<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR82909_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2010, 84</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening WIJ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren 41</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 30</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/350</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verzamelverordening Wet investeren in jongeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><cursief>De raad van de gemeente Tilburg;</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en
                                wethouders;</al></li><li nr="-"><al>gelet op de artikelen 12, 35 en 41 van de Wet investeren in
                                jongeren;</al></li></lijst><al><cursief>Besluit:</cursief></al><al>Vast te stellen de “Verzamelverordening Wet investeren in jongeren”,
                        luidende als volgt:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                            de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>de WIJ of de wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="c."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde
                                            arbeid in het kader van de Wet</al><al> sociale werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk
                                            aanvaard is en niet </al><al> indruist tegen de openbare orde of goede zeden; </al></li><li nr="d."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als
                                            bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,</al><al> onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en
                                            beroepsonderwijs of een </al><al> diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of
                                            voorbereidend weten-schappelijk onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="e."><al>WIJ-norm: het bedrag van de inkomensvoorziening waarop
                                            de jongere volgens hoofd-</al><al> stuk 4 van de WIJ recht heeft, vermeerderd of
                                            verminderd met de door het </al><al> college vastgestelde verhoging of verlaging op grond
                                            van hoofdstuk 5 van </al><al> deze verordening; </al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de WIJ-norm op grond van
                                            artikel 41 van de WIJ;</al></li><li nr="g."><al>benadeling: het bruto bedrag van de verleende WIJ-norm
                                            en/of de kosten van het werkleeraanbod dat door het niet
                                            of niet behoorlijk nakomen van de in artikel 41 genoemde
                                            verplichtingen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
                                            verleend.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het toepassen van hoofdstuk 5 van deze verordening
                                    (toeslagenbeleid) wordt verstaan</al><al> onder: </al><lijst><li nr="a."><al>normbedrag: de toepasselijke naar leefvorm vastgestelde
                                            norm voor de jongere bedoeld</al><al> in de artikelen 26 tot en met 28 van de wet.</al></li><li nr="b."><al>toeslag: het verhogen van het normbedrag voor
                                            alleenstaanden en alleenstaande</al><al> ouders met ten hoogste 20% van het normbedrag voor
                                            gehuwden.</al></li><li nr="c."><al>verlagen: het verlagen van het normbedrag voor gehuwden
                                            met ten hoogste 20 % van</al><al> het normbedrag voor gehuwden.</al></li><li nr="d."><al>woonkosten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het
                                            enkele gebruik van woonruimte</al><al> waarin feitelijk verblijf wordt gehouden.</al></li><li nr="e."><al>woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het
                                            (mede)gebruik van voorzieningen,</al><al> aanwezig in de woonruimte, waarin feitelijk verblijf
                                            wordt gehouden.</al></li><li nr="f."><al>onderhuur/medebewonen op commerciële basis: het
                                            onderhuren/medebewonen van</al><al> woonruimte of een deel ervan op contractbasis,
                                            waarbij:</al><al> 1<sup>e</sup>. het te onderhuren/mede-te-bewonen deel
                                            zelfstandig geschikt is voor </al><al> bewoning,</al><al> 2<sup>e</sup>. de prijs per maand voor het medebewonen
                                            minstens gelijk is aan 15%</al><al> van </al><al> het normbedrag voor gehuwden en</al><al> 3<sup>e</sup>. de onderhuurder/medebewoner staat
                                            ingeschreven in de basis-</al><al> administratie van de gemeente op het
                                            onderhuur-/medebewoonadres.</al><al> g hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of
                                            hoofdhuurder is van woonruimte </al><al> endie in de woonruimte hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="h."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j
                                            van de Wet op de</al><al> huurtoeslag alsmede een woonwagen of woonschip als
                                            bedoeld in artikel </al><al> 3, lid 6, van de Wet werk en bijstand. </al></li><li nr="i."><al>schoolverlater: de persoon die recent de deelname heeft
                                            beëindigd aan onderwijs of een</al><al> beroepsopleiding en die voor het onderwijs of de
                                            beroepsopleiding </al><al> aanspraak had op studiefinanciering WSF of op een
                                            tegemoetkoming in de </al><al> onderwijsbijdrage of schoolkosten op grond van de
                                            WTOS.</al></li><li nr="j."><al>zorgbehoevende: een belanghebbende die, als niet te
                                            samen met een ander de woning </al><al>zou worden bewoond, op basis van een indicatiestelling
                                            zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp zoals
                                            verzorging in een instelling die zich blijkens haar
                                            doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het
                                            bieden van verpleging of verzorging aan aldaar
                                            verblijvende hulpbehoevenden. Onder beroepsmatige hulp
                                            wordt mede begrepen een situatie waarin thuiszorg het
                                            alternatief is voor ambulante zorg of dagverpleging in
                                            een zorg-/verpleeg- instelling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De definities en algemene bepalingen van de WIJ zijn op deze
                                    verordening van toepassing, tenzij in deze verordening anders is
                                    bepaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Werkleeraanbod</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college biedt jongeren, die recht hebben op een
                                    werkleeraanbod, algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                                    de arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling aan. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een
                                    combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                                    de arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere
                                    voorzieningen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook
                                    bestaan uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep
                                    of bedrijf als bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet.</al></li><li nr="4."><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden,
                                    krachten en bekwaam-heden van de jongere, wiens recht op een
                                    werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het
                                    werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en
                                    omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in
                                    hoeverre de wensen van de jongere bij de invulling van het
                                    werkleeraanbod kunnen worden betrokken.</al></li><li nr="5."><al>Het college legt het werkleeraanbod vast in een beschikking dan
                                    wel een polis als bijlage bij de beschikking. De beschikking
                                    bevat in ieder geval een omschrijving van de te verrichten
                                    activiteit naar aard, omvang en plaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking
                                voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het
                                oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare
                                voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die
                                gesteld zijn in deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en
                            naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de
                            arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling aan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 4, kan het college jongeren die recht hebben op een
                            werkleeraanbod, één of meer van de volgende voorzieningen aanbieden: </al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of
                                    medische zorg;</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al>arbeidsactivering en arbeidstoeleiding;</al></li><li nr="d."><al>sociale activering;</al></li><li nr="e."><al>stages bij bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="f."><al>opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen;</al></li><li nr="g."><al>loonkostensubsidies en premies;</al></li><li nr="h."><al>nazorg bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="i."><al>voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid;</al></li><li nr="j."><al>diagnose-instrumenten;</al></li><li nr="k."><al>inburgeringstraject</al></li><li nr="l."><al>ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang,
                                    schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen en taal- en
                                    beroepsgerichte scholing.</al></li><li nr="m."><al>overige voorzieningen die noodzakelijk geacht worden in de
                                    individuele situatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzet van de voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen
                                die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt
                                beoogd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                                duurzame arbeids-participatie van jongeren door het opdoen van
                                werkervaring, het aanleren van vaardig-heden en kennis, het opdoen
                                van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze
                                vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.
                                \</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vult de voorzieningen als bedoeld in het eerste lid voor
                                de jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met
                                scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert,
                                tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
                                opleiding de krachten van de jongere te boven gaat of onvoldoende
                                bijdraagt aan vergroting van de kans op arbeidsinschakeling van de
                                jongere.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Combinatie arbeid en zorg</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het college bij
                            de invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende
                            kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van
                            de jongere. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gehandicapten</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het college het
                            werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de jongere en draagt
                            zorg voor passende voorzieningen ter ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitvoering door derden</titel></kop><al>Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van het
                            werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en
                            re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen
                            aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur
                            uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de
                            verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                            verbonden. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de beschikking of
                            bijgevoegde polis zoals bedoeld in artikel 2 lid 5 van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien als wijziging
                            optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere
                            of als de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende
                            verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit te
                            verwijten valt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kent een andere voorziening toe als het budget voor een
                                bepaalde voorziening is uitgeput.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een jongere
                                een arbeids-overeenkomst sluiten, als tegemoetkoming in de
                                loonkosten en in de kosten van voorbereiding op een beoogd
                                dienstverband met de jongere.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de duur van de subsidie,
                                de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een subsidieplafond vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van
                            een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die
                            kosten verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het college zendt uiterlijk binnen 2 jaar na inwerkingtreding van deze
                            verordening een verslag over de wijze waarop het werkleeraanbod is
                            toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen
                                van dit hoofdstuk als</al><al> toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist in gevallen waarin dit hoofdstuk niet
                                voorziet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Sanctiebeleid (verlagen van de inkomensvoorziening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Maatwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De WIJ-norm wordt verlaagd met een percentage van die norm en met
                                een minimum van 5% oplopend tot maximaal 75%. Per verwijtbare
                                gedraging bedraagt de afstand (bandbreedte)tussen minimum,- en
                                maximumverlaging 25%.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De WIJ-norm wordt niet verlaagd als:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten,</al></li><li nr="b."><al>door het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen
                                        een eerder toegekende inkomensvoorziening is of wordt
                                        opgeschort, herzien of ingetrokken, omdat het</al><al> recht daarop niet (langer) kan worden vastgesteld of </al><al> c het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen
                                        niet heeft geleid tot een </al><al> ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende
                                        inkomensvoorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De WIJ-norm wordt verlaagd voor de duur van een maand, tenzij sprake
                                is van:</al><lijst><li nr="a."><al>samenloop van het niet of onvoldoende nakomen van
                                        verplichtingen, waarbij de hoogte en duur van de maatregel
                                        wordt vastgesteld op het zwaarst verwijtbare gedrag;</al></li><li nr="b."><al>recidive (het binnen 12 maanden opnieuw niet of onvoldoende
                                        nakomen van verplichtingen), waarbij de duur van de
                                        maatregel wordt verdubbeld;</al></li><li nr="c."><al>verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een
                                        afwijkende duur is</al><al> vastgesteld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De maatregel gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt
                                op de maand waarin het besluit bekend is gemaakt, maar niet als het
                                betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>een besluit op een aanvraag of</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de
                                        informatieverplichting en de jongere redelijkerwijs kon
                                        begrijpen dat hij ten onechte of tot een te hoog bedrag
                                        een</al><al> inkomensvoorziening op grond van de WIJ ontving.</al><al> In de situatie onder a en b genoemd, werkt de maatregel
                                        terug tot en met de datum van aanvraag dan wel de dag waarop
                                        het verzuim betrekking heeft. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het besluit waarbij de maatregel wordt opgelegd vermeldt in ieder
                                geval de reden, duur en hoogte van de verlaging en de redenen om af
                                te wijken van de minimumverlaging binnen de gestelde
                                bandbreedte.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, maar niet
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet,</al></li><li nr="b."><al>de jongere zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt
                                        en er geen sprake is</al><al> van nieuwe feiten of omstandigheden, </al></li><li nr="c."><al>binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
                                        inlichtingenverplichting of</al></li><li nr="d."><al>het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst
                                        van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Maatregel bij schenden inlichtingenverplichting met benadeling
                                gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen op
                                    grond van artikel 44, lid 1,</al><al> van de WIJ, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    inkomensvoorziening is</al><al> verleend, wordt de WIJ-norm verlaagd met 10% van de benadeling.
