<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR81751_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Heerhugowaard 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heerhugowaards Nieuwsblad 23-12-2003</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Heerhugowaard 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet voorzieningen gehandicapten, art. 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2003144</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordeningen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten.</al><al>Verstrekkingenbeleid Wet voorzieningen gehandicapten.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Heerhugowaard
            2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr.RB2003144</al><al/><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 november
                        2003</al><al/><al>gelet op artikel 2 van de Wet voorzieningen gehandicapten Stb. 1993 nr. 545
                        en gelet op artikel 149 van de Gemeentewet Stb 1993, nr. 610;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van voorzieningen aan
                        gehandicapten bij verordening te regelen.</al><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al>tot vaststelling van </al><al/><lijst><li nr="1."><al>de Verordening voorzieningen gehandicapten</al></li><li nr="2."><al>het Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen
                                gehandicapten</al></li><li nr="3."><al>het Verstrekkingenbeleid Wet voorzieningen gehandicapten, met
                                uitzondering van de punten 2.2.2.4. en 2.2.2.9. (zie Amendement
                                A)</al><al/></li></lijst><al>Heerhugowaard, 16 december 2003</al><al/><al>De Raad voornoemd,</al><al/><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Heerhugowaard
                            2004</vet></al><al/><al>Nr.RB2003144</al><al/><al>De Raad van de gemeente Heerhugowaard, </al><al/><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 17 november 2003; </al><al/><al>gelet op het advies van de commissie Maatschappelijke Ontwikkeling d.d. 3
                        december 2003</al><al/><al>gelet op artikel 2 van de Wet voorzieningen gehandicapten Stb. 1993 nr. 545
                        en gelet op artikel 149 van de Gemeentewet Stb 1993, 610; </al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van voorzieningen aan
                        gehandicapten bij verordening te regelen; </al><al/><al>besluit </al><al/><al>vast te stellen de volgende </al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen gehandicapten</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a Voorziening: een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een
                                rolstoel. </al><al>b Inkomen: </al><al>1.het bruto-inkomen, inclusief overhevelingstoeslag, van de
                                gehandicapte indien de gehandicapte 18 jaar of ouder is en geen
                                echtgenoot heeft in de zin van artikel 1, lid 2 t/m 7 Wvg ;</al><al>2.het gezamenlijk bruto-inkomen, inclusief de overhevelingstoeslag,
                                van de ouders of pleegouders van de gehandicapte indien de
                                gehandicapte jonger is dan 18 jaar en geen echtgenoot heeft in de
                                zin van artikel 1 lid 2 t/m 7 Wvg; </al><al>3.het gezamenlijk bruto-inkomen, inclusief de overhevelingstoeslag,
                                van de gehandicapte en zijn echtgenoot indien de gehandicapte een
                                echtgenoot heeft in de zin van artikel 1, lid 2 t/m 7 Wvg; </al><al>verminderd met de over het bruto-inkomen verschuldigde belasting,
                                sociale verzekeringspremies en pensioenpremies, met uitzondering van
                                de procentuele premie voor de verplichte ziekenfondsverzekering. </al><al>c Woonruimte: een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig
                                verhuurd worden, een woonwagen, een woonschip of een verblijf van
                                een binnenschip. </al><al>d Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een
                                standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst. </al><al>e Standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een
                                woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet
                                van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeente
                                kunnen worden aangesloten. </al><al>f Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente
                                bewoning, waar de gehandicapte zijn vaste woon- en verblijfplaats
                                heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven
                                dan wel zal staan ingeschreven., dan wel het feitelijk woonadres
                                indien het een gehandicapte is met een briefadres. </al><al>g Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet
                                behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om
                                de woning van de gehandicapte vanaf de toegang tot de woning te
                                bereiken. </al><al>h Woonvoorziening: elke voorziening die verband houdt met een
                                maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van
                                beperkingen die een gehandicapte ondervindt bij het normale gebruik
                                van zijn woonruimte, met dien verstande dat bij ingrepen van
                                bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts
                                dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt indien de
                                voorziening: 1. gericht is op het opheffen of verminderen van
                                ergonomische beperkingen 2. een uitraaskamer betreft. </al><al>i Uitraaskamer een ruimte waarin een gehandicapten die vanwege een
                                gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen
                                of tot rust kan komen. </al><al>j Woningaanpassing ingreep die gericht is op opheffen of verminderen
                                van beperkingen die een gehandicapte ondervindt bij het normale
                                gebruik van de woonruimte en waarvan de kosten het bedrag van €
                                45.378,00 niet te boven gaan. </al><al>k Wet: de Wet voorzieningen gehandicapten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>1 Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover: </al><al>a deze in overwegende mate op het individu is gericht; </al><al>b deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied
                                van het wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te
                                heffen of te verminderen; </al><al>c deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                adequate voorziening kan worden aangemerkt. </al><al>2 In afwijking op hetgeen in het eerste lid onder a is gesteld, kan
                                een voorziening worden verstrekt in de vorm van het gebruik van een
                                collectief vervoersysteem als bedoeld in artikel 3.1 lid 1. </al><al>3 Geen voorziening wordt toegekend: </al><al>a indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen
                                gebruikelijk is; </al><al>b voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of enige
                                privaatrechtelijke overeenkomst aanspraak op de voorziening bestaat; </al><al>c voor zover de ondervonden ergonomische belemmeringen in de woning
                                voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders stellen de hoogte van de financiële
                                tegemoetkomingen voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en
                                rolstoelen vast overeenkomstig het bepaalde in het 'Besluit
                                financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten'. </al><al>2 Burgemeester en Wethouders stellen de hoogte van de eigen bijdrage
                                voor voorzieningen in natura vast volgens het bepaalde in het
                                'Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen
                                gehandicapten’.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>De procedure met betrekking tot toekenning, herziening,
                                intrekking en terugvordering van voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>De aanvraag en beslistermijn</titel></kop><al>1 De aanvraag om een voorziening kan worden gedaan door of namens de
                                gehandicapte. </al><al>2 Voor het indienen van een aanvraag voor een voorziening en het
                                verstrekken van gegevens wordt gebruik gemaakt van het door
                                Burgemeester en wethouders vastgestelde formulier. </al><al>3 Burgemeester en Wethouders beslissen op een aanvraag om een Wvg
                                voorziening binnen acht (8) weken na de dag waarop de aanvraag is
                                ontvangen. Zij kunnen hun beslissing voor ten hoogste acht (8) weken
                                verdagen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>De adviseur</titel></kop><al>1 Ter beoordeling van het recht op een voorziening kunnen
                                Burgemeester en Wethouders advies vragen aan een ter zake deskundige
                                adviseur, die dient te beschikken over medische kennis op het niveau
                                van een arts, sociale kennis, ergonomische kennis en technische
                                kennis. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Inlichtingen en advies</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, voor zover dit van belang
                                kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een voorziening, de
                                gehandicapte op te roepen in persoon te verschijnen op een door
                                Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats en tijdstip en te doen
                                ondervragen; </al><al>2 Burgemeester en Wethouders vragen de in art. 1.5 bedoelde
                                deskundig adviseur om advies, indien: </al><al>a als uit onderzoek blijkt dat er aanvullend medisch advies nodig is
                                voor het toekennen van de voorziening; </al><al>b de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen; </al><al>c Burgemeester en Wethouders dat overigens gewenst vinden. </al><al>3 Alvorens op een aanvraag van een woonvoorziening waarvan de kosten
                                gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 20.420,00 te besluiten, wint
                                het gemeentebestuur omtrent de noodzaak van deze voorziening advies
                                in van het orgaan, bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten. </al><al>4 Bij een vervolgaanvraag voor een voorziening hebben Burgemeester
                                en Wethouders de bevoegdheid aan te geven dat opnieuw advies dient
                                te worden uitgebracht. </al><al>5 Een gehandicapte is verplicht aan Burgemeester en Wethouders en
                                aan de deskundige adviseur alle gegevens te (doen) verschaffen die
                                noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>1 Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht aan Burgemeester en Wethouders mededeling te
                                doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening. </al><al>2 Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, de gehandicapte, na
                                toekenning van een voorziening op grond van deze verordening, op te
