<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR82399_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening over het coördineren van besluiten gemeente Tilburg 2010 op basis artikel 3:30 Wro</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2010, 86</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Coördinatieverordening Gemeente Tilburg 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de ruimtelijke ordening, art. 3.30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-01-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/333</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Op procedures die zijn gestart voor inwerkingtreding van deze verordening is deze verordening niet van toepassing, tenzij door of namens het bevoegd gezag en met schriftelijk instemming van de aanvrager anders is besloten</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening over het coördineren van besluiten gemeente Tilburg 2010 op basis artikel 3:30 Wro</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><cursief>De raad van de gemeente Tilburg;</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en
                                wethouders;</al></li><li nr="-"><al>gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in werking
                                getreden op 1 oktober 2010;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 3.30 van de Wet op de ruimtelijke ordening, in
                                werking getreden op 1 juli 2008;</al></li></lijst><al/><al>Besluit:</al><al/><al>Vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening over het coördineren van besluiten gemeente Tilburg 2010 op
                            basis artikel 3:30 Wro</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><al>besluit: besluit als bedoeld in artikel 3:30 lid 1 van de Wet
                            ruimtelijke ordening;</al><al>coördineren: het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden van besluiten
                            in één gezamenlijke procedure volgens de coördinatieregeling van
                            Afdeling 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening;</al><al>bestemmingsplan: een plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
                            ruimtelijke ordening;</al><al>uitwerkingsplan, wijzigingsplan: een uitwerkingsplan respectievelijk
                            wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke
                            ordening;</al><al>structuurvisie: een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet
                            ruimtelijke ordening;</al><al>bouwen: bouwen als bedoeld in artikel 1 sub a van de Woningwet en
                            artikel 1.1, eerste lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk: een vergunning als
                            bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht;</al><al>aanvrager: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag om
                            een omgevingsvergunning heeft ingediend.</al><al>Omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2
                            van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte van de verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening, gebaseerd op artikel 3.30, eerste lid van de Wet
                                ruimtelijke ordening, is alleen van toepassing op het coördineren
                                van de voorbereiding van een besluit om een bestemmingsplan, een
                                uitwerkingsplan of een wijzigingsplan vast te stellen met het
                                besluit over een of meer daarmee samenhangende
                                omgevingsvergunningen, met daarin in ieder geval de activiteit het
                                bouwen van een bouwwerk opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Besluiten die bij een samenloop met een omgevingsvergunning aanhaken
                                en waarvoor een verklaring van geen bedenking nodig is van
                                Gedeputeerde Staten en/of de Minister vallen buiten de reikwijdte
                                van deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Coördinatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd</titel></kop><al>In de volgende gevallen en onder de volgende condities kan het college
                            van burgemeester en wethouders tot een gecoördineerde voorbereiding van
                            besluiten als bedoeld in artikel 2:</al><lijst><li nr="a."><al>het besluit over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                                    bouwwerk die op het moment van indienen alleen op grond van
                                    artikel 2.10, eerste lid, sub c Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht geweigerd zou moeten worden en het besluit over
                                    het bestemmingsplan, het uitwerkingsplan of het wijzigingsplan
                                    dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                                    mogelijk maakt, maken tenminste deel uit van de te coördineren
                                    besluiten en</al></li><li nr="b."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat zich geen belemmering voordoet, waarbij de
                                    gevallen genoemd in artikel 4 in ieder geval als een dergelijke
                                    belemmering gelden en</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de
                                    gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor de
                                    aanvrager heeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze verordening
                                plaatsvindt</titel></kop><al>In de volgende gevallen is een gecoördineerde voorbereiding op grond van
                            deze verordening niet mogelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>er moet op grond van artikel 7, tweede lid van de Wet
                                    milieubeheer een milieueffectrapport worden opgesteld en het
                                    betreft geen deelproject van een grotere ontwikkeling waarvoor
                                    al een milieueffectrapport is opgesteld;</al></li><li nr="b."><al>er moet op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet
                                    ruimtelijke ordening een exploitatieplan worden opgesteld en er
