<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR8104_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Sint-Michielsgestel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint-Michielsgestel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint-Michielsgestel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.sint-michielsgestel.nl">De Brug, 10 januari 2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Sint-Michielsgestel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2007-12-06</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-08-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 4.3.1, lid 1 en 2, art. 6.4.5, art. 6.4.6, art. 8.5.1 lid c en art. 8.5.4</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Index: 12.000</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wmo, verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De verordening is niet op de gebruikelijke wijze gepubliceerd. De inhoud van de regeling is wel in de vorm van een themakrant in de maand december 2006 uitgebracht.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Sint-Michielsgestel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling 1 - Algemeen</label></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1 Begripsbepalingen</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><lijst><li nr="a"><al><cursief>college</cursief>: college van burgemeester en
                                            wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel;</al></li><li nr="b"><al><cursief>wet</cursief>: Wet maatschappelijke
                                            ondersteuning;</al></li><li nr="c"><al><cursief>Wvg</cursief>: Wet voorzieningen
                                            gehandicapten;</al></li><li nr="d"><al><cursief>Awb</cursief>: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="e"><al><cursief>AWBZ</cursief>: Algemene Wet Bijzondere
                                            Ziektekosten;</al></li><li nr="f"><al><cursief>huishoudelijke voorziening</cursief>: een
                                            voorziening ter ondersteuning bij of ter overname van
                                            activiteiten op het gebied van het verzorgen van het
                                            huishouden van een persoon dan wel de leefeenheid
                                            waartoe een persoon behoort;</al></li><li nr="g"><al><cursief>rolstoelvoorziening</cursief>: voorziening die
                                            de aanvrager in staat stelt zich in en om de woning te
                                            verplaatsen en waarvan het rijden de primaire functie
                                            is;</al></li><li nr="h"><al><cursief>woonvoorziening</cursief>: voorziening, niet
                                            zijnde een huishoudelijke voorziening of een
                                            rolstoelvoorziening, die de aanvrager in staat stelt tot
                                            het normale gebruik van de woning;</al></li><li nr="i"><al><cursief>vervoersvoorziening</cursief>: voorziening die
                                            de aanvrager in staat stelt zich lokaal te verplaatsen
                                            per vervoermiddel;</al></li><li nr="j"><al><cursief><cursief>vervoersvoorziening</cursief>:
                                                voorziening die de aanvrager in staat stelt zich
                                                lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;algemeen
                                                gebruikelijk</cursief>: hetgeen naar in het
                                            maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor een
                                            persoon als de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger
                                            als gangbaar bezit of gangbare uitgaven wordt
                                            aangemerkt;</al></li><li nr="k"><al><cursief>PGB</cursief>: persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="l"><al><cursief>budgetperiode</cursief>: periode waarvoor een
                                            PGB wordt verleend;</al></li><li nr="m"><al><cursief>inkomen</cursief>: </al><lijst><li nr="1."><al>het netto-inkomen; </al></li><li nr="2."><al>het gezamenlijk netto-inkomen van de ouders of
                                                  pleegouders van de ondersteuningsbehoevende,
                                                  indien de ondersteuningsbehoevende jonger is dan
                                                  18 jaar en geen echtgenoot heeft in de zin van
                                                  artikel 1 lid 2 tot en met 7 van de wet; </al></li><li nr="3."><al>het gezamenlijk netto-inkomen van de
                                                  ondersteuningsbehoevende en zijn echtgenoot,
                                                  indien de ondersteuningsbehoevende een echtgenoot
                                                  heeft in de zin van artikel 1 lid 2 tot en met 7
                                                  van de wet;</al></li></lijst></li><li nr="n"><al><cursief>norminkomen</cursief>: de normen, genoemd in
                                            paragraaf 3.2 van de Wet werk en bijstand, omgerekend
                                            tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen
                                            voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger
                                            dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande
                                            ouder is, en die niet in een inrichting verblijft, eerst
                                            zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel 25 lid
                                            2 van de Wet werk en bijstand, en de normen van een
                                            alleenstaande of gehuwde, die in een inrichting
                                            verblijft, eerst zijn verhoogd met de bedragen, genoemd
                                            in artikel 23 lid 2 van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="o"><al><cursief>eigen bijdrage</cursief>: een bijdrage die bij
                                            de verlening van een voorziening in natura of in de vorm
                                            van een PGB voor rekening van de
                                            ondersteuningsbehoevende of mantelzorger komt,
                                            respectievelijk blijft en waarop de in deze verordening
                                            en het Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                            te stellen regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="p"><al><cursief>eigen aandeel</cursief>: een financieel aandeel
                                            in de kosten, dat bij de verlening van een financiële
                                            tegemoetkoming voor rekening van de
                                            ondersteuningsbehoevende of mantelzorger komt;</al></li><li nr="q"><al><cursief>ondersteuningsbehoevende</cursief>: een persoon
                                            met een verstandelijke of lichamelijke beperking, een
                                            chronisch psychisch probleem of een psychosociaal
                                            probleem dan wel een combinatie daarvan;</al></li><li nr="r"><al><cursief>mantelzorger</cursief>: een persoon die
                                            mantelzorg, als bedoeld in artikel 1 onderdeel b van de
                                            wet, verleent;</al></li><li nr="s"><al><cursief>woonplaats</cursief>: woonplaats als bedoeld in
                                            artikel 10 lid 1 en artikel 11 van Boek 1 van het
                                            Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="t"><al><cursief>woning</cursief>: een woning waarbij geen
                                            wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte,
                                            was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen
                                            worden gedeeld;</al></li><li nr="u"><al><cursief>uitraasruimte</cursief>: een verblijfsruimte
                                            waarin een ondersteuningsbehoevende die vanwege
                                            gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan
                                            afzonderen of tot rust kan komen;</al></li><li nr="v"><al><cursief>gemeenschappelijke ruimte</cursief>:
                                            gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de
                                            onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de
                                            woning van de ondersteuningsvrager vanaf de toegang tot
                                            de woning te bereiken;</al></li><li nr="w"><al><cursief>woonwagen</cursief>: een voor bewoning bestemd
                                            gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in
                                            zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;</al></li><li nr="x"><al><cursief>standplaats</cursief>: een kavel binnen de
                                            gemeente Sint-Michielsgestel, bestemd voor het plaatsen
                                            van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn
                                            die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven,
                                            andere instellingen of van gemeenten kunnen worden
                                            aangesloten;</al></li><li nr="y"><al><cursief>compenseren: </cursief>een alternatief bieden
                                            voor de aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte
                                            of gebrek die iemand heeft om te kunnen participeren in
                                            de samenleving, zodanig dat de gevolgen van die</al><al>beperkingen zoveel mogelijk worden opgeheven, daarbij
                                            uitgaande van de zelfredzaamheid van de
                                            ondersteuningsbehoevende;</al></li><li nr="z.1"><al><cursief>Besluit maatschappelijke
                                                ondersteuning:</cursief> het door het college op
                                            grond van deze verordening vastgestelde overzicht,
                                            omvattende het geheel van verstrekkingen en bedragen,
                                            welke de gemeente in het kader van de Wmo kan
                                            verstrekken;</al></li><li nr="z.2"><al><cursief>gebruikelijke zorg: </cursief>de normale,
                                            dagelijkse ondersteuning die partners of ouders en
                                            inwonende meerderjarige kinderen, 18 jaar of ouder,
                                            geacht worden elkaar onderling te </al><al>bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk
                                            huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                                            verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van
                                            dat huishouden;</al></li><li nr="z.3"><al><cursief>hoofdverblijf: </cursief>de woning, bestemd en
                                            geschikt voor permanente bewoning, waar de onder
                                            steuningsbehoevende zijn vaste woon- en verblijfplaats
                                            heeft of zal hebben en op welk adres hij in de
                                            gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of
                                            zal staan, dan wel het feitelijke woonadres indien de
                                            ondersteuningsbehoevende met een briefadres in de
                                            gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of
                                            zal staan;</al></li><li nr="z.4"><al>m<cursief>aatschappelijke participatie: </cursief>de
                                            normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te
                                            weten;</al></li><li nr="z.5"><al><cursief>zelfredzaamheid:</cursief> het lichamelijke,
                                            verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen van
                                            de ondersteuningsbehoevende om zelf voorzieningen te
                                            treffen en de algemene dagelijkse levensverrichtingen
                                            uit te voeren.</al><al>a. het voeren van een huishouden;</al><al>b. het normale gebruik van de woning;</al><al>c. het zich in en om de woning verplaatsen;</al><al>d. het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt
                                            gevonden bij regionale, bovenreguinale en landelijke
                                            vervoerssystemen;</al><al>e. het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                                            onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel
                                            te nemen aan het lokale maatschappelijk leven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    wet en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2 Beperkingen</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager een verstandelijke of lichamelijke
                                            beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                                            psychosociaal probleem heeft, waardoor hij niet in
                                            aanvaardbare mate in staat is, dan wel indien de
                                            aanvrager vrijwilligerswerk verricht of mantelzorg
                                            pleegt waarbij hij niet in aanvaardbare mate in staat is
                                            om:</al></li><li nr=""><al> 1° een huishouden te voeren;</al></li><li nr=""><al> 2° zich te verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr=""><al> 3° zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr=""><al>4° medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                                            contacten aan te gaan;</al></li><li nr="b."><al>de voorziening langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening, objectief bezien, als de goedkoopste
                                            adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager in de gemeente Sint-Michielsgestel
                                            woonplaats heeft als bedoeld in artikel 10 lid 1 en
                                            artikel 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</al></li><li nr="e."><al>bij het compenseren van beperkingen die een
                                            ondersteuningsbehoevende ondervindt in zijn
                                            maatschappelijke participatie, wordt rekening gehouden
                                            met de keuzes die de ondersteuningsbehoevende maakt in
                                            het leven,waarbij verwacht mag worden dat de
                                            ondersteuningsbehoevende geschikte keuzes maakt rekening
                                            houdend met de beperkingen die horen bij de individuele
                                            omstandigheden van de ondersteuningsbehoevende.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert een voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien niet is voldaan aan de voorwaarden of
                                            verplichtingen gesteld bij of krachtens de wet;</al></li><li nr="b."><al>voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling
                                            of enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis
                                            aanspraak op de voorziening bestaat;</al></li><li nr="c."><al>voor zover in de voorziening een algemeen gebruikelijke
                                            component geacht kan worden te zijn begrepen;</al></li><li nr="d."><al>indien een voorziening als waarop de aanvraag betrekking
                                            heeft reeds eerder krachtens de WVG of krachtens de wet
                                            is verleend en de normale afschrijvingsduur voor die
                                            voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder
                                            verleende voorziening geheel of gedeeltelijk verloren is
                                            gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de
                                            aanvrager zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="e."><al> indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege
                                            redelijkerwijs van de ondersteunings-behoevende of
                                            mantelzorger zelf of van anderen in diens omgeving,
                                            zoals familieleden of huisgenoten, te vergen medewerking
                                            aan oplossing voor het zich voordoende probleem.</al></li><li nr="f."><al>wanneer het gaat om een financiële tegemoetkoming of een
                                            PGB, indien in de financiering van het niet door de
                                            financiële tegemoetkoming of het PGB bestreken deel van
                                            de kosten niet is voorzien;</al></li><li nr="g."><al>indien de aanvraag een financiële tegemoetkoming of een
                                            PGB voor kosten betreft die de aanvrager voor de datum
                                            van het besluit naar aanleiding van die aanvraag heeft
                                            gemaakt, tenzij het college schriftelijk toestemming
                                            heeft verleend voor het maken van de kosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een PGB wordt slechts verleend indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager zich, wanneer op grond van deze verordening
                                            eerder een PGB is verleend, gehouden heeft aan bij de
                                            verlening van dat eerdere PGB opgelegde
                                            verplichtingen;</al></li><li nr="b."><al>er geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de
                                            aanvrager zonder hulp niet in staat is tot een
                                            verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2 Vorm van de voorziening</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1 Mogelijke vormen</nr></kop><al/><al>Het college biedt ondersteuningsbehoevende, die recht hebben op een
                                individuele voorziening, de keuze tussen een voorziening;</al><lijst><li nr="a."><al>in natura;</al></li><li nr="b."><al>in de vorm van een financiële tegemoetkoming;</al></li><li nr="c."><al>in de vorm van een PGB.</al></li></lijst><al/><al>Indien overwegende bezwaren tegen de keuze van
                                deondersteuningsbehoevende bestaan, kan afwijkend worden
                                beslist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>.2 (Tijdelijk vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3 Voorziening in natura</nr></kop><al/><al>Een voorziening in natura kan worden verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>in eigendom;</al></li><li nr="b."><al>in bruikleen;</al></li><li nr="c."><al>in huur;</al></li><li nr="d."><al>als persoonlijke dienstverlening;</al></li><li nr="e."><al>in lease.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4 Financiële tegemoetkoming</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een financiële tegemoetkoming wordt verleend, wordt in de
                                    beschikking vermeld op welke kosten de tegemoetkoming betrekking
                                    heeft, alsmede de voorschriften waaraan de aanvrager en/of de
                                    ondersteuningsbehoevende dient te voldoen alvorens tot
                                    uitbetaling van de tegemoetkoming kan worden overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een periodieke tegemoetkoming wordt verleend, wordt in de
                                    beschikking tevens vermeld: de geldingsduur, de
                                    uitkeringsmaatstaf, alsmede de voorschriften waaraan de
                                    rechthebbende dient te voldoen alvorens tot uitbetaling van de
                                    tegemoetkoming kan worden overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de geldingsduur niet in de beschikking is vermeld, wordt
                                    uitgegaan van een verstrekking voor onbepaalde tijd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondersteuningsbehoevende of mantelzorger is een eigen
                                    bijdrage verschuldigd bij de verstrekking van huishoudelijke
                                    voorziening en woonvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in het Financieel Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning regels vast over de gevallen waarin de eigen
                                    bijdrage wordt opgelegd en over de omvang van deze eigen
                                    bijdrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6 Eigen aandeel</nr><label/></kop><al>Het college kan een eigen aandeel in de kosten vragen indien er een
                                financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. De hoogte van het eigen
                                aandeel in de kosten wordt bepaald in het Financieel Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7 Hoogte financiële tegemoetkomingen en PGB's</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bedrag vast dat per uur aan PGB wordt
                                    verleend voor een huishoudelijke voorziening en legt dit bedrag
                                    vast in het Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de hoogte vast van de financiële
                                    tegemoetkomingen voor de woonvoorzieningen als genoemd in
                                    artikel 4.1 onderdeel a, e en f en legt deze vast in het
                                    Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de hoogte vast van de financiële
