<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR8193_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VerordeningWet Inburgering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Brunssum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Brunssum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="www.brunssum.nl">Parelnieuws, 27-12-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Brunssum</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, 19, 23 en 25 Wet inburgering</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006/15038</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING WET INBURGERING</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Brunssum;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van gemeente Brunssum;
                        nr 2006/15038, inzake invoering nieuwe Wet Inburgering Nederland</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet
                        inburgering;</al><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening aan bijzondere groepen
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld,
                        alsmede dat de raad bij verordening het bedrag dient vast te stellen van de
                        bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden
                        opgelegd;</al><al>besluit vast te stellen de volgende
                        verordening:
                        VERORDENING WET INBURGERING</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Brunssum;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                middelen: </al><lijst><li nr="a."><al>publikatie</al></li><li nr="b."><al>loketfunctie</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de 2 jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waaraan hij bij
                            voorrang een inburgeringsvoorziening kan aanbieden op basis van de
                            volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al>het ontvangen van een uitkering op grond van de WWB</al></li><li nr="b."><al>Het hebben van een opvoedingstaak over kinderen in een
                                    leerplichtige leeftijd</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van
                                de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening kan, naast datgene dat in de wet is
                                geregeld, een of meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>maatschappelijke begeleiding (verplicht voor
                                        asielgerechtigde inburgeringsplichtigen)</al></li><li nr="b."><al>trajectbegeleiding en het houden van voorgangsgesprekken.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste 10 termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Indien het
                                college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt
                                dat in de beschikking vastgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden inburgeringscursus;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen op een
                                    tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening die wordt aangeboden en worden de rechten en
                                verplichtingen vermeld die aan de inburgeringsvoorziening worden
                                verbonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen 6 weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan
                                niet aanvaardt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen 6 weken na ontvangst van deze mededeling het besluit
                                tot toekenning van de inburgeringsvoorziening, overeenkomstig het
                                gedane aanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening bevat in
                            ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling; en</al></li><li nr="e."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,- indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,- indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste </al><al>€ 250,- indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden
                                na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw
                                schuldig maakt aan dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 250,- indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000,- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000,- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Brunssum.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al> Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van </al><al> De Raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al-groep><al>De Wet inburgering (WI) treedt op 1 januari 2007 in werking en komt in de
                        plaats van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) en de verschillende
                        oudkomersregelingen. De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel
                        alle onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland
                        willen en mogen verblijven. </al><al>Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de eigen
                        verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                        centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij
                        zich wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de
                        inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het inburgeringsexamen is
                        behaald (een resultaatsverplichting). </al></al-groep><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben
                    gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. Daarnaast
                    hebben gemeenten de taak aan bepaalde groepen inburgeringsplichtigen een
                    inburgeringsvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt
                    inburgeringsplichtigen toe naar het inburgeringsexamen. Ook moeten gemeenten de
                    inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven. Het college moet een
                    bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringplichtige zich verwijtbaar niet
                    houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. </al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="4."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 WI).</al></li><li nr="5."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen
                            aan bijzondere groepen inburgeringsplichtigen en over de rechten en
                            plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en
                            artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="6."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI).</al></li></lijst><tussenkop>Regels over de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>Artikel 8 WI bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over
                    de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen. Het gaat
                    dan om informatie over de rechten en plichten uit hoofde van de WI en informatie
                    over het aanbod van inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die
                    voorzieningen. </al><tussenkop>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                    inburgeringsvoorzieningen</tussenkop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Voor een aantal bijzondere groepen biedt de wet extra
                    faciliteiten. Gemeenten krijgen de taak om voor deze groepen
                    inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Het gaat om de
                    volgende vier groepen inburgeringsplichtigen:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuw- en oudkomers die algemene bijstand of een uitkering ontvangen die
                            is aangewezen in het Besluit inburgering;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk, algemene bijstand of
                            uitkering hebben;</al></li><li nr="3."><al>asielgerechtigde nieuw- en oudkomers; </al></li><li nr="4."><al>nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar. </al></li></lijst><al-groep><al>Aan inburgeringsplichtigen die behoren tot de eerste twee groepen (nieuw- en
                        oudkomers die een algemene bijstand of een nader aangeduide uitkering
                        ontvangen en oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben)
                        kán het college een inburgeringsvoorziening aanbieden (artikel 19, eerste
                        lid, WI). Het college is verplicht een inburgeringsvoorziening aan te bieden
                        aan alle asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- en nieuwkomers) en
                        aan nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar (artikel
                        19, tweede lid, WI). </al><al>Het aanbod behelst een inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het
                        inburgeringsexamen en het eenmaal gratis afleggen van dat examen. Voor
                        asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening
                        ook uit maatschappelijke begeleiding.</al></al-groep><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen aan deze vier
                    groepen. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval
                    regels moeten worden gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                            WI).</al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringsvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en de
                            samenstelling van de inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid,
                            onderdeel b, WI).</al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder
                            geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het college en
                            de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI).
