<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR8135_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van de baatbelasting riolering buitengebied cluster A (Olsterweg)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Deventer</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-03-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Deventer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2006-3-29</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de heffing en de invordering van de baatbelasting riolering buitengebied cluster A (Olsterweg)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-03-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-04-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>4.13.4</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ingang van de heffing 1 mei 2006</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van de baatbelasting riolering
            buitengebied cluster A (Olsterweg).
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
          <al> onroerende zaak:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>een gebouwd eigendom;</al></li>
            <li nr="2."><al>een ongebouwd eigendom;</al></li>
          </lijst>
          <al>eigendom: een perceel volgens de kadastrale aanduiding;</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastbaar feit</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onder de naam “baatbelasting riolering buitengebied cluster A
                                (Olsterweg)” wordt in de vorm van een heffing-ineens een directe
                                belasting geheven ter zake van de onroerende zaken die zijn gelegen
                                in de gemeente Deventer en met groene kleur en blauwe omlijning zijn
                                aangeduid op de bij deze verorde-ning behorende en als zodanig
                                gewaarmerkte kaart, die op 1 mei 2004 zijn gebaat door de in het
                                tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn gebracht door
                                of met medewerking van het gemeentebestuur.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De in het eerste lid bedoelde voorzieningen omvatten de aanleg van
                                riolering, met inbegrip van bijbe-horende werken, bestaande
                                uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>aanleggen van riolering (vrij vervalleidingen en
                                        drukrioleringsleidingen);</al></li>
              <li nr="b."><al>aanleg duikers, aanleg kabels en leidingen;</al></li>
              <li nr="c."><al>aanleg pompputten en inspectieputten;</al></li>
              <li nr="d."><al>ontgravingen, aanbrengen zandbed, egalisatie, afwerken
                                        terrein etc.;</al></li>
              <li nr="e."><al>aanleggen/aanpassen/herstellen bermen en bestrating in
                                        verband met uitvoering van de onder a t/m d genoemde
                                        werken.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De belasting wordt geheven van degene die van een onroerende
                                    zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt als genothebbende
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die
                                    op het tijdstip van ingang van de heffing dan wel, indien de
                                    belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting,
                                    bij de aanvang van het belastingjaar als zodanig in de
                                    kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat
                                    tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></li>
            <li nr="3."><al>Indien de lasten die zijn verbonden aan de voorzieningen genoemd in
                            artikel 2, tweede lid, ter zake van een onroerende zaak krachtens
                            overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de belasting ter zake van die
                            onroerende zaak niet geheven.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De maatstaf van heffing is een vast bedrag per onroerende zaak.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarief</titel>
          </kop>
          <al>De belasting bedraagt per onroerende zaak € 2.000,-.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse
                                belasting</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de
                                belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een
                                jaarlijkse belasting gedurende 5 jaren. Het verzoek genoemd in de
                                eerste volzin dient binnen zes weken na de dagtekening van de
                                aanslag schriftelijk de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van
                                de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar te worden ingediend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het belastingjaar vangt aan op 1 mei en eindigt op 30 april.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal
                                verschuldigde, berekend op basis van een periode van 5 jaren en een
                                rentevoet van 2,93%.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De belasting over de nog niet verstreken belastingjaren kan elk jaar
                                worden afgekocht. De afkoop-som wordt bepaald op de contante waarde
                                van de op 1 januari van het belastingjaar, waarin de afkoop
                                plaatsvindt, nog te verschijnen belastingbedragen berekend naar een
