<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR80744_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Katwijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Katwijksche Post en Rijnsburger 23 december
                2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Katwijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-02-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010-020415</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>--</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Katwijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Katwijk, </al><al>gelezen het voorstel van het college van 1 november 2006 en 19 oktober
                        2010;</al><al>gezien het advies van de commissie Welzijn; </al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                        Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al>gelet op de artikelen XIII, XV en XVII van de Wet dualisering gemeentelijke
                        medebewindsbevoegdheden;</al><al>gelet op artikel 5 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op artikelen 4:4, 6:2, 6:12 en 6:20 van de Algemene Wet
                        Bestuursrecht;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gericht overleg met
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen van de niet door gemeente
                        in stand gehouden scholen in de gemeente;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen; </al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende: </al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Katwijk</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/><al>In deze verordening wordt verstaan onder </al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
                                </al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente; </al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al/><lijst><li nr="-."><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een
                                            speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; </al></li><li nr="-."><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school
                                            voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1
                                            van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; </al></li><li nr="-."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van
                                            de Wet op het voorgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al> nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra,
                                    artikel X van de wet van 31 mei 1995 (Stb. 319) of artikel 75
                                    van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in
                                    aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening; </al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening; </al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening; </al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend; </al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding; </al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is; </al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is; </al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
                                </al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren; </al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening; </al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op
                                    de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs; </al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                    expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs; </al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van de
                                    Wet op de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid van de Wet op
                                    het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                    de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting </titel></kop><al/><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit: </al><lijst><li nr="1."><al>° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie; </al></li><li nr="2."><al>° uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest; </al></li><li nr="3."><al>° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een
                                            bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een
                                            school; </al></li><li nr="4."><al>° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school; </al></li><li nr="5."><al>° terrein voor zover benodigd voor de realisering van
                                            een onder a sub 1° tot en met 4° omschreven voorziening;
                                        </al></li><li nr="6."><al>° inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor
                                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                            gebracht; </al></li><li nr="7."><al>° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet
                                            eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="8."><al>° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte en een bad voor
                                            watergewenning of bewegingstherapie; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I; </al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                    meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I; </al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet manifest
                                    geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                                    ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; </al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                    ingeval van bijzondere omstandigheden; </al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen </titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, sub 1°
                            en 2°, b en d kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierbij is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoedingvoorzieningen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde voorzieningen,
                                of bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van
                                de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1°, 2°, 6°, 7° en 8° en op
                                de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3. Deel B van
                                bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in
                                artikel 2, onder a, onderdelen 3°, 4° en 5°, onder b, onder c, onder
                                d, onder e, onder f en op de kosten van bouwvoorbereiding als
                                bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nadere aanwijzingen
                                worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht </titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 maart van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag niet voor 1 maart is ingediend, besluit het
                                    college de aanvraag niet te behandelen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de dagtekening; </al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;
                                        </al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd; </al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening. </al></li></lijst><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met
                                            8° en artikel 2, onder d, e en f; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1°
                                            tot en met 4°; </al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw, uit onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                            speciaal onderwijs, of uit herstel van een
                                            constructiefout; </al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is; </al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27. Bij de rapportage als bedoeld
                                            onder c wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                            vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid deelt het college dit voor 15 maart
                                    schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in
                                    de gelegenheid gesteld voor 15 april de ontbrekende gegevens aan
                                    te vullen. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens
                                    niet heeft verstrekt voor 15 april, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager onverwijld aan het college een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijk teldatum staat
                                    ingeschreven op de school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest
                                    is in een gebouw gelegen op het grondgebied van de gemeente.
                                    Indien het afschrift niet binnen een week na het tijdstip van de
                                    wettelijke teldatum is ontvangen, deelt het college dit
                                    schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in
                                    de gelegenheid gesteld het afschrift van de opgave alsnog binnen
                                    drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te
                                    dienen. Indien het afschrift van de opgave niet binnen de
                                    termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, besluit het
                                    college de aanvraag niet te behandelen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen </titel></kop><al>Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde gezagsorganen
                                een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende
                                aanvragen. Voor zover van toepassing geeft het college daarbij aan
                                welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht
                            </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag kan op verzoek van de aanvrager of van het college
                                    nader worden toegelicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde
                                    in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is,
                                    treedt het college in overleg met de aanvrager indien het
                                    college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    begroting van de kosten dient te worden aangepast. Wanneer in
                                    het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de hoogte
                                    van het geraamde bedrag dan geeft het college dat, onder
                                    vermelding van de redenen, aan in het voorstel tot vaststelling
                                    van het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                    paragraaf 2.3. Het college geeft in dit voorstel tevens de
                                    hoogte van het geraamde bedrag aan waarvan voor de aangevraagde
                                    voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde
                                    in paragraaf 2.3. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij tevens in kennis
                                    gesteld van de voorgenomen inhoud van het voorstel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren
                                    gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk
                                    kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college
                                    op deze zienswijzen, wordt door het college een verslag gemaakt.
                                    Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een bevoegd gezag of het college een advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, dan wordt dit door
                                    het bevoegd gezag of het college tijdens het overleg als bedoeld
                                    in het eerste lid kenbaar gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van
                                    een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen
                                    waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij
                                    wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en
                                    de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg
                                    in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen
                                    over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgen zij ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg met de daarin opgenomen zienswijzen, ontvangt
                                    die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aanhet
                                    verslag als bedoeld in het vierde lid. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast dat beschikbaar
                                    is voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort en/of per voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld uiterlijk op
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ; </al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het
                                            programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het
                                            college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld
                                            in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                            programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als
                                            bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn. </al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld; </al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin; </al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de besluiten door
                                    het college schriftelijk mededeling gedaan aan de overige
                                    bevoegde gezagsorganen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van vaststelling van het programma
                                    treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                    uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening. In
                                    dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de
                                    uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, afspraken gemaakt over:</al><al>a. het bouwheerschap als bedoeld in de wet; </al><al>b. het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting
                                    door de aanvrager; </al><al>c. een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                    inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; </al><al>d. de wijze waarop door het college toepassing wordt gegeven aan
                                    de toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de
                                    toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe
                                    feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 16; </al><al>e. de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                    besteding van de beschikbaar te stellen middelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, wordt door het college
                                    schriftelijk vastgelegd in een verslag van het overleg en binnen
                                    vier weken na afloop van het overleg ter kennis gebracht van de
                                    aanvrager. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het
                                    verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk
                                    heeft gereageerd, wordt, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht dat er overeenstemming of geen
                                    overeenstemming is bereikt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst beslist het college over de
                                    instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting en
                                    over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen.
                                    Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze
                                    termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze
                                    termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend
                                    met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan
                                    op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Binnen twee weken
                                    na de datum van de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, deelt het college de beslissing schriftelijk
                                    mee aan de aanvrager. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als naar het oordeel van het college dat niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging </titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de
                                beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                                beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht is verleend dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een
                                    afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het
                                    college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    binnen welke het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. In geval van een
                                    huur- of erfpachtovereenkomst wordt daarin de datum van
                                    inwerkingtreding vermeld, alsmede de duur van de overeenkomst.
                                    In geval van een koopovereenkomst wordt daarin de datum van
                                    aankoop vermeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het
                                    college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter </titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag </titel></kop><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken: </al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken; </al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma; </al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met
                                            8o en artikel 2 onder d, e en f; </al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager heeft de gelegenheid de
                                    ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ; </al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ; </al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III . </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college welk
                                    genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel
                                    A</al><al>voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan
                                    wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening
                                    betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij
                                    de beschikking stelt het college vast voor welke datum een
                                    bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                    afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden. Binnen vier
                                    maanden na de datum van de beschikking door het college moet een
                                    bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur-, of
                                    erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing </titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij
                                overeenkomstig van toepassing, met uitzondering van de in tweede lid
                                van artikel 16 genoemde termijn van zes weken. Hiervoor moet worden
                                gelezen drie weken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het gestelde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek heeft beslist. Indien het
                                    college het verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum
                                    waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college
                                    het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het
                                    verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet
                                    voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag indienen bij het college voor bekostiging van de
                                bouwvoorbereiding. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het
                                moment van aanbesteding van die voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 maart van het jaar voorafgaand aan
                                het jaar waarin de bekostiging gewenst wordt. Hierbij wordt gebruik
                                gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de dagtekening; </al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst; </al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening; </al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;
                                    </al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten; </al></li><li nr="g."><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                        gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van
                                        de vervanging blijkt; </al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin. Bij de rapportage als bedoeld onder g wordt gebruik
                                        gemaakt van het door het college vastgestelde formulier
                                        'Bouwkundige opname'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 maart schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stellen hem in de gelegenheid om voor 15 april de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting is het gestelde in artikel 9 van
                                overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats tezamen met
                                het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. De leden twee,
                                drie en vier van artikel 10 zijn daarbij van overeenkomstige
                                toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een
                                beslissing over de aanvraag. </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: </al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn; </al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;
                                    </al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking vermeld
                                tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke
                                beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt tussen
                                aanvrager en het college. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging </titel></kop><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van
                            bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de aanvrager niet
                            voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de
                            beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie is
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur </titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden </titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend; </al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien; </al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare berekeningswijze en
                                    </al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;
                                    </al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                            indien uit de vergelijking van het aantal groepen zoals
                                            berekend op basis van bijlage III , deel B en de
                                            capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van
                                            bijlage III, deel A blijkt dat er ten minste één
                                            leslokaal niet nodig is voor de daar gevestigde school
                                            of scholen; </al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs (met uitzondering van een
                                            zelfstandige school voor praktijkonderwijs), indien uit
                                            de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op
                                            basis van Bijlage III, deel B en de capaciteit van het
                                            gebouw zoals vastgesteld op basis van Bijlage III, deel
                                            A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                            bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis
                                            van het lesrooster of lesroosters voor het lopende of
                                            eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het
                                            overschot aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                            geen sprake is van onderbenutting van de
                                            onderwijsruimten. Voor een zelfstandige school voor
                                            praktijkonderwijs (niet zijnde een afdeling voor
                                            praktijkonderwijs) is hetgeen bepaald in lid a van dit
                                            artikel van toepassing. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat door het college wordt
                                            vergoed minder is dan 40 klokuren; </al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van Bijlage III, Deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is; </al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen. </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de
                                    vordering te hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het
                                    vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                    deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het
                                    overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering
                                    te hebben. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: </al></lid><lid><lidnr/><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd; </al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal groepen [voor vo: of
                                            aantal leerlingen] ten behoeve waarvan gevorderd wordt
                                            of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                                            oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt; </al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft; </al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt; </al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding </titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel C.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden </titel></kop><al/><al>Het college kan overgaan tot vordering indien: </al><al>a. er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                gymnastiekruimte zoals bepaald in artikel 30;</al><al>b. er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school
                                voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school
                                of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: </al></lid><lid><lidnr/><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;
                                        </al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; </al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;
                                        </al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is; </al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen. </al></li><li nr="f."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het
                                            college schriftelijk mededeling van de vordering aan het
                                            bevoegd gezag. Indien het overleg zoals bedoeld in het
                                            eerste lid heeft geleid tot afspraken, bevat de
                                            mededeling in ieder geval die afspraken. Voorzover het
                                            overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de
                                            mededeling de beslissing van het college over de punten
                                            waarover geen overeenstemming bestond. Indien het
                                            bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven
                                            geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de
                                            schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden
                                            afgezien. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd
                                    gezag toestemming voor de verhuur aan het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, alsmede van de bestemming van de
                                    te verhuren ruimte. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent de toestemming niet indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                            voortgezet onderwijs of regelgeving; </al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag nodig
                                is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik van het
                                gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op
                                de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag
                                ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door
                                gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de
                                totstandkoming van een gezamenlijke akte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden,
                                een staat van onderhoud opgemaakt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><al>a. de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een
                                aantal klokuren;</al><al>b. de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                gebruik wordt gewenst; </al><al>c. de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek
                                wordt gewenst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht:</al><al>a. de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik
                                van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B; </al><al>b. het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
                                school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de
                                betreffende school het eerste ingeroosterd voor die
                                gymnastiekruimte;</al><al>c. het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; </al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in
                                        aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                                        rekening komen van het bevoegd gezag van de school. Het
                                        college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid
                                        onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor
                                        zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening
                                        is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde
                                gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                                voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending
                                van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.
                            </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet </titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering </titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV , deel A opgenomen prijsindexen en
                            systematiek van prijsbijstelling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                huisvesting onderwijs gemeente Katwijk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2010</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlagen</label></kop><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel><vet>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</vet></titel></kop><al/><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                        voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                        bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van
                        aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen: </al><lijst><li nr=""><al>deel A: lesgebouwen; </al></li><li nr=""><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al></li></lijst><al/><al><vet>DEEL A </vet></al><al/><al><vet>Lesgebouwen</vet><vet>1 </vet></al><al><vet>School voor basisonderwijs </vet></al><al> De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2a, 1.3.2b en 1.10 d worden
                        niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard.
                        Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg
                        met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college. </al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="2."><al>1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                                zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht of b2 het feit dat de te
                                huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                                die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                                ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                                en </al></li><li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet> De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten
                                opzichte van de levensduurverlenging); </al></li><li nr="2."><al>1. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn
                                (of zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht of 2. het feit dat de te
                                huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan
                                de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="1."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                                beoordeling van het college; </al></li><li nr="2."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                herschikkingsoperatie; </al></li><li nr="3."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats. </al><al/><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al><vet>1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</vet></al><al> De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de
                                capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond
                                van bijlage III, deel A, aanwezig is; </al></li><li nr="2."><al>1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor
                                blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan
                                (kunnen) worden verwacht of b2 het feit dat de prognose, die voldoet
                                aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                                vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze
                                groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of b3 het feit dat
                                de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat
                                er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor
                                maximaal vier jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                                gehuisvest en </al></li><li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra
                                huisvesting voor de school te realiseren, terwijl </al></li><li nr="4."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                                verschil in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige
                                bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is
                                vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk
                                inpandig een of meer benodigde leslokalen te maken. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.2a Uitbreiding basisschool met een tweede speellokaal</vet></al><al> De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste
                                leerlingen (van vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen
                                telt en dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening en voor ten minste vijftien
                                jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening deze
                                groepen leerlingen kunnen worden verwacht terwijl </al></li><li nr="2."><al>voor het spelen van (een deel van) de vier- en vijfjarigen geen
                                gebruik kan worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een
                                speellokaal van een andere basisschool of school voor speciaal
                                onderwijs binnen 300 meter hemelsbreed. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.2b Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                            speellokaal</vet></al><al> De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                                worden toegelaten; </al></li><li nr="2."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                                vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien
                                jaren zal blijven bestaan en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl
                            </al></li><li nr="4."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                                hemelsbreed niet mogelijk is en </al></li><li nr="5."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                                verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de
                                genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van
                                bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te maken. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al><al> De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt of a2 het feit dat het huidige
                                gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl
                            </al></li><li nr="2."><al>1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                                en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                                worden verwacht of b2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig
                                zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="3."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;
                            </al></li><li nr="4."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en </al></li><li nr="5."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al><al> De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="1."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren
                                is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een
                                afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl
                            </al></li><li nr="2."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
                            </al></li><li nr="3."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten
                                van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen
                                en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.6 Terrein</vet></al><al> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al> De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het
                        feit dat de school, op grond van de meest recente teldatum, uitgebreid wordt
                        met ten minste één groep leerlingen, en voor zo'n uitbreiding in de periode
                        vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. Bij
                        fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket,
                        indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter
                        is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen. De noodzaak voor een
                        toeslag tweede speellokaal onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat een
                        basisschool uitgebreid wordt met een tweede speellokaal. </al><al/><al><vet>1.8 Eerste inrichting meubilair</vet></al><al> De noodzaak voor eerste aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de
                        school, op grond van de meest recente teldatum, uitgebreid wordt met ten
                        minste één groep leerlingen, en voor zo'n uitbreiding in de periode vanaf 1
                        augustus 1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. Bij fusie
                        van scholen kan er alleen sprake zijn van extra meubilair, indien het aantal
                        groepen ongewogen leerlingen na fusie groter is dan dat van de aan de fusie
                        deelnemende scholen. De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal
                        meubilair blijkt uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een
                        tweede speellokaal. </al><al/><al><vet>1.9 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                        leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond
                        van bijlage III, deel A, aanwezig is.</al><al/><al><vet>1.10 Aanpassing</vet></al><al> De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="1."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen
                                gesteld in bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="2."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of
                                om, afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school
                                voor basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes
                                jaar; </al></li><li nr="3."><al>creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw; </al></li><li nr="4."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw; </al></li><li nr="5."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                                regelgeving; </al></li><li nr="6."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en </al></li><li nr="7."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                                aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen; </al></li><li nr="8."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen. </al></li></lijst><al/><al><vet>Ad a</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                        ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                        beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het
                        gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school voor
                        basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter
                        beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><al><vet>Ad b</vet> De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een
                        schoolgebouw te kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van
                        het aantal groepen leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden
                        beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school
                        voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het
                        onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen. De noodzaak
                        voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school voor
                        basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                        worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor
                        het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar. </al><al><vet>Ad c</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er
                        meer groepen leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw, als vastgesteld
                        op grond van bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens
                        sprake is van een bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto-oppervlakte
                        en de genormeerde bruto-oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of
                        meer noodzakelijke extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen
                        medegebruiksmogelijkheden aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter
                        hemelsbreed. Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan
                        uitbreiding, op grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof
                        uitbreiding de gevraagde voorziening is. </al><al><vet>Ad d</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                        school niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m2
                        aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een
                        school binnen 300 meter mogelijk is. Voor een speciale school voor
                        basisonderwijs is de noodzaak ook afhankelijk van het feit dat tot de school
                        minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het
                        inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks
                        ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt
                        beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is. </al><al><vet>Ad e</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                        overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat
                        verschil op korte termijn moet worden opgeheven. </al><al><vet>Ad f</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                        oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                        vervanging noodzakelijk is. </al><al><vet>Ad g </vet> De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de
                        aanwezigheid van een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de
                        handicap de betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft
                        het aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om
                        zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige
                        onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan
                        worden gegeven. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                        noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                        bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                        leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                        Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang
                        van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                        verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                        goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al><vet>Ad h</vet> De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="1."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en </al></li><li nr="2."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                                onderwijskundige vernieuwingen, en </al></li><li nr="3."><al>het een permanent gebouw betreft, en </al></li><li nr="4."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.11 Onderhoud</vet></al><al> De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="1."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in
                                het overzicht 'onderhoud primair onderwijs'; </al></li><li nr="2."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="3."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                                centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
                        Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is. Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien: </al><lijst><li nr="1."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in
                                bijlage II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de
                                school nodig is; en </al></li><li nr="2."><al>voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt
                                van medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.12 Herstel van constructiefouten</vet></al><al> De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een
                        bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel
                        van) een constructiefout. </al><al/><al><vet>1.13 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd. </al><al/><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                        geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                        onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                        bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van het college. </al><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging
                                voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="2."><al>1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                                zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht of b2 het feit dat de te
                                huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                                die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                                ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                                en </al></li><li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten
                                opzichte van de verlenging van de levensduur); </al></li><li nr="2."><al>1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of
                                zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht of b2 het feit dat de te
                                huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                                de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="1."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                                beoordeling van het college; </al></li><li nr="2."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                herschikkingsoperatie; </al></li><li nr="3."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats. </al><al/><al><vet>2.3 Uitbreiding</vet></al><al/><al><vet>2.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de
                                capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond
                                van bijlage III, deel A aanwezig is; </al></li><li nr="2."><al>1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor
                                blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan
                                (kunnen) worden verwacht of b2 het feit dat de prognose, die voldoet
                                aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                                vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze
                                groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of b3 het feit dat
                                de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat
                                er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor
                                maximaal vier jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                                gehuisvest; </al></li><li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra
                                huisvesting voor de school te realiseren, terwijl </al></li><li nr="4."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                                verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de
                                genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van
                                bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer
                                benodigde leslokalen te maken. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                                worden toegelaten; </al></li><li nr="2."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                                vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien
                                jaren zal blijven bestaan en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl
                            </al></li><li nr="4."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                                motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                                en, </al></li><li nr="5."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                                verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de
                                genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van
                                bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal
                                te maken. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school of
                                nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt
                                of a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding
                                in aanmerking komt, terwijl </al></li><li nr="2."><al>1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                                en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                                worden verwacht of b2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig
                                zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="3."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;
                            </al></li><li nr="4."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en </al></li><li nr="5."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="1."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren
                                is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een
                                afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl
                            </al></li><li nr="2."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
                            </al></li><li nr="3."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten
                                voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen
                                en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                        blijkt uit het feit dat de school of nevenvestiging, op grond van de laatste
                        teldatum voorafgaande aan het indienen van de aanvraag [of: de meest recente
                        teldatum], uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor
                        zo'n uitbreiding in de periode vanaf 1 januari 1988 nog niet eerder
                        bekostiging heeft plaatsgevonden. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake
                        zijn van extra onderwijsleerpakket en meubilair, indien het aantal groepen
                        na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen. </al><al/><al><vet>2.8 Medegebruik</vet></al><al> De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                        leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond
                        van bijlage III, deel A, aanwezig is. </al><al/><al><vet>2.9 Aanpassing</vet></al><al> De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="1."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                                gelet op de eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="2."><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten; </al></li><li nr="3."><al>creëren van een extra lesruimte; </al></li><li nr="4."><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw; </al></li><li nr="5."><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een
                                ander vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs); </al></li><li nr="6."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                                regelgeving; </al></li><li nr="7."><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en </al></li><li nr="8."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                                aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen. </al></li></lijst><al/><al><vet>Ad a</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                        ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                        beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het
                        gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling
                        van het college, te verwezenlijken zijn. De noodzaak voor deze activiteit
                        kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in gebruik wordt genomen door een
                        andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan noodzakelijk zijn, zijn de
                        specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die nog niet in het gebouw
                        aanwezig zijn. </al><al><vet>Ad b</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het
                        aantal groepen leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw
                        moet worden beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte
                        aanwezig is, terwijl dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende
                        onderwijs. </al><al><vet>Ad c</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er
                        meer groepen leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw als vastgesteld op
                        grond van bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake
                        is van een bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto-oppervlakte en de
                        genormeerde bruto-oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer
                        noodzakelijke extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen
                        medegebruiksmogelijkheden aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter
                        hemelsbreed. Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan
                        uitbreiding, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is. </al><al><vet>Ad d</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid
                        van meer dan 60 leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens
                        de prognose als vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste
                        vijftien jaren aanwezig zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of
                        meer - gelet op de bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen.
                        </al><al><vet>Ad e</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                        keuze voor een ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur
                        is goedgekeurd. </al><al><vet>Ad f</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                        overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat
                        verschil op korte termijn moet worden opgeheven. </al><al><vet>Ad g</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                        oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                        vervanging noodzakelijk is. </al><al><vet>Ad h</vet> De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de
                        aanwezigheid van een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de
                        handicap de betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft
                        het aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om
                        zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige
                        onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk
                        gegeven. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                        noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                        bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                        leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                        Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang
                        van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                        verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                        goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al/><al><vet>2.10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="1."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in
                                het overzicht 'onderhoud primair onderwijs'; </al></li><li nr="2."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="3."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                                centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
                        Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is. Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de
                                vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar
                                voor de school nodig zijn; en </al></li><li nr="2."><al>voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt
                                van medegebruik elders. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.11 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al><al/><al><vet>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht
                        voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere
                        omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag
                        en ter beoordeling van het college. </al><al/><al><vet>3.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="2."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                                verwacht of b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig
                                zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                                kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.2 Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="1."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                                bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c,
                                in zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten
                                opzichte van de levensduurverlenging); </al></li><li nr="2."><al>1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                                voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                                minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of b2
                                de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                                de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                jaren dit aantal leerlingen kan worden verwacht en </al></li><li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="1."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                                beoordeling van het college; </al></li><li nr="2."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                herschikkingsoperatie; </al></li><li nr="3."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.
                        </al><al/><al><vet>3.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de
                                met tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                                vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de
                                aanwezige capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte
                                -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor
                                blijvend gebruik bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier
                                jaren voor uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening deze aantallen leerlingen kunnen worden verwacht en
                            </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt of a2 het feit dat het huidige
                                gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl
                            </al></li><li nr="2."><al>1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                                en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                                worden verwacht of b2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig
                                zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="3."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;
                            </al></li><li nr="4."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en </al></li><li nr="5."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="1."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren
                                is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een
                                afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl
                            </al></li><li nr="2."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
                            </al></li><li nr="3."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten
                                voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal
                                leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het
                                college. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.6 Terrein</vet></al><al> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet></al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair
                        bestaat wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                        huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                        huisvestingscapaciteit van de school. Tevens bestaat aanspraak op een
                        tegemoetkoming in de eerste inrichting- en hulpmiddelen en meubilair indien
                        door middel van een inpandige aanpassing een andere ruimtesoort wordt
                        gecreëerd. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra
                        inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen
                        na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke
                        aan de fusie deelnemende scholen. </al><al/><al><vet>3.8 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                        leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit
                        is. De capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.
                        </al><al/><al><vet>3.9 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al><al/><al><vet>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al/><al><vet>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten
                                opzichte van de levensduurverlenging) en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                                140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor
                                belemmerd wordt en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
                            </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt of a2 het feit dat het huidige gebouw voor
                                vervanging, conform het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt
                                en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de
                                gemeente vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en
                            </al></li><li nr="4."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.5 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs
                                is verstrekt. </al></li></lijst><al><vet>1.7 Eerste inrichting meubilair</vet> De noodzaak van eerste inrichting
                        meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is
                                verstrekt. </al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                                voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.
                            </al></li></lijst><al/><al><vet>1.8 Medegebruik</vet></al><al> De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente
                        vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen
                        de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><al/><al><vet>1.9 Aanpassing</vet></al><al/><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte; </al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte; </al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen
                                gesteld in bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving; </al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties. </al></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet> De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee
                        wasgelegenheden zijn. <vet>Ad 2</vet> De noodzaak blijkt uit het feit dat er
                        geen twee kleedruimten zijn. </al><al><vet>Ad 3</vet> De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                        desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd
                        onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl
                        deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te
                        verwezenlijken zijn. </al><al><vet>Ad 4</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                        overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl
                        onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
                        </al><al><vet>Ad 5</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                        oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                        vervanging noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden
                        indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                        voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden
                        verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de
                        voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende
                        leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er
                        geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al/><al><vet>1.10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="1."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in
                                het overzicht 'onderhoud primair onderwijs'; </al></li><li nr="2."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="3."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                                centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
                        Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is. </al><al/><al><vet>1.11 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al><al/><al><vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw</vet></al><al> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging
                                voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1 km</cursief>
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                speciaal onderwijs, <cursief>2 km</cursief>hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal
                                onderwijs, <cursief>3,5 km</cursief>hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of
                                    <cursief>7,5 km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                                door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van
                                een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke
                                termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de groepen leerlingen waarvoor het door de
                                gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                                (zullen) zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten
                                opzichte van de levensduurverlenging) en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                minste 10 groepen speciaal onderwijs, <cursief>2 km</cursief>
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                voortgezet speciaal onderwijs, <cursief>3,5
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5 km</cursief>
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen
                                speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                                gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de groepen leerlingen waarvoor het door de
                                gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                                (zullen) zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                                    <cursief>140 m2</cursief><cursief> en daardoor het effectief
                                    gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt
                                en</cursief></al></li><li nr="2."><al>h <cursief>et afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1
                                    km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                minste 10 groepen speciaal onderwijs, <cursief>2
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, <cursief>3,5
                                    km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                                gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de groepen leerlingen waarvoor het door de
                                gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                                (zullen) zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>1 het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het
                                eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of a2 het feit dat het
                                huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2 onder a,
                                in aanmerking komt en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1 km</cursief>
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                speciaal onderwijs, <cursief>2 km</cursief>hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal
                                onderwijs, <cursief>3,5 km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk
                                gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5
                                    km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of
                                meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> het door de gemeente vastgestelde aantal
                                klokuren aanwezig (zullen) zijn en </al></li><li nr="4."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.5 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en
                            </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste onderwijsleerpakket is verstrekt. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.7 Eerste inrichting meubilair</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en
                            </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste inrichting meubilair is verstrekt. </al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                                voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt
                                goedgekeurd en </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.8 Medegebruik</vet></al><al> De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de
                        gemeente getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor
                        binnen de huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.
                        </al><al/><al><vet>2.9 Aanpassing</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte; </al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte; </al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen
                                gesteld in bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving; </al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties. </al></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet> De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee
                        wasgelegenheden zijn. <vet>Ad 2</vet> De noodzaak blijkt uit het feit dat er
                        geen twee kleedruimten zijn. </al><al><vet>Ad 3</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                        ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                        beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het
                        gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het
                        (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten,
                        zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><al><vet>Ad 4</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                        overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl
                        onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
                        </al><al><vet>Ad 5</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                        oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                        vervanging noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden
                        indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                        voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden
                        verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de
                        voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende
                        leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er
                        geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al/><al><vet>2.10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="1."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in
                                het overzicht 'onderhoud primair onderwijs'; </al></li><li nr="2."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="3."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                                centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
                        Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste <cursief>vier
                            jaar</cursief> voor de school nodig is. </al><al/><al><vet>2.11 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al><al/><al><vet>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd. </al><al/><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>3.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>2000
                                    meter</cursief>hemelsbreed gebruik te maken van een of
                                meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs
                                noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten
                                opzichte van de levensduurverlenging) en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>2000
                                    meter</cursief>hemelsbreed gebruik te maken van een of
                                meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs
                                noodzakelijk is, aanwezig zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                                140 m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte
                                belemmerd wordt en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
                            </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen
                                waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.
                            </al></li></lijst><al/><al><vet>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt of a2 het feit dat het huidige gebouw voor
                                vervanging, conform het gestelde bij 3.2 onder a, in aanmerking komt
                                en </al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
                            </al></li><li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen
                                waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en
                            </al></li><li nr="4."><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan
                                ten opzichte van de kosten van vervangende bouw. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.5 Terrein</vet></al><al> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder
                                eerste inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.7 Medegebruik</vet></al><al/><al><vet>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                        klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in
                        gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is. </al><al/><al><vet>3.7.2 Huur van een sportterrein</vet></al><al> De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit: </al><lijst><li nr="1."><al>a het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het
                                bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en </al></li><li nr="2."><al>b er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een
                                ander bevoegd gezag. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.8 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al><al/><al><vet>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al><vet>I-1</vet></al><al><vet>Overzicht 'Onderhoud PO'</vet></al><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud: </al><al>- Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten </al><al>- Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al><al>- Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders. </al><al>- Vervangen brandtrap. </al><al>- Vervangen erfscheiding. </al><al>- Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein. </al><al>- Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                        (renovatie-activiteit). </al><al>- Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                        (renovatie-activiteit). </al><al>- Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie-activiteit). </al><al>- Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten. </al><al>- Vervangen boeiboorden. </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</titel></kop><al>Toelichting</al><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als
                        bedoeld in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en
                        artikel 25, derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste
                        vijftien jaren te starten met het gewenste jaar van bekostiging. In bijlage
                        I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke
                        prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor
                        (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                        terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk
                        zijn om het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                        korte-termijnprognose. De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te
                        verwachten leerlingen van de school of nevenvestiging door in elk geval
                        rekening te houden met: </al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden; </al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;
                            </al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                                uitbreiding van het voedingsgebied; </al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de
                                bevolking als gevolg van migratie, sterfte en geboorte; </al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                                woningvoorraad; </al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor
                                de school en </al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven. </al></li></lijst><al/><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud. De prognose omvat in elk geval
                        de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de
                        analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de indiening
                        van de aanvraag. Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit
                        het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken:
                        zal zijn). Voor een basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een
                        beschrijving geleverd van het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een
                        speciale school voor basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over de
                        gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten
                        die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij aanlevering van een prognose
                        dienen de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en
                        prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. Bij deze levering worden in elk
                        geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met betrekking
                        tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is gebaseerd,
                        aangegeven en onderbouwd. Het college is bevoegd onderscheiden naar
                        onderwijssoort nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan een
                        prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het college
                        vormen de nadere regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal
                        onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b van de
                        Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Katwijk. </al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><al/><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: </al><al>- deel A: de bepaling van de capaciteit; </al><al>- deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; </al><al>- deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; </al><al>- deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al/><al/><al><vet>DEEL A </vet></al><al><vet>De bepaling van de capaciteit</vet><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens
                        onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met
                        het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met
                        onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe
                        beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                        culturele, maatschappelijke en recreatieve doeleinden.</al><al/><al><vet>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                            B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                        bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie
                        voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in
                        het primair onderwijs'. </al><al/><al><vet>Basisschool</vet></al><al> De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het
                        aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk
                        aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in
                        een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief het
                        handvaardigheidslokaal, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen
                        worden niet meegeteld. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met
                        andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt
                        genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit
                        deel wordt wel geregistreerd. Om te kunnen bepalen of een gebouw is
                        'overgedimensioneerd', dient een relatie te worden gelegd tussen de
                        capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en
                        normatieve capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen waarvoor een gebouw
                        normatief geschikt is, wordt, op basis van de bvo, vastgesteld met behulp
                        van tabel 1, 2 en 3 hieronder voor respectievelijk huisvesting met een
                        permanente bouwaard en huisvesting met een tijdelijke bouwaard. </al><al/><al>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin
                                                meer dan 30 leerlingen worden gehuisvest</vet></al></entry></row><row><entry><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry><al>Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor onderwijskundige
                                            vernieuwingen) </al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>350 </al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>465</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>580</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>785</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>900</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>1.015</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>1.130</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>1.245</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>1.360</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>1.475</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>1.590</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>1.705</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>en vervolgens te verhogen met 115 m2 ten behoeve van één
                                            groep leerlingen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal,
                                            wordt de minimale bvo opgehoogd met 90 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin
                                                minder dan 31 leerlingen worden gehuisvest </vet></al></entry></row><row><entry><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry><al>Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor onderwijskundige
                                            vernieuwingen) </al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>330</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry><al>Minimale bvo</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>305</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>410</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>515</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>710</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>815</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>920</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>1.025</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>en vervolgens telkens te verhogen met 105 m2 ten behoeve
                                            van één groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry><al>Minimale bvo</al></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>100</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>180</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>260 </al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>340</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>420</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>en vervolgens telkens te verhogen met 80 m2 ten behoeve
                                            van één groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                        groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, is het aantal
                        lokalen de capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen
                        kleiner is dan het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2
                        of 3, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke
                        bvo en de normatieve bvo behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw
                        geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal waarmee de bvo van het
                        gebouw is overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het
                        mogelijk verwerken van deze overdimensionering van de bvo op het moment dat
                        het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden
                        uitgebreid. </al><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al> De capaciteit van een gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs
                        wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit
                        aantal groepen is het aantal lokalen, verminderd met één. Het aantal lokalen
                        wordt verminderd met twee indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen.