                                roepen teneinde vast te stellen, of de omstandigheden die hebben
                                geleid tot toekenning van de voorziening, ongewijzigd zijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Gronden voor weigering</titel></kop><al>Burgemeester en Wethouders kunnen de gevraagde voorzieningen in
                                ieder geval weigeren: </al><al>a voor zover de aanvraag een financiële tegemoetkoming betreft in
                                kosten van het aanschaffen of realiseren van een voorziening die de
                                aanvrager vóór het moment van beschikken heeft gemaakt; </al><al>b indien een voorziening als waarop de aanvraag betrekking heeft
                                reeds eerder krachtens deze verordening is vergoed of verstrekt en
                                de normale afschrijvingsduur voor die voorziening nog niet is
                                verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening
                                geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg van feiten en
                                omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Eisen aan de beschikking</titel></kop><al>1 Indien een financiële tegemoetkoming wordt verleend, wordt in de
                                beschikking vermeld op welke kosten de tegemoetkoming betrekking
                                heeft. </al><al>2 Indien een periodieke financiële tegemoetkoming wordt verleend,
                                wordt in de beschikking tevens vermeld: de geldingsduur, de
                                uitkeringsmaatstaf, alsmede de voorschriften waaraan de
                                rechthebbende dient te voldoen alvorens tot uitbetaling van de
                                tegemoetkoming kan worden overgegaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.10</nr><titel>Gronden voor intrekking en/of herziening</titel></kop><al>1 Een beschikking tot toekenning van een voorziening wordt in ieder
                                geval geheel of gedeeltelijk ingetrokken en, zo nodig, herzien: </al><al>a indien niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                deze verordening; </al><al>b indien er op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                gegevens zodanig onjuist waren dat, zo de juiste gegevens bekend
                                waren geweest, Burgemeester en Wethouders niet tot toekenning zouden
                                zijn overgegaan of anders hadden besloten; </al><al>c indien binnen redelijke termijn geen gebruik wordt gemaakt van de
                                verstrekte voorziening; </al><al>d bij verhuizing naar een andere gemeente of een AWBZ instelling; </al><al>e bij overlijden </al><al>2 Een beschikking tot toekenning van een voorziening die bestaat uit
                                een volledige vergoeding of een financiële tegemoetkoming, kan
                                worden ingetrokken indien de daarmee gemoeide gelden binnen zes
                                maanden na de uitbetaling niet zijn aangewend voor de bekostiging
                                van de voorziening waarvoor deze was verleend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.11</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>1 In geval een voorziening is ingetrokken, kunnen Burgemeester en
                                Wethouders deze geheel of gedeeltelijk terugvorderen. </al><al>2 Terugvordering geschiedt op grond van artikel 4:49 van de Algemene
                                Wet Bestuursrecht inzake onverschuldigde betaling en aanverwante
                                artikelen. </al><al>3 Tot terugvordering wordt overgegaan nadat het besluit tot
                                intrekking van een voorziening onherroepelijk is geworden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>WOONVOORZIENINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Type woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening
                                kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van: </al><al>1 a verhuizing en inrichting; </al><al>b woningaanpassing; </al><al>c woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard; </al><al>d onderhoud, keuring en reparatie; </al><al>e tijdelijke huisvesting; </al><al>f huurderving; </al><al>g verwijderen van voorzieningen. </al><al>2 Burgemeester en Wethouders kunnen de in het eerste lid onder b en
                                c genoemde voorziening ook als voorziening in natura verstrekken.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Uitbetaling financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>1 a De tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 2.1, lid 1,
                                onder f en g wordt uitbetaald aan de eigenaar van de woonruimte. </al><al>b De tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 2.1, lid 1,
                                onder b, c en d wordt uitbetaald aan de eigenaar van de woonruimte
                                of de leverancier. </al><al>c De tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 2.1, lid 1,
                                onder a en e wordt uitbetaald aan de belanghebbende of wettelijke
                                vertegenwoordiger. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt
                                    verstrekt</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                bejaardenoorden, vakantiewoningen, tweede woningen, kamerverhuur en
                                specifiek op de gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor
                                wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of
                                voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder
                                noemenswaardige meerkosten meegenomen (hadden) kunnen worden. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Verhuizing en inrichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Verhuizing en inrichting</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in
                                artikel 2.1 lid 1,onder a, indien: </al><al>a de verhuizing niet heeft plaatsgevonden voordat burgemeester en
                                wethouders op de aanvraag hebben beschikt, of dat zij daar
                                schriftelijk toestemming voor hebben verleend; </al><al>b de gehandicapte niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen; </al><al>c de gehandicapte niet verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die
                                niet geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden c.q.
                                bewoond mag worden; </al><al>d de gehandicapte niet verhuisd is naar een AWBZ-instelling, een
                                bejaardenoord of een andere onzelfstandige woon(zorg)vorm; </al><al>e aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de te verlaten
                                woning belemmeren, tenzij het een verhuizing naar een
                                A.D.L.-clusterwoning (Focus woningen) betreft; </al><al>f de nieuwe woonruimte adequaat is, of goedkoper adequaat te maken
                                is dan de huidige woonruimte, en er geen problemen worden
                                ondervonden bij het normale gebruik van de woning; </al><al>2 Burgemeester en Wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming
                                verlenen in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in art. 2.1
                                lid 1 onder a aan: </al><al>a de gehandicapte; </al><al>b een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een
                                gehandicapte een aangepaste woonruimte ontruimt. </al><al>3 Burgemeester en Wethouders stellen de hoogte van de financiële
                                tegemoetkoming vast als bedoeld in het eerste en tweede lid. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Woningaanpassing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Het recht op woningaanpassing</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing indien de
                                aanpassing leidt tot opheffing of aanzienlijke vermindering van de
                                beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn
                                woonruimte ondervindt, en waarvan de kosten een bedrag van €
                                45.378,00 niet te boven gaan. </al><al>2 Indien de woningaanpassing naar verwachting het bedrag van €
                                4.500,-- te boven gaat, dient onderzocht te worden of verhuizing een
                                adequate oplossing kan bieden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>1 De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1
                                wordt geweigerd indien: </al><al>a de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is
                                van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebruik geen
                                aanleiding bestond; </al><al>b indien de gehandicapte niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij
                                tevoren schriftelijk toestemming is verleend door burgemeester en
                                wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de gemaakte kosten van aanpassing als bedoeld in
                                artikel 2.1 onder b en c indien de gehan-dicapte zijn hoofdverblijf
                                heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt
                                getroffen. </al><al>2 In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een financiële
                                tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het aanpassen van
                                één woonruimte indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in
                                een AWBZ-instelling. </al><al>a De financiële tegemoetkoming betreft slechts een tegemoetkoming in
                                de kosten van het </al><al>bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte tot
                                een maximum bedrag gelijk aan een verhuiskostenvergoeding. </al><al>b Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de
                                gehandicapte de woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken. </al><al>c De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen
                                woning staat. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Aanvang werkzaamheden en controle</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming indien: </al><al>a met de werkzaamheden waarop de tegemoetkoming betrekking heeft,
                                geen aanvang is genomen voordat Burgemeester en Wethouders positief
                                hebben beschikt op de aanvraag tot verlening van geldelijke steun; </al><al>b door Burgemeester en Wethouders aangewezen personen op een of meer
                                door hen te bepalen tijdstippen toegang is geboden tot dat gedeelte
                                van de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht; </al><al>c deze personen de gelegenheid is geboden tot het controleren van de
                                woningaanpassing. </al><al>2 Burgemeester en Wethouders kunnen middels het verlenen van een
                                schriftelijke toestemming van het bepaalde in het eerste lid, onder
                                a, afwijken, indien bijzondere spoedeisende medische omstandigheden
                                daartoe aanleiding geven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Anti-speculatiebeding</titel></kop><al>1 De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten van het treffen van een woonvoorziening
                                heeft ontvangen en die binnen een periode van vijf jaar na de datum
                                van gereed melding van de werkzaamheden de woning verkoopt, is