                                    tegemoetkomingen voor de woonvoorzieningen als genoemd in
                                    artikel 4.1 onderdeel a, e en f en legt deze vast in het
                                    Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt de hoogte vast van de financiële
                                    tegemoetkomingen voor de vervoersvoor-zieningen genoemd in
                                    artikel 6.1 onderdeel e, f, g, h, i en k en legt deze vast in
                                    het Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3 Huishoudelijke voorzieningen</nr></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1 - Algemeen</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1 Kring rechthebbenden</nr></kop><al/><al>Een huishoudelijke voorziening kan worden verleend aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een ondersteuningsbehoevende; en</al></li><li nr="b."><al>een mantelzorger.</al></li></lijst><al/><al>Algemeen: De aanvrager kan voor een huishoudelijke voorzieningen
                                    in aanmerking komen als aantoonbare beperkingen of problemen als
                                    gevolg van ziekte of gebrek deze voorziening noodzakelijk maakt
                                    voor het voeren van een huishouden.</al><al>Mantelzorg: De mantelzorger die zijn taken tijdelijk niet kan
                                    waarnemen, komt in aanmerking voor respijtzorg. De omvang wordt
                                    vastgesteld aan de hand van de geïndiceerde zorgbe- hoefte doch
                                    kan maximaal een periode van zes weken op jaarbasis beslaan. Het
                                    college stelt in het Financieel Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning de omvang en nadere regels vast omtrent
                                    respijtzorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2 Vorm huishoudelijke voorziening</nr></kop><al/><al>De huishoudelijke voorziening wordt, met inachtneming van het
                                    bepaalde in artikel 6 van de wet, in natura of in de vorm van
                                    een PGB verleend. Het is naar de vrije keuze van de
                                    ondersteuningsbehoevende in welke vorm de huishoudelijke
                                    voorziening wordt verstrekt. </al><al>Om in aanmerking te komen voor huishoudelijke voorzieningen is
                                    een eigen bijdrage verschuldigd. Het college stelt in het
                                    Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning jaarlijks de
                                    eigen bijdrage vast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3 Omvang huishoudelijke voorziening</nr></kop><al/><lijst><li nr="a."><al>De omvang van de huishoudelijke voorziening wordt
                                            uitgedrukt in uren, afgerond in decimalen, per week. Bij
                                            de bepaling van de omvang van de huishoudelijke
                                            voorziening wordt rekening gehouden met gebruikelijk
                                            zorg van de tot de leefeenheid behorende inwonende
                                            meerderjarige gezinsleden, die niet voor vergoeding in
                                            aanmerking komen.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Het college verstrekt de huishoudelijke voorzieningen in
                                            natura op basis van een raamovereenkomst, waarbij de
                                            gemeente afspraken heeft gemaakt met verschillende
                                            zorgaanbieders waaruit de aanvrager een keuze kan
                                            maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4 Geen langdurige noodzaak</nr><label/></kop><al>In afwiking van artikel 1.2 lid 1 onderdeel b kan het college
                                    een huishoudelijke voorziening verstrekken, indien er geen
                                    langdurige noodzaak is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5 Beperkingen</nr></kop><al/><al>Het college weigert een huishoudelijke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de voorziening betrekking heeft op een hoger
                                            niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                            woningbouw;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions,
                                            trekkerswoonwagens, kloosters, vakantiewoningen en
                                            tweede woningen;</al></li><li nr="c."><al>indien de aanvrager verblijft in een AWBZ-instelling,
                                            tenzij er sprake is van een overbruggingssituatie.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2 - PGB</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6 Periode en voorschot</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een PGB wordt verleend voor een periode die niet eerder
                                        aanvangt dan de datum van aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft de aanvrager per lalendermaand een
                                        voorschot op het verleende PGB.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7 Hoogte bruto PGB</nr><label/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bruto PGB wordt berekend naar een bedrag per uur en naar
                                        het aantal uren waarin de huishoudelijke voorziening in de
                                        budgetperiode benodigd is. Indien er sprake is van een
                                        huishoudelijke voorziening gedurende een deel van een uur,
                                        wordt het bruto PGB naar evenredigheid berekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het netto PGB bedraagt het verschil tussen het bruto PGB en
                                        de eigen bijdrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8 Verplichtingen</nr></kop><al/><al>Bij de verlening van een PGB worden de aanvrager de volgende
                                    verplichtingen opgelegd:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager gebruikt het PGB uitsluitend voor betaling
                                            van een huishoudelijke voorziening en de daarmee
                                            noodzakelijk verbonden kosten;</al></li><li nr="b."><al>de huishoudelijke voorziening die de aanvrager inkoopt,
                                            is een adequate voorziening en is kwalitatief
                                            verantwoord;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager legt binnen zes weken na het einde van
                                            ieder kwartaal door middel van invulling van een daartoe
                                            aan het eind van ieder kwartaal door het college
                                            verstrekt formulier aan het college verantwoording af
                                            over het gebruik van het PGB;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager deelt het college op diens verzoek of
                                            onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                                            omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                            moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de
                                            verlening van het PGB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9 Beschikking</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beschikking tot verlening van een PGB bevat ten minste de
                                        volgende gegevens:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de budgetperiode;</al></li><li nr="b."><al>het bruto PGB en de wijze waarop dit budget is
                                                berekend;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de eigen bijdrage is berekend;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop voorschotten op het netto PGB worden
                                                verleend;</al></li><li nr="e."><al>de verplichtingen van de aanvrager;</al></li><li nr="f."><al>de eisen waaraan de voorziening moet voldoen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de budgetperiode in meer dan één kalenderjaar gelegen
                                        is, deelt het college vanaf het kalenderjaar na het jaar
                                        waarin de PGB is verleend de aanvrager jaarlijks het bedrag
                                        van het netto PGB voor het in dat jaar gelegen deel van de
                                        budgetperiode mede.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10 Vaststelling</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na afloop van ieder kalenderjaar wordt het PGB voor het
                                        desbetreffende kalenderjaar vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de budgetperiode met ingang van een andere dag dan 1
                                        januari van een kalenderjaar eindigt, wordt, in afwijking
                                        van lid 1, het PGB voor de periode gelegen tussen 1 januari
                                        van het kalenderjaar waarin het PGB afloopt en de dag waarop
                                        de budgetperiode afloopt, vastgesteld na afloop van de
                                        budgetperiode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een bij het college ingediend verantwoordingsformulier over
                                        het laatste kwartaal in het kalenderjaar of, indien lid 2
                                        van toepassing is, in de budgetperiode, dient als aanvraag
                                        tot vaststelling van het PGB.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het netto PGB binnen zes weken na de
                                        aanvraag tot vaststelling van het PGB vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 4:46 Awb is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college vordert onverschuldigd betaalde bedragen van de
                                        aanvrager terug of verrekent deze met door hem aan de
                                        aanvrager terzake van PGB’s verschuldigde bedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.</label><titel>11 Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanvragers die op basis van de AWBZ zijn geïndiceerd voor
                                        huishoudelijke verzorging ontvangen hulp bij het huishouden
                                        op basis van de laatst afgegeven indicatie. Bij mutatie of
                                        afloop van het indicatiebesluit zullen de Wmo uitgangspunten
                                        van kracht zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragers die op basis van de AWBZ een indicatie hebben
                                        ontvangen waarvan de geldigheidsduur doorloopt tot na 1
                                        januari 2008 ontvangen tot 1 januari 2008 hulp bij het
                                        huishouden op basis van die indicatie. Vanaf 1 januari 2008
                                        krijgen zij hulp bij het huishouden conform het
                                        indicatiebesluit op basis van de Wmo.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4 Woonvoorzieningen</nr></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1 Algemeen</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1 Typen woonvoorziening</nr></kop><al/><al>De door het college te verlenen woonvoorziening kan bestaan
                                    uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorziening voor verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="b."><al>een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard
                                            in of aan een woning;</al></li><li nr="c."><al>een voorziening van niet-bouwkundige en
                                            niet-woontechnische aard in of aan een woning;</al></li><li nr="d."><al>een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie van
                                            een liftinstallatie in een woning;</al></li><li nr="e."><al>een voorziening voor tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="f."><al>een voorziening voor huurderving.</al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2 Kring rechthebbenden</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening genoemd in artikel 4.1 kan slechts worden
                                        verleend ten behoeve van een ondersteuningsbehoevende en
                                        wordt, behoudens het bepaalde in lid 2 en de artikelen 4.8
                                        lid 2, 4.11 lid 2 en 4.13, verleend aan de
                                        ondersteuningsbehoevende.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ondersteuningsbehoevende niet de eigenaar is van
                                        de woning wordt een voorziening genoemd in artikel 4.1
                                        onderdeel b, in afwijking van lid 1 en artikel 1.2 lid 1
                                        onderdeel a, verleent aan de eigenaar van de woning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Vorm woonvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel a, b, e en
                                        f worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                        verleend dan wel in bruikleen gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel c en d
                                        worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van
                                        de wet, in bruikleen dan wel in de vorm van een financiële
                                        vergoeding of een pgb toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na de voltooiing van de werkzaamheden in het kader van een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4.1 onder b, maar
                                        uiterlijk binnen 15 maanden na het verlenen van deze
                                        voorziening, verklaart de woningeigenaar aan het college dat
                                        de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gereedmelding als bedoeld onder a gaat vergezeld van een
                                        verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan
                                        aan de voorwaarden waaronder de voorziening is verleend en
                                        is tevens een verzoek om uitbetaling van de financiële
                                        tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De woningeigenaar dient gedurende een periode van vijf jaar
                                        alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de
                                        werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5 Afschrijving en woningaanpassingen</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een
                                        financiële tegemoetkoming in de kosten van het treffen van
                                        een woonvoorziening heeft ontvangen en die binnen een
                                        periode van vijf jaar na de datum van gereedmelding van de
                                        werkzaamheden de woning verkoopt, is gehouden om binnen een
                                        week na het passeren van de akte het college hiervan
                                        schriftelijk op de hoogte te stellen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de eigenaar-bewoner verplichten de
                                        meerwaarde die door het treffen van de voorziening is
                                        ontstaan terug te storten aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vaststelling van de eventuele meerwaarde geschiedt door
                                        een door de woningeigenaar aan te wijzen beëdigd taxateur
                                        dan wel op basis van wederzijdse overeenstemming. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De terugstorting als bedoeld in het tweede lid bedraagt 100%
                                        van de meerwaarde, maar nooit meer dan het bedrag dat ten
                                        laste van de gemeente is gekomen in verband met de getroffen
                                        voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op het terug te storten bedrag kunnen de kosten van taxatie
                                        in mindering worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De terugstortingsverplichting vervalt vijf jaar na de datum
                                        van gereedmelding als bedoeld in artikel 4.4.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6 Weigeringsgronden</nr></kop><al/><al>Het college weigert een voorziening genoemd in artikel 4.1:</al><lijst><li nr="a."><al> indien de beperking of het probleem voortvloeit uit de
                                            aard van de in de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al> voor zover de voorziening betrekking heeft op een hoger
                                            niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                            woningbouw;</al></li><li nr="c."><al> indien er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat
                                            tussen de beperking of het probleem en een of meer
                                            bouwkundige of woontechnische kenmerken van woning;</al></li><li nr="d."><al> indien de beperking of het probleem niet in de woning
                                            zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning
                                            wordt begrepen) worden ondervonden;</al></li><li nr="e."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende verhuist vanuit een woning
                                            waarin en waaromheen hij in staat is zich te
                                            verplaatsen, tenzij er een belangrijke reden voor de
                                            verhuizing bestaat;</al></li><li nr="f."><al>indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            deze verhuizing dan wel de acceptatie van de nieuwe
                                            woning heeft plaatsgevonden voordat het college een
                                            besluit heeft genomen naar aanleiding van de aanvraag,
                                            tenzij het college schriftelijk toestemming heeft
                                            verleend voor die verhuizing of die acceptatie;</al></li><li nr="g."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende niet verhuist naar de voor
                                            hem op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                            tenzij het college schriftelijk toestemming heeft
                                            verleend voor de verhuizing;</al></li><li nr="h."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende voor het eerst zelfstandig
                                            gaat wonen, tenzij het college schriftelijk toestemming
                                            heeft verleend voor de verhuizing;</al></li><li nr="i."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende verhuist vanuit en naar een
                                            woning die niet geschikt is om het hele jaar door
                                            bewoond te worden;</al></li><li nr="j."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende verhuist naar een
                                            AWBZ-instelling;</al></li><li nr="k."><al>k indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                            AWBZ-instelling, kloosters, hotels/pensions,
                                            trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede
                                            woningen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2 - Het recht op een woonvoorziening</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7 Rangorde / primaat verhuizing en woonunit</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlening van de voorziening genoemd in artikel 4.1
                                        onderdeel a, zonodig in combinatie met andere in artikel 4.1
                                        genoemde voorzieningen, heeft voorrang indien deze
                                        voorziening of deze combinatie de goedkoopste adequate
                                        oplossing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verlening van de voorziening genoemd in artikel 4.1
                                        onderdeel b aan een woningeigenaar die niet bereid is de
                                        woning wederom te laten bewonen door een
                                        ondersteuningsbehoevende, heeft de plaatsing van een losse
                                        woonunit voorrang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8 Bezoekbaar maken woning</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1.2 lid 1 onderdeel d en artikel
                                        4.2 lid 1 kan het college ten behoeve van de
                                        ondersteuningsbehoevende een woonvoorziening als bedoeld in
                                        artikel 4.1 onderdeel b, c en d dan wel een combinatie van
                                        deze voorzieningen verstrekken voor het bezoekbaar maken van
                                        een woning indien de ondersteuningsbehoevende in een
                                        AWBZ-instelling verblijft. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te
                                        passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorziening betreft slechts een tegemoetkoming in de
                                        kosten van het bezoekbaar maken van de in het tweede lid
                                        bedoelde woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de
                                        ondersteuningsbehoevende de woon-ruimte, de woonkamer en een
                                        toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9 Gemeenschappelijke ruimten</nr></kop><al/><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming verlenen voor het
                                    treffen van de volgende voorzieningen aan een gemeenschappelijke
                                    ruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>het verbreden van toegangsdeuren;</al></li><li nr="b."><al>het aanbrengen van elektrische deuropeners;</al></li><li nr="c."><al>aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de