                        Het aantal lokalen wordt verminderd met drie indien het gebouw bestaat uit
                        meer dan 26 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw
                        geschikt is. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten,
                        inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen
                        worden niet meegeteld. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met
                        andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt
                        genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit
                        deel wordt wel geregistreerd. Om te kunnen bepalen of een gebouw is
                        overgedimensioneerd, dient er een relatie te worden gelegd tussen de
                        capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en
                        normatieve capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen waarvoor een gebouw
                        normatief geschikt is, wordt, op basis van de bvo, vastgesteld met behulp
                        van tabel 4 hieronder voor huisvesting met een permanente bouwaard. Voor
                        huisvesting met een tijdelijke bouwaard wordt gebruikgemaakt van tabel 2 en
                        3. </al><al/><al>Tabel 4 Gebouwen met een permanente bouwaard </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>Permanente gebouwen voor een speciale school voor
                                                basisonderwijs</vet></al></entry></row><row><entry><al>vaste voet m2</al></entry><entry><al>inclusief</al></entry><entry><al>m2 per groep</al></entry><entry><al>toeslag extra ruimte</al></entry></row><row><entry><al>670</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>105</al></entry><entry><al>125</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De vaste voet aan bvo is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen.
                        Dit aantal is in de kolom 'inclusief' aangegeven. De toeslag extra ruimte
                        omvat een aantal extra m2 voor het creëren van een extra lokaal, niet zijnde
                        een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). De toeslag extra ruimte
                        wordt toegekend bij het vormen van de 12e groep. Indien het werkelijke
                        aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal groepen zoals
                        vastgesteld op basis van tabel 2, 3 of 4, is het aantal lokalen de
                        capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is
                        dan het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 2, 3 of 4, wordt
                        de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke bvo en de
                        normatieve bvo, behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt
                        is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m2 waarmee de bvo van het gebouw
                        is overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk
                        verwerken van deze overdimensionering van de bvo op het moment dat het
                        gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden
                        uitgebreid. </al><al/><al><vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                            bouwaard</vet><vet>Basisschool</vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt
                        het gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen
                        1, 2 en 3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen
                        wordt uitgegaan van 115 m2 BVO per groep leerlingen indien sprake is van een
                        gebouw met een permanente bouwaard en van 80 m2 per groep leerlingen indien
                        sprake is van een gebouw met een tijdelijke bouwaard.</al><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De capaciteit van dislocaties voor speciale scholen voor basisonderwijs
                        wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Dit
                        aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende
                        gebouw. Het aantal lokalen betreft het aantal lesruimten, inclusief de
                        vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet
                        meegeteld. Voor dislocaties voor speciale scholen voor basisonderwijs is de
                        'overdimensionering' niet te bepalen. </al><al/><al><vet>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een
                        hoofdgebouw (van een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en
                        een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld.
                        Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van
                        het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde
                        opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden
                        toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw is het
                        gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt
                        is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                        grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                        doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                        beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                        grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw
                        van de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van
                        de bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van
                        de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan
                        krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor
                        omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het
                        vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het
                        college, het college anders beslist. </al><al/><al><vet>1.4 Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                        grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen
                        bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al/><al><vet>1.5 Inventaris</vet> Met de inventarisgegevens worden de gegevens
                        bedoeld, waarmee het aantal groepen van de desbetreffende school wordt
                        vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. De
                        aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het
                        meubilair worden afzonderlijk vastgelegd. </al><al/><al/><al><vet>a. onderwijsleerpakket</vet> Het aantal groepen waarvoor
                        onderwijsleerpakket aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van de volgende
                        twee stappen: </al><lijst><li nr="1."><al>Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, is
                                gelijk aan het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket
                                noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien in
                                het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen
                                onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het college dit aan door
                                middel van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                                Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de
                                correspondentie tussen burgemeester en wethouders en het
                                desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het
                                college, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien
                                in de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket. Indien in het
                                verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen
                                onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het bevoegd gezag van de
                                school dit aan. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het bovenstaand aantal groepen onderwijsleerpakket dient te worden
                                geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel: </al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Omrekentabel onderwijsleerpakket</vet></al></entry></row><row><entry><al>OUD</al></entry><entry><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>6</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>10</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>21</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>24</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>32</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>b. meubilair</vet> Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is,
                        wordt bepaald aan de hand van de volgende twee stappen: </al><lijst><li nr="1."><al>Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, is gelijk aan het
                                aantal groepen waarvoor meubilair noodzakelijk is bij aanvang van
                                het schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na
                                inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen meubilair is
                                verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het
                                ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven
                                beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen
                                burgemeester en wethouders en het desbetreffende schoolbestuur. Van
                                het laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het
                                ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van meubilair.
                                Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder
                                groepen meubilair is verstrekt, toont het bevoegd gezag van de
                                school dit aan. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het bovenstaand aantal groepen meubilair dient te worden
                                geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel: </al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Omrekentabel meubilair</vet></al></entry></row><row><entry><al>OUD</al></entry><entry><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>22</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>24</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>27</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>29</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>31</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>32</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>33</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>34</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het
                        meubilair worden afzonderlijk vastgelegd. </al><al/><al><vet>1.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte</vet> De capaciteit van een gymnastiekruimte
                        voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren. </al><al/><al><vet>1.6.2 Terrein</vet> De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals
                        vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de
                        vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein
                        van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><al/><al><vet>1.6.3 Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt
                        geacht voldoende te zijn. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan
                        in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot
                        vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                        indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve
                        van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al><al/><al><vet>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al> De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een
                        gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                        'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                        schoolgebouwen in het primair onderwijs'. De capaciteit van een gebouw wordt
                        vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal
                        groepen is het aantal lokalen verminderd met 1. In het speciaal onderwijs
                        wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer
                        dan 13 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd met 3 indien het
                        gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen om het aantal groepen te bepalen
                        waarvoor het gebouw geschikt is. In het voortgezet speciaal onderwijs wordt
                        het aantal lokalen verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan
                        14 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd met 3 indien het gebouw
                        bestaat uit meer dan 28 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor
                        het gebouw geschikt is. Indien het een school betreft voor het (voortgezet)
                        speciaal onderwijs wordt de capaciteit van het gebouw berekend door het
                        aantal mogelijk te huisvesten groepen voor het speciaal onderwijs en het
                        voortgezet speciaal onderwijs afzonderlijk te bepalen. Het aantal lokalen in
                        een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter
                        dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet meegeteld. Indien een
                        deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en
                        hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                        capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. Om te
                        kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te
                        worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het
                        aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen,
                        waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de BVO,
                        vastgesteld met behulp van de oppervlakteformules, voor gebouwen met een
                        permanente bouwaard, van tabel 4 'Ruimtenormering (V)SO'. Voor de
                        vaststelling van het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt
                        is voor gebouwen met een tijdelijke bouwaard worden de tabellen 2 'Gebouwen
                        met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting' en tabel 3 'Gebouwen
                        met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting' gehanteerd. </al><al/><al>Tabel 4 Ruimtenormering (V)SO </al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><tbody><row><entry><al>schoolsoort </al></entry><entry><al>vaste voet m² </al></entry><entry><al>incl.</al></entry><entry><al>m² per groep </al></entry><entry><al>correctie m² VSO </al></entry><entry><al>toeslag m² extra ruimte</al></entry></row><row><entry><al>SO doven</al></entry><entry><al>775</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>75</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>105</al></entry></row><row><entry><al>VSO doven</al></entry><entry><al>800</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>84</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>60</al></entry></row><row><entry><al>SO sh/esm</al></entry><entry><al>628</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>95</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>130</al></entry></row><row><entry><al>SO visg</al></entry><entry><al>727</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>96</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>116</al></entry></row><row><entry><al>SO lg</al></entry><entry><al>850</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>134</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>150</al></entry></row><row><entry><al>SO lz</al></entry><entry><al>638</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>100</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>105</al></entry></row><row><entry><al>SO zmlk</al></entry><entry><al>585</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>95</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>100</al></entry></row><row><entry><al>SO zmok</al></entry><entry><al>585</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>95</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>105</al></entry></row><row><entry><al>SO pi</al></entry><entry><al>575</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>95</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>92</al></entry></row><row><entry><al>SO mg</al></entry><entry><al>733</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>110</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>132</al></entry></row><row><entry><al>VSO sh/esm</al></entry><entry><al>563</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>84</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>65</al></entry></row><row><entry><al>VSO visg</al></entry><entry><al>660</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>88</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>45</al></entry></row><row><entry><al>VSO lg</al></entry><entry><al>725</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>110</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>70</al></entry></row><row><entry><al>VSO lz</al></entry><entry><al>575</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>80</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>90</al></entry></row><row><entry><al>VSO zmlk</al></entry><entry><al>600</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>93</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>80</al></entry></row><row><entry><al>VSO zmok</al></entry><entry><al>600</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>80</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>102</al></entry></row><row><entry><al>VSO pi</al></entry><entry><al>535</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>80</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>75</al></entry></row><row><entry><al>VSO mg</al></entry><entry><al>725</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>113</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><table><tgroup cols="7"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><tbody><row><entry><al>schoolsoort</al></entry><entry><al>vaste voet m²</al></entry><entry><al>incl.</al></entry><entry><al>m² per groep</al></entry><entry><al>correctie m² VSO</al></entry><entry><al>toeslag extra (SO)</al></entry><entry><al>m² ruimte (VSO)</al></entry></row><row><entry><al>sg doven</al></entry><entry><al>775</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>77</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>105</al></entry><entry><al>60</al></entry></row><row><entry><al>sg sh/esm</al></entry><entry><al>628</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>96</al></entry><entry><al>-12</al></entry><entry><al>115</al></entry><entry><al>60</al></entry></row><row><entry><al>sg visg</al></entry><entry><al>727</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>96</al></entry><entry><al>-10</al></entry><entry><al>116</al></entry><entry><al>45</al></entry></row><row><entry><al>sg lg</al></entry><entry><al>850</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>135</al></entry><entry><al>-27</al></entry><entry><al>135</al></entry><entry><al>70</al></entry></row><row><entry><al>sg lz</al></entry><entry><al>638</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>99</al></entry><entry><al>-14</al></entry><entry><al>120</al></entry><entry><al>65</al></entry></row><row><entry><al>sg zmlk</al></entry><entry><al>585</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>97</al></entry><entry><al>-2</al></entry><entry><al>100</al></entry><entry><al>80</al></entry></row><row><entry><al>sg zmok</al></entry><entry><al>585</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>105</al></entry><entry><al>-19</al></entry><entry><al>55</al></entry><entry><al>85</al></entry></row><row><entry><al>sg pi</al></entry><entry><al>575</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>95</al></entry><entry><al>-12</al></entry><entry><al>92</al></entry><entry><al>60</al></entry></row><row><entry><al>sg mg</al></entry><entry><al>733</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>108</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>132</al></entry><entry><al>50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vaste voet aan bruto-vloeroppervlakte is inclusief ruimten voor een
                        bepaald aantal groepen. Dit aantal groepen is in de kolom 'incl.' gegeven.
                        De relatie tussen de vaste voet en de minimum opheffingsnorm voor de scholen
                        is hiermee in stand gebleven. </al><al> In de bruto-vloeroppervlakte voor SO-VSO-scholen is uitgegaan van dezelfde
                        vaste voet als voor de SO-component. Het aantal m2 per groep, alsmede de
                        extra toe te kennen ruimte kan anders zijn dan bij categoriale SO- of
                        VSO-scholen. Tevens wordt op het aantal vierkante meters per groep een
                        correctie toegepast voor het aantal aanwezige VSO-groepen. Een voorbeeld van
                        de berekening van het aantal m2 is in de toelichting opgenomen. De toeslag
                        voor extra ruimte (ER) omvat een aantal extra m2 voor het creëren van een
                        extra lokaal, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte
                        toeslag). In het speciaal onderwijs wordt de toeslag ER toegekend bij het
                        vormen van de 12e groep, in het voortgezet speciaal onderwijs bij het vormen
                        van de 13e groep. </al><al>Indien het aantal groepen waarvoor het gebouw normatief geschikt is, zoals
                        vastgesteld op basis van de tabel ruimtenormering (V)SO, groter is dan het
                        aantal groepen, zijnde de capaciteit op basis van het aantal lokalen, wordt
                        de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke BVO en de BVO
                        behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze
                        verschiloppervlakte is het aantal m2 waarmee het gebouw is
                        'overgedimensioneerd' en wordt als zodanig geregistreerd. De registratie
                        vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze 'overdimensionering'
                        van de BVO op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de
                        capaciteit moet worden uitgebreid.</al><al/><al><vet>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                            tijdelijke bouwaard.</vet></al><al>De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor
                        het gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen
                        in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen betreft het aantal
                        lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m2. De
                        speellokalen worden niet meegeteld. Voor de bepaling van de
                        overdimensionering van een nevenvestiging wordt de normatieve capaciteit van
                        een nevenvestiging bepaald met behulp van tabel 3 'gebouwen met een
                        tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting' uit hoofdstuk 1 van deze
                        bijlage. N.B.: Voor dislocaties is de 'overdimensionering' niet te bepalen. </al><al/><al><vet>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een
                        hoofdgebouw en een of meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze
                        gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de
                        gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, omdat
                        nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                        vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering
                        plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de
                        dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een
                        tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
                        Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                        staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te
                        dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. De vaststelling van de
                        rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het
                        bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist. </al><al/><al><vet>2.4 Terrein</vet> Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal
                        perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren
                        zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                        kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                        niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met
                        overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
                        </al><al/><al><vet>2.5 Inventaris</vet> De inventarisgegevens betreffen de gegevens ter
                        vaststelling van het aantal groepen van de desbetreffende school waarvoor
                        het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. Het aantal groepen
                        waarvoor inventaris aanwezig is, is gelijk aan het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar 1996/1997. Indien
                        in het verleden voor meer groepen inventaris is verstrekt, toont het college
                        dit aan door middel van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de
                        correspondentie tussen burgemeester en wethouders en het desbetreffende
                        schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college, zonder
                        tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf
                        van onderwijsleerpakket en meubilair. Indien in het verleden, na
                        inwerkingtreding van de ISOVSO, voor minder groepen inventaris is verstrekt,
                        toont het bevoegd gezag van de school dit aan. De aanwezigheid van het
                        onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk
                        vastgelegd. </al><al/><al><vet>2.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>2.6.1 Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs bedraagt 40 klokuren. </al><al/><al><vet>2.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd. </al><al/><al><vet>2.6.3 Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt
                        geacht voldoende te zijn. </al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al> De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs
                        wordt vastgelegd in gegevens over: </al><lijst><li nr=""><al>- de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen; </al></li><li nr=""><al>- het aantal specifieke ruimten; </al></li><li nr=""><al>- het aantal werkplaatsen; </al></li><li nr=""><al>- het aantal gymnastieklokalen. </al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school
                        besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde
                        capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet
                        ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al><al/><al><vet>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente
                            of een tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is
                        de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de
                        'Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het
                        voortgezet onderwijs'. Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven
                        'aantal gymnastieklokalen' moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven
                        'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' indien en voorzover deze
                        noodzakelijk zijn in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel
                        medegebruik. Bij het gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen'
                        moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden zoals deze binnen het
                        ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van een gebouw is
                        gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de
                        capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><al/><al><vet>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een
                        hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                        rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                        vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het ministerie van
                        Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden
                        vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de
                        rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens
                        vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard
                        te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                        grootste capaciteit. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform
                        het bovenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en
                        het college, het college anders beslist. </al><al/><al><vet>3.3 Terrein</vet> Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal
                        perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren
                        zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                        kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                        niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met
                        overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
                        </al><al/><al><vet>3.4 Inventaris</vet></al><al> Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle
                        instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De
                        bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                        werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang
                        van de aanwezige inventaris. </al><al/><al><vet>3.5 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>3.5.1 Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs
                        bedraagt 40 uur. </al><al/><al><vet>3.5.2 Terrein</vet> De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals
                        vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de
                        vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein
                        van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><al/><al><vet>3.5.3 Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt
                        geacht voldoende te zijn. </al><al/><al/><al><vet>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1 Lesgebouwen</vet><vet>Basisschool</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de
                        huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van
                        een aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of
                        een voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling
                        van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een
                        basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school
                        uitgegaan van de formule onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang
                        van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool
                        wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de
                        formule onder b. De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is
                        opgebouwd uit de bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw
                        (B), kleine scholentoeslag (C) en schoolgewicht (D). </al><al/><al>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening voor een basisschool: G = (A + B + C) / 179
                        Waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.
                                Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel
                                aantal groepen.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>A= het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober
                                voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de
                                school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. Het verkregen
                                getal A wordt niet afgerond. </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>B= het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober
                                voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de
                                school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17. Het
                                verkregen getal B wordt niet afgerond.</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>C= 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober
                                voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de
                                school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). Indien de
                                uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0
                                bepaald. Het verkregen getal C wordt niet afgerond. </al></li></lijst><al/><al/><al>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening voor een basisschool: G = (A + B + C + D) / 179
                        + E + 0,5 F </al><al/><al>Waarbij: </al><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het
                        verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen. </al><al/><al>A= </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest
                                recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven,
                                vermenigvuldigd met 9.</al><al/></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                                aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het
                                aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de datum van de
                                meest recente telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd
                                met 9. Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al/></li></lijst><al>B= </al><lijst><li nr="a."><al> het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente
                                teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                                6,17. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                                aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het
                                aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de datum van de meest
                                recente telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                                6,17. Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al/></li></lijst><al>C = </al><lijst><li nr="a."><al> 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente
                                teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                                2,06). </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                                aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) 280
                                minus (het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest
                                recente telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                                2,06). Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de
                                factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al/></li></lijst><al>D = </al><lijst><li nr="a."><al> som van de gewichten* op basis van het totaal aantal leerlingen dat
                                op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven,
                                verminderd met 8,35% van het totaal aantal leerlingen dat op de
                                meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven.
                                Indien het schoolgewicht D hoger is dan 80% van het aantal op de
                                meest recente teldatum 1 oktober ingeschreven leerlingen van de
                                school, wordt het schoolgewicht D vastgesteld op 80% van het aantal
                                op de meest recente teldatum 1 oktober op de school ingeschreven
                                leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op een
                                geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met
                                3,2. </al><al>*<inf>In deze formule voor de tijdelijke ruimtebehoeftebepaling
                                        wordt met het gewicht alleen de opslag bedoeld. De som van
                                        deze gewichten is het totaal van het aantal leerlingen maal
                                        het gewicht </inf></al><al/></li><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                                aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) som
                                van de gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de
                                datum van de meest recente telling op de school is ingeschreven,
                                verminderd met 8,35% van het totaal aantal leerlingen dat op de
                                datum van de meest recente telling op de school is ingeschreven.
                                Indien het schoolgewicht D hoger is dan 80% van het aantal op de
                                meest recente telling ingeschreven leerlingen van de school, wordt
                                het schoolgewicht D vastgesteld op 80% van het aantal op de meest
                                recente telling op de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen
                                getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele
                                getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2. Indien de uitkomst
                                van deze berekening negatief is, wordt de factor D op 0 bepaald. Het
                                verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al/></li></lijst><al>E = aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend
                        op basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair onderwijs. </al><al/><al>F = het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat door
                        de gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering. </al><al/><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend
                        voor de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke
                        voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te
                        delen door de 'N-factor'. De N-factor voor een speciale school voor
                        basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond
                        indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt
                        het getal naar beneden afgerond. </al><al/><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten</vet><vet>Basisschool</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren
                        gymnastiek. Per groep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                        gymnastiek. Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal
                        formatieplaatsen. Ten behoeve van de bepaling van het aantal
                        formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule G = (A + B + C + D) / 179 De
                        componenten G, A, B, C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen
                        in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III,
                        deel B, onder 1.1. Voor het bepalen van het aantal groepen 6-12 jarigen
                        wordt aangesloten bij het normatieve overzicht 'splitsing aantal groepen
                        leerlingen' zoals weergegeven in tabel 5. Tabel 5 Splitsingstabel aantal
                        groepen leerlingen (G) Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing
                        van het aantal groepen leerlingen (G) in groepen 4- en 5-jarigen en groepen
                        6- tot en met 12-jarigen ten behoeve van het onderwijs in de lichamelijke
                        oefening. Vanaf 2002 wordt uitgegaan van de volledige doorvoering van de
                        groepsgrootteverkleining. </al><al/><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen per school (G)</al></entry><entry><al>Aantal groepen 4/5-jarigen</al></entry><entry><al>Aantal groepen 6/12-jarigen</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>6</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>10</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>Aantal groepen per school (G)</al></entry><entry><al>Aantal groepen 4/5-jarigen</al></entry><entry><al>Aantal groepen 6/12-jarigen</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>21</al></entry></row><row><entry><al>31</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>21</al></entry></row><row><entry><al>32</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>22</al></entry></row><row><entry><al>33</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>34</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>24</al></entry></row><row><entry><al>36</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>37</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>38</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>39</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>27</al></entry></row><row><entry><al>40</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>41</al></entry><entry><al>13</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>42</al></entry><entry><al>13</al></entry><entry><al>29</al></entry></row><row><entry><al>43</al></entry><entry><al>13</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>44</al></entry><entry><al>14</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>45</al></entry><entry><al>14</al></entry><entry><al>31</al></entry></row><row><entry><al>46</al></entry><entry><al>14</al></entry><entry><al>32</al></entry></row><row><entry><al>47</al></entry><entry><al>14</al></entry><entry><al>33</al></entry></row><row><entry><al>48</al></entry><entry><al>15</al></entry><entry><al>33</al></entry></row><row><entry><al>49</al></entry><entry><al>15</al></entry><entry><al>34</al></entry></row><row><entry><al>50</al></entry><entry><al>15</al></entry><entry><al>35</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                        voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal
                        leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                        bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. </al><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend
                        voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6
                        jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school
                        niet de beschikking heeft over een speellokaal. Per groep met leerlingen van
                        6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het
                        aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                        'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor
                        voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal
                        wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is
                        dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. Voor de
                        vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor
                        een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal groepen bepaald
                        aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. </al><al/><al/><al><vet>1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding van) eerste
                            aanschaf onderwijsleerpakket en meubilair.</vet></al><al/><al><vet>Basisschool</vet></al><al> De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten: </al><lijst><li nr="a."><al>onderwijsleerpakket </al></li><li nr="b."><al>meubilair </al></li><li nr="c."><al>onderwijsleerpakket Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de
                                voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het
                                onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                                het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal
                                groepen uitgegaan van de onderstaande formule: G = (A + B + C + D) /
                                179 + E De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de
                                componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik
                                bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1. </al></li><li nr="d."><al>meubilair Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor
                                blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk
                                gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan
                                wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, wordt voor
                                de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande
                                formule: G = (A + B + C) / 179 De componenten G, A, B en C zijn
                                identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor
                                permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B,
                                onder 1.1. </al></li></lijst><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>Het aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald door het
                        aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De N-factor is bepalend voor
                        de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs
                        is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het
                        cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal
                        naar beneden afgerond. </al><al/><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Lesgebouwen</vet> Voor een school of nevenvestiging voor
                        (voortgezet) speciaal onderwijs is het aantal groepen bepalend voor de
                        omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening.
                        Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                        'N-factor'. De N-factor bepaalt de maximale groepsgrootte. In onderstaande
                        tabel 6, 'N-factor', is de groepsgrootte per onderwijssoort en per
                        schooltype weergegeven (artikel 14 Formatiebesluit WEC). Het getal wordt
                        alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan
                        5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. </al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Tabel 6 N-factor</vet></al></entry></row><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>N-factor SO</al></entry><entry><al>N-factor VSO</al></entry></row><row><entry><al>Dove kinderen (DO)</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>6</al></entry></row><row><entry><al>Slechthorende kinderen (SH)</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet
                                            tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen
                                            (ES)</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>Visueel gehandicapten (VISG)</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>Langdurig zieke kinderen (LZ)</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                                            instituten (PI)</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>7*</al></entry><entry><al>7** tenzij bij beschikking van de minister van
                                            Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen anders is
                                            vastgesteld. </al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een SO-school
                        waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                        schooltypen afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                        ruimtebehoeften worden gesommeerd. </al><al/><al><vet>2.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al>Het aantal groepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per
                        groep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                        klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de beschikking
                        heeft over een speellokaal. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder
                        wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal groepen is
                        afhankelijk van het aantal leerlingen. Het aantal groepen wordt bepaald door
                        het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend
                        voor de groepsgrootte. In tabel 6 is de 'N-factor' weergegeven. Het
                        verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de
                        komma hoger is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                        afgerond. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                        accommodatie wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose
                        als bedoeld in bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een
                        SOVSO-school of een SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden,
                        vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk plaats. </al><al/><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>3.1 Lesgebouwen</vet> Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                        met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het
                        totale ruimtebeslag van een instelling voor voortgezet onderwijs is een
                        optelling van twee componenten, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component; </al></li><li nr="2."><al>een vaste voet. </al></li></lijst><al><vet>ad 1 Een leerlinggebonden component</vet></al><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                        leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen </al><al>bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                        leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort
                        onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt. </al><al/><al><vet>ad 2 Een vaste voet</vet></al><al> De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van
                        de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                        onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De
                        vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het
                        onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg. </al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                        bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling
                        en, indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in
                        bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling. Het RBM
                        voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet in
                        een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                        (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de
                        scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die
                        gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen
                        ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. Voor een
                        onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen bruto-normoppervlakten
                        wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage. Indien noodzakelijk
                        voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze
                        onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor
                        voortgezet onderwijs worden bepaald. </al><al/><al>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                        onderwijs </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg </al></entry><entry><al>Ruimtetype </al></entry><entry><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>6,18</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry><al>TLW </al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,41</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>7,07</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,98</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>5,47</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>8,99</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>4,44</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>12,72</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,95</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>0,89</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,56</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,25</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>3,06</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,33</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>2,10</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,71</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>4,22</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>4,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,53</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,94</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,37</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>2,34</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,03</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs </al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,41</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al> TLW = theoretische leerweg </al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs GLW = gemengde leerweg </al><al>GLW = gemengde leerweg </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader) </al><al/><al/><al> Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                        ruimtebehoefte voortgezet onderwijs </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>980</al></entry></row><row><entry><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>550</al></entry></row><row><entry><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>299</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>196</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>168</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>117</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke
                        wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een
                        nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking
                        komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt
                        een aanvullende vaste voet van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden
                        vaste voeten behorende bij die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg
                        wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar de beroepsgerichte
                        leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging
                        waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig is. </al><al/><al><vet>3.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                        gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto
                        vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de
                        voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs. </al><al/><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                        onderwijs </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg</al></entry><entry><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,66</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,26</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>- </al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg </al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs </al><al>GLW = gemengde leerweg </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al><vet>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet></al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                        noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de
                        financiële consequenties vast te stellen. </al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                        aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                        is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                        wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen
                        waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het
                        aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                        'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                        verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                        aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde
                        capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de
                        noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden
                        gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in combinatie met
                        uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte
                        zoals omschreven in deel A van deze bijlage: 'De bepaling van de
                        capaciteit'. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van
                        het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan
                        de kosten van uitbreiding sec van het gebouw. Een toeslag voor een
                        afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de
                        goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw,
                        vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van
                        een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de
                        huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een
                        bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande
                        gebouw geen speellokaal bevat. Een tweede toeslag voor een afzonderlijk
                        speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor
                        blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende
                        nieuwbouw de veertiende groep omvat. De omvang van de goedgekeurde voor
                        blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de
                        omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal
                        groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. Het
                        aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                        'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in
                        de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                        groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting aanwezig is. </al><al/><al><vet>1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                        groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter
                        dan vijftien jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel
                        B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                        wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                        en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is
                        minimaal 1 groep. </al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een
                        speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw,
                        uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de
                        vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding
                        dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft,
                        geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.
                        Een tweede tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een
                        speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende
                        nieuwbouw de veertiende groep omvat. </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                        verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                        aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde
                        capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de
                        noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden
                        gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de
                        verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: 'De
                        bepaling van de capaciteit'. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van
                        het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                        gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk
                        is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. De omvang van de
                        goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                        medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen
                        waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar,
                        noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. </al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing
                        van noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar. Het aantal
                        groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze
                        van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al/><al><vet>1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                        terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte
                        en het gestelde in bijlage III, deel D. </al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding
                        van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt bepaald door het
                        verschil tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste
                        aanschaf van het onderwijsleerpakket voor het aantal groepen, op basis van
                        het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de,
                        voor het indienen van de aanvraag, laatst bekende teldatum [of: meest
                        recente teldatum]. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in
                        paragraaf 1.3 van deel B van deze bijlage. </al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de
                        eerste aanschaf van het meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen
                        het aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van het meubilair is bekostigd
                        en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor het
                        aantal groepen, op basis van het aantal ongewogen leerlingen, zoals
                        normatief kan worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag,
                        laatst bekende teldatum [of: meest recente teldatum]. Het aantal groepen
                        wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van deel B van deze bijlage.
                        Voor een basisschool wordt een toeslag onderwijsleerpakket tweede
                        speellokaal toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede
                        speellokaal. </al><al>Voor een basisschool wordt een toeslag meubilair tweede speellokaal
                        toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede
                        speellokaal. </al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs wordt de omvang van de
                        goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                        van het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door het verschil
                        tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket en meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke
                        eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen
                        zoals normatief kan worden gevormd, op basis van de, voor het indienen van
                        de aanvraag, laatst bekende teldatum [of: meest recente teldatum]. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        danwel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing anders dan een
                        aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door
                        de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te
                        maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door
                        de verschiloppervlakte tussen het aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de
                        minimumnormen zoals deze golden voor 1 januari 2003 en het aantal
                        genormeerde m2 bvo behorend bij de minimumnormen (zie bijlage III, deel A)
                        bij het aantal groepen dat bepaald is aan de hand van de bepaling van de
                        omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening zoals beschreven
                        in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte' met
                        als maximum het aantal groepen van de school waarvoor de school over
                        permanente huisvesting beschikt. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald
                        door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                        het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval
                        van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><vet>1.4 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                        wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in
                        onderdeel D van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                        voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                        onderdeel uitbreiding (bijlage I). De omvang van de goedgekeurde aanpassing
                        wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het
                        gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van
                        het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                        wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                        gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                        realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen
                        met betrekking tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van
                        het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte
                        oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                        voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel
                        van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                        aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                        is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                        wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen
                        waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het
                        aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                        'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                        verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                        aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde
                        capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de
                        noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden
                        gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in combinatie met
                        uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte
                        zoals omschreven in deel A van deze bijlage: 'De bepaling van de
                        capaciteit'. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van
                        het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan
                        de kosten van uitbreiding sec van het gebouw. De omvang van de goedgekeurde
                        voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald
                        door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het
                        aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                        is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in
                        de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                        groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting aanwezig is. </al><al/><al><vet>2.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                        aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en
                        korter dan vijftien jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven
                        in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                        wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                        en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is
                        minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel
                        B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                        verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                        aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde
                        capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de
                        noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden
                        gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de
                        verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: 'De
                        bepaling van de capaciteit'. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van
                        het gebouw hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                        gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk
                        is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in
                        de huisvesting, medegebruik, wordt bepaald door het verschil tussen het
                        aantal groepen waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan
                        vijftien jaar, noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        aanwezig is. </al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing
                        van noodlokalen wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien
                        jaar. </al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze bijlage:
                        'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al/><al><vet>2.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                        terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de
                        terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                        van het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door het verschil
                        tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket en meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke
                        eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen
                        zoals normatief kan worden gevormd, op basis van de, voor het indienen van
                        de aanvraag, laatst bekende teldatum [of: meest recente teldatum]. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald
                        door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt
                        te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald
                        door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade
                        aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in
                        geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><vet>2.4 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                        wordt bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in
                        onderdeel D van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                        voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                        onderdeel uitbreiding (bijlage I). De omvang van de goedgekeurde aanpassing
                        wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het
                        gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van
                        het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                        wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                        gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                        realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen
                        met betrekking tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van
                        het meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte
                        oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de
                        gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel
                        van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                        aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar
                        noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de
                        hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van
                        deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                        uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                        tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                        huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                        aanwezig is. </al><al> De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                        gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                        huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte
                        wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van
                        deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al> De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening
                        in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de
                        ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst
                        bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het
                        feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare
                        onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in
                        te roosteren lessen. </al><al/><al><vet>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                        leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                        vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp
                        van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                        'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                        wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het
                        aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                        vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit
                        van de beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto
                        vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                        ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                        bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                        gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                        huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                        en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting.
                        De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals
                        beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                        ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in
                        de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de
                        ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst
                        bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het
                        feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare
                        onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in
                        te roosteren lessen. </al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                        huisvesting verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                        leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                        vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit
                        van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp
                        van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                        'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al><vet>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door
                        de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                        inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van
                        de terreinoppervlakte. </al><al> De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van
                        leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste
                        aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang
                        van de toegekende voorziening in de huisvesting. </al><al> De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen
                        en meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene
                        of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte
                        bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de
                        bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren
                        ruimte. </al><al> De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                        het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval
                        van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><vet>3.4 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                        wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in
                        de toelichting bij deze bijlage. De omvang van de goedgekeurde uitbreiding
                        van een gymnastiekruimte wordt bepaald door het verschil tussen de
                        ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                        gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen met
                        behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is. </al><al> De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het
                        terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                        de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                        realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen
                        met betrekking tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van
                        het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte
                        oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel
                        van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                        uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                        behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2
                        van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2
                        bvo gym) : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste
                        formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322. Hierop
                        wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                        gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1). De omvang van de goedgekeurde
                        voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste acht weken per
                        kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt gegeven wordt
                        bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met toepassing
                        van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                        leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs
                        wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo
                        gym) / 322. </al><al/><al/><al><vet>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen </vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="a."><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84
                                m2, vanaf de veertiende groep een tweede speellokaal met een minimum
                                netto oppervlakte van 84 m2; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>minimumoppervlakte leslokaal: 42 m2 netto. </al></li></lijst><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="a."><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>minimum oppervlakte leslokaal: 42 m2 netto. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al> Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>theorielokaal: </al></entry><entry><al>42 m2</al></entry></row><row><entry><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry><al>60 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry><al>60 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry><al>80 m2</al></entry></row><row><entry><al>specifiek vaklokaal lassen: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>specifiek vaklokaal meten: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>werkplaats:</al></entry><entry><al>115 m2 </al></entry></row><row><entry><al>restaurant:</al></entry><entry><al>80 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>4 Gymnastiekruimten</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. </al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                        was-/douchegelegenheid. </al><al/><al><vet>III-1</vet></al><al><vet>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                            bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                            onderwijs'</vet></al><al/><al> De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw: </al><lijst><li nr="a."><al>De bruto-vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de
                                bruto-vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten
                                op alle vloerniveaus. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> De bruto-vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door
                                de buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw
                                op vloerhoogte. </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al> De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot
                                de bruto-vloeroppervlakte te worden gerekend. </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                                gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw. </al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al> Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig
                                gelegen gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend
                                tot het hart van de scheidingsconstructie. </al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al> Tot de bruto-vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of
                                een vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m2.
