te verwerken (rouwverlof).Het verlof kan met behoud van gehele
                    of gedeeltelijke doorbetaling worden verleend. Wanneer er sprake is van een
                    gedeeltelijke doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    kan het inkomen worden aangevuld met het opgebouwde spaartegoed uit de
                    levensloopregeling. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6a.</al><tussenkop>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van de afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof zoals
                    bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6:10,
                    vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het ouderschapsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg
                    (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1.De bepalingen in de Wazo met betrekking tot
                    het ouderschapsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb.
                    2014, 565). Daarbij zijn zowel de eis dat men een jaar in dienst van de
                    werkgever moet zijn, als de regels met betrekking tot de wijze waarop het verlof
                    kan worden opgenomen, komen te vervallen. Een andere belangrijke wijziging
                    betreft het recht om – behoudens een zwaarwegend dienstbelang aan de kant van de
                    werkgever – een eenmaal toegekend recht op ouderschapsverlof te onderbreken of
                    op te schorten (artikel 6:6 lid 2 Wazo). Het ouderschapsverlof is geregeld in de
                    artikelen 6:1 tot en met 6:10 Wazo. In dit artikel is opgenomen dat een
                    ambtenaar die ouderschapsverlof geniet op grond van de Wazo, recht heeft op een
                    gedeeltelijke doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    over ten hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week. Deze regeling geldt
                    voor die gemeenten waarin lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof
                    vastgesteld is of wordt.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>De ambtenaar die werkzaam is bij een gemeente met een regeling betaald
                    ouderschapsverlof en die op grond van de Wazo ouderschapsverlof opneemt, heeft
                    recht op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) over dit verlof, gedurende ten hoogste 13 maal de formele
                    arbeidsduur per week. De doorbetaling bedraagt het in het tweede lid aangegeven
                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Een ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden verzoeken het
                    aangevraagde ouderschapsverlof niet op te nemen dan wel niet voort te zetten
                    (artikel 6:6 Wazo). Het college kan een dergelijk verzoek afwijzen als een
                    zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet. Als een dergelijk verzoek wordt
                    gehonoreerd heeft dit tot gevolg dat het niet genoten ouderschapsverlof op een
                    later moment kan worden opgenomen, zolang aan de voorwaarden daarvan wordt
                    voldaan. Aan een dergelijk verzoek hoeft het college niet eerder gevolg te
                    worden gegeven dan vier weken na het verzoek.</al><tussenkop>Artikel 6:5:2 Meerlingen (T)</tussenkop><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                    ouderschapsverlof. Voor de overige kinderen van de twee- of meerling geldt wel
                    het recht op ouderschapsverlof volgens de Wazo, doch zonder gedeeltelijke
                    doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n). Voor het
                    ouderschapsverlof van de overige kinderen zijn de bepalingen uit artikel 6:5:1,
                    6:5:3, 6:5:4, 6:5:6 en 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie (T)</tussenkop><al>De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof plaats
                    overeenkomstig de omvang en de duur van dit verlof. Geniet de ambtenaar
                    bijvoorbeeld ouderschapsverlof gedurende zes maanden voor de helft van zijn
                    arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1 november, dan heeft betrokkene
                    tot en met april recht op volledig verlof (4/12 x verlofaanspraak op jaarbasis),
                    van mei tot november een halve verlofopbouw (6/12 x verlofaanspraak op jaarbasis
                    x 0,5) en in november en december weer een gehele verlofopbouw (2/12 x
                    verlofaanspraak op jaarbasis). </al><tussenkop>Artikel 6:5:5 Terugbetaling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De terugbetaling betreft het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die zijn
                    betaald over de uren dat de ambtenaar het betaald ouderschapsverlof heeft
                    genoten. Dit geldt alleen bij ontslag op grond van artikel 8:1 (ontslag op
                    verzoek) en artikel 8:13 (ontslag als disciplinaire straf). Als een ambtenaar
                    het ouderschapsverlof opdeelt in meerdere perioden moet voor de toepassing van
                    artikel 6:5:5 eerste lid, elke periode worden beschouwd als een afzonderlijk
                    deel.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> De ambtenaar heeft het ouderschapsverlof opgedeeld.
                    Van 1-01-2001 tot 1-04-2001 heeft hij ouderschapsverlof opgenomen voor de helft
                    van zijn dienstverband. Van 1-01-2002 tot 1-04-2002 heeft hij nogmaals
                    ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn dienstverband. Op 1-05-2002
                    wordt hij op eigen verzoek ontslagen. De terugbetalingsverplichting geldt dan
                    niet voor de eerste periode van ouderschapsverlof maar wel voor de tweede
                    periode van ouderschapsverlof.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een uitzondering op de regel van terugbetaling bij ontslag op verzoek, geldt
                    indien de ambtenaar bij een andere gemeente gaat werken of indien er recht
                    bestaat op een uitkering wegens het volgen van de echtgenoot die door geheel
                    buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                    veranderen.</al><al>Onder het regime van de Werkloosheidswet is het mogelijk dat een uitkering wordt
                    verstrekt bij werkloosheid die ontstaan is doordat de ambtenaar ontslag heeft
                    gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door
                    geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.
                    Als dit het geval is en een WW-uitkering wordt verstrekt, wordt geen
                    terugbetaling van het ouderschapsverlof gevorderd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Onder het aanvaarden van een dienstverband voor minder uren dan hij direct
                    voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, wordt mede begrepen een verzoek
                    om vermindering van arbeidsduur. Sinds 1 januari 2001 moet dit worden
                    vormgegeven door middel van een besluit tot gedeeltelijk ontslag. Een en ander
                    is geregeld in artikel 8:1, tweede lid, en in artikel 8:17.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een ambtenaar heeft ouderschapsverlof opgenomen voor
                    de helft van zijn dienstverband. Zijn aanstelling bedraagt 36 uur en zijn
                    feitelijke arbeidsduur bedraagt gedurende het ouderschapsverlof 18 uur. Deze
                    ambtenaar wordt bezoldigd volgens schaal 8. De ambtenaar verzoekt binnen drie
                    maanden na afloop van het ouderschapsverlof om zes uur per week minder te mogen
                    werken. Zijn aanstelling wordt daarop teruggebracht tot 30 uur per week.
                    Betrokkene zal, voor die uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) die hij genoot over de arbeidsduur
                    waarvoor het ouderschapsverlof gold, dienen terug te betalen. In dit voorbeeld
                    betekent dit dat betrokkene over zes uur salaris en toegekende salaristoelage(n)
                    dient terug te betalen; dus 6 uur x 26 weken x 50% van de betaling. Indien er
                    ouderschapsverlof wordt opgenomen voor vier uur per week en de aanstelling wordt
                    binnen drie maanden na afloop van het ouderschapsverlof op verzoek van
                    betrokkene met zes uur verminderd, geldt dat de betaling die hij genoot over de
                    vier uur ouderschapsverlof terugbetaals dient te worden; dus 4 uur x 26 weken x
                    50% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Ingevolge het bepaalde in dit lid dient de ambtenaar die ouderschapsverlof gaat
                    genieten, zich schriftelijk akkoord te verklaren met de
                    terugbetalingsverplichting in de gevallen zoals deze in de vorige leden zijn
                    genoemd.</al><tussenkop>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de Wet
                    arbeid en zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo
                    m.b.t. het zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op
                    1 januari 2015 (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat bij ziekenhuisopname
                    van de baby het bevallingsverlof wordt verlengd, en dat bij overlijden van de
                    moeder het resterende bevallingsverlof overgaat naar de partner. Verder kan het
                    bevallingsverlof na de 6e week na de bevalling gespreid worden opgenomen. Het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de artikelen 3:1 t/m 3:1a,
                    3:3, 3:4, 3:5, 3:7, 3:10, 3:11, 3:13, 3:14 en 3:29 Wazo. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet
                    mag worden aangemerkt als ziekte. In dit artikel is geregeld dat de vrouwelijke
                    ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op
                    doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op volledige doorbetaling van haar salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n). Vrouwelijke ambtenaren hebben gedurende de
                    periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof aanspraak op een uitkering
                    (artikel 3:7 lid 1 Wazo). De hoogte van de uitkering in geval van zwangerschap
                    en bevalling bedraagt 100% van het voor de ambtenaar geldende dagloon met een
                    vastgesteld maximum (artikel 3:13 Wazo). Het bedrag van deze uitkering wordt in
                    mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), waarop de
                    betrokken ambtenaar recht heeft.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> De werkgever dient ten tijde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) door te betalen. De vrouwelijke
                    ambtenaar moet tijdig aan de werkgever de informatie overleggen die de werkgever
                    nodig heeft voor het ontvangen van de uitkering op grond van de Wazo (artikel
                    3:11 Wazo). Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen uitkering wordt
                    verstrekt kan dit geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht op het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n). Er wordt dan een fictieve uitkering
                    ter hoogte van 100% van het dagloon in mindering gebracht. Om verrekening van
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) met de uitkering wegens
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof praktisch mogelijk te maken, is de ambtenaar
                    verplicht mee te werken aan de uitbetaling van de Wazo-uitkering door het UWV
                    aan de gemeentelijke werkgever.</al><al><vet>Ziekte voor zwangerschapsverlof</vet> Er kan sprake zijn van een situatie
                    dat de vrouwelijke ambtenaar een bepaalde periode voor ingang van haar
                    zwangerschapsverlof haar werkzaamheden niet kan verrichten wegens gehele of
                    gedeeltelijke ziekte. Voor zover deze ziekte plaatsvindt vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum, wordt deze ziekte aangemerkt als
                    zwangerschapsverlof, ongeacht de keuze van de vrouwelijke ambtenaar ten aanzien
                    van de duur van het zwangerschapsverlof (artikel 3:1 lid 4 Wazo). Dit kan
                    betekenen dat het zwangerschapsverlof langer duurt dan van tevoren was gekozen.
                    De periode van het bevallingsverlof wordt in dat geval evenredig verkort.</al><al>Bij deze samenloop van zwangerschapsverlof en ziekte doet het niet ter zake of
                    een medewerker geheel of gedeeltelijk ziek is. Ook bij gedeeltelijke ziekte
                    wordt het zwangerschapsverlof geacht in te gaan. Duidelijk is dan wel dat de
                    vrouwelijke ambtenaar, die gedeeltelijk ziek is, vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum niet meer hoeft te werken.</al><tussenkop>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het adoptie- en pleegzorgverlof is geregeld in de Wet arbeid
                    en zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar
                    de toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                    adoptie- en pleegzorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015
                    (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat het verlof flexibeler kan worden
                    opgenomen binnen een ruimere periode van 26 weken. Het adoptie- en
                    pleegzorgverlof is geregeld in de artikelen 3:2 t/m 3:7, 3:9, 3:12, 3:13, 3:14
                    en 3:29 Wazo.</al><al><vet>Lid 2, 3 en 4</vet></al><al>Er bestaat aanspraak op volledige loondoorbetaling, daarom wordt de uitkering
                    aangevraagd via de werkgever. De werkgever vraagt uiterlijk twee weken voor de
                    datum van ingang van het verlof een uitkering bij het UWV aan (artikel 3:11 lid
                    2). De uitkering wordt gestort op rekening van de werkgever en de werkgever
                    betaalt het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) door. De
                    ambtenaar verleent op verzoek van de werkgever alle medewerking aan het via de
                    werkgever tot uitbetaling laten komen van de uitkering ter zake het adoptie- en
                    pleegzorgverlof. Wanneer een ambtenaar geen volledige medewerking verleent ten
                    aanzien van de aanvraag van de uitkering kan dit leiden tot een korting op zijn
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het tijdvak waarover adoptie- en pleegzorgverlof wordt genoten, schort de
                    termijn van 6 maanden van artikel 7:3 gedurende welke termijn het recht bestaat
                    op doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    niet op. Dit betekent dat indien een ambtenaar ziek is en tijdens de ziekte
                    adoptie- en pleegzorgverlof geniet, het verlof onderdeel uitmaakt van de termijn
                    van 6 maanden.</al><al><vet>Samenloop adoptie- en pleegzorgverlof met zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof</vet> Wanneer een vrouw over dezelfde periode zowel recht
                    heeft op een uitkering in verband met zwangerschap en bevallingsverlof als op
                    een uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, vervalt de uitkering voor
                    adoptie of pleegzorg. Wanneer een werknemer in een zelfde periode zowel recht
                    heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een uitkering in verband
                    met pleegzorg krijgt de werknemer de uitkering in verband met pleegzorg evenmin
                    uitbetaald. Er is dus in de wet een hiërarchie aangebracht tussen de
                    verschillende uitkeringsrechten in het geval zij samenlopen (artikel 3:29
                    Wazo).</al><tussenkop>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                    levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De periode van verlof voor een ambtenaar bedraagt minimaal 1 maand en maximaal
                    18 maanden. Voor de maximale duur van het verlof is aansluiting gezocht bij de
                    sociale zekerheidswetgeving. In deze wetgeving is bepaald dat het normale voor
                    ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de
                    vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt
                    dan 18 maanden.</al><al>Indien de ambtenaar heeft deelgenomen aan de levensloopregeling van hoofdstuk 6a
                    CAR kan hij gedurende deze periode van onbetaald verlof beschikken over zijn
                    levenslooptegoed. Voor meer informatie over de opname van het levenslooptegoed
                    wordt verwezen naar artikel 6a:9 CAR en de toelichting op dit artikel.</al><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die hij voor
                    aanvang van dat verlof vervulde tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn aan
                    te voeren die terugkeer naar deze functie belemmeren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als college en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de voorwaarden zoals die
                    worden genoemd in het eerste en tweede lid, is dat op basis van dit artikellid
                    mogelijk. Er kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het toekennen van
                    verlof dat korter dan een maand duurt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De termijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die geldt voor het
                    beschikken over het levenslooptegoed (artikel 6a:9, tweede lid CAR). De aanvraag
                    voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om onbetaald
                    verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts tot
                    uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof wordt
                    toegekend.</al><al>Het verzoek van de ambtenaar wordt ingewilligd tenzij dienstbelang zich
                    daartegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien honorering van het verzoek
                    zou leiden tot een dusdanige kleine aanstelling dat dit leidt tot bijvoorbeeld
                    rooster-technische problemen.</al><al>Indien het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden, komen partijen
                    in onderling overleg tot een oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan de
                    belangen van de ambtenaar.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Dit artikellid houdt niet in dat het college het verlof automatisch intrekt
                    wanneer een ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                    verlof geniet. Het biedt het college enkel de mogelijkheid. In sommige gevallen
                    is het denkbaar dat ook de werkgever een belang heeft bij of geen nadeel
                    ondervindt van betaalde activiteiten van de ambtenaar.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een periode van drie
                    jaar direct voorafgaand aan pensionering kan slechts worden geweigerd als een
                    zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. Het college mag dit
                    argument niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient
                    zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar de
                    maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken.</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval sprake indien
                    toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen
                            uren;</al></li><li nr="b"><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="c"><al>van rooster-technische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens het verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van onbetaald verlof
                    geen opbouw van vakantie-uren plaatsvindt. Omdat een eventuele maandelijkse
                    uitkering van het levenslooptegoed van artikel 6a:9 CAR niet kan worden
                    aangemerkt als salaris vindt over de opgenomen uren van onbetaald verlof ook
                    geen opbouw van het IKB plaats.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar heeft gedurende de periode van verlof geen recht op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Hierbij moet ook
                    gedacht worden aan een kinderopvangvergoeding, kostenvergoeding en een
                    verstrekking in natura zoals bijvoorbeeld een telefoon. Het college draagt zorg
                    voor de aanpassing van de lokale regelingen op dit punt.</al><al>Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de uitkeringsrechten
                    van de ambtenaar na de periode van verlof. In de sociale zekerheidswetgeving is
                    immers bepaald dat het normale voor ingang van het verlof geldende
                    arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van het recht op een
                    uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18 maanden.</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de ambtenaar geen recht heeft op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Echter wanneer
                    het college gedurende de periode van onbetaald verlof van de ambtenaar een
                    vergoeding voor bijvoorbeeld het volgen van een studie of een opleiding wil
                    verstrekken dan sluit dit artikellid dat niet uit.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het vierde lid regelt dat de ambtenaar de pensioen- en FPU-premies in de
                    situatie van onbetaald verlof voor zijn eigen rekening neemt. De ambtenaar
                    betaalt zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel. Het college draagt zorg
                    voor de afdracht van de premies maar verhaalt deze afdracht gedurende de gehele
                    periode van verlof op de ambtenaar. Enkel wanneer het verlof slechts een periode
                    van maximaal drie maanden behelst, geldt dit niet. Dan betaalt de ambtenaar
                    enkel het werknemersdeel, het werkgeversdeel wordt bij verlof van maximaal drie
                    maanden door het college betaald. Bij deeltijdverlof wordt het verhaal naar rato
                    vastgesteld.</al><al>De mate van opbouw van pensioen tijdens onbetaald verlof is geregeld in het
                    pensioenreglement. Artikel 6:10, vierde lid, regelt de premieverdeling tussen
                    het college en de ambtenaar. Hieronder wordt aangegeven in welke mate pensioen
                    wordt opgebouwd, hoe de premieverdeling is geregeld en hoe het college de premie
                    moet verhalen op de ambtenaar.</al><lijst><li nr="1"><al><vet>Pensioen opbouwen</vet></al><lijst><li><al><cursief> Onbetaald verlof zonder levensloopuitkering</cursief>
                                    Bij onbetaald verlof zonder levensloopuitkering vindt gedurende
                                    de gehele verlofperiode de pensioenopbouw plaats alsof er geen
                                    sprake van verlof is (artikel 3:4, eerste lid, van het
                                    pensioenreglement). De ambtenaar blijft dus ongewijzigd pensioen
                                    opbouwen.</al></li><li><al><cursief>Onbetaald verlof met levensloopuitkering</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Als de levensloopuitkering hoger of gelijk is aan 70%
                                            van het inkomen dat zou zijn genoten als de ambtenaar
                                            niet met verlof was gegaan, wordt de pensioenopbouw
                                            gebaseerd op het inkomen dat zou zijn genoten als de
                                            ambtenaar niet met verlof was gegaan. Dit is alleen in
                                            het eerste jaar. Daarna stopt de opbouw. De ambtenaar
                                            heeft dan wel de keuze om nog pensioen op te bouwen op
                                            basis van een individueel vastgestelde premie.</al></li><li nr="-"><al>Bij een levensloopuitkering van minder dan 70% van het
                                            inkomen dat zou zijn genoten als de ambtenaar niet met
                                            verlof was gegaan, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op
                                            de levensloopuitkering die de medewerker geniet. Ook in
                                            deze situatie geldt dat na één jaar de ambtenaar kan
                                            kiezen voor voortzetting van pensioenopbouw op basis van
                                            een individuele premie. Dit is bepaald in artikel 16.6
                                            van het pensioenreglement.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>Premieafdracht pensioen</vet>Als een ambtenaar onbetaald verlof
                            opneemt (ongeacht of het wordt gefinancierd door levenloop) voor een
                            periode korter dan drie maanden dan blijft de premieafdracht
                            ongewijzigd. Het college betaalt dus 70% van de premie en de ambtenaar
                            30% (voor de FPU-premie geldt 50%-50%).Als de ambtenaar onbetaald verlof
                            wil opnemen voor langer dan drie maanden betaalt hij vanaf de eerste
                            verlofdag de volledige pensioenpremies zelf. Als de ambtenaar het verlof
                            financiert met levenloop dan stopt de pensioenopbouw op basis van de
                            doorsneepremie van het ABP na één jaar. De ambtenaar kan ervoor kiezen
                            om de opbouw voort te zetten. Hij betaalt dan zelf de volledige
                            individuele premie.Financiert de ambtenaar het onbetaalde verlof niet
                            met levensloop dan loopt de pensioenopbouw ook na één jaar door op basis
                            van de doorsneepremie van het ABP. De ambtenaar betaalt de volledige
                            premie zelf.Voor de pensioenvormen ANW, AAOP
                            (arbeidsongeschiktheidspensioen) en FPU (VUTfondsbijdrage) vindt geen
                            opbouw plaats. Er moet wel premie worden afgedragen. Met die premie
                            worden de uitkeringen gefinancierd van (ex)-deelnemers van het ABP die
                            recht hebben op die uitkering. Hieraan kunnen de premiebetalers geen
                            rechten ontlenen.</al></li><li nr="3"><al><vet>Verhalen premie</vet>Het verhaal van de premie op de ambtenaar moet
                            op een van de volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar een levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof houdt het college daar de door de ambtenaar
                                    verschuldigde pensioenpremie direct op in.</al></li><li nr="-"><al>Als de ambtenaar geen levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan het bedrag dat het college moet verhalen
                                    op de ambtenaar niet verrekend worden met een betaling vanuit de
                                    gemeente aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de
                                    gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient afspraken te maken
                                    met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is men in beginsel niet verzekerd
                    voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering aangezien er in die periode geen loon en
                    daardoor ook geen sociale zekerheidspremies worden betaald. De werknemer
                    ondervindt na afloop van de verlofperiode geen nadeel voor de toepassing van de
                    Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits dit verlof maximaal 18 maanden
                    duurt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij gedeeltelijk verlof stopt de periode van verlof bij ziekte na twee weken. Op
                    grond van de wet geldt als eerste ziektedag de dag dat de ambtenaar zijn functie
                    niet meer kan vervullen wegen ziekte.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien er sprake is van volledig verlof kan het college bij ziekte van de
                    ambtenaar die langer dan 14 kalenderdagen duurt, besluiten om in schrijnende
                    gevallen de periode van verlof te beëindigen. Hiervan kan enkel sprake zijn
                    wanneer een ambtenaar tussentijds verlof geniet, d.w.z. verlof dat niet
                    voorafgaand aan pensionering wordt genoten.</al><al>Uitgangspunt echter bij volledig verlof is dat de periode van verlof niet stopt
                    bij ziekte. Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag bij volledig verlof
                    de dag dat de ambtenaar zijn functie weer zou kunnen gaan vervullen na de
                    periode van verlof als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><tussenkop>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een onaantastbaar
                    recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In verband met het bijzondere
                    karakter van dat verlof is bepaald dat het onbetaalde verlof eindigt bij
                    samenloop van dat verlof. Indien de ambtenaar gedurende de periode van het
                    verlof een uitkering geniet uit zijn levenslooptegoed zoals bedoeld in artikel
                    6a:9 CAR wordt deze uitkering bij aanvang van het zwangerschaps- of
                    bevallingsverlof stopgezet. De reden hiervoor is dat het levenslooptegoed op
                    grond van artikel 61h Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet mag worden
                    opgenomen voor zover de uitkering uit dit tegoed samen met het daarnaast van de
                    werkgever genoten loon uitgaat boven het laatstgenoten loon. Aan de ambtenaar
                    die met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt op grond van artikel 6:6 CAR
                    het volledige salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelage(n)
                    doorbetaald zodat deze grens wordt overschreden.</al><tussenkop> Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet> De levensloopregeling zoals die is opgenomen in artikel 19g
                    van de Wet op de loonbelasting 1964 en hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg is
                    per 1 januari 2006 in werking getreden. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                    2001 is een nieuw hoofdstuk 5A opgenomen waarin nadere uitvoeringsbepalingen met
                    betrekking tot de levensloopregeling zijn gegeven. Daarin is onder meer
                    verplicht gesteld dat de werkgever een schriftelijk vastgelegde
                    levensloopregeling heeft. </al><al>De wettelijke bepalingen over de levensloopregeling zijn niet opgenomen in de
                    CAR. Dit is niet nodig omdat de wettelijke bepalingen over de levensloopregeling
                    rechtstreeks van toepassing zijn op gemeenteambtenaren. In de CAR zijn alleen
                    die aangelegenheden geregeld die wettelijk verplicht zijn of aanvullende
                    afspraken bieden. Van dit principe wordt enkel afgeweken wanneer dat ten goede
                    komt van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de regeling. Hieronder een
                    globaal overzicht van de levensloopregeling zoals die is vastgelegd in de
                    bovenstaande wettelijke regelingen.</al><al><vet><cursief>Hoofdlijnen levensloopregeling</cursief></vet> Het doel van de
                    wettelijke levensloopregeling is werknemers de mogelijkheid te bieden om op
                    individuele basis een voorziening op te bouwen - het levenslooptegoed - om
                    eerder met pensioen te gaan of (meerdere) periodes van onbetaald verlof te
                    financieren. Elke vorm van onbetaald verlof is toegestaan. De voorziening kan
                    bestaan uit een saldo op een bankrekening of een afgesloten
                    levensloopverzekering.</al><al>Het wettelijke recht om deel te nemen aan de levensloopregeling is opgenomen in
                    de Wet arbeid en zorg. Het recht op deelname aan de regeling houdt overigens
                    niet automatisch in dat er recht op verlof bestaat. De werkgever zal toestemming
                    voor het verlof moeten geven in overeenstemming met de bestaande
                    rechtspositieregeling en met inachtneming van de bestaande wettelijke regelingen
                    inzake verlof zoals de Wet arbeid en zorg. In hoofdstuk 6 van de CAR-UWO is
                    opgenomen wanneer en onder welke voorwaarden de ambtenaar recht heeft op
                    onbetaald verlof. In artikel 6:9 CAR is het recht op niet doelgebonden onbetaald
                    verlof opgenomen.</al><al><vet><cursief>Maximum levenslooptegoed</cursief></vet> De hoogte van het
                    levenslooptegoed is gebonden aan een wettelijk maximum. De ambtenaar mag
                    maximaal 210% van zijn bruto jaarloon sparen. Zolang dit maximum nog niet is
                    bereikt mag de werknemer jaarlijks maximaal 12% sparen van het bruto jaarloon
                    dat in dat jaar door hem wordt verdiend. Zelfs als het tegoed daardoor in de
                    loop van het jaar uitstijgt boven 210% van het bruto jaarloon. Bepalend is de
                    hoogte van het levenslooptegoed per 1 januari.</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 1</cursief> Ambtenaar A heeft een volledige aanstelling
                    en een bruto jaarloon van € 25.000. Op 1 januari van jaar x bedraagt zijn
                    levenslooptegoed, inclusief de daarop gekweekte inkomsten en behaalde
                    vermogenswinsten, € 52.000. Dit is minder dan 210% van het bruto jaarloon in
                    jaar x- /-1. Daarom mag A in jaar x nog 12% van zijn jaarloon in jaar x sparen
                    binnen de levensloopregeling. In jaar x spaart A € 3.000 (12% *€25.000).</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 2</cursief> Per 31 december van jaar x bedraagt het
                    levenslooptegoed van ambtenaar A € 52.000 + (stel 4% rente) € 2.080 + € 3.000
                    (spaarbedrag jaar x)= € 57.080. Dit tegoed is hoger dan 210% van het jaarloon
                    zoals A dat in jaar x genoot. A mag in jaar x+1 daarom geen additionele bedragen
                    meer sparen. Ook niet als hij een salarisverhoging ontvangt in jaar x+1.</al><al>Nadat het maximum is bereikt mogen - totdat het levenslooptegoed weer lager is
                    dan het maximum - geen stortingen meer plaatsvinden. Het maximum mag in die
                    periode wel verder worden overschreden door oprenting of toename van de waarde
                    van de levensloopverzekering.</al><al><cursief><vet>Let op:</vet> uitzondering in het geval van demotie </cursief> Als
                    in het voorafgaande kalenderjaar een salarisvermindering heeft plaatsgevonden
                    mag op grond van de wet bij de beoordeling of nog kan worden doorgespaard van
                    het niet verminderde salaris worden uitgegaan, mits die salarisvermindering het
                    gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of het terugtreden naar een
                    lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voor de
                    ingangsdatum van het pensioen. Daarbij geldt als extra eis dat het dienstverband
                    na het aanvaarden van een deeltijdfunctie niet minder mag zijn dan 50% van de
                    omvang van het dienstverband op de laatste dag voor de dag die 10 jaar voor de
                    pensioendatum ligt.</al><al><vet><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                        spaarperiode</cursief></vet> De werkgever houdt bij deelname van de
                    werknemer aan de levensloopregeling maximaal 12% in op het brutoloon van de
                    werknemer. Dit bedrag wordt door de werkgever gestort op een geblokkeerde
                    levenslooprekening of levensloopverzekering naar keuze en op naam van de
                    ambtenaar. Over deze stortingen is geen loonheffing (loonbelasting en premies
                    volksverzekeringen) verschuldigd. Bij de levensloopregeling is namelijk de
                    omkeerregel van toepassing. Deze houdt in dat over de bedragen die worden
                    gespaard geen loonheffing verschuldigd is en dat heffing pas plaatsvindt op het
                    moment dat deze bijdragen tot uitkering komen. Ook is over deze bedragen geen
                    inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage verschuldigd zoals bedoeld in artikel
                    41 Zorgverzekeringswet. Over de stortingen zijn wel de gebruikelijke premies
                    werknemersverzekeringen verschuldigd.</al><al><vet><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                        verlofperiode</cursief></vet> Zoals gezegd kan het levenslooptegoed worden
                    gebruikt om eerder met pensioen te gaan of om periodes van onbetaald verlof te
                    financieren. Op dat moment maakt de instelling waar het levenslooptegoed is
                    ondergebracht het tegoed (periodiek) over naar de werkgever. De werkgever houdt
                    de verschuldigde loonheffing en de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in
                    en maakt het resterende tegoed (periodiek) aan de werknemer over. De werkgever
                    is op grond van de wet verplicht de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage te
                    vergoeden aan de werknemer.</al><al>Bij opname van het levenslooptegoed voor verlof bestaat recht op een
                    heffingskorting van € 183 (2006) per gespaard jaar. Een werknemer die
                    bijvoorbeeld 10 jaar heeft gespaard, heeft bij opname van het tegoed recht op
                    een bedrag van € 1.830 aan levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting
                    moet door de werkgever in mindering worden gebracht op de verschuldigde
                    loonheffing. De korting is nooit hoger dan het bedrag dat wordt opgenomen van
                    het levenslooptegoed. De werknemer heeft alleen recht op de korting bij opname
                    van verlof.</al><tussenkop>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al>Verzekeraars, banken, dochters van pensioenfondsen of
                    pensioenuitvoeringsbedrijven en beleggingsinstellingen mogen de
                    levensloopregeling uitvoeren. De ambtenaar bepaalt zelf bij welke instelling hij
                    de levenslooprekening (of-verzekering) wil onderbrengen. Onder levenslooptegoed
                    valt niet alleen het levenslooptegoed dat de ambtenaar in zijn ambtelijke
                    dienstverband opbouwt maar ook elk ander levenslooptegoed opgebouwd bij een
                    andere inhoudingsplichtige.</al><tussenkop>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel regelt dat wanneer de ambtenaar deel wil nemen aan de gemeentelijke
                    levensloopregeling hij dit bij het college meldt. Het college kan de deelname
                    enkel weigeren als niet wordt voldaan aan de eisen zoals die zijn gesteld in
                    artikel 6a:4 CAR. Indien het college gevolg geeft aan de melding blijft de
                    ambtenaar deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling tot dat de deelname
                    wordt beëindigd op grond van artikel 6a:8 CAR. Het college heeft wel de
                    wettelijke mogelijkheid om inhoudingen op het loon ten behoeve van de
                    levensloopregeling te corrigeren als blijkt dat de grenzen van artikel 19g van
                    de Wet op de loonbelasting 1964 worden overschreden.</al><al>De termijn genoemd in dit lid is wettelijk voorgeschreven op grond van artikel
                    7:2 van de Wet arbeid en zorg.</al><al>Op grond van de Wet arbeid en zorg kan de werknemer slechts een keer per jaar
                    melden aan de werkgever dat hij wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><tussenkop>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikel regelt dat de ambtenaar schriftelijk moet verklaren aan het college
                    of hij bij een of meer gewezen werkgevers/inhoudingsplichtigen een
                    levenslooptegoed heeft opgebouwd. Indien de ambtenaar meerdere dienstverbanden
                    heeft, hoeft hij het levenslooptegoed dat wordt opgebouwd bij andere
                    inhoudingsplichtigen niet door te geven aan het college.</al><al><cursief>Algemeen</cursief> De werkgever bij wie het levenslooptegoed is
                    opgebouwd, is ook inhoudingsplichtig met betrekking tot de over het
                    levenslooptegoed verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke
                    ziektekostenbijdrage op grond van artikel 41 Zorgverzekeringswet. Dit geldt in
                    beginsel ook indien de werknemer niet meer in dienst is bij deze
                    inhoudingsplichtige. Echter, indien de werknemer een nieuwe dienstverband
                    aanvaardt, wordt het levenslooptegoed geacht te zijn opgebouwd bij de nieuwe
                    werkgever. Met andere woorden, de nieuwe werkgever wordt ook inhoudingsplichtig
                    ten aanzien van het bij de oude werkgever opgebouwde levenslooptegoed. Dit is
                    slechts anders indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de werknemer niet gaat deelnemen aan de levensloopregeling van de nieuwe
                            werkgever; of,</al></li><li nr="-"><al>het levenslooptegoed al wordt geacht te zijn opgebouwd bij een andere
                            inhoudingsplichtige met wie de werknemer op dat moment een dienstverband
                            heeft. Dit kan het geval zijn als de werknemer al in dienst is bij een
                            andere werkgever.</al></li></lijst><al>De inhoudingsplichtige moet toetsen of het levenslooptegoed van de werknemer
                    binnen de 210% grens blijft. Hierbij telt ook het levenslooptegoed mee waarvoor
                    hij geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn. Indien de werknemer aan d</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief> Ambtenaar X heeft bij werkgever A een
                    levenslooptegoed opgebouwd van € 30.000. Hij neemt ontslag bij werkgever A en
                    aanvaardt een nieuw dienstverband bij werkgever B. Ambtenaar X neemt geen deel
                    aan de levensloopregeling bij werkgever B. Werkgever A blijft inhoudingsplichtig
                    ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000. In dit geval is overigens
                    uitsluitend een uitkering ineens toegestaan zoals bij afkoop het geval is (zie
                    artikel 6a:9 derde lid CAR). Immers, werkgever A kan de ambtenaar geen verlof
                    meer verlenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Ambtenaar X neemt ontslag bij werkgever A en
                    aanvaardt een nieuw dienstverband bij werkgever B. Ambtenaar X gaat ook bij de
                    nieuwe werkgever deelnemen aan de levensloopregeling. Het levenslooptegoed van €
                    30.000 wordt nu geacht te zijn opgebouwd bij werkgever B. Werkgever B is
                    inhoudingsplichtig ten aanzien van dit levenslooptegoed en moet toetsen of het
                    totale levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens blijft. Het
                    levenslooptegoed kan blijven staan bij de eerder gekozen levensloopinstelling
                    waar het is opgebouwd.</al><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief> Ambtenaar X gaat naast zijn dienstverband met
                    werkgever B een tweede dienstverband aan met werkgever C. Ook bij deze werkgever
                    gaat de ambtenaar deelnemen aan de levensloopregeling. Omdat werkgever B al
                    inhoudingsplichtig is ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000 hoeft
                    werkgever C geen rekening te houden met dit levenslooptegoed. De ambtenaar hoeft
                    werkgever C ook niet te informeren over dit levenslooptegoed.</al><al><cursief>Voorbeeld 4</cursief> Ambtenaar X neemt deel aan zowel de
                    levensloopregeling van werkgever B als werkgever C. Zijn inkomen van werkgever B
                    bedraagt € 15.000, zijn inkomen bij werkgever C bedraagt € 20.000. Beide
                    werkgevers moeten ieder kalenderjaar toetsen of het maximum is bereikt om te
                    bepalen of de werknemer nog mag sparen in het betreffende kalenderjaar. Bij
                    werkgever B bedraagt het levenslooptegoed op 1 januari € 30.000. Dit is minder
                    dan 210% van het bruto jaarloon zijnde € 15.000. Daarom mag X in het aankomende
                    kalenderjaar nog 12% van € 15.000 sparen binnen de levensloopregeling bij
                    werkgever B. Bij werkgever C heeft de ambtenaar nog geen levenslooptegoed
                    opgebouwd. Bij werkgever C mag de ambtenaar daarom in het aankomende
                    kalenderjaar 12% van € 20.000 sparen binnen de levensloopregeling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Om een relatie met de levensloopinstelling te waarborgen dient de instelling na
                    afloop van elk kalenderjaar een overzicht van het levenslooptegoed van de
                    ambtenaar te verstrekken aan het college. De reden hiervoor is dat het college
                    moet toetsen of het levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens
                    blijft. De verklaring geldt niet voor levenslooptegoed waarvoor het college niet
                    inhoudingsplichtig is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de ambtenaar bij
                    meerdere werkgevers tegelijk deelneemt aan een levensloopregeling.</al><tussenkop>Artikel 6a:5 Inleg (T)</tussenkop><al>Ambtenaren mogen op grond van de wet maximaal 12% per jaar van hun brutoloon
                    sparen. Hierbij mag worden uitgegaan van het fiscale loon zoals vermeld op de
                    jaaropgave. Als de werknemer meerdere dienstverbanden naast elkaar heeft, geldt
                    het maximum per dienstverband. Het wettelijke maximum van 12% geldt niet voor de
                    ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd
                    van 56 jaar heeft bereikt.</al><al>De inleg wordt door het college gestort op de levenslooprekening dan wel
                    overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de
                    maand waarin de door de ambtenaar aangewezen bronnen zouden zijn
                    uitbetaald.</al><tussenkop>Artikel 6a:6 Bronnen (T)</tussenkop><al>Dit artikel somt de bronnen op die de ambtenaar kan inzetten. Ter beperking van
                    de uitvoeringslast zijn niet alle bestanddelen die onder het fiscale loon vallen
                    als bron aangewezen.Het opgebouwde verloftegoed van artikel 4.3 zoals dat luidde
                    voor 1 april 2006 kan alleen worden ingezet indien het college in samenspraak
                    met de ambtenaar tot het besluit is gekomen dat het verloftegoed wordt omgezet
                    in een geldbedrag.</al><tussenkop>Artikel 6a:7 Vervallen (T)</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit artikel regelt op welke wijze de ambtenaar zijn deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling kan beëindigen. Wil de ambtenaar na verloop van
                    tijd weer verder sparen dan moet hij dit opnieuw melden (zie artikel 6a:3 CAR).
                    De ambtenaar kan op grond van de wet slechts eenmaal per jaar een melden dat hij
                    wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikel geeft aan wanneer deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                    in ieder geval beëindigd wordt.</al><al>Op grond van artikel 8:2 CAR eindigt het dienstverband van de werknemer met
                    ingang van de dag dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling eindigt op de dag voordat zijn dienstverband
                    eindigt. Als de medewerker het levenslooptegoed nog niet heeft opgenomen voor
                    die datum, heeft hij twee keuzes. In de eerste plaats kan het levenslooptegoed
                    contant worden opgenomen door de medewerker onder inhouding van de verschuldigde
                    loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage (als loon uit een
                    vroeger dienstverband). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het tegoed te
                    besteden aan het verbeteren van het ouderdomspensioen, mits hiervoor nog fiscale
                    ruimte is.</al><al>De hoogte van de uitkering bij overlijden, hangt af van de voorwaarden die de
                    instelling hanteert waarbij het levenslooptegoed is ondergebracht.</al><tussenkop>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed (T)</tussenkop><al>Als het levenslooptegoed wordt opgenomen voor andere reden dan voor een periode
                    van verlof dan is melding 3 maanden vooraf niet nodig. De gemeente wordt in die
                    situatie namelijk niet geconfronteerd met onverwachte kosten of onverwachte
                    afwezigheid. Bij opname van levenslooptegoed zijn de bepaling in de Wet op de
                    Loonbelasting 1964 en de Wet Inkomstenbelasting van toepassing.</al><al>Indien de ambtenaar het levenslooptegoed wil inzetten voor verlof moet het
                    college op verzoek van de ambtenaar het levenslooptegoed (periodiek) uitkeren
                    aan de ambtenaar gedurende een periode van verlof. Op de uitkering bij verlof
                    wordt de eventueel verschuldigde loonheffing, inkomensafhankelijke bijdrage,
                    pensioenpremies en eventuele andere inhoudingen ingehouden. De ambtenaar meldt
                    het college drie maanden voor de gewenste ingangsdatum dat hij over (een deel
                    van) zijn levenslooptegoed wil beschikken. Deze termijn sluit aan bij de termijn
                    die geldt voor de aanvraag van onbetaald verlof (artikel 6:9, vijfde lid CAR).
                    De aanvraag voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om
                    onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts
                    tot uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof
                    wordt toegekend. De instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht maakt
                    het tegoed alleen over naar het college voor zover het college en de ambtenaar
                    samen daarvoor toestemming hebben verleend. Aan de hoeveelheid levenslooptegoed
                    die een werknemer per maand kan opnemen is een limiet gesteld. Het opgenomen
                    bedrag mag niet meer zijn dan het loon dat de werknemer direct voorafgaand aan
                    de verlofperiode per maand ontving. Dus: een werknemer die in juli € 1.000
                    verdiende, mag in augustus niet meer dan € 1.000 aan levenslooptegoed opnemen
                    voor de financiering van 1 maand onbetaald verlof. Er moet daarbij ook rekening
                    worden gehouden met een eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Krijgt
                    deze werknemer tijdens het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mag hij nog
                    maar € 500 van zijn levenslooptegoed opnemen. Het laatstgenoten loon is het
                    reguliere loon dat voorafgaand aan de verlofperiode van de werkgever werd
                    ontvangen. Hierbij mag rekening gehouden worden met inmiddels opgetreden
                    algemene salarisstijgingen. Bij de toetsing of niet meer wordt opgenomen dat het
                    laatstgenoten loon hoeft op grond van de wet geen rekening te worden gehouden
                    met genoten loon van een andere inhoudingsplichtige. De opname van het
                    levenslooptegoed kan niet worden aangemerkt als salaris. Daarom behoort de
                    opname van het levenslooptegoed niet tot de grondslag voor de berekening van de
                    vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR.
                    Ook behoort de opname niet tot de grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat de
                    uitkering niet kan worden aangemerkt als salaris zoals gedefinieerd in artikel
                    1:1 lid 1.</al><al>Voor de opname van het levenslooptegoed voor andere bestedingsdoelen zijn geen
                    verdere bepalingen nodig. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk om het
                    levenslooptegoed binnen de fiscale mogelijkheden in te zetten voor de opbouw van
                    extra pensioen.</al><tussenkop>Artikel 6a:10 Slotbepaling (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaren die vallen onder hoofdstuk
                    9 en 9b. Voor zover hier van belang, wordt hoofdstuk 9 (Uitkering functioneel
                    leeftijdsontslag) tot 1 juli 2006 nog toegepast op de ambtenaar die op grond van
                    artikel 9:11 buitengewoon verlof wordt verleend, dan wel FLO-ontslag wordt
                    verleend. Omdat voor deze ambtenaren in het kader van het overgangsrecht
                    personeel in bezwarende functies afwijkende afspraken zijn gemaakt, hebben zij
                    geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.Hoofdstuk 9b (overgangsrecht) is
                    van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="-"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een beroepsbrandweerkorps of bij
                            een ambulancedienst; en</al></li><li nr="-"><al>op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor door het college
                            krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="-"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken een functie heeft vervuld, op grond
                            waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst><al>Voor deze ambtenaren is een afwijkende levensloopbijdrage afgesproken. Zij
                    hebben dus geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De ambtenaar die onder paragraaf 5 van hoofdstuk 9b valt (dat is de ambtenaar
                    die op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor een leeftijdsgrens was
                    bepaald, maar die feitelijk niet bezwarend was), valt wel onder hoofdstuk
                    6a.</al><tussenkop>Artikel 7:1 Definities (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Sub a</al><al>De definitie van passende arbeid komt overeen met de definitie die sinds de
                    invoering van de Wet Verbetering Poortwachter in artikel 658a van boek 7, titel
                    10, van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen. In zijn algemeenheid dient de vraag
                    wat passende arbeid is in elk concreet geval aan de hand van de omstandigheden
                    te worden beantwoord. Als leidraad geldt dat het bij passende arbeid moet gaan
                    om arbeid die in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op
                    onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de gezondheidstoestand, de afstand
                    tot het werk, het salarisniveau en hetgeen waartoe de ambtenaar nog in staat is.
                    Hierbij geldt dat naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, een bredere
                    oriëntatie ten aanzien van de te verrichten arbeid mag worden verwacht. Naarmate
                    de duur van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de
                    ambtenaar worden verlangd dat hij concessies doet met betrekking tot de door hem
                    te verrichten werkzaamheden, als reïntegratie in de eigen functie niet tot de
                    mogelijkheden behoort. Dit leidt ertoe dat arbeid die in eerste instantie niet
                    als passend moet worden aangemerkt, op een later moment -door wijziging van de
                    omstandigheden- wel als passend kan worden aangemerkt.</al><al>Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met aanpassingen,
                    of een andere organisatie van het werk, naar verwachting nog zal kunnen worden
                    verricht. Als dat het geval is, dan ligt het in de rede dat werkgever en
                    ambtenaar hun inspanningen daarop richten. Dit sluit niet uit dat de ambtenaar
                    tijdelijk ander werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit niet
                    belemmerend is voor het herstelproces en voor zover dit werk ook overigens in
                    redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op onder meer diens
                    arbeidsverleden en werkervaring. Behoort terugkeer naar de eigen werkplek niet
                    meer tot de reële mogelijkheden, is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet
                    in eerste instantie zo dicht mogelijk worden aangesloten bij de laatst
                    overeengekomen functie. Als (binnen een redelijke termijn) dergelijke arbeid
                    noch bij de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de
                    ambtenaar worden verlangd, dat hij zich wat betreft door hem te aanvaarden
                    arbeid ruimer opstelt. In de jurisprudentie is dit betreffende het begrip
                    passende arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.</al><al>De vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in eerste instantie
                    ter beoordeling van de werkgever, die de eigen bedrijfsarts kan raadplegen om te
                    kunnen beoordelen wat (gegeven de gezondheidssituatie) van een ambtenaar mag
                    worden gevraagd. Als de werkgever twijfelt over de vraag of de arbeid die hij
                    voornemens is aan te bieden wel als passend kan worden aangemerkt, kan hij
                    daarover ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI, een oordeel
                    vragen aan het UWV, als onafhankelijke deskundige. Ook de ambtenaar heeft deze
                    mogelijkheid. Voor de rechtsbescherming van de werknemer is relevant dat wanneer
                    de werkgever besluit op grond van artikel 7:14, tweede lid, onder b, het salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n) niet uit te betalen, deze alsnog aan de
                    ambtenaar moet worden uitbetaald als de ambtenaar op grond van de second opinion
                    ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI in het gelijk wordt
                    gesteld. Het begrip passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de
                    werkgever - als de ambtenaar ziek is - te zoeken naar passende arbeid (artikel
                    7:9). Daarnaast is de ambtenaar verplicht passende arbeid te aanvaarden, wanneer
                    deze wordt aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de
                    weigering van een ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te sanctioneren.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Sub b</al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte werkzaamheden verricht met oog op terugkeer
                    in zijn eigen of passende arbeid, heeft over die uren ingevolge artikel 7:3,
                    zesde lid, onder c, recht op 100% doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n). Deze werkzaamheden kunnen lager bezoldigd zijn dan de eigen
                    arbeid. Over de invulling van deze werkzaamheden maakt de werkgever heldere
                    afspraken met de ambtenaar. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake
                    deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. Bij het maken
                    van de afspraken tussen de werkgever en ambtenaar kan worden gedacht aan het
                    aantal uren dat een ambtenaar op bepaalde dagen moet gaan werken, wat de
                    aanvangs- en vertrektijden zijn, welke taken de ambtenaar moet gaan uitvoeren en
                    wie zijn werkzaamheden aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in het plan van
                    aanpak bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer deze worden
                    aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering
                    van een ambtenaar werkzaamheden in het kader van de reïntegratie te aanvaarden
                    te sanctioneren.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Sub c</al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte scholing volgt met het oog op terugkeer in
                    zijn eigen of passende arbeid, heeft ingevolge artikel 7:3, zesde lid, onder d,
                    over deze uren recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n). Gedacht kan worden aan scholing die het mogelijk
                    maakt dat de ambtenaar op een andere wijze zijn eigen functie weer volledig kan
                    verrichten. Ook kan scholing worden gezocht die de ambtenaar in staat stelt een
                    passende functie uit te kunnen oefenen. Over de specifieke scholing moeten de
                    ambtenaar en de werkgever afspraken maken. De werkgever laat zich bijstaan door
                    een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. De
                    afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9. De
                    ambtenaar verplicht de scholing te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden
                    (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering van een
                    ambtenaar scholing in het kader van de reïntegratie te aanvaarden te
                    sanctioneren.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt eraan herinnerd dat artikel 7:24a,
                    7:25, 7:25a en 7:25b niet van toepassing zijn op de ambtenaar met een
                    arbeidsovereenkomst en dat hoofdstuk 7 niet van toepassing is op de ambtenaar
                    die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                    praktische opleiding of vorming.</al><tussenkop>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 7:2 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp
                    bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek nader regelen. Dat
                    betekent dat voor UWO-gemeenten de bedrijfsgeneeskundige begeleiding in de
                    artikelen 7:2:1 tot en met 7:2:7 inhoudelijk volledig is uitgewerkt.
                    UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan deze
                    UWO-artikelen toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                    vaststellen ter uitvoering van de UWO-artikelen voor zover noodzakelijk. Voor
                    alle gemeenten is in artikel 7:12 het geneeskundig onderzoek nader
                    uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst (T)</tussenkop><al>Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de gemeente verplicht om zich bij de
                    begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te
                    verrichten te laten bijstaan door een deskundige die gecertificeerd is op het
                    terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde of een arbo-dienst. Dit houdt
                    onder andere in dat de gemeente bij de uitvoering van de
                    reïntegratieverplichtingen ingevolge de WIA de bovengenoemde deskundige of de
                    arbo-dienst na 6 weken van ziekte moet vragen om een probleemanalyse en een
                    advies, die de basis vormen van het plan van aanpak, dat na 8 weken ziekte
                    opgesteld moet zijn.</al><tussenkop>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek (T)</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid de ambtenaar te onderwerpen aan een
                    geneeskundig onderzoek. Deze bevoegdheid kan van belang zijn wanneer
                    bijvoorbeeld het gedrag van een ambtenaar op de werkplek aanleiding vormt voor
                    de werkgever zich af te vragen of betrokkene een goede gezondheid geniet. Het
                    kan voor de werkgever ook van belang zijn te weten of de ongeschiktheid voor een
                    functie een medische oorzaak heeft. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:12 is de
                    ambtenaar verplicht zich aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen, in artikel
                    7:13:2 is de sanctie neergelegd indien de ambtenaar weigert zich te onderwerpen
                    aan een dergelijk onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 7:2:7 heeft betrekking op subsidies die de gemeente kan aanvragen,
                    bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    De brochure 'Slim omgaan met subsidies voor arbeidsgehandicapten' van het A+O
                    fonds geeft hierover uitgebreide informatie.</al><tussenkop>Artikel 7:3 Recht op salaris (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Inleiding</vet> Voor een omschrijving van het begrip ziekte wordt
                    aangesloten bij de jurisprudentie zoals die door de Centrale Raad van Beroep is
                    gevormd op basis van artikel 19 van de Ziektewet. Voor een recht op ziekengeld
                    moet een verzekerde ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid wegens
                    ziekte. Onder het begrip 'ongeschiktheid tot werken' verstaat de Centrale Raad
                    het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen
                    verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Vervolgens hanteert de Centrale
                    Raad een medisch ziektebegrip. Er moet, naar het oordeel van de Centrale Raad,
                    sprake zijn van een 'de gezondheidstoestand ongunstig beïnvloedend procesmatig
                    gebeuren'.</al><al><vet>Lid 1, 2, 3 en 4</vet></al><al>In het eerste tot en met het vierde lid wordt de hoofdlijn van het regime van de
                    hoogte van de loondoorbetaling tijdens ziekte weergegeven. Met ingang van de
                    eerste ziektedag wordt het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedurende
                    zes maanden volledig doorbetaald. Hierna heeft de ambtenaar gedurende de zevende
                    maand tot en met de twaalfde maand recht op 90% van zijn salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n). Na twaalf maanden van ziekte heeft de ambtenaar
                    recht op 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Na 24 maanden
                    van ziekte heeft de ambtenaar recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) tot het einde van zijn dienstverband.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als ziekte. De leden 1, 2, 3 en 4,
                    die de hoogte van de doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) bepalen, tijdens ziekte zijn hier niet van toepassing. In
                    artikel 6:7 is geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar tijdens haar zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof recht heeft op de doorbetaling van haar volledige salaris en
                    de toegekende salaristoelage(n). Dit geldt ook als de ambtenaar ziek is tijdens
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                    heeft met andere woorden voorrang boven de financiële aanspraken die gelden
                    tijdens ziekte.</al><al>Op grond van artikel 29a van de Ziektewet heeft de medewerkster recht op
                    ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon over de perioden van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof en daarna.</al><al>Op grond van de Ambtenarenwet is de loondoorbetalingsverplichting bij een zieke
                    ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, korter. Tot 2018 is
                    deze termijn 13 weken waarna ontslag kan volgen. Wordt de ambtenaar niet
                    ontslagen, dan loopt de loondoorbetalingsperiode ook langer door. In 2018 wordt
                    de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geëvalueerd en wordt de
                    loondoorbetalingstermijn mogelijk verkort.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al> De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en scholing in
                    het kader van de reïntegratie zijn opgenomen in artikel 7:1, eerste lid,
                    onderdelen a, b en c. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Wanneer de ziekte is veroorzaakt door een dienstongeval blijft aanspraak bestaan
                    op het gehele salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De ambtenaar die gedurende het tweede ziektejaar en daarna voor ten minste 50%
                    van zijn arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid of werkzaamheden in het kader
                    van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt als genoemd in het zesde lid,
                    heeft recht op een bonus van 5%, berekend over het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) waarop hij recht heeft ingevolge dit artikel. Deze bonus geeft
                    naast de betaling van 100% over de gewerkte uren en uren van scholing in het
                    kader van de reïntegratie een extra reïntegratiestimulans voor de ambtenaar. Een
                    ambtenaar heeft in het eerste ziektejaar geen recht op de bonus.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt (CRvB 25 februari 2005,
                    vindplaats: LJN AS9294, 02/3044 AW) dat uit het recht op gelijke behandeling
                    tussen mannen en vrouwen voortvloeit dat de periode vanaf het begin van de
                    zwangerschap tot aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof waarin de
                    zwangerschap gepaard gaat met stoornissen en complicaties niet meegeteld mag
                    worden voor de berekening van de termijn als bedoeld in het eerste tot en met
                    het vierde lid. Indien dat wel het geval zou zijn, zou de medewerkster die
                    zwangerschapsgerelateerd ziek is, eerder geconfronteerd worden met een verlaging
                    van haar beloning. Deze verlaging kan alleen vrouwen treffen en is daarom
                    strijdig met het gelijke behandelingsrecht. In het tiende lid is daarom geregeld
                    dat de periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte de termijnen als bedoeld
                    in het eerste tot en met het vierde lid opschort. Dit houdt in dat het langer
                    duurt voordat de beloning van betrokkene op een lager niveau gesteld wordt.</al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al><vet><cursief>Voorbeeld</cursief></vet> Een medewerkster is met ingang van 1
                    februari 2006 ziek vanwege een hernia. Zij wordt hersteld verklaard op 1 mei
                    2006 (zij is dan 3 maanden ziek). Op 15 mei 2006 valt zij uit wegens
                    zwangerschapsklachten (minder dan 4 weken van herstel) en herstelt hiervan met
                    ingang van 15 juni 2006 (1 maand ziek). Met ingang van 1 juli 2006 valt zij voor
                    4 maanden uit wegens een hernia (minder dan 4 weken van herstel). Als gevolg van
                    de samentelregeling uit het elfde lid, worden ziekteperioden samengeteld als er
                    minder dan 4 weken van herstel tussen ligt. Ingevolge lid 2 zou de medewerkster
                    dan met ingang van 1 september 2006 (dan zijn in totaal - de korte periodes van
                    herstel niet meegerekend - 6 maanden van ziekte verstreken), recht hebben op 90%
                    van haar salaris en de toegekende salaristoelage(n). De periode van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de periode van de hoogte van de
                    loondoorbetaling echter op. De medewerkster is 1 maand zwangerschapsgerelateerd
                    ziek geweest. Als gevolg hiervan wordt haar beloning met ingang van 1 oktober
                    2006 naar 90% bijgesteld.</al><al>Let wel, het tiende lid ziet alleen op een opschorting van de periode bedoeld in
                    het eerste tot en met het vierde lid. Als een medewerker 7 maanden ziek is en na
                    3 weken herstel zwangerschapsgerelateerd ziek wordt, dan heeft zij op grond van
                    het tweede lid van dit artikel recht op 90% doorbetaling van haar salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) tijdens de zwangerschapsgerelateerde ziekte. De
                    periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de berekening van de
                    periode waarover de hoogte van de loondoorbetaling wordt bepaald, op. Ingevolge
                    artikel 29a van de Ziektewet heeft de vrouwelijke ambtenaar over de periode van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte recht op ziekengeld ter hoogte van 100% van
                    haar dagloon. In artikel 7:19 is de samenloop van beloning tijdens ziekte met
                    het ziekengeld geregeld.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>Volgens het elfde lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als ziekte. Dit heeft tot gevolg dat
                    ziekteperioden die onderbroken worden door het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof in principe niet mogen worden samengeteld aangezien er door het
                    verlof een onderbreking van vier weken of meer plaatsvindt tussen de
                    ziekteperioden. Indien de ziekte echter direct voorafgaat aan en direct aansluit
                    op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte moet redelijkerwijs
                    worden geacht voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, worden deze perioden
                    samengeteld.</al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag. Dit betekent dat het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) op 15 juli 2006 (dit is zes maanden + 2 weken na 1 januari
                    2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op 15 januari 2007 wordt het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) vervolgens teruggebracht naar 75 % en per 15
                    januari 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer
                    ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 26 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen
                    van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) op 26 oktober 2006 (dit is 6 maanden na 26 april 2006) wordt
                    teruggebracht naar 90%. Op 26 april 2007 wordt deze vervolgens teruggebracht
                    naar 75% en per 26 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 19 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van 4 weken of meer. Daardoor geldt 19 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de beloning begint te
                    lopen. Dit betekent dat op 19 januari 2007 (dit is 6 maanden na 20 juli 2006)
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt teruggebracht tot 90%. Op
                    19 juli 2007 wordt deze vervolgens teruggebracht naar 75% en per 19 juli 2008
                    naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot en met 20
                    augustus 2006. Op 21 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij
                    is op dat moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    terugbrengen van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) op 21 oktober 2006 (dit is 6 maanden + 16 weken na
                    1 januari 2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op 21 april 2007 wordt deze
                    vervolgens teruggebracht naar 75% en per 21 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 21 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het
                    terugbrengen van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat op 21 februari
                    2007 (dit is 6 maanden na 21 augustus 2006) het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) wordt teruggebracht tot 90%. Op 21 augustus 2007 wordt deze
                    vervolgens teruggebracht naar 75% en per 21 augustus 2008 naar 70%.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>Indien de ambtenaar na 24 maanden van ziekte definitief wordt herplaatst in een
                    andere functie door middel van een wijziging van de aanstelling (artikel 7:16,
                    tweede lid), ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de aanstelling een
                    nieuwe situatie. Als de ambtenaar weer ziek wordt in deze aanstelling beginnen
                    de termijnen van dit artikel opnieuw te lopen.</al><al><vet>Lid 13</vet></al><al>Het dertiende lid geeft de basis voor artikelen die het onderwerp recht op
                    salarisbetaling nader regelen. In de artikelen 7:8 tot en met 7:8:3 is hieraan
                    uitdrukking gegeven. Ook de artikelen 7:13:1, 7:13:2, 7:14 en 7:15:1 bevatten
                    bepalingen met betrekking tot het niet uitbetalen van en het tussentijds
                    stopzetten van de salarisbetaling.</al><al><vet>Lid 14</vet></al><al>Het college kan in bepaalde gevallen van oordeel zijn dat een korting op het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet redelijk is en besluiten tot
                    doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). Deze
                    afweging wordt in ieder geval gemaakt als er sprake is van een zodanige
                    gezondheidssituatie dat het levenseinde van de ambtenaar, volgens objectieve
                    medische maatstaven, nabij is. Voordat het college een besluit neemt, kan advies
                    worden gevraagd aan de bedrijfsarts of de gezondheidssituatie van de ambtenaar
                    levensbedreigend is en of zijn leven op korte termijn ernstig gevaar loopt.</al><tussenkop>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de
                    arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in een
                    dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is aan betrokkene. De WGA- of
                    IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP, wordt aangevuld tot een bepaald
                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), genoten in het
                    jaar voorafgaand aan het ontslag. De percentages zijn afhankelijk van de mate
                    van arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen (T)</tussenkop><al>Volgens dit artikel dient het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de
                    vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                    overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning in een
                    lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Het ligt voor de hand om dit in het
                    lokale beloningsbeleid te regelen.</al><tussenkop>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging (T)</tussenkop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient volgens dit
                    artikel in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Gelet op de aard van
                    het onderwerp ligt het voor de hand om dit in het lokale beloningsbeleid te
                    doen.</al><tussenkop>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                    artikel 2:7a (T)</tussenkop><al>Als een ambtenaar met toepassing van artikel 2:7a tijdelijk (maximaal) 40 uur
                    werkt kan hij verplicht worden tot aanvaarding van een functie voor (maximaal)
                    40 uur, voor zover en zolang artikel 2:7a op hem van toepassing is. Na afloop
                    van deze periode kan de ambtenaar verplicht worden een functie te accepteren
                    voor de formele arbeidsduur van 36 uur.</al><tussenkop>Artikel 7:9 Verplichtingen college (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> Onder het treffen van maatregelen moeten ook het verrichten van werkzaamheden
                    in het kader van de reïntegratie en het volgen van noodzakelijke scholing in het
                    kader van de reïntegratie, bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onder b en c,
                    worden begrepen. Doel van deze maatregelen is terugkeer in de eigen arbeid dan
                    wel plaatsing in een passende functie.</al><al>Op grond van de Wet verbetering poortwachter is in artikel 7:9 voor de werkgever
                    de verplichting opgenomen om er, zover als mogelijk, voor te zorgen dat de
                    ambtenaar bij de eigen organisatie arbeid kan verrichten (eerste spoor). Als bij
                    de eigen organisatie geen passende arbeid te vinden is, moet de werkgever
                    (laten) zoeken naar passende arbeid bij een andere werkgever (tweede spoor). De
                    tekst van artikel 7:9 komt overeen met de tekst van artikel 658a van boek 7,
                    titel 10 van het Burgerlijk Wetboek. Het is mogelijk dat de werkgever en de
                    werknemer van mening verschillen over de aanwezigheid van passende arbeid.
                    Artikel 30, eerste lid, onder f, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    werk en inkomen bepaalt dat de werknemer of de werkgever UWV kan verzoeken een
                    onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven over de aanwezigheid van
                    passende arbeid, die de zieke werknemer voor de werkgever in staat is te
                    verrichten.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> In de WIA zijn, naast de aanspraken van de werknemers, ook verplichtingen voor
                    werkgever en werknemer opgenomen. Een van de verplichtingen betreft het
                    opstellen van een plan van aanpak, dat opgesteld moet worden op het moment dat
                    sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim. Dit plan van aanpak moet volgen
                    op een probleemanalyse en advies van de arbo-dienst, dat na 6 weken ziekte moet
                    worden opgesteld. Binnen twee weken daarna moet het plan van aanpak zijn
                    opgesteld. Hierin moet worden opgenomen welke maatregelen in het kader van het
                    herstel van de ambtenaar getroffen worden.</al><al>Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen scholing moeten
                    worden neergelegd in het plan van aanpak. De werkgever laat zich bij het maken
                    van de afspraken bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de
                    bedrijfsarts of door de arbo-dienst.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In de CAO 2002-2003 is de verplichting opgenomen dat de werkgever een
                    verzuimprotocol vaststelt. In diezelfde CAO zijn enkele verplichte elementen van
                    dat verzuimprotocol vastgesteld. In de ledenbrief van 26 november 2002, Lbr.
                    02/167 is een handreiking gedaan voor een verzuimprotocol. De verplichte
                    elementen maken daar onderdeel van uit.</al><tussenkop>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte
                    (T)</tussenkop><al>Het niet naleven van artikel 7:10 kan leiden tot staking van de salarisbetaling.
                    Dit is bepaald in artikel 7:13:2, eerste lid, onder i.</al><tussenkop>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In artikel 7:11 zijn de algemene verplichtingen opgenomen die, ook in het derde
                    ziektejaar, in het kader van ziekteverzuim en reïntegratie voor de ambtenaar
                    gelden. Op overtreding van deze verplichtingen staat een sanctie. Deze sancties
                    zijn opgenomen in artikel 7:14 (inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n)) en artikel 8:5a (ontslag is in nader gespecificeerde
                    situaties ook mogelijk binnen 24 maanden na ziekte).</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In het kader van de Wet verbetering poortwachter is in het eerste lid,
                    onderdeel a en b, voor de werknemer de verplichting opgenomen medewerking te
                    verlenen aan zijn reïntegratie. Dit artikel is opgenomen in de CAR om hiermee
                    uitdrukking te geven aan de nieuwe en strengere regelgeving in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie en de invoering van de Wet verbetering
                    poortwachter, die op 1 april 2002 in werking is getreden. De tekst van het
                    eerste lid komt overeen met artikel 660a, boek 7, titel 10, van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al>Het eerste lid is ook de tegenhanger van de verplichtingen die in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie aan de werkgever worden opgelegd (zie
                    artikel 7:9). Het artikel verplicht de ambtenaar actief mee te werken aan het
                    reïntegratieproces, zowel in het eerste begin van de ziekte als lopende het
                    reïntegratietraject. Onder de maatregelen waaraan de ambtenaar gevolg moet geven
                    moeten onder andere werkzaamheden en scholing in het kader van de reïntegratie
                    worden verstaan (zie artikel 7:9, tweede lid). </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar is verplicht om aangeboden passende arbeid te aanvaarden. De
                    sanctie op het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van deze arbeid is
                    neergelegd in artikel 7:14 (inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n)) en artikel 8:5a (ontslag binnen dan wel na 24 maanden na de
                    eerste ziektedag bij het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van passende
                    arbeid).</al><al>Artikel 30, eerste lid, onder f, SUWI bepaalt dat werkgever of werknemer UWV kan
                    verzoeken een onderzoek in te stellen naar dan wel een oordeel te geven over de
                    aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de werkgever in
                    staat is te verrichten.</al><tussenkop>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek (T)</tussenkop><al>De ambtenaar dient mee te werken aan een medisch onderzoek door of vanwege de
                    bedrijfsgezondheidsdienst om bepaalde in het eerste lid omschreven vragen te
                    kunnen beantwoorden. De geneeskundige die het medisch onderzoek verricht, deelt
                    de uitkomst daarvan schriftelijk mee aan betrokkene en aan het college. Op
                    overtreding van deze verplichting staat een sanctie, evenals wanneer het
                    onderzoek wel heeft plaatsgevonden, maar daaruit blijkt van verwijtbaar gedrag
                    van de ambtenaar. De sancties zijn opgenomen in artikel 7:13:1 en 7:13:2.</al><tussenkop>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling (T)</tussenkop><al>Artikel 7:13:1 bepaalt in welke gevallen geen recht bestaat op doorbetaling van
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en op opbouw van het IKB. Het
                    gaat hierbij om situaties waarin al vrij snel na de eerste ziektedag bekend is
                    dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                            opzettelijk heeft veroorzaakt en dit gedrag betrokkene verwijtbaar
                            is;</al></li><li nr="-"><al>de ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de geneeskundige keuring,
                            waarbij blijkt dat de ambtenaar willens en wetens onjuiste informatie
                            omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt, zodanig dat de
                            verklaring dat tegen de vervulling van zijn functiegeen medische
                            bezwaren bestaan, niet afgegeven zou zijn.</al></li></lijst><al>De in dit artikel beschreven situaties zijn geen situaties die hersteld kunnen
                    worden. Als de situatie zoals beschreven zich voordoet, bestaat er vanaf de
                    eerste dag van ziekte geen recht op salarisbetaling.</al><tussenkop>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling (T)</tussenkop><al>Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op overtreding van de
                    verplichtingen als genoemd in artikel 7:10, 7:11 en 7:12, alsmede de conclusies
                    die uit het onderzoek als bedoeld in artikel 7:12 getrokken kunnen worden. De in
                    deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat
                    artikel 7:13:2 en 7:14 ook tussentijds kunnen worden toegepast. Wanneer de
                    situatie weer hersteld is, wordt de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB weer gestart. </al><al>Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn opgelegd in
                    artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van
                    artikel 7:11 aan de ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde informatie te
                    verstrekken. De andere sancties van artikel 7:13:2 betreffen gedrag van de
                    ambtenaar, waarbij de arbo-dienst een rol speelt in de beoordeling van dat
                    gedrag.</al><al>De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de betaling
                    van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB
                    worden gestaakt wanneer bijvoorbeeld de ambtenaar nalaat zich onder
                    geneeskundige behandeling te stellen of zich niet houdt aan voorschriften van
                    behandelende geneeskundigen.</al><al>Als de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke
                    toestand, vindt doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    en de opbouw van het IKB wel plaats. De gemeente moet zich voor het besluit om
                    de salarisbetaling te staken dus vergewissen van de geestestoestand van de
                    ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De in dit artikel beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat
                    artikel 7:14 ook tussentijds kan worden toegepast. Wanneer de situatie weer
                    hersteld is, wordt de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB weer gestart.</al><al>Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de
                    ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>UWO-gemeenten worden verwezen naar artikel 7:13:2 en de toelichting daarop.</al><al>Artikel 7:14 sanctioneert de ambtenaar die zich niet houdt aan de volgende
                    verplichtingen, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet naleven van het ziekteverzuimprotocol;</al></li><li nr="-"><al>het niet naleven van de voorschriften en maatregelen (zoals het
                            verrichten van werkzaamheden en scholing in het kader van de
                            reïntegratie als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onderdelen b en c)
                            die door het college gesteld kunnen worden;</al></li><li nr="-"><al>het niet meewerken aan het plan van aanpak en</al></li><li nr="-"><al>het weigeren van passende arbeid.</al></li></lijst><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de CAO 2002-2003 is overeengekomen dat overtreding van de regels uit het
                    verzuimprotocol uiteindelijk kan leiden tot zware disciplinaire maatregelen. Dit
                    is uitgewerkt in de zin dat overtreding van de regels uit het verzuimprotocol
                    als plichtsverzuim wordt aangemerkt en via de procedure van hoofdstuk 16
                    gesanctioneerd kan worden. De op te leggen sanctie moet overeenkomen met de
                    ernst van de gedraging. Ook de verwijtbaarheid van de gedragingen maakt deel uit
                    van de afwegingen, die leiden tot de keuze voor de sanctie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar die zonder deugdelijke grond weigert zich te houden aan de
                    voorschriften en maatregelen, die door de gemeente zijn gesteld, weigert
                    passende arbeid te verrichten of die weigert medewerking te verlenen aan de
                    totstandkoming, evaluatie en — eventueel — bijstelling van het plan van aanpak,
                    kan bestraft worden met inhouding van op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n). Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid van bestraffing met
                    ontslag na 24 maanden dan wel binnen 24 maanden na de eerste ziektedag (artikel
                    8:5a).</al><al>De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de opstelling,
                    evaluatie en - eventueel - bijstelling van het plan van aanpak en de sanctie op
                    het weigeren van passende of gangbare arbeid is gelijk aan de sanctie die sinds
                    de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter in artikel 629, boek 7,
                    titel 10, van het Burgerlijk wetboek is opgenomen.</al><al>De sancties op de overtredingen die in het tweede lid genoemd zijn, zijn
                    imperatief: de salarisbetaling wordt gestaakt wanneer de ambtenaar het
                    beschreven gedrag betoont.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als de ambtenaar, bedoeld in lid 2, geen verwijt gemaakt kan worden op grond van
                    zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wel plaats. De gemeente moet zich
                    voor het besluit om de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB te staken dus vergewissen van de
                    geestestoestand van de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid het op grond van artikel 7:13:1, 7:13:2 of
                    7:14 niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) aan anderen dan
                    aan de ambtenaar te betalen. Het kan hierbij gaan om betalingen die aan
                    familieleden worden gedaan. Ingevolge het tweede lid wordt het niet-uitbetaalde
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog uitbetaald wanneer de
                    ambtenaar na een door hem aangevraagde second opinion door het UWV in het gelijk
                    gesteld wordt.</al><tussenkop>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt dat de ambtenaar passende arbeid moet
                    verrichten. Gedurende de eerste 24 maanden kan de ambtenaar niet definitief
                    worden herplaatst in deze passende arbeid. Na 24 maanden gebeurt dat wel.