                                            toegang van het gebouw (mits de woningen in het
                                            woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel);</al></li><li nr="d."><al>drempelhulpen of vlonders;</al></li><li nr="e."><al>het aanbrengen van een extra trapleuning bij een
                                            portiekwoning;</al></li><li nr="f."><al>een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur
                                            van een woongebouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10 Extra voorwaarden bij bewoning woonwagen</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent slechts een voorziening genoemd in
                                        artikel 4.1 ten behoeve van een woonwagen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog
                                                minimaal vijf jaar is;</al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing
                                                in aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de
                                                aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op
                                                de standplaats stond;</al></li><li nr="d."><al>de hoofdbewoner van de woonwagen in het bezit is van
                                                een bewoningsvergunning als bedoeld in de
                                                Woningwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 onder a en/of b vindt
                                        de verstrekking, indien de technische levensduur van de
                                        woonwagen minder dan vijf jaar is of de standplaats van de
                                        woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking
                                        komt, plaats in de vorm van een financiële tegemoetkoming of
                                        PGB.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Voorziening voor verhuizing en inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening genoemd in artikel 4.1
                                        onderdeel a verlenen aan een ondersteuningsbehoevende.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1.2 lid 1 onderdeel a en artikel
                                        4.2 lid 1, kan het college een voorziening genoemd in
                                        artikel 4.1 onderdeel a verlenen aan een persoon, die op
                                        verzoek van de gemeente, ten behoeve van een
                                        ondersteuningsbehoevende de woning heeft ontruimd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde voorziening wordt slechts
                                        verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ondersteuningsbehoevende verhuist naar een naar
                                                het oordeel van het college geschikte woning;
                                                hieronder wordt verstaan een woning waarin de
                                                ondersteuningsbehoevende geen beperkingen
                                                ondervindt, of die met inzet van beperkte middelen,
                                                geschikt te maken is;</al></li><li nr="b."><al>de ondersteuningsbehoevende verhuist vanuit een
                                                zelfstandige woonruimte;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>in de te verlaten woonruimte belemmeringen zijn
                                                ondervonden, tenzij het een verhuizing naar een
                                                ADL-woning betreft;</al></li><li nr="d."><al>de ondersteuningsbehoevende niet is verhuisd op een
                                                moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of
                                                woonsituatie de verhuizing ook zonder handicap
                                                algemeen gebruikelijk geacht zou zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12 Voorziening voor tijdelijke huisvesting</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening genoemd in artikel 4.1
                                        onderdeel e verlenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een ondersteuningsbehoevende in verband met
                                                aanpassing van zijn huidige of een nog te betrekken
                                                woning heeft voorzien in noodzakelijke tijdelijke
                                                huisvesting; en</al></li><li nr="b."><al>de kosten voor deze huisvesting noodzakelijk
                                                zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming als genoemd in het eerste lid
                                        wordt verleend uitsluitend voor de periode, dat de aan te
                                        passen woonruimte ten gevolge van het verrichten van de
                                        woningaanpassing niet bewoond kan worden en de
                                        ondersteuningsbehoevende als gevolg daarvan voor dubbele
                                        woonlasten komt te staan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maximale termijn waarvoor het college een financiële
                                        tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting, als
                                        bedoeld in het eerste lid, verleent bedraagt zes
                                        maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Voorziening voor huurderving</titel></kop><al>In afwijking van artikel 1.2 lid 1 onderdeel a en artikel 4.2
                                    lid 1 kan het college, in geval van huur-beëindiging van een
                                    aangepaste woning, die voor meer dan €4.537,00 is aangepast op
                                    grond van de wet, de WVG of de Regeling Geldelijke Steun
                                    Huisvesting Gehandicapten (RGSHG) een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met derving
                                    van huurinkomsten voor de duur van maximaal zes maanden, waarbij
                                    de eerste maand huurderving niet voor een financiële
                                    tegemoetkoming in aanmerking komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14 </nr><titel>Kosten in verband met onderhoud en reparatie</titel></kop><al>Het college verleent slechts een voorziening als bedoeld in
                                    artikel 4.1 onder d indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening in het kader van de wet, de WVG dan
                                            wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting
                                            Gehandicapten (RGSHG) is verleend;</al></li><li nr="b."><al/><al>het onderhoud of de reparatie in ieder geval betrekking
                                            heeft op:</al><lijst><li nr="-"><al>stoelliften;</al></li><li nr="-"><al>rolstoel- of sta-plateauliften;</al></li><li nr="-"><al>woonhuisliften;</al></li><li nr="-"><al>hefplateauliften;</al></li><li nr="-"><al>balansliften;</al></li><li nr="-"><al>de mechanische inrichting voor het verstellen
                                                  van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of
                                                  wastafel;</al></li><li nr="-"><al>elektromechanische openings- en
                                                  sluitingsmechanisme van deuren;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de ondersteuningsbehoevende ten tijde van het onderhoud
                                            of de reparatie de woonruimte als hoofdverblijf
                                            bewoont.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>- PGB</titel><subtitel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15 Hoogte bruto PGB</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bruto PGB wordt zo bepaald dat de aanvrager daarmee een
                                        voorziening kan inkopen die gelijkwaardig is aan een
                                        voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het netto PGB bedraagt het verschil tussen het bruto PGB en
                                        de eigen bijdrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16 Verplichtingen</nr><label/></kop><al>Bij de verlening van een PGB worden de aanvrager de volgende
                                    verplichtingen opgelegd:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager gebruikt het PGB uitsluitend voor betaling
                                            van een woonvoorziening en de daarmee noodzakelijk
                                            verbonden kosten;</al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening die de aanvrager inkoopt, is een
                                            adequate voorziening en is kwalitatief verantwoord;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager deelt het college op diens verzoek of
                                            onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                                            omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                            moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de
                                            verlening van het PGB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.17 Beschikking</nr></kop><al/><al>De beschikking tot verlening van een PGB bevat ten minste de
                                    volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het bruto PGB;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de eigen bijdrage is berekend;</al></li><li nr="c."><al>het netto PGB en de wijze waarop dit budget is
                                            berekend;</al></li><li nr="d."><al>de verplichtingen van de aanvrager;</al></li><li nr="e."><al>de eisen waaraan de voorziening moet voldoen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.18</nr><titel>Vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen zes weken na afloop van het kalenderjaar waarin het
                                        PGB is verleend wordt het netto PGB, nadat is onderzocht of
                                        de aanvrager het PGB uitsluitend voor betaling van een
                                        woonvoorziening en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten
                                        heeft gebruikt, vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4:46 Awb is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vordert onverschuldigd betaalde bedragen van de
                                        aanvrager terug of verrekent deze met door hem aan de
                                        aanvrager terzake van PGB’s verschuldigde bedragen.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Rolstoelvoorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1 Typen rolstoelvoorziening</nr></kop><al>De door het college te verlenen rolstoelvoorziening kan bestaan
                                    uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor
                                            verplaatsing binnen en buiten de woonruimte, dan wel een
                                            aanpassing daaraan;</al></li><li nr="b."><al>accessoires;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud, gebruik en reparatie;</al></li><li nr="d."><al>een sportrolstoel;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2 Kring rechthebbenden</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel a en
                                        onderdeel b kunnen worden verleend aan een
                                        ondersteuningsbehoevende wiens beperking of probleem
                                        dagelijks zittend of liggend verplaat-sen in en om de woning
                                        noodzakelijk maakt en wanneer voorzieningen op grond van een
                                        andere wettelijke regeling een onvoldoende oplossing
                                        bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening genoemd in artikel 5.1 onderdeel d kan ter
                                        recreatieve sportbeoefening worden verleend aan een persoon
                                        die zonder sportrolstoel niet in staat is tot
                                        sportbeoefening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Vorm rolstoelvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel a, b en c
                                        worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van
                                        de wet, in natura of in de vorm van een PGB verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 5.1 onderdeel d wordt in
                                        de vorm van een financiële tegemoetkoming verleend, waarmee
                                        voor een periode van vijf jaar een sportrolstoel aangeschaft
                                        en onderhouden kan worden. Bij gebleken noodzaak kan sprake
                                        van eerdere vervanging zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4 Beperkingen</nr><label/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzieningen, genoemd in artikel 5.1, worden niet
                                        verleend indien de ondersteunings-behoevende verblijft in
                                        een AWBZ-instelling en recht heeft op verstrekking van een
                                        rolstoel ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
                                        Ziektekosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een rolstoelvoorziening wordt niet verleend, indien de
                                        noodzaak van de rolstoelvoorziening het gevolg is van een
                                        verhuizing, waarbij de ondersteuningsbehoevende niet
                                        verhuist naar de voor hem op dat moment beschikbare meest
                                        geschikte woning, tenzij het college schriftelijk
                                        toestemming heeft verleend voor de verhuizing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2 - PGB</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5 Hoogte bruto PGB</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bruto PGB wordt zo vastgesteld dat de aanvrager daarmee
                                        een voorziening kan inkopen die gelijkwaardig is aan een
                                        voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het netto PGB bedraagt het verschil tussen het bruto PGB en
                                        de eigen bijdrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6 Verplichtingen</nr></kop><al>Bij de verlening van een PGB worden de aanvrager de volgende
                                    verplichtingen opgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager gebruikt het PGB uitsluitend voor betaling
                                            van een rolstoelvoorziening en de daarmee noodzakelijk
                                            verbonden kosten;</al></li><li nr="b."><al>de rolstoelvoorziening die de aanvrager inkoopt, is een
                                            adequate voorziening en is walitatief verantwoord;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager deelt het college op diens verzoek of
                                            onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                                            omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                            moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de
                                            verlening van het PGB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel> Beschikking</titel></kop><al>De beschikking tot verlening van een PGB bevat ten minste de
                                    volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het bruto PGB;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de eigen bijdrage is berekend;</al></li><li nr="c."><al>de verplichtingen van de aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>de eisen waaraan de voorziening moet voldoen.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8 Vaststelling</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen zes weken na afloop van het kalenderjaar waarin het
                                        PGB is verleend wordt het netto PGB, nadat is onderzocht of
                                        de aanvrager het PGB uitsluitend voor betaling van een
                                        rolstoelvoorziening en de daarmee noodzakelijk verbonden
                                        kosten heeft gebruikt, vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4:46 Awb is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vordert onverschuldigd betaalde bedragen van de
                                        aanvrager terug of verrekent deze met door hem aan de
                                        aanvrager terzake van PGB’s verschuldigde bedragen.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6 Vervoersvoorzieningen</nr></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1 Algemeen</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1 Typen vervoersvoorziening</nr></kop><al>De door het college te verstrekken vervoersvoorziening kan
                                    bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectief systeem van aanvullend al dan niet
                                            openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>een al dan niet aangepaste bruikleenauto;</al></li><li nr="c."><al>een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;</al></li><li nr="d."><al>een open elektrische buitenwagen;</al></li><li nr="e."><al>aanpassing van een eigen auto;</al></li><li nr="f."><al>gebruik van een bruikleenauto;</al></li><li nr="g."><al>gebruik van een taxi of een eigen auto;</al></li><li nr="h."><al>gebruik van een rolstoeltaxi; </al></li><li nr="i."><al>gebruik van een elektrische buitenwagen;</al></li><li nr="j."><al>een ander vervoermiddel dan de vervoermiddelen genoemd
                                            in de onderdelen b, c en d;</al></li><li nr="k."><al>gebruik van een ander vervoermiddel dan de
                                            vervoermiddelen genoemd in de onderdelen b, c en d.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2 Kring rechthebbenden</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 6.1 kunnen worden
                                        verleend aan een ondersteuningsbehoevende die door zijn
                                        beperking of probleem niet in staat is om in zijn directe
                                        woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten
                                        te onderhouden en deel te nemen aan het leven van
                                        alledag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 6.1 kunnen, in afwijking
                                        van lid 1 en artikel 1.2 lid 1 onderdeel a, worden verleend
                                        aan een ondersteuningsbehoevende die bij gebreke van de
                                        mogelijkheid om bezoeken buiten de directe woon- en
                                        leefomgeving af te leggen in een staat van sociaal isolement
                                        of vervreemding geraakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3 Vorm van vervoersvoorziening</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel a wordt, met
                                        inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van de wet, in
                                        natura verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 6.1 onderdeel b, c, d en
                                        j worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van
                                        de wet, in natura of in de vorm van een PGB verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 6.1 onderdeel e, f, g,
                                        h, i en k worden in de vorm van een financiële
                                        tegemoetkoming verleend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2 - Het recht op een vervoersvoorziening</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4 Het primaat van collectief vervoer en het recht op een
                                        vervoersvoorziening</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ondersteuningsbehoevende kan eerst dan voor een
                                        voorziening genoemd in artikel 6.1 in aanmerking worden
                                        gebracht, wanneer hij niet in staat is het openbaar vervoer
                                        te bereiken of te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlening van de voorziening genoemd in artikel 6.1
                                        onderdeel a, zonodig in combinatie met andere in artikel 6.1
                                        genoemde voorzieningen, heeft het primaat en voorrang indien
                                        deze voorziening of deze combinatie de goedkoopste adequate
                                        oplossing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ondersteuningsbehoevende kan eerst dan voor een
                                        voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel d in aanmerking
                                        worden gebracht indien hij maximaal honderd meter kan lopen
                                        en hij niet in staat is gebruik te maken van een al dan niet
                                        speciaal uitgevoerde fiets.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de verlening van de voorzieningen genoemd in artikel 6.1
                                        onderdelen b tot en met j kan rekening worden gehouden
                                        met:</al><lijst><li nr="a."><al>de individuele vervoersbehoefte van de
                                                ondersteuningsbehoevende;</al></li><li nr="b."><al>de mate waarin de voorziening genoemd in artikel 6.1
                                                onderdeel a in de individuele vervoersbehoefte kan
                                                voorzien; en</al></li><li nr="c."><al>de mate waarin de vervoersbehoeften van echtgenoten
                                                / samenwonenden samenvallen.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het inkomen als bedoeld in artikel 1.1 onder m hoger
                                        is dan 1,5 maal het norminkomen, wordt geen
                                        vervoersvoorziening verleend als bedoeld in artikel 6.1.