                        </al></li></lijst><tussenkop>Het vaststellen van de bedrag van de bestuurlijke boete </tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke
                    boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden
                    opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2 De informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                    bepaalt artikel 8 WI dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over
                    de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake
                    van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van
                    en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                    Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders vast te
                    stellen voor een adequate informatievoorziening door het college aan de
                    inburgeringsplichtigen. In dat geval kan met opnemen van het eerste en derde lid
                    in de verordening worden volstaan. Er kan ook voor worden gekozen om in de
                    verordening vast te leggen welke middelen het college (in ieder geval) moet
                    aanwenden om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen te organiseren.
                    In dat geval moet het tweede lid in de verordening worden opgenomen, waarbij
                    tevens een keuze moet worden gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden
                    ingezet. </al><al-groep><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                        artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                        inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
                        informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af aan de
                        raad. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren
                        worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart informatiepunt inrichten
                        (het inburgeringsloket) al dan niet in combinatie met een digitaal loket.
                        Het is ook mogelijk om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen
                        onder te brengen bij een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het
                        zorgloket). Ook kunnen gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld
                        educatie-instellingen, bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties)
                        een rol geven bij de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen. </al></al-groep><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval) een
                    aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen vorm te geven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan personen ten
                            aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens uit het Bestand
                            Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs kan worden aangenomen
                            dat zij inburgeringsplichtig zijn;</al></li><li nr="c."><al>het vertrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om
                            uitkeringen;</al></li><li nr="d."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                            website.</al></li></lijst><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                    doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                    inburgeringsplichtigen. Om aan deze verplichting efficiënt te kunnen voldoen,
                    zou een informatieplan kunnen worden opgesteld waarvan de informatieverstrekking
                    onderdeel is. Een dergelijk informatieplan zou vervolgens door de raad getoetst
                    kunnen worden waarbij eventuele verbeteringen kunnen worden opgenomen. Om
                    efficiënt aan de verplichting van het tweede lid te kunnen voldoen, is wellicht
                    ook aansluiting mogelijk bij de uitvoering van de actieve informatieplicht van
                    het college aan de raad op grond van artikel 169, tweede lid, van de
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 3 Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>Artikel 19, eerste lid, WI bepaalt dat het college aan twee groepen
                    inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening kán aanbieden:</al><lijst><li nr="1."><al>inburgeringsplichtigen die algemene bijstand of een uitkering op grond
                            een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
                            socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen ontvangen;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben.</al></li></lijst><al>De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen met betrekking tot de
                    criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan deze twee groepen
                    inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI). Dit artikel
                    vorm de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het college
                    opgedragen om vast te stellen aan welke groepen inburgeringsplichtigen (binnen
                    de twee doelgroepen van artikel 19, eerste lid, WI) bij voorrang een
                    inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel
                    vastgelegd binnen welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet
                    komen. Het is van belang dat deze kaders (in casu het aanwijzen van groepen
                    waaraan een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden) niet te eng te definiëren.