                                rentevoet van 2,93%.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse
                                heffing en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak
                                als bedoeld in het eerste lid eindigt of wijzigt als gevolg van het
                                overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de nieuwe
                                genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met ingang
                                van het eerstvolgende belastingjaar een aanslag ineens opgelegd voor
                                de resterende belastingjaren van het belastingtijdvak, berekend
                                overeen-komstig het vierde lid van dit artikel.</al></li>
              <li nr="b."><al>In afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op verzoek van
                                de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse
                                heffing overeenkomstig het eerste lid gecontinueerd. Het verzoek
                                daartoe dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag
                                ingevolge onderdeel a, schriftelijk bij de in artikel 231, tweede
                                lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar te
                                worden ingediend.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse
                                heffing en in de loop van het belastingtijdvak de eigendom, het
                                bezit of het beperkt recht van een gedeelte van de onroerende zaak
                                wordt overgedragen, wordt, voor de verdeling van de resterende
                                belastingschuld, de maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 4
                                voor de betreffende onroerende zaken opnieuw vastgesteld voor de nog
                                niet verstreken belastingjaren.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de invorderingswet
                                moeten de aanslagen worden betaald in één termijn welke vervalt op
                                de laatste dag van de maand volgend op de maand die als dagtekening
                                op het aanslagbiljet is vermeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste
                                lid gestelde termijn.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Kwijtschelding</titel>
          </kop>
          <al>Bij de invordering van de baatbelasting wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel>
          </kop>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de baatbelasting.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag
                                    na die van bekendmaking.</al></li>
            <li nr="2."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 mei 2006.</al></li>
            <li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘baatbelasting riolering
                                    buitengebied cluster A (Olsterweg)’.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering
                        van 22 maart 2006.</al>
          <al/>
          <al>De raad voornoemd,</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
          de griffier,
        </ondertekening>
        <ondertekening>
           drs. A.G.M. Dashorst
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          de voorzitter,
        </ondertekening>
        <ondertekening>
           drs. J. van Lidth de Jeude
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Toelichting op de verordening baatbelasting riolering buitengebied cluster A (Olsterweg)</label>
        </kop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <tussenkop>1. Wettelijke basis</tussenkop>
        <al>Het heffen van baatbelasting is geregeld in artikel 222 van de Gemeentewet. Om
                    een baatbelasting te kunnen heffen dient door de gemeenteraad een
                    belastingverordening te worden vastgesteld overeen-komstig de in artikel 222 van
                    de Gemeentewet terzake opgenomen regels. </al>
        <al>Baatbelasting is een profijtbelasting. Zij kan alleen geheven worden van in
                    bepaalde gedeelten van de gemeente gelegen onroerende zaken die gebaat zijn bij
                    voorzieningen die door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand zijn
                    gebracht.</al>
        <tussenkop>2. Baatbelasting</tussenkop>
        <tussenkop>2.1 Omslag van de kosten</tussenkop>
        <al>De wetgever gaat bij de baatbelasting uit van een stelsel waarin lasten van
                    voorzieningen worden omgeslagen over de door die voorzieningen gebate onroerende
                    zaken. Voor ieder gebaat object wordt in beginsel een belastingschuld
                    vastgesteld. Voorwaarde is dat alle gebate onroerende zaken in de omslag worden
                    betrokken. De belasting wordt echter niet geheven als de lasten ter zake van een
                    bepaald object langs andere weg worden verhaald, bijvoorbeeld via een
                    privaatrechtelijke overeenkomst. </al>
        <tussenkop>2.2 Relatie tussen baatbelasting en privaatrechtelijk
                    kostenverhaal</tussenkop>
        <al>De wet gaat uit van belastingheffing tenzij de kosten van de voorzieningen langs
                    andere weg worden vergoed. Indien een gemeente de lasten ter zake van een
                    bepaald object langs privaatrechtelijke weg verhaalt door middel van een
                    exploitatieovereenkomst wordt de belasting ter zake van dat object niet geheven.