                                    De duur van deze </al><al> verlaging wordt vastgesteld op het aantal maanden dat gelijk is
                                    aan de naar boven op hele </al><al> maanden af te ronden uitkomst van de som: benadeling gedeeld
                                    door de WIJ-norm die op </al><al> de jongere van toepassing is. </al></li><li nr="2."><al>Het percentage van de maatregel in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld bij misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                                    inkomensvoorziening waarbij gebruik is gemaakt van een
                                    vernuftige constructie van misleiden of van het verzwijgen van
                                    inkomen uit criminele activiteiten (hennepteelt, drugshandel
                                    e.d.).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Maatregel bij het zich zeer ernstig misdragen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het zich jegens het college, hun ambtenaren, medewerkers van
                                    het UWV WERKbedrijf of ingeschakeld re-integratie of
                                    diagnosebedrijf, zeer ernstig misdragen met betrekking tot het
                                    uitvoeren van de WIJ treedt het agressieprotocol in werking. Dit
                                    houdt in:</al><al>1<sup>e</sup>dat een aanvraag om een werkleeraanbod buiten
                                    behandeling wordt gelaten en </al><al>2<sup>e</sup>dat een al toegekende inkomensvoorziening wordt
                                    beëindigd per de datum van zeer ernstige misdraging.</al><al>Dit omdat het recht op een werkleeraanbod niet is vastgesteld
                                    kunnen worden. Eerst na het doorlopen van de procedures uit het
                                    agressieprotocol (afkoelperiode, ordegesprek, justitiële
                                    aangifte en dergelijke) kan sprake zijn van het afhandelen van
                                    de aanvraag dan wel het herstellen het werkleeraanbod en in het
                                    verlengde daarvan de inkomensvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Bij een herstel van de inkomensvoorziening per de datum van zeer
                                    ernstige misdraging wordt de WIJ-norm verlaagd met 50% voor de
                                    duur van 2 maanden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Maatregel bij het schenden van de medewerkingverplichting gericht
                                op het recht op een werkleeraanbod en op de inschakeling in de
                                arbeid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen op
                                    grond van artikel 45 van de WIJ, wordt de WIJ-norm als volgt
                                    verlaagd:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een werkleeraanbod gericht op de basis- en
                                            middenlaag van de</al><al> participatiepiramide en gericht op:</al><al>1<sup>e</sup>. het aanbieden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid --regulier dan wel</al><al> gesubsidieerd betaalde arbeid-- met 100% voor 1
                                            maand,</al></li></lijst></li><li nr="2e."><al>het aanbieden van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                    (het uiteindelijk kunnen verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid, regulier of gesubsidieerd) waaronder begrepen de met dit
                                    doel aangeboden scholing, opleiding en onder-steuning, met 50
                                    tot 75% voor 1 maand;</al></li><li nr="3e."><al>het aanbieden van onbeloonde arbeid gericht op
                                    arbeidsinschakeling (het uiteindelijk kunnen verkrijgen van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid, regulier of gesubsidieerd):</al><lijst><li nr="-"><al>- met 25 tot 50% voor 1 maand bij hoog uitzicht op het
                                            verkrijgen van die arbeid;</al></li><li nr="-"><al>- met 5 tot 25% voor 1 maand bij laag uitzicht op het
                                            verkrijgen van die arbeid;</al></li><li nr="-"><al>- tot 10% voor 1 maand bij weinig uitzicht op het
                                            verkrijgen van die arbeid.</al><lijst><li nr="b."><al>bij een werkleeraanbod gericht op de toplaag van
                                                  de participatiepiramide met 5 tot 10%</al><al> voor 1 maand.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als uit houding en gedrag van de jongere ondubbelzinnig blijkt
                                    dat deze de verplichtingen uit het eerste lid niet wil nakomen
                                    geldt het maximum van de aangegeven verlaging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Hoogwaardig handhaven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                                de WIJ is ingericht</al><al> naar het landelijk model voor hoogwaardig handhaven. Dit model
                                bestaat uit de volgende </al><al> elementen die in samenhang worden uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>het vroegtijdig voorlichten van burgers over hun rechten en
                                        plichten,</al></li><li nr="b."><al>de dienstverlening optimaliseren,</al></li><li nr="c."><al>het vroegtijdig vaststellen en afhandelen van oneigenlijk
                                        gebruik en misbruik en</al></li><li nr="d."><al>het metterdaad sanctioneren van vastgestelde fraude.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college richt het beleid voor hoogwaardig handhaven bij voorkeur
                                op het voorkomen van fraude.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college maakt gebruik van de diensten van het regionaal
                                coördinatiepunt fraude-</al><al> bestrijding: een kennisnet voor handhaving in de sociale zekerheid
                                gericht op het </al><al> bevorderen van programmatisch handhaven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Voorlichting en communicatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan jongeren met een werkleeraanbod en/of een
                                inkomensvoorziening</al><al> informatie over de rechten en plichten die aan het werkleeraanbod
                                en/of de inkomens-</al><al> voorziening zijn verbonden en de gevolgen van misbruik en
                                oneigenlijk gebruik van de WIJ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de jongere met een werkleeraanbod en/of
                                een inkomens-</al><al> voorziening maandelijks een nieuwsbrief met actuele onderwerpen
                                over rechtmatigheid, </al><al> doelmatigheid en handhaving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Optimaliseren dienstverlening/administratieve
                                lastenvermindering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet er actief op toe, dat in de werkprocessen van de
                                sector Sociale Zaken</al><al> onnodige procedurele belemmering worden weggenomen door:</al><lijst><li nr="-"><al>- het raadplegen van het digitaal klantdossier via
                                        Suwinet-Inkijk, gericht op het voor-</al><al> komen van dubbele uitvraag van gegevens en het ondersteunen
                                        van de controle naar de </al><al> rechtmatigheid van de WIJ en</al></li><li nr="-"><al>- het integreren van de dienstverlening in de samenwerking
                                        met het UWV-WERKbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college ondersteunt jongeren van 18 tot 27 jaar met een
                                werkleeraanbod en/of een</al><al> inkomensvoorziening bij wijze van dienstverlening met een
                                maandelijkse inkomsten-</al><al> verklaring (rechtmatigheidsformulier).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt een inkomensvoorziening in aansluiting op de
                                betaalcyclus van de</al><al> aanvrager. Dit als voorschot en naar de regels van artikel 31 van
                                de WIJ.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>24.</nr><titel>Vroegtijdig vaststellen en afhandelen misbruik/oneigenlijk
                                gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt de controle van de doel- en rechtmatigheid van het
                                werkleeraanbod en van </al><al> de inkomensvoorziening vast in het werkproces van de sector Sociale
                                Zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college past bij de controle naar de doelmatigheid van een
                                werkleeraanbod en de </al><al> aangeboden (flankerende) voorzieningen trajectbewaking toe.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college past bij de controle naar de rechtmatigheid van een
                                werkleeraanbod en/of een </al><al> inkomensvoorziening het zogeheten stoplichtenmodel toe. Dit model
                                gaat uit van het</al><al> principe: hoe groter het risico op misbruik of oneigenlijk gebruik,
                                hoe groter/zwaarder de </al><al> controle. Binnen dit model wordt gewerkt met risicogroepen
                                gebaseerd op risicoprofielen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt bij de controle van de rechtmatigheid van een
                                werkleeraanbod en/of een </al><al> inkomensvoorziening onder meer gebruik van de faciliteiten van het
                                Suwi-net voor het </al><al> maandelijks vergelijken van het uitkeringenbestand met dat van de
                                belastingdienst, het </al><al> UWV-WERKbedrijf en de informatiebeheergroep
                                (studiefinanciering).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college verhoogt de fraude-alertheid van de medewerkers die zijn
                                belast met het </al><al> uitvoeren van de WIJ. Dit door het uitreiken van een fraudekompas
                                (checklist) en het </al><al> ondersteunen van hun werkzaamheden met
                                fraudepreventiemedewerkers.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks een taakstelling vast voor het type en
                                het aantal in te stellen</al><al> fraude(preventie-)onderzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college maakt gebruik van het instrument huisbezoek en neemt
                                daarbij in acht het</al><al> protocol huisbezoek.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het niet meewerken aan een onaangekondigd dan wel onmiddellijk af te
                                leggen huisbezoek</al><al> heeft alleen gevolgen voor het werkleeraanbod en/of de
                                inkomensvoorziening, als sprake is </al><al> van een voor het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod
                                en/of een inkomens-</al><al> voorziening gerechtvaardigd en noodzakelijk huisbezoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Sanctioneren vastgestelde fraude / aangifte justitie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als door het niet nakomen van of handelen in strijd met de
                                    inlichtingenverplichtingen ten onrechte of tot een te hoog
                                    bedrag inkomensvoorziening is verleend, verlaagt het college,
                                    onverminderd het tweede lid, de inkomensvoorziening
                                    overeenkomstig hoofdstuk 3 van deze verordening. Dit met
                                    handhaving van de bevoegdheid van het college tot het
                                    terug-vorderen van de onverschuldigd betaalde
                                    inkomensvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het college doet steeds na goed overleg met het Openbaar
                                    Ministerie justitiële aangifte overeenkomstig de Aanwijzing
                                    Sociale Zekerheidsfraude.</al></li><li nr="3."><al>De zaken bedoeld in het tweede lid, waarin wordt afgezien van
                                    justitiële aangifte of die na het doen van aangifte worden
                                    geseponeerd, worden als zware vorm van fraude afgedaan
                                    overeenkomstig hoofdstuk 3 van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college vordert de ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verleende bruto inkomens-</al><al> voorziening en/of werkleeraanbod uit het niet nakomen van of