                    Hieraan worden echter in de 12 maanden na afloop van de eerste 24 maanden
                    voorwaarden verbonden. Deze voorwaarde is voor de medewerker die minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt is, dat hij met de passende arbeid zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut. Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de
                    ambtenaar die 35% tot 80% arbeidsongeschikt is, is dat hij met de passende
                    arbeid 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit benut. Zie verder lid 3 en
                    4.</al><al>Voor definitieve herplaatsing na het derde ziektejaar gelden de voorwaarden van
                    lid 3 en 4 niet meer. De ambtenaar hoeft met de passende arbeid dan niet meer
                    zijn volledige restverdiencapaciteit te benutten (minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt) of 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit te benutten
                    (35% tot 80% arbeidsongeschikt).</al><al>Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1"><al>de situatie waarin de aanstelling in de oude functie gehandhaafd blijft,
                            maar waarbij de ambtenaar tijdelijk andere arbeid wordt opgedragen;</al></li><li nr="2"><al>de situatie waarin de aanstelling na 24 maanden van ziekte wordt
                            gewijzigd; de oude functie van de ambtenaar komt te vervallen en deze
                            krijgt een nieuwe aanstelling in passende arbeid.</al></li></lijst><al><vet> ad 1</vet> De situatie beschreven onder 1) zal zich vooral voordoen in die
                    gevallen waarbij:</al><lijst><li nr="a"><al>terugkeer in de oude functie nog mogelijk wordt geacht en de ambtenaar
                            bijvoorbeeld passende arbeid verricht,</al></li><li nr="b"><al>(volledige) terugkeer in de oude functie niet mogelijk wordt geacht en
                            de ambtenaar tijdelijk een andere functie vervult, bijvoorbeeld bij
                            wijze van proef voorafgaand aan een definitieve herplaatsing.</al></li></lijst><al>Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid, ook zonder
                    aanpassing van de aanstelling, aan de ambtenaar wordt opgedragen, wordt voor de
                    ambtenaar en de werkgever inzichtelijk wat van de ambtenaar verlangd wordt. Ook
                    is het mogelijk dat de ambtenaar terugkeert in de functie waarin hij ziek is
                    geworden. Over de uren dat de ambtenaar deze werkzaamheden verricht, heeft hij
                    recht op de doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    (artikel 7:3, zesde lid, onderdeel b). </al><al><vet>ad 2</vet>Voordat de medewerker aanspraak kan maken op een uitkering
                    ingevolge de WIA, geldt voor hem een wachttijd van 104 weken (de wachttijd voor
                    een WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Indien het mogelijk zou zijn de zieke
                    medewerker definitief te herplaatsen binnen twee jaar in een passende functie,
                    zou de situatie ontstaan dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen recht heeft op
                    een uitkering op grond van de WIA. De betrokken medewerker is voor zijn nieuwe
                    functie namelijk niet ziek. Dit is de reden geweest dat een wijziging van de
                    aanstelling pas plaatsvindt nadat er twee jaren van ziekte zijn verstreken.</al><al> In het derde en vierde lid van artikel 7:16 zijn aanvullende voorwaarden
                    opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat de ambtenaar in het derde ziektejaar
                    definitief wordt herplaatst via een wijziging van zijn aanstelling. Er zijn twee
                    voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:</al><lijst><li nr="1"><al>de herplaatsing moet plaatsvinden in een passende functie</al></li><li nr="2"><al>waarbij rekening moet worden gehouden met het restverdiencapaciteit van
                            de ambtenaar die afhankelijk is van de mate van
                            arbeidsgeschiktheid:</al><lijst><li nr="a"><al>volledige invulling restverdiencapaciteit bij 35% of minder
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr="b"><al>ten minste 50% invulling restverdiencapaciteit bij
                                    arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li></lijst></li></lijst><al>De definitieve herplaatsing kan eventueel vooraf worden gegaan door een
                    herplaatsing bij wijze van proef. Een belangrijk verschil met de situatie onder
                    1) is dat bij een definitieve herplaatsing door middel van een wijziging in de
                    aanstelling het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar
                    wordt aangepast aan het niveau en de omvang van het nieuwe dienstverband. Dit is
                    mogelijk op grond van artikel 3:5 lid 3.</al><al>Indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie door
                    middel van een wijziging van de aanstelling, ontstaat op de ingangsdatum van de
                    wijziging van de aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar ziek wordt in
                    deze functie beginnen de termijnen ingevolge artikel 7:3 opnieuw te lopen.
                    Indien de ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor de doorbetaling van het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) altijd uitgegaan van het salaris die
                    geldt voor die nieuwe functie.</al><al>Naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag een bredere oriëntatie ten
                    aanzien van de te verrichten passende arbeid worden verwacht. Naarmate de duur
                    van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar
                    worden verlangd dat deze concessies doet met betrekking tot door hem te
                    verrichten passende arbeid als reïntegratie in de eigen arbeid niet tot de
                    mogelijkheden behoort.</al><al>Artikel 7:14 biedt de mogelijkheid om de betaling van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB te staken, wanneer de
                    ambtenaar zonder deugdelijke grond de aangeboden passende arbeid weigert. Bij de
                    beoordeling van de 'deugdelijkheid' van de weigeringsgrond zal worden meegewogen
                    of de arbeid wel voldoet aan het criterium 'passend'. De ultieme sanctie op het
                    zonder deugdelijke reden weigeren van passende arbeid is ontslag. Dit kan binnen
                    24 maanden, maar ook in de periode van 12 maanden daarna plaatsvinden. Artikel
                    8:5a biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1
                    juli 2007. Lid 3 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval
                    er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. In het derde
                    ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee de volledige
                    restverdiencapaciteit wordt ingevuld. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan,
                    ontvangt de ambtenaar een hogere uitkering (zie paragraaf 7 van hoofdstuk
                    10d).</al><al>In beginsel is sprake van een ontslagverbod binnen 36 maanden na de eerste
                    ziektedag. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de gemeente een functie
                    gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit, mag de medewerker
                    definitief herplaatst worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag.
                    Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden
                    als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente een passende functie gevonden
                    is voor de volledige restverdiencapaciteit.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1
                    juli 2007. Lid 4 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval
                    er sprake is van arbeidsongeschiktheid 35% of meer, maar minder dan 80%. In het
                    derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee ten
                    minste 50% van de restverdiencapaciteit vervuld wordt. De uitkeringsrechten van
                    de ambtenaar op grond van de WIA en het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen zijn
                    in dit geval groter, dan wanneer de ambtenaar een functie aanvaardt voor minder
                    dan 50% van zijn restverdiencapaciteit. Als de ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt is, is het niet mogelijk hem wegens arbeidsongeschiktheid te
                    ontslaan voordat er 36 maanden zijn verstreken. Wanneer echter in het derde
                    ziektejaar binnen de gemeente een functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst worden. Er is dan
                    formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van
                    de medewerker mag plaatsvinden als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente
                    een passende functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit.</al><al><vet>Situationele arbeidsongeschiktheid</vet>In het geval de ambtenaar
                    situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel geen sprake zijn van
                    verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van de WIA. Als de ambtenaar arbeid
                    wordt aangeboden, die gelijk of nagenoeg gelijk is aan de functie die hij
                    bekleedde, zij het bij een ander organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze
                    arbeid in principe niet mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de situatie
                    waarin de ambtenaar zijn werk moest verrichten, is dan immers weggenomen.
                    Weigert de ambtenaar deze arbeid wel, dan kan besloten worden tot toepassing van
                    artikel 7:14 en kan de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) gestaakt worden.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al> Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de termijn
                    van 24 respectievelijk 12 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de termijn van 24 dan wel 12 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de termijn
                    van 24 dan wel 12 maanden, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn
                    door de zwangerschap of de bevalling. De termijn van 24 dan wel 12 maanden start
                    in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Volgens het zevende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zesde lid vloeit voort
                    dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 en 12
                    maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken
                    door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Zie de toelichting op artikel 8:5 voor enkele voorbeelden. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd in de volgende gevallen.</al><al><cursief>Ad a </cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op
                    uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te
                    melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de
                    wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering
                    gaat dan pas later in.</al><al><cursief>Ad b</cursief>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                    wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan
                    worden.</al><al><cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de
                    verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                    ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                    negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging
                    van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                    artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Onder de informatie die de medewerker moet verstrekken valt onder meer een kopie
                    van het arbeidskundige rapport. De gemeente ontvangt als belanghebbende een
                    kopie van de WIA-beschikking, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid en het
                    resterend verdienvermogen genoemd worden.</al><tussenkop>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid (T)</tussenkop><al>Artikel 7:18 geeft de basis aan voor UWO-artikelen, die het in mindering brengen
                    van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de
                    reïntegratie op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), nader regelen.
                    Dat betekent dat voor UWO-gemeenten het in mindering brengen van inkomsten uit
                    passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op het salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n), inhoudelijk in artikel 7:18:1 volledig is
                    uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan dit
                    UWO-artikel toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                    vaststellen ter uitvoering van een UWO-artikelen voor zover noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit ander dienstverband (T)</tussenkop><al>Als de zieke ambtenaar in het belang van zijn genezing, reïntegratie of
                    herplaatsing werkzaamheden verricht voor zichzelf of voor derden (bijvoorbeeld
                    bij een andere werkgever), moeten de verkregen inkomsten in mindering gebracht
                    worden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waarop hij ingevolge
                    artikel 7:3 aanspraak op heeft. Deze verrekening vindt als volgt plaats. In
                    overleg met de ambtenaar wordt vastgesteld hoeveel uren hij besteedt aan de
                    betreffende werkzaamheden. Op basis hiervan wordt de hoogte van de
                    loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3, vastgesteld. De inkomsten die de
                    ambtenaar verwerft, worden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) in
                    mindering gebracht.</al><tussenkop>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De Ziektewet bepaalt wanneer recht op ziekengeld bestaat. De hoofdregel is dat
                    er geen recht op ziekengeld bestaat wanneer er aanspraak gemaakt kan worden op
                    een loondoorbetaling. Hierin voorziet artikel 7:3 CAR. In de ZW wordt evenwel
                    een uitzondering gemaakt voor de volgende categorieën werknemers in actieve
                    dienst:</al><lijst><li nr="-"><al>vrouwelijke ambtenaren die op basis van artikel 29a ZW recht op een
                            uitkering hebben;</al></li><li nr="-"><al>medewerkers die wegens orgaandonatie ongeschikt zijn hun functie te
                            vervullen;</al></li><li nr="-"><al>arbeidsgehandicapten in de zin van de Wet REA, die in de eerste vijf
                            jaren na aanvang van het dienstverband ongeschikt worden hun functie te
                            vervullen.</al></li></lijst><al>Deze categorieën actieve werknemers krijgen dus wel recht op een ziekengeld
                    krachtens de Ziektewet. Artikel 7:19 CAR bepaalt dat de ZW-uitkering in
                    mindering gebracht wordt op het salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                    waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft rond de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof recht op een uitkering krachtens artikel 29A ZW indien:</al><lijst><li nr="a"><al>zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo (dus voor de ingang van
                            het zwangerschapsverlof) ongeschikt wordt tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap;</al></li><li nr="b"><al>zij in de periode waarin zij recht had kunnen hebben op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo, doch die uitkering nog
                            niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van
                            haar arbeid. Dit betreft de periode tussen de zes en vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum. Indien de ingang van het
                            zwangerschapsverlof bepaald is op bijvoorbeeld vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum en zes weken voor de vermoedelijke
                            bevallingsdatum wordt de vrouwelijke ambtenaar ziek (ongeacht of deze
                            ziekte te maken heeft met de zwangerschap), dan gaat het verlof op basis
                            van de Wazo in vanaf die zes weken. Tijdens de periode van zes tot vier
                            weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar recht op een ZW-uitkering. Daarna heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar gedurende veertien weken recht op een Wazo-uitkering;</al></li><li nr="c"><al>zij nadat het recht op een uitkering op grond van artikel 3:7, eerste
                            lid, van de Wazo is geëindigd (dus na de afloop van het
                            bevallingsverlof), aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de
                            daaraan voorafgaande zwangerschap.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen ZW-uitkering wordt
                    verstrekt, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste lid
                    gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige ZW uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht in geval van arbeidsgehandicapten en orgaandonoren en 100 % van het
                    dagloon in geval van vrouwelijke ambtenaren die op basis van 29a ZW recht op een
                    uitkering hebben.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wanneer de ZW-uitkering door schuld of toedoen van de ambtenaar vermindering
                    ondergaat, geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt of aan de ambtenaar een boete
                    wordt opgelegd, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste
                    lid gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht. Sancties en boetes die in het kader van de ZW aan de ambtenaar worden
                    opgelegd, leiden niet tot aanpassing van de vermindering. Sancties en boetes in
                    het kader van de ZW worden dus niet gecompenseerd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Om verrekening van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) met de
                    ZW-uitkering praktisch mogelijk te maken, moet de ambtenaar de ZW-uitkering
                    cederen aan de gemeentelijke werkgever.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De medewerker die zwangerschapsgerelateerde ziek is, heeft ingevolge de
                    Ziektewet recht op een uitkering. De uitkering is gecedeerd aan de werkgever
                    ingevolge het vierde lid. Als het bedrag van de uitkering hoger ligt dan het
                    bedrag waar de ambtenaar recht op heeft op grond van artikel 7:3, wordt het
                    meerdere uitbetaald aan de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering (T)</tussenkop><al>Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én 6 maanden na de eerste
                    ziektedag verstreken zijn, kan het zijn dat de Werkloosheidswet (WW) op grond
                    van urenverlies én verlies van loon recht geeft recht op een uitkering. Wanneer
                    dat het geval is, heeft de ambtenaar het recht een WW-uitkering aan te vragen.
                    Indien hij een WW-uitkering aanvraagt, wordt deze uitkering in mindering
                    gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), waarop de betrokken
                    ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een
                    medewerker dubbele inkomsten ontvangt. Om de werknemer niet te veel te belasten
                    wordt deze op grond van de CAR/UWO niet verplicht een WW-uitkering aan te
                    vragen. Het is echter wel mogelijk dat deze verplichting uit de WW voortvloeit.
                    Eventuele kortingen op de WW-uitkering worden echter niet in mindering gebracht
                    op de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><tussenkop>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In artikel 76a van de Ziektewet is bepaald dat de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA in drie gevallen kan worden verlengd en wel:</al><lijst><li nr="a"><al>met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte, bedoeld
                            in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op grond van dat
                            artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b"><al>met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op
                            salarisbetaling op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA;</al></li><li nr="c"><al>met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                            lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al><vet><cursief>ad a</cursief></vet> Artikel 38 ZW legt een werkgever de
                    verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft
                    geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat
                    doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De
                    WIA-uitkering gaat dan pas later in.</al><al><vet><cursief>ad b</cursief></vet> In artikel 24, eerste lid, van de WIA is
                    bepaald dat de WIA-wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk
                    verlengd kan worden.</al><al><vet><cursief>ad c</cursief></vet> Bij de aanvraag van een WIA-uitkering moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende welke de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. Dit komt neer
                    op een verlenging van de WIA-wachttijd. De termijn van de verlenging is maximaal
                    52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze
                    sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>Als om de drie hiervoor genoemde redenen de uitkering op grond van de WIA pas op
                    een later tijdstip ingaat dan na 104 weken ziekte, kan op het door te betalen
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) na 104 weken ziekte geen WGA- of IV
                    A-uitkering in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de werkgever
                    feitelijk na 104 weken ziekte een zwaardere financiële last draagt. In het geval
                    genoemd onder b hiervoor is sprake van een bewuste keuze. Deze keuze kan voor
                    werkgever én werknemer gunstig zijn als reïntegratie aanstaande is. De werknemer
                    krijgt dan niet te maken met een uitkering op grond van de WIA; de werkgever
                    heeft als voordeel dat de Pemba-premie niet verhoogd wordt als gevolg van het
                    feit dat een medewerker een uitkering op grond van de WIA heeft. In de gevallen
                    a en c hiervoor kan dit worden beschouwd als een sanctie voor de werkgever voor
                    het niet naleven van de reïntegratieverplichtingen.</al><al>De medewerker merkt financieel dus niets van de verlenging van de wachttijd op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering in
                    mindering wordt gebracht op de doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht op de
                    salarisbetaling indien deze kan worden toegerekend aan één en dezelfde functie.
                    In het geval de betrokkene ondertussen definitief is herplaatst in een andere
                    functie door middel van een wijziging van de aanstelling wordt de WGA-uitkering,
                    voor zover die voortvloeit uit die oude functie, niet in mindering gebracht op
                    de salarisbetaling tijdens ziekte.</al><al>Iemand die recht heeft op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering in verband met
                    volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, krijgt een uitkering ter
                    hoogte van 75% van zijn laatste loon. Wanneer dit hoger is dan de het salaris en
                    de toegekende salaristoelage(n), waarop op grond van artikel 7:3 recht bestaat,
                    heeft de ambtenaar ten minste recht op het bedrag van de IVA- of WGA-uitkering.
                    Dit is het geval na 24 maanden arbeidsongeschiktheid , waarna recht op
                    doorbetaling van 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) bestaat.
                    Niet altijd zal er sprake van zijn dat de salarisbetaling lager is dan de IVA-
                    of WGA-uitkering bij volledige maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid. Hiervan
                    is geen sprake iemand eerder voor een IVA-uitkering in aanmerking komt (verkorte
                    wachttijd op grond van artikel 23, zesde lid, WIA). Deze eerdere ingang van de
                    IVA-uitkering is al mogelijk vanaf 13 weken na de eerste ziektedag. Op dat
                    moment (na 13 weken) is er zelfs nog sprake van 100% loondoorbetaling. Op dat
                    moment vindt dus wel volledige verrekening van de uitkering met de
                    loondoorbetaling plaats.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is van een
                    zieke ambtenaar die meer dan één functies heeft. Indien betrokkene voor beide
                    functies arbeidsongeschikt wordt, zal slechts één uitkering op grond van de WIA
                    worden toegekend die betrekking heeft op beide banen. Op de doorbetaling van één
                    van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel van de uitkering
                    ingevolge de WIA in mindering moeten brengen dat verband houdt met de
                    arbeidsongeschiktheid uit die functie. Dit dient naar rato te worden
                    bepaald.</al><al><vet>Lid 3 t/m 5</vet></al><al>In het derde tot en met vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop van een
                    uitkering op grond van de WIA en doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) tijdens ziekte wordt uitgegaan van een WGA- of een
                    IVA-uitkering, als sprake is van gedrag dat verwijtbaar is aan betrokkene.
                    Hiermee wordt voorkomen dat de ontstane meerlasten kunnen worden afgewenteld op
                    de werkgever die immers een hoger bedrag aan salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) dient door te betalen ingeval de WGA- of IVA-uitkering niet of
                    niet volledig tot uitbetaling komt en dit betrokkene te verwijten is. Omdat dit
                    gevolg ongewenst is, geven genoemde leden de werkgever de mogelijkheid in
                    dergelijke gevallen toch een korting op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) toe te passen.</al><tussenkop>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement (T)</tussenkop><al>Indien betrokkene recht heeft op een aanvulling op de WIA-uitkering op grond van
                    het pensioenreglement van het ABP, wordt deze aanvulling verrekend met de
                    loondoorbetaling op grond van artikel 7:3.</al><tussenkop>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten (T)</tussenkop><al>De VNG heeft een contract met CZ, IZA en Menzis voor de periode van 1 januari
                    2017 tot 1 januari 2020, dat optioneel één keer met één jaar verlengd kan
                    worden. Het contract is een exclusief collectief zorgverzekeringscontract voor
                    gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven. De definitie van postactieven en
                    inactieven staat in artikel 7:1, eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 7:26 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van sommige lopende gevallen (op 31 december 2000 én 1 januari 2001
                    ziek) is bepaald dat de ZW met terugwerkende kracht ingaat. Dit geldt voor
                    ambtenaren wier vastgestelde zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt na 31
                    januari 2001 en de zieken die op 15 februari 2001 nog ziek zijn (ziekte in
                    verband met zwangerschap en/of bevalling daaronder begrepen). Hierbij is voorts
                    bepaald dat als een ziekte eindigt en binnen vier weken weer herleeft, dit als
                    een nieuw ziektegeval wordt beschouwd.</al><al>Wanneer de ZW niet van toepassing wordt of de ZW niet tot uitkering komt, moet
                    gegarandeerd worden dat de op 1 januari 2001 lopende uitkering blijft bestaan en
                    dat de bepalingen van hoofdstuk 7, zoals dat gold op 31 december 2001, blijven
                    gelden. Met het eerste lid van artikel 7:26 wordt dit gerealiseerd.</al><al>Bij sommige lopende gevallen die met terugwerkende kracht onder de ZW vallen,
                    komt de ZW ook daadwerkelijk tot uitbetaling. De uitkeringen op grond van
                    hoofdstuk 7 (van voor 1 januari 2001) zijn dan onverschuldigd betaald. Lid 2 van
                    artikel 7:26 voorziet in een terugbetaling daarvan.</al><tussenkop>Artikel 7:27 Garantie-uitkering (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Door de invoering van de WW kan de ambtenaar die verminderd
                    arbeidsongeschikt raakt en geen aanvullende werkzaamheden krijgt aangeboden - en
                    derhalve werkloos wordt - in tegenstelling tot de situatie voor 1 januari 2001
                    aanspraak maken op een WW-uitkering. Derhalve is de garantie-uitkering overbodig
                    geworden voor nieuwe gevallen die optreden na 1 januari 2001. Door wijziging van
                    het eerste lid blijven de bestaande garantie-uitkeringen gegarandeerd. De
                    algemene opmerkingen en de voorbeelden die hierna zijn opgenomen gelden voor de
                    uitkeringen, die voor 1 januari 2001 zijn ingegaan.</al><al>Dit artikel biedt een inkomensvoorziening voor de gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte ambtenaar die na definitief herplaatst te zijn in een nieuwe
                    functie wordt afgeschat en zijn toegenomen restverdiencapaciteit niet volledig
                    kan benutten, omdat hem geen aanvullende werkzaamheden worden aangeboden.</al><al>Definitieve herplaatsing van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte dient op grond
                    van artikel 7:16, lid 1, onder c plaats te vinden door middel van een wijziging
                    van de aanstelling. Herplaatsing gaat met andere woorden niet gepaard met
                    ontslag, maar slechts met een wijzigingsbesluit. Niet alleen artikel 7:16 sluit
                    ontslag uit, maar ook artikel 8:5, dat expliciet bepaalt dat
                    arbeidsongeschiktheidsontslag alleen dan kan plaats vinden, indien het niet
                    mogelijk is om de betrokkene te herplaatsen in passende/gangbare arbeid. Omdat
                    geen ontslag plaatsvindt, heeft de betrokkene ook geen recht op een uitkering
                    gebaseerd op die oorspronkelijke betrekking, een suppletie-uitkering, waar
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaren die niet herplaatst kunnen worden wel
                    recht op hebben. Dit gemis aan uitkering kan in de situatie dat een gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte wordt afgeschat, maar hem geen aanvullende arbeid kan worden
                    aangeboden (en waardoor de betrokkene in feite gedeeltelijk werkloos raakt),
                    vervelende inkomensgevolgen hebben, waardoor de betrokkene in een slechtere
                    situatie zou kunnen komen dan de ambtenaar die niet herplaatst wordt en
                    suppletie krijgt. De garantie-uitkering biedt een inkomensvoorziening in deze
                    gevallen van werkloosheid en zorgt er voor dat een ambtenaar die mee werkt aan
                    reïntegratie een vergelijkbare inkomenssituatie kent als iemand die niet kan
                    worden herplaatst.</al><al>Bij afschatting van de arbeidsongeschiktheidsklasse en dus verlaging van de
                    WAO-uitkering kan een WW-uitkering aangevraagd worden.</al><al><cursief>Situatieschets</cursief>Een ambtenaar met een salaris inclusief
                    salaristoelage(n) van € 2.500,- wordt op 1 januari 1998 ziek. Op 1 januari 1999
                    wordt hem een WAO-uitkering toegekend gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van 45 tot 55%. Na 14 maanden, op 1 maart 1999,
                    wordt hij definitief herplaatst in een functie waarin hij zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut. Hetsalaris en de toegekende salaristoelage(n) in de
                    nieuwe functie bedraagt € 1.250,-. Omdat hij zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut, heeft hij tevens recht op herplaatsingstoelage
                    (HPT). Het totale inkomen van de ambtenaar ziet er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>salaris incl. salaristoelage(n) uit nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 875,-</al></entry><entry colname="col3"><al>(35% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 375,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De ambtenaar wordt op 1 januari 2000 afgeschat, zijn
                    arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 15 tot 25%. De werkgever
                    is niet in staat om de ambtenaar aanvullende werkzaamheden te bieden, waardoor
                    de ambtenaar zijn toegenomen restverdiencapaciteit kan benutten. Hierdoor krijgt
                    de ambtenaar niet alleen te maken met een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar wordt hij ook geconfronteerd met het
                    verlies van zijn herplaatsingstoelage. Zonder garantie-uitkering ziet het totale
                    inkomen van de ambtenaar er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>salaris incl. salaristoelagen uit nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 350,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(14% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.600,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 7:27 bepaalt dat er in deze gevallen recht bestaat op een
                    garantie-uitkering waardoor de inkomensgevolgen veel beperkter blijven. Op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP vindt over deze garantie-uitkering
                    volledige pensioenopbouw plaats.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op grond van artikel 7:27, lid 1, heeft de ambtenaar die wordt afgeschat, nadat
                    hij is herplaatst op grond van artikel 7:6, lid 2, onder c, zoals dat luidde
                    voor 1 januari 2003, recht op een garantie-uitkering indien hem geen aanvullende
                    arbeid wordt aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                    toegenomen restverdiencapaciteit volledig te benutten en daardoor zijn
                    herplaatsingstoelage verliest.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Lid 2 bepaalt de termijn en de hoogte van de uitkering. Bij de bepaling van de
                    termijn en de fasering in de percentages wordt uitgegaan van de begindatum van
                    de ziekte in de oorspronkelijke functie. Verder is de hoogte van de
                    garantie-uitkering gebaseerd op het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    in de oorspronkelijke functie. Toegepast op de bovenstaande situatieschets zou
                    de betrokkene met ingang van 1 januari 2000 recht krijgt op een
                    garantie-uitkering, tot uiterlijk 7,5 jaar na aanvang ziekte in de
                    oorspronkelijke functie (1 januari 1998), dus tot uiterlijk 1 juli 2005. De
                    hoogte bedraagt € 2.000,- (80% van de oorspronkelijke salarisbetaling van €
                    2.500,-) in de periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002. In de periode 1
                    oktober 2002 tot 1 juli 2005 bedraagt de uitkering € 1.750,- (70% van
                    €2.500,-).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Lid 3 bepaalt dat op de garantie-uitkering het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) uit de functie waarin de ambtenaar is herplaatst, de
                    WAO-uitkering, het invaliditeitspensioen en de herplaatsingstoelage in mindering
                    worden gebracht. Ook nieuwe inkomsten verworven op of na de datum dat de
                    ambtenaar is afgeschat worden op de garantie-uitkering in mindering gebracht.
                    Toegepast op de bovenstaande situatie zou dat bijvoorbeeld betekenen dit het
                    volgende betekenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 1 Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="1" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="1" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="1" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 400,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350=400)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Periode 1 oktober 2002 tot 1 juli 2005</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="1" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="1" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="1" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 150,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(1750-1250-350=150)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.750,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    krijgt aangeboden ter waarde van € 300,- zou dit ter illustratie leiden tot de
                    volgende situatie (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt
                    weergegeven).</al><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="1" colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe functie</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="1" colname="col2"><al>€ 300,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="1" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 100,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350-300=100)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    zou zijn aangeboden ter waarde van € 750,- (en daardoor zijn volledige
                    restverdiencapaciteit weer kan benutten zou dit tot de volgende situatie leiden
                    (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="1" colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe functie</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="1" colname="col2"><al>€ 750,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="1" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="3" colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="3" colname="col2"><al>€ 150,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="3" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="4" colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="4" colname="col2"><al><onderstreept>€ 0,-</onderstreept></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="4" colname="col3"><al>(2500-1250-750-350-150=0)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Lid 4 bepaalt de sanctie indien de ambtenaar gangbare arbeid weigert, verloren
                    laat gaan of geen gebruik maakt van gelegenheden tot het verkrijgen daarvan. De
                    sanctie is gelijk aan de omvang van de inkomsten die de ambtenaar uit deze
                    gangbare arbeid had kunnen krijgen. Indien de werkgever de ambtenaar
                    bijvoorbeeld arbeid aanbiedt ter waarde van bijvoorbeeld € 500,- en de ambtenaar
                    weigert deze arbeid, dan wordt dit bedrag van € 500,- toch in mindering gebracht
                    op de garantie-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 7:28 Overgangsartikel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Het overgangsartikel heeft de volgende strekking. De artikelen gelden met ingang
                    van 1 januari 2006 en zijn van toepassing op de lopende ziektegevallen van op of
                    na 1 januari 2004. Dit betekent niet dat de artikelen terugwerken tot 1 januari
                    2004. Er wordt door middel van dit artikel een onderverdeling gemaakt in twee
                    groepen van ziektegevallen. De groep van wie de ziekte ligt voor 1 januari 2004,
                    hiervoor gelden de bepalingen genoemd in artikel 7:28 zoals die golden op 31
                    december 2005. De groep van wie de eerste ziektedag lag op of na 1 januari 2004
                    valt met ingang van 1 januari 2006 onder de huidige bepalingen.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> De WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van de
                    verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op een
                    uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De leden 3 en 4 voorzien in een overgangsbepaling voor deze groep
                    medewerkers. De belangrijkste hiervan zijn de bepaling die ziet op definitieve
                    herplaatsing in passende of gangbare arbeid voordat 2 jaar van ziekte is
                    verstreken en de bepalingen die zien op verrekening van een WAO-uitkering met de
                    loondoorbetaling tijdens de periode van ziekte.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De hoogte van de loondoorbetaling als bedoeld in de leden een tot en met vier
                    van artikel 7:3 gelden vanaf 1 januari 2006 voor medewerkers die op of na 1
                    januari 2004 ziek zijn geworden. Voor de ambtenaar van wie de eerste ziektedag
                    lag voor 1 januari 2004, vangt een nieuwe ziekteperiode ingevolge artikel 7:3,
                    vierde lid (zoals dat artikel gold op 31 december) aan, als sprake is geweest
                    van een onderbreking in 2004 van 4 weken of langer. Er is sprake van een nieuwe
                    ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari 2004. Hetzelfde geldt voor de
                    zieke medewerker van voor 1 januari 2004, die in 2004 definitief is herplaatst
                    op grond van artikel 7:16, eerste lid, onder c (zoals dat artikel gold op 31
                    december 2005). Als de medewerker in de gewijzigde aanstelling opnieuw ziek
                    wordt, is sprake van een ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari
                    2004.</al><al>Dit betekent voor een medewerker van wie bijvoorbeeld de eerste ziektedag lag op
                    1 maart 2005, dat hij op 1 januari 2006 10 maanden ziek is. Op grond van artikel
                    7:3, tweede lid, heeft hij met ingang van 1 januari 2006 recht op doorbetaling
                    van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Met ingang van 1
                    maart 2006 is de ambtenaar 12 maanden ziek en heeft hij ingevolge artikel 7:3,
                    derde lid, recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Op doorlopende ziektegevallen van voor 1 januari 2004 blijven de percentages van
                    de loondoorbetaling gelden, die zijn opgenomen in artikel 7:3, zoals die
                    bepaling gold op 31 december 2005 (eerste 18 maanden 100%, daarna 80% van het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n)).</al><tussenkop>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Voor de strekking van dit overgangsartikel zij verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 7:28, eerste en tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 7:28a Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    een derde ziektejaar, zoals opgenomen is in artikel 7:16, derde en vierde
                    lid.</al><tussenkop>Artikel 7:28b Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 7:16, achtste lid,
                    onderdeel a van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste dag
                    nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de
                    werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met
                    de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De
                    periode waarna definitieve herplaatsing kan plaatsvinden, wordt met een gelijke
                    duur verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat de ambtenaar
                    geen ontslag kan nemen. Hem moet dat verleend worden. Behoudens andersluidend
                    voorschrift dient een verzoek om ontslag ingewilligd te worden. Het verzoek om
                    ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Indien een ambtenaar op
                    een dergelijk verzoek wenst terug te komen, en B. en W. hebben nog niet beslist,
                    dan kan de betrokken ambtenaar volstaan met de schriftelijke mededeling dat men
                    het desbetreffende verzoek als niet gedaan dient te beschouwen. Indien echter
                    B&amp;W reeds een ontslagbesluit hebben genomen, is het college niet verplicht
                    op dat besluit terug te komen. Het college heeft wel die bevoegdheid. Een en
                    ander kan afhankelijk zijn van bepaalde factoren zoals de stand van zaken in de
                    vacaturevoorziening en het tijdstip waarop de ambtenaar het verzoek intrekt. Het
                    belang van betrokkene dient zorgvuldig tegen dat van de organisatie afgewogen te
                    worden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een ambtenaar zélf een
                    verzoek om ontslag indient omdat strafontslag dreigt, hem dit ontslag eervol zou
                    moeten worden verleend.</al><tussenkop>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat de opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek tussen
                    één en drie maanden ligt. Deze open periode betekent dat de medewerker niet
                    koste wat kost vast mag houden aan één maand en de werkgever niet aan drie
                    maanden. Na overleg zal de ontslagdatum vastgesteld worden door de werkgever.
                    Hierbij moet zowel het belang van de medewerker als het belang van de gemeente
                    worden afgewogen. Overigens is de gemeente niet gehouden aan een opzegtermijn
                    per de eerste dag van de maand. Opzegging kan ook tegen andere dagen
                    plaatsvinden. Een werknemer die ondanks de vastgestelde opzegtermijn toch eerder
                    weg gaat, handelt opzettelijk in strijd met zijn verplichtingen zijn functie
                    nauwgezet te vervullen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het bepaalde in dit artikellid biedt de mogelijkheid om een ontslagverzoek
                    vooralsnog niet in te willigen wanneer een strafrechtelijke vervolging aanhangig
                    is of een disciplinaire straf wordt overwogen en het niet wenselijk is om deze
                    procedure te moeten staken omdat de ambtenaar inmiddels ontslag heeft
                    genomen.</al><tussenkop>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In bijzondere situaties kan het wenselijk zijn dat betrokkene na het bereiken
                    van de AOW-gerechtigde leeftijd doorwerkt. Als betrokkene hiermee instemt wordt
                    hem op een latere leeftijd eervol ontslag verleend. Een tweede mogelijkheid is
                    betrokkene na zijn ontslag een nieuwe aanstelling te verlenen op grond van
                    artikel 2:4.</al><al>In het eerste geval zal betrokkene ook langer pensioen opbouwen: er is dan ook
                    sprake van inhouding van pensioenpremie op zijn bezoldiging. In het tweede
                    geval, waarbij een nieuw dienstverband wordt aangegaan na de AOW-leeftijd, is er
                    geen sprake van verplichte pensioenopbouw en kan de ambtenaar kiezen om
                    vrijwillig de pensioenopbouw voort te zetten. Dit is geregeld in artikel 16.1
                    van het pensioenreglement.</al><al>In beide situaties is er sprake van een ander bruto-netto traject en
                    premieafdracht. Het aangaan van een nieuw dienstverband is voor zowel de
                    werkgever als de werknemer voordeliger in financieel opzicht. Wel heeft het niet
                    langer betalen van pensioenpremies natuurlijk gevolgen voor de pensioenopbouw.
                    Tijdens het nieuwe dienstverband wordt geen pensioen meer opgebouwd. In het
                    navolgende schema vindt u een overzicht met de gevolgen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Continuering dienstverband (art. 8:2 CAR)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuw dienstverband (art. 2:4 CAR, met toepassing 8:2 lid
                                        2)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ingangsdatum OP</al></entry><entry colname="col2"><al>Na afloop dienstverband, of eerder op verzoek van
                                        ambtenaar</al></entry><entry colname="col3"><al>Met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opbouw ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot einde dienstverband</al></entry><entry colname="col3"><al>Eventueel vrijwillig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie AAOP</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie voor de voorwaardelijke inkoop</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Pseudopremie WW</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie WIA</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Overigens is het voor het in laten gaan van het pensioen niet meer noodzakelijk
                    om ontslag te verlenen. De ambtenaar kan ervoor kiezen zijn ABP-pensioen vanaf
                    60 jaar in te laten gaan, zonder dat hier een ontslag tegenover staat. Het
                    ingaan van pensioen heeft geen verdere gevolgen voor bovenbeschreven situatie.
                    Pensioenuitbetaling en pensioenopbouw kan dus naast elkaar bestaan.</al><tussenkop>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op twee manieren kunnen mensen na de leeftijd van 65 jaar in dienst zijn van de
                    gemeente. De eerste mogelijkheid is dat iemand na de leeftijd van 65 jaar in
                    dienst treedt van de gemeente. Dit is mogelijk op grond van artikel 2:4. De
                    tweede mogelijkheid is dat iemand al in dienst is, maar dat zijn aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst door toepassing van artikel 8:2, derde lid, na het bereiken
                    van de leeftijd van 65 jaar is voortgezet. Bij dit soort aanstellingen is de
                    wens van een van de partijen voldoende om de aanstelling te beëindigen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In verband met de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geldt tot 2018 dat
                    de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt bij ziekte kan worden
                    ontslagen na 13 weken. In 2018 wordt de Wet werken na de AOW-gerechtigde
                    leeftijd geëvalueerd en wordt deze termijn mogelijk verkort. De termijn van 13
                    weken is in artikel 127ca van de Ambtenarenwet vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit lid worden drie ontslaggronden genoemd: wegens opheffing van de functie,
                    wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel dan wel wegens een
                    verminderde behoefte aan arbeidskrachten. De opgenomen zinsnede "of van andere
                    dienstonderdelen" impliceert dat ontslag in principe ook mogelijk is bij een
                    reorganisatie van een ander dienstonderdeel dan dat waar de ambtenaar werkzaam
                    is. Afgezien van de vraag of zulks niet in strijd is met de redelijkheid, zal
                    ontslag niet vaak mogelijk zijn. De reden voor het ontslag moet immers zijn de
                    overbodigheid en niet slechts het feit van de reorganisatie. Uit de
                    jurisprudentie komt naar voren dat aan het besluit tot opheffing van een functie
                    of tot reorganisatie zakelijke motieven ten grondslag dienen te liggen en niet
                    de wens voor een bepaalde ambtenaar een ontslaggrond te creëren. Indien niet
                    duidelijk is welk van de genoemde drie ontslaggronden in een voorkomend geval
                    gehanteerd moet worden, heeft men in principe de vrije keus, mits rekening is
                    gehouden met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Alvorens tot ontslag op grond van artikel 8:3 over te gaan moet, individuele
                    gevallen uitgezonderd, overeenstemming zijn bereikt over het sociaal statuut. Op
                    het moment dat het sociaal plan gereed is en duidelijk is dat de functie van
                    betrokkene na reorganisatie niet meer terugkomt, dan wel als duidelijk is dat de
                    betrokken medewerker niet meer terugkomt op zijn functie, kan betrokkene
                    boventallig worden verklaard. Van dit laatste is sprake als bijvoorbeeld van de
                    vijf beleidsmedewerkers er na de reorganisatie maar drie terugkeren. Op grond
                    van lokale regels wordt dan bepaald welke twee medewerkers niet kunnen
                    terugkeren. Als er geen sociaal plan is, kan het besluit tot boventalligheid
                    worden genomen, zodra duidelijk is dat de functie van de medewerker of de
                    functies van een kleine groep medewerkers worden opgeheven, als duidelijk is dat
                    de betrokken medewerker(s) niet meer terugkomt op zijn functie en als duidelijk
                    is dat er ook geen andere passende functie beschikbaar is. Ingeval hoofdstuk 10d
                    van toepassing is, vindt intern en extern een onderzoek plaats naar een andere
                    functie voor de medewerker. Dit onderzoek vindt dan plaats tijdens het van werk
                    naar werk-traject op grond van paragraaf 5 van hoofdstuk 10d. Na ontslag kan op
                    grond van hoofdstuk 10d recht bestaan op een aanvullende en na-wettelijke
                    uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het plan van afvloeiing moet op grond van artikel 12:2 met vakorganisaties
                    worden besproken en vooraf aan de betrokken ambtenaren bekend worden gemaakt.
                    Het maken van een dergelijk plan is reeds noodzakelijk wanneer het gaat om het
                    ontslag van meer dan één ambtenaar.</al><al>In het kader van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd wordt in artikel
                    127b van de Ambtenarenwet geregeld dat bij reorganisatieontslag als eerst
                    afscheid wordt genomen van de ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben
                    bereikt. Zijn er meer ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt,
                    dan wordt als eerste afscheid genomen van de ambtenaren met de kortste
                    diensttijd. Welke jaren meetellen als diensttijd is onderdeel van het
                    reorganisatieplan.</al><tussenkop>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Aan de ambtenaar die volledig ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 24 maanden heeft geduurd. Eerder kan ontslag op deze grond niet
                    plaatsvinden. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan binnen die termijn
                    wel worden verleend. Met deze termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de
                    situatie in de marktsector, waar ook een dergelijke ontslagbescherming geldt. </al><al>Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als de ambtenaar:</al><lijst><li nr="1"><al>Volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot 100%
                            arbeidsongeschikt) en recht heeft op een WGA-uitkering</al></li><li nr="2"><al>Volledig én duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot
                            100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Ontslagverlening wegens volledige arbeidsongeschiktheid is slechts mogelijk
                    wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:4, derde lid. Het
                    college betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA.
                    Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de
                    aanvraag van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering. De werkgever
                    kan vanaf dit moment zijn voornemen tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid
                    schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken. </al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep.</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                    beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de
                    arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als onderdeel
                    van de WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is
                    aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2.</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Het
                    ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze WIA-beschikking
                    verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens
                    onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze maatregel in zijn
                    ontslagbesluit.</al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    functie en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie voorhanden
                    is (zie lid 2).</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 24 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 24 maanden.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Volgens het negende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het achtste lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15
                    maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2008 (dit is 24 maanden + 2
                    weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt
                    27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2008 (dit is 24 maanden na 27
                    april 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 2008 (dit is 24 maanden na 20 juli 2006) kan worden
                    ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2006.
                    Op 22 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat
                    moment nog ziek.</al><al>Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag
                    begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24
                    maanden + 16 weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 22 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2008
                    (dit is 24 maanden na 22 augustus 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief>Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari
                    2006. Op 15 maart 2006 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren
                    tot 26 april 2006 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde
                    klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint
                    te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2008 (dit is 24
                    maanden +16 weken na 27 april 2006) kan worden ontslagen.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In lid 10 is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling van twee
                    jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA.</al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in de volgende gevallen.</al><lijst><li nr="a"><al>In artikel 24 lid 1 van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek
                            van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.</al></li><li nr="b"><al> Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                            reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                            werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen
                            of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de
                            termijn gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen.</al></li></lijst><al>De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld
                    van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in
                    artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn bezoldiging.</al><tussenkop>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Aan de ambtenaar die gedeeltelijk ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 36 maanden heeft geduurd. Eerder ontslag kan op deze grond slechts
                    plaatsvinden indien er een passende functie voorhanden is na 24 maanden ziekte
                    buiten de gemeentelijke dienst. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan
                    wel binnen de genoemde termijnen worden verleend.</al><al>De bepaling ’gedeeltelijk’ houdt in dat dit artikel de mogelijkheid van volledig
                    ontslag geeft voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn (minder
                    dan 80% arbeidsongeschikt). Deze mogelijkheid geldt dus ook voor de mensen die
                    minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. Let wel, dit artikel ziet op volledig
                    ontslag en niet op gedeeltelijk ontslag uit de functie. Indien er binnen de
                    gemeentelijke dienst na 24 maanden van ziekte een passende functie voorhanden
                    is, kan de ambtenaar onder de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 7:16,
                    derde en vierde lid, namelijk definitief worden herplaatst.</al><al>Ontslagverlening wegens gedeeltelijke ongeschiktheid is slechts mogelijk wanneer
                    voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:5, tweede lid. Het college
                    betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA. Deze
                    voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag
                    van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering.</al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep.</al><al>Tussen week 87 en 91 stellen de werkgever en de ambtenaar gezamenlijk in overleg
                    met de bedrijfsarts of de arbodienst het reïntegratieverslag op. Het door UWV
                    (als onderdeel van de WIA-beschikking) beoordeelde reïntegratieverslag is basis
                    voor de oordeel van de werkgever of het mogelijk is de ambtenaar binnen de
                    gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen (onderdeel b). In week 91
                    stuurt de ambtenaar het aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het
                    reïntegratieverslag. UWV beoordeelt eerst de reïntegratie-inspanningen van de
                    werkgever en de ambtenaar. Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever
                    onvoldoende zijn geweest wordt de ontslagtermijn verlengd (zie lid 9, onder
                    b).</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                    beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de
                    arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als onderdeel
                    van de WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is
                    aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2.</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA.
                    Medewerkers van wie het loonverlies minder dan 35% is, worden niet
                    arbeidsongeschikt bevonden. Dit is ook een WIA-beschikking. Het ontslagbesluit
                    moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze meest recente
                    WIA-beschikking verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV
                    ontvangen wegens onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze
                    maatregel in zijn ontslagbesluit.</al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    functie en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie voorhanden
                    is (zie lid 2).</al><al><cursief>Herplaatsing in het derde ziektejaar </cursief>In artikel 7:16 zijn
                    specifieke bepalingen opgenomen over herplaatsing in het derde ziektejaar.</al><al><vet>Lid 3, 4 en 5</vet></al><al> UWV beoordeelt tussen de 21e en 24e maand of de medewerker recht heeft op een
                    WIA-uitkering. De medewerker die 35% of meer arbeidsongeschikt wordt verklaard,
                    wordt vervolgens jaarlijks herkeurd. Deze herkeuring kan dus liggen binnen de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Daarom moet de werkgever ook de resultaten van de
                    herbeoordeling betrekken bij het uiteindelijke ontslagbesluit. De herkeuring kan
                    gevolgen hebben voor de inspanningen van werkgever en werknemer in de loop van
                    de 36 maanden. En dus ook voor de beoordeling of de ambtenaar binnen de gemeente
                    herplaatst kan worden. Verminderde arbeidsongeschiktheid leidt tot grotere
                    herplaatsingsmogelijkheden, terwijl verhoogde arbeidsongeschiktheid leidt tot
                    mindere herplaatsingsmogelijkheden.</al><al>Aan het einde van de toelichting op artikel 8:5, lid 3, 4 en 5, worden de
                    volgende zinnen toegevoegd: Wanneer sprake is van de situatie als bedoeld in het
                    tweede lid, en er dus 36 maanden van ziekte verstrijken zonder dat er een
                    mogelijkheid is om de ambtenaar te herplaatsen, wordt de ambtenaar 33 maanden na
                    ingang ziekte (dus 3 maanden voor de beoogde ontslagdatum bij ontslag na 36
                    maanden) op de hoogte gesteld van het feit dat de ontslagprocedure in gang is
                    gezet. Deze melding is dus niet aan de orde als de ambtenaar gedurende het derde
                    ziektejaar wordt herplaatst op grond van artikel 7:16, dan wel ontslagen wordt
                    op grond van het tiende lid van dit artikel. Dit laat overigens onverlet dat de
                    WIA-aanvraag wel in de 21e maand moet plaatsvinden.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 36 maanden.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 36 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Volgens het achtste lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zevende lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 36 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op
                    15 maart 2009 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2009 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2012 (dit is 36 maanden + 2
                    weken na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op
                    15 maart 2009 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2009 (na 6 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt
                    27 april 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2012 (dit is 36 maanden na 27
                    april 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008.
                    Op 15 maart 2008 herstelt zij. Op 29 maart 2008 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2008 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2008 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 20011 (dit is 36 maanden na 20 juli 2008) kan worden
                    ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2009.
                    Op 1 mei 2009 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus
                    2009. Op 22 augustus 2009 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat
                    moment nog ziek. </al><al>Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag
                    begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2012 (dit is 36
                    maanden + 16 weken na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 22 augustus 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2012
                    (dit is 36maanden na 22 augustus 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief> Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari
                    2008. Op 15 maart 2008 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren
                    tot 26 april 2008 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde
                    klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 27 april 2008 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint
                    te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2011 (dit is 36
                    maanden + 16 weken na 27 april 2008) kan worden ontslagen.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>In het negende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling
                    van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een
                    uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in drie gevallen.</al><al><vet>Ad a</vet>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op
                    de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    Deze verlenging schort eveneens de periode van 36 maanden op.</al><al><vet>Ad b </vet>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                    wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.
                    Deze verlenging schort de periode van 36 maanden op.</al><al><vet>Ad c</vet>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                    reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever
                    zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende
                    reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende de
                    werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de verlenging is
                    maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het
                    verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van
                    de WIA. </al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 36 maanden ziekte recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>Artikel 7:16 bepaalt dat definitieve herplaatsing pas na 24 maanden ziekte
                    mogelijk is. Voor de periode van 24 tot 36 maanden na de eerste ziektedag is
                    deze definitieve herplaatsing aan bepaalde voorwaarden verbonden. Definitieve
                    herplaatsing is slechts mogelijk indien:</al><lijst><li nr="-"><al>voor medewerkers die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt
                            zijn met de aangeboden arbeid ten minste 50% van de
                            restverdiencapaciteit wordt vervuld of</al></li><li nr="-"><al>voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn met de
                            aangeboden arbeid ten minste 100% van de restverdiencapaciteit wordt
                            vervuld.</al></li></lijst><al>Definitieve herplaatsing kan ook buiten de gemeentelijke dienst plaatsvinden.
                    Hiervoor is echter wel ontslag nodig. Het tiende lid van artikel 8:5 bepaalt dat
                    in dat geval ook ontslag na 24 maanden mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Concrete feiten en omstandigheden dienen te worden genoemd die de conclusie
                    wettigen dat de ambtenaar zodanige eigenschappen van karakter, geest of gemoed
                    vertoont (ongeschiktheid) dan wel een zodanig gebrek aan kennis, vaardigheden,
                    niveau heeft (onbekwaamheid) dat hij redelijkerwijs niet in zijn functie kan
                    worden gehandhaafd. Vage aanduidingen als "past niet in het team" zijn niet
                    voldoende. Voorts is niet slechts de eigenschap die een bepaald gedrag tot
                    gevolg heeft voldoende, maar dient er ook een relatie te zijn tussen dat gedrag
                    en de door de ambtenaar uit te oefenen functie.0verigens kan, ondanks gebleken
                    ongeschiktheid, naar het oordeel van de Centrale raad van beroep de
                    ontslagbevoegdheid beperking ondergaan wanneer het disfunctioneren van de
                    betrokken ambtenaar (mede) zijn oorzaak vindt in omstandigheden tot het ontstaan
                    en voortbestaan waaraan de gemeente zelf heeft bijgedragen. Tolereert men
                    bijvoorbeeld gedurende langere tijd bepaalde gedragingen zonder van afkeuring te
                    doen blijken, dan kan men niet van de een op de andere dag dat gedrag aangrijpen
                    voor een ongeschiktheidsontslag. Vanzelfsprekend dient de betrokken ambtenaar er
                    op te worden gewezen dat een dergelijk gedrag in de toekomst niet meer wordt
                    getolereerd. In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en
                    onbekwaamheid vaak moeilijk te maken en kan men een keuze vaak beter
                    vermijden.</al><al>Zoals reeds vermeld verwacht de administratieve rechter een dossier
                    (beoordelingen, gespreksverslagen, vastlegging van afspraken, verslagen, brieven
                    met klachten; alles wat als bewijs kan dienen). De ongeschiktheid mag haar
                    oorzaak niet vinden in of het gevolg zijn van ziekten of gebreken. Of dat al dan
                    niet het geval is, kan soms alleen maar worden vastgesteld via een voorafgaand
                    medisch onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek moet een gerede aanleiding zijn.
                    (Zie voor eventuele voorzieningen bij werkloosheid hoofdstuk 10d).</al><tussenkop>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al><vet>Onderdeel 1</vet>Deze bepaling vindt zelden toepassing. Het is moeilijk aan
                    te geven wanneer een vereiste alleen bij het aanvaarden van de functie geldt. De
                    geneeskundige verklaring, genoemd in artikel 2:3, en de verklaring omtrent
                    gedrag, artikel 2:2 het derde lid, zijn hier voorbeelden van. Een voorbeeld van
                    een blijvend vereiste is het bezit van de rijbevoegdheid voor een chauffeur. Het
                    is echter geen automatisme dat, als deze chauffeur tijdelijk zijn rijbevoegdheid
                    verliest, ontslag op grond van het bepaalde in dit artikel wordt gegeven.
                    Ontslag ken worden gegeven, getoetst kan dus worden of een ontslagbesluit in
                    redelijkheid kon worden genomen. In het geval betrokkene een vaste aanstelling
                    had, bestaat er na het ontslag aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk
                    11.</al><al><vet>Onderdeel 2</vet>Onder "zwagerschap" wordt hier "aanverwantschap" bedoeld
                    die door huwelijk ontstaat. Het woord "aangaan" duidt op een actieve
                    betrokkenheid; de ambtenaar die het huwelijk aangaat waardoor de verboden
                    aanverwantschap ontstaat, kan in aanmerking komen voor ontslag. Over deze
                    ontslaggrond is geen jurisprudentie bekend..</al><al><vet>Onderdeel 3</vet>Ook hierover zijn geen gevallen uit de praktijk bekend. In
                    het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                    aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11. </al><al><vet>Onderdeel 4</vet>Bedoeld wordt gijzeling. Ook deze ontslaggrond wordt in de
                    praktijk niet gebruikt.</al><al><vet>Onderdeel 5</vet>Ook een voorwaardelijke veroordeling tot vrijheidsstraf
                    valt in principe onder deze bepaling. Ontslag zal, vanwege de ernst, veelal op
                    zijn plaats zijn maar er mag geen sprake zijn van een automatisme. Het is geen
                    strafontslag. Er moet een zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden;
                    volgens de Centrale Raad van Beroep in dezelfde mate als bij besluiten tot
                    ontslag van ambtenaren in het algemeen. In een dergelijke afweging van belangen
                    moeten bijvoorbeeld naast de ernst van het begane misdrijf worden betrokken het
                    verband van dat misdrijf met het ambtenaar schap van betrokkene en met de aard
                    van zijn werkzaamheden, de wijze waarop hij in zijn functie heeft gefunctioneerd
                    en met name de vraag of, en zo ja welke, bezwaren zouden zijn verbonden aan
                    voortzetting van het dienstverband, hetzij in de oude functie, voor zover die na
                    het ondergaan van de straf nog bestaat, hetzij in een andere functie.</al><al><vet>Onderdeel 6</vet>Ontslag kan worden verleend als tijdens de medische
                    keuring onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel relevante gegevens zijn
                    verzwegen. Deze gegevens moeten relevant zijn in die zin dat betrokkene niet zou
                    zijn aangesteld als die gegevens volledig bekend zouden zijn geweest. Van een en
                    ander moet betrokkene redelijkerwijs een verwijt kunnen worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel wordt veelal gebruikt als er sprake is van een zodanig verschillende
                    persoonlijkheidsstructuur tussen twee mensen die gezien hun taak nauw met elkaar
                    moeten samenwerken, dat een vruchtbare samenwerking tussen hen niet mogelijk
                    blijkt, terwijl zij met een ander wel zouden kunnen samenwerken
                    (onverenigbaarheid van karakter of incompatibilité d'humeur). Het bestuursorgaan
                    is vrij in de keuze wie van beiden ontslagen dient te worden, als het ten minste
                    in redelijkheid van oordeel kan zijn dat het ontslag voor de gerezen
                    moeilijkheden een afdoende oplossing biedt en degene die niet ontslagen wordt
                    wel met een ander zal kunnen samenwerken.De raad kan ten aanzien van het te
                    voeren financiële beleid bij de uitoefening van de werkgeverstaak bij de
                    begroting aan het college een budgettaire ruimte toekennen om aan medewerkers
                    waarvan om bijzondere redenen de aanstelling wordt beëindigd een uitkering te
                    verstrekken. De raad kan daarover ook beleidsafspraken maken. Immers, ook in het
                    dualistisch stelsel is het vaststellen van een uitkering die afwijkt van de
                    normale aanspraken of een vaststellingsovereenkomst, een besluit waarop de raad
                    invloed zal moeten kunnen uitoefenen. Achteraf wordt bij de jaarrekening
                    gerapporteerd over de feitelijke consequenties daarvan.</al><al>Voorts geldt een actieve inlichtingenplicht van het college naar de raad. Het
                    college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen.</al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot ontslag en uitkering op grond van artikel 8:8.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente. In 'lichtere' gevallen, of indien een voorgenomen besluit past binnen
                    gemaakte beleidsafspraken, zal het college tot de afweging kunnen komen dat het
                    niet nodig is de raad te informeren. De concrete invulling van de
                    inlichtingenplicht zal dus variëren afhankelijk van de feitelijke
                    omstandigheden. Raad en college kunnen daarover zelf afspraken maken. Indien het
                    nodig zou kunnen zijn om de raad te informeren over het voorgenomen besluit,
                    dient dit tijdig kenbaar gemaakt te worden door middel van een voorbehoud.</al><tussenkop>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al>Een ambtenaar die een openbare functie bekleedt, maakt gebruik van de
                    non-activiteitsregeling. Op grond van dit artikel kan een ambtenaar, die na
                    afloop van de non-activiteit, ondanks de inspanningen van de werkgever om een
                    passende functie aan te bieden, niet terug kan keren naar een passende functie
                    binnen de gemeente, eervol worden ontslagen.</al><tussenkop>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                    urenuitbreiding (T)</tussenkop><al>Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke aanstelling
                    voor bepaalde tijd in de gaten houdt. Immers, als er niet tijdig onderkend wordt
                    dat de tijdelijke aanstelling moet eindigen en betrokkene blijft op de datum
                    waarop de tijdelijke aanstelling eindigt en daarna feitelijk zijn werk
                    verrichten, dan wordt hij geacht met ingang van die datum te zijn aangesteld
                    voor een gelijke periode. Na afloop van deze periode kan de aanstelling wederom
                    van rechtswege beëindigd worden. Uiteraard moeten hierbij de voorwaarden uit
                    artikel 2:4 wel in de gaten gehouden worden. Als een tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd zonder mededeling zo vaak verlengd wordt, dat de termijn van 24
                    maanden wordt overschreden, mag het ontslag niet meer plaatsvinden. Ditzelfde
                    geldt als voor de tijdelijke aanstelling voor de vierde maal verlengd wordt. Dit
                    is in het nieuwe vijfde lid van artikel 8:12 verwoord.</al><al> Ook is in artikel 8:12 opgenomen wanneer een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd kan worden beëindigd. Dit is het geval, wanneer de grond voor
                    het aangaan van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is komen te
                    vervallen.</al><al>Artikel 8:12 bevat ook de redenen en wijze van beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Wanneer er sprake is van een tijdelijke urenuitbreiding voor
                    bepaalde tijd, gelden gelijke regels als voor de tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd. Dit betekent dus ook dat overschrijding van de termijn, zonder
                    dat een nieuwe tijdelijke urenuitbreiding is afgesproken, leidt tot een nieuwe
                    urenuitbreiding met dezelfde duur als de eerste urenuitbreiding. Is er sprake
                    van een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd, dan gelden de regels
                    voor beëindiging van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Door deze
                    bepalingen is tevens bepaald dat het ook aangaan van een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd kan plaatsvinden. Bij een
                    urenuitbreiding voor bepaalde tijd hoeft geen reden te worden genoemd;
                    verstrijken van de termijn is reden voor beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Bij een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd moet wel een grond
                    worden aangegeven, aangezien het vervallen van die reden tegelijkertijd de reden
                    van beëindiging is.</al><al> Tot slot geldt dat ook bij een urenuitbreiding de termijnen van artikel 2:4 in
                    de gaten moeten worden gehouden. Wordt een termijn van 24 maanden overschreden
                    of wordt voor de vierde maal een tijdelijke urenuitbreiding aangegaan, dan geldt
                    deze urenuitbreiding als een vaste aanstelling.</al><al>Voor de aanspraak op een eventuele aanvullende uitkering: zie hoofdstuk
                    10a.</al><tussenkop>Artikel 8:12:1 Tijdelijk ontslag en tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding (T)</tussenkop><al>In artikel 8:12:1 is expliciet opgenomen dat een ambtenaar met een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd dan wel een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde of onbepaalde tijd ook ontslag verleend kan worden
                    op grond van een van de andere bepalingen van hoofdstuk 8. Dit ontslag zal dan
                    uiteraard in het algemeen plaatsvinden voor de beëindiging conform artikel 8:12.
                    Wanneer de einddatum reeds genaderd is, lijkt het praktischer om de einddatum af
                    te wachten en de tijdelijke aanstelling van rechtswege te beëindigen. In een
                    eventuele procedure zal deze vorm van beëindiging namelijk veel terughoudender
                    worden getoetst dan een ontslag op basis van een andere ontslaggrond.</al><tussenkop>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding voor onbepaalde tijd (T)</tussenkop><al>In dit artikel staan de opzegtermijnen voor een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd, dan wel een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd.
                    Bij de formulering van de opzegtermijnen wordt gesproken van 'maanden': dit
                    hoeven dus geen kalendermaanden te zijn.</al><tussenkop>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf (T)</tussenkop><al>Er dient sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het
                    geconstateerde plichtsverzuim. Criteria voor wat wel of niet als evenredig valt
                    aan te merken, zijn niet te geven. De Centrale raad van beroep komt niet verder
                    dan overwegingen in de zin dat de opgelegde straf naar zijn oordeel in
                    overeenstemming is met het gepleegde plichtsverzuim, of dat de disciplinaire
                    straf in overeenstemming is met de ernst van het geconstateerde
                    plichtsverzuim.</al><al>Het UWV beoordeelt of recht bestaat op een WW-uitkering. Bij ontslag op grond
                    van artikel 8:13 wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een uitkering op
                    grond van hoofdstuk 10a in aanmerking te komen. Zie artikel 10a:2.</al><tussenkop>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit lid regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-) OR-leden en
                    -commissieleden. Bedoelde ontslagbescherming dient in de rechtspositie te worden
                    opgenomen omdat de Wet op de ondernemingsraden alleen voorziet in
                    ontslagbescherming voor bedoelde werknemers met een arbeidsovereenkomst. De
                    bescherming voor werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling dient in de
                    rechtspositieregeling te worden opgenomen. De bescherming in dit artikellid is
                    overigens gelijk aan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst geldt
                    op grond van artikel 21, tweede tot en met vijfde lid, van de WOR. Alhoewel in
                    de CAR sprake is van een gesloten ontslagsysteem, biedt artikel 8:8 de
                    mogelijkheid andere ontslaggronden te gebruiken dan in de overige artikelen
                    genoemd. De in artikel 8:13, tweede lid, aangegeven ontslagbescherming brengt
                    met zich dat er slechts van ontslagbescherming sprake is in het geval er een
                    causaal verband bestaat tussen het ontslag en de omstandigheden hier genoemd.
                    Als er geen verband is tussen het "OR-werk" en het ontslag, is ontslag op een
                    van de gronden zoals genoemd in de CAR, wél mogelijk. De bescherming tegen
                    benadeling als bedoeld in het eerste lid van genoemd wetsartikel, is weer wél
                    van toepassing op werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat ambtenaren niet kunnen worden ontslagen op grond van
                    het feit dat zij activiteiten als vakbondskaderlid uitoefenen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1998, Stb. 1998,
                    107, tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10
                    (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek, is de ontslagbescherming
                    voor kandidaat-, oud en zittende OR-leden en overeenkomstige leden van
                    OR-commissies ook van toepassing geworden op de eventueel aan de OR toegevoegde
                    (ambtelijk) secretaris. Aangezien de artikelleden 2 t/m 5 van artikel 21 van de
                    WOR geen rechtstreekse werking hebben naar de overheid, is deze
                    ontslagbescherming voor de sector gemeenten geregeld in de CAR. Het nieuwe
                    vijfde lid van artikel 8:14 voorziet in een overeenkomstige ontslagbescherming
                    voor de ambtelijk secretaris Het eerste lid van artikel 21 WOR, ter zake van
                    benadeling, heeft wel rechtstreekse werking.</al><tussenkop>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De schorsing in dit artikel is een ordemaatregel, bijvoorbeeld om de organisatie
                    de gelegenheid te geven eventuele Interne onderzoeken te (doen) houden, of om
                    rust binnen de organisatie te krijgen Het besluit om een ambtenaar van zijn
                    werkplek te verwijderen dient te berusten op een behoorlijke afweging van de
                    daarvoor in aanmerking komende belangen. (Zie TAR 1991/184, TAR 1995/236, TAR
                    1994/195) De hier bedoelde schorsing kan gevolgd worden door een schorsing zoals
                    bedoeld in 16:1:2: de disciplinaire straf. Een besluit tot schorsing is een
                    besluit in de zin van de Awb: de ambtenaar dient derhalve vooraf gehoord te
                    worden In onderdeel d wordt gesproken over "het belang van de dienst": de
                    rechter zal zich daar in voorkomende gevallen een oordeel over moeten kunnen
                    vormen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit lid zijn een aantal vormvereisten van het schorsingsbesluit geformuleerd.
                    De woorden in onderdeel c - "zo nauwkeurig mogelijke aanduiding" - impliceren
                    reeds dat een exact aangeven van de duur van de schorsing vaak niet mogelijk is
                    De duur van de schorsing kan dan ook worden verlengd De schorsing kan uiteraard
                    door ontslag of anderszins binnen de gestelde duur worden opgeheven. Schorsing
                    ontslaat de ambtenaar niet van zijn ambtelijke verplichtingen Zo zal hij dus
                    bijvoorbeeld moeten meewerken aan een tijdens de schorsing te houden
                    geneeskundig onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit dit artikellid volgt dat het niet automatisch zo is dat als er niet gewerkt
                    wordt, er geen sprake is van salarisbetaling, hiervoor is een apart besluit
                    nodig. Dit betekent dus dat als er geen besluit wordt genomen, het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) normaal worden doorbetaald. De ambtenaar behoudt in
                    ieder geval het op hem te verhalen deel van de pensioen- en ziektekostenpremie
                    (zie het derde lid). Er kan géén inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) plaatsvinden wanneer er sprake is van een schorsing op grond
                    van het dienstbelang.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij een schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk strafontslag
                    is meteen inhouding van meer dan eenderde deel mogelijk. Echter, de ambtenaar
                    behoudt in ieder geval het op hem te verhalen deel van de pensioenen
                    ziektekostenpremie (zie het derde lid). In principe dient bij de inhouding op
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n) te worden aangesloten bij titel
                    II van de Ambtenarenwet. Het is gebruikelijk een zodanige inhouding toe te
                    passen dat de ambtenaar ten minste een bedrag behoudt dat overeenkomt met 90%
                    van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Tijdens de schorsing kan het niet-ingehouden deel van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) aan anderen worden uitbetaald. Onder "anderen"
                    dienen in dit verband te worden verstaan de personen die door de ambtenaar
                    geheel of gedeeltelijk in hun levensonderhoud worden voorzien.</al><tussenkop>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling, is eveneens bevoegd tot
                    ontslag.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het schriftelijk vastleggen en het (doen) uitreiken van het ontslagbesluit zijn
                    uitvoeringshandelingen Ten aanzien van het ontslagbesluit is in dit artikellid
                    geregeld dat de (omschrijving van de) ingangsdatum van het ontslag in ieder
                    geval in dit ontslagbesluit dient te worden vermeld. Uit de andere artikelen van
                    dit hoofdstuk is voorts af te leiden dat de volgende aspecten in het
                    ontslagbesluit (kunnen) staan:</al><lijst><li nr="-"><al>de grond van het ontslag (bij ontslag op grond van artikel 8:8 en
                            ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd, gebeurt dit
                            slechts op verzoek van betrokkene);</al></li><li nr="-"><al>ontslagdatum;</al></li><li nr="-"><al>of er eervol ontslag wordt verleend (of niet);</al></li><li nr="-"><al>welke uitkering betrokkene na het ontslag ontvangt: een FLO-uitkering,
                            een pensioenuitkering, een wachtgeld, etc.;</al></li><li nr="-"><al>het ontslagbesluit is een besluit in de zin van de Awb;betrokkene kan
                            binnen zes weken bezwaar aantekenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur
                    (T)</tussenkop><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                    Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar
                    de ontslaggrond wél bepalend is voor het recht op een aanvullende dan wel
                    aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden voorzien in de mogelijkheid
                    tot gedeeltelijk ontslag. Bij een aanpassing van de aanstelling op basis van
                    artikel 7:16 kan sprake zijn van vermindering van de omvang van het
                    dienstverband. In deze situatie is echter een formeel gedeeltelijk ontslag niet
                    toegestaan, maar dient de vermindering van de omvang van het dienstverband te
                    worden vormgegeven door middel van een wijziging van de aanstelling. Dit omdat
                    bij een formeel ontslag recht ontstaat op suppletie krachtens hoofdstuk 11a.
                    Conform de oorspronkelijke doelstelling van de suppletieregeling heeft een
                    ambtenaar alleen recht op suppletie indien hij in het geheel niet herplaatst kan
                    worden bij zijn werkgever en derhalve volledig ontslagen is.</al><tussenkop>Artikel 8:18 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Dit artikel is van toepassing op de medewerker van wie de eerste ziektedag lag
                    voor 1 januari 2004. Deze medewerkers kunnen in aanmerking komen voor een
                    uitkering op grond van de WAO. De oude artikelen 8:5 en 8:5a, zoals dat gold op
                    30 juni 2006, is op hen van toepassing.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> Daarnaast kent de WAO een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van
                    de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op
                    een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De oude artikelen 8:5 en 8:5a zoals die golden op 30 juni 2006, is op hen
                    van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 8:19 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:20 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 8:4, tiende lid, of artikel
                    8:5, negende lid, toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                    dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als
                    de werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    De periode waarna ontslag kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur
                    verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9 Vervallen hoofdstuk (T)</tussenkop><al>Vervallen hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 9a:2 Definities (T)</tussenkop><al>De functie, waarop de ambtenaar uiteindelijk geplaatst wordt, moet aansluiten
                    bij de richting die in het loopbaanplan is afgesproken. Bij het bepalen van die
                    richting worden de interesses en competenties van de ambtenaar betrokken
                    (artikel 9a:5, lid 9, onderdeel b).</al><al>De ambtenaar mag een aangeboden functie weigeren, wanneer deze meer dan 2
                    salarisschalen verschilt van het salaris van de functie die de ambtenaar
                    vervulde, tenzij deze functie met medeweten van de ambtenaar is gezocht en
                    hierover in het kader van het loopbaanplan afspraken zijn gemaakt.</al><al>Wanneer de ambtenaar een betrekking aanvaardt met een lager inkomen dan het
                    inkomen dat hij met de bezwarende functie verdiende, heeft hij op grond van
                    artikel 9a:11 recht op een salarisgarantie.</al><tussenkop>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Het loopbaangesprek kan onderdeel uitmaken van het functioneringsgesprek of het
                    beoordelingsgesprek. De gemeentelijke werkgever kan er ook voor kiezen om het
                    loopbaantraject afzonderlijk te benaderen. Welke keuze ook gemaakt wordt, er
                    moet een goed dossier zijn van de afspraken, de voortgang en de resultaten. Ook
                    moet duidelijk zijn wie het aanspreekpunt is. Dit kan de direct leidinggevende
                    zijn, maar kan ook een andere functionaris zijn.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Brandweermedewerkers in bezwarende functies moeten worden opgeleid tot
                    MBO-niveau voor zover ze dit nog niet hebben. Daarbij moet het gaan om extern
                    erkende opleidingen. De reden van deze opleiding tot MBOniveau is dat het
                    gewenst is dat ambtenaren uiteindelijk zo breed mogelijk inzetbaar zijn. Een
                    brede opleiding vergroot de kansen van ambtenaren in bezwarende functies op de
                    arbeidsmarkt. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Deze belangen zijn onder andere het arbeidsmarktperspectief van de opleiding die
                    gewenst is. Ook de capaciteiten van de ambtenaar spelen een rol in de opleiding
                    die hij wenst. De opleiding moet derhalve aansluiten bij de capaciteiten van de
                    ambtenaar. Verder kan ook de Periodiek Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM) een
                    rol spelen bij de belangen van de gemeentelijke werkgever en ambtenaar. Als de
                    PAM uitwijst dat bepaalde aspecten van de bezwarende functie niet meer
                    uitgeoefend kunnen worden, kan dat van invloed zijn op de tweede loopbaan na
                    afloop van het uitoefenen van de bezwarende functie.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>onderdeel b</al><al>Vastgelegd moet worden in welke richting de tweede loopbaan gezocht wordt. Dit
                    is namelijk medebepalend voorde activiteiten en opleidingen die gedaan,
                    respectievelijk gevolgd moeten worden. Bij het bepalen van de richting van de
                    tweede loopbaan wordt rekening gehouden met de competenties en interesses van de
                    ambtenaar.</al><al><cursief><vet>Noot 1</vet> Per 1 januari 2011 wijzigt de toelichting
                        (U201002606)In de toelichting op artikel 9a:5, lid 6, worden de woorden
                        “Periodiek Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM)” vervangen door : Periodiek
                        Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). In de toelichting op artikel 9a:5, lid
                        6, wordt het woord “PAM” vervangen door: PPMO.</cursief></al><tussenkop>Artikel 9a:6 Terugbetaling (T)</tussenkop><al>Bij het afbreken van de opleiding zonder geldige reden kan sprake zijn van
                    evident misbruik. De ambtenaar moet er op het moment dat de loopbaanfaciliteiten
                    bekostigd worden op gewezen worden dat hij bij evident misbruik de kosten moet
                    terugbetalen.</al><tussenkop>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf (T)</tussenkop><al>Als de ambtenaar zich niet houdt aan de verplichtingen uit het loopbaanplan,
                    wordt een disciplinaire straf opgelegd. Hierbij gelden de bepalingen van
                    hoofdstuk 16. De zwaarte van de straf moet overeenkomen met de ernst van de
                    gedragingen. Van de voortgang van het loopbaanplan moet een dossier bijgehouden
                    worden. Hiermee kan beoordeeld worden of het niet kunnen starten van de tweede
                    loopbaan van de medewerker aan het einde van het loopbaantraject aan de
                    medewerker te wijten is.</al><tussenkop>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan (T)</tussenkop><al>Wanneer het college zijn inspanningen uit het loopbaanplan niet nakomt en de
                    tweede loopbaan om die reden niet begonnen kan worden, blijft de ambtenaar in de
                    bezwarende functie doorwerken. De tweede reden dat de ambtenaar werkzaam kan
                    blijven in de bezwarende functie is als het college en de ambtenaar gezamenlijk
                    daartoe besluiten.</al><al>Uiteraard moet de ambtenaar medisch geschikt zijn om in de functie te kunnen
                    doorwerken. Of de ambtenaar medisch geschikt is, kan blijken uit de PPMO, maar
                    kan ook aan de orde worden gesteld door de ambtenaar zelf die zich heeft ziek
                    gemeld. Op dat moment wordt hoofdstuk 7 van toepassing en geldt het
                    ziekteverzuimprotocol. Ook kan het college op grond van hoofdstuk 7 besluiten de
                    ambtenaar aan een medisch onderzoek te onderwerpen, wanneer getwijfeld wordt aan
                    de medische geschiktheid om de functie uit te oefenen.</al><al>Het feit dat de tweede loopbaan na 20 jaar nog niet gestart heeft kunnen worden,
                    betekent niet dat van een tweede loopbaan helemaal geen sprake meer is. Het
                    loopbaanplan wordt voortgezet. Feitelijk betekent dit dus dat de termijn van 20
                    jaar wordt opgerekt.</al><al><cursief><vet>Noot 1</vet>Per 1 januari 2011 wijzigt de toelichting
                        (201002606)In de toelichting op artikel 9a:9 wordt het woord “PAM” vervangen
                        door: PPMO. </cursief></al><tussenkop>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Vanaf het moment van ziekmelding begint de normale procedure te lopen, die voor
                    een zieke medewerker geldt. Hoofdstuk 7 CAR is dus gewoon van toepassing. Vanaf
                    het eerste moment van ziekte moeten college en ambtenaar werken aan
                    reïntegratie. Dat de medewerker niet meer geschikt is om in zijn bezwarende
                    functie door te werken betekent dus dat gezocht moet worden naar ander werk
                    binnen dan wel buiten de gemeentelijke dienst.</al><al>Dat hoofdstuk 7 van toepassing is, betekent ook dat de ambtenaar na verloop van
                    tijd minder hoge eisen mag stellen aan de nieuwe functie. Zie verder de
                    toelichting bij hoofdstuk 7.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het feit dat gekozen is voor de terminologie "een bezwarende functie" betekent
                    dat ook bij overstap van de ene naar de andere gemeente of van de ene bezwarende
                    functie naar de andere bezwarende functie de opbouw van de
                    overbruggingsuitkering geldt. De gemeente, van waaruit de ambtenaar
                    arbeidsongeschikt raakt, betaalt de overbruggingsuitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De overbruggingsuitkering wordt gedurende maximaal 20 jaar opgebouwd. Dit
                    resulteert in een totale maximale duur van 24 maanden.</al><tussenkop>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij ledenbrief van 4 september 2006 (Marz/CvA/U200601402; CvA/LOGA 06/35) is een
                    uitputtende definitie gegeven van het begrip bezoldiging. Ook is in die
                    ledenbrief bevestigd dat de garantietoelagen uit artikel 9a:11 uitgaan van
                    bevroren bedragen (zie hierna de toelichting op overige leden van artikel
                    9a:11).</al><al>De nieuwe definitie van het begrip bezoldiging is in lid 1 vastgelegd. De
                    limitatieve opsomming houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet
                    meegenomen wordt in de berekeningsgrondslag.</al><al>De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de datum die bepalend is voor
                    de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en generieke salarisstijgingen
                    omgerekend worden naar een periode van 12 maanden.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren diverse keuzes
                    maken, waaronder vakantie-uren kopen in het cafetariamodel, vakantie-uren
                    verkopen in het cafetariamodel, ouderschapsverlof opnemen, (kort- of langdurend)
                    zorgverlof opnemen, parttime gaan werken en fulltime gaan werken.</al><al>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de feitelijke
                    uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt
                    die wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in
                    artikel 3:1, lid 2, onderdeel c door in de oude bezoldiging. Dit ziet dus op de
                    periode 12 maanden voor het begin van de tweede loopbaan. Uitzondering hierop is
                    dat een verhoging of verlaging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                    genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c door uitwisseling van
                    arbeidsvoorwaarden in het cafetariamodel niet doorwerkt in de oude
                    bezoldiging.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het eerste lid biedt een salarisgarantie, <vet>waarbij sprake is van een
                        bevriezing van het oude salarisbedrag</vet>. Het gaat daarbij om een
                    garantie van het salarisbedrag dat betrokkene maandelijks ontving. Als iemand
                    een functie had in schaal 6 en betaald werd naar periodiek 5 (bedrag: € 1856) en
                    zijn nieuwe functie is een functie in schaal 5, waarbij hij ingedeeld wordt in
                    periodiek 7 (bedrag: € 1891), dan ontvangt hij geen garantietoelage. De hoogte
                    van de toelage kan veranderen als sprake is van een algemene salariswijziging.