                    Op deze wijze wordt voorkomen dat oneigenlijke verschillen kunnen optreden in de
                    mate van kostenverhaal tussen degenen die langs privaatrechtelijke weg betalen
                    en degenen die in de belasting-heffing worden betrokken. </al>
        <al>Tussen het kostenverhaal via een baatbelasting en een exploitatie-overeenkomst
                    mogen geen onaan-vaardbare verschillen bestaan als er sprake is van een gelijk
                    profijt van de getroffen voorzieningen. Dat heeft de Hoge Raad beslist in zijn
                    arrest van 3 mei 1978, nr. 18.776, BNB 1978/142 (Rijssen). </al>
        <al>In mei en juni 2005 heeft de gemeente alle genothebbende krachtens zakelijk
                    recht van de in de omslag betrokken onroerende zaken in de gelegenheid gesteld
                    tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst. De hoogte van de in deze
                    overeenkomsten opgenomen tarieven komt overeen met de omvang van de
                    heffingstarieven. Van onaanvaardbare verschillen tussen gelijk gebate
                    overeenkomst- en belasting-percelen is derhalve geen sprake. De heffing vindt
                    uiteindelijk plaats ten aanzien van die gebate onroe-rende zaken, waarvoor geldt
                    dat de daaraan toe te rekenen kosten niet via overeenkomst zijn of worden
                    voldaan.</al>
        <tussenkop>2.3. Bekostigingsbesluit</tussenkop>
        <al>Ter wille van de rechtszekerheid van de potentiële belastingplichtigen is in
                    artikel 222 Gemeentewet bepaald dat de gemeenteraad vóór het treffen van de
                    voorzieningen een zogenaamd bekostigingsbesluit moet vaststellen waarin de raad
                    aangeeft in welke mate de voorzieningen door de baatbelasting worden verhaald en
                    in welk gebied de gebate objecten zijn gelegen. De verplichting een
                    bekostigingsbesluit te nemen is in de wet opgenomen omdat de termijn, waarbinnen
                    de raad uiterlijk tot invoering van een baatbelasting moet besluiten, is
                    verlengd van één naar twee jaar nadat de voorzieningen zijn voltooid. De
                    vermindering van de rechtszekerheid die daarvan het gevolg is, wordt hiermee
                    gecompenseerd.</al>
        <al>In het onderhavige geval is het Bekostigingsbesluit vastgesteld door de
                    gemeenteraad op 24 november 2003, nr. 2003.19362. Om de financiële risico's te
                    vermijden, moet in een bekostigingsbesluit een zodanig ruime gebiedsaanduiding
                    op worden genomen, dat deze in ieder geval het gebied omvat dat later in de
                    belastingverordening wordt aangeduid. Gelet op het doel van het
                    bekostingsbesluit, het bieden van duidelijkheid en rechtszekerheid aan
                    potentiële belastingplichtigen, is het zaak het gebate gebied ook niet al te
                    ruim vast te stellen. Hoewel de Gemeentewet het niet verplicht stelt, is uit een
                    oogpunt van rechtszekerheid ook een globale omschrijving van de voorzieningen
                    opgenomen. Voor het tijdig nemen van het bekostigingsbesluit is de start van de
                    fysieke werkzaamheden beslissend. Met de start is een aanvang gemaakt in
                    december 2003.</al>
        <al>Het bekostigingsbesluit dient overeenkomstig artikel 139, tweede lid van de
                    Gemeentewet worden bekendgemaakt. Het is niet mogelijk in de verordening
                    baatbelasting wat betreft de essentiële onderdelen van een belastingverordening
                    (onder andere het tarief, de heffingsmaatstaf of -maatstaven, de aanwijzing van
                    de gebate objecten en de eventuele vrijstellingen) te verwijzen naar het
                    bekostigingsbesluit. Ingevolge de Gemeentewet en de jurisprudentie dient een
                    belastingverordening zelf alle essentiële onderdelen te bevatten.</al>
        <tussenkop>2.4 Termijnen</tussenkop>
        <al>Een gemeente kan een verordening baatbelasting vaststellen vanaf het moment dat
                    een aanvang is gemaakt met de aanleg van de voorzieningen. De verordening dient
                    door de gemeenteraad te zijn vastgesteld uiterlijk twee jaar nadat de
                    voorzieningen zijn voltooid. Om te bepalen of een onroerende zaak gebaat is,
                    moet worden uitgegaan van een tijdstip dat gelegen is uiterlijk één jaar nadat
                    de voorzieningen geheel zijn voltooid. De termijn van een jaar heeft uitsluitend
                    betrekking op het tijdstip van de toestand waarnaar de beoordeling dient te
                    geschieden, niet op het tijdstip waarop die beoordeling zelf moet plaatsvinden.
