<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR82911_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2010, 83</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WBB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1, 2, 3, 4, 5</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/350</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De wijziging van 1-12-2010 werkt voor de artikelen 1 tot en met 5 terug tot 1 juli 2010. Met uitzondering van artikel 4, 4de lid dit werkt terug tot 1 januari 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Tilburg;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onder c, en 30 van de Wet werk en
                        bijstand</al><al>Besluit:</al><al>vast te stellen de "Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en
                        bijstand"</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand.</al></li><li nr="b."><al>normbedrag: het toepasselijk naar leefvorm vastgestelde</al><al> normbedrag voor personen van 27 tot 65 jaar als bedoeld in </al><al> artikel 21 van de wet.</al></li><li nr="c."><al>toeslag: het verhogen van het normbedrag voor
                                        alleenstaanden</al><al> en alleenstaande ouders met ten hoogste20<vet>%</vet> van
                                        het </al><al> normbedrag voor gehuwden.</al></li><li nr="d."><al>verlagen: het verlagen van het normbedrag voor gehuwden met </al><al> ten hoogste 20 % van het normbedrag voor gehuwden.</al></li><li nr="e."><al>woonkosten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het enkele </al><al> gebruik van woonruimte waarin feitelijk verblijf wordt
                                        gehouden.</al></li><li nr="f."><al>woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede) </al><al> gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, </al><al> waarin feitelijk verblijf wordt gehouden. </al></li><li nr="g."><al>onderhuur/medebewonen op commerciële basis: het
                                        onderhuren/medebewonen van woonruimte of een deel ervan op
                                        contractbasis, waarbij </al><al>1. het te onderhuren/mede-te-bewonen deel zelfstandig
                                        geschikt</al><al> is voor bewoning,</al><al>2. de prijs per maand voor het medebewonen minstens gelijk
                                        is</al><al> aan<vet> 15%</vet> van het normbedrag voor gehuwden en </al><al>3. de onderhuurder/medebewoner staat ingeschreven in de</al><al> basisadministratie van de gemeente op het onderhuur-</al><al> /medebewoonadres.</al></li><li nr="h."><al>hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of</al><al> hoofdhuurder is van woonruimte en die in de woonruimte </al><al> hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="i."><al>WSF-/WTOS-kind: een kind dat een basisbeurs ontvangt</al><al> ingevolge de Wet op de Studiefinanciering 2000 dan wel een </al><al> tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming </al><al> onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li><li nr="j."><al>schoolverlater: de persoon die recent de deelname heeft</al><al> beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding en die voor
                                        het </al><al> onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak had op
                                        studiefinanciering WSF of op een tegemoetkoming in de </al><al> onderwijsbijdrage of schoolkosten op grond van de WTOS.
                                    </al></li><li nr="k."><al>zorgbehoevende: een belanghebbende die, als niet te samen </al><al> met een ander de woning zou worden bewoond, op basis van </al><al>een indicatiestelling zou zijn aangewezen op beroepsmatige
                                        hulp zoals verzorging in een instelling die zich blijkens
                                        haar doel-stelling en feitelijke werkzaamheden richt op het
                                        bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende
                                        hulpbehoevenden. Onder beroepsmatige hulp wordt mede
                                        begrepen een situatie waarin thuiszorg het alternatief is
                                        voor ambulante zorg of dagverpleging in een
                                        zorg-/verpleeginstelling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een WSF-/WTOS-kind wordt voor de toepassing van deze </al><al>verordening geacht een inkomen te hebben van minder dan50% </al><al>van het minimumloon. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>2</nr><titel>De rechtsgronden.</titel></kop><al>De rechtsgronden voor het verhogen of het verlagen van het normbedrag
                        zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen </al><al>noodzakelijke kosten van het bestaan met een of meer anderen;</al></li><li nr="b."><al>de woonsituatie waaronder begrepen het niet aanhouden van een</al><al> woning; </al></li><li nr="c."><al>het zijn van schoolverlater.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag voor een alleenstaande van 27 tot 65 jaar.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een alleenstaande van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het </al><al> bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van<vet> 20%</vet> in de
                            hierna </al><al> onder a tot en met c genoemde gevallen als hij: </al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten</al><al> verschuldigd is; </al></li><li nr="b."><al>onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij </al><al> niet is een bloedverwant in de eerste graad van de </al><al> hoofdbewoner;</al></li><li nr="c."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning
                                    hoofdverblijf</al><al> heeft met uitsluitend een of meer bloedverwanten in de eerste </al><al> graad van 18 tot 21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk)
                                    een </al><al> inkomen tot50% van het netto minimumloon,<cursief> en</cursief>
                                    hij voor die </al><al>woning woonkosten verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een alleenstaande van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in
                            artikel 6, recht op een toeslag van<vet> 15% </vet>in de hierna onder a
                            en b genoemde gevallen als hij: </al><lijst><li nr="a."><al> hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning op commerciële
                                    basis hoofdverblijf geeft aan uitsluitend een of meer
                                    onderhuurders of medebewoners, die geen bloedverwant zijn in de
                                    eerste graad van de hoofdbewoner, en hij voor die woning
                                    woonkosten of woonlasten verschuldigd is en</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf
                                    heeft met uitsluitend een of meer bloedverwanten in de eerste
                                    graad van 21 jaar of ouder van wie tenminste een bloedverwant
                                    een inkomen heeft van50% of meer van het netto minimumloon, al
                                    dan niet in combinatie met een of meer bloedverwanten in de
                                    eerste graad van 18 tot 21 jaar en hij voor die woning
                                    woonkosten of woonlasten verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een alleenstaande van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het</al><al> bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van<vet> 10%</vet> in de
                            hierna </al><al> onder a tot en met c genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning uitsluitend
                                    woonlasten verschuldigd is;</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf
                                    heeft met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste
                                    graad van 18 tot 21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk)
                                    een inkomen tot50% van het netto minimumloon, en hij voor die
                                    woning uitsluitend woonlasten verschuldigd is en</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met een of
                                    meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder met
                                    (elk) een inkomen van 50% of meer van het minimumloon en meteen
                                    of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële basis.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een alleenstaande van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het</al><al> bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van<vet> 5% </vet>als
                            hij/zij inwoont </al><al>bij een bloedverwant in de eerste graad. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslag voor een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het</al><al> bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van<vet> 20%</vet> in de
                            hierna </al><al> onder a tot en met c genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten
                                    verschuldigd is;</al></li><li nr="b."><al>onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij niet
                                    is een bloedverwant in de eerste graad van de hoofdbewoner;</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met
                                    uitsluitend één of meer eerste graads bloedverwanten van 18 tot
                                    21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen tot 50%
                                    van het minimumloon, en hij voor die woning woonkosten
                                    verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het </al><al> bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van<vet> 15% </vet>in de