                                gehouden om binnen een week na het passeren van de akte Burgemeester
                                en Wethouders hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De
                                financiële tegemoetkoming dient (gedeeltelijk) aan de gemeente te
                                worden terugbetaald </al><al>2 De terugbetaling als bedoeld in het eerste lid bedraagt: </al><al>voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde, </al><al>voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde,</al><al>voor het derde jaar 60% van de meerwaarde, </al><al>voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde, </al><al>voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde, </al><al>in alle gevallen minus het percentage dat voor rekening van de
                                eigenaar van de woonruimte is gekomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Duidelijkheid over financiering van niet-gesubsidieerde deel
                                    van de kosten</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder
                                b en c indien in de financiering van het niet door subsidie gedekte
                                deel van de voorziening is voorzien. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Het verwerven van grond</titel></kop><al>Voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in art. 2.1
                                lid 1, onder b betreft het uitbreiden van bestaande woningen, dan
                                wel het groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de
                                voorzieningen nodig zou zijn, kunnen burgemeester en wethouders een
                                bijdrage verlenen voor de extra te verwerven grond die ten hoogste
                                overeenkomt met de bijdrage voor het aantal vierkante meters per
                                vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning, zoals
                                vermeld in bijlage I. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming
                                verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een
                                gemeenschappelijke ruimte, indien zonder deze voorzieningen de
                                woonruimte voor de gehandicapte ontoegankelijk blijft. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Aanpassingen woonwagens</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de aanpas-singskosten van een woonwagen indien: </al><al>a de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar
                                is; </al><al>b de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking
                                komt; </al><al>c de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een
                                woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; en </al><al>d de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een
                                bewoningsvergunning als bedoeld in de Woonruimtewet en de
                                Huisvestingswet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Beperking financiële vergoeding</titel></kop><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen minder dan vijf
                                jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor
                                opheffing in aanmerking komt, bedragen de maximale aanpassingskosten
                                € 1.000,--. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Overige woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr><titel>Woonvoorziening van niet-bouwkundige of woontechnische
                                    aard</titel></kop><al>Burgemeester en Wethouders stellen de hoogte vast van de financiële
                                tegemoetkoming voor vervanging van stoffering en roerende
                                woonvoorzieningen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.16</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie als
                                bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder d indien: </al><al>a de woonvoorziening in het kader van deze verordening zijn
                                verstrekt; </al><al>b de woonvoorziening voorkomt op de in bijlage II genoemde
                                voorzieningen; </al><al>c de gehandicapte ten tijde van het onderhoud, de keuring of
                                reparatie de woonruimte als hoofdverblijf bewoont. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.17</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming in
                                de kosten van tijdelijk huisvesting verlenen die door de
                                gehandicapte moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van: </al><al>a de huidige woonruimte van de gehandicapte; </al><al>b de door de gehandicapte nog te betrekken woonruimte; </al><al>2 De financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 1 onder a en b
                                wordt verleend uitsluitend voor de periode, dat de aan te passen
                                woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing
                                niet bewoond kan worden en de gehandicapte als gevolg daarvan voor
                                dubbele woonlasten komt te staan. </al><al>3 De maximale termijn waarvoor Burgemeester en Wethouders een
                                financiële vergoeding in de kosten van tijdelijke huisvesting, als
                                bedoeld in het eerste lid, verlenen bedraagt drie maanden. </al><al>4 De financiële tegemoetkoming bedraagt het bedrag van de werkelijk
                                gemaakte kosten met een maximum bedrag dat benoemd is in het
                                “Besluit financiële tegemoetkoming” (artikel 2 lid 4). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.18</nr><titel>Huurderving</titel></kop><al>1 In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, kunnen
                                Burgemeester en Wethouders een financiële tegemoetkoming verlenen
                                aan de eigenaar van de woning in verband met derving van
                                huurinkomsten voor de duur van maximaal zes maanden, waarbij de
                                eerste maand huurderving niet voor een financiële tegemoetkoming in
                                aanmerking komt. </al><al>2 De hoogte van de financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 1 is
                                afhankelijk van de kale huur van de woonruimte, doch zal niet meer
                                bedragen dan de helft van de werkelijke kosten met een maximum
                                bedrag dat benoemd is in het “Besluit financiële
                                tegemoetkoming”(artikel 2 lid 5). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.19</nr><titel>Kosten in verband met het verwijderen van
                                    voorzieningen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten van verwijdering van voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2.1, onder g indien: </al><al>a de voorzieningen in het kader van deze verordening zijn verstrekt
                                of tijdens de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten,
                                en; </al><al>b de woning langer dan zes maanden leeg staat en er over maximaal
                                zes maanden een financiële tegemoetkoming in verband met derving
                                huurinkomsten als bedoeld in artikel 2.18 is verleend en er geen
                                geschikte huurder is gevonden, en; </al><al>c het niet verwijderen van de voorzieningen onredelijk nadeel voor
                                de verhuurder tot gevolg zou hebben.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>VERVOERSVOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><al>De door Burgemeester en Wethouders te verstrekken vervoersvoorziening
                            kan bestaan uit: </al><al>1 een collectief systeem van aanvullend openbaar vervoer </al><al>2 een voorziening in natura in de vorm van </al><al>a een al dan niet aangepaste bruikleenauto; </al><al>b een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen; </al><al>c een open elektrische buitenwagen; </al><al>d een ander verplaatsingsmiddel; </al><al>3 een tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten van: </al><al>a aanpassing van een eigen auto; </al><al>b gebruik van een bruikleenauto; </al><al>c gebruik van een taxi of een eigen auto; </al><al>d gebruik van een rolstoeltaxi. </al><al>e aanpassing van een ander verplaatsingsmiddel; </al><al>4 een tegemoetkoming in de kosten van: </al><al>a stallingkosten; </al><al>5 tegemoetkoming in de kosten middels de pas van de OV-taxi: </al><al>a medisch noodzakelijke begeleiding van de gehandicapte tijdens het
                            vervoer. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Het recht op een vervoersvoorziening</titel></kop><al>1 Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als genoemd in
                            artikel 3.1 in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare
                            beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek: </al><al>a het gebruik van het openbaar vervoer, of; </al><al>b het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken. </al><al>2 Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als in artikel 3.1.
                            onder lid 2 en 3 vermeld in aanmerking worden gebracht wanneer
                            aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van
                            een collectief systeem als bedoeld in het eerste lid onmogelijk maken;
                                <onderstreept>het primaat ligt bij het collectief
                                systeem</onderstreept>. </al><al>3 Voor de bij artikel 3.1 onder lid 2 sub c en d genoemde voorzieningen
                            geldt, in afwijking op het gestelde in het vorige lid dat zij ook in
                            aanvulling op het gebruik van een collectief vervoerssysteem als bedoeld
                            in artikel 3.1 lid 1 verstrekt kunnen worden, indien er sprake is van
                            een vervoersbehoefte in de directe leefomgeving en indien deze
                            vervoersbehoefte niet op een goedkopere wijze is op te lossen. </al><al>4 Indien de gehandicapte daar de voorkeur aan geeft, kan hij in plaats
                            van het verstrekken van een voorziening zoals bedoeld in artikel 3 lid 2
                            sub c en d in aanmerking worden gebracht voor een forfaitaire vergoeding
                            van het gebruik van een eigen vervoermiddel, voor zover deze vergoeding
                            niet hoger is dan de kosten van de voor hem geïndiceerde voorziening. </al><al>5 Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in
                            de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alle
                            dag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om
                            een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de gehandicapte zelf
                            bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is voor de
                            gehandicapte om dreigende vereenzaming te voorkomen. </al><al>6 Voor zover de behoeften van echtgenoten niet samenvallen, wordt niet
                            meer dan anderhalf maal een enkele vergoeding toegekend. </al><al>7 Indien het inkomen zoals bedoeld onder artikel 1.1 onder b hoger is
                            dan 1.5 x het norminkomen, wordt geen vervoersvoorziening verstrekt als
                            bedoeld in art. 3.1 lid 2 onder a en als bedoeld in art. 3.1. lid 3
                            onder b, c en d.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>ROLSTOELEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><al>De door Burgemeester en Wethouders te verstrekken rolstoelvoorziening