                    De toelage bedraagt het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Dit
                    betekent dat als het nieuwe salaris stijgt, de toelage minder groot en
                    uiteindelijk wellicht nihil wordt.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 2 geeft recht op een garantietoelage van 2.000.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren bezoldigingsbedrag.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 25.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 10.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 1 geeft recht op een garantietoelage van 5.000. Maar omdat het nieuwe
                    salaris samen met de nieuwe toelagen én de op grond van het eerste lid berekende
                    garantie hoger is dan de oude bezoldiging, wordt de garantietoelage verminderd
                    met een bedrag van 2.000. De garantietoelage bedraagt daarom 3.000.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot een aflopend percentage
                        van de oude toelagen, waarbij sprake is van bevroren bedragen.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en 1.000.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren bezoldigingsbedrag.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 32.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en 1.000. Maar
                    omdat het nieuwe salaris, samen met de nieuwe toelagen én de afbouwtoelage in
                    het eerste en tweede jaar leiden tot een hoger totaalinkomen dan de oude
                    bezoldiging, komt de afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar niet geheel tot
                    uitbetaling. In het eerste jaar wordt de afbouwtoelage verminderd met een bedrag
                    van 2.000 en bedraagt de afbouwtoelage dus 2.000. In het tweede jaar wordt de
                    afbouwtoelage verminderd met een bedrag van 1.000 en bedraagt de afbouwtoelage
                    dus 2.000.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Het percentage van 175% is als volgt opgebouwd. Gedurende vier jaar lang wordt
                    een aflopende compensatie gegeven van het inkomensverschil, waarbij het eerste
                    jaar 100% van het inkomensverschil wordt vergoed, het tweede jaar 75%, het derde
                    jaar 50% en het vierde jaar 25% van het inkomensverschil. In totaal wordt dus
                    250% van het inkomensverschil vergoed. Vervolgens wordt dit bedrag met 70%
                    vermenigvuldigd. Het percentage van 70% heeft te maken met het voordeel dat de
                    medewerker heeft doordat een bedrag ineens wordt verstrekt. Wanneer deze
                    percentages met elkaar vermenigvuldigd worden, wordt 70% * 250% = 175% van het
                    inkomensverschil vergoed.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oude functie</al></entry><entry colname="col2"><al>Nieuwe functie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>Salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>Toelagen 6.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De medewerker zakt in totaalinkomen van 38.000 naar 34.000.</al><al>De medewerker ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van (38.000-34.000) * 250% *
                    70% = 7.000.</al><tussenkop> Hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december
                    2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op 31 december 2005 een
                    functie bekleed heeft die - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                    leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005.
                    Ook moet hij sinds die datum onafgebroken in een dergelijke functie gewerkt
                    hebben. Dit hoeft niet bij een en dezelfde organisatie te zijn geweest.</al><al>De tekst van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, luidt: "Indien
                    door het college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn bepaald voor
                    de vervulling van in die regeling vermelde en voor zover nodig nader omschreven
                    betrekkingen, wordt de ambtenaar die een zodanige betrekking vervult en de
                    daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft overschreden, eervol ontslag
                    verleend."</al><al>De rechten die deze ambtenaren hebben, zijn vervolgens afhankelijk van:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal dienstjaren dat de ambtenaar op 1 januari 2006 in een functie
                            werkzaam is geweest, die recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.
                        </al></li><li nr="-"><al> het feit of de functie bezwarend was. </al></li><li nr="-"><al> de geboortedatum van de ambtenaar: is de ambtenaar voor 1950 of na 1949
                            geboren.</al></li></lijst><al>In aparte paragrafen worden deze rechten verder uitgewerkt. De rechten komen ten
                    laste van de gemeente, van waaruit betrokkene van de in dit hoofdstuk bepaalde
                    rechten gebruik maakt en het college de plichten aan de betrokkene oplegt.</al><tussenkop>Artikel 9b:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar moet op 31 december 2005 bij een gemeentelijk
                    beroepsbrandweerkorps of een gemeentelijke ambulancedienst een functie bekleed
                    hebben die - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op
                    grond van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 8:3" type="tekst" id="i290044"></illustratie></plaatje>, zoals dat luidde op 31 december 2005. Ook moet hij sinds die datum
                    onafgebroken in deze functie gewerkt hebben. Onder onafgebrokenheid genoemd in
                    lid 1 onder c wordt ook verstaan een overstap naar een andere functie binnen
                    dezelfde gemeente of ambulancedienst of naar een functie bij een ander
                    gemeentelijk beroepsbrandweerkorps beroepsbrandweerkorps of andere gemeentelijke
                    ambulancedienst. Voorwaarde voor de functie waarnaar wordt overgestapt is dat
                    ook die functie - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                    leeftijdsontslag op grond van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 8:3" type="tekst" id="i290045"></illustratie></plaatje>, zoals dat luidde op 31 december 2005. Het overgangsrecht bij
                    wijziging van functie of wijziging van werkgever loopt dus door, mits dit een
                    overstap is van de ene naar de andere bezwarende functie.</al><al>Doorlopen van het overgangsrecht betekent dat ook bij de nieuwe werkgever de
                    rechten ontstaan op grond van paragraaf 2 of 3 van dit hoofdstuk. Of paragraaf 2
                    of 3 van toepassing is, blijft afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1
                    januari 2006.</al><al>Er is een uitzondering op het doorlopen van het overgangsrecht en dat is als de
                    nieuwe werkgever met de medewerker afspreekt dat het overgangsrecht niet wordt
                    voortgezet. De medewerker kan namelijk ook anderszins voordeel hebben van de
                    overstap op grond waarvan het voor hem minder belangrijk is dat het
                    overgangsrecht wordt voortgezet.</al><tussenkop>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Onderdeel a</vet>De in onderdeel a gegeven definitie van bezoldiging geldt
                    alleen voor de in dit artikel genoemde artikelen. Dat betekent dat in de andere
                    gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>de definitie van artikel 3:1 geldt (artikel 9b:20, eerste lid, eerste
                            maal en artikel 9b:25, zesde lid, eerste maal); of </al></li><li nr="-"><al>de nieuwe definitie wel geldt, maar dit via een inhoudelijke koppeling
                            met een van de wel genoemde artikelen geregeld is (zo wordt in artikel
                            9b:10 verwezen naar artikel 9b:4; het is dus niet nodig om artikel 9b:10
                            in de opsomming in onderdeel a op te nemen); of </al></li><li nr="-"><al>dat de definitie van bezoldiging niet ter zake doet, omdat het begrip
                            bezoldiging daar slechts gekoppeld is aan een periode en niet
                            inhoudelijk van betekenis is (bijvoorbeeld artikel 9b:9). </al></li></lijst><al>De limitatieve opsomming van de elementen die onder het begrip bezoldiging
                    vallen houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet meegenomen wordt in
                    de berekeningsgrondslag. De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de
                    datum die bepalend is voor de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en
                    generieke salarisstijgingen omgerekend worden naar deze periode van 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Iemand wordt op 1 juni 2007 55 jaar. Op dat moment
                    wil hij 50% gaan werken tegen doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Op 1
                    februari 2007 is een generieke salarisverhoging afgesproken van 0,8%. Deze telt
                    voor de gemiddelde bezoldiging van de 12 maanden voorafgaand aan 1 juni 2007
                    voor 4/12 mee, omdat deze slechts over 4 van de 12 voorafgaande maanden is
                    genoten.</al><al>In de definitie van bezoldiging wordt verwezen naar de datum die
                        <cursief>“voortvloeit uit de toepassing van …”</cursief> bepaalde artikelen.
                    Hiermee wordt het volgende bedoeld. Artikel 9b:4 geeft de ambtenaar de keuze om
                    op de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken, tegen doorbetaling van 80% van de
                    bezoldiging. Als hij dat daadwerkelijk doet, wordt uitgegaan van de gemiddelde
                    bezoldiging die hij in de periode 54 tot 55 jaar ontving. Maakt hij echter
                    gebruik van de mogelijkheid tot opschuiven (lid 5) en schuift hij de
                    ingangsdatum van de keuzemogelijkheden op met 2 jaar, dan stopt hij pas op
                    57-jarige leeftijd met werken en geldt de bezoldiging in de periode 56 tot 57
                    jaar.</al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren gebruik maken van
                    diverse verlofvormen. Bijvoorbeeld ouderschapsverlof of kort- of langdurend
                    zorgverlof. Deze verlofopname kan ook plaatsvinden in de referteperiode van het
                    begrip bezoldiging (12 maanden voorafgaand aan de datum bedoeld in het eerste
                    lid). Als verlofopname door de ambtenaar in deze referteperiode leidt tot een
                    wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel
                    3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging. </al><al>Een wijziging van de bezoldiging als gevolg van keuzes in het kader van het
                    cafetariamodel heeft geen gevolgen voor de bezoldiging.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>HHenk heeft 20 dienstjaren en kan op zijn 55-ste
                    verjaardag, op 1 augustus 2009, met volledig buitengewoon verlof. Henk geniet
                    van 1 januari tot 1 april 2009 drie maanden fulltime ouderschapsverlof. Stel
                    Henk krijgt in deze periode van ouderschapsverlof, gelet op de
                    ouderschapsverlofkorting, 35% van de bezoldiging doorbetaald vanuit de
                    werkgever. Deze daling van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging in de
                    referteperiode werkt door in de bezoldiging. De bezoldiging van Henk is
                    uiteindelijk (9 maanden 100% en 3 maanden 35% =) 83,75% van de bezoldiging die
                    Henk gehad zou hebben als hij geen ouderschapsverlof had opgenomen.</al><al>Alleen als verlofopname in de 12 maanden van de referteperiode heeft geleid tot
                    een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in
                    artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging.
                    Andere invloeden, bijvoorbeeld ziekte of gebruikmaking van het cafetariamodel,
                    hebben geen effect op de bezoldiging.</al><al><vet>Onderdeel b en e</vet>In artikel 9b:1 is vastgesteld dat het moet gaan om
                    een betrekking die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag
                    op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290046"></illustratie></plaatje>. Deze eis geldt zowel bij de bezwarende als bij de niet-bezwarende
                    functie. </al><tussenkop>Artikel 9b:3 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                    onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht
                    gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al><tussenkop>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                    op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290047"></illustratie></plaatje>, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55 jaar.
                    Dit betekent dat de keuze in principe 4 jaar lang geldt. Op eerste dag van de
                    maand volgende op de maand waarin de medewerker 59 jaar wordt, gaat namelijk het
                    onbezoldigd volledig verlof in. Was de zogeheten FLO-leeftijd bepaald op een
                    hogere leeftijd, dan is de periode van de keuze korter dan 4 jaar. Lid 7 biedt
                    overigens de mogelijkheid om na ingang van de keuzeperiode over te stappen naar
                    een andere keuze. Zie ook de toelichting bij lid 7.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd op de
                    pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                    verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 4 jaar.
                    Het buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling. Daarom wordt
                    dit fiscaal extra belast.</al><al>De overige keuzes gelden voor zover het dienstbelang dit toelaat. Het
                    dienstbelang houdt onder meer in dat er voldoend e werk voorhanden moet zijn om
                    de ambtenaar van de eerste twee opties gebruik te laten maken.</al><al>Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als
                    alternatief geldt voor 50% werken tegen 90% van de bezoldiging heeft met de
                    mogelijkheid te maken dat ambulancepersoneel in verband met vakbekwaamheidseisen
                    minimaal 60% van een volledige betrekking (= 60% van 36 uur per week) moet
                    werken.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar een
                    FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, gelden de keuzes van het eerste lid pas
                    vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar 56 jaar wordt.
                    Ditzelfde geldt naar analogie bij een FLOleeftijd van 57 en 58. In al deze
                    gevallen geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig verlof ingaat vanaf de
                    eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 59 jaar wordt. Ambtenaren met een
                    functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of 60 jaar, gaan dus
                    direct met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is artikel 9b:4 feitelijk niet
                    van toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig verlof gaan,
                    komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:4. Zie voor een
                    toelichting op ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd gold van 59
                    jaar, de toelichting op lid 5. Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in
                    een functie, waarvoor een FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, het weede lid
                    van artikel 9b:11. De duur van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus
                    korter naarmate een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts,
                    die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> Men kan er ook voor kiezen om later dan bij het bereiken van de leeftijd van 55
                    jaar het overgangsrecht in te laten gaan. In dit geval gaat ook het onbezoldigd
                    volledig verlof van artikel 9b:11 later in. </al><al>Als iemand hiervoor kiest, kan hij ook het ouderdomspensioen later laten ingaan.
                    Het ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren gespreid, waardoor de
                    uitkering per jaar hoger wordt. Zie verder de toelichting op artikel 9b:11. </al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                    2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze dan
                    onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de eerste dag van de maand volgende
                    op de maand waarin de ambtenaar 59 jaar wordt. In artikel 9b:11 is opgenomen dat
                    de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opgeschoven kan worden. Het
                    onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende functie,
                    waarvoor het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van 60 jaar had
                    vastgesteld, gaat in vanaf de leeftijd van 60 jaar. Ook hij kan de ingangsdatum
                    van dit onbezoldigd volledig verlof opschuiven. Ten aanzien van de medische
                    geschiktheid wordt verwezen naar de toelichting op lid 4.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>In lid 7 wordt het mogelijk gemaakt om gedurende de periode van 55 tot 59 jaar
                    de gemaakte keuze te herzien. Het dienstbelang moet deze herziening toelaten.
                    Een van de andere voorwaarden is dat alleen minder gewerkt kan worden dan de in
                    eerste instantie gemaakte keuze. Dit betekent dat als de ambtenaar gekozen had
                    om 50% te gaan werken tegen 90% van de bezoldiging, hij na herziening alleen nog
                    kan kiezen voor stoppen met werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging
                    dan wel ontslag nemen tegen uitbetaling van een bonus van een jaarsalaris. Deze
                    bonus wordt berekend naar rato van de tijd die resteert tot betrokkene de
                    leeftijd van 59 jaar bereikt.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Het FLO-overgangsrecht ondervindt gevolgen van onder andere wijzigingen in
                    pensioenregels en het ziektekostenstelsel. Hierdoor bestaat er verschil in
                    inkomen van ambtenaren die gebruik konden maken van het oude FLO en medewerkers
                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 die na die datum gebruik hebben
                    gemaakt van de mogelijkheid in het FLO-overgangsrecht om volledig te stoppen met
                    werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging. In de CAO sector Gemeenten
                    2007-2009 is een compensatie afgesproken voor ambtenaren met 20 dienstjaren of
                    meer op 1 januari 2006 die in schaal 6 of lager zaten en die gebruik maken van
                    de mogelijkheid om volledig te stoppen met werken tegen 80% bezoldiging. Deze
                    ambtenaren hebben, als zij in de jaren 2006 tot en met 2010 gebruik maken van
                    deze mogelijkheid, recht op een netto bedrag van € 500,- per jaar. Als zij niet
                    een volledig kalenderjaar gebruik hebben gemaakt van genoemde regeling dan
                    ontvangen zij het bedrag naar rato.</al><al><cursief>Voorbeelden</cursief>Iemand die vanaf 1 juli 2006 in het kader van FLO
                    overgangsrecht van voornoemde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft dus in
                    2006 recht op een vergoeding van € 250, in 2007 tot en met 2009 jaarlijks recht
                    op een netto vergoeding van € 500 en in 2010 een vergoeding van € 250. Op 1 juli
                    2010 wordt de medewerker 59 jaar en gaat hij met onbezoldigd volledig verlof.
                    Iemand die vanaf 1 juli 2007 in het kader van FLO overgangsrecht van voornoemde
                    mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft in 2007 recht op een vergoeding van €
                    250 en in 2008 tot en met 2010 jaarlijks recht op een netto vergoeding van €
                    500. Iemand die vanaf 1 april 2008 in het kader van FLO overgangsrecht van
                    voornoemde mogelijkheid gebruik maakt, heeft in 2008 recht op een netto
                    vergoeding van 9/12 maal € 500 en in 2009 en 2010 jaarlijks recht op een netto
                    vergoeding van € 500.</al><al>Wanneer er lokaal al een compensatie van de betreffende medewerkers heeft
                    plaatsgevonden, bestaat slechts recht op de bovenstaande netto vergoeding voor
                    dat gedeelte dat hoger is dan wat de gemeente al aan de betrokken medewerker
                    netto heeft uitbetaald dan wel heeft toegezegd. Dit wordt berekend over de
                    gehele periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011. (zie voorbeeld 1 en
                    2)</al><al>Er kan ook sprake van zijn dat medewerkers om andere redenen de bovengenoemde
                    inkomensachteruitgang niet of slechts gedeeltelijk ondervonden. Wanneer geen
                    sprake is geweest van een achteruitgang in inkomen, bestaat uiteraard geen recht
                    op vergoeding op basis van de CAR. Wanneer de inkomensachteruitgang niet of
                    slechts gedeeltelijk heeft plaatsgevonden bestaat slechts aanspraak op de
                    vergoeding op basis van de CAR voor dat deel dat er minder is ontvangen dan de
                    netto vergoeding van € 500 per jaar. Dit wordt berekend over de gehele periode
                    van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 (zie voorbeeld 3).</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief>Een gemeente heeft voorafgaand aan de CAO lokaal
                    al toegezegd om in de jaren 2006 tot en met 2008 een netto compensatie te
                    verlenen van € 250 netto per jaar. Een medewerker die op 1 januari 2007 gebruik
                    heeft gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met
                    werken tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging heeft op basis van de CAR
                    nog recht op een nabetaling van € 250 netto per jaar over 2007. In 2008 heeft
                    hij recht op een netto uitkering van € 500 (€ 250 op basis van de lokaal
                    gemaakte afspraak en € 250 op basis van de CAR). In 2009 en 2010 heeft hij recht
                    op de compensatie van € 500 netto per jaar (op basis van de CAR).</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Een medewerker heeft op 1 januari 2006 gebruik
                    gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken
                    tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging. De gemeente heeft in 2006 en 2007
                    een compensatie verleend voor de inkomensachteruitgang van € 1000 netto per
                    jaar. Dit betekent dat deze medewerker in de periode 2006-2007 al een
                    compensatie heeft ontvangen van € 2000 netto. Omdat dit gelijk is aan 4 <noot id="FN5663_1"><noot.al>Een medewerker heeft maximaal 4 jaar recht op de compensatie,
                            immers vanaf het moment dat de medewerker 59 jaar is gaat hij met
                            onbezoldigd volledig verlof (levensloop).</noot.al></noot> x € 500 waarop op basis van de CAR recht bestaat, bestaat geen recht
                    meer op extra compensatie.</al><al><cursief>Voorbeeld 3 </cursief> Een medewerker heeft per 1 januari 2006 gebruik
                    gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken.
                    Deze medewerker is vanaf dat moment niet meer oproepbaar. Op basis van de CAR
                    moet dit tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging. Echter om administratieve
                    redenen is deze medewerker het hele jaar 2006 volledig doorbetaald (100% van de
                    bezoldiging). Pas vanaf 1 januari 2007 is de doorbetaling van de bezoldiging
                    verlaagd naar 80%. De uitbetaling in 2006 bedroeg hierdoor € 2000 netto per
                    maand terwijl dit € 1600 netto per maand was geweest wanneer de CAR was
                    toegepast. De medewerker heeft hierdoor in 2006 € 4800 (12*(2000-1600))
                    ontvangen. In totaal zou hij op grond van de CAR maximaal € 2000 kunnen
                    ontvangen. Omdat hij in feite al meer heeft ontvangen dan dat bedrag, heeft deze
                    medewerker geen recht meer op de compensatie bruto-netto FLO.</al><tussenkop>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4
                    (T)</tussenkop><al>De opbouw van pensioen is geregeld in het ABP-reglement. Tijdens de periode van
                    (gedeeltelijk) betaald verlof is de pensioenopbouw als ware er geen sprake van
                    verlof. In de periode van artikel 9b:4 bouwt de medewerker dus pensioen op over
                    de volledige bezoldiging. In het pensioenreglement is wel ruimte gelaten om in
                    de CAO afspraken te maken over de pensioenopbouw van (hoge) bonussen. Er is voor
                    gekozen om de bonussen in artikel 9b:4 niet tot de pensieongrondslag te laten
                    behoren. </al><tussenkop>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4
                    (T)</tussenkop><al>Als de ambtenaar ervoor kiest om volledig door te werken, bouwt hij ook volledig
                    vakantie op. Kiest hij ervoor om niet te werken, tegen doorbetaling van 80% van
                    de bezoldiging, dan bouwt hij geen vakantie-uren op. Uiteraard wordt bij 50%
                    werken (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel) voor 50, respectievelijk
                    60% vakantie opgebouwd.</al><tussenkop>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</tussenkop><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging, die
                    grondslag is voor de betaling die op grond van artikel 9b:4 gedaan wordt,
                    bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige dienst. Deze toelage zou
                    dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de eindejaarsuitkering
                    en de vakantietoelage.</al><tussenkop>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4
                    (T)</tussenkop><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                    bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                    tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of uitkering. Dit
                    is bij ambtenaren met, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer tijdens de
                    periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 80% van de
                            bezoldiging (artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin);</al></li><li nr="-"><al>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60% werken
                            tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel 9b:4, eerste
                            lid, onderdeel b).</al></li></lijst><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:11), wordt ten
                    laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die periode
                    is dan ook geen sprake van verrekening van inkomsten.</al><tussenkop>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na
                    1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet> Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken
                    van de levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen dat de ambtenaar, die een
                    bezwarende functie bekleedt waaraan een FLO-leeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59
                    jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college voor een
                    zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat betrokkene - bij het volgen
                    van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de eerste dag van de maand volgend
                    op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt gedurende 3 jaar in een
                    inkomen kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren
                    die een bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was
                    gekoppeld, geldt dat het college zorgt voor een bijdrage in de
                    levensloopvoorziening, waarmee - bij het volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk
                    9e) - vanaf de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin hij de leeftijd
                    van 60 jaar bereikt, gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70%
                    van de oude bezoldiging. Dit is geregeld in artikel 9b:21. </al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                    levensloopvoorziening, dan verlaagt hij daarmee de mogelijke opname van de
                    levensloopvoorziening tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof of
                    verkort hij de periode dat zijn opname uit de levensloopvoorziening 70% van de
                    oude bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van
                    62 jaar bereikt, kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is het naar voren
                    halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat moment ontslag
                    verleend worden op grond van artikel 8:2. </al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                    ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt
                    actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat. Als betrokkene een eigen
                    financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd volledig verlof,
                    kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde lid
                    van artikel 9b:4, gaat het onbezoldigd volledig verlof zoveel later in als de
                    keuze van artikel 9b:4 later is ingegaan. </al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent dat
                    een kortere periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde leeftijd.
                    De ambtenaar is vrij in de manier waarop hij deze periode financiert. De
                    ambtenaar kan bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de levensloopregeling
                    (bijvoorbeeld omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft
                    gemaakt of omdat hij gedurende kortere tijd een hogere uitkering wil uit de
                    levensloopregeling). Ook kan de ambtenaar er voor kiezen om zijn
                    ouderdomspensioen later dan vanaf 62 jaar te laten ingaan (het versterkt OP
                    wordt dan minder ver naar voren gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor
                    over een kortere periode wordt verspreid, resulteert dit in een hoger
                    ouderdomspensioen. Voor ambtenaren met een lage OP-opbouw kan dit een
                    interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent dat
                    over een langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                    bedoeld in artikel 6:9, is dat de werkgever deze vorm van verlof kan opleggen.
                    Omdat sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd verlof, is ook artikel 6:10
                    lid 4 niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk dat de
                    pensioenopbouw tijdens de periode van verlof volledig voor rekening komt van de
                    ambtenaar, tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend. Bij de
                    vorm van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, volgt de premie
                    gedurende de gehele periode van verlof met een maximum van drie, respectievelijk
                    twee jaar de normale werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:12. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof in
                    op de eerste van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar de leeftijd
                    van 60 jaar bereikt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Bij ambtenaren op wie artikel 9b:4 feitelijk van toepassing is en die hebben
                    gekozen voor het vijfde lid van artikel 9b:4 schuift de datum van ingang van het
                    onbezoldigd volledig verlof automatisch op. Op de ambtenaar met een functie,
                    waaraan het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of
                    60 jaar, is artikel 9b:4 feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop
                    onbezoldigd volledig verlof wordt verleend, ligt namelijk op hetzelfde moment
                    (bij FLO-leeftijd 59 jaar) of komt eerder (bij FLO-leeftijd 60 jaar) dan het
                    moment, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid. Om ook deze ambtenaren de
                    mogelijkheid te bieden langer ouderdomspensioen op te bouwen door langer door te
                    werken tegen de normale bezoldiging, is de keuzevrijheid voor het later laten
                    ingaan van het onbezoldigd volledig verlof in dit artikel opgenomen.</al><al>Het voordeel van langer doorwerken is dat de ambtenaar langer ouderdomspensioen
                    opbouwt. De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te
                    werken. De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de
                    arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het
                    periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De periode dat de dienstbetrekking voortduurt, kan ook korter zijn, wanneer de
                    ambtenaar eerder dan na 3 jaar ontslag neemt. De periode van 3 respectievelijk 2
                    jaar is gekoppeld aan de verwachte deelname aan de levensloopregeling voor 3
                    respectievelijk 2 jaar tegen een uitkering van 70%. Het college zorgt namelijk
                    voor een zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat ambtenaren die een
                    bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd was gekoppeld van 55, 56,
                    57, 58 of 59 jaar vanaf de leeftijd van 59 jaar - bij het volgen van het
                    LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - gedurende 3 jaar in een inkomen kunnen voorzien
                    van 70% van de oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende
                    functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het
                    college zorgt voor een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee - bij het
                    volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de leeftijd van 60 jaar
                    gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70% van de oude
                    bezoldiging.</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><tussenkop>Artikel 9b:12 Pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof
                    (T)</tussenkop><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                    Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter niets
                    over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling tussen werkgever
                    en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof, voor zover
                    dit verlof langer is dan drie, respectievelijk twee jaar. Voor de volledigheid
                    wordt het complete beeld geschetst van:</al><lijst><li nr="-"><al>de grondslag voor pensioenopbouw</al></li><li nr="-"><al>de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al></li><li nr="-"><al>de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                            binnen het FLO-overgangsrecht</al></li></lijst><al><cursief>De grondslag voor pensioenopbouw</cursief> In het Pensioenreglement
                    wordt verschil gemaakt in de grondslag voor pensioenopbouw bij onbezoldigd
                    volledig verlof</al><lijst><li nr="-"><al> met opname van levenslooptegoed en </al></li><li nr="-"><al> zonder opname van levenslooptegoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof met opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed pensioen wordt
                    opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname uit de levenslooppot
                    minder bedraagt dan 70%. In dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat
                    lagere percentage.</al><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept>Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof zonder opname van levenslooptegoed pensioenopbouw
                    plaatsvindt over zijn oude inkomen, als ware er geen sprake van onbetaald
                    verlof. Er vindt dus pensioenopbouw plaats over de volledige bezoldiging.</al><al><cursief>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</cursief> In het
                    Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens onbetaald verlof
                    met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar pensioen op kunnen bouwen
                    tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met FLO-overgangsrecht maakt het
                    Pensioenreglement een uitzondering. Zij bouwen tijdens het onbetaald verlof met
                    opname van levenslooptegoed voor een onbeperkte periode pensioen op tegen de
                    doorsneepremie. Voorwaarde daarbij is wel dat zij dat onbetaald verlof direct
                    voorafgaand aan het ouderdomspensioen genieten.</al><al>Bij onbezoldigd volledig verlof zonder opname van levenslooptegoed bouwen
                    ambtenaren met FLO-overgangsrecht net als andere ambtenaren voor onbeperkte duur
                    pensioen op tegen doorsneepremie.</al><al><cursief>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                        binnen het FLO-overgangsrecht</cursief> In de Pensioenovereenkomst wordt
                    geregeld dat de normale werkgeverswerknemerspremieverdeling gelijk is aan
                    70%-30%. Dit betekent dat de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk
                    het werknemersdeel) op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd gedurende
                    de eerste drie, respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd volledig verlof.
                    Na deze drie respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de ambtenaar
                    verschuldigde premies ten laste van die ambtenaar zelf. De werkgever, die de
                    verschuldigde premies afdraagt aan het ABP verhaalt na drie respectievelijk twee
                    jaar 100% op de ambtenaar. Dit regelt artikel 9b:12. Het verhaal van de premie
                    (30% in de eerste drie/twee jaar, 100% daarna) kan op de volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd verlof
                            kan de werkgever het werknemersdeel van de pensioenpremie direct
                            inhouden op de uitbetaling van de levensloopuitkering.</al></li><li nr="-"><al>Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd
                            verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen op de medewerker
                            niet verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de
                            ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De
                            gemeente dient afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering
                            ingelost wordt. Vast staat wel dat er feitelijke betaling van de
                            ambtenaar aan de gemeente dient plaats te vinden. Er volgen immers geen
                            perioden meer waarin de gemeente de vordering kan verrekenen met
                            betalingen aan de ambtenaar; het onbezoldigd volledig verlof duurt voort
                            totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd
                    van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                    januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                    arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene en college
                    zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging de reguliere regels van
                    loondoorbetaling bij ziekte.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dat artikel 8:4 en artikel 8:5 niet van toepassing zijn, betekent dat, anders
                    dan bij ‘reguliere’ gedeeltelijk arbeidsongeschikten, er na een periode van 24
                    maanden (bij volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikten), dan wel 36
                    maanden (bij gedeeltelijk arbeidsongeschikten), geen sprake mag zijn van
                    ontslag. Definitieve herplaatsing is wel mogelijk. Deze regels gelden ook voor
                    ambtenaren die volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Omdat zij
                    echter - tijdelijk - geen restverdiencapaciteit hebben, heeft bij hen het zoeken
                    naar een andere functie geen nut en zal om die reden ook geen sprake zijn van
                    definitieve herplaatsing. Als deze ambtenaren herstellen, gaan de regels gelden,
                    zoals deze gelden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten.</al><al>De ambtenaar die tussen de leeftijd van 50 en 55 jaar volledig en duurzaam
                    arbeidsongeschikt raakt, mag 24 maanden na arbeidsongeschiktheid (of zoveel
                    eerder als UWV daar toestemming voor geeft) ontslag verleend worden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om te realiseren dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte of de volledig maar niet
                    duurzaam arbeidsongeschikte vanaf zijn 55e gelijke rechten heeft als iemand die
                    niet (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, moet de betrokken ambtenaar indien hij
                    niet herplaatst is, beter gemeld worden op de dag dan hij 55 wordt. Hij heeft
                    vanaf dat moment dezelfde keuzes als een ambtenaar die niet ziek is, zij het dat
                    50% doorwerken tegen 90% salaris wegens ziekte waarschijnlijk niet mogelijk is
                    voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten, dat 50% werken tegen 90% salaris zeker
                    niet mogelijk is voor volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikten en dat
                    100% doorwerken met een bonus voor beide categorieën in ieder geval niet
                    mogelijk is.</al><al>Omdat de betrokken ambtenaren beter gemeld zijn, is artikel 7:3 (de regels rond
                    loondoorbetaling bij ziekte) vanaf dat moment niet meer van toepassing. De
                    bezoldiging van betrokkene wordt uitbetaald conform de regels van het
                    overgangsrecht.</al><al>Vanaf hun 59e jaar krijgen deze ambtenaren onbezoldigd volledig verlof, waarvan
                    zij de eerste periode gebruik kunnen maken van de levensloopregeling en de
                    leeftijd van 62 jaar van het versterkt OP.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, wordt de ambtenaar bij het
                    bereiken van die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Op de ambtenaar die ziek wordt tussen zijn 50e en zijn 55e jaar, blijven artikel
                    9b:4 tot en met 9b:18 van toepassing. Artikel 9b:4 blijft van toepassing, voor
                    zover de keuzes die daarin worden genoemd, gezien de medische geschiktheid nog
                    mogelijk zijn. Dat kan betekenen dat alleen de opties niet werken met
                    doorbetaling van 80% van de bezoldiging of ontslag onder toekenning van een
                    bonus nog mogelijk zijn.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Uitgangspunt hierbij is een FLO-leeftijd van 55 jaar. Dat betekent dat hij vanaf
                    zijn 55e al gebruik maakt van de keuzes van artikel 9b:4. In het zesde lid is
                    opgenomen dat een hogere leeftijd geldt, als een hogere FLO-leeftijd was
                    vastgesteld.</al><al>De ambtenaar die vanaf zijn 55e jaar arbeidsongeschikt raakt, wordt niet ziek
                    gemeld. Hij blijft gebruik maken van de keuzes van artikel 9b:4, voor zover dat
                    medisch gezien mogelijk is. </al><al>Als de ambtenaar gekozen had om 100% door te werken met een bonus, en hij dat
                    wegens ziekte niet meer kan, moet hij een van de andere opties van artikel 9b:4,
                    eerste lid, kiezen. Als hij vanwege ziekte ook niet meer de keuze heeft om 50%
                    te werken tegen 90% van het salaris, resteren voor hem alleen nog de keuze van
                    volledig buitengewoon verlof, tegen doorbetaling van 80% van de voor de
                    ambtenaar geldende bezoldiging en de keuze van volledig ontslag op grond van
                    artikel 8:1, waarbij een bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de
                    ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de
                    bonus. Deze bonus wordt berekend naar rato van de tijd die resteert tot het
                    moment, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. </al><al>Het is niet eenduidig vast te stellen na hoeveel tijd van ziekte vast staat dat
                    de ambtenaar de door hem gemaakte keuze niet meer kan voortzetten. Dat zal per
                    ziektegeval verschillen. De arbo-arts speelt hierin een rol.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt het vijfde lid bij
                    het bereiken van die hogere leeftijd. Het vijfde lid is dus pas van toepassing
                    als de keuze op grond van artikel 9b:4 daadwerkelijk geëffectueerd is.</al><tussenkop>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid is een salarisbevriezing geregeld voor de ambtenaar die ziek
                    is geworden en in het kader van deze ziekte herplaatst wordt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de
                    nieuwe functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente en
                    medewerker afspraken over een financiële regeling.</al><tussenkop>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht, is
                    onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige levensloopbijdrage ontvangt
                    dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard
                    op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van
                    59 jaar bereikt) een tegoed kan bereiken overeenkomend met 210% van zijn
                    bezoldiging. Voor een ambtenaar die een FLO-functie bekleedde waaraan een
                    FLO-leeftijd van 60 was verbonden, geldt dat hij op de leeftijd waarop het
                    onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard op de eerste dag van de maand
                    volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt) een tegoed
                    bereikt kan hebben overeenkomend met 140%.</al><tussenkop>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is
                    uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra ouderdomspensioen.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2.</al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen die op 1
                    januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende functie hebben gewerkt.
                    Omdat dit artikel onderdeel is van de paragraaf die deze “overgangsgroep”
                    behandelt, is dit niet expliciet in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever aangegeven jaren
                    aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was. Hierop wordt het bedrag gebaseerd
                    dat op 53-jarige leeftijd wordt gestort. Het streven van deze storting is dat de
                    medewerker op de leeftijd van 62 jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden
                    x 76% van het gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of
                    ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het uiteindelijke pensioen van de
                    medewerker is, is van veel factoren afhankelijk (dienstjaren, deeltijdfactoren,
                    moment van uittreden etc). LOGA-partijen hebben hierover dus geen individuele
                    garanties afgesproken. Goed om te weten is dat ABP over de jaren tot 2004 het
                    loon doorgeeft van 2004. Voor die tijd hanteerde ABP het eindloonsysteem en zijn
                    geen loongegevens bewaard van voorliggende jaren.</al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                    vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente (zie
                    definitie van artikel 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is
                    geweest, zodat een berekening gemaakt kan worden van de storting die op
                    53-jarige leeftijd wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan aantonen en dat
                    inkomen is ook niet (meer) bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente de
                    volgende leidraad hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan van
                    het inkomen van een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de storting
                    voor een vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd.
                    Daarbij geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de betreffende medewerker
                    als vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam waren bij een
                    ambulancedienst in de particuliere sector kan de gemeente het salaris uit het
                    jaar voorafgaand aan de storting hanteren dat gekoppeld was aan een
                    vergelijkbare functie binnen de gemeentelijke ambulancedienst. Ook dit bedrag
                    hoeft niet meer te worden geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in de formule
                    uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar analogie van artikel
                    3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van toepassing. Dit
                    betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting, premies volksverzekeringen,
                    premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringswet worden
                    ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De werkgever vraagt de
                    indexatiefactoren op bij het ABP.</al><al><cursief>Wat moet de werkgever doen? </cursief>Als de medewerker 53 jaar wordt,
                    berekent de werkgever het bedrag dat moet worden gestort in AEP. De gegevens die
                    de werkgever nodig heeft voor de berekening kunnen worden opgevraagd bij het
                    ABP.</al><lijst><li nr="1"><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnenkort 53 jaar
                            wordt.</al></li><li nr="2"><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee de medewerker
                            toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens aan de werkgever
                            te verstrekken. Geeft de medewerker geen toestemming dan kan de
                            werkgever het ouderdomspensioen van die medewerker niet versterken. Er
                            vindt dan geen storting van de werkgever plaats. De werkgever heeft de
                            toestemming nodig om de gegevens op te vragen die nodig zijn om de
                            benodigde storting te kunnen berekenen. Bij de ledenbrief van 27
                            november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief
                            opgenomen waarmee de werkgever de werknemer om toestemming kan
                            verzoeken.</al></li><li nr="3"><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en
                            deeltijdfactoren per jaar op van dienstjaren van betrokken medewerker
                            bij de brandweer of ambulance. Ook vraagt de werkgever de
                            indexatiefactoren over de betreffende dienstjaren op. Hiertoe neemt de
                            werkgever contact op met de BU-SV, Verstrekken Informatie Klantgroepen
                            (VIK) van het ABP, postbus 4806, 6401 JL Heerlen.</al></li><li nr="4"><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met de
                            deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze bedragen bij elkaar op
                            en deelt ze door het totaal aantal jaar. Tenslotte vermenigvuldigt hij
                            dit bedrag met 57%. Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de
                            leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij leeftijd 53
                            geldt.</al></li><li nr="5"><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag wordt
                            gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen (59.34.95.004,
                            ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct gevolgd met het
                            klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker
                            klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP bekend is,
                    over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen van peildatum 1 januari
                    2004. Dit houdt verband met de wijziging van eindloonstelsel naar
                    middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is ingevoerd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de gehele
                    storting uit lid 1 gedaan kan worden. ABP controleert jaarlijks eenmaal, in
                    november, of de medewerker voldoende fiscale ruimte heeft. Het kan zijn dat de
                    werkgever de storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd heeft gedaan, omdat
                    de medewerker al voor november 53 jaar is geworden. Blijkt dat er onvoldoende
                    fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP Extra Pensioen te doen, dan
                    stort ABP het teveel na de controle terug naar de werkgever, die dat op zijn
                    beurt doorstort naar de medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het reguliere
                    bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er loonbelasting, premies
                    volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies
                    zorgverzekeringswet over worden betaald en ingehouden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de leeftijd van
                    53 jaar, heeft ook recht op het bedrag dat in lid 1 genoemd is. Dat bedrag wordt
                    bij uitdiensttreden in AEP gestort. Omdat dat bedrag dus langer kan renderen,
                    wordt een andere leeftijdsafhankelijke factor toegepast (zie artikel 9b:22a),
                    namelijk die factor die bij de leeftijd van uittreden hoort. Lid 2 is hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens onvoldoende ruimte
                    aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het pensioengevend
                    inkomen. Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden dus geen
                    pensioenpremies afgedragen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens onvoldoende ruimte
                    aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging. Dit
                    betekent dat hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat het tevens geen
                    salaris is, wordt hierover ook geen eindejaarsuitkering berekend.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te weten wat
                    het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in ABP Extra Pensioen is
                    gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op de vraag of hij zijn keuzemoment
                    wil uitstellen. Daarom kan de medewerker zijn werkgever eenmalig verzoeken om
                    een indicatie te geven van het verwachte stortingsbedrag. Met een rekentool op
                    abp.nl kan de medewerker dan berekenen wat dit bedrag zou betekenen voor de
                    verwachte hoogte van zijn pensioen. Het college bepaalt in overleg met de
                    medewerker het geschikte moment voor de eenmalige indicatie. Hierbij wordt
                    geadviseerd rekening te houden met mogelijke carrièrestappen van de medewerker.
                    Als die nog worden verwacht dan is het geven van een indicatie niet zinvol. De
                    berekening van dat bedrag is namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt
                    met eventuele carrièrestappen geen rekening. </al><tussenkop>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                    1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                    (T)</tussenkop><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële tarieven die
                    ABP hanteert. In de tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren genoemd.
                    Welke factor gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd die de
                    ambtenaar heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen
                    doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er zijn uitzonderingen
                    denkbaar dat de storting op een andere leeftijd geschiedt. Voor meer informatie
                    over de diverse uitzonderingen zie ledenbrief van 27 november 2008
                    (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag
                    gegenereerd moet zijn van € 10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet,
                    bij de rendementen die ABP verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van €
                    7.950 gestort worden (€ 10.000 x 0,795). Als er op een later moment dan op
                    53-jarige leeftijd wordt gestort, dan wordt het te storten bedrag ieder jaar
                    hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                    leeftijdsafhankelijke factor.</al><tussenkop>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:22, lid 3, is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP Extra
                    Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit de bezwarende
                    functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar uit de bezwarende
                    functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze regionalisering jonger is dan 53
                    jaar, zou de werkgever dus op dat moment een storting moeten doen. Deze storting
                    op een eerder moment dan 53 jaar heeft gevolgen voor de uiteindelijke hoogte van
                    het pensioen. Deze gevolgen kunnen positief of negatief zijn, afhankelijk van
                    het rendement dat het gestorte bedrag oplevert. Door de eerdere storting wordt
                    het rendementsrisico dus bij de ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van het
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te blijven, is
                    geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie vanwege de
                    regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt in de afspraak over
                    het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de storting nog steeds op 53
                    jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een storting naar rato van het totaal
                    aantal dienstjaren in de bezwarende functie, dus zowel die bij de nieuwe
                    werkgever, als die bij de gemeente en diens voorgangers. De gemeente en de
                    nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van inkoop OP
                    verdeeld worden.</al><tussenkop>Artikel 9b:23 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat ambtenaren vanaf 31 december 2005 onafgebroken
                    in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht gaf op
                    functioneel leeftijdsontslag.</al><tussenkop>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij
                    tweede loopbaan gestart wordt (T)</tussenkop><al>Zolang het medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar werkzaam in de bezwarende
                    functie tot het moment dat hij op grond van artikel 9b:28 buitengewoon verlof
                    verleend wordt, onder doorbetaling van 75%, respectievelijk 78% of 80% van de
                    bezoldiging. Dit doorwerken gebeurt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                    die waarin de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, voor 50% werken
                    onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel kan dit
                    zijn 60% werken tegen doorbetaling van 95% van de bezoldiging).</al><al>Dit doorwerken geldt niet als ambtenaren in het kader van het loopbaanplan op
                    grond van artikel 9b:25 een andere functie aanvaarden of als er anderszins in
                    het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken gemaakt worden. In
                    artikel 9b:25 wordt hoofdstuk 9a van toepassing verklaard op ambtenaren in een
                    bezwarende functie, die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren hadden.
                    Hoofdstuk 9a verplicht hen mee te werken aan de tweede loopbaan.</al><al>Het toewerken naar deze tweede loopbaan is onder meer van belang om hiermee
                    voortijdige uitval wegens arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Uit het rapport
                    van het Coronel-instituut van 2004 blijkt dat gezondheidsrisico's vaak al ver
                    voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd ontstaan. Een aanzienlijk percentage
                    van de medewerkers kan om die reden niet tot de leeftijd van 55 jaar doorwerken
                    in de bezwarende functie. Om die reden moet met al deze ambtenaren tijdig een
                    loopbaanplan worden opgesteld, waarin afspraken worden gemaakt over opleiding en
                    begeleiding naar een aangepaste functie-invulling of een andere functie
                    voorafgaand aan het moment dat het uitoefenen van de bezwarende functie om
                    gezondheidsredenen niet langer verantwoord is.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-10-2006 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd:In de toelichting op artikel 9b:24 wordt in de tweede
                        alinea de aanduiding “9b:16” vervangen door: 9b:25. </cursief></al><tussenkop>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                    dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ambtenaren met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                    functie moeten meewerken aan een tweede loopbaan. Deze plicht geldt tot de
                    eerste van de maand volgend op de maand waarin zij de leeftijd van 55 jaar
                    bereiken. Gedurende deze periode gelden alle bepalingen uit hoofdstuk 9a, voor
                    zover daar in dit artikel niet van is afgeweken.</al><al>Als de ambtenaar op de leeftijd van 55 jaar niet is begonnen aan een tweede
                    loopbaan, gelden de artikelen 9b:26 tot en met 9b:43. Deze ambtenaar gaat op de
                    eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar heeft
                    bereikt, 50% werken tegen 90% bezoldiging (of, voor ambulancepersoneel 60%
                    werken tegen 95% van de bezoldiging). Vervolgens gaat hij op een latere leeftijd
                    met gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof en gaat hij op de eerste dag van de
                    maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt met
                    onbezoldigd verlof. Wanneer de ambtenaar voor de leeftijd van 55 jaar in het
                    kader van de tweede loopbaan een functie heeft aanvaard, geldt vanaf dat moment
                    de gewone rechtspositie en vallen zij niet meer onder dit hoofdstuk.</al><al>In de leden 3 tot en met 7 zijn bepalingen opgenomen die afwijken van de
                    bepalingen van hoofdstuk 9a.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt de plicht om mee te
                    werken aan de tweede loopbaan tot het bereiken van die hogere leeftijd. Als de
                    tweede loopbaan op die leeftijd niet is begonnen, gelden de artikelen 9b:26 tot
                    en met 9b:43 vanaf dat moment.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit recht geldt alleen voor brandweerpersoneel. De verwachting is dat
                    ambulancepersoneel extern meer geschikte functies zal kunnen vinden.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Deze salarisbevriezing is ruimer dan de salarisgarantie van artikel 9a:11.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de
                    nieuwe functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente en
                    medewerker in het kader van het loopbaanplan afspraken over een financiële
                    regeling.</al><tussenkop>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                    januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                    op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290048"></illustratie></plaatje>, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55
                    jaar.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd op de
                    pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>De duur van de periode dat 50% gewerkt wordt tegen doorbetaling van 90% van het
                    salaris is afhankelijk van net aantal dienstjaren dat betrokkene op 1 januari
                    2006 had. De duur is namelijk tot het moment dat betrokkene gedeeltelijk
                    doorbetaald buitengewoon verlof wordt verleend (artikel 9b:28). Dat 60% werken
                    tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als alternatief geldt voor
                    50% werken tegen 90% van de bezoldiging heeft met de mogelijkheid te maken dat
                    ambulancepersoneel in verband met vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een
                    volledige betrekking (= 60% van 36 uur per week) moet werken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als in een gemeente op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende
                    ambtenaar een FLO-leeftijd van 56 of ouder gold, geldt het recht pas vanaf de
                    eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar die leeftijd
                    bereikt. Het overgangsrecht gaat dus op een later moment in dan vanaf 55 jaar.
                    Ook het moment van gedeeltelijk doorbetaald verlof van artikel 9b:28 schuift dan
                    op. In al deze gevallen geldt wel dat het onbezoldigd volledig verlof ingaat
                    vanaf de leeftijd van 59 jaar (artikel 9b:35).</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of
                    60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is artikel
                    9b:26 (net als artikel 9b:28; zie de toelichting op artikel 9b:28, lid 2)
                    feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig
                    verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:26 voor
                    50% gaan werken tegen 90% bezoldiging, respectievelijk 60% werken tegen 95%
                    bezoldiging. Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie,
                    waarvoor een FLOleeftijd van 59 jaar was gesteld, zie de toelichting op lid 5.
                    Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie, waarvoor een
                    FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, zie het tweede lid van artikel 9b:35.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die
                    op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Zie toelichting op artikel 9b:43.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan met 55 jaar het overgangsrecht in te
                    laten gaan. In dit geval gaat ook het onbezoldigd volledig verlof van artikel
                    9b:35 later in. Als iemand hiervoor kiest kan hij het ouderdomspensioen later
                    laten ingaan. Het ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren gespreid,
                    waardoor de uitkering per jaar hoger wordt.</al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                    2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze dan
                    onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de eerste dag van de maand volgend
                    op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt. In artikel 9b:35 is
                    opgenomen dat de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opgeschoven
                    kan worden. Het onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende
                    functie, waarvoor het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van 60 jaar
                    had vastgesteld, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Ook hij kan de ingangsdatum van
                    dit onbezoldigd volledig verlof opschuiven. Zie verder ook de toelichting op
                    artikel 9b:35.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><tussenkop>Artikel 9b:27 Vervallen (T)</tussenkop><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat de
                    gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt. </al><tussenkop>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26 (T)</tussenkop><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging, die
                    grondslag is voor de betaling die op grond van artikel 9b:26 gedaan wordt,
                    bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige dienst. Deze toelage zou
                    dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de eindejaarsuitkering
                    en de vakantietoelage.</al><tussenkop>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de
                    ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                    bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op 31 december 2005 een FLO-leeftijd was
                    vastgesteld van 55 jaar. </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                    verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 3 jaar.
                    De duur van het verlof is afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1 januari
                    2006 en wordt bepaald op de wijze zoals aangegeven in het eerste lid. Het
                    buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling. Daarom wordt dit
                    fiscaal extra belast.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voorbeeld Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar
                    een FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, en deze ambtenaar had op 1 januari 2006
                    11 dienstjaren, geldt dat hij tot de leeftijd van 58 jaar (57 + 1) moet
                    doorwerken. Vanaf dat moment wordt, tot het moment van onbezoldigd volledig
                    verlof (59 jaar) 78% van zijn bezoldiging doorbetaald. Ook als een hogere
                    FLO-leeftijd was vastgesteld, geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig
                    verlof ingaat vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt.</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of
                    60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof (vanaf de eerste dag
                    van de maand, volgend op die waarin de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar,
                    is bereikt). Op hen is artikel 9b:28 (net als artikel 9b:26, zie de toelichting
                    op artikel 9b:26, lid 2) feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij
                    met onbezoldigd volledig verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd
                    bedoeld in artikel 9b:28 (gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof). Voor
                    hen is in artikel 9b:35 bepaald dat zij de ingangsdatum van het onbezoldigd
                    volledig verlof kunnen opschuiven. De duur van de door de ambtenaar gemaakte
                    keuze wordt dus korter naarmate een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold. Zie
                    verder de toelichting op artikel 9b:35.</al><tussenkop>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28
                    (T)</tussenkop><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat de
                    gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt.</al><tussenkop>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                    9b:28 (T)</tussenkop><al>Gedurende de periode dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt
                    (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%,
                    respectievelijk 60% vakantie op. Gedurende de periode dat op grond van artikel
                    9b:28 gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen
                    vakantie opgebouwd.</al><tussenkop>Artikel 9b:32 Vervallen (T)</tussenkop><al>Toelichting voor Artikel 9b:32 per 1-7-2006. Gedurende de periode dat de
                    ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt (respectievelijk 60% voor
                    ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60% vakantietoelage op.
                    Gedurende de periode dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald
                    buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen vakantietoelage opgebouwd. </al><tussenkop>Artikel 9b:33 Vervallen (T)</tussenkop><al>Toelichting voor Artikel 9b:33 per 1-7-2006. Gedurende de periode dat de
                    ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt (respectievelijk 60% voor
                    ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60% eindejaarsuitkering
                    op. Gedurende de periode dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald
                    buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen eindejaarsuitkering opgebouwd. </al><tussenkop>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26
                    en artikel 9b:28 (T)</tussenkop><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                    bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                    tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of uitkering. Dit
                    is bij ambtenaren rnet, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer tijdens de
                    periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60% werken
                            tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel 9b:26);</al></li><li nr="-"><al>volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 75%, respectievelijk
                            78% of 80% van de bezoldiging (artikel 9b:28).</al></li></lijst><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:35), wordt ten
                    laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die periode
                    is dan ook geen sprake van verrekening van inkomsten.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-10-2006 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd: De woorden “20 dienstjaren of meer” worden vervangen
                        door: minder dan 20 dienstjaren. </cursief></al><tussenkop>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na
                    1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Let op: zie ook noot onderaan de tekst.</al><al><vet>Algemeen</vet>Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken
                    van de levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen dat de ambtenaar, die een
                    bezwarende functie bekleedt waaraan een FLOleeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59
                    jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college voor een
                    zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat betrokkene - uitgaande van
                    het bereiken van 20 dienstjaren of meer op het moment van onbezoldigd volledige
                    verlof - onder voorwaarden <noot id="FN5649_1"><noot.al>Op het moment van verschijnen van deze teksten (juni 2006) zijn
                            deze voorwaarden nog niet bekend. Deze voorwaarden worden uitgewerkt bij
                            de uitwerking van de inkoop levensloop (artikel 9b:44) en volgen in de
                            tweede helft van 2006.</noot.al></noot> vanaf zijn 59e jaar gedurende 3 jaar in een inkomen kan voorzien van 70%
                    van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende functie
                    bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het college
                    zorgt voor een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee — uitgaande van het
                    bereiken van 20 dienstjaren op het moment van onbezoldigd volledig verlof- onder
                    voorwaarden <noot id="FN5649_2"><noot.al>Zie noot 1</noot.al></noot> vanaf de leeftijd van 60 jaar gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden
                    voorzien van 70% van de oude bezoldiging. Dit is geregeld in artikel 9b:44.</al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                    levensloopvoorziening of heeft hij geen 20 dienstjaren op het moment van ingang
                    van het onbezoldigd volledig verlof, dan verlaagt hij daarmee de mogelijke
                    opname van de levensloopvoorziening tijdens de periode van onbezoldigd volledig
                    verlof of verkort hij de periode dat zijn opname uit de levensloopvoorziening
                    70% van de oude bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de leeftijd van 62 jaar kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is het
                    naar voren halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat
                    moment ontslag verleend worden op grond van artikel 8:2.</al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                    ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt
                    actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat. Als betrokkene een eigen
                    financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd volledig verlof,
                    kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde lid
                    van artikel 9b:26, gaat het onbezoldigd volledig verlof zoveel later in als het
                    moment van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat een kortere
                    periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde leeftijd. De ambtenaar
                    is vrij in de manier waarop hij deze periode financiert. De ambtenaar kan
                    bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de levensloopregeling (bijvoorbeeld
                    omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft gemaakt of omdat hij
                    gedurende kortere tijd een hogere uitkering wil uit de levensloopregeling). Ook
                    kan de ambtenaar er voor kiezen om zijn ouderdomspensioen later dan vanaf de
                    leeftijd van 62 jaar te laten ingaan (het versterkt OP wordt dan minder ver naar
                    voren gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor over een kortere periode
                    wordt verspreid, resulteert dit in een hoger ouderdomspensioen. Voor ambtenaren
                    met een lage OPopbouw kan dit een interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat over een
                    langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                    bedoeld in artikel 6:9, is de werkgever deze vorm van verlof kan opleggen. Omdat
                    sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd verlof, is ook artikel 6:10 lid 4
                    niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk dat de pensioenopbouw
                    tijdens de periode van verlof volledig voor rekening komt van de ambtenaar,
                    tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden wordt verleend. Bij de vorm van
                    onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, volgt de premie gedurende
                    de gehele periode van verlof met een maximum van drie, respectievelijk twee jaar
                    de normale werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:36.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof in
                    bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De ambtenaar met een functie, waaraan het college op 31 december 2005 een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of 60 jaar, heeft de keuze om het moment van
                    het onbezoldigd volledig verlof later te laten ingaan. Deze ambtenaar moet dan
                    langer doorwerken tegen een volledig salaris. Deze ambtenaren hebben niet het
                    recht, dat artikel 9b:26 biedt. Het moment van onbezoldigd volledig verlof komt
                    namelijk eerder dan of valt gelijk met het moment, bedoeld in artikel 9b:26. De
                    vrijheid die artikel 9b:26, vijfde lid, biedt om het recht later te laten ingaan
                    en daarmee het moment van onbezoldigd volledig verlof later te laten ingaan, is
                    voor ambtenaren in een functie met een FLO-leeftijd van 59 of 60 jaar dus geen
                    automatisme. Daarom is de keuzevrijheid voor het later laten ingaan van het
                    onbezoldigd volledig verlof in dit artikellid opgenomen.</al><al>Het voordeel voor de ambtenaar is, dat hij langer ouderdomspensioen
                    opbouwt.</al><al>De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te werken.
                    De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die
                    op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Combinatie van artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35.Artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35 samen
                    betekenen, uitgaande van een FLO-leeftijd van 55 jaar, het volgende:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>B</al></entry><entry colname="col3"><al>C</al></entry><entry colname="col4"><al>D</al></entry><entry colname="col5"><al>E</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dienstjaren op 1 januari 2006</al></entry><entry colname="col2"><al>leeftijd ingang 50% werken tegen 90% bezoldiging</al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd ingang gedeeltelijk betaald verlof</al></entry><entry colname="col4"><al>percentage bezoldiging bij gedeeltelijk betaald verlof</al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd ingang onbezoldigd volledig verlof</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15-20</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>56 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>80%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10-15</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>57 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>78%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5-10</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>58 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>75%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 5</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>59 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>--</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar schuift de datum van kolom B en C op
                    terwijl de datum van kolom E gelijk blijven.</al><al>Als de ambtenaar er zelf voor kiest om de datum waarop hij 50% gaat werken tegen
                    90% van de bezoldiging op te schuiven (hij maakt dan gebruik van het vijfde lid
                    van artikel 9b:26), schuift de datum van kolom B, C en E op.</al><al>Op de ambtenaar, waarvoor het college op 31 december 2005, op grond van artikel
                    8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i290049"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, is alleen
                    kolom E van toepassing. Zij kunnen dit moment opschuiven.</al><tussenkop>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                    volledig verlof (T)</tussenkop><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                    Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter niets
                    over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling tussen werkgever
                    en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof, voor zover
                    dit verlof langer is dan drie, respectievelijk twee jaar. Voor de volledigheid
                    wordt het complete beeld geschetst van:</al><lijst><li nr="-"><al>de grondslag voor pensioenopbouw</al></li><li nr="-"><al>de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al></li><li nr="-"><al>de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                            binnen het FLO-overgangsrecht</al></li></lijst><al><cursief>De grondslag voor pensioenopbouw</cursief> In het Pensioenreglement
                    wordt verschil gemaakt in de grondslag voor pensioenopbouw bij onbezoldigd
                    volledig verlof</al><lijst><li nr="-"><al>met opname van levenslooptegoed en</al></li><li nr="-"><al>zonder opname van levenslooptegoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof met opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept>Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed pensioen wordt
                    opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname uit de levenslooppot
                    minder bedraagt dan 70%. In dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat
                    lagere percentage.</al><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof zonder opname van levenslooptegoed pensioenopbouw
                    plaatsvindt over zijn oude inkomen, als ware er geen sprake van onbetaald
                    verlof. Er vindt dus pensioenopbouw plaats over de volledige bezoldiging.</al><al><cursief>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</cursief> In het
                    Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens onbetaald verlof
                    met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar pensioen op kunnen bouwen
                    tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met FLO-overgangsrecht maakt het
                    Pensioenreglement een uitzondering. Zij bouwen tijdens het onbetaald verlof met
                    opname van levenslooptegoed voor een onbeperkte periode pensioen op tegen de
                    doorsneepremie. Voorwaarde daarbij is wel dat zij dat onbetaald verlof direct
                    voorafgaand aan het ouderdomspensioen genieten. Bij onbezoldigd volledig verlof
                    zonder opname van levenslooptegoed bouwen ambtenaren met FLO-overgangsrecht net
                    als andere ambtenaren voor onbeperkte duur pensioen op tegen
                    doorsneepremie.</al><al><cursief>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                        binnen het FLO-overgangsrecht</cursief> In de Pensioenovereenkomst wordt
                    geregeld dat de normale werkgeverswerknemerspremieverdeling gelijk is aan
                    70%-30%. Dit betekent dat de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk
                    het werknemersdeel) op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd gedurende
                    de eerste drie, respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd volledig verlof.
                    Na deze drie respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de ambtenaar
                    verschuldigde premies ten laste van die ambtenaar zelf. De werkgever, die de
                    verschuldigde premies afdraagt aan het ABP verhaalt na drie respectievelijk twee
                    jaar 100% op de ambtenaar. Dit regelt artikel 9b:36. Het verhaal van de premie
                    (30% in de eerste drie/twee jaar, 100% daarna) kan op de volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd verlof
                            kan de werkgever het werknemersdeel van de pensioenpremie direct
                            inhouden op de uitbetaling van de levensloopuitkering.</al></li><li nr="-"><al>Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd
                            verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen op de medewerker
                            niet verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de
                            ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De
                            gemeente dient afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering
                            ingelost wordt. Vast staat wel dat er feitelijke betaling van de
                            ambtenaar aan de gemeente dient plaats te vinden. Er volgen immers geen
                            perioden meer waarin de gemeente de vordering kan verrekenen met
                            betalingen aan de ambtenaar; het onbezoldigd volledig verlof duurt voort
                            totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantiereg. bij
                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na
                    1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                    arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene en
                    werkgever zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging de reguliere
                    regels van loondoorbetaling bij ziekte.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Lid 1 gaat over de ambtenaar die op grond van ziekte niet conform artikel 9b:26
                    (50% werken tegen 90% bezoldiging respectievelijk voor ambulancepersoneel 60%
                    werken tegen 95% van de bezoldiging) kan werken. Op hem blijft hoofdstuk 7 van
                    toepassing tot het moment dat de datum bereikt wordt, waarop conform artikel
                    9b:28 gedeeltelijk betaald verlof verleend wordt. Op dat moment wordt hij
                    hersteld verklaard en wordt hem gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof
                    verleend. Op grond van artikel 9b:35 wordt hem vervolgens onbezoldigd volledig
                    verlof verleend.</al><al><vet>Lid 2, 3 en 5</vet></al><al> De ambtenaar die ziek wordt na de leeftijd van 50 jaar wordt op het moment,
                    bedoeld in artikel 9b:26 hersteld verklaard. Op hem is artikel 9b:26 van
                    toepassing, voor zover zijn medische geschiktheid het mogelijk maakt dat hij 50%
                    werkt tegen 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel 60% werkt tegen 95%
                    van de bezoldiging). Is dat niet mogelijk dan is op hem het vierde lid van
                    artikel 9b:26 van toepassing, waarin wordt verwezen naar het eerste lid van dit
                    artikel. Dat betekent dat deze ambtenaar toch weer ziek gemeld wordt en pas
                    beter gemeld wordt op het moment dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk
                    betaald buitengewoon verlof verleend wordt. Vervolgens wordt ook hem op grond
                    van artikel 9b:35 onbezoldigd volledig verlof verleend. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd was gesteld, wordt de ambtenaar bij het bereiken van
                    die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al><tussenkop>Artikel 9b:44</tussenkop><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht, is
                    onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige levensloopbijdrage ontvangt
                    dat hij bij het bereiken van 20 dienstjaren op de leeftijd waarop het
                    onbezoldigd volledig verlof ingaat (dit is standaard op de eerste dag van de
                    maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt)
                    een tegoed kan bereiken overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Voor een
                    ambtenaar die een FLO-functie bekleedde waaraan een FLO-leeftijd van 60 was
                    verbonden, geldt dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof
                    ingaat (standaard op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt) een tegoed bereikt kan hebben
                    overeenkomend met 140%. Als de ambtenaar minder dan 20 dienstjaren bereikt,
                    gelden de 210% of 140% naar rato van het aantal bereikte dienstjaren.</al><tussenkop>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren
                    op 1 januari 2006 (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In de ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is
                    uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra ouderdomspensioen.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2. </al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen die op 1
                    januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende functie hebben gewerkt.
                    Omdat dit artikel onderdeel is van de paragraaf die deze “overgangsgroep”
                    behandelt, is dit niet expliciet in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever aangegeven jaren
                    aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was. Hierop wordt het bedrag gebaseerd
                    dat op 53-jarige leeftijd wordt gestort. Het streven van deze storting is dat de
                    medewerker, in het geval hij op 59 jaar 20 dienstjaren heeft, op de leeftijd van
                    62 jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden x 76% van het gemiddelde loon
                    over de dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Als het
                    gaat om een medewerker, die een functie had, waaraan, op 31 december 2005, een
                    FLO-leeftijd was verbonden van 60 jaar, is het streven om op 60 jaar een bedrag
                    te hebben ter hoogte van 9 maanden x 76% x het gemiddelde loon over de
                    dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het
                    uiteindelijke pensioen van de medewerker is, is van veel factoren afhankelijk
                    (dienstjaren, deeltijdfactoren, moment van uittreden etc). LOGA-partijen hebben
                    hierover dus geen individuele garanties afgesproken. Goed om te weten is dat ABP
                    over de jaren tot 2004 het loon doorgeeft van 2004. Voor die tijd hanteerde ABP
                    het eindloonsysteem en zijn geen loongegevens bewaard van voorliggende
                    jaren.</al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                    vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente (zie
                    definitie 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is geweest, zodat
                    een berekening gemaakt kan worden van de storting die op 53-jarige leeftijd
                    wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan aantonen en dat inkomen is ook niet
                    (meer) bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente de volgende leidraad
                    hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan van het inkomen van
                    een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de storting voor een
                    vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd. Daarbij
                    geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de betreffende medewerker als
                    vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam waren bij een ambulancedienst in
                    de particuliere sector kan de gemeente het salaris uit het jaar voorafgaand aan
                    de storting hanteren dat gekoppeld was aan een vergelijkbare functie binnen de
                    gemeentelijke ambulancedienst. Ook dit bedrag hoeft niet meer te worden
                    geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in de formule
                    uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar analogie van artikel
                    3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van toepassing. Dit
                    betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting, premies volksverzekeringen,
                    premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringswet worden
                    ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De werkgever vraagt de
                    indexatiefactoren bij het ABP op.</al><al><cursief>Wat moet de werkgever doen? </cursief>Als de medewerker, die onder het
                    overgangsrecht valt, 53 jaar wordt, berekent de werkgever het bedrag dat moet
                    worden gestort in AEP. De gegevens die de werkgever nodig heeft voor de
                    berekening kunnen worden opgevraagd bij het ABP. </al><lijst><li nr="1"><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnenkort 53 jaar
                            wordt.</al></li><li nr="2"><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee de medewerker
                            toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens aan de werkgever
                            te verstrekken. Geeft de medewerker geen toestemming dan kan de
                            werkgever het ouderdomspensioen van die medewerker niet versterken. Er
                            vindt dan geen storting van de werkgever plaats. De werkgever heeft de
                            toestemming nodig om de gegevens op te vragen die nodig zijn om de
                            benodigde storting te kunnen berekenen. Bij de ledenbrief van 27
                            november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief
                            opgenomen waarmee de werkgever de medewerker om toestemming kan
                            verzoeken.</al></li><li nr="3"><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en
                            deeltijdfactoren per jaar op van de dienstjaren van betrokken medewerker
                            bij de brandweer of ambulance. Ook vraagt de werkgever de
                            indexatiefactoren over de betreffende dienstjaren op. Hiertoe neemt de
                            werkgever contact op met de BU-SV, Special Services van het ABP, postbus
                            4806, 6401 JL Heerlen. Het ABP levert de werkgever de pensioengevende
                            inkomens van de dienstjaren, de bijbehorende deeltijdfactoren en de
                            indexatiefactoren. Zie de toelichting op lid 2 en 3 voor het geval de
                            medewerker nog geen 20 dienstjaren heeft.</al></li><li nr="4"><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met de
                            deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze bedragen bij elkaar op
                            en deelt ze door het totaal aantal jaar. Tenslotte vermenigvuldigt hij
                            dit bedrag met 57%, als de medewerker op 53 jarige leeftijd al 20
                            dienstjaren heeft. Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de
                            leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij leeftijd 53
                            geldt.</al></li><li nr="5"><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag wordt
                            gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen (59.34.95.004,
                            ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct gevolgd met het
                            klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker
                            klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP bekend is,
                    over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen van peildatum 1 januari
                    2004. Dit houdt verband met de wijziging van eindloonstelsel naar
                    middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is ingevoerd.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Het kan zijn dat mensen op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren
                    hebben. Dan hebben zij nog geen recht op een storting van 57% van het gemiddeld
                    loon. Het percentage wat van dit gemiddelde loon wordt gestort is het aantal
                    dienstjaren op het moment van storting gedeeld door 20 maal 57%. Dus als een
                    medewerker 15 dienstjaren heeft op 53 jaar dan stort de werkgever een bedrag van
                    het gemiddelde loon over die 15 jaar maal 15/20ste van 57%.</al><al>Bij doorwerken in een bezwarende functie na de leeftijd van 53 jaar wordt ieder
                    jaar een extra bedrag gestort. Het recht op deze stortingen ontstaat bij het
                    bereiken van de eerstvolgende leeftijd. De stortingen stoppen op 59-jarige
                    leeftijd of bij het bereiken van 20 dienstjaren. Het streven van de stortingen
                    is dat, bij het bereiken van 20 dienstjaren op of voor 59-jarige leeftijd, op de
                    leeftijd van 62 jaar een bedrag beschikbaar is van 9 maanden x 76% x het
                    gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker. Heeft
                    de medewerker op 59-jarige leeftijd minder dan 20 dienstjaren, dan geldt dit
                    streven naar rato van het aantal dienstjaren op 59 jaar. </al><al>Voor mensen die op 31 december 2005 een functie bekleedden, waarin een
                    FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden, geldt dat de stortingen doorgaan tot 60
                    jaar, dan wel tot het bereiken van 20 dienstjaren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de gehele
                    storting uit lid 1 of lid 3 gedaan kan worden. ABP controleert jaarlijks
                    eenmaal, in november, of de medewerker voldoende fiscale ruimte heeft. Het kan
                    zijn dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd heeft
                    gedaan, omdat de medewerker al voor november 53 jaar is geworden. Blijkt dat er
                    onvoldoende fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP Extra Pensioen te
                    doen, dan stort ABP het teveel na de controle terug naar de werkgever, die dat
                    op zijn beurt doorstort naar de medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het reguliere
                    bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er loonbelasting, premies
                    volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies
                    zorgverzekeringswet over worden betaald en ingehouden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de leeftijd van
                    53 jaar, heeft ook recht op het bedrag genoemd in lid 1 of lid 2 (lid 2 wordt
                    toegepast wanneer de ambtenaar op 53-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren
                    heeft). Dat bedrag wordt bij uitdiensttreden in AEP gestort. Maar omdat dat
                    bedrag langer kan renderen, wordt een andere leeftijdsafhankelijke factor
                    toegepast (zie artikel 9b:45a), namelijk die factor die bij de leeftijd van
                    uittreden hoort. Lid 4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan de
                    medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het pensioengevend inkomen.