                    Die beoordeling zelf kan later plaatsvinden. Als een onroerende zaak gebaat is
                    door de voorzieningen, zal de belasting ineens of -op verzoek- gedurende een
                    aantal jaren worden geheven. Latere wijzigingen in het gebaat zijn van een
                    onroerende zaak hebben daar geen invloed op. Ook latere bijbouw of afbraak van
                    objecten kan dus niet leiden tot wijzigingen in het bestand van te belasten
                    objecten of de hoogte van de te betalen belasting. Het niet langer gebaat zijn
                    van een onroerende zaak is geen reden de belastingheffing te beëindigen.
                    Hierdoor wordt tevens voorkomen dat er een ongelijke behandeling ontstaat tussen
                    personen die de belasting ineens hebben voldaan en personen die gekozen hebben
                    voor een jaarlijkse heffing.</al>
        <al>De peildatum voor de baatbepaling is vastgelegd op 1 mei 2004. De algehele
                    voltooiing van de in de heffing betrokken voorzieningen vond plaats op 26 april
                    2004.</al>
        <tussenkop>2.5 Baatbelasting heeft objectief karakter</tussenkop>
        <al>De baatbelasting is een zakelijke belasting met een objectief karakter. Het
                    toevallige gebruik dat de belastingplichtige (het subject) van een gebaat object
                    maakt, heeft geen invloed op de belastingplicht. Dit blijkt onder meer uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 15 september 1982, nr. 21.134, BNB 1982/271,
                    Belastingblad 1982, blz. 543 (Sliedrecht). De gemeente had een baatbelasting
                    ingevoerd voor de herin-richting van een voetgangersgebied in een winkelgebied.
                    Ook een assurantiekantoor dat was gevestigd in een winkelpand was volgens de
                    Hoge Raad terecht in de heffing betrokken. Beslissend is niet of de
                    voorzieningen voordeel of nadeel opleveren voor het assurantiekantoor, maar of
                    de onroerende zaak -onafhankelijk van het gebruik daarvan- door de voorzieningen
                    is gebaat.</al>
        <tussenkop>B Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al>
        <al>De definitie van onroerende zaak is een gebouwd eigendom, danwel een ongebouwd
                    eigendom. Het eigendom is een kadastraal perceel met of zonder bebouwing. Door
                    dit op deze wijze te benoemen is aansluiting gezocht tussen het begrip
                    onroerende zaak en het kadastrale perceel. </al>
        <al>Uitgangspunten zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>In geen geval is bij de eerder gehanteerde indeling naar objecten de
                            samenstelbepaling van aan-grenzende kadastrale percelen toegepast.</al></li>
          <li nr="·"><al>Er is geen sprake van gedeelten van kadastrale percelen, die als een
                            afzonderlijke onroerende zaak zijn aangemerkt.</al></li>
          <li nr=""><al>Artikel 2 Belastbaar feit</al><al>Gebate onroerende zaken</al><al>Via artikel 2 maakt de kaart waarop de gebate onroerende zaken binnen
                            Cluster A zijn aangegeven deel uit van de belastingverordening. De kaart
                            dient te worden gewaarmerkt ten bewijze dat zij behoort bij het besluit
                            van de gemeenteraad waarbij de belastingverordening is vastgesteld.</al><al>Tijdstip gebaat zijn</al><al>In december 2004 is gestart met het treffen van voorzieningen en deze
                            zijn op 26 april 2004 voltooid. In artikel 2 eerste lid is het tijdstip
                            van gebaat zijn vermeld: 1 mei 2004. Naar de toestand op dit tijdstip
                            dient te worden beoordeeld of de onroerende zaken gebaat zijn door de
                            getroffen voorzieningen. Deze datum, die uiterlijk een jaar nadat de
                            voorzieningen geheel zijn voltooid mag liggen, wordt in de verordening
                            opgenomen. Er vindt dus een eenmalige beoordeling plaats over de vraag
                            of een onroerende zaak gebaat is door de voorzieningen. In principe