                            kan bestaan uit: </al><al>a een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor verplaatsing
                            binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassing daaraan en </al><al>b een sportrolstoel </al><al>c onderhoud, gebruik en reparatie </al><al>d accessoires. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Het recht op een rolstoel</titel></kop><al>1 Een gehandicapte kan voor een rolstoel in aanmerking worden gebracht
                            wanneer de aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en
                            hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                            Bijzondere Ziektekosten een onvoldoende oplossing bieden. </al><al>2 In tegenstelling tot het gestelde in het eerste lid kan een
                            gehandicapte in aanmerking voor een sportrolstoel worden gebracht indien
                            hij zonder sportrolstoel niet in staat is tot sportbeoefening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Bruikleen of eigendom</titel></kop><al>1 Een rolstoel wordt in bruikleen verstrekt en kan na afloop van de
                            bruikleenperiode op basis van een afgesloten bruikleenovereenkomst in
                            eigendom worden overgedragen. </al><al>2 In tegenstelling tot het gestelde in het eerste lid vindt de
                            verstrekking van een sportrolstoel plaats in de vorm van een forfaitaire
                            of gemaximeerde vergoeding waarmee voor een periode van drie jaar een
                            sportrolstoel aangeschaft en onderhouden kan worden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</titel></kop><al>1 Burgemeester en Wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste
                            van de gehandicapte of de woningeigenaar afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien toepassing van de verordening tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al><al>2 Indien een bouwkundige woningaanpassing het bedrag van € 45.378,00 te
                            boven gaat, het orgaan bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet
                            Bijzondere Ziektekosten de noodzaak van deze aanpassing heeft
                            vastgesteld en weigering van deze voorziening gelet op het belang dat de
                            wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende
                            aard, kunnen burgemeester en wethouders besluiten tot verstrekking van
                            deze voorziening. </al><al>3 Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kunnen burgemeester
                            en wethouders advies vragen aan een door hen aangewezen adviesinstantie.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Beslissingen burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen jaarlijks per 1 januari de in het
                            kader van deze verordening geldende financiële vergoedingen verhogen of
                            verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het
                            Centraal bureau voor de statistiek. De eerste wijziging vindt op z’n
                            vroegst plaats een jaar na inwerkingtreding van de verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><al>1 Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            gehandicapten gemeente Heerhugowaard 2004. </al><al>2 Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
                        </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Heerhugowaard, 16 december 2003</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1</titel></kop><tussenkop>Aantal m2 waarvoor een financiële tegemoetkoming kan worden gegeven
                    ingevolge artikel 2.11 ‘het verwerven van grond’. </tussenkop><al>Ingevolge artikel 2.11 is het mogelijk om een tegemoetkoming te krijgen voor het
                    verwerven van extra grond ten behoeve van een aanbouw of uitbreiding van een
                    bepaald vertrekt indien dit op grond van ergonomische beperkingen noodzakelijk
                    zou zijn. Het aantal m<sup>2 </sup>dat voor een financiële tegemoetkoming in
                    aanmerking komt is per vertrek (zie onderstaande tabel) gemaximaliseerd. </al><al>1a.Aantal m<sup>2 </sup>waarvoor een financiële tegemoetkoming kan worden
                    verleend, aangegeven per vertrek in een zelfstandige woning.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="46*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Soort vertrek </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Aantal
                                            m</cursief><cursief><sup>2 </sup></cursief><cursief>waarvoor
                                            ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt verleend in
                                            geval van aanbouw van een vertrek </cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Aantal
                                            m</cursief><cursief><sup>2 </sup></cursief><cursief>waarvoor
                                            ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt verleend in
                                            geval van uitbreiding van een reeds aanwezig vertrek en
                                            voor een nieuw te bouwen woning </cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonkamer </al></entry><entry colname="col2"><al>30 </al></entry><entry colname="col3"><al>6 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Keuken </al></entry><entry colname="col2"><al>10 </al></entry><entry colname="col3"><al>4 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eenpersoons slaapkamer </al></entry><entry colname="col2"><al>10 </al></entry><entry colname="col3"><al>4 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweepersoons slaapkamer </al></entry><entry colname="col2"><al>18 </al></entry><entry colname="col3"><al>4 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eenpersoons zit-slaapkamer </al></entry><entry colname="col2"><al>18 </al></entry><entry colname="col3"><al>8 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toiletruimte </al></entry><entry colname="col2"><al>2 </al></entry><entry colname="col3"><al>1 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Badkamer – wastafelruimte – doucheruimte </al></entry><entry colname="col2"><al>2 </al><al>3 </al></entry><entry colname="col3"><al>1 </al><al>2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Entree/gang/hal </al></entry><entry colname="col2"><al>5 </al></entry><entry colname="col3"><al>2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Berging </al></entry><entry colname="col2"><al>6 </al></entry><entry colname="col3"><al>4 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="1b."><al>Het aantal m<sup>2 </sup>verhard pad tussen de openbare weg en de
                            hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een
                            berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aan te leggen van paden, dan
                            wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële
                            tegemoetkoming in aanmerking komt, bedraagt 20 m<sup>2</sup>.</al></li><li nr="1c."><al>Het aantal m2 verharding ten behoeve van de aanleg van een terras, dan
                            wel aanpassing van</al></li></lijst><al>een bestaand terras direct bij een woonruimte dat ten hoogste in aanmerking komt
                    bedraagt 6m2. </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II Maximale vergoeding van kosten van keuring en onderhoud
                        ingevolge artikel 2.16 ‘Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                        reparatie’</titel></kop><al>Alleen de werkelijk gemaakte kosten (met een maximum van de in de tabel genoemde
                    bedragen) van keuring, onderhoud en reparatie aan de hieronder genoemde
                    onderdelen komen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><al>a. stoelliften; </al></li><li nr=""><al>b. rolstoel- of sta-plateauliften; </al></li><li nr=""><al>c. woonhuisliften; </al></li><li nr=""><al>d. hefplateauliften; </al></li><li nr=""><al>e. balansliften; </al></li><li nr=""><al>f. de mechanische inrichting voor het verstellen van een in
                                    hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel; </al></li><li nr=""><al>g. elektromechanische openings- en sluitingsmechanismen van
                                    deuren. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>De maximale vergoeding van kosten voor onderhoud en keuring van diverse
                            soorten liften in woningen en traphuizen bedraagt (per 1-1-2000): </al></li></lijst><tussenkop>Tabel 1 Keuring </tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="34*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="40*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Keuring van liften </al></entry><entry colname="col2"><al>Beginkeuring </al></entry><entry colname="col3"><al>Frequentie periodieke </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Stoellift </al></entry><entry colname="col2"><al>Ja </al></entry><entry colname="col3"><al>1x per 4 jr. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rolstoelplateaulift </al></entry><entry colname="col2"><al>Ja </al></entry><entry colname="col3"><al>1x per 4 jr. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Staplateaulift </al></entry><entry colname="col2"><al>Ja </al></entry><entry colname="col3"><al>1x per 4 jr. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonhuislift </al></entry><entry colname="col2"><al>Ja </al></entry><entry colname="col3"><al>1x per 1½ jr. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hefplateaulift </al></entry><entry colname="col2"><al>Ja </al></entry><entry colname="col3"><al>1x per 1½ jr. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Balanslift </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>1x per 1½ jr. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* balansliften worden nieuw meer nieuw gemaakt. Beginkeuringen zullen daarom nog
                    nauwelijks voorkomen. Bestaande balansliften kunnen nog wel gewoon gekeurd en
                    onderhouden worden. </al><tussenkop>Tabel 2 Onderhoud </tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="67*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderhoud van </al></entry><entry colname="col2"><al>Frequentie periodiek onderhoud </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Stoellift </al></entry><entry colname="col2"><al>1x per jaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rolstoelplateaulift </al></entry><entry colname="col2"><al>1x per jaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Staplateaulift </al></entry><entry colname="col2"><al>1x per jaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonhuislift </al></entry><entry colname="col2"><al>2x per jaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hefplateaulift </al></entry><entry colname="col2"><al>2x per jaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Balanslift </al></entry><entry colname="col2"><al>1x per jaar </al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente
                        Heerhugowaard 2004</titel></kop><al>Hieronder volgt een toelichting op een aantal artikelen in de Verordening
                    voorzieningen gehandicapten gemeente Heerhugowaard 2004. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsbepalingen </tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard. </al><tussenkop>a voorziening </tussenkop><al>Onder a wordt het begrip voorziening beperkt tot de onderdelen die onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten vallen, te weten woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen. De Wet geeft zelf een omschrijving van het
                    begrip woonvoorziening en van het begrip vervoersvoorziening. Van het begrip
                    rolstoel is geen omschrijving gegeven, noch in de Wet noch in deze verordening.