                                    </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor kinderen van 0 tot 12 jaar en van 12 tot 18 jaar wordt
                                        de hoogte van de financiële tegemoetkoming of het pgb
                                        bepaald op respectievelijk 25% en 50% van de hoogte van de
                                        financiële tegemoetkoming als genoemd in het financieel
                                        besluit. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3 - PGB</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5 Hoogte bruto PGB</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de verlening van de voorzieningen genoemd in artikel 6.1
                                        onderdeel b, c, d en j in de vorm van een PGB wordt het
                                        bruto PGB zo vastgesteld dat de aanvrager daarmee een
                                        voorziening kan inkopen die gelijkwaardig is aan een
                                        voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het netto PGB bedraagt het verschil tussen het bruto PGB en
                                        de eigen bijdrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6 Verplichtingen</nr></kop><al>Bij de verlening van de voorzieningen genoemd in artikel 6.1
                                    onderdeel b, c, d en j in de vorm van een PGB worden de
                                    aanvrager bij de verlening van het PGB de volgende
                                    verplichtingen opgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager gebruikt het PGB uitsluitend voor betaling
                                            van een vervoersvoorziening en de daarmee noodzakelijk
                                            verbonden kosten;</al></li><li nr="b."><al>de vervoersvoorziening die de aanvrager inkoopt, is een
                                            adequate voorziening en is kwalitatief verantwoord;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager deelt het college op diens verzoek of
                                            onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                                            omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                            moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de
                                            verlening van het PGB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.7 Beschikking</nr><label/></kop><al>De beschikking tot verlening van een voorziening genoemd in
                                    artikel 6.1 onderdeel b, c, d en j in de vorm van een PGB bevat
                                    ten minste de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het bruto PGB;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de eigen bijdrage is berekend;</al></li><li nr="c."><al>de verplichtingen van de aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>de eisen waaraan de voorziening moet voldoen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.8 Vaststelling</nr><label/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na afloop van ieder kalenderjaar wordt het PGB voor het
                                        desbetreffende kalenderjaar vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de budgetperiode met ingang van een andere dag dan 1
                                        januari van een kalenderjaar eindigt, wordt, in afwijking
                                        van lid 1, het PGB voor de periode gelegen tussen 1 januari
                                        van het kalenderjaar waarin het PGB afloopt en de dag waarop
                                        de budgetperiode afloopt, vastgesteld na afloop van de
                                        budgetperiode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een bij het college ingediend verantwoordingsformulier over
                                        het laatste kwartaal in het kalenderjaar of, indien lid 2
                                        van toepassing is, in de budgetperiode, dient als aanvraag
                                        tot vaststelling van het PGB.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het netto PGB binnen zes weken na de
                                        aanvraag tot vaststelling van het PGB vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 4:46 Awb is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college vordert onverschuldigd betaalde bedragen van de
                                        aanvrager terug of verrekent deze met door hem aan de
                                        aanvrager terzake van PGB’s verschuldigde bedragen.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling 2 - Procedures</label></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van een voorziening</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1 Aanvraagprocedure</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Een aanvraag voor een voorziening dient te worden ingediend
                                    door middel van een door het college beschikbaar gesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvrager dient desgevraagd een identiteitsbewijs van de
                                    ondersteuningsbehoevende te overleggen als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van deWet op de
                                    identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2 Loket</label></kop><lid><lidnr/><al>De aanvraag moet worden ingediend bij de vestigingen van het
                                    Loket WegWijs.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3 Samenhangende afstemming</label></kop><lid><lidnr/><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af
                                    te stemmen op de situatie van de ondersteuningsbehoevende of
                                    mantelzorger laat het college onderzoek verrichten naar de
                                    situatie van de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk 8 Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het college</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1 Inlichtingen, onderzoek, advies</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                    voor de beoordeling van het recht op een voorziening, de
                                    ondersteuningsbehoevende:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                            ondervragen; </al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                                            door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                            ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt een daartoe door hem aangewezen
                                    adviesinstantie in voorkomende gevallen om advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager of ondersteuningsbehoevende is verplicht aan het
                                    college of de door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens
                                    te (doen) verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling
                                    van het recht op een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in dit artikel wordt gebruik
                                    gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International
                                    Classification of Funtions, Disabilities and Impairments, de
                                    zogenaamde ICF classificatie. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de gemeentelijke verordening ‘behandeling bezwaarschriften en
                                    klachten’ zijn nadere criteria vastgelegd met betrekking tot
                                    het, waar noodzakelijk, nader inwinnen van adviezen (waaronder
                                    second-opinion). Bij de uitvoering van de Wmo zal conform deze
                                    verordening worden gehandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2 Alleenrecht indicatiestelling</label></kop><lid><lidnr/><al>Indien het college gebruikt maakt van de bevoegdheid als genoemd
                                    in artikel 8.1 lid 2, dan wordt uitsluitend advies gevraagd aan
                                    het Centrum indicatiestelling zorg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3 Wijzigingen in de situatie </label></kop><lid><lidnr/><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                    verleend, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                    feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                    voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.4 Heronderzoek</label></kop><lid><lidnr/><al>Het college is bevoegd regelmatig een heronderzoek te verrichten
                                    naar de voor de voortzetting van het recht op een voorziening
                                    van belang zijnde gegevens. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.5 Intrekking en beëindiging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college trekt een besluit genomen op grond van deze
                                    verordening geheel of gedeeltelijk in, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of
                                            verplichtingen gesteld bij of krachtens de wet;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                            gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                            gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                            genomen, terwijl de belanghebbende wist of
                                            redelijkerwijs had kunnen weten dat bedoelde gegevens
                                            onjuist waren.</al></li><li nr="c."><al>Met ingang van de dag vanaf welke de rechthebbende heeft
                                            aangegeven geen prijs meer te stellen op de
                                            voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd de gronden voor intrekking genoemd in het eerste
                                    lid, wordt de beschikking tot verlening van een PGB ingetrokken
                                    of gewijzigd met ingang van de dag vanaf welke de budgethouder
                                    schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het
                                    budget.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overlijden van de budgethouder eindigt het PGB op de dag
                                    gelegen na de dag waarop de budgethouder overlijdt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beschikking tot verlening van een PGB kan worden ingetrokken
                                    of gewijzigd met ingang van de dag waarop de aanvrager de in
                                    artikel 3.8 genoemde verplichtingen niet nakomt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij overlijden van de rechthebbende eindigt de periodieke
                                    financiële tegemoetkoming op de eerste dag van de maand volgend
                                    op de maand waarin de rechthebbende is overleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.6 Terugvordering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college vordert de op grond van deze verordening verleende
                                    voorziening van de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger in
                                    ieder geval terug indien zij het besluit, waarbij deze
                                    voorziening is toegekend, met toepassing van artikel 8.5 hebben
                                    ingetrokken en voor zover na de datum van het besluit tot
                                    toekenning van de voorziening nog geen vijf jaren zijn
                                    verstreken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle ingevolge deze verordening terug te vorderen bedragen
                                    worden verhoogd met de wettelijke rente.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling 3 - Slot</label></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                    ondersteuningsbehoevende, mantel-zorger of de woningeigenaar
                                    afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is
                                    bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden
                                    van overwegende aard leidt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voorafgaande aan toepassing van het eerste lid kan het college
                                    advies vragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</label></kop><al>In gevallen, de uitvoering van de Wmo betreffende, waarin deze
                                verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.3 Indexering</label></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de bij of krachtens deze
                                verordening geldende bedragen verhogen of verlagen conform de
                                prijsontwikkeling op basis van de consumentenprijsindex alle
                                huishoudens van het Centraal bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.4 Beleidsregels</label></kop><al>Het college kan in een verstrekkingenboek nadere regels vaststellen.
                                Het verstrekkingenboek bevat de beleidsregels over de uitvoering en
                                toepassing van deze verordening en het Financieel Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.5 Wetswijzigingen</label></kop><al>In geval van wetswijzigingen die gevolgen hebben voor de verordening
                                is het college bevoegd beschikkingen te nemen conform de
                                wetswijziging, vooruitlopend op de formele wijziging van de
                                verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.6 Periodieke evaluatie gemeentelijk beleid en bijstelling verordening</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het gevoerde beleid wordt, samen met de Adviesraad Wmo,
                                    jaarlijks geëvalueerd. Indien deze evaluatie daar aanleiding toe
                                    geeft, wordt de verordening aangepast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college zendt na afloop van iedere evaluatie een verslag
                                    aan de gemeenteraad over de doeltreffendheid en de effectiviteit
                                    van de verordening in de praktijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.7 Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2008.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.8 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘verordening individuele
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Sint-Michielsgestel’.