                            hebben latere wijzigingen in het gebaat zijn van een onroerende zaak
                            geen invloed op de verschuldigde belasting. Ook latere bijbouw of
                            afbraak van objecten kan in principe niet leiden tot wijziging in het
                            bestand van belaste objecten. Hierdoor wordt voorkomen dat latere
                            wijzigingen in het objectenbestand kunnen leiden tot het onverbindend
                            worden van de tariefstelling. </al><al>Voorzieningen</al><al>Het begrip voorzieningen sluit aan bij de bestaande jurisprudentie. Het
                            omvat alle voorzieningen waarvan de kosten in via de baatbelasting
                            kunnen worden verhaald. De voorzieningen waarvoor de gemeente de kosten
                            via de heffing van baatbelasting kan verhalen zijn o.a.:</al><lijst>
              <li nr="a."><al>aanleggen van riolering (vrij vervalleidingen en
                                    drukrioleringsleidingen);</al></li>
              <li nr="b."><al>aanleg duikers, aanleg kabels en leidingen;</al></li>
              <li nr="c."><al>aanleg pompputten en inspectieputten;</al></li>
              <li nr="d."><al>ontgravingen, aanbrengen zandbed, egalisatie, afwerken terrein
                                    etc.;</al></li>
              <li nr="e."><al>aanleggen/aanpassen/herstellen bermen en bestrating in verband
                                    met uitvoering van de onder a t/m d genoemde werken.</al></li>
            </lijst><al>Baat</al><al>Tussen de door of met medewerking van de gemeente tot stand gebrachte
                            voorzieningen en de kosten daarvan enerzijds en de in de heffing te
                            betrekken onroerende zaken anderzijds moet een verband bestaan, gevormd
                            door “het gebaat zijn”. Beslissend is niet of de voorzieningen voordeel
                            of nadeel opleveren voor een bepaald gebruik of een bepaalde gebruiker
                            van een onroerende zaak, maar of de onroerende zaak –onafhankelijk van
                            het gebruik daarvan - door de voorzieningen is gebaat. Baat wordt
                            beoordeeld naar objectieve maatstaven. In de jurisprudentie wordt het
                            begrip “gebaat zijn” uitgelegd als “geschikt of beter geschikt worden
                            voor bebouwing” en/of “in een voordeligere positie komen te verkeren”
                            van een onroerende zaak. Gunstiger ligging, betere bereikbaarheid,
                            modernisering, vergroting gebruiks-gerief of gebruiksmogelijkheden,
                            betere verhuurbaarheid en het tegengaan van verdere negatieve
                            ontwikkelingen vormen meestal afzonderlijk dan wel tezamen voldoende
                            grond voor het criterium “verkrijgen van een voordeliger positie”. Het
                            is niet noodzakelijk dat ‘baat’ gepaard gaat met een waardestijging van
                            de onroerende zaak of een omzetverhoging voor de gebruiker van de
                            onroerende zaak. Tevens geldt bij het vaststellen van de aanwezigheid
                            van ‘gebaat zijn’: eenmaal gebaat, altijd gebaat. Zoals hiervoor
                            aangegeven wordt is de baatwerking gebaseerd op de situatie van 1 mei
                            2004.</al></li>
        </lijst>
        <al>Artikel 3 Belastingplicht</al>
        <al>In dit artikel wordt de belastingplicht omschreven. Belastingplichtig zijn
                    natuurlijke personen en rechts-personen zoals vennootschappen, stichtingen en
                    verenigingen, die van de door gemeentelijke voorzie-ningen gebate onroerende
                    zaken, zoals vermeld in artikel 2, het genot hebben krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht.</al>
        <al>De wet gaat uit van belastingheffing tenzij de kosten van de voorzieningen
                    krachtens overeenkomst worden voldaan. In veel gevallen gebruiken gemeenten de