                    Hoewel iedereen precies weet wat onder een rolstoel verstaan wordt, geeft het
                    formuleren van een begripsomschrijving grote problemen. Onder rolstoel dient
                    hier begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan
                    zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een trippelstoel wordt niet
                    als rolstoel beschouwd. De trippelstoel valt onder de door de AWBZ te
                    verstrekken voorzieningen. </al><al>Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen
                    als voor buiten. Indien een rolstoel uitsluitend voor buitengebruik geschikt is,
                    is de rolstoel per definitie een vervoersvoorziening. </al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. </al><al>De scootermobiel valt in het kader van deze verordening onder een
                    vervoersvoorziening. </al><tussenkop>b inkomen </tussenkop><al>Onder inkomen wordt in gevolge artikel 1.1 onder b verder verstaan het inkomen
                    van de gehandicapte, dan wel het gezamenlijk inkomen van zijn ouders of
                    pleegouders, dan wel het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot. Wanneer
                    bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage en de hoogte van de
                    financiële tegemoetkomingen het inkomen wordt betrokken, dient dus te worden
                    uitgegaan van het voor de aanvraag relevante inkomen. Gaat het om een
                    gehandicapte jonger dan 18 jaar, dan geldt het gezamenlijk inkomen van ouders of
                    pleegouders, tenzij betrokkene gehuwd is. Een persoon jonger dan 18 jaar die
                    gehuwd is, is immers voor de wet meerderjarig en in dat geval zal dus niet meer
                    het inkomen van ouders of pleegouders bij de aanvraag moeten worden betrokken,
                    maar dient het gezamenlijk inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot in
                    beeld te worden gebracht. </al><al>Indien het inkomen van pleegouders wordt betrokken bij de toekenning van
                    voorzieningen dient wel aan de voorwaarde te zijn voldaan dat de pleegouders het
                    pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden (zie ook Wvg artikel 5 lid
                    2). Is er sprake van een samenlevingsvorm die in gevolge artikel 1 lid 2 t/m 4
                    Wvg wordt beschouwd als “de gehandicapte en zijn echtgenoot” dan kan het
                    gezamenlijk inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot bij het bepalen van
                    de hoogte van de eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen worden betrokken.
                    Heeft de gehandicapte geen ‘echtgenoot’ in de zin van artikel 1 lid 2 t/m 4 Wvg
                    en is de gehandicapte ouder dan 18 jaar dan kan dus alleen het inkomen van de
                    gehandicapte betrokken worden bij het bepalen van de hoogte van de eigen
                    bijdragen en financiële tegemoetkomingen. </al><al>Tenslotte is onder dit artikel aangegeven dat in alle gevallen de verschuldigde
                    belasting</al><al>(loonbelasting voor werknemers en inkomstenbelasting voor niet-loontrekkenden),
                    sociale verzekeringspremies (zoals premies AOW, AWW, AAW, WAO en ZFW) en de
                    pensioenpremies in mindering van het bruto-inkomen dienen te worden gebracht
                    alvorens van inkomen in de zin van artikel 1.1 onder b van deze verordening kan
                    worden gesproken. De procentuele ziekenfondspremie dient daarentegen niet op het
                    bruto inkomen in mindering te worden gebracht. </al><al>Het inkomen dat bij de verlening van voorzieningen kan worden betrokken is in
                    het kader van deze verordening dus gedefinieerd als een ‘netto-inkomen’, voor
                    zover dit natuurlijk een eenduidig begrip is (zo wordt bij voorbeeld de te
                    betalen hypotheekrente, en andere fiscale aftrekposten niet betrokken bij het
                    hier gehanteerde begrip ’netto-inkomen’). </al><tussenkop>f hoofdverblijf </tussenkop><al>Krachtens de Wvg heeft de gemeente zorgplicht voor de in de gemeente woonachtige
                    gehandicapten. In eerste instantie geeft de gemeentelijke
                    bevolkingsadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde
                    gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen
                    aanhouden. De gemeente waar de gehandicapte daadwerkelijk verblijft heeft een
                    zorgplicht voor het verlenen van voorzieningen. In het geval van AWBZ-bewoners
                    heeft de zorgplicht betrekking op de vervoersvoorzieningen. In die gevallen
                    waarin gehandicapten een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten de
                    betreffende instellingen op grond van artikel 75 van de Wet GBA aanwijzen op
                    bepaalde, door de gemeente vast te stellen tijdstippen een overzicht te
                    verstrekken van personen welke naar redelijke verwachting voor onbepaalde tijd
                    verblijven in de instelling, dan wel gedurende drie maanden ten minste tweederde
                    van de tijd in de instelling zullen verblijven. </al><tussenkop>Per 01-04-2003 heeft een wijziging plaatsgevonden op Het Besluit
                    Zorgaanspraken. Na 01-04-2003 moeten gemeenten rolstoelen in alle
                    AWBZ-instellingen verstrekken als de persoon in kwestie geen indicatie heeft
                    voor de “functie behandeling”. (Overigens is op dit moment ((okt. 2003)) nog
                    niet exact aan te geven in welke gevallen de gemeente rolstoelen zou moeten
                    verstrekken in het kader van de Wvg) </tussenkop><al>Het is noodzakelijk de zinsnede ‘dan wel zal staan ingeschreven’ op te nemen
                    voor situaties waarin de gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen en
                    in die gemeente een woning wil laten aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt
                    betrokken. </al><al>In die gevallen dat de gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen moet
                    duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. De Wvg zelf geeft
                    hierover geen uitsluitsel. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg stelt dat het
                    gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het
                    maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. </al><al>De verordening beoogt met de zinsnede en op welk adres de gehandicapte in de
                    gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, dan wel zal staan
                    ingeschreven een mogelijkheid te openen aanvragen in te dienen bij gemeenten
                    waar men nog niet woonachtig is. </al><al>Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken
                    woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning staat.
                    Deze gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de woning de
                    goedkoopste, adequate oplossing is of dat een reeds geschikte woning beschikbaar
                    is. De gemeente waaruit de gehandicapte vertrekt, heeft hier geen inzicht in.
                    Van belang is wel dat er in voorkomende gevallen zekerheid bestaat dat de
                    gehandicapte ook daadwerkelijk naar de andere gemeente zal verhuizen en ook
                    recht heeft op een woningaanpassing. Er dient dus een medische indicatie plaats
                    te vinden. Ook in die gevallen dat een aanvraag wordt gedaan voor het bezoekbaar
                    maken van een woonruimte voor de gehandicapte die in een AWBZ-instelling
                    verblijft, is bovenstaande formulering van belang. </al><al>Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten
                    gemeente. </al><tussenkop>g gemeenschappelijke ruimten </tussenkop><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimte wordt onder g omschreven als de ruimten die
                    niet tot de onderscheiden woning behoren, zoals gangen en portalen en
                    trappenhuizen die toegang verschaffen tot de woonruimte. </al><tussenkop>h woonvoorziening </tussenkop><al>In deze verordening wordt onder woningaanpassing verstaan woningaanpassingen van
                    bouw- of woontechnische aard (onroerende woonvoorzieningen). Deze categorie
                    betreft de voorzieningen die op grond van de RGSHG werden verstrekt en betreft
                    het overgrote deel van de woningaanpassingen. Om voor deze voorzieningen in
                    aanmerking te komen moet er sprake zijn van ergonomische beperkingen. Het
                    criterium ergonomische beperkingen is dus gekoppeld aan bouw- of woontechnische
                    voorzieningen. De woonvoorzieningen van niet-bouw- of woontechnische aard vallen
                    niet onder dit begrip, deze worden afzonderlijk in artikel 2.1 lid 1, onder c
                    genoemd. </al><al>Onder woningaanpassingen wordt tevens verstaan: aanpassingen aan
                    gemeenschappelijke ruimten die noodzakelijk zijn om de individuele woning van de
                    gehandicapte te kunnen bereiken. </al><tussenkop>k Wet </tussenkop><al>Overal waar in deze verordening over Wet gesproken wordt, zo bepaalt artikel 1.1
                    onder i, wordt de Wet voorzieningen gehandicapten bedoeld. </al><tussenkop>Artikel 1.2 Beperkingen</tussenkop><al>Artikel 1.2 lid 1 geeft beperkingen aan, die betrekking hebben op het toekennen
                    van een voorziening. </al><al>Artikel 1.2. lid 1 onder a individueel gericht </al><al>Met uitzondering van het collectief vervoer dient een voorziening in overwegende
                    mate op het individu gericht te zijn. In dit artikel wordt het aanvragen van
                    gemeenschappelijke voor-zieningen dus uitgesloten, hoewel voorzieningen die
                    naast een individueel ook een gezamenlijk karakter kunnen hebben, wel passen in
                    het kader van deze verordening. Een voorbeeld van een voorziening met een
                    individueel karakter waar daarnaast ook anderen gebruik van kunnen maken is bij
                    voorbeeld een auto, waarin ook anderen mee kunnen rijden (zie verder
                    verstrekkingenboek paragraaf 1.2.1). </al><al>1.2. lid 1 onder b langdurig noodzakelijk </al><al>Ingevolge onderdeel b dienen de voorzieningen langdurig noodzakelijk te zijn om
                    beperkingen op het gebied van het wonen of het buiten of binnen verplaatsen op
                    te heffen. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor langere tijd
                    aangewezen moet zijn op een desbetreffende aanpassing of een desbetreffende
                    rolstoel. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk
                    gehandicapt is, bij voorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de
                    handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van
                    deze verordening in aanmerking komt (zie ook verstrekkingenboek paragraaf
                    1.2.2). </al><al>1.2. lid 1 onder c goedkoopst adequaat </al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    gehandicapte als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van
                    het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop
                    zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke
                    beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorzie-ning (zie ook het
                    verstrekkingenboek paragraaf 1.2.3). </al><al>1.2. lid 3 onder b aanspraken via andere regelingen </al><al>Onder b wordt bij artikel 1.2 lid 3 aangegeven dat deze voorzieningen niet
                    worden verstrekt indien er een andere wettelijke regeling bestaat, op grond
                    waarvan men aanspraak kan maken op de aangevraagde voorziening. </al><al>In het Verstrekkingenboek wordt uitgebreid op deze afbakeningsproblematiek
                    ingegaan; in het verstrekkingenbeleid is hierover ook een bijlage 1 en 2 over
                    opgenomen. </al><al>1.2. lid 3 onder c aard van de materialen </al><al>Vocht en tocht komen in iedere woning voor. Het wegnemen hiervan valt niet onder
                    de zorgplicht, zoals genoemd in de Wet. Dit houdt niet in dat belemmeringen die
                    voortvloeien uit bijv. CARA niet op grond van deze Wet weggenomen kunnen worden.