                            </al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel in zijn
                        openbare vergadering van 28 september 2006.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, N.A. Hoogerbrug-van de Ven (wnd)</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, mr. J.C.M. Pommer</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Nota-toelichting</titel></kop><al/><lijst><li nr=""><al><vet>Afdeling I - Algemeen</vet></al></li><li nr=""><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsbepalingen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 lid 1 onderdeel g: rolstoelvoorziening </vet></al><al>De zinsnede “waarvan het rijden de primaire functie is”dient ertoe dat een
                    traplift of een verrijdbare lift voor overheveling naar bed niet als
                    rolstoelvoorziening wordt aangemerkt.</al><al/><al><vet>Artikel 1.1 lid 1 onderdeel h: woonvoorziening </vet></al><al>Onder het normale gebruik van de woning worden de normale (elementaire)
                    woonfuncties verstaan zoals slapen, eten en lichaamsreiniging. Het gebruiken van
                    een hobby-, werk- of recreatieruimte valt er niet onder.</al><al/><al><vet>Artikel 1.1 lid 1 onderdeel j: algemeen gebruikelijk </vet></al><al>Met “personen als de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger” worden personen
                    zonder beperking of probleem of niet-mantelzorgers bedoeld die in een met de
                    situatie van de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger vergelijkbare situatie
                    verkeren (bijvoorbeeld wat betreft inkomen, leeftijd, etc.).</al><al>Het college weigert de voorziening voor zover in de voorziening een algemeen
                    gebruikelijke component geacht kan worden te zijn begrepen (artikel 1.2 lid 2
                    onderdeel c). In zoverre is de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger in staat
                    zelf in de voorziening te voorzien. Zo wordt bijvoorbeeld geen normale fiets
                    verleend, omdat een fiets voor iedere Nederlander gangbaar bezit is. En zo wordt
                    ook een driewielfiets in natura of in de vorm van een PGB niet verleend
                    voorzover in de driewielfiets een normale fiets geacht kan worden te zijn
                    inbegrepen. Pas nadat de driewielfiets in zoverre is geweigerd (lees: nadat is
                    bepaald in hoeverre de kosten van de driewielfiets voor rekening van de
                    aanvrager komen), komt artikel 2.5 (de eigen bijdrage ter hoogte van de kosten
                    van een gangbare fiets) aan de orde.</al><al/><al><vet>Artikel 1.1 lid 1 onderdeel n: norminkomen </vet></al><al>Deze definitie komt uit de - inmiddels vervallen - Regeling inzake financiële
                    tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg.</al><al/><al><vet>Artikel 1.1 lid 1 onderdeel s: woonplaats </vet></al><al>De woonplaats van de belanghebbende wordt vastgesteld op grond van de artikelen
                    10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen
                    volgt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich in zijn woonstede
                    bevindt, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
                    Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil
                    blijkt om haar prijs te geven. Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn
                    woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op wettelijk voorgeschreven
                    wijze aan de betrokken gemeentebesturen heeft kennis gegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 1.1 lid 1 onderdeel w: woonwagen </vet></al><al>De begripsomschrijving komt uit de Huisvestingswet.</al><al/><al><vet>Artikel 1.1 lid 1 onderdeel x: standplaats </vet></al><al>De begripsomschrijving komt uit de Huisvestingswet.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 Beperkingen en weigeringsgronden </vet></al><al>Artikel 1.2 lid 1 onderdeel a sub 3: zich verplaatsen in en om de woning </al><al>Het in staat stellen zich in aanvaardbare mate te verplaatsen in en om de woning
                    kan worden bereikt door de verlening van hetzij een rolstoelvoorziening, hetzij
                    een woonvoorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 lid 1 onderdeel b: langdurig noodzakelijk </vet></al><al>Als algemene stelregel kan gelden dat voorzieningen die langer dan zes maanden
                    nodig zijn als langdurig noodzakelijk moeten worden aangemerkt en dus voor
                    verlening op grond van deze verordening in aanmerking komen. </al><al/><al><vet>Artikel 1.2 lid 1 onderdeel c: goedkoopste adequate voorziening </vet></al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verleend, dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 lid 2 onderdeel a: voorwaarden of verplichtingen gesteld bij of
                        krachtens de wet </vet></al><al>De voorwaarden of verplichtingen gesteld in deze verordening vallen hier ook
                    onder.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 lid 2 onderdeel b: </vet></al><al>Bij artikel 1.2 lid 2 onderdeel b wordt aangegeven dat voorzieningen niet worden
                    verleend indien er een andere wettelijke regeling bestaat, op grond waarvan men
                    aanspraak kan maken op de aangevraagde voorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 lid 2 onderdeel c: algemeen gebruikelijke component </vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 1.1 lid 1 onderdeel j.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 lid 2 onderdeel e: redelijkerwijs te vergen medewerking
                    </vet></al><al>Voor de beantwoording van de vraag wat moet worden verstaan onder redelijkerwijs
                    te vergen medewerking kan het college aansluiting vinden bij het Protocol
                    gebruikelijke zorg. Mantelzorg is geen redelijkerwijs te vergen
                    medewerking.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 lid 2 onderdeel f: financiering </vet></al><al>Indien er geen duidelijkheid bestaat over de wijze van financiering van het niet
                    door de voorziening gedekte deel van de kosten staat het niet vast dat de
                    voorziening daadwerkelijk getroffen kan worden. Het mag duidelijk zijn dat er in
                    dat geval geen voorziening wordt verleend. Dit artikelonderdeel is vooral van
                    belang voor woonvoorzieningen.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 lid 2 onderdeel g: kosten gemaakt voor datum besluit
                    </vet></al><al>In dit artikel is bepaald dat het college een voorziening weigert indien de
                    aanvraag een financiële tegemoetkoming in, of een PGB voor kosten betreft die de
                    ondersteuningsbehoevende of mantelzorger voor de datum van het besluit naar
                    aanleiding van die aanvraag heeft gemaakt, tenzij het college schriftelijk
                    toestemming heeft verleend voor het maken van de kosten. De reden hiervoor is
                    dat het college in zo’n geval geen mogelijkheden meer heeft de noodzaak van de
                    voorziening vast te stellen noch invloed heeft op de te verlenen soort
                    voorziening. Zo zullen de verbouwingswerkzaamheden niet eerder mogen worden
                    aangevangen dan het moment waarop het college een beslissing over een aanvraag
                    voor een woningaanpassing heeft genomen. </al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als de
                    goedkoopste adequate voorziening beschouwt. Het college kan immers ook factoren
                    mee laten wegen die buiten de woonruimte van de ondersteuningsbehoevende gelegen
                    zijn, zoals een beschikbare aangepaste woning elders, waardoor een
                    woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. Artikel 4.6 onderdeel f is een
                    speciale bepaling ten opzichte van het bepaalde in artikel 1.2 lid 2 onderdeel
                    g.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 – Vorm van de voorziening</vet></al><al><vet>Artikel 2.5 </vet></al><al>In dit artikel is aangegeven bij welke voorzieningen, die in natura of in de
                    vorm van een PGB worden verleend, de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger
                    een eigen bijdrage is verschuldigd. </al><al/><al><vet>Artikel 2.6 </vet></al><al>In dit artikel is aangegeven bij welke voorzieningen, die als financiële
                    tegemoetkoming worden verleend, de ondersteuningsbehoevende een eigen aandeel is
                    verschuldigd.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7 </vet></al><al>Dit artikel geeft het college de opdracht de hoogte van diverse financiële
                    tegemoetkomingen en het bedrag dat per uur aan PGB wordt verleend voor een
                    huishoudelijke voorziening vast te leggen in het Financieel Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning. Dat de vaststelling is opgedragen aan het
                    college burgemeester en wethouders heeft als voordeel dat snel en adequaat
                    gereageerd kan worden op ontwikkelingen met betrekking tot prijzen en
                    tarieven.</al><al/><al/><lijst><li nr=""><al><vet>Hoofdstuk 3 - Huishoudelijke voorzieningen</vet></al></li><li nr=""><al><vet>Paragraaf 1 - Algemeen</vet></al></li></lijst><al><vet>Artikel 3.2 Vorm huishoudelijke voorziening</vet></al><al>De zinsnede “met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van de wet” ziet
                    zowel op vrijheid die de aanvrager heeft om te kiezen voor een voorziening in
                    natura dan wel een PGB, als op het vervallen van deze keuzevrijheid indien er
                    sprake is van overwegende bezwaren in de zin van artikel 6 van de wet.</al><al/><al><vet>Artikel 3.4 Geen langdurige noodzaak</vet></al><al>In artikel 1.2 lid 1 onderdeel b is geregeld dat een voorziening alleen wordt
                    toegekend indien sprake is van een langdurige noodzaak. Artikel 3.4 geeft het
                    college, in afwijking van artikel 1.2 lid onderdeel b, de bevoegdheid om een
                    huishoudelijke voorziening indien er geen langdurige noodzaak is. Hierbij valt
                    de denken aan de situatie dat voor een afzienbare tijd een huishoudelijke
                    voorziening nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname
                    en het staan op een wachtlijst voor een AWBZ-instelling.</al><al/><al><vet>Artikel 3.5 Beperkingen</vet></al><al>Dit artikel noemt een aantal situaties waarin geen huishoudelijke voorziening
                    wordt toegekend. Onderdeel a bepaalt dat geen huishoudelijke voorziening wordt
                    verleend voor zover de voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het
                    uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. Het uitrustingsniveau voor sociale
                    woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2003. Indien een huishoudelijke
                    voorziening gedeeltelijk of geheel bedoeld vanwege het feit dat de
                    ondersteuningsbehoevende of mantelzorger in een veel grotere ofmeer luxe woning
                    woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens aan.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 - PGB</vet></al><al><vet>Artikel 3.6 Periode en voorschot</vet></al><al>Dit artikel regelt de periode waarvoor het PGB wordt verleend, de budgetperiode.
                    Deze periode start op de dag waarop de aanvrager op een huishoudelijke
                    voorziening is aangewezen, maar niet eerder dan de dag waarop de aanvraag is
                    ingediend, en loopt tot de dag die door het college, als orgaan dat met de
                    uitvoering van de Wmo is belast, wordt bepaald. In beginsel loopt deze periode
                    tot het einde van het kalenderjaar, maar kan ook over het kalenderjaar heen
                    doorlopen en lopen tot het einde van bijvoorbeeld het volgende
                    kalenderjaar.</al><al>Het college dient een verleend PGB ambtshalve aan de aanvrager te
                    bevoorschotten. In artikel 3.8.c is geregeld dat de aanvrager binnen zes weken
                    na het einde van ieder kwartaal aan het college verantwoording aflegt over het
                    gebruik van de in dat kwartaal verleende voorschotten. </al><al>Het college gaat, op basis van die verantwoording, na of de voorschotten zijn
                    gebruikt voor de ondersteuning bij of overname van activiteiten waarvoor het PGB
                    is verleend. Indien dit niet het geval is, zendt het college de aanvrager binnen
                    zes weken na ontvangst van het verantwoordingsformulier een mededeling, waarin
                    het aangeeft van mening te zijn dat de verantwoorde betalingen niet voor een PGB
                    in aanmerking komen. Deze mededeling is geen beschikking in de zin van de Awb.
                    Dit betekent dat de budgetverlening en de voorschotvaststelling ongewijzigd
                    blijven. </al><al>De aanvrager kan ervoor kiezen in het restant van de budgetperiode een bedrag
                    ter grootte van het verkeerd bestede bedrag alsnog wèl aan ondersteuning bij of
                    overname van activiteiten waarvoor het PGB is verleend, te besteden, in welk
                    geval het bedrag kan meetellen voor de uiteindelijke vaststelling van het PGB.
                    Uiteraard krijgt de aanvrager geen nieuw voorschot voor het verkeerd bestede
                    bedrag. Het verzenden van de mededeling sluit niet uit dat het college daarnaast
                    kan besluiten de budgetverlening in te trekken omdat niet voldaan is aan de
                    verplichtingen. Dit laatste geschiedt uiteraard wèl bij beschikking. Het ligt
                    voor de hand dat het college hier in ieder geval gebruik van maakt indien het de
                    indruk heeft dat het voorschot bewust verkeerd is besteed. Doorgaan met
                    voorschotverstrekking om het uiteindelijke PGB na de vaststelling alsnog te
                    korten of op nul vast te stellen, vergroot immers het risico op oninbare
                    (terug)vorderingen. </al><al>Het tussentijds wijzigen of intrekken van de verleningsbeschikking, leidt
                    automatisch tot nihilstelling of verlaging van de voorschotten (de wijziging of
                    intrekking van de voorschotbeschikking zal uit een oogpunt van doelmatige
                    uitvoering gelijktijdig met de wijziging of intrekking van de
                    verleningsbeschikking dienen te geschieden). </al><al>Aanvragers die het voorschot te goeder trouw verkeerd hebben besteed, krijgen
                    door middel van de waarschuwing het signaal, dat zij hun PGB anders zullen
                    moeten besteden.</al><al/><al><vet>Artikel 3.7 Hoogte bruto PGB</vet></al><al>Dit artikel regelt de omvang van het aan de aanvrager te verlenen budget. In de
                    praktijk wordt bezien gedurende hoeveel uren per week de huishoudelijke
                    voorziening benodigd is. Vervolgens wordt het aantal weken in de budgetperiode
                    berekend. Het netto aan de aanvrager te verlenen PGB is gelijk aan het bruto
                    PGB, verminderd met de eigen bijdrage.</al><al/><al><vet>Artikel 3.8 Verplichtingen</vet></al><al>Dit artikel bevat een opsomming van de verplichtingen die het college de
                    aanvrager bij de verlening van het PGB dient op te leggen. Allereerst betreft
                    dit de verplichting om het PGB niet anders te besteden, dan voor betaling van
                    ondersteuning bij of overname van activiteiten en de daarmee noodzakelijk
                    verbonden kosten (onderdeel a). Bij met de betaling van een huishoudelijke
                    voorziening noodzakelijk verbonden kosten dient onder meer te worden gedacht aan
                    secundaire arbeidsvoorwaarden van de verlener van huishoudelijke hulp (tot het
                    bij cao overeengekomen niveau) voor het geval de budgethouder werkgever is.</al><al>De budgethouder-werkgever doet er verstandig aan zich te verzekeren tegen de
                    risico's van het doorbetalen van het loon van de verlener van huishoudelijke
                    hulp bij ziekte, en tegen het risico van een hoge WAO-premie bij
                    arbeidsongeschiktheid. De werkgever-budgethouder zal zijn administratie
                    kosteloos kunnen uitbesteden aan een facilitaire organisatie. Deze organisatie
                    zal ook - voor de budgethouder kosteloze - verzekeringen tegen eerdergenoemde
                    risico's aanbieden. Een budgethouder die hier geen gebruik van wenst te maken,
                    zal de risico's zelf moeten dekken. De premies voor dergelijke verzekeringen
                    zijn derhalve niet te zien als met de betaling van de voorziening noodzakelijk
                    verbonden kosten. Indien de budgethouder voor het vinden van een hulpaanbieder
                    een derde heeft ingeschakeld en hij die derde voor de bemiddeling betaalt,
                    kunnen onder “noodzakelijk met de</al><al> betaling van de huishoudelijke voorziening verbonden kosten” ook deze
                    bemiddelingskosten worden geschaard.</al><al>Onderdeel b schrijft voor dat de huishoudelijke voorziening die de aanvrager
                    inkoopt, een adequate voorziening en kwalitatief verantwoord moet zijn.