                                handelen in strijd met de</al><al> inlichtingenverplichtingen in beginsel volledig terug.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het afzien, matigen en terugvorderen van de onverschuldigd betaalde
                                inkomens-</al><al> voorziening en/of werkleeraanbod vindt plaats overeenkomstig het
                                door het college vastgestelde Beleidskader terug- en invordering Wet
                                werk en bijstand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Verhogen en verlagen van de inkomensvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Toeslag voor een alleenstaande</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een alleenstaande van 21 jaar heeft geen recht op een toeslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een alleenstaande van 22 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in de
                                artikelen 30 en 33</al><al> van deze verordening, recht op een toeslag van 5% in de hierna
                                onder a tot en met c </al><al> genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten
                                        of woonlasten</al><al> verschuldigd is;</al></li><li nr="b."><al>onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij
                                        niet is een bloedverwant</al><al> in de eerste graad van de hoofdbewoner;</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met
                                        uitsluitend een of meer</al><al> bloedverwanten in de eerste graad en hij voor die woning
                                        woonkosten of woonlasten</al><al> verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een alleenstaande van 23 tot en met 26 jaar heeft, onverminderd het
                                bepaalde in de</al><al> artikelen 30 en 33 van deze verordening, recht op een toeslag van
                                20% in de hierna onder a </al><al> tot en met c genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten
                                        verschuldigd is;</al></li><li nr="b."><al>onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij
                                        niet is een bloedverwant</al><al> in de eerste graad van de hoofdbewoner;</al></li><li nr="c."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning
                                        hoofdverblijf heeft met uitsluitend een of meer
                                        bloedverwanten in de eerste graad met (elk) een inkomen tot
                                        50% van het netto minimumloon, <cursief>en </cursief>hij
                                        voor die woning woonkosten verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een alleenstaande van 23 tot en met 26 jaar heeft, onverminderd het
                                bepaalde in de</al><al> artikelen 30 en 33 van deze verordening, recht op een toeslag van
                                15% in de hierna onder a </al><al> en b genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning op
                                        commerciële basis hoofdverblijf</al><al> geeft aan uitsluitend een of meer onderhuurders of
                                        medebewoners, die geen bloed- </al><al> verwant zijn in de eerste graad van de hoofdbewoner, en hij
                                        voor die woning</al><al> woonkosten of woonlasten verschuldigd is en</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning
                                        hoofdverblijf heeft met uitsluitend</al><al> een of meer bloedverwanten in de eerste graad van wie
                                        tenminste een bloedverwant een </al><al> inkomen heeft van 50% of meer van het netto minimumloon en
                                        hij voor die woning </al><al> woonkosten of woonlasten verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een alleenstaande van 23 tot en met 26 jaar heeft, onverminderd het
                                bepaalde in de</al><al> artikelen 30 en 33 van deze verordening, recht op een toeslag van
                                10% in de hierna onder a </al><al> tot en met c genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning uitsluitend
                                        woonlasten verschuldigd</al><al> is;</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning
                                        hoofdverblijf heeft met uitsluitend</al><al> één of meer bloedverwanten in de eerste graad met (elk) een
                                        inkomen tot 50% van het </al><al> netto minimumloon en hij voor die woning uitsluitend
                                        woonlasten verschuldigd is en</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met een of
                                        meer bloedverwanten in</al><al> de eerste graad met (elk) een inkomen van 50% of meer van
                                        het minimumloon en met </al><al> een of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële
                                        basis.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een alleenstaande van 23 tot en met 26 jaar heeft, onverminderd het
                                bepaalde in de</al><al> artikelen 30 en 33 van deze verordening, rechtop een toeslag van 5%
                                als hij bij diens </al><al> ouder(s) inwoont.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Toeslag voor een alleenstaande ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder van 21 tot en met 26 jaar heeft,
                                onverminderd het bepaalde in </al><al> artikel 30, recht op een toeslag van 20% in de hierna onder a tot
                                en met c genoemde </al><al> gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten
                                        verschuldigd is;</al></li><li nr="b."><al>onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij
                                        niet is een bloedverwant</al><al> in de eerste graad van de hoofdbewoner;</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met
                                        uitsluitend één of meer eerste</al><al> graads bloedverwanten met (elk) een inkomen tot 50% van het
                                        minimumloon en hij voor </al><al> die woning woonkosten verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder van 21 tot en met 26 jaar heeft,
                                onverminderd het bepaalde in </al><al> artikel 30, recht op een toeslag van 15% in de hierna onder a en b
                                genoemde gevallen als </al><al> hij:</al><lijst><li nr="a."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning op
                                        commerciële basis hoofdverblijf</al><al> geeft aan uitsluitend één of meer onderhuurders of
                                        medebewoners, die geen bloed- </al><al> verwant zijn in de eerste graad van de hoofdbewoner, en hij
                                        voor die woning</al><al> woonkosten of woonlasten verschuldigd is en</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning
                                        hoofdverblijf heeft met uitsluitend</al><al> één of meer bloedverwanten in de eerste graad van wie
                                        tenminste een bloedverwant een</al><al> inkomen heeft van 50% of meer van het netto minimumloon en
                                        hij voor die woning </al><al> woonkosten of woonlasten verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder van 21 tot en met 26 jaar heeft,
                                onverminderd het bepaalde in </al><al> artikel 30, recht op een toeslag van 10% in de hierna onder a tot
                                en met c genoemde </al><al> gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning uitsluitend
                                        woonlasten verschuldigd </al><al> is;</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning
                                        hoofdverblijf heeft met uitsluitend</al><al> één of meer bloedverwanten in de eerste graad met (elk) een
                                        inkomen tot 50% van het </al><al> netto minimumloon, en hij voor die woning uitsluitend
                                        woonlasten verschuldigd is en</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met een of
                                        meer bloedverwanten in</al><al> de eerste graad met (elk) een inkomen van 50% of meer van
                                        het minimumloon en met </al><al> een of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële
                                        basis.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder van 21 tot en met 26 jaar heeft,
                                onverminderd het bepaalde in artikel 30, recht op een toeslag van 5%
                                als hij/zij inwoont bij een bloedverwant in de eerste graad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Verlagen normbedrag gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het normbedrag voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 tot en
                                    met 26 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 30,
                                    verlaagd met 5% in de hierna onder a en b genoemde gevallen als
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning
                                            hoofdverblijf geven aan uitsluitend een of meer
                                            onderhuurders of medebewoners op commerciële basis die
                                            geen bloedverwanten zijn in de eerste graad van de
                                            hoofdbewoner of diens partner en zij voor die woning
                                            woonkosten of woonlasten verschuldigd zijn en</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning
                                            hoofdverblijf hebben met uitsluitend één of meer
                                            bloedverwanten in de eerste graad van wie tenminste een
                                            bloedverwant een inkomen heeft van 50% of meer van het
                                            nettominimumloon en hij voor die woning woonkosten of
                                            woonlasten verschuldigd is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 21 tot
                                    en met 26 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel
                                    30, verlaagd met 10% in de hierna onder a tot en met c genoemde
                                    gevallen, als zij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewonen en zij voor die woning
                                            uitsluitend woonlasten verschuldigd</al><al> zijn;</al></li><li nr="b."><al>hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning
                                            hoofdverblijf hebben met uitsluitend een of meer
                                            bloedverwanten in de eerste graad met (elk) een inkomen
                                            tot 50% van het netto minimumloon en zij voor die woning
                                            uitsluitend woonlasten verschuldigd zijn en</al></li><li nr="c."><al>als hoofdbewoners hoofdverblijf hebben in de woning met
                                            één of meer bloedverwanten in de eerste graad met (elk)
                                            een inkomen van 50% of meer van het minimumloon, en met
                                            een of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële
                                            basis.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 21 tot
                                    en met 26 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel
                                    30, verlaagd met 15% als zij samen met een bloedverwant in de
                                    eerste graad hun hoofdverblijf hebben in de woning van die
                                    bloedverwant.</al></li><li nr="4."><al>Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 21 tot
                                    en 26 jaar zijn, wordt,</al><al>behoudens het bepaalde in artikel 30, verlaagd met 20% in de
                                    hierna onder a en b genoemde gevallen als zij:</al><lijst><li nr="a."><al>geen woning aanhouden of geen woonkosten en geen