                    Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden dus geen pensioenpremies
                    afgedragen.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan de
                    medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging. Dit betekent dat
                    hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat het tevens geen salaris is,
                    wordt hierover ook geen eindejaarsuitkering berekend.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Iemand kan de werkgever vragen om het moment waarop hij 50% gaat werken tegen
                    doorbetaling van 90% van de bezoldiging (respectievelijk 60% gaat werken tegen
                    doorbetaling van 95% van de bezoldiging) op te schuiven (artikel 9b:26 lid 5).
                    Als hij dit doet, wordt het aantal dienstjaren voor de toepassing van dit
                    artikel niet hoger dan het op 59-jarige leeftijd is. Dus als de medewerker op
                    59-jarige leeftijd 15 dienstjaren heeft in een bezwarende functie, is het
                    streven van de storting die op 53-jarige leeftijd en daarna tot 59 jaar wordt
                    gedaan een bedrag van 9 maanden x 76% x het gemiddelde loon van de 15
                    dienstjaren.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>De medewerker met een functie, waaraan op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van
                    59 of 60 was verbonden, gaat direct met onbezoldigd volledig verlof. Voor hem is
                    er dus geen periode van gedeeltelijk betaald verlof. Op hem is artikel 9b:25,
                    lid 5, dus niet van toepassing (zie de toelichting op lid 8). Hij kan wel
                    verzoeken om het moment van onbezoldigd volledig verlof op te schuiven (artikel
                    9b:35, lid 4). Als dit verzoek gehonoreerd wordt, wordt het aantal dienstjaren
                    voor de toepassing van dit artikel niet hoger dan het was op 59-jarige
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te weten wat
                    het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in ABP Extra Pensioen is
                    gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op de vraag of hij moment van minder
                    gaan werken wil uitstellen. Daarom kan de medewerker zijn werkgever eenmalig
                    verzoeken om een indicatie te geven van het verwachte stortingsbedrag. Met een
                    rekentool op abp.nl kan de medewerker dan berekenen wat dit bedrag zou betekenen
                    voor de verwachte hoogte van zijn pensioen. Het college bepaalt in overleg met
                    de medewerker het geschikte moment voor de eenmalige indicatie. Hierbij wordt
                    geadviseerd rekening te houden met mogelijke carrièrestappen van de medewerker.
                    Als die nog worden verwacht dan is het geven van een indicatie niet zinvol. De
                    berekening van dat bedrag is namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt
                    met eventuele carrièrestappen geen rekening.</al><tussenkop>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder
                    dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 (T)</tussenkop><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële tarieven die
                    ABP hanteert. In de tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren genoemd.
                    Welke factor gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd die de
                    ambtenaar heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen
                    doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er zijn uitzonderingen
                    denkbaar dat de storting op een andere leeftijd geschiedt. Voor meer informatie
                    over de diverse uitzonderingen zie ledenbrief van 27 november 2008
                    (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag
                    gegenereerd moet zijn van € 10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet,
                    bij de rendementen die ABP verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van €
                    7.950 gestort worden (€ 10.000 x 0,795). Als er op een later moment dan op
                    53-jarige wordt gestort, dan wordt het te storten bedrag ieder jaar hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                    leeftijdsafhankelijke factor.</al><tussenkop>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:45 lid 5 is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP Extra
                    Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit de bezwarende
                    functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar uit de bezwarende
                    functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze regionalisering jonger is dan 53
                    jaar, zou de werkgever dus op dat moment een storting moeten doen. Deze storting
                    op een eerder moment dan 53 jaar heeft gevolgen voor de uiteindelijke hoogte van
                    het pensioen. Deze gevolgen kunnen positief of negatief zijn, afhankelijk van
                    het rendement dat het gestorte bedrag oplevert. Door de eerdere storting wordt
                    het rendementsrisico dus bij de ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van het
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te blijven, is
                    geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie vanwege de
                    regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt in de afspraak over
                    het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de storting nog steeds op 53
                    jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een storting naar rato van het totaal
                    aantal dienstjaren in de bezwarende functie, dus zowel die bij de nieuwe
                    werkgever, als die bij de gemeente en diens voorgangers. De gemeente en de
                    nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van inkoop OP
                    verdeeld worden.</al><tussenkop>Artikel 9b:50 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                    onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht
                    gaf op functioneel leeftijdsontslag.Artikel 9b:50, 9b:51 en 9b:52 gelden voor de
                    ambtenaar, die ondanks het feit dat een FLO-leeftijd was vastgesteld, geen
                    bezwarende functie vervulde. </al><tussenkop>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op
                    1 januari 2006, in een niet bezwarende functie (T)</tussenkop><al>Vanaf 1 januari 2006 ontvangen de ambtenaren, geboren na 1949, met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 de reguliere levensloopbijdrage van
                    1,5%.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9c Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9d Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 9e:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk geldt alleen voor ambtenaren die op 31 december 2005 een
                    FLO-functie bekleedden bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of
                    gemeentelijke ambulancedienst en die vanaf 1 januari 2006 onafgebroken een
                    bezwarende functie bekleden, waaraan op 31 december 2005 op grond van artikel
                    8:3 leeftijdsgrenzen waren verbonden. De ambtenaar op wie artikel 9b:49 van
                    toepassing is, is de ambtenaar in een bezwarende oud FLO-functie, die geboren is
                    voor 1950, maar die niet voldoet aan de voorwaarden voor FPU. Hij krijgt
                    dezelfde rechten als ambtenaren in bezwarende oud FLO-functies, die geboren zijn
                    na 1949.</al><tussenkop>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><cursief>Onderdeel h</cursief>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                    bestaat uit een levensloopverzekering en een netto spaarverzekering. Storting op
                    de netto-spaarverzekering van Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance kan
                    nodig zijn omdat de levensloopbijdrage die verstrekt wordt uitstijgt boven het
                    maximale bedrag dat fiscaal gunstig op een levensloopverzekering gestort mag
                    worden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>LOGA-partijen zijn met Loyalis een levensloopproduct overeengekomen, Loyalis
                    Levensloop Brandweer &amp; Ambulance. Dit levensloopproduct biedt onder
                    voorwaarden de garantie dat de individuele ambtenaar op de leeftijd van 59,
                    respectievelijk 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 210%, respectievelijk
                    140% van hun bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2 (zie hierna artikel 9e:8 en
                    9e:9).</al><al>Voorwaarde voor deze garantie is dat de ambtenaar </al><lijst><li nr="-"><al> daadwerkelijk deelneemt aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                            Ambulance,</al></li><li nr="-"><al>de werkgever verzoekt om de complete levensloopbijdrage beschikbaar te
                            stellen voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</al></li><li nr="-"><al>deze complete levensloopbijdrage ook daadwerkelijk inlegt op het moment
                            dat de werkgever deze bijdrage verstrekt</al></li><li nr="-"><al>niet tussentijds tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                            Ambulance.</al></li></lijst><al>De genoemde voorwaarden samen vormen het LOGA-pad. Alleen wanneer ambtenaren dit
                    LOGA-pad volgen, hebben zij de garanties, bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9. </al><tussenkop>Artikel 9e:6 Inleg (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Onderdeel van het formulier waarop de ambtenaar zijn melding doet is de optie
                    dat hij het LOGA-pad wil volgen en dat hij zijn complete levensloopbijdrage wil
                    inleggen (tot aan de fiscale grens van 12% op de levensloopverzekering plus het
                    eventueel meerdere op de netto spaarverzekering). Hij weet dan niet het exacte
                    bedrag noch de hoogte van het voor hem door Loyalis bepaalde maatwerkpercentage.
                    Als Loyalis een nieuw maatwerkpercentage doorgeeft, wijzigt het bedrag dat de
                    ambtenaar inlegt op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance, tenzij de
                    ambtenaar aangeeft dat hij een ander bedrag wil inleggen. Legt hij een lager
                    bedrag in, dan wijkt hij daarmee af van het LOGA-pad en vervallen zijn
                    garanties.</al><tussenkop>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of
                    meer op 1 januari 2006 (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1, 2 en 3</vet></al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft op 1
                    januari 2006 20 dienstjaren of meer in een oud FLO-functie. Hij moet vanaf 1
                    januari 2006 onafgebroken een bezwarende oud FLO-functie bekleden.</al><al>Deze ambtenaar heeft, als hij tot 59-jarige leeftijd in een bezwarende oud
                    FLO-functie blijft werken en als hij een functie bekleedt met een FLO-leeftijd
                    van 55 tot en met 59 jaar, op 59-jarige leeftijd recht op een tegoed
                    overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Bekleedt hij een FLO-functie
                    waaraan een FLO-leeftijd van 60 was verbonden, dan geldt een maximum van 140% op
                    60-jarige leeftijd. De levensloopbijdrage, die – mits het LOGA-pad gevolgd wordt
                    – leidt tot dit tegoed overeenkomend met 210% respectievelijk 140%, ontvangt hij
                    van de werkgever.</al><al>Lid 1 en 2 spreken over een tegoed overeenkomend met 210%, respectievelijk 140%
                    van de bezoldiging. De woorden ‘overeenkomend met’ zien op het feit dat de
                    ambtenaar zowel in de levensloopverzekering als in de netto spaarverzekering kan
                    hebben ingelegd. Genoemde percentages zijn bruto bedragen. De inleg in de
                    levensloopverzekering is ook bruto. De inleg in de netto spaarverzekering is
                    echter netto; hier zijn de loonheffingen (waaronder loonbelasting) al vanaf
                    gehaald. Als sprake is van een combinatie van levenslooptegoed en netto
                    spaarverzekeringstegoed kan dit dus niet worden opgeteld tot 210%,
                    respectievelijk 140%. Voor medewerkers die bij het volgen van het LOGA-pad geen
                    gebruik hebben hoeven maken van de netto spaarverzekering gelden wel de
                    percentages van 210% respectievelijk 140% aan opgebouwd levenslooptegoed.</al><al>Het percentage van 210% wordt gebaseerd op de bezoldiging die de grondslag vormt
                    voor de keuzes die de ambtenaar eerder op grond van artikel 9b:4 heeft kunnen
                    maken. Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 55 jaar, dan
                    geldt het keuzemoment op 55-jarige leeftijd en geldt als grondslag de
                    bezoldiging die betrokkene gemiddeld ontving in de 12 maanden voorafgaande aan
                    zijn 55e. Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 57 jaar, dan
                    geldt het keuzemoment op 57-jarige leeftijd en geldt als grondslag voor de 210%
                    dus de bezoldiging die betrokkene gemiddeld ontving in de 12 maanden voorafgaand
                    aan zijn 57e. Deze bezoldiging wordt na de leeftijd waarop de keuzes zijn
                    ingegaan geïndexeerd met de generieke salarisverhoging die in de gemeentelijke
                    sector wordt afgesproken.</al><al>Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 60 jaar, dan geldt
                    geen keuzemoment en gaat betrokkene op de leeftijd van 60 jaar met onbezoldigd
                    volledig verlof. De grondslag voor het percentage van 140% is dan de
                    bezoldiging, die de ambtenaar gemiddeld ontving in de 12 maanden voordat hij 60
                    werd.</al><al>De levensloopbijdrage stopt op de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar.
                    Opschuiven van het keuzemoment van artikel 9b:4 leidt tot niet tot langer
                    doorbetalen van de levensloopbijdrage.</al><al><cursief>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar</cursief> In het
                    halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden controleert Loyalis of op de
                    leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis levensloop
                    Brandweer Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                    LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de periode na de
                    vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><lijst><li nr="-"><al>de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte rendementen
                            ten tijde van de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage of</al></li><li nr="-"><al>de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de verwachte
                            bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het laatste
                            maatwerkpercentage.</al></li></lijst><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het LOGA-pad heeft
                    gevolgd, verstrekt de werkgever een nabetaling waarmee dit tekort wordt
                    opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vindt plaats in het halfjaar nadat de
                    ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud FLO-leeftijd van 60 jaar was
                    vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het LOGA-pad is gedefinieerd in artikel 9e:2. Loyalis bepaalt voor alle
                    ambtenaren op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is de hoogte van
                    de levensloopbijdrage. De hoogte is gebaseerd op de rente die Loyalis reeds
                    behaald heeft op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance en die voor de
                    toekomst verwacht wordt op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.
                    Jaarlijks wordt de werkgeversbijdrage bijgesteld op grond van onder meer de
                    rentestand en de ontwikkelingen in de bezoldiging van de individuele
                    ambtenaar.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend.</al><al><vet>Lid 6 en 7</vet></al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt uitgekeerd. Er wordt
                    ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd, omdat de eindejaarsuitkering
                    alleen over het salaris wordt berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet meetelt voor het bepalen van
                    de bezoldiging, waarop de betalingen na de oud FLO-leeftijd gebaseerd zijn.</al><tussenkop>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                    dienstjaren op 1 januari 2006 (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 9e:8. </al><al>Het verschil met 9e:8 is dat het hier gaat om ambtenaren die op 1 januari 2006
                    (nog) geen 20 dienstjaren hadden bereikt. Het kan zijn dat deze ambtenaren ook
                    op 59-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren hebben in een oud
                    FLO-functie.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al><cursief>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar </cursief>In het
                    halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden controleert Loyalis of op de
                    leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis levensloop
                    Brandweer &amp; Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                    LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de periode na de
                    vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><lijst><li nr="-"><al>de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte rendementen
                            ten tijde van de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage of</al></li><li nr="-"><al>de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de verwachte
                            bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het laatste
                            maatwerkpercentage.</al></li></lijst><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het LOGA-pad heeft
                    gevolgd, verstrekt de werkgever een nabetaling waarmee dit tekort wordt
                    opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vind plaats in het halfjaar nadat de
                    ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud FLO-leeftijd van 60 jaar was
                    vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4 en 5</vet></al><al>Van belang is hier dat alle jaren tot 59 jaar respectievelijk tot 60 jaar
                    meetellen. Voor de ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd tussen 55
                    en 59 jaar is dit van belang. Het derde lid impliceert namelijk dat ook de jaren
                    dat zij gedeeltelijk betaald, maar wel volledig verlof hebben ook meetellen als
                    dienstjaren. Opschuiven van het moment waarop de ambtenaar 50% respectievelijk
                    60% gaat werken tegen 90% respectievelijk 95% van zijn bezoldiging leidt niet
                    tot opschuiven van het moment tot welk het aantal dienstjaren “geteld wordt”.
                    Dat moment blijft staan op 59 jaar.</al><al>De ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd van 60, moeten tot hun
                    60e volledig doorwerken. Daarna krijgen zij onbezoldigd volledig verlof.
                    Uiteraard tellen alle jaren tot 60 jaar als dienstjaar mee. Opschuiven van het
                    moment waarop ambtenaren met onbezoldigd volledig verlof gaan leidt niet tot
                    opschuiven van het moment tot welk het aantal dienstjaren “geteld wordt”. Dat
                    moment blijft staan op 60 jaar. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Als de ambtenaar inderdaad minder dan 20 dienstjaren heeft op 59-jarige leeftijd
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd, geldt dat de levensloopbijdrage leidt tot
                    een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren op 59-jarige leeftijd
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd. Als betrokkene een oud FLO-leeftijd had van
                    55 jaar en op 59-jarige leeftijd 18 dienstjaren heeft bereikt, heeft hij op
                    59-jarige leeftijd recht op een tegoed overeenkomend met 18/20 x 210% van zijn
                    bezoldiging. Hetgeen vermeld is in de toelichting op lid 2 en 3 is hierop van
                    overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend. </al><al><vet>Lid 9 en 10</vet></al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt uitgekeerd. Er wordt
                    ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd, omdat de eindejaarsuitkering
                    alleen over het salaris wordt berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als bedoeld i artikel
                    9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet meetelt voor het bepalen van
                    de bezoldiging, waarop de betalingen na de oud FLO-leeftijd gebaseerd zijn.</al><tussenkop>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>onderdeel a</al><al>Wanneer de ambtenaar overlijdt voordat het eerste moment is bereikt waarop hij
                    onbezoldigd volledig verlof kan opnemen, stopt de levensloopbijdrage. Hiermee
                    wordt gedoeld op de leeftijd van 59 jaar (bij een oud FLO-leeftijd van 55 tot en
                    met 59 jaar) respectievelijk 60 jaar (bij een oud FLO-leeftijd van 60 jaar.</al><al>Wat er gebeurt met het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed dat
                    tot dat moment is opgebouwd, is afhankelijk van de polis die de ambtenaar heeft
                    afgesloten. Uitgaande van Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance geldt het
                    volgende: heeft de ambtenaar direct voorafgaand aan het overlijden een dekking
                    voor restitutie bij overlijden lopen bij Loyalis, dan ontvangen de nabestaanden
                    90% van het opgebouwde tegoed waarvoor de ambtenaar zich verzekerd heeft. Heeft
                    de ambtenaar direct voorafgaand aan het overlijden geen dekking voor restitutie
                    bij overlijden, dan komt het tegoed ten goede aan Loyalis.</al><al>In geval de ambtenaar geen gebruik maakt van Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance maar de levensloopbijdrage heeft ondergebracht op een ander
                    verzekerings- of spaarproduct, dan gelden bij overlijden de voorwaarden van de
                    desbetreffende bank of verzekeraar.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>onderdeel b</al><al>De beëindiging van de bezwarende functie kan gelegen zijn in ontslag, maar het
                    is ook mogelijk dat herplaatsing daarvan de oorzaak is.</al><al>Het is mogelijk dat de medewerker ontslagen wordt uit zijn bezwarende functie en
                    vervolgens co artikel 9b:1, tweede lid opnieuw werkzaam wordt in een andere
                    bezwarende ex-FLO-functie. Bij de oud-werkgever stopt de deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht. Indien het
                    FLO-overgangsrecht bij de nieuwe werkgever doorloopt, dan valt de medewerker bij
                    die nieuwe werkgever opnieuw onder de gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Indien een ambtenaar herplaatst wordt en hij niet langer aangesteld is in zijn
                    bezwarende functie, stopt deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht. Daarbij maakt het niet uit wat de reden van herplaatsing
                    (wegens ziekte, tweede loopbaan of anderszins) is.</al><tussenkop>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 tot en met 5</vet></al><al>Wanneer de ambtenaar uit de bezwarende functie ontslag wordt verleend voordat
                    hij met onbezoldigd volledig verlof gaat (dat is op 59-jarige leeftijd of op
                    60-jarige leeftijd) wordt de levensloopbijdrage afgekocht naar rato van het
                    aantal dienstjaren op het moment van ontslag.</al><al>Had iemand op 1 januari 2006 al 20 dienstjaren of meer in een oud FLO-functie,
                    dan heeft hij op dat moment al recht gekregen op een tegoed overeenkomend met
                    210% respectievelijk 140% op 59- respectievelijk 60-jarige leeftijd. De afkoop
                    van deze rechten bij ontslag voor de 59- of 60-jarige leeftijd moet dan ook
                    kunnen leiden tot een bedrag overeenkomend met 210% respectievelijk 140% van de
                    bezoldiging op het moment van ontslag op die leeftijd.</al><al>Had iemand op 1 januari 2006 echter minder dan 20 dienstjaren in een oud
                    FLO-functie, dan is het daadwerkelijke aantal dienstjaren op het moment van
                    ontslag bepalend voor het afkoopbedrag.</al><al>Heeft betrokkene op het moment van ontslag 10 dienstjaren in een oud
                    FLO-functie, dan krijgt hij een afkoopbedrag dat in de jaren tot aan de leeftijd
                    van 59 of 60 jaar volgens de uitgangspunten die zijn vastgesteld in het LOGA kan
                    renderen tot 10/20 x 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag
                    (respectievelijk 10/20 x 140% van de bezoldiging op het moment van
                    ontslag).</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald. Loyalis moet dus door
                    de werkgever geïnformeerd worden over het aanstaande ontslag van de
                    medewerker.</al><tussenkop>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering (T)</tussenkop><al>Op basis van het eerste of tweede lid van artikel 9e:11 hebben medewerkers recht
                    op een afkoopbedrag als zij de bezwarende functie verlaten. Artikel 9e:11a
                    regelt hierop een uitzondering voor medewerkers die ontslag krijgen uit de
                    bezwarende functie wegens regionalisering (bijvoorbeeld door het vormen van
                    veiligheidsregio’s). Zij hebben geen recht op afkoop van de levensloopbijdrage.
                    Voorwaarde voor die uitzondering is dat de medewerkers ook bij de nieuwe
                    werkgever recht hebben op FLO-overgangsrecht. Wanneer de nieuwe werkgever het
                    FLO-overgangsrecht van toepassing verklaart, betekent regionalisering geen einde
                    van het FLO-overgangsrecht. Dit houdt in dat ook bij de nieuwe werkgever recht
                    bestaat op een levensloopbijdrage. Deze levensloopbijdragen dragen bij aan
                    hetzelfde doel (zie hierna: Garantie) als de levensloopbijdragen die de gemeente
                    verstrekte. Anders dan bij individuele gevallen van ontslag, gaat het bij
                    regionalisering vaak om een groot aantal medewerkers dat ineens overgaat naar de
                    nieuwe werkgever. Zou de gemeente verplicht tot afkoop moeten overgaan, dan zou
                    die geconfronteerd worden met afkoopbedragen voor al deze medewerkers. De
                    gemeente zou in een keer dus veel geld moeten uitkeren. Om dit te voorkomen
                    hoeft de gemeente niet tot afkoop over te gaan. De gemeente en de nieuwe
                    werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van toekomstige
                    levensloopbijdragen verdeeld worden.</al><al><cursief>Garantie</cursief> Of de werkgever nu voor afkoop kiest of voor
                    declaratiestructuur met de nieuwe werkgever, de medewerker behoudt bij het
                    volgen van het LOGA-pad in beide gevallen de garantie dat hij bij het bereiken
                    van 20 dienstjaren op de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar een tegoed
                    heeft overeenkomend met 210%, respectievelijk 140% van zijn bezoldiging (zie
                    artikel 9e:8 en 9e:9). Bij minder dan 20 dienstjaren geldt een garantie naar
                    rato.</al><tussenkop>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:1, tweede lid is bepaald dat het FLO-overgangsrecht wordt
                    voortgezet, wanneer de ambtenaar uit de ene bezwarende oud FLO-functie overstapt
                    naar de andere bezwarende oud FLO-functie. Ook in dat geval worden de rechten
                    tot het moment van overstap afgekocht door de “oude werkgever”. De nieuwe
                    werkgever betaalt dan weer de levensloopbijdrage, waarbij de hoogte door Loyalis
                    bepaald wordt. Loyalis houdt er hierbij rekening mee dat de afkoop volgens het
                    LOGA-pad gestort is. Dit betekent dat het afkoopbedrag van de “oude werkgever”
                    dus ingelegd is in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment
                    van uitbetaling door de werkgever en dat er geen tegoed is opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 10 Wachtgeld (T)</tussenkop><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290050"></illustratie></plaatje> moet worden geraadpleegd.</al><tussenkop>Artikel 10:1 Betrokkene (T)</tussenkop><al><vet>begrip betrokkene</vet>In de CAR is het belanghebbende-begrip (de Algemene
                    wet bestuursrecht noodzaakt tot de invoering van de term betrokkene) zodanig
                    omschreven dat dit begrip erin voorziet dat alle gevallen waarbij
                    wachtgeldaanspraken kunnen ontstaan nu in één artikel in het hoofdstuk wachtgeld
                    bij elkaar s taan. Op grond van het bepaalde in het tweede lid heeft ook degene
                    recht op wachtgeld die zelf ontslag gevraagd heeft, nadat schriftelijk aan
                    betrokkene kenbaar is gemaakt dat het bestuursorgaan voornemens is ontslag te
                    verlenen wegens reorganisatie danwe wegens arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop>Artikel 10:3 Diensttijd (T)</tussenkop><al><vet>begrip diensttijd</vet>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van
                    het hoofdstuk wachtgeld de tijd is, doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het
                    ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede de
                    tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking en uitbreiding
                    ambtenaarschap in de zin van de pensioenwet (S ter t. 1994, 98) bovengenoemd
                    ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd
                    doorgebracht als seizoenswerker of als deelnemer aan een
                    werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid. In
                    de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan
                    een jaar niet mee voor de berekening van de wachtgeldduur. Deze tijd
                    doorgebracht in overheidsdienst, voorafgaand aan een onderbreking van langer dan
                    een j aar, telt - op grond van het bepaalde in artikel 10:3, onderdeel a, wel
                    mee bij de beoordeling of betrokkene een diensttijd heeft van ten minste tien
                    jaar, dan wel voor het beoordelen of aanspraak bestaat op een bijzonder verlengd
                    wachtgeld (leeftijd en diensttijd bedraagt meer dan 60). Diensttijd die reeds in
                    aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht op wachtgeld of een
                    ontslaguitkering, telt in de regel niet nogmaals mee bij de vaststelling van
                    wachtgeldaanspraken. Ook deze hoofdregel kent weer uitzonderingen. Deze
                    diensttijd telt namelijk wel weer mee bij de beoordeling of betrokkene aan tien
                    dienstjaren komt, dan wel of de som van leeftijd en diensttijd op de
                    ontslagdatum meer bedraagt dan 60. Deze diensttijd telt ook nogmaals mee wanneer
                    de betrekking waaruit ontslag volgde, werd aanvaard op het moment dat betrokkene
                    wachtgelder was (in het kader van de bijzondere verlenging, artikel 10:8, derde
                    lid). Tijd doorgebracht als wachtgelder wordt dan wel in mindering gebracht op
                    de duur van een nieuw wachtgeld.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bij telling van diensttij d voor de opbouw van
                    wachtgeldaanspraken. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de
                    opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen.</al><tussenkop>Artikel 10:4 Dienstbetrekking (T)</tussenkop><al><vet>begrip dienstbetrekking</vet>Voor de omschrijving van het begrip
                    dienstbetrekking wordt aangesloten bij het begrip dienstbetrekking uit de WW.
                    Door de verwijzing naar de artikelen 4, 5 en 6 van de WW wordt bereikt dat de
                    reikwijdte van het begrip dienstbetrekking gelijk is aan die ingevolge de
                    WW.</al><tussenkop>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet> Algemeen </vet>Sinds de Wet terugdringing beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) kent het wachtgeldregime de
                    mogelijkheid van samenloop van een WAO-conforme uitkering (tot 1 januari 1996
                    een invaliditeitspensioen) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder
                    dan 80% en een wachtgeld. In een situatie van gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid is immers tevens sprake van werkloosheid, voorzover
                    betrokken ambtenaar zijn restcapaciteit niet kan benutten. Hierdoor wordt de
                    kring van rechthebbenden op een wachtgeld verruimd.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt in welke gevallen geen recht op een wachtgeld bestaat. In
                    onderdeel b wordt bepaald dat dit het geval is wanneer aanspraak bestaat op een
                    WAO-conforme uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
                    Betrokkene is in dat geval volledig arbeidsongeschikt en als gevolg daarvan niet
                    in staat arbeid te verrichten. Onderdeel c bepaalt dat er geen recht bestaat op
                    wachtgeld gedurende de periode dat aanspraak op suppletie geldend gemaakt kan
                    worden (zie hoofdstuk 11a).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid aanspraak op wachtgeld te maken
                    ingeval op de ontslagdatum sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    80% of meer, maar waarvan de arbeidsongeschiktheid nadien op een lager
                    percentage wordt vastgesteld. De hoogte en duur van dit alsnog toegekende
                    wachtgeld worden vastgesteld, te rekenen vanaf de ontslagdatum. Het wachtgeld
                    eindigt in beginsel op hetzelfde tijdstip als wanneer het zou eindigen indien
                    het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend. Hierbij geldt echter een
                    uitzondering.</al><al><vet>Onderdeel a</vet>Onderdeel a van het tweede lid bepaalt dat de duur van het
                    wachtgeld vanaf de datum van de afschatting wordt berekend op basis van de
                    WW-bodembepalingen (artikel 10:7). Ter bepaling van het arbeidsverleden dient
                    daarbij voor de toepassing van artikel 10:7, vierde lid, onderdeel a, tevens te
                    worden begrepen een invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Daarmee wordt bereikt dat ingeval van
                    afschatting de ambtenaar qua hoogte en duur niet minder uitkering ontvangt dan
                    een verzekerde in de zin van de WW.</al><al><vet>Onderdeel b</vet>Onderdeel b van het tweede lid bepaalt dat voor de
                    berekening van de duur van het wachtgeld vanaf de datum van afschatting op basis
                    van de omvang van de ambtelijke diensttijd de datum op grond waarvan het recht
                    op pensioen is ontstaan het uitgangspunt blijft. Artikel 10:8 wordt dus in die
                    zin toegepast dat hierbij wordt uitgegaan van de oorspronkelijke ontslagdatum.
                    De duur van het wachtgeld vanaf de datum van afschatting wordt uiteindelijk
                    vastgesteld volgens de berekeningswijze die de langste duur oplevert.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid bepaalt dat na afloop van de suppletie nog aanspraak op wachtgeld
                    gemaakt kan worden. Dit is uitsluitend het geval indien de duur van het
                    wachtgeld meer bedraagt dan de periode van 5,5 jaar (2 x 33 maanden) suppletie.
                    Een dergelijke wachtgeldduur kan alleen worden vastgesteld op basis van de
                    omvang van de diensttijd. Dit wachtgeld begint op de eerste dag nadat de
                    aanspraak op suppletie is geëindigd en duurt tot het moment waarop het zou
                    eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend. De hoogte
                    van dit wachtgeld wordt vastgesteld op zodanige wijze dat gerekend wordt vanaf
                    de oorspronkelijke ontslagdatum.</al><tussenkop>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld (T)</tussenkop><al>De basisduur van het wachtgeld bedraagt 6 maanden. Degenen die in de periode van
                    5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag gedurende ten minste 3 jaar in
                    dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam zijn geweest, komen in
                    aanmerking voor een verlengd wachtgeld. Het gaat hier om de zogenaamde
                    "arbeidsverleden-eis", een eis uit de op dit punt inmiddels gewijzigde WW.
                    (Ingevolge de WW dient betrokkene sinds 1 maart 1995 gedurende een periode van 5
                    jaar ten minste 4 jaar gewerkt te hebben om voor een verlengde uitkering - met
                    een duur die meer dan zes maanden bedraagt - in aanmerking te komen. Voor het
                    recht op een WW-uitkering is het in de eerste plaats noodzakelijk dat
                    betrokkene, voorafgaand aan de ontslagdatum, in een periode van 39 weken ten
                    minste gedurende 26 weken werkzaam is geweest). Met het oog op 1 januari 1998,
                    de datum waarop de WW beoogd wordt integraal van toepassing te zijn op
                    overheidspersoneel, is ervoor gekozen deze verzwaarde eis nog niet in ambtelijke
                    regelingen op te nemen). Een uitzondering geldt voor degenen die onmiddellijk
                    voorafgaand aan het ontslag een uitkering genieten op grond van de Algemene
                    Arbeidsongeschiktheidswet. Zij komen, zonder dat zij aan de
                    "arbeidsverleden-eis" behoeven te voldoen, voor een verlengd wachtgeld in
                    aanmerking. De duur van het verlengde wachtgeld is afhankelijk van de omvang van
                    het arbeidsverleden, dat bestaat uit een feitelijk en een fictief deel.</al><tussenkop>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgeldduur berekend wordt op twee wijzen, op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en op basis van de omvang van
                    het arbeidsverleden. De wachtgeldduur wordt uiteindelijk vastgesteld op basis
                    van de berekeningswijze die de langste duur oplevert. Bij de vergelijking blijft
                    de duur van het vervolgwachtgeld buiten beschouwing. Dit volgt uit de
                    formulering van het eerste lid, waarbij uitsluitend wordt verwezen naar het
                    bepaalde in artikel 10:7. De verlenging van het wachtgeld op basis van de som
                    van leeftijd en diensttijd (de bijzondere verlenging van het wachtgeld) telt wel
                    mee bij de vergelijking.</al><al>De wachtgeldduur op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd wordt
                    uitgedrukt in een percentage van de ambtelijke diensttijd. Hoe hoger de leeftijd
                    op de ontslagdatum, des te hoger het percentage waarin de diensttijd wordt
                    uitgedrukt in de duur van het wachtgeld. Het percentage van de diensttijd is
                    minimaal 18 bij een leeftijd van 20 jaar. Daarna neemt het met 1,5% per jaar toe
                    tot maximaal 78%.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid bepaalt op welke wij ze de diensttijd die bij een eerder toegekend
                    wachtgeld of toegekende uitkering in aanmerking is genomen, nogmaals meetelt
                    voor de berekening van een wachtgeldduur. Diensttijd wordt uitsluitend nogmaals
                    in aanmerking genomen bij de vaststelling van een wachtgeldduur, ingeval
                    betrokkene de dienstbetrekking waarui t ontslag volgde aanvaardde terwijl
                    aanspraak op een wachtgeld bestond. Daarbij geldt als vereiste dat beide
                    wachtgelden moeten zijn toegekend op basis van een wachtgeldduur, berekend op
                    basis van de omvang van de diensttijd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het vierde lid bepaalt dat, wanneer op de ontslagdatum de som van leeftijd en
                    diensttijd 60 of meer bedraagt en een diensttijd van ten minste tien jaar is
                    doorgebracht, de duur van het wachtgeld wordt verlengd tot de AOW-gerechtigde
                    leeftijd. Deze fase van bijzondere verlenging gaat in na afloop van de
                    wachtgeldduur, vastgesteld op grond van het bepaalde in het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Na afloop van het verlengde wachtgeld, als bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                    bestaat aanspraak op een vervolgwachtgeld. Wanneer de ontslagen ambtenaar
                    voldoet aan de arbeidsverleden-eis, maar vanwege de leeftijd op de ontslagdatum
                    geen aanspraak heeft op een verlengd wachtgeld, bestaat na afloop van de
                    basisduur van zes maanden aanspraak op een vervolgwachtgeld. Deze situatie is
                    geregeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij het arbeidsverleden minder dan
                    vijf jaar dient te omvatten. Een dergelijke situatie zal zich zelden voordoen,
                    namelijk alleen in die gevallen waarbij de wachtgelder op de ontslagdatum jonger
                    is dan 23 jaar.</al><al><vet>Lid 5 en 6</vet></al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de situatie waarbij sprake is van recht op een
                    vervolgwachtgeld met een kortere duur dan een jaar, respectievelijk 3,5 j aar.
                    Deze situatie kan zich voordoen wanneer de wachtgeldduur wordt vastgesteld op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en het verschil tussen deze
                    duurberekening en die op basis van de omvang van het arbeidsverleden minder
                    bedraagt dan een jaar. In dat geval ontstaat aanspraak op een vervolgwachtgeld
                    met een duur die korter is dan de gebruikelijke duur. Uiteindelijk betekent dit
                    dat het wachtgeld van degene die aanspraak heeft op een wachtgeld op basis van
                    de omvang van de diensttijd met inbegrip van een stukje vervolgwachtgeld, op
                    hetzelfde tijdstip eindigt als wanneer het wachtgeld met inbegrip van het
                    vervolgwachtgeld, geëindigd zou zijn, wanneer het zou zijn toegekend op basis
                    van de omvang van het arbeidsverleden. Het volgende voorbeeld dient als
                    toelichting. </al><tussenkop>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldpercentages (90, 80 en 70%) met 3
                    procentpunten verlaagd. Omdat ingevolge het bepaalde in de "Procentenwet" (wet
                    van 20 december 1984, Stb. 1984, 657) de uitkeringshoogten met 3 procentpunten
                    worden verhoogd, betekent het dat de hoogte van het wachtgeld 90%, 80% en 70%
                    bedraagt (respectievelijk 87%, 77% en 67% vermeerderd met 3%) gehandhaafd
                    blijft. Bij een mogelijk intrekken van de Procentenwet - van een concreet
                    beleidsvoornemen is momenteel nog geen sprake - zullen de percentages met
                    hetzelfde aantal procentpunten verhoogd worden. Het bedrag aan wachtgeld
                    bedraagt ten minste het bedrag aan opgebouwd ouderdomspensioen dat op de
                    ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de bijzondere verlenging (op basis van
                    artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het wachtgeld het eerste jaar van deze
                    verlenging ten minste 40% van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan
                    opgebouwd ouderdomspensioen.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 28-2-2001 (tot volgende artikelversie) veranderd
                        de toelichting:In de toelichting bij artikel 10:10 komt de tekst vanaf 'Het
                        bedrag aan wachtgeld' te luiden: Het bedrag aan wachtgeld bedraagt ten
                        minste het bedrag aan ouderdomspensioen dat op de ontslagdatum is opgebouwd.
                        Tijdens de bijzondere verlenging (op basis van artikel 10:8, vierde lid)
                        bedraagt het wachtgeld het eerste jaar van deze verlenging ten minste 40%
                        van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan ouderdomspensioen wanneer
                        dat lager is dan 40%. De gewezen ambtenaar die bijvoorbeeld 20 pensioenjaren
                        heeft, ontvangt gedurende het eerste jaar van de verlenging 40% van zijn
                        bezoldiging en daarna 35% van zijn bezoldiging (20 maal 1,7594). </cursief></al><tussenkop>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld (T)</tussenkop><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld bedraagt het minimumloon, behalve in die
                    gevallen waarbij het minimumloon meer zou bedragen dan 70% van de bezoldiging
                    Deze laatste toevoeging voorkomt dat bijvoorbeeld degene die uit een
                    deeltijdbetrekking is ontslagen, gedurende de fase van het vervolgwachtgeld met
                    een inkomensvooruitgang geconfronteerd zou worden. In dat geval kan het
                    minimumloon meer bedragen dan 70% van de bezoldiging en wordt het
                    vervolgwachtgeld vastgesteld op evengenoemd percentage. Het bedrag aan
                    minimumloon wordt niet aangevuld met 3% op grond van de Procentenwet. Dit geldt
                    ook ingeval het vervolgwachtgeld 70% van de bezoldiging bedraagt.</al><tussenkop>Artikel 10:12 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>In het kader van privatiseringen van onderdelen van de gemeentelijke organisatie
                    levert de leeftijd van 55 jaar, die als maximum geldt voor de verplichting
                    passende werkzaamheden te aanvaarden, nog wel eens onduidelijkheden op. Degenen
                    van 55 jaar en ouder wiens ambtelijke betrekking wordt omgezet in een private
                    betrekking, zijn op grond van deze bepaling namelijk niet verplicht deze
                    betrekking te aanvaarden. Een vergelijkbaar regime is overigens in de private
                    sector zeer gebruikelijk. Dit in de vorm van regelingen die erin voorzien dat
                    werkloze werknemers die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, niet gehouden zijn
                    passende arbeid te aanvaarden.</al><tussenkop>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte (T)</tussenkop><al>Ook de zieke ambtenaar die in het genot is van een wachtgeld, moet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de actieve zieke ambtenaar gelden. Immers, ook de zieke
                    wachtgelder komt in aanmerking voor geneeskundige begeleiding Daarbij komt dat
                    vastgesteld moet worden of en wanneer recht op een WAOconforme uitkering
                    ontstaat. Het eerste lid bepaalt dat de wachtgelder die ziek is en daardoor geen
                    werkzaamheden kan verrichten en de wachtgelder die weer beter is als gevolg
                    waarvan betrokkene weer werkzaam kan zijn, verplicht is burgemeester en
                    wethouders daarvan op de hoogte te stellen. In de praktijk zal het de afdeling
                    zijn die de wachtgelden uitvoert (doorgaans de afdeling P&amp;O), die in dat
                    geval geïnformeerd dient te worden. Bij het vaststellen van nadere voorschriften
                    met betrekking tot de geneeskundige begeleiding bij ziekte kan worden
                    aangesloten bij de bepalingen van hoofdstuk 7 van de UWO (voorzover de gemeente
                    daarbij is aangesloten). Het derde lid regelt de verplichting van een
                    wachtgelder om een WAO-conforme uitkering aan te vragen. In het vierde en vijfde
                    lid zijn sancties opgenomen, ingeval de wachtgelder verwijtbaar verzuimt een
                    WAO-conforme uitkering aan te vragen.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-11-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd: De woorden "burgemeester en wethouders" worden
                        vervangen door: het college. </cursief></al><tussenkop>Artikel 10:16 Vermindering (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet> Algemeen </vet>Bij de wijze van verrekening van neveninkomsten wordt het
                    uitgangspunt gehanteerd dat het oorspronkelijke niveau van de bezoldiging
                    behouden blijft. Immers, de wachtgelder mag bijverdienen zonder dat er gekort
                    wordt op het wachtgeld, voorzover het gezamenlijke bedrag aan wachtgeld en
                    neveninkomsten de oorspronkelijke bezoldiging niet teboven gaat. Het wachtgeld
                    wordt dus niet opgeschort ingeval er wordt bijverdiend, de einddatum van het
                    wachtgeld blijft ongewijzigd. Inkomsten wegens arbeid, bijvoorbeeld een
                    loondervingsuitkering, worden op dezelfde wijze verrekend. Dit is van belang
                    voor een gemeente die een wachtgeld uitbetaalt aan een gewezen werknemer, die
                    elders weer gaat werken. De inkomsten uit arbeid, alsmede de uitkering die daar
                    mogelijk uit voorkomt, worden verrekend op bovengenoemde wijze. Hoofdregel is
                    dat neveninkomsten, die reeds werden genoten op de dag voorafgaand aan de
                    ontslagdatum, buiten verrekening blijven.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Artikel 10:15, eerste lid, laatste volzin, bepaalt dat voor de verrekening van
                    neveninkomsten wordt uitgegaan van het bedrag aan wachtgeld, waarbij de
                    vermindering van het wachtgeld als gevolg van het feit dat de wachtgelder
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard, buiten beschouwing blijft. Indien
                    zou worden uitgegaan van het verminderde bedrag aan wachtgeld, zou dit er immers
                    toe leiden dat het "vrije" bedrag (het bedrag dat kan worden bijverdiend zonder
                    dat een korting op het wachtgeld plaatsvindt) hoger wordt. Het totale bedrag aan
                    wachtgeld, neveninkomsten en arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hierdoor het
                    bedrag van de laatstgenoten bezoldiging te boven gaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het bepaalde in het tweede lid heeft betrekking op een uitkeringssituatie die
                    zich zelden zal voordoen. Het gaat hierbij om de wachtgelder die tijdens de
                    wachtgeldperiode een nieuwe betrekking heeft aanvaard, waaruit hij
                    arbeidsongeschikt wordt. Als gevolg hiervan wordt betrokkene ontslagen. Er
                    ontstaat aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eventueel aangevuld
                    met een tweede ambtelijke uitkering. De wachtgelder in deze situatie gaat
                    vervolgens bijverdienen. In een dergelijke situatie zal betrokkene, die
                    arbeidsongeschikt is verklaard voor de betrekking die vervuld werd als
                    wachtgelder in de regel namelijk eveneens arbeidsongeschikt zijn voor de
                    oorspronkelijke betrekking waarin rnen werkzaam was. Uitgangspunt bij de
                    verrekening van neveninkomsten in deze situatie is dat deze inkomsten eerst in
                    de wachtgeldsfeer gevolgen hebben, waarbij het niveau van de oorspronkelijke
                    bezoldiging de bovengrens blijft. Wanneer de som van het oorspronkelijk
                    toegekende wachtgeld, de arbeidsongeschiktheidsuitkering al dan niet aangevuld
                    met een tweede ontslaguitkering en de neveninkomsten meer bedraagt dan de
                    oorspronkelijk genoten bezoldiging (uit de functie waaruit het eerste wachtgeld
                    werd toegekend), wordt eerst het oorspronkelijk toegekende wachtgeld verminderd
                    met het overschrijdende bedrag. Indien na deze vermindering nog een bedrag aan
                    overschrijding overblijft, wordt de eventueel toegekende (tweede)
                    ontslaguitkering verminderd met het bedrag aan overschrijding.</al><al>In het kader van dit artikel wordt tot slot kort ingegaan op de wijze van
                    verrekenen van neveninkomsten in een situatie waarbij sprake is van samenloop
                    van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een wachtgeld. In dat geval dienen
                    twee verschillende regimes van anti-cumulatie (die ingevolge het
                    pensioenreglement en die ingevolge de hoofdstukken wachtgeld en uitkering) op
                    elkaar aan te sluiten. Neveninkomsten worden eerst in de wachtgeldsfeer
                    verrekend, en nadien in de sfeer van de arbeidsongeschiktheidsregeling. Dit
                    betekent dat neveninkomsten op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering
                    worden gebracht, ingeval de neveninkomsten een zodanig bedrag vormen dat het
                    wachtgeld volledig wordt weggekort. Het pensioenreglement bepaalt dat inkomsten
                    uit of in verband met arbeid in mindering worden gebracht op het
                    invaliditeitspensioen, voorzover de som van invaliditeitspensioen,
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering en neveninkomsten meer bedraagt dat de
                    berekeningsgrondslag.</al><tussenkop>Artikel 10:17 Verlenging (T)</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de duur van een dienstbetrekking wordt toegevoegd aan de
                    toegekende wachtgeldduur, indien de wachtgelder binnen drie maanden na het
                    ontslag een soortgelijke betrekking gaat vervullen bij de gemeente die het
                    wachtgeld betaalt. Het wachtgeld wordt niet opgeschort, maar verlengd. Tijdens
                    het vervullen van de nieuwe betrekking, loopt het wachtgeld dus gewoon door en
                    worden de inkomsten verrekend.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Twee maanden na een reorganisatie-ontslag krijgt
                    betrokkene gedurende zes maanden een vergelijkbare betrekking aangeboden als die
                    waaruit ontslag volgde. De duur van het dienstverband van zes maanden wordt
                    toegevoegd aan de totaal toegekende wachtgeldduur van bijvoorbeeld drie jaar. De
                    ratio van dit artikel is hierin gelegen dat de werkgever "gestraft" wordt met
                    relatief zware wachtgeldlasten, indien de werkgever korte tijd na een gegeven
                    ontslag met recht op wachtgeld betrokkene soortgelijke werkzaamheden kan
                    aanbieden, als die waaruit het ontslag werd verleend. In dat geval doet zich de
                    vraag voor of het ontslag op dat moment strikt noodzakelijk was.</al><tussenkop>Artikel 10:18 Opschorting (T)</tussenkop><al>In de situatie waarbij ziekte optreedt binnen een maand na de ontslagdatum -
                    waardoor ingevolge artikel 7:6, eerste lid, zoals dat luidde op 1 januari 2003
                    aanspraak ontstaat op doorbetaling van de bezoldiging - wordt de uitvoering van
                    dit hoofdstuk opgeschort. Dit betekent dat het recht op wachtgeld ingaat per de
                    datum dat de ontslagen ambtenaar weer arbeidsgeschikt is.</al><tussenkop>Artikel 10:19 Samenloop (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Dit artikel regelt de samenloop van een wachtgeld en een
                    uitkering op grond van de WAO, dan wel een WAO-conforme uitkering al dan niet
                    vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een
                    arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Wanneer een ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt wordt verklaard, wordt het geldende bedrag aan wachtgeld
                    verminderd met een percentage, afhankelijk van de mate van
                    arbeidsongeschiktheid. Deze vermindering wordt toegepast met ingang van de
                    ontslagdatum indien per die datum aanspraak ontstaat op zowel een uitkering op
                    grond van de WAO, een WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met een
                    invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    minder dan 80%. De vermindering kan ook plaatsvinden vanaf een latere datum,
                    namelijk het moment waarop gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid optreedt. Door
                    deze vermindering resteert een bedrag aan wachtgeld dat afhankelijk is van de
                    mate waarin betrokkene in staat wordt geacht inkomsten te verwerven. Het
                    resterend bedrag aan wachtgeld wordt hierdoor evenredig aan de mate van
                    werkloosheid. Tevens wordt in dit artikel bepaald dat het totale bedrag aan
                    uitkering op grond van de WAO, dan wel het totale bedrag aan WAO-conforme
                    uitkering, al dan niet vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het
                    verminderde wachtgeld nooit meer kan bedragen dan het volledige bedrag aan
                    wachtgeld dat ontvangen zou zijn, wanneer geen uitkering zou zijn toegekend. Als
                    dat wel het geval is (bijvoorbeeld bij een hoog bedrag aan inverdiend pensioen),
                    wordt het overschrij dende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht. Het
                    hanteren van de bovengrens van het volledige wachtgeld leidt ertoe dat al
                    degenen aan wie een wachtgeld is toegekend gelijk behandeld worden. De
                    inkomenspositie van de ontslagen ambtenaar met aanspraak op wachtgeld is
                    hierdoor gelijk aan de positie van degene aan wie naast een wachtgeld tevens een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid is toegekend. Anderzijds voorkomt deze bovengrens dat
                    ingeval aan wachtgelders een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, er
                    een onbedoelde inkomensstijging plaats vindt.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>In het nieuwe tweede en derde lid is het element verwijtbaarheid ingebracht, in
                    de situatie waarbij geen arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangevraagd of
                    wanneer de uitkering niet volledig tot uitbetaling komt.</al><tussenkop>Artikel 10:21 Afkoop (T)</tussenkop><al>Het College van B&amp;W kunnen een verzoek van betrokkene het wachtgeld af te
                    kopen, honoreren. Over de hoogte van de afkoopsom dient te worden onderhandeld.
                    Indien wordt overwogen een verzoek inzake afkoop van wachtgeld te honoreren, is
                    het raadzaam vooraf de gemeenteraad hierover te raadplegen. De raad moet immers
                    een krediet beschikbaar stellen.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-11-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd:De woorden "Het college van b. en w. kunnen" worden
                        vervangen door: Het college kan. </cursief></al><tussenkop>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al><noot id="FN5715_1"><noot.al>Vanwege het voorbeeldkarakter zijn de bedragen niet volgend de
                            officiële rekenmethode tot stand gekomen.</noot.al></noot> In het tweede lid wordt bepaald dat het wachtgeld vervalt voor het deel
                    waarmee het tezamen met de neveninkomsten die verdiend zouden kumen worden, de
                    bezoldiging te boven zou zijn gegaan. Een rekenvoorbeeld moge dit
                    verduidelijken. Betrokkene wordt ontslagen uit een betrekking waarin € 2.000,-
                    werd verdiend. Het wachtgeld bedraagt (70% van € 2.000,-) € 1.400,-. Betrokkene
                    weigert een betrekking te aanvaarden waarin € 1.500,- verdiend zou kunnen
                    worden. Bij het aanvaarden van deze betrekking zou het wachtgeld gekort worden
                    met € 900,- (€ 1.400,- + € 1.500,- = € 2.900,- ) de bezoldig wordt met € 900,-
                    overschreden), met dit bedrag wordt het wachtgeld verminderd.</al><tussenkop>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid regelt de situatie waarbij het wachtgeld eindigt vanwege het feit
                    dat de wachtgelder voor 80% of meer arbeidsongeschiktheid wordt verklaard. In
                    dat geval is geen sprake van werkloosheid. De verwijzing naar het tweede lid van
                    artikel 10:6 slaat op de gevallen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid, die
                    aanvankelijk op 80% of meer werd vastgesteld, nadien op een lager percentage
                    wordt vastgesteld. In dat geval herleeft het reeds toegekende recht op
                    wachtgeld. Indien zich een situatie voordoet van een ontslag uit een
                    dienstbetrekking als wachtgelder bekleed, waarbij sprake is van een mate van
                    arbeidsongeschiktheid naar een geringer percentage dan 80%, voorziet artikel
                    10:19 daarin. Wanneer in een dergelijke situatie neveninkomsten worden verdiend,
                    is artikel 10:15, tweede lid, van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Per 1 augustus 1991 is de zogenaamde WW-bodem ingevoerd in ambtelijke
                    ontslaguitkeringsregelingen. Dit betekent dat de duur van een ambtelijke
                    ontslaguitkering ten minste de duur bedraagt die zou zijn toegekend wanneer de
                    Werkloosheidswet van toepassing zou zijn geweest. De invoering van de WW-bodem
                    ging gepaard met een overgangsregime dat erin voorzag dat van alle lopende
                    wachtgelden op 31 juli 1991 de duur is herberekend.</al><tussenkop>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Het overgangsrecht als gevolg van de invoering van de WW-bodem voorziet in een
                    overgangsuitkering voor een bepaalde categorie wachtgelders. Het gaat hierbij om
                    degenen waarvan de duur van het wachtgeld afloopt in de periode 1 augustus 1991
                    tot en met 31 december 1995. In aansluiting hebben zij recht op een
                    overgangsuitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt het minimumloon. Dit
                    bedrag kan echter nooit meer bedragen dan 70% van de bezoldiging. De duur
                    bedraagt een jaar. In alle gevallen eindigt de overgangsuitkering op 31 december
                    1995.</al><tussenkop>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldhoogten met 3 procentpunten verlaagd. In dit
                    artikel wordt bepaald dat deze verlaging niet wordt toegepast ten aanzien van de
                    wachtgelden die voor 1 januari 1995 zijn toegekend.</al><tussenkop>Artikel 10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (T)</tussenkop><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290051"></illustratie></plaatje> moet worden geraadpleegd.</al><tussenkop>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De bovenwettelijke uitkering kan bestaan uit een aanvullende uitkering, die
                    tegelijk met de uitkering op basis van de Werkloosheidswet (WW) wordt uitgekeerd
                    en een aansluitende uitkering, die na afloop van de uitkering op basis van de WW
                    tot uitkering komt. Artikel 16 van de WW spreekt over een situatie waarin sprake
                    is van het verlies van vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per
                    kalenderweek, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over
                    die uren. Ook moet er sprake zijn van beschikbaarheid om arbeid te verrichten.
                    Het cruciale begrip is hier dus 'verlies van arbeidsuren', terwijl in de
                    wachtgeld- en uitkeringsregeling het begrip 'ontslag' essentieel was. Dit
                    verschil komt heel duidelijk naar voren in de situatie dat een tijdelijke
                    uitbreiding van het aantal arbeidsuren weer ongedaan wordt gemaakt. In de
                    systematiek van de wachtgeld- en uitkeringsregeling kon dit niet tot een recht
                    op uitkering leiden, omdat niet aan het vereiste van een ontslag wordt voldaan.
                    In de systematiek van de WW kan er wel sprake zijn van een recht op een
                    uitkering, omdat er sprake is van verlies van arbeidsuren. In tegenstelling tot
                    de WW kent de bovenwettelijke regeling geen maximum dagloon. Overigens hebben
                    zaken als het deelnemen aan een spaarloonregeling of aan een PC-privéproject
                    invloed op de hoogte van het dagloon. De verlaging hiervan werkt dus door in de
                    hoogte van zowel de wettelijke als de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De Coördinatiewet Sociale Verzekering kent een maximum dagloon. Dit maximum is
                    opgenomen in artikel 9, eerste lid, van deze wet. Voor de toepassing van de
                    bovenwettelijke regeling bij werkloosheid is dit maximum niet van toepassing.
                    Dit betekent dat de berekeningsgrondslag niet wordt afgetopt. Een eventueel
                    hoger inkomen wordt toch meegerekend voor de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De aansluiting bij de dagloonbepalingen van de WW (artikelen 44 tot en met 46
                    WW) betekent tevens, dat de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van
                    uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen
                    voor overheidspersoneel, ondenvijspersoneel en daarmee gelijk te stellen
                    personeel (Stb. 657) niet van toepassing is op de bovenwettelijke regeling bij
                    werkloosheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 10a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming, de
                    vakantiekracht en de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het
                    karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het
                    arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                    groepen van werklozen.</al><tussenkop>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW zijn de voorwaarden opgenomen,
                    waaraan voldaan moet worden voordat er sprake is van een recht op een
                    loongerelateerde W Wuitkering. Wil men in aanmerking komen voor een
                    (bovenwettelijke) aanvullende uitkering, dan moet men in ieder geval voldoen aan
                    de vereisten voor deze loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er geen recht is
                    op een loongerelateerde uitkering, is er (dus) geen recht op een aanvullende
                    uitkering. In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW gaat het om zaken
                    als:</al><lijst><li nr="-"><al>het verlies van arbeidsuren, en;</al></li><li nr="-"><al>een referte-eis van het gewerkt hebben in 26 weken in de 39 weken
                            voorafgaande aan het ontslag en in vier jaar in de vijfjaar voorafgaande
                            aan de eerste werkloosheidsdag over 52 of meer dagen loon te hebben
                            ontvangen.</al></li></lijst><al>Ook is vastgelegd dat er in bepaalde situaties geen sprake is van een recht op
                    WW. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gevallen waarin de betrokkene:</al><lijst><li nr="-"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW);</al></li><li nr="-"><al>volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO;</al></li><li nr="-"><al>rechtens van zijn vrijheid is beroofd;</al></li><li nr="-"><al>de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></li></lijst><al>Naast het feit dat de WW een aantal voorwaarden kent, waaraan voldaan moet
                    worden voordat er sprake is van een recht op WW, leidt ook niet elke
                    ontslaggrond in de CAR/UWO tot een recht op een aanvullende uitkering. De
                    relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd.</al><al>Het kan voorkomen dat iemand gelijktijdig uit twee betrekkingen werkloos wordt.
                    Het recht op WW-uitkering zal dan worden beoordeeld naar de totale omvang van de
                    werkloosheid. Het recht op een aanvullende uitkering bestaat (echter) alleen
                    voor de omvang van de werkloosheid die is ontstaan uit een dienstbetrekking bij
                    de gemeente. Dus alleen aan een WW-recht voortkomend uit een arbeidsurenverlies
                    als betrokkene in de zin van deze regeling kan een aanspraak op een aanvullende
                    uitkering gekoppeld zijn.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> iemand werkt zowel bij een gemeente (20 uur) als
                    bij een andere werkgever (16 uur). Wanneer hij uit beide betrekkingen wordt
                    ontslagen, wordt de aanvullende uitkering gerelateerd aan de 20 uur waarvoor er
                    ontslag bij de gemeente wordt gegeven. De 16 uur bij de andere werkgever blijven
                    voor het recht op aanvullende uitkering buiten beeld.</al><al>Nu in artikel 8:12 ook het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd is opgenomen, is vastgelegd dat ook ontslag uit een tijdelijke
                    aanstelling voor onbepaalde tijd recht kan geven op een aanvullende uitkering.
                    Verder is, nu in artikel 8:12 ook de beëindiging van een tijdelijke
                    urenuitbreiding is opgenomen, vastgelegd dat beëindiging van een tijdelijke
                    urenuitbreiding recht kan geven op een aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hier wordt geregeld dat de aanvullende uitkering niet tot uitkering komt in de
                    situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een
                    suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. De doelgroep van de
                    suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknerners die zijn ontslagen
                    uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot
                    het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag
                    minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de Wet op de
                    Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering. Het recht
                    op een aanvullende uitkering heeft betrekking op de gehele duur van de
                    WW-uitkering. In artikel 10a:5, llid 4, is bepaald dat voor de berekening van de
                    hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van ontslag.
                    Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 10a:5, lid
                    4 en 10a:16, lid 3.</al><al>Het recht op de bovenwettelijke uitkering ingevolge dit hoofdstuk is ook van
                    toepassing op medewerkers die wegens volledige arbeidsongeschiktheid zijn
                    ontslagen voor 2001. Dit vloeit voort uit de uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 27 juni 2005. De Raad heeft in deze uitspraak bepaald dat een gewezen
                    overheidswerknemer die ontslagen was voor 2001 en in 2003 was afgeschat, recht
                    op een WW-uitkering heeft en niet op een wachtgelduitkering. De uitspraak heeft
                    geen terugwerkende kracht; dit betekent dat medewerkers die vanwege
                    arbeidsongeschiktheid zijn ontslagen voor 2001 en die na de datum van de
                    afspraak zijn afgeschat op hun WAO-uitkering (gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer) recht hebben op een
                    WW-uitkering en daarmee een bovenwettelijke uitkering.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag
                    (T)</tussenkop><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering geldt dat de
                    berekeningssysternatiek van het dagloon WW wordt gevolgd, echter zonder dat de
                    maximum dagloongrens wordt toegepast. Er zijn verschillen tussen de grondslag
                    'bezoldiging' en de grondslag 'dagloon'. Zoals al bij de toelichting op artikel
                    10a:1 werd aangeduid, is het spaarloon hiervan een duidelijk voorbeeld.</al><tussenkop>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gedurende de eerste 15 maanden van de periode dat er recht op een
                    bovenwettelijke uitkering bestaat, is de berekeningsgrondslag van deze uitkering
                    hoger dan die van de loongerelateerde uitkering in de WW. Artikel 47 van de WW
                    stelt dat de hoogte van de loongerelateerde uitkering 70% van het (gemaximeerde)
                    dagloon bedraagt, terwijl de aanvullende uitkering uitgaat van 80% van het
                    (ongemaximeerde) dagloon. Na 15 maanden zijn de percentages in de WW en in de
                    regeling voor de aanvullende uitkering gelijk, namelijk 70%. Veelal zal dit
                    betekenen dat er geen aanvullende uitkering tot uitbetaling zal komen. Omdat er
                    bij de berekening van de aanvullende uitkering echter wordt uitgegaan van het
                    mgernauimeerde dagloon, kan er een verschil optreden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het recht op een loongerelateerde WW-uitkering kan op een aantal gronden
                    eindigen. Zie artikel 20 WW. Veelal zal het recht eindigen omdat er geen sprake
                    meer is van werkloosheid. Op het moment dat er weer sprake is van werkloosheid,
                    zonder dat er nieuwe WW-rechten zijn opgebouwd, herleeft het recht op uitkering
                    op grond van artikel 21 WW. Op het moment dat er sprake is van een dergelijke
                    herleving van het recht op WW na een gehele eindiging, eindigt het recht op WW
                    zoveel later (dan in de oorspronkelijke berekening) als de periode heeft geduurd
                    dat de uitkering beëindigd is geweest. Het gaat hier om een verlenging van de
                    WW-uitkering op basis van artikel 43 of 50 WW</al><al>Deze verlenging heeft echter geen invloed op de periode van 15 maanden dat er
                    recht bestaat op een uitkering van in totaal 80% van het ongemaximeerde
                    dagloon.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> er vindt ontslag plaats per 1 januari 2005. Het
                    recht op de loongerelateerde uitkering krachtens de WW eindigt op 1 januari
                    2007. Per 1 maart 2005 wordt de werkloosheid gedurende drie maanden geheel
                    beëindigd. In dit geval eindigt het recht op een aanvullende uitkering ter
                    hoogte van 80% van het ongemaximeerde dagloon, ondanks de verlenging van de
                    uitkering, op 1 april 2006. Uiteraard eindigt de WW-uitkering (en daarmee de
                    bovenwettelijke aanvullende uitkering tot 70%) wel drie maanden later, dus op 1
                    maart 2007. Zie ook de toelichting op de artikelen 10a:7 en 10a:8.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeids-ongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                    arbeids-ongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering gedurende de
                    WW-uitkering.</al><al>Voor de hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                    ontslag. Is het ontslag wegens arbeidsongeschiktheid minder dan 15 maanden
                    geleden, heeft betrokkene gedurende een periode tot 15 maanden na ontslag recht
                    op een aanvullende uitkering tot 80% van het ongemaximeerde dagloon. Hierna
                    heeft betrokkene recht op een aansluitende uitkering tot 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al>Een voorbeeld kan dit verduidelijken.Een medewerker is op 1 januari 2002 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of
                    meer. Op 1 januari 2004 wordt betrokkene afgeschat. Betrokkene heeft na
                    afschatting 3 jaar recht op een WW-uitkering. Gedurende de WW heeft betrokkene
                    recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde
                    dagloon omdat het ontslag langer dan 15 maanden geleden heeft plaatsgevonden.
                    Zie ook de voorbeelden die zijn opgenomen bij de toelichting op artikel 10a:16,
                    lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die
                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet> In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11
                    augustus 2003 is op 7 juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze
                    waarop deze wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling (LOGA-brief van 21 juli 2004, Lbr. 04/107; CvA/LOGA
                    04/19). Een van de afspraken is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1
                    augustus 2004 ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering
                    niet is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van zowel de vervolguitkering
                    als de aanvulling daarop gecompenseerd worden. Artikel 10a:5a voorziet hierin,
                    voor zover het gaat om de aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin
                    voor zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen dus onder
                    artikel artikel 10a:5.</al><al>Om het onderscheid met de aanvullende uitkering van artikel 10a:5 te houden,
                    wordt deze overgangsuitkering de verlengde uitkering genoemd.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> De oude vervolguitkering op grond van de WW had een vaste duur van twee jaar
                    voor diegenen die op de dag van ontslag jonger waren dan 57,5 en van 3,5 jaar
                    voor diegenen die op de dag van ontslag ouder waren dan 57,5.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid regelt de hoogte van de verlengde uitkering. Dit is nodig, omdat
                    een WW-uitkering korter kan zijn dan 15 maanden. De verlengde uitkering moet
                    vervolgens nog wel tot 15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geven op
                    een uitkering ter hoogte van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze in
                    artikel 10a:3 is gedefinieerd. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In het vierde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a
                    van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. "Voor zover
                    toepasbaar", omdat de bepalingen van de aansluitende uitkering uiteraard niet
                    van toepassing zijn. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt echter
                    voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten
                    benoeming blijven.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het vijfde lid
                    van artikel 10a:5a bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de verlengde uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat
                    mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen.</al><tussenkop>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op
                    wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
                    (T)</tussenkop><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                    vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet - vanwege de snelheid van
                    invoering - overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer diegenen
                    van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor deze groep
                    mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de
                    oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op grond van de oude
                    bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is,
                    bestaat gedurende die vervolguitkering op grond van de bepalingen van hoofdstuk
                    10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, ook recht op een aanvullende
                    uitkering. Artikel 10a:5b voorziet hierin. Op deze groep is artikel 10a:5a dus
                    niet van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Wanneer het recht op WW geheel of gedeeltelijk eindigt, betekent dit dat ook het
                    recht op een aanvullende uitkering geheel of gedeeltelijk eindigt. Voor de
                    toepassing van deze bepaling is met name artikel 20 van de WW van belang. Hierin
                    zijn gronden voor beëindiging van het recht op een WW-uitkering opgenomen. Het
                    gaat hierbij om zaken als het niet meer werkloos zijn, het verstrijken van de
                    uitkeringsduur en het in aanmerking komen voor een uitkering krachtens de
                    ZW.</al><al>Het van toepassing verklaren van de bepalingen van de WW betreffende de gehele
                    of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering impliceert dat
                    achterliggende regels en systematiek (zoals Lisv-beleid en jurisprudentie) ook
                    worden gevolgd. Let wel: oud recht op aanvullende uitkering kan niet meer
                    herleven, indien de betrokkene als werknemer nieuwe werkzaamheden ter hand neemt
                    en daarmee een nieuw recht op WW opbouwt voor hetzelfde aantal uren als waarop
                    het recht op aanvullende uitkering gebaseerd was. Dit zou
                    reïntegratiebelemmerend zou kunnen werken. Hierin is voorzien door artikel
                    10a:32 de reïntegratiepremie. </al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie)
                        veranderd de toelichting:Het woord "Lisv-beleid" wordt vervangen door:
                        UWV-beleid.</cursief></al><tussenkop>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Ook bij deze bepaling is er een duidelijk verband tussen het recht op een
                    WW-uitkering en het recht op een aanvullende uitkering. Hierbij is artikel 21
                    van de WW van belang. Indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                    recht, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid of ziekte, na afloop van die arbeid
                    of ziekte geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, herleeft het recht
                    op de oude WW-uitkering en de aanvullende uitkering. Herleving houdt in, dat de
                    hoogte en de duur van de uitkering nog steeds worden bepaald door de eerste
                    werkloosheidsdag van de 'oorspronkelijke' werkloosheid (de 'WW-klok' loopt dus
                    gewoon door). Herleving is dus iets anders dan opschorting. Bij opsctiorting
                    wordt de uitkering tijdens de onderbreking stopgezet en wordt na de onderbreking
                    de uitkering voortgezet alsof er geen onderbreking is geweest. Zie ook de
                    toelichting op artikel 10a:8.</al><tussenkop>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Het gaat hier om de toepassing van de artikelen 43 en 50 WW, die van
                    overeenkomstige toepassing zin op artikel 10a:8. De WW-uitkering eindigt, indien
                    na een tijdelijke gehele beëindiging van het recht op een WW-uitkering het recht
                    op WW-uitkering herleeft, zoveel later als de onderbreking heeft geduurd. Dit
                    betekent in feite dat, gerekend vanaf de eerste dag van de werkloosheid, de
                    WW-uitkering met zoveel tijd wordt verlengd als de tijdelijk onderbreking duurt.
                    Het effect van die verlenging komt er praktisch gezien op neer dat de duur van
                    de uitkering wordt opgeschort. Let wel: de uitkeringshoogte wordt niet
                    opgeschort.Deze verlenging van de WW-duur en daarmee van de duur van de
                    aanvullende uitkering biedt compensatie voor het feit dat in de wachtgeld- en
                    uitkeringsregelingen de aanspraak op een wachtgeld of uitkering, bij goed
                    gedrag, in feite alleen eindigde door afloop van de berekende uitkeringsduur.
                    Dit in tegenstelling tot de WW, waarin ook het einde van de werkloosheid tot
                    beëindiging van de uitkering kan leiden.</al><tussenkop>Artikel 10a:10 Anticumulatie (T)</tussenkop><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien arbeid wordt verricht voor minder dan
                    vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, de
                    WW-uitkering wordt verminderd met 70% van hetgeen er met die arbeid wordt
                    verricht. Pas als de WW volledig is 'weggekort', wordt het restant van de te
                    verrekenen inkomsten op de aanvullende uitkering gekort. Dit soort gevallen zal
                    sporadisch voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders met een klein
                    dienstverband. De situatie dat arbeid wordt verricht voor vijf uren of meer of
                    voor ten minste de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, leidt in de
                    systematiek van de WW tot vermindering van de werkloosheid en aldus tot een
                    uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd.</al><tussenkop>Artikel 10a:11 Scholing (T)</tussenkop><al>De artikelen 75 tot en met 78 van de WW zijn van overeenkomstige toepassing op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat na toestemming en onder de
                    voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen kunnen
                    studeren met behoud van uitkering. De jurisprudentie en het beleid van het Lisv
                    inzake scholing en onbeloonde activiteiten zijn van overeenkomstige toepassing.
                    Indien het recht op WW wordt verlengd als gevolg van een noodzakelijk geachte
                    scholing, bestaat er over deze verlengde duur ook recht op een aanvullende
                    uitkering.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd:Het woord "Lisv" wordt vervangen door: UWV </cursief></al><tussenkop>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Wanneer er sprake is van ziekte ontstaan vóór het ontslag of ziekte die optreedt
                    vóór de eerste dag van werkloosheid in de zin van de WW, ontstaat er geen recht
                    op WW (en aanvullende uitkering). Niettemin is dan artikel 10a:12 (toch) van
                    toepassing. Bepalend is of de betrokkene recht zou hebben op aanvullende
                    uitkering als hij niet ziek was geweest.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op het ziekengeld wordt een aanvulling toegekend, waardoor de totale uitkering
                    gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op basis van artikel 10a:5 zou
                    ontvangen als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Ziekte kan ertoe leiden dat de einddatum van de WW-uitkering opschuift. Zie
                    onder andere (de toelichting op) artikel 10a:8. In artikel 43, tweede en derde
                    lid WW, is (echter) vastgelegd dat de einddatum van een WW-uitkering in geval
                    van een onderbreking door ziekte alleen opschuift voorzover het ziektegeval
                    langer dan drie maanden geduurd heeft. Wanneer de betrokkene in de laatste drie
                    maanden van de vervolguitkering ziek wordt, 'verbruikt' hij dus de WW-duur.
