<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR81027_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geertruidenberg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geertruidenberg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Langstraat, 6 november 2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Geertruidenberg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.nl">Gemeentewet, art. 149.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-01-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-11-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2005-01-27, nr. 09</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. 09</al><al/><al>De raad van de gemeente Geertruidenberg;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21
                        december 2004;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al>overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de
                        kwaliteit van peuterspeelzalen;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>VERORDENING KWALITEITSREGELS PEUTERSPEELZALEN </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: a. peuterspeelzaalwerk: het
                            bieden van speelgelegenheid aan kinderen van twee tot vier jaar
                            gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur met als
                            doel de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en hen samen te
                            laten spelen; b. peuterspeelzaal: een voorziening waar
                            peuterspeelzaalwerk plaatsvindt; c. houder: degene die een
                            peuterspeelzaal exploiteert; d. beroepskracht: degene die in een
                            peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het
                            peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt over een voor deze
                            werkzaamheden passende beroepskwalificaties; e. begeleider: degene die
                            anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen
                            bij een peuterspeelzaal.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>MELDINGSPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen
                                binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melding vindt plaats met behulp van een door het college
                                vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk</titel></kop><al>De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk
                            ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende
                            ambitieniveaus worden onderscheiden: a. ambitieniveau 0: ‘spelen en
                            ontmoeten’; b. ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en
                            signaleren’; c. ambitieniveau 2: ‘Spelen, ontmoeten, ontwikkelen,
                            signaleren en ondersteunen’. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht
                                weken na het tijdstip van de melding.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel
                                17, eerste lid, eerder is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs
                                zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3
                                van deze verordening, kan de exploitatie vanaf dat moment
                                plaatsvinden.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verbod op het in exploitatie nemen van een
                                peuterspeelzaal</titel></kop><al>Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien uit
                            het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid,
                            blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Register</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In
                                dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens
                                opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn
                                verstrekt.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de
                                peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter
                                inzage.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigingen van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding
                                zijn verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in
                                het register zijn aangetekend.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>DE KWALITEITSEISEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene kwaliteitseisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat
                                bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een
                                veilige en gezonde omgeving.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze,
                                voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief
                                zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige
                                verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch
                                beleid, dat een en ander leidt of moet leiden tot verantwoord
                                peuterspeelzaalwerk.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid</titel></kop><al>De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de
                            gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerde
                            peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor
                            zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en
                            regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke
                            risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Oppervlakte speelruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan
                                binnenspeelruimte beschikbaar.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de
                                bruto-oppervlakte minimaal 4 m2 per kind bedraagt en die voor
                                kinderen bereikbaar is.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Groepen en groepsgrootte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend
                                ingerichte vaste afzonderlijke ruimtes.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een groep zijn ten hoogste achttien kinderen gelijktijdig
                                aanwezig.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk
                                van het door de houder gekozen ambitieniveau.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 0: ‘spelen en
                                ontmoeten’ zijn er in elke groep ten minste twee begeleiders
                                aanwezig en er is één beroepskracht voor ten minste 50% van de
                                openingsuren aanwezig in de peuterspeelzaal.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: ‘spelen,
                                ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ zijn er in elke groep ten
                                minste één beroepskracht en één begeleider aanwezig.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: ‘spelen,
                                ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’ zijn er in elke
                                groep ten minste twee beroepskrachten aanwezig.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overeenkomst tussen houder en ouder</titel></kop><al>Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke
                            overeenkomst tussen de houder en een ouder.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Informatieplicht aan de ouders</titel></kop><al>De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan
                            het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over: a. de
                            plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden; b. het gekozen
                            ambitieniveau als bedoeld in artikel 3; c. het te voeren beleid,
                            waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid, alsmede het
                            pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van
                            kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven; d. de wijze
                            en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij
                            de peuterspeelzaal. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een
                                peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het
                                gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verklaring wordt aan de houder overlegt voordat een persoon
                                zijn werkzaamheden aanvangt! De verklaring is op het moment dat zij
                                wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat
                                een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van
                                een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die
                                persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet
                                ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de
                                verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>HET GEMEENTELIJK TOEZICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Aanwijzing van toezichthouders</titel></kop><al>Het college wijst toezichthouders aan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel
                                2, eerste lid, binnen acht weken of de exploitatie redelijkerwijs
                                zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften in
                                hoofdstuk 3 van deze verordening.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks
                                of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in
                                overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze
                                verordening.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de
                                toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving
                                door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze
                                verordening.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Het inspectierapport</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een
                                onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de
                                voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden
                                nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in
                                de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover
                                zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de
                                zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de
                                houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage
                                legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.</al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na
                                de vaststelling daarvan openbaar.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Aanwijzing en bevel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien
                                op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften
                                in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke
                                punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden
                                nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij
                                een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van
                                maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de
                                toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een
                                geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden
                                verlengd.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing
                                onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk
                            3 van deze verordeningen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
                            drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt in het register de peuterspeelzalen op die op het
                                tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening over een
                                vergunning op grond van de Verordening kinderopvang 1998
                                beschikken.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in het eerste lid
                                verstrekt desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn
                                voor het register.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening werkzaam zijn bij een
                                peuterspeelzaal, leggen aan de houder binnen twee maanden na de
                                inwerkingtreding een verklaring omtrent het gedrag over.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1januari 2005.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteitsregels
                            peuterspeelzalen gemeente Geertruidenberg.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Raamsdonksveer, 27 januari 2005.De raad van de gemeente
                        Geertruidenberg,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. K.M.C. Millenaar-Rammelaere M.J.A. Meijer</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting (Verordening kwaliteitsregels
                        peuterspeelzalen)</titel></kop><al/><al>Gemeenten zijn niet verplicht kwaliteitsregels te stellen voor het
                    peuterspeelzaalwerk. Het peuterspeelzaalwerk valt niet onder de Wet kinderopvang
                    (artikel 1, tweede lid, onderdeel b). Dit betekent dat de grondslag voor deze
                    verordening de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenten vormt die is
                    neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Dit is ook in de aanhef van de
                    modelverordening aangegeven.De modelverordening sluit zoveel mogelijk aan bij de
                    Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) en de kwaliteitseisen die de
                    Wet kinderopvang (Wk) stelt ten aanzien van kinderopvang. Voor dit laatste zijn
                    twee redenen: allereerst is het peuterspeelzaalwerk ook een vorm van
                    kinderopvang in een daarvoor geschikte ruimtelijke voorziening. Het ligt dan
                    voor de hand om zoveel mogelijk dezelfde kwaliteitseisen te stellen, uiteraard
                    voorzover die eisen aansluiten bij het specifieke doel van het
                    peuterspeelzaalwerk. Dit hangt samen met de tweede reden: het toezicht op de
                    instellingen voor kinderopvang en op peuterspeelzalen zal door dezelfde
                    toezichthouders worden gedaan. Het uitoefenen van toezicht wordt vergemakkelijkt
                    als de toezichthouders zoveel mogelijk met dezelfde regels te maken hebben.
                    Evenals in de Wk is in de modelverordening gekozen voor algemene
                    kwaliteitsregels die voor alle peuterspeelzalen in de gemeente gelden, gekoppeld
                    aan een stelsel van melding en registratie. </al><al/><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De beroepskracht in opleiding (stagiaire) is niet apart gedefinieerd.