                            hierna </al><al> onder a en b genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning op commerciële
                                    basis hoofdverblijf geeft aan uitsluitend één of meer
                                    onderhuurders of medebewoners, die geen bloedverwant zijn in de
                                    eerste graad van de hoofdbewoner, en hij voor die woning
                                    woonkosten of woonlasten verschuldigd is en</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf
                                    heeft met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste
                                    graad van 21 jaar of ouder van wie tenminste een bloedverwant
                                    een inkomen heeft van50% of meer van het netto minimumloon, al
                                    dan niet in combinatie met een of meer bloedverwanten in de
                                    eerste graad van 18 tot 21 jaar en hij voor die woning
                                    woonkosten of woonlasten verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het </al><al> bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van<vet> 10%</vet> in de
                            hierna </al><al> onder a tot en met c genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning uitsluitend
                                    woonlasten verschuldigd is;</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf
                                    heeft met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste
                                    graad van 18 tot 21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk)
                                    een inkomen tot50% van het netto minimumloon, en hij voor die
                                    woning uitsluitend woonlasten verschuldigd is en</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met een of
                                    meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder met
                                    (elk) een inkomen van 50% of meer van het minimumloon en meteen
                                    of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële basis.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het
                            bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van <vet>5%</vet> als
                            hij/zij inwoont bij een bloedverwant in de eerste graad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel 5.</label><nr>Verlagen bijstandsnorm gehuwden waarvan beide echgenoten 27 tot 65 jaar
                            zijn</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Het normbedrag voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 27 tot</al><al> 65 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6, verlaagd </al><al> met <vet>5%</vet> in de hierna onder a en b genoemde gevallen als
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning
                                        hoofdverblijf geven aan uitsluitend een of meer
                                        onderhuurders of mede-bewoners op commerciële basis die geen
                                        bloedverwanten zijn in de eerste graad van de hoofdbewoner
                                        of diens partner en zij voor die woning woonkosten of
                                        woonlasten verschuldigd zijn en</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning
                                        hoofdverblijf hebben met uitsluitend één of meer
                                        bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder van
                                        wie tenminste een bloedverwant een inkomen heeft van50% of
                                        meer van het netto minimumloon, al dan niet in combinatie
                                        met een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot
                                        21 jaar en hij voor die woning woonkosten of woonlasten
                                        verschuldigd is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 27 tot 65
                                jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6, verlaagd met
                                    <vet>10%</vet> in de hierna onder a tot en met c genoemde
                                gevallen als zij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewonen en zij voor die woning uitsluitend
                                        woonlasten verschuldigd zijn;</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning
                                        hoofdverblijf hebben met uitsluitend een of meer
                                        bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot 21 jaar en/of
                                        van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen tot50% van het
                                        netto minimumloon, en hij voor die woning uitsluitend
                                        woonlasten verschuldigd zijn en</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoners hoofdverblijf hebben in de woning met één
                                        of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of
                                        ouder met (elk) een inkomen van 50% of meer van het
                                        minimumloon, en meteen of meer onderhuurders of medebewoners
                                        op commerciële basis.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 27 tot 65
                                jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6, verlaagd met
                                    <vet>15%</vet> als zij samen met een bloedverwant in de eerste
                                graad hun hoofdverblijf hebben in de woning van die
                                bloedverwant.</al></li><li nr="4."><al>Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 27 tot</al><al> 65 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6, verlaagd </al><al> met <vet>20%</vet> in de hierna onder a en b genoemde gevallen als
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>geen woning aanhouden of geen woonkosten en geen woonlasten
                                        verschuldigd zijn en</al></li><li nr="b."><al>in hun woning hoofdverblijf hebben met een onderhuurder of
                                        medebewoner, niet zijnde een bloedverwant in de eerste
                                        graad, op niet commerciële basis.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>artikel 6.</label><nr>Verhogen of verlagen van het normbedrag bij zorgbehoevendheid</nr></kop><al>Een zorgbehoevende die door een hoofd- of medebewoner wordt verzorgd, dan
                        wel een verzorger die een zorgbehoevende hoofd- of medebewoner verzorgt,
                        wordt voor de toepassing van de rechtsgrond als bedoeld in artikel 2, aanhef
                        en onder a en b van deze verordening (inzake het kunnen delen van de kosten
                        met een of meer anderen respectievelijk de woonsituatie), voor wat betreft
                        hun onderlinge zorgrelatie, niet als kostendelende hoofd- of medebewoner
                        aangemerkt. </al></artikel><artikel><kop><label>artikel 7.</label><nr>Afstemmen toeslagbeleid op inkomstenkorting</nr></kop><al>Bij samenloop van keuzemogelijkheid tussen het verhogen dan wel het verlagen
                        van het normbedrag op grond van deze verordening of het in aanmerking nemen
                        van het inkomen uit onderhuur/kostgangers ingevolge artikel 33, lid 4, van
                        de wet prevaleert de toepassing van deze toeslagverordening. </al></artikel><artikel><kop><label>artikel 8.</label><nr>Anti-cumulatiebepaling</nr></kop><al>Bij samenloop van toepasselijke rechtsgronden wordt het verhogen dan wel het
                        verlagen van het normbedrag vastgesteld op maximaal<vet> 20%</vet> van het
                        normbedrag voor gehuwden in totaal.</al></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als </al><al> Toeslagenverordening WWB.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2004. </al><al/></li></lijst><al/><al/></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Vanaf 1 juli 2010 hebben jongeren van 18 tot en met 26 jaar recht op een
                    werkleeraanbod en een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in
                    jongeren (de WIJ). Per die datum is voor hen de toegang op algemene bijstand en
                    daarmee het recht op een lokale toeslag afgesloten. De toeslagenverordening is
                    hierop aangepast en tevens aan de vervallen specifieke rechtsgronden en regels
                    voor het recht op een toeslag voor 21 en 22 jarige alleenstaanden. Algemene
                    toelichting en artikelsgewijze toelichting behoren te worden gelezen met in acht
                    name van de gevolgen die voortvloeien uit het invoeren van de WIJ (het recht op
                    algemene bijstand en dus ook het recht op toeslag staat open voor personen van
                    27 tot 65 jaar). </al><al>De Wet werk en bijstand (WBB) verplicht tot het vaststellen van een
                    toeslagverordening. Het betreft hier eenzelfde verordening als voorgeschreven
                    was in de Algemene bijstandswet (Abw). Tussen Abw en WWB zijn er geen juridische
                    verschillen ten aanzien van het toeslagenbeleid. Om deze reden is in de
                    Invoeringswet Wet werk en bijstand vastgelegd, dat de toeslagverordening-Abw
                    geldt als toeslagverordening-WWB. In beginsel hoeft dan ook geen nieuwe
                    verordening te worden vastgesteld. </al><al>Is er buiten de technische aanpassing (omzetting naar nieuwe wet en nieuwe
                    wetsartikelen) behoefte aan een inhoudelijk bijstelling van het toeslagenbeleid?