                    Kwalitatief verantwoord is hulp die voldoet aan de daartoe strekkende normen van
                    de diverse hulpverlenende beroepsgroepen.</al><al>Onderdeel c ten slotte, verplicht het college de aanvrager de verplichting op te
                    leggen om het college desgevraagd of uit eigen beweging alles - waaronder
                    wijziging in zijn omstandigheden - mee te delen dat van belang kan zijn voor de
                    verlening of vaststelling van het PGB. Uiteraard gaat het hierbij mede om
                    hetgeen van belang is voor de hoogte van het PGB, of voor de duur van de
                    budgetperiode. Het niet of niet volledig nakomen van de bij de PGB-verlening
                    opgelegde verplichtingen kan leiden tot wijziging of intrekking van de
                    verleningsbeschikking (artikel 8.4) en daarmee ook van de beschikking tot
                    voorschotverlening, alsmede tot vaststelling van het definitieve PGB (na afloop
                    van de budgetperiode) op een lager bedrag dan het bedrag waarvoor het PGB was
                    verleend waarna terugvordering van het teveel bevoorschotte bedrag dient te
                    volgen.</al><al/><al><vet>Artikel 3.9 Beschikking</vet></al><al>Lid 1 somt op wat ten minste in de verleningsbeschikking dient te staan.</al><al>Het is van belang dat de aanvrager in het nieuwe kalenderjaar de exacte hoogte
                    van het in dat jaar te besteden bedrag verneemt (hier speelt ook de in artikel
                    9.3 neergelegde indexering een rol). Lid 2 bepaalt dat het college hem van dat
                    bedrag op de hoogte brengt.</al><al/><al><vet>Artikel 3.10 Vaststelling</vet></al><al>De beschikking tot verlening van een PGB geeft de aanvrager het recht op een
                    PGB, onder de voorwaarde dat hij zich aan de verplichtingen houdt. Pas de
                    beschikking tot budgetvaststelling geeft de aanvrager een onvoorwaardelijk recht
                    op PGB. De vaststelling van het PGB vindt na ieder kalenderjaar plaats, met dien
                    verstande dat de laatste vaststelling na het einde van de budgetperiode
                    plaatsvindt indien die budgetperiode niet op 31 december eindigt. De
                    vaststelling geschiedt binnen zes weken na de ontvangst van het
                    verantwoordingsformulier over het laatste kwartaal, welk formulier op zijn beurt
                    binnen zes weken na het eind van het laatste kwartaal in een kalenderjaar
                    respectievelijk in de budgetperiode moet zijn ingediend. </al><al>Om de aanvrager niet met onnodig papierwerk te belasten, is in het derde lid
                    geregeld dat de indiening van dit verantwoordingsformulier tevens de aanvraag
                    tot vaststelling van het PGB behelst. Dient de aanvrager geen
                    verantwoordingsformulier over het laatste kwartaal in, dan handelt hij in strijd
                    met zijn verplichtingen (3.8 c).</al><al>Artikel 4:46 lid 1 Awb stelt voorop dat de subsidievaststelling geschiedt
                    overeenkomstig de subsidieverlening. De subsidie kan echter lager worden
                    vastgesteld indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet
                    geheel hebben plaatsgevonden, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan
                    de aan de subsidie verbonden verplichtingen, indien de subsidieontvanger
                    onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
                    of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                    subsidieverlening zou hebben geleid, dan wel indien de subsidieverlening
                    anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten
                    (artikel 4:46 lid 2 Awb). Deze gronden voor verlaging van het verleende bedrag,
                    worden in het vijfde lid van artikel 3.10 van overeenkomstige toepassing
                    verklaard.</al><al>Indien het PGB op een lager bedrag wordt vastgesteld dan waarvoor het is
                    verleend, en op basis waarvan het derhalve is bevoorschot, dient het teveel
                    betaalde van de aanvrager te worden teruggevorderd of te worden verrekend met
                    nog door het college ter zake van PGB's te verstrekken bedragen.</al><al/><lijst><li nr=""><al><vet>Hoofdstuk 4 - Woonvoorzieningen</vet></al></li><li nr=""><al><vet>Paragraaf 1 - Algemeen</vet></al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.1 Typen woonvoorziening</vet></al><al><vet>Artikel 4.1 onderdeel b: voorziening van bouwkundige of woontechnische aard
                    </vet></al><al>Een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard wordt ook wel
                    woningaanpassing genoemd. Onder een voorziening van bouwkundige of
                    woontechnische aard is ook begrepen de uitraasruimte. Een uitraasruimte is een
                    verblijfsruimte waarin een persoon die vanwege een gedragsstoornis</al><al> ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen.</al><al/><al><vet>Artikel 4.1 onderdeel c: voorziening van niet-bouwkundige en
                        niet-woontechnische aard </vet></al><al>Onder een voorziening van niet-bouwkundige en niet-woontechnische aard is
                    bijvoorbeeld begrepen een woningsanering in verband met CARA en/of een allergie,
                    een tillift, een rolstoeltapijt, en een hulp-middel voor baden, wassen en
                    douchen dat niet nagelvast aan de woning is bevestigd.</al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Kring rechthebbenden</vet></al><al>In dit artikel is onder meer bepaald aan wie de woonvoorziening wordt verleend.
                    In artikel 7 lid 2 van de wet is bepaald dat een PGB en een financiële
                    tegemoetkoming voor een bouwkundige of woon-technische ingreep in of aan een
                    woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Indien de
                    ondersteuningsbehoevende de eigenaar van de woning is, wordt een voorziening van
                    bouwkundige of woontechnische aard ingevolge artikel 4.2 lid 1 aan de
                    ondersteuningsbehoevende verleend. Indien de ondersteuningsbehoevende niet de
                    eigenaar van de woning is, wordt een voorziening van bouwkundige of
                    woontechnische aard ingevolge artikel 4.2 lid 2 aan de woning-eigenaar verleend.
                    Aldus wordt recht gedaan aan het bepaalde in artikel 7 lid 2 van de wet.</al><al/><al><vet>Artikel 4.3 Vorm woonvoorziening</vet></al><al>De zinsnede “met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van de wet” ziet
                    zowel op vrijheid die de aanvrager heeft om te kiezen voor een voorziening in
                    natura dan wel een PGB, als op het vervallen van deze keuzevrijheid indien er
                    sprake is van overwegende bezwaren in de zin van artikel 6 van de wet. </al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling</vet></al><al>De termijn van 15 maanden is opgenomen om te voorkomen dat onnodig lang een
                    verplichting tot uitbetaling blijft bestaan. Het college controleert of aan de
                    voorwaarden bij de verlening van de voorziening is voldaan. Het overleggen van
                    een verklaring dient ertoe om te voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk
                    moet worden gecontroleerd. Indien later alsnog zou blijken dat niet aan alle
                    voorwaarden is voldaan kan de verleende voorziening alsnog worden ingetrokken en
                    eventueel worden teruggevorderd.</al><al/><al><vet>Artikel 4.6 Beperkingen</vet></al><al><vet>Artikel 4.6 onderdeel a: aard van de materialen </vet></al><al>Geen woonvoorziening wordt verleend indien de in of aan de woning gebruikte
                    materialen (mede) de oorzaak zijn van de ondervonden beperking, zoals
                    bijvoorbeeld een allergie. Een uitzondering geldt indien er sprake is van niet
                    voorziene, onverwacht optredende meerkosten waarvoor de
                    onder-steuningsbehoevende niet heeft kunnen reserveren, bijvoorbeeld in het
                    geval dat uit een medisch onderzoek plotseling blijkt dat de
                    ondersteuningsbehoevende lijdt aan een ziekte of gebrek (bijvoorbeeld CARA)
                    waardoor hij zijn woning dient te saneren.</al><al>Ook wordt geen woonvoorziening verleend indien de ondervonden beperking het
                    gevolg is van achterstallig onderhoud of vocht en tocht, veroorzaakt door in de
                    woning gelegen factoren. De eigenaar van een woning (al dan niet in de sociale
                    huursector) dient zijn woning deugdelijk te onderhouden. Alleen in die situaties
                    dat de ondersteuningsbehoevende met een inkomen op het sociaal minimum te maken
                    heeft met een woningeigenaar die weigert tot onderhoud/aanpassing (al dan niet
                    gepaard gaande met een huurverhoging) over te gaan, kan een voorziening worden
                    verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 4.6 onderdeel e: verhuizing vanuit een geschikte woning </vet></al><al>Voor alle voorzieningen geldt als uitgangspunt dat deze slechts worden verleend
                    indien ze noodzakelijk zijn. Verhuizing vanuit een voor de
                    ondersteuningsbehoevende geschikte woning kan dus niet leiden tot de verlening
                    van Wmo-voorzieningen. Dit is evenwel anders indien er een belangrijke reden
                    voor de verhuizing bestaat. Onder belangrijke reden kan worden verstaan:
                    verhuizen vanwege de aanvaarding van een werkkring elders, vanwege een
                    echtscheiding, of vanwege het bestaan van een nieuwe duurzame vorm van
                    samenleven.</al><al/><al><vet>Artikel 4.6 onderdeel f: verhuizing voordat het besluit is genomen
                    </vet></al><al>Artikel 4.6 onderdeel f is een speciale bepaling ten opzichte van het bepaalde
                    in artikel 1.2 lid 2 onderdeel g.Pas nadat het college een beschikking voor een
                    verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een ondersteuningsbehoevende
                    hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en het college een
                    afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is, kan de
                    ondersteunings-behoevende tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt
                    tevens voorkomen dat het college achteraf, nadat de ondersteuningsbehoevende
                    reeds is verhuisd, met een claim voor verhuiskosten-vergoeding geconfronteerd
                    wordt. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de
                    onder-steuningsbehoevende snel moet beslissen omdat de woning anders aan een
                    andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze, of andere urgente gevallen, is
                    het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar in alle
                    gevallen dient de ondersteuningsbehoevende voor de verhuizing schriftelijk
                    toestemming van het college te hebben verkregen.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 - Het recht op een woonvoorziening</vet></al><al><vet>Artikel 4.7 Rangorde</vet></al><al><vet>Artikel 4.7 lid 1: primaat van de verhuizing </vet></al><al>Indien aangepaste of goedkoper aanpasbare woningen beschikbaar zijn, wordt uit
                    doelmatigheids-overwegingen de voorkeur gegeven aan verhuizen boven aanpassen
                    van de huidige woning van de ondersteuningsbehoevende. Bij de afweging worden de
                    kosten van een voorziening voor verhuizing en inrichting (eventueel vermeerderd
                    met de kosten van dan nog noodzakelijke voorzieningen) af-gezet tegen de kosten
                    van aanpassing van de huidige woning. Bij die afweging wordt ook rekening
                    gehouden met relevante sociale omstandigheden waarin de ondersteuningsbehoevende
                    zich bevindt. In dit verband valt te denken aan de aanwezigheid van mantelzorg.