                            </al></li></lijst><al/><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="a."><al>In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend
                                van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de
                                bruto-vloeroppervlakte gerekend. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Indien de bruto-vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is,
                                mogen de netto-oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De
                                bruto-vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden
                                nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de factor 1,1. </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als
                                onderwijsruimte of andere ruimte, wordt de bruto-vloeroppervlakte
                                bepaald door de nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met
                                een vrije hoogte ] 2,60 m te vermenigvuldigen met de factor 1,1.
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>Voorzover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                                berging, keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor
                                de berekening van de bruto-vloeroppervlakte. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>III-2</vet></al><al><vet>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                            bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet
                            onderwijs'</vet></al><al/><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                        situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                        ministerie van OCenW. </al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte
                        van alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                        bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek
                        van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen. Tot de
                        bruto-oppervlakte behoort eveneens: </al><lijst><li nr="a."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op
                                elk vloerniveau; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover
                                groter dan 0,5 m2. </al></li></lijst><al/><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="a."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                                omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                                ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                                luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                                verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                                dergelijke. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden
                                bij de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend. </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend. </al></li></lijst><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Bijlage IV Financiële normering ​</label></kop><al><vet>Bijlage IV Financiële normering</vet></al><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen: </al><lijst><li nr=""><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen; </al></li><li nr=""><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten; </al></li><li nr=""><al>deel C: bepaling medegebruikstarief. </al></li></lijst><al/><al><vet>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</vet></al><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding
                        (paragrafen 1.1, 1.2, 2.1, 2.2 en 3.1) is tevens een vergoeding voor
                        bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een
                        bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij grotere
                        projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde
                        vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                        (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                        vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. </al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1); </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>uitbreiding (paragraaf 1.2); </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3); </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                                1.4); </al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>gymnastiek (paragraaf 1.6). </al></li></lijst><al/><al><cursief>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                            behoeve van de vergoedingen voor 2005. De bedragen zijn gebaseerd op het
                            prijspeil van 1 juli 2004 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2005
                            (-3,82 % voor de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en
                            2,07 % voor onderhoud, eerste inrichting en klokuurvergoeding
                            gymnastiek). De systematiek van prijsbijstelling en indexering is
                            opgenomen in hoofdstuk 4.</cursief></al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal
                        kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor terrein; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bouwkosten; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>toeslag voor paalfundering; </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal; </al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw. </al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van
                        een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals
                        opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet>Kosten voor terreinen</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                        juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                        dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt
                        ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van
                        gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening
                        tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de
                        terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het
                        terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van
                        waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van
                        het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.</al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet> De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw,
                        inclusief fundering op staal, alsmede aanleg en inrichting van het
                        schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per
                        groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven
                        bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een
                        basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet (incl. twee groepen)</al></entry><entry><al>€ 657.444,47</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 128.623,55</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet (incl. vier groepen)</al></entry><entry><al>€ 1.064.693,58</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 123.329,72</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag toeslag extra ruimte</al></entry><entry><al>€ 146.820,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet></al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van
                        het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal fundering op palen nodig
                        zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie
                        categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer.
                        De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief twee
                        respectievelijk vier groepen) en een bedrag per groep. De vergoeding voor
                        een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet (incl. twee groepen)</al></entry><entry><al>€ 9.256,07</al></entry><entry><al>€ 13.462,64</al></entry><entry><al>€ 21.490,36</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 1.874,47</al></entry><entry><al>€ 3.170,53</al></entry><entry><al>€ 5.674,59</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet (incl. vier groepen)</al></entry><entry><al>€ 14.526,10</al></entry><entry><al>€ 22.377,84</al></entry><entry><al>€ 37.442,27</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 1.720,48</al></entry><entry><al>€ 2.910,10</al></entry><entry><al>€ 5.207,06</al></entry></row><row><entry><al>- Bedrag toeslag extra ruimte</al></entry><entry><al>€ 2.048,33</al></entry><entry><al>€ 3.464,23</al></entry><entry><al>€ 6.198,78</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</vet></al><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing
                        van een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte,
                        afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m2 ruimte
                        gerealiseerd kan worden. De vergoeding voor zowel een basisschool als een
                        speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry><al>€ 100.662,68</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 meter</al></entry><entry><al>€ 102.129,11</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 103.143,50</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering &gt;=20 meter</al></entry><entry><al>€ 105.102,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw</vet></al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het
                        oude schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet
                        daarna worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde
                        plaats wordt gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een
                        tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding voor sloopkosten
                        (inclusief eventuele verhuiskosten) zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd
                        op een vast bedrag per groep, afhankelijk van het type huisvesting dat
                        gesloopt dient te worden. </al><al/><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw</al></entry><entry><al>€ 5.108,33</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw</al></entry><entry><al>€ 2.555,25</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                        brutovloeroppervlakte (maximaal 9 groepen) is onderstaand de financiële
                        normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan
                        van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf
                        1.1). </al><al/><al><vet>Kosten voor terrein</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien
                        uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de
                        kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw
                        (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal, inclusief fundering op
                        staal, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het
                        schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per
                        groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven
                        bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een
                        basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 92.828,36</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>€ 148.803,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 95.565,48</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>€ 138.602,63</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag toeslag extra ruimte</al></entry><entry><al>€ 165.003,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet></al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van
                        de uitbreiding van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter
                        fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de
                        paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20
                        meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag
                        en een bedrag per groep. De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>- Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 4.155,37</al></entry><entry><al>€ 5.419,30</al></entry><entry><al>€ 8.694,54</al></entry></row><row><entry><al>- Per groep</al></entry><entry><al>€ 657,55</al></entry><entry><al>€ 1.704,28</al></entry><entry><al>€ 3.445,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>- Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 4.193,40</al></entry><entry><al>€ 5.468,90</al></entry><entry><al>€ 8.774,13</al></entry></row><row><entry><al>- Per groep</al></entry><entry><al>€ 599,31</al></entry><entry><al>€ 1.555,94</al></entry><entry><al>€ 3.146,10</al></entry></row><row><entry><al>- Toeslag extra ruimte</al></entry><entry><al>€ 713,93</al></entry><entry><al>€ 1.852,73</al></entry><entry><al>€ 3.745,67</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</vet></al><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing
                        van een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte,
                        afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m2 ruimte
                        gerealiseerd kan worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een afzonderlijk
                        speellokaal steeds in combinatie met een uitbreiding van ten minste één
                        groep (lokaal) plaatsvindt. </al><al/><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry><al>€ 116.455,47</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 m</al></entry><entry><al>€ 116.969,46</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 m</al></entry><entry><al>€ 117.788,79</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering &gt;=20 m</al></entry><entry><al>€ 119.151,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>In geval van uitbreiding met alleen een speellokaal zonder gelijktijdige
                        toekenning van een ander lokaal, wordt voor zowel een basisschool als een
                        speciale school voor basisonderwijs de vergoeding op basis van de volgende
                        bedragen bepaald: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry><al>€ 209.253,54</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 m</al></entry><entry><al>€ 215.251,84</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 15&gt;=20 m</al></entry><entry><al>€ 216.561,79</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering &gt;20 m</al></entry><entry><al>€ 217.625,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw</vet></al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).
                        </al><al/><al><vet>1.3 Tijdelijke voorziening</vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten
                        behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                        onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd
                        gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met
                        een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor
                        tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering
                        van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk
                        gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat
                        een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden
                        gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling
                        van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                            hoofdlocatie</vet></al><al>Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van
                        noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto-vloeroppervlakte: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Per groep:</al></entry><entry><al>80 m2;</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor eerste groep:</al></entry><entry><al>20 m2;</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie:</al></entry><entry><al>160 m2. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal
                        standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee
                        wordt voor het eerste lokaal een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, die als hoofdgebouw gaan fungeren,
                        ook te beschikken over een aantal ruimten, die normaliter ook in een
                        permanent hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en
                        dergelijke). Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven. De vergoeding
                        bestaat uit een vast bedrag, een bedrag per groep alsmede bedragen voor de
                        beide toeslagen. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag
                        voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                        alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. Tussen haakjes staan
                        de bedragen indien paalfundering niet noodzakelijk is. </al><al> De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>(zonder paalfundering)</al></entry></row><row><entry><al>Vast bedrag</al></entry><entry><al>€ 38.207,07</al></entry><entry><al>€ 37.853,91</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>€ 75.113,97</al></entry><entry><al>€ 70.811,93</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag eerste groep</al></entry><entry><al>€ 18.778,36</al></entry><entry><al>€ 17.703,12</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag hoofdlocatie</al></entry><entry><al>€ 150.227,39</al></entry><entry><al>€ 141.623,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</vet></al><al>Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de
                        bruto-vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m2 per groep. De vergoeding bestaat
                        uit een vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen
                        de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en
                        inrichting van terreinen (tussen haakjes staan de bedragen indien
                        paalfundering niet noodzakelijk is). </al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Vast bedrag</al></entry><entry><al>€ 21.476,50</al></entry><entry><al>€ 17.245,10</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>€ 78.706,97</al></entry><entry><al>€ 76.733,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al> Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                        vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten).</al><al/><al><vet>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet><vet>Basisschool</vet></al><al>De bedragen voor eerste inrichting vallen uiteen in bedragen voor
                        onderwijsleerpakket (OLP) en bedragen voor meubilair. De hierna opgenomen
                        bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal
                        groepen. Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand
                        van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                        uitbreiding. Voor nieuwe instituten geldt dat op de hierna genoemde
                        bedragen, bij eerste aanschaf van het totale onderwijsleerpakket en
                        meubilair, een korting wordt toegepast van 10%. De vergoeding voor een
                        basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen</al></entry><entry><al>OLP</al></entry><entry><al>Meubilair</al></entry><entry><al>Totaal</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>40.182,79</al></entry><entry><al>23.983,30</al></entry><entry><al>64.166,10</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>45.726,96</al></entry><entry><al>32.228,96</al></entry><entry><al>77.955,92</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>56.903,29</al></entry><entry><al>40.732,64</al></entry><entry><al>97.635,93</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>62.651,29</al></entry><entry><al>48.978,79</al></entry><entry><al>111.630,08</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>6.086,06</al></entry><entry><al>5.753,96</al></entry><entry><al>11.840,02</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag tweede speellokaal</al></entry><entry><al>793,44</al></entry><entry><al>5.503,40</al></entry><entry><al>6.296,84</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor eerste inrichting voor onderwijsleerpakket en meubilair
                        voor een speciale school voor basisonderwijs bestaat uit: een vaste voet
                        inclusief vier groepen, een bedrag voor elke volgende groep en een toeslag
                        bij de vorming van de twaalfde groep. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet (incl. vier groepen)</al></entry><entry><al>€ 118.439,91</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 12.359,20</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag bij de twaalfde groep</al></entry><entry><al>€ 15.925,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien de toekenning van het aantal groepen eerste inrichting en meubilair
                        één of meer van de eerste vier groepen omvat, wordt de vaste voet naar rato
                        toegekend. </al><al/><al><vet>1.5 Aanpassing</vet></al><al>Alle aanpassingen met uitzondering van de aanpassing als gevolg van
                        onderwijskundige vernieuwingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten
                        (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al/><al><vet>Aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen</vet></al><al>Voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt
                        de normvergoeding bepaald op basis van de verschiloppervlakte tussen het
                        aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de minimumnormen zoals deze golden
                        voor 1 januari 2003 en het aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de
                        minimumnormen (zie bijlage III, deel A) bij het aantal groepen dat bepaald
                        is aan de hand van de bepaling van de omvang van de permanente
                        ruimtebehoefte van de school (uitgedrukt in groepen). De bedragen zijn
                        inclusief een component voor de eerste inrichting. Wanneer het bevoegd gezag
                        van een basisschool of speciale school voor basisonderwijs ervoor kiest om
                        als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen in de aanpassingen te voorzien
                        door het op de capaciteit van een gebouw in mindering brengen van een
                        leegstaand lokaal, wordt op het hieronder bepaalde bedrag € 52.182,76 in
                        mindering gebracht. </al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Vergoeding school voor basisonderwijs</vet></al></entry></row><row><entry><al>Aantal groepen</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>€ 52.182,76</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>€ 67.092,11</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>€ 82.001,47</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>€ 96.910,83</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>€ 111.820,19</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>€ 126.729,55</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>€ 141.638,91</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>€ 156.548,27</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>€ 171.457,63</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>€ 186.366,99</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>€ 201.276,34</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>€ 216.185,70</al></entry></row><row><entry><al>Volgende groep</al></entry><entry><al>€ 14.909,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Vergoeding speciale school voor
                                                basisonderwijs</vet></al></entry></row><row><entry><al>Aantal groepen</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>€ 104.365,51</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>€ 119.274,87</al></entry></row><row><entry><al>Volgende groep</al></entry><entry><al>€ 14.909,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>1.6 Gymnastiek</vet><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>Nieuwbouw </al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor
                        zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 705.292,92 (op het
                        schoolterrein) respectievelijk € 719.557,89 (op afzonderlijk terrein). Deze
                        vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de
                        inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien
                        paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de
                        benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry><al>€ 14.186,18</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 19.556,40</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 27.466,10</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Uitbreiding </al><al> Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten
                        bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                        oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer
                        worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de
                        benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een basisschool als een
                        speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry><al>€ 163.865,90</al></entry></row><row><entry><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry><al>€ 199.201,51</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                        wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>112-120m2</al></entry><entry><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 6.350,91</al></entry><entry><al>€ 7.941,22</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 11.000,13</al></entry><entry><al>€ 13.746,63</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry><al>€ 17.984,02</al></entry><entry><al>€ 22.480,02</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek
                        mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik
                        of huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant).
                        Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende
                        vergoeding: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair
                                onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het
                                klokuurbedrag aan de eigenaar vergoed. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs
                                wordt gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het
                                klokuurbedrag vergoed. </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt,
                                volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld
                                aantal klokuren. </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant
                                wordt gebruikt, zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële
                                instandhouding) worden vergoed. De huurprijs wordt door de gemeente
                                aan de exploitant voldaan. </al><al/></li></lijst><al><vet>OLP/meubilair</vet></al><al> De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                        gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school
                        voor basisonderwijs € 45.039,69.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw (paragraaf 2.1); </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>uitbreiding (paragraaf 2.2); </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3); </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                                2.4) en </al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>gymnastiek (paragraaf 2.5). </al><al/></li></lijst><al>Bij toekenning van nieuwbouw of uitbreiding van een nevenvestiging zijn deze
                        normbedragen niet van toepassing. Deze voorzieningen worden toegekend op
                        basis van deel B van deze bijlage. Daar waar in de financiële normering voor
                        het (voortgezet) speciaal onderwijs sprake is van een 'bedrag vaste voet' is
                        dit bedrag mede bestemd voor het aantal groepsruimten dat onderdeel is van
                        de vaste voet aan brutovloeroppervlakte zoals weergegeven in tabel 4
                        ruimtenormering (v)so. Het 'bedrag per groep' in de financiële normering is
                        het bedrag dat wordt vergoed voor iedere groep bovenop het aantal groepen
                        dat onderdeel is van de vaste voet.</al><al> Bij toekenning van nieuwbouw of uitbreiding van een nevenvestiging zijn
                        deze normbedragen niet van toepassing. Deze voorzieningen worden toegekend
                        op basis van deel B van dit hoofdstuk. </al><al><cursief>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                            behoeve van de vergoedingen voor 2005. De bedragen zijn gebaseerd op het
                            prijspeil van 1 juli 2004 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2005
                            (-3,82 % voor de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en
                            2,07 % voor onderhoud, eerste inrichting en klokuurvergoeding
                            gymnastiek). De systematiek van prijsbijstelling en indexering is
                            opgenomen in hoofdstuk 4. </cursief></al><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet></al><al>De financiële normering valt uiteen in een zestal kostencomponenten, te
                        weten: </al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor terrein; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bouwkosten; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>toeslag voor paalfundering; </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal; </al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie; </al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw. </al></li></lijst><al/><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van
                        een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals
                        opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet>Kosten voor terreinen</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                        juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                        dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt
                        ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                        terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                        gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                        zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt
                        aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                        terreinen. Voor de bepaling van de minimale omvang van het terrein wordt
                        verwezen naar bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op
                        staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding
                        bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Per schoolsoort is er
                        een schoolsoortspecifieke correctiefactor. Met deze vergoedingsbedragen kan
                        de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>Bedrag toeslag ER</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>1.121.703,32</al></entry><entry><al>85.575,67</al></entry><entry><al>119.805,61</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al>963.328,25</al></entry><entry><al>109.458,55</al></entry><entry><al>149.785,13</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>1.087.855,34</al></entry><entry><al>111.684,55</al></entry><entry><al>134.951,84</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg</al></entry><entry><al>1.230.951,06</al></entry><entry><al>155.892,63</al></entry><entry><al>174.506,90</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz</al></entry><entry><al>974.849,97</al></entry><entry><al>115.219,41</al></entry><entry><al>120.980,27</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>931.527,51</al></entry><entry><al>111.584,03</al></entry><entry><al>117.456,82</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>931.527,51</al></entry><entry><al>111.584,03</al></entry><entry><al>123.329,60</al></entry></row><row><entry><al>SO-pi</al></entry><entry><al>902.261,92</al></entry><entry><al>109.458,55</al></entry><entry><al>106.001,92</al></entry></row><row><entry><al>SO-mg</al></entry><entry><al>1.084.308,52</al></entry><entry><al>126.741,13</al></entry><entry><al>152.089,36</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>1.138.952,22</al></entry><entry><al>94.905,08</al></entry><entry><al>67.789,42</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al>871.184,34</al></entry><entry><al>94.905,08</al></entry><entry><al>73.438,36</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>1.000.198,20</al></entry><entry><al>101.392,91</al></entry><entry><al>51.848,84</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg</al></entry><entry><al>1.064.653,24</al></entry><entry><al>125.510,51</al></entry><entry><al>79.870,22</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz</al></entry><entry><al>884.742,44</al></entry><entry><al>90.385,71</al></entry><entry><al>101.683,59</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>931.066,77</al></entry><entry><al>107.153,77</al></entry><entry><al>92.175,42</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>922.027,49</al></entry><entry><al>91.280,57</al></entry><entry><al>116.382,67</al></entry></row><row><entry><al>VSO-pi</al></entry><entry><al>839.549,31</al></entry><entry><al>90.385,71</al></entry><entry><al>84.736,77</al></entry></row><row><entry><al>VSO-mg</al></entry><entry><al>1.054.215,45</al></entry><entry><al>127.669,67</al></entry><entry><al>67.789,42</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Voor SOVSO-scholen gelden de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>Correctie per groep</al></entry><entry><al>SO</al></entry><entry><al>VSO</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-doven</al></entry><entry><al>1.110.706,45</al></entry><entry><al>86.995,91</al></entry><entry><al>7.908,62</al></entry><entry><al>118.630,94</al></entry><entry><al>67.789,42</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry><al>953.975,47</al></entry><entry><al>109.536,79</al></entry><entry><al>-13.692,30</al></entry><entry><al>131.215,95</al></entry><entry><al>68.460,42</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-visg</al></entry><entry><al>1.098.315,95</al></entry><entry><al>112.758,15</al></entry><entry><al>-11.745,57</al></entry><entry><al>136.249,84</al></entry><entry><al>52.855,62</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lg</al></entry><entry><al>1.230.951,06</al></entry><entry><al>157.056,43</al></entry><entry><al>-31.411,18</al></entry><entry><al>157.056,43</al></entry><entry><al>81.436,63</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lz</al></entry><entry><al>965.385,81</al></entry><entry><al>112.959,73</al></entry><entry><al>-15.974,26</al></entry><entry><al>136.920,85</al></entry><entry><al>74.165,32</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>940.398,90</al></entry><entry><al>115.017,84</al></entry><entry><al>-2.371,61</al></entry><entry><al>118.574,98</al></entry><entry><al>94.859,98</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry><al>931.527,51</al></entry><entry><al>123.329,60</al></entry><entry><al>-22.317,02</al></entry><entry><al>64.601,20</al></entry><entry><al>99.837,91</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-pi</al></entry><entry><al>911.021,92</al></entry><entry><al>110.521,29</al></entry><entry><al>-13.960,70</al></entry><entry><al>107.030,98</al></entry><entry><al>69.802,98</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-mg</al></entry><entry><al>1.073.781,08</al></entry><entry><al>123.228,55</al></entry><entry><al>5.704,90</al></entry><entry><al>150.613,15</al></entry><entry><al>57.050,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet></al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van
                        het gebouw op staal. In veel gevallen zal echter ook fundering op palen
                        nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn
                        drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en
                        langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief het aantal
                        bijbehorende groepen), een bedrag voor elke extra groep alsmede een bedrag
                        voor de toekenning van extra ruimte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="10"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><colspec colname="colH"/><colspec colname="colI"/><colspec colname="colJ"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>bedragen</al></entry><entry><al>vaste</al></entry><entry><al>voet</al></entry><entry><al>bedragen </al></entry><entry><al>per</al></entry><entry><al>groep</al></entry><entry><al>bedragen</al></entry><entry><al>toeslag</al></entry><entry><al>ER</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>15.820,50</al></entry><entry><al>24.830,98</al></entry><entry><al>42.143,45</al></entry><entry><al>1.229,00</al></entry><entry><al>2.078,76</al></entry><entry><al>3.719,05</al></entry><entry><al>1.720,16</al></entry><entry><al>2.910,04</al></entry><entry><al>5.206,67</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al>13.411,95</al></entry><entry><al>20.757,14</al></entry><entry><al>34.853,68</al></entry><entry><al>1.556,62</al></entry><entry><al>2.632,95</al></entry><entry><al>4.711,16</al></entry><entry><al>2.129,83</al></entry><entry><al>3.602,78</al></entry><entry><al>6.446,54</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>15.034,31</al></entry><entry><al>23.500,93</al></entry><entry><al>39.763,15</al></entry><entry><al>1.572,92</al></entry><entry><al>2.660,66</al></entry><entry><al>4.760,60</al></entry><entry><al>1.900,55</al></entry><entry><al>3.214,85</al></entry><entry><al>5.752,17</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg</al></entry><entry><al>17.049,50</al></entry><entry><al>26.909,74</al></entry><entry><al>45.862,50</al></entry><entry><al>2.195,57</al></entry><entry><al>3.714,16</al></entry><entry><al>6.644,85</al></entry><entry><al>2.458,00</al></entry><entry><al>4.157,51</al></entry><entry><al>7.438,65</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz</al></entry><entry><al>13.576,03</al></entry><entry><al>21.034,24</al></entry><entry><al>35.349,73</al></entry><entry><al>1.638,66</al></entry><entry><al>2.771,49</al></entry><entry><al>4.958,92</al></entry><entry><al>1.720,16</al></entry><entry><al>2.910,04</al></entry><entry><al>5.206,67</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>12.707,26</al></entry><entry><al>19.565,09</al></entry><entry><al>32.721,13</al></entry><entry><al>1.556,62</al></entry><entry><al>2.632,95</al></entry><entry><al>4.711,16</al></entry><entry><al>1.638,66</al></entry><entry><al>2.771,49</al></entry><entry><al>4.958,92</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>12.707,26</al></entry><entry><al>19.565,09</al></entry><entry><al>32.721,13</al></entry><entry><al>1.556,62</al></entry><entry><al>2.632,95</al></entry><entry><al>4.711,16</al></entry><entry><al>1.720,16</al></entry><entry><al>2.910,04</al></entry><entry><al>5.206,67</al></entry></row><row><entry><al>SO-pi</al></entry><entry><al>12.543,72</al></entry><entry><al>19.287,99</al></entry><entry><al>32.225,62</al></entry><entry><al>1.556,62</al></entry><entry><al>2.632,95</al></entry><entry><al>4.711,16</al></entry><entry><al>1.507,18</al></entry><entry><al>2.549,82</al></entry><entry><al>4.562,29</al></entry></row><row><entry><al>SO-mg</al></entry><entry><al>15.132,65</al></entry><entry><al>23.667,18</al></entry><entry><al>40.060,35</al></entry><entry><al>1.802,20</al></entry><entry><al>3.048,59</al></entry><entry><al>5.454,97</al></entry><entry><al>2.162,97</al></entry><entry><al>3.658,20</al></entry><entry><al>6.545,96</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>16.230,27</al></entry><entry><al>25.524,04</al></entry><entry><al>43.383,13</al></entry><entry><al>1.376,33</al></entry><entry><al>2.328,11</al></entry><entry><al>4.165,54</al></entry><entry><al>983,10</al></entry><entry><al>1.662,94</al></entry><entry><al>2.975,39</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al>12.347,04</al></entry><entry><al>18.955,44</al></entry><entry><al>31.630,35</al></entry><entry><al>1.376,33</al></entry><entry><al>2.328,11</al></entry><entry><al>4.165,54</al></entry><entry><al>1.065,02</al></entry><entry><al>1.801,51</al></entry><entry><al>3.223,34</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>13.936,37</al></entry><entry><al>21.643,85</al></entry><entry><al>36.440,56</al></entry><entry><al>1.441,87</al></entry><entry><al>2.438,97</al></entry><entry><al>4.363,90</al></entry><entry><al>737,32</al></entry><entry><al>1.247,20</al></entry><entry><al>2.231,54</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg</al></entry><entry><al>15.001,40</al></entry><entry><al>23.445,37</al></entry><entry><al>39.663,89</al></entry><entry><al>1.802,34</al></entry><entry><al>3.048,72</al></entry><entry><al>5.454,88</al></entry><entry><al>1.146,95</al></entry><entry><al>1.940,09</al></entry><entry><al>3.471,29</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz</al></entry><entry><al>12.543,66</al></entry><entry><al>19.288,03</al></entry><entry><al>32.225,42</al></entry><entry><al>1.310,79</al></entry><entry><al>2.217,25</al></entry><entry><al>3.967,18</al></entry><entry><al>1.474,64</al></entry><entry><al>2.494,40</al></entry><entry><al>4.463,08</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>12.953,28</al></entry><entry><al>19.980,92</al></entry><entry><al>33.465,17</al></entry><entry><al>1.523,80</al></entry><entry><al>2.577,55</al></entry><entry><al>4.611,85</al></entry><entry><al>1.310,79</al></entry><entry><al>2.217,25</al></entry><entry><al>3.967,18</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>12.953,28</al></entry><entry><al>19.980,92</al></entry><entry><al>33.465,17</al></entry><entry><al>1.310,79</al></entry><entry><al>2.217,25</al></entry><entry><al>3.967,18</al></entry><entry><al>1.671,26</al></entry><entry><al>2.826,99</al></entry><entry><al>5.058,16</al></entry></row><row><entry><al>VSO-pi</al></entry><entry><al>11.888,26</al></entry><entry><al>18.179,40</al></entry><entry><al>30.241,83</al></entry><entry><al>1.310,79</al></entry><entry><al>2.217,25</al></entry><entry><al>3.967,18</al></entry><entry><al>1.228,87</al></entry><entry><al>2.078,67</al></entry><entry><al>3.719,23</al></entry></row><row><entry><al>VSO-mg</al></entry><entry><al>15.001,40</al></entry><entry><al>23.445,37</al></entry><entry><al>39.663,89</al></entry><entry><al>1.851,50</al></entry><entry><al>3.131,86</al></entry><entry><al>5.603,65</al></entry><entry><al>983,10</al></entry><entry><al>1.662,94</al></entry><entry><al>2.975,39</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al>De volgende bedragen (in euro) vormen de toeslag voor de paalfundering voor
                        SOVSO-scholen. Naast deze bedragen hebben SOVSO-scholen ook recht op een
                        bedrag voor de vaste voet. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag voor de vaste
                        voet van de SO-component van de SOVSO-school. </al><al/><table><tgroup cols="13"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><colspec colname="colH"/><colspec colname="colI"/><colspec colname="colJ"/><colspec colname="colK"/><colspec colname="colL"/><colspec colname="colM"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Bedragen</al></entry><entry><al>per</al></entry><entry><al>groep</al></entry><entry><al>Bedragen correctie</al></entry><entry><al>per groep</al></entry><entry><al>VSO</al></entry><entry><al>Bedragen</al></entry><entry><al>toeslag ER</al></entry><entry><al>SO</al></entry><entry><al>Bedragen</al></entry><entry><al>toeslag ER</al></entry><entry><al>VSO</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&gt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-doven</al></entry><entry><al>1.261,64</al></entry><entry><al>2.134,10</al></entry><entry><al>3.818,41</al></entry><entry><al>114,69</al></entry><entry><al>194,01</al></entry><entry><al>347,13</al></entry><entry><al>1.720,42</al></entry><entry><al>2.910,14</al></entry><entry><al>5.206,93</al></entry><entry><al>983,10</al></entry><entry><al>1.662,94</al></entry><entry><al>2.975,39</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry><al>1.572,95</al></entry><entry><al>2.660,70</al></entry><entry><al>4.760,62</al></entry><entry><al>-196,62</al></entry><entry><al>-332,59</al></entry><entry><al>-595,08</al></entry><entry><al>1.884,27</al></entry><entry><al>3.187,29</al></entry><entry><al>5.702,83</al></entry><entry><al>983,10</al></entry><entry><al>1.662,94</al></entry><entry><al>2.975,39</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-visg</al></entry><entry><al>1.572,95</al></entry><entry><al>2.660,70</al></entry><entry><al>4.760,62</al></entry><entry><al>-163,85</al></entry><entry><al>-277,16</al></entry><entry><al>-495,90</al></entry><entry><al>1.900,65</al></entry><entry><al>3.215,01</al></entry><entry><al>5.752,42</al></entry><entry><al>737,32</al></entry><entry><al>1.247,20</al></entry><entry><al>2.231,54</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lg</al></entry><entry><al>2.211,97</al></entry><entry><al>3.741,61</al></entry><entry><al>6.694,62</al></entry><entry><al>-442,39</al></entry><entry><al>-748,32</al></entry><entry><al>-1.338,92</al></entry><entry><al>2.211,97</al></entry><entry><al>3.741,61</al></entry><entry><al>6.694,62</al></entry><entry><al>1.146,95</al></entry><entry><al>1.940,09</al></entry><entry><al>3.471,29</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lz</al></entry><entry><al>1.622,11</al></entry><entry><al>2.743,84</al></entry><entry><al>4.909,39</al></entry><entry><al>-229,39</al></entry><entry><al>-388,02</al></entry><entry><al>-694,26</al></entry><entry><al>1.966,19</al></entry><entry><al>3.325,87</al></entry><entry><al>5.950,77</al></entry><entry><al>1.065,02</al></entry><entry><al>1.801,51</al></entry><entry><al>3.223,34</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>1.589,34</al></entry><entry><al>2.688,41</al></entry><entry><al>4.810,21</al></entry><entry><al>-32,77</al></entry><entry><al>-55,43</al></entry><entry><al>-99,18</al></entry><entry><al>1.638,49</al></entry><entry><al>2.771,56</al></entry><entry><al>4.958,98</al></entry><entry><al>1.310,79</al></entry><entry><al>2.217,25</al></entry><entry><al>3.967,18</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry><al>1.720,42</al></entry><entry><al>2.910,14</al></entry><entry><al>5.206,93</al></entry><entry><al>-311,31</al></entry><entry><al>-526,60</al></entry><entry><al>-942,21</al></entry><entry><al>901,17</al></entry><entry><al>1.524,36</al></entry><entry><al>2.727,44</al></entry><entry><al>1.392,72</al></entry><entry><al>2.355,83</al></entry><entry><al>4.215,13</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-pi</al></entry><entry><al>1.556,57</al></entry><entry><al>2.632,98</al></entry><entry><al>4.711,03</al></entry><entry><al>-196,62</al></entry><entry><al>-332,59</al></entry><entry><al>-595,08</al></entry><entry><al>1.507,41</al></entry><entry><al>2.549,83</al></entry><entry><al>4.562,26</al></entry><entry><al>983,10</al></entry><entry><al>1.662,94</al></entry><entry><al>2.975,39</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-mg</al></entry><entry><al>1.769,57</al></entry><entry><al>2.993,28</al></entry><entry><al>5.355,70</al></entry><entry><al>81,92</al></entry><entry><al>138,58</al></entry><entry><al>247,95</al></entry><entry><al>2.162,81</al></entry><entry><al>3.658,46</al></entry><entry><al>6.545,85</al></entry><entry><al>819,25</al></entry><entry><al>1.385,78</al></entry><entry><al>2.479,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor een speellokaal</vet></al><al>In de hierboven genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de
                        toewijzing van een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per
                        ruimte, afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m2 ruimte
                        gerealiseerd kan worden. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry><al>€ 100.662,68</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 meter</al></entry><entry><al>€ 102.129,11</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 103.143,50</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering &gt;=20 meter</al></entry><entry><al>€ 105.102,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor liftinstallatie</vet></al><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht
                        geldt het volgende vergoedingsbedrag: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry><al>€ 101.379,32</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor sloopkosten</vet><vet>, herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw</vet></al><al> Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt, bestaat de mogelijkheid dat
                        het oude schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein
                        moet daarna worden hersteld en indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde
                        plaats wordt gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een
                        tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding zoals hieronder
                        opgenomen is gebaseerd op een vast bedrag per groep, afhankelijk van het
                        type huisvesting dat gesloopt dient te worden. </al><al>De genormeerde vergoeding voor sloopkosten (inclusief eventuele
                        verhuiskosten) wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw </al></entry><entry><al>€ 5.108,33</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw</al></entry><entry><al>€ 2.555,25</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m2
                        bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven.