                        Hiermee vallen beroepskrachten in opleiding automatisch onder de
                        begripsomschrijving van een begeleider, te weten: ‘degene die anders dan als
                        beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een
                        peuterspeelzaal’ (onderdeel e).</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel regelt de meldingsplicht voor degenen die een peuterspeelzaal
                        willen gaan exploiteren. De melding moet plaatsvinden met behulp van een
                        door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. Het stelsel
                        van melding en registratie maakt aan iedereen duidelijk welke instellingen
                        actief zijn op het terrein van het peuterspeelzaalwerk. De melding biedt aan
                        de gemeente de mogelijkheid om voorafgaande aan de start van de exploitatie
                        te toetsen of een nieuw initiatief aan de kwaliteitseisen voldoet. De
                        gemeente moet een gemelde peuterspeelzaal opnemen in een register dat voor
                        een ieder toegankelijk is. Opneming in het register geeft ouders de
                        zekerheid dat het peuterspeelzaalwerk bij de aanvang van de exploitatie van
                        voldoende kwaliteit is en dat er van gemeentewege zal worden toegezien dat
                        de kwaliteit van voldoende niveau blijft.</al><al/><al>Tussen een vergunningenstelsel en een meldingsstelsel zijn een aantal
                        verschillen. Zo kunnen in een vergunning nadere eisen worden opgenomen die
                        specifiek gelden voor de instelling die de vergunning krijgt. Bij een
                        meldingsstelsel kunnen geen specifieke voorschriften worden gesteld, maar
                        moet worden volstaan met algemene, voor alle instellingen geldende regels.
                        Ook wat betreft het toepassen van sancties is er een verschil. In een
                        vergunningenstelsel vormt het intrekken van de vergunning een sanctie. Deze
                        sanctie is er niet in een meldingsstelsel. Wanneer de gemeente wil dat de
                        exploitatie van een peuterspeelzaal wordt stopgezet, zal ze er voor moeten
                        zorgen dat betreffende inrichting wordt gesloten.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat de houder in de melding aan het college aangeeft
                        voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest. Het gekozen
                        ambitieniveau bepaalt de kwalificatie-eisen die aan de leidinggevenden
                        worden gesteld (zie artikel 12). Het ambitieniveau 0 (‘spelen en ontmoeten’)
                        is het minimumkwaliteitsniveau. Aan dit kwaliteitsniveau dienen alle
                        peuterspeelzalen in ieder geval te voldoen.Door de melding en registratie
                        worden de ouders op de hoogte gesteld van het ambitieniveau. De
                        toezichthouder kan controleren of een peuterspeelzaal zich houdt aan het
                        gestelde ambitieniveau.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel bevat de termijn die de gemeente (i.c. de toezichthouder) nodig
                        heeft om te beoordelen of een nieuwe peuterspeelzaal zal voldoen aan de
                        eisen van de verordening. Elke gemeente zal in overleg met de toezichthouder
                        moeten bepalen welke termijn haalbaar is. Het moet gaan om een termijn die
                        enerzijds de toezichthouder de mogelijkheid biedt een deugdelijk onderzoek
                        te doen naar de wijze waarop de nieuwe peuterspeelzaal zal worden
                        geëxploiteerd en die anderzijds degene die voornemens is een peuterspeelzaal
                        in exploitatie te nemen niet onnodig lang laat wachten op het moment dat met
                        de exploitatie kan worden gestart. Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor
                        de houder om vóór het verstrijken van de termijn in het eerste lid met de
                        exploitatie van de peuterspeelzaal te beginnen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel bevat het expliciete verbod om een peuterspeelzaal in
                        exploitatie te nemen, indien blijkt dat de initiatiefnemer niet aan de eisen
                        van de verordening voldoet. Op grond van deze verbodsbepaling kan het
                        college tot bestuursdwang (sluiting) overgaan of een dwangsom opleggen,
                        indien de peuterspeelzaal toch in gebruik wordt genomen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Register</titel></kop><al>Dit artikel regelt het instellen van het register. Het derde lid bepaalt dat
                        het register openbaar is.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigingen van gegevens</titel></kop><al>Om het register actueel te houden, bepaalt het eerste lid dat de houder
                        onmiddellijk melding doet aan het college van wijzigingen van gegevens die
                        bij de melding zijn verstrekt.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene kwaliteitseisen</titel></kop><al>Het eerste lid bevat een algemene kwaliteitsnorm die ontleend is aan artikel
                        48 Wk. Het gaat om een globale norm waaraan de houders zelf, met
                        inachtneming van de verordening, invulling moeten geven. In deze bepaling
                        wordt vastgelegd dat het welbevinden van de kinderen richtsnoer moet zijn
                        het uitvoeren van het peuterspeelzaalwerk. Het tweede lid is ontleend aan
                        artikel 50, eerste lid, Wk. Deze bepaling geeft aan dat verantwoord
                        peuterspeelzaalwerk mede het product is van de wijze waarop de houder het
                        peuterspeelzaalwerk organiseert en vormgeeft. De wijze waarop de houder het
                        peuterspeelzaalwerk organiseert en aan welke aspecten daarbij aandacht moet
                        worden besteed, wordt naast de eigen verantwoordelijkheid mede bepaald door
                        de voorschriften in deze verordening.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid</titel></kop><al>Dit artikel is gelijk aan artikel 51 Wk. De houders van peuterspeelzalen
                        moeten een risico-inventarisatie uitvoeren ten aanzien van de domeinen
                        veiligheid en gezondheid. De risico-inventarisatie heeft tot doel het in
                        kaart brengen van veiligheid- en gezondheidsrisico’s die kinderen in
                        peuterspeelzalen lopen. Daarbij wordt uitgegaan van het gedrag van kinderen.