                                    kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 6.12, tweede lid
                                    van de Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="c."><al>uit een analyse blijkt dat de bouw schade kan veroorzaken als
                                    bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening en de
                                    aanvrager is niet bereid deze schade voor zijn rekening te
                                    nemen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Procedurebepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Procedureregeling</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een procedureregeling
                                vaststellen ten behoeve van een goede uitvoering van de
                                coördinatieregeling.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De procedureregeling geeft in ieder geval aan binnen welke periode
                                aanvragen ingediend moeten worden om voor coördinatie in aanmerking
                                te kunnen komen; de procedure kan bepalen hoe het college van
                                burgemeester en wethouders toepassing geeft aan artikel 3.20 van de
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Zolang het college van burgemeester en wethouders geen regeling als
                                bedoeld in het eerste lid heeft vastgesteld, is, aanvullend op de
                                artikelen 3.30 tot en met 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening en op
                                deze verordening, § 3.5.3 van Afdeling 3.5 "Samenhangende besluiten"
                                van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met uitzondering
                                van de artikelen 3.28 en 3.29 van die wet.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Bij de toepassing van lid c is het college van burgemeester en
                                wethouders het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in artikel
                                3.22 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>Als de gemeenteraad besloten heeft dat het wenselijk is dat de
                                coördinatieregeling wordt toegepast in een of meer andere gevallen
                                dan de gevallen die op grond van deze verordening mogelijk zijn, dan
                                zijn de leden a tot en met d van toepassing op de voorbereiding van
                                de besluiten die behoren bij die gevallen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt de dag na de dag van bekendmaking in
                                werking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op procedures die zijn gestart voor inwerkingtreding van deze
                                verordening is deze verordening niet van toepassing, tenzij door of
                                namens het bevoegd gezag en met schriftelijk instemming van de
                                aanvrager anders is besloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening Gemeente
                            Tilburg 2010.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 22 november 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Bijlage:</al><tussenkop>Toelichting op de coördinatieverordening</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven.</al><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 2 benadrukt dat de coördinatieregeling alleen ziet op het coördineren
                    van de procedure van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                    bouwwerk<sup/>) met de bestemmingsplanprocedure of de procedure van een
                    uitwerkingsplan of van een wijzigingsplan. Dat is de basis.</al><al>Daarbij kunnen vergunningen die een relatie hebben met de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen van een bouwwerk en het bestemmingsplan ook betrokken worden bij
                    de coördinatie. Dat kunnen vergunningen zijn op basis van bijzondere wetten of
                    op basis van gemeentelijke verordeningen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>In artikel 3 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. Elk lid wordt afgesloten met het woordje “en”
                    om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als
                    aan alle voorwaarden is voldaan.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief> vormt de basis van de coördinatieverordening:
                    coördinatie op grond van de coördinatieverordening is alleen mogelijk als
                    tenminste het besluit over een bestemmingsplan of over een uitwerkingsplan of
                    over een wijzigingsplan en het besluit over een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen van een bouwwerk<sup/><sup/>) tot de te coördineren besluiten behoren. De
                    omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk moet een bouwplan betreffen
                    dat alleen in strijd is met het geldende bestemmingsplan in de zin van artikel
                    44 lid c van de Woningwet<sup/>). Er mag niet ook sprake zijn een andere grond
                    waarop de vergunning in eerste aanleg moet worden geweigerd. Het bestemmingsplan
                    dat meedoet in de coördinatieregeling moet die strijdigheid opheffen, zodat de
                    vergunning verleend kan worden. Voor alle duidelijkheid: de coördinatieregeling
                    mag op grond van deze verordening dus niet toegepast worden als de bouwaanvraag
                    past in het geldende bestemmingsplan. In dat geval zou coördinatie met alleen
                    een nieuw bestemmingsplan neerkomen op het omzeilen van de gewone procedure van
                    een omgevingsvergunning. Dat kan anders zijn als naast de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen van een bouwwerk ook nog andere vergunningen nodig zijn om het
                    project te realiseren. Als het wenselijk is om in dat geval – er zijn meer
                    vergunningen nodig – de besluiten met de coördinatieregeling voor te bereiden,
                    dan moet de gemeenteraad daartoe apart besluiten.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief> moet ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat hier