                        Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële
                        normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). </al><al><vet>Kosten voor terreinen</vet> Er is geen genormeerd bedrag per vierkante
                        meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt
                        bij de bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd
                        als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal, inclusief fundering op
                        staal, alsmede aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De
                        vergoeding bestaat uit een vast bedrag, een bedrag per groep en, indien van
                        toepassing, een toeslag voor extra ruimte. Met deze vergoedingsbedragen kan
                        de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De
                        vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Bedrag vaste voet</al></entry><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>Toeslag extra ruimte</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>84.768,48</al></entry><entry><al>97.060,77</al></entry><entry><al>135.885,08</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>125.402,51</al></entry><entry><al>171.603,44</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>87.311,54</al></entry><entry><al>127.964,92</al></entry><entry><al>154.624,27</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg</al></entry><entry><al>87.311,54</al></entry><entry><al>178.617,70</al></entry><entry><al>199.945,18</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>132.002,64</al></entry><entry><al>138.602,78</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>125.402,51</al></entry><entry><al>132.002,64</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>125.402,51</al></entry><entry><al>138.602,78</al></entry></row><row><entry><al>SO-pi</al></entry><entry><al>85.616,17</al></entry><entry><al>124.173,08</al></entry><entry><al>120.251,82</al></entry></row><row><entry><al>SO-mg</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>145.202,91</al></entry><entry><al>174.243,49</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>84.768,48</al></entry><entry><al>108.708,06</al></entry><entry><al>77.648,61</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al>84.768,48</al></entry><entry><al>108.708,06</al></entry><entry><al>84.119,33</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>85.616,17</al></entry><entry><al>115.023,48</al></entry><entry><al>58.818,83</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg</al></entry><entry><al>85.616,17</al></entry><entry><al>143.779,35</al></entry><entry><al>91.495,95</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz</al></entry><entry><al>83.920,80</al></entry><entry><al>102.496,17</al></entry><entry><al>115.308,19</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>85.616,17</al></entry><entry><al>121.558,91</al></entry><entry><al>104.566,80</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>85.616,17</al></entry><entry><al>104.566,80</al></entry><entry><al>133.322,67</al></entry></row><row><entry><al>VSO-pi</al></entry><entry><al>83.920,80</al></entry><entry><al>102.496,17</al></entry><entry><al>96.090,16</al></entry></row><row><entry><al>VSO-mg</al></entry><entry><al>85.616,17</al></entry><entry><al>147.700,61</al></entry><entry><al>78.425,10</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Bedrag vaste voet</al></entry><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>Bedrag correctie SOSVO </al></entry><entry><al>Toeslagen extra ruimte </al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>SO</al></entry><entry><al>VSO</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-doven</al></entry><entry><al>84.768,48</al></entry><entry><al>99.649,06</al></entry><entry><al>9.059,01</al></entry><entry><al>135.885,08</al></entry><entry><al>77.648,61</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>126.722,54</al></entry><entry><al>-15.840,32</al></entry><entry><al>151.803,04</al></entry><entry><al>79.201,59</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-visg</al></entry><entry><al>87.311,54</al></entry><entry><al>127.964,92</al></entry><entry><al>-13.329,68</al></entry><entry><al>154.624,27</al></entry><entry><al>59.983,55</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lg</al></entry><entry><al>88.159,22</al></entry><entry><al>181.697,76</al></entry><entry><al>-36.339,55</al></entry><entry><al>181.697,76</al></entry><entry><al>94.213,65</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lz</al></entry><entry><al>85.616,17</al></entry><entry><al>129.401,42</al></entry><entry><al>-18.299,19</al></entry><entry><al>156.850,20</al></entry><entry><al>84.960,53</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>128.042,57</al></entry><entry><al>-2.640,05</al></entry><entry><al>132.002,64</al></entry><entry><al>105.602,12</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>138.602,78</al></entry><entry><al>-25.080,50</al></entry><entry><al>72.601,45</al></entry><entry><al>112.202,25</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-pi</al></entry><entry><al>86.463,85</al></entry><entry><al>125.402,51</al></entry><entry><al>-15.840,32</al></entry><entry><al>121.442,43</al></entry><entry><al>79.201,59</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-mg</al></entry><entry><al>87.311,54</al></entry><entry><al>143.960,53</al></entry><entry><al>6.664,84</al></entry><entry><al>175.951,76</al></entry><entry><al>66.648,39</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet></al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van
                        het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter fundering op palen
                        nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn
                        drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en
                        langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag, een bedrag voor elke
                        groep alsmede een bedrag voor de toekenning van extra ruimte (ER). De
                        vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>vast bedrag (per uitbreiding):</vet></al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry><al>€ 3.795,12</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 4.949,14</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20 meter</al></entry><entry><al>€ 7.516,34</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="7"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Bedrag</al></entry><entry><al>per</al></entry><entry><al>groep</al></entry><entry><al>Bedrag</al></entry><entry><al>toeslag</al></entry><entry><al>ER</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>428,24</al></entry><entry><al>1.111,58</al></entry><entry><al>2.247,38</al></entry><entry><al>599,54</al></entry><entry><al>1.556,21</al></entry><entry><al>3.146,33</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al>542,44</al></entry><entry><al>1.408,00</al></entry><entry><al>2.846,68</al></entry><entry><al>742,29</al></entry><entry><al>1.926,73</al></entry><entry><al>3.895,45</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>548,15</al></entry><entry><al>1.422,82</al></entry><entry><al>2.876,64</al></entry><entry><al>662,35</al></entry><entry><al>1.719,24</al></entry><entry><al>3.475,94</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg</al></entry><entry><al>765,13</al></entry><entry><al>1.986,02</al></entry><entry><al>4.015,31</al></entry><entry><al>856,49</al></entry><entry><al>2.223,16</al></entry><entry><al>4.494,75</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz</al></entry><entry><al>570,99</al></entry><entry><al>1.482,10</al></entry><entry><al>2.996,50</al></entry><entry><al>599,54</al></entry><entry><al>1.556,21</al></entry><entry><al>3.146,33</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>542,44</al></entry><entry><al>1.408,00</al></entry><entry><al>2.846,68</al></entry><entry><al>570,99</al></entry><entry><al>1.482,10</al></entry><entry><al>2.996,50</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>542,44</al></entry><entry><al>1.408,00</al></entry><entry><al>2.846,68</al></entry><entry><al>599,54</al></entry><entry><al>1.556,21</al></entry><entry><al>3.146,33</al></entry></row><row><entry><al>SO-pi</al></entry><entry><al>542,44</al></entry><entry><al>1.408,00</al></entry><entry><al>2.846,68</al></entry><entry><al>525,31</al></entry><entry><al>1.363,54</al></entry><entry><al>2.756,78</al></entry></row><row><entry><al>SO-mg</al></entry><entry><al>628,09</al></entry><entry><al>1.630,31</al></entry><entry><al>3.296,15</al></entry><entry><al>753,71</al></entry><entry><al>1.956,38</al></entry><entry><al>3.955,38</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>479,63</al></entry><entry><al>1.244,97</al></entry><entry><al>2.517,06</al></entry><entry><al>342,59</al></entry><entry><al>889,26</al></entry><entry><al>1.797,90</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al>479,63</al></entry><entry><al>1.244,97</al></entry><entry><al>2.517,06</al></entry><entry><al>371,14</al></entry><entry><al>963,37</al></entry><entry><al>1.947,73</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>502,47</al></entry><entry><al>1.304,25</al></entry><entry><al>2.636,92</al></entry><entry><al>256,95</al></entry><entry><al>666,95</al></entry><entry><al>1.348,43</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg</al></entry><entry><al>628,09</al></entry><entry><al>1.630,31</al></entry><entry><al>3.296,15</al></entry><entry><al>399,69</al></entry><entry><al>1.037,47</al></entry><entry><al>2.097,55</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz</al></entry><entry><al>456,79</al></entry><entry><al>1.185,68</al></entry><entry><al>2.397,20</al></entry><entry><al>513,89</al></entry><entry><al>1.333,89</al></entry><entry><al>2.696,85</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>531,02</al></entry><entry><al>1.378,36</al></entry><entry><al>2.786,75</al></entry><entry><al>456,79</al></entry><entry><al>1.185,68</al></entry><entry><al>2.397,20</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>456,79</al></entry><entry><al>1.185,68</al></entry><entry><al>2.397,20</al></entry><entry><al>582,41</al></entry><entry><al>1.511,75</al></entry><entry><al>3.056,43</al></entry></row><row><entry><al>VSO-pi</al></entry><entry><al>456,79</al></entry><entry><al>1.185,68</al></entry><entry><al>2.397,20</al></entry><entry><al>428,24</al></entry><entry><al>1.111,58</al></entry><entry><al>2.247,38</al></entry></row><row><entry><al>VSO-mg</al></entry><entry><al>645,22</al></entry><entry><al>1.674,78</al></entry><entry><al>3.386,05</al></entry><entry><al>342,59</al></entry><entry><al>889,26</al></entry><entry><al>1.797,90</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al> De volgende bedragen (in euro) vormen de toeslag voor de paalfundering voor
                        SOVSO-scholen. Naast deze bedragen hebben de scholen ook recht op de
                        hiervoor genoemde vaste bedragen. </al><table><tgroup cols="13"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><colspec colname="colH"/><colspec colname="colI"/><colspec colname="colJ"/><colspec colname="colK"/><colspec colname="colL"/><colspec colname="colM"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Bedrag corr.</al></entry><entry><al>SOVSO</al></entry><entry><al>per groep</al></entry><entry><al>Bedrag</al></entry><entry><al>toeslag ER</al></entry><entry><al>SO</al></entry><entry><al>Bedrag</al></entry><entry><al>toeslag ER</al></entry><entry><al>VSO</al></entry><entry><al>Bedrag</al></entry><entry><al>correctie SOVSO</al></entry><entry><al>per groep</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-doven</al></entry><entry><al>439,66</al></entry><entry><al>1.141,22</al></entry><entry><al>2.307,31</al></entry><entry><al>39,97</al></entry><entry><al>103,75</al></entry><entry><al>209,76</al></entry><entry><al>599,54</al></entry><entry><al>1.556,21</al></entry><entry><al>3.146,33</al></entry><entry><al>342,59</al></entry><entry><al>889,26</al></entry><entry><al>1.797,90</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry><al>548,15</al></entry><entry><al>1.422,82</al></entry><entry><al>2.876,64</al></entry><entry><al>-68,52</al></entry><entry><al>-177,85</al></entry><entry><al>-359,58</al></entry><entry><al>656,64</al></entry><entry><al>1.704,42</al></entry><entry><al>3.445,98</al></entry><entry><al>342,59</al></entry><entry><al>889,26</al></entry><entry><al>1.797,90</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-visg</al></entry><entry><al>548,15</al></entry><entry><al>1.422,82</al></entry><entry><al>2.876,64</al></entry><entry><al>-57,10</al></entry><entry><al>-148,21</al></entry><entry><al>-299,65</al></entry><entry><al>662,35</al></entry><entry><al>1.719,24</al></entry><entry><al>3.475,94</al></entry><entry><al>256,95</al></entry><entry><al>666,95</al></entry><entry><al>1.348,43</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lg</al></entry><entry><al>770,84</al></entry><entry><al>2.000,84</al></entry><entry><al>4.045,28</al></entry><entry><al>-154,17</al></entry><entry><al>-400,17</al></entry><entry><al>-809,06</al></entry><entry><al>770,84</al></entry><entry><al>2.000,84</al></entry><entry><al>4.045,28</al></entry><entry><al>399,69</al></entry><entry><al>1.037,47</al></entry><entry><al>2.097,55</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lz</al></entry><entry><al>565,28</al></entry><entry><al>1.467,28</al></entry><entry><al>2.966,54</al></entry><entry><al>-79,94</al></entry><entry><al>-207,49</al></entry><entry><al>-419,51</al></entry><entry><al>685,19</al></entry><entry><al>1.778,52</al></entry><entry><al>3.595,80</al></entry><entry><al>371,14</al></entry><entry><al>963,37</al></entry><entry><al>1.947,73</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>553,86</al></entry><entry><al>1.437,64</al></entry><entry><al>2.906,61</al></entry><entry><al>-11,42</al></entry><entry><al>-29,64</al></entry><entry><al>-59,93</al></entry><entry><al>570,99</al></entry><entry><al>1.482,10</al></entry><entry><al>2.996,50</al></entry><entry><al>456,79</al></entry><entry><al>1.185,68</al></entry><entry><al>2.397,20</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry><al>599,54</al></entry><entry><al>1.556,21</al></entry><entry><al>3.146,33</al></entry><entry><al>-108,49</al></entry><entry><al>-281,60</al></entry><entry><al>-569,34</al></entry><entry><al>314,05</al></entry><entry><al>815,16</al></entry><entry><al>1.648,08</al></entry><entry><al>485,34</al></entry><entry><al>1.259,79</al></entry><entry><al>2.547,03</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-pi</al></entry><entry><al>542,44</al></entry><entry><al>1.408,00</al></entry><entry><al>2.846,68</al></entry><entry><al>-68,52</al></entry><entry><al>-177,85</al></entry><entry><al>-359,58</al></entry><entry><al>525,31</al></entry><entry><al>1.363,54</al></entry><entry><al>2.756,78</al></entry><entry><al>342,59</al></entry><entry><al>889,26</al></entry><entry><al>1.797,90</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-mg</al></entry><entry><al>616,67</al></entry><entry><al>1.600,67</al></entry><entry><al>3.236,22</al></entry><entry><al>28,55</al></entry><entry><al>74,11</al></entry><entry><al>149,83</al></entry><entry><al>753,71</al></entry><entry><al>1.956,38</al></entry><entry><al>3.955,38</al></entry><entry><al>285,50</al></entry><entry><al>741,05</al></entry><entry><al>1.498,25</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag liftinstallatie</vet></al><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                        aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry><al>€ 121.856,11</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor een speellokaal</vet></al><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met toewijzing
                        van een speellokaal. De vergoeding voor een speellokaal bestaat uit een vast
                        bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee
                        90 m2 ruimte kan worden gerealiseerd. Voor een speellokaal in combinatie met
                        een uitbreiding van ten minste één groep (lokaal) geldt de toeslag zoals die
                        is opgenomen in paragraaf 2.1. </al><al>In geval van uitbreiding met alleen een speellokaal zonder gelijktijdige
                        toekenning van een ander lokaal, wordt de vergoeding op basis van de
                        volgende bedragen bepaald: </al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry><al>€ 209.253,54</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 m</al></entry><entry><al>€ 215.251,84</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 m</al></entry><entry><al>€ 216.561,79</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering &gt;=20 m</al></entry><entry><al>€ 217.625,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw</vet></al><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                        (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet>2.3 Tijdelijke voorziening</vet> De hierna genoemde bedragen zijn
                        afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt in nieuwbouw van een
                        voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een
                        (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en
                        uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen.
                        Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door
                        middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde voorziening. Wat
                        betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                        principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het
                        geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure
                        als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><al/><al><vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                            hoofdlocatie</vet></al><al>Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van
                        noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto-vloeroppervlakte: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Per groep:</al></entry><entry><al>80 m2</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor eerste groep: </al></entry><entry><al>20 m2</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie: </al></entry><entry><al>160 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal
                        standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee
                        wordt voor de eerste groep een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen die als hoofdlocatie gaan fungeren,
                        ook te beschikken over een aantal ruimten, die normaliter in een permanent
                        hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en dergelijke).
                        Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven. De vergoeding bestaat uit een
                        vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de
                        bouwkosten, de toeslag voor paalfundering alsmede eenmalige aansluitkosten
                        op nutsvoorzieningen. Indien paalfundering niet noodzakelijk is, dient een
                        aftrek plaats te vinden van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Voor de vaste voet</al></entry><entry><al>€ 353,16</al></entry></row><row><entry><al>Per groep</al></entry><entry><al>€ 4.301,49</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag eerste groep</al></entry><entry><al>€ 1.075,78</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag nieuwbouw als hoofdlocatie</al></entry><entry><al>€ 8.602,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Bedrag vaste voet</al></entry><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>Toeslag eerste groep</al></entry><entry><al>Toeslag hoofdlocatie</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>39.135,01</al></entry><entry><al>71.812,13</al></entry><entry><al>17.963,79</al></entry><entry><al>143.710,30</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al>39.135,01</al></entry><entry><al>71.812,13</al></entry><entry><al>17.963,79</al></entry><entry><al>143.710,30</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>39.817,56</al></entry><entry><al>73.148,95</al></entry><entry><al>18.319,51</al></entry><entry><al>146.556,05</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg</al></entry><entry><al>40.841,38</al></entry><entry><al>75.154,19</al></entry><entry><al>18.853,08</al></entry><entry><al>150.824,67</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz</al></entry><entry><al>38.793,73</al></entry><entry><al>71.143,71</al></entry><entry><al>17.785,93</al></entry><entry><al>142.287,43</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>39.476,28</al></entry><entry><al>72.480,54</al></entry><entry><al>18.141,65</al></entry><entry><al>145.133,17</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>39.135,01</al></entry><entry><al>71.812,13</al></entry><entry><al>17.963,79</al></entry><entry><al>143.710,30</al></entry></row><row><entry><al>SO-pi</al></entry><entry><al>38.793,73</al></entry><entry><al>71.143,71</al></entry><entry><al>17.785,93</al></entry><entry><al>142.287,43</al></entry></row><row><entry><al>SO-mg</al></entry><entry><al>40.841,38</al></entry><entry><al>75.154,19</al></entry><entry><al>18.853,08</al></entry><entry><al>150.824,67</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>39.476,28</al></entry><entry><al>72.480,54</al></entry><entry><al>18.141,65</al></entry><entry><al>145.133,17</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al>39.476,28</al></entry><entry><al>72.480,54</al></entry><entry><al>18.141,65</al></entry><entry><al>145.133,17</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>39.817,56</al></entry><entry><al>73.148,95</al></entry><entry><al>18.319,51</al></entry><entry><al>146.556,05</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg</al></entry><entry><al>41.523,93</al></entry><entry><al>76.491,02</al></entry><entry><al>19.208,80</al></entry><entry><al>153.670,42</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz</al></entry><entry><al>39.135,01</al></entry><entry><al>71.812,13</al></entry><entry><al>17.963,79</al></entry><entry><al>143.710,30</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>39.817,56</al></entry><entry><al>73.148,95</al></entry><entry><al>18.319,51</al></entry><entry><al>146.556,05</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>39.817,56</al></entry><entry><al>73.148,95</al></entry><entry><al>18.319,51</al></entry><entry><al>146.556,05</al></entry></row><row><entry><al>VSO-pi</al></entry><entry><al>39.476,28</al></entry><entry><al>72.480,54</al></entry><entry><al>18.141,65</al></entry><entry><al>145.133,17</al></entry></row><row><entry><al>VSO-mg</al></entry><entry><al>40.841,38</al></entry><entry><al>75.154,19</al></entry><entry><al>18.853,08</al></entry><entry><al>150.824,67</al></entry></row><row><entry><al>SG-doven</al></entry><entry><al>39.817,56</al></entry><entry><al>73.148,95</al></entry><entry><al>18.319,51</al></entry><entry><al>146.556,05</al></entry></row><row><entry><al>SG-sh/esm</al></entry><entry><al>39.476,28</al></entry><entry><al>72.480,54</al></entry><entry><al>18.141,65</al></entry><entry><al>145.133,17</al></entry></row><row><entry><al>SG-visg</al></entry><entry><al>39.817,56</al></entry><entry><al>73.148,95</al></entry><entry><al>18.319,51</al></entry><entry><al>146.556,05</al></entry></row><row><entry><al>SG-lg</al></entry><entry><al>41.182,66</al></entry><entry><al>75.822,60</al></entry><entry><al>19.030,94</al></entry><entry><al>152.247,55</al></entry></row><row><entry><al>SG-lz</al></entry><entry><al>39.476,28</al></entry><entry><al>72.480,54</al></entry><entry><al>18.141,65</al></entry><entry><al>145.133,17</al></entry></row><row><entry><al>SG-zmlk</al></entry><entry><al>40.158,83</al></entry><entry><al>73.817,36</al></entry><entry><al>18.497,37</al></entry><entry><al>147.978,92</al></entry></row><row><entry><al>SG-zmok</al></entry><entry><al>39.817,56</al></entry><entry><al>73.148,95</al></entry><entry><al>18.319,51</al></entry><entry><al>146.556,05</al></entry></row><row><entry><al>SG-pi</al></entry><entry><al>39.476,28</al></entry><entry><al>72.480,54</al></entry><entry><al>18.141,65</al></entry><entry><al>145.133,17</al></entry></row><row><entry><al>SG-mg</al></entry><entry><al>41.182,66</al></entry><entry><al>75.822,60</al></entry><entry><al>19.030,94</al></entry><entry><al>152.247,55</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                        alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                        worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij
                        nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><al/><al><vet>Uitbreiding tijdelijke voorziening</vet></al><al>Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de
                        bruto-vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m2 per groep. De vergoeding bestaat
                        uit een vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen
                        de bouwkosten en de toeslag voor de paalfundering. Indien geen paalfundering
                        noodzakelijk is, dient het bedrag voor de vaste voet te worden verminderd
                        met € 4.231,41 en het bedrag per groep met </al><al>€ 1.973,90. </al><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Bedrag vaste voet</al></entry><entry><al>Bedrag per groep</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>21.402,21</al></entry><entry><al>76.192,86</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>22.075,58</al></entry><entry><al>79.103,41</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg</al></entry><entry><al>22.075,58</al></entry><entry><al>79.103,41</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>21.907,23</al></entry><entry><al>78.375,77</al></entry></row><row><entry><al>SO-pi</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>SO-mg</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>21.402,21</al></entry><entry><al>76.192,86</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al>21.402,21</al></entry><entry><al>76.192,86</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>21.570,55</al></entry><entry><al>76.920,50</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz</al></entry><entry><al>21.402,21</al></entry><entry><al>76.192,86</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>VSO-pi</al></entry><entry><al>21.402,21</al></entry><entry><al>76.192,86</al></entry></row><row><entry><al>VSO-mg</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>SG-doven</al></entry><entry><al>.570,55</al></entry><entry><al>76.920,50</al></entry></row><row><entry><al>SG-sh/esm</al></entry><entry><al>21.570,55</al></entry><entry><al>76.920,50</al></entry></row><row><entry><al>SG-visg</al></entry><entry><al>21.907,23</al></entry><entry><al>78.375,77</al></entry></row><row><entry><al>SG-lg</al></entry><entry><al>22.075,58</al></entry><entry><al>79.103,41</al></entry></row><row><entry><al>SG-lz</al></entry><entry><al>21.570,55</al></entry><entry><al>76.920,50</al></entry></row><row><entry><al>SG-zmlk</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>SG-zmok</al></entry><entry><al>21.907,23</al></entry><entry><al>78.375,77</al></entry></row><row><entry><al>SG-pi</al></entry><entry><al>21.738,89</al></entry><entry><al>77.648,14</al></entry></row><row><entry><al>SG-mg</al></entry><entry><al>21.907,23</al></entry><entry><al>78.375,77</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                        alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                        worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij
                        nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><al/><al><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                        vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten) </al><al/><al><vet>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al> De vergoeding voor eerste inrichting voor onderwijsleerpakket en meubilair
                        bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>een vaste voet inclusief vier groepen; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een bedrag voor elke volgende groep; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>een toeslag voor extra ruimte (SO 12e groep, VSO 13e groep). </al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>Toeslag extra ruimte</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>187.503,37</al></entry><entry><al>21.094,88</al></entry><entry><al>11.698,70</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh</al></entry><entry><al>217.050,72</al></entry><entry><al>27.575,08</al></entry><entry><al>20.125,61</al></entry></row><row><entry><al>SO-esm</al></entry><entry><al>141.410,97</al></entry><entry><al>12.265,13</al></entry><entry><al>18.973,33</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>210.666,64</al></entry><entry><al>17.540,90</al></entry><entry><al>18.931,41</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz</al></entry><entry><al>128.093,75</al></entry><entry><al>12.329,55</al></entry><entry><al>14.358,06</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg</al></entry><entry><al>205.129,13</al></entry><entry><al>21.142,94</al></entry><entry><al>17.206,56</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>125.554,02</al></entry><entry><al>10.766,24</al></entry><entry><al>15.058,43</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>117.857,13</al></entry><entry><al>11.799,92</al></entry><entry><al>12.506,43</al></entry></row><row><entry><al>SO-pi</al></entry><entry><al>121.596,17</al></entry><entry><al>11.841,84</al></entry><entry><al>13.057,52</al></entry></row><row><entry><al>SO-mg</al></entry><entry><al>171.498,17</al></entry><entry><al>14.525,74</al></entry><entry><al>15.855,92</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>198.476,14</al></entry><entry><al>27.329,69</al></entry><entry><al>15.367,20</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh</al></entry><entry><al>182.670,32</al></entry><entry><al>20.386,34</al></entry><entry><al>15.386,63</al></entry></row><row><entry><al>VSO-esm</al></entry><entry><al>151.607,71</al></entry><entry><al>10.942,10</al></entry><entry><al>14.321,25</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>247.865,90</al></entry><entry><al>27.256,08</al></entry><entry><al>15.156,58</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz</al></entry><entry><al>139.958,09</al></entry><entry><al>10.149,71</al></entry><entry><al>14.527,78</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg</al></entry><entry><al>188.856,05</al></entry><entry><al>14.863,14</al></entry><entry><al>13.396,97</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>128.120,33</al></entry><entry><al>8.810,32</al></entry><entry><al>20.012,12</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>143.031,53</al></entry><entry><al>10.628,21</al></entry><entry><al>16.171,86</al></entry></row><row><entry><al>VSO-pi</al></entry><entry><al>142.376,15</al></entry><entry><al>10.978,91</al></entry><entry><al>16.700,46</al></entry></row><row><entry><al>VSO-mg</al></entry><entry><al>133.589,34</al></entry><entry><al>8.662,07</al></entry><entry><al>12.052,47</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien de toekenning van het aantal groepen eerste inrichting en meubilair
                        één of meer van de eerste vier groepen omvat, wordt de vaste voet naar rato
                        toegekend. Voor een nevenvestiging wordt per groep het bedrag voor elke
                        volgende groep toegekend. </al><al/><al><vet>2.5 Gymnastiek</vet><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>Nieuwbouw</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met
                        een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 705.292,92 (op het
                        schoolterrein) en € 719.557,89 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding
                        omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het
                        terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen. </al><al>Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een
                        toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze
                        toeslag is een bedrag gemoeid van € 70.751,08. Indien paalfundering
                        noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en
                        MG-scholen van 50 m2 beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag
                        (tussen haakjes vermeld). </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 14.186,18</al></entry><entry><al>€ 17.886,76</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 19.556,40</al></entry><entry><al>€ 24.771,76</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry><al>€ 27.466,10</al></entry><entry><al>€ 35.650,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Uitbreiding </al><al> Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten
                        bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                        oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer
                        worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de
                        benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry><al>€ 163.865,90</al></entry></row><row><entry><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry><al>€ 199.201,51</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                        wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>112-120m2</al></entry><entry><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 6.350,91</al></entry><entry><al>€ 7.941,22</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 11.000,13</al></entry><entry><al>€ 13.746,63</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry><al>€ 17.984,02</al></entry><entry><al>€ 22.480,02</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school of nevenvestiging is er
                        tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door
                        middel van medegebruik of huur (van een andere school of nevenvestiging /de
                        gemeente/een commerciële exploitant). Afhankelijk van de eigenaar van de
                        accommodatie bestaat recht op de volgende vergoeding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de gymnastiekzaal van een andere school of nevenvestiging
                                voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele deel van
                                het klokuurbedrag aan de eigenaar vergoed; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>indien de gymnastiekzaal van een school of nevenvestiging voor
                                voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het vaste en het
                                variabele deel van het klokuurbedrag vergoed; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>indien een gymnnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt,
                                volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld
                                aantal klokuren; </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant
                                wordt gebruikt, zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële
                                instandhouding) worden vergoed. De huurprijs wordt door de gemeente
                                aan de exploitant voldaan. </al></li></lijst><al/><al><vet>OLP/meubilair</vet></al><al> De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                        gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt
                        uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Schoolsoort</al></entry><entry><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>34.745,51</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al>34.541,68</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>41.817,90</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg/mg</al></entry><entry><al>45.807,50</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz/pi</al></entry><entry><al>32.855,86</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>32.855,86</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>32.788,25</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>40.735,12</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al>41.798,02</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>49.726,00</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry><al>51.014,10</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry><al>40.146,50</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>40.146,50</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>35.838,24</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-doven</al></entry><entry><al>42.184,30</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry><al>45.220,87</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-visg</al></entry><entry><al>51.602,73</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry><al>52.402,63</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry><al>43.568,35</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>43.568,35</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry><al>36.244,90</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: </al><al/><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1); </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2); </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf
                                3.3); en </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>gymnastiek (paragraaf 3.4). </al></li></lijst><al><cursief>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                            behoeve van de vergoedingen voor 2005. De bedragen zijn gebaseerd op het
                            prijspeil van 1 juli 2004 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2005
                            (-3,82 % voor de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en
                            2,07 % voor onderhoud, eerste inrichting en klokuurvergoeding
                            gymnastiek). De systematiek van prijsbijstelling en indexering is
                            opgenomen in hoofdstuk 4. </cursief></al><al/><al/><al/><al><vet>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding</vet></al><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                        uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande
                        gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component
                        'aanpassing' deel B). De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding
                        valt uiteen in een tweetal kostencomponenten: </al><lijst><li nr="a."><al>kosten van terreinen; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bouwkosten. </al></li></lijst><al/><al><vet>Kosten van terreinen</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                        juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                        dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt
                        ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                        terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                        gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                        zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt
                        aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                        terreinen. </al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op
                        staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag
                        voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te
                        weten een vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding
                        voor de sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan
                        uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten
                        van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand
                        van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals
                        opgenomen in Bijlage III, deel B. De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor
                        projecten vanaf 460 m2 bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per
                        huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere
                        projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze
                        kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke
                        kosten per m2 bruto-vloeroppervlakte. De bedragen zijn opgenomen in de tabel
                        op de volgende bladzijde met vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en
                        vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de
                        ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte
                        van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage
                        III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort.
                        Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt
                        door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene
                        sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties
                        waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening
                        bestaat. De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding
                        voor de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor
                        de vaste normkosten. </al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt;460m2</al></entry><entry><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry><al>&gt;=25002</al></entry></row><row><entry><al>Algemene en sprecifieke ruimte</al></entry><entry><al>1.796,23</al></entry><entry><al>1.066,00</al></entry><entry><al>1.040,47</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>1.754,39</al></entry><entry><al>1.419,16</al></entry><entry><al>1.419,16</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>2.130,37</al></entry><entry><al>1.795,14</al></entry><entry><al>1.795,14</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                                etaleren. </al></li></lijst><al/><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                                elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                                voertuigentechniek; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk; </al></li></lijst><al/><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry><al>113.337,88</al></entry><entry><al>113.337,88</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry><al>222.473,69</al></entry><entry><al>310.624,17</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry><al>41.136,13</al></entry><entry><al>41.136,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                        machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                        grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                        motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                        algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen
                        en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen. </al><al/><al><vet>Aanvullende normkosten</vet></al><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van
                        een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden
                        kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt
                        een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                        aspecten, te weten fundering en bemaling. </al><al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op
                        staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het
                        criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te
                        stellen sonderingsrapport. </al><al>De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de
                        bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de
                        hand van de volgende formules: </al><al/><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry><al>€ 3.303,95</al></entry><entry><al>€ 17,34</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry><al>€ 3.517,48</al></entry><entry><al>€ 29,32</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry><al>€ 3.927,14</al></entry><entry><al>€ 52,47</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry><al>€ 4.034,72</al></entry><entry><al>€ 6,07</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry><al>€ 5.262,63</al></entry><entry><al>€ 15,76</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry><al>€ 7.991,75</al></entry><entry><al>€ 31,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                        grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter
                        onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                        goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,25
                        per m2 terrein. </al><al/><al><vet>3.2 Tijdelijke voorziening</vet></al><al> Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                        onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                        voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                        onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>huur van tijdelijke lokalen. </al></li></lijst><al/><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</vet></al><al> Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                        tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: €
                        571,58 * A + € 39.296,98 A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte
                        aan tijdelijke huisvesting. Voor de berekening van A wordt verwezen naar
                        bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de
                        realisatie van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter
                        beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het
                        aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen,
                        de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de
                        te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening. </al><al/><al><vet>Huur van tijdelijke lokalen</vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                        vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet></al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris
                        (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de
                        huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw),
                        uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging
                        van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van
                        overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar
                        medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien
                        inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet
                        geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte
                        dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige
                        bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto
                        vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald
                        aan de hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>134,23</al></entry></row><row><entry><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry><al>(Uiterlijke) verzoring/mode en commmercie</al></entry><entry><al>313,70</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry><al>191,90</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>257,65</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>Techniek algemeen</al></entry><entry><al>329,11</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Consumptief</al></entry><entry><al>637,35</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Grafische techniek</al></entry><entry><al>1.218,51</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Landbouw</al></entry><entry><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                                etaleren; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken </al></li></lijst><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                                elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                                voertuigentechniek; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken. </al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><al/><al><vet>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</vet><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met
                        een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt </al><al>€ 705.292,92 (op het schoolterrein) respectievelijk € 719.557,89 (op
                        afzonderlijk terrein). </al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal-
                        en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het
                        terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk
                        van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                        volgende bedragen: </al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry><al>€ 14.186,18</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry><al>€ 19.556,40</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry><al>€ 27.466,10</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                        mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik
                        van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een
                        commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is
                        de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                                onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van
                                het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor
                                de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en
                                variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.
                                Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs
                                wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het
                                klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de
                                gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de
                                VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het
                                aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het
                                klokuurbedrag te vergoeden. </al></li><li nr="b."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is
                                de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                                exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor
                                de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en
                                variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.
                            </al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant
                                wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de
                                huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De
                                gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als
                                onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding
                                bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele
                                deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de
                                hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en
                                variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.
                            </al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c
                        wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                        onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van
                        het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het
                        totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet
                        onderwijs moet vergoeden.</al><al/><al><vet>Huur sportvelden</vet></al><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                        vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                        bedraagt € 17,78 per klokuur. </al><al/><al><vet>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</vet></al><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en
                        ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand
                        gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is
                        bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer-
                        en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                        medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                        hulpmiddelen/meubilair. </al><al>De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie
                        wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Meubilair</al></entry><entry><al>L.h.m</al></entry><entry><al>Totaal</al></entry></row><row><entry><al>Eerste lokaal</al></entry><entry><al>920,22</al></entry><entry><al>54.874,44</al></entry><entry><al>55.795,65</al></entry></row><row><entry><al>Tweede lokaal</al></entry><entry><al>920,22</al></entry><entry><al>42.806,23</al></entry><entry><al>43.726,45</al></entry></row><row><entry><al>Derde lokaal</al></entry><entry><al>920,22</al></entry><entry><al>18.610,15</al></entry><entry><al>19.530,37</al></entry></row><row><entry><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>12.118,92</al></entry><entry><al>12.118,92</al></entry></row><row><entry><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1.398,97</al></entry><entry><al>1.398,97</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>4 Indexering</vet></al><al> De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil
                        van 1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke
                        prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling
                        ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar
                        van uitvoering van het programma bekendgemaakt. </al><al/><al><vet>Werkelijke prijsontwikkeling</vet></al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                        prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk
                        jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli
                        het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als
                        prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer
                        'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in
                        de 'Maandstatistiek bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van
                        het lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. </al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als
                        prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer
                        'Consumentenindex van alle huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de
                        'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over de maand juli van het
                        lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar. Indien de
                        CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100” over het tweede
                        kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                        CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal
                        van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al/><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</vet></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het
                        programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken
                        van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma.