                        De risico-inventarisatie dient als basis om de omstandigheden voor kinderen
                        te verbeteren en om te stimuleren dat personeel en de kinderen adequaat met
                        risico’s omgaan. Deze risico-inventarisatie vervangt niet de
                        risico-inventarisaties die op grond van andere wetgeving verplicht is
                        (artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7 Infectieziektewet). Ook
                        vervangt een risico-inventarisatie niet de veiligheidsnormen waaraan de
                        peuterspeelzalen op grond van andere wetgeving zijn gebonden, zoals de
                        brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit en de bouwverordening. Ook laat de
                        risico-inventarisatie toepassing van de Wcpv onverlet.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Oppervlakte speelruimte</titel></kop><al>Gekozen is voor minimum bruto-oppervlaktematen (in plaats van
                        netto-oppervlaktematen) omdat deze eenvoudiger door de toezichthouder zijn
                        vast te stellen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Groepen en groepsgrootte</titel></kop><al>Het tweede lid bepaalt dat de maximum groepsgrootte achttien kinderen
                        bedraagt. Dit maximum geldt voor alle drie ambitieniveaus.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep</titel></kop><al>Het gekozen ambitieniveau bepaalt het aantal beroepskrachten of begeleiders
                        dat in elke groep aanwezig moet zijn.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overeenkomst tussen houder en ouder</titel></kop><al>Voor houders van peuterspeelzalen en ouders is het van belang om in een
                        overeenkomst te expliciteren wat wederzijds de rechten en verplichtingen
                        zijn. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat het peuterspeelzaalwerk
                        plaatsvindt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en
                        de ouder.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Informatieplicht aan de ouders</titel></kop><al>De houders van peuterspeelzalen zijn verplicht ouders voor dat ze een
                        contract tekenen te informeren over een aantal essentiële onderwerpen. Deze
                        informatie biedt ouders de mogelijkheid om zich een oordeel te vormen over
                        de kwaliteit van een peuterspeelzaal en eventueel op basis van een
                        onderlinge vergelijking een keuze voor een bepaalde peuterspeelzaal te
                        maken.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><al>Dit artikel draagt de houder van een peuterspeelzaal op er voor te zorgen
                        dat alle beroepskrachten en begeleiders die zijn peuterspeelzaal werkzaam
                        zijn, op hun gedrag zijn getoetst. Dit gebeurt in de vorm van een recente
                        verklaring omtrent het gedrag die aan de houder moet worden overlegt voordat
                        een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. Omdat een verklaring omtrent het
                        gedrag niet meer dan een momentopname is, voorziet het derde lid in de eis
                        dat een nieuwe verklaring omtrent het gedrag aan de houder wordt overlegd,
                        in het geval de houder of toezichthouder redelijkerwijs het vermoeden heeft,
                        bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten of tips, dat een persoon niet
                        langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het
                        gedrag.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Aanwijzing van toezichthouders</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om toezichthouders aan te
                        wijzen. Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een
                        algemene regeling van de bevoegdheden van toezichthouders, zoals het recht
                        op het betreden van plaatsen, op het vorderen van inlichtingen en het inzien
                        van schriftelijke stukken </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek door de toezichthouders
                        onderscheiden: - het eerste lid: het onderzoek naar aanleiding van een
                        melding van het voornemen een peuterspeelzaal te gaan exploiteren;- het
                        tweede lid: het reguliere onderzoek bij bestaande peuterspeelzalen in de
                        gemeente;- het derde lid: het incidentele onderzoek bij een peuterspeelzaal,
                        bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten of tips.</al><al> Wat betreft de termijn in het eerste lid wordt verwezen naar de opmerking