                    Het college zal binnen deze kaders gedurende een aantal jaren groepen moeten
                    kunnen aanwijzen. Het alternatief is dat de verordening op dit onderdeel steeds
                    opnieuw moet worden gewijzigd. Een andere reden om de kaders niet te strak vast
                    te stellen is dat gemeenten op dit moment geen duidelijk zicht hebben op de
                    precieze omvang van de groep oudkomers zonder werk of uitkering waaraan een
                    inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden. Te strenge criteria zouden wel
                    eens kunnen leiden tot het niet benutten van de beschikbare middelen voor het
                    aanbieden van inburgeringsvoorzieningen. </al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij voorrang
                    </cursief>een inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden. Dit betekent dat het
                    college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een inburgeringsvoorziening
                    aan te bieden aan inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of
                    groepen die hij heeft aangewezen (maar wel behoren tot de doelgroepen, bedoeld
                    in artikel 19, eerste lid, WI). Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die
                    behoren tot de groep of groepen die het college heeft aangewezen aan deze
                    aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit
                    artikel dat het college aan de groepen die hij aanwijst een
                    inburgeringsvoorziening <cursief>kan</cursief> aanbieden. </al><al>Voorbeelden van criteria die in verordening kunnen worden neergelegd en op basis
                    waarvan het college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="-"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="-"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="-"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="-"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="-"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al></li></lijst><al>Gemeenten zouden er ook voor kunnen kiezen om geen voorrang te geven aan
                    specifieke groepen, maar in plaats daarvan prioriteit te geven aan oud- en
                    nieuwkomers die graag voor een inburgeringsvoorziening in aanmerking willen
                    komen (bijvoorbeeld voorrang op basis van eigen aanmelding of gemotiveerdheid).
                    Criteria op basis waarvan het college doelgroepen aanwijst, kunnen ook worden
                    ontleend aan andere beleidsterreinen, zoals bijvoorbeeld ‘leefbaar, sociaal en
                    veilig’. Daarmee kan de uitvoering van de WI een onderdeel vormen van een
                    integrale aanpak van sociaal beleid. </al><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad (artikel
                    169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het college zijn besluit
                    aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een aanbod zal worden
                    gedaan ter kennisname aan de raad aanbiedt. </al><tussenkop>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</tussenkop><al-groep><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                        vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening, met
                        in begrip van de totstandkoming en samenstelling van de
                        inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit
                        artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht
                        heeft voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een
                        op de persoon toegesneden inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                        inburgeringsvoorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid
                        van een inburgeringsvoorziening, kunnen de volgende factoren een rol
                        spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                                Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                                vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht
                                aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van
                                kinderen.</al></li></lijst><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                        bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                        inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></al-groep><al-groep><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                        wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                        mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke
                        bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                        opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is
                        wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor
                        een inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde
                        inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat diens
                        arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd moet
                        worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                        (reïntegratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden
                        aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering
                        ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of
                        socialezekerheidsregeling én die verplicht is om arbeid om arbeid te
                        verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Indien in deze
                        specifieke situatie geen reïntegratievoorziening wordt aangeboden, kan de
                        gemeente derhalve geen inburgeringsvoorziening aanbieden. Het college is
                        verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                        inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van
                        artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen dat
                        de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de reïntegratievoorziening.
                        Aangezien deze voorzieningen in het kader van de uitkeringsverstrekking op
                        grond van socialezekerheidswetten of –regelingen ook door andere partijen
                        dan het college (kunnen) worden verstrekt, zal het college afspraken moeten
                        maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of
                        –regeling: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
                        eigenrisicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 WI). </al></al-groep><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan aanbieden. In de
                    wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan:
                    een cursus die toe leidt naar het inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos
                    afleggen van dat examen (artikel 19, derde lid, WI). Voor asielgerechtigde
                    inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke
                    begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening (artikel
                    19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het college als
                    onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                    aanbieden, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden
                    van voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht
                    aan een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                    maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het verwerven van
                    kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                    belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen inburgeringsvoorziening krijgen
                    aangeboden in combinatie met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten
                    reeds een vast onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                    praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                    getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                    inburgeringsvoorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze
                    vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een belangrijke rol
                    vervullen.</al><tussenkop>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage </tussenkop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte
                    van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit bedrag kan
                    bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid,
                    WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Artikel
                    24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene bijstand
                    ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze
                    uitkering. Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat worden
                    vastgelegd in de beschikking tot toekenning van de inburgeringsvoorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college
                    het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de
                    uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit geval int het UWV de
                    eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt
                    door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze verordening
                    geregeld. </al><tussenkop>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Dit
                    artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het
                    artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een
                    inburgeringsvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking tot de
                    toekenning van de inburgeringsvoorziening deze verplichtingen vast. </al><tussenkop>Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgerings-voorziening. In het eerste lid
                    van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van een
                    inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet
                    en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige
                    staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan
                    over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al-groep><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                        uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met
                        het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot de
                        toekenning van de inburgeringsvoorziening (die eenzijdig door de gemeente
                        wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als
                        het aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige
                        het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                        meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                        mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                        inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld.