                    Deze woonvoorzieningen vallen onder artikel 2.1 lid 1sub c. Het opheffen van
                    factoren of andere problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de in of aan
                    de woonruimte gebruikte materialen valt niet onder de werking van de
                    verordening. </al><tussenkop>Artikel 1.4 </tussenkop><al>De aanvraagprocedure wordt in de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) geregeld, met
                    name in hoofdstuk 3, Algemene bepalingen over besluiten, en hoofdstuk 4,
                    Bijzondere bepalingen over besluiten. </al><al>Al hetgeen in de AWB is geregeld, hoeft niet meer in de verordening te worden
                    geregeld. Vandaar dat het procedurele deel van de verordening zeer beperkt is. </al><tussenkop>Artikel 1.6 Inlichtingen, onderzoek, advies </tussenkop><al>Lid 1 van dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de
                    gehandicapte op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een
                    door burgemeester en wethouders te bepalen plaats en tijdstip en te laten
                    onderzoeken en/of ondervragen. </al><al>Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.
                    Burgemeester en wethouders mogen dus geen gegevens (doen) opvragen waarin zij
                    uit andere hoofde geïnteresseerd zijn. </al><al>Lid 2 geeft aan wanneer burgemeester en wethouders advies dienen te vragen.
                    Ingevolge artikel 4 lid 2 onder c Wvg is vermelding daarvan in de verordening
                    verplicht. </al><al>Er moet onderscheid gemaakt worden tussen interne en externe adviseurs. Een
                    interne adviseur werkt onder het gezag van burgemeester en wethouders. Op een
                    externe adviseur zijn de regels van de Algemene wet bestuursrecht van
                    toepassing. </al><al>Bij een eenvoudige (goedkope) voorzieningen zal in veel gevallen via een
                    deskundige intakeprocedure voorkomen worden dat extern advies wordt aangevraagd. </al><al>Advies kan worden gevraagd wanneer het een eerste aanvraag betreft en het geen
                    eenvoudige voorziening is. </al><al>Het kan van belang zijn in ieder geval advies te vragen wanneer het gaat om
                    specifieke voorzieningen, bijvoorbeeld een bruikleenauto of andere dure
                    voorzieningen (verbouwingen van woningen) en of bij onduidelijke ziektebeelden. </al><tussenkop>Artikel 1.8 Gronden voor weigering</tussenkop><al>In artikel 1.8 geeft de verordening een tweetal gronden voor weigering aan.
                    Onder a wordt gedoeld op de situatie dat de gehandicapte een voorziening
                    aanvraagt nadat deze gereali-seerd is. Omdat de gemeente dan geen mogelijkheden
                    meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch
                    invloed heeft op de te verstrekken soort voorziening, zal in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. </al><al>Niet eerder dan nadat burgemeester en wethouders een beslissing over de aanvraag
                    voor een woningaanpassing hebben genomen mag een aanvang worden gemaakt met de
                    werkzaamheden. Pas op dat moment hebben burgemeester en wethouders alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening. </al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen burgemeester en wethouders
                    als goedkoopst adequate voorziening beschouwen. Burgemeester en wethouders
                    kunnen immers ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de
                    gehandicapte gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste woning elders,
                    waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. </al><al>Pas nadat de gemeente een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een gehandicapte hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de gehandicapte tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde
                    wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de gehandicapte reeds is
                    verhuisd, met een claim voor verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In
                    bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de gehandicapte snel moet
                    beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen.
                    In deze, of andere urgente gevallen, is het verkrijgen van toestemming van de
                    gemeente ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de gehandicapte voor de
                    verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. </al><al>Onder b wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd wordt als het
                    gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad,
                    terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bij
                    voorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid. </al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze regeling niet geldt indien de aanvrager geen
                    schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient
                    bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de gehandicapte hiervoor
                    aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. </al><al>Indien in een woning een voorziening in eigendom wordt verstrekt zoals traplift,
                    een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit
                    gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de
                    opstalverzekering gedekt te worden. </al><al>Indien bij voorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is,
                    dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. </al><tussenkop>Artikel 1.9 Eisen aan de beschikking </tussenkop><al>Artikel 1.9 bepaalt in lid 1 dat in de beschikking moet worden vermeld op welke
                    kosten de tegemoetkoming betrekking heeft, indien een financiële tegemoetkoming,
                    wordt verleend. Door deze vermelding kan worden voorkomen dat later
                    onduidelijkheid blijkt te bestaan over het precieze doel van de tegemoetkoming.
                    Ook maakt deze omschrijving de intrekking van een voorziening en de
                    terugvordering daarvan eenvoudiger. </al><al>Als voorzieningen in eigendom worden verstrekt dan zal de cliënt middels de
                    beschikking </al><al>gewezen worden op zijn eigen verantwoording en risico ten aanzien van het
                    verzekeren van de voorzieningen. </al><al>Lid 2 van artikel 1.9 bepaalt dat in de beschikking geldingsduur,
                    uitkeringsmaatstaf alsmede toepasselijke voorschriften voor uitbetaling vermeld
                    dienen te worden indien het een periodieke tegemoetkoming betreft. Deze
                    voorschriften hebben primair tot doel een goede motivering te geven voor de
                    beslissing. Een tweede doel is om voldoende duidelijkheid te scheppen bij de
                    gehandicapte wat van hem verwacht wordt. Hiermee kan voorkomen worden dat de
                    situatie ontstaat dat gehandicapte en gemeentebestuur beide een initiatief van
                    de ander afwachten, terwijl de gehandicapte actie dient te ondernemen. </al><tussenkop>Artikel 1.10 Intrekking en herziening en 1.11 terugvordering </tussenkop><al>Burgemeester en Wethouders kunnen volgens het van artikel 1.10 lid 1, onder b,
                    van de voorziening geheel of gedeeltelijk intrekken indien zodanig onjuiste of
                    onvolledige gegevens zijn verstrekt dat zo de juiste gegevens bekend waren
                    geweest burgemeester en wethouders niet tot toekenning zouden zijn overgegaan. </al><al>Indien er reeds uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kunnen
                    Burgemeester en Wethouders de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen
                    (artikel 1.11). Er is dan sprake van een civielrechtelijke vordering op grond
                    van onverschuldigde betaling waartoe het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203
                    e.v. de wettelijke basis biedt. Het ligt voor de hand dat van deze mogelijkheid
                    in ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er sprake van verwijtbaarheid is.