                        bij artikel 4. Het tweede lid bevat de opdracht aan het college om ervoor
                        zorg te dragen dat tenminste één keer per jaar een controle wordt
                        uitgevoerd.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Het inspectierapport</titel></kop><al>De resultaten van een onderzoek worden door de toezichthouder vastgelegd in
                        een inspectierapport. Het inspectierapport vormt de basis voor het
                        handhavend optreden door het college (zie artikel 19, eerste lid). Deze
                        werkwijze is identiek aan de manier waarop handhaving op grond van de Wk
                        gaat plaatsvinden. Het derde lid bepaalt dat het college (en niet de
                        toezichthouder) de houder in de gelegenheid stelt van het ontwerprapport
                        kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. Het bieden van
                        gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken is op te vatten als het
                        uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Op grond van de Awb
                        (artikel 10:14) is delegatie van bevoegdheden aan ambtenaren niet
                        toegestaan. Het is wel mogelijk dat deze bevoegdheid in mandaat wordt
                        overgedragen. In dat geval handelt de toezichthouder namens het college. De
                        overige taken die in dit artikel worden genoemd zijn van feitelijke aard.
                        Deze kunnen wel aan een toezichthoudend ambtenaar worden overgedragen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Aanwijzing en bevel</titel></kop><al>Indien de houder de aanwijzing of het bevel niet opvolgt, kan het college
                        overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een
                        dwangsom. Het gaat om algemene bevoegdheden van het college die zijn
                        neergelegd in de Gemeentewet en de Awb. Deze worden dan ook niet nader in de
                        verordening geregeld. </al><al/><al>Bestuursdwang houdt een waarschuwing in dat wanneer niet binnen een bepaalde
                        termijn maatregelen worden getroffen, het college deze op kosten van de
                        houder kan laten uitvoeren. Is bestuursdwang niet goed mogelijk, dan kan een
                        dwangsom worden opgelegd. Zijn er zoveel tekortkomingen, dan kan het college
                        in de aanwijzing of bevel gelasten de exploitatie van de peuterspeelzaal te
                        staken. Geeft de exploitant daaraan geen gehoor, dan gaat het college
                        hiertoe over. Ook dit is een vorm van bestuursdwang.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><al>Deze bepalingen spreken voor zich. </al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al/><al/><al>Gemeenten zijn niet verplicht kwaliteitsregels te stellen voor het
                        peuterspeelzaalwerk. Het peuterspeelzaalwerk valt niet onder de Wet
                        kinderopvang (artikel 1, tweede lid, onderdeel b). Dit betekent dat de
                        grondslag voor deze verordening de autonome verordenende bevoegdheid van de
                        gemeenten vormt die is neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet, Dit is
                        ook in de aanhef van de modelverordening aangegeven.</al><al/><al>De modelverordening sluit zoveel mogelijk aan bij de Wet Collectieve
                        Preventie Volksgezondheid (WCPV) en de kwaliteitseisen die de Wet
                        kinderopvang (Wk) stelt ten aanzien van kinderopvang. Voor dit laatste zijn
                        twee redenen: allereerst is het peuterspeelzaalwerk ook een vorm van
                        kinderopvang in een daarvoor geschikte ruimtelijke voorziening. Het ligt dan
                        voor de hand om zoveel mogelijk dezelfde kwaliteitseisen te stellen,
                        uiteraard voor zover die eisen aansluiten bij het specifieke doel van het
                        peuterspeelzaalwerk. Dit hangt samen met de tweede reden: het toezicht op de
                        instellingen voor kinderopvang en op peuterspeelzalen zal door dezelfde
                        toezichthouders worden gedaan. Het uitoefenen van toezicht wordt
                        vergemakkelijkt als de toezichthouders zoveel mogelijk met dezelfde regels
                        te maken hebben. Evenals in de Wk is in de modelverordening gekozen voor
                        algemene kwaliteitsregels die voor alle peuterspeelzalen in de gemeente
                        gelden, gekoppeld aan een stelsel van melding en registratie. </al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De beroepskracht in opleiding (stagiaire) is niet apart gedefinieerd.