                    Bij het antwoord op deze vraag wordt betrokken het resultaat van de workshops
                    met de leden van de raadscommissie maatschappij en de kaderleden van de dienst
                    Publiekszaken en het Centrum voor Werk en Inkomen Tilburg en het interactief
                    overleg over de WWB. De inhoudelijke aanpassingen van het huidige
                    toeslagen-beleid worden apart toegelicht. Eerst wordt beknopt ingegaan op de
                    systematiek van normen en toeslagen en de onder de werking van de Abw
                    vastgestelde uitgangspunten van het toeslagenbeleid. Het toeslagenbeleid zal
                    overigens in een stroomschema meer inzichtelijk worden gemaakt. Zo’n schema komt
                    tegemoet aan de wens tot eenduidigheid en zekerheid voor de burgers. Uit een
                    stroomschema is de aanspraak op toeslag versneld af te leiden. Dit is wenselijk,
                    omdat niet is kunnen ontkomen aan een vrij juridisch-technische verordening. </al><al/><al><vet>Systematiek normbedragen en toeslagen.</vet></al><al>De hoogte van de bijstandsuitkering/-norm wordt bepaald door twee componenten: -
                    de landelijk normbedragen en </al><al><vet>-</vet> de lokale toeslag op of verlaging van deze normbedragen. </al><al>De landelijke normbedragen zijn de in de WWB vastgelegde uitkeringsbedragen voor
                    de verschillende soorten huishoudens en bepaalde leeftijdscategorieën. Er zijn
                    normbedragen voor jongeren tot 21 jaar, voor mensen van 21 tot 65 jaar, voor
                    mensen van 65 jaar en ouder en voor personen in een inrichting ter verpleging of
                    verzorging. Voor personen van 21 tot 65 jaar die niet in een inrichting
                    verblijven gelden per 1 januari 2004 de volgende landelijke normbedragen, die
                    gekoppeld zijn aan het netto wettelijk minimumloon (WML): </al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden/samenwonenden 100% van het WML (€ 1.156,54 </al><al>incl vakantietoeslag)</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouders 70% van het WML (€ 809,58</al><al> incl vakantietoeslag) </al></li><li nr="c."><al>voor alleenstaanden 50% van het WML (€ 578,27</al><al> incl vakantietoeslag)</al></li></lijst><al>De invoering van de WWB per 1 januari 2004 heeft géén gevolgen voor de hoogte
                    van deze bedragen. </al><al>De landelijke normbedragen voor personen van 21 tot 65 jaar kunnen door de
                    gemeente worden verhoogd of verlaagd op grond van de in de WWB benoemde
                    criteria. Deze systematiek van centrale normen en lokale toeslagen, die ook al
                    onder de werking van de Algemene bijstandswet (Abw) gold, wordt met het invoeren
                    van de WWB niet gewijzigd. De toeslagen en verlagingen moeten net als onder de
                    Abw bij gemeentelijke verordening worden vastgesteld, de zogenaamde
                    toeslagenverordening.</al><al>Voor alleenstaande ouders en alleenstaanden geldt als uitgangspunt voor het 70%
                    en 50% normbedrag, dat de (woon)kosten met anderen kunnen worden gedeeld. Is dat
                    niet of slechts gedeeltelijk het geval, dan kan de gemeente een toeslag geven
                    van maximaal 20% van het netto minimumloon (20% van € 1.156,54 = € 231,31 per
                    maand). Gehuwden/samenwonenden kennen een 100% normbedrag. Als zij de kosten
                    geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander dan de echtegenoot/partner kan
                    de gemeente hun 100%-normbedrag verlagen met maximaal 20% van het netto
                    minimumloon [spiegelbeeld toeslagenbeleid voor (alleenstaande) ouders]. Op de
                    bijstandsuitkering voor personen van 65 jaar of ouder worden géén toeslagen of
                    verlagingen toegepast. Voor deze doelgroep zijn aparte normbedragen vastgesteld
                    die gelijk zijn aan de (hogere) netto bedragen op grond van de Algemene
                    Ouderdomswet. </al><al><onderstreept>Conclusie</onderstreept>: de huidige systematiek van landelijke
                    normbedragen en lokale toeslagen blijft ongewijzigd. De lokale toeslagen moeten
                    bij verordening worden vastgesteld. </al><al/><al><vet>Criteria voor lokale toeslagenverordening.</vet></al><al>De WWB schrijft voor dat het landelijke normbedrag voor alleenstaande ouders en
                    alleenstaanden moet worden verhoogd met een toeslag van ten hoogste 20% van het
                    netto minimumloon. Dit voor zover de belanghebbende hogere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als
                    gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
                    De WWB benoemt de criteria voor het verhogen of verlagen van de landelijke
                    normbedragen. Deze criteria zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen </al><al> noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander,</al></li><li nr="2."><al>het zijn van schoolverlater,</al></li><li nr="3."><al>het zijn van 21 of 22 jarige alleenstaande gezien de hoogte van het</al><al> minimumjeugdloon </al></li><li nr="4."><al>de woonsituatie waaronder begrepen het niet aanhouden van een</al><al> woning.</al></li></lijst><al>In de lokale verordening moet in elk geval worden vastgelegd, dat de
                    alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in
                    wiens woning <cursief>geen ander zijn hoofdverblijf heeft</cursief>, recht heeft
                    op de maximum toeslag van 20% van het netto minimumloon. Onder ten laste komende
                    kinderen worden begrepen: de kinderen tot 18 jaar voor wie de alleenstaande
                    ouder aanspraak op kinderbijslag kan maken. Van de criteria genoemd onder punt 2
                    en 3 mag niet gelijktijdig gebruik gemaakt worden (geen samenloop van
                    schoolverlaters met alleenstaanden van 21 of 22 jaar). </al><al>Het verhogen of verlagen van de normbedragen dan wel het afwijkend vaststellen
                    van de toeslag vindt plaats onverminderd de bevoegdheid tot het afstemmen van de
                    bijstand op de omstandigheden, mogelijk-heden en middelen van de belanghebbende
                    (het verlagen/ sanctioneren van de bijstandsuitkering bij het verwijtbaar niet
                    nakomen van opgelegde verplichtingen). </al><al><onderstreept>Conclusie</onderstreept>: de criteria en de anti-cumulatiebepaling
                    voor het in te vullen lokaal toeslagenbeleid wijzigen niet met het invoeren van
                    de WWB. </al><al/><al><vet>Uitgangspunten voor lokaal toeslagenbeleid. </vet></al><al>De huidige toeslagenverordening-Abw was afgestemd op de
                    model-toeslagenverordening van de V.N.G. Daarin was een forfaitaire en een
                    werkelijk kosten variant opgenomen met elk een nadere uitwerking in een soepele
                    en een strenge variant. Het grote voordeel van een forfaitaire benadering is de
                    eenvoudige uitvoering van de toeslagen-verordening. Door enkel de situaties te
                    omschrijven waarin iemand geacht wordt lagere noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te hebben, kan rekenwerk met werkelijke kosten en de controle daarop
                    achterwege blijven. De forfaitaire variant leverde ook naar het oordeel van de
                    V.N.G. per saldo de meest efficiënte uitvoering op. In de nieuwe handreiking
                    voor het toeslagenbeleid-WWB worden deze varianten opnieuw aangeboden. Gelet op
                    de eenvoudige uitvoering van de forfaitaire variant wordt voorgesteld
                    aansluiting te blijven zoeken bij deze variant.</al><al>Op grond van toegekende beleidsvrijheid kan de gemeente deze forfaitaire variant
                    streng of soepel invullen. Het in het geheel geen gebruik maken van de
                    mogelijkheden om in de lokale toeslagen-verordening rekening te houden met
                    kostenbesparende situaties lijkt in strijd met de bedoeling van de wetgever.
                    Voorts blijkt uit de Memorie van Toelichting op de WWB, dat budgettaire
                    overwegingen geen rol mogen spelen bij de keuze voor een streng of soepel
                    toeslagenbeleid. Het moet gaan om de beoordeling van de bijstandsbehoevendheid.
                    Daarbij kunnen praktische overwegingen wel een rol kunnen spelen. </al><al>Zo levert de mogelijkheid tot verlaging van de bijstandnorm voor schoolverlaters
                    in de praktijk nogal wat problemen op en is samenloop met de leeftijdsverlaging
                    voor 21- en 22-jarige alleenstaanden niet toegestaan. Deze anti-cumulatie mag
                    niet vreemd uitpakken, waardoor bijvoorbeeld een 23-jarige schoolverlater
                    slechter af is dan een 21-/22-jarige schoolverlater. </al><al>Ook voor gehuwden kan de verlaging voor schoolverlaters in combinatie met andere
                    verlagingen leiden tot een dermate grote verlaging van de inkomenswaarborg dat
                    van een adequate bijstands-verlening geen sprake meer is. Het lokale
                    toeslagenbeleid mag in de praktijk niet tot onredelijke uitkomsten leiden. Dit
                    noopt tot het alsnog met toepassing van de afstemmingsbepaling-WWB afwijkend
                    vast-stellen van de bijstandsuitkering. Om dit te voorkomen is destijds bij het
                    vaststellen van de huidige toeslagenverordening-Abw gekozen voor een “soepele”
                    invulling van de toekomende beleidsvrijheid. Zo werd onder de werking van de Abw
                    de verlaging voor schoolverlaters niet toegepast en werd bij zorgbehoevendheid
                    het kosten kunnen delen tussen zorgbehoevende en verzorgende medebewoner v.v.