                    Wanneer de voorziening voor verhuizing en inrichting, zonodig in combinatie met
                    andere voorzieningen, de goedkoopste adequate oplossing is, heeft een
                    voorziening voor verhuizing en inrichting (eventueel in combinatie met een
                    andere voorziening) voorrang.</al><al>Bezien moet worden of verhuizing mogelijk en zinvol is. Dat wil zeggen dat een
                    geschikte woning beschikbaar is of op korte termijn beschikbaar komt. Onder
                    geschikte woning dient hier begrepen te worden een woning die met betrekkelijk
                    lage investeringen volledig aangepast kan worden. De verlening van
                    verhuiskostenvergoedingen aan een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten
                    behoeve van een ondersteuningsbehoevende de woning ontruimt (artikel 4:11 lid
                    2), vormt een middel om te bereiken dat er een zo groot mogelijke voorraad
                    aangepaste woningen in de gemeente beschikbaar wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 4.7 lid 2: primaat van de losse woonunit </vet></al><al>Wanneer de woning bewoond wordt door een ondersteuningsbehoevende en deze (of,
                    wanneer de ondersteuningsbehoevende niet de woningeigenaar is, de
                    woningeigenaar) niet bereid is de woning wederom te laten bewonen door een
                    ondersteuningsbehoevende, dan gaat bij de verlening van een woonvoorziening van
                    bouwkundige of woontechnische aard de voorkeur uit naar plaatsing van een losse
                    woonunit: deze heeft dan voorrang. Een losse woonunit kan immers worden
                    weggehaald wanneer de ondersteuningsbehoevende de woning niet meer bewoond wordt
                    door de ondersteunings-behoevende, en ten goede komen aan een andere
                    ondersteuningsbehoevende, terwijl een andere woonvoorziening van bouwkundige of
                    woontechnische aard, behoudens de toepassing van artikel 4.5 ‘verloren gaat’. </al><al>Om het mogelijk te maken dat de losse woonunit rechtmatig kan worden weggehaald,
                    is in het artikel bepaald dat de losse woonunit, in afwijking van artikel 4.3
                    lid 1, in natura wordt verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Bezoekbaar maken woning</vet></al><al>In principe kan een voorziening slechts worden toegekend ten behoeve van de
                    woning binnen de gemeente waarin de ondersteuningsbehoevende doorgaans verblijft
                    (artikel 1.2 lid 1 onderdeel d in samenhang met artikel 4.2). </al><al>Ingevolge artikel 4.8 kan een uitzondering worden gemaakt indien de
                    ondersteuningsbehoevende in een AWBZ-instelling binnen of buiten de gemeente
                    verblijft en regelmatig een bepaalde woning binnen de gemeente bezoekt. Het is
                    dan mogelijk voorzieningen van bouwkundige of bouwtechnische aard te verlenen
                    teneinde de ondersteuningsbehoevende in staat te stellen de woonruimte, de
                    woonkamer en een toilet van die woning te bereiken. De te verlenen
                    woonvoorziening beperkt zich slechts tot het</al><al> bezoekbaar maken van die woning omdat de ondersteuningsbehoevende daar slechts
                    geringe tijd verblijft. Uit doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk
                    dat er geen volledige maar een gedeeltelijke aanpassing van de woning
                    plaatsvindt en dat de voorziening aan een maximumbedrag is gebonden. Volgens
                    vaste jurisprudentie van de CRvB kan het college ten aanzien van bezoekbaar
                    maken nooit gedwongen worden meer dan het limitatief opgesomde te verlenen of de
                    hardheidsclausule te gebruiken.</al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Gemeenschappelijke ruimten</vet></al><al>De financiële tegemoetkoming voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten
                    wordt alleen dan verleend indien door het realiseren van deze aanpassing de
                    woning bereikbaar wordt voor de ondersteuningsbehoevende. De gemeenschappelijke
                    ruimten zullen voornamelijk entrees en portieken van woongebouwen betreffen. Het
                    aanpassen van hobby- en recreatieruimten komt niet in aanmerking voor een
                    financiële tegemoetkoming, tenzij uitsluitend via deze ruimte(n) de woning
                    bereikt kan worden.</al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Extra voorwaarden bij bewoning woonwagen</vet></al><al>De woonwagen wordt voor de toepassing van deze verordening als een woning gezien
                    (artikel 1.1 lid 1 onderdeel w). De uitgangspunten en de gevallen waarin
                    voorzieningen aan woonwagens kunnen worden aangebracht zijn in principe gelijk
                    aan die bij andere woningen. Gezien de kenmerken van deze woonruimten is het
                    echter nodig enkele nadere voorwaarden te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 4.11 Voorziening voor verhuizing en inrichting</vet></al><al>Het college kan een voorziening voor verhuizing en inrichting verlenen aan een
                    ondersteunings-behoevende die naar een geschikte (aangepaste) of een goedkoper
                    dan de huidige woning aan te passen woning verhuist (artikel 4.11 lid 3.a).</al><al>De verlening van een voorziening voor verhuizing en inrichting aan een persoon,
                    die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een ondersteuningsbehoevende de
                    woning ontruimt (artikel 4.11 lid 2), vormt een middel om te bereiken dat er een
                    zo groot mogelijke voorraad aangepaste woningen in de gemeente beschikbaar
                    wordt. Te denken valt aan de situatie waarin de band tussen de
                    onder-steuningsbehoevende en de woning is verbroken (bijvoorbeeld door
                    overlijden van de ondersteunings-behoevende): in dit geval kan de achterblijvers
                    - onder aanbieding van een verhuiskostenvergoeding - worden verzocht naar een
                    andere woning te verhuizen.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat wanneer een woning wordt vrijgemaakt, er twee maal
                    een voorziening voor verhuizing en inrichting kan worden verleend: allereerst
                    aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan de ondersteuningsbehoevende
                    die naar de vrijgemaakte woning verhuist. De totaalkosten hiervan zullen een
                    onderdeel uitmaken van de afweging in het kader van artikel 4.7 lid 1: de totale
                    kosten van de twee voorzieningen voor verhuizing en inrichting (eventueel
                    vermeerderd met de kosten van dan nog noodzakelijke voorzieningen) worden
                    afgezet tegen de kosten van aanpassing van de huidige woning.</al><al/><al><vet>Artikel 4.12 Voorziening voor tijdelijke huisvesting</vet></al><al>In die gevallen waarin de ondersteuningsbehoevende tijdens het aanbrengen van de
                    voorzieningen niet in de woning kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk
                    naar een andere woonruimte moet uitwijken, en in die gevallen waarin de
                    ondersteuningsbehoevende tijdens het aanbrengen van de voorzieningen in de
                    nieuwe woning nog in de te verlaten woning moet blijven wonen of tijdelijk naar
                    een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat hij dubbele
                    woonkosten heeft, een vergoeding in de dubbele woonlasten worden verleend. Tot
                    verlening van een voorziening voor tijdelijke huisvesting kan worden overgegaan
                    in die gevallen dat die huisvesting en de kosten daarvan noodzakelijk zijn. Het
                    moet dan ook redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de
                    ondersteunings-behoevende liggen om te voorkomen dat er dubbele woonlasten
                    opgebracht moeten worden.</al><al/><al><vet>Artikel 4.13 Voorziening voor huurderving</vet></al><al>Door de eigenaar van de woning een voorziening voor huurderving te verlenen kan
                    bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor een
                    ondersteuningsbehoevende. Het normale risico van leegstand blijft voor rekening
                    en risico van de eigenaar. Daarom kan het college geen voorziening voor
                    huurderving verlenen over de eerste maand van huurderving.</al><al/><al><vet>Artikel 4.14 Kosten in verband met onderhoud en reparatie </vet></al><al>Het aanbrengen, onderhoud en reparatie van elektromechanische openings-</al><al> en sluitmechanismen van deuren dient een direct verband met de
                    ondersteuningsbehoevende te hebben.</al><al/><al><vet>Paragraaf 3 - PGB</vet></al><al><vet>Artikel 4.15 Hoogte bruto PGB</vet></al><al>Dit artikel regelt de omvang van het aan de aanvrager te verlenen budget. Het
                    netto aan de aanvrager te verlenen PGB is gelijk aan het bruto PGB, verminderd
                    met de eigen bijdrage.</al><al/><al><vet>Artikel 4.16 Verplichtingen</vet></al><al>Het betreft hier een aantal van de verplichtingen die gelden bij de verlening
                    van een PGB. Daarom wordt hier volstaan met een verwijzing naar de toelichting
                    bij artikel 3.8.</al><al/><al><vet>Artikel 4.17 Beschikking</vet></al><al>Dit artikel somt op wat ten minste in de verleningsbeschikking dient te
                    staan.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4.18 Vaststelling</vet></al><al>De beschikking tot verlening van een PGB geeft de aanvrager het recht op een
                    PGB, onder de voorwaarde dat hij zich aan de verplichtingen houdt. Pas de
                    beschikking tot budgetvaststelling geeft de aanvrager een onvoorwaardelijk recht
                    op PGB. De vaststelling van het PGB vindt na afloop van het kalenderjaar waarin
                    het PGB is verleend, plaats.</al><al>Artikel 4:46 lid 1 Awb stelt voorop dat de subsidievaststelling geschiedt
                    overeenkomstig de subsidieverlening. De subsidie kan echter lager worden
                    vastgesteld indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet
                    geheel hebben plaatsgevonden, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan
                    de aan de subsidie verbonden verplichtingen, indien de subsidieontvanger
                    onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
                    of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                    subsidieverlening zou hebben geleid, dan wel indien de subsidieverlening
                    anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten
                    (artikel 4:46 lid 2 Awb). Indien het PGB op een lager bedrag wordt vastgesteld
                    dan waarvoor het is verleend – en op basis waarvan het derhalve is bevoorschot -
                    dient het teveel betaalde van de aanvrager te worden teruggevorderd of te worden
                    verrekend met nog door het college ter zake van PGB's te verstrekken
                    bedragen.</al><al/><lijst><li nr=""><al><vet>Hoofdstuk 5 - Rolstoelvoorzieningen</vet></al></li><li nr=""><al><vet>Paragraaf 1 - Algemeen</vet></al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1 Typen rolstoelvoorziening</vet></al><al><vet>Artikel 5.1 onderdeel a: rolstoel en rolstoelaanpassing </vet></al><al>Rolstoelvoorzieningen zijn te onderscheiden van vervoersvoorzieningen.
                    “Rolstoelen” die uitsluitend geschikt zijn voor buitenvervoer zijn
                    vervoersvoorzieningen en geen rolstoelvoorzieningen. Rolstoelvoorzieningen zijn
                    ook te onderscheiden van woonvoorzieningen: in dit verband zij verwezen naar de
                    definities die zijn opgenomen in artikel 1.1.</al><al>Ook individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de rolstoelverlening.
                    Een voorbeeld hiervan is een anti-decubitus kussen. Vaak zullen aanpassingen
                    tegelijkertijd met de verlening van de rolstoel worden gerealiseerd. Het kan
                    echter ook voorkomen dat de aanpassingen aan rolstoelen afzonderlijk van de
                    rolstoel worden aangevraagd en verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 5.2 Kring rechthebbenden</vet></al><al><vet>Artikel 5.2 lid 1 </vet></al><al>De noodzaak tot zittend verplaatsen hoeft niet de gehele dag, maar wel in
                    belangrijke mate, aanwezig te zijn. Vereist is dat andere loophulpmiddelen
                    onvoldoende uitkomst bieden. Voorbeelden van “andere wettelijke regelingen” zijn
                    de AWBZ en de Zorgverzekeringswet.</al><al/><al><vet>Artikel 5.2 lid 2 </vet></al><al>Als het gaat om professionele sportbeoefening wordt geen sportrolstoel
                    verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3 Vorm rolstoelvoorzieningen</vet></al><al>De zinsnede “met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van de wet” ziet
                    zowel op vrijheid die de aanvrager heeft om te kiezen voor een voorziening in
                    natura dan wel een PGB, als op het vervallen van deze keuzevrijheid indien er
                    sprake is van overwegende bezwaren in de zin van artikel 6 van de wet. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2 - PGB</vet></al><al><vet>Artikel 5.5 Hoogte bruto PGB</vet></al><al>Dit artikel regelt de omvang van het aan de aanvrager te verlenen budget. Het
                    netto aan de aanvrager te verlenen PGB is gelijk aan het bruto PGB, verminderd
                    met de eigen bijdrage.</al><al/><al><vet>Artikel 5.6 Verplichtingen</vet></al><al>Het betreft hier een aantal van de verplichtingen die gelden bij de verlening
                    van een PGB. Daarom wordt hier volstaan met een verwijzing naar de toelichting
                    bij artikel 3.8.</al><al/><al><vet>Artikel 5.7 Beschikking</vet></al><al>Dit artikel somt op wat ten minste in de verleningsbeschikking dient te
                    staan.</al><al/><al><vet>Artikel 5.8 Vaststelling</vet></al><al>De beschikking tot verlening van een PGB geeft de aanvrager het recht op een
                    PGB, onder de voorwaarde dat hij zich aan de verplichtingen houdt. Pas de
                    beschikking tot budgetvaststelling geeft de aanvrager een onvoorwaardelijk recht
                    op PGB. De vaststelling van het PGB vindt na afloop van het kalenderjaar waarin
                    het PGB is verleend, plaats.</al><al>Artikel 4:46 lid 1 Awb stelt voorop dat de subsidievaststelling geschiedt
                    overeenkomstig de subsidieverlening. De subsidie kan echter lager worden
                    vastgesteld indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet
                    geheel hebben plaatsgevonden, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan
                    de aan de subsidie verbonden verplichtingen, indien de subsidieontvanger
                    onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
                    of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                    subsidieverlening zou hebben geleid, dan wel indien de subsidieverlening
                    anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten
                    (artikel 4:46 lid 2 Awb). Deze gronden voor verlaging van het verleende bedrag,
                    worden in het tweede lid van artikel 5.8 van overeenkomstige toepassing
                    verklaard.</al><al>Indien het PGB op een lager bedrag wordt vastgesteld dan waarvoor het is
                    verleend – en op basis waarvan het derhalve is bevoorschot - dient het teveel
                    betaalde van de aanvrager te worden teruggevorderd of te worden verrekend met
                    nog door het college ter zake van PGB's te verstrekken bedragen (5.8 lid
                    3).</al><al/><lijst><li nr=""><al><vet>Hoofdstuk 6 Vervoersvoorzieningen</vet></al></li><li nr=""><al><vet>Paragraaf 1 - Algemeen</vet></al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.1 Algemene omschrijving vervoersvoorzieningen</vet></al><al>Dit artikel geeft een overzicht van alle mogelijke vervoersvoorzieningen die op
                    grond van deze verordening verleend kunnen worden. </al><al>Artikel 6.4 lid 2 bepaalt welk van de voorzieningen het primaat heeft en in
                    hoeverre er combinaties mogelijk zijn van verschillende vervoersvoorzieningen.