                    Wanneer hij ziek blijft tot na de datum waarop de WW zou zijn verstreken, kan
                    het WW-recht bij herstel dus niet meer herleven. Wanneer de ziekte valt in de
                    laatste drie maanden van de WW-uitkering, bestaat er recht op aanvulling van de
                    ZW-uitkering tot aan het moment waarop WW-uitkering beëindigd zou worden als de
                    betrokkene niet ziek zou zijn geweest (de zogenaamde max datum). Wanneer de
                    betrokkene geen recht heeft op een aansluitende uitkering, ontvangt hij dus een
                    uitkering krachtens de ZW van 70% van het gemaximeerde ZW-dagloon, zonder
                    aanvulling. In het geval er wel recht bestaat op een aansluitende uitkering,
                    gaat de aansluitende uitkering direct in na het bereiken van de max datum. De
                    uitkering krachtens de ZW wordt dan in mindering gebracht op de aansluitende
                    uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering (T)</tussenkop><al>De Wazo geeft ook aan oud-werknemers die een WW-uitkering hebben recht op een
                    uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. Tijdens deze uitkering wordt
                    de aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10a CAR verhoogd tot het voor
                    betrokkene geldende dagloon. De aanvulling op de uitkering die 'in verband met
                    zwangerschap' genoten wordt, geldt ook voor ziekte die verband houdt met
                    zwangerschap en/of bevalling. Deze uitkering op grond van de Wazo heeft geen
                    opschortende werking en heeft dus geen gevolgen voor de einddatum van de
                    WW-uitkering en de aanvullende uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering (T)</tussenkop><al>Om de arbeidsgehandicapte werknemer te stimuleren gebruik te maken van de
                    mogelijkheid om 'op proef een nieuwe functie bij een nieuwe werkgever te
                    aanvaarden, bestaat de mogelijkheid van een reïntegratie-uitkering; zie hiervoor
                    artikel 23 tot en met 27 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    Deze proefplaatsing geeft overigens geen recht op een vaste aanstelling. Aan het
                    recht op een reïntegratie-uitkering is een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet
                    de werknemer recht hebben op een WW-uitkering, heeft de proefaanstelling een
                    duur van maximaal zes maanden en moet het gaan om onbeloonde werkzaamheden. De
                    werknemer ontvangt dus geen bezoldiging, maar krijgt een reïntegratie-uitkering
                    in plaats van zijn WWuitkering. De reïntegratie van arbeidsgehandicapten wordt
                    bevorderd, wanneer de REA-uitkering gelijkgesteld wordt met de WW-uitkering. Dit
                    betekent namelijk dat het recht op een aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering
                    blijft bestaan. De hoogte van de reïntegratie-uitkering tezamen met de
                    aanvulling is gelijk aan de hoogte van de WW-uitkering tezamen met de
                    bovenwettelijke aanvulling wanneer de werknemer geen proefaanstelling zou hebben
                    aanvaard.</al><tussenkop>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden (T)</tussenkop><al>De wettelijke overlijdensuitkering volgt niet vanuit de WW, maar is ook voor
                    werkloze werknemers neergelegd in de ZW. hebben de nabestaanden van de overleden
                    werkloze werknemer aanspraak op een overlijdensuitkering. Deze
                    overlijdensuitkering in de ZW is gelijk aan het bedrag van het ziekengeld over
                    een maand. De bovenwettelijke overlijdensuitkering bestaat eruit dat de
                    uitkering krachtens de ZW wordt aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene
                    geldende dagloon en wel over een periode van dertien weken. </al><tussenkop>Artikel 10a:13a Grensarbeiders (T)</tussenkop><al>Op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening 1408/71
                    hebben grensarbeiders die in Nederland bij de gemeente werken en die bij aanvang
                    van werkloosheid in het buitenland wonen, bij deze werkloosheid recht op een
                    uitkering alsof zij in Nederland zouden wonen. Dit geldt ook als zij op grond
                    van deze verordening hun wettelijke werkloosheidsuitkering in hun woonland
                    moeten aanvragen, en dus geen recht hebben op Nederlandse WW. Voor de invoering
                    van de WW voor overheidspersoneel hadden grensarbeiders rechtspositioneel recht
                    op een wachtgeld of uitkering. Sinds de invoering van de WW sinds 1 januari 2001
                    geldt echter ook voor overheidspersoneel dat grensarbeiders geen recht meer
                    hebben op de wettelijke werkloosheidsuitkering in het werkland (voor de WW geldt
                    namelijk het woonlandprincipe). Zij hebben echter rechtspositioneel wel recht op
                    de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Daarom is met de centrales van
                    overheids- en onderwijspersoneel overeenstemming bereikt over een aanpassing van
                    de regels voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene geen
                    recht op uitkering op grond van de WW heeft. Het artikel houdt het volgende
                    in.</al><al>Bij werkloosheid ontvangt de betrokkene wat hij zou hebben ontvangen als hij in
                    Nederland had gewoond. Dat wil zeggen een uitkering ter hoogte van de WW- en
                    bovenwettelijke uitkering, minus de eventuele buitenlandse
                    werkloosheidsuitkering. De betrokkene moet Nederlandse werkbriefjes blijven
                    insturen. Veranderingen in de omstandigheden, bijvoorbeeld werkhervatting of
                    overtreding van verplichtingen, hebben hetzelfde effect dat ze zouden hebben
                    gehad als de betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus plaats op
                    grond van de Nederlandse regels. In geval van ziekte, zwangerschap of bevalling
                    loopt de bovenwettelijke uitkering door. In deze situatie zijn er twee
                    mogelijkheden.</al><lijst><li nr="1"><al>Als de betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap
                            of bevalling heeft en dit aantoont, verandert de bovenwettelijke
                            uitkering in een aanvulling op de (fictieve) uitkering op grond van de
                            ZW of de Wet arbeid en zorg. Dit betekent dat - voor maximaal de duur
                            van deze Nederlandse equivalent - de uitkering van het woonland wordt
                            aangevuld tot het niveau dat betrokkene zou krijgen als hij in Nederland
                            had gewoond. Ingeval een buitenlandse uitkering wegens zwangerschap of
                            bevalling wordt genoten, ontvangt de grensarbeider zolang de
                            buitenlandse uitkering duurt, maar maximaal voor de duur van de
                            Nederlandse uitkering wegens zwangerschap en bevalling, conform de
                            Nederlandse vergelijkbare gevallen (artikel 10a:12a), een aanvulling tot
                            100% van de oude bezoldiging.De einddatum van de totale uitkering kan
                            hierdoor opschuiven. In geval van ziekte gebeurt dat alleen als de
                            ziekte meer dan 3 maanden duurt. In de fase van de aansluitende
                            uitkering geldt dit alleen als op de betrokkene, als hij in Nederland
                            had gewoond, de nawerkingsbepalingen van de ZW of de Wet arbeid en zorg
                            nog van toepassing zouden zijn geweest. Dit komt overeen met wat geldt
                            in puur Nederlandse gevallen.</al></li><li nr="2"><al>Meldt de betrokkene zich ziek, zwanger etc. maar levert hij geen bewijs
                            van een buitenlandse uitkering daarvoor, dan loopt de bovenwettelijke
                            uitkering door zoals bij werkloosheid, dus zonder opschuiving van de
                            einddatum. Dit geldt, net als in puur Nederlandse gevallen, ook in alle
                            gevallen van ziekte etc. in de fase van de aansluitende uitkering na
                            afloop van de nawerkingsperiode van de ZW en de Wet arbeid en zorg.Als
                            de betrokken grensarbeider een Nederlandse (bovenwettelijke) uitkering
                            wegens ziekte, zwangerschap, bevalling of uitkering op grond van de Wet
                            arbeid en zorg ontvangt, verandert de bovenwettelijke uitkering, volgens
                            de samenloopregel van het zesde lid, in een aanvulling op deze
                            Nederlandse uitkering.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 10a:14 Diensttijd (T)</tussenkop><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van paragraaf 3 de tijd is,
                    doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het deelnemerschap in de zin van het
                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP is verbonden, alsmede de
                    tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking van het zijn van
                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het
                    ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd
                    doorgebracht als deelnemer aan een werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid. In
                    de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan
                    een jaar niet mee voor de berekening van de duur van de aansluitende uitkering.
                    Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht
                    op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt niet nogmaals mee bij de vaststelling
                    van de duur van de aansluitende uitkering.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bijtelling van diensttijd voor de opbouw van aanspraken op een
                    aansluitende uitkering. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de
                    opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Afgekochte tijd dient (eveneens)
                    niet te worden meegenomen als diensttijd.</al><tussenkop>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met
                    suppletie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Zoals ook al bij artikel 10a:2 is vermeld, is er niet in alle gevallen waarin er
                    ontslag plaatsvindt, recht op WW. Bovendien kent de CAR/UWO een gesloten systeem
                    van ontslaggronden. De relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd. Zie
                    ook de toelichting op artikel 10a:2.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer door de uitvoeringsinstelling als sanctie de uitkering op basis van de
                    WW wordt geweigerd na een reorganisatie-ontslag en er krachtens artikel 10a:9,
                    derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt toegekend, is er recht
                    op een aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In geval van ontslag op basis van artikel 8:6 er alleen recht op een
                    aansluitende uitkering als daartoe expliciet besloten is.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Of er recht bestaat op een aansluitende uitkering, wordt bepaald aan de hand van
                    het eerste tot en met het derde lid. Het recht gaat in op de eerste dag van de
                    werkloosheid. Dit recht komt niet tot uitbetaling zolang er recht op een
                    uitkering op basis van de WW bestaat. Lid 4 bevat het moment van ingang van de
                    aansluitende uitkering voor die mensen die op of na 1 augustus 2004 werkloos
                    zijn geworden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Lid 5 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die mensen,
                    op wie artikel 10a:5a van toepassing is. De aansluitende uitkering gaat dan pas
                    in op het moment dat de duur van de verlengde uitkering van 10a:5a is
                    verstreken.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Lid 6 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die mensen,
                    op wie artikel 130h, eerste lid, van toepassing is. Deze mensen ontvangen nog
                    een uitkering conform de oude regels van de WW. Deze mensen ontvangen dus nog
                    een vervolguitkering. De aansluitende uitkering gaat dan pas in op het moment
                    dat de duur van de vervolguitkering is verstreken.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Hier wordt geregeld dat de aansluitende uitkering niet tot uitkering komt in de
                    situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een
                    suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. De doelgroep van de
                    suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers die zijn ontslagen
                    uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot
                    het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag
                    minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO. Na afloop van de
                    suppletieregeling ontstaat aanspraak op een aansluitende uitkering indien en
                    voor zolang de duur van de aansluitende uitkering, bepaald krachtens artikel
                    10a:16 van deze regeling, de duur van de suppletie overtreft.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) in
                    aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                    beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                    hangt af van de berekening van de duur van de aansluitende uitkering vanaf de
                    datum van ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de
                    ambtelijke diensttijd. De wijze van berekenen is gelijk aan die van de oude
                    wachtgeldregeling. Hoe hoger de leeftijd op de ontslagdatum, des te hoger het
                    percentage waarin de diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van de aansluitende
                    uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De duur van de aansluitende uitkering ligt vast. Voor mensen van wie de eerste
                    dag na ontslag ligt op of na 1 augustus 2004 (dit zijn de mensen die per 1
                    augustus 2004 of later zijn ontslagen), geldt dat hiervan niet alleen de duur
                    van de loongerelateerde WW-uitkering wordt afgetrokken, maar ook een periode van
                    twee jaar. Dit heeft te maken met wijziging van de Werkloosheidswet, waarin per
                    11 augustus 2003 de vervolgutikering WW is afgeschaft. Op 7 juli 2004 is over de
                    wijze waarop deze wetswijziging WW doorwerking in de bovenwettelijke regeling
                    een akkoord gesloten. Zie hiervoor de ledenbrief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107;
                    CvA/LOGA 04/19).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Iemand is op de dag van ontslag 35 jaar oud. Hij is
                    sinds zijn 18e in dienst van de overheid.<onderstreept>In de oude situatie
                        (ontslag voor 1 augustus 2004)</onderstreept> was de duur van zijn
                    aansluitende uitkering als volgt: 3 maanden + [19,5% + (35 - 21 = 14)*l,5%]*de
                    diensttijd - 3 maanden + 6,885 jaar = 7,135 jaar na de dag van ontslag.</al><al><onderstreept>In de nieuwe situatie (ontslag na 1 augustus 2004)</onderstreept>
                    is de basis-duurberekening hetzelfde. Hiervan wordt echter nog 2 jaar extra
                    afgetrokken, waardoor de duur van de aansluitende uitkering op 5,135 jaar na de
                    dag van ontslag uitkomt. Dat in deze nieuwe situatie geen vervolguitkering meer
                    bestaat, doet in deze berekening van de einddatum van de aansluitende uitkering
                    niet ter zake. Er kan, in tegenstelling tot de situatie bij de aanvullende
                    uitkering, in beginsel geen opschorting plaatsvinden. Een uitzondering wordt
                    gevormd door artikel 10a:24 scholing. Zie ook de toelichting op artikel 10a:21,
                    tweede lid.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft gehad op een WW-uitkering, in aanmerking komen voor een aansluitende
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. Of betrokkene voor een aansluitende
                    uitkering in aanmerking komt hangt af van de duurberekening van de aansluitende
                    uitkering vanaf de datum van ontslag in relatie tot de duur van het recht op WW
                    na de afschatting. Is het recht op WW na afschatting geëindigd voor de einddatum
                    van het recht op een aansluitende uitkering, heeft betrokkene na afloop van zijn
                    WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering. Voor de berekening van de
                    hoogte van de aanvullende en aansluitende uitkering moet eveneens de datum van
                    ontslag als vertrekpunt genomen worden. Hieronder zijn twee voorbeelden
                    opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief>Een medewerker is op 1 oktober 2001 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De
                    ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De medewerker wordt op 1 april 2006
                    afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de duur van
                    2,5 jaar (omdat het arbeidsverleden bijna vijfjaar langer is geworden duurt de
                    WW langer dan die zou hebben geduurd als betrokkene direct na ontslag WW had
                    ontvangen). De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum van
                    ontslag is 7 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Dit betekent dat
                    betrokkene recht heeft op een aanvullende uitkering gedurende de periode dat er
                    recht bestaat op WW (tot 1 oktober 2006) ter hoogte van 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon. Met ingang van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2008 heeft
                    betrokkene recht op een aansluitende uitkering ter hoogte van 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Een medewerker is op 1 oktober 2003 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De
                    ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De ex-medewerker wordt op 1 april
                    2006 afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de
                    duur van 4 jaar. De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum
                    van ontslag is 5 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Gedurende zijn
                    WW-uitkering heeft hij recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van
                    het ongemaximeerde dagloon. Het recht op WW eindigt op 1 april 2010. Betrokkene
                    heeft gedurende zijn WW-uitkering recht op een aanvullende uitkering ter hoogte
                    van 70% van het ongemaximeerde dagloon. De aansluitende uitkering komt niet tot
                    uitbetaling daar de einddatum is bepaald op 1 oktober 2008.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                    ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt het eerste lid niet.
                    Deze persoon heeft namelijk recht op een aansluitende uitkering tot aan de dag
                    waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Let wel: degene die op het
                    moment van ontslag 55 jaar of ouder is en die geen recht heeft op een
                    aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15), heeft alleen recht op de
                    aanvullende uitkering in § 2 (mits hij aan de voorwaarden van artikel 10a:2
                    voldoet). De bijzondere verlenging, zoals die in de wachtgeldregeling was
                    opgenomen (recht op een uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de som
                    van leeftijd en diensttijd groter of gelijk was aan 60), is komen te
                    vervallen.</al><tussenkop>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11
                    augustus 2003 is op 7 juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze
                    waarop deze wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling (LOGA-brief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA
                    04/19). Een van de afspraken is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1
                    augustus 2004 ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering
                    niet is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van én de vervolguitkering én
                    de aanvulling daarop gecompenseerd worden. Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor
                    zover het gaat om de aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin voor
                    zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 zijn ontslagen hebben na
                    de loongerelateerde uitkering op grond van de WW geen recht meer op een
                    vervolguitkering krachtens de WW. Deze is per 11 augustus 2003 afgeschaft.
                    Aangezien in artikel 10a:5a echter is geregeld dat de afschaffing van deze
                    vervolguitkering wordt gecompenseerd door een verlengde uitkering, moet ook deze
                    uitkering worden afgetrokken van de duur van de aansluitende uitkering. Dit is
                    geregeld in het laatste onderdeel van het eerste lid onder b.</al><al>Artikel 10a:15, vierde lid, regelt wanneer de aansluitende uitkering ingaat.
                    Deze bepaling blijft van toepassing op deze overgangssituatie.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen onder het
                    nieuwe artikel 10a:16.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                    ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt hetgeen in het eerste
                    lid is opgenomen niet. Deze persoon heeft recht op een aansluitende uitkering
                    tot aan de 65-jarige leeftijd. Let wel: degene die op het moment van ontslag 55
                    jaar of ouder is en die geen recht heeft op een aansluitende uitkering (zie
                    artikel 10a:15), heeft alleen recht op de aanvullende uitkering in §2 (mits hij
                    aan de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet). De bijzondere verlenging, zoals
                    die in de wachtgeldregeling was opgenomen (recht op een uitkering tot aan de
                    65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd en diensttijd groter of gelijk
                    was aan 60), is komen te vervallen. Wanneer onverkort de systematiek van de WW
                    gevolgd zou worden, zou dit tot gevolg hebben dat het recht op aansluitende
                    uitkering, conform artikel 19, eerste lid, onderdeel i, van de WW zou eindigen
                    op het moment dat de betrokkene de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar
                    wordt heeft bereikt. Dit is niet te rijmen met de inhoud van het tweede lid van
                    artikel 10a:16. Voor die situatie geldt een uitzondering ten opzichte van de
                    WW-systematiek. Het recht op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet
                    (AOW) gaat in op de eerste dag van de kalendermaand, waarin de 65-jarige
                    leeftijd wordt bereikt. Er vindt dus in voorkomende gevallen samenloop plaats
                    tussen de aansluitende uitkering en de uitkering krachtens de AOW. De
                    AOW-uitkering wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In het derde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a van
                    overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. "Voor zover toepasbaar",
                    omdat bij sommige bepalingen nadere voorwaarden gelden, waaraan uiteraard ook
                    voldaan moet worden. Om die reden is het mogelijk dat sommige artikelen buiten
                    toepassing moeten blijven. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt
                    voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten
                    benoeming blijven.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het vierde lid
                    van artikel 10a:16a bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                    dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al><tussenkop>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op
                    wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
                    (T)</tussenkop><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                    vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet - vanwege de snelheid van
                    invoering - overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer diegenen
                    van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor deze groep
                    mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de
                    oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op grond van de oude
                    bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is,
                    bestaat gedurende die vervolguitkering ook recht op een aanvullende uitkering.
                    Pas na deze aanvullende uitkering gaat de aansluitende uitkering in. Artikel
                    10a:16b voorziet hierin.</al><tussenkop>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag
                    (T)</tussenkop><al>Ook voor de aansluitende uitkering is de berekeningsgrondslag het dagloon WW,
                    echter zonder dat de maximum dagloongrens wordt toegepast. Zie ook de
                    toelichting op artikel 10a:3.</al><tussenkop>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering (T)</tussenkop><al>Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de
                    berekeningsgrondslag voor de aansluitende uitkering dienovereenkomstig wordt
                    aangepast.</al><tussenkop>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit lid regelt de hoogte van de aansluitende uitkering. Als de WW-uitkering
                    korter is dan 15 maanden, moet geregeld worden dat de aansluitende uitkering tot
                    15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geeft op een uitkering ter hoogte
                    van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze gedefinieerd is in artikel
                    10a:17 juncto 10a:3. Dit lid voorziet daarin.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting), in
                    aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                    beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                    hangt af van de duurberekening van de aansluitende uitkering vanaf de datum van
                    ontslag in relatie tot de duur van de WW-uitkering.Voor voorbeelden wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Voor de hoogte van de aansluitende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                    ontslag. Indien de periode na ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                    samen met de duur van de WW-uitkering na afschatting langer duurt dan 15
                    maanden, bedraagt de hoogte van de aansluitende uitkering 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het derde lid
                    van artikel 10a:19 bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                    dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al><tussenkop>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Tijdens de fase van de aansluitende uitkering is er geen recht meer op WW.
                    Niettemin zijn de bepalingen in de WW betreffende de gehele of gedeeltelijke
                    beëindiging van het recht op uitkering analoog van toepassing. Dit betekent dat
                    een recht op aansluitende uitkering om dezelfde reden kan eindigen als een
                    WW-uitkering (bijvoorbeeld op grond van artikel 20 WW) geëindigd zou zijn.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer er tijdens de periode dat er recht bestaat op WW sprake is van ziekte,
                    ontstaat er recht op een uitkering krachtens de ZW. Zie artikel 7, onderdeel a
                    van de ZW. Op grond van artikel 19 WW heeft de betrokkene die een uitkering
                    krachtens de ZW ontvangt, geen recht op een uitkering krachtens de WW. Op zich
                    logisch, want anders zou de betrokkene recht hebben op zowel een uitkering
                    krachtens de ZW als een uitkering krachtens de WW. Tijdens de aansluitende
                    uitkering is er in de regel geen recht meer op een uitkering krachtens de ZW.
                    Dus artikel 19 WW heeft in dat geval geen rechtstreekse werking. Echter: wanneer
                    er sprake is van ziekte, is men niet beschikbaar om arbeid te verrichten en dus
                    ook niet werkloos in de zin van de WW. Op grond van artikel 20 WW (dat van
                    overeenkomstige toepassing is, volgens het eerste lid van artikel 10a:20) zou
                    dan het recht op uitkering eindigen, wat krachtens het eerste lid van artikel
                    10a:20 zou betekenen dat de aansluitende uitkering ook zou eindigen. Dit is niet
                    de bedoeling. Derhalve blijft het recht op aansluitende uitkering bestaan.</al><al>Bij ziekte gedurende de aansluitende uitkering blijft de oorspronkelijke
                    uitkeringsduur gehandhaafd. Bij ziekte wordt het recht op aansluitende uitkering
                    dus 'verbruikt'.</al><tussenkop>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en Waz (T)</tussenkop><al>Volgens de Ziektewet kan er in een bepaald geval recht ontstaan op een
                    ZW-uitkering, ook al is de uitkeringsgerechtigde geen betrokkene meer in de zin
                    van de ZW (bijvoorbeeld omdat de duur van de WW-uitkering is verstreken). Op
                    grond van artikel 46 van de ZW kan er namelijk sprake zijn van nawerking. Zo kan
                    de situatie zich voordoen dat een betrokkene binnen een maand na het begin van
                    de aansluitende uitkering ziek wordt en op grond van de nawerking nog recht
                    heeft op een ZW-uitkering. Betrokkene heeft dan zowel recht op een aansluitende
                    uitkering als op een ZW-uitkering. In dat geval loopt het recht op aansluitende
                    uitkering door en wordt de ZW-uitkering hierop verminderd.</al><al>Ook de Wazo kent een nawerkingsbepaling. Artikel 3:10 van deze wet bepaalt dat
                    werknemers die korter dan 10 weken na afloop van de verplichte verzekering (dit
                    is na afloop van de WWuitkering) bevallen, een kind ter adoptie aannemen of een
                    pleegkind aannemen, recht hebben op een uitkering op grond van de Waz. </al><tussenkop>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging
                    van het recht op aansluitende uitkering, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid,
                    na afloop van die arbeid geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, het
                    recht op de aansluitende uitkering herleeft. Zie voor een verdere toelichting op
                    het begrip herleving de toelichting op artikel 10a:7.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                    zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb.
                    2003, 546, is in feite een verlenging van de duur van de WW-uitkering opgenomen.
                    In de toelichting op artikel 10a:8 is hierover het een en ander opgenomen. Deze
                    WW-bepalingen zijn nier van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                    uitkering. De aansluitende uitkering kan niet opschorten als gedurende de
                    aansluitende uitkering sprake is van herleving na een beëindiging.</al><tussenkop>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling betekent dat, hoewel de WW formeel niet meer van kracht is,
                    niettemin het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van toepassing is. Dit
                    betekent dat de betrokkene gedurende deze fase dezelfde verplichtingen heeft als
                    toen de WW nog wel van toepassing was en dat er ook sancties kunnen worden
                    getroffen wanneer de betrokkene zich niet aan zijn verplichtingen houdt.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het einde
                    van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt
                    het restant van de sanctie toegepast op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op grond van deze bepaling wordt het ZW-regime doorgetrokken naar de situatie
                    waarin de betrokkene op grond van nawerking alsnog in de aansluitende fase van
                    de uitkering recht heeft op ZW.</al><tussenkop>Artikel 10a:23 Anticumulatie (T)</tussenkop><al>Normaliter leidt het verrichten van arbeid tot vermindering van de werkloosheid
                    en aldus tot een uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd.
                    Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er arbeid wordt verricht voor minder
                    dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren.
                    De aansluitende uitkering wordt in dergelijke gevallen verminderd met 70% van
                    hetgeen er met die arbeid wordt verdiend. Dit soort gevallen zal sporadisch
                    voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders met een klein dienstverband.</al><tussenkop>Artikel 10a:24 Scholing (T)</tussenkop><al>Hoewel de WW niet meer van toepassing is, kan er toepassing worden gegeven aan
                    de artikelen 75 tot en met 78 van de WW. Dit betekent dat na toestemming en
                    onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen
                    kunnen studeren met behoud van aansluitende uitkering. De jurisprudentie en het
                    beleid van het Lisv inzake scholing en onbeloonde activiteiten zijn van
                    overeenkomstige toepassing. In geval van noodzakelijk geachte scholing is er een
                    duurdoorbreking van toepassing (krachtens artikel 76, eerste lid WW) en ligt de
                    duur van de aansluitende uitkering niet vast. Dit betekent dat hier een
                    uitzondering wordt gemaakt op artikel 10a:16, eerste lid, waarin bepaald is dat
                    de duur van de aansluitende uitkering eenmaal wordt berekend en vervolgens
                    vastligt.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet>per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd:Het woord "Lisv" wordt vervangen door: UWV. </cursief></al><tussenkop>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden (T)</tussenkop><al>In artikel 10a:13 is de overlijdensuitkering geregeld in de periode dat er recht
                    is op een aanvullende uitkering. In artikel 10a:25 is vastgelegd dat er een
                    gelijkwaardig recht op overlijdensuitkering bestaat in geval van overlijden
                    tijdens de aansluitende uitkering, maar na afloop van de WW-uitkering. De
                    ZW-uitkering is geëindigd. Behoudens nawerking op grond van artikel 46 ZW, in
                    welk geval artikel 10a:13 nog van toepassing is, bestaat er dan geen aanspraak
                    meer op een ZW-overlijdensuitkering. De overlijdensuitkering is in dit geval
                    geheel bovenwettelijk.</al><tussenkop>Artikel 10a:25a Grensarbeiders (T)</tussenkop><al>Deze bepaling regelt dat grensarbeiders die hun baan verliezen, in Nederland
                    recht hebben op dezelfde Nederlandse (bovenwettelijke) werkloosheidsuitkering
                    als een werknemer die in Nederland woont en ontslagen wordt. Dit geldt niet
                    alleen voor de periode van de aanvullende uitkering (waarvoor artikel 10a:13a
                    geldt), maar ook voor de periode van de aansluitende uitkering. Hiervoor geldt
                    artikel 10a:25a. Zie voor een verdere toelichting de toelichting op artikel
                    10a:13a.</al><tussenkop>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Aan de betrokkene die buiten de gemeentelijke organisatie arbeid ter hand gaat
                    nemen, kan ter zake van de kosten die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing
                    zijn verbonden, een tegemoetkoming worden toegekend van € 2.270- onder
                    verrekening van een tegemoetkoming in de verhuiskosten uit anderen hoofde. Het
                    gaat hier om een discretionaire bevoegdheid. Het recht op een
                    verhuiskostenvergoeding kan alleen worden geëffectueerd, indien de vergoeding
                    bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd. Betrokkene zal de noodzakelijke
                    informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten overleggen. De tegemoetkoming in
                    verhuiskosten indien de betrokkene elders buiten de gemeentelijke organisatie
                    werk heeft gevonden, is een instrument dat kan bijdragen aan zijn reïntegratie
                    in het arbeidsproces. Hiermee wordt een eventuele belemmering gelegen in de hoge
                    verhuiskosten bij aanvaarding van een functie elders weggenomen. Het betreft
                    hier een discretionaire bevoegdheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de gewezen ambtenaar een verhuiskostenvergoeding van zijn nieuwe
                    werkgever ontvangt, kan hem slechts een tegemoetkoming in de verhuiskosten
                    worden toegekend voor het gedeelte van de vergoeding dat uit zou gaan boven de
                    door de nieuwe werkgever verstrekte tegemoetkoming.</al><tussenkop>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit artikel zijn de nadere voorwaarden opgenomen, waaronder de tegemoetkoming
                    in de verhuiskosten toegekend kan worden. De opsomming is cumulatief: er moet
                    aan alle gestelde voorwaarden worden voldaan. Er bestaat geen mogelijkheid tot
                    terugvordering in het geval van beëindiging werkhervatting door eigen schuld of
                    toedoen en/of in het geval van fraude.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om te voorkomen dat er vertekeningsactie moet worden ondernomen wanneer blijkt
                    dat de betrokkene (toch) niet verhuisd is, is vastgelegd dat de vergoeding
                    achteraf wordt toegekend. Voordat de vergoeding wordt toegekend, moet komen vast
                    te staan dat de betrokkene daadwerkelijk is verhuisd.</al><tussenkop>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De reïntegratietoeslag is in het leven geroepen om degenen met recht op een WW-
                    en bovenwettelijke uitkering te stimuleren niet alleen een functie van een
                    gelijk niveau als de oude betrekking te aanvaarden, maar ook een functie die
                    lager wordt beloond. Per saldo zal dit tot lagere uitkeringslasten voor de
                    gemeente leiden. Er moet minimaal 10% verschil zijn tussen het dagloon in de
                    oude betrekking en dat in de nieuwe betrekking. Net als bij de
                    verhuiskostenvergoeding kan het recht op een reïntegratietoeslag alleen worden
                    geëffectueerd, indien de toeslag bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd.
                    Betrokkene zal de noodzakelijke informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten
                    overleggen. Er kan alleen recht op een reïntegratietoeslag ontstaan als een
                    betrokkene tijdens het recht op een bovenwettelijke uitkering een
                    dienstbetrekking in de zin van de WW aanvaardt. Wanneer de betrokkene
                    aansluitend aan het ontslag als betrokkene een dienstverband aanvaardt voordat
                    het recht op bovenwettelijke uitkering ontstaat, is er geen recht op een
                    reïntegratietoeslag.</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag kan alleen worden geëffectueerd, indien het
                    wordt aangevraagd. Betrokkene zal de benodigde gegevens aan de
                    uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om te voorkomen dat er langdurige berekeningen met terugwerkende kracht moeten
                    worden gemaakt, is de termijn voor aanvraag van de reïntegratietoeslag vrij kort
                    gehouden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wanneer er sprake is van een lager dagloon, vloeit daar niet in alle gevallen
                    recht op een reïntegratietoeslag uit voort. Het lagere dagloon kan een gevolg
                    zijn van een kleinere omvang van de nieuwe betrekking. Wanneer er sprake is van
                    een kleinere omvang, wordt het dagloon in de oude betrekking omgerekend naar het
                    dagloon in de nieuwe betrekking. Als het verschil tussen het oude (omgerekende)
                    dagloon en het nieuwe minstens 10% bedraagt, ontstaat er recht op een
                    reïntegratietoeslag.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Er dient ten minste een dienstverband van één jaar te zijn overeengekomen.
                    Normaliter zal er bij de beëindiging van deze dienstbetrekking sprake zijn van
                    een nieuw recht op WW. Maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Wanneer
                    bijvoorbeeld de betrokkene met een tijdelijke dienstbetrekking van minimaal één
                    jaar tussentijds toch weer werkloos wordt (bijvoorbeeld als gevolg van ontslag
                    in de proeftijd), zal het eerste WW-recht, inclusief bovenwettelijke uitkering,
                    weer herleven. De duur van de reïntegratietoeslag wordt elke keer opnieuw
                    berekend bij het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking waaraan een aanspraak
                    op reïntegratietoeslag kan worden ontleend.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De WW kent in artikel 35 een systematiek van verrekenen van inkomsten die alleen
                    van belang is in situaties waarin er voor een gering aantal uren nieuw werk
                    wordt gevonden. Het gaat dan om een dienstverband van minder dan vijf uur en
                    minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren. In zo'n geval is
                    er geen sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de uitkering, zoals op
                    basis van artikel 20, eerste lid, onderdeel b van de WW verwacht kan worden,
                    maar wordt het totaal van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering
                    verminderd met 70% van hetgeen er met die nieuwe werkzaamheden wordt verdiend.
                    Er is in zulke gevallen geen recht op een reïntegratietoeslag. Ook wanneer aan
                    de betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend (artikel 10a:32), is er
                    geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><tussenkop>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De duur waarvoor de reïntegratietoeslag wordt toegekend, is niet gelijk aan de
                    periode die de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende enlof
                    aansluitende uitkering als hij geen andere functie aanvaard zou hebben. Het gaat
                    in dit geval om driekwart van het aantal gehele jaren dat de betrokkene nog
                    recht gehad zou hebben op een bovenwettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In deze bepaling wordt de betrokkene verplicht om de uitvoeringsinstelling van
                    bepaalde informatie te voorzien. Deze informatie moet maandelijks worden
                    gegeven. Wanneer de betrokkene deze verplichting niet nakomt, kan het recht op
                    reïntegratietoeslag niet worden vastgesteld, en kan dit recht derhalve niet tot
                    uitkering komen.</al><tussenkop>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het recht op reïntegratietoeslag blijft bestaan als de betrokkene binnen zijn
                    nieuwe dienstbetrekking niet feitelijk werkt, maar wel recht op zijn loon
                    behoudt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitgegaan van de stelling 'fulltime
                    is fulltime'. Met andere woorden: een fulltime dienstverband van 36 uur wordt
                    qua omvang gelijkgesteld aan een fulltime dienstverband van 38 uur. Hierdoor
                    zijn omrekeningen niet nodig.</al><tussenkop>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De reïntegratiepremie is een instrument om opname in het arbeidsproces te
                    stimuleren. Een soortgelijke bepaling kwam eveneens voor in de oude wachtgeld-
                    en uitkeringsregeling. De reïntegratiepremie beoogt de gewezen ambtenaar in de
                    gelegenheid te stellen om door middel van een bedrag ineens zijn werkloosheid
                    geheel op te heffen. Als algemene norm voor de inwilliging van het verzoek geldt
                    derhalve dat de bestemming van het afkoopbedrag kansen moet bieden op een
                    blijvende opheffing van de bestaande werkloosheid. De betrokkene die nog geen
                    recht op een bovenwettelijke uitkering heeft, kan geen recht verkrijgen op een
                    reïntegratiepremie. Dit betekent dat de ambtenaar die aansluitend aan het
                    ontslag gaat werken, niet voor deze premie in aanmerking komt.</al><tussenkop>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling hanteert het criterium 'in dezelfde mate werkloos zou zijn
                    gebleven' als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                    nieuwe werkgever. De zinsnede 'in dezelfde mate' impliceert dat de
                    omstandigheden op de dag voor de werkhervatting bepalend zijn voor de
                    berekeningsbasis. De berekeningsgrondslag kan verminderd zijn. Als de betrokkene
                    al gedeeltelijk werkt, heeft dit invloed op de berekeningsbasis. Hetzelfde geldt
                    voor een verminderde beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Daarentegen heeft een
                    sanctie geen invloed. Wanneer op de dag voor de werkhervatting een
                    uitsluitingsgrond voor het recht op WW van toepassing is (bijvoorbeeld ziekte of
                    vakantie), waardoor het recht op WW en bovenwettelijke uitkering geheel eindigt,
                    kan de reïntegratiepremie pas worden vastgesteld en tot uitbetaling komen als de
                    uitsluitingsgrond is opgeheven.</al><tussenkop> Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                    werkloosheid (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk behandelt de verschillende procedures die dienen te worden gevolgd
                    bij boventalligheid of bij ontslag wegens ongeschiktheid. Daarnaast bevat het
                    hoofdstuk bepalingen over de uitkeringen bij werkloosheid of gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid. In het Cao-akkoord 2011 en 2012 zijn de toen bestaande
                    bepalingen over Van werk naar werk-trajecten bij boventalligheid
                    aangescherpt.</al><al>In dit hoofdstuk zijn nu de procedures opgenomen die gelden voor ontslag wegens
                    andere gronden (artikel 8:8); reïntegratie en ontslag op grond van
                    onbekwaamheid/ongeschiktheid (artikel 8:6); reïntegratie en ontslag wegens
                    reorganisatie (artikel 8:3) en ontslag wegens gedeeltelijke (minder dan 35%)
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5). Dit is dan ook uitgedrukt in de
                    werkingssfeerbepaling artikel 10d:1. </al><al>Voor de overige ontslaggronden van hoofdstuk 8 (de artikelen 8:1, 8:2, 8:4, 8:7,
                    8:9, 8:10, 8:11, 8:12 en 8:13) gelden geen bovenwettelijke (uitkerings)rechten. </al><tussenkop>Artikel 10d:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 10d:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ontslagen worden en ontslagen
                    zijn op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Het onderscheid tussen “worden”
                    en “zijn” ziet op de reintegratiefase voor ontslag (als medewerkers worden
                    ontslagen) en de (uitkerings)rechten na ontslag (als medewerkers zijn
                    ontslagen).</al><tussenkop>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Ad b</vet>Vóór 1 januari 2016 werd hier het voor hoofdstuk 10d afwijkende
                    bezoldigingsbegrip gedefinieerd. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde
                    hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 is dit gewijzigd in ‘grondslag’ en is daar voor
                    de medewerkers die toen in dienst waren de toelage overgangsrecht hoofdstuk 3
                    (TOR) aan toegevoegd.</al><al><vet>Ad g werkloosheidsuitkering</vet> Wanneer ambtenaren na ingang van de
                    werkloosheidsuitkering een baan krijgen, eindigt hun werkloosheid. Wanneer ook
                    deze baan weer eindigt, kunnen ambtenaren in aanmerking komen voor een herleving
                    van de werkloosheidsuitkering. Waar in dit hoofdstuk gesproken wordt over de
                    werkloosheidsuitkering, wordt ook gedoeld op deze herleefde uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken (T)</tussenkop><al>LOGA partijen zijn overeengekomen dat de aanpak, zoals vastgelegd in dit
                    hoofdstuk, de basisaanpak wordt voor alle gemeenten, omdat daarmee door middel
                    van wederzijdse inspanningen maximaal geïnvesteerd wordt in het voorkomen van
                    werkloosheid. In lid 1 is bepaald dat lokaal aanvullende afspraken gemaakt mogen
                    worden ten opzichte van de basisaanpak in dit hoofdstuk, mits deze aanpak
                    gevolgd wordt. Er zijn twee soorten aanvulling en mogelijk: aanvullingen met
                    betrekking tot onderwerpen die niet geregeld zijn in dit hoofdstuk en
                    aanvullingen die tot een verruiming leiden van de afspraken in dit
                    hoofdstuk.</al><al>Als er op de in lid 2 genoemde datum een sociaal plan of vergelijkbare afspraak
                    geldt, welke niet voldoet aan de bepalingen in hoofdstuk 10d, bespreken college
                    en vakorganisaties in het GO wanneer tot aanpassing van het lokale beleid zal
                    worden overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
                    (T)</tussenkop><al>Het college treft een passende regeling voor de ambtenaar die ontslagen wordt op
                    grond van artikel 8:8. LOGA-partijen hebben niet willen vastleggen welke inhoud
                    een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor zijn de omstandigheden rond het
                    ontslag te divers. Het ligt echter wel in de rede dat de inhoud, voor zover dat
                    redelijk en billijk is, gebaseerd wordt op de rechten die gelden voor ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 of 8:6 ontslagen worden. Afhankelijk van de
                    omstandigheden ligt opschorting van het ontslag wellicht minder voor de hand.
                    Maar ook voor deze groep ontslagenen geldt dat overstappen van werk naar werk
                    het primaire doel is van de ontslagregeling. Het ter beschikking stellen van
                    faciliteiten (financieel of anderszins) om de reïntegratie te stimuleren zal
                    daarom vaak onderdeel uitmaken van de ontslagregeling. Mocht werkloosheid niet
                    te voorkomen zijn, dan geldt de mogelijkheid om, onder gelijke voorwaarden als
                    voor de ambtenaren die ontslagen worden op grond van artikel 8:3 of 8:6,
                    afspraken te maken over een aanvulling op de WW-uitkering en een na-wettelijke
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. De exacte hoogte en duur van deze
                    uitkeringen zijn mede afhankelijk van de overige afspraken die rond het ontslag
                    gemaakt zijn.</al><tussenkop>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het doel van de reïntegratiefase is het voorkomen van werkloosheid.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Het ontslagbesluit bevat de datum waarop het ontslag ingaat. Doordat eerst nog
                    de reintegratiefase doorlopen moet worden, is dit een datum die in de toekomst
                    ligt. Deze ontslagdatum wordt bepaald op de eerstvolgende datum die, gelet op de
                    duur van de reintegratiefase die voor de ambtenaar geldt, mogelijk is. Wanneer
                    voor de ambtenaar een reintegratiefase van 4 maanden geldt, bevat het
                    ontslagbesluit een datum, gelegen 4 maanden na de verzending/overhandiging van
                    het ontslagbesluit. In artikel 10d:7 worden de mogelijkheden genoemd, op grond
                    waarvan het ontslag al eerder dan na afloop van de reintegratiefase kan
                    eindigen. Om die reden moet in het ontslagbesluit worden opgenomen dat het
                    ontslag eerder kan eindigen, indien dat op grond van artikel 10d:7 aan de orde
                    is.</al><al>Als met inachtneming van de artikelen 10d:8 en 10d:9 de reïntegratiefase
                    verlengd wordt, moet het oorspronkelijke ontslagbesluit worden ingetrokken en
                    worden vervangen door een nieuw ontslagbesluit met een ontslagdatum die verder
                    ligt dan de oorspronkelijke ontslagdatum.</al><al><vet>Lid 5 </vet></al><al>Het besluit tot ontslag, inclusief ontslagdatum, kan worden genomen als aan de
                    noodzakelijke voorwaarden voor het ontslag op grond van artikel 8:6 voldaan
                    is.</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 moet een dossier zijn opgebouwd, waaruit
                    het college de conclusie heeft getrokken dat de ambtenaar ongeschikt of
                    onbekwaam is om zijn functie te blijven uitoefenen. Als dit dossier voldoende
                    is, kan het besluit tot ontslag genomen worden.</al><al>Bezwaar tegen een ontslagbesluit schort de werking van het ontslagbesluit en de
                    intreding van de reïntegratiefase niet op.</al><tussenkop>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ook bij het aanvaarden van een deeltijddienstverband eindigt de
                    reïntegratiefase. Op grond van artikel 72a WW heeft de gemeente voor zijn
                    oud-medewerkers een plicht om de reïntegratie in de arbeid te bevorderen. Zolang
                    de reïntegratie nog niet volledig is gelukt en heeft geleid tot volledige
                    opheffing van de werkloosheid (minder dan 5 uur werkloos), blijft deze plicht
                    van de gemeente bestaan. In dat verband kan het zinvol zijn om afspraken uit het
                    reïntegratieplan voort te zetten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Tijdens de reïntegratiefase worden afspraken gemaakt over de inspanningen die
                    van de gemeente en de ambtenaar verlangd worden. Deze afspraken worden door het
                    college vastgesteld en vastgelegd in het reïntegratieplan. Dit kunnen onder meer
                    afspraken zijn over sollicitatieactiviteiten, opleidingen en outplacementtraject
                    (zie artikel 10d:10). Wanneer de ambtenaar zich niet houdt aan de gemaakte
                    afspraken, zoals het niet starten van een cursus of onvoldoende sollicitaties
                    verrichten, gaat het ontslag op grond van 8:6 eerder in dan pas na afloop van de
                    reïntegratiefase. Uiteraard gelden hierbij de algemene beginselen van behoorlijk
                    bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel (belangenafweging) en
                    proportionaliteitsbeginsel (de sanctie moet niet zwaarder zijn dan op grond van
                    het gedrag te rechtvaardigen is). De medewerker kan het stopzetten van de
                    reïntegratiefase aan de rechter voorleggen. De rechter beoordeelt de
                    redelijkheid en billijkheid hiervan. Ook kan disciplinair ontslag plaatsvinden
                    op grond van artikel 8:13 (de nalatigheid moet dan voldoen aan de eisen die bij
                    disciplinair ontslag horen). In beide gevallen moet een besluit genomen worden
                    waarin, gemotiveerd en onder verwijzing naar artikel 10d:7,de nieuwe
                    ontslagdatum is opgenomen. Onderdeel van de afspraken kan bij ontslag op grond
                    van artikel 8:6 ook zijn welke eisen de ambtenaar mag stellen aan de aangeboden
                    functie. Als de ambtenaar een functie die aan dergelijke eisen voldoet, niet
                    accepteert, kan eveneens vóór het aflopen van de reintegratietermijn ontslag
                    plaatsvinden op grond van artikel 8:6. Naarmate de reïntegratiefase langer
                    duurt, mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht worden. Op grond van
                    jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval,
                    betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet aanvaarden,
                    waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Eerdere beëindiging van de reïntegratiefase leidt tot het vervallen van het
                    recht op een aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering. Ook hierbij moet
                    het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen.</al><tussenkop>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente
                    (T)</tussenkop><al>De sanctie voor de medewerker op nalatigheid is beëindiging van de
                    reïntegratiefase en het vervallen van het recht op de aanvullende uitkering en
                    de na-wettelijke uitkering. Ook het college moet zich aan de acties uit het
                    reïntegratieplan houden. Doet het college dit niet, dan wordt de
                    reïntegratiefase verlengd met minimaal één maand en maximaal de helft van de
                    oorspronkelijke reïntegratiefase verlengd, binnen welke termijn geprobeerd wordt
                    de nalatigheid te herstellen, voor zover dit naar redelijkheid en billijkheid
                    mogelijk is.</al><tussenkop>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige arbeidsduur, kan
                    zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent in ieder geval dat zijn WW
                    pas later ingaat. Belangrijker is dat hij van werk naar werk kan overstappen,
                    wat het vinden van een baan over het algemeen makkelijker maakt. De verlenging
                    van de reïntegratiefase wordt slechts toegestaan, wanneer de ambtenaar tijdens
                    die fase aan zijn reïntegratie blijft werken.</al><al>Het college stemt alleen in met een verzoek tot verlenging van de
                    reïntegratiefase, wanneer de ambtenaar de reïntegratiefase niet volledig heeft
                    kunnen benutten aan reïntegratie. De oorzaak hiervoor moet redelijk zijn. Dit
                    kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig zieke partner zijn. Hierdoor kan het
                    voor de ambtenaar onmogelijk zijn geweest om tijdens de reintegratiefase aan
                    zijn reïntegratieverplichtingen te voldoen. Het college kan dan instemmen met
                    een verlenging. Een langdurige vakantie wordt niet als redelijk beschouwd.</al><al>Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de reïntegratiefase niet meer aan
                    de voorwaarde dat aan reïntegratie gewerkt moet worden, dan wordt de verlenging
                    gestopt en gaat het oorspronkelijke ontslag alsnog in.</al><al>Door aangepaste fiscale wetgeving kunnen alleen mensen, die op 1 januari 2012
                    minimaal 3000 euro op hun levenslooprekening hadden staan, doorgaan met sparen
                    volgens deze regeling.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Lid 4 geeft aan dat de bepalingen over de eerdere beëindiging van de aanstelling
                    of arbeidsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn. Wanneer tijdens de
                    verlenging afspraken worden gemaakt over voortzetting van de
                    reïntegratieactiviteiten en de ambtenaar houdt zich niet aan deze afspraken,
                    wordt voor het aflopen van de verlengde reïntegratiefase het ontslag verleend op
                    grond van artikel 8:6.</al><tussenkop>Artikel 10d:10 Reïntegratieplan (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Tijdens de reïntegratiefase geldt de reguliere rechtspositieregeling. Dit houdt
                    onder meer in dat de ambtenaar gewoon verlof opbouwt, zoals hij dat eerder
                    opbouwde. Wanneer hij tijdens de reïntegratiefase geen werkzaamheden verricht,
                    betekent dit dat hij in principe geen verlof nodig heeft voor activiteiten die
                    in het kader van het reïntegratieplan zijn afgesproken.</al><al>Als bij de start van de reïntegratiefase al duidelijk is dat direct na de
                    beoogde ontslagdatum een functie voorhanden is, bestaat het reïntegratieplan uit
                    het benoemen van die functie en de datum vanaf wanneer de ambtenaar deze functie
                    gaat bekleden. Het reïntegratieplan hoeft dan niet verder uitgewerkt te
                    worden.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het is zinvol om te beginnen met het opstellen van het reïntegratieplan, zodra
                    duidelijk is dat de ambtenaar ontslagen gaat worden op grond van artikel 8:6 en
                    daarmee dus niet te wachten tot het ontslagbesluit genomen is. Gemeente noch
                    ambtenaar zijn hiertoe overigens verplicht. Medewerking van beide partijen kan
                    echter de mogelijkheden op het vinden van een baan bespoedigen en dus de kans op
                    het voorkomen van werkloosheid vergroten.</al><al>Het reïntegratieplan moet in ieder geval binnen 1 maand na ingang van de
                    reïntegratiefase zijn opgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De gemeente maakt een kosten-batenanalyse van de voorgenomen
                    reïntegratieactiviteiten. De gemeente stelt vast welke kosten redelijkerwijs
                    voor rekening van de gemeente komen (de wensen van de ambtenaar kunnen verder
                    gaan dan op grond van reïntegratie noodzakelijk zijn, waardoor de gemeente niet
                    de volledige kosten vergoedt).</al><al>Wanneer besloten wordt dat volledige vergoeding van de kosten door de gemeente
                    niet redelijk is of wanneer de kosten uitstijgen boven het bedrag van € 7.500,=,
                    kan van de ambtenaar verlangd kan worden dat hij zelf ook financieel bijdraagt
                    aan de activiteiten uit het reïntegratieplan.</al><tussenkop>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik (T)</tussenkop><al>Het toepassingsbereik van paragraaf 5 strekt zich uit over ambtenaren die een
                    dienstverband van 2 jaar of langer bij dezelfde gemeente hebben. In dit licht
                    wijst het LOGA op artikel 10d:3 lid 1.</al><tussenkop>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting (T)</tussenkop><al>Dit artikel drukt uit dat een goede uitvoering van het Van werk naar
                    werk-traject de verantwoordelijkheid is van zowel werkgever als ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>Een goed te definiëren moment markeert de start van het hele traject. Voor beide
                    partijen moet duidelijk zijn dat vanaf dit moment, dat boventalligheid intreedt,
                    de periode van twee jaar begint te lopen.</al><tussenkop>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek (T) </tussenkop><al>In dit artikel worden de inhoudelijke stappen van het Van werk naar werk-traject
                    geregeld. De start is het onderzoek naar wensen en mogelijkheden en
                    arbeidsmarktpotentie, ook buiten de gemeente. Het onderzoek wordt afgerond
                    binnen een maand na de startdatum van het Van werk naar werk-traject. De
                    startdatum is de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is
                    getreden. Het onderzoek kan eerder opgestart worden, als al is voorzien dat
                    boventalligheid aan de orde zal komen. Duidelijk is dat wanneer het onderzoek
                    eerder aanvangt, sneller met de uitvoering ervan kan worden gestart, en de kans
                    van slagen toeneemt. Bij het onderzoek kan een gecertificeerde loopbaanadviseur
                    worden ingeschakeld. Dit kan ook een functionaris zijn die bij de gemeente zelf
                    in dienst is, mits deze aantoonbaar is gekwalificeerd als
                    loopbaanbegeleider.</al><al>Wat betreft de loopbaanadviseur is van belang dat deze voldoet aan de
                    professionele kwaliteitseisen van de beroepsgroep van loopbaanbegeleiders ofwel
                    aantoonbaar daartoe gevolgde opleidingen en/of relevante ervaring heeft.</al><tussenkop>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract (T)</tussenkop><al>Na het onderzoek genoemd in artikel 10d:13 wordt een contract gemaakt. Dat is
                    uiterlijk gereed drie maanden na afronding van het onderzoek. Het contract bevat
                    de afspraken tussen werkgever en ambtenaar gericht op het vinden van nieuw werk.
                    Het contract is maatwerk en zal per individu verschillen. Het is van belang
                    concreet alle van belang zijnde afspraken op te nemen. In het artikel is een
                    niet-limitatieve opsomming hiervan opgenomen. Gedurende de looptijd van het
                    contract is de ambtenaar boventallig; ten aanzien van de werkzaamheden die hij
                    gedurende de Van werk naar werk-termijn voor de werkgever verricht dienen daarom
                    ook afspraken te worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                    (T)</tussenkop><al>De monitoring en de verslaglegging van de voortgang en evaluatiegesprekken wordt
                    neergelegd bij een nader aan te wijzen persoon of organisatie. Van belang is dat
                    goed wordt toegezien op de uitvoering, voor beide partijen. Het verloop van het
                    Van werk naar werktraject kan immers aanleiding geven tot een verschil in
                    opvatting dat aan een commissie ter toetsing wordt voorgelegd (zie artikel
                    10d:24). De dossiervorming moet dan op orde zijn.</al><tussenkop>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>Een Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Maar deze termijn kan korter
                    zijn als eerder passend of geschikt werk is gevonden. Passend of geschikt werk
                    kan ook werk in deeltijd zijn en/of werk buiten de eigen organisatie of
                    gemeente.</al><tussenkop>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging (T)</tussenkop><al>Als de boventallige ambtenaar een aanbod voor passend of geschikt werk binnen of
                    buiten de gemeentelijke organisatie weigert, volgt beëindiging van het Van werk
                    naar werk-contract en vervolgens reorganisatieontslag (ontslag op grond van
                    artikel 8:3 CAR). Partijen leggen in het Van werk naar werk-contract vast welke
                    functies passend dan wel geschikt zijn. Als de ambtenaar een dergelijke functie
                    weigert, eindigt het Van werk naar werk-contract. Afhankelijk van de duur van
                    het Van werk naar werk-traject mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht
                    worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden
                    van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet
                    aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager of een
                    vergelijkbaar verschil als het een functie buiten de gemeente betreft.</al><al>Hiermee wordt gevolg gegeven aan de essentie van deze afspraken, namelijk dat
                    het voor de ambtenaren van belang is dat zij aan het werk blijven. Dat wordt ook
                    uitgedrukt door lid 2: als de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het
                    contract, dan wordt het traject eveneens gestopt en tot ontslag overgegaan. In
                    beide gevallen verliest de ambtenaar ook het recht op aanvulling op de
                    werkloosheidsuitkering en de na-wettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur (T)</tussenkop><al>Het Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Als na verloop van 21 maanden
                    geen ander werk is gevonden dient een loopbaanadviseur een advies uit te brengen
                    over een eventueel vervolgtraject. Om een goed advies te kunnen uitbrengen,
                    heeft de loopbaanadviseur in ieder geval inzage in de evaluatieverslagen, en
                    zonodig in andere relevante correspondentie. De loopbaanadviseur moet overwegen
                    of een vervolgtraject een zinvolle stap is, die de kans op ander werk evident
                    doet toenemen. De verwachte ontwikkelingen binnen de organisatie en de
                    arbeidsmarkt van dat moment zijn daarbij relevant.</al><al>De loopbaanadviseur adviseert het college; het college hoeft dit advies niet te
                    volgen.</al><tussenkop>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject
                    (T)</tussenkop><al>Als de termijn van 2 jaar voorbij is wordt het Van werk naar werk-traject
                    beëindigd. Er volgt dan, zonder verdere opzegtermijnen of wachttijd, een
                    ontslagbesluit op grond van artikel 8:3 CAR. Dat is alleen anders als het
                    college het advies van de loopbaanadviseur tot verlenging volgt.</al><tussenkop>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>De mogelijkheid bestaat om het Van werk naar werk-contract te verlengen.
                    Logischerwijs zou dit kunnen voortvloeien uit het advies van de loopbaanadviseur
                    zoals bedoeld in artikel 10d:20, maar ook een zeer reële kans op een andere
                    functie –schriftelijk te bevestigen door de werkgever in kwestie- kan leiden tot
                    verlenging. Een besluit hieromtrent is geheel aan de werkgever. Er kan maar een
                    keer worden verlengd. Het traject wordt definitief beëindigd op de datum waarop
                    het verlengde contract afloopt. Na afloop daarvan volgt het ontslagbesluit op
                    grond van artikel 8:3.</al><tussenkop>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                    werk-contract (T)</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld wat er gebeurt als een van beide partijen het Van
                    werk naar werkcontract niet nakomt of als bij de uitvoering ervan geschillen
                    optreden. Als de ene partij van oordeel is dat de ander zich niet houdt aan de
                    afspraken is de eerste stap dat in goed overleg naar een uitweg wordt gezocht.
                    Als een gesprek niet leidt tot een oplossing volgt een ingebrekestelling: de
                    partij die vindt dat de ander niet doet wat is afgesproken in het contract stelt
                    de ander hiervan schriftelijk in kennis. Voor de gemeente kan dit leiden tot
                    beëindiging van het contract en een ontslag. Dat is beschreven in artikel 10d:19
                    bij tussentijdse beëindiging. Voor de ambtenaar betekent dit dat hij kan eisen
                    dat het Van werk naar werk-contract wordt verlengd met de periode waarin het
                    gebrek is opgetreden. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de situatie dat
                    een loopbaancoach afwezig is waardoor afgesproken gesprekken niet hebben
                    plaatsgevonden. Deze worden dan als het ware ingehaald. Uitgangspunt is dat ook
                    in deze fase werkgever en ambtenaar er samen uitkomen. Maar als dat niet lukt,
                    kan de paritaire toetsingscommissie om advies worden gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 10d:24 Paritaire commissie (T)</tussenkop><al>Dit artikel regelt de positie van de paritaire toetsingscommissie. De commissie
                    is paritair. Gemeenten die al een dergelijke paritaire commissie hebben kunnen
                    de bestaande commissie aanwijzen. Het college moet een reglement vaststellen
                    waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                    vastgelegd. De LOGA partijen hebben een voorbeeld reglement opgesteld.</al><tussenkop>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1, sub a</vet></al><al>Wanneer de reïntegratiefase eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar zich niet
                    heeft gehouden aan de afspraken die in het reïntegratieplan zijn neergelegd,
                    vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 1, sub b</vet></al><al>Wanneer het Van werk naar werk-traject eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar
                    zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in het Van werk naar werk-contract
                    zijn neergelegd, vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 1, sub c</vet></al><al>De ambtenaar moet niet alleen in principe recht hebben op een
                    werkloosheidsuitkering, maar deze ook daadwerkelijk ontvangen. Het kan
                    bijvoorbeeld zo zijn dat de ambtenaar alleen vanwege het feit dat hij met
                    vakantie is nog geen WW-uitkering ontvangt. Dan ontvangt hij ook geen
                    aanvullende uitkering. De WW-uitkering, en de aanvullende uitkering, vangen dan
                    tegelijk aan, na de vakantie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gedacht kan worden aan de betalingsberichten van UWV, gegevens over
                    werkhervatting (ter bepaling van het aantal uren dat iemand werkloos is) of
                    sanctiebesluiten van UWV. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer
                    informatie www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze voorwaarde geldt ter
                    bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering (artikel 10d:26) en ter
                    controle van sancties, die door UWV kunnen zijn opgelegd (artikel 10d:28).</al><tussenkop>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag (T)</tussenkop><al>In artikel 10d:2 is de grondslag gedefinieerd, die nodig is voor de berekening
                    van de aanvullende uitkering.</al><al>De hoogte van de uitkering is gedurende de twee fases verschillend. De genoemde
                    bedragen zijn de feitelijke beloning (salaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelage(n). Hiermee wordt dus niet de voltijdsbeloning bedoeld, die
                    omgerekend moet worden naar de deeltijdfactor van de medewerker. Dus ook een
                    medewerker die met een functie voor 30 uur per week € 5.500,= aan salaris en
                    toegekende salaristoelagen ontvangt, krijgt gedurende de eerste fase een
                    aanvullende uitkering van 30% daarvan en gedurende de tweede fase een
                    aanvullende uitkering van 20% van dat bedrag. De zinsnede “naar rato van het
                    aantal uren dat de ambtenaar werkloos is” houdt in dat indien iemand een
                    arbeidsduur had van 36 uur, waaruit hij voor 18 uur is ontslagen hij een
                    aanvullende uitkering ontvangt van 10%, respectievelijk 20% of 30% maal 18/36.
                    Als deze persoon vervolgens een baan aanvaardt van 10 uur per week, ontvangt hij
                    een aanvullende uitkering van 10% (respectievelijk 20% of 30%) maal 8/36 zijn
                    salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelage(n).</al><tussenkop>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag (T)</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat een medewerker, bijvoorbeeld vanwege vakantie rond de
                    datum van ontslag, nog geen WW-uitkering ontvangt (hij is dan namelijk niet
                    beschikbaar voor de arbeidsmarkt). Ook dan eindigt het recht op de aanvullende
                    uitkering 12 maanden na de dag van ontslag en niet 12 maanden na dag van ingang
                    van de WW-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:28 Sancties (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Iedere sanctie die door UWV wordt opgelegd, leidt tot een evenredige sanctie op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat als UWV voor de duur van 3 maanden
                    een sanctie oplegt van 10%, ook de aanvullende uitkering voor de duur van 3
                    maanden gekort wordt met 10%. Beëindiging van de WW-uitkering voor bijvoorbeeld
                    6 maanden leidt ook tot beëindiging van de aanvullende uitkering voor 6 maanden.
                    Hiermee wordt de ambtenaar gestimuleerd om zijn verplichtingen (die grotendeels
                    gericht zijn op werkhervatting) op grond van de Werkloosheidswet na te
                    komen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een sanctie die door UWV wordt opgelegd, kán leiden tot het vervallen van het
                    recht op een na-wettelijke uitkering. Dit is een facultatieve bepaling en is
                    afhankelijk van de aard en ernst van het gedrag dat heeft geleid tot de sanctie
                    die door UWV is opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering (T)</tussenkop><al>Omdat de aanvullende uitkering gekoppeld is aan de uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, eindigt de aanvullende uitkering sowieso als de WW-uitkering
                    eindigt.</al><al><cursief>Herleving aanvullende uitkering</cursief>Omdat de
                    werkloosheidsuitkering gedefinieerd is als uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst met de gemeente, herleeft de aanvullende uitkering, wanneer
                    de werkloosheidsuitkering herleeft.</al><al>Omdat de duur van de aanvullende uitkering van één jaar gekoppeld is aan de dag
                    van ontslag, geldt de herleving van de eerste fase van de aanvullende uitkering
                    alleen wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft binnen 12 maanden na de
                    ingangsdatum van ontslag. Deze eerste fase wordt dus niet opgeschort met de
                    periode, waarin geen werkloosheidsuitkering is ontvangen. Gedurende de
                    resterende tijd van de werkloosheidsuitkering wordt de hoogte van de tweede fase
                    uitbetaald.</al><tussenkop>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onderdeel a</al><al>Ook na afloop van de werkloosheidsuitkering moet sprake zijn van werkloosheid,
                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:1. Zowel deze verwijzing naar werkloosheid,
                    als naar de definitie van werkloosheidsuitkering geven aan dat het moet gaan om
                    een uitkering die voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                    gemeente.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onderdeel b</al><al>Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van gegevenslevering
                    zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie www.uwv.nl;zoeken op
                    poortwachtertoets). Deze gegevens zijn nodig ter bepaling van de hoogte van de
                    na-wettelijke uitkering (artikel 10d:31) en het door de gemeente te voeren
                    sanctiebeleid (zie artikel 10d:34).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij -ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (artikel 8:6) ontstaat
                    alleen recht op een na-wettelijke uitkering als het ontslag gelegen is in
                    omstandigheden binnen de werksfeer. Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen
                    schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid.</al><tussenkop>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In lid 2 is opgenomen dat als iemand voor minder dan 36 uur werkloos is, zijn
                    na-wettelijke uitkering naar evenredigheid wordt bepaald. De na-wettelijke
                    uitkering wordt namelijk gebaseerd op de mate van werkloosheid.</al><al>Als uit een arbeidsovereenkomst of aanstelling blijkt dat iemand een functie van
                    20 uur in de week heeft, ontvangen hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    resterende 16 uur. Als door een nieuwe baan een werkloosheid resteert van minder
                    dan 5 uur, is de werkloosheid beëindigd en eindigt de na-wettelijke uitkering
                    (zie definitie werkloosheid en artikel 10d:18).</al><al>Gedeeltelijke werkhervatting, maar ook werkzaamheden als zelfstandige
                    verminderen de werkloosheid. Of iemand minder dan 36 uur werkloos is, is af te
                    leiden uit de gegevens over werkzaamheden (bijvoorbeeld salarisstroken). In
                    artikel 10d:15 is opgenomen dat de ambtenaar alle gegevens moet overleggen die
                    van belang zijn voor het bepalen van het recht op nawettelijke uitkering.
                    Hiertoe behoren dus ook salarisstroken en arbeidsovereenkomsten.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het is mogelijk dat iemand met het aantal uren werkhervatting meer verdient dat
                    hij in de oude situatie deed. Daarom is in lid 3 een bepaling opgenomen, waaruit
                    voortvloeit dat het nieuwe inkomen en de na-wettelijke uitkering nooit meer kan
                    bedragen dan 90% van het oude salaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelage(n)d.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Iemand werkte 36 uur en verdiende € 2000,=. De
                    na-wettelijke uitkering bedraagt 70% hiervan; dit is € 1400,=. Hij krijgt
                    tijdens de periode van de na-wettelijke uitkering een baan voor 18 uur. Hiermee
                    resteert een werkloosheid voor 18 uur. Met zijn nieuwe baan gaat hij €1500,=
                    verdienen. Zijn uitkering zou, gebaseerd op 18 uur werkloosheid, € 700,=
                    bedragen. Samen met de inkomsten van € 1500,= komt zijn totaal inkomen uit op €
                    2200,=. Het totaalinkomen is gemaximeerd op 90% van € 2000,=; dit is € 1800,=.
                    Zijn uitkering wordt dus gekort met € 300,=. Hij ontvangt nog een na-wettelijke
                    uitkering van € 400,=.</al><tussenkop>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al>Als iemand 45 is op de dag van ontslag en hij heeft vanaf zijn 25e in de
                    gemeentelijke sector gewerkt, ontvangt hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    duur van (15 x 1,4) + (5 x 2) = 31 maanden.</al><tussenkop>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Recht op een werkloosheidsuitkering bestaat als iemand meer dan 5 uur of meer
                    dan de helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week verliest. Als door
                    werkhervatting een werkloosheid resteert van minder dan 5 uur (of minder dan de
                    helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week) eindigt de werkloosheid en
                    eindigt de na-wettelijke uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De wijziging van lid 3 waarbij de beëindiging van de na-wettelijke uitkering
                    wordt gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is in werking
                    getreden op 15 juli 2014. De gewijzigde bepaling heeft betrekking op de
                    ambtenaar die op 15 juli 2014 bij de werkgever in dienst is, of de ex-ambtenaar
                    die op die datum — als gevolg van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of
                    8:8 CAR – in het genot is van een WW- of na-wettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:35 Afkoop (T)</tussenkop><al>Er bestaat geen recht op afkoop van de na-wettelijke uitkering. Het college kan
                    echter op verzoek van de ambtenaar besluiten tot afkoop van de na-wettelijke
                    uitkering. Het college bepaalt daarbij de voorwaarden en de hoogte van het
                    afkoopbedrag.</al><al>Als partijen het niet eens worden over de hoogte van het afkoopbedrag, vallen
                    partijen terug op de normale regels over hoogte en duur van de na-wettelijke
                    uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                    herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid (T)</tussenkop><al>De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan in het derde
                    ziektejaar definitief worden herplaatst, wanneer hij een functie aanvaardt,
                    waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                    is vastgesteld, kan voorzien. Wanneer een dergelijke functie buiten de
                    organisatie van de gemeente wordt gevonden, kan ontslag op grond van artikel 8:5
                    plaatsvinden. Is dat het geval dan ontvangt de ambtenaar, zolang hij arbeid
                    heeft waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit kan voorzien,
                    een bijzondere uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:39 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al>In de CAO 2007-2008 is overgangsrecht overeengekomen voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="-"><al>op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 10d (1 juli 2008) 20
                            dienstjaren of meer heeft in de gemeentelijke sector en</al></li><li nr="-"><al>die binnen 10 jaar daarna daadwerkelijk ontslag verleend wordt.</al></li></lijst><al>Het overgangsrecht houdt in dat de duur van de overgangsuitkering overeenkomt
                    met de aansluitende uitkering uit hoofdstuk 10a, zoals dit hoofdstuk tot 1 juli
                    2008 luidde. Wel is afgesproken dat de berekening hiervan voor gemeenten
                    gemakkelijker wordt gemaakt. Daarom is de oude berekeningsduur van de
                    aansluitende uitkering omgezet in een formule, die in het tweede lid, is
                    opgenomen. Vanaf 1 juli 2008 valt iedereen onder hoofdstuk 10d. Alle ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 en 8:6 ontslagen worden, krijgen dus recht op een
                    reïntegratiefase of een Van werk naar werk-traject. Mocht daarna sprake zijn van
                    werkloosheid, dan geldt slechts ten aanzien van de duur van de uitkering na
                    afloop van de WW een uitzondering voor de ambtenaren, voor wie dit
                    overgangsrecht is overeengekomen. De overgangsuitkering eindigt op de eerste van
                    de maand volgend op die waarin betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt
                    (artikel 10d:33). </al><tussenkop>Hoofdstuk 10e Vervallen hoofdstuk (T)</tussenkop><al>Vervallen hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 11 Uitkeringsregeling ontslag (T)</tussenkop><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290052"></illustratie></plaatje> moet worden geraadpleegd.</al><tussenkop>Artikel 11:1 Betrokkene (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al> Voor een toelichting op artikelen die gelijkluidend zijn aan die van hoofdstuk
                    10 (wachtgeld), wordt daarnaar verwezen.</al><al><vet>Algemeen</vet> De omschrijving dat aan de ambtenaar ontslag moet zijn
                    verleend, impliceert dat het einde van een tijdelijke urenuitbreiding geen recht
                    geeft op een uitkering. Immers, er is geen sprake van ontslag. Dit is anders
                    wanneer deze urenuitbreiding, die in de vorm van een brief kan worden
                    meegedeeld, de vorm krijgt van een tijdelijke aanstelling. Na afloop van deze
                    aanstelling ontstaat wel recht op een uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid een ambtenaar een recht op uitkering toe te
                    kennen die ontslag heeft gevraagd omdat betrokkene de echtgenoot (en eventueel
                    de levenspartner) wil volgen die genoodzaakt is elders een betrekking te
                    aanvaarden. Interessant is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    die uitwijst dat de weigering in dergelijke situaties een recht op uitkering toe
                    te kennen, in alle gevallen is gesanctioneerd. Wanneer de verhuizing medisch
                    noodzakelijk is in verband met de gezondheid van de echtgenoot, is er aanleiding
                    een uitkering toe te kennen. Dit is een omstandigheid waarop betrokkenen geen
                    invloed kunnen uitoefenen.</al><tussenkop>Artikel 11:6 Recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat recht op een uitkering bestaat indien voldaan is aan
                    de zogenaamde toegangs-eis. In het jaar voorafgaand aan het ontslag dient
                    betrokkene tenminste gedurende 26 weken werkzaam te zijn geweest als werknemer
                    in de zin van de WW. Werkzaamheden, verricht als zelfstandige, tellen dus niet
                    mee. In dit verband wordt een week als een gewerkte week aangemerkt, indien ten
                    minste op één dag per week is gewerkt, ongeacht het aantal uren. Deze
                    toegangseis, afkomstig uit de WW, is in de WW inmiddels per 1 maart 1995
                    verzwaard, maar die verzwaring wordt in ieder geval voor 1 januari 1998 niet
                    overgenomen in dit hoofdstuk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid vermeldt welke werkzaamheden in aanmerking worden genomen bij het
                    vaststellen of aan de toegangseis is voldaan. Het gaat hierbij niet alleen om
                    werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking waaruit ontslag volgt, maar ook om
                    werkzaamheden die zijn verricht in een dienstbetrekking waarvoor de betrekking
                    waaruit ontslag volgt, in de plaats is gekomen. Let wel, hierbij kan het ook
                    gaan om werkzaamheden die in de private sector zijn verricht voorafgaand aan
                    indiensttreding bij de gemeente.</al><al>Dat er een duidelijke relatie ligt tussen het ontslag en de dienstbetrekking
                    waaruit ontslag volgt voor het bepalen of aan de toegangseis is voldaan, moge
                    het volgende voorbeeld illustreren. Een ambtenaar gaat een deeltijdbaan
                    vervullen van 20 uur voor de termijn van een jaar. Na zes maanden gaat
                    betrokkene een tweede deeltij dbaan vervullen van 16 uur voor de duur van drie
                    maanden. Aan deze baan is geen andere voorafgegaan. Na het verstrijken van de
                    termijn van drie maanden ontstaat geen recht op een uitkering, betrokkene is in
                    deze functie immers geen 26 weken werkzaam geweest. De weken waarin is gewerkt
                    in de betrekking die blijft voortbestaan, tellen niet mee. Deze tijd telt
                    uitsluitend mee voor de beoordeling of aan de toegangseis voldaan is op het
                    tijdstip dat de deeltij dbetrekking van 20 uur eindigt. Gewerkte weken tellen
                    dus slechts éénmaal mee.</al><tussenkop>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ook al vervalt hoofdstuk 11 per 1 januari 2001 voor de gevallen van
                    werkloosheid, die zijn ontstaan op of ná 1 januari 2001, de verwijzing naar
                    hoofdstuk 7 kan nog gedurende 2 jaren van toepassing zijn. Hierbij gaat het om
                    de status quo op 31 december 2000. Gemeenten doen er verstandig aan de tekst van
                    hoofdstuk 7, zoals dat luidde op 31 december 2000, apart te bewaren.</al><tussenkop>Artikel 11:18 Samenloop (T)</tussenkop><al>De ziekte-uitkering op grond van artikel 11:17 (gedurende maximaal een jaar, ter
                    hoogte van 80% van de bezoldiging) schort het recht op uitkering op. Dit
                    betekent dat de periode gedurende welke een ziekte-uitkering is genoten, bij de
                    oorspronkelijke uitkeringsduur wordt opgeteld.</al><tussenkop>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet> Algemeen </vet>Dit artikel geldt slechts ten aanzien van degene aan wie
                    uitsluitend een uitkering voor de periode van zes maanden is toegekend. In
                    afwijking van het reguliere systeem van de verrekening van neveninkomsten, geldt
                    in dit geval dat het recht op uitkering vervalt en herleeft in de situatie dat
                    spoedig opnieuw werkloosheid optreedt nadat betrokkene bijvoorbeeld als
                    uitzendkracht heeft gewerkt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt met ingang
                    van de dag dat de werkloosheid eindigt, en dat het recht opnieuw voor de
                    resterende duur wordt toegekend met ingang van de dag dat opnieuw werkloosheid
                    ontstaat. Van belang is dat het begrip "beëindiging van de werkloosheid" zodanig
                    is omschreven dat bij het aanvaarden van een tijdelijke dienstbetrekking eerst
                    van beëindiging van de werkloosheid sprake is indien gedurende een periode van
                    een maand gewerkt is. Daarbij moet het gaan om een betrekking bij eenzelfde
                    werkgever en met ten minste de omvang van de betrekking waaruit ontslag volgde.