                        Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het
                        programma en het moment van vergoeding vast te stellen. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer
                        het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door
                        bedrijven in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in
                        september. Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en
                        hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als
                        prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële
                        overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in
                        september.</al><al/><al/><al><vet>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al> In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                        vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op
                        basis van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen,
                        ingevolge artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van
                        feitelijke kosten, dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen
                        aanbestedingsregels te worden voldaan. </al><al><vet>Europese aanbesteding</vet> Indien de omvang van een opdracht of
                        contract boven een bepaald bedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit
                        overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese Unie (2004/18/EG)
                        toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende bedragen: </al><lijst><li nr="-"><al>211.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>5.278.000 euro (exclusief BTW) voor werken. </al></li></lijst><al/><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder
                        de definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of
                        onderwijsleerpakket valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en
                        terreinen is de richtlijn uiteraard niet van toepassing. </al><al/><al><vet>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</vet></al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                        vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing. Ingevolge
                        artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt over de
                        wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het
                        vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht
                        wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist. </al><al/><al><vet>DEEL C </vet><vet>Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als
                        bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het
                        onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een
                        vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij
                        meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de
                        groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals
                        jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschappen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                                voorzieningen </label></kop><al><vet>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</vet></al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                        criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden
                        ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in
                        volgorde van prioriteit. Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar
                        hoofdprioriteit: </al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van
                                bijlage III op te heffen; </al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te
                                handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs; </al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                                gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze
                                geen capaciteitsuitbreiding inhouden; </al></li></lijst><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                        inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen
                        aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al><al/><al><vet>Ad 1</vet></al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                        voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                        inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                        toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook
                        vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening
                        bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze
                        hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw
                        inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze
                        hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te
                        heffen. </al><al><vet>Ad 2</vet></al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een
                        ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het
                        primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van
                        schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een
                        oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de
                        tweede hoofdprioriteit. </al><al><vet>Ad 3</vet></al><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                        (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                        verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3. </al><al><vet>Ad 4</vet></al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                        onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                        activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of
                        vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet
                        spoedeisend is</al><al/><al><vet>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten</vet>
                        Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit
                        de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten,
                        namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald
                        afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere
                        voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de
                        subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast. Onder lesruimten
                        vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                        gymnastiekruimten. Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten,
                        personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw. Onder het
                        begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen
                        aan het terrein. </al><al/><al><vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                            bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op
                            het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                                kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                                schoolgebouwen; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                                kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                                schoolgebouwen en </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                                kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een
                            adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het
                            programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                                bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                                volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2
                                onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                                vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het
                                bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens
                                het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                                de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens
                                het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                                de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                            aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder
                            aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt
                            voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de
                                wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                                rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;
                            </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                                voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                                conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                                c, de minste is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een
                                vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat niet voldoet aan de wet-
                                en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                                rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;
                            </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet
                                aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                                volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                minste is; en </al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet
                                aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                                volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                minste is.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                            gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                            aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                            onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                                vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                                groepen leerlingen het hoogst is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                                percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid
                                geldt het hoogst is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor
                                vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten waarbij het percentage
                                leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het
                                hoogst is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                                gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor
                                nieuw onderwijskundig beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                                omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en
                            </al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer
                                algemene aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw
                                het hoogst is. </al></li></lijst><al/></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Formulieren</label></kop><divisie><kop><label>Formulier I</label></kop><al><vet>Formulier voor aanvragen van voorzieningen in de
                            onderwijshuisvesting</vet><vet>Per type aanvraag (programma, spoedeisende aanvraag of
                            bouwvoorbereiding) 1 formulier invullen</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Bestuursgegevens van het bevoegd gezag </al><al> Naam: </al><al>Adres: Postcode/Plaats: </al><al>Contactpersoon huisvestingszaken: </al><al>Telefoonnummer: </al><al>Telefaxnummer: </al><al/></li><li nr="2."><al>Type aanvraag <vet>[1]</vet> De aanvraag betreft een: </al><al>0 opneming in het programma </al><al>0 aanvraag op basis van de spoedprocedure </al><al>0 aanvraag bouwvoorbereiding </al><al>Bij bouwvoorbereiding na invullen van 3a verder gaan met invullen
                                van 5! </al><al/></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Gegevens over de gewenste voorziening </al></li></lijst><lijst><li nr="3a."><al>De aanvraag is bedoeld voor: </al><al>schoolnaam:</al><al>BRIN-nummer:</al><al>gebouwadres:</al><al>te gebouw(deel)nr.:</al><al>functie gebouw: </al><al>0 hoofdgebouw van hoofdvestiging</al><al>0 hoofdgebouw van nevenvestiging </al><al>0 dislocatie van de hoofd-/nevenvestiging <vet>[2]</vet></al></li></lijst><lijst><li nr="3b."><al>Gevraagde voorziening </al><al> Te overleggen gegevens:</al><al>1. 0 nieuwbouw A, B of C, E, F, J </al><al>2. 0 vervangende bouw B of C, D, E, F, J </al><al>3. 0 uitbreiding B of C, D (alleen invullen bij vervanging van
                                gebouw), E, F, J </al><al>4. 0 ingebruikneming A (alleen bij nieuwe bekostiging), B of C, E/F,
                                J </al><al>5. 0 verplaatsing noodlokalen C, E, J </al><al>6. 0 terrein ? </al><al>7. 0 eerste inrichting olp (PO) ? </al><al>8A. 0 eerste inrichting meubilair (PO) ? </al><al>8B. 0 toeslag meubilair als gevolg van de groepsgrootteverkleining
                                (PO) </al><al>9. 0 eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (VO) </al><al>10. 0 medegebruik G </al><al>11. 0 aanpassing B, D (enkel voor VO), E, F, J </al><al>12. 0 onderhoud (PO) C, D, E, J </al><al>13. 0 herstel van constructiefouten D, E </al><al>14. 0 herstel/vervanging van schade in geval van bijzondere
                                omstandigheden E, H </al><al>15. 0 huur sportterrein VO I</al></li></lijst><al/><al>Codering benodigde gegevens: </al><lijst><li nr="-"><al>Beschikking van de minister inzake schikking van school of afdeling.
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Prognose voor ten minste 15 jaren bij permanente bouwaard.</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Prognose voor ten minste 4 jaren bij tijdelijke bouwaard.</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Bouwkundige opname volgens het formulier 'bouwkundige opname' a.
                                voor onderhoud en constructiefouten: desbetreffende element(en); b.
                                voor vervangende bouw: alle gebouwelementen. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Alleen indien de feitelijke kostensystematiek van toepassing is:
                                kostenraming. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>(Eventueel) na bouwvoorbereiding: bouwplan en bouwbegroting. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Opgave van aantal groepen waarvoor medegebruik wordt gewenst en -
                                indien bekend - gebouw waarin medegebruik wordt gewenst. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Aard van de schade, aard van de bijzondere omstandigheden en bij
                                inbraak, aangifte bij politie. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Opgave noodzaak en aantal lestijden gebruik. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Indien van toepassing: opgave (voorgenomen) beschikkingen
                                (fusies/opheffingen/verplaatsingen en dergelijke. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="3c."><al> Gewenste omvang voorziening:</al><al> 0 bij voorziening 1/2/3/4/5/7/8A/8B/9/10/15: groepen/leerlingen </al><al>0 bij voorziening 11/12/13/14 omschrijving werkzaamheden: </al></li></lijst><lijst><li nr="3d."><al>Gewenste bouwaard voorziening: </al><al>0 permanent</al><al>0 tijdelijk</al></li></lijst><lijst><li nr="3e."><al>Gewenste plaats voorziening (bij nieuwbouw/vervangende bouw
                                ingebruikneming en verplaatsing noodlokalen): </al></li></lijst><lijst><li nr="3f."><al>Gewenste datum aanvang uitvoering</al><al/></li></lijst><al/><lijst><li nr="4."><al>Spoedprocedure</al><al>0 Aanduiding omstandigheden spoedeisendheid :</al><al>0 Reden waarom voorziening niet kon worden aangevraagd in het kader
                                van een nog vast te stellen programma : </al><al/></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Bouwvoorbereiding </al><al>Te overleggen gegevens :</al><al>0 nieuwbouw A, B of C, E, J </al><al>0 vervangende bouw B of C, D, E, J </al><al>0 uitbreiding B of C, D (enkel bij vervanging van een gebouw), E, J </al><al>Gewenste locatie van de voorziening: </al><al>Gewenst tijdstip realisering: </al><al/></li></lijst><al><vet>Bijlagen</vet></al><al>Aantal bijlagen bij dit formulier: </al><al>Omschrijving bijlagen: </al><al>1</al><al> 2</al><al> 3 </al><al>4</al><al> 5 </al><al>6 </al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al>Ondergetekenden verklaren dat de aanvraag namens het bestuur van het bevoegd
                        gezag is ingediend. </al><al>Plaats, datum</al><al>Voorzitter</al><al> Secretaris </al><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al>Het formulier is bedoeld om de werkzaamheden van de gemeente voor
                        onderwijshuisvesting zo effectief mogelijk gestalte te geven. Het formulier
                        ondersteunt de gemeente bij de verwerking en beoordeling van aanvragen voor
                        de huisvesting van het onderwijs. Essentiële gegevens over de aanvraag, de
                        gewenste voorziening en dergelijke kunnen op het formulier worden ingevuld.
                        Daarnaast zal een aantal gegevens worden geleverd in rapporten, formulieren
                        en dergelijke, die ook onderdeel uitmaken van de onderbouwing van de
                        noodzaak van de gewenste voorziening. Aanvragen worden onderscheiden in
                        aanvragen voor het programma, voor spoedvoorzieningen en (eventueel
                        afhankelijk van hetgeen opgenomen is in de gemeentelijke verordening) voor
                        bouwvoorbereiding. Per type aanvraag, als hiervoor aangegeven, en per gebouw
                        wordt gevraagd één formulier in te dienen. Zo ontstaat voor de gemeente
                        optimale duidelijkheid over hetgeen het schoolbestuur in één bouwsituatie in
                        of bij een gebouw wenst te realiseren In het onderdeel 'gevraagde
                        voorziening' kunnen verschillende - met elkaar verband houdende -
                        voorzieningen tegelijk worden aangekruist. De formulieren maken het voor de
                        gemeente mogelijk de aanvragen eenvoudig te rubriceren voor de bekendmaking
                        van ingediende aanvragen aan alle schoolbesturen in de gemeente. Het
                        gebouw(deel)nummer wordt gevraagd in de veronderstelling dat veel gemeenten
                        de nummers van OCenW/C¦i wensen te handhaven. Eventueel kan daar een eigen
                        nummer of in het geheel geen nummer ingevuld worden. Achter elke gevraagde
                        voorziening (ook bij de aanvraag voor bouwvoorbereiding) is door middel van
                        een codering aangegeven welke gegevens overgelegd moeten worden. In de
                        verordening is de verplichting de gegevens te leveren vastgelegd. Voor de
                        prognose kan afhankelijk van de bouwaard van de voorziening (permanent of
                        tijdelijk) of de prognosevereiste bij de voorziening met name bij aanpassing
                        en onderhoud worden gekozen voor een kortetermijnprognose of een
                        langetermijnprognose. Vanzelfsprekend dient de prognose te voldoen aan het
                        gestelde voor de desbetreffende onderwijssoort in bijlage II. Alleen indien
                        de feitelijke kostensystematiek van toepassing is, moet de begroting van de
                        kosten worden ingediend. Indienen van een bouwplan en bouwbegroting is
                        slechts van toepassing bij een aanvraag nadat daaraan voorafgaand
                        bouwvoorbereiding heeft plaatsgevonden. Om een goed oordeel over de aanvraag
                        mogelijk te maken, moeten alle relevante factoren worden vermeld, dus ook
                        eventuele herschikkingen die het bevoegd gezag voornemens is uit te voeren.
                        Indien de gemeente in de verordening bouwvoorbereiding voor andere
                        voorzieningen, zoals nieuwbouw en uitbreiding, mogelijk heeft gemaakt, kan
                        de gemeente bij bouwvoorbereiding het formulier uitbreiden met de
                        desbetreffende voorzieningen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Formulier II</label></kop><al><vet>Formulier voor het verstrekken van informatie over lesgebouwen </vet><vet>Per gebouw 1 formulier invullen. Dit formulier is bedoeld voor 'turn
                            around'-gebruik: eenmalig worden alle noodzakelijke gegevens verstrekt.
                            Daarna worden de wijzigingen doorgegeven.</vet></al><al>Datum ingang wijzigingen: (In te vullen door het bevoegd gezag) </al><al>Datum vastlegging gegevens: (In te vullen door de gemeente) Basisgegevens </al><al>Huidig gegeven </al><al>Te wijzigen in: </al><al/><lijst><li nr="1."><al>Bestuursgegevens van het bevoegd gezag </al><al> Naam: </al><al>Adres: </al><al>Postcode/plaats: </al><al>Bestuursnummer: </al><al>Contactpersoon huisvestingszaken: </al><al>Correspondentieadres: </al><al>Telefoonnummer: </al><al>Telefaxnummer: </al><al/></li><li nr="2."><al>Gegevens van het instituut of de instelling </al><al>Schoolnaam: </al><al>Denominatie(s): </al><al>BRIN-nummer: </al><al>Onderwijssoort en (eventueel) - afdelingen: </al><al>0 Instituut bestaat enkel uit hoofdvestiging <vet>[3]</vet></al><al>0 Instituut bestaat uit hoofd- en nevenvestiging :</al><al>0 Aantal nevenvestigingen: waarvan in deze gemeente: </al><al/></li><li nr="3."><al>Gegevens lesgebouw </al></li><li nr="3a."><al>Status gebouw: </al><al>0 hoofdgebouw van de hoofdvestiging </al><al>0 hoofdgebouw van de nevenvestiging </al><al>0 dislocatie van de hoofd-/nevenvestiging <vet>[4]</vet></al></li><li nr="3.b"><al>Gebouwgegevens: </al><al>- Adres: </al><al>- Bouwaard: permanent / noodbouw </al><al>- Brutovloeroppervlakte (BVO) ……m² ……m² </al><al>- Bouwjaar: </al><al>Bij gebouw dat in verschillende bouwjaren gebouwd is: </al><al>0 Bouwjaar deel 1 BVO deel 1 m² 0 Bouwjaar deel 2 BVO deel 2 m² 0
                                Bouwjaar deel 3 BVO deel 3 m² Huidig gegeven </al><al>Te wijzigen in: </al><al>- PO: capaciteit feitelijk: </al><al>…… groepen …… groepen genormeerd: </al><al>…… groepen …… groepen: </al></li><li nr="3.c"><al>Additionele gegevens: </al><al/></li><li nr="4."><al>Gegevens over medegebruik </al><al>(PO) aantal groepen medegebruik </al><al>(VO) brutovloeroppervlakte m2 m2 </al></li></lijst><al/><al><vet>Ondertekening </vet></al><al> Ondergetekenden verklaren namens het bevoegd gezag dat de doorgegeven
                        wijzigingen in de gemeentelijke administratie nodig zijn om een juiste
                        weergave van de gegevens van de vermelde school te continueren. </al><al>Plaats, datum </al><al>Voorzitter </al><al>Secretaris </al><al/><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Dit formulier is bedoeld voor zogenaamd 'turn around'-gebruik, dat wil
                        zeggen na de eerste opgave behoeft het formulier slechts indien er
                        wijzigingen zijn te worden ingezonden. Alleen de te wijzigen gegevens worden
                        dan door het bevoegd gezag vermeld. Bij elektronische uitwisseling van het
                        formulier kunnen slechts de van toepassing zijnde gegevens worden afgedrukt.
                        Na verwerking zendt de gemeente een nieuw formulier met gegevens in de kolom
                        'huidig gegeven' toe aan het bevoegd gezag. Dit maakt het mogelijk voor het
                        bevoegd gezag te controleren of verwerking van de wijzigingen conform de
                        opgave is geschied. </al><al/><al><vet>Basisgegevens</vet></al><al>Nauwkeurig vastleggen en bijhouden van de gegevens voorkomt dat gemeente en
                        schoolbestuur uitgaan van verschillende huisvestingsgegevens. Er wordt
                        gevraagd voor elk gebouw een formulier te verstrekken. Voor elk gebouw wordt
                        een aantal gegevens gevraagd. De meeste hiervan zijn al bekend en liggen
                        vast in de historische gegevens of BRHU voor het VO zoals C¦i die heeft
                        verstrekt. Het kan voorkomen dat een gebouw bestaat uit gedeelten die elk in
                        een verschillend jaar zijn gebouwd. In dat geval dient elk van de bouwjaren
                        apart te worden vermeld tezamen met de brutovloeroppervlakte van het
                        desbetreffende deel. Bij het verstrekken van de gegevens is in het formulier
                        uitgegaan van de beschrijving van de informatieverstrekking zoals opgenomen
                        in de verordening. Indien burgemeester en wethouders het noodzakelijk achten
                        om aanvullende gegevens te vervangen, dan kan in het formulier worden
                        voorzien in de mogelijkheid tot het verstrekken van deze informatie. Het kan
                        dan gaan om: </al><al/><lijst><li nr="-"><al>gebouw(deel)nummer; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>aantal bouwlagen; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>kadastraal nummer; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>oppervlakte terrein; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>aanwezige lokalen, zo nodig te splitsen in: </al><al>0 groepslokalen (PO)/theorie(vak)lokalen (VO);</al><al>0 speellokaal (PO)/vaklokalen (VO);</al><al>0 werkplaatsen (VO); aanwezige overige ruimten/nevenruimten;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>aanwezigheid van voorzieningen voor gehandicapten; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>aanwezigheid van een rijwielberging. </al><al/></li></lijst><al>Alvorens van deze mogelijkheid gebruik te maken, dient de gemeente wel
                        overleg te voeren met de schoolbesturen. </al><al/><al><vet>Periodieke gegevens</vet></al><al>Het is niet mogelijk om met dit formulier te voorzien in verstrekking van
                        periodieke gegevens aan burgemeester en wethouders. Levering van periodieke
                        gegevens vindt op basis van de verordening plaats door een afschrift van het
                        leerlingtelformulier inclusief een opgave van het aantal leerlingen per
                        locatie naar burgemeester en wethouders te zenden. Om als gemeente goed
                        inzicht te hebben in de benutting van de onderwijshuisvesting is het nodig
                        steeds inzicht te hebben in de actuele situatie. Gevraagd wordt daarom
                        wijzigingen steeds zo spoedig mogelijk door te geven. Bij wijzigingen dient
                        het bevoegd gezag ook de datum van ingang van de wijzigingen op te geven.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Formulier III</label></kop><al><vet>Formulier voor het verstrekken van informatie over eigen
                            gymnastiekruimten en jaarlijkse opgave gebruik
                        gymnastiekruimten</vet>.</al><al/><al><vet>Opgave eigen gymnastiekruimte eenmalig en bij wijzigingen verstrekken.
                            Opgave gewenst gebruik eerstvolgende schoollaar jaarlijks indienen per
                            instituut. </vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Opgave gymnastiekruimte <vet>[5]</vet></al><al>Datum opgave: </al><lijst><li nr="a."><al>Gebouwgegevens: </al><al>0 Huidig gegeven:</al><al>0 Wijziging Adres: </al><al>0 Bouwjaar: </al><al>0 Oppervlakte oefenvloer: ………m2 ………m2 </al></li><li nr="b."><al>Additionele gegevens: </al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>Opgave gewenst gebruik gymnastieklokaal voor het komend schooljaar </al><al>Gebruiker (instituut): </al><al>Aanduiding gymnastiekruimte waarvan </al><al>het gebruik wordt gewenst: </al><al>Totaal aantal klokuren gewenst: </al><al>Opgave gewenste tijden <vet>[6]</vet> : aantal klokuren </al><al>0 maandagochtend maandagmiddag </al><al>0 dinsdagochtend dinsdagmiddag </al><al>0 woensdagochtend </al><al>0 donderdagochtend donderdagmiddag </al><al>0 vrijdagochtend vrijdagmiddag </al></li></lijst><al/><al><vet>Ondertekening </vet></al><al> Ondergetekenden verklaren dat de opgave namens het bestuur van het bevoegd
                        gezag is ingediend. </al><al>Plaats, datum </al><al>Voorzitter </al><al>Secretaris </al><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al>Dit formulier ondersteunt de gemeente bij de planning van het gebruik van de
                        gymnastieklokalen. Tevens biedt het formulier de mogelijkheid een (wijziging
                        van een) opgave te doen van noodzakelijke gegevens van een gymnastiekruimte
                        in eigendom van het schoolbestuur. </al><al/><al><vet>Gegevens over de gymnastiekruimte</vet></al><al>Eenmalig, op basis van de situatie per 1 januari 1997, geeft het
                        schoolbestuur dat zelf eigenaar is van de gymnastiekruimte de gegevens op.
                        Bij wijzigingen in de gegevens - anders dan het gebruik - wordt hernieuwd
                        een opgave gedaan. Dit vorenstaande geldt zowel voor het primair onderwijs
                        als het voortgezet onderwijs. Het formulier beperkt zich tot de
                        gebouwgegevens opgenomen in de verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs. Eventueel gewenste aanvullende gegevens (over
                        brutovloeroppervlakte, over aanwezigheid van was- en kleedgelegenheid
                        bijvoorbeeld) kan de gemeente vragen opnemen in het formulier. Voordat de
                        gemeente daartoe overgaat, is wel overleg met het bijzonder onderwijs nodig. </al><al/><al><vet>Opgave gewenst gebruik gymnastiekruimte</vet></al><al>Voor het inroosteren van gymnastiekruimten doet het bevoegd gezag voor elke
                        school in het primair onderwijs jaarlijks voor het volgende schooljaar een
                        opgave van het aantal klokuren gewenst gebruik. Daarbij geeft zij ook aan
                        welke gymnastiekruimte zij wenst te gebruiken en wanneer. Er is rekening
                        gehouden met opgave van gewenste dagdelen (ochtend en/of middag). Indien de
                        gemeente ook het voortgezet onderwijs wenst te betrekken bij het inroosteren
                        van gymnastiekruimten, dan neemt de gemeente het op in de verordening. Ook
                        de instellingen voor voortgezet onderwijs geven dan jaarlijks een opgave van
                        het gewenst gebruik van gymnastiekruimten in het volgende schooljaar. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Formulier IV</label></kop><al><vet>Berekeningsformulier Prognosemodel huisvesting voortgezet onderwijs
                            (VO)</vet></al><al/><al><vet>Prognose voor huisvestingsvoorziening voor: </vet></al><al> behoort bij de aanvraag voor: </al><al>met als datum en kenmerk: school: </al><al>BRIN-nr.: </al><al>vestiging: </al><al>straat: </al><al>status vestiging: </al><al>hoofdvestiging/nevenvestiging </al><al>status gebouw: hoofdgebouw/dislocatie </al><al/><al>Per gemeente onderstaande gegevens invullen/berekenen! </al><al> Gegevens analyseperiode (zo mogelijk 6 jaar): </al><al/><table><tgroup cols="8"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><colspec colname="colH"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>t-6</al></entry><entry><al>t-5</al></entry><entry><al>t-4</al></entry><entry><al>t-3</al></entry><entry><al>t-2</al></entry><entry><al>t-1</al></entry><entry><al>(t is gewenst jaar start bouw) </al></entry></row><row><entry><al>aantal 12-jarigen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>= A</al></entry></row><row><entry><al>aantal 13-jarigen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>= B</al></entry></row><row><entry><al>gemiddeld aantal</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>(A + B) / 2 = C</al></entry></row><row><entry><al>1e leerjaar school</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>= D</al></entry></row><row><entry><al>belangstellingspercentage:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>SD/SX * 100 = E</al></entry></row><row><entry><al>schoolbevolking:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>= F</al></entry></row><row><entry><al>vermenigvuldigingsfactor:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>SF / SD = G </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Prognoseperiode: </al><table><tgroup cols="10"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><colspec colname="colH"/><colspec colname="colI"/><colspec colname="colJ"/><tbody><row><entry><al>PRIMOS-raming</al></entry><entry><al>t </al></entry><entry><al>t+1</al></entry><entry><al>t+2</al></entry><entry><al>t+3</al></entry><entry><al>t+4</al></entry><entry><al>t+5</al></entry><entry><al>t+6</al></entry><entry><al>t+7</al></entry><entry><al>t+8</al></entry></row><row><entry><al>aantal 12-jarigen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>aantal 13-jarigen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>gemiddeld aantal</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>belangstelling E</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>vermenigvuldiging G</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>schoolbevolking:</al></entry><entry><al>t+9</al></entry><entry><al>t+10</al></entry><entry><al>t+11</al></entry><entry><al>t+12</al></entry><entry><al>t+13</al></entry><entry><al>t+14</al></entry><entry><al>t+15 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>aantal 12-jarigen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>= H</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>aantal 13-jarigen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>= I </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>gemiddeld aantal</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>(H + I) </al><al>/ 2 = J</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>belangstelling E</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>= K</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>vermenigvuldiging G</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>= L</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>schoolbevolking:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>J * K * </al><al>L = M</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat er (nog) geen vastgesteld model dat ook
                        in de vorm van software beschikbaar is. Daarom zijn de rekenregels zoals
                        aangegeven in bijlage II onder 3 van de verordening voorzieningen
                        huisvesting onderwijs op dit formulier in schema gezet. Het is voor de
                        nauwkeurigheid van de prognose van belang dat het schema wordt ingevuld voor
                        alle gemeenten van waaruit leerlingen de vestiging waarvoor de prognose
                        wordt gemaakt bezoeken. Het uiteindelijke prognoseresultaat is dan de som
                        van de schoolbevolking (M) voor elk van de gemeenten in de jaren t tot en
                        met t+15. In de analyseperiode worden feitelijke gegevens gebruikt: het
                        aantal 12 jarigen en het aantal 13-jarigen per 1 januari van de afgelopen
                        zes jaar (zo mogelijk) en het aantal leerlingen in het eerste leerjaar en in
                        de hele vestiging per 15 september/1 oktober daaraan voorafgaand. Bij fusies
                        gedurende de analyseperiode wordt gehandeld, alsof de fusie aan het begin
                        van die periode heeft plaatsgevonden. Door de leerlingen in het eerste
                        leerjaar te sommeren (-D) en te delen door de som van het gemiddelde aantal
                        12- en 13-jarigen (C) wordt het gemiddelde belangstellingspercentage (E)
                        berekend. De som van de schoolbevolking (F) gedeeld door de som van de
                        leerlingen in het eerste leerjaar levert de gemiddelde
                        vermenigvuldigingsfactor G op die in de prognoseperiode moet worden
                        gebruikt. Bij veranderingen in gedoceerd onderwijs wordt de
                        vermenigvuldigingsfactor over de drie meest recente jaren berekend. In de
                        prognoseperiode wordt voor de 12- en 13-jarigen gebruikgemaakt van de
                        cijfers uit de meest recente PRIMOS-raming (die jaarlijks wordt gemaakt). De
                        te verwachten schoolbevolking in de prognoseperiode ontstaat door het
                        gemiddeld aantal 12- en13-jarigen te vermenigvuldigen met het
                        belangstellingspercentage en de vermenigvuldigingsfactor. NB: Mits gemeenten
                        onderling niet te veel verschillen in toekomstige ontwikkeling van de 12- en
                        13-jarigen, kunnen gemeenten van waaruit slechts enkele leerlingen de
                        vestiging bezoeken worden samengenomen (hetgeen het rekenwerk enigszins
                        beperkt). </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Formulier V</label></kop><al><vet>Formulier bouwkundige opname</vet></al><al/><al><vet>Per voorziening en per gebouw (gedeelte) 1 formulier invullen</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>School </al><al>naam: </al><al>adres: </al><al>plaats: </al><al>BRIN-nummer:</al><al> gebouw (deel)nummer: </al><al>gebouw(-gedeelte) gehele
                                gebouw/theorielokaal;leslokaal/vaklokaal;speellokaal/niet
                                lesruimte/overige ruimte <vet>[7]</vet></al></li><li nr="2."><al>Opname </al><al>opnamedatum: </al><al>opname door:</al></li><li nr="3."><al>Voorziening </al><lijst><li nr="a."><al>(elementnummers, zoals aangegeven onder 4, vermelden) </al></li><li nr="b."><al>0 noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven </al><al>0 noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                                        gestelde eisen <vet>[8]</vet></al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bouwkundige staat element omschrijving gebouwonderdeel conditie (in
                                %) PO VO 1 2 3 4 5 6 </al><lijst><li nr="a."><al>buitenwanden </al><al>17- - - - - - vervangen/herstel buitenwanden </al><al>18- - - - - - herstel voegwerk </al><al>20- - - - - - vervangen buitenzonwering </al></li><li nr="b."><al>binnenwanden </al><al>9- - - - - - - - - - -vervangen binnenkozijnen
                                        buitenwandopeningen </al><al>6- - - - - - - - - - -vervangen buitenkozijnen </al><al>16- - - - - - vervangen buitenkozijnen </al><al>19- - - - - - herstel entreepui </al></li><li nr="c."><al>dakafwerkingen </al><al>1- - - - - - - - - - -vervangen dakpannen, houtw. </al><al>7- - - - - - - - - - -vervangen dakbedekking. HWA </al><al>11- - - - - - vervangen stenen dakbedekking </al></li><li nr="d."><al>warmtedistributie </al><al>101- - - - - - - - - vervangen radiatoren, conv. </al></li><li nr="e."><al>transport(-install) </al><al>31- - - - - - - - - - vervangen brandtrap </al><al>13- - - - - - vervangen buitentrap </al></li><li nr="f."><al>terrein(-afwerking) </al><al>21- - - - - - - - - - vervangen rijwielstalling, st. </al><al>41- - - - - - - - - - vervangen erfafscheiding </al><al>51- - - - - - - - - - vervangen/herstel riol./bestr </al><al>81- - - - - - - - - - vervangen buitenberging </al><al>12- - - - - - vervangen rioolloods </al><al>14- - - - - - vervangen afrastering </al><al>15- - - - - - vervangen bestrating/riolering </al></li></lijst><al>​</al></li></lijst><al/><al>Indien vervangende nieuwbouw wordt gevraagd, dienen naast de voorgaande
                        elementen ook de onderstaande elementen te worden ingevuld. Indien het
                        herstel van constructiefouten wordt gevraagd, wordt het element aangevuld
                        waarop de aanvraag betrekking heeft. </al><al/><lijst><li nr="g."><al>fundering </al></li><li nr="h."><al>vloeren </al></li><li nr="i."><al>dakconstructie </al></li><li nr="j."><al>draagconstructie </al></li><li nr="k."><al>vloerafwerkingen </al></li><li nr="l."><al>plafondafwerkingen </al></li><li nr="m."><al>warmteopwekking </al></li><li nr="n."><al>waterleiding/ riolering </al></li><li nr="o."><al>luchtbehandeling </al></li><li nr="p."><al>elektrotechniek</al></li></lijst><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al>Ondergetekenden verklaren dat de opname van de bouwkundige staat van het
                        betreffende gebouw namens het bestuur van het bevoegd gezag van de school is
                        opgesteld. </al><al>plaats, datum </al><al>voorzitter </al><al>secretaris </al><al/><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Voor de beoordeling van de bouwkundige staat van schoolgebouwen worden in
                        het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs vrijwel identieke methoden
                        gehanteerd. Het betreft een opnamemethodiek die is ontwikkeld door de
                        Rijksgebouwendienst (RGD). De beoordeling van de bouwkundige staat van
                        schoolgebouwen wordt gemeten aan de hand van de navolgende gobouwonderdelen: </al><lijst><li nr="-"><al>fundering </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>buitenwanden </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>binnenwanden </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>vloeren </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>dakconstructie </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>draagconstructie </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>buitenwandopeningen </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>vloerafwerkingen </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>plafondafwerkingen </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>dakafwerkingen </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>warmteopwekking </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>warmtedistributie </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>luchtbehandeling </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>elektrotechniek </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>transportinstallatie </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>terreinafwerkingen </al></li></lijst><al/><al>In het primair onderwijs is ook het onderdeel 'waterleiding/riolering'
                        opgenomen. Op grond van de bij de Wet decentralisatie
                        huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402) gevoegde 'kruisjeslijst', is het
                        mogelijk de elementen die zowel voor het primaire onderwijs (P0) als voor
                        het voortgezet onderwijs (VO) bij de gemeente kunnen worden aangevraagd, te
                        selecteren. De 'kruisjeslijst' is het overzicht met de elementen die voor
                        rekening van het bevoegd gezag dan wel de gemeente komen. </al><al/><al><vet>Onderhoud primair onderwijs en aanpassing voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Onderhoud dat kan worden aangevraagd bij de gemeente, PO </al><lijst><li nr="1."><al>- vervangen dakpannen, houtwerk, goten </al></li><li nr="2."><al>- vervangen rijwielstalling/-staanders </al></li><li nr="3."><al>- vervangen brandtrap </al></li><li nr="4."><al>- vervangen erfscheiding </al></li><li nr="5."><al>- vervangen/herstel riolering/bestrating </al></li><li nr="6."><al>- vervangen buitenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk)
                                    </al></li><li nr="7."><al>- vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer </al></li><li nr="8."><al>- vervangen buitenberging </al></li><li nr="9."><al>- vervangen binnenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk)
                                    </al></li><li nr="10."><al>- vervangen radiatoren, convectors, leidingen </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Aanpassing die kan worden aangevraagd bij de gemeente, VO </al><lijst><li nr="1."><al>- vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters,
                                        lichtkoepels </al></li><li nr="2."><al>- vervangen rijwielloods </al></li><li nr="3."><al>- vervangen buitentrap </al></li><li nr="4."><al>- vervangen afrastering </al></li><li nr="5."><al>- vervangen bestrating/buitenriolering </al></li><li nr="6."><al>- vervangen buitenkozijnen </al></li><li nr="7."><al>- vervangen/herstel buitenwanden </al></li><li nr="8."><al>- herstel voegwerk </al></li><li nr="9."><al>- herstel entreepui </al></li><li nr="10."><al>- vervangen buitenzonwering </al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Opm.: Indien in een gemeente geen voortgezet onderwijs voorkomt, kunnen de
                        elementen 11 tot en met 20 worden geschrapt uit het formulier. Ten behoeve
                        van een aanvraag voor onderhoud/aanpassing kan de noodzaak worden
                        vastgesteld met behulp van de beoordeling van de bouwkundige staat. De
                        elementen uit A en B zijn onder te brengen in de rubrieken van het formulier
                        dat wordt gehanteerd voor het vastleggen van de bouwkundige staat. In het
                        navolgend overzicht is aangegeven hoe de elementen die bij de gemeente
                        kunnen worden aangevraagd, zijn ondergebracht bij de gebouwonderdelen van
                        het formulier ter beoordeling van de bouwkundige staat. </al><al/><al>buitenwanden </al><lijst><li nr="-"><al> 17 vervangen/herstel buitenwanden </al></li><li nr="-"><al> 18 herstel voegwerk </al></li><li nr="-"><al> 20 vervangen buitenzonwering </al></li></lijst><al>binnenwanden</al><lijst><li nr="-"><al> 9 vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk)</al></li></lijst><al> buitenwandopeningen</al><lijst><li nr="-"><al> 6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO)</al></li><li nr="-"><al> 16 vervangen buitenkozijnen (VO)</al></li><li nr="-"><al> 19 herstel entreepui</al></li></lijst><al> dakafwerkingen </al><lijst><li nr="-"><al>1 vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO)</al></li><li nr="-"><al>11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters,
                                lichtkoepels</al></li><li nr="-"><al> 7 vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer</al></li></lijst><al> warmtedistributie</al><lijst><li nr="-"><al> 1 vervangen radiatoren, convectors, leidingen</al></li></lijst><al>transport(-install.) </al><lijst><li nr="-"><al> 3 vervangen brandtrap</al></li><li nr="-"><al> 13 vervangen buitentrap</al></li></lijst><al> terrein(-afwerking)</al><lijst><li nr="-"><al> 2 vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO) </al></li><li nr="-"><al>4 vervangen erfscheiding (PO)</al></li><li nr="-"><al> 5 vervangen/herstel riolering/bestrating (PO) </al></li><li nr="-"><al>12 vervangen rijwielloods (VO) </al></li><li nr="-"><al>14 vervangen afrastering (VO)</al></li><li nr="-"><al> 15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO)</al></li><li nr="-"><al> 8 vervangen buitenberging (PO)</al></li></lijst><al/><al><vet>Vervangende nieuwbouw en herstel constructiefouten</vet></al><al>De overige onderdelen (blad 2 van het formulier) behoeven alleen te worden
                        ingevuld indien de gevraagde voorziening de vervanging van het gebouw of het
                        herstel van constructiefouten betreft. Indien de vervanging vanwege de
                        bouwkundige staat van het gebouw noodzakelijk is, moeten alle onderdelen
                        worden ingevuld. Indien het herstel van constructiefouten is gewenst, moet
                        alleen het element worden ingevuld waarop de constructiefout betrekking
                        heeft. Het betreft de navolgende gebouwonderdelen: </al><lijst><li nr="-"><al>fundering 5 </al></li><li nr="-"><al>buitenwanden 13 </al></li><li nr="-"><al>binnenwanden 7 </al></li><li nr="-"><al>vloeren 10 </al></li><li nr="-"><al>dakconstructie 12 </al></li><li nr="-"><al>draagconstructie 6 </al></li><li nr="-"><al>buitenwandopeningen 12 </al></li><li nr="-"><al>vloerafwerkingen 5 </al></li><li nr="-"><al>plafondafwerking 4 </al></li><li nr="-"><al>dakafwerking 8 </al></li><li nr="-"><al>warmteopwekking 4 </al></li><li nr="-"><al>warmtedistributie 4 </al></li><li nr="-"><al>luchtbehandeling 3 </al></li><li nr="-"><al>elektrotechniek 4 </al></li><li nr="-"><al>transport 1 </al></li><li nr="-"><al>terrein 2 </al></li></lijst><al/><al>De conditie van een gebouwonderdeel bepaalt de mate waarin het wegingsgetal
                        meetelt in de totale afweging, volgens de volgende verdeling: </al><lijst><li nr="-"><al>conditie 1 0% </al></li><li nr="-"><al>conditie 2 10% </al></li><li nr="-"><al>conditie 3 20% </al></li><li nr="-"><al>conditie 4 40% </al></li><li nr="-"><al>conditie 5 80% </al></li><li nr="-"><al>conditie 6 100% </al></li></lijst><al/><al>Voorbeeld: buitenwandopeningen: 40% in conditie 3 en 60% in conditie 5 40% *
                        20% + 60% * 80% = 56% de score is derhalve 56% van 12 = 6.72 Op deze wijze
                        kunnen de gebouwonderdelen in een onderlinge prioritering worden
                        gerangschikt. Indien de conditie van een gebouw ten opzichte van een ander
                        gebouw wordt afgewogen, bijvoorbeeld bij vervangende nieuwbouw, bepaalt de
                        som van de scores per gebouwonderdeel de totale conditie van het gebouw ten
                        opzichte van een ander gebouw. </al><al/><al/><al><vet>Toelichting specifiek</vet></al><al>Het formulier dient te zijn toegevoegd aan het formulier voor aanvragen van
                        voorzieningen in de onderwijshuisvesting indien bij de gevraagde voorziening
                        onder 'te overleggen gegevens' code D is vermeld. De invulling van het
                        formulier geschiedt door iemand met voldoende bouwkundige expertise om de
                        staat van de elementen van het gebouw te relateren aan de omschrijving van
                        de onderscheiden condities, zoals is weergegeven onder 4 (bouwkundige
                        staat). </al><al/><al><vet>1. School</vet></al><al>Bij 'school' wordt, indien een gebouwnummer ontbreekt, de gebouwnaam
                        vermeld. Bij 'omvang' kan worden aangegeven of het formulier betrekking
                        heeft op het gehele gebouw of op een van de onderscheiden gebouwgedeelten.