                    niet alleen om de vaststelling dat aan de eisen van lid 4 is voldaan, maar het
                    college ziet ook of aan de procedure-eisen voldaan is. Het college kan ook
                    afzien van coördinatie, bijvoorbeeld wanneer het college constateert dat de
                    gemeente geen bestemmingswijziging wil.</al><al>Uit artikel 3.31 Wro blijkt dat het college niet verplicht is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. De wet stelt dat het college coördinatie
                    “bevordert”. Uitgangspunt is dus dat het college, waar dat op grond van deze
                    verordening mogelijk is, een gecoördineerde besluitvorming voorstaat.</al><al>Een ruime uitleg van lid b kan er niet toe leiden dat het college gevallen
                    coördineert die niet onder de verordening vallen en waartoe de raad niet
                    expliciet heeft besloten. De wet staat delegatie van de raadsbevoegdheid om te
                    besluiten dat gecoördineerde besluitvorming wenselijk is niet toe.</al><al>Op grond van </al><al>Uit <cursief>Onderdeel c</cursief> blijkt dat de aanvrager en de gemeente samen
                    de coördinatieregeling moeten willen toepassen. Een aanvrager kan niet gedwongen
                    worden om mee te werken aan een gecoördineerde besluitvorming. Dat zou namelijk
                    inhouden dat de aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een vergunning aan te
                    vragen. De aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af te zien van
                    coördinatie. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker wil weten
                    dat de bestemmingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten wil maken
                    voor het maken van een bouwtekening.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In dit artikel staat in welke gevallen coördinatie niet mogelijk is. De leden a
                    en b sluiten uit dat besluiten gecoördineerd worden voorbereid, terwijl de
                    uitkomst van de voorbereiding nog onzeker is.</al><al>Zolang geen MER is opgesteld, is ook niet duidelijk welke locatievariant of
                    welke inrichtingsvariant de voorkeur heeft. Ook de noodzaak tot het opstellen
                    van een exploitatieplan maakt de procedure ingewikkelder. Het feit dat een
                    exploitatieplan nodig is, betekent dat er met partijen geen overeenstemming is
                    over de financiering, wat geen goede basis is voor een gecoördineerde
                    voorbereiding. Er is tijd nodig om in zo’n geval te proberen om alsnog met
                    partijen overeenkomsten te sluiten, wat niet past bij de voortvarendheid waarmee
                    via de coördinatieregeling uitvoering kan worden voorbereid.</al><al>Bij mogelijke planschade moet de aanvrager zich bereid verklaren de kosten voor
                    zijn rekening te willen nemen. Als de aanvrager dat niet wil, dan zou het
                    financiële risico van het vaststellen van het bestemmingsplan bij de gemeente
                    liggen. De gemeente is in beginsel niet bereid tot een dergelijk risico.
                    Gecoördineerde besluitvorming is in zo’n geval dan ook niet wenselijk.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De wet geeft geen aanwijzingen over de manier waarop de coördinatieregeling
                    uitgevoerd moet worden. Het is wel wenselijk dat de gemeente duidelijkheid geeft
                    over de uitvoering. Daarom draagt de gemeenteraad het college in dit artikel op
                    om een procedureregeling vast te stellen. Daarin kan bijvoorbeeld worden
                    aangegeven hoeveel tijd de aanvrager heeft om de te coördineren vergunningen aan
                    te vragen.</al><al>In §8 van hoofdstuk 1 is al uitgelegd dat de wetgever hulp heeft geboden met de
                    Wet samenhangende besluiten Awb die een coördinatieprocedure toevoegt aan de
                    Algemene wet bestuursrecht. Dit nieuwe onderdeel van de Awb (met name: § 3.5.3)
                    werkt pas als een wet of een gemeentelijke verordening de procedure van
                    toepassing verklaart. Zolang het college nog geen procedureregeling heeft
                    vastgesteld is op grond van <cursief>lid c</cursief><sup/>) de procedure van de
                    Awb van toepassing. Dat is handig, omdat de regeling van het college nog niet
                    klaar is en het overigens ook aan te bevelen is om die regeling pas op te
                    stellen nadat ervaring is opgedaan met het toepassen van de
                    coördinatieregeling.</al><al>Als het college een procedureregeling vaststelt en bekend maakt, blijft lid c
                    buiten toepassing.</al><al>In de bijlage bij deze toelichting is hoofdstuk 8 uit de Memorie van
                    Toelichting<sup/>) bij het wetsvoorstel integraal weergegeven. Zie ook §8 van
                    hoofdstuk 1 van deze toelichting.</al><al>De Wet samenhangende besluiten Awb verplicht het college van burgemeester en
                    wethouders om een aanvrager in kennis te stellen van alle vergunningen die de
                    aanvrager voor zijn project nodig heeft. </al><al><cursief>Lid b</cursief> geeft aan dat het wenselijk is dat het college in de
                    procedureregeling aangeeft hoe aan die verplichting vorm wordt gegeven.</al><al><cursief>Lid d</cursief> is opgenomen voor alle duidelijkheid. Dat het college
                    het “coördinerend orgaan” is, blijkt ook al uit artikel 3.31, eerste lid Wro,
                    dus feitelijk is dit lid overbodig.</al><al>De procedureregeling moet uiteraard ook gelden als de raad in een bepaald geval
                    dat niet onder de coördinatieverordening valt heeft besloten tot coördinatie.
                        <cursief>Lid 5</cursief> ziet hierop.</al><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Dit artikel bevat onder meer de bepaling waardoor procedures die voor
                    inwerkingtreding van de verordening zijn gestart, rechtsgeldig voortgezet kunnen
                    worden. Heeft ter inzage legging nog niet plaats gevonden, dan kunnen aanvrager
                    en gemeente overeenkomen alsnog te coördineren.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen toelichting.</al><al/><al>Nota-toelichting</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>