                        Hiermee vallen beroepskrachten in opleiding automatisch onder de
                        begripsomschrijving van een begeleider, te weten: ‘degene die anders dan als
                        beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een
                        peuterspeelzaal (onderdeel e).</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel regelt de meldingsplicht voor degenen die een peuterspeelzaal
                        willen gaan exploiteren. De melding moet plaatsvinden met behulp van een
                        door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. Het stelsel
                        van melding en registratie maakt aan iedereen duidelijk welke instellingen
                        actief zijn op het terrein van het peuterspeelzaalwerk. De melding biedt aan
                        de gemeente de mogelijkheid om voorafgaande aan de start van de exploitatie
                        te toetsen of een nieuw initiatief aan de kwaliteitseisen voldoet. De
                        gemeente moet een gemelde peuterspeelzaal opnemen in een register dat voor
                        een ieder toegankelijk is. Opneming in het register geeft ouders de
                        zekerheid dat het peuterspeelzaalwerk bij de aanvang van de exploitatie van
                        voldoende kwaliteit is en dat er van gemeentewege zal worden toegezien dat
                        de kwaliteit van voldoende niveau blijft.</al><al>Tussen een vergunningenstelsel en een meldingsstelsel zijn een aantal
                        verschillen. Zo kunnen in een vergunning nadere eisen worden opgenomen die
                        specifiek gelden voor de instelling die de vergunning krijgt. Bij een
                        meldingsstelsel kunnen geen specifieke voorschriften worden gesteld, maar
                        moet worden volstaan met algemene, voor alle instellingen geldende regels.
                        Ook wat betreft het toepassen van sancties is er een verschil. In een
                        vergunningenstelsel vormt het intrekken van de vergunning een sanctie. Deze
                        sanctie is er niet in een meldingsstelsel. Wanneer de gemeente wil dat de
                        exploitatie van een peuterspeelzaal wordt stopgezet, zal ze er voor moeten
                        zorgen dat betreffende inrichting wordt gesloten.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat de houder in de melding aan het college aangeeft
                        voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest. Het gekozen
                        ambitieniveau bepaalt de kwalificatie-eisen die aan de leidinggevenden
                        worden gesteld (zie artikel 12). Het ambitieniveau 0 (‘Spelen en ontmoeten’)
                        is het minimumkwaliteitsniveau. Aan dit kwaliteitsniveau dienen alle
                        peuterspeelzalen in ieder geval te voldoen. Door de melding en registratie
                        worden de ouders op de hoogte gesteld van het ambitieniveau. De
                        toezichthouder kan controleren of een peuterspeelzaal zich houdt aan het
                        gestelde ambitie niveau.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel bevat de termijn die de gemeente (i.c. de toezichthouder) nodig
                        heeft om te beoordelen of een nieuwe peuterspeelzaal zal voldoen aan de
                        eisen van de verordening. Elke gemeente zal in overleg met de toezichthouder
                        moeten bepalen welke termijn haalbaar is. Het moet gaan om een termijn die
                        enerzijds de toezichthouder de mogelijkheid biedt een deugdelijk Onderzoek
                        te doen naar de wijze waarop de nieuwe peuterspeelzaal zal worden
                        geëxploiteerd en die anderzijds degene die voornemens is een peuterspeelzaal
                        in exploitatie te nemen niet onnodig lang laat wachten op het moment dat met
                        de exploitatie kan worden gestart. Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor
                        de houder om vóór het verstrijken van de termijn in het eerste lid met de
                        exploitatie van de peuterspeelzaal te beginnen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel bevat het expliciete verbod om een peuterspeelzaal in
                        exploitatie te nemen, indien blijkt dat de initiatiefnemer niet aan de eisen
                        van de verordening voldoet. Op grond van deze verbodsbepaling kan het
                        college tot bestuursdwang (sluiting) overgaan of een dwangsom opleggen,
                        indien de peuterspeelzaal toch in gebruik wordt genomen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Register</titel></kop><al>Dit artikel regelt het instellen van het register. Het derde lid bepaalt dat