                    baatbelasting als sluitstuk voor het kosten-verhaal. </al>
        <al>De gemeente tracht in eerste instantie de kosten van de voorzieningen langs
                    privaatrechtelijke weg te verhalen door het sluiten van een
                    exploitatieovereenkomst. In mei en juni van 2005 zijn alle betrokken
                    genothebbenden in de gelegenheid gesteld een exploitatieovereenkomst met de
                    gemeente aan te gaan.</al>
        <al>Vervolgens heft de gemeente baatbelasting van degenen die niet privaatrechtelijk
                    hebben bijgedragen. Het derde lid van artikel 3 voorziet hierin. De situatie dat
                    een gedeelte van de gebate onroerende zaken bijdraagt via overeenkomst en het
                    overige gedeelte via de heffing van een baatbelasting, verandert niets aan de
                    kostenverdeling. De gemeente dient de kosten van de getroffen voorzieningen om
                    te slaan over alle gebate percelen, zowel over de ‘belastingpercelen’ als over
                    de percelen waarvoor langs privaat-rechtelijke weg wordt bijgedragen.</al>
        <al>Indien er sprake is van een recht dat is afgeleid van een meer omvattend recht
                    (bijvoorbeeld eigendom), heeft de gemeente- gelet op de omschrijving van de
                    belastingplicht- bij het aanwijzen van de belasting-plichtige in beginsel de
                    keuze tussen de eigenaar, de bezitter of de beperkt gerechtigde. In verband
                    hiermee zal de heffingsambtenaar, op grond van de algemene beginselen van
                    behoorlijk bestuur, bij die keuze moeten handelen op basis van nader vast te
                    stellen beleid. </al>
        <al>De beleidsregels moeten bovendien tijdig worden bekendgemaakt, zodat ze voor
                    belastingplichtigen kenbaar zijn. Voor bovengenoemde situaties waarbij er
                    onduidelijkheid kan bestaan omtrent het aanwijzen van een belastingplichtige,
                    zijn op 17 november 2003, door het Afdelingshoofd van de afdeling Belastingen en
                    Verzekeringen van Deventer, de beleidsregels voor het aanwijzen van een
                    belasting-plichtige vastgesteld. Hierin staat de volgorde aangegeven waarop de
                    belastingplichtige aangewezen dient te worden.</al>
        <tussenkop>Artikel 4 Maatstaf van heffing</tussenkop>
        <al>Er is in de Gemeentewet geen heffingsmaatstaf opgenomen voor de baatbelasting.
                    Dit houdt in dat de gemeentelijke wetgever vrij is in het bepalen van de
                    heffingsmaatstaf. De keuze van de heffingsmaatstaf moet objectief worden bepaald
                    en zij moet aansluiten bij de aard van de voorzieningen die zijn aangelegd.</al>
        <al>In dit geval is gekozen voor een vast bedrag per gebate onroerende zaak, omdat
                    alle aangesloten of aan te sluiten objecten in gelijke of nagenoeg gelijke mate
                    profiteren.</al>
        <al>Artikel 5 Belastingtarief</al>
        <al>In de nota van 22 januari 2002 nummer 2002.708 is een besluit genomen over de
                    hoogte van de eigen bijdrage van € 2.000,- voor aanleg van riolering voor die
                    percelen waarvoor geen ontheffing van de zorgplicht is verkregen. De eigen
                    bijdrage is gesteld op € 2000, - per kadastraal perceel.</al>
        <al>Van de kosten, verbonden aan de aanleg van de in de heffing betrokken
                    voorzieningen, kan de volgende kostenopstelling worden verstrekt voor cluster
                    A:</al>
        <al>Begrote kosten (bekostigingsbesluit 24 november 2003) € 49.743,17</al>
        <al>Werkelijke kosten (rekening Oranjewoud) € 49.695,74 </al>
        <al>In cluster A zijn 5 kadastrale percelen gebaat.</al>
        <al>De werkelijke kosten zijn € 9939,14 per kadastraal perceel.</al>
        <al>De kosten die daadwerkelijk verhaald worden zijn € 2000,- per kadastraal
                    perceel. </al>
        <al>De opbrengst van de baatbelasting mag niet uitgaan boven de gemeentelijke lasten
                    van de voorzieningen. Men dient de kosten van de voorzieningen te verminderen