                    Wanneer betrokkene dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bij voorbeeld
                    over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de
                    orde zijn wanneer de gehandicapte in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen
                    de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 WOONVOORZIENINGEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 2.3 Woon- of verblijfsruimten waar geen woonvoorziening voor
                    wordt verstrekt </tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt alleen
                    verstrekt als het woonruimten betreffen die als zelfstandige woonruimte in het
                    kader van de Wet Individuele Huursubsidie als zodanig aangemerkt worden. </al><tussenkop>Artikel 2.4 </tussenkop><al>Lid 1 onder e, </al><al>Gehandicapten staan soms jaren op een wachtlijst voordat zij een woning in een
                    ADL-cluster toegewezen krijgen. De gehandicapte woont in dat geval gedurende
                    langere tijd in een geschikte, adequate woning. Ten einde de drempel om naar een
                    ADL-woning te verhuizen niet te groot te maken, wordt voor deze situatie een
                    uitzondering in de verordening gemaakt. </al><tussenkop>Artikel 2.7 Hoofdverblijf </tussenkop><al>In principe is een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing alleen
                    mogelijk indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in de woning waaraan de
                    voorzieningen worden getroffen. </al><al>Een uitzondering kan gemaakt worden als de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft
                    in een AWBZ-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt. Het is dan
                    mogelijk dat eenmalig een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt ten behoeve
                    van het aanpassen van één woonruimte waar de gehandicapte vaak verblijft,
                    uiteraard met toestemming van de eigenaar van die woonruimte. De financiële
                    tegemoetkoming beperkt zich slechts tot het bezoekbaar maken van die woning
                    omdat de gehandicapte daar slechts geringe tijd verblijft. Uit
                    doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen volledige maar een
                    gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt. </al><al>Het vijfde lid bepaalt dat de aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar
                    de bezoekbaar te maken woning staat. Deze bepaling wordt opgenomen omdat de
                    gehandicapte anders in de gemeente waar hij zijn hoofdverblijf heeft de aanvraag
                    zou indienen. </al><tussenkop>Artikel 2.9 Anti-speculatiebeding</tussenkop><al>In geval dat een eigen woning wordt aangepast en door deze aanpassing de waarde
                    van het huis stijgt, bij voorbeeld door het realiseren van een aanbouw, kan
                    middels een anti-speculatiebeding in de verordening voorkomen worden dat de
                    financiële tegemoetkoming die het huis door de aanpassing heeft gekregen bij
                    verkoop ten goede komt aan de gehandicapte. Als de gehandicapte binnen vijf jaar
                    nadat de woning is aangepast de woning verkoopt moet een gedeelte van de
                    financiële tegemoetkoming aan de gemeente worden teruggestort. </al><al>Gelet op de eventuele positieve- c.q. negatieve prijsschommelingen op de
                    huizenmarkt is het een praktische oplossing om niet een anti-speculatiebeding te
                    hanteren, doch slechts uit te gaan van de kosten van aanpassing. Hiermee wordt
                    voorkomen dat –zowel vóór als na de aanpassing- middels een (her)taxatie de
                    meerwaarde van een koopwoning dient te worden vastgesteld. Op bovenstaande wijze
                    kan dus worden voorbijgegaan aan het </al><al>Toelichting verordening 8 </al><al>vaststellen van de meerwaarde van de woning en de eventuele winst of verlies uit
                    verkoop. Slechts de kosten van aanpassing worden in ogenschouw genomen. </al><al>Aan de toekenning (in de beschikking) wordt de voorwaarde verbonden dat –bij
                    verkoop van de woning- de kosten van de aanpassing geheel of gedeeltelijk dienen
                    te worden terugbetaald conform het gestelde in artikel 2.9 lid eerste en tweede
                    lid van de Verordening. </al><al>Bovenstaande is slechts van toepassing op aanpassingen boven de € 7.500,-- </al><tussenkop>Frequentie van woningaanpassingen </tussenkop><al>Uitgangspunt is dat de gehandicapte vijf(5) jaar nadat zijn woning met
                    overheidssubsidie is aangepast, de mogelijkheid heeft naar een andere woning te
                    verhuizen zonder dat dit noodzakelijk is vanwege ergonomische beperkingen. In
                    dat geval kan de gehandicapte een aanvraag indienen voor een woningaanpassing.
                    Doordat de termijn van vijf (5) jaar is overschreden wordt aan dit artikel (één
                    van de voorwaarden van de verordening) voldaan. Bij de behandeling van de
                    aanvraag wordt uiteraard uitgegaan van de voorwaarden die verder in de
                    verordening zijn opgenomen. </al><al>Het staat de gehandicapte uiteraard vrij om binnen een periode van vijf (5) jaar
                    nadat zijn woning is aangepast te verhuizen. Echter, op dat moment bestaat er
                    geen recht op een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van de
                    andere woning. </al><al>Gehandicapten kunnen diverse legitieme gronden aanvoeren om toch binnen de
                    gestelde termijn een aanvraag voor een woningaanpassing te doen. Een van de
                    redenen kan zijn dat de gehandicapte een andere werkkring heeft aanvaard. De
                    gemeente zal in dergelijke gevallen de zaak individueel beoordelen. </al><al>Als een gehandicapte vanuit een andere gemeente een (aangepaste) woning in de
                    gemeente zoekt waar deze verordening van kracht is moet de gehandicapte aantonen
                    dat hij de laatste vijf (5) niet is verhuisd (brengplicht). </al><al>Onder het begrip ‘verstrekken’ wordt in dit artikel verstaan: het moment waarop
                    burgemeester en wethouders de hoogte van de financiële tegemoetkoming hebben
                    vastgesteld en dit meedelen aan degene aan wie de financiële tegemoetkoming
                    wordt uitbetaald. </al><tussenkop>Artikel 2.10 Duidelijkheid over financiering van het niet gesubsidieerde
                    deel van de kosten </tussenkop><al>Indien er geen duidelijkheid bestaat over de wijze van financiering van het niet
                    door subsidie gedekte deel van de voorziening staat het niet vast dat de
                    voorziening daadwerkelijk getroffen kan worden. Het mag duidelijk zijn dat er in
                    dat geval geen subsidie wordt verleend. </al><al>Bij gehandicapten die een huurwoning bewonen, dient overeenstemming te bestaan
                    tussen huurder en verhuurder over de financiering van het niet door subsidie
                    gedekte deel van de investering. </al><al>Bij gehandicapten die een eigen woning laten aanpassen dient duidelijk te zijn
                    dat voorzien is in de financiering van het niet door subsidie gedekte deel. </al><tussenkop>Artikel 2.11 Het verwerven van grond </tussenkop><al>Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het groter
                    bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft kan de gemeente een financiële
                    tegemoetkoming verlenen in de kosten van het verwerven van extra grond die
                    noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Uiteraard wordt geen
                    financiële tegemoetkoming verstrekt </al><al>Toelichting verordening 9 </al><al>indien de extra te verwerven grond als tuin o.i.d. wordt benut. Alleen de grond
                    die noodzakelijk is voor de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor
                    een financiële tegemoetkoming, waarbij een maximum aantal m2 wordt gehanteerd
                    voor de verschillende vertrekken (zie bijlage l van de verordening). </al><tussenkop>Artikel 2.12 Woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten </tussenkop><al>Onder gemeenschappelijke ruimten wordt verstaan entrees, portieken en galerijen
                    van woongebouwen. </al><al>Hierbij de limitatieve lijst voor de zaken die kunnen worden aangepast: het
                    verbreden van toegangsdeuren, het aanbrengen van elektrische deuropeners, de
                    aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot de woning,
                    drempelhulpen en vlonders, het aanbrengen van een extra trapleuning, een
                    opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur
                    van het woongebouw. </al><al>Het aanpassen van hobby- en recreatieruimten komt niet in aanmerking voor een
                    financiële tegemoetkoming, tenzij uitsluitend via deze ruimte(n) de woning
                    bereikt kan worden. </al><tussenkop>Artikel 2.16 Onderhoud, keuring en reparatie </tussenkop><al>Alleen van bepaalde voorzieningen (genoemd in bijlage II van de verordening)
                    komen de kosten van onderhoud, keuring en reparatie in aanmerking voor een
                    vergoeding. </al><al>Via de hardheidsclausule kan keuring en onderhoud vergoed worden voor een
                    voorziening die buiten genoemde regelingen tot stand is gekomen (bij voorbeeld