                                            woonlasten verschuldigd zijn en</al></li><li nr="b."><al>in hun woning hoofdverblijf hebben met een onderhuurder
                                            of medebewoner, niet zijnde een bloedverwant in de
                                            eerste graad, op niet commerciële basis.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Verhogen of verlagen normbedrag bij zorgbehoevendheid</titel></kop><al>Een zorgbehoevende die door een hoofd- of medebewoner wordt verzorgd dan
                            wel een</al><al>verzorger die een zorgbehoevende hoofd- of medebewoner verzorgt, wordt
                            voor wat betreft hun onderlinge zorgrelatie, niet als kostendelende
                            hoofd- of medebewoner aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Afstemmen toeslagbeleid op inkomstenkorting</titel></kop><al>Bij de keus tussen het verhogen dan wel het verlagen van het normbedrag
                            op grond van deze verordening of het als inkomen in aanmerking nemen van
                            de besparing op de woonlasten uit het met een of meer huurders,
                            onderhuurders of kostgangers bewonen van de woning, heeft toepassing van
                            deze verordening voorrang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Samenloop rechtsgronden verhogen of verlagen normbedrag</titel></kop><al>Bij samenloop van toepasselijke rechtsgronden wordt het verhogen dan wel
                            het verlagen van</al><al>het normbedrag vastgesteld op maximaal 20% van het normbedrag voor
                            gehuwden in totaal. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Toeslag bij samenloop WIJ en Wet werk en bijstand</titel></kop><al> (WWB)</al><al>Geen recht op toeslag heeft de gehuwde in de leeftijd van 21 tot en met
                            27 jaar, waarvan de andere partner recht heeft op een uitkering voor
                            algemene bijstand op grond van de WWB en er geen sprake is van ten laste
                            komende kinderen. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>artikel</label><nr>34.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al> 1. Deze verordening treed in werking op de eerste dag van de
                            kalendermaand volgend op de </al><al> dag van publicatie en werkt terug tot en met 1 oktober 2009.</al><al>2.Deze verordening wordt aangehaald als “Verzamelverordening WIJ”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 december 2009 </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al>De WIJ verplicht om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle jongeren
                    van 16 tot en met 26 jaar, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
                    Daartoe moeten de gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen.
                    Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening (uitkering) voor
                    jongeren vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze
                    inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod: </al><lijst><li nr="-"><al>- geen optie is door in de persoon van de jongere gelegen
                            omstandigheden,</al></li><li nr="-"><al>- geen optie is door niet verwijtbare omstandigheden van de kant van de
                            jongere,</al></li><li nr="-"><al>- onvoldoende inkomsten genereert of</al></li><li nr="-"><al>- nog niet kan worden gedaan.</al></li></lijst><al>De samenhang tussen het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening is een bepalend
                    element in de WIJ. De relatie tussen werken/leren en een uitkering is
                    fundamenteel anders dan in de WWB, waarin het recht op bijstand vooropstaat met
                    als afgeleide de plicht tot arbeids-participatie. Het WWB uitgangspunt: "een
                    uitkering, mits" is in de WIJ omgezet in "geen uitkering, tenzij". </al><al>Binnen de WIJ geldt, evenals in de WWB, een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een werkleeraanbod en eventueel
                    een inkomens-voorziening aan te bieden. De jongere is verplicht zich te houden
                    aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken en dient de inkomensvoorziening verlaagd te
                    worden (artikel 41, eerste lid WIJ).</al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>algemene bepalingen - artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis
                        als in de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals ‘werkleeraanbod’,
                        ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw gedefinieerd. Wel
                        gedefinieerd zijn de begrippen ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ en
                        ‘startkwalificatie’, omdat deze in de WIJ niet nader zijn omschreven. </al><al>De WIJ spreekt van inkomensvoorzieningnorm en van het bedrag van de
                        inkomensvoorziening, waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt bedoeld. De
                        term WIJ-norm is opgenomen voor de gewenste eenduidigheid en voor het
                        vergroten van de leesbaarheid. </al><al>Het begrip "benadeling" is opgenomen, omdat dit begrip uitgangspunt is bij
                        het vaststellen van de duur van de maatregel bij schending van de
                        informatieplicht. Onder bruto WIJ-norm wordt verstaan de (inmiddels)
                        afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding
                        Zorgverzekeringswet. Als er nog geen afdracht is geweest aan belasting etc.
                        blijft de benadeling beperkt tot de netto verstrekte WIJ-norm. Onder
                        benadeling is begrepen een ten onrechte geclaimd werkleeraanbod. Voor het
                        vaststellen van deze kosten kan worden volstaan met een raming van de
                        daaraan verbonden (inkoop-)kosten die ten onrechte zijn benut. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>werkleeraanbod - algemene toelichting</titel></kop><al><vet>alleenstaande ouders: </vet>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in
                        de WIJ is speciale aandacht besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun
                        zorgtaken en mogelijke medische en/of fysieke beperkingen. Daarom geldt voor
                        alleenstaande ouders met een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat
                        het werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of
                        opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een
                        dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat
                        (artikel 17, vierde lid, WIJ). Daarmee loopt deze regeling parallel met de
                        WWB (artikel 9a WWB). Anders dan in de WWB echter is uit oogpunt van
                        deregulering afgezien van een maximale termijn van zes jaar. Dit omdat
                        gezien de maximale duur van het werkleerrecht (van 18 tot 27 jaar) deze
                        maximale termijn in de meeste gevallen reeds in de werkleerperiode zal zijn
                        geïncorporeerd. </al><al><vet>zelfstandigen: </vet>Besloten is om zelfstandigen uit te zonderen van
                        het recht op een werkleeraanbod en van het recht op inkomensvoorziening
                        (artikel 23, eerste lid, onderdeel e, artikel 42, eerste lid, onderdeel m,
                        WIJ). </al><al>Zij kunnen een beroep doen op algemene bijstand of bijstand ter voorziening
                        in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f van de WWB,
                        zodat de (jongere) zelfstandige zich geheel kan richten op zijn bestaan als
                        zelfstandige. In het zesde lid van artikel 17 WIJ wordt evenwel bepaald dat
                        het college de mogelijkheid (niet de verplichting) heeft om aan de jongere
                        die als zelfstandige wil starten een werkleeraanbod te doen bestaande uit
                        een voorbereidings- periode op het bestaan als zelfstandige. Dit
                        werkleeraanbod duurt maximaal twaalf maanden en kan slechts worden
                        aangeboden op verzoek van de jongere. </al><al><vet>gehandicapten: </vet>Voor de groep jongeren met een medische beperking
                        (die niet behoren tot de doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het
                        aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                        werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de
                        hand van de individuele situatie zal beoordeeld moeten worden welk aan-bod
                        past bij de jongere gelet op zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Het
                        werkleeraanbod moet aansluiten bij de individuele mogelijkheden van de
                        persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. </al><al>Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon toegesneden afweging bij de
                        uiteindelijke keuze van een traject. Voor de groep jongeren die weinig
                        perspectief heeft op arbeids-inschakeling behoort sociale activering tot
                        mogelijkheden. Als een werkleeraanbod vanwege de medische situatie in het
                        geheel niet mogelijk is, wordt de gehandicapte geen aanbod gedaan. Wel kan
                        aanspraak op een inkomensvoorziening bestaan. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>werkleeraanbod - artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>2</nr><titel>opdracht college</titel></kop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                        voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ. Hoewel
                        deze opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en artikel 5, eerste
                        lid, WIJ kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt van duidelijkheid voor
                        gekozen de opdracht aan het college nader te omschrijven. </al><al>In het tweede lid is tevens verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook
                        samengesteld kan zijn uit een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        ondersteuning bij arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen.
                        Onder voorziening wordt verstaan een instrument dat wordt ingezet om de
                        jongere dichterbij de arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei
                        vormen hebben, variërend van schuldhulpverlening tot training van
                        werknemersvaardigheden. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan uit
                        ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep of
                        bedrijf. Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een oogpunt van
                        herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang dat gehecht
                        wordt aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk, is deze
                        bepaling opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een
                        ‘kan’-bepaling is: het college bepaalt of het zinvol is de jongere een
                        aanbod te doen gericht op ondersteuning richting zelfstandig bedrijf of
                        beroep. Ter zake kan beleid worden geformuleerd. </al><al>Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ. Wederom
                        uit een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het
                        belang van maatwerk bij het vaststellen van het werkleeraanbod, is dit
                        artikel opgenomen. Toegevoegd is de gemeentelijke onderzoeksplicht en de
                        plicht om de wensen van de jongere bij de invulling te betrekken. Met het
                        oog op motivering en kansbenutting zal het college daarmee rekening dienen
                        te houden. Daarmee is niet gezegd dat de jongere recht heeft op een bepaalde
                        specifieke voorziening en deze kan opeisen. De uiteindelijke invulling van
                        de aard en de samenstelling van het aanbod is voorbehouden aan het college.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>3</nr><titel>aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, verwoord in artikel 2,
                        eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod in
                        aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voorzieningen.