                    met eventuele ten behoeve van de voorzie-ningen genoten subsidies c.q. van
                    derden genoten premies of reducties.</al>
        <al>De maximumgrens van 100% kostenverhaal moet goed in de gaten worden gehouden. Er
                    dient voor een zorgvuldige bepaling van het tarief zorg te worden gedragen ten
                    einde te voorkomen dat de opbrengst van de baatbelasting de werkelijke lasten
                    van de voorziening te boven gaat. In dit verband kan onder meer worden verwezen
                    naar het Hoge Raad-arrest d.d. 3 oktober 2003 nr 38 259. In dit arrest is
                    bepaald indien de maximaal verhaalbare opbrengst wordt overschreden, de
                    onverbindendheid van de verordening zich beperkt tot de mate waarin de
                    verhaalbare opbrengst wordt overschreden.</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse
                    heffing</tussenkop>
        <al>De baatbelasting is in beginsel een heffing ineens. De belastingplichtige zal,
                    na het vervallen van het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is, de
                    heffing ineens moeten betalen. </al>
        <al>In dit artikel is een regeling opgenomen voor belastingplichtigen die de
                    baatbelasting echter in de vorm van een jaarlijkse belasting gespreid over een
                    termijn van 5 jaren willen betalen. Een gemeente is verplicht daarvoor een
                    regeling te treffen in de verordening. Belastingplichtigen dienen hiertoe een
                    schriftelijk verzoek te doen binnen 6 weken na de dagtekening van de aanslag bij
                    de heffingsambtenaar. Tegen de beslissing van de gemeente op het verzoek staat
                    geen bezwaar en beroep open.</al>
        <al>De gemeente heeft de vrijheid om ook buiten de gestelde termijn het verzoek
                    alsnog in te willigen. Als een belastingplichtige kiest voor gespreide betaling,
                    kan de gemeente de aanslag tot een bedrag ineens intrekken en vervangen door een
                    aanslag voor het eerste jaar (Hoge Raad, 6 januari 1988, nr. 24.905, BNB
                    1988/120, Belastingblad 1988, blz. 235).</al>
        <al>Bij de keuze voor een jaarlijkse belasting wordt het jaarlijkse belastingbedrag
                    bepaald op de annuïteit van de heffing ineens, gebaseerd op 5 jaren met een
                    rentevoet van 2,93% per jaar. De rentevoet is gerelateerd aan de rente van door
                    de gemeente aan te trekken geldleningen voor 5 jaar. </al>
        <al>De situatie zou zich voor kunnen doen dat gedurende de looptijd van 5
                    belastingjaren wijzigingen komen in de persoon van de belastingplichtige of dat
                    het belastbare object wordt gesplitst. Met het oog hierop zijn het vijfde en het
                    zesde lid opgenomen. In het vijfde lid is een regeling opgenomen voor het geval
                    dat een belastingplichtige, die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot
                    gespreide betaling, gedurende de belastingperiode ophoudt belastingplichtig te
                    zijn (bijvoorbeeld als gevolg van algehele vervreemding). </al>
        <al>Het zesde lid geeft een regeling voor de situatie dat een onroerende zaak in de
                    loop van de heffings-periode wordt gesplitst. Bij splitsing vindt een verdeling
                    van de resterende belastingschuld plaats over de na splitsing ontstane
                    onroerende zaken. Het artikellid is zodanig geformuleerd dat bij splitsing het
                    totaal van de heffingseenheden na splitsing niet hoger of lager is dan vóór
                    splitsing. De baatbelasting die rust op het gehele oorspronkelijke perceel
                    blijft rusten op de daarvan afgesplitste percelen, ook al zou een van deze
                    percelen niet langer gebaat zijn door de getroffen voorzieningen. </al>
        <al>Artikel 7 Wijze van heffing</al>
        <al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden
                    geheven bij weg van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. In deze verordening is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.</al>
        <al>Artikel 8 Termijnen van betaling</al>
        <al>In dit artikel zijn de termijnen van betaling opgenomen. Gekozen is voor één
                    betalingstermijn. Deze termijn vervalt op de laatste dag van de maand, welke
                    volgt op de maand van dagtekening van het aanslagbiljet.</al>
        <al>Artikel 9 Kwijtschelding</al>
        <al>In de verordening is gekozen voor een bepaling in de verordening die regelt dat
                    in het geheel geen kwijtschelding van baatbelasting wordt verleend. Reden
                    hiervan is dat het heffen van baatbelasting is aan te merken als een betaling
                    voor het bijzondere voordeel van de aanleg van bepaalde voorzieningen van de
                    gemeente alsmede het feit dat het geheven wordt van de zakelijk gerechtigden van
                    onroerende zaken.</al>
        <tussenkop/>
        <tussenkop>Artikel 10 Nadere regels door het college van burgemeester en
                    wethouders</tussenkop>
        <al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996,</al>
        <al>333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving (Stb. 1997, 510 en 580), komen
                    de bevoegdheden</al>
        <al>die in de Awr en de Invorderingswet 1990 zijn toebedeeld aan de minister van
                    Financiën met ingang van 1 januari 1998 toe aan het college van burgemeester en
                    wethouders (voorheen aan de raad). Aangezien artikel 217 van de Gemeentewet
                    bepaalt dat al hetgeen voor de heffing en de invordering van belang is, in de
                    belastingverordening moet worden vermeld, wordt er, evenals in alle
                    belastingverordeningen, ook hier een bepaling opgenomen die aangeeft dat het
                    mogelijk is dat het college van burgemeester en wethou-ders nadere regels kan
                    stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de baatbelasting. </al>
        <al>Op deze wijze wordt aan de belastingplichtige burger duidelijk gemaakt dat er
                    nog nadere regels kunnen gelden.</al>
        <tussenkop>Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop>
        <al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot het
                    vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend maken.
                    Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit tot
                    vaststelling of wijziging van de belastingverordening in het gemeente-blad, dan
                    wel, bij gebreke daarvan door opname in een andere door de gemeente algemeen
                    verkrijgbaar gestelde uitgave. Voor bekendmaking is voldoende dat bij de
                    gemeente een document aanwezig is vergelijkbaar met het Staatsblad voor
                    rijkswetten, dat op verzoek beschikbaar wordt gesteld. In Deventer worden de
                    besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen
                    gepubliceerd in het in de gehele gemeente gratis bezorgde huis- aan huisblad.
                    Tevens worden ze opgenomen in een losbladige bundel, voorzien van een aanduiding
                    en een register, waaruit de gemeente op verzoek kopieën verstrekt. Hiervoor
                    worden de verschuldigde leges in rekening gebracht. Deze bundel, kan evenwel
                    gratis worden ingezien.</al>
        <al>De bekendmakingsplicht houdt niet in dat de integrale tekst van de
                    belastingverordening huis aan huis moet worden verspreid.</al>
        <al>Op grond van artikel 142 van de Gemeentewet treedt het bekend gemaakte besluit
                    in werking met ingang van de achtste dag na de dag van de bekendmaking, tenzij
                    in de verordening een later tijdstip is aangegeven. Overigens kan de datum van
                    inwerkingtreding ook op een eerder tijdstip liggen. </al>
        <al>De datum van inwerkingtreding van een belastingverordening mag echter niet
                    liggen voor de vaststelling, en bekendmaking ervan.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>