                    Dit betekent dat gedurende de eerste maand waarin de gewezen ambtenaar met een
                    uitkering een tijdelijke betrekking vervult, de inkomsten met de uitkering
                    worden verrekend. Pas na een periode van een maand vervalt de uitkering. Hiermee
                    wordt voorkomen dat meerdere malen het recht op uitkering vervalt en weer
                    herleeft wanneer bijvoorbeeld op uitzendbasis wordt gewerkt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid voorziet in een aangepaste toegangseis wanneer na afloop van de
                    uitkeringsduur van zes maanden nog steeds sprake is van een situatie van
                    werkloosheid.</al><tussenkop>Artikel 11a Suppletie (T) </tussenkop><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="vóór 1 januari 2016" type="tekst" id="i290053"></illustratie></plaatje> moet worden geraadpleegd.</al><tussenkop>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Per 1 januari 1996 heeft het burgerlijk overheidspersoneel in geval van
                    arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 31 van de Wet privatisering ABP (WPA)
                    recht op een uitkering conform de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
                    (WAO). Per die datum is het herplaatsingswachtgeld ingevolge hoofdstuk K van de
                    ABP-wet komen te vervallen. Voor het herplaatsingswachtgeld is de
                    suppletieregeling in de plaats gekomen. De suppletieregeling draagt het karakter
                    van een werkloosheidsregeling. Vooruitlopend op het moment dat het
                    overheidspersoneel onder de werking van de werknemersverzekeringen zal worden
                    gebracht, de zogenaamde OOW-operatie, is bij de suppletieregeling reeds zoveel
                    als uitvoeringstechnisch mogelijk aangesloten bij de WW. De lasten van de
                    suppletieregeling worden gedragen door de overheidswerkgever zelf.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>onderdeel b</al><al>Artikel 11a:1 bevat de definitiebepalingen.</al><al>Met het begrip "arbeidsongeschiktheidsuitkering" is in deze suppletieregeling
                    elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid
                    bedoeld. Voorbeelden hiervan zijn de WAO-conforme uitkering, de WAO-uitkering,
                    de uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
                    uitkering op grond van artikel 7:11 van de CAR. Ook uitkeringen van buitenlandse
                    mogendheden of van de Nederlandse Antillen of Aruba kunnen onder dit begrip
                    vallen.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>onderdeel d</al><al>De doelgroep van deze suppletieregeling wordt gevormd door de
                    overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij een gemeente
                    op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en
                    die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin
                    van de WAO</al><al>Van suppletie is echter uitgezonderd degene die zijn resterende verdienvermogen
                    volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen. Ingevolge de systematiek
                    van de WAO wordt namelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond
                    van het resterend verdienvermogen dat de betrokkene heeft. Wanneer de betrokkene
                    één of meer aangehouden betrekkingen heeft, is hij ingevolge die systematiek dus
                    altijd minder dan 80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. De suppletie is
                    echter bedoeld voor degenen die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn voor de
                    dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al><al>De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die toen minder
                    dan 15% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op de definiëring, eveneens
                    recht op suppletie. Met de omschrijving dat de betrokkene overheidswerknemer is,
                    bedoeld in artikel 2 van de WPA, wordt niet beoogd een andere omschrijving te
                    geven dan die van het ambtenaar schap in de zin van de Abp-wet, zoals die luidde
                    op 31 december 1995.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>onderdelen g en h</al><al>Het dagloon in de zin van de suppletie is het ongemaximeerde dagloon in de zin
                    van de WAO met een bepaalde correctie. Allereerst wordt het dagloon in de zin
                    van de WAO vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal. Daarnaast
                    wordt in die gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd
                    zijn ingevolge een particuliere ziektekostenverzekering de werkgeversbij drage
                    in die ziektekostenverzekering in mindering gebracht op het ongemaximeerde
                    dagloon in de zin van de WAO. Deze tegemoetkoming van de werkgever dient van het
                    WAO-dagloon te worden afgetrokken, omdat de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie anders niet gelijk zou zijn aan de berekeningsgrondslag van het
                    vroegere herplaatsingswachtgeld, de laatstgenoten bezoldiging.</al><al>In gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd zijn
                    ingevolge een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering, meestal het IZA, is
                    het niet nodig om bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie, het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO te verminderen met de
                    tegemoetkoming van de werkgever in een particuliere ziektekostenverzekering van
                    betrokkene. In deze gevallen wordt bij de vaststelling van het dagloon in de zin
                    van de WAO reeds rekening gehouden met de werkgeversbijdrage.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>onderdeel h</al><al>Het dagloon wordt uitsluitend in aanmerking genomen voor zover het toegerekend
                    kan worden aan de betrekking waaruit betrokkene met recht op suppletie is
                    ontslagen. In tegenstelling tot de WAO-conforme uitkering ingevolge de WPA, is
                    het recht op suppletie immers aan die enkele betrekking gekoppeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 11a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming en de
                    ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                    van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                    tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                    personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen.</al><tussenkop>Artikel 11a:2 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al>Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Aangezien ontslag op genoemde
                    grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid (zie artikel 8:5, tweede
                    lid), kan het recht op suppletie derhalve niet eerder ingaan dan na die 24
                    maanden. De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel
                    11a:6. Zoals bij dat artikel wordt toegelicht, is de maximale uitkeringsduur 66
                    maanden, te rekenen vanaf het einde van genoemde periode van 24 maanden. Na
                    ommekomst van de maximale uitkeringsduur, eindigt het recht op suppletie. Dat is
                    nadat 90 maanden zijn verstreken sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens
                    ziekte. Vergelijk artikel 11a:5, onderdeel a.</al><tussenkop>Artikel 11a:3 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet> Algemeen </vet>Ten aanzien van de suppletieregeling geldt een
                    verplichtingen- en sanctieregime dat overeenkomt met de WW. De toepassing van
                    dat sanctieregime ten aanzien van de suppletie geschiedt door of namens het
                    bestuursorgaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is de reikwijdte van het begrip "passende arbeid" in de zin
                    van de WW voor de toepassing van de suppletie zodanig uitgebreid dat het mede
                    gangbare arbeid omvat. De definitie van gangbare arbeid is eveneens in dit lid
                    gegeven, namelijk: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Deze uitbreiding is een gevolg van
                    het volgende.</al><al>De werkgever dient, voordat hij tot ontslag overgaat, een zorgvuldig onderzoek
                    te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden voor degene die ongeschikt is voor
                    het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Hiertoe onderzoekt de werkgever
                    eerst of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in een functie met passende
                    arbeid. Indien die mogelijkheid zich niet voordoet doch minimaal na afloop van
                    het eerste ziekte j aar onderzoekt hij of de mogelijkheid bestaat van plaatsing
                    in een functie met gangbare arbeid. Dit uitgangspunt betekent dat de betrokkene
                    op het moment dat het recht op suppletie op zijn vroegst zou kunnen ontstaan,
                    reeds een jaar lang verplicht is geweest aangeboden gangbare arbeid te
                    accepteren.</al><al>Ingevolge het verplichtingen- en sanctieregime van de WW zijn grote groepen
                    betrokkenen die een beroep kunnen doen op de WW, op genoemd moment (nog) niet
                    verplicht gangbare arbeid te aanvaarden. Zonder bovengenoemde uitbreiding van
                    het begrip "passende arbeid" zou de ongewenste situatie kunnen ontstaan dat een
                    betrokkene na afloop van het eerste ziektejaar, maar vóór zijn ontslag, gehouden
                    is gangbare arbeid te aanvaarden en dat hij zich, als hij vervolgens na zijn
                    ontslag suppletie geniet, in mindere mate beschikbaar hoeft te houden voor de
                    arbeidsmarkt.</al><al>Een ander effect van deze gelijkstelling van gangbare arbeid met passende arbeid
                    in de zin van de WW is dat de suppletiegerechtigde, bij eventuele weigering van
                    gangbare arbeid vóór zijn ontslag, ook onder het sanctieregime van de WW, en dus
                    suppletieregeling, valt. De weigering van gangbare arbeid wordt derhalve
                    betrokken bij het bepalen van het recht op suppletie. Wanneer er op deze wij ze
                    sprake is van verwijtbare werkloosheid, kan de suppletie blijvend geheel danwel
                    tijdelijk of blijvend gedeeltelijk worden geweigerd of kan de suppletieduur
                    worden beperkt.</al><tussenkop>Artikel 11a:4 en 11a:5 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al>Het verschil tussen het niet tot uitbetaling komen van het recht op suppletie
                    ingevolge artikel 11a:4 en het beëindigen van dat recht op grond van artikel
                    11a:5, is het volgende. Het recht op suppletie loopt in het eerstgenoemde geval
                    nog door en er kan weer tot betaling van de suppletie worden overgegaan, zodra
                    de in artikel 11a:4, onderdeel a of b genoemde omstandigheid zich niet meer
                    voordoet en er op dat moment nog suppletieduur resteert.</al><al>Beëindiging van het recht op suppletie zou in het geval, bedoeld in artikel
                    11a:4, onderdeel a, tot onredelijke resultaten kunnen leiden. Ingevolge de
                    systematiek van de WAO (-conforme) uitkering kan iemand ook bij een
                    arbeidsongeschiktheid met een kennelijk tijdelijk karakter, tijdelijk een
                    verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een mate van
                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Wanneer die mate van
                    arbeidsongeschiktheid vervolgens weer wordt vastgesteld op een lagere klasse,
                    zou de betrokkene zijn recht op suppletie zijn kwijtgeraakt. Dit wordt
                    onredelijk geacht.</al><al>Voor wat betreft de betrokkenen, bedoeld in onderdeel b, geldt dat zij in de
                    huidige situatie terug kunnen vallen op het herplaatsingswachtgeld wanneer de
                    herplaatsingstoelage wordt beëindigd. Die vangnetfunctie wordt nu voortgezet in
                    artikel 11a:4, onderdeel b, van de suppletieregeling.</al><tussenkop>Artikel 11a:7 Suppletie (T)</tussenkop><al>Artikel 11a:7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De "klok"
                    van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop de
                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden
                    onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen ontslag heeft
                    plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend op een
                    latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen die data gelegen periode in
                    mindering gebracht op de totale uitkeringsduur van de suppletie. De betrokkene
                    geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een kortere periode
                    80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn
                    ontslagen op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt
                    was voor de vervulling van zijn betrekking. Wordt betrokkene ontslagen op een
                    moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden heeft geduurd dan heeft hij geen
                    recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie, maar alleen nog
                    op 70% van die berekeningsgrondslag.</al><tussenkop>Artikel 11a:8 Suppletie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>In artikel 11a:8, eerste lid, komt tot
                    uiting dat de suppletieregeling een aanvullend karakter heeft. Indien de
                    betrokkene gedurende de periode dat de suppletie tot uitbetaling komt, ter zake
                    van het dienstverband waaruit hij is ontslagen recht heeft op één of meer
                    wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen ter zake van werkloosheid en
                    arbeidsongeschiktheid, wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in mindering
                    gebracht op het bedrag van de suppletie. Ditzelfde geldt wanneer betrokkene een
                    Waz-uitkering ontvangt. De suppletie komt derhalve tot uitbetaling wanneer en
                    voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan de van toepassing zijnde
                    wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen. Dus ook in geval van het zogenaamde
                    TBA-hiaat in de vervolguitkeringsfase van de WAO (-conforme) uitkering of bij
                    expiratie van de uitkeringsduur van de WW tijdens de duur van de
                    suppletieregeling.</al><al>De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de
                    betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat niveau komt.
                    Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij aanspraak had op suppletie,
                    worden daarentegen niet meegerekend. Wanneer de betrokkene echter later meer
                    inkomsten gaat genereren uit die "oude" inkomstenbronnen dan ligt het in de rede
                    dat meerdere wordt verrekend met de suppletie, ook wat betreft inkomsten uit of
                    in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen in artikel 11a:9.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid van artikel 11a:8 ziet op de situatie dat de betrokkene op het
                    ingangsmoment van de suppletie reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                    ontvangt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van die
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden
                    verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de dienstbetrekking ter zake
                    waarvan suppletie is toegekend. Door die verhoging van het
                    arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt ook het bedrag aan
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 11a:8, tweede lid, dient dat
                    meerdere, die verhoging van inkomsten, in mindering te worden gebracht op het
                    bedrag van de suppletie.</al><tussenkop>Artikel 11a:9 Suppletie (T)</tussenkop><al>Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in
                    verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 11a:9, eerste lid,
                    opgenomen anticumulatieregeling. Betrokkene heeft bij inactiviteit een
                    garantieniveau van 80% onderscheidenlijk 70% van de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie. Indien betrokkene er in slaagt door middel van arbeid of bedrijf
                    inkomsten te verwerven, heft hij zijn (resterende) werkloosheid op. Wanneer hij
                    zijn werkloosheid geheel opheft doordat hij zijn resterend verdienvermogen
                    volledig benut, heeft hij recht op een herplaatsingstoelage van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP. Zolang hij die herplaatsingstoelage ontvangt, komt zijn recht
                    op suppletie niet meer tot uitbetaling (zie artikel 11a:4, onderdeel b). Wanneer
                    hij zijn werkloosheid gedeeltelijk opheft, behoeft de suppletiegarantie niet
                    meer voor dat gedeelte te gelden. De suppletiegarantie wordt alsdan lager en wel
                    op de volgende wijze: (berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) *
                    80% [70%] = X.</al><al>Het verschil met artikel 11a:8 is dus dat de te anticumuleren inkomsten
                    ingevolge artikel 11a:9 niet in mindering worden gebracht op het bedrag van de
                    suppletie, maar op de berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al>Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake kan
                    zijn, in welk geval artikel 11a:9, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn, is
                    het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke in de
                    plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                    genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 11a:10 Suppletie (T)</tussenkop><al>Een vermindering in het niveau van de onderliggende wettelijke en/of
                    bovenwettelijke uitkeringen leidt door het aanvullende karakter van de
                    suppletieregeling tot een groter bedrag aan suppletie. Dit effect is echter
                    ongewenst indien de verlaging van het niveau van de onderliggende uitkeringen
                    wordt veroorzaakt door sancties. In artikel 11a:10 is daarom vastgelegd dat
                    sancties genomen ten aanzien van wettelijke en/of bovenwettelijke uitkeringen
                    niet leiden tot een groter bedrag aan suppletie. In geval van sancties worden de
                    wettelijke en de bovenwettelijke uitkeringen voor de toepassing van de artikelen
                    11a:8 en 11a:9 steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al><tussenkop>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie (T)</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie (T)</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten
                    (T)</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften (T)</tussenkop><al>De uitvoeringsvoorschriften die het bestuursorgaan ingevolge artikel 11a:16
                    eerste lid dient vast te stellen zijn nadere regels terzake van een doelmatige
                    controle ten aanzien van de betrokkenen. Voorbeelden van dit soort regels zijn
                    regels met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene het bestuursorgaan dient
                    te informeren over neveninkomsten, sollicitaties en inschrijving bij het RBA,
                    alsmede met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene zich ziek dan wel
                    hersteld dient te melden. Onder deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld ook
                    regels worden gevat die de betrokkene voorschrijven om gedurende de
                    ziekteperiode tijdens de duur van de suppletie op bepaalde tijdstippen thuis te
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte (T)</tussenkop><al>In artikel 11a:17 is het overgangsrecht opgenomen voor diegenen die op 31
                    december 1995 reeds in het genot waren van een herplaatsingswachtgeld in de zin
                    van de ABP-wet. De systematiek van dit overgangsrecht is dat de duur van het
                    door de betreffende persoon genoten herplaatsingswachtgeld wordt omgezet in een
                    nog resterende duur van het recht op suppletie. Dit is vastgelegd in het eerste
                    en tweede lid.</al><al>Herplaatsingswachtgeld en suppletie zijn twee ongelijksoortige eenheden. Om het
                    herplaatsingswachtgeld desalniettemin zo veel mogelijk gelijkwaardig te
                    converteren naar de suppletie, is een afweging gemaakt voor wat betreft hoogte,
                    duur en pensioenopbouw. Zoals blijkt uit de in het tweede lid opgenomen tabel
                    betreffende de hoogte en de duur, heeft genoemde ongelijksoortigheid er onder
                    andere toe geleid dat de tabel op drie plaatsen niet lineair verloopt. Daar
                    staat tegenover dat de pensioenopbouw gedurende de duur van de suppletie 100%
                    is, terwijl dit bij het herplaatsingswachtgeld 25% en onder bepaalde voorwaarden
                    50% was.</al><tussenkop>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte (T)</tussenkop><al>In de WPA is in artikel 39, vierde en vijfde lid, bepaald hoe op 1 januari 1996
                    de conversie dient plaats te vinden van de berekeningsgrondslag van de
                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte van degene die op dat moment 52 weken of
                    langer onafgebroken arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en wiens mate van
                    algemene invaliditeit op grond van de Abp-wet is vastgesteld op ten minste 15
                    procent dan wel wiens mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriele
                    regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de AAW is vastgesteld op ten
                    minste 25 procent. In artikel 11a:18 van de suppletieregeling is bepaald dat
                    voor degene die op 1 januari 1996 recht had op een dergelijke bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte, dat "geconverteerde" dagloon zal gelden als
                    berekeningsgrondslag voor de suppletie, in het geval dat hij binnen een periode
                    van zes maanden aanspraak krijgt op suppletie.</al><tussenkop>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen (T)</tussenkop><al>In artikel 11a:19 is vastgelegd dat LOGA-partijen met elkaar in overleg treden
                    indien het niveau van de WAO-conforme uitkering anders dan door wijziging als
                    gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen neerwaartse
                    wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag centraal staan op welke
                    wijze LOGA-partijen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen omgaan met die
                    algemeen neerwaartse wijzigingen. Voor het geval dat overleg niet tot
                    overeenstemming heeft geleid binnen een periode van zes maanden na de datum van
                    publikatie in het Staatsblad van de maatregel, houdende die algemeen neerwaartse
                    wijzigingen, geldt het volgende. In dat geval worden die algemeen neerwaartse
                    wijzigingen effectief ten aanzien van de suppletieregeling vanaf de in het
                    Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet
                    eerder.</al><tussenkop>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar die recht heeft op een WGA-uitkering valt na ontslag wegens
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) op of na 1 januari 2007 onder de
                    bovenwettelijke regeling op grond van het pensioenreglement van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP. Indien betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft
                    hij na ontslag wegens arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2007 recht op een
                    WW-uitkering en bovenwettelijke WW op grond van hoofdstuk 10a.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 wordt ontslagen wegens
                    arbeidsongeschiktheid en die voor 80% of meer arbeidsongeschikt is, heeft geen
                    recht op suppletie. Indien betrokkene wordt afgeschat, heeft hij dus niet alsnog
                    aanspraak op suppletie. Betrokkene valt onder de bovenwettelijke regeling op
                    grond van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><tussenkop>Artikel 12:1 Algemene bepalingen (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Op grond van de Ambtenarenwet dient er overleg te worden gevoerd met de
                    organisaties van overheidspersoneel over alle aangelegenheden van algemeen
                    belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene
                    regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd; een en ander voor
                    zover dit overleg niet reeds op sectoraal niveau wordt gevoerd. Bedoeld overleg
                    vindt plaats in het georganiseerd overleg (G.O.) of via de hoorbepaling (zie
                    bijlage III).</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Van belang bij dit artikel is dat hierin is opgenomen dat de commissie G.O. niet
                    alleen bevoegd is voor alle ambtenaren maar evenzeer voor de mensen die werkzaam
                    zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Het al dan niet representatief zijn
                    is een beslissing die op lokaal niveau genomen wordt. Op deze wijze kan rekening
                    gehouden worden met lokale organisaties van ambtenaren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De tekst van het vierde lid voorziet in een overgangsbepaling die het -in
                    afwijking van de reguliere bepalingen over de samenstelling- mogelijk maakt om
                    de vertegenwoordigers van genoemde organisaties die op 1 juli 1998 zitting
                    hebben in persoon nog maximaal vier jaar in de commissie te laten deelnemen.
                    Deze tijdelijke oververtegenwoordiging heeft geen gevolgen voor de
                    stemverhouding in de commissie, die immers gebaseerd is op de aantallen
                    vertegenwoordigde personeelsleden.</al><tussenkop>Artikel 12:1:1 Samenstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het college wijst uit zijn midden vrijwel altijd de portefeuillehouder
                    personeel en organisatie aan. Het is ook mogelijk dat naast deze
                    vertegenwoordiger van de werkgever een tweede collegelid wordt toegevoegd. In
                    artikel 12:1:3 en 12:1:7 is de ambtelijke ondersteuning geregeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In een nader vast te stellen regeling moet het minimumaantal ambtenaren worden
                    bepaald dat lid van een organisatie moet zijn om die organisatie tot het overleg
                    toe te laten. Het gaat hier om de representativiteit van de organisatie Voor de
                    bepaling van het minimum zijn geen vaste regels te geven. Het kan, behalve van
                    lokale omstandigheden, afhankelijk zijn van het aantal medewerkers en van hun
                    organisatiegraad.</al><tussenkop>Artikel 12:1:2 Samenstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een ambtenaar die gedetacheerd wordt buiten de gemeente, behoeft in formele zin
                    zijn lidmaatschap niet op te geven. Indien de detachering langer duurt dan
                    bijvoorbeeld zes maanden, ligt het voor de hand het lidmaatschap op te geven Een
                    dergelijke handelwijze zou op lokaal niveau als spelregel kunnen worden
                    afgesproken.</al><tussenkop>Artikel 12:1:3 Samenstelling (T)</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling om het hoofd personeel en organisatie als secretaris
                    aan te wijzen of anders de medewerker die met die taken is belast. Het valt af
                    te raden de gemeentesecretaris aan te wijzen omdat die immers de voorzitter is
                    van het overleg met de ondernemingsraad. Het is beter om die rollen te scheiden.
                    De secretaris van het overleg kan voorzitter zijn van het zogenaamde informeel
                    of technisch overleg, dat het georganiseerd overleg voorbereidt.</al><tussenkop>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</tussenkop><al>Gemeenten zijn gehouden de CAR te volgen, hetzelfde geldt voor de UWO indien
                    gemeenten zich daarvoor hebben aangemeld. Omdat op lokaal niveau van een in het
                    LOGA afgesproken wijziging niet kan worden afgeweken, volstaat een mededeling
                    van de wijziging. Voor een gemeente die de hoorbepaling volgt (zie bijlage III
                    bij CAR en UWO) geldt dat wijzigingen van CAR en/of UWO niet ter kennis van de
                    centrales behoeven te worden gebracht.</al><tussenkop>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</tussenkop><al>De vraag is of bij reorganisaties het primaat bij het GO of bij de
                    ondernemingsraad ligt. Het besluit tot reorganiseren moet in eerste instantie,
                    conform artikel 25 van de WOR, voor advies aan de ondernemingsraad worden
                    voorgelegd. Nadat het advies is uitgebracht en het gemeentebestuur een besluit
                    heeft genomen, komt het GO in beeld. Het GO spreekt zich uit over de personele
                    gevolgen van het besluit. Als regel zijn die gevolgen neergelegd in een sociaal
                    statuut. Het toezicht op de uitvoering van het sociaal statuut is weer een zaak
                    voor de ondernemingsraad. Deze formele taakafbakening neemt overigens niet weg
                    dat het bevoegd gezag er verstandig aan doet om beide organen in alle fasen te
                    informeren over zijn voornemens. Dat maakt het mogelijk dat GO en de
                    ondernemingsraad elkaar beïnvloeden en hun opvattingen op elkaar afstemmen. Dat
                    kan de kwaliteit van het proces en het draagvlak van de besluiten alleen maar
                    vergroten.</al><tussenkop>Artikel 12:1:5:1 </tussenkop><al>Alleen ingrijpende reorganisaties worden aan het GO gemeld, zeker indien sprake
                    is van fusies of privatisering. Minder ingrijpende reorganisaties worden op
                    grond van artikel 25 WOR en afspraken met de medezeggenschap besproken met de
                    Ondernemingsraad.</al><tussenkop>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit het eerste lid volgt dat die onderwerpen die op sectoraal niveau worden
                    besproken, niet voor overleg in de commissie G.O. in aanmerking komen. Dit
                    spreekt voor zich: de CAR is onderwerp van overleg op sectoraal (=LOGA-) niveau
                    en hierover hoeft derhalve niet opnieuw overleg op gemeentelijk niveau plaats te
                    vinden (de grootste vier gemeenten hebben een afwijkende rechtspositie).
                    Voldoende is om het G.O. te informeren. In het geval een gemeente zich heeft
                    aangemeld voor de UWO, geldt hetzelfde: afspraken hierover worden op LOGA-niveau
                    gemaakt en niet in de commissie G.O. Voor een gemeente die zich daarentegen niet
                    voor de UWO heeft aangemeld, geldt dat de onderwerpen in de UWO behoren tot het
                    "lokale domein": in de commissie G.O. dient over deze onderwerpen overleg plaats
                    te vinden. Uit het eerste lid volgt tevens dat in de commissie G.O. nooit over
                    individuele kwesties wordt gesproken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn voor de "UWO-gemeenten"
                    opgenomen in de UWO (bijvoorbeeld in artikel 12:2:1 waarin het
                    overeenstemmingsvereiste aan de orde komt) en voor de "niet-UWO-gemeenten"
                    dienen deze in de commissie G.O. aan de orde te komen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De in het derde lid bedoelde nadere bepalingen over een geschillenregeling zijn
                    in de UWO in artikel 12:3:1 e.v. opgenomen. Een "niet-UWO-gemeente" dient over
                    deze nadere regels in de commissie G.O. overleg te voeren. In de commissie G.O.
                    dient in dat geval tevens gesproken te worden over het al dan niet deelnemen aan
                    de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (L.A.A.C.).</al><tussenkop>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al>In het LOGA zijn partijen het niet eens geworden over een eenduidige formulering
                    van het overeenstemmingsvereiste. Lokaal moet een formulering voor het
                    overeenstemmingsvereiste zijn vastgelegd. Hiermee wordt invulling gegeven aan
                    het begrip "gevoelen" uit het artikel. In de LOGA-brief van 7 juni 1994, Lbr.
                    94/152, is aangegeven dat, wanneer het in de gemeente van toepassing zijnde
                    overeenstemmingsvereiste bevredigend functioneert, dit gehandhaafd kan worden.
                    Waar het overeenstemmingsvereiste niet is geformuleerd of waar het niet
                    bevredigend functioneert, is aan de gemeenten in de genoemde LOGA-brief een
                    keuze voorgelegd uit twee formuleringen, die respectievelijk een brede (voorkeur
                    van de vakbonden) en een beperktere (voorkeur van het College voor Arbeidszaken)
                    invulling aan het vereiste geven.</al><al>Formulering 1 luidt als volgt: "Invoering of wijziging van aangelegenheden van
                    algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt
                    niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de centrales van
                    overheidspersoneel".</al><al>Formulering 2 luidt: "Invoering, intrekking of wijziging van een regeling welke
                    verplichtingen schept voor individuele ambtenaren, dan wel waaraan individuele
                    ambtenaren rechten kunnen ontlenen, vindt niet plaats dan nadat daarover
                    overeenstemming is bereikt met de centrales van overheidspersoneel".</al><al>Het verschil tussen de beide formuleringen zit erin dat in formulering 1 "de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd" wel onder
                    het overeenstemmingsvereiste valt en in formulering 2 niet. Concreet betekent
                    dit verschil dat in formulering 2 onderwerpen als de inrichting van het
                    personeelsbeleid als zodanig, de werving en selectie, het
                    personeelsregistratiesysteem en het opleidingsbeleid niet onder het
                    overeenstemmingsvereiste vallen. Dat is wel het geval met de uit deze regelingen
                    voortvloeiende rechten en plichten voor individuele ambtenaren. In formulering 1
                    vallen de onderwerpen als zodanig onder het overeenstemmingsvereiste, en
                    natuurlijk de regelingen die daaruit voortvloeien.</al><al>Besluiten of voorstellen die specifiek de rechtstoestand van de griffie en de
                    griffiemedewerkers betreffen, moeten nog steeds door de gemeenteraad worden
                    genomen respectievelijk aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Alleen in de
                    situatie dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft gedelegeerd aan het college,
                    is het college het bevoegde orgaan.</al><tussenkop>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De besluiten in de tweede zin betreffen aangelegenheden van algemeen belang die
                    specifiek de rechtstoestand van de griffie en de griffiemedewerkers betreffen.
                    De griffier kan op grond van artikel 12:2:7, tweede lid, de vergadering bijwonen
                    en deelnemen aan de besprekingen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het gaat hier onder meer over de bevoegdheden van de overlegpartijen. Besluiten
                    moeten passen binnen het mandaat dat men heeft; dat geldt voor beide zijden
                    Wanneer het mandaat onvoldoende is om tot overeenstemming te komen, moeten
                    partijen terug naar hun achterban.</al><tussenkop>Artikel 12:2:5 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Soms wordt door een van beide partijen bewust aangestuurd op onvoltalligheid
                    teneinde gevoelens van onvrede tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld hiervan
                    was dat tijdens de acties in 1993 de centrales het overleg in alle GO's
                    opschortten. Dit betekent uiteraard niet dat in zo'n geval in het geheel geen
                    besluiten meer genomen kunnen worden. Wanneer ook bij een tweede vergadering
                    niet ten minste de helft van de werknemersvertegenwoordiging aanwezig is, kunnen
                    de geagendeerde onderwerpen behandeld en van een standpunt voorzien worden
                    Indien behandeling geweigerd wordt, kan niettemin besluitvorming plaatsvinden
                    Uiteraard gebeurt dat alleen in gevallen waarin uitstel niet mogelijk is en de
                    andere partij nadrukkelijk op de gevolgen van hun handelwijze gewezen is.</al><tussenkop>Artikel 12:2:7 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Ook in gedualiseerde verhoudingen moet het te allen tijde mogelijk zijn om de
                    raad op de hoogte te brengen van hetgeen in het GO ter bespreking voorligt, met
                    name als dit raakt aan door de raad gestelde beleidsmatige of financiële
                    kaders.</al><tussenkop>Artikel 12:2:9 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid zegt dat de stem van de werkgeversvertegenwoordiging wordt
                    bepaald door hoofdelijke stemming van de leden in of buiten de vergadering. Voor
                    het geval dat meer werkgeversvertegenwoordigers zijn aangewezen is deze bepaling
                    noodzakelijk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op basis van dit lid vindt een weging van de stemmen plaats zodanig dat geen
                    enkele organisatie bij een stemming de absolute meerderheid heeft, ook niet in
                    de situatie waarin een organisatie meer leden in de gemeente heeft dan de andere
                    organisaties gezamenlijk.</al><tussenkop>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie (T)</tussenkop><al>Bij de Advies- en arbitragecommissie hadden zich per 1 januari 1997 circa 400
                    gemeenten aangemeld. De LAAC is te bereiken via het secretariaat van het College
                    voor Arbeidszaken, Postbus 30435, 2500 GK Den Haag.</al><tussenkop>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie (T)</tussenkop><al>De helft van de (plaatsvervangend) leden van de advies- en arbitragecommissie
                    wordt aangewezen door het College voor Arbeidszaken, gehoord het
                    Interprovinciaal Overlegorgaan en de Unie van Waterschappen. De andere helft
                    wordt aangewezen door de centrales van overheidspersoneel.</al><tussenkop>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR (T)</tussenkop><al>De berekeningsbasis van wachtgelden en (FLO)-uitkeringen wordt uitgebreid met de
                    eindejaarsuitkering. De invoering van de eindejaarsuitkering per 1 januari 1997
                    betekent dat deze uitkering per genoemde datum maandelijks wordt opgebouwd Deze
                    ingangsdatum van de eindejaarsuitkering brengt met zich dat, nu de
                    berekeningsbasis van de wachtgelden en (FLO)- uitkeringen met deze uitkering
                    wordt uitgebreid, deze uitbreiding betrekking heeft op alle op 1 januari 1997
                    toegekende wachtgelden en (FLO)-uitkeringen.</al><tussenkop>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                    (T)</tussenkop><al>Het bepaalde uit de artikelen 17, 18 en 34 van de Wet op de Ondernemingsraden
                    wordt in acht genomen. Conform artikel 18 van de Wet op de ondernemingsraden
                    (WOR) wordt de tijd vastgesteld die (C)OR en commissieleden redelijkerwijs nodig
                    hebben voor hun medezeggenschapswerk. In het convenant spreken WOR-bestuurder en
                    OR af hoe de individuele leden in staat worden gesteld deze tijdsbesteding te
                    combineren met hun functie. Hierbij geldt dat OR-werk ook regulier werk is.
                    Mogelijkheden hiertoe zijn onder meer herverdeling van werkzaamheden indien
                    noodzakelijk in combinatie met een tijdelijke uitbreiding van de formatie van de
                    organisatorische eenheid waar het OR-lid werkzaam is. Een andere mogelijkheid is
                    met gebruikmaking van artikel 2:7a CAR het verruimen van de arbeidsduur van
                    individuele OR-leden tot maximaal 40 uur per week, als de bezetting van de
                    afdeling in relatie tot het werk dat nodig maakt.</al><al>De bedoeling van LOGA-partijen is dat lokaal overleg wordt gevoerd over het
                    (maximaal) aantal zittingstermijnen. Afspraken hierover worden opgenomen in het
                    convenant. In zijn algemeenheid is het niet wenselijk om voor lange tijd
                    achtereen OR werk te doen. Er zijn uitzonderingsgevallen mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van artikel 5a van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan de
                    verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad (OR) bij een collectieve
                    arbeidsvoonvaardenregeling of een publiekrechtelijke regeling van
                    arbeidsvoorwaarden op een lager getal worden vastgesteld dan in artikel 2 van de
                    WOR is bepaald. Deze verplichting geldt ook voor onderdelen van gemeenten, waar
                    met toepassing van artikel 4 van de WOR is besloten in het belang van een goede
                    toepassing van de WOR voor die onderdelen een eigen OR in te stellen.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1:1</tussenkop><tussenkop><vet>Algemeen</vet></tussenkop><al> De artikelen 14:1:1:1 t/m 14:1:1:22 vormen samen het Reglement ondernemingsraad
                    gemeente Amersfoort, zoals door de ondernemingsraad en de WOR-bestuurder van de
                    gemeente Amersfoort in de overlegvergadering d.d. 21 mei 2015 vastgesteld. </al><al>Gemaakte afspraken tussen bestuurder en ondernemingsraad over faciliteiten maken
                    onderdeel uit van dit reglement. Deze afspraken zijn opgenomen in de bijlage
                    1.</al><al><cursief>Ondernemer </cursief>Bij de overheid is de publiekrechtelijke
                    rechtspersoon de ondernemer in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR).
                    Dus de Staat, een Gemeente, een Provincie en een Waterschap. Een ondernemer kan
                    meerdere ondernemingen in stand houden. </al><al>Onderneming(a) Artikel 1, onder c, van de WOR omschrijft “onderneming” als elk
                    in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband
                    waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling
                    arbeid wordt verricht. Voor het zijn van een onderneming in de zin van de WOR
                    moet er dus sprake zijn van een organisatorisch verband, dit wil zeggen een
                    groep van mensen die op enigerlei wijze samenwerken. </al><al>Verder moeten in dat samenwerkingsverband mensen werken op grond van een
                    aanstelling en/of een arbeidsovereenkomst, dus in dienst van en onder leiding
                    van een ander.Tot slot moet het samenwerkingsverband naar buiten toe als een
                    zelfstandige eenheid optreden. De rechtsvorm noch de aard van de te verrichten
                    werkzaamheden zijn daarbij van belang. Juridische zelfstandigheid van het
                    samenwerkingsverband speelt evenmin een rol. Een gemeente is eveneens te
                    beschouwen als een onderneming in de zin van de WOR. Dit kan tevens gelden voor
                    onderdelen daarvan, als die onderdelen zich naar buiten toe als een zelfstandige
                    eenheid presenteren. </al><al>BestuurderHet begrip bestuurder wordt in artikel 1, onder e, van de WOR
                    omschreven als: “hij/zij die alleen dan wel tezamen met anderen in een
                    onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de
                    arbeid”. De bestuurder is de gespreks- en overlegpartner van de OR. </al><al>Hij/zij is degene die het advies en/of de instemming van de OR moet vragen, de
                    informaties aan de OR moet verstrekken, het overleg met de OR moet voeren.
                    Kortom, daar waar de WOR aan de ondernemer verplichtingen oplegt en rechten
                    toekent, daar moet de bestuurder namens de ondernemer feitelijk optreden.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1:2 </tussenkop><al> Artikel 6, lid 1, van de WOR bevat een regeling met betrekking tot het aantal
                    leden van de ondernemingsraad. Aanbevolen wordt te streven naar een oneven
                    aantal leden om het staken der stemmen te voorkomen. </al><al>Artikel 15, lid 1 van de WOR bevat een regeling dat de ondernemingsraad bepaalde
                    onderdelen van zijn werk kan uitbesteden of overdragen aan commissies. Dit kan
                    wanneer de ondernemingsraad de commissie redelijkerwijze nodig heeft voor de
                    vervulling van zijn taak. Voordat de ondernemingsraad besluit tot het instellen
                    van een commissie vraagt de raad instemming aan de bestuurder door aan deze
                    informatie te verstrekken, waaronder het voorgenomen instellingsbesluit valt.
                    Daaruit kan de bestuurder afleiden wat voor commissie de ondernemingsraad wil
                    instellen, wat haar taak, werk en samenstelling zal zijn en welke rechten en
                    bevoegdheden deze commissie zal krijgen.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1:3</tussenkop><al> Artikel 12, lid 1, van de WOR stelt als hoofdregel dat de OR-leden om de drie
                    jaar tegelijk aftreden. Daarna is een or-lid van rechtswege uit functie. In
                    voorkomende gevallen kan aan bestuurder, vakbonden en achterban gevraagd worden
                    of de or de verkiezingen mag uitstellen, bijvoorbeeld om aansluiting te vinden
                    bij een landelijke verkiezingsdag. De termijn moet dan worden voorgelegd, immers
                    de achterban zal dan een verlengd mandaat geven. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:4 </tussenkop><al> De OR kan de leiding van de verkiezingen opdragen aan een door hem in te
                    stellen verkiezingscommissie. Deze mogelijkheid behoeft niet in het reglement te
                    worden geregeld: de bevoegdheid van de OR tot het instellen van commissies is
                    reeds geregeld in artikel 15 van de WOR. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:5 </tussenkop><al> Artikel 5, lid 1 van dit reglement is van belang voor het bepalen van het
                    aantal leden die zitting kunnen nemen in de ondernemingsraad of
                    onderdeelcommissie. In artikel 6, tweede lid, van de WOR is op genomen dat
                    kiesgerechtigd zijn personen die gedurende ten minste zes maanden in de
                    onderneming werkzaam zijn geweest. Daarnaast: Artikel 6, vijfde lid, van de WOR
                    staat afwijking toe mits dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de
                    WOR in de onderneming. De termijn kan dus in het reglement zowel worden verlengd
                    als verkort, zelfs geheel tot nul worden gereduceerd. De termijn van drie
                    maanden komt overeen met de termijn dat de lijst van kiesgerechtigden dient
                    opgemaakt te worden. (zie artikel 7 van het Reglement). De WOR geeft enige
                    regels omtrent wie “in de onderneming werkzaam zijn”: zie artikel 1, lid 2 en
                    lid 3, alsmede artikel 6, lid 4. </al><al>Artikel 1, lid 3, WOR geeft aan dat uitgeleende werknemers
                    medezeggenschapsrechten krijgen in de onderneming waar ze feitelijk werkzaam
                    zijn, mits zij langer dan 24 maanden in die onderneming gewerkt hebben op basis
                    van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690, titel 7.10 van het
                    Burgerlijk Wetboek. Overigens is deze regeling van de uitzendovereenkomst
                    beperkt tot het ter beschikking stellen van werknemers in het kader van een
                    zodanig beroep of bedrijf, dus uitzendbureaus detacheringsbedrijven, banenpools
                    e.d. In alle andere gevallen dient artikel 6, vierde lid, WOR toegepast te
                    worden (zie vorige alinea).</al><al>NB: Artikel 1, lid 2 WOR stelt dat personen die in de onderneming feitelijk
                    werkzaam zijn, maar die in dienst zijn van een andere ondernemer (ingeleende
                    werknemers) geen medezeggenschapsrechten hebben bij de inlenende onderneming.
                    Het personeel van een onderhouds- of cateringbedrijf of uitzendkrachten en
                    personeel van een banenpool behoren dus niet tot de in de onderneming werkzame
                    personen.</al><al>De bestuurder heeft geen actief of passief kiesrecht.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1:6 </tussenkop><al> Zie toelichting bij artikel 14:1:1:4. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:7 </tussenkop><al> Dit artikel regelt de procedure en fasering van de kandidaatstelling, en dient
                    er met name toe artikel 9, tweede lid, van de WOR tot zijn recht te laten komen.
                    In dat wetsartikel is sprake van twee soorten kandidatenlijsten te weten die
                    welke door vakorganisaties worden ingediend en die welke door niet bij een
                    vakbond aangesloten werknemers worden ingediend; de laatste lijsten worden
                    “vrije lijsten” genoemd. </al><al>De in artikel 7, lid 1, 3 en 4 van dit reglement genoemde termijnen zijn
                    respectievelijk 12, 4 en 4 weken, maar kunnen desgewenst door langere termijnen
                    worden vervangen, bijvoorbeeld termijnen van respectievelijk 14, 8 en 6
                    weken.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1:8</tussenkop><al> Het verdient aanbeveling het onderzoek zo spoedig mogelijk na het einde van de
                    termijn van indiening plaats te laten vinden. Bij de uitoefening van het actieve
                    kiesrecht is ieder personeelslid vrij in zijn keuze. Zie ook de toelichting bij
                    artikel 14:1:1:4. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:9 </tussenkop><al> Dit artikel geeft een voorziening aan voor het geval dat het totale aantal
                    gestelde kandidaten gelijk is aan of kleiner is dan het aantal in de OR te
                    bezetten plaatsen. Als het aantal kandidaten kleiner is dan het aantal in de OR
                    te bezetten plaatsen, zal uitvoering gegeven moeten worden aan het bepaalde in
                    artikel 14:1:1:15, derde lid, van dit reglement. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:10 </tussenkop><al> Bij artikel 10 lid 2 is uitgegaan van digitale stemming en bij artikel 10 lid 3
                    van schriftelijke stemming. De Ondernemingsraad zal tijdig bekend maken voor
                    welke van deze twee methodes wordt gekozen. Onder een gewaarmerkt stembiljet
                    wordt verstaan een stembiljet voorzien van een stempel of handtekening van de
                    ondernemingsraad of de verkiezingscommissie. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:11</tussenkop><al> Hiermee is de keuze gemaakt voor het zogenaamde personenstelsel zonder
                    kiesgroepen, dat misschien niet optimaal aansluit bij de in ons land
                    gebruikelijke democratische spelregels als het lijstenstelsel (vergelijk
                    partijen bij de verkiezingen voor de gemeenteraden), maar dat wel het beste past
                    bij het karakter van de organisatie. De kandidaten zijn afkomstig uit alle
                    geledingen van de organisatie.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1:14 </tussenkop><al> Indien met stembiljetten wordt gewerkt wordt aanbevolen deze bij het Archief te
                    laten bewaren. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:15</tussenkop><al> De opvolger is de kandidaat die voor een zetel in aanmerking zou zijn gekomen,
                    wanneer aan de lijst waarop het uitgevallen OR-lid kandidaat was gesteld, één
                    zetel meer zou zijn toegekend. Artikel 14:1:1:15, lid 4 geeft de basis voor
                    invulling van vacatures, zoals deze in de praktijk reeds wordt toegepast. Het
                    aspirant-lid kan op deze wijze een overwogen keuze maken het lidmaatschap van de
                    OR na de verkiezingen voort te zetten.Bij het aftreden van alle leden der OR
                    (artikel 14:1:1:15, lid 5, onder a.) blijft het instituut OR bestaan. Maar de in
                    zijn geheel opgestapte ondernemingsraad heeft de plicht te zorgen voor de
                    organisatie van verkiezingen. Die taak ligt dus nadrukkelijk niet bij de
                    werkgever. Zie ook artikel 14:1:1:16. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:16 </tussenkop><al> Deze bezwarenregeling moet goed worden onderscheiden van de geschillenregeling
                    van artikel 36 van de WOR. De regeling van artikel 14:1:1:16 beoogt slechts de
                    mogelijkheid te scheppen om de OR te wijzen op vergissingen. Te denken valt
                    bijvoorbeeld aan het bezwaar dat een persoon ten onrechte niet vermeld staat op
                    de lijst van kiesgerechtigden.In veruit de meeste gevallen kan de OR dan zulke
                    vergissingen herstellen. Mochten de problemen echter niet op deze wijze kunnen
                    worden opgelost, dan staat altijd nog de weg open van artikel 36 van de
                    WOR.Veelal is in bedoelde situaties een snelle beslissing nodig. Onder
                    noodzakelijke voorzieningen kunnen voorzieningen van allerlei aard worden
                    verstaan, zoals een aanpassing of versoepeling van in acht te nemen termijnen,
                    en het doen van openbare mededelingen over herstel van vergissingen. </al><tussenkop>Artikel 14:1:1:17 </tussenkop><al>Dit artikel bevat een formele regeling ter zake van het in vergadering
                    bijeenkomen van de OR. Hieronder zijn niet begrepen de zogenaamde
                    overlegvergaderingen van de OR en ondernemer tezamen bedoeld in artikel 23 van
                    de WOR. In dat artikel en in de artikelen 25, 27 en 30 wordt geregeld wanneer
                    overlegvergaderingen (moeten) worden gehouden. </al><al>Het is van belang erop te wijzen dat artikel 23a, eerste lid, van de WOR bepaalt
                    dat een overlegvergadering slechts kan worden gehouden indien ten aanzien van de
                    OR wordt voldaan aan de bepalingen die ingevolge het reglement van de OR gelden
                    voor het houden van een OR-vergadering. Het OR-reglement heeft dus ook betekenis
                    voor de overlegvergaderingen. De ondernemer kan van de OR verlangen dat deze bij
                    de overlegvergaderingen zijn reglement in acht neemt, en kan consequenties
                    verbinden aan niet-naleving: te denken is hier onder meer aan de bepaling inzake
                    het quorum, dat wil zeggen het aantal leden dat ten minste aanwezig moet zijn
                    wil een geldige vergadering kunnen worden gehouden (lid 4 van dit artikel). </al><al>Dit artikel noemt twee gevallen waarin een OR-vergadering moet plaatsvinden.
                    Andere gevallen kunnen daaraan door de OR naar eigen inzicht worden toegevoegd.
                    Zo is het mogelijk te bepalen dat de OR bijeen komt voorafgaand aan elke
                    overlegvergadering of aan sommige overlegvergaderingen. In dit reglement is
                    opgenomen dat een derde deel van de leden gerechtigd is en representatief
                    voldoende moet worden geacht om een vergadering te verzoeken. Onder gemotiveerd
                    verzoek is te verstaan een verzoek dat ten minste aangeeft welk onderwerp de
                    verzoekende leden in de aangevraagde vergadering aan de orde willen stellen. </al><al>De in lid 3 genoemde termijn van 7 dagen houdt verband met het bepaalde in
                    artikel 14,tweede lid, onder g, van de WOR, waarin wordt voorgeschreven dat de
                    leden van de OR, behoudens spoedeisende gevallen, niet later dan 7 dagen vóór de
                    vergadering in kennis dienen te worden gesteld van de agenda. In het algemeen
                    zal het aanbeveling verdienen de oproep voor een vergadering vergezeld te doen
                    gaan van de agenda.</al><al>Het quorum: minstens de meerderheid van de (zittende) leden moet aanwezig zijn.
                    Het moet gaan om de meerderheid van de zittende leden: ingeval er een vacature
                    is, telt de vacante zetel niet mee bij de bepaling van het quorum. De regel
                    inzake het quorum moet worden onderscheiden van de bepaling inzake de
                    meerderheid waarmee de OR beslissingen moet nemen.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1:18 </tussenkop><al>Het vereisen van gewone meerderheid betekent dat meer dan de helft van het
                    aantal uitgebrachte stemmen zich voor het voorstel uitspreekt. Dit is de meest
                    gebruikelijke en meest praktische regeling. Een andere mogelijkheid is dat
                    bijvoorbeeld twee derde van de stemmen nodig is voor bepaalde, belangrijke
                    besluiten. Het staat de OR overigens vrij de stemverhouding anders te regelen. </al><al>Besluiten en stemmingen over personen hebben praktisch altijd betrekking op de
                    benoeming van een persoon in enigerlei functie; het kan daarbij gaan om
                    benoeming door de OR zelf, of om benoeming door een andere instantie waarbij de
                    OR een voordracht kan doen. </al><tussenkop>Artikel 15:1 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Dit in algemene bewoordingen gestelde artikel (een zogenaamd kapstokartikel)
                    heeft naast artikel 16:1:1 nauwelijks enige zelfstandige betekenis. Overtreding
                    ervan levert immers plichtsverzuim op en daarvan geeft artikel 16:1:1, lid 2, de
                    definitie. De jurisprudentie is dan ook geheel gericht op de interpretatie van
                    het begrip "plichtsverzuim", zodat hier verwezen kan worden naar de toelichting
                    bij artikel 16:1:1.</al><tussenkop>Artikel 15:1a Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Veel gemeenten hebben
                    naar aanleiding van deze verplichting de bestaande ambtseed heringevoerd of een
                    nieuwe tekst vastgesteld. Indien een ambtseed- of belofte of een
                    integriteitverklaring slechts één van de formaliteiten bij indiensttreding is,
                    zal deze niet het bedoelde effect van bewustwording van integriteitaspecten
                    hebben. Wil de betekenis van eedaflegging beklijven dan dient het moment de
                    nodige lading te krijgen: door de inhoud actief uit te spreken, door de
                    ceremonie erom heen, door de keuze van de persoon ten overstaan van wie de eed
                    wordt afgelegd, door de keuze van tijdstip en plaats.</al><tussenkop>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten
                    (T)</tussenkop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr 44 (aannemen van een geldbedrag).</al><tussenkop>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden (T)</tussenkop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr 44 (aannemen van een geldbedrag).</al><tussenkop>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De term "nevenwerkzaamheden" dient ruim te worden opgevat. Hieronder worden
                    verschillende werkzaamheden verstaan, zoals het lidmaatschap van het bestuur van
                    een vereniging of stichting, het zijn van commissaris, bestuurder, vennoot of
                    aandeelhouder. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en
                    onbetaalde nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen of buiten de
                    normale diensttijd worden verricht. Een gedane melding dient getoetst te worden
                    aan het tot de ambtenaar gerichte verbod, dat in het derde lid is geformuleerd.
                    De ambtenaar zal zich een oordeel moeten vormen over de vraag of door een
                    nevenwerkzaamheid de goede functievervulling of de goede functionering van de
                    openbare dienst, voorzover deze in verband staat met de functievervulling, niet
                    in redelijkheid is verzekerd. De constatering dat een nevenwerkzaamheid zich
                    niet goed verdraagt met de ambtelijke functie, hoeft niet zonder meer te leiden
                    tot het opleggen van een verbod. Er kunnen ook zodanige nadere afspraken worden
                    gemaakt dat de mogelijkheid van belangenverstrengeling of anderszins zich niet
                    meer voordoet. Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over dit onderwerp
                    geeft eenzelfde richting aan. De registratie van nevenwerkzaamheden kan op
                    verschillende wijzen worden ingericht. In elk geval dient de registratie te
                    voldoen aan de regels die gesteld zijn op grond van de Wet persoonsregistraties
                    en de op deze wet gebaseerde verordening, voorzover deze in de gemeente is
                    vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over de openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden verricht door topambtenaren. In artikel 15:1e, vierde lid,
                    zijn twee functies genoemd waaraan een verplichte openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden gekoppeld is: de gemeentesecretaris en de directeur van een
                    gemeentelijke dienst of bedrijf (dan wel functionarissen in functies die daarmee
                    op één lijn staan maar in het gemeentelijk organisatiemodel een andere benaming
                    hebben). Lokaal dient bepaald te worden of er daarnaast nog sprake is van
                    ‘andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                    integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden
                    noodzakelijk is’. Gedacht kan worden aan de functies waaraan het
                    plaatsvervangend directeurschap is verbonden. Daarnaast kunnen in aanmerking
                    komen de stadsdeelsecretaris en functies zoals directeur van een
                    projectorganisatie, concern- of dienstcontroller, afdelingshoofd, commandant van
                    de brandweer. </al><al>Het LOGA verstaat onder openbaar te maken gegevens het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>hoofdfunctie (dus niet de persoonsnaam van de ambtenaar);</al></li><li nr="-"><al>de nevenfunctie die de functionaris verricht, voorzover het een
                            nevenfunctie betreft die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                            verband staan met de functievervulling, kunnen raken;</al></li><li nr="-"><al>de organisatie waarbinnen de nevenfunctie wordt vervuld;</al></li><li nr="-"><al>de eventuele beperkingen die het college heeft gesteld aan de
                            uitoefening van de nevenfunctie.</al></li></lijst><al>Tevens verdient het aanbeveling om openbaar te maken met ingang van welke datum
                    de nevenwerkzaamheid wordt verricht. De openbaarmaking kan geschieden door ter
                    inzage legging van de gegevens op het gemeentehuis zoals dat is voorgeschreven
                    voor de openbaarmaking van nevenfuncties van politieke ambtsdragers.</al><tussenkop>Artikel 15:1f Melding financiële belangen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over het melden van financiële
                    belangen door ambtenaren die een functie uitoefenen waarin risico bestaat op
                    financiële belangenverstrengeling. Het begrip financieel belang is zeer divers.
                    Het kan gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed,
                    bouwgrond alsook om financiële deelneming in ondernemingen. Het college dient
                    ambtenaren aan te wijzen die zijn aangesteld in een functie (dan wel feitelijke
                    werkzaamheden verrichten) waaraan een bijzonder risico op financiële
                    belangenverstrengeling is verbonden. Bij de gemeentelijke overheid kan gedacht
                    worden aan ambtenaren die betrokken zijn bij grondzaken, subsidieverstrekking,
                    sponsoring, verstrekking van leningen, verstrekking van garanties, inkoop en
                    aanbesteding zoals bijvoorbeeld het gunnen van onderzoeks- en adviesopdrachten.
                    Ambtenaren die deze taken verrichten zouden in de verleiding kunnen komen zich
                    bij het nemen van functionele beslissingen te laten leiden door niet-functionele
                    belangen zoals een persoonlijk financieel belang. Of er inderdaad sprake is van
                    een bijzonder risico hangt af van de feitelijke werkzaamheden en bevoegdheden
                    van de ambtenaar en dient lokaal bepaald te worden. Ook ambtenaren die uit
                    hoofde van hun functie (dan wel hun feitelijke werkzaamheden) beschikken of
                    kunnen beschikken over koersgevoelige informatie zullen een meldplicht opgelegd
                    moeten krijgen. Zij hebben immers de mogelijkheid deze informatie oneigenlijk te
                    gebruiken of lopen het risico de schijn van oneigenlijk gebruik op te wekken. De
                    inschatting is dat zich bij de gemeenten niet of nauwelijks bijzondere risico’s
                    zullen voordoen met betrekking tot oneigenlijk gebruik van koersgevoelige
                    informatie.</al><al><vet>Lid 2 en lid 3</vet></al><al>Het college bepaalt op welke wijze financiële belangen worden gemeld. Nadere
                    regels kunnen betrekking hebben op de volgende elementen.</al><lijst><li nr="-"><al>Het gebruik van een formulier voor de melding.</al></li><li nr="-"><al>De functionaris aan wie de melding gedaan moet worden.</al></li><li nr="-"><al>De wijze van registratie in verband met de bescherming van de
                            persoonlijke levenssfeer.</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de actualiteit van de registratie gewaarborgd
                            wordt.</al></li><li nr="-"><al>De plicht van de ambtenaar tot het verstrekken van nadere gegevens over
                            het financiële belang of het bezit van (of de transactie in)
                            effecten.</al></li></lijst><al>Met betrekking tot de plicht tot verstrekking van gegevens wordt opgemerkt dat
                    het bevoegd gezag in de gelegenheid moet zijn om te beoordelen of de gemelde
                    belangen en bezittingen een risico opleveren in de werkzaamheden van de
                    ambtenaar. De ambtenaar dient alle informatie te verschaffen die voor deze
                    beoordeling nodig is. Is er sprake van een risico dan dient beoordeeld te worden
                    hoe dit risico voorkomen of verkleind kan worden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ambtenaar om te
                    voorkomen dat hij in (de schijn van) een situatie terecht komt dat hij in zijn
                    functievervulling wordt beïnvloed door persoonlijke financiële belangen. Dat
                    vloeit voort uit de algemene norm van goed ambtenaarschap en is nu uitdrukkelijk
                    bepaald in artikel 15:1f, vierde lid. De vraag of een financieel belang
                    toelaatbaar is kan niet eenduidig beantwoord worden. Bezien moet worden of het
                    concrete financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich meebrengt bij het
                    uitoefenen door de ambtenaar van zijn bevoegdheden en werkzaamheden. Wordt het
                    financiële belang of effectenbezit niet toelaatbaar geacht dan zal de werkgever
                    op basis van de verbodsbepaling maatregelen moeten nemen om een risico op
                    financiële belangenverstrengeling of misbruik het hoofd te bieden. Daarbij dient
                    eerst naar de minst ingrijpende oplossing gezocht te worden. Gedacht kan worden
                    aan aanpassing van de taakinhoud of overplaatsing in een andere functie. Is een
                    dergelijke oplossing niet mogelijk dan is de ambtenaar verplicht het financieel
                    belang af te stoten.</al><tussenkop>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op grond van dit artikellid valt een ambenaar die op grond van artikel 15:1:11,
                    tweede lid, is aangewezen om taken te verrichten in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s voor wat betreft die werkzaamheden onder leiding en toezicht
                    van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                    plaatsvindt. Daartoe zijn dus geen individuele detacheringsovereenkomsten nodig.
                    Het college van de gemeente waar de ambtenaar is aangesteld, blijft de formele
                    werkgever van desbetreffende ambenaar en de rechtspositie van die gemeente
                    blijft, ook voor onderhavige werkzaamheden in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s, van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade (T)</tussenkop><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de
                    schuldige of nalatige ambtenaar te verhalen Bij elk schadegeval zal daarover
                    door het college een beslissing moeten worden genomen, met name over de vraag of
                    de schuld of nalatigheid van de ambtenaar van dien aard is dat zij geheel op hem
                    kan worden verhaald of dat met een gedeeltelijke schadevergoeding kan worden
                    volstaan. Overigens moet men natuurlijk niet voor elk wissewasje naar dit
                    artikel grijpen. In elke organisatie komen "bedrijfsongevalletjes" voor die
                    inherent zijn aan menselijk handelen. Deze zijn meestal wel aan iemand toe te
                    rekenen, maar de woorden "schuld" en "nalatigheid" wijzen er toch wel op dat het
                    moet gaan om zaken waarover men de ambtenaar echt een verwijt kan maken.</al><tussenkop>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar (T)</tussenkop><al>Hierbij gaat het om iedere ambtenaar die beroepshalve geld int en/of uitgeeft,
                    bijvoorbeeld via een loketkas of op andere wijze financiële waarden beheert. Het
                    betreft hier dus niet alleen degenen die ontvangersfuncties bekleden op grond
                    van het bepaalde in artikel 212 van de Gemeentewet. Genoemd artikel bepaalt dat
                    de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de gemeente worden
                    verricht door de bij de in dat lid bedoelde regels aan te wijzen
                    ambtenaren.</al><tussenkop>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar (T)</tussenkop><al>De aan dit artikel ten grondslag liggende beoordelingsregeling behoeft de
                    instemming van de ondernemingsraad, dit op grond van het bepaalde in artikel 27,
                    eerste lid, onderdeel g van de Wet op de ondernemingsraden.</al><tussenkop>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding (T)</tussenkop><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid kan bijvoorbeeld een collegebesluit
                    worden opgesteld waarin wordt bepaald dat het niet geoorloofd is voor ambtenaren
                    die baliewerkzaamheden verrichten of anderszins regelmatig in contact treden met
                    burgers, in een korte broek op de werkplek te verschijnen.</al><tussenkop>Artikel 15:1:17 Standplaats (T)</tussenkop><al>Wat betreft de verplichting voor de ambtenaar in of nabij de standplaats te
                    wonen, dient rekening gehouden te worden met het vierde Protocol bij het
                    Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
                    vrijheden. In artikel 2, eerste lid van dat Protocol is immers het volgende
                    individuele grondrecht van elke burger - dus ook van die burger die in een
                    arbeidsrelatie tot de overheid staat - geformuleerd: "een ieder die zich wettig
                    op het grondgebied van een (verdragsluitende) staat bevindt, heeft het recht
                    zich daar vrij te verplaatsen en er in vrijheid plaats van verblijf te kiezen"
                    Op dit grondrecht kan ingevolge artikel 2, derde lid van hetzelfde Protocol
                    slechts inbreuk worden gemaakt bij wet en indien de daarin op te leggen
                    beperkingen "in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's
                    lands veiligheid of de openbare veiligheid, ter handhaving van de openbare orde,
                    ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming van de gezondheid of
                    ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen". De beperking op het
                    individuele grondrecht is neergelegd in artikel 15:1:17. Een relevante uitspraak
                    in dit verband is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 april 1990
                    (TAR 1990, nr 139). In deze zaak is geoordeeld dat de relevante
                    verdragsartikelen verdragspartijen niet verbieden aan de vervulling van een
                    ambtelijke functie te verbinden dat de ambtenaar in de omgeving van zijn
                    werkplek dient te wonen, op voorwaarde dat die begrenzing van de woonomgeving in
                    een functionele relatie tot die functie staat. Aan die voorwaarde is volgens de
                    Centrale Raad voldaan indien de grenzen van dit woongebied zodanig zijn
                    vastgesteld dat in redelijkheid kan worden gezegd dat, wanneer de ambtenaar
                    buiten dat gebied gaat wonen, de goede vervulling van zijn functie te zeer in
                    het gedrang komt. Dit laatste kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de
                    reistijden excessief lang zijn of wanneer de ambtenaar in verband met de aard
                    van zijn functie niet snel genoeg op zijn werkplek aanwezig kan zijn. Hierbij
                    valt te denken aan bijvoorbeeld de brandweercommandant, het hoofd interne zaken
                    of de gemeentesecretaris. Het aspect van calamiteiten die zich in een gemeente
                    kunnen voordoen speelt hierbij een rol.</al><tussenkop>Artikel 15:1:18 Dienstwoning (T)</tussenkop><al>Een huis is pas een dienstwoning in de zin van dit artikel als het voor een
                    goede vervulling van zijn werkzaamheden noodzakelijk is dat de ambtenaar in een
                    bepaald huis woont (zie artikel 18:1:3). Te denken valt aan portiers of
                    conciërgewoningen. Einde van het dienstverband brengt dan de verplichting met
                    zich mee de dienstwoning te verlaten.</al><al>De woning die door de gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt gesteld
                    zonder dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet verrichten en het
                    gebruik van de woning een duidelijk verband bestaat, wordt ook wel
                    "dienstwoning" genoemd, maar is in feite een normale huurwoning. Einde van het
                    dienstverband betekent dan niet automatisch het einde van de huurovereenkomst In
                    die gevallen geldt de normale huurbescherming.</al><tussenkop>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De schade die hier bedoeld wordt, moet zijn geleden als gevolg van de vervulling
                    van zijn functie. Deze beperking betekent niet dat alleen schade die het directe
                    gevolg is van het werk dat de ambtenaar verricht, vergoed wordt. Er moet een
                    zodanig verband met de functie zijn dat de schade zich niet zou hebben
                    voorgedaan (althans niet op die tijd en plaats) als de ambtenaar niet aan het
                    werk zou zijn geweest. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding mag
                    rekening worden gehouden met normale slijtage Voorkomen moet worden dat de
                    ambtenaar ongerechtvaardigd voordeel geniet, wat het geval zou zijn wanneer als
                    schadevergoeding de nieuwwaarde van een goed wordt betaald, terwijl het goed
                    deze waarden niet meer had op het moment van de schade. In het algemeen zal geen
                    schade vergoed hoeven worden bij diefstal van een fiets uit een fietsenstalling
                    of diefstal van een jas uit een garderobe, omdat deze goederen doorgaans niet
                    nodig zijn voor de uitoefening van de functie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld in welke gevallen de schade aan
                    een eigen auto wordt vergoed, die is opgelopen tijdens een dienstreis. Deze
                    bepaling is opgenomen als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 1 juni 1995 waar in een ledenbrief van het College voor Arbeidszaken
                    van 27 juli 1995 (kenmerk ARZ/505527) nader op wordt ingegaan. Er wordt niets
                    geregeld over de hoogte van de vergoeding die betaald dient te worden. Dit kan
                    de schade aan de eigen auto zijn, dan wel het verlies aan no-claimkorting. Er is
                    bewust voor gekozen af te zien van de verplichting voor de ambtenaar een
                    all-riskverzekering af te sluiten omdat dit niet in alle gevallen in
                    redelijkheid kan worden opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 15:1:24 Gebruik van motorrijtuig (T)</tussenkop><al>Het gebruik van de eigen auto ten behoeve van de dienst is gebonden aan
                    toestemming van het college ter voorkoming van een ongelimiteerd gebruik.
                    Wanneer toestemming is verleend, mag de ambtenaar verwachten dat de gemaakte
                    kosten die voortvloeien uit het gebruik van de eigen auto worden vergoed. De
                    juridische basis hiervoor is gelegen in artikel 15:1:22. Als voorwaarde
                    verbonden aan de toestemming de eigen auto te gebruiken ten behoeve van
                    dienstreizen, kan bijvoorbeeld het afsluiten van een allriskverzekering worden
                    verbonden.</al><tussenkop>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling (T)</tussenkop><al>Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen.Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot een schadeloosstelling of vergoeding van kosten.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente.</al><tussenkop>Artikel 15:1:30 Borstvoeding (T)</tussenkop><al>Ingevolge dit artikel dient de werkgever een ruimte beschikbaar te stellen waar
                    de ambtenaar borstvoeding kan kolven of kan zogen. Deze voorziening kan in de
                    plaats komen van de gelegenheid die de ambtenaar krijgt haar kind zelf te
                    voeden. Bij dit alles speelt de redelijkheid een belangrijke rol.</al><tussenkop>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat een zorgplicht voor de gemeente voor de werknemers in de zin
                    van artikel 2:4 (aanstelling) en 2:5 (arbeidsovereenkomst) die
                    (plaatsvervangend) lid zijn van de commissie voor georganiseerd overleg.
                    Dezelfde plicht ligt er ten aanzien van de werknemers die anderszins door de
                    vakorganisaties zijn aangewezen om vakbondsactiviteiten te vervullen. Het gaat
                    daarbij om de activiteiten waarvoor zij op grond van artikel 6:4:2 buitengewoon
                    verlof kunnen genieten. De zorgplicht is te vergelijken met die voor de
                    ondernemingsraadsleden, opgenomen in artikel 21, eerste lid van de Wet op de
                    ondernemingsraden. Omdat zij door de uitoefening van hun taak kwetsbaarder zijn
                    dan andere werknemers, is deze extra rechtsbescherming in de CAR/UWO opgenomen.
                    Daardoor wordt gewaarborgd dat zij onafhankelijk in de onderneming kunnen
                    optreden zolang zij door hun vakorganisatie daarvoor een aanwijzing hebben
                    gekregen. Het gaat daarbij om benadeling in promotiekansen, verslechtering van
                    werkomstandigheden, gedwongen overplaatsing, schorsing vanwege
                    vakbondsactiviteiten en het niet verlengen van een
                    aanstelling/arbeidsovereenkomst De feitelijke handelwijze van de gemeente moet
                    gelijk zijn aan het handelen wanneer betrokkene de vakbondsactiviteiten niet zou
                    vervullen. De werknemer die zich desondanks benadeeld voelt, kan zich wenden tot
                    de administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank (aanstelling) of de
                    kantonrechter (arbeidsovereenkomst).</al><tussenkop>Artikel 15:2 Klokkenluiders (T)</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling dat het college de raad informeert over de vaststelling
                    van de klokkenluidersregeling en de wijzigingen daarin. De raad kan het college
                    ter verantwoording roepen over het gevoerde beleid ter zake van de
                    meldingen.</al><tussenkop>Artikel 15:2:1:1 </tussenkop><al>Het <vet>bevoegd</vet> gezag is volgens deze regeling het hoogste orgaan binnen
                    een organisatie. Betrokkenheid van het bevoegd gezag bij de behandeling van een
                    meldingen is belangrijk. Het bevoegd gezag dient daarom ook te allen tijde te
                    worden geïnformeerd over de ontvangst van een melding. Tevens draagt zij
                    verantwoordelijkheid voor het (al dan niet) instellen van een onderzoek naar
                    aanleiding van de melding en voor het oordeel naar aanleiding van het ingestelde
                    onderzoek. </al><al>Voor het griffiepersoneel werkzaam bij de gemeente is de werkgeverschapstaak
                    neergelegd bij de raad. De gemeenteraad is dus het bevoegd gezag. De uitoefening
                    van het dagelijks werkgeverschap is vaak belegd bij een aparte
                    werkgeverscommissie met uitsluitend raadsleden. Deze regeling kan conform de
                    reguliere procedures worden vastgesteld door deze (werkgevers)commissie.</al><al>De definitie van het begrip misstand is aangepast. De nieuwe definiëring sluit
                    aan bij de regelingen voor provincies en rijk.Een <vet>vermoeden van een
                        misstand</vet> valt uiteen in drie brede categorieën:</al><lijst><li nr="-"><al>een schending van wettelijke voorschriften.</al></li><li nr="-"><al>een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu.</al></li><li nr="-"><al>een onbehoorlijke wijze van functioneren die een gevaar vormt voor het
                            goed functioneren van de openbare dienst.</al></li></lijst><al>Voor een toelichting op het begrip ‘misstand’ verwijzen wij naar het ‘Besluit
                    van 15 december 2009, houdende een regeling voor het melden van een vermoeden
                    van een misstand bij de sectoren Rijk en Politie’. </al><al>De <vet>melder</vet> is iedere ambtenaar of aan een ambtenaar gelijkgestelde die
                    een melding van een vermoeden van een misstand doet. Het gaat dus niet alleen om
                    ambtenaren, maar ook om stagiaires, vrijwilligers, oproepkrachten etc. Een
                    melding mag worden gedaan tot 12 maanden na uitdiensttreding. </al><al>De <vet>vertrouwenspersoon</vet> is in veel organisaties een bestaand fenomeen.