                        het register openbaar is.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigingen van gegevens</titel></kop><al>Om het register actueel te houden, bepaalt het eerste lid dat de houder
                        onmiddellijk melding doet aan het college van wijzigingen van gegevens die
                        bij de melding zijn verstrekt.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene kwaliteitseisen</titel></kop><al>Het eerste lid bevat een algemene kwaliteitsnorm die ontleend is aan artikel
                        48 Wk.Het gaat om een globale norm waaraan de houders zelf, met inachtneming
                        van de verordening, invulling moeten geven. In deze bepaling wordt
                        vastgelegd dat het welbevinden van de kinderen richtsnoer moet zijn het
                        uitvoeren van het peuterspeelzaalwerk.Het tweede lid is ontleend aan artikel
                        50, eerste lid, Wk Deze bepaling geeft aan dat verantwoord
                        peuterspeelzaalwerk mede het product is van de wijze waarop de houder het
                        peuterspeelzaalwerk organiseert en vormgeeft. De wijze waarop de houder het
                        peuterspeelzaalwerk organiseert en aan welke aspecten daarbij aandacht moet
                        worden besteed, wordt naast de eigen verantwoordelijkheid mede bepaald door
                        de voorschriften in deze verordening.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid</titel></kop><al>Dit artikel is gelijk aan artikel 51 Wk. De houders van peuterspeelzalen
                        moeten een risico- inventarisatie uitvoeren ten aanzien van de domeinen
                        veiligheid en gezondheid. De risico- inventarisatie heeft tot doel het in
                        kaart brengen van veiligheid- en gezondheidsrisico’s die kinderen in
                        peuterspeelzalen lopen. Daarbij wordt uitgegaan van het gedrag van kinderen.
                        De risico-inventarisatie dient als basis om de omstandigheden voor kinderen
                        te verbeteren en om te stimuleren dat personeel en de kinderen adequaat met
                        risico’s omgaan.Deze risico-inventarisatie vervangt niet de
                        risico-inventarisaties die op grond van andere wetgeving verplicht is
                        (artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7 Infectieziektewet). Ook
                        vervangt een risico-inventarisatie niet de veiligheidsnormen waaraan de
                        peuterspeelzalen op grond van andere wetgeving zijn gebonden, zoals de
                        brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit en de bouwverordening. Ook laat de
                        risico-inventarisatie toepassing van de Wcpv onverlet.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Oppervlakte speelruimte</titel></kop><al>Gekozen is voor minimum bruto-oppervlaktematen (in plaats van
                        netto-oppervlaktematen) omdat deze eenvoudiger door de toezichthouder zijn
                        vast te stellen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Groepen en groepsgrootte</titel></kop><al>Het tweede lid bepaalt dat de maximum groepsgrootte achttien kinderen
                        bedraagt. Dit maximum geldt voor alle drie ambitieniveaus,</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep</titel></kop><al>Het gekozen ambitieniveau bepaalt het aantal beroepskrachten of begeleiders
                        dat in elke groep aanwezig moet zijn.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overeenkomst tussen houder en ouder</titel></kop><al>Voor houders van peuterspeelzalen en ouders is het van belang om in een
                        overeenkomst te expliciteren wat wederzijds de rechten en verplichtingen
                        zijn Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat het peuterspeelzaalwerk
                        plaatsvindt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en
                        de ouder.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Informatieplicht aan de ouders</titel></kop><al>De houders van peuterspeelzalen zijn verplicht ouders voor dat ze een
                        contract tekenen te informeren over een aantal essentiële onderwerpen. Deze
                        informatie biedt ouders de mogelijkheid om zich een oordeel te vormen over
                        de kwaliteit van een peuterspeelzaal en eventueel op basis van een
                        onderlinge vergelijking een keuze voor een bepaalde peuterspeelzaal te
                        maken.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><al>Dit artikel draagt de houder van een peuterspeelzaal op er voor te zorgen
                        dat alle beroepskrachten en begeleiders die zijn peuterspeelzaal werkzaam