                        Voor de bouwbepalingen wordt verwezen naar bijlage V, hoofdstuk 2.2, van de
                        verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Indien de voorziening
                        betrekking heeft op het gehele gebouw of één gebouwgedeelte (bijvoorbeeld
                        alleen het speellokaal) kan worden volstaan met het formulier. Indien de
                        voorziening betrekking heeft op meerdere gebouwgedeelten moet voor ieder
                        gebouwgedeelte een apart formulier worden ingevuld. Dit is noodzakelijk om
                        op basis van bijlage V van de verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs, de prioriteiten te kunnen stellen zoals deze zijn aangegeven in
                        hoofdstuk 2.2 en 2.3. Indien de gewenste voorziening noodzakelijk is om te
                        kunnen voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde eisen, bijlage V
                        hoofdstuk 2.3, kan in de meeste gevallen worden volstaan met een rapportage
                        waaruit blijkt dat de gewenste voorziening noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>3. Voorziening</vet></al><al>Bij 'voorziening' wordt, onder a, het elementnummer aangegeven dat
                        overeenkomt met de voorziening zoals deze op de aanvraag bij de gemeente is
                        ingediend. Het betreft de elementnummers zoals deze zijn aangegeven onder
                        punt 4 (bouwkundige staat) van het formulier. Tevens dient, onder b, te
                        worden aangegeven of de gevraagde voorziening noodzakelijk is om een
                        adequaat onderhoudsniveau te handhaven (2.2) of dat de voorziening
                        noodzakelijk is om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde
                        voorlichting (2.3). Het onderdeel dat niet van toepassing is, kan worden
                        doorgehaald. </al><al/><al><vet>4. Bouwkundige staat</vet></al><al>Bij 'conditie' wordt aangegeven welk percentage van een gebouwonderdeel in
                        welke conditie verkeert. De invulling geschiedt zodanig dat het totaal op
                        100% uitkomt. Om te kunnen voldoen aan het in bijlage I van de
                        huisvestingsverordening aangegeven noodzakelijkheidscriterium dient het
                        gehele bouwelement of het in ogenschouw genomen gedeelte van het bouwelement
                        ten minste in conditie 3, 4, 5 of 6 te verkeren. Het betreft het percentage
                        dat als ondergrens wordt gehanteerd om te bepalen of bijvoorbeeld de
                        buitenkozijnen voor vervanging in aanmerking komen. In de eerste plaats
                        wordt de conditie van een gebouwonderdeel bepaald door de mate waarin de
                        functies van het onderdeel zijn aangetast. In de tweede plaats wordt de
                        conditie van een onderdeel bepaald door de mate van veroudering of
                        aantasting. De condities zoals deze per gebouwonderdeel worden aangetroffen,
                        zijn als volgt gedefinieerd: </al><al/><al><vet>Conditie 1</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Algemeen: Nieuwbouwkwaliteit en/of met nieuwbouw vergelijkbare
                                kwaliteit. </al></li><li nr="-"><al>Functioneel: Functionele gebreken veroorzaakt door veroudering van
                                materialen en constructies mogen niet voorkomen of voorgekomen zijn.
                                Wel kunnen functionele gebreken voorgekomen zijn na bijvoorbeeld een
                                calamiteit. </al></li><li nr="-"><al>Veroudering: Tamelijk ernstige gebreken, ontstaan door veroudering,
                                mogen niet voorkomen. Zeer incidenteel kunnen lichte mechanische
                                beschadigingen voorkomen die niet bedreigend zijn voor het
                                functioneren van (het deel van) het gebouw. </al></li><li nr="-"><al>Basiskwaliteit: Het werk is onder meer als goed en degelijk te
                                typeren. Zeer incidenteel kan een goed uitgevoerde en duurzame
                                reparatie aangetroffen worden. </al></li></lijst><al/><al><vet>Conditie 2</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Algemeen: Nieuwbouwkwaliteit met eerste tekenen van feitelijke
                                veroudering. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich incidenteel onder
                                ongunstige omstandigheden voordoen. Functionele gebreken die
                                onbruikbaarheid veroorzaken, mogen niet voorkomen. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Veroudering: Zeer incidenteel kan zich een ernstig gebrek in de vorm
                                van bijvoorbeeld materiaalaantasting voordoen. Tamelijk ernstige
                                gebreken, zoals duidelijke verweringsverschijnselen, kunnen zich
                                incidenteel en plaatselijk voordoen. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Basiskwaliteit: Het werk is als redelijk tot goed te typeren.
                                Plaatselijk kunnen goed uitgevoerde en duurzame reparaties worden
                                aangetroffen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Conditie 3</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Algemeen: Het verouderingsproces is over de gehele linie duidelijk
                                op gang gekomen. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich incidenteel en
                                plaatselijk onder normale omstandigheden voordoen. Functionele
                                gebreken die onbruikbaarheid veroorzaken, mogen niet voorkomen.
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Veroudering: Plaatselijk kunnen zich ernstige gebreken aan
                                materialen en/of constructies voordoen zonder te resulteren in
                                functionele gebreken. Tamelijk ernstige gebreken, zoals een
                                duidelijke verwering, kunnen plaatselijk tot regelmatig voorkomen.
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Basiskwaliteit: Het werk is als matig te typeren. Goed uitgevoerde
                                en duurzame reparaties kunnen regelmatig voorkomen. Anderzijds
                                kunnen ook plaatselijke reparaties worden aangetroffen die slecht
                                zijn uitgevoerd en/of zijn uitgevoerd met minder geschikte
                                materialen. </al></li></lijst><al/><al><vet>Conditie 4</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Algemeen: Het verouderingsproces heeft het gebouwonderdeel duidelijk
                                in zijn greep. </al></li><li nr="-"><al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich plaatselijk tot
                                regelmatig voordoen onder normale omstandigheden. Functionele
                                gebreken die onbruikbaarheid veroorzaken, kunnen zich in de
                                afgelopen jaren incidenteel op beperkte schaal hebben voorgedaan
                                naar aanleiding van veroudering van materialen en/of constructies.
                            </al></li><li nr="-"><al>Veroudering: Plaatselijk tot regelmatig kunnen zich ernstige
                                gebreken aan materialen en/of constructies voordoen (incidenteel
                                kunnen zich hierdoor functionele gebreken voordoen en/of hebben
                                voorgedaan). Tamelijk ernstige gebreken, zoals een duidelijke
                                verwering, kunnen algemeen voorkomen. Onderdelen die het directe
                                functioneren van een deel van een gebouw niet bedreigen, kunnen
                                vrijwel volledig zijn verdwenen. </al></li><li nr="-"><al>Basiskwaliteit: Het werk is als zeer matig te typeren. </al></li></lijst><al/><al><vet>Conditie 5</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Algemeen: Het verouderingsproces is min of meer onomkeerbaar
                                geworden c.q. heeft het deel van een gebouw zeer duidelijk in zijn
                                greep. </al></li><li nr="-"><al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich regelmatig voordoen.
                                Functionele gebreken die de onbruikbaarheid veroorzaken, kunnen zich
                                incidenteel plaatselijk voordoen en/of in de afgelopen jaren met
                                duidelijke regelmaat op beperkte schaal hebben voorgedaan. </al></li><li nr="-"><al>Veroudering: Regelmatig kunnen zich ernstige gebreken aan materialen
                                en/of constructies voordoen (incidenteel kunnen zich hierdoor
                                functionele gebreken voordoen en/of met enige regelmaat voorgedaan
                                hebben). Tamelijk ernstige gebreken aan materialen en/of
                                constructies kunnen tamelijk algemeen in duidelijk gevorderde stadia
                                voorkomen. Onderdelen welke het directe functioneren (van het deel)
                                van het gebouw bedreigen, kunnen duidelijke gebreken vertonen. </al></li><li nr="-"><al>Basiskwaliteit: Het werk is als slecht te typeren. </al></li></lijst><al/><al><vet>Conditie 6</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Algemeen: Een zodanig slechte toestand dat dit niet meer te
                                classificeren is onder conditie 5. </al></li></lijst><al/><al><vet>Omschrijving gebreken</vet></al><al>1. ernstige gebreken: </al><lijst><li nr="-"><al>functionele gebreken zoals lekkage, vochtdoorslag, vochtoptrek, niet
                                beloopbaar zijn e.d.; </al></li><li nr="-"><al>primaire constructieve gebreken: gebreken met betrekking tot
                                verankering, oplegging, houtrot, corrosie, betonschade, delaminatie
                                e.d.; </al></li><li nr="-"><al>materiaalwezenlijke gebreken: houtrot, corrosie, betonschade,
                                delaminatie e.d </al></li></lijst><al>2. tamelijk ernstige gebreken </al><lijst><li nr="-"><al>materiaaloppervlakte-gebreken; verwering, erosie, afschilfering
                                e.d.; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>secundaire constructieve gebreken: doorbuiging, scheuren, vervorming
                                e.d.; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>gebreken aan beschermde afwerklagen. </al></li></lijst><al>3. geringe gebreken</al><lijst><li nr="-"><al>esthetische gebreken, verkleuring, bekladding, vervuiling​;</al></li><li nr="-"><al>defecten aan kleine en/of ondergeschikte onderdelen​</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Omschrijving gebouwonderdelen</vet></al><al>De in het opnameformulier weergegeven gebouwonderdelen moeten vrij ruim
                        worden geïnterpreteerd. In principe moet het weergegeven onderdeel in zijn
                        algehele verschijningsvorm worden beoordeeld Bij de verschillende
                        gebouwonderdelen is aangegeven welke elementen, zoals deze kunnen worden
                        aangevraagd bij de gemeente, behoren bij het desbetreffende gebouwonderdeel.
                        Indien een element wordt aangevraagd, dient de conditie te worden ingevuld
                        van het bijhorende deel van het gebouw.</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Buitenwanden: Zowel dragende als niet-dragende gevelwanden,
                                inclusief isolatie en afwerking. maar zonder de buitenwandopeningen. </al><al> Elementen: </al><al>17 vervangen/herstel buitenwanden (VO) </al><al>18 herstel voegwerk (VO) </al><al>20 vervangen buitenzonwering (VO) </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Binnenwanden: Zowel dragende als niet-dragende binnenwanden,
                                inclusief binnenwandopeningen, afwerkingen etc. </al><al>Elementen: </al><al>9 vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO) </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Buitenwandopeningen: Alle openingen voor uitzicht, ventilatie en
                                verkeer in een gevel. </al><al>Elementen: </al><al>6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO) </al><al>16 vervangen buitenkozijnen (VO) </al><al>19 herstel entreepui (VO) </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Dakafwerkingen: De waterdichte laag inclusief de direct onder of
                                boven de laag aanwezige isolatie en inclusief eventuele goten.
                                Elementen: </al><al>1 vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO) </al><al>11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden. dakvensters,
                                lichtkoepels (VO) </al><al>7 vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer (PO) </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Warmtedistributie: Verwarmingsleidingen. radiatoren/convectors etc.,
                                koud- en warmwaterleidingen. </al><al> Elementen: </al><al>10 vervangen radiatoren, convectors, leidingen (PO) </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Transportinstallaties: Liftinstallaties, buitentrappen. </al><al> Elementen: </al><al>3 vervangen brandtrap (PO) </al><al>13 vervangen buitentrap (VO) </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Terrein(-afwerking): Alle afwerkingen van het terrein, bestrating en
                                begroeiing. Buitenbergingen en erfafscheiding. </al><al>Elementen: </al><al>2 vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO) </al><al>4 vervangen erfscheiding (PO) </al><al>5 vervangen/herstel riolering/bestrating (PO) </al><al>12 vervangen rijwielloods (VO) </al><al>14 vervangen afrastering (VO) </al><al>15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO) </al><al>8 vervangen buitenberging (PO) </al><al/></li></lijst><al>De navolgende gebouwonderdelen worden slechts geïnventariseerd indien de
                        totale vervanging van het gebouw wordt gewenst. </al><al/><lijst><li nr="-"><al>Fundering: Dit onderdeel heeft zowel betrekking op de eventuele
                                dieptefundering (paalfundering), funderingsbalken, vloeren op
                                grondslag, etc. </al></li><li nr="-"><al>Vloeren: Alle horizontale vloerdelen: op begane grond en
                                verdiepingen, exclusief de afwerking. </al></li><li nr="-"><al>Dakconstructie: De volledige opbouw van het dak, inclusief
                                dakbalken, dakplaten, exclusief de dakafwerking. </al></li><li nr="-"><al>Draagconstructie: Voornamelijk kolommen en balken. </al></li><li nr="-"><al>Vloerafwerkingen: De toplaag van de vloer inclusief eventuele
                                deklagen. </al></li><li nr="-"><al>Plafondafwerkingen: Systeemplafonds, stuclagen, sauswerk, etc. </al></li><li nr="-"><al>Warmteopwekking: Verwarmingsketels en warmwaterboilers, geisers,
                                inclusief randapparatuur. </al></li><li nr="-"><al>Waterleiding/sanitair: Warm- en koudwaterleidingen, toiletpotten,
                                wastafels etc. </al></li><li nr="-"><al>Luchtbehandeling: Mechanische ventilatie; afzuiging/toevoer
                                luchtbehandelingskasten, randapparatuur, distributieleidingen. </al></li><li nr="-"><al>Elektrotechniek: Alle elektrotechnische voorzieningen. </al></li></lijst><al/><al/></divisie></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichtingen</label></kop><divisie><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al><vet>2.2 Algemene toelichting</vet></al><al/><al><vet>2.2.1 Inleiding</vet></al><al> In juli 1996 is de wetswijziging die de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting naar gemeenten regelt door het parlement aangenomen.
                        Dit betekent dat gemeenten vanaf 1 januari 1997 de opdracht hebben om te
                        voorzien in adequate huisvesting voor het primair en het voortgezet
                        onderwijs, op basis van een verordening. De VNG heeft daarvoor een model
                        gemaakt. In deze algemene toelichting wordt ingegaan op de totstandkoming
                        van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Er wordt een kort
                        overzicht gegeven van de overwegingen die tot de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting hebben geleid, van het belang ervan en van de wet.
                        Daarna wordt ingegaan op het belangrijkste instrument dat gemeenten krijgen
                        om de nieuwe taak uit te voeren: de verordening. Een ander belangrijk
                        instrument voor het gemeentelijk beleid is het overleg met het
                        onderwijsveld. Op dat overleg, en op de functie van de verordening daarin,
                        wordt tot slot ingegaan. </al><al/><al><vet>2.2.1.1 Aanloop naar de decentralisatie van de
                            onderwijshuisvesting</vet></al><al>In 1991 werd in de Tussenbalans van het kabinet-Lubbers III aangekondigd dat
                        de decentralisatie van rijkstaken naar gemeenten en provincies krachtig zou
                        worden gestimuleerd. Een van de taken die volgens het rijk in principe in
                        aanmerking kwamen om te decentraliseren, was de verantwoordelijkheid voor de
                        huisvesting van het basis-, het speciaal en het voortgezet onderwijs. Met
                        het IPO en de VNG is hierover overleg gevoerd, hetgeen resulteerde in een
                        afspraak met de VNG om de mogelijkheden van decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting naar gemeenten nader te bezien. Al snel stond vast dat
                        het op zichzelf mogelijk was de verantwoordelijkheid voor de voorzieningen
                        die nu bij de minister van OCenW aangevraagd moeten worden, over te dragen
                        aan gemeenten. Veel belangrijker was echter of het mogelijk was gemeenten in
                        een zodanige positie te brengen dat er sprake zou zijn van voldoende
                        beleidsvrijheid, vergroting van efficiency en financiële beheersbaarheid.
                        Ook de autonomievergroting van schoolbesturen was een belangrijke
                        voorwaarde, evenals vermindering van rijksregelgeving. </al><al>Met inachtneming van deze voorwaarden is beschreven op welke wijze de
                        overdracht van taken zou kunnen plaatsvinden. Daarbij is uitgegaan van de
                        overdracht van de bijbehorende middelen naar het Gemeentefonds. In 1993
                        hebben kabinet en VNG een akkoord gesloten over de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting. In dat akkoord zijn ook afspraken gemaakt over een
                        efficiencykorting. Aanvankelijk wilde het kabinet een korting van 10% van
                        het over te hevelen rijksbudget doorvoeren, net zoals dat bij de andere
                        projecten die vielen onder de Decentralisatie-impuls het geval was.
                        Uiteindelijk is een korting van f 125 miljoen, oplopend van f 25 miljoen in
                        1996 tot f 125 miljoen in 2000, overeengekomen1. In dit bedrag is f 27
                        miljoen opgenomen als betaling voor de overdracht van het economische
                        eigendom van gebouwen voor voortgezet onderwijs aan gemeenten. </al><al/><al><vet>2.2.2 Het belang van de decentralisatie van de
                            onderwijshuisvesting</vet></al><al>De samenleving heeft belang bij goed onderwijs. Goed onderwijs is mede
                        afhankelijk van een goede infrastructuur, waaronder begrepen de huisvesting
                        van de scholen. Bij de realisering van die huisvesting is het van belang een
                        situatie te creëren die zo goed mogelijk op de omstandigheden van de school
                        is toegesneden, tegen een zo laag mogelijke prijs. Het gaat immers om de
                        aanwending van gemeenschapsgelden. In die twee uitgangspunten, maatwerk en
                        efficiency, is de belangrijkste reden voor de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting te vinden. De centrale overheid is, om allerlei
                        redenen, niet langer in staat voldoende aan die uitgangspunten tegemoet te
                        komen. Gemeenten worden daartoe wel in staat geacht. Veel meer dan de
                        rijksoverheid is het voor gemeenten mogelijk bij het huisvestingsbeleid
                        rekening te houden met de omstandigheden van de school en de overige lokale
                        omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld door minder rigide normen te hanteren
                        dan de rijksoverheid en meer ruimte te creëren voor overleg met het
                        scholenveld, zonder overigens de gelijke behandeling van scholen uit het oog
                        te verliezen. De decentralisatie van de onderwijshuisvesting is dus op de
                        eerste plaats van belang voor de scholen. Ook voor gemeenten, in hun rol van
                        overheid, is de nieuwe taak echter van belang. Op tal van gemeentelijke
                        beleidsterreinen is immers sprake van huisvestingsbehoefte. Dat geldt niet
                        alleen voor zaken waar gemeenten zich nu mee bezighouden - kinderopvang,
                        volwasseneneducatie, sociaal en cultureel werk etc. - maar ook voor nieuwe
                        gemeentelijke beleidsterreinen als onderwijsachterstandsbeleid. De aan
                        gemeenten toebedachte rol van beleidsbepalend coördinator en financier biedt
                        nieuwe mogelijkheden om een optimale afstemming tussen huisvestingsbehoefte,
                        beschikbare huisvestingscapaciteit en beschikbare middelen te
                        bewerkstelligen. Dat betekent enerzijds dat meer efficiency bereikt kan
                        worden. Anderzijds betekent dit ook dat de inhoud van het lokale
                        onderwijsbeleid via de huisvesting kan worden ondersteund. Zou de gemeente
                        bijvoorbeeld in het kader van het achterstandsbeleid besluiten dat extra
                        aandacht (en geld) wordt besteed aan een bepaalde categorie leerlingen, dan
                        kan daaraan gekoppeld worden dat daar ook in de sfeer van de huisvesting een
                        mogelijkheid voor wordt gecreëerd. Het spreekt voor zich dat dit gebeurt in
                        goed overleg met de betrokken schoolbesturen. </al><al>Ook buiten de sfeer van het onderwijs kan de nieuwe taak van gemeenten zijn
                        vruchten afwerpen. Nieuwe vormen van bouwen, bijvoorbeeld schoolwoningen,
                        kunnen worden gestimuleerd. Op zichzelf zijn daarvoor nu ook al
                        mogelijkheden, maar het is nog te vaak een kwestie van zeer lange adem om
                        iets dergelijks gerealiseerd te krijgen. Samenvattend kan gesteld worden dat
                        niet alleen het onderwijs, maar ook andere gemeentelijke beleidsterreinen
                        kunnen profiteren van de huisvestingsverantwoordelijkheid van gemeenten. </al><al/><al><vet>2.2.3 De wet</vet></al><al>Aan het einde van de zittingsperiode van het vorige kabinet kwam het akkoord
                        met de VNG onder zware druk te staan. Het kabinet wenste de mogelijkheid om
                        de verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting door te decentraliseren
                        aan schoolbesturen in de wet op te nemen. Het kabinet-Kok heeft echter de
                        uitgangspunten van het oorspronkelijke akkoord met de VNG in het
                        regeerakkoord opgenomen. Onder meer hierdoor heeft het tot oktober 1995
                        geduurd voordat er een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer werd ingediend
                        (Kamerstuk 24 455). Inmiddels had de staatssecretaris van OCenW op
                        aandringen van de VNG al besloten om de invoering van de decentralisatie
                        onderwijshuisvesting, die aanvankelijk gepland was op 1 januari 1996, uit te
                        stellen tot 1 januari 1997. </al><al>Het wetsvoorstel is zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer met een grote
                        meerderheid aangenomen. Tijdens de parlementaire behandeling is uitvoerig
                        stilgestaan bij de financiële implicaties van het wetsvoorstel. Dat heeft
                        geresulteerd in een verruiming van de overgangsregeling voor gemeenten die
                        een fors financieel nadeel ondervinden als gevolg van de verdeling van de
                        onderwijshuisvestingsmiddelen naar het Gemeentefonds. Ook zal door middel
                        van een evaluatie na vijf jaar worden bezien of de gekozen
                        verdeelsystematiek bijstelling behoeft en of gemeenten in staat zijn hun
                        wettelijke verplichtingen na te komen. De staatssecretaris heeft een
                        jaarlijkse monitoring aan het parlement toegezegd waarbij, naast de
                        financiële aspecten, ook de lokale ontwikkelingen op het punt van de
                        doordecentralisatie worden bezien. Om vanuit het rijk voldoende waarborgen
                        te bieden aan de scholen is op verzoek van de Tweede Kamer een aantal
                        wijzigingen in het wetsvoorstel aangebracht. Zo zullen bij algemene
                        maatregel van bestuur minimale oppervlaktenormen worden vastgesteld en is
                        geregeld dat het openbaar en het bijzonder onderwijs ook in procedurele zin
                        gelijk worden behandeld. Een belangrijke wijziging betreft de rol die de
                        Onderwijsraad gaat vervullen. Indien een bevoegd gezag meent dat bij de
                        vaststelling van de verordening of bij de vaststelling van het gemeentelijke
                        programma voor de huisvestingsvoorzieningen wordt gehandeld in strijd met de
                        vrijheid van richting of van inrichting, dan kan daarover een advies van de
                        Onderwijsraad worden gevraagd. Dat advies kan ook door de gemeente worden
                        gevraagd. </al><al>Door inwerkingtreding van het wetsvoorstel zijn de Wet op het basisonderwijs
                        (WBO), de Interimwet op het (voortgezet) speciaal onderwijs (ISOVSO), de Wet
                        op het voortgezet onderwijs (WVO) en de daarop gebaseerde overgangswetten
                        (OWBO, OISOVSO en OWVO) gewijzigd. De wijzigingen leiden ertoe dat
                        grotendeels eenzelfde huisvestingsregime voor primair onderwijs en
                        voortgezet onderwijs gaat gelden. De belangrijkste elementen uit de wet
                        zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>de gemeenteraad zorgt voor alle huisvestingsvoorzieningen op het
                                grondgebied van de gemeente. Het betreft hier de overdracht van de
                                zorgplicht van het rijk, die tegelijkertijd een territoriale
                                beperking krijgt; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente
                                verantwoordelijk is worden benoemd. Dit zijn grotendeels de
                                voorzieningen die nu bij de minister kunnen worden aangevraagd;
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de gemeenteraad krijgt de opdracht een verordening vast te stellen.
                                In die verordening moet onder andere geregeld worden welke criteria
                                de gemeente hanteert bij de beoordeling van verzoeken, hoe de
                                bedragen voor de huisvestingsvoorzieningen worden vastgesteld, aan
                                welke eisen schoolgebouwen moeten voldoen en welke procedures gelden
                                voor aanvragen van schoolbesturen. Voordat de verordening wordt
                                vastgesteld, wordt daarover overleg gevoerd met de schoolbesturen;
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>aan de gemeenteraad wordt ook opgedragen jaarlijks een bedrag vast
                                te stellen. Dit bedrag is bestemd voor de bekostiging van
                                huisvestingsvoorzieningen in het daaropvolgende jaar en moet zodanig
                                worden vastgesteld dat daarmee redelijkerwijs kan worden voorzien in
                                de huisvestingsbehoefte; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>als de huisvestingsverzoeken zijn beoordeeld dient een zogenoemd
                                programma te worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit programma
                                bevat alle aangevraagde voorzieningen die het jaar daarop voor
                                bekostiging door de gemeente in aanmerking komen. Verzoeken die
                                worden afgewezen komen op het zogenoemde overzicht te staan. De
                                afwijzingsgrond wordt daarbij vermeld; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de wet regelt ook de weigeringsgronden. Een voorziening wordt
                                geweigerd indien: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>- niet aan de formele eisen voor indiening is voldaan; </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>- de voorziening niet noodzakelijk is; </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>- op een andere wijze in de behoefte kan worden voorzien,
                                bijvoorbeeld door medegebruik. Om dat medegebruik te kunnen
                                realiseren krijgt de gemeente het recht leegstaande lokalen te
                                vorderen van een schoolbestuur; </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>- de voorziening noodzakelijk is als gevolg van verwijtbare
                                nalatigheid van het schoolbestuur; </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>- het door de gemeenteraad vastgestelde budget niet toereikend is;
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>in afwijking van hetgeen in de wet geregeld wordt, kan een gemeente
                                met een schoolbestuur overeenkomen dat het schoolbestuur zelf
                                verantwoordelijk wordt voor de huisvestingsvoorzieningen en daarvoor
                                van de gemeente jaarlijks een bedrag ontvangt; de zogenaamde
                                doordecentralisatie. Dit kan gaan om alle huisvestingsvoorzieningen,
                                maar ook om een gedeelte daarvan. De gemeenteraad kan voorwaarden
                                stellen aan de doordecentralisatie. </al></li></lijst><al/><al>De wet kent ook een aantal overgangsbepalingen. Deze dienen met name om te
                        bewerkstelligen dat er geen 'gat' ontstaat in de toekenning van
                        huisvestingsvoorzieningen door de overgang. </al><al>De overgangsbepalingen komen er in het kort op neer dat alle beschikkingen
                        die nog door de minister zijn afgegeven, door de gemeenten moeten worden
                        gefinancierd. Dit zijn merendeels beschikkingen voor permanente
                        voorzieningen in 1997. Gemeenten moeten zelf beslissingen nemen ten aanzien
                        van een deel van de tijdelijke voorzieningen in 1997 en de
                        spoedvoorzieningen in 1997. Ter uitvoering van de overgangsbepalingen uit de
                        wet voorziet de modelverordening in een overgangsregeling, neergelegd in
                        hoofdstuk 8 van de verordening. De eerste keer dat gemeenten in volle omvang
                        zelf beslissingen gaan nemen is in 1997, ten behoeve van voorzieningen voor
                        1998. </al><al/><al><vet>2.2.4 De financiën</vet></al><al>De overdacht van taken aan gemeenten gaat uiteraard gepaard met de
                        overdracht van middelen. Gezien de aard van de huisvestingstaak lag de keuze
                        voor het Gemeentefonds het meest voor de hand. Vanaf 1 januari 1997 zal de
                        huidige geldstroom voor huisvestingsvoorzieningen van het ministerie van
                        OCenW aan gemeenten worden stopgezet en worden vervangen door een
                        Gemeentefondsuitkering. In de Financiële verhoudingswet is vastgelegd op
                        welke wijze de verdeling van de middelen plaatsvindt. Het gaat om een bedrag
                        van ruim f 1,7 miljard, zijnde het bedrag dat op dit moment door het rijk
                        wordt ingezet voor de onderwijshuisvesting. </al><al>In de memorie van toelichting bij de wijziging van de WBO, ISOVSO en WVO
                        i.v.m. de decentralisatie van de onderwijshuisvesting, alsmede in de
                        Junicirculaire Gemeentefonds 1996 van het ministerie van Binnenlandse Zaken,
                        is een uitvoerige passage opgenomen over de verdeling van de middelen en de
                        maatstaven die daarvoor gebruikt worden. </al><al/><al><vet>2.2.5 Het overleg met het lokale onderwijsveld; consensusmodel</vet></al><al>Alvorens in paragraaf 2.2.6 in te gaan op het formele instrument dat
                        gemeenten ter beschikking staat om de huisvestingstaak uit te voeren (de
                        verordening), wordt eerst ingegaan op het minstens zo belangrijke instrument
                        van het overleg. </al><al>In de wet is een aantal malen overleg met bijzondere scholen of hun
                        vertegenwoordigers voorgeschreven (zie onder B1, Modelverordening procedure
                        overleg huisvesting onderwijs en onder paragraaf 2.2.6.3, De procedures van
                        aanvragen en afhandeling). Méér echter dan een wettelijke verplichting is
                        het overleg een instrument om lokaal onderwijs(huisvestings)beleid te
                        voeren. Het is niet alleen van belang om draagvlak te verkrijgen voor de
                        intenties van de gemeente, maar ook nuttig om inzicht te krijgen in de
                        wensen en mogelijkheden van schoolbesturen. Met name indien een gemeente de
                        onderwijshuisvesting wil inbedden in het bredere lokaal onderwijsbeleid, is
                        goed overleg onontbeerlijk. </al><al>In paragraaf 2.2.6 wordt onder andere beschreven wat het programma, het
                        overzicht en de urgentiecriteria inhouden. De toepassing van deze wettelijke
                        instrumenten kàn ertoe leiden dat het huisvestingsbeleid niet meer wordt dan
                        het van jaar tot jaar toe- en afwijzen van ingediende verzoeken. Op die
                        wijze is het niet alleen onmogelijk om integraal beleid te voeren; ook de
                        ontwikkeling van een meerjarenperspectief is dan niet aan de orde. </al><al>Indien echter, in overleg met het onderwijsveld, gekomen kan worden tot een
                        meerjarenplanning kunnen de formele instrumenten in belangrijke mate
                        achterwege blijven. Van de scholen wordt dan gevraagd inzicht te geven in
                        hun meerjarenplanning en de daaruit voortvloeiende huisvestingswensen. De
                        gemeente geeft aan wat, naar verwachting, de financiële mogelijkheden zijn
                        en of er ontwikkelingen op andere gemeentelijke beleidsterreinen verwacht
                        worden die mogelijk van invloed zijn op de onderwijshuisvesting. Vervolgens
                        wordt, in gezamenlijk overleg, een planning voor de komende jaren
                        vastgesteld. Dat kan met inachtneming van de urgentiecriteria die in de
                        verordening vastliggen, maar hier kan ook van worden afgeweken als daarover
                        consensus bestaat. De meerjarenplanning leidt vervolgens ieder jaar tot het
                        plaatsen van een aantal voorzieningen op het programma dat door de raad
                        wordt vastgesteld. Dat vereist overigens van de gemeente dat zij een reëel
                        inzicht, ontleend aan de meerjarenbegroting, geeft in de financiële
                        mogelijkheden op langere termijn. Dit systeem kan namelijk alleen werken
                        als, weliswaar niet formeel maar wel materieel, rechten ontleend kunnen
                        worden aan de meerjarenplanning. Dat betekent dat alleen in geval van
                        calamiteiten van de meerjarenplanning wordt afgeweken. Als die zich niet
                        voordoen, rust op de gemeente ten minste de morele plicht om de
                        meerjarenplanning op de overeengekomen wijze uit te voeren. Uiteraard geldt
                        dan voor de schoolbesturen dat zij, calamiteiten daargelaten, geen aanvragen
                        indienen buiten de meerjarenplanning om. Het vorenstaande betekent dat de
                        urgentiecriteria in feite niet formeel toegepast worden, omdat uitgegaan
                        wordt van consensus met de schoolbesturen. Slechts als er geen
                        overeenstemming over de meerjarenplanning bereikt wordt, wordt teruggevallen
                        op de formele bepalingen uit de verordening. Dit zogenaamde consensusmodel
                        stelt eisen aan het overleg. Daarbij gaat het zowel om de agenda als de
                        deelnemers. Dit type overleg kan alleen zinvol zijn als het niet wordt
                        beperkt tot de 'techniek' van de huisvesting, maar wordt verbreed tot de
                        voornemens en wensen van alle partijen op het brede onderwijsterrein. Dat
                        stelt uiteraard ook eisen aan de deelnemers. Overleg is alleen zinvol als
                        men voldoende deskundigheid, maar ook voldoende mandaat heeft. Bovendien
                        geldt voor de gemeente dat het noodzakelijk is een helder onderscheid aan te
                        brengen tussen de lokale overheidstaak en het bestuur van het openbaar
                        onderwijs. Dat betekent bij voorkeur dat aan het overleg een representant
                        van de gemeente en een representant van het openbaar onderwijs deelnemen.