                    Het gaat hier ook om die bestaande vertrouwenspersoon die conform de lokale
                    regeling is aangesteld. </al><al>Lid 2 bepaalt dat een ieder die werkzaamheden gemeente of organisatie (heeft)
                    verricht een melding mag doen. Het gaat dus niet alleen om ambtenaren, maar ook
                    om stagiaires, vrijwilligers, oproepkrachten, ZZP’ers, etc. </al><tussenkop>Artikel 15:2:1:2 </tussenkop><al> Uitgangspunt is dat de identiteit van de melder geheim wordt gehouden. Dit is
                    alleen anders indien de melder hier zelf toestemming voor geeft. Een ieder die
                    betrokken is bij de behandeling van een melding moet zorgvuldig omgaan met de
                    identiteit van de melder. Indien de melder niet heeft ingestemd met bekendmaking
                    van zijn identiteit kan hij de melding vertrouwelijk doen bij de
                    vertrouwenspersoon. Informatie die de melder dan toekomt wordt verzonden aan de
                    vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon moet er zorg voor dragen dat de
                    informatie bij de melder terecht komt. </al><al>De bescherming ziet ook op de ambtenaar die een misstand heeft gemeld in een
                    andere organisatie dan zijn eigen organisatie. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als
                    een medewerker tijdelijk samenwerkt met collega’s van een andere gemeente, of
                    participeert in de projectorganisatie met andere organisaties. Noodzakelijk is
                    wel dat de ambtenaar uit hoofde van zijn functie die misstand gewaar wordt.Aan
                    de bescherming zijn de voorwaarden verbonden zoals opgesomd in dit artikel. Deze
                    voorwaarden dienen om te voorkomen dat een onzorgvuldige en/of onjuiste melding
                    bij een andere organisatie leidt tot verstoorde verhoudingen. De melder heeft op
                    grond van deze regeling recht op juridische bijstand wanneer hij als gevolg van
                    het te goeder trouw melden van een vermoeden van een misstand nadelige gevolgen
                    ondervindt in zijn rechtspositie. Organisaties die een rechtsbijstandverzekering
                    hebben afgesloten bij Centraal Beheer Achmea behoren voor dit risico verzekerd
                    te zijn. Lokaal dient dit gecontroleerd te worden in de polisvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 15:2:1:3 </tussenkop><al> De vertrouwenspersoon kan een belangrijke rol vervullen in het proces van
                    integriteitbewustwording, advisering en bij een vertrouwelijke melding ook voor
                    de doorgeleiding van de melding. Het ligt voor de hand om bij grotere
                    organisaties meerdere vertrouwenspersonen te benoemen, vanwege de werklast en
                    het waarborgen van toegankelijkheid. Ook kan (aanvullend) een externe
                    functionaris als vertrouwenspersoon benoemd worden.De algemene taak van de
                    vertrouwenspersoon is de melder te adviseren over de melding. Daarbij kan ook
                    een beroep worden gedaan op het Adviespunt Klokkenluiders. </al><al>Bij de vertrouwenspersoon is ook de verplichting neergelegd de interne meldingen
                    te monitoren en daarvan jaarlijks een verslag op te maken. Dit verslag wordt
                    naar het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar gemaakt.De
                    vertrouwenspersoon geniet dezelfde bescherming tegen nadelige gevolgen van zijn
                    rechtspositie als de melder. Ook de vertrouwenspersoon heeft op grond van de
                    regeling recht op juridische bijstand indien hij als gevolg van zijn
                    werkzaamheden die hem op basis van deze regeling zijn toebedeeld negatieve
                    gevolgen ondervindt in zijn rechtspositie. Ook dit risico is meeverzekerd voor
                    organisaties die een rechtsbijstandverzekering hebben afgesloten bij Centraal
                    Beheer Achmea. Lokaal dient dit gecontroleerd te worden in de
                    polisvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 15:2:1:4</tussenkop><al> Het bevoegd gezag kan een ander extern meldpunt aanwijzen dan de
                    Onderzoeksraad. Indien het bevoegd gezag een ander extern meldpunt aanwijst dan
                    kan de werkwijze worden gevolgd die wordt beschreven bij alternatief B. </al><tussenkop>Artikel 15:2:1:5 </tussenkop><al> Het is aan de ambtenaar te bepalen waar hij zijn melding in eerste instantie
                    wil doen. Het zal aan de omstandigheden liggen of dat zijn leidinggevende – de
                    naast hogere leidinggevende als de melding de direct leidinggevende betreft -
                    dan wel de vertrouwenspersoon is. Het is belangrijk dat hij de melding doet. De
                    organisatie zal in de communicatie over de regeling duidelijk moeten zijn in de
                    mogelijkheden.Een directe melding bij het externe meldpunt is mogelijk. Dat ligt
                    voor de hand als de melding gaat over bijvoorbeeld een handelwijze van college
                    of directie. Artikel 11 gaat hier verder op in. </al><al>Wanneer een (vermoeden van) een misstand een strafbaar feit betreft, moet
                    uiteraard altijd aangifte worden gedaan bij de politie. De procedure uit deze
                    regeling kan daarvoor niet in de plaats treden. Van ambtsmisdrijven moet op
                    grond van artikel 162 Strafvordering aangifte worden gedaan.</al><tussenkop>Artikel 15:2:1:6 </tussenkop><al> Zoals in de toelichting bij artikel 5 al opgemerkt kunnen ook ex-ambtenaren –
                    waarbij de definitie van ambtenaar is als die genoemd in artikel 1 – een
                    vermoeden van een misstand melden. Dat kan gedurende een periode van een jaar na
                    de ontslagdatum. Procedurevoorschriften zijn hierbij hetzelfde als voor de
                    ambtenaar die nog werkzaam is voor de organisatie. </al><tussenkop>Artikel 15:2:1:7</tussenkop><al> Het bevoegd gezag moet zo snel mogelijk op de hoogte wordt gesteld van een
                    melding van een vermoede misstand. Belangrijk is dus dat
                    (direct-)leidinggevenden binnen de organisatie goed op hoogte zijn van het
                    bestaan van deze regeling en de bijhorende procedures. Ook als een melding wordt
                    gedaan zonder bekendmaking van de identiteit van de melder kan een onderzoek
                    plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 15:2:1:8 </tussenkop><al> Door of namens het bevoegd gezag wordt zo spoedig mogelijk een
                    ontvangstbevestiging gezonden aan de melder met een samenvatting van de
                    procedure die daarop volgt. Het is van belang daarbij de datum van ontvangst van
                    de melding te noemen gezien de termijnen genoemd in artikel 10 en het gevolg van
                    het overschrijden ervan. </al><al>Indien de identiteit van de melder niet bekend is gemaakt, wordt hem de
                    ontvangstbevestiging toegezonden via de vertrouwenspersoon bij wie hij de
                    melding heeft gedaan. Deze vertrouwenspersoon zorgt ervoor dat de melder de
                    ontvangstbevestiging ontvangt.Daarnaast worden eventueel andere betrokkenen
                    geïnformeerd. Bij een melding van een vermoeden van een misstand kan de
                    integriteit van andere personen werkzaam bij of voor de organisatie in het
                    geding zijn en onderwerp zijn van onderzoek. Daarom is de bepaling opgenomen dat
                    het bevoegd gezag deze betrokkenen informeert maar daarbij geldt wel als
                    beperking dat het onderzoeksbelang niet wordt geschaad. </al><tussenkop>Artikel 15:2:1:9</tussenkop><al> Het bevoegd gezag doet zo snel mogelijk onderzoek. Het is aan het bevoegd gezag
                    om te bepalen op welk niveau en door wie onderzoek wordt gedaan. Afhankelijk van
                    bijvoorbeeld de aard van de vermoede misstand of van de plaats in de organisatie
                    van degenen die daarbij vermoedelijk betrokken zijn, kan het onderzoek worden
                    opgedragen aan de direct leidinggevende van de melder, aan de directeur van een
                    dienst, aan een veiligheidsfunctionaris of wellicht aan een extern bureau of
                    persoon. In het tweede lid is bepaald dat het onderzoek niet mag worden verricht
                    door een persoon die mogelijk betrokken is bij de vermoede misstand, ter
                    voorkoming van mogelijke vooringenomenheid en ongewenste beïnvloeding.Het
                    bevoegd gezag kan bij het onderzoek een (externe) deskundige raadplegen. Ook
                    deze deskundige dient zorgvuldig om te gaan met de identiteit van de
                    melder.</al><tussenkop>15:2:1:10 </tussenkop><al> Het bevoegd gezag krijgt tien weken de tijd om onderzoek te doen en een
                    standpunt te bepalen. De praktijk wijst uit dat het onderzoek de nodige tijd
                    vergt. Als een melding vertrouwelijk wordt gedaan kan dit een reden zijn voor
                    een langere termijn omdat het bevoegd gezag hierdoor meer tijd nodig kan hebben
                    om alle relevante feiten boven tafel te krijgen. Indien de periode van tien
                    weken niet voldoende is, kan het bevoegd gezag de vaststelling van het standpunt
                    met maximaal vier weken verdagen. De betrokkenen worden hiervan voor het
                    verstrijken van deze tien weken op de hoogte gesteld. Deze termijnen zijn gelijk
                    aan de termijnen genoemd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><tussenkop>Artikel 15:2:1:11 </tussenkop><al> Er is geen harde termijn gegeven voor de melding bij het externe meldpunt.
                    ’Redelijk’ zal per geval ingevuld moeten worden; het oordeel is aan het meldpunt
                    zelf. Als het meldpunt tot de conclusie komt dat de melding te laat wordt gedaan
                    volgt niet ontvankelijkheid. Dat is opgenomen in artikel 13.</al><al>Vertrouwelijke melding bij de commissie is mogelijk. In dat geval zorgt het
                    externe meldpunt ervoor dat de identiteit van de melder niet bekend wordt.</al><al>Aan de rechtstreekse gang naar het externe meldpunt is de voorwaarde verbonden
                    dat daarvan alleen gebruik kan worden gemaakt indien daartoe aanleiding bestaat.
                    Een rechtstreekse melding bij het externe meldpunt kan bijvoorbeeld geëigend
                    zijn als het gaat om een vermoeden van een misstand begaan door (leden van) het
                    college of directie. Ook andere situaties of omstandigheden waardoor de melder
                    onvoldoende vertrouwen heeft in een interne melding zijn denkbaar. De melder
                    moet daarbij enigszins kunnen concretiseren waarom hij niet intern wil melden.
                    Het is vervolgens aan het externe meldpunt om te oordelen of de melder zich
                    terecht rechtstreeks tot het externe meldpunt heeft gewend, of dat de melder de
                    kwestie eerst intern aanhangig had moeten maken. </al><al>Tevens kan melding bij het externe meldpunt worden gedaan als de melder zich
                    niet kan vinden in het standpunt van het bevoegd gezag en/of deze niet tijdig is
                    ontvangen door de melder. </al><tussenkop>Artikel 15:2:1:12 </tussenkop><al> De melder ontvangt een ontvangstbevestiging van het externe meldpunt. Het is
                    van belang de datum van ontvangst van de melding te noemen, gezien de termijnen
                    genoemd in artikel 15.Alle betrokkenen worden over de melding geïnformeerd,
                    tenzij daardoor het onderzoeksbelang kan worden geschaad.</al><tussenkop>Artikel 15:2:1:13 </tussenkop><al> Een melding is niet ontvankelijk indien naar het oordeel van het externe
                    meldpunt er geen sprake is van een misstand of een misstand van voldoende
                    gewicht.De melding is niet-ontvankelijk als de melder zich niet heeft gehouden
                    aan de termijnen als genoemd artikel 10. Dit geldt ook als een melding niet
                    binnen een redelijke termijn is geschied. Een melding is niet ontvankelijk
                    indien rechtstreekse melding bij het externe meldpunt is gedaan, maar er geen
                    sprake is van zwaarwegende belangen die een interne procedure in de weg staan.
                    Tevens is een melding niet-ontvankelijk als geen sprake is van een melder als
                    bedoeld in artikel 1 sub c en/of de melder al langer dan 12 maanden uit dienst
                    is.Indien de melding niet ontvankelijk is worden betrokken hiervan binnen vier
                    weken op de hoogte gesteld.</al><tussenkop>Artikel 15:2:1:14 </tussenkop><al>Het externe meldpunt stelt zo snel mogelijk na ontvangst van de melding een
                    onderzoek in. Het externe meldpunt kan inlichtingen winnen bij het bevoegd
                    gezag, dat verplicht is hieraan mee te werken. Indien nodig wordt een (externe)
                    deskundige geraadpleegd. Het externe meldpunt beslist of er al dan niet een
                    deskundige wordt geraadpleegd. Ook deze (externe) deskundige gaat zorgvuldig om
                    met de identiteit van de melder.</al><tussenkop>Artikel 15:2:1:15 </tussenkop><al> Het externe meldpunt krijgt acht weken de tijd om onderzoek te doen en een
                    advies uit te brengen. Indien de periode van acht weken niet voldoende is,
                    worden betrokkenen hiervan voor het verstrijken van deze acht weken op de hoogte
                    gesteld. Het externe meldpunt kan het uitbrengen van het advies met maximaal
                    vier weken verdagen. </al><al>Het externe meldpunt maakt het advies aan het bevoegd gezag in geanonimiseerde
                    vorm openbaar, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten. Het advies
                    wordt echter niet openbaar gemaakt voordat het bevoegd gezag zijn standpunt
                    bekend heeft gemaakt of, indien er geen standpunt bekend is gemaakt, de termijn
                    van vier weken waarbinnen het bevoegd gezag dit moet doen is verstreken.</al><tussenkop>Artikel 15:2:1:16 </tussenkop><al> Het bevoegd gezag moet binnen twee weken een besluit nemen op het advies van
                    het meldpunt. Gekozen is voor een relatief korte termijn. Als een gemotiveerd
                    advies van het externe meldpunt beschikbaar is, moet het bevoegd gezag snel tot
                    een besluit kunnen komen. De belangen van de melder en de eventuele andere
                    betrokkenen binnen de organisatie wegen hierbij zwaar: onzekerheid moet niet
                    langer duren dan noodzakelijk. </al><tussenkop>Artikel 15:2:1:17 </tussenkop><al>Door de Onderzoeksraad (of een ander extern meldpunt) wordt jaarlijks een
                    jaarverslag opgemaakt met het aantal en de aard van de meldingen en de
                    uitgebrachte adviezen. Dit is in lijn met de plicht voor de vertrouwenspersoon
                    om de interne meldingen te monitoren en daarvan jaarlijks een verslag op te
                    maken.Het jaarverslag van de Onderzoeksraad gaat naar het bevoegd gezag en de
                    Ondernemingsraad en wordt openbaar gemaakt. </al><tussenkop>Algemene toelichting </tussenkop><al>In de modelgedragscode voor ambtenaren (van de VNG) wordt de mogelijkheid
                    genoemd van het aanwijzen van een VPI. Het hebben van een VPI is geformuleerd
                    als een van de basisnormen voor goed integriteitsbeleid.De gemeente Amersfoort
                    kent al twee vertrouwenspersonen op grond van andere regelingen: enerzijds de
                    (interne) vertrouwenspersoon in het kader van de interne melding op grond van de
                    Klokkeluidersregeling (hoofd P&amp;O) en anderzijds de vertrouwenspersoon als
                    genoemd in de Regeling Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke
                    overheid (bedrijfsmaatschappelijk werker dan wel hoofd P&amp;O). Genoemde
                    vertrouwenspersonen hebben een duidelijk omlijste taak gebaseerd op een
                    regeling. De VPI heeft dat niet. De taak van de VPI is enerzijds het vervullen
                    van een klankbordfunctie waarbij medewerkers advies kunnen inwinnen over
                    integriteitsvraagstukken en anderzijds een meldpuntfunctie waar ambtenaren
                    (vermoedens van) integriteitsschendingen kunnen aankaarten als zij dat niet
                    willen doen bij hun eigen leidinggevende / directeur. De VPI is dus een spin in
                    het web daar waar het gaat om integriteit in brede zin.</al><tussenkop>Artikel 15:4:1:1</tussenkop><al>Artikel 15:4:1:1 regelt de positionering van de VPI. Het Hoofd P&amp;O is
                    aangewezen als VPI met de gemeentesecretaris als achtervang. Daarbij is direct
                    aansluiting gezocht bij de positionering van de vertrouwenspersoon op grond van
                    de Klokkenluidersregeling.</al><tussenkop>Artikel 15:4:1:2</tussenkop><al>In artikel 15:4:1:2 zijn de taken van de VPI benoemd. De VPI is grotendeels vrij
                    in de uitvoering van deze taken als het gaat om de adviesfunctie. Gaat het
                    evenwel om een melding op grond van de Klokkenluidersregeling of ongewenste
                    omgangsvormen, dan wordt de handelwijze van de VPI mede bepaald door hetgeen is
                    geregeld in de desbetreffende regelingen.</al><al>In de verhandelingen over dit onderwerp wordt aangegeven dat het niet de taak
                    van de VPI is om onderzoek te verrichten. Daarnaast zou de VPI niet betrokken
                    moeten zijn bij het toepassen van sancties. Onderzoek en sancties behoren tot de
                    verantwoordelijkheid van de leiding. De kans bestaat dat de VPI het vertrouwen
                    van de medewerkers verliest zodra hij integriteitsschendingen ook gaat
                    onderzoeken en adviseert over eventueel te nemen maatregelen. Hoewel de
                    onderzoeksfunctie is af te raden ligt het wel op het pad van de VPI om goed door
                    te vragen naar de aard van de melding en kan het zelfs nog op diens pad liggen
                    om de melding op hoofdlijnen te verifiëren.</al><al>Registratie van de meldingen vindt plaats aan de hand van het Landelijk
                    Modelformulier Registratie Integriteitsschendingen (het
                    standaardformulier,vastgesteld op 5 november 2008, zie ledenbrief VNG d.d. 8 </al><tussenkop>Artikel 15:4:1:4</tussenkop><al>In artikel 15:4:1:4 is een algemene bepaling rond rechtsbescherming opgenomen,
                    waarbij wordt aangesloten bij artikel 15:2, tweede lid, van de ARGA. Ambtenaren
                    en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die misstanden
                    conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden
                    worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 15:4:1:5</tussenkop><al>In artikel 15:4:1:5 is de mogelijkheid opgenomen om de taken en werkwijze van de
                    VPI nader te regelen. Dit kan ook door middel van onderlinge afspraken tussen
                    VPI en het bevoegd gezag.</al><tussenkop>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim (T)</tussenkop><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een ambtenaar te straffen. Deze
                    zeer ruime formulering van de strafbaarstelling brengt met zich dat het
                    bestuursorgaan zeer zorgvuldig te werk moet gaan alvorens een straf op te
                    leggen. In de eerste plaats moeten feiten in die zin bewezen worden dat zij in
                    rechte kunnen worden aangetoond Daarbij moeten bepaalde gedragingen van
                    betrokkene als verwijtbaar worden aangemerkt. Het aspect van de verwijtbaarheid
                    speelt nogal eens een rol wanneer een bestuursorgaan tot strafontslag wil
                    overgaan in een geval waarbij de ambtenaar zich niet bereid toont op het
                    spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Uiteraard moet het hierbij om een zwaar
                    dossier gaan; dit vergt dossieropbouw. Met het opleggen van een dergelijke
                    sanctie loopt het bestuursorgaan het risico dat het strafontslag ongedaan wordt
                    gemaakt op grond van het feit dat de gedragingen de betrokkene niet kunnen
                    worden verweten. In dit verband speelt artikel 15:1:1 een rol; dit artikel
                    bepaalt onder meer dat de ambtenaar gehouden is zich te gedragen als een goed
                    ambtenaar betaamt.</al><tussenkop>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen (T)</tussenkop><al>In het eerste lid worden de disciplinaire straffen limitatief opgesomd. De
                    straffen lopen uiteen van een schriftelijke berisping tot een strafontslag. In
                    dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor artikel 8:15:1, dat gaat over de
                    schorsing als ordemaatregel. Wat betreft onderdeel e dient te worden opgemerkt
                    dat het niet-uitbetalen van het salaris - ten hoogste tot een bedrag
                    overeenkomend met het salaris over een halve maand - slechts eenmaal kan worden
                    opgelegd. Het is mogelijk een combinatie van straffen op te leggen De op te
                    leggen straf dient in overeenstemming te zijn met het plichtsverzuim. Het
                    besluit een straf toe te passen, zoals genoemd in artikel 16:1:2, eerste lid, is
                    een besluit ingevolge de Awb. Het derde lid biedt de mogelijkheid om een
                    voorwaardelijke straf op te leggen. De voorwaarden dienen redelijk te zijn; er
                    dient rekening te worden gehouden met de belangen van de organisatie en die van
                    de ambtenaar Ook de termijn waarbinnen de voorwaarde kan worden vervuld, dient
                    redelijk te zijn. Wanneer een ambtenaar bijvoorbeeld geruime tijd heeft
                    gefraudeerd met het tijdsregistratiesysteem, kan worden afgesproken dat
                    betrokkene strafontslag wordt verleend wanneer hij binnen enkele maanden na een
                    afgesproken tijdstip zich wederom schuldig maakt aan hetzelfde feit. Wanneer aan
                    een voorwaarde is voldaan, wordt de straf ten uitvoer gelegd. Een dergelijk
                    uitvoeringsbesluit is een besluit in de zin van de Awb, hetgeen betekent dat de
                    betreffende ambtenaar vooraf gehoord dient te worden.</al><tussenkop>Artikel 16:1:3 Verantwoording (T)</tussenkop><al>Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot
                    strafoplegging de ambtenaar schriftelijk meegedeeld- Betrokkene dient allereerst
                    te worden gehoord om zijn zienswijze kenbaar te kunnen maken. Het gaat hier
                    immers om een besluit waar de ambtenaar niet om gevraagd heeft en waar hij naar
                    verwachting bezwaar tegen zal hebben, waarbij de beschikking zal steunen op
                    gegevens of feiten die de ambtenaar betreffen en die hij niet zelf heeft
                    verstrekt. Artikel 16:1:3 kan begrepen worden als een uitwerking van de
                    hoorprocedure ingevolge de Awb (artikel 4:8). Dit horen kan pas plaatsvinden na
                    een afkoelingsperiode van zes dagen en kan niet later gebeuren dan na 12 dagen
                    na ontvangst van de schriftelijke mededeling waarin het voornemen tot het
                    opleggen van een disciplinarie straf wordt aangekondigd.</al><tussenkop>Artikel 17:1:1:0</tussenkop><al> Artikel 17:3, tweede lid, CAR biedt de mogelijkheid het huidige
                    opleidingsbeleid te handhaven en het individuele loopbaanbudget niet in te
                    voeren. De ondernemingsraad heeft bij brief van 22 maart 2013 (zie bijgaand)
                    ingestemd met afwijking van de cao afspraak. Het huidige opleidingsbeleid biedt
                    voldoende mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling.</al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Brief Ondernemingsraad d.d. 22 maart 2013" type="tekst" id="i290055"></illustratie></plaatje><tussenkop>Artikel 17:1:1:1</tussenkop><al>De regeling studiefaciliteiten maakt onderscheid tussen functiegerichte en
                    ontwikkelingsgerichte opleidingen. Opleidingen die noodzakelijk zijn om de
                    functie goed te kunnen blijven uitoefenen zijn functiegericht.
                    Ontwikkelingsgerichte opleidingen zijn niet noodzakelijk voor de functie. Die
                    hebben vooral tot doel de medewerker breder inzetbaar te maken en dat kan zowel
                    binnen als buiten de gemeente. Omdat het belang van de gemeente groter is bij
                    functiegerichte opleidingen, zijn de faciliteiten ruimer dan die voor de
                    ontwikkelingsgerichte opleidingen.</al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) heeft een plaats gekregen in de
                    regeling, maar geen prominente. Dat komt omdat in Amersfoort een POP geen
                    voorwaarde is om in aanmerking te komen voor studiefaciliteiten en ook geen
                    garantie hoeft te zijn dat die faciliteiten worden verleend. Het initiatief voor
                    een POP ligt bij de medewerker, een POP is niet verplicht. Als een medewerker in
                    aanmerking wil komen voor studiefaciliteiten kan hij daarvoor een verzoek doen,
                    hij hoeft geen POP te maken. Een POP is alleen een garantie dat
                    studiefaciliteiten worden verleend als daarin duidelijke afspraken hierover zijn
                    gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 17:1:1:2</tussenkop><al>In dit artikel zijn de algemene voorwaarden neergelegd om voor
                    studiefaciliteiten in aanmerking te (blijven) komen. De studie moet degelijk
                    zijn, de medewerker moet in staat zijn de studie met succes te voltooien en er
                    moet in het werk ruimte zijn om de studie te volgen.</al><al>De basis voor toekenning van studiefaciliteiten is het opleidingsplan. Daarin
                    wordt het jaarlijks beschikbare opleidingsbudget verdeeld over de verschillende
                    medewerkers. De opleidingsbehoefte van de verschillende medewerkers wordt
                    onderzocht c.q. vastgelegd in de jaargesprekken. Vervolgens wordt in het
                    opleidingsplan het beschikbare geld verdeeld en worden er indien nodig
                    prioriteiten gesteld. Het is dus heel goed mogelijk dat een verzoek om
                    faciliteiten niet wordt gehonoreerd, omdat er dat jaar geen ruimte is in het
                    budget. Anderen gaan dan voor.</al><tussenkop>Artikel 17:1:1:3 en 17:1:1:4</tussenkop><al>In dit artikel staan de faciliteiten voor de functiegerichte opleidingen. Het
                    gaat om verlof, studiekosten en reis- en verblijfkosten. Uitgangspunt is dat de
                    kosten in geld in ieder geval volledig worden vergoed, omdat het gaat om een
                    opleiding die noodzakelijk is voor de functie.</al><al>De reiskosten worden vergoed op basis van de minst kostbare wijze van openbaar
                    vervoer. Treinkaartjes daarvoor kunnen via de ticketprinter van de gemeente
                    worden aangeschaft. Verblijfkosten worden (vanzelfsprekend) alleen vergoed als
                    ze noodzakelijk zijn en niet bij het cursusgeld zijn inbegrepen. Voor de
                    maximale hoogte van de vergoeding zie bijlage 10 bij de ARGA.</al><al>Voor de duur van het studieverlof is de studiebelasting die de
                    opleidingsinstelling opgeeft bepalend. Wel wordt er een maximum gehanteerd van
                    1/5 van de geldende arbeidsduur per week. Voor voltijders is dat 7,2 uur. Of dit
                    verlof wordt besteed aan het volgen van lessen of aan zelfstudie doet er niet
                    toe. Als een medewerker meer verlof nodig heeft voor het volgen van de studie
                    dan zal hij daarvoor zelf vakantie- of compensatieverlof moeten opnemen. In
                    uitzonderingsgevallen kan met toepassing van artikel 17:1:1:9 meer verlof worden
                    verleend, bijvoorbeeld als de medewerker zoveel eigen tijd moet steken in zijn
                    studie dat hij geen normale vakantie meer kan genieten. Het verlof kan worden
                    geweigerd of beperkt. Bijvoorbeeld als door het verlof het werk niet meer goed
                    gedaan kan worden en vervanging of een andere oplossing niet mogelijk is of geen
                    soelaas biedt. Voor het deelnemen aan examens wordt in artikel 6:4:1:1
                    buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend.</al><tussenkop>Artikel 17:1:1:3 en 17:1:1:4</tussenkop><al>In dit artikel staan de faciliteiten voor de functiegerichte opleidingen. Het
                    gaat om verlof, studiekosten en reis- en verblijfkosten. Uitgangspunt is dat de
                    kosten in geld in ieder geval volledig worden vergoed, omdat het gaat om een
                    opleiding die noodzakelijk is voor de functie.</al><al>De reiskosten worden vergoed op basis van de minst kostbare wijze van openbaar
                    vervoer. Treinkaartjes daarvoor kunnen via de ticketprinter van de gemeente
                    worden aangeschaft. Verblijfkosten worden (vanzelfsprekend) alleen vergoed als
                    ze noodzakelijk zijn en niet bij het cursusgeld zijn inbegrepen. Voor de
                    maximale hoogte van de vergoeding zie bijlage 10 bij de ARGA.</al><al>Voor de duur van het studieverlof is de studiebelasting die de
                    opleidingsinstelling opgeeft bepalend. Wel wordt er een maximum gehanteerd van
                    1/5 van de geldende arbeidsduur per week. Voor voltijders is dat 7,2 uur. Of dit
                    verlof wordt besteed aan het volgen van lessen of aan zelfstudie doet er niet
                    toe. Als een medewerker meer verlof nodig heeft voor het volgen van de studie
                    dan zal hij daarvoor zelf vakantie- of compensatieverlof moeten opnemen. In
                    uitzonderingsgevallen kan met toepassing van artikel 17:1:1:9 meer verlof worden
                    verleend, bijvoorbeeld als de medewerker zoveel eigen tijd moet steken in zijn
                    studie dat hij geen normale vakantie meer kan genieten. Het verlof kan worden
                    geweigerd of beperkt. Bijvoorbeeld als door het verlof het werk niet meer goed
                    gedaan kan worden en vervanging of een andere oplossing niet mogelijk is of geen
                    soelaas biedt. Voor het deelnemen aan examens wordt in artikel 6:4:1:1
                    buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend.</al><tussenkop>Artikel 17:1:1:5 en 17:1:1:6</tussenkop><al>De faciliteiten voor ontwikkelingsgerichte opleidingen zijn dezelfde als voor
                    functiegerichte opleidingen, n.l. vergoeding van de kosten van de opleiding, de
                    reis- en verblijfkosten en verlof. De belangrijkste verschillen met
                    functiegerichte opleidingen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al> Niet alle faciliteiten hoeven verleend te worden, er is een keuze
                            mogelijk. Er kan bijvoorbeeld alleen een vergoeding worden gegeven voor
                            de studiekosten en geen verlof of andersom.</al></li><li nr="-"><al> Er kan een korting plaatsvinden zowel op de vergoeding van de kosten
                            van de opleiding als op het verlof. Die korting is groter naarmate het
                            belang van de gemeente bij de opleiding kleiner wordt. Dat geldt niet
                            voor de reiskosten.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 17:1:1:5 en 17:1:1:6</tussenkop><al>De faciliteiten voor ontwikkelingsgerichte opleidingen zijn dezelfde als voor
                    functiegerichte opleidingen, n.l. vergoeding van de kosten van de opleiding, de
                    reis- en verblijfkosten en verlof. De belangrijkste verschillen met
                    functiegerichte opleidingen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al> Niet alle faciliteiten hoeven verleend te worden, er is een keuze
                            mogelijk. Er kan bijvoorbeeld alleen een vergoeding worden gegeven voor
                            de studiekosten en geen verlof of andersom.</al></li><li nr="-"><al> Er kan een korting plaatsvinden zowel op de vergoeding van de kosten
                            van de opleiding als op het verlof. Die korting is groter naarmate het
                            belang van de gemeente bij de opleiding kleiner wordt. Dat geldt niet
                            voor de reiskosten.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 17:1:1:7</tussenkop><al>De terugbetalingsverplichting geldt zowel voor functiegerichte als voor
                    ontwikkelingsgerichte opleidingen. Er moet worden terugbetaald als de opleiding
                    niet wordt voltooid (tenzij de medewerker hiervan geen verwijt is te maken) of
                    als de medewerker ontslag neemt tijdens of binnen een bepaalde termijn na het
                    voltooien van de opleiding. In de twee laatste gevallen is er geen
                    terugbetalingsverplichting voor de categorie 25% van de ontwikkelingsgerichte
                    opleidingen, omdat deze opleidingen juist zijn bedoeld om de medewerker meer
                    kansen te geven op de externe arbeidsmarkt.</al><tussenkop>Artikel 17:1:1:8</tussenkop><al>Er geldt alleen een terugbetalingsverplichting als er een bepaalde beperkte
                    termijn is verlopen tussen het einde van de opleiding en het ontslag. Die
                    termijn verschilt naar gelang de studieduur en is een (opleiding van 1-2 jaar),
                    twee (opleiding 2-3 jaar) of drie (opleiding langer dan 3 jaar). Daarnaast wordt
                    de terugbetalingsverplichting beperkt naarmate er meer maanden zijn verstreken
                    tussen einde van de studie en het ontslag.</al><tussenkop>Artikel 17:1:1:9</tussenkop><al>Dit artikel kan gebruikt worden om afwijkende afspraken te maken in
                    uitzonderingssituaties. Bijvoorbeeld bij kweekvijver kandidaten.</al><tussenkop>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Regelt de hoogte van het individuele budget. Het budget is niet naar rato van
                    omvang dienstverband of naar rato van aantal maanden dienstverband als iemand in
                    de loop van het jaar in dienst komt. Op het moment een medewerker in de tweede
                    helft van een kalenderjaar in dienst komt, is het verstandig om bij aanstelling
                    meteen afspraken te maken over het individueel loopbaanbudget in dat
                    kalenderjaar.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bepaalt dat wanneer er een opleidings- en/of loopbaanbeleid is vastgesteld in de
                    gemeente dat vergelijkbare en gelijkwaardige mogelijkheden en rechten biedt als
                    het voorgestelde loopbaanbudget, dit beleid niet vervangen hoeft te worden door
                    het loopbaanbudget. Zulks ter beoordeling van de Ondernemingsraad.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>Regelt dat het individueel loopbaanbudget ingezet moet worden voor individuele
                    opleiding- en ontwikkelingswensen die gericht zijn op het verbeteren van de
                    eigen inzetbaarheid en arbeidsmarktpotentie.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Om te voorkomen dat medewerkers die in de loop van het jaar in dienst treden dit
                    budget niet meer kunnen besteden en het budget komt te vervallen na verloop van
                    het kalenderjaar, is het van belang dat de leidinggevende dit onderwerp in een
                    vroegtijdig stadium aan de orde stelt.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Biedt de mogelijkheid om het individueel loopbaanbudget maximaal drie jaar te
                    sparen. In het persoonlijk ontwikkelingsgesprek worden hierover afspraken
                    gemaakt: deze worden in het persoonlijk opleidingsplan vastgelegd. Het is niet
                    mogelijk om over de geldigheidsduur van dit artikel heen te sparen. Sparen omdat
                    er niet over gesproken is en er dus geen afspraken zijn gemaakt wordt door de
                    LOGA partijen als ongewenst gezien.</al><tussenkop>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan is de basis van de loopbaanontwikkeling en van
                    de ontwikkeling van de kennis en vaardigheden van de medewerker. Vorm en inhoud
                    zijn in beginsel vrij, dat wil zeggen dat het plan zowel kan bestaan uit een
                    korte feitelijke aanduiding van een opleidingsafspraak als uit een meer
                    uitgebreide afspraak over - door beide partijen - te ondernemen
                    ontwikkelingsactiviteiten in brede zin. Ook kan het accent liggen op
                    activiteiten die alleen de medewerker zal ondernemen of op inspanningen die
                    beide partijen zich zullen getroosten. Ook de mate waarin het initiatief voor
                    het doen van voorstellen voor de inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan
                    bij de medewerker dan wel bij de leidinggevende ligt, kan van geval tot geval
                    uiteenlopen. Essentieel is dat het persoonlijk ontwikkelingsplan gezamenlijk
                    wordt vastgesteld door leidinggevende en medewerker. Bij ontbreken van
                    overeenstemming is uiteindelijk de beslissing van de leidinggevende namens de
                    werkgever een voor beroep vatbaar besluit. Bij dit laatste dient bedacht te
                    worden dat het in het algemeen niet of nauwelijks denkbaar is, dat de werkgever
                    meer aan opleidingsinspanningen van de medewerker kan eisen dan waartoe deze
                    bereid is, afgezien van de opleidingen die krachtens artikel 15:1:26 in het
                    kader van een goede functie-uitoefening noodzakelijk zijn te achten. Een besluit
                    dat voor beroep vatbaar is, zal doorgaans alleen in de omgekeerde situatie
                    kunnen voorkomen: de medewerker wil meer dan de werkgever wil of kan
                    toestaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten minste een maal per drie jaar dient een persoonlijk ontwikkelingsplan te
                    worden vastgesteld. De medewerker heeft daar recht op. Overigens kunnen partijen
                    in onderling overleg concluderen dat er bijvoorbeeld in een bepaalde periode
                    geen reden is voor bijzondere inspanningen of afspraken. Het is in de praktijk
                    ook denkbaar dat er vaker, bijvoorbeeld jaarlijks, een gesprek plaatsvindt
                    tussen leidinggevende en medewerker over onderwerpen die van belang zijn voor de
                    ontwikkeling van kennis en vaardigheden en de loopbaan van de medewerker. De
                    voortgang van de eerdere afspraken kan aan de orde komen. Het vastleggen van de
                    afspraken in een dergelijk gesprek kan worden gezien als een nieuw persoonlijk
                    ontwikkelingsplan. Het ligt in de rede dat deze gesprekken in het kader van het
                    functioneringsgesprek en/of beoordelingsgesprek plaatsvinden, maar noodzakelijk
                    is dat niet.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan dient te passen in het
                    gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals dat is neergelegd in het gemeentelijk
                    opleidingsplan. De verplichting van het college om een opleidingsplan vast te
                    stellen is niet met zoveel woorden in de tekst opgenomen, omdat het hier niet
                    gaar om een deel van de persoonlijke rechtspositie. De individuele medewerker
                    heeft dus niet het recht om een opleidingsplan te eisen en hij kan er ook niet
                    direct rechten aan ontlenen of tegen in beroep komen. De Ondernemingsraad kan er
                    om vragen en heeft conform de Wet op de ondernemingsraden instemmingsrecht met
                    het opleidingsplan. Dit plan kan voor de gehele gemeente tegelijk worden
                    vastgesteld, maar uiteraard is het ook mogelijk, en in veel situaties zelfs meer
                    voor de handliggend, dat het per sector of dienstonderdeel wordt vastgesteld.
                    Ook de frequentie waannee het wordt vastgesteld kan verschillen. Behalve
                    inhoudelijke doelen en criteria voor de gewenste opleidingen waarmee het beoogde
                    profiel van de organisatie als geheel of het betrokken onderdeel kan worden
                    bereikt, kan het opleidingsplan ook budgettaire en organisatorische
                    randvoonvaarden bevatten. Ook kan in het opleidingsplan worden gefomuleerd of en
                    zo ja tot welke grenzen of onder welke voorwaarden de werkgever bereid is in het
                    kader van goed werkgeverschap of stimulering van mobiliteit mee te werken aan
                    opleidingen, die primair het persoonlijke loopbaanbelang van medewerkers dienen
                    en maar ten dele het directe dienstbelang.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Studies en andere ontwikkelingsactiviteiten die in het persoonlijk
                    ontwikkelingsplan staan en passen in het gemeentelijk opleidingsplan worden
                    volledig bekostigd. Indien ze niet in die termen vallen, kan er wellicht wel
                    enige faciliteit worden verstrekt, maar dat valt buiten de formeel geregelde
                    rechten van medewerkers. Bij de kostenvergoeding wordt niet langer verschil
                    gemaakt tussen een deeltijder en een voltijder. Beiden hebben bij gelijke
                    afspraken ook gelijke aanspraken op vergoeding van kosten.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Naast de vergoeding van kosten wordt ook het noodzakelijke verlof door de
                    werkgever verleend. Verlof met behoud van beloning, maar ook andere vormen van
                    medewerking door de werkgever worden vastgelegd. Te denken valt aan afspraken
                    over de inroostering van werktijden, inzet op een bepaald project dat directe
                    relatie heeft met de gevolgde opleiding en het ter beschikking stellen van
                    technische hulpmiddelen. Er is geen vast stramien vastgelegd hoeveel verlof
                    noodzakelijk is. Van geval tot geval zullen partijen samen dienen te bepalen wat
                    het begrip noodzakelijk in redelijkheid dient in te houden. Uiteraard mag er een
                    beroep op de betrokken medewerker worden gedaan om ook eigen tijd in de
                    ontwikkeling van zijn loopbaan te investeren, maar andersom is het redelijk dat
                    de werkgever rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden en de zwaarte van
                    de studie.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken gemaakt over de concrete
                    keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding zal worden gevolgd, de
                    voorwaarden waaronder de opleiding of andere activiteiten worden uitgevoerd, wat
                    de consequenties zijn van tussentijdse complicaties zoals voortijdige
                    beëindiging of onderbreking, verandering van functie of ontslag. Of en zo ja
                    welke afspraken er over eventuele terugbetaling van de vergoeding worden
                    vastgelegd is een zaak van lokaal beleid. Uiteraard kan daarbij worden betrokken
                    wat het niveau van de kosten is, in wiens primaire belang de kosten zijn gemaakt
                    en wat de reden en termijn is van het ontslag. Aard en omvang van de te maken
                    kosten worden in redelijkheid vastgesteld. Doorgaans zal de kostenkwestie al bij
                    de keuze van de opleiding aan de orde komen. Minstens zal het gaan om de kosten
                    van de opleiding zelf, de kosten van studiemateriaal en de kosten van reizen en
                    eventueel verblijf. Voor de verdere activiteiten die worden afgesproken is
                    moeilijk eenduidig een indicatie te geven van de relevante kosten.</al><tussenkop>Artikel 17:7</tussenkop><al> Hierbij kan worden gedacht aan reis- en verhuiskosten, suppletie van salaris
                    bij aanvaarden van een lager betaalde functie, voorziening voor pensioenlacunes,
                    stimuleringspremie bij vrijwillig ontslag etc.</al><tussenkop>Artikel 19:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>Vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer zijn ambtenaren. Daarom moet het
                    college op grond van artikel 125 van de Ambtenarenwet een rechtspositieregeling
                    voor hen vaststellen. De rechtspositie van de vrijwilligers bij de brandweer
                    wordt in dit hoofdstuk geregeld. De overige hoofdstukken van de CAR-UWO zijn
                    niet van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties (T)</tussenkop><al>In artikel 125 van de Ambtenarenwet wordt bepaald dat het bevoegd gezag van een
                    gemeente voorschriften vaststelt over de wijze waarop met de daarvoor in
                    aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt
                    gepleegd. Dit artikel is een uitwerking van die bepaling.</al><tussenkop>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst (T)</tussenkop><al>Een vrijwilliger kan in vaste of in tijdelijke dienst aangesteld worden. Een
                    tijdelijke aanstelling kan alleen bij wijze van proef, dus om te beoordelen of
                    de vrijwilliger goed functioneert en geschikt is voor de brandweerdienst. Een
                    aanstelling op proef ligt vooral voor de hand als de vrijwilliger nog in
                    opleiding is. De tijdelijke aanstelling wordt altijd aangegaan voor een van te
                    voren omschreven periode. Deze periode wordt vermeld in de aanstelling. Een
                    eerste tijdelijke aanstelling kan verleend worden voor ten hoogste twee jaren.
                    Uitgangspunt is dat in die periode bekeken wordt of de vrijwilliger in
                    aanmerking kan komen voor een vaste aanstelling, is dat niet het geval dan
                    eindigt het dienstverband. Na afloop van de eerste tijdelijke aanstelling kan er
                    ook nog onduidelijkheid zijn over het functioneren van de vrijwilliger;
                    bijvoorbeeld omdat de vrijwilliger lange tijd ziek is geweest. Daarom is het
                    mogelijk om in bijzondere situaties een tweede tijdelijke aanstelling te
                    verlenen. De maximale termijn voor een tijdelijke proefaanstelling is drie jaar
                    en er kunnen maximaal twee tijdelijke aanstellingen verleend worden.</al><tussenkop>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling (T)</tussenkop><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt een aantal eisen aan de vrijwilliger. Een
                    belangrijke voorwaarde is dat de vrijwilliger blijkens een geneeskundig
                    onderzoek in staat geacht kan worden de op te dragen werkzaamheden naar behoren
                    te verrichten. Dit betekent dat een vrijwilliger voordat hij aangesteld kan
                    worden een keuring moet ondergaan. Daarna wordt de vrijwilliger periodiek
                    gekeurd.</al><tussenkop>Artikel 19:9 Bevordering (T)</tussenkop><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt opleidingseisen aan de verschillende
                    rangen. Bevordering naar een volgende rang kan alleen plaatsvinden indien de
                    vrijwilliger het daarvoor benodigde diploma heeft behaald. Het is overigens niet
                    zo dat het behalen van een diploma recht geeft op bevordering; hierover beslist
                    het college. Dit artikel beoogt niet in te grijpen in lokale aanstellings- en
                    bevorderingsbesluiten.</al><tussenkop>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever (T)</tussenkop><al>De meeste vrijwilligers hebben een baan in loondienst. Om als vrijwilliger goed
                    inzetbaar te zijn is het van belang dat de hoofdwerkgever medewerking hieraan
                    verleent. Het kan immers voorkomen dat een vrijwilliger onder werktijd
                    werkzaamheden voor de brandweer moet verrichten. Ook dienen zowel de gemeente
                    als de hoofdwerkgever bij het vaststellen van de werktijden rekening te houden
                    met de Arbeidstijdenwet; de werkzaamheden voor de brandweer worden namelijk
                    meegeteld als arbeidstijd in het kader van de Arbeidstijdenwet. De vrijwilliger
                    moet de gemeente informatie geven over zijn hoofdwerkgever die er, onder meer,
                    toe strekt dat de gemeente in contact kan komen met de hoofdwerkgever. De
                    vrijwilliger heeft daarnaast de plicht om zijn hoofdwerkgever te informeren over
                    een aantal praktische zaken die bij het vrijwilligerschap horen.</al><tussenkop>Artikel 19:13 Vergoeding (T)</tussenkop><al>Voor een zeer beperkte groep vrijwilligers geldt een aangepaste
                    vergoedingentabel. De aangepaste tabel geldt voor de zeer beperkte categorie
                    vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de
                    zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die
                    vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                    brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de
                    Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                    punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten
                    van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een
                    overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december
                    1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde
                    dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu
                    nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen
                    opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per
                    definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze aparte vergoedingentabel niet van
                    belang, maar geldt de reguliere vergoedingentabel.</al><tussenkop>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                    werkzaamheden (T)</tussenkop><al>In deze paragraaf worden de vergoedingen geregeld. De vergoeding valt uiteen in
                    een jaarvergoeding en een aantal vergoedingen per activiteit. De hoogte van de
                    vergoeding verschilt per functie en per activiteit. De onkostenvergoeding is
                    bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de vrijwilligers.</al><tussenkop>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                    hulpverlening (T) </tussenkop><al>De onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de
                    vrijwilligers. </al><tussenkop>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid (T)</tussenkop><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is bedoeld voor activiteiten die een
                    groot tijdsbeslag leggen op de agenda van de vrijwilliger of waarvoor de
                    vrijwilliger verlof moet opnemen in zijn hoofdbetrekking. Als voorbeeld kan
                    dienen het deelnemen aan oefeningen in het buitenland; dit neemt vaak meerdere
                    dagen in beslag. Als de vrijwilliger recht heeft op de langdurigheidstoeslag
                    komt deze in de plaats van de vergoeding uit kolom twee, de vergoeding voor
                    oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden. De vrijwilliger ontvangt een
                    vergoeding voor langdurige aanwezigheid wanneer hij vijf uur of langer ingezet
                    wordt. De vergoeding geldt voor alle uren van de inzet; duurt de inzet
                    bijvoorbeeld zes uur dan ontvangt de vrijwilliger over alle zes uren de
                    vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt alleen verstrekt
                    over die uren waarin daadwerkelijk geoefend wordt of een cursus gevolgd wordt;
                    de reistijd bijvoorbeeld telt dus niet mee voor de berekening van de vijf uren
                    en over deze tijd wordt ook geen vergoeding verstrekt. De vergoeding voor
                    langdurige aanwezigheid is evenmin bedoeld als vergoeding voor
                    kazerneringsdiensten. Wanneer een gemeente werkt met kazerneringsdiensten voor
                    vrijwilligers dan moet hiervoor op grond van artikel 19:19 lokaal een
                    vergoedingsregeling vastgesteld worden.</al><tussenkop>Artikel 19:18 Consignatievergoeding (T)</tussenkop><al>Deze vergoeding wordt alleen verstrekt wanneer een vrijwilliger zich buiten de
                    kazerne ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden.</al><tussenkop>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst (T)</tussenkop><al>LOGA-partijen hebben in het onderhandelingsakkoord over de vrijwilligers bij de
                    brandweer, d.d. 15 mei 2009, afgesproken dat onderzoek verricht zal worden naar
                    de in het land gebruikte bedrijfsvoeringsmodellen voor de inzet van
                    brandweervrijwilligers. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek
                    treden LOGA-partijen opnieuw met elkaar in overleg over de rechtspositie van de
                    vrijwilliger. De mogelijkheid om lokaal een regeling te treffen over vergoeding
                    van kazerneringsdiensten is daardoor van tijdelijke aard.</al><tussenkop>Artikel 19:22 Gratificatie (T)</tussenkop><al>Het toekennen van een gratificatie is alleen mogelijk als hiertoe lokaal een
                    regeling is opgesteld. Deze regeling moet specifiek betrekking hebben op
                    vrijwilligers bij de brandweer. De lokale regeling over gratificaties en andere
                    vormen van flexibele beloning is niet van toepassing op de vrijwilligers.</al><tussenkop>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen (T)</tussenkop><al>Artikel 4a:3 van de CAR-UWO maakt het mogelijk om een lokale regeling te treffen
                    met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Als een gemeente een dergelijke
                    regeling heeft dan mag de vrijwilliger hier ook gebruik van maken. Of de
                    vrijwilliger ook daadwerkelijk fiscaal voordeel geniet hangt van individuele
                    factoren en of de vrijwilliger voldoet aan de eisen die de fiscus stelt aan
                    gebruikmaking van de regeling. Het openstellen van deze regelingen voor
                    vrijwilligers betekent dus niet automatisch dat de vrijwilliger hier ook gebruik
                    van kan maken. De voorwaarden die in de lokale regeling gesteld zijn ten aanzien
                    van deelname zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwilliger. Biedt de
                    lokale regeling ook andere aanspraken dan alleen de mogelijkheid van
                    gebruikmaking van fiscaal gunstige voorzieningen, dan zijn deze andere
                    aanspraken niet van toepassing op de vrijwilliger. Dit artikel voorziet enkel in
                    de mogelijkheid om de vrijwilliger de mogelijkheid te geven om binnen de fiscale
                    randvoorwaarden gebruik te maken van fiscaal gunstige regelingen.</al><tussenkop>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering (T)</tussenkop><al>Het college is verplicht om een ongevallenverzekering voor de vrijwilliger af te
                    sluiten. Deze verzekering voorziet in een financiële uitkering wanneer de
                    vrijwilliger overlijdt of tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt raakt als
                    gevolg van een ongeval tijdens de brandweerdienst. Een goede
                    informatievoorziening over de inhoud van de verzekering is van groot belang;
                    daarom heeft de werkgever de plicht om de vrijwilliger bij indiensttreding te
                    informeren en relevante wijzigingen te melden.</al><tussenkop>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten (T)</tussenkop><al>De medische kosten van een vrijwilliger zullen grotendeels vergoed worden door
                    de zorgverzekeraar. Een deel van de kosten kan echter voor rekening blijven van
                    de vrijwilliger; de ongevallen verzekering biedt hiervoor een voorziening.</al><tussenkop>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers (T)</tussenkop><al>De gevolgen van een dienstongeval zijn voor vrijwilligers die zelfstandig
                    ondernemer zijn vaak groter dan voor vrijwilligers in loondienst. De
                    vrijwilliger in loondienst heeft vanuit zijn hoofdbetrekking immers recht op
                    loondoorbetaling gedurende twee jaar. Voor de zelfstandig ondernemer is dit
                    afhankelijk van de verzekering die hij zelf tegen arbeidsongeschiktheid heeft
                    afgesloten. Om die reden geven LOGA-partijen gemeenten het advies om een
                    aanvullende verzekering af te sluiten. Deze aanvullende verzekering is echter
                    niet verplicht.</al><tussenkop>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting (T)</tussenkop><al>Als de vrijwilliger schade lijdt als gevolg van zijn werkzaamheden wordt dit in
                    onder voorwaarden vergoed door het college. Dit artikel beperkt zich tot de
                    schade aan kleding en uitrusting en schade aan het voertuig waarmee de
                    vrijwilliger een dienstreis maakt. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de
                    vrijwilliger voorafgaand toestemming nodig heeft van het college om bij een
                    dienstreis gebruik te maken van de eigen auto. Bij het bepalen van de hoogte van
                    de schadevergoeding mag de werkgever rekening houden met normale slijtage. Het
                    is niet de bedoeling dat de medewerker een onrechtvaardig voordeel geniet door
                    standaard de schade te vergoeden op basis van de nieuwwaarde van een goed.</al><tussenkop>Artikel 19:29 Zwangerschap (T)</tussenkop><al>De werkgever is wettelijk verplicht om ervoor te zorgen dat een vrouw veilig en
                    gezond kan werken tijdens de zwangerschap; hierover zijn regels vastgelegd in
                    wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden en arbeidstijden. De eisen die
                    aan de werkgever gesteld worden, in combinatie met de aard van het brandweerwerk
                    zijn van dien aard dat ervoor gekozen is om zwangere vrouwen en vrouwen die
                    borstvoeding geven uit de repressieve brandweerdienst te halen. Dit geldt ook
                    voor vrouwen die korter dan zes maanden geleden zijn bevallen. Deelname aan
                    brandweeroefeningen is alleen toegestaan nadat voorafgaand overleg is geweest
                    met de bedrijfsarts en toestemming verleend is. Om deze regeling goed uit te
                    kunnen voeren is het belangrijk dat een vrouwelijke vrijwilliger in een zo vroeg
                    mogelijk stadium haar zwangerschap meldt.</al><tussenkop>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger (T)</tussenkop><al>De organisatie van de vrijwillige brandweer verschilt per korps. Veel korpsen
                    werken met het vrije instroomprofiel, anderen werken met consignatie- of
                    kazerneringsdiensten voor vrijwilligers. In alle gevallen is het van belang dat
                    de vrijwilliger voldoende beschikbaar is voor de brandweerdienst en dat de
                    korpsleiding ervan op de hoogte is wie wel en wie niet beschikbaar is.</al><tussenkop>Artikel 19:31 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Dit artikel legt een verband met de plichten die een vrijwilliger heeft op grond
                    van zijn aanstelling. Het biedt de grondslag om een disciplinaire maatregel op
                    te leggen wegens plichtsverzuim.</al><tussenkop>Artikel 19:32 Eed of belofte (T)</tussenkop><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Dit is een van de
                    middelen om bewuster om te gaan met integriteit.</al><tussenkop>Artikel 19:33 Verboden (T)</tussenkop><al>Overtreding van deze artikelen levert plichtsverzuim op; dit kan leiden tot een
                    disciplinaire straf. Bij persoonlijk gebruik van goederen van de gemeente kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan het gebruik van een brandweervoertuig voor een
                    privéverhuizing.</al><tussenkop>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig (T)</tussenkop><al>Gebruik van de eigen auto voor dienstreizen is alleen toegestaan wanneer het
                    college daarvoor toestemming heeft verleend. Indien de vrijwilliger zonder
                    toestemming van het college toch de eigen auto gebruikt dan zal ingeval van
                    eventuele schade het college niet gehouden zijn tot vergoeding daarvan. Het al
                    dan niet verlenen van toestemming is niet van invloed op de aansprakelijkheid
                    van het college jegens derden ex artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek. Dit
                    artikel stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die aan een derde
                    wordt toegebracht door één van de werknemers.</al><tussenkop>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift (T)</tussenkop><al>Vrijwilligers dragen dezelfde uniformen en onderscheidingstekenen als de
                    beroepsbrandweerlieden. De bij de rangen behorende onderscheidingstekenen zijn
                    te vinden in de Regeling uniformkleding en onderscheidingstekenen
                    rijksbrandweerpersoneel. Grondslag voor deze regeling is Artikel 65, eerste lid,
                    Algemeen Rijksambtenarenreglement. Hierin staat dat de ambtenaar verplicht is de
                    dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze
                    Minister is voorgeschreven.</al><tussenkop>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen (T)</tussenkop><al>Tijdens de periode van schorsing als disciplinaire straf wordt als regel de
                    vergoeding ingehouden. Het gaat hier om zowel de vaste als de variabele
                    vergoeding.</al><tussenkop>Algemeen (T)</tussenkop><al>In dit hoofdstuk is de aanstellingskeuring en de periodieke medische keuring
                    voor repressief brandweerpersoneel geregeld.</al><tussenkop>Artikel 19a:1 Algemeen (T)</tussenkop><al>Omdat het werk in repressieve dienst bijzondere eisen stelt aan de medische
                    geschiktheid van de medewerker en gevaren met zich mee kan brengen voor de
                    medewerker zelf en voor derden die zijn betrokken bij zijn werkzaamheden, wordt
                    de medewerker in repressieve dienst onderworpen aan een aanstellingskeuring en
                    een periodiek medische keuring. De keuringen zijn verplicht voor medewerkers
                    (beroeps en vrijwilligers) in een functie van manschap a en b of bevelvoerder
                    zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. Het college heeft de
                    mogelijkheid andere functies aan te wijzen waarvoor de aanstellingskeuring en
                    periodieke medische keuring wordt verplicht. Uitgangspunt hierbij moet wel zijn
                    dat het uitoefenen van de functie belastend is voor de gezondheid van de
                    medewerker, danwel risico’s voor derden met zich meebrengt. Hierbij dient de Wet
                    op de medische keuringen in acht te worden genomen.</al><tussenkop>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring (T)</tussenkop><al>Al het brandweerpersoneel dat in dienst treedt in een functie van manschap A en
                    B of bevelvoerder moet gekeurd worden. Dit zijn de functies binnen de brandweer
                    waarbij aan medewerkers bijzondere eisen aan de medische geschiktheid worden
                    gesteld. Dit geldt zowel voor beroepspersoneel als voor vrijwilligers. Lokaal
                    kan worden vastgesteld bij welke andere functies ook gekeurd moet worden.</al><al>Hierbij moet rekening worden gehouden met de Wet op de medische keuringen. Deze
                    staat een aanstellingskeuring alleen toe als aan de vervulling van de functie,
                    waarop de aanstelling betrekking heeft, bijzondere eisen op het punt van de
                    medische geschiktheid moeten worden gesteld. Onder medische geschiktheid voor de
                    functie wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en veiligheid van degene
                    die gekeurd wordt en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende
                    arbeid.</al><al>De inhoud van de aanstellingskeuring is vastgelegd in bijlage VIIa van de CAR.
                    Deze aanstellingskeuring is in opdracht van het LOGA door het Coronel instituut
                    ontwikkeld.</al><tussenkop>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Vanwege bescherming van de gezondheid en veiligheid van de brandweermedewerker
                    en vanwege de bescherming van de gezondheid en veiligheid van derden bij de
                    uitvoering van de arbeid is het noodzakelijk om de medische geschiktheid van de
                    medewerker ook na aanstelling te blijven toetsen. Daarom zijn regels gesteld
                    over het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). Uit het PPMO volgt een
                    oordeel over de medische geschiktheid van de medewerker voor de uitoefening van
                    zijn functie. Het PPMO geeft daarnaast een prognose over de belastbaarheid van
                    de medewerker in de nabije toekomst. Het LOGA heeft een model gemaakt over het
                    rechtspositioneel kader bij de keuringen. Hierin staan de rechten en plichten
                    van de werkgever en de medewerker bij de keuring. Dit model is onder meer te
                    vinden op vng.nl.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De inhoud van het PPMO is ontwikkeld door het Coronel Instituut in samenwerking
                    met de sociale partners en mensen uit de brandweerbranche. Het PPMO geeft
                    inzicht in de ontwikkeling van de belastbaarheid. Met de keuring is beoogd in te
                    schatten of de medewerker voldoet aan de bijzondere eisen aan medische
                    geschiktheid die de functie vereist. Dit ter bescherming van de gezondheid van
                    de medewerker en ter bescherming van derden die betrokken zijn bij het werk van
                    de medewerkers. Als uit het PPMO blijkt dat de medewerker nu of op termijn zijn
                    werkzaamheden niet meer kan uitvoeren dan ondernemen de werkgever en de
                    medewerker gezamenlijk actie. Doel hierbij is de medewerker klaar te stomen voor
                    een andere functie. Het LOGA zal in overleg met de NVBR een handreiking maken
                    over hoe omgegaan kan worden met keuringresultaten en welke stappen er genomen
                    kunnen worden. Naar verwachting is deze handreiking in het voorjaar van 2011
                    gereed.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>De frequentie van het PPMO is gekoppeld aan de leeftijd van de medewerker. Bij
                    indiensttreding wordt het PPMO afgenomen als nulmeting. Vervolgens wordt iedere
                    medewerker die jonger is dan 40 jaar eenmaal per 4 jaar getest. Medewerkers
                    tussen de 40 en 50 jaar, eens per twee jaar en medewerkers ouder dan 50 worden
                    ieder jaar getest. Met deze frequentie is aangesloten bij het oude besluit
                    brandweerpersoneel en dus bij de frequenties van de oude medische testen.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Oefenen is ook onderdeel van de taken van een medewerker. Bij de beoordeling van
                    welke taken de medewerker wordt vrijgesteld moet dus ook worden vastgesteld in
                    hoeverre de medewerker nog kan meedoen aan de oefening.</al><tussenkop>Artikel 19a:4 Fysieke test (T)</tussenkop><al>De functie van manschap a en b en bevelvoerder stelt bijzondere eisen aan de
                    fysieke conditie van de medewerker. Jaarlijks wordt de fysieke conditie daarom
                    getoetst. De functiespecifieke test van het PPMO kan hiervoor gebruikt
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 19b:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>Alle genoemde functies, zonder onderscheid in junior of senior, behoren tot de
                    doelgroep van dit hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 19b:2 Begripsbepaling (T)</tussenkop><al>Een instelling kan zowel kunsteducatie aanbieden als ondersteuning hierbij
                    leveren. Ook een combinatie van het aanbieden en het leveren van ondersteuning
                    is mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De werkgever moet een regeling vaststellen waarin per discipline de verhouding
                    wordt vastgesteld van de verschillende soorten werkzaamheden binnen lesgebonden
                    en niet-lesgebonden uren. Het sjabloon, opgenomen in bijlage IVa, waarin de
                    werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren worden opgesomd, is
                    het handvat voor de lokale regeling. Aan de hand van kenmerken van de instelling
                    en de discipline worden onderdelen uit het sjabloon opgenomen in de lokale
                    regeling.</al><al>Zo zal in instellingen die uit meerdere vestigingen bestaan de reistijd die
                    nodig is om tussen de verschillende vestigingen te reizen van invloed zijn op de
                    verhouding lesgebonden en niet-lesgebonden uren. Wanneer bepaalde werkzaamheden
                    worden verricht op verschillende locaties zullen meer niet-lesgebonden uren
                    nodig zijn dan wanneer dezelfde werkzaamheden op één locatie worden
                    uitgevoerd.</al><al>In de regeling kan per discipline een afwijking op de verhouding lesgebonden
                    versus niet-lesgebonden uren worden opgenomen. De voorwaarden voor deze
                    afwijking, die ook in de regeling zijn opgenomen, bepalen welke verhouding voor
                    de individuele ambtenaar geldt.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Voor de discipline gitaardocent is in de lokale
                    regeling vastgelegd dat de standaardverhouding X% lesgebonden uren en Y%
                    niet-lesgebonden uren is. Als afwijking is in de regeling opgenomen dat een
                    gitaardocent met minder dan 3 jaar ervaring 5% meer niet-lesgebonden uren krijgt
                    voor de voorbereiding van lessen. Voor hem geldt dan een verhouding van X – 5%
                    lesgebonden uren en Y + 5% niet-lesgebonden uren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het college stelt de regeling vast. Maar het college doet dat niet voordat er
                    via open en reëel overleg overeenstemming over is bereikt tussen de werkgever en
                    de OR. Wanneer een van de partijen vindt dat het overleg over deze lokale
                    regeling niet juist heeft plaatsgevonden, legt het college de regeling op basis
                    van de WOR ter instemming voor aan de OR.</al><tussenkop>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De uitloopbedragen gelden voor alle ambtenaren in de kunsteducatie en zijn erop
                    gericht om wat langer financieel perspectief te bieden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>De heer Van de Wel heeft op 1 augustus 2009 zijn
                    periodieke verhoging gehad naar periodiek 15 van schaal 8 (dit is de
                    maximumperiodiek). De eerstvolgende verhoging naar uitloopbedrag 1 van schaal 8
                    vindt pas na 2 jaar plaats: per 1 augustus 2011.</al><tussenkop>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Het werken op onregelmatige tijden (de tijden buiten de reguliere kantoortijden)
                    is gebruikelijk in de kunsteducatie. Voor het werken op zondag wordt een toelage
                    onregelmatige dienst verstrekt.</al><al><vet>Lid 2 en 4</vet></al><al>Hoofdregel is dat de compensatie voor het werken op zondag wordt verstrekt in de
                    vorm van extra vrije tijd. Mochten zowel het college als de ambtenaar dat wensen
                    dan kan de compensatie ook in geld in plaats van vrije tijd worden
                    verleend.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De extra vrije tijd die de ambtenaar krijgt voor het werken op zondag, wordt
                    niet, zoals bij vakantie-uren het geval is, ingeroosterd in de verplicht vrije
                    periode conform artikel 19b:11, lid 1. Deze extra vrije tijd wordt op verzoek
                    van de ambtenaar verleend. Dit verzoek dient te worden getoetst aan de algemene
                    regels over de duur van de vakantie van artikel 6:2:1, eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 19b:10 t/m 19b:15 Algemene toelichting op paragraaf 3
                    (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die onder de werking van dit hoofdstuk vallen, hebben meer vrij dan
                    een reguliere gemeenteambtenaar. Dit resulteert in een lager aantal te werken
                    uur per jaar. Een reguliere ambtenaar werkt 1.677,6 uur per jaar op basis van
                    een fulltime dienstverband (1.836 uur -/- 158,4 vakantie-uren). Een ambtenaar
                    die onder de werking van dit hoofdstuk valt, werkt 1656 uur per jaar.</al><al>Deze 1656 uur per jaar komen als volgt tot stand:</al><lijst><li nr="-"><al>een volledig dienstverband bedraagt 1836 uur per jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van het standaard aantal vakantie-uren van 158,4 uur per
                            jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van extra vakantie-uren van 21,6 uur per jaar. Hier wordt
                            gefaseerd naar toe gewerkt (zie artikel 19b:13).</al></li></lijst><al>De extra vakantie-uren van 21,6 uur per jaar worden toegekend omdat cursorisch
                    onderwijs in de sector met zich meebrengt dat het onderwijzend personeel
                    beperkter is in de vakantieopname dan reguliere gemeenteambtenaren.</al><al>Voorwaarde voor het krijgen van deze extra vakantie-uren is dat voor de
                    ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al>een deel van het jaar is aangemerkt als verplichte vakantieperiode,
                            of</al></li><li nr="-"><al>een deel van het jaar geen vakantie kan worden opgenomen door toewijzing
                            van lessen/cursussen. Deze 21,6 uur geldt voor fulltimers. Voor
                            parttimers is dat naar rato. Wanneer een ambtenaar voldoet aan
                            bovenstaande voorwaarden is de totale hoeveelheid vakantieverlof 180 uur
                            per jaar (158,4 + 21,6).</al></li></lijst><al>Hoewel kortdurend cursorisch onderwijs in opkomst is, komt langlopend cursorisch
                    onderwijs nog steeds erg veel voor. Bij het vaststellen van de perioden voor
                    langlopend cursorisch onderwijs houdt de werkgever rekening met 12 lokale
                    schoolvakantieweken, waarvan de ambtenaar zich gedurende 1 week beschikbaar moet
                    houden voor werkzaamheden van organisatorische aard. Onderwijzend personeel
                    heeft daarom vakantie in de perioden dat er geen cursorisch onderwijs is
                    ingepland. Dit betekent dat onderwijzend personeel verplicht vrij is in de 12
                    lokaal vastgestelde vakantieweken.</al><al>Hiervan kan worden afgeweken:</al><lijst><li nr="-"><al>met instemming van de ondernemingsraad of</al></li><li nr="-"><al>na overeenstemming daarover tussen de werkgever en de individuele
                            ambtenaar.</al></li></lijst><al>De te werken uren moeten worden verdeeld over het jaar, afhankelijk van het
                    aantal verplicht vrije weken, dat lokaal is vastgesteld. Hieronder wordt in een
                    aantal voorbeelden toegelicht hoe de feitelijke arbeidsduur per week bepaald
                    wordt. Overigens hoeft de instelling niet voor alle ambtenaren die werkzaam zijn
                    binnen de instelling dezelfde verdeling te hanteren. Het is mogelijk dat voor
                    een deel van het personeel alle vakantie-uren opgenomen moeten worden in de 12
                    verplichte vrije weken terwijl voor een ander deel van het personeel (een deel
                    van) de vakantie-uren vrij opneembaar zijn.</al><al>Hieronder volgt een aantal voorbeelden waarbij telkens:</al><lijst><li nr="-"><al>bij bullet 1 wordt aangegeven hoe men vanuit 1656 uur per jaar komt tot
                            het aantal te werken uren per dag en</al></li><li nr="-"><al>bij bullet 2 wordt aangegeven hoeveel uur verlof de ambtenaar
                            (rekentechnisch) opneemt per verlofdag. Dit is relevant te weten bij
                            samenloopsituaties van verplicht vrije perioden met bijvoorbeeld ziekte,
                            zwangerschaps- of bevallingsverlof en ouderschapsverlof.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 1: Een instelling hanteert 12 verplicht vrije weken. Er zijn dan:</al><lijst><li nr="-"><al>40 werkweken (52 – 12 verplicht vrije weken) met een feitelijke
                            arbeidsduur van 41,4 uur (1656 / 40) per week. Dit is 8,28 uur per
                            dag.</al></li><li nr="-"><al>12 weken verplicht vrij waarin de ambtenaar 180 (158,4 + 21,6) / 12 = 15
                            uur per week = 3 uur per dag verlof opneemt. Per verplicht vrije dag
                            worden dus 3 vakantie-uren ingeleverd.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 2: Een instelling hanteert 12 verplicht vrije weken, maar medewerkers
                    moeten 1 week hiervan werkzaamheden voor de instelling verrichten. Er zijn
                    dan:</al><lijst><li nr="-"><al>41 werkweken (52 – 11 verplicht vrije weken) met een feitelijke
                            arbeidsduur van 40,39 uur (1656 / 41) per week. Dit is 8,08 uur per
                            dag.</al></li><li nr="-"><al>11 weken verplicht vrij waarin de ambtenaar 180 (158,4 + 21,6) / 11 =
                            16,36 uur per week = 3,27 uur per dag verlof opneemt. Per verplicht
                            vrije dag worden dus 3,27 vakantie-uren ingeleverd.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 3 (bij artikel 19b:10 lid 2): Een instelling kiest met instemming van
                    de OR of in overeenstemming met de individuele ambtenaar voor een combinatie van
                    verplicht vrije periodes met vrij opneembare vakantie-uren. De instelling kiest
                    voor 1 week vrij opneembare vakantie en 6 verplicht vrije weken. Er zijn
                    dan:</al><lijst><li nr="-"><al>45 werkweken (52 – 7 vrije weken) met een feitelijke arbeidsduur van
                            36,8 uur (1656 / 45) per week. Dit is 7,36 uur per dag.</al></li><li nr="-"><al>6 weken verplicht vrij + 1 week vrij opneembaar vakantie waarin de
                            ambtenaar (180 (158,4 + 21,6) / 7 = 25,71 uur per week = 5,14 uur per
                            dag verlof opneemt. Per verplicht vrije dag en vrij opneembare dag
                            worden dus 5,14 vakantie-uren ingeleverd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De werkgever maakt zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 maanden na
                    ingang van het cursusjaar, een rooster van de in dat cursusjaar te werken
                    uren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als een geplande cursus niet doorgaat, moet de werkgever bekijken of een nieuw
                    rooster moet worden gemaakt. Op die manier wordt voorkomen dat een ambtenaar,
                    van wie een cursus niet doorgaat, aan het eind van een cursusjaar nog veel uren
                    extra moet werken om het voorgeschreven aantal te werken uren per jaar te
                    behalen.</al><tussenkop>Artikel 19b:13 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al>Afgesproken is dat het aantal daadwerkelijk te werken uren 1656 uur per jaar
                    bedraagt op basis van een volledig dienstverband. Deze 1656 uur komt als volgt
                    tot stand:</al><lijst><li nr="-"><al>een volledig dienstverband bedraagt 1836 uur per jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van het standaard vakantieverlof van 158,4 uur per jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van extra vakantieverlof van 21,6 uur per jaar.</al></li></lijst><al>Omdat ambtenaren in veel instellingen tot 1 januari 2009 een lager aantal te
                    werken uren per jaar kennen is overgangsrecht overeengekomen. Het overgangsrecht
                    houdt in dat de ambtenaar vanaf 1 januari 2009 elk jaar 72 uur meer gaat werken
                    totdat men het te werken aantal uren van 1656 bereikt. Voor instellingen die
                    minder dan 72 uur van de 1656 uur af zitten, wordt het aantal te werken uren
                    verhoogd tot 1656 uur.</al><al>Voorbeeld: In instelling A werkt het onderwijzend personeel momenteel na aftrek
                    van het standaard aantal vakantie-uren 1440 uren per jaar. De werkgever van deze
                    instelling werkt in stappen van 72 uur per jaar toe naar 1656 werkuren per
                    jaar:</al><lijst><li nr="-"><al>per 1 januari 2009: 1440 + 72 = 1512 uur per jaar werken;</al></li><li nr="-"><al>per 1 januari 2010: 1512 + 72 = 1584 uur per jaar werken;</al></li><li nr="-"><al>per 1 januari 2011: 1584 + 72 = 1656 uur per jaar werken.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien tijdens de overgangsfase nieuwe ambtenaren worden aangesteld, geldt voor
                    deze nieuwe ambtenaren het aantal te werken uur zoals op dat moment geldt voor
                    de al in dienst zijnde ambtenaren. Het aantal te werken uren van deze nieuwe
                    ambtenaren wordt vervolgens op gelijke wijze verhoogd als bij de in dienst
                    zijnde ambtenaren.</al><al>Voorbeeld: In instelling A (dezelfde instelling als in het vorige voorbeeld)
                    wordt op 1 januari 2010 een nieuwe ambtenaar aangesteld. Deze ambtenaar met een
                    volledig dienstverband werkt in 2010 1584 uur. Vanaf 1 januari 2011 werkt deze
                    ambtenaar 1656 uur per jaar.</al><tussenkop>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn
                    (T)</tussenkop><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al>Bij het verhogen van het aantal te werken uren per jaar geldt tot 2012 een
                    ontslagverbod als er te weinig werk voorhanden is om de meer te werken uren per
                    jaar in te vullen. Het ontslagverbod geldt alleen als de verhoging van het
                    aantal te werken uren uitsluitend oorzaak is voor overtolligheid. Ontslag op een
                    andere grond wel is geoorloofd.</al><tussenkop>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                    verplicht vrije periode (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Conform artikel 19b:11, eerste lid, kan een ambtenaar een verplicht vrije
                    periode worden opgelegd in bepaalde weken van het jaar. Die verplichte vrije
                    periode kan samenlopen met een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof.