                        Dit vloeit reeds voort uit artikel 13, eerste lid, WIJ maar is omwille van
                        de herkenbaarheid en eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. </al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet gaan
                        die recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere ‘jongere’ in de
                        zin van de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want in de WIJ wordt een
                        onderscheid gemaakt in de leeftijdscategorie 16 tot en met 17 jaar en in de
                        leeftijdscategorie 18 tot en met 26 jaar, zoals vermeldt in artikel 13
                        eerste lid WIJ. </al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                        aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het aanbieden
                        van een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>4</nr><titel>arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het staat het college vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een
                        keuze te maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling. Deze zijn nevengeschikt. De kortste weg naar duurzame
                        arbeidsparticipatie is echter het doel van het in te zetten werkleeraanbod.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>5</nr><titel>voorzieningen</titel></kop><al>Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning bij
                        de arbeids-inschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die
                        voorzieningen zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct inzetbaar
                        zijn op de arbeidsmarkt, maar kunnen in een krimpende arbeidsmarkt ook
                        worden aangeboden aan jongeren zonder direct aanwijsbare belemmeringen. </al><al>In dit artikel zijn de voorzieningen opgesomd die het college ter
                        beschikking staan. Het is denkbaar dat het college nog andere voorzieningen
                        ontwikkelt die (nog) niet in de verordening zijn opgenomen.</al><al>Het college kan niet gedwongen worden om in een concreet geval een
                        specifieke voorziening aan te bieden. Het staat het college in beginsel vrij
                        om het werkleeraanbod zelf invulling te geven en daarbij ook te betrekken de
                        mate waarin voorzieningen noodzakelijk geacht worden en feitelijk
                        beschikbaar zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>6</nr><titel>inzet van de voorzieningen</titel></kop><al>In het eerste lid is het maatwerk-principe gerelateerd aan de inzet van
                        voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat en
                        toereikend middel zijn om het doel te bereiken. Adequaat wil zeggen
                        efficiënt en effectief, waarbij bij een keuze tussen kwalitatief
                        gelijkwaardige voorzieningen, gekozen zal worden voor de goedkoopste
                        voorziening.</al><al>In het tweede lid is het doel van de inzet van voorzieningen verwoord.
                        Afhankelijk van de aard van de voorziening zal sprake zijn van één van de
                        aangegeven (tussen)doelen, met als eind-bestemming de duurzame
                        arbeidsparticipatie. </al><al>Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om te bepalen of het
                        werkleeraanbod wordt ingevuld door werken of leren of een combinatie van
                        beide. In deze verordening is vastgelegd dat de jongere die niet of
                        onvoldoende beschikt over een startkwalificatie een opleiding of andere
                        scholing krijgt aangeboden die tot deze startkwalificatie leidt dan wel de
                        jongere dichterbij het perspectief van duurzame arbeidsinschakeling
                        brengt.</al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>7</nr><titel>combinatie arbeid en zorg</titel></kop><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht
                        besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk
                        verminderde belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een
                        ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod
                        desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of opleiding die de
                        toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de
                        krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17, vierde
                        lid, WIJ). Daaraan wordt in artikel 7 van deze verordening toegevoegd dat
                        het college bij de invulling van het werkleer-aanbod de situatie van de
                        alleenstaande ouder betrekt, ongeacht de leeftijd van het kind. </al><al>Eventuele kosten voor kinderopvang die niet toereikend door voorliggende
                        voorzieningen worden gecompenseerd, kunnen op grond van artikel 14 van deze
                        verordening worden vergoed en ten laste van het participatiebudget worden
                        gebracht. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>8</nr><titel>gehandicapten</titel></kop><al>De gehandicapte jongeren nemen eveneens een bijzondere positie in binnen de
                        WIJ. Voor deze groep jongeren met een medische beperking is het van belang
                        dat het aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk
                        bij het werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen.
                        Aan de hand van de individuele situatie zal het college beoordelen welk
                        aanbod past bij de jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en
                        beperkingen. </al><al>Voor de groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling
                        behoort sociale activering tot de mogelijkheden. Is arbeidsinschakeling in
                        het geheel (nog) niet aan de orde, dan brengt artikel 17, tweede lid, WIJ
                        met zich mee dat (tijdelijk) geen werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat
                        gedurende die periode wel aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de
                        belemmeringen zijn opgeheven, dient een gericht werkleeraanbod te worden
                        gedaan. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>9</nr><titel>uitvoering door derden</titel></kop><al>In artikel 11, vierde lid van de WIJ is bepaald dat het college de
                        uitvoering van de WIJ, behoudens het vaststellen van de rechten en plichten
                        en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door
                        derden kan laten verrichten. De genoemde vaststelling kan wel worden
                        gemandateerd aan bestuursorganen. Er zijn in de WIJ geen wettelijke
                        belemmeringen opgeworpen om de feitelijke werkzaamheden m.b.t. de uitvoering
                        van het werkleeraanbod of de inrichting van het werkleeraanbod in handen te
                        stellen van derden, zoals opleidingsinstituten en re-integratiebedrijven.
                        Binnen de beleidskaders kan het college nadere afspraken maken met deze
                        derden. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>10</nr><titel>verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht op
                        een werkleer-aanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is toegevoegd
                        dat de jongere de verplichtingen dient na te komen die voortvloeien uit de
                        verordening of die in concreto aan een voorziening zijn verbonden. Dit
                        kunnen verplichtingen van uiteenlopende aard zijn, die een concretisering
                        vormen van de in de WIJ opgenomen verplichtingen. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>11</nr><titel>intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van opname
                        van deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in de
                        overweging dat intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan het
                        voeren van beleid m.b.t. de invulling van het werkleeraanbod. Daar waar het
                        recht op werkleeraanbod wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden
                        ingetrokken, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met betrekking
                        tot intrekking van het werkleeraanbod in verband met schending van de
                        verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod, wordt het aan het college
                        overgelaten om te bepalen onder welke voorwaarden daartoe kan worden
                        besloten. Intrekking is in wezen slechts aan de orde als er een situatie is
                        ontstaan dat niet langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod wordt
                        voortgezet en een andere invulling (via gedeeltelijke herziening) evenmin
                        soelaas biedt. Gedacht kan worden aan herhaalde misdragingen jegens andere
                        jongeren of begeleiders op de werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij
                        kunnen bijvoorbeeld ook een rol spelen de positie van gemotiveerde jongeren
                        die wachten op een werk/leerplek, de staat van de arbeids-markt en de kosten
                        van de voorziening. De individuele belangen dienen zorgvuldig afgewogen te
                        worden en dit dient gemotiveerd te worden in de beschikking.</al><al>Het college houdt bij de invulling van het gemeentelijk beleid met deze
                        kaders rekening en besluit slechts tot intrekking van een werkleeraanbod
                        nadat de individuele situatie zorgvuldig is afgewogen. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>12</nr><titel>budgetplafonds</titel></kop><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                        verschillende voorzieningen. Dit kan in de begroting gebeuren. Het uitgeput
                        zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om geen
                        werkleeraanbod te doen. De verplichting daartoe is immers vastgelegd in
                        artikel 13, eerste lid WIJ. Wel kan de invulling van het werkleeraanbod
                        beïnvloed worden door budgettaire beperkingen. Zijn er vanwege die
                        beperkingen voor bepaalde voorzieningen geen middelen meer dan dient te
                        worden nagegaan welke andere instrumenten beschikbaar zijn. </al><al>Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel
                        kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd. Dit laat de
                        mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken om tot
                        duurzame arbeidsparticipatie te komen. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>13</nr><titel>subsidies</titel></kop><al>Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met arbeid. Dit wordt ook als
                        voorziening aan-gemerkt. In het eerste lid is vastgelegd dat de subsidie aan
                        de werkgever kan bestaan in een tegemoetkoming in de loonkosten of andere
                        bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als zodanig een noodzakelijke
                        voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken van een subsidie is een
                        wettelijke grondslag vereist (art. 4:23, eerste lid Awb). Om die reden is
                        een specifiek artikel opgenomen dat deze grondslag biedt. In het eerste lid
                        worden loonkosten-subsidies en subsidies ter voorbereiding van een
                        dienstverband van een grondslag voorzien. </al><al>De hoogte van de subsidies en de voorwaarden waaronder subsidie wordt
                        verleend, dienen afzonderlijk te worden geregeld. Op grond van het tweede
                        lid kan het college nadere regels stellen over enkele zaken betreffende de
                        subsidiëring. Hoewel uitgangspunt is dat het beleid over het werkleeraanbod
                        door de gemeenteraad wordt vastgesteld, is reeds eerder aangegeven dat waar
                        het om uitvoeringsbeleid gaat, dit door het college ter hand kan worden
                        genomen. </al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, subsidieplafonds
                        vaststellen. In lid 3 is de bevoegdheid van het college vastgesteld om
                        plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de
                        plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in de begroting voor de
                        verschillende soorten subsidie worden gereserveerd. Een subsidieplafond
                        dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art.