                        Afhankelijk van de mate van verzelfstandiging van het openbaar onderwijs en
                        de keuze van de directiestructuur kan de representant van het openbaar
                        onderwijs een ambtenaar van de dienst onderwijs of een lid van de (centrale)
                        directie zijn. Het is uiteraard van belang dat deze personen kunnen rekenen
                        op een draagvlak binnen de scholen die zij representeren. Om hiervan
                        verzekerd te zijn kunnen bijvoorbeeld de medezeggenschapsraden vooraf
                        geconsulteerd worden. Als het openbaar onderwijs is verzelfstandigd, neemt
                        uiteraard het bevoegd gezag deel aan het overleg (zie ook B1.3,
                        Artikelsgewijze toelichting op de verordening procedure overleg huisvesting
                        onderwijs). </al><al>Voor het bijzonder onderwijs betekent dit deelname door het schoolbestuur
                        zelf, een representant daarvan met bestuurlijk mandaat of een
                        vertegenwoordiger van een aantal schoolbesturen. Met name in gemeenten met
                        veel schoolbesturen zal een praktische keuze gemaakt moeten worden, om het
                        overleg niet op een 'Poolse landdag' te laten uitlopen. </al><al>Toepassing van het hiervoor beschreven consensusmodel betekent niet dat er
                        geen verordening behoeft te worden vastgesteld. Volgens de wet dient iedere
                        gemeente waar zich basis-, speciaal, of voortgezet onderwijs bevindt een
                        verordening te hebben. Ook al wordt die verordening niet strikt toegepast,
                        hij is wel van belang als 'vangnet' voor het geval er onverhoopt niet met
                        alle schoolbesturen consensus zou kunnen worden bereikt. Bovendien zullen
                        ook de uitkomsten van het consensusmodel tot de vaststelling van een
                        programma (de beschikkingen) door de gemeenteraad moeten leiden. In het
                        overleg kan afgesproken worden dat bepaalde procedurele aspecten van de
                        verordening, zoals ten aanzien van de uitvoering van beschikkingen, wel van
                        toepassing zijn op het consensusmodel. </al><al/><al>2<vet>.2.6 De verordening</vet></al><al>De wet geeft gemeenten een belangrijk instrument om de huisvestingstaak
                        gestalte te geven: de verordening. De verordening dient de uitwerking te
                        vormen van een aantal wettelijke bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat
                        de verordening zodanig moet worden opgezet dat kan worden 'voldaan aan de
                        redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de
                        gemeente stelt'. </al><al>In de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs, die door
                        iedere gemeente op de gewenste lokale maat gesneden kan worden, is dat
                        principe uitgewerkt. Deze modelverordening is tot stand gekomen met
                        medewerking van een klankbordgroep, bestaande uit gemeentelijke
                        vertegenwoordigers, en na uitgebreid en constructief overleg met de
                        besturenorganisaties voor het bijzonder onderwijs. De verordening bestaat
                        voor het belangrijkste deel uit bepalingen die volgens de wet moeten worden
                        opgenomen. Daarnaast is een aantal facultatieve bepalingen opgenomen. Op het
                        eerste gezicht lijkt de verordening, en met name de bijlagen, vrij
                        omvangrijk. De redenen daarvoor zijn de volgende: alhoewel het sterk de
                        voorkeur heeft om in overleg met de schoolbesturen (zie hiervoor paragraaf
                        2.2.5) het huisvestingsbeleid gestalte te geven, dient de verordening
                        zodanig van inhoud te zijn dat die in juridische zin voldoende waarborgen
                        biedt om, ook in beroep, de gemeentelijke beslissingen te kunnen dragen. Dat
                        gegeven leidt tot meer bepalingen dan op het eerste gezicht wenselijk lijkt. </al><al>Bovendien vervangt de modelverordening het grootste deel van het omvangrijke
                        scala aan rijksregelgeving en andere voorschriften. Gemeenten hebben nu
                        eenmaal niet dezelfde variëteit aan regelgevingsmogelijkheden die het rijk
                        heeft, dus alle regels moeten in de vorm van een verordening worden gegoten. </al><al>Om een indruk te geven: de modelverordening vervangt (delen van): </al><lijst><li nr="-"><al>Bouwbesluit WBO/ISOVSO; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Bekostigingsbesluit WBO/ISOVSO; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Huisvestingsbesluit WBO/ISOVSO; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Bekostigingsstelsel basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                                onderwijs; programma's van eisen huisvesting; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Regeling subsidieplafond en verdelingsregels basisonderwijs en
                                (voortgezet) speciaal onderwijs; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Regeling inzending bouwopdracht basisonderwijs en (voortgezet)
                                speciaal onderwijs; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Regelingen m.b.t. de huisvestingsmeldingsformulieren basisonderwijs
                                en (voortgezet) speciaal onderwijs; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Regelingen m.b.t. de modelprognoses; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Regeling invoering architectenverklaring basisonderwijs en
                                (voortgezet) speciaal onderwijs; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Huisvestingsbesluit WVO; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Regeling huisvesting voortgezet onderwijs; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Programma's van eisen blijvende voorzieningen voortgezet onderwijs;
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Programma's van eisen tijdelijke voorzieningen voortgezet
                                onderwijs; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> Programma's van eisen inventaris voortgezet onderwijs; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Ruimtelijk normeringssysteem (RNS) voortgezet onderwijs. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.2.6.1 Uitgangspunten</vet></al><al>In de modelverordening is uitgegaan van integraal gemeentelijk
                        huisvestingsbeleid. Dat betekent dat niet op voorhand een scheiding wordt
                        aangebracht tussen basis-, speciaal en voortgezet onderwijs. Hieruit vloeit
                        niet alleen voort dat ervan uit wordt gegaan dat de gemeenteraad één budget
                        vaststelt voor alle mogelijke huisvestingsvoorzieningen, maar ook dat bij
                        het opstellen van de beoordelingscriteria waar mogelijk wordt uitgegaan van
                        één systematiek. </al><al>Om het mogelijk te maken dat het onderwijshuisvestingsbeleid zoveel mogelijk
                        wordt ingebed in het totale gemeentelijke beleid, wordt bij de aanvraag- en
                        toekenningsprocedure de gemeentelijke begrotingscyclus gevolgd. Op die wijze
                        wordt bewerkstelligd dat een brede lokale afweging wordt gemaakt binnen het
                        totaal aan beschikbare gemeentelijke middelen. Het programma met daarop de
                        huisvestingsvoorzieningen die door de gemeente worden vergoed, wordt in
                        principe dan ook gelijktijdig met de begroting vastgesteld. Op die wijze
                        zijn het bedrag op de begroting en de toegekende voorzieningen altijd met
                        elkaar in overeenstemming. Er is dus geen sprake van een vooraf vastgesteld
                        budget, waarna vervolgens zoveel voorzieningen worden toegekend als het
                        budget toelaat. Een dergelijke handelwijze kan ertoe leiden dat niet voldaan
                        wordt aan de opdracht tot adequate huisvesting, omdat absoluut noodzakelijke
                        voorzieningen niet aan bod komen. Evenzeer is het denkbaar dat voorzieningen
                        die niet absoluut noodzakelijk zijn worden toegekend, omdat er nu eenmaal
                        budget is. Dat 'overtollige' budget kan wellicht beter ingezet worden voor
                        andere gemeentelijke beleidsterreinen. Een ander uitgangspunt van de
                        verordening betreft de efficiency. Niet alleen vanwege de vooraf opgelegde
                        efficiencykorting, maar ook vanwege het algemene belang om zo zorgvuldig
                        mogelijk om te springen met gemeenschapsgelden, heeft dit item een groot
                        accent gekregen in de verordening. De inzet is het zoveel mogelijk gebruik
                        maken van bestaande huisvestingscapaciteit. Dat komt tot uitdrukking in de
                        beoordelingscriteria die worden toegepast bij verzoeken om nieuwe
                        huisvestingsvoorzieningen, maar bijvoorbeeld ook bij het toekennen van
                        ruimte voor gymnastiekonderwijs. Bij dat laatste wordt het uitgangspunt
                        verlaten dat bij een bepaalde omvang van het gebruik recht bestaat op een
                        'eigen' gymlokaal, en wordt uitgegaan van gemeentelijke accommodaties die
                        beschikbaar worden gesteld voor het onderwijs. Het maatwerk, een van de
                        andere belangrijke redenen voor decentralisatie van de onderwijshuisvesting,
                        komt onder andere tot uitdrukking in de vergroting van autonomie die aan
                        schoolbesturen wordt gegeven. Niet langer worden gedetailleerde eisen
                        gesteld aan de vorm waarin een huisvestingsvoorziening wordt uitgevoerd; er
                        worden slechts minimale normen vastgelegd. Zo geldt bijvoorbeeld een
                        minimumoppervlakte voor een lesruimte, om te bewerkstelligen dat een gebouw
                        ook functioneel is voor eventuele andere gebruikers, maar geen minimumnorm
                        voor het totale gebouw. De modelverordening gaat ook niet uit van een
                        genormeerd systeem van periodieke toekenning van bedragen voor groot
                        onderhoud en renovatie. Als dergelijke voorzieningen gewenst worden, dan
                        wordt de noodzaak ervan getoetst. Het maatwerk komt ook tot uitdrukking in
                        de wijze waarop de vergoeding van de kosten van bepaalde voorzieningen tot
                        stand komt. De wet schrijft voor dat de gemeenteraad daarvoor normen
                        vastlegt. In de memorie van toelichting is aangegeven dat dat ook kan
                        inhouden dat met een zogenoemde offertesystematiek wordt gewerkt. In de
                        modelverordening is ervoor gekozen de vergoeding voor alle voorzieningen
                        waarvoor dat mogelijk is te normeren in de vorm van een soort van
                        programma's van eisen. Voor de voorzieningen waarvoor dat niet mogelijk is
                        wordt uitgegaan van de offertelijn. Die houdt in dat een schoolbestuur bij
                        de aanvraag een begroting overlegt. Na eventuele bijstelling daarvan wordt
                        een voorlopig vergoedingsbedrag vastgesteld. Als de voorziening door de raad
                        is goedgekeurd, vraagt het schoolbestuur een aantal offertes. Op basis
                        daarvan wordt vervolgens het definitieve vergoedingsbedrag bepaald. Op die
                        wijze ontstaat ook in de vergoeding van de voorzieningen het benodigde
                        maatwerk. In de artikelsgewijze toelichting is aangegeven dat ook de
                        vergoedingsbedragen die genormeerd zijn, kunnen worden vervangen door de
                        offertelijn. </al><al>Over het geheel genomen is in de modelverordening geen sprake van een
                        principiële breuk met het huidige rijksbeleid. Zo zijn de normbedragen
                        afgeleid van de voormalige programma's van eisen en zijn bijvoorbeeld bij
                        verwijsafstanden grotendeels de rijkscriteria overgenomen. Waar mogelijk
                        zijn wel vereenvoudigingen aangebracht. De reden voor de vertaling van grote
                        delen van het rijksbeleid is tweeledig. Enerzijds is het bedrag dat wordt
                        overgeheveld naar gemeenten gebaseerd op dit beleid. Grote afwijkingen
                        hiervan kunnen soms tot meerkosten leiden. Anderzijds laat deze keuze alle
                        mogelijkheden open om in het overleg met de schoolbesturen tot een werkelijk
                        lokale invulling te komen. Zo kan bijvoorbeeld op lokaal niveau het beste
                        ingeschat worden wat het betekent als voor de verwijsafstand wordt gekozen
                        voor een andere kilometergrens of een afbakening van een bepaalde wijk. De
                        modelverordening is dan ook zodanig dat er voldoende ruimte is om er een
                        gemeentespecifieke invulling aan te geven.</al><al> Als laatste, maar zeker niet onbelangrijkste uitgangspunt, kan de gelijke
                        behandeling van openbaar en bijzonder onderwijs genoemd worden. </al><al/><al><vet>2.2.6.2 De structuur</vet></al><al>De modelverordening is opgesteld volgens het 'ladenkastprincipe'. Dit houdt
                        in dat de bepalingen voor de onderwijssoorten die in een gemeente niet
                        voorkomen, gemakkelijk verwijderd kunnen worden. Dat geldt ook voor
                        facultatieve bepalingen, zoals het toekennen van een vergoeding voor de
                        kosten van bouwvoorbereiding. Verder zijn alle bepalingen waar keuzen
                        gemaakt zijn op het gebied van termijnen duidelijk aangegeven. De gekozen
                        termijnen kunnen zodoende makkelijk vervangen worden. De modelverordening
                        bevat een aanzienlijk aantal vrij technische bepalingen. Dit geldt met name
                        voor de bouwkundige en financiële normering en de urgentie- en
                        prognosecriteria. Omwille van de inzichtelijkheid bestaat de
                        modelverordening daarom uit een zgn. rompverordening met bijlagen. In de
                        romp (zie onder 2.1) staan bepalingen die in hun algemeenheid voor iedere
                        gemeente gelden, zoals de begripsomschrijvingen, de aanvraagprocedure en de
                        competentieverdeling tussen raad en college van burgemeester en wethouders.
                        Verder is een aantal 'kapstokbepalingen' opgenomen. Deze maken het mogelijk
                        dat een nadere uitwerking plaatsvindt in de bijlagen. Romp en bijlagen
                        vormen overigens in juridische zin één geheel. De totstandkoming en
                        wijziging van de bijlagen (zie onder 2.4) zullen op dezelfde wijze dienen
                        plaats te vinden als die van de romp. Dat betekent overigens niet dat iedere
                        wijziging tot een nieuwe vaststelling door de gemeenteraad moet leiden.
                        Wanneer het gaat om zaken die jaarlijks bijgesteld moeten worden, zoals
                        normbedragen, is die bijstelling opgedragen aan burgemeester en wethouders </al><al/><al><vet>2.2.6.3 De procedures van aanvragen en afhandeling[1]</vet></al><al>Wat de procedures betreft wordt aangesloten bij de gemeentelijke
                        begrotingscyclus. De totale cyclus, die start met vaststelling of (indien
                        noodzakelijk) wijziging van de verordening en eindigt met de uitvoering van
                        de huisvestingsvoorziening, vindt plaats in drie kalenderjaren. In het
                        schema op blz. 11 wordt geschetst welke activiteiten in welk jaar moeten
                        plaatsvinden, waarbij met jaar 't' het jaar van uitvoering van de
                        huisvestingsvoorziening door het schoolbestuur is bedoeld. De aangegeven
                        maanden zijn uiteraard indicatief. </al><al>Het hiervoor beschreven proces kan zich in principe ieder jaar herhalen. Dit
                        betekent bijvoorbeeld dat op het moment van overleg met de schoolbesturen
                        over het raadsvoorstel voor het programma, ook het wettelijk voorgeschreven
                        overleg over een eventuele wijziging van de Verordening voorzieningen
                        huisvesting onderwijs kan plaatsvinden. Dit met inachtneming van het
                        gestelde in de Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs (B1). </al><al>Er is bij de aanvraagprocedures geen onderscheid gemaakt tussen voor
                        blijvend en voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Beide worden op
                        hetzelfde moment en voor hetzelfde programma aangevraagd. Dat kan ook omdat
                        ten opzichte van het systeem van vóór 1 januari 1997 de procedure voor de
                        voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen met één jaar bekort is. Die
                        voorzieningen worden nu het jaar voorafgaand aan de realisering aangevraagd.
                        Indien zich calamiteiten voordoen, waarbij de voortgang van het onderwijs
                        belemmerd wordt, kan een spoedprocedure gevolgd worden. Door de verkorting
                        van de reguliere procedures zal hiervan naar verwachting weinig gebruik
                        hoeven te worden gemaakt. </al><al/><al><vet>2.2.6.4 De normering</vet></al><al>De wet draagt gemeenten op om in de verordening bouwkundige en financiële
                        normen vast te leggen. Ten aanzien van de financiële normering bestaan
                        straks geen centrale voorschriften meer. Het vastleggen hiervan is dus
                        volledig overgelaten aan gemeenten. Wel moet de vaststelling zodanig
                        plaatsvinden, dat een schoolbestuur vooraf weet waar het op kan rekenen. </al><al>Voor de bouwkundige normering is er wel sprake van centrale regelgeving. Met
                        name in het Bouwbesluit van VROM zullen eisen aan gebouwen, waaronder
                        schoolgebouwen, gesteld worden. Ook zijn in een algemene maatregel van
                        bestuur van OCenW minimale oppervlaktenormen gegeven (Uitvoeringsbesluit
                        voorzieningen in de huisvesting PO/VO, Stb. 1997, 125). Aanvullend daarop
                        zijn in de modelverordening enkele minimale eisen opgenomen. </al><al>De bouwkundige normering dient twee doelen. Enerzijds wordt daarmee bepaald
                        aan welke eisen nieuwe voorzieningen moeten voldoen. Anderzijds kan uit de
                        bouwkundige normering informatie worden ontleend over de capaciteit en de
                        functionaliteit van een bestaand gebouw. Deze informatie is belangrijk om te
                        beoordelen of er een nieuwe voorziening aan een gebouw getroffen moet
                        worden. </al><al>Omdat er in het primair onderwijs nog steeds discussies (en beroepszaken)
                        lopen over de precieze capaciteit van gebouwen, is het verstandig om bij de
                        invoering van de decentralisatie een zogenoemde nulmeting te houden. Aan de
                        hand daarvan kan worden vastgelegd wat de capaciteit van de gebouwen is op
                        dat moment. Dit is met name van belang als er een groot verschil is tussen
                        de feitelijke oppervlakte van een gebouw en het aantal leerlingen dat er
                        volgens de normen in zou moeten passen. De nulmeting zou eventueel
                        uitgebreid kunnen worden met een inventarisatie van de onderhoudstoestand. </al><al>Bijlage III, deel A, bij de modelverordening beschrijft een procedure voor
                        de nulmeting. </al><al>Zoals in paragraaf 2.2.6.1 al is aangegeven is voor de normering gekozen om
                        het huidige systeem dat door het rijk gehanteerd wordt, in grote lijnen over
                        te nemen. Dat betekent voor het primair onderwijs dat zal worden aangesloten
                        bij de Bouwbesluiten WBO en ISOVSO, en voor het voortgezet onderwijs bij het
                        Ruimtebehoeftemodel (RBM). Dit geschiedt vanuit drie overwegingen. Er is de
                        afgelopen jaren niet gebleken dat de bouwkundige normering in haar
                        algemeenheid te ruim of te krap zou zijn. Dat kan in individuele gevallen
                        wel het geval zijn, maar de modelverordening biedt de mogelijkheid tot
                        maatwerk voor die specifieke omstandigheden. Als algemene norm lijken de
                        huidige normen dus bruikbaar. Ten tweede dient er rekening mee gehouden te
                        worden dat de huidige gebouwenvoorraad grotendeels voldoet aan de huidige
                        normen. Een afwijking daarvan in gemeentelijke verordeningen zou een hausse
                        aan aanvragen met zich mee kunnen brengen. Tot slot, in aansluiting hierop,
                        is het financiële aspect van belang. Het budget dat aan gemeenten
                        beschikbaar wordt gesteld, is gebaseerd op de huidige normen. Een afwijking
                        daarvan zal vermoedelijk eerder een opwaarts dan een neerwaarts effect op de
                        kosten geven. </al><al>Het overnemen van de rijksnormen betekent overigens niet dat daarmee ook de
                        starheid in uitvoering wordt overgenomen. In de toepassing van de normen zit
                        de mogelijkheid van maatwerk. Zo wordt ervan uitgegaan dat een schoolbestuur
                        niet per definitie de normoppervlakte behoeft te realiseren. Er is ten
                        aanzien van de indeling van een gebouw gekozen voor minimale eisen, om de
                        vrijheid van een schoolbestuur zo groot mogelijk te laten zijn. Wel wordt
                        bijvoorbeeld bepaald wat de minimumoppervlakte van een leslokaal moet zijn.
                        Dit gebeurt om te waarborgen dat een gebouw ook functioneel is voor een
                        eventuele nieuwe gebruiker. Ten aanzien van de financiële normering zijn er
                        twee opties: een strikt genormeerde lijn en een offertelijn. Ook kan een
                        combinatie van beide worden gekozen. De genormeerde lijn houdt in dat, net
                        als nu, met programma's van eisen gewerkt wordt, die precies aangeven welk
                        bedrag voor welke voorziening staat. In de verordening wordt aangegeven hoe
                        die bedragen bijgesteld worden; uitvoering daarvan is opgedragen aan
                        burgemeester en wethouders. De offertelijn houdt in dat het schoolbestuur
                        voor een gewenste voorziening een aantal offertes vraagt, op basis van
                        vooraf vastgestelde uitgangspunten. Op basis van de overgelegde offertes
                        stelt de gemeente het vergoedingsbedrag vast. Met name voor voorzieningen
                        als aanpassingen en onderhoud kan de offertelijn uitkomst bieden, vooral als
                        gestreefd wordt naar maatwerk. Deze voorzieningen zijn immers zo afhankelijk
                        van de specifieke omstandigheden van het gebouw, dat ze moeilijk vooraf te
                        normeren zijn. Die normering is echter wel mogelijk, en kan met name voor
                        gemeenten met veel scholen een uitkomst bieden. </al><al/><al><vet>2.2.6.5 Beoordelings- en urgentiecriteria</vet></al><al> Beoordelingscriteria zijn onontbeerlijk voor de vaststelling of een verzoek
                        in principe voor bekostiging in aanmerking komt. Voorbeelden van
                        beoordelingscriteria zijn een bepaling over met hoeveel leerlingen een
                        school moet groeien om in aanmerking te komen voor extra ruimte, of een
                        bepaling dat een prognose moet aantonen dat een bepaald aantal leerlingen
                        gedurende een bepaald aantal jaren de school zal bezoeken. Als voldaan is
                        aan de beoordelingscriteria, wordt aan de hand van de urgentiecriteria en
                        het beschikbare budget vastgesteld of een voorziening daadwerkelijk
                        bekostigd wordt. Omdat als uitgangspunt is gekozen voor één budget voor alle
                        schoolsoorten, gelden de urgentiecriteria ook voor alle schoolsoorten. Dat
                        betekent dat is gezocht naar een methode om verzoeken van verschillende
                        schoolsoorten onderling vergelijkbaar te maken.</al><al/><al>De urgentiecriteria worden onderscheiden in vier hoofdgroepen: </al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen die nodig zijn om een kwantitatief tekort op te heffen
                                (te weinig ruimte); </al></li><li nr="2."><al>voorzieningen die nodig zijn om een adequaat onderhoudsniveau te
                                handhaven; </al></li><li nr="3."><al>noodzakelijke aanpassingen aan gebouwen die voortkomen uit bij of
                                krachtens de wet gestelde verplichtingen (Arbo-besluit, Bouwbesluit,
                                brandveiligheidsvoorschriften); </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn om kwalitatieve tekorten op te
                                heffen die het gevolg zijn van nieuwe onderwijskundige inzichten
                                en/of gewenste bouwkundige aanpassingen (bijvoorbeeld andere
                                indeling gebouw), doch die als zodanig niet verplicht zijn. </al></li></lijst><al/><al>De vier hoofdgroepen moeten vervolgens weer onderscheiden worden in een
                        aantal subgroepen. Voorbeeld: er zijn in een bepaald jaar drie verzoeken om
                        uitbreiding. Deze verzoeken vallen in hoofdgroep 1. Binnen die hoofdgroep
                        moet worden vastgesteld welke uitbreiding het meest urgent is. Dit kan
                        bijvoorbeeld door te bepalen dat de school waar relatief de grootste groei
                        plaatsvindt, de hoogste prioriteit heeft. </al><al>Alle binnengekomen verzoeken worden dus eerst beoordeeld aan de hand van
                        wettelijke voorschriften en de gemeentelijke beoordelingscriteria. De
                        voorzieningen die deze toets niet doorstaan, komen op het overzicht. De
                        voorzieningen die overblijven worden met behulp van de urgentiecriteria in
                        volgorde van prioriteit geplaatst. Vervolgens wordt aan de hand hiervan
                        bepaald welke voorzieningen het volgende jaar vergoed worden. Deze komen op
                        het programma te staan. Op grond van de bijbehorende normbedragen of de
                        bedragen die op basis van de offertelijn zijn vastgesteld, wordt vervolgens
                        het bedrag bepaald dat de gemeenteraad voor deze voorzieningen op de
                        begroting voor het volgende jaar opneemt. De voorzieningen die 'onder de
                        streep' belanden, worden wegens ontoereikendheid van het budget op het
                        overzicht geplaatst. Als er voldoende budget is, komen alle aanvragen op het
                        programma. Zodoende worden op één moment het bedrag, het programma en het
                        overzicht vastgesteld. De voorzieningen die het volgende jaar door de
                        gemeente vergoed worden komen op het programma; alle afgewezen verzoeken
                        komen op het overzicht. </al><al/><al><vet>2.2.6.6. Prognosecriteria</vet></al><al>In de modelverordening is vastgelegd dat voor de beoordeling van aanvragen
                        in de meeste gevallen een prognose van leerlingaantallen moet worden
                        overlegd. Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de
                        noodzaak van een aangevraagde voorziening. Tot voor kort werd een aantal
                        prognosemodellen voorgeschreven (Probo II voor basisscholen, Lasso voor
                        speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het prognosemodel huisvesting voor het voortgezet onderwijs). Nu geeft de
                        verordening burgemeester en wethouders de bevoegdheid nadere regels vast te
                        stellen. Als model hiertoe is in samenwerking met de besturenorganisaties
                        voor het openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt 'programma van eisen
                        voor leerlingprognoses' opgesteld. In dit programma van eisen is tot op het
                        niveau van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe
                        prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een
                        beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per
                        onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en
                        daarmee tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school. </al><al>Het zou de voorkeur verdienen dat het 'programma van eisen voor
                        leerlingprognoses' ook gehanteerd zou kunnen worden voor de stichting van
                        nieuwe scholen. Op het moment van deze publicatie bestaat hierover echter
                        nog geen duidelijkheid. Maatwerk bij toepassing van de prognosemethodiek
                        ligt voor de hand wanneer de specifieke positie van enkele kleinere
                        richtingen aan de orde is. Het betreft hier met name
                        gereformeerd-vrijgemaakte, reformatorische en vrije scholen, waarbij de
                        kerkelijke gebondenheid of het uitermate grote voedingsgebied een wezenlijke
                        rol spelen. Het maatwerk kan hier getroffen worden door op onderdelen van de
                        standaardsystematiek af te wijken of door deze systematiek op een bepaalde
                        manier toe te passen. </al><al/><al><vet>2.2.6.7 Vaststelling van de verordening</vet></al><al>Op de vaststelling van de verordening zijn in algemene zin de betreffende
                        bepalingen uit de Gemeentewet van toepassing. Daarnaast zijn ook in de WPO,
                        de WEC en de WVO enkele bepalingen hieromtrent opgenomen. </al><al>De grondslag voor de regelgevende bevoegdheid van gemeenten ligt vast in de
                        Grondwet. De gemeenteraad staat aan het hoofd van de gemeente, en beschikt
                        dientengevolge over de bevoegdheid alles te regelen in het belang van de
                        openbare orde, de zedelijkheid, de gezondheid en andere zaken betreffende de
                        huishouding van de gemeente (artikel 150 Gemeentewet). Daarnaast is de raad
                        op grond van artikel 109, tweede lid Gemeentewet, verplicht die regelingen
                        te treffen die door hogere regelingen worden gevorderd. Daarvan is in het
                        geval van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs sprake. </al><al>De regelgevende bevoegdheid van de raad kan worden gedelegeerd aan
                        burgemeester en wethouders behalve als het verordeningen betreft die worden
                        gehandhaafd door strafbepaling of bestuursdwang. Bij de vaststelling van de
                        huisvestingsverordening is in het model niet gekozen voor delegatie aan
                        burgemeester en wethouders. Dit voornamelijk gelet op de reikwijdte van de
                        verordening en gezien burgemeester en wethouders tevens bevoegd gezag van de
                        openbare scholen kunnen zijn. De uitvoering van de verordening is in de
                        modelverordening in een aantal gevallen wel aan burgemeester en wethouders
                        opgedragen. De raad stelt de verordening vast bij volstrekte meerderheid van
                        stemmen (artikel 30 Gemeentewet). Om verbindende werking te verkrijgen moet
                        vervolgens krachtens artikel 140 Gemeentewet de bekendmaking van het besluit
                        plaatsvinden. Dit gebeurt 'door plaatsing in het gemeenteblad, dan wel, bij
                        gebreke daarvan, door opneming in een andere door de gemeente algemeen
                        verkrijgbaar gestelde uitgave'. </al><al>De inwerkingtreding van de door de gemeenteraad vastgestelde verordening
                        volgt in beginsel op de achtste dag na de bekendmaking van het besluit,
                        tenzij een ander tijdstip voor inwerkingtreding is aangewezen (artikel 143
                        Gemeentewet). In de modelverordening is voor dit laatste gekozen, door uit
                        te gaan van 1 januari 1997 als datum van inwerkingtreding. </al><al>Of er een inspraakprocedure voorafgaat aan de vaststelling van de
                        verordening, hangt af van hetgeen de gemeentelijke inspraakverordening
                        daarover bepaalt. In zijn algemeenheid zal er geen inspraakprocedure gelden,
                        omdat verordeningen meestal niet onder de werking van de
                        inspraakverordeningen vallen. Van preventief toezicht (goedkeuring) door
                        gedeputeerde staten is in het geval van de huisvestingsverordening geen
                        sprake. De huisvestingsverordening valt niet onder de categorie besluiten
                        waarvoor die vorm van toezicht geldt. Van repressief toezicht (vernietiging
                        bij koninklijk besluit) kan theoretisch sprake zijn. Artikel 265 van de
                        Gemeentewet bepaalt dat alle besluiten van het gemeentebestuur vernietigd
                        kunnen worden voor zover zij in strijd zijn met het recht of het algemeen
                        belang. Aan de burgemeester is opgedragen om, door tussenkomst van
                        gedeputeerde staten, melding te maken van dergelijke besluiten bij de kroon.
                        Ter bescherming van de autonomie van gemeenten wordt uiterst terughoudend
                        met het repressieve toezicht omgegaan. </al><al>De onderwijswetten kennen ook een aantal bepalingen omtrent de vaststelling
                        van de huisvestingsverordening. Zo bepalen de artikelen 102 WPO, 100 WEC,
                        76m en 217 WVO dat de verordening niet vastgesteld of gewijzigd wordt dan
                        nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met
                        vertegenwoordigers van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen.
                        Voor dat overleg moet de gemeenteraad een procedure vaststellen. Een
                        modelverordening voor dat overleg is in dit handboek onder B1 opgenomen. </al><al>Artikel XIX van de Decentralisatiewet onderwijshuisvesting geeft twee
                        bepalingen omtrent de huisvestingsverordening. De eerste heeft betrekking op
                        de regeling die vastgesteld moet worden voor de afhandeling van aanvragen
                        die nog bij de minister van OCenW zijn ingediend. Deze regeling moet vóór 1
                        januari 1997 worden vastgesteld. Hiervoor geldt niet dat overleg moet zijn
                        gevoerd met vertegenwoordigers van alle scholen die niet door de gemeente in
                        stand worden gehouden. In de regeling op basis van artikel XIX is in de
                        modelverordening voorzien door een aantal overgangsbepalingen in hoofdstuk
                        8. </al><al>Lid 2 van artikel XIX bepaalt dat de gemeentelijke huisvestingsverordening
                        ten minste wordt vastgesteld acht weken voordat aanvragen voor het programma
                        kunnen worden ingediend. Uitgaande van de indieningsdatum van 1 februari in
                        de modelverordening, moet de gemeentelijke huisvestingsverordening dus vóór
                        7 december 1996 worden vastgesteld. </al><al>De vaststelling van de overgangsbepalingen en de eigenlijke verordening kan
                        op hetzelfde tijdstip plaatsvinden wanneer dit tijdstip ligt voor 7 december
                        1996. De inwerkingtreding van de verordening kan vervolgens met ingang van 1
                        januari 1997 plaatsvinden. </al><al/><al><vet>2.2.7 Rechtsbescherming</vet></al><al>De WPO, de WEC en de WVO verklaren wat de rechtsbescherming betreft de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Tegen de vaststelling van
                        de verordening is geen bezwaar of beroep mogelijk; de Awb sluit dat op dit
                        moment uit. Per 1 januari 1999 wordt dat mogelijk anders. Het is namelijk de
                        bedoeling dat artikel 8:2 Awb, dat onder andere de algemeen verbindende
                        voorschriften uitsluit van bezwaar en beroep, op die datum komt te
                        vervallen. </al><al>De Awb-bepalingen die gelden voor de procedure voor de totstandkoming van
                        besluiten van de gemeente, hebben grotendeels een vertaling in de
                        modelverordening gekregen. In diverse bepalingen zijn termijnen
                        voorgeschreven waarbinnen besluiten moet worden genomen, er wordt voldaan
                        aan de hoorplicht door middel van het overleg dat voorafgaat aan de
                        vaststelling van het programma en er zijn bepalingen opgenomen omtrent
                        motivering en bekendmaking van besluiten. </al><al>Over de rechtsbescherming die van toepassing is nadat de gemeente een
                        besluit op grond van de verordening heeft genomen, wordt in de
                        modelverordening zelf niets bepaald; hier gelden onverkort de bepalingen van
                        de Awb. Dit betekent dat een besluit van de gemeente, genomen op grond van
                        de verordening, openstaat voor bezwaar en daarna voor beroep. In het besluit
                        geeft de gemeente aan dat binnen zes weken na bekendmaking bezwaar kan
                        worden gemaakt, ofwel bij de raad, ofwel bij burgemeester en wethouders
                        (afhankelijk van het orgaan dat het besluit genomen heeft). Tevens wordt
                        aangegeven dat binnen zes weken na bekendmaking een voorlopige voorziening
                        bij de president van de arrondissementsrechtbank kan worden gevraagd. Dit
                        recht ontstaat tegelijkertijd met het recht om bezwaar te maken. </al><al>Indien de heroverweging op grond van het bezwaarschrift heeft
                        plaatsgevonden, en deze leidt niet tot een gewijzigd besluit, dan moet in de
                        mededeling daarvan aan degene die bezwaar heeft gemaakt worden aangegeven
                        dat binnen zes weken na ontvangst van die mededeling beroep kan worden
                        aangetekend bij de administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank.