                    Daarnaast wordt deze ambtenaar geacht in die verplicht vrije periode vakantie te
                    genieten. Omdat er slechts sprake kan zijn van één verlofvorm tegelijkertijd en
                    in dit geval zwangerschaps- en bevallingsverlof voorgaat op vakantie, geniet de
                    ambtenaar geen vakantie in die verplichte vrije periode. Dit artikel regelt dat
                    de ambtenaar bij deze samenloop een compensatie krijgt voor de niet genoten
                    vakantie-uren tot 144 uur (het geldende minimum volgens de uitspraak van het Hof
                    van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 6 april 2006 (C-124/05)). Het
                    aantal vakantie-uren dat gecompenseerd wordt, is afhankelijk van de feitelijke
                    arbeidsduur in de verplicht vrije periode (zie artikel 19b:10, lid 2 en de
                    toelichting op paragraaf 3).</al><al>Voorbeeld 1: Een fulltime ambtenaar gaat eind 2009 3 weken voorafgaand aan de
                    jaarwisseling met zwangerschaps- of bevallingsverlof. Haar verlof duurt tot en
                    met week 13 van 2010.</al><al>De instelling werkt met 12 verplicht vrije weken per jaar, waarvan</al><lijst><li nr="-"><al>de laatste week van 2009 vrij is in verband met de kerstvakantie,</al></li><li nr="-"><al>de eerste anderhalve week (8 werkdagen) van 2010 vrij is in verband met
                            de kerstvakantie en</al></li><li nr="-"><al>week 8 van 2010 vrij is in verband met de voorjaarsvakantie.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van 12 verplicht vrije weken per jaar. Hierdoor zijn de 180
                    vakantie-uren verspreid over 12 weken, zijnde 60 (werk)dagen. Per (werk)dag in
                    de verplicht vrije periode genieten medewerkers dus 3 uur vakantie.</al><al><cursief>Berekening 2009</cursief>In 2009 loopt de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof dus samen met 1 week verplicht vrij.</al><al>Betrokkene geniet 11 van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. In 11 verplicht vrije weken geniet betrokkene wel vakantie met
                    een totale omvang van 11 x 5 x 3 = 165 uren. Omdat dit aantal hoger is dan 144
                    uur per jaar, krijgt betrokkene in 2009 geen compensatie.</al><al><cursief>Berekening 2010</cursief>In 2010 loopt de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof dus samen met 2 en een halve week (13 werkdagen) verplicht
                    vrij.</al><al>Betrokkene geniet op 13 werkdagen van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof. In 9 weken en 2 dagen verplicht vrij geniet betrokkene wel
                    vakantie met een totale omvang van (9 x 5 + 2) x 3 = 141 uren. Het aantal
                    vakantie-uren dat gecompenseerd wordt is daarom gelijk aan 144 – 141 = 3
                    uur.</al><al>Voorbeeld 2:Een fulltime ambtenaar is zwanger in 2013. Voor haar zijn 12
                    verplicht vrije weken vastgesteld. De periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof loopt samen met 5 weken verplicht vrij in de zomer.</al><al>De 180 vakantie-uren zijn verspreid over 12 weken, zijnde 60 (werk)dagen. Per
                    (werk)dag in de verplicht vrije periode geniet men dus 3 uur vakantie.</al><al>Betrokkene geniet 5 van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. In 7 verplicht vrije weken geniet betrokkene wel vakantie met
                    een totale omvang van 7 x 5 x 3 = 105 uren. Het aantal vakantie-uren dat
                    gecompenseerd wordt is daarom gelijk aan 144 – 105 = 39 uur.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De vakantie-uren die de ambtenaar gecompenseerd krijgt, worden niet, zoals bij
                    de normale vakantie-uren het geval is, ingeroosterd in de verplicht vrije
                    periode conform artikel 19b:11, lid 1. De gecompenseerde vakantie-uren worden op
                    verzoek van de ambtenaar verleend. Dit verzoek dient te worden getoetst aan de
                    algemene regels over de duur van de vakantie van artikel 6:2:1, eerste lid.</al><al>Voorbeeld: De ambtenaar uit het voorbeeld bij het eerste lid krijgt 39 uur
                    gecompenseerd. Omdat deze ambtenaar in de te werken weken een arbeidsduur heeft
                    van 41,4 uur per week, kan deze ambtenaar 39 / 41,4 uur = 0,94 weken vakantie
                    opnemen. </al><al>NOTA BENE: Samenloop ziekte met een verplicht vrije periode Bij samenloop tussen
                    een verplicht vrije periode en ziekte geldt dezelfde uitvoering als hiervoor is
                    aangegeven, echter zonder het maximum van 144 uur. De ambtenaar krijgt dus alle
                    wegens ziekte niet genoten vakantie-uren gecompenseerd. Dit is gelijk aan de
                    regeling voor de reguliere ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 19b:16 Toelichting paragraaf 4 (T)</tussenkop><al>Reorganisatieontslag kan verschillende redenen hebben. Een van de redenen is dat
                    uit de actie van het college als bedoeld in artikel 19b:16 blijkt dat er in het
                    lopende cursusjaar minder ambtenaren met een bepaalde functie nodig zijn voor
                    het aantal cursussen en overige werkzaamheden binnen de instelling dan de totale
                    aanstellingsomvang van deze ambtenaren met dezelfde functie. In dat geval kan
                    (deeltijd)ontslag worden aangezegd op grond van artikel 8:3. Een andere reden
                    kan zijn dat er door vermindering van subsidie minder arbeidsplaatsen mogelijk
                    zijn.</al><al>In deze paragraaf wordt geregeld welke rechten gelden bij
                    reorganisatieontslag.</al><tussenkop>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al>In navolging op de CAO-afspraak 2005-2007 voor reguliere gemeenteambtenaren zijn
                    partijen overeengekomen de vaststelling van de ontslagvolgorde bij
                    reorganisaties ook over te laten aan het lokale overleg.</al><al>Mocht het lokale overleg nog niet tot een ontslagvolgorde zijn gekomen voor
                    ambtenaren in de instelling, dan geldt een ontslagvolgorde die achtereenvolgens
                    uitgaat van de drie genoemde criteria.</al><al>Onderdeel c Het afspiegelingsbeginsel in combinatie met het
                    anciënniteitsbeginsel houdt in dat medewerkers die het kortst in dienst zijn per
                    leeftijdsgroep het eerst voor ontslag in aanmerking komen. Bij het bepalen van
                    het aantal medewerkers dat per leeftijdsgroep voor ontslag in aanmerking wordt
                    gebracht, wordt getracht om de onderlinge verhouding van het aantal medewerkers
                    in elk van de leeftijdsgroepen gelijk te houden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het achtereenvolgens hanteren van de in lid 2 genoemde criteria kan in sommige
                    gevallen onredelijk zijn. In uitzonderlijke gevallen kan het college afwijken
                    van deze ontslagvolgorde. Dit is het geval als een bepaalde ambtenaar beschikt
                    over zodanige kennis of bekwaamheden, dat zijn ontslag voor het functioneren van
                    de instelling bezwaarlijk is. Zo kan het college bijvoorbeeld beslissen dat een
                    pianoleraar die als tweede bevoegdheid harp heeft, niet ontslagen wordt ook al
                    komt hij voor ontslag in aanmerking bij toepassing van het
                    afspiegelingsbeginsel. De kwalificatie van deze docent, dat hij ook harplessen
                    kan geven, maakt hem uniek voor de instelling.</al><tussenkop>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                    formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
                    formele arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al>Dit artikel regelt de afwijkingen en de rechten voor onderwijzend personeel in
                    de kunstzinnige vorming in geval van reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur
                    of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft
                    van zijn formele arbeidsduur. De reden van de afwijking is dat LOGA-partijen
                    vinden dat de langdurige verplichtingen voor zowel werkgever als medewerker van
                    hoofdstuk 10d niet in verhouding staan tot het geringe verlies van arbeidsuren
                    voor de medewerker.</al><al>Daarom hebben LOGA-partijen besloten dat hoofdstuk 10d in zijn geheel niet van
                    toepassing is. Net als voor ambtenaren in de kunstzinnige vorming die voor 5 uur
                    of meer of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor de helft of
                    meer van hun oorspronkelijke arbeidsduur ontslagen worden, geldt voor deze
                    medewerkers bij ontslag op grond van artikel 8:3 de ontslagvolgorde uit het
                    vooraf vastgesteld plan. Zolang dat plan nog niet is opgesteld, geldt ook voor
                    hen de ontslagvolgorde die als vangnetbepaling in artikel 19b:17 is opgenomen. </al><al>Los van wat individueel wordt afgesproken, geldt voor deze ambtenaren een
                    opzegtermijn van 3 maanden, waarbinnen zorgvuldig onderzoek plaatsvindt om te
                    beoordelen of de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede
                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende
                    werkzaamheden op te dragen zijn. Ontslag kan ook plaatsvinden als de ambtenaar
                    deze werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al><al>Overigens kunnen ambtenaren met klein reorganisatieontslag als bedoeld in dit
                    artikel in plaats van de bovenwettelijke uitkeringen uit hoofdstuk 10d recht
                    hebben op de garantie-uitkering KV van artikel 19b:19<noot id="FN380568_1"><noot.al>Zie paragraaf 3.8.4</noot.al></noot>.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ontslagvolgorde uit het vooraf vastgesteld plan, of als dat nog niet bestaat,
                    de ontslagvolgorde uit artikel 19b:17 is van toepassing op de ambtenaar. Al het
                    andere uit het vooraf vastgesteld plan geldt voor deze ambtenaren niet, tenzij
                    voor deze ambtenaren op individueel niveau nadere afspraken worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Onderdeel a</al><al>Dit onderdeel heeft onder meer betrekking op het recht op een
                    werkloosheidsuitkering dat kan ontstaan indien de ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>minder dan 5 uren of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur,
                            minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur verliest en</al></li><li nr="-"><al>binnen 12 maanden wederom minder dan 5 uren of, bij een formele
                            arbeidsduur van minder dan 10 uur, minder dan de helft van zijn formele
                            arbeidsduur verliest</al></li></lijst><al>waardoor in die 12 maanden sprake is van een totaal verlies van minimaal 5 uren
                    of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, minimaal de helft van die
                    oorspronkelijke arbeidsduur. De ambtenaar moet wel zelf om de samentelling van
                    de uren verzoeken om een WW-uitkering te ontvangen. Dit is in aanvulling op de
                    Werkloosheidswet geregeld in het Besluit nadere regeling verlies van
                    arbeidsuren. In deze situatie ontstaat het recht op WW dus niet automatisch.
                    Indien het recht op een werkloosheidsuitkering kan ontstaan, dus als de
                    ambtenaar een verzoek om samentelling van zijn arbeidsurenverlies kan doen,
                    eindigt de garantie-uitkering. Dit betekent dat als de ambtenaar geen verzoek
                    indient voor een WW-uitkering, maar hij er wel recht op heeft, de
                    garantie-uitkering KV ook stopt.</al><tussenkop> Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters
                    (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen </vet></al><al> Met ingang van 1 januari 2016 wordt een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk
                    ingevoerd in de CAR UWO: hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter,
                    hetgeen betekent dat afwijkingen ten nadele of ten gunste van de ambtenaar niet
                    zijn toegestaan. Het nieuwe beloningshoofdstuk is van toepassing op
                    brandweerpersoneel. Ten behoeve van brandweerpersoneel in dienstroosters heeft
                    het LOGA, na overleg in het LOBA, twee uitzonderingen gemaakt op hoofdstuk 3
                    (zie het tweede lid) en een tweetal aanvullingen toegevoegd (zie het derde en
                    vierde lid). </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is geregeld dat de artikelen in hoofdstuk 3 die betrekking
                    hebben op de toelage onregelmatige dienst en de overwerkvergoeding niet van
                    toepassing zijn op brandweerpersoneel in dienstroosters. In plaats daarvan
                    blijven de lokale regels over de toelage onregelmatige dienst en de
                    overwerkvergoeding zoals die golden op 31 december 2015 van toepassing vanaf 1
                    januari 2016.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hoofstuk 3 biedt geen grondslag voor het verstrekken van een vergoeding vanwege
                    het verschuiven van een rooster. Voor brandweerpersoneel dat werkzaam is in een
                    dienstrooster geldt dat wanneer er op 31 december 2015 een lokale regeling gold
                    voor de verschuivingstoelage, deze regeling van toepassing blijft vanaf 1
                    januari 2016.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Hoofdstuk 3 biedt geen grondslag voor het verstrekken van functiegebonden
                    toelagen. In de praktijk komt het voor dat aan brandweerpersoneel in
                    dienstroosters een dergelijke vergoeding wordt verstrekt. Indien er op 31
                    december 2015 lokaal een regeling geldt die voorziet in een functiegebonden
                    toelage voor bijvoorbeeld een duikploegleider of een oefenbegeleider dan behoudt
                    deze lokale regeling zijn toepassing vanaf 1 januari 2016.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>In dit artikel staan de respectieve uitzonderingen en aanvullingen op hoofdstuk
                    3 voor brandweerpersoneel in dienstroosters. De lokale regels zoals die golden
                    op 31 december 2015 ten aanzien van de vergoeding voor overwerk en onregelmatige
                    dienst, de verschuivingstoelage en de functiegebonden toelage voor bijvoorbeeld
                    een duikploegleider of een oefenbegeleider blijven ook vanaf de datum van
                    inwerkingtreding van het nieuwe beloningshoofdstuk, 1 januari 2016, van kracht.
                    In het vijfde lid wordt geregeld dat de genoemde regelingen in het lokale
                    overleg aangepast kunnen worden. LOGA partijen hebben niet beoogd op centraal
                    niveau de inhoud van de lokale regelingen ‘vast te zetten’ en het lokale overleg
                    in de Veiligheidsregio’s de mogelijkheid te ontnemen de in dit artikel genoemde
                    lokale regelingen te wijzigen.</al><tussenkop>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling van
                    levenspartners aan echtgenoten van gehuwde ambtenaren. Artikel 21:1:1 bepaalt
                    onder welke voorwaarden een levenspartner van een ambtenaar gelijk wordt gesteld
                    aan een echtgeno(o)t(e). Het gaat daarbij om:</al><lijst><li nr="-"><al>de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde regelingen
                            met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>aanspraken op salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens
                                    militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>het verlof met behoud van salarisbetaling wegens persoonlijke of
                                    familieomstandigheden;</al></li><li nr="c"><al>de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij voor de
                                    toepassing van artikel 8:16:3 de levenspartner als gezinslid
                                    wordt aangemerkt;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de wachtgelder;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>het recht op een uitkering;</al></li><li nr="b"><al>de uitkering bij overlijden van betrokkene;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de verhuiskosten-, de
                            reiskosten- en de pensionkostenvergoeding;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de gewezen ambtenaar.</al></li></lijst><al>Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon verlof regelt
                    bij een huwelijk, kan er geen sprake zijn van het verlenen van buitengewoon
                    verlof bij het ondertekenen van een samenlevingscontract.</al><tussenkop>Hoofdstuk 22 Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 99 Bijlage IV (T)</tussenkop><al><vet>Artikel 1, sub a</vet> Onder docent wordt verstaan de beroepskracht die
                    cursussen en/of lessen geeft in de disciplines muziek, beeldende vorming, drama,
                    dans, audiovisuele vorming en taal. Als een beroepskracht behalve docent ook als
                    consulent aan een instelling voor kunstzinnige vorming is verbonden, verdient
                    het de voorkeur om hem/haar twee maal aan te stellen. </al><al><vet>Artikel 1, sub b</vet> Onder consulent wordt verstaan de beroepskracht die
                    een steunfunctie uitoefent op het gebied van muzikale, dansante, beeldende,
                    dramatische of audio-visuele vorming. In artikel 1 sub f staat het begrip
                    steunfunctie gedefinieerd. Als een beroepskracht behalve als consulent ook als
                    docent aan een instelling voor Kunstzinnige Vorming is verbonden, verdient het
                    de voorkeur om hem/haar twee maal aan te stellen. </al><al><vet>Artikel 3</vet>De algemene werkzaamheden omvatten onder andere: </al><lijst><li nr="1"><al> het bijwonen van docentenvergaderingen, sectievergaderingen of daarmee
                            vergelijkbare bijeenkomsten;</al></li><li nr="2"><al> het onderhouden van contacten met de directie ten behoeve van de
                            lessen/cursussen; </al></li><li nr="3"><al> het onderhouden van contacten met andere medewerkers ten behoeve van de
                            vereiste samenhang in de activiteiten van de instelling; </al></li><li nr="4"><al> het onderhouden van contacten met de (ouders van) leerlingen/cursisten
                            voor zover deze verband houden met de activiteiten van de instelling;
                        </al></li><li nr="5"><al> het ontwikkelen en verzorgen van materiaal ten behoeve van de
                            (voorbereiding van) de lessen/cursussen, </al></li><li nr="6"><al> het volgen van ontwikkelingen binnen het vakgebied en het deelnemen aan
                            her-, na-, of bijscholingscursussen/projecten in overleg met de
                            werkgever. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4</vet> Met ingang van het cursusjaar 1995/1996 is de arbeidsduur
                    voor de ambtenaar behorend tot het onderwijzend personeel gelijkgesteld met de
                    arbeidsduur voor de ambtenaar behorend tot het niet onderwijzend personeel. De
                    arbeidsduur bij een volledig dienstverband bedraagt met ingang van 1 januari
                    1997 ten hoogste 1836 uren per jaar, waarbij de formele arbeidsduur per week 36
                    uren bedraagt. De verhouding lesgebonden - niet lesgebonden uren bedraagt
                    maximaal 26 lesgebonden uren en voor de overige uren niet lesgebonden uren. Deze
                    verhouding komt overeen met de situatie van voor het cursusjaar 1995/1996
                    waarbij werd uitgegaan van een normaanstelling van 26 klokuren les. </al><al><vet>Artikel 6</vet> Aan de functie van docent/consulent/balletbegeleider is
                    inherent dat de omvang van de functie kan fluctueren. Immers het
                    leerlingenaantal fluctueert, projecten kunnen aflopen, de vervanging van een
                    collega kan eindigen etc. Daarom wordt jaarlijks uiterlijk in de 10e week van
                    het schooljaar schriftelijk aan de ambtenaar meegedeeld met welk gemiddeld
                    aantal uren hij gedurende dat schooljaar wordt belast Gedurende de rest van dat
                    schooljaar is (het inkomen behorend bij) dat aantal uren gegarandeerd. Indien
                    het aantal uren minder is dan het vorig schooljaar heeft de ambtenaar in elk
                    geval minstens recht op het volgens het reglement garantie gegarandeerde
                    salaris. Indien het aantal te verdelen lessen terugloopt moet een bepaalde
                    volgorde worden gehanteerd waarin de docenten voor urenvermindering in
                    aanmerking komen. Er moet een afvloeiingsreglement worden opgesteld in de
                    volgorde zoals in artikel 12 van deze regeling weergegeven. Een
                    modelafvloeiingsregeling wordt aan de gemeenten toegezonden. De term
                    afvloeiingsregeling dekt de lading niet helemaal. Een afvloeiingsregeling is
                    eigenlijk een urenvermindering- en afvloeiingsregeling. </al><al><vet>Artikel 7</vet> Dit artikel moet worden gezien in relatie met artikel 3. De
                    taken genoemd in (de toelichting van) artikel 3 horen bij de lesgevende taken.
                    Voor deze taken hoeven dus geen taakuren te worden toegekend. </al><al><vet>Artikel 8 lid 1</vet> De ambtenaar heeft recht op verlof gedurende
                    schoolvakanties. De schoolvakanties zijn de vakanties van de instelling. De
                    ambtenaar heeft geen recht op vervangend verlof als hij tijdens de vakantie ziek
                    is geweest, lid 2 Gedurende enkele dagen doch maximaal één week kan de ambtenaar
                    worden verplicht zich tijdens de vakantie beschikbaar te houden voor
                    werkzaamheden van schoolorganisatorische aard. lid 3 In bijzondere gevallen kan
                    de ambtenaar verzoeken om, onder omzetting van het werk, op een ander moment
                    vakantie te hebben dan tijdens de schoolvakantie. Burgemeester en wethouders
                    hebben de bevoegdheid dit verzoek in te willigen of af te wijzen. Het een en
                    ander hangt af van de reden van het verzoek en de mogelijkheid om het werk om te
                    zetten.</al><al><vet>Artikel 9</vet> Voor de lessen die de ambtenaar op grond van dit artikel
                    geeft heeft hij recht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsof
                    hij bevoegd was voor die lessen. </al><al><vet>Artikel 11 Lid 1</vet> Bij reorganisatie en wijziging van beleid doet men
                    er goed aan bij zo weinig mogelijk functies over te gaan tot urenvermindering.
                    Het is beter om een aantal functies op te heffen. Immers, een ambtenaar die
                    wordt ontslagen wegens urenvermindering heeft recht op wachtgeld. Voor de uren
                    waar men daarna voor wordt aangesteld is hij zijn opgebouwde
                    wachtgelddienstjaren kwijt. Lid 2 Dit lid geeft de volgorde aan voor diegenen
                    die als eerste in aanmerking komen voor urenvermindering (art. 6) en voor
                    ontslag (art. 10). Men dient bij de vaststelling van de rangorde uit te gaan van
                    deze volgorde. </al><tussenkop>Artikel 99: Bijlage IVa (T)</tussenkop><al>Deze uitvoeringsregeling geeft aan hoe onderwijzend personeel in de kunstzinnige
                    vorming ingeschaald moet worden. Het reglement omvat regels voor de inschaling
                    bij indiensttreding (artikel 3) en het doorlopen van de schaal. De inschaling
                    vindt plaats op grond van ervaring in dezelfde of een vergelijkbare functie
                    (artikel 2) Hierbij is ook opgenomen wat meetelt als ervaringsjaar. De
                    salarisschalen zijn opgebouwd uit een aanloop-, functie- en uitloopdeel Totdat
                    het maximum van het functiedeel is bereikt, heeft de ambtenaar jaarlijks
                    aanspraak op een periodieke verhoging. In het uitloopdeel vindt de periodieke
                    verhoging één (artikel 4). In de gevallen waar in deze uitvoeringsregeling niet
                    wordt voorzien, is de lokale bezoldigingsverordening van toepassing. De
                    uitvoeringsregeling salariëring vervangt op 1 januari 1998 het Reglement
                    bezoldiging docenten, consulenten, balletbegeleiders. In verband met de overgang
                    zijn in de uitvoeringsregeling overgangs-en garantiebepalingen opgenomen Voor de
                    toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar de Loga-brief nr 705097, d.d 4
                    september 1997 (18071984). </al></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><artikel><kop><titel>Bijlage I Salarisverhoging</titel></kop><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                        bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen
                        schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%,
                        behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke
                        zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995
                        werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen
                        of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996
                        een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De
                        grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995
                        genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering
                        wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is
                        getreden en in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder
                        dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                        personeel van zorginstellingen van toepassing. </al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van
                        het jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        2,25%.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,0%.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd
                        met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale bedrag met ƒ
                        250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een
                        minimaal bedrag van ƒ 650,-.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met 1,9%
                        met een maximum van ƒ 1.745,-.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar
                        1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ 400,- naar
                        ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd
                        met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van
                        € 511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3
                        %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5
                        %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt
                        verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd
                        van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de
                        eindejaarsuitkering het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                        verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van
                        € 611,- naar € 836,- bruto. </al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de
                        uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw
                        als indexatie. </al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6
                        %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                        procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in
                        de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen
                        die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente
                        ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van
                        0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de
                        medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de
                        factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee
                        eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De
                        eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en hebben geen invloed op de
                        hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en
                        werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a,
                        10d, 11 en 11a van de CAR). </al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en
                        wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit
                        resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.</al><al>Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking.
                        Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                        uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband
                        met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50
                        euro.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        3,0%.</al><al>Met ingang van 1 januari 2017 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,4%.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage II Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke
                            garantiesalarissen</titel></kop><tussenkop><vet>Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1
                            januari 2017</vet></tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al> Regelnummer </al></entry><entry colname="col2"><al> Garantieschalen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>3391</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>3515</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>3637</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>3748</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>3864</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>3985</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>4114</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>4239</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>4359</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al>4479</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53</al></entry><entry colname="col2"><al>4594</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>4837</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>4953</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61</al></entry><entry colname="col2"><al>5073</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>63</al></entry><entry colname="col2"><al>5209</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>67</al></entry><entry colname="col2"><al>5509</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>69</al></entry><entry colname="col2"><al>5660</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>73</al></entry><entry colname="col2"><al>5959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>6111</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>77</al></entry><entry colname="col2"><al>6283</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>79</al></entry><entry colname="col2"><al>6452</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>81</al></entry><entry colname="col2"><al>6622</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>83</al></entry><entry colname="col2"><al>6807</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>85</al></entry><entry colname="col2"><al>7005</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>87</al></entry><entry colname="col2"><al>7204</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>89</al></entry><entry colname="col2"><al>7405</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>91</al></entry><entry colname="col2"><al>7604</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>93</al></entry><entry colname="col2"><al>7803</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>95</al></entry><entry colname="col2"><al>8006</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IIa Salaristabel gemeenteambtenaren</titel></kop><tussenkop><vet>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari 2017, nieuwe
                            structuur*</vet></tussenkop><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1498</al></entry><entry colname="col3"><al>1533</al></entry><entry colname="col4"><al>1571</al></entry><entry colname="col5"><al>1616</al></entry><entry colname="col6"><al>1663</al></entry><entry colname="col7"><al>1773</al></entry><entry colname="col8"><al>1990</al></entry><entry colname="col9"><al>2277</al></entry><entry colname="col10"><al>2527</al></entry><entry colname="col11"><al>2726</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1533</al></entry><entry colname="col3"><al>1584</al></entry><entry colname="col4"><al>1636</al></entry><entry colname="col5"><al>1688</al></entry><entry colname="col6"><al>1743</al></entry><entry colname="col7"><al>1854</al></entry><entry colname="col8"><al>2073</al></entry><entry colname="col9"><al>2370</al></entry><entry colname="col10"><al>2635</al></entry><entry colname="col11"><al>2853</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1570</al></entry><entry colname="col3"><al>1636</al></entry><entry colname="col4"><al>1701</al></entry><entry colname="col5"><al>1791</al></entry><entry colname="col6"><al>1821</al></entry><entry colname="col7"><al>1935</al></entry><entry colname="col8"><al>2158</al></entry><entry colname="col9"><al>2462</al></entry><entry colname="col10"><al>2743</al></entry><entry colname="col11"><al>2979</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1607</al></entry><entry colname="col3"><al>1687</al></entry><entry colname="col4"><al>1766</al></entry><entry colname="col5"><al>1832</al></entry><entry colname="col6"><al>1901</al></entry><entry colname="col7"><al>2016</al></entry><entry colname="col8"><al>2241</al></entry><entry colname="col9"><al>2554</al></entry><entry colname="col10"><al>2850</al></entry><entry colname="col11"><al>3106</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1645</al></entry><entry colname="col3"><al>1739</al></entry><entry colname="col4"><al>1831</al></entry><entry colname="col5"><al>1904</al></entry><entry colname="col6"><al>1981</al></entry><entry colname="col7"><al>2097</al></entry><entry colname="col8"><al>2326</al></entry><entry colname="col9"><al>2646</al></entry><entry colname="col10"><al>2958</al></entry><entry colname="col11"><al>3233</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1682</al></entry><entry colname="col3"><al>1790</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1977</al></entry><entry colname="col6"><al>2059</al></entry><entry colname="col7"><al>2178</al></entry><entry colname="col8"><al>2409</al></entry><entry colname="col9"><al>2739</al></entry><entry colname="col10"><al>3066</al></entry><entry colname="col11"><al>3360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1720</al></entry><entry colname="col3"><al>1841</al></entry><entry colname="col4"><al>1960</al></entry><entry colname="col5"><al>2049</al></entry><entry colname="col6"><al>2139</al></entry><entry colname="col7"><al>2258</al></entry><entry colname="col8"><al>2493</al></entry><entry colname="col9"><al>2832</al></entry><entry colname="col10"><al>3174</al></entry><entry colname="col11"><al>3487</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1757</al></entry><entry colname="col3"><al>1892</al></entry><entry colname="col4"><al>2025</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2218</al></entry><entry colname="col7"><al>2339</al></entry><entry colname="col8"><al>2577</al></entry><entry colname="col9"><al>2924</al></entry><entry colname="col10"><al>3282</al></entry><entry colname="col11"><al>3614</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1795</al></entry><entry colname="col3"><al>1944</al></entry><entry colname="col4"><al>2090</al></entry><entry colname="col5"><al>2193</al></entry><entry colname="col6"><al>2297</al></entry><entry colname="col7"><al>2420</al></entry><entry colname="col8"><al>2661</al></entry><entry colname="col9"><al>3016</al></entry><entry colname="col10"><al>3389</al></entry><entry colname="col11"><al>3741</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1832</al></entry><entry colname="col3"><al>1995</al></entry><entry colname="col4"><al>2155</al></entry><entry colname="col5"><al>2265</al></entry><entry colname="col6"><al>2377</al></entry><entry colname="col7"><al>2501</al></entry><entry colname="col8"><al>2745</al></entry><entry colname="col9"><al>3108</al></entry><entry colname="col10"><al>3497</al></entry><entry colname="col11"><al>3868</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1870</al></entry><entry colname="col3"><al>2047</al></entry><entry colname="col4"><al>2220</al></entry><entry colname="col5"><al>2337</al></entry><entry colname="col6"><al>2456</al></entry><entry colname="col7"><al>2582</al></entry><entry colname="col8"><al>2829</al></entry><entry colname="col9"><al>3201</al></entry><entry colname="col10"><al>3604</al></entry><entry colname="col11"><al>3994</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1907</al></entry><entry colname="col3"><al>2098</al></entry><entry colname="col4"><al>2285</al></entry><entry colname="col5"><al>2409</al></entry><entry colname="col6"><al>2535</al></entry><entry colname="col7"><al>2662</al></entry><entry colname="col8"><al>2913</al></entry><entry colname="col9"><al>3293</al></entry><entry colname="col10"><al>3712</al></entry><entry colname="col11"><al>4121</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>3005</al></entry><entry colname="col3"><al>3266</al></entry><entry colname="col4"><al>3594</al></entry><entry colname="col5"><al>3923</al></entry><entry colname="col6"><al>4380</al></entry><entry colname="col7"><al>4653</al></entry><entry colname="col8"><al>5004</al></entry><entry colname="col9"><al>5358</al></entry><entry colname="col10"><al>5929</al></entry><entry colname="col11"><al>6572</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>3135</al></entry><entry colname="col3"><al>3401</al></entry><entry colname="col4"><al>3730</al></entry><entry colname="col5"><al>4058</al></entry><entry colname="col6"><al>4513</al></entry><entry colname="col7"><al>4813</al></entry><entry colname="col8"><al>5189</al></entry><entry colname="col9"><al>5573</al></entry><entry colname="col10"><al>6161</al></entry><entry colname="col11"><al>6822</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3265</al></entry><entry colname="col3"><al>3536</al></entry><entry colname="col4"><al>3865</al></entry><entry colname="col5"><al>4192</al></entry><entry colname="col6"><al>4645</al></entry><entry colname="col7"><al>4973</al></entry><entry colname="col8"><al>5374</al></entry><entry colname="col9"><al>5788</al></entry><entry colname="col10"><al>6396</al></entry><entry colname="col11"><al>7071</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3395</al></entry><entry colname="col3"><al>3671</al></entry><entry colname="col4"><al>3999</al></entry><entry colname="col5"><al>4325</al></entry><entry colname="col6"><al>4777</al></entry><entry colname="col7"><al>5133</al></entry><entry colname="col8"><al>5558</al></entry><entry colname="col9"><al>6004</al></entry><entry colname="col10"><al>6626</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3525</al></entry><entry colname="col3"><al>3806</al></entry><entry colname="col4"><al>4134</al></entry><entry colname="col5"><al>4457</al></entry><entry colname="col6"><al>4910</al></entry><entry colname="col7"><al>5293</al></entry><entry colname="col8"><al>5743</al></entry><entry colname="col9"><al>6219</al></entry><entry colname="col10"><al>6858</al></entry><entry colname="col11"><al>7570</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3655</al></entry><entry colname="col3"><al>3941</al></entry><entry colname="col4"><al>4266</al></entry><entry colname="col5"><al>4590</al></entry><entry colname="col6"><al>5042</al></entry><entry colname="col7"><al>5453</al></entry><entry colname="col8"><al>5828</al></entry><entry colname="col9"><al>6435</al></entry><entry colname="col10"><al>7090</al></entry><entry colname="col11"><al>7820</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3785</al></entry><entry colname="col3"><al>4076</al></entry><entry colname="col4"><al>4399</al></entry><entry colname="col5"><al>4722</al></entry><entry colname="col6"><al>5175</al></entry><entry colname="col7"><al>5613</al></entry><entry colname="col8"><al>6113</al></entry><entry colname="col9"><al>6650</al></entry><entry colname="col10"><al>7322</al></entry><entry colname="col11"><al>8070</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3915</al></entry><entry colname="col3"><al>4210</al></entry><entry colname="col4"><al>4531</al></entry><entry colname="col5"><al>4854</al></entry><entry colname="col6"><al>5307</al></entry><entry colname="col7"><al>5773</al></entry><entry colname="col8"><al>6298</al></entry><entry colname="col9"><al>6865</al></entry><entry colname="col10"><al>7555</al></entry><entry colname="col11"><al>8320</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>4045</al></entry><entry colname="col3"><al>4342</al></entry><entry colname="col4"><al>4664</al></entry><entry colname="col5"><al>4987</al></entry><entry colname="col6"><al>5440</al></entry><entry colname="col7"><al>5933</al></entry><entry colname="col8"><al>6483</al></entry><entry colname="col9"><al>7080</al></entry><entry colname="col10"><al>7787</al></entry><entry colname="col11"><al>8569</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>4174</al></entry><entry colname="col3"><al>4475</al></entry><entry colname="col4"><al>4796</al></entry><entry colname="col5"><al>5119</al></entry><entry colname="col6"><al>5572</al></entry><entry colname="col7"><al>6093</al></entry><entry colname="col8"><al>6668</al></entry><entry colname="col9"><al>7296</al></entry><entry colname="col10"><al>8019</al></entry><entry colname="col11"><al>8819</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>4302</al></entry><entry colname="col3"><al>4607</al></entry><entry colname="col4"><al>4928</al></entry><entry colname="col5"><al>5252</al></entry><entry colname="col6"><al>5704</al></entry><entry colname="col7"><al>6253</al></entry><entry colname="col8"><al>6853</al></entry><entry colname="col9"><al>7511</al></entry><entry colname="col10"><al>8251</al></entry><entry colname="col11"><al>9068</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4430</al></entry><entry colname="col3"><al>4740</al></entry><entry colname="col4"><al>5061</al></entry><entry colname="col5"><al>5384</al></entry><entry colname="col6"><al>5837</al></entry><entry colname="col7"><al>6413</al></entry><entry colname="col8"><al>7038</al></entry><entry colname="col9"><al>7726</al></entry><entry colname="col10"><al>8484</al></entry><entry colname="col11"><al>9318</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>*Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al><al>Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid
                        geldt een aparte schaal: <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="schaal A" type="tekst" id="i290056"></illustratie></plaatje>. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk aan het wettelijk
                        minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan 120% van het
                        wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="schaal A" type="tekst" id="i290057"></illustratie></plaatje> worden geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk
                        minimumloon en elk jaar op 1 januari vastgesteld door het LOGA en
                        gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer per 1 januari 2017</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> jaarvergoeding </al></entry><entry colname="col3"><al> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al> uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1. Aspirant manschap a </al></entry><entry colname="col2"><al>341</al></entry><entry colname="col3"><al>10,55</al></entry><entry colname="col4"><al>19,72</al></entry><entry colname="col5"><al>13,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                            Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                            stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>341</al></entry><entry colname="col3"><al>12,12</al></entry><entry colname="col4"><al>22,78</al></entry><entry colname="col5"><al>15,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                            manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties
                                            uit categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>341</al></entry><entry colname="col3"><al>13,44</al></entry><entry colname="col4"><al>25,21</al></entry><entry colname="col5"><al>16,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. Bevelvoerder </al></entry><entry colname="col2"><al>512</al></entry><entry colname="col3"><al>16,84</al></entry><entry colname="col4"><al>31,66</al></entry><entry colname="col5"><al>21,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5. Officier van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>4035</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>40,35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                            stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5794</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>57,94</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7. Commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8619</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>64,66</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IIc Gebruteerde Vergoedingsbedragen betreffende vrijwilligers
                            bij de gemeentelijke brandweer per 1 januari 2017</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> jaarvergoeding </al></entry><entry colname="col3"><al> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al> uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1. Aspirant manschap A </al></entry><entry colname="col2"><al>345</al></entry><entry colname="col3"><al>10,69</al></entry><entry colname="col4"><al>20,06</al></entry><entry colname="col5"><al>13,36</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                            Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                            stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>345</al></entry><entry colname="col3"><al>12,35</al></entry><entry colname="col4"><al>23,24</al></entry><entry colname="col5"><al>15,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                            manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties
                                            uit categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>345</al></entry><entry colname="col3"><al>13,68</al></entry><entry colname="col4"><al>25,61</al></entry><entry colname="col5"><al>17,09</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. Bevelvoerder </al></entry><entry colname="col2"><al>520</al></entry><entry colname="col3"><al>17,13</al></entry><entry colname="col4"><al>32,14</al></entry><entry colname="col5"><al>21,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5. Officier van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>4112</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>41,12</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                            stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5899</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>58,99</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7. Commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8781</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>65,81</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                        beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen
                        tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het
                        gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                        vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. </al><al>Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene
                        Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                        punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in
                        1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers
                        die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden
                        zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze
                        overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                        overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                        januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor
                        hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage III Hoorbepaling</titel></kop><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                        gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.</al><tussenkop><vet>Artikel 12:1</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                        plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
                        van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien
                        door het LOGA-overleg tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                        van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke
                        verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van
                        overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het vorige lid
                        bedoeld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                        voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen
                        een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal
                        zijn, vermeldt het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                        Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting
                        toegelaten. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de
                        organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde
                        termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                        bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van het
                        besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel besluit
                        van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                        organisaties. </al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IV Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 januari
                            2017</titel></kop><table><tgroup cols="7"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>ervaringsjaar/ periodiek</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>1800</al></entry><entry colname="col3"><al>1838</al></entry><entry colname="col4"><al>1876</al></entry><entry colname="col5"><al>1926</al></entry><entry colname="col6"><al>2182</al></entry><entry colname="col7"><al>2552</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>1926</al></entry><entry colname="col4"><al>1983</al></entry><entry colname="col5"><al>2051</al></entry><entry colname="col6"><al>2307</al></entry><entry colname="col7"><al>2671</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>2182</al></entry><entry colname="col6"><al>2429</al></entry><entry colname="col7"><al>2798</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1876</al></entry><entry colname="col3"><al>2051</al></entry><entry colname="col4"><al>2118</al></entry><entry colname="col5"><al>2307</al></entry><entry colname="col6"><al>2552</al></entry><entry colname="col7"><al>2865</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1926</al></entry><entry colname="col3"><al>2118</al></entry><entry colname="col4"><al>2182</al></entry><entry colname="col5"><al>2369</al></entry><entry colname="col6"><al>2613</al></entry><entry colname="col7"><al>2941</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1983</al></entry><entry colname="col3"><al>2182</al></entry><entry colname="col4"><al>2246</al></entry><entry colname="col5"><al>2429</al></entry><entry colname="col6"><al>2671</al></entry><entry colname="col7"><al>3011</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>2051</al></entry><entry colname="col3"><al>2246</al></entry><entry colname="col4"><al>2307</al></entry><entry colname="col5"><al>2489</al></entry><entry colname="col6"><al>2734</al></entry><entry colname="col7"><al>3071</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2118</al></entry><entry colname="col3"><al>2307</al></entry><entry colname="col4"><al>2369</al></entry><entry colname="col5"><al>2552</al></entry><entry colname="col6"><al>2798</al></entry><entry colname="col7"><al>3136</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2182</al></entry><entry colname="col3"><al>2369</al></entry><entry colname="col4"><al>2429</al></entry><entry colname="col5"><al>2613</al></entry><entry colname="col6"><al>2865</al></entry><entry colname="col7"><al>3203</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2246</al></entry><entry colname="col3"><al>2429</al></entry><entry colname="col4"><al>2489</al></entry><entry colname="col5"><al>2671</al></entry><entry colname="col6"><al>2941</al></entry><entry colname="col7"><al>3266</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>2307</al></entry><entry colname="col3"><al>2489</al></entry><entry colname="col4"><al>2552</al></entry><entry colname="col5"><al>2734</al></entry><entry colname="col6"><al>3011</al></entry><entry colname="col7"><al>3324</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>2369</al></entry><entry colname="col3"><al>2552</al></entry><entry colname="col4"><al>2613</al></entry><entry colname="col5"><al>2798</al></entry><entry colname="col6"><al>3071</al></entry><entry colname="col7"><al>3382</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>2429</al></entry><entry colname="col3"><al>2613</al></entry><entry colname="col4"><al>2671</al></entry><entry colname="col5"><al>2865</al></entry><entry colname="col6"><al>3136</al></entry><entry colname="col7"><al>3441</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>2489</al></entry><entry colname="col3"><al>2671</al></entry><entry colname="col4"><al>2734</al></entry><entry colname="col5"><al>2941</al></entry><entry colname="col6"><al>3203</al></entry><entry colname="col7"><al>3501</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>2734</al></entry><entry colname="col4"><al>2798</al></entry><entry colname="col5"><al>3011</al></entry><entry colname="col6"><al>3266</al></entry><entry colname="col7"><al>3567</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>2865</al></entry><entry colname="col5"><al>3071</al></entry><entry colname="col6"><al>3324</al></entry><entry colname="col7"><al>3631</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>2941</al></entry><entry colname="col5"><al>3136</al></entry><entry colname="col6"><al>3382</al></entry><entry colname="col7"><al>3691</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>3011</al></entry><entry colname="col5"><al>3203</al></entry><entry colname="col6"><al>3441</al></entry><entry colname="col7"><al>3748</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>3071</al></entry><entry colname="col5"><al>3266</al></entry><entry colname="col6"><al>3501</al></entry><entry colname="col7"><al>3804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>2613</al></entry><entry colname="col3"><al>2865</al></entry><entry colname="col4"><al>3203</al></entry><entry colname="col5"><al>3441</al></entry><entry colname="col6"><al>3631</al></entry><entry colname="col7"><al>3922</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>3011</al></entry><entry colname="col4"><al>3324</al></entry><entry colname="col5"><al>3631</al></entry><entry colname="col6"><al>3748</al></entry><entry colname="col7"><al>4045</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>3748</al></entry><entry colname="col6"><al>3865</al></entry><entry colname="col7"><al>4175</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel> Bijlage IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor
                            onderwijzend personeel in de kunsteducatie</titel></kop><lijst><li><al><vet>Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend
                                    personeel in de kunsteducatie</vet>LOGA-partijen vinden dat bij
                                de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren binnen de
                                aanstelling lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel 19b:5
                                vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin per
                                discipline de verhouding wordt vastgesteld van de verschillende
                                soorten werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren.
                                    <vet>Van een vaste verhouding naar een lokale regeling</vet>Tot
                                1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor
                                onderwijzend personeel een vaste maximale verhouding van 26
                                lesgebonden uren en 10 overige niet-lesgebonden uren. Per 1 januari
                                2009 wordt deze vaste maximale verhouding losgelaten. Reden daarvoor
                                is dat een centraal voorgeschreven verhouding geen recht kan doen
                                aan verschillen per discipline, per instelling of per onderwijzend
                                personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden op
                                deze specifieke kenmerken. <vet>Status sjabloon</vet>In dit sjabloon
                                worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In
                                een instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon
                                genoemde werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus
                                niet in de lokale regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook
                                worden vastgesteld dat er instellingsspecifieke werkzaamheden zijn
                                die niet in het sjabloon voorkomen, maar die wel in de lokale
                                regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is dus een handvat voor
                                de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden
                                met</al><lijst><li nr="-"><al>de ervaring van de ambtenaar,</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat de ambtenaar geeft en </al></li><li nr="-"><al>de discipline van de ambtenaar.</al></li></lijst><al><vet>Opbouw Sjabloon</vet>Schematisch is de opbouw van het sjabloon
                                als volgt: <plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto69" type="foto" id="i290058"></illustratie></plaatje><vet>Categorieën van werkzaamheden </vet>Dit sjabloon
                                onderscheidt als hoofdcategorieën:</al><lijst><li nr="1"><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2"><al>niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld
                                worden in drie subcategorieën: </al><lijst><li><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                                uren. </vet></cursief>Deze subcategorie
                                            <onderstreept>hangt direct samen met</onderstreept> de
                                        lesgebonden uren. </al></li><li><al><cursief><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></cursief>Deze
                                        subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.
                                    </al></li><li><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                        werkzaamheden</cursief></vet>Deze subcategorie staat los van
                                        het aantal lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt: </al><lijst><li nr="1"><al><vet>Lesgebonden uren in uren per
                                            schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet>Het gaat in deze
                                        categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op
                                        jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te
                                        voeren les- of cursuswerkzaamheden, al of niet te
                                        onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Type lessen/cursussen: individuele lessen,
                                                combinatielessen, groepslessen, klassikale
                                                lessen</al></li><li nr="-"><al>Homogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Heterogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Koren</al></li><li nr="-"><al>Orkesten</al></li><li nr="-"><al>Regulier onderwijs</al></li><li nr="-"><al>Speciaal onderwijs</al></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>Niet-lesgebonden uren in uren per
                                            schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet></al><lijst><li><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></cursief>Het gaat in deze
                                                subcategorie om de werkzaamheden van elke discipline
                                                in een bepaalde verhouding tot het aantal
                                                lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van het type
                                                instelling en het type lessen/werkzaamheden. Deze
                                                uren worden ook wel “aanstellingsafhankelijke of
                                                leerling- of cursistafhankelijke uren” genoemd. Het
                                                betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Roosterwerkzaamheden </al></li><li nr="-"><al>Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten,
                                                  leerlingvolgsysteem en dergelijke</al></li><li nr="-"><al>Administratieve afwikkeling van de
                                                  lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                                                  presentielijsten)</al></li><li nr="-"><al>Rapporten/studieverslagen voor van de
                                                  leerlingen/cursisten </al></li><li nr="-"><al>(Voortgangs)gesprekken met
                                                  ouders/verzorgers/leerlingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de pedagogische, methodische en
                                                  didactische ontwikkelingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van vakliteratuur<noot id="FN13554_1"><noot.al>Elke medewerker wordt geacht ook zelf te
                                                  investeren in het bijhouden van
                                                  pedagogisch-didactische ontwikkelingen, het lezen
                                                  van vakliteratuur en het onderhouden van de
                                                  artistieke vaardigheden. Niettemin zijn er
                                                  situaties voorstelbaar (bijvoorbeeld indien het
                                                  onderwijzend personeelslid een
                                                  onderwijsvernieuwende werkzaamheid heeft) waar
                                                  toedeling van tijd voor dergelijke werkzaamheden
                                                  geboden is.</noot.al></noot></al></li><li nr="-"><al>Onderhouden van de direct aan de lespraktijk
                                                  verbonden artistieke vaardigheden</al></li><li nr="-"><al>Examens/toetsen</al></li></lijst></li><li><al><vet><cursief>2b. Algemene
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het
                                                aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel
                                                “organisatiegebonden uren” genoemd. Het betreft
                                                bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Personeelsvergaderingen,
                                                  afdelingsvergaderingen, sector- en
                                                  sectievergaderingen</al></li><li nr="-"><al>Collegiaal overleg (intern en extern)</al></li><li nr="-"><al>Voorbereiding en deelname aan open dagen</al></li><li nr="-"><al>Functioneringsgesprekken,
                                                  ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                                                  ontwikkelingsplan</al></li><li nr="-"><al>Overleg over het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids </al></li><li nr="-"><al>Zorg voor het instrumentarium van de
                                                  instelling en (indien gebruik door de werkgever
                                                  verplicht is gesteld) van het eigen
                                                  instrument/gereedschap</al></li></lijst></li><li><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                subcategorie om specifieke werkzaamheden die
                                                losstaan van het aantal lesgebonden uren. Deze uren
                                                worden ook wel “persoonsgebonden uren” genoemd. Het
                                                betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling
                                                  in relatie tot de lessen en lesmaterialen</al></li><li nr="-"><al>Materiële voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Lidmaatschap van de ondernemingsraad of
                                                  personeelsvertegenwoordiging</al></li><li nr="-"><al>Stagebegeleiding</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  leerlingenuitvoeringen/-concerten (intern en/of
                                                  extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van concerten
                                                  speciaal voor onderwijzend personeelsleden (intern
                                                  en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van exposities
                                                  (intern en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  instellingspresentaties (intern en/of extern)
                                                  </al></li><li nr="-"><al>Deelname aan activiteiten en evenementen voor
                                                  zover niet genoemd onder subcategorie 2b.</al></li><li nr="-"><al>Organiseren van kunstuitingen van cursisten,
                                                  zoals voorspeelavonden en tentoonstellingen</al></li><li nr="-"><al>Begeleiden van een collega bij een
                                                  voorspeelavond</al></li><li nr="-"><al>Coördinatiewerkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>Algemene organisatiewerkzaamheden,
                                                  bijvoorbeeld voor nieuwsbrief/schoolkrant van de
                                                  instelling</al></li><li nr="-"><al>Adviseren van leerlingen ten aanzien van
                                                  instrument- of materiaalkeuzes</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van
                                                  de instelling</al></li><li nr="-"><al>Bijdragen aan het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="-"><al>Opleiding en ontwikkeling, of andere
                                                  activiteiten die ertoe bijdragen de eigen
                                                  vakbekwaamheid op peil te houden</al></li><li nr="-"><al>Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld
                                                  beroepsverenigingen, vakgroepen, mits de werkgever
                                                  toestemming heeft verleend </al></li><li nr="-"><al>Het in opdracht van de werkgever reizen tussen
                                                  locaties van dezelfde instelling voor
                                                  kunsteducatie.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Van sjabloon naar lokale regeling</vet>Om een beeld te
                                        geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling
                                        tot stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient
                                        dit voorbeeld niet op te vatten als een door het LOGA
                                        gewenste verdeling van de verhouding lesgebonden uren versus
                                        niet-lesgebonden uren. Het gaat om de wijze waarop aan de
                                        hand van het sjabloon een lokale regeling kan worden
                                        opgesteld.Binnen instelling X is onderwijzend personeel
                                        werkzaam in drie verschillende disciplines:</al><lijst><li nr="1"><al>Discipline A</al></li><li nr="2"><al>Discipline B</al></li><li nr="3"><al>Discipline C</al></li></lijst><al>Binnen instelling X geldt per discipline de volgende
                                        verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Discipline</al></entry><entry colname="col2"><al>1. Lesgebonden uren </al></entry><entry colname="col3"><al>2. Niet-lesgebonden uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline A </al></entry><entry colname="col2"><al>65%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline B </al></entry><entry colname="col2"><al>60%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline C</al></entry><entry colname="col2"><al>70%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het
                                        onderwijzend personeel in omvang zeer verschillend. Daarom
                                        wordt er in instelling X voor gekozen om binnen de categorie
                                        niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een
                                        uitsplitsing te maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing
                                        is als volgt: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry namest="col1" nameend="col5" colname="col1"><al>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                                  subcategorieën</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Aanstellingsomvang</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2c. Variabele werkzaamheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meer dan 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>30%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 tot en met 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>35%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry><entry colname="col4"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7,2 tot en met 18 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tot en met 7,2 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>47%</al></entry><entry colname="col3"><al>47% </al></entry><entry colname="col4"><al>6%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren
                                        over de subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is
                                        ook mogelijk om elke discipline een aparte verdeling van
                                        niet-lesgebonden uren over de subcategorieën te maken.
                                            <vet>Individuele afwijkmogelijkheden op de verhouding
                                            per discipline</vet>Er zijn individuele omstandigheden
                                        voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te houden aan de
                                        verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per
                                        discipline is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden
                                        met:</al><lijst><li nr="-"><al>zeer veel of zeer weinig ervaring van het
                                                onderwijzend personeellid of</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat het onderwijzend personeelslid
                                                geeft (groepslessen versus individuele lessen)</al></li></lijst><al>In de lokale regeling kunnen individuele
                                        afwijkingsmogelijkheden op de verhouding die per discipline
                                        is vastgelegd worden opgenomen. De voorwaarden waaraan
                                        voldaan moet worden voordat individuele afwijking is
                                        toegestaan, dienen in de lokale regeling te worden
                                        opgenomen. Deze individuele afwijkmogelijkheden bepalen
                                        tezamen met de verhouding lesgebonden versus
                                        niet-lesgebonden uren die voor de discipline van de
                                        ambtenaar is vastgelegd, welke verhouding voor de
                                        individuele ambtenaar geldt.Voorbeeld: Voor discipline D
                                        staat in de lokale regeling dat de verhouding 70%
                                        lesgebonden uren en 30% niet-lesgebonden uren geldt. In de
                                        lokale regeling is ook vastgelegd dat voor discipline D een
                                        individuele afwijkmogelijkheid bestaat voor ambtenaren met
                                        minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren krijgen ten koste
                                        van het aantal lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden
                                        uren voor de voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                        uren. Het college stelt bij toepassing van de lokale
                                        regeling voor een ambtenaar met discipline D en minder dan 3
                                        jaar ervaring de verhouding vast op 65% lesgebonden en 35%
                                        niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor niet-lesgebonden
                                        uren wordt binnen de subcategorieën geheel toegeschreven aan
                                        subcategorie 2a. <vet>Tot slot </vet>Te overwegen valt om
                                        een beperkt percentage van de tijd niet toe te wijzen aan
                                        specifieke activiteiten. Niet alles valt namelijk op
                                        voorhand te plannen. Aan een aantal kleinere werkzaamheden
                                        uit de eerder genoemde (sub)categorieën hoeft dan eveneens
                                        niet specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de
                                        vrij in te delen tijd worden gerekend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de
                            kunsteducatie</titel></kop><lijst><li><al><vet>Functiebeschrijvingen</vet><vet>1. Consulent</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming: consulent
                                        Functie-eisen:
                                        HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                                steunfunctie-activiteitenplan </al></li><li nr="2"><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten </al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid,
                                                producten en programma’s </al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept> B.1 Het in overleg met cliënten
                                                  opstellen van een
                                                  steunfunctie-activiteitenplan</onderstreept>Informeert
                                                en adviseert (potentiële) cliënten over de
                                                mogelijkheden van steunfunctieactiviteiten. Overlegt
                                                met (de leiding van) potentiële cliënten over wensen
                                                en verwachtingen. Stelt een activiteiten- of
                                                begeleidingsplan op of ondersteunt de cliënt
                                                daarbij. Overlegt waar nodig met externe
                                                instanties.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het verzorgen van
                                                  steunfunctieactiviteiten</onderstreept> Geeft
                                                informatie en adviezen over methoden en
                                                leermiddelen. Verzorgt teamtrainingen en individuele
                                                begeleiding van docenten. Adviseert bij de aanschaf
                                                van leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf
                                                leermiddelen en methodieken. Organiseert met de
                                                cliënt producties, tentoonstellingen en andere
                                                evenementen. Begeleidt bij de opstelling van
                                                werkplannen. Bewaakt de afspraken met betrekking tot
                                                begroting, planning en inzet.</al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling
                                                  van beleid, producten en programma’s
                                                </onderstreept>Volgt en signaleert relevante
                                                ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                                                vorming. Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling,
                                                marktanalyses en aan de ontwikkeling van nieuw
                                                aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                opdrachtgevers en andere instanties over organisatie
                                                en uitvoering van projecten. Werkt voorstellen uit
                                                in projectbeschrijvingen. </al></li></lijst><al><vet>2. Docent</vet></al><lijst><li nr="A"><al> Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                docentFunctie-eisen:
                                                  HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het verzorgen van de inhoud van
                                                  onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2"><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van
                                                  KV-producten en -programma’s</al></li><li nr="4"><al> Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept>B.1 Het verzorgen van de inhoud
                                                  van onderwijsactiviteiten</onderstreept> Verzorgt
                                                  het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met
                                                  leiding en collega’s. Bepaalt vanuit het leerplan
                                                  de inhoud van de onderwijsactiviteiten. Zorgt voor
                                                  les- en documentatiemateriaal.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het geven van de
                                                  onderwijsactiviteit </onderstreept>Bereidt de
                                                  activiteit voor; stemt af op het niveau van de
                                                  groep. Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en
                                                  stuurt bij. Zorgt voor variatie in presentatie en
                                                  lesvorm. Houdt rekening met persoonlijkheid en
                                                  doelstelling deelnemers. Bespreekt regelmatig de
                                                  vorderingen met (ouders van) deelnemers en
                                                  evalueert de onderwijsactiviteit; stelt eventueel
                                                  leerdoelstellingen bij. Organiseert kunstuitingen
                                                  van en voor deelnemers.</al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de
                                                  ontwikkeling van KV-producten en
                                                  -programma’s</onderstreept>Volgt en signaleert
                                                  relevante ontwikkelingen op het terrein van de
                                                  kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan
                                                  marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                                                  marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                  opdrachtgevers en andere instanties over
                                                  organisatie en uitvoering van projecten. Werkt
                                                  voorstellen uit in projectbeschrijvingen. </al></li><li><al><onderstreept>B.4 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamheden</onderstreept>Woont diverse
                                                  overlegvormen bij. Houdt ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied bij; neemt deel aan na- en bijscholing.
                                                  Levert bijdragen aan
                                                  evenementen/instellingsactiviteiten.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>3. Balletbegeleider</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                BalletbegeleiderFunctie-eisen:
                                                  MBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2"><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied</al></li><li nr="3"><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept>B.1 Het instrumentaal begeleiden
                                                  van lessen</onderstreept>Begeleidt klassieke
                                                  balletlessen en andere lesvormen op piano en
                                                  andere instrumenten. Zorgt waar nodig voor
                                                  improvisatie en zorgt ervoor dat het karakter van
                                                  de oefening muzikaal wordt ondersteund. Past
                                                  gedurende de oefening tempo en sfeer aan en legt
                                                  andere accenten als de docent dit aangeeft.
                                                  Verzorgt de instrumentale begeleiding van
                                                  uitvoeringen.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het bijhouden van
                                                  ontwikkelingen op het vakgebied</onderstreept>
                                                  Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij.
                                                  </al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamhede</onderstreept>n Voert periodiek
                                                  overleg met de docent over het afstemmen van het
                                                  spel op de oefeningen en de samenwerking tussen
                                                  docent en begeleider.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige
                            vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar
                            behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige
                            vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten, consulenten
                            en Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige Vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VI Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage 10 </titel></kop><al><vet>Deze bijlage bevat een aantal bedragen over financiële
                            arbeidsvoorwaarden.</vet></al><tussenkop><vet>1. Gratificatie (artikel 3:20:1:1):</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>een bedrag tot maximaal € 1000,- netto.</al></li></lijst><tussenkop><vet>2. Vergoeding reiskosten (artikel 3:21:1:5, leden 3 en 4):</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al> De vergoeding per gereden kilometer voor een dienstreis als bedoeld
                                in artikel 3:21:1:2, lid 3 bedraagt € 0,28 (incidentele dienstreis).
                            </al></li><li nr="b"><al> De vergoeding per gereden kilometer voor een dienstreis als bedoeld
                                in artikel 3:21:1:2, lid 4 € 0,22 (auto verplicht).</al></li></lijst><tussenkop><vet>3. Vergoeding verblijfkosten (artikel 3:21:1:6), peildatum 1 januari
                            2016</vet></tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Kleine uitgaven overdag (dagcomponent)</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> 4,66</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kleine uitgaven (avondcomponent)</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>13,91</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ontbijt (ontbijtcomponent)</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> 8,80</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lunch (lunchcomponent)</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>14,62</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Diner (dinercomponent)</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>22,12</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logies</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>90.14</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Begrotingsrichtlijnen</vet></al><al>Volgens artikel 3:28:1:1 volgen diverse arbeidsvoorwaarden waarvoor het
                        college geen afzonderlijke indexering heeft vastgesteld de door het college
                        vastgestelde begrotingsrichtlijnen. Bijlage 10 bevat de arbeidsvoorwaarden
                        in kwestie.</al><tussenkop><vet>4. Onderhoudsbonnen (artikel 3:22:1:1)</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> De bedragen van onderhoudsbonnen worden conform de methodiek van
                                artikel 3:28:1:1 periodiek met € 5,- verhoogd. </al></li></lijst><tussenkop><vet>5. Stagevergoeding (artikel 31:1:1:5), peildatum 1 juli 2012:</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Voor een stage korter dan twee kalenderweken wordt geen vergoeding
                                aan de stagiair verstrekt (wel eventueel de
                                reiskostenvergoeding);</al></li><li nr="-"><al> Voor een stage van drie kalendermaanden of minder geldt een
                                vergoeding van € 56,- per maand, per minimum van € 56,- als een
                                stage tussen de twee weken en een kalendermaand duurt;</al></li><li nr="-"><al> Voor een stage van meer dan drie kalendermaanden geldt:</al></li><li nr="-"><al> € 169,- voor een student MBO, HBO of WO in het eerste en tweede
                                studiejaar of een student VMBO, ongeacht studiejaar;</al></li><li nr="-"><al> € 336,- voor een student MBO, HBO of WO vanaf het derde
                                studiejaar.</al></li></lijst><tussenkop><vet>6. Gestolen fiets (artikel 33:1:1:1), peildatum 1 juli-2012:</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Een tegemoetkoming van € 88,-.</al></li></lijst><tussenkop><vet>7. Onkostenvergoeding buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand
                            (artikel 35:1:1:3, lid 5), peildatum 9 november 2015: </vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> De vergoeding bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al> € 7,69 netto per huwelijk bij het voltrekken van kosteloze
                                        en eenvoudige huwelijken in het stadhuis en</al></li><li nr="b"><al> € 15,38 per huwelijk bij het voltrekken van huwelijken in
                                        het oude stadhuis of op een locatie elders.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage 11 Protocol aanstellingskeuringen en intredeonderzoeken
                            2003</titel></kop><tussenkop><vet>1. Inleiding</vet></tussenkop><al> Op 1 januari 1998 is de Wet op de Medische Keuringen (WMK; Van Boxtel) van
                        kracht geworden, ook voor ambtenaren. Dit betreft regelingen omtrent
                        aanstellingskeuringen, verzekerings- en pensioenkeuringen en medische
                        onderzoeken inzake particuliere levens- en
                        arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. De Branche Organisatie van Arbodiensten
                        (BOA) heeft in 1998 de Stichting Kwaliteitsbevordering
                        Bedrijfsgezondheidszorg (SKB) opdracht gegeven om een Algemene Richtlijn
                        Aanstellingskeuringen (ARA) op te stellen. Deze is in juli 1999 verschenen.
                        Deze richtlijn vormt de huidige standaard voor aanstellingskeuringen.
                        Gemeente Amersfoort heeft in 1997 een protocol opgesteld voor welke functies
                        nog gekeurd mocht worden, naar aanleiding van de WMK. Dit protocol bleek
                        volgens de huidige standaard niet meer te voldoen, derhalve is het protocol
                        herzien.</al><tussenkop><vet>2. Achtergronden </vet></tussenkop><tussenkop><vet>2.1 Aanstellingskeuringen; algemene uitgangspunten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>2.1.1 Doel</vet></tussenkop><al> Een aanstellingskeuring is een onderzoek naar de medische geschiktheid
                        waarvan de uitslag bepalend is voor aanstelling in de beoogde functie. Onder
                        medische geschiktheid wordt in artikel 4 WMK verstaan: “de bescherming van
                        de gezondheid en veiligheid van de keurling / sollicitant en van derden bij
                        de uitvoering van de desbetreffende arbeid”. Aanstellingskeuringen worden
                        alleen verricht indien de vervulling van de functie bijzondere eisen
                        aangaande de medische geschiktheid met zich meebrengt. Derhalve zijn
                        aanstellingskeuringen selectief omdat zij als doel hebben om op grond van
                        bepaalde criteria onderscheid te maken tussen personen die “geschikt” en die
                        “niet geschikt” zijn.</al><tussenkop><vet>2.1.2 Goede arbozorg</vet></tussenkop><al> Een aanstellingskeuring mag voor de werkgever niet dienen als
                        risicoselectie ten aanzien van mogelijk toekomstig verzuim. Risico’s in de
                        functie die door de werkgever kunnen worden voorkomen, worden niet gezien
                        als reden voor bijzondere eisen aangaande de medische geschiktheid. Een
                        aanstellingskeuring mag nooit in de plaats komen van goede arbozorg en
                        preventie aan de bron.</al><tussenkop><vet>2.1.3 Voorwaarden</vet></tussenkop><al> Als voorwaarden voor een aanstellingskeuring zijn onder meer gesteld dat </al><lijst><li nr="-"><al>de functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische
                                geschiktheid; </al></li><li nr="-"><al>de functie-eisen vertaalbaar zijn in gezondheidscriteria;</al></li><li nr="-"><al>er een adequate methode voor handen is om de medische geschiktheid
                                te onderzoeken.</al></li></lijst><al>Een aanstellingskeuring kan derhalve alleen worden uitgevoerd indien er
                        sprake is van:</al><lijst><li nr="-"><al>wettelijke verplichtingen en veiligheidsrisico’s of
                                gezondheidsgevaar (bijv. brandweer, luchtvaart, caissonwerkers,
                                etc)</al></li><li nr="-"><al>ongewoon hoge belasting. In dit geval wordt een stappenplan gevolgd
                                conform de ARA.</al></li></lijst><tussenkop><vet>2.1.4 Rechten en plichten van de keurling / sollicitant en werkgever </vet><noot id="FN153260_1"><noot.al>bij klachten over de aanstellingskeuring kan de keurling
                                (sollicitant), de Arbodienst of de keuringvrager een klacht indienen
                                bij de ‘Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuring’. Het
                                adres is: Postbus 535, 3500 AM Utrecht. Tel.nr. 030-223 48 88,
                                fax.nr. 030-223 48 99</noot.al></noot><vet></vet></tussenkop><al> De WMK stelt een aantal eisen ten aanzien van aanstellingskeuringen:</al><lijst><li nr="-"><al>Er mag slechts 1 persoon gekeurd worden voor de betreffende vacature
                                en dus niet een groep kandidaten waaruit de werkgever nog zou willen
                                kiezen;</al></li><li nr="-"><al>De aanstellingskeuring mag pas worden verricht nadat de
                                sollicitatieprocedure is afgerond doch voor aanvang dienstverband
                                (als de sollicitant inmiddels in dienst is getreden is het te laat);
                            </al></li><li nr="-"><al>De aanname van de sollicitant is alleen nog afhankelijk van de
                                aanstellingskeuring;</al></li><li nr="-"><al>Voorafgaand aan de aanstellingskeuring heeft de sollicitant recht op
                                informatie door de werkgever over het voor de beoogde functie
                                vastgestelde protocol aanstellingskeuring.;</al></li><li nr="-"><al>Voor de bedoelde functie(groep) is een protocol aanstellingskeuring
                                opgesteld door de werkgever;</al></li><li nr="-"><al>Werkgever of personeelsfunctionaris mogen niet vragen naar de
                                gezondheid of het ziekteverzuimverleden van een sollicitant;</al></li><li nr="-"><al>De keurling / sollicitant heeft het recht een (deel van de) keuring
                                te weigeren indien deze niet voldoet aan de Wet op de Medische
                                keuringen;</al></li><li nr="-"><al>De keurling heeft actieve mededelingsplicht en is daarom verplicht
                                tijdens het sollicitatiegesprek én tijdens het medisch onderzoek
                                actief mededeling te doen aan de werkgever (resp. bedrijfsarts) over
                                een bestaande aandoening, waarvan de keurling
                                    <cursief>weet</cursief> dat deze aandoening hem ongeschikt maakt
                                voor de beoogde functie! Gevolg van nalaten hiervan kan zijn:
                                ontslag. </al></li></lijst><tussenkop><vet>2.1.5 Procedure herkeuring bij aanstellingskeuring</vet></tussenkop><al>Indien betrokkene wordt afgekeurd of goedgekeurd onder bepaalde voorwaarden
                        en betrokkene geeft geen toestemming aan de bedrijfsarts om de
                        keuringsuitslag naar de werkgever te verzenden dan geldt: betrokkene kan via
                        de regiomanager van de Arbodienst een herkeuring aanvragen bij een andere
                        bedrijfsarts van de Arbodienst of bij een bedrijfsarts van een andere
                        Arbodienst.</al><al>Indien betrokkene wordt afgekeurd of goedgekeurd onder bepaalde voorwaarden
                        en betrokkene geeft wel toestemming aan de bedrijfsarts om de
                        keuringsuitslag naar de werkgever te verzenden dan geldt: de (toekomstige)
                        werkgever van betrokkene kan via de regiomanager van Arbodienst een
                        herkeuring aanvragen bij een andere bedrijfsarts van de Arbodienst of bij
                        een bedrijfsarts van een andere Arbodienst.</al><tussenkop><vet>2.2 Intredeonderzoeken</vet></tussenkop><al>Indien een aanstellingskeuring niet van toepassing is, heeft de werkgever de
                        mogelijkheid om na aanstelling van een nieuwe werknemer een intredeonderzoek
                        te laten verrichten. Het doel van een intredeonderzoek is het voorkomen van
                        schade aan de gezondheid van de werknemer o.b.v. de risico’s die bestaan in
                        het werk en werkomstandigheden.</al><al>Een intredeonderzoek kan pas worden verricht na aanstelling en in principe
                        na afloop van de wettelijke proeftijd van de werknemer. Deelname van de
                        werknemer geschiedt op vrijwillige basis. De werknemer krijgt na afloop van
                        het onderzoek de resultaten mondeling teruggekoppeld en krijgt zo nodig
                        adviezen ter voorkoming van gezondheidsschade. De werkgever krijgt geen
                        uitslag van het onderzoek, tenzij de werknemer daarvoor toestemming
                        geeft.</al><al>Er zijn twee soorten intrede onderzoeken:</al><lijst><li nr="1"><al>wettelijk verplicht intrede onderzoek</al></li><li nr="2"><al> vrijwillig intrede onderzoek</al></li></lijst><al>In het eerste geval is de werkgever wettelijk verplicht een intredeonderzoek
                        aan te bieden en wel na aanstelling doch vóórdat de blootstelling aan het
                        risico plaatsvindt, dus zo nodig tijdens de wettelijke proeftijd. De
                        wetgever heeft hiervoor een aantal functierisico’s vastgelegd. In het tweede
                        geval is de werkgever niet verplicht een intrede onderzoek aan te bieden.
                        Het vrijwillig intredeonderzoek is een eerste gezondheidsonderzoek (soort
                        “nulmeting” voor het PAGO = Periodiek Arbeidsgezondheidskundig Onderzoek)
                        wat altijd na afloop van de wettelijke proeftijd plaatsvindt. De werkgever
                        geeft bij aanvraag van het vrijwillig intredeonderzoek aan welke belastende
                        factoren in de functie aanwezig zijn (voor zover de functie niet in dit
                        protocol is opgenomen).</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de
                            aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van
                            onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in de
                            aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut.
                            Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige
                                            diensten,</al><al>- ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie,
                                            epilepsie</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5
                                            jaar</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie
                                            van:</al><al>- hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (aanstellingsbrandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                            dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- geldige inentingen</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis,
                                            Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (laddertest) (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen
                        verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het
                        werk te kunnen aantonen: </al><lijst><li nr="-"><al>longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al></li><li nr="-"><al> audiogram afname </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het
                            Periodiek Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De
                            uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is
                            vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door het Coronel
                            Instituut. Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds
                                            vorige keuring</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>- hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens
                                            werk</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                            dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar
                                            voor anderen kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (tijdens brandbestrijdingstest en
                                            brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1-11 met als doel signalering voor begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling):</al><al>Is sinds de vorige keuring een nieuwe ziekte of
                                            gezondheidsklachten opgelopen die van invloed (kunnen)
                                            zijn op de uitvoering van uw werk? </al><al>Signaalvraag (schriftelijk) naar:</al><al>1 Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling,
                                            psychisch, bewegingsapparaat, hart- en vaataandoeningen,
                                            urinewegen/geslachtsorganen, spijsverteringsorganen,
                                            tumoren, luchtwegen, huidaandoeningen)</al><al>2 Ingeschat eigen werkvermogen nu</al><al>3 Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de
                                            fysieke en psychologische taakeisen</al><al>4 doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen
                                            periode</al><al>5 doorgemaakte expositie aan hard geluid in afgelopen
                                            periode met acute oorsuizingen of tijdelijke
                                            gehoorsvermindering als gevolg</al><al>6 doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of dampen
                                            in afgelopen periode</al><al>Inzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat om
                                            achteruitgang in longfunctie of gehoor aan te kunnen
                                            tonen:</al><al>- longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>- audiogram afname </al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></bijlage></regeling></body></cvdr>