                    niet toegepast. </al><al>De lokale toeslag kan lager worden vastgesteld dan het maximum van 20% als
                    sprake is van lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan dan waarin de
                    norm of toeslag voorziet als gevolg van de woonsituatie, waaronder begrepen het
                    niet aanhouden van een woning. Hiervan is sprake bij het bewonen van een woning
                    waarvoor geen huur verschuldigd is: bijvoorbeeld een kraakpand; als de
                    woonlasten door een derde worden betaald of als er geen woning wordt
                    aangehouden. In deze gevallen wordt als regel geen toeslag verleend. Als voor
                    het bewonen van een woning geen huur verschuldigd is, wordt beoordeeld of andere
                    lasten voor het wonen betaald worden. Als dat het geval is wordt een beperkte
                    10% toeslag verleend. Dak- en thuislozen hebben geen kosten voor het aanhouden
                    van een woning. De gemeente draagt zorg voor een adequaat voorzieningenniveau
                    voor dak- en thuislozen. De eventuele kosten voor opvang van dak- en thuislozen
                    worden zo nodig via de bijzondere bijstand vergoed. Aan dak- en thuislozen wordt
                    dan ook geen toeslag verleend, omdat woonruimte ontbreekt. </al><al>Lokaal wordt afgezien van de mogelijkheid om de landelijke normbedragen te
                    verlagen. Zo wordt bij samenloop van rechtsgronden afgezien van het mede
                    verlagen van het 50% normbedrag voor alleenstaanden en van het 70% normbedrag
                    voor alleenstaande ouders. Dit uit een oogpunt van inkomenswaarborg op
                    minimumniveau. Dit beleid is ook van toepassing op de normbedragen voor jongeren
                    van 18 tot 21 jaar. Voorgesteld wordt al deze uitgangspunten van het huidige
                    toeslagenbeleid te handhaven. </al><al><onderstreept>Conclusie</onderstreept>: als uitgangspunt voor het
                    toeslagenbeleid is onverminderd de eenvoudig en efficiënt uit te voeren
                    forfaitaire variant toe te passen. Uit een oogpunt van inkomenswaarborg op
                    minimumniveau blijft ook het beleid, waarbij meer in het algemeen het verhogen
                    of verlagen van de basisnorm beperkt blijft tot maximaal 20% van het netto
                    minimum-loon, onverminderd gehandhaafd. Hetzelfde geldt voor: - het afzien van
                    de mogelijkheid tot het verlagen van het normbedrag</al><al> bij schoolverlaten (voor de duur van maximaal een half jaar na </al><al> schoolverlaten) en</al><al>-het niet verlenen van een toeslag bij het ontbreken van woonkosten </al><al>- en woonlasten of het niet aanhouden van een woning. </al><al/><al><vet>Toeslagenbeleid en bijdrage aan kamernood.</vet></al><al>Is via het toeslagenbeleid een bijdrage te leveren aan de kamernood onder
                    studenten en jongeren door bijvoorbeeld het voordeel uit onderverhuur te
                    matigen?</al><al>Aan de gemeente komt de bevoegdheid toe om het toeslagenbeleid streng of soepel
                    invullen. Daarbij moet het gaan om de beoordeling van de bijstandsbehoevendheid,
                    waarbij praktische overwegingen een rol kunnen spelen. Het leveren van een
                    bijdrage aan de kamernood kan zo’n praktische overweging zijn. Opgemerkt wordt
                    dat niet op voorhand vaststaat, dat een hogere toeslag bij kamerverhuur ook
                    daadwerkelijk zal leiden tot een toename van de verhuur van kamers door personen
                    met een bijstandsuitkering. </al><al>Uit analyse van het toeslagenbeleid blijkt dat in ongeveer 60 gevallen sprake is
                    van onderverhuur/kamerverhuur door bijstandsgerechtigden. Dit levert op de
                    kosten voor algemene bijstand een besparing op van € 83.275,20 op jaarbasis (60
                    klanten x 10% toeslag ad € 115,66 x 12 maanden). </al><al>Door het verhogen van de 10% toeslag bij kamerverhuur naar 15% wordt deze
                    besparing teruggebracht tot € 41.637,60: 60 x 5% toeslag ad € 57,83 x 12
                    maanden. Hierbij wordt opgemerkt dat een toename van kamerverhuur door
                    bijstandsgerechtigden een besparing oplevert. Immers zonder kamerverhuur bestaat
                    recht op een volledige bijstands-uitkering. Elke kamerverhuurder meer levert een
                    voordeel op in de vorm van een 5% verlaging van diens bijstandsuitkering. Per
                    kamerverhuur is dit € 693,96 per jaar (5% toeslag ad € 57,83 x 12 maanden). </al><al>In dit verband wordt opgemerkt, dat het niet consequent lijkt om bij commerciële
                    onderverhuur het voordeel uit het kunnen delen van de kosten met een ander
                    beperkt afwijkend van de maximum toeslag vast te stellen op 15% en dit voordeel
                    bij een inwonend verdienend kind van 21 jaar of ouder onverminderd op 10% te
                    handhaven. Een zodanige invulling van het toeslagenbeleid komt te veel in strijd
                    met een rechts-gelijke behandeling. Nog te meer, omdat aan een alleenstaande die
                    zelfstandig een commerciële kamerhuur verschuldigd is, aanspraak wordt verleend
                    op de maximum toeslag van 20%. Dit terwijl aan een alleenstaande die bij de
                    ouders inwoont op grond van het huidige beleid geen toeslag en op grond van het
                    voorstel uit deze nota een toeslag van 5% wordt verleend. Het verhogen van de
                    10% toeslag bij een inwonend verdiend kind naar 15% komt neer op een structurele
                    uitgaaf van € 94.378,56 op jaarbasis (136 personen x € 57,83 x 12). Ook langs
                    deze weg is de druk op de kamernood mogelijk weg te nemen. </al><al><onderstreept>Conclusie</onderstreept><vet>:</vet> Via het toeslagenbeleid is
                    mogelijk een bijdrage te leveren aan de kamernood. Het verhogen van de 10%
                    toeslag bij kamerverhuur naar 15% kost € 41.616,- op jaarbasis aan hogere
                    uitgaven voor algemene bijstand. Iedere extra kamerverhuurder bespaart € 693,60
                    op jaarbasis. Bij een toename aan kamerverhuur gelijk aan het huidige aantal van
                    60 is deze variant budgettair neutraal in te vullen. Een rechtsgelijke
                    behandeling vergt, dat de toeslag bij het kunnen delen van de kosten met een
                    inwonend verdienend kind eveneens op 15% wordt vastgesteld. Hiermee is een
                    bedrag gemoeid van € 94.378,56 op jaarbasis. </al><al/><al><vet>Toeslagenbeleid en thuisinwonende alleenstaanden van 22 jaar of ouder.
                    </vet></al><al>In de modelverordening krijgen thuiswonende alleenstaanden een toeslag van 10%.