                    </al></al-groep><al-groep><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente
                        meldt dat hij wel een inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij gelet op
                        zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod
                        van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane
                        aanbod moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                        inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                        voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er
                        geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het
                        inburgeringsexamen moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het
                        college in een dergelijke situatie een handhavingsbeschikking neemt: een
                        besluit op grond van artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat
                        waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moeten hebben
                        behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn). Het verdient de aanbeveling
                        dat het college deze handelwijze vastlegt in beleidsregels, zodat tevoren
                        voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de gevolgen zijn van
                        het weigeren van een aanbod voor een inburgeringsvoorziening. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 8 De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening is een
                    beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft
                    tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld
                    welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden
                    neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende inburgeringsvoorziening en de daaraan
                    verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten
                    worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening
                    (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de
                    verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de
                    betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al-groep><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                        hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, WI). In de
                        beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                        (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                        termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                        plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                        bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening.</al></al-groep><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het college
                    een inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in
                    de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van handhaving
                    van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel
                    26 WI). Binnen vijf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het
                    inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer de
                    termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor
                    de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen
                    aan de datum waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat). De precieze
                    datum waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat, zal niet altijd bekend
                    zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het vaststellen van
                    een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht, onafhankelijk
                    van het moment waarop met de inburgeringsvoorziening kan worden begonnen bij het
                    uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer
                    inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het behalen
                    van het inburgeringsexamen. </al><tussenkop>Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook
                    zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                    gepleegd (artikel 38, tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete
                    passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                    inburgeringsplichtige. </al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van
                    een andere scocialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                    voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                    géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al><tussenkop>Artikel 10 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                        overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9
                        mogelijk is. </al><al>Het eerste en tweede lid kunnen alleen in de verordening worden opgenomen
                        als in artikel 9, eerste en tweede lid, lagere maximumboetebedragen zijn
                        opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De verhoogde boetebedragen
                        ingeval van herhaling van de overtreding mogen uiteraard niet hoger zijn dan
                        de maximumbedragen die in artikel 34 WI worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                        overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen, bijvoorbeeld
                        12 maanden. Gemeenten kunnen een kortere of langere termijn vaststellen. </al><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                        bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in
                        het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                        verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen.
                        Dit is geregeld in het derde en vierde lid van artikel 10. </al></al-groep><al-groep><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                        inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                        boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel
                        9, derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het
                        college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                        inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                        inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen
                        niet heeft behaald, maakt het derde lid van artikel 10 het mogelijk dat het
                        college een hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000
                        (artikel 34, onderdeel d, WI). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking
                        een nieuwe termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de
                        inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                        inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het college
                        wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het
                        vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van
                        termijnen door de inburgeringsplichtige. </al></al-groep><al-groep><al>Het vierde lid kan alleen in de verordening worden opgenomen als in het
                        derde lid niet het wettelijk maximum van € 1000 is vastgesteld. Alleen in
                        dat geval is er ruimte voor het verhogen van het maximumbedrag van de
                        bestuurlijke boete (tot maximaal € 1000). </al><al>Als in het derde lid het wettelijk maximum van € 1000 is opgenomen of als de
                        gemeente er geen behoefte aan heeft om een hogere maximumboetebedrag vast te
                        stellen wanneer termijnen bij herhaling worden overschreden, kan het vierde
                        lid worden geschrapt en dient het derde lid als volgt te luiden: </al><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste &lt;BEDRAG VAN MAXIMAAL €
                        1000&gt; indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op
                        grond van artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                        inburgeringsexamen heeft behaald. </al></al-groep><al>De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm van het vaststellen van maximumbedragen
                    het kader voor het college bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke
                    boetes in individuele gevallen. Het college zal binnen deze kaders zelf een
                    beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te bevelen dat het college in
                    beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit ziet: welke boete wordt in beginsel
                    opgelegd bij welke overtreding en met welk bedrag wordt de boete in beginsel
                    verhoogd als de betrokken inburgeringsplichtige dezelfde overtreding nogmaals
                    pleegt. </al><tussenkop>Artikel 11 Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 12 Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>