                        4:27 lid 1 Awb). </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>14</nr><titel>vergoedingen</titel></kop><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                        werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht kan
                        bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de voorliggende
                        voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet. Ook
                        noodzakelijke reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor verplichte
                        kleding of schoeisel, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits de
                        kosten aantoonbaar en noodzakelijk zijn en er geen andere voorzieningen
                        zijn. De kosten kunnen ten laste worden gebracht van het
                        participatiebudget.</al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>15</nr><titel>evaluatie</titel></kop><al>Het recht op werkleeraanbod confronteert de gemeente met de noodzaak een
                        effectief arbeids-marktbeleid m.b.t. jongeren te voeren en in dat kader een
                        aantal beleidskeuzes te maken. Vanwege de verstrekkende (juridische en
                        budgettaire) verplichtingen die dit met zich kan meebrengen kan het gewenst
                        zijn de effecten van het beleid en de werking van het werkleer-aanbod
                        nauwlettend te volgen. In artikel 15 wordt aangegeven dat het college de
                        evaluatie van de toepassing van het werkleeraanbod laat aansluiten bij de
                        evaluatie van de WIJ, die binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet
                        moet plaatsvinden (artikel 92 WIJ).</al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>16</nr><titel>hardheidsclausule werkleeraanbod</titel></kop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat de
                        gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening uitgewerkt.
                        Het college is belast met de uitvoering van dat beleid en op sommige
                        onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan. </al><al>Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte
                        toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van
                        overwegende aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen
                        waarin recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het
                        gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van de jongere. Dat
                        kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die afwijken
                        van de bepalingen over het werkleeraanbod vastgelegd in hoofdstuk 2 van deze
                        verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>maatregelen-/sanctiebeleid - algemene toelichting</titel></kop><al>Evenals in de Wet werk en bijstand (WWB) geldt binnen de Wet investeren in
                        jongeren (WIJ) een stelsel van rechten en plichten. De gemeente is verplicht
                        aan de jongere een werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening aan
                        te bieden. Anderzijds zijn de jongeren verplicht zich te houden aan diverse
                        verplichtingen. Het gaat om de inlichtingen-, medewerkings- en
                        identificatieplicht alsmede de in de WIJ apart benoemde verplichtingen
                        m.b.t. de arbeids-inschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van
                        een werkleeraanbod. Bij het niet of onvoldoende nagekomen van deze
                        verplichtingen moet de inkomensvoorziening worden verlaagd. De term
                        verlaging staat in het spraakgebruik gelijk aan de term “maatregel” ,
                        “sanctie” of "afstemmen".</al><al>In tegenstelling tot de WWB kan de inkomensvoorziening van de WIJ niet
                        worden verlaagd op grond van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                        voor de voorziening in het bestaan. Voorbeelden hiervan zijn het
                        onverantwoord interen van vermogen en verwijtbare werkloos- heid. Het belang
                        van duurzame arbeidsparticipatie van de jongeren heeft voorkeur boven het
                        sanctioneren van de genoemde gedragingen. </al><al/><al><vet><cursief>-- Verlagen inkomensvoorziening of intrekken werkleeraanbod
                            </cursief></vet></al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting
                        verwijtbaar niet na, dan kan de gemeente kiezen tussen het opleggen van een
                        maatregel op de inkomensvoorziening of het intrekken van het werkleeraanbod.
                        Met het oog op de doelstelling van de WIJ: de duurzame arbeidsparticipatie
                        van jongeren, wordt --in de geest van de WIJ-- alleen in uitzonderlijke
                        gevallen gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot het intrekken van een
                        werkleeraanbod. Uitzonderlijke gevallen zullen zich niet spoedig voordoen,
                        omdat door het doen van werk-leeraanbod wordt geïnvesteerd in het
                        “maatschappelijk kapitaal” van de jongeren. Bovendien is in de WIJ zelf al
                        opgenomen, dat als uit houding en gedrag van de jongere ondubbelzinnig kan
                        worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn
                        gesteld in het geheel niet wil nakomen, het recht op inkomensvoorziening van
                        rechtswege vervalt (artikel 42, lid 1, aanhef en onder c, van de WIJ). </al><al>Als besloten wordt tot het intrekken van het werkleeraanbod, vervalt per
                        definitie gelijktijdig het recht op de inkomensvoorziening. Dit kan worden
                        aangemerkt als dubbel bestraffen. Dit effect is te ondervangen binnen de
                        regels over de inhoud van en de voorwaarden en omstandigheden tot het
                        intrekken van een werkleeraanbod (en daarmee van de inkomens-voorziening).
                        De regels hierover zijn vastgelegd in de apart vast te stellen Verordening
                        werkleeraanbod WIJ. </al><al/><al><vet><cursief>-- Verplichtingen die tot een maatregel kunnen
                                leiden</cursief></vet></al><al>Aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening zijn de volgende
                        verplichtingen verbonden:</al><lijst><li nr="a."><al>de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ)</al></li><li nr="b."><al>de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ)</al></li><li nr="c."><al>de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ)</al></li><li nr="d."><al>verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod
                                (artikel 45 WIJ).</al></li><li nr="e."><al>Daarnaast heeft de jongere tijdens de intakefase van zijn aanvraag
                                om een werkleeraanbod</al><al> of een inkomensvoorziening een inlichtingenplicht jegens het UWV
                                WERKbedrijf. </al></li></lijst><al>Schending van de verplichtingen onder b en c leidt in beginsel tot het niet
                        kunnen vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en de
                        inkomensvoorziening. Redenen om het werkleer-aanbod en de
                        inkomensvoorziening af te wijzen, te beëindigen of in te trekken. </al><al>Het schenden van de verplichtingen onder b en c wordt voor de toepassing van
                        deze verordening niet als maatregelwaardig gedrag aangemerkt. Naar analogie
                        van het sanctiebeleid voor de WWB is dan het recht op werkleeeraanbod of
                        inkomensvoorziening niet vast te stellen. Dit blijkt in de praktijk een
                        adequate en pragmatische benadering. Binnen deze praktijk wordt steeds een
                        hersteltermijn aangeboden.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>maatregelen-/sanctiebeleid - artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>17</nr><titel>maatwerk</titel></kop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening is maatwerk. De maatwerkbepaling
                        komt tegemoet aan de in de Algemene wet bestuursrecht gestelde beginselen
                        van zorgvuldig bestuur. Overigens is in de WIJ zelf al vastgelegd, dat een
                        maatregel niet aan de orde kan zijn als elke vorm van verwijtbaarheid
                        ontbreekt. Vanwege het minimum karakter van de inkomens-voorziening is
                        tevens bepaald, dat een maatregel binnen drie maanden na het opleggen er van
                        moet worden heroverwogen. Een waarborg die moet voorkomen, dat jongeren te
                        lang over een te laag inkomen beschikken. </al><al>Evenals in het sanctiebeleid voor de WWB is het maatregelenbeleid voor de
                        WIJ gekoppeld aan de WIJ-norm die in het concrete geval voor de jongere
                        geldt. De duur van de maatregel is in beginsel beperkt tot een maand tenzij
                        anders aangegeven (bij recidive en het schenden van de inlichtingenplicht
                        met benadeling van de gemeente). Overeenkomstig het maatregelenbeleid voor
                        de WWB is voorts afgezien van het afgeven van een schriftelijke waarschuwing
                        voordat een WIJ-maatregel wordt opgelegd. De Verordening handhaving WIJ
                        voorziet reeds in goede voorlichting en het optimaliseren van de
                        dienstverlening aan de jongeren. </al><al>Het werken met bandbreedtes biedt in het uitvoeren van het sanctiebeleid WIJ
                        ruimte voor het leveren van maatwerk. De maatregel is hiermee adequaat af te
                        stemmen op de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de
                        jongere verkeert. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>18</nr></kop><al><vet>maatregel bij schenden inlichtingenverplichting met benadeling
                            gemeente</vet></al><al>Schending van de inlichtingenplicht kan betrekking hebben op de
                        inkomensvoorziening en het werkleeraanbod. De hoogte van de op te leggen
                        maatregel is, overeenkomstig het sanctie- beleid WWB, gekoppeld aan de mate
                        van benadeling van de gemeente. Hoe hoger de benadeling, hoe zwaarder de
                        maatregel. Afhankelijk van de hoogte van de benadeling behoort het doen van
                        een justitiële aangifte tot de mogelijkheid. Dit in afstemming op hoofdstuk
                        4 (handhaving) van deze verordening. </al><al>Bij het doen van aangifte is het opleggen van een (bestuurlijke) maatregel