                        Van de uitspraak van de rechtbank kan in hoger beroep worden gekomen bij de
                        Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </al><al>Een nieuwe vorm van rechtsbescherming betreft de introductie van een advies
                        van de Onderwijsraad. Zowel de gemeente als een schoolbestuur kan een
                        dergelijk advies vragen. Het advies van de Onderwijsraad kan gevraagd worden
                        in het kader van de vaststelling of wijziging van de verordening, en in het
                        kader van de vaststelling van het jaarlijkse huisvestingsprogramma. Indien
                        een schoolbestuur van mening is dat het voorgenomen besluit van de gemeente
                        ten aanzien van de verordening of het huisvestingsprogramma in strijd is met
                        de vrijheid van richting of inrichting, kan daarover advies worden gevraagd.
                        Het advies wordt binnen vier weken gegeven. Bij het definitieve besluit
                        houdt de gemeente rekening met het advies; een eventuele afwijking daarvan
                        moet gemotiveerd worden. </al><al/><al><vet>2.2.8 Ten slotte</vet></al><al>Hiervoor is weergegeven hoe gemeenten kunnen handelen bij de uitvoering van
                        de wettelijke opdracht om te voorzien in adequate huisvesting. Met name de
                        verordening is daarbij een belangrijk instrument. In paragraaf 2.2.5 is
                        verwoord dat er mogelijkheden zijn om, in afwijking van de verordening, in
                        overleg met de schoolbesturen het lokale huisvestingsbeleid gestalte te
                        geven. Daarbij kunnen dan aspecten van het lokale onderwijsbeleid en andere
                        gemeentelijke beleidsterreinen betrokken worden. De modelverordening is
                        geschreven voor alle Nederlandse gemeenten. Daarbij kan onmogelijk volledig
                        recht gedaan worden aan de verschillende lokale omstandigheden. Het is
                        daarom van groot belang de verordening te beschouwen als een dynamisch
                        beleidsinstrument, dat op de maat van de individuele gemeente gesneden wordt
                        en dat ook, waar nodig, regelmatig aangepast wordt. Naast de
                        modelverordening zal de VNG gemeenten ook andere handreikingen bieden om het
                        huisvestingsbeleid gestalte te geven. Hierbij kan gedacht worden aan een
                        handreiking omtrent doordecentralisatie en het efficiënt omgaan met
                        bestaande en nieuwe gebouwen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikelsgewijze toelichting </label></kop><al>In de tekst van de verordening zijn passages cursief weergegeven. </al><al>Deze passages betreffen: </al><lijst><li nr="-"><al>termijnen die worden gehanteerd (bijvoorbeeld artikel 6); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de aanduiding van onderwijssoorten (bijvoorbeeld artikel 1 onder d);
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>bepalingen die een keuzemogelijkheid bieden (bijvoorbeeld artikel 4,
                                derde lid); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>bepalingen die niet voortvloeien uit een wettelijke verplichting
                                (bijvoorbeeld artikel 3 in samenhang met hoofdstuk 4). </al></li></lijst><al/><al>Bij de vaststelling van de verordening kan worden uitgegaan van andere
                        termijnen, kunnen alleen die passages worden opgenomen die gezien de
                        aanwezigheid van onderwijssoorten in de gemeente relevant zijn en kan een
                        keuze worden gemaakt voor een geboden mogelijkheid. </al><al/><al><vet>Considerans</vet></al><al/><al><vet>Reikwijdte verordening</vet></al><al>De verordening behoeft alleen maar bepalingen te bevatten over de
                        onderwijsvoorzieningen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden.
                        Zo kan bijvoorbeeld een gemeente met alleen maar basisonderwijs volstaan met
                        een verwijzing naar de WPO. Materieel betekent dit dat deze gemeente -
                        afgezien van de bepalingen en mogelijke bijlagen waarvoor het onderscheid
                        naar onderwijssoort niet relevant is - met minder bepalingen/bijlagen kan
                        volstaan dan een gemeente die beschikt over voorzieningen voor zowel
                        basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs als voortgezet onderwijs.
                        Indachtig het 'ladenkast-principe' kunnen uit de tekst van de
                        modelverordening en bijlagen passages worden geschrapt wanneer in een
                        gemeente een van de genoemde onderwijssoorten niet aanwezig is. Wanneer deze
                        situatie in de loop der tijd wijzigt, kan een gemeente de verordening alsnog
                        aanpassen (uitbreiden, maar eventueel ook inkorten bij het verdwijnen van
                        een onderwijssoort). In tijd bezien behoeft dit geen probleem te zijn, omdat
                        dergelijke veranderingen in het voorzieningenpatroon zich niet van de ene op
                        andere dag voltrekken. </al><al>De hiervoor geschetste benadering kan in juridische zin worden gebaseerd op
                        de wettelijke bepaling dat 'de verordening zodanig wordt vastgesteld dat kan
                        worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting
                        van de scholen in de gemeente stelt'. Met andere woorden: wanneer er geen
                        scholen voor voortgezet onderwijs (inclusief nevenvestigingen/dislocaties)
                        in de gemeente aanwezig zijn, dan is er ook geen sprake van de (juridische)
                        noodzaak om te voldoen aan de redelijke eisen van de onderwijshuisvesting
                        van de 'niet-aanwezige scholen'. </al><al/><al><vet>Delegatie raad aan burgemeester en wethouders</vet></al><al>De bevoegdheidsverdeling tussen burgemeester en wethouders en de raad wijkt
                        in de verordening op sommige onderdelen af van de in de wetgeving
                        neergelegde verdeling. Dit is gedaan om een betere aansluiting te bereiken
                        op de gangbare gemeentelijke bestuurspraktijk. Impliciet betekent dit dat
                        bij vaststelling van de verordening de raad een aantal zaken delegeert aan
                        burgemeester en wethouders. De basis voor deze delegatie is neergelegd in
                        artikel 156 van de Gemeentewet. Met de vaststelling van de verordening
                        bepaalt de raad dus wat hij aan bevoegdheden aan zich wil houden en op welke
                        onderdelen de uitoefening van bevoegdheden wordt gedelegeerd aan
                        burgemeester en wethouders. Het is dus niet noodzakelijk dat de raad
                        hierover, naast de vaststelling van de verordening, nog een afzonderlijk
                        delegatiebesluit neemt. </al><al>Indien de modelverordening in zijn geheel wordt overgenomen, dan betekent
                        dit dat de raad de volgende in de wet aan hem toebedeelde bevoegdheden/taken
                        delegeert aan burgemeester en wethouders: </al><lijst><li nr="-"><al>de beslissing om aanvragen die niet op tijd of uiteindelijk
                                incompleet zijn ingediend, buiten behandeling te laten (zie artikel
                                7, derde lid); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het plegen van overleg met het onderwijsveld voorafgaande aan de
                                vaststelling van een programma (zie artikel 10, lid 1 t/m 4); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het, al dan niet uit eigen beweging, indienen van een verzoek om
                                advies aan de Onderwijsraad over het vast te stellen programma (zie
                                artikel 10, lid 5 t/m 10); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de beslissing omtrent het tijdstip waarop de bekostiging van een
                                door de raad toegekende huisvestingsvoorziening een aanvang kan
                                nemen (zie artikel 16); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de toetsing of op het hiervoor genoemde tijdstip is voldaan aan de
                                bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of de feiten en
                                omstandigheden waarin de school verkeert niet ingrijpend zijn
                                gewijzigd ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van
                                de vaststelling van het programma (zie artikel 15 en 16); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de beslissing over aanvragen voor voorzieningen met een spoedeisend
                                karakter (zie artikel 19 e.v.); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de jaarlijkse prijsbijstelling van de op normatieve wijze bepaalde
                                vergoedingen voor toegekende huisvestingsvoorzieningen (zie artikel
                                41). </al></li></lijst><al/><al><vet>Overleg voorafgaande aan vaststelling (wijziging) verordening</vet></al><al>Het wettelijk voorgeschreven 'op overeenstemming gericht' overleg tussen de
                        gemeente en de schoolbesturen dat voorafgaat aan de vaststelling van de
                        verordening, is van groot belang met het oog op het streven om een zo breed
                        mogelijk draagvlak voor de verordening te bereiken binnen de
                        onderwijssector. Om dit belang te benadrukken is dit overleg in de
                        considerans aangehaald. Het op overeenstemming gericht overleg dient te
                        worden gevoerd aan de hand van een door de gemeenteraad vastgestelde
                        procedure. Met de modelverordening 'procedure overleg huisvesting onderwijs'
                        (zie onder B1/1.1) kan hierin worden voorzien</al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Een belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan
                        de gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder
                        onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot
                        uiting te komen in de modelverordening. Het gemeentebestuur past bij de
                        uiteindelijke beslissingen over de huisvesting voor alle schoolbesturen
                        dezelfde normen, criteria etc. toe. Ook in procedurele zin is sprake van een
                        volstrekt gelijke behandeling. Als concreet voorbeeld kan genoemd worden dat
                        de indieningsdatum voor aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten
                        voldoen voor alle schoolbesturen dezelfde zijn. </al><al>Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor
                        gekozen om onder de begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' en 'aanvrager'
                        alle schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde
                        onderwijsvoorziening in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest
                        is op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging,
                        dislocatie). Er is dus geen onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke
                        bestuursvorm dan ook) en bijzonder onderwijs. </al><al>In het geval dat burgemeester en wethouders bestuur zijn van een openbare
                        school waarvoor een huisvestingsvoorziening wordt gewenst, betekent dit dat
                        burgemeester en wethouders dus gehouden zijn aan dezelfde procedures en
                        termijnen als een bestuur van een bijzondere school, een bestuurscommissie
                        ex artikel 82 van de Gemeentewet waaraan de schoolbestuurlijke zorg voor de
                        huisvesting is overgedragen of een openbaar lichaam dat krachtens een
                        gemeenschappelijke regeling een openbare school in stand houdt. Dit kan tot
                        de op het eerste gezicht wellicht wat wonderlijke situatie leiden dat
                        burgemeester en wethouders voor de in de verordening opgenomen
                        indieningsdatum 'bij zichzelf' een aanvraag indienen. In de gemeentelijke
                        bestuurspraktijk is dit geen novum. Zo komt het bijvoorbeeld geregeld voor
                        dat burgemeester en wethouders bij zichzelf een verzoek om een
                        bouwvergunning voor een gemeentelijk project indienen. Dit alles vergt wel
                        dat burgemeester en wethouders hiermee zorgvuldig omgaan, in die zin dat men
                        altijd aan anderen (de raad, besturen van niet door de gemeente in stand
                        gehouden scholen) moet kunnen aantonen dat men de 'eigen' aanvragen ook
                        daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere
                        aanvragen. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet></al><al>De omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden
                        aangevraagd, maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden
                        toegewezen. Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de
                        omschrijving van dit artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het
                        bereik van deze verordening. Louter op deze grond kan de gemeente een
                        dergelijke voorziening weigeren. Dit sluit ook aan op de in de wet opgenomen
                        weigeringsgrond dat een voorziening wordt geweigerd indien het geen
                        voorziening in de huisvesting is in de zin van de wet (zie bijvoorbeeld
                        artikel 100, eerste lid, onder a WPO). Voorbeeld: het buitenschilderwerk van
                        een basisschool wordt volgens de opsomming van de onderhoudsactiviteiten
                        (zie bijlage I, overzicht 'Onderhoud PO') niet gerekend tot de
                        huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in artikel 2, onder c. Reden
                        hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk niet als voorziening in
                        de huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor het buitenschilderwerk
                        vormt overigens een onderdeel van de vergoeding voor de materiële
                        instandhouding, welke een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk ontvangt.) </al><al>De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee
                        een limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot
                        verruiming van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot
                        inperking. </al><al>In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de
                        huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit
                        punt onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen. </al><al><vet><onderstreept>Ad a 10</onderstreept></vet> Het begrip nieuwbouw omvat
                        tevens het begrip vervangende nieuwbouw. </al><al>20 Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het
                        primair onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting van
                        minimaal één groep. </al><al>30 Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in
                        de wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met 'bestaand gebouw of een
                        gedeelte daarvan'. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat
                        geheel leegstaat als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de
                        gebouwen bestemd voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in
                        schoolgebouw waarvan een andere school gebruikt maakt is er sprake van
                        medegebruik. </al><al>40 Verplaatsing is beperkt tot noodlokalen vanwege de aard van een gebouw
                        (men kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van een
                        permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw). </al><al>50 Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding van
                        een onderwijsgebouw is geen automatisme zoals voor de decentralisatie in het
                        primair onderwijs het geval was. Een toekenning van terrein vindt nu alleen
                        nog maar plaats wanneer de grond nodig is voor de feitelijke realisering van
                        de huisvestingsvoorziening. </al><al>60/70 Het onderscheid tussen onderwijsleerpakket en meubilair is gemaakt om
                        bij een uitbreiding op basis van de toepassing van de 'gewichtenscore' in
                        het basisonderwijs alleen de voorziening OLP te hoeven toekennen. De
                        handelwijze om bij fusies uit te gaan van de inbreng van het bestaande
                        meubilair en onderwijsleerpakket in de gefuseerde school betekent een
                        verscherping ten opzichte van het huidige toekenningsbeleid, maar is in het
                        kader van het bereiken van efficiency en het leveren van maatwerk op lokaal
                        niveau te rechtvaardigen. De afwijkende terminologie voor het voortgezet
                        onderwijs (leer- en hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet. </al><al>80 Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in
                        gebruik zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder medegebruik valt
                        tevens het gebruik van een gymnastiekaccommodatie die niet in eigendom is
                        van een school (bijvoorbeeld medegebruik in een gemeentelijke accommodatie).
                        De genoemde schoolsoorten in het (v)so betreffen de volgende. Voor een bad
                        voor bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of
                        meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad
                        voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen of
                        meervoudig gehandicapte kinderen. </al><al><vet><onderstreept>Ad b en c</onderstreept></vet> Het kan tot verwarring
                        leiden dat de term 'aanpassing' in het primair onderwijs iets anders
                        betekent dan in het voortgezet onderwijs (daar betekent het vooral
                        onderhoud). Bovendien is onderhoud in het voortgezet onderwijs geen
                        voorziening die in de wet wordt onderscheiden en kan daardoor dus niet
                        worden aangevraagd. In bijlage I van de modelverordening zijn daarom ter
                        verduidelijking de overzichten, die ook onderdeel vormen van de toelichting
                        op de wet, overgenomen. In deze overzichten is aangegeven welke
                        onderhoudsactiviteiten voor het primair onderwijs (overzicht I-1) en welke
                        activiteiten behorend tot de aanpassingen voortgezet onderwijs (overzichten
                        I-2 en I-3) in beginsel voor rekening van de gemeente kunnen worden
                        gebracht. Daarnaast is in bijlage I verder inhoud gegeven aan de voor de
                        invoering van de decentralisatie in het primair onderwijs gehanteerde
                        begrippen 'partiële en algehele aanpassing'. Hiermee is in bijlage I de
                        concrete inhoud van de begrippen aanpassing en onderhoud aangegeven.
                            </al><al><vet><onderstreept>Ad d</onderstreept></vet> Voor het begrip
                        constructiefouten is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd op de in het
                        verleden hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een
                        directe belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op
                        grond van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het
                        herstel van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het
                        aanvragen van plaatsing van een voorziening op het programma de meeste
                        geëigende procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria
                        alsmede de financiële weigeringsgrond van toepassing. Voor het voortgezet
                        onderwijs geldt dat het herstel van een constructiefout aan de binnenzijde
                        van een gebouw voor rekening komt van het schoolbestuur, voor zover de
                        kosten hiervan het bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
                        drempelbedrag niet overschrijden (zie artikel 76c en 207 WVO). </al><al><vet><onderstreept>Ad e</onderstreept></vet> De bijzondere omstandigheden
                        zoals genoemd in de wet zijn in de verordening niet nader uitgewerkt,
                        aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven.
                        Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een huisvestingsvoorziening kan
                        weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is
                        veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie bijvoorbeeld
                        artikel 100, tweede lid WPO). </al><al>De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan
                        een gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling
                        van deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het
                        programma of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd
                        geschikt zijn voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van
                        schade is meestal spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine
                        schadegevallen (bijvoorbeeld glasschade) de reguliere procedure te zwaar en
                        te omslachtig is. </al><al>Dit pleit ervoor om in ieder geval de kleinere schaden door burgemeester en
                        wethouders te laten afwikkelen in het kader van de spoedprocedure. Er wordt
                        nog bezien of voor de afwikkeling van dergelijke schaden een lichtere
                        procedure kan worden getroffen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de
                        praktijk zoals die zich heeft ontwikkeld in het voortgezet onderwijs in
                        relatie tot het collectief verzekeringscontract. Deze praktijk houdt in dat
                        bepaalde schaden (met name glasschade) rechtstreeks door de schoolbesturen
                        kunnen worden afgewikkeld met een door de verzekeraars ingesteld bureau dat
                        belast is met de afwikkeling. Het collectief contract, deze werkwijze
                        incluis, wordt voor het jaar 1997 voortgezet. Op weg naar 1998 zal door alle
                        betrokkenen worden bezien in hoeverre deze handelwijze ook na 1997 kan
                        worden voortgezet en wellicht worden verbreed naar het primair onderwijs.
                        Indien dit haalbaar mocht zijn dan kan een groot deel van de schadegevallen
                        buiten de verordening om worden afgehandeld. Alleen voor de grotere
                        schadegevallen zal dan de verordening in stelling moeten worden gebracht.
                            </al><al><vet><onderstreept>Ad f</onderstreept></vet> Evenals voor de invoering van
                        de decentralisatie het geval was, kan aan een schoolbestuur in het
                        voortgezet onderwijs onder bepaalde voorwaarden een vergoeding worden
                        toegekend voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten
                        gedurende een periode van maximaal acht weken. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</vet></al><al>De wet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en
                        vergoeding van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat
                        daarom verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de
                        voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft
                        een facultatieve bepaling. Een gemeente is, met andere woorden, niet
                        verplicht daadwerkelijk deze mogelijkheid te bieden. Uit oogpunt van
                        'kenbaar bestuur', waaronder het vooraf geven van duidelijkheid over het
                        gemeentelijk optreden, is ervoor gekozen om in de modelverordening een
                        bepaling op te nemen waarmee de lokale overheid aangeeft of, en zo ja ten
                        aanzien van welke soort van huisvestingsvoorzieningen, de gemeente de
                        mogelijkheid van een bouwvoorbereidingskrediet opent. </al><al>In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt
                        dat een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen
                        die naar aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral
                        worden gedacht aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en
                        uitbreiding. Deze voorzieningen vergen doorgaans de meeste
                        voorbereidingstijd en kosten in het kader van de bouwplanontwikkeling. </al><al>In hoofdstuk 4 van de modelverordening wordt de aanvraag- en
                        besluitvormingsprocedure voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij
                        is uitgegaan van een - ook in tijd bezien - gelijkschakeling met de
                        aanvraagprocedure voor opneming van een huisvestingsvoorziening in het
                        programma. Formeel is het evenwel een gescheiden traject, omdat de
                        vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin der wet géén
                        voorziening in de huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het
                        huisvestingsprogramma kan zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</vet></al><al> Dit artikel vormt de 'kapstok' op basis waarvan de vergoeding wordt
                        vastgesteld voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte
                        huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programma-vaststelling, de
                        spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van
                        de in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de
                        grondslag van de vergoeding gelegd. Hierbij zijn twee benaderingen denkbaar:
                        een normatieve en een feitelijke bepaling van de kosten die vergoed worden.
                        Ook hier is uit oogpunt van 'kenbaar bestuur' ervoor gekozen om voorafgaande
                        aan de indiening van en besluitvorming over aanvragen, duidelijk per
                        voorziening aan te geven welke benadering ten aanzien van de vergoeding
                        geldt. Bij de vaststelling van de verordening dient per voorziening de
                        afweging te worden gemaakt welke benadering van toepassing is. Deze afweging
                        dient niet alleen te worden gemaakt ten aanzien van de voorzieningen in de
                        huisvesting, maar voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding.
                        Dit vloeit ook voort uit het eerste lid van artikel 4 en uit artikel 25,
                        derde lid, onder h van de modelverordening. Bij de te maken afweging ligt
                        het voor de hand om in ieder geval voor niet of nauwelijks vooraf te
                        normeren kosten van bepaalde voorzieningen te kiezen voor een
                        vergoedingswijze die gebaseerd is op een individuele beoordeling van de
                        feitelijke kosten (de zgn. offertelijn). </al><al>Uitgaande van de voorzieningen waarvoor in bijlage IV, deel A, van de
                        modelverordening gezien de aard van de voorziening geen normvergoeding is
                        bepaald, is de offertelijn in ieder geval goed denkbaar bij de volgende
                        voorzieningen: </al><lijst><li nr="-"><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen; </al></li><li nr="-"><al>herstel van constructiefouten; </al></li><li nr="-"><al>herstel en vervanging in verband met schade; </al></li><li nr="-"><al>aanpassingen aan gebouwen; </al></li><li nr="-"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;
                            </al></li><li nr="-"><al>aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een
                                huisvestingsvoorziening; </al></li><li nr="-"><al>huur van bestaande andere, niet-onderwijsgebouwen </al></li><li nr="-"><al>kosten van bouwvoorbereiding; </al></li><li nr=""><al>medegebruik of nieuwbouw van een bad voor watergewenning of
                                bewegingstherapie in het (v)so. </al></li></lijst><al>Uiteraard kan op basis van de afweging op lokaal niveau een andere keuze
                        worden gemaakt, die verankerd dient te worden in artikel 4 opdat de
                        potentiële aanvragers vooraf op de hoogte zijn van welke lijn van toepassing
                        is op een voorziening (de genormeerde of feitelijke kostenlijn). Het
                        onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een
                        genormeerde benadering brengt met zich mee dat daarvoor door de gemeente in
                        bijlage IV, deel A, een genormeerde vergoeding moet worden vastgesteld. </al><al>Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de
                        offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste
                        huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente
                        toetst deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet
                        bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de
                        vaststelling van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele
                        uitvoering van de voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het
                        programma, kan de raming op basis van over te leggen offertes worden omgezet
                        in een definitieve vaststelling van de vergoeding die de gemeente ter
                        beschikking stelt van de aanvrager. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet.
                        Deze bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient
                        te verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate
                        uitvoering van de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie
                        bijvoorbeeld artikel 112 WPO). Ook hier is omwille van de duidelijkheid voor
                        zowel de schoolbesturen als de gemeente gekozen voor een zo concreet
                        mogelijke invulling van de inhoud van de informatieverstrekking in de
                        verordening. Artikel 5 omvat het informatieverkeer zoals dat zich voltrekt
                        tussen schoolbestuur en lokale overheid, ongeacht of er sprake is van een
                        verzoek om vergoeding van een huisvestingsvoorziening. De gemeente moet
                        immers over een adequaat en daarmee up-to-date bestand beschikken van
                        gegevens die relevant zijn voor de onderwijshuisvesting. Dit bestand vormt
                        vaak het vertrekpunt bij de beoordeling van de huisvestingswensen. </al><al>De leden 1 t/m 4 hebben betrekking op informatie die het schoolbestuur uit
                        eigen beweging dient te verstrekken aan burgemeester en wethouders. Het
                        vijfde lid ziet op een informatie-verplichting van een schoolbestuur op een
                        expliciet verzoek daartoe van burgemeester en wethouders. </al><al>Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere
                        terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken
                        informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de
                        gemeentelijke zorg voor de huisvesting. Verstrekking van informatie waarbij
                        een dergelijke functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te
                        blijven. </al><al>Zoals in het informatie-artikel is beschreven, valt de gegevensuitwisseling
                        te onderscheiden in basis- en periodieke gegevens. Basisgegevens betreffen
                        'basale' gegevens over het bevoegd gezag, over de school en over de
                        huisvestingssituatie van de school. De basisgegevens, die per 1 januari 1997
                        worden aangetroffen en verzameld, zullen bijvoorbeeld samen de input vormen
                        van de 'nulmeting' (zie ook bijlage III, deel A). De nulmeting is de basis
                        op grond waarvan de bestaande huisvestingssituatie in termen van aanwezige
                        capaciteit wordt vastgelegd. De basisgegevens zullen in de regel niet
                        frequent wijzigen. Bij wijziging dienen de veranderde gegevens, door het
                        bevoegd gezag wel gemeld te worden bij burgemeester en wethouders teneinde
                        het gegevensbestand up-to-date te houden. </al><al>Daarnaast worden de periodieke gegevens onderscheiden. De belangrijkste
                        hiervan is de jaarlijkse leerlingtelling, gezien de directe relatie tussen
                        het aantal leerlingen en de benodigde huisvestingscapaciteit. Omdat deze
                        telgegevens dermate belangrijk zijn voor de uitvoering van de
                        huisvestingstaken, is de verstrekking daarvan expliciet opgenomen in de
                        modelverordening. Met de jaarlijkse opgave van het aantal leerlingen worden
                        de 'telformulieren' bedoeld die de schoolbesturen op basis van het
                        bekostigingsbesluit WPO dienen te verstrekken aan de minister van OCenW. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Indiening aanvraag</vet></al><al/><al>(Indienings)termijnen</al><al/><al>In de algemene toelichting op de verordening is in paragraaf 2.2.6.3 de
                        procedure (koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan
                        ontleende tijdpad) uitgebreid beschreven. De in de verordening vermelde data
                        zijn zodanig gekozen, dat er voor de gemeente voldoende voorbereidingstijd
                        is om te komen tot een zorgvuldige vaststelling van het programma. Dit
                        behoeft allerminst uit te sluiten dat naar gelang de lokale situatie (zoals
                        de omvang van de gebouwenvoorraad en de hiermee samenhangende omvang van het
                        te verwachten aantal aanvragen, de mogelijke aanwezigheid van een meerjarige
                        planning en hieraan gekoppelde afspraken over de huisvesting en de
                        inrichting van de eigen organisatie) de voorbereidingstijd wordt bekort en
                        dus van een later tijdstip van indiening wordt uitgegaan (1 maart of 1
                        april). Een verlenging van deze periode door het vervroegen van de
                        indieningsdatum ligt minder voor de hand. Het tijdstip tussen indiening van
                        de aanvraag en de beslissing daarop wordt dan aan de lange kant. Daarmee zou
                        een belangrijk winstpunt ten opzichte van de procedures (OVH- en
                        IS-procedures) die golden vóór invoering van de decentralisatie, aan kracht
                        inboeten. Dit winstpunt heeft betrekking op het feit dat de procedures voor
                        de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen met ongeveer een jaar bekort
                        worden. In de modelverordening is een sanctie verbonden aan een te late
                        indiening van de aanvraag. Deze aanvraag wordt door burgemeester en
                        wethouders niet in behandeling genomen. Het buiten behandeling laten van de
                        aanvraag betekent dat de aanvraag niet door burgemeester en wethouders
                        verder wordt betrokken bij van de voorbereiding van het programma en het
                        overzicht en dus ook niet bij het uiteindelijke voorstel daarover aan de
                        raad. </al><al> Geen indiening aanvragen overzicht in het kader van meerjarig
                        huisvestingsbeleid (het zgn. 'consensusmodel')In artikel 6 is de
                        mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor het programma.
                        De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze mogelijkheid uitgaat.
                        De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van indiening van een
                        aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie die de wetgever
                        aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij de
                        parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: 'Het overzicht
                        [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de
                        gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van
                        door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar
                        kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld
                        het gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde
                        budget niet toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen
                        huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening
                        is. De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is
                        informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag
                        in een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld
                        als huisvestingsplan.' (TK 1995-1996, 24 455, nr.7). </al><al>Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of
                        instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen
                        kan 'dwingen' om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van
                        een meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal
                        niveau sprake is van een voortschrijdende meerjarige planning van
                        huisvestingsvoorzieningen, waarbij een koppeling is gelegd met de
                        gemeentelijke meerjarenbegroting. </al><al>Zo'n meerjarige planning kan gebaseerd zijn op: </al><lijst><li nr="-"><al>een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op
                                basis van prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in
                                leerlingstromen en voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen
                                e.d.); e</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend
                                in het vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de
                                meerjarenbegroting. </al></li></lijst><al/><al>Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs
                        een dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt,
                        in de vorm van 'integrale huisvestingsplannen' en plannen voor het meerjarig
                        onderhoud. Niet verwonderlijk omdat: </al><lijst><li nr="-"><al>het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert
                                (saneren van zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare
                                leegstand; capaciteit creëren of in stand houden op die locaties
                                waar de behoefte aanwezig is); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de
                                richting van het huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene
                                omstandigheden vormt het programma het (jaarlijkse) formele
                                sluitstuk van de bekostiging van voorzieningen die op zich reeds
                                enige tijd werden voorzien en waarmee rekening was gehouden. </al></li></lijst><al/><al>Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden
                        afgedwongen. Dit laat natuurlijk onverlet dat de gemeente een dergelijke
                        aanpak effectueert, indien daarover overeenstemming bestaat met de
                        schoolbesturen (al dan niet per onderwijssoort). In aanvulling op hetgeen
                        hierover al is opgemerkt in de algemene toelichting plaatst een dergelijk
                        'consensusmodel' de werking van de verordening in een ander daglicht. De
                        verordening met al zijn normen en criteria is dan meer iets dat de gemeente
                        achter de hand heeft in het geval het consensusmodel niet (meer) werkt. De
                        verordening verkrijgt hiermee meer een 'vangnetfunctie'. Daarnaast houdt de
                        verordening zijn formele functie voor wat betreft de uiteindelijke
                        toekenning van voorzieningen door middel van plaatsing op het programma. Het
                        gaat daarbij om het (jaarlijks) formaliseren van de in het kader van het
                        consensusmodel gemaakte afspraken, voor zover volgens deze afspraken de
                        voorzieningen in het betrokken jaar aan bod dienen te komen. Hiermee vindt
                        de uiteindelijke toekenning en bekostiging plaats met inachtneming van de
                        door de wetgever gestelde kaders. Het inhoudelijke zwaartepunt van het
                        lokaal gevoerde huisvestingsbeleid ligt echter vast in de afspraken over het
                        'integraal huisvestingsplan', die jaarlijks worden herijkt. De inhoud en
                        duur van de afspraken zal verschillen naargelang de lokale omstandigheden. </al><al>Er is van af gezien om in de modelverordening (facultatieve) bepalingen op
                        te nemen in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt
                        overeengekomen. Dit is gedaan vanuit de notie dat wanneer men
                        overeenstemming weet te bereiken over een dergelijke aanpak, inclusief
                        afspraken over de effectuering in het kader van de vaststelling van het
                        programma, men ook zelf invulling geeft aan de vormgeving van deze
                        afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze afspraken is het opnemen
                        van bepalingen in de verordening daarvoor niet de aangewezen weg. Daarbij
                        kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van dergelijke bepalingen,
                        indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op vrijwillige basis
                        gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele wettelijke kaders.
                        Aanvraagformulier Zeker in grotere gemeenten kan een gestandaardiseerde
                        wijze van indiening van aanvragen zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld
                        de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang
                        kan zijn wanneer men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot
                        prioritering. </al><al/><al><vet>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                            behandelen onvolledige aanvraag</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1 </onderstreept></vet>Dit lid bevat een opsomming
                        van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag moeten worden vermeld.
                        Wanneer gewerkt wordt met een aanvraagformulier, worden deze en de onder lid
                        2 opgenomen gegevens standaard opgenomen. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> In dit lid is een aantal
                        specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat, afhankelijk van de
                        voorziening die wordt aangevraagd, moet worden overgelegd. Allereerst
                        betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij iedere aangevraagde
                        voorziening moet worden ingediend. Hierop zijn in navolging op het beleid
                        dat van kracht was voor de decentralisatie, enkele uitzonderingen van
                        toepassing. Het betreft de aanvragen 'sec' voor de eerste aanschaf van
                        onderwijsleerpakket en meubilair, dat wil zeggen zonder dat er noodzaak is
                        om de capaciteit van de bestaande huisvesting uit te breiden, aanvragen voor
                        herstel van constructiefouten en herstel van schade wegens bijzondere
                        omstandigheden en aanvraag voor de huur van een sportterrein voor een school
                        voor voortgezet onderwijs. In de praktijk is het echter goed denkbaar dat in
                        bepaalde situaties de prognose-eis te zwaar is of geen reëel doel dient.
                        Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de aanvraag voor vervanging van de
                        dakbedekking van een (getalsmatig) gezonde, levensvatbare basisschool.
                        Overwogen kan worden hiervoor een aanvullende bepaling op te nemen in de
                        verordening waarbij burgemeester en wethouders de mogelijkheid hebben om op
                        verzoek van het schoolbestuur de prognose-eis te laten vallen, indien de
                        aard van de gevraagde voorziening daartoe aanleiding geeft. Aan de andere
                        kant is het ook denkbaar dat de gemeente in de verordening wel een
                        prognose-eis verbindt aan een voorziening die hiervan nu is uitgezonderd.
                        Hierbij kan worden gedacht aan de herbouw van een afgebrand schoolgebouw
                        (onderdeel van de voorziening herstel en vervanging