                    Aan de volgorde waarin de verschillende soorten voorzieningen in artikel 6.1
                    worden genoemd kunnen dus geen rechten worden ontleend.</al><al/><al><vet>Artikel 6.2 Kring rechthebbenden</vet></al><al>Artikel 6.2 geeft invulling van de kring van rechthebbenden voor
                    vervoersvoorzieningen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het begrip “lokaal te
                    verplaatsen per vervoermiddel”, zoals gebruikt in artikel 4 lid 1 onderdeel c
                    van de wet. </al><al>Voor de invulling is in het eerste lid aansluiting gezocht bij de vaste
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in het kader van de – inmiddels
                    ingetrokken – Wet voorzieningen gehandicapten. Dit houdt in dat in dat verband
                    aan de aanwezigheid van de voor ondersteuningsbehoevende belangrijke
                    bovenregionale contacten (of activiteit</al><al>In het tweede lid is nader omschreven wat die bijzondere situatie kan zijn. Ook
                    hierbij is aansluiting gezocht bij de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad
                    van Beroep in het kader van de – inmiddels ingetrokken – Wet voorzieningen
                    gehandicapten.</al><al/><al><vet>Artikel 6.3 Vorm vervoersvoorziening</vet></al><al>De zinsnede “met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van de wet” ziet
                    zowel op vrijheid die de aanvrager heeft om te kiezen voor een voorziening in
                    natura dan wel een PGB, als op het vervallen van deze keuzevrijheid indien er
                    sprake is van overwegende bezwaren in de zin van artikel 6 van de wet. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2 - Het recht op een vervoersvoorziening</vet></al><al><vet>Artikel 6.4 Het recht op een vervoersvoorziening</vet></al><al>Lid 1 van artikel 6.4 geeft aan dat een ondersteuningsbehoevende alleen voor een
                    vervoers-voorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer hij niet in staat
                    is het openbaar vervoer te bereiken of gebruiken. Uit lid 2 volgt dat het
                    primaat ligt bij het collectief vervoer. </al><al>Individuele verstrekkingen kunnen ook in aanvulling op en in combinatie met het
                    gebruik van een collectief systeem verleend worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoers-behoefte van de ondersteuningsbehoevende niet
                    volledig dekt of de ondersteuningsbehoevende minder kilometers biedt dan hij met
                    een vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van een (rolstoel)-taxi of
                    (bruikleen)auto kan afleggen. Het verstrekken van meerdere voorzieningen is
                    uiteraard alleen aan de orde indien daartoe een noodzaak bestaat.</al><al>Lid 4 van artikel 6.4 bepaalt vervolgens dat bij de verlening van
                    vervoersvoorzieningen rekening wordt gehouden met de individuele
                    vervoersbehoefte, de mate waarin een collectief vervoerssysteem in die</al><al> vervoersbehoefte kan voorzien en de mate waarin de vervoersbehoeften van
                    echtgenoten samenvallen.</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van de vervoerskostenvergoeding zal dus eerst
                    moeten worden vastgesteld of er sprake is van een uitzonderlijke
                    vervoersbehoefte en vervolgens is dan de vraag aan de orde in welke mate een
                    collectief vervoerssysteem in die vervoersbehoefte kan voorzien. Ter bepaling
                    van dit laatste kan worden uitgegaan van algemene richtlijnen die op bepaalde
                    typen vervoersystemen van toepassing zijn of kan worden gekozen voor onderzoek
                    ter plekke. Indien er in individuele gevallen sprake is van een bijzondere
                    vervoersbehoefte kan het van toepassing als het gaat om normbedrag zowel in
                    bovenwaartse zin als in neerwaartse zin worden bijgesteld.</al><al>Lid 5 bepaalt dat de ondersteuningsbehoevende met een inkomen boven de
                    inkomensgrens van 1,5 maal het norminkomen niet in aanmerking komt voor een
                    vervoersvoorziening. </al><al>Uitgangspunt hiervan is dat boven deze inkomensgrens mensen in het algemeen de
                    kosten van een vervoersvoorziening geacht worden zelf te kunnen betalen. Met
                    andere woorden: boven de genoemde grens is een vervoersvoorziening algemeen
                    gebruikelijk. Genoemde beperking geldt ook voor collectief vervoer. </al><al>Lid 6.a. <onderstreept>Kinderen jonger dan 12 jaar</onderstreept> hebben in
                    principe geringe vervoersproblemen, omdat de ouders/verzorgers hen kunnen
                    meenemen zonder dat een voorziening hoeft te worden getroffen. Voor deze
                    leeftijdsgroep lijken de vervoersproblemen, voorzover ze betrekking hebben op
                    begeleiding of gesloten vervoer, niet zodanig afwijkend van het vervoersprobleem
                    van “niet-ondersteuningsbehoe-vende leeftijdsgenoten”, dat er aanleiding is voor
                    een omvangrijke aanvullende vervoersvoorziening. Derhalve kan een
                    ondersteuningsbehoevende jonger dan 12 jaar slechts in aanmerking komen voor een
                    vervoerskostenvergoeding gebaseerd op 25% van het vervoersplafond (art.10 van
                    het financiële besluit).</al><al>Lid 6.b. <onderstreept>Kinderen van 12 tot 18 jaar</onderstreept> hebben
                    (evenals volwassenen) wel een zelfstandig maar geringer verplaatsingsgedrag. Wij
                    gaan bij de vervoerskostenvergoeding uit van een 50%-regel van het
                    vervoersplafond (als bedoeld in artikel 10 van het financiële besluit). </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 - PGB</vet></al><al><vet>Artikel 6.5 Hoogte bruto PGB</vet></al><al>Dit artikel regelt de omvang van het aan de aanvrager te verlenen budget. Het
                    netto aan de aanvrager te verlenen PGB is gelijk aan het bruto PGB, verminderd
                    met de eigen bijdrage.</al><al/><al><vet>Artikel 6.6 Verplichtingen</vet></al><al>Het betreft hier een aantal van de verplichtingen die gelden bij de verlening
                    van een PGB. Daarom wordt hier volstaan met een verwijzing naar de toelichting
                    bij artikel 3.8.</al><al/><al><vet>Artikel 6.7 Beschikking</vet></al><al>Dit artikel somt op wat ten minste in de verleningsbeschikking dient te
                    staan.</al><al/><al><vet>Artikel 6.8 Vaststelling</vet></al><al>De beschikking tot verlening van een PGB geeft de aanvrager het recht op een
                    PGB, onder de voorwaarde dat hij zich aan de verplichtingen houdt. Pas de
                    beschikking tot budgetvaststelling geeft de aanvrager een onvoorwaardelijk recht
                    op PGB. De vaststelling van het PGB vindt na afloop van het kalenderjaar waarin
                    het PGB is verleend, plaats.</al><al>Artikel 4:46 lid 1 Awb stelt voorop dat de subsidievaststelling geschiedt
                    overeenkomstig de subsidieverlening. De subsidie kan echter lager worden
                    vastgesteld indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet
                    geheel hebben plaatsgevonden, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan
                    de aan de subsidie verbonden verplichtingen, indien de subsidieontvanger
                    onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
                    of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                    subsidieverlening zou hebben geleid, dan wel indien de subsidieverlening
                    anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten
                    (artikel 4:46 lid 2 Awb). </al><al>Indien het PGB op een lager bedrag wordt vastgesteld dan waarvoor het is
                    verleend – en op basis waarvan het derhalve is bevoorschot - dient het teveel
                    betaalde van de aanvrager te worden teruggevorderd of te worden verrekend met
                    nog door het college ter zake van PGB's te verstrekken bedragen (3.8 lid
                    3).</al><al/><lijst><li nr=""><al><vet>Afdeling II - Procedures</vet></al></li><li nr=""><al><vet>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van een voorziening</vet></al></li></lijst><al>De aanvraagprocedure wordt in de Awb geregeld, met name in hoofdstuk 3, Algemene
                    bepalingen over besluiten, en hoofdstuk 4, Bijzondere bepalingen over besluiten. </al><al>Al hetgeen in de Awb is geregeld, hoeft niet meer in de verordening te worden
                    geregeld. Vandaar dat het procedurele deel van de -verordening zeer beperkt kan
                    blijven.</al><al/><al><vet>Artikel 7.2 Loket</vet></al><al>De gemeenteraad moet in de verordening een bepaling opnemen over de wijze waarop
                    de toegang tot individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het
                    gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                    is geregeld, aldus artikel 5 lid onder a van de wet. Volgens de toelichting op
                    het amendement, dat heeft geleid tot de opname van artikel 5 lid 2 onder a in de
                    wet, strekt deze bepaling ertoe dat de gemeente bepaalt hoe achter één loket de
                    samenhang van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot
                    zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied
                    van wonen is geregeld (TK 2005-2006, 30 131, </al><al>nr.54). Hiermee wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. In dit artikel
                    wordt aangegeven bij welk loket de belanghebbende een aanvraag voor een
                    individuele voorziening moet indienen. </al><al/><al><vet>Artikel 7.3 Samenhangende afstemming</vet></al><al>In de verordening moet de gemeenteraad bepalen op welke wijze de verkrijging van
                    individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de
                    aanvrager (artikel 5 lid 2 onder b van de wet). Het gaat hierbij om uitvoering,
                    hetgeen een zaak van het college is. In artikel 7.3 wordt het college een
                    onderzoeksverplichting opgelegd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het college
                    </vet></al><al><vet>Artikel 8.2 Alleenrecht indicatiestelling</vet></al><al/><al>In dit artikel wordt het alleen recht voor de indicatiestelling verleend aan het
                    Centrum Indicatiestelling Zorg. Door dit alleenrecht in de verordening vast te
                    leggen, voorkomt de gemeenteraad dat een aanbestedingsprocedure moet worden
                    gevolgd voor het verstrekken van de opdracht tot het stellen van indicaties door
                    een extern adviesorgaan.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3 Wijzigingen in de situatie</vet></al><al>Op grond van artikel 8.3 is degene die een voorziening heeft ontvangen verplicht
                    wijzigingen die relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling van het (voortduren
                    van het) recht op een voorziening, uit eigen beweging aan het college door te
                    geven. </al><al>Het gaat hier om alle gegevens en feitelijkheden waarvan redelijkerwijs
                    verondersteld kan worden dat zij van belang zijn, zoals veranderingen in de
                    hoogte van het inkomen als het gaat om inkomensafhankelijke bijdragen, de staat
                    van een in bruikleen verleende voorziening, gewijzigde burgerlijke staat,
                    verhuizing, etc.</al><al/><al><vet>Artikel 8.5 Intrekking en beëindiging</vet></al><al>Parallel aan artikel 4:48 lid 1 onder c Awb kan het college volgens het eerste
                    lid een op grond van de verordening genomen besluit geheel of gedeeltelijk
                    intrekken indien zodanig onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt dat zo
                    de juiste gegevens bekend waren geweest burgemeester en wethouders niet tot
                    toekenning zouden zijn overgegaan. </al><al/><al><vet>Artikel 8.6 Terugvordering</vet></al><al>Het artikel geeft aan dat op grond van deze verordening verstrekte voorziening
                    van de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger in ieder geval worden
                    teruggevorderd indien het besluit, waarbij deze voorziening is toegekend, met
                    toepassing van artikel 8.5 is ingetrokken, met dien verstande dat uit een
                    oogpunt van rechtszekerheid een verjaringstermijn geldt van vijf jaar. </al><al>Hiervoor is aansluiting gezocht bij de verjaringstermijn voor terugvordering van
                    onverschuldigd betaalde subsidiebedragen (vergelijk artikel 4:57 van de Algemene
                    wet bestuursrecht). De samenhang met het intrekkingsbesluit houdt in dat het
                    intrekkingsbesluit en het terugvorderingsbesluit binnen hetzelfde tijdvak van
                    vijf jaar moeten plaatsvinden. De verjaringstermijn vangt aan op de datum van
                    het besluit tot toekenning van de voorziening. Ingevolge het tweede lid worden
                    alle terug te vorderen bedragen verhoogd met de wettelijke rente.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 - Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 9.1 Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen kan afwijken van de
                    bepalingen van deze verordening, zo nodig na het inwinnen van advies. Dit
                    afwijken kan alleen maar ten gunste van de betrokken ondersteuningsbehoevende,
                    mantelzorger of eigenaar van de woonruimte en nooit ten nadele. </al><al>Ook de eigenaar van de aangepaste woonruimte kan in aanmerking komen voor de
                    hardheidsclausule. Gedacht kan worden aan een situatie waar het van belang is
                    dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat bij voorbeeld
                    bekend is dat een ondersteunings-behoevende op het punt staat om uit een
                    revalidatiecentrum te worden ontslagen en waar de aangepaste woning uitermate
                    geschikt voor is. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. De gemeente moet in verband met precedentwerking duidelijk aangeven
                    waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.</al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Beslissing het college in gevallen waarin de verordening niet
                        voorziet</vet></al><al>Deze restclausule biedt het college de mogelijkheid in alle niet-voorziene
                    situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze beslissingen
                    onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en beroepsprocedures, dient ook
                    in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen te worden.</al><al/><al><vet>Artikel 9.6 Periodieke evaluatie gemeentelijk beleid en bijstelling
                        verordening</vet></al><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid, samen met de Adviesraad
                    Wmo, jaarlijks geëvalueerd te worden. </al><al>Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het
                    voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te
                    leiden tot aanpassing van de verordening.</al><al/><al> De raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 28 september 2006,</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 september 2006;</al><al>gelet op artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en gelet op
                    artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al><vet> B E S L U I T :</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Vaststellen van de verordening individuele voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning Sint-Michielsgestel per 1 januari
                            2007;</al></li><li nr="2."><al>Intrekken van de verordening voorzieningen gehandicapten
                            Sint-Michielsgestel per 1 januari 2007 alsmede de toelichting op de
                            betreffende verordening.</al></li></lijst><al/><al>De raad voornoemd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>