                        niet aan de orde. Dit geldt ook bij schending van de inlichtingenplicht
                        waarbij géén sprake is van financiële benadeling en de aanvraag of lopende
                        voorziening formeel correct is af te doen via het buiten behandeling laten
                        van de aanvraag of het tijdig stopzetten van een lopende uitkering. Dit uit
                        oogpunt van verminderde regeldruk en kosten-/baten principe. </al><al>De jongere is nalatig in zijn verplichting tot het onverwijld uit eigen
                        beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                        redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                        recht op een werkleeraanbod of zijn recht op inkomens-voorziening, als de
                        mededeling niet wordt gedaan vóór het eind van de kalendermaand volgend op
                        die waarop ze betrekking hebben. Het gaat hier om feiten en omstandigheden
                        die niet vallen onder het verbod tot het dubbel uitvragen van gegevens.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>19</nr><titel>maatregel bij zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Landelijke ontwikkelingen laten een toenemende dreiging van agressie, geweld
                        en intimidatie zien tegen hulp- en dienstverleners. Van zeer ernstige
                        misdragingen is sprake, bij agressief aan de jongere toe te rekenen gedrag,
                        tegenover het college en de bij de uitvoering van de WIJ betrokken personen,
                        dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan
                        worden beschouwd. Het beleid voor het aanpakken van deze misdraging verloopt
                        via het toepassen van het agressieprotocol en is gelijk aan dat in het kader
                        van het verlenen van bijstand WWB. </al><al>Dat protocol voorziet in onder meer in een afkoelperiode, een ordegesprek,
                        het doen van justitiële aangifte (altijd bij fysiek geweld), een
                        gebouwverbod (ontzeggen toegang tot het gebouw waarin Sociale Zaken en/of
                        UWV WERKbedrijf is gehuisvest) en dergelijke. </al><al>Bij agressie tijdens een aanvraagprocedure WIJ wordt de aanvraag buiten
                        behandeling gelaten. Bij agressie in een contact over een reeds gedaan
                        werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening worden beide beëindigd per de datum
                        van misdraging. Bij de te geven hersteltermijn wordt vermeld, dat een
                        vervolggesprek pas aan de orde kan zijn na het doorlopen van de procedure
                        uit het agressieprotocol. Bij het doen van een herhaalde aanvraag wordt de
                        belanghebbende er op gewezen dat van gewijzigde omstandigheden geen sprake
                        kan zijn zolang de procedure uit het agressieprotocol niet is gevolgd.</al><al>Als de belanghebbende weigert de procedure uit het agressieprotocol te
                        doorlopen, dan wordt de herhaalde aanvraag afgewezen op grond van artikel
                        4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (aanvraag afwijzen onder verwijzing
                        naar de eerdere afwijzende beschikking). Moet na een ernstige misdraging de
                        uitkering van rechtswege worden toegekend of hersteld per de datum van de
                        misdraging, dan wordt de inkomensvoorziening verlaagd met 50% voor de duur
                        van 2 maanden. Van deze verlaging is af te zien, als na een ernstige
                        misdraging de uitkering ingaat per de datum waarop de procedure over
                        afkoelperiode en ordegesprek uit het agressieprotocol met goed gevolg is
                        doorlopen. De duur van de onderbreking, waarover de bijstand feitelijk is
                        geweigerd, is als hoogste vorm van sanctie aan te merken. </al><al>Het strenge beleid op dit onderdeel is ingegeven uit een oogpunt van het
                        voorkomen en bestrijden van agressie en het verhogen van de veiligheid,
                        gezondheid en welbevinden van onze dienstverleners. Tegen de achtergrond van
                        de maatschappelijke ontwikkelingen op dit vlak zijn de grenzen van de wet
                        opgezocht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Hierbij de
                        opmerking dat tot heden in onze gemeente de agressie tegen dienstverleners
                        van de sector Sociale Zaken beperkt van omvang is. Het inbedden van het
                        agressieprotocol in de verordening is gericht op het daadkrachtig verankeren
                        van deze situatie. Het "bestraffende" karakter van deze aanpak legt bij het
                        college de bewijslast om de agressie in de hier bedoelde zin en betrekking
                        hebbend op het uitvoeren van de WIJ voldoende aannemelijk te maken. </al></divisie><divisie><kop><label>artikel</label><nr>20</nr><titel>maatregel bij schending verplichtingen m.b.t. arbeidsinschakeling
                            en</titel></kop><al><vet> werkleeraanbod </vet></al><al>Het beleid voor het op grond van dit artikel verlagen van de
                        inkomensvoorziening is afgestemd op het lokale model van de
                        participatiepiramide. Dit overeenkomstig het sanctiebeleid voor de WWB.
                        Daarbij is de urgentie, dat jongeren werken of leren, niet aangegrepen om te
                        kiezen voor een hogere verlaging/sanctie/maatregel dan die opgelegd in het
                        kader van de WWB. Dit gelet op het minimum karakter van de
                        inkomensvoorziening WIJ.</al><al>De participatiepiramide is een model waarin het lokale beleid voor
                        arbeidsmarkt en werk-gelegenheid is uitgewerkt naar het beginsel "iedereen
                        participeert (doet mee)". De piramide bevestigd beter het beeld, dat
                        werkloze werkzoekenden worden toegeleid naar werk --bij voorkeur door werk--
                        en dat een uitkering of inkomensvoorziening tijdelijk van aard is. De lat
                        ligt hoog, maar niet voor iedereen even hoog. Er is sprake van participatie
                        "naar vermogen": de werkloze werkzoekende stappen in op de laag die men
                        aankan. </al><al>De participatiepiramide is opgebouwd uit de lagen regulier werk,
                        gesubsidieerd werk</al><al>en maatschappelijke deelname.</al><al>De basislaag drukt de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan uit. Het op eigen benen kunnen staan, los van de overheid, door het
                        verrichten van betaald regulier werk, werk als zelfstandig ondernemer, door
                        tijdelijk gesubsidieerde arbeid of door sociale activering gericht op
                        inschakeling in onbeloonde (additionele) arbeid. Binnen dit model is </al><al>de toplaag bestemd voor personen met zodanige belemmeringen richting
                        betaalde of gesubsidieerde arbeid of daarop gerichte onbeloonde werkvormen
                        dat het perspectief op betaalde arbeid vooralsnog ontbreekt. Ook deze
                        doelgroep moet kunnen participeren in de samenleving op een manier die past
                        bij hun capaciteiten, vaardigheden en mogelijkheden. Zij zijn als tussendoel
                        aangewezen op sociale activering in de vorm van maatschappelijke
                        participatie. </al><al>Voor het indelen van de WIJ-jongeren naar de gelaagdheid van de piramide
                        zijn bepalend: de inspanningsverplichting om zelf in het bestaan te voorzien
                        en de belastbaarheid. Hiermee is de positie van jongere op de
                        participatiepiramide tevens redelijkerwijs bepalend voor ook het vaststellen
                        van de hoogte van een sanctie. De veelheid aan mogelijkheden tot
                        participatie naar en door werk vereisen een sanctiebeleid dat daarop
                        makkelijk inspeelt. Te meer omdat de WIJ (in artikel 45) gedetailleerd
                        vastlegt welke verplichtingen aan de jongeren kunnen worden opgelegd m.b.t.
                        de inschakeling in de arbeid, het tot stand komen of ten uitvoer leggen van
                        een werkleeraanbod. De verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment
                        dat de aan-vraag voor een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één
                        van deze verplichtingen leidt in beginsel tot verlaging van de eventuele
                        inkomensvoorziening. Bij het ontbreken van verwijtbaarheid wordt geen
                        sanctie opgelegd. </al><al>Voor het toepassen van een maatregel op grond van deze bepaling wordt niet
                        gedifferentieerd naar de verplichtingen. Het schending van één van de
                        genoemde verplichtingen, welke het ook is, leidt er steeds toe dat de kansen
                        op werk of het uitzicht op werk worden belemmerd. Het gedrag dat schending
                        van één van de in artikel 45 WIJ benoemde verplichtingen oplevert, wordt
                        steeds aangemerkt als gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                        belemmeren. Met "inschakeling in de arbeid" correspondeert:</al><lijst><li nr="-"><al>het aanbieden van een werkleeraanbod, - het meewerken aan een
                                onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,</al></li><li nr="-"><al>het opstellen van een plan met betrekking tot
                                arbeidsinschakeling,</al></li><li nr="-"><al>een onderzoek naar de mogelijkheid tot het verkrijgen van scholing,
                                gesubsidieerd werk of </al><al> sociale activering als (eerste) opstap naar arbeidsinschakeling dan
                                wel zelfstandige </al><al> maatschappelijke participatie,</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van een bemiddelingspoging door afwijkend gedrag, het
                                stellen van irreële eisen of ongebruikelijke werktijden,</al></li><li nr="-"><al>het geen gehoor geven aan oproepen of het niet gaande houden van de
                                gesprekken m.b.t. </al><al> inschakeling in de arbeid en het werkleeraanbod en</al></li><li nr="-"><al>het zich m.b.t. inschakeling in de arbeid en het werkleeraanbod op
                                advies van een arts onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling
                                van medische aard.</al></li></lijst><al>Binnen het sanctiebeleid wordt maatwerk geleverd. Dit is gerealiseerd door
                        te werken met bandbreedtes waarbinnen een maatregel zich kan bewegen. Binnen
                        een gegeven bandbreedte geldt het minimumpercentage als uitgangspunt.