                    In het huidige, lokale toeslagenbeleid wordt aan deze categorie geen toeslag
                    verleend. Hoe is het verschil in benadering met de modelverordening te
                    verklaren. Hoe verhoudt zich deze toeslag ten opzichte van de 5% toeslag voor
                    een uitwonende alleenstaande van 22 jaar. Is de 10% toeslag uit de
                    modelverordening lager vast te stellen, bijvoorbeeld op 5%. </al><al>Hier geldt als rechtsgrond voor het verhogen of verlagen van het normbedrag: het
                    geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan met een ander. Een alleenstaande die zelfstandig (dus niet met een
                    ander) een woning bewoont, heeft aanspraak op een bijstandsuitkering die is
                    afgestemd op een verdiencapaciteit gelijk aan 70% van het netto minimumloon. Dit
                    komt overeen met een normbedrag van 50% van het netto minimum-loon en een lokale
                    toeslag van 20%. </al><al>Op deze rechtsgrond (met een ander de kosten kunnen delen) is onder de Abw geen
                    toeslag verleend aan alleenstaanden, die thuis inwonen en die geen zelfstandige
                    huur verschuldigd zijn. Dit overeenkomstig de normensystematiek uit de oude
                    Algemene Bijstandswet (van voor 1995) waarbij de gezinsrelatie en de
                    inkomenspositie van het kind mede bepalend waren voor de hoogte van de
                    toenmalige normen voor jongeren. De Centrale Raad van Beroep heeft de
                    toeslagenverordening van Rotterdam, waarbij een forfaitaire toeslag van 10% was
                    vastgesteld voor alleenstaanden van 21 jaar en ouder bij kostendelen -
                        <cursief>tenzij het een meerderjarig thuisinwonend kind betrof </cursief>–
                    onverbindend verklaard. De C.R.v.B. overwoog hiertoe, omdat:</al><lijst><li nr="-"><al>in het algemeen niet zonder nadere motivering gezegd kan worden, dat een
                            thuis- inwonende zich voor lagere bestaanskosten ziet geplaatst dan de
                            alleenstaande in wiens woning een ander (niet zijnde een ouder) zijn
                            hoofdverblijf heeft en wiens schaalvoordeel daarom op 10% is
                            geschat;</al></li><li nr="-"><al>de omstandigheid dat de relatie tussen ouder en kind een andere, niet of
                            minder commerciële is dan tussen andere inwonenden brengt dit --bij
                            gebreke van een wettelijke onderhoudsplicht t.a.v. kinderen van 21 jaar
                            of ouder— niet zonder meer mee;</al></li><li nr="-"><al>de aanname dat een uitkering van 50% toereikend is voor een
                            bijstandsgerechtigd kind van 21 jaar en ouder dat bij zijn ouder(s)
                            inwoont, tevens impliceert de veronderstelling dat de betrokkene de
                            noodzakelijke bestaanskosten met een ander kan delen als ware hij gehuwd
                            en</al></li><li nr="-"><al>voor een kind dat bij zijn ouders inwoont het hebben van enig
                            schaalvoordeel niet kan worden uitgesloten, maar dat m.b.t. het kunnen
                            delen van die kosten in zijn algemeenheid geen sprake is van een
                            situatie die op dit punt geheel vergelijkbaar is met die van
                            gehuwden.</al></li></lijst><al>Deze overwegingen gaven niet eerder aanleiding tot bijstelling van het lokale
                    toeslagenbeleid voor thuisinwonende alleenstaanden, omdat: - de
                    afhankelijkheidsrelatie van het kind ten opzichte van de ouder </al><al> een toereikende rechtvaardiging was om bloedverwanten in de 1<sup>e</sup></al><al> graad per definitie niet als ongehuwd samenwonenden aan te </al><al> merken (Memorie van Toelichting Abw) en</al><al>-de veronderstelling niet werd onderschreven dat bij een 50% </al><al>- normbedrag de betrokkene de noodzakelijke kosten van het bestaan </al><al>- kan delen alsof hij gehuwd was. </al><al>Het niet onderschrijven van de zienswijze van de CRvB over de relatie tussen het
                    50% norm-bedrag en het kunnen delen van de kosten alsof men gehuwd was, is als
                    volgt toe te lichten. Een <onderstreept>alleenwonende</onderstreept>
                    alleenstaande van 23 tot 65 jaar, die de woning dus niet met een ander deelt,
                    heeft recht op een normbedrag van 50% en een toeslag van 20%. Het normbedrag van
                    50% van het netto minimumloon is gelijk aan de helft van het normbedrag voor
                    gehuwden (dus gelijk aan het aandeel per echtgenoot/partner). Het verhogen van
                    het 50% normbedrag met een toeslag van 2 x 10% van het netto minimumloon voor
                    alleenwonende alleenstaanden wordt als volgt verklaard:</al><al><cursief>a. een toeslag van 10% ter aanvulling op de normhuur. </cursief>De
                    normhuur is de ondergrens van de huur die niet voor huursubsidie in aanmerking
                    komt. Deze normhuur moeten gehuwden betalen uit hun normbedrag, dat gelijk is
                    aan 100% van het netto minimumloon. In het normbedrag voor gehuwden zit in het
                    50% aandeel per partner dus een compensatie die gelijk is aan de helft van de
                    normhuur. Per partner komt deze compensatie neer op 10% van het netto
                    minimumloon (en is daarmee gelijk aan een toeslag van 10%). Een alleenstaande
                    die alleen een woning bewoont, is zelfstandig een huur/woon-kosten verschuldigd.
                    In diens 50% normbedrag, dat gelijk is aan de bijstandsnorm per partner bij
                    gehuwden, zit een compensatie die gelijk is aan de helft van de normhuur. Om de
                    huur/ woonlasten te kunnen betalen heeft een alleenwonende alleenstaande een
                    aanvulling nodig voor de andere helft van de normhuur ofwel een toeslag van 10%. </al><al><cursief>b. toeslag van 10% i.v.m. duurder huishouden voor
                        alleenwonenden</cursief></al><al>Het huishouden voor een alleenwonende alleenstaande is duurder dan dat voor
                    gehuwden (lees: twee samenwonenden partners). Zo is het huis verwarmen voor 1
                    persoon net zo duur als voor twee partners; het eten koken voor 1 persoon is net
                    zo duur als voor 2, abonnement krant is voor een alleenstaande net zo duur als
                    voor gehuwden e.d.).</al><al>In tegenstelling tot een alleenwonende alleenstaande kan een bij de ouders
                    inwonend meerderjarig kind (dat voor de toepassing van de Abw en WWB als
                    alleenstaande wordt aangemerkt) de kosten van het bestaan geheel of gedeeltelijk
                    met een ander delen. Voor en thuis-inwonend kind bestaat er geen noodzaak voor
                    het verhogen van het 50% normbedrag met de 10%-aanvulling voor de normhuur. Dit
                    omdat een thuisinwonend kind geen zelfstandige huur/ woonlasten verschuldigd is.
                    Als de ouders zijn aangewezen op een bijstands-uitkering wordt de verlaging van
                    hun normbedrag beperkt tot 10%. De ouders worden dus volledig gecompenseerd in
                    de kosten voor de normhuur. </al><al>Omdat een thuisinwonend kind voorts geen zelfstandige huishouding voert,
                    ontbreekt ook de noodzaak voor de 10% toeslag ter compensatie van de duurdere
                    zelfstandige huishouding. Hierin lag de verklaring voor het niet toekennen van
                    een toeslag aan thuisinwonende alleen-staanden. Verder is arbitrair de
                    opvatting, dat bij een 50% normbedrag de betrokkene de noodzakelijke kosten van
                    het bestaan kan delen alsof hij gehuwd was. Immers ook voor gehuwden/
                    samenwonenden die de kosten kunnen delen met een ander dan de echtgenoot/
                    partner wordt hun normbedrag met 10% verlaagd tot 90% van het netto minimumloon
                    (en resteert een bijstandsuitkering van 45% per partner). </al><al>Een thuis inwonende alleenstaande kostendeler en zijn/haar ouder(s) behoren naar
                    uitgangspositie vergeleken te worden met gehuwden die de kosten kunnen delen met
                    een ander dan de echtgenoot en met de daaraan gekoppelde verlaging van hun
                    normbedrag. Het tot 90% verlaagde normbedrag voor gehuwden die de kosten kunnen
                    delen met een ander komt per partner neer op een bijstandsuitkering 45% van het
                    netto minimumloon. Dit aandeel per partner is lager dan het 50%-normbedrag voor
                    een thuisinwonend kind dat de kosten kan delen. Om deze reden is een
                    vergelijking met gehuwden die de kosten kunnen delen met een ander meer
                    aangewezen, consistent en juist dan een vergelijking tussen echtgenoten/partners
                    als zodanig. Verder is de som van de bijstandsuitkering van het thuisinwonend
                    meerderjarig kind en diens ouder(s) steeds hoger dan het 100% normbedrag voor
                    gehuwden. </al><al>Naar het oordeel van de sector Sociale Zaken staat het huidig toeslagenbeleid
                    voor een bij diens ouders thuisinwonende kind (alleenstaande) in een correcte
                    verhouding tot de bijstandsuitkering voor gehuwden die de kosten kunnen delen
                    met een ander. Gelet op deze onderbouwing is overname van de 10% toeslag uit de
                    model toeslagenverordening niet verplicht. In dit verband wordt nog opgemerkt
                    wordt dat de toeslagenverordening–Abw door de gemeente-advocaat is getoetst en
                    juridisch in orde bevonden. </al><al>Uit een oogpunt van het verbeteren van de inkomenswaarborg kan aan de doelgroep
                    alleenstaanden die thuis inwonen desgewenst wel een 5% of 10% toeslag worden
                    verleend. Wie het meerdere mag (geen toeslag verlenen) mag ook het mindere (een
                    beperkte toeslag geven). Mede gelet op de vele bezuinigingen van het rijk,
                    waaronder de versobering van het ziektekostenpakket (tandartskosten vanaf 18
                    jaar en anticonceptie vanaf 21 jaar voor eigen rekening), wordt voorgesteld om
                    alleenstaanden van 23 tot 65 jaar, die thuis inwonen en dus de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen met een ander, aanspraak te
                    geven op een toeslag van 5%. </al><al>Hoe verhoudt zich op grond van het huidige Abw-beleid het niet toekennen van een
                    toeslag aan alleenstaanden die thuis inwonen ten opzichte van de 5% toeslag voor
                    alleenstaanden van 22 jaar. Een alleenstaande van 22 jaar, die alleen woont en
                    dus de kosten niet met een ander kan delen, heeft in beginsel aanspraak op een
                    toeslag van 5%. Dit met toepassing van de rechtsgrond over hoogte
                    bijstands-uitkering en de verdiencapaciteit tegen het minimumjeugdloon.