                        zijn, op hun gedrag zijn getoetst. Dit gebeurt in de vorm van een recente
                        verklaring omtrent het gedrag die aan de houder moet worden overlegt voordat
                        een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. Omdat een verklaring omtrent het
                        gedrag niet meer dan een momentopname is, voorziet het derde lid in de eis
                        dat een nieuwe verklaring omtrent het gedrag aan de houder wordt overlegd,
                        in het geval de houder of toezichthouder redelijkerwijs het vermoeden heeft,
                        bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten of tips, dat een persoon niet
                        langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het
                        gedrag.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Aanwijzing van toezichthouders</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om toezichthouders aan te
                        wijzen. Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een
                        algemene regeling van de bevoegdheden van toezichthouders, zoals het recht
                        op het betreden van plaatsen, op het vorderen van inlichtingen en het inzien
                        van schriftelijke stukken.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek door de toezichthouders
                        onderscheiden:- het eerste lid: het onderzoek naar aanleiding van een
                        melding van het voornemen een peuterspeelzaal te gaan exploiteren;- het
                        tweede lid: het reguliere onderzoek bij bestaande peuterspeelzalen in de
                        gemeente;- het derde lid: het incidentele onderzoek bij een peuterspeelzaal,
                        bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten of tips.Wat betreft de termijn in
                        het eerste lid wordt verwezen naar de opmerking bij artikel 4. Het tweede
                        lid bevat de opdracht aan het college om ervoor zorg te dragen dat tenminste
                        één keer per jaar een controle wordt uitgevoerd.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Het inspectierapport</titel></kop><al>De resultaten van een onderzoek worden door de toezichthouder vastgelegd in
                        een inspectierapport. Het inspectierapport vormt de basis voor het
                        handhavend optreden door het college (zie artikel 19, eerste lid). Deze
                        werkwijze is identiek aan de manier waarop handhaving op grond van de Wk
                        gaat plaatsvinden. Het derde lid bepaalt dat het college (en niet de
                        toezichthouder) de houder in de gelegenheid stelt van het ontwerprapport
                        kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. Het bieden van
                        gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken is op te vatten als het
                        uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Op grond van de Awb
                        (artikel 10:14) is delegatie van bevoegdheden aan ambtenaren niet
                        toegestaan. Het is wel mogelijk dat deze bevoegdheid in mandaat wordt
                        overgedragen. In dat geval handelt de toezichthouder namens het college. De
                        overige taken die in dit artikel worden genoemd zijn van feitelijke aard.
                        Deze kunnen wel aan een toezichthoudend ambtenaar worden overgedragen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Aanwijzing en bevel</titel></kop><al>Indien de houder de aanwijzing of het bevel niet opvolgt, kan het college
                        overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een
                        dwangsom. Het gaat om algemene bevoegdheden van het college die zijn
                        neergelegd in de Gemeentewet en de Awb, Deze worden dan ook niet nader in de
                        verordening geregeld. Bestuursdwang houdt een waarschuwing in dat wanneer
                        niet binnen een bepaalde termijn maatregelen worden getroffen, het college
                        deze op kosten van de houder kan laten uitvoeren. Is bestuursdwang niet goed
                        mogelijk, dan kan een dwangsom worden opgelegd. Zijn er zoveel
                        tekortkomingen, dan kan het college in de aanwijzing of bevel gelasten de
                        exploitatie van de peuterspeelzaal te staken. Geeft de exploitant daaraan
                        geen gehoor, dan gaat het college hiertoe over. Ook dit is een vorm van
                        bestuursdwang.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><al>Deze bepalingen spreken voor zich.</al><al/></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>