                        Hiervan is gemotiveerd af te wijken. </al><al>Zo komt het maximum van de verlaging binnen de gegeven bandbreedte meer in
                        zicht naar de mate waarin de jongere een werkleeraanbod "frusteert". In dit
                        verband wordt opgemerkt, dat de WIJ-jongeren verplicht zijn zich
                        constructief op te stellen ten aanzien van hun participatie. Bij het
                        aanbieden van een werkleeraanbod wordt rekening gehouden met hun wensen en
                        mogelijkheden, voor zover dit de kortste weg naar werk niet onredelijk
                        belemmert. Deze aanpak moet voorkomen, dat de jongeren bij het aanbieden van
                        een werkleeraanbod afhaken.</al><al>Bij het weigeren van een werkleeraanbod waarbij algemeen geaccepteerde
                        (betaalde) arbeid wordt aangeboden, geldt een sanctie van 100% voor een
                        maand. Bij recidive is de duur van deze sanctie te verdubbelen. Deze sanctie
                        komt overeen met die in de WWB voor het weigeren van algemeen geaccepteerde
                        arbeid. </al><al>Hetzelfde geldt voor het afstemmen van een sanctie op het vooruitzicht op
                        het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. De daarin aangebrachte
                        gradaties zijn te herleiden uit de aard en het aanbod van de voorziening van
                        het opgestelde plan met betrekking tot de arbeids-inschakeling. Zo is het
                        vooruitzicht op het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid hoog te
                        noemen bij bijvoorbeeld een voorziening waaraan een garantiebaan is
                        gekoppeld of het deelnemen aan een traject met een hoog percentage uitstroom
                        naar algemeen geaccepteerde arbeid. Bij het niet nakomen van een aanbod tot
                        het verrichten van onbeloonde maatschappe-lijk zinvolle activiteiten is een
                        gradatie aan te brengen naar de gerichtheid van het aanbod: gericht op
                        arbeidsinschakeling (is basislaag piramide) of op zelfstandige
                        maatschappelijke participatie (is toplaag piramide). De sancties die zijn
                        gekoppeld aan de toplaag van de piramide zijn meer gematigd, omdat het
                        verlies aan inkomensvoorziening welhaast niet voor de belanghebbende
                        ongedaan is te maken door daar inkomen uit werk tegenover te stellen. </al><al>Bij het bepalen van de hoogte van de sanctie is ook bepalend de
                        plaats/positie van de jongere in het opgestelde (traject-)plan met
                        betrekking tot zijn arbeidsinschakeling. Bij aanvang van dat plan geldt
                        meestal eerder het minimum van de bandbreedte dan bij activiteiten aan het
                        eind ervan. Dan is het perspectief op doorstroom naar een vervolgtraject of
                        uitstroom uit de WIJ mede bepalend voor de hoogte van de sanctie binnen de
                        gestelde bandbreedte. Hoe verder op weg naar uitstroom: hoe zwaarder de
                        sanctie. Het naar boven afwijken van het minimum-percentage binnen een
                        gegeven bandbreedte moet overigens steeds voldoende worden gemotiveerd.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik - algemene
                            toelichting</titel></kop><al>De uitvoering van de WIJ is aan het college opgedragen, maar het is aan de
                        gemeenteraad om de WIJ-verordeningen vast te stellen. De verordening tot het
                        bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WIJ, die qua strekking
                        identiek is aan de WWB, is één van die verordeningen. Het behoort tot de
                        lokale beleidsvrijheid om hierin eigen beleidskeuzes te maken. Het ligt voor
                        de hand om aansluiting te zoeken bij het landelijke model voor het
                        programmatisch handhaven. Dit model, waarop het lokale beleid voor
                        handhaving van de WWB reeds lang is ingericht, is opgebouwd uit de volgende
                        vier visievelden:</al><lijst><li nr="1."><al>goede en tijdige voorlichting over rechten en plichten,</al></li><li nr="2."><al>het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor het
                                spontaan naleven van de WIJ),</al></li><li nr="3."><al>het vroegtijdig opsporen van oneigenlijk gebruik en misbruik en</al></li><li nr="4."><al>het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.</al></li></lijst><al>De aansluiting op dit model is gerealiseerd door het inhoudelijk overnemen
                        van hoofdstuk 5 van de Verzamelverordening WWB, over het bestrijden van
                        misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB. Hiermee wordt voldaan aan de
                        opdracht van artikel 12 WIJ tot het stellen van regels voor het recht- en
                        doelmatig uitvoeren van de WIJ. Met het overnemen van het model voor het
                        programmatisch handhaven van de WWB is dat model van overeenkomstige
                        toepassing op de WIJ.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik - artikelsgewijze
                            toelichting</titel></kop><al>Voor de WIJ geldt een gelijke uitwerking van de vier visievelden uit het
                        model voor het programmatisch handhaven van de WWB. De toelichting in de
                        Verzamelverordening WWB op het bestrijden van oneigenlijk gebruik en
                        misbruik is van overeenkomstige toepassing en wordt geacht onderdeel uit te
                        maken van deze artikelsgewijze toelichting. Voor de in de toelichting
                        gebruikte begrippen als de WWB, (algemene) bijstand, uitkering en
                        uitkerings-gerechtigde moet worden gelezen de WIJ, werkleeraanbod en/of
                        inkomensvoorziening en jongeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Toeslagenbeleid: verhogen en verlagen inkomensvoorziening</titel></kop><al><vet>algemene toelichting</vet></al><al>De vereisten voor het verhogen en verlagen van de WIJ-inkomensvoorziening
                        zijn welhaast identiek aan die van de Wet werk en bijstand (WWB). Om deze
                        reden is het lokaal toeslagen-beleid voor de WIJ volledig afgestemd op dat
                        van de WWB. Dit houdt in dat geen wijziging is voorzien in:</al><lijst><li nr="-"><al>- het gebruik van de rechtsgronden tot het verhogen of verlagen van
                                de norm;</al></li><li nr="-"><al>- het gebruik van de mogelijkheid tot samenloop van de rechtsgronden
                                tot het verhogen of</al><al> verlagen van de norm;</al></li><li nr="-"><al>- de keus voor het toepassen van de forfaitaire variant voor het
                                toeslagenbeleid;</al></li><li nr="-"><al>- het afzien van de mogelijkheid tot het verlagen van de norm voor
                                schoolverlaters (voor</al><al> maximaal de duur van een halfjaar na schoolverlaten) en</al></li><li nr="-"><al>- het afstemmen van de norm voor alleenstaande jongeren van 21 en 22
                                jaar de norm op het</al><al> wettelijk minimumjeugdloon. </al></li></lijst><al>De algemene toelichting op de Verordening toeslagen WWB is van
                        overeenkomstige toepassing en wordt geacht onderdeel uit te maken van deze
                        verordening. Met onderstaande aanvulling geldt dit ook voor de
                        artikelsgewijze toelichting er van. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Toeslagenbeleid: verhogen en verlagen inkomensvoorziening</titel></kop><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>artikelen 27 t/m 29 uitwerking toeslagenbeleid naar leefvorm</vet></al><al>De kring van belanghebbenden is in overeenstemming gebracht met de doelgroep
                        van de WIJ. Bij medebewoning door bloedverwanten in de eerste graad is de
                        leeftijdaanduiding geschrapt. Het betreft de relatie ouder(s) &lt;-&gt;
                        kind. Als de WIJ-jongere het bij de ouder(s) inwonend kind is, is nadere
                        aanduiding van de leeftijd niet nodig. De leeftijd van de WIJ-jongere is al
                        in de wet zelf vastgesteld. Is de WIJ-jongere de ouder, dan is medebewoning
                        door een eigen kind van 18 jaar of ouder niet aannemelijk. Dit gelet op de
                        bovengrens van 27 jaar voor het recht op een inkomensvoorziening op grond
                        van de WIJ. </al><al/><al><vet>artike1 33. samenloop WIJ met WWB</vet></al><al>Samenloop van inkomensvoorziening WIJ en algemene bijstand WWB is mogelijk
                        voor gehuwden met of zonder kinderen en een niet rechthebbende partner
                                <cursief><onderstreept>met WWB</onderstreept></cursief> (die dus
                        algemene bijstand WWB ontvangt). Als er géén ten laste komende kinderen
                        zijn, is voor beiden de norm voor een alleenstaande van toepassing. Deze
                        norm is 50% van het wettelijk minimum-loon. Beide normen samen garanderen
                        het normbedrag voor een gezin. In deze situatie is er geen ruimte voor het
                        verstrekken van een toeslag. </al><al>Zijn er wel ten laste komende kinderen, dan heeft de jongere partner recht
                        op de gehuwden-norm die bij zijn leeftijd past (artikel 28, lid 4, van de
                        WIJ). De bijstand die de andere partner ontvangt, wordt op deze
                        WIJ-gehuwdennorm volledig in mindering gebracht. Omdat artikel 36 van de WIJ
                        het gezamenlijk inkomen "aftopt" op maximaal het van toepassing zijnde
                        bedrag voor gehuwden, is in deze situatie het verlagen van de
                        WIJ-gehuwdennorm bij medebewoning wel mogelijk. </al><al>De gehuwde jongere met een niet rechthebbende partner
                                <cursief><onderstreept>zonder WWB</onderstreept></cursief> en zonder
                        kinderen heeft recht op de norm voor een alleenstaande die bij zijn leeftijd
                        past. Als er wel kinderen zijn bestaat recht op de bij de leeftijd behorende
                        norm voor een alleenstaande ouder.</al><al>De gehuwde personen met een niet rechthebbende partner zonder WWB, die voor
                        de normering worden gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), hebben
                        recht op toeslag overeenkomstig de regels van deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6,</nr><titel>artikel 34 slotbepalingen - toelichting</titel></kop><al>De WIJ is gepubliceerd in Staatsblad 283 van 2 juli 2009 en treedt op 1
                        oktober 2009 in werking. Gelet op deze publicatiedatum en de duur van het te
                        volgen lokaal bestuurlijke traject is voorzien in het verlenen van
                        terugwerkende kracht aan deze verordening tot en met de datum waarop de WIJ
                        in werking treedt. Hiermee wordt voorkomen dat het vanaf deze datum
                        verstrekte werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening als niet rechtmatig is
                        aan te merken op grond van het niet tijdig vaststellen van de
                        WIJ-verordening(en).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>