                    Daarnaast moet een 22 jarige alleenstaande voor het verkrijgen van deze toeslag
                    nog wel voldoen aan de overige vereisten, zoals het niet kunnen delen van de
                    kosten met een ander. Als de kosten kunnen worden gedeeld met een ander wordt
                    ook aan hen geen toeslag toegekend. Hiermee staat de bijstandsuitkering voor 22
                    jarige alleenstaanden in een gelijke verhouding tot die voor alleenstaanden van
                    22 tot 65 jaar die thuis inwonen.</al><al><onderstreept>Conclusie</onderstreept>: Alleenstaanden die thuis inwonen kunnen
                    de kosten delen met een ander. Het niet toekennen van een toeslag aan deze groep
                    staat in een correcte verhouding tot het normbedrag voor gehuwden die de kosten
                    kunnen delen met een ander dan de echtgenoot/ partner. Van de mogelijkheid tot
                    het verbeteren van de inkomenswaarborg voor deze categorie wordt gebruik gemaakt
                    door hen aanspraak te geven op een toeslag van 5%.</al><al/><al><vet>Toeslagenbeleid en alleenstaanden van 21 of 22 jaar.</vet></al><al>Waarom krijgt een alleenstaande van 21-jaar geen toeslag en een alleenstaande
                    van 22-jaar een 10%-toeslag, terwijl hun algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan niet wezenlijk verschillen? </al><al>Is een verschil in toeslag voor een 21- en 22-jarige alleenstaande te
                    rechtvaardigen als hun algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet
                    wezenlijk verschillen? </al><al>Ja, omdat een zodanige vergelijking niet redelijk en billijk is. De WWB schrijft
                    voor dat alleenstaanden van 21 tot 65 jaar, in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft en die de kosten van het bestaan niet met een ander kan
                    delen, recht heeft op een lokale toeslag van maximaal 20% van het netto
                    minimumloon. Voor deze doelgroep is daarmee de bijstandsuitkering ter
                    voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan vastgesteld op
                    70% van het netto minimumloon. De WWB regelt voorts, dat voor een alleenstaande
                    van 21 of 22 jaar de toeslag afwijkend kan worden vastgesteld als deze, gezien
                    de hoogte van het minimumjeugdloon, een belemmering kan vormen voor het
                    aanvaarden van betaalde arbeid. </al><al>Om effecten van werkloosheidsval: situatie waarbij het aanvaarden van betaald
                    werk niet loont omdat de bijstandsuitkering hoger is dan het (minimumjeugd)loon
                    uit betaald werken, te voorkomen dient er een juiste afstemming te zijn tussen
                    de verdiencapaciteit van jongeren en de bijstandsuitkering. De verdiencapaciteit
                    in de vorm van het minimumjeugdloon verschilt voor een 21- en 22-jarige
                    alleenstaande. Gelet hierop werd onder de werking van de Abw aan een
                    alleenstaande van 21 jaar geen toeslag en van 22-jaar een 10% toeslag verleend.
                    In het verschil in verdiencapaciteit ligt de verklaring voor het verschil in
                    lokale toeslag. </al><al>Per 1 januari 2004 is het netto minimumjeugdloon voor een 21 jarige € 786,- per
                    maand en voor een 22-jarige € 906,-. Het 50% normbedrag voor een alleenstaande
                    van 21 tot 65 jaar bedraagt € 578,27. Normbedrag + maximale toeslag van 20% (€
                    231,31) komt neer op een bijstandsuitkering van € 809,58 per maand. Voor een
                    21-jarige ligt het normbedrag plus de maximale toeslag <cursief>hoger</cursief>
                    dan hij met werken tegen het minimumjeugdloon kan verdienen. Voor een 22-jarige
                    is het normbedrag plus de maximum toeslag <cursief>lager</cursief> dan diens
                    verdiencapaciteit tegen het minimumjeugdloon. </al><al>Voor alleenstaanden van 23 tot 65 jaar is de bijstandsuitkering afgestemd op een
                    verdiencapaciteit gelijk aan 70% van het netto <cursief>minimumloon</cursief>.
                    Uit een oogpunt van objectivering, redelijkheid en billijkheid wordt voorgesteld
                    om voor alleenstaanden van 21- en 22-jaar de bijstandsuitkering af te stemmen op
                    hetzelfde percentage (70%) van het netto
                            <cursief>minimum<onderstreept>jeugd</onderstreept>loon.</cursief> Voor
                    een 21 jarige komt 70% van het netto minimumjeugdloon ad € 786,- neer op €
                    550,20. Het normbedrag ad € 578,27 is € 28,- per maand hoger dan70% van
                    deverdien-capaciteit tegenhetnetto minimumjeugdloon. Voor een alleenstaande van
                    21 jaar is een lokale toeslag niet aangewezen. Dit om effecten van
                    werkloosheidsval te voorkomen. </al><al>Voor een 22 jarige komt 70% van het netto minimumjeugdloon ad € 906,- neer op €
                    634,20. Normbedrag van € 578,27 + huidige toeslag van 10% ofwel € 115,65komen
                    neer op een bijstandsuitkering van € 693,92 per maand. De bijstandsuitkering is
                    dan ± € 60,- per maand hoger dan 70% van de verdiencapaciteit tegen het netto
                    minimumjeugdloon. Bij een toeslag van 5% komt de bijstandsuitkering op € 636,-
                    per maand(norm ad € 578,27,- plus 5%-toeslag ad € 57,80). De bijstandsuitkering
                    is net iets hoger dan 70% van de verdien-capaciteit tegen het netto
                    minimumjeugdloon. </al><al>Gelet hierop wordt voorgesteld de toeslag voor een 22 jarige alleenstaande nader
                    vast te stellen op 5% (was 10%). Als overgangsrecht kunnen 22-jarigen met een
                    bestaande 10% toeslag deze behouden tot het bereiken van de 23 jarige
                    leeftijd.</al><al><onderstreept>Conclusie</onderstreept>: Als inkomenswaarborg op minimumniveau is
                    het redelijk en billijk om het lokaal toeslagenbeleid voor 21 en 22 jarige
                    alleenstaanden af te stemmen op een verdiencapaciteit van 70% van het
                    toepasselijk minimumjeugdloon. Hierdoor is de toeslag voor een 21 jarige
                    alleenstaande te handhaven op 0% en die voor een 22 jarige nader vast te stellen
                    op 5% (was 10%).</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 1. Begripsomschrijving.</cursief>art 1, onder c en d
                        (toeslag en verlagen)</vet></al><al>De zinsnede "ten hoogste" duidt er op dat het verhogen en verlagen van het
                    normbedrag op grond van het lokaal toeslagbeleid kan variëren van 0 tot 20% van
                    het normbedrag voor gehuwden waarvan beide partners 21 tot 65 jaar zijn
                    (normbedrag is gelijk aan het netto minimumloon). art 1, onder d (woonkosten).