                    op basis van subsidieregelingen van de Ziekenfondsraad), mits deze voorziening
                    voldoet aan de kwaliteitseisen, zoals die gesteld worden aan de voorzieningen
                    die vallen onder genoemde regelingen. </al><tussenkop>Artikel 2.17 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting </tussenkop><al>In die gevallen waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de
                    voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk
                    naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit
                    noodzakelijk is een vergoeding in de dubbele woonlasten worden verstrekt. Alleen
                    in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de
                    gehandicapte ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten
                    worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke
                    huisvesting worden overgegaan. </al><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële tegemoetkoming in de
                    kosten van tijdelijke huisvesting als de gehandicapte redelijkerwijs niet kan
                    voorzien dat hij deze dubbele woonlasten heeft. </al><tussenkop>Artikel 2.18 Kosten in verband met huurderving </tussenkop><al>Het vinden van een geschikte huurder voor een aangepaste woning zal in veel
                    gevallen langer duren dan de termijnen die voor niet-gehandicapten gelden. Om
                    deze reden kan een grens worden getrokken bij een investeringsbedrag van €
                    5.000,-- . Woningen die voor een lager bedrag zijn aangepast zullen in veel
                    gevallen niet zo specifiek zijn aangepast dat het vinden van een geschikte
                    kandidaat door de woningaanpassingen belemmerd wordt. Door de eigenaar van de
                    woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde huurinkomsten te verlenen
                    kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor
                    gehandicapten. De duur van de tegemoetkoming kan afhankelijk gesteld worden van
                    de situatie ter plekke. Een algemene termijn die redelijk geacht kan worden is
                    zes maanden. In bepaalde gevallen kan echter ook geconcludeerd worden dat een
                    kortere periode ook redelijk is. Dit is afhankelijk van de woningmarktsituatie. </al><al>In de exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een bepaald
                    percentage huurderving. Om deze reden is het te verantwoorden dat de verhuurder
                    het normale risico van leegstand loopt. De eerste maand dat de woning leeg staat
                    mag dit als normaal beschouwd worden. Het is daarentegen niet onredelijk dat de
                    gemeente enigszins tegemoet komt in de extra risico’s die een verhuurder loopt
                    als gevolg van het feit dat er sprake van een aangepaste woning is. </al><tussenkop>Artikel 2.19 Kosten in verband met verwijderen van voorzieningen </tussenkop><al>Uitgangspunt voor het gemeentelijk beleid zal zijn zo weinig mogelijk
                    voorzieningen uit de woning te verwijderen en aangepaste woningen zo veel
                    mogelijk aan andere kandidaten toe te wijzen. In uitzonderlijke gevallen kan de
                    gemeente er toe overgaan om tegemoet te komen aan de risico’s die een verhuurder
                    loopt indien de band tussen de woning en de gehandicapte verbroken wordt en er
                    niet binnen een bepaalde termijn (6 maanden) een geschikte kandidaat kan worden
                    gevonden voor de woning. Tevens moet dan niet bekend zijn dat binnen afzienbare
                    tijd (3 maanden) een kandidaat zich voor de woning zal aanmelden (bij voorbeeld
                    iemand die in een revalidatiecentrum verblijft). Een derde voorwaarde is dat
                    door de aanwezigheid van specifieke voorzieningen de woning niet verhuurd kan
                    worden. Als aan alle drie de voorwaarden is voldaan, kan een bijdrage in de
                    kosten van het verwijderen van de voorziening worden gegeven.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 VERVOERSVOORZIENINGEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Algemene omschrijving </tussenkop><al>Het primaat van een vervoersvoorziening ligt bij de OV-taxi, alle aanvragen voor
                    vervoersvoorzieningen zullen in eerste instantie aan de criteria van de OV-taxi
                    getoetst worden. </al><al>Onder sub b en c van lid 4 wordt aangegeven dat een tegemoetkoming kan worden
                    verstrekt voor de kosten in het gebruik van een taxi of rolstoeltaxi. </al><al>De bedragen zijn vermeld in het financieel besluit. In dat besluit is
                    onderscheid gemaakt tussen een vergoeding voor personen die geen gebruik kunnen
                    maken van de OV-taxi en het openbaar vervoer en personen die wel gebruik kunnen
                    maken van de OV-taxi voor het vervoer in de regio, maar niet van het openbaar
                    vervoer voor bovenregionaal vervoer en voor wie een noodzakelijke bovenregionale
                    vervoersbehoefte bestaat. </al><tussenkop>Artikel 3.2 Het recht op een vervoersvoorziening </tussenkop><al>Wanneer, zoals lid 5 van artikel 3.2 bepaalt, echtgenoten beide gehandicapt zijn
                    en een vervoersvoorziening behoeven, kan, in het geval dat de behoeften van de
                    echtgenoten samenvallen, volstaan worden met een enkele voorziening. Dit om te
                    voorkomen dat men een vervoerskostenvergoeding krijgt die niet in relatie staat
                    tot vervoerskostenvergoeding die anderen ontvangen. </al><al>Vallen de behoeften niet samen, of slechts ten dele, dan kan twee maal een
                    vervoerskostenvergoeding worden verstrekt tot maximaal 1.5 x het normbedrag.
                    Hiermee wordt het AAW-beleid op dit punt bestendigd. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 4 ROLSTOELEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 4.2 Het recht op een rolstoel </tussenkop><al>In dit artikel is omschreven wanneer een gehandicapte in aanmerking komt voor
                    verstrekking van een rolstoel. De eerste voorwaarde is dat er sprake is van
                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek (afgeleid van de
                    begripsomschrijving van de gehandicapte). Voorts moet men (om
                    medisch-ergonomisch redenen) in belangrijke mate aangewezen zijn op zittend
                    verplaatsen. Ten slotte moeten andere loop-hulpmiddelen onvoldoende uitkomst
                    bieden. De noodzaak tot zittend verplaatsen hoeft niet de gehele dag, maar wel
                    in belangrijke mate, aanwezig te zijn. </al><tussenkop>Per 01-04-2003 heeft een wijziging plaatsgevonden op Het Besluit
                    Zorgaanspraken. Na 01-04-2003 moeten gemeenten rolstoelen in alle
                    AWBZ-instellingen verstrekken als de persoon in kwestie geen indicatie heeft
                    voor de “functie behandeling”. (Overigens is op dit moment ((okt. 2003)) nog
                    niet exact aan te geven in welke gevallen de gemeente rolstoelen zou moeten
                    verstrekken in het kader van de Wvg) </tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule </tussenkop><al>Artikel 5.1 bepaalt dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten
                    gunste van de gehandicapte kunnen afwijken van de bepalingen van deze
                    verordening, zo nodig na het inwinnen van advies. </al><al>Dit afwijken kan alleen maar ten gunste van de betrokken gehandicapte of
                    eigenaar van de woonruimte en nooit ten nadele. Ook de eigenaar van de
                    aangepaste woonruimte kan in aanmerking komen voor de hardheidsclausule. Gedacht
                    kan worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer
                    dan zes maanden leeg staat, omdat bij voorbeeld bekend is dat een gehandicapte
                    op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen en waar de
                    aangepaste woning uitermate geschikt voor is. In die gevallen kan het
                    doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te
                    verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik
                    maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en
                    niet als een regel. </al><al>Een gemeente moet in verband met precedentwerking duidelijk aangeven waarom in
                    een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. </al><tussenkop>Artikel 5.2 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                    verordening niet voorziet </tussenkop><al>Deze restclausule biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid in alle
                    niet-voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze
                    beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en
                    beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen
                    te worden. </al><tussenkop>Artikel 5.3 Indexering </tussenkop><al>Dit artikel maakt het mogelijk bedragen te indexeren. </al><al>Indexering voor de meeste van de in de verordening genoemde normbedragen vindt
                    plaats volgens de CBS-prijsindex gezinsconsumptie. </al><tussenkop>Artikel 5.4 Citeertitel; inwerkingtreding</tussenkop><al>Artikel 5.4 geeft de citeertitel van de verordening en geeft aan wanneer de
                    verordening in werking treedt. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>