                    Met "woonruimte" wordt aangegeven dat hieronder ook begrepen zijn een woonwagen
                    en een woonschip. Met woonkosten wordt bedoeld de kale huur bij het huren van
                    woonruimte of de eventuele hypotheekrente, de kosten van onderhoud of andere
                    zakelijke lasten voor eigenaren van een zelfbewoonde woonruimte in eigendom. art
                    1, onder e (woonlasten). Onder woonlasten wordt verstaan de aantoonbaar
                    verschuldigde kosten als gevolg van het (mede)gebruik van de in de
                    verblijfswoning aanwezige voorzieningen. Het onderscheid tussen woonkosten en
                    woonlasten is nodig, om een belanghebbende zonder vast verblijfadres en dus
                    zonder woonkosten maar met aantoonbare woonlasten, voor een toeslag in
                    aanmerking te kunnen brengen. art 1, onder f (commerciële basis). </al><al>De vereiste instemming van de eigenaar biedt een mogelijkheid tot verificatie
                    bij de betrokken eigenaar. Dit geeft tevens een handvat om oneigenlijk gebruik
                    terug te dringen, omdat woonconstructies zonder medeweten van de eigenaar buiten
                    toepassing blijven. Verder sluit het begrip
                    "zelfstandig-geschikt-zijn-voor-bewoning" constructies uit, waarbij wordt
                    gewoond in bergingen, gangen of met meerderen in woonruimte voor
                    eenpersoonshuishoudens en dergelijke. Het moet voorts duidelijk zijn dat een
                    belanghebbende vanuit de te onderhuren woonruimte in maatschappelijk opzicht
                    functioneert (woont, leeft, recreëert etc). </al><al>Het aanhouden van een huurprijs gelijk aan de ondergrens van de niet
                    subsidiabele huur voor de toepassing van de individuele huursubsidie is redelijk
                    en billijk. Dit mede gelet op de hoogte van het volgens de Coördinatiewet
                    sociale verzekeringen toe te rekenen bedrag voor loon in natura bij vrije
                    huisvesting. art 1, onder h (zorgbehoevend). Voor het beoordelen van de
                    zorgbehoevendheid kan aansluiting worden gezocht bij een voor de belanghebbende
                    afgegeven indicatie-stelling. De relatie zorgbehoevende en verzorger mede wordt
                    mede getoetst aan de mogelijkheden binnen het traject van voorzieningen als
                    thuis-/ gezinszorg e.d. Van zorgbehoevendheid is dus ook sprake bij en positieve
                    indicatiestelling waarvoor een zorginstelling (nog) niet aan de hulpvraag kan
                    voldoen. Deze uitzondering kan bijdragen aan het zelfstandig blijven wonen van
                    zorgbehoevenden. </al><al/><al><vet><cursief>artikel 2. Rechtsgronden</cursief></vet></al><al>De gemeente Tilburg maakt geen gebruik van de mogelijkheid tot het verlagen van
                    de landelijk vastgestelde <cursief>normbedragen</cursief> voor jongeren van 18
                    tot 21 jaar en voor alleenstaanden en alleenstaande ouders van 21 tot 65 jaar.
                    Voor alleenstaande en alleenstaande ouders wordt de maximum toeslag afwijkend
                    vastgesteld binnen de bandbreedte 0 tot 20%.</al><al>De gemeente Tilburg maakt voorts geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot
                    het tijdelijk voor de duur van een half jaar verlagen van het normbedrag na
                    schoolverlaten. Dit uit een oogpunt van vereenvoudiging van de uitvoering.
                    Schoolverlaters verkrijgen hierdoor in vergelijk met het inkomen uit WSF of WTOS
                    gedurende het eerste half jaar na schoolverlaten een hoger inkomen via de
                    bijstand. Instroombeperking c.q. uitstroombevordering via sluitende aanpak
                    behoren er toe bij te dragen dat deze specifieke doelgroep geen respectievelijk
                    een kort beroep behoeven te doen op algemene bijstand. </al><al>Het "kunnen delen" van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wijst er
                    op, dat in voorkomende gevallen niet bepalend is of ook feitelijk de
                    bestaanskosten met een ander worden gedeeld, maar of het redelijk is ervan uit
                    te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. Een toeslag is dus niet
                    afhankelijk gesteld van het feit of een medebewoner die daartoe financieel in
                    staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in de kosten. Om een duidelijke en
                    eenduidige uitwerking te verkrijgen is per leefvorm de mate van verhoging of
                    verlaging van het normbedrag uitgewerkt. Hierdoor zijn de aanspraken in één
                    artikel per leefvorm te regelen. Dit vergroot de toegankelijkheid van de
                    verordening. </al><al/><al><vet><cursief>artikel 3. Toeslagsystematiek voor een alleenstaande.</cursief>
                        art 3, lid 1 en 2 (21 en 22 jarige alleenstaande).</vet></al><al>Het verlenen van de maximum toeslag aan 21 en 22 jarige alleen-staanden kan een
                    reële belemmering vormen voor het aanvaarden van werk. Hierom is een juiste
                    afstemming tussen bijstandsuitkering en verdiencapaciteit tegen het
                    minimumjeugdloon aangewezen. Voor alleenstaanden van 23 tot 65 jaar is de
                    bijstandsuitkering afgestemd op een verdiencapaciteit gelijk aan 70% van het
                    netto <vet><cursief>minimumloon</cursief></vet>. Uit een oogpunt van
                    objectivering, redelijkheid en billijkheid is voor alleenstaanden van 21- en
                    22-jaar de bijstandsuitkering afgestemd op hetzelfde percentage (70%) van het
                    netto <vet><cursief>minimumjeugdloon. </cursief></vet> Gelet hierop is de
                    toeslag voor een 21 jarige forfaitair vastgesteld op 0% en voor een 22 jarige op
                    5% van het netto minimumloon. </al><al>De 5% toeslag is aangewezen als een 22 jarige alleenstaande de kosten niet of
                    niet geheel kan delen met een ander of als de woon-situatie daartoe aanleiding
                    geeft. Dit betekent, dat een alleenstaande van 22 jaar, die geen woning aanhoudt
                    of die geen woonkosten verschuldigd zijn, géén recht op de 5% toeslag heeft.
                    Omdat een 21 jarige alleenstaande reeds op grond van de verhouding tot het
                    minimumjeugdloon geen aanspraak heeft op een toeslag heeft, is deze buiten de
                    werkingssfeer van de aanvullende bepalingen over het afwijkend vaststellen van
                    de toeslag gelaten. </al><al>Art 3, lid 3 (20% toeslag voor een alleenstaande van 23 tot 65 jaar).</al><al>Deze bepaling voldoet aan de verplichting uit artikel 25 van de WWB </al><al>die voorschrijft dat bij het niet kunnen delen van de noodzakelijke kosten van
                    het bestaan met een ander, aanspraak bestaat op de maximum toeslag van 20%. Dit
                    voor zover er geen samenloop is met een of meer andere rechtsgronden voor het
                    afwijkend vaststellen van de toeslag.</al><al>Art 3, lid 4 (15% toeslag voor een alleenstaande van 23 tot 65 jaar).</al><al>Uit een oogpunt van de woningnood onder jongeren wordt onderverhuur van
                    woonruimte aan derden gestimuleerd. Om deze reden is het voordeel uit
                    onderverhuur gematigd vastgesteld en is in deze situatie de toeslag forfaitair
                    vastgesteld op 15%. Dit ongeacht het aantal onderhuurders, tenzij sprake is van
                    een (vergunningplichtig) pensionbedrijf. Bij samenloop met een of meer andere
                    rechtsgronden is de toeslag nader afwijkend vast te stellen.</al><al>Art 3, lid 5 (10% toeslag voor een alleenstaande van 23 tot 65 jaar). De toeslag
                    kan afwijkend worden vastgesteld als de noodzakelijke kosten van het bestaan
                    kunnen worden gedeeld met een ander (art 25 WWB) of als de woonsituatie daartoe
                    aanleiding geeft waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning (art 27
                    WWB). </al><al>Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door de toeslag bij “kosten delen”
                    --anders dan uit commerciële onderverhuur – voor de hoofdbewoner forfaitair vast
                    te stellen op 10% van het netto minimumloon. In vergelijk met een persoon die
                    alleen een woning bewoont levert een gezamenlijke huisvesting een schaalvoordeel
                    op. Dit voordeel heeft zowel betrekking op woonkosten (in uitgebreide of
                    beperkte zin) als op alle andere uitgaven waarbij gedacht wordt aan duurzame
                    gebruiksgoederen, vaste lasten en diverse andere kosten. Een geconcretiseerde
                    opsomming ervan is niet mogelijk, gelet op de verscheidenheid en aard van deze
                    kosten. </al><al>Art 3, lid 6 (5% toeslag voor alleenstaande 23-65 jaar die thuis inwoont). De
                    rubriek "Toeslagenbeleid en thuisinwonende alleen-staanden van 22 jaar of ouder"
                    uit de algemene toelichting geeft hierover voldoende duidelijkheid. </al><al>Bij een gezamenlijke huisvesting van bloedverwanten in de eerste graad
                    (ouder&lt;--&gt; meerder-jarig kind v.v.) kan zowel de ouder als het kind op
                    bijstand aangewezen raken. Het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan wordt afhankelijk gesteld van het kunnen leveren van een
                    bijdrage in deze kosten. Het inkomen van een inwonend kind waarbij een
                    substantiële bijdrage in de kosten van de gezamenlijke huisvesting in alle
                    redelijkheid geacht moet worden betaalbaar te zijn, is bepaald op een inkomen
                    van 50% van het minimumloon of hoger. Tot deze inkomensgrens tellen
                    medebewonende bloedverwanten in de eerste graad niet mee als medebewoner en
                    blijven buiten de werkingssfeer van deze bepaling. Bij een inkomen vanaf deze
                    grens wordt een voordeel uit medebewoning billijk geacht. Bij inkomen uit
                    studiefinanciering blijven eventuele bijverdiensten tot het bedrag van de
                    maximum vrijstelling-WSF buiten beschouwing. Op pragmatische grond worden
                    inwonende kinderen tot 21 jaar geacht geen bijdrage te kunnen leveren. </al><al>Een (alleenstaande) ouder van 23 jaar of ouder met uitsluitend inwonende
                    kinderen van 18 tot 21 jaar en of met een of meer WSF-kinderen ontvangt een
                    toeslag van 20%. </al><al><cursief>Niet aanhouden woning/ontbreken woonkosten.</cursief></al><al>In het geval geen woning wordt aangehouden of als geen woonkosten en geen
                    woonlasten verschuldigd zijn, wordt géén toeslag verleend. Dit gelet op het 20%
                    aandeel in het normbedrag voor gehuwden dat bestemd is voor het betalen van de
                    normhuur. De normhuur is het bedrag aan huur dat niet voor huursubsidie in
                    aanmerking komt (onder- grens) en dat uit het normbedrag betaald moeten worden.
                    Het voordeel uit het niet aanhouden van een woning dan wel uit het ontbreken van
                    woonkosten is forfaitair vastgesteld op 20% van het minimumloon (dat is gelijk
                    aan 20% van het normbedrag voor gehuwden). </al><al>Het afwijkend vaststellen van een toeslag van 10% voor het ontbreken van
                    woonkosten maar met woonlasten, komt tegemoet aan de doelgroep zonder vast
                    verblijfadres die anderszins aantoonbaar kosten voor huisvesting verschuldigd
                    zijn. Uit een oogpunt van handhaving zijn hoge eisen gesteld aan de wijze waarop
                    de woonlasten door een belanghebbende aantoonbaar moeten worden gemaakt. Aan
                    zwervers/ daklozen wordt in te maken kosten voor (nacht) opvang zo nodig
                    bijzondere bijstand worden verleend. </al><al><cursief>Medebewoning op niet commerciële basis.</cursief></al><al>Bij het ontbreken van een commerciële basis aan een gezamenlijke huisvesting is
                    sprake van een gezamenlijke huishouding. Als een "huisgenoot" zich voor de
                    toepassing van de WWB presenteert als kostendeler op commerciële basis, vervalt
                    die kwalificatie zodra deze huisgenoot met diezelfde persoon in een registratie,
                    als bedoeld in het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding, als
                    een gezamenlijke huishouding staat geregistreerd staan of hebben gestaan. Immers
                    op grond van genoemd besluit wordt de kwalificatie als partner uit die andere
                    regeling voor de toepassing van de WWB en daarmee dus ook voor de toepassing van
                    de toeslagverordening overgenomen. De bijstand wordt in deze situaties afgestemd
                    op de leefvorm gehuwd/samenwonend. </al><al/><al><vet><cursief>artikel 4. Toeslagsystematiek voor een alleenstaande
                            ouder.</cursief></vet></al><al>Bij het vaststellen van de toeslag voor alleenstaande ouders is dezelfde
                    systematiek toegepast als die voor alleenstaanden van 23 jaar of ouder. Hierom
                    wordt kortheidshalve volstaan met verwijzing naar de corresponderende
                    toelichting op artikel 3. Voor alleenstaande ouders geldt een eenduidige
                    leeftijdsgrens van 21 tot 65 jaar. De differentiatie naar leeftijd voor
                    alleenstaanden (21, 22 of 23 jaar of ouder) is niet van toepassing op een
                    alleenstaande ouder. </al><al>De rechtsgrond voor het afwijkend vaststellen van de toeslag uit artikel 2 onder
                    d van de verordening (hoogte minimumjeugdloon kan een belemmering vormen voor
                    uitstroom) is niet van toepassing op alleenstaande ouders. </al><al/><al><vet>artikel 5. Toeslagsystematiek voor gehuwden/samenwonenden.</vet></al><al/><al>Hiervoor geldt in wezen hetzelfde als bij artikel 4 is opgemerkt. </al><al>Gehuwden/samenwonenden hebben in beginsel aanspraak op bijstand gelijk aan 100%
                    van het netto minimumloon.</al><al>Gelet hierop is voor deze categorie voorzien in de mogelijkheid tot het verlagen
                    van die 100% bijstandsnorm. <cursief>artikel 6. Afstemmen toeslagbeleid en
                        inkomsten uit onderverhuur.</cursief>Artikel 32 van de WWB maakt het
                    mogelijk het voordeel uit onder-verhuur als inkomsten te korten op de bijstand
                    dan wel dit voordeel via het toeslagbeleid te ondervangen. De keuze voor één van
                    deze mogelijkheden moet, ter voorkoming van het dubbel korten, de andere optie
                    uitsluiten. Uit een oogpunt van eenduidigheid is er voor gekozen het inkomen uit
                    onderhuur/kostgangers via de toeslagsystematiek af te handelen. Hierbij is het
                    aantal onderhuurders/kostgangers niet van belang. <cursief>artikel 7.
                        Anti-cumulatiebepaling.</cursief>Met deze bepaling wordt voorkomen, dat er
                    door samenloop van toeslagen zodanige inkomenseffecten optreden waarvan op
                    voorhand vaststaat dat de resterende bijstand ontoereikend is om in de
                    noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Het korten van schaalvoordelen
                    uit samenloop van de in artikel 2 genoemde rechtsgronden wordt beperkt voor
                    zoveel door die samenloop de toeslag het percentage van 20 van het minimumloon
                    te boven gaat. Omdat onder de oude bijstandswet wel cumulatie van met de huidige
                    rechtsgronden voor toeslag vergelijkbare aftrek was toegestaan, ontstaat
                    hierdoor onder omstandigheden een voordeel c.q. een mogelijkheid tot het
                    verhogen van het besteedbaar inkomen (bijv. meer dan één onderhuur/ kostganger;
                    samenloop van inwonend verdienend kind met onderhuur/kostganger). Wanneer zowel
                    hoofd- als medebewoner op een bijstandsuitkering zijn aangewezen, geldt voor
                    beiden het regiem van de toeslagverordening. Dit was overigens onder de oude
                    bijstandswet ook het geval. Voor een zorgbehoevende blijft samenloop met een of
                    meer andere rechts-gronden voor toeslag mogelijk. Dit met in acht name van de
                    anti-cumulatie van rechtsgronden voor verhoging of verlaging. De anti-cumulatie
                    van rechtsgronden laat voorts onverlet de mogelijkheid tot het anderszins
                    afstemmen van de bijstand op grond van artikel 18 WWB: het afstemmen van de
                    algemene bijstand (norm plus eventuele toeslag) op grond van de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. Dit betekent o.a. dat
                    samenloop van het toeslagenbeleid met een bestuurlijke maatregel op grond van de
                    afstemmingsverordening steeds mogelijk is. </al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 10 mei 2004</al><al/><al>de voorzitter, </al><al/><al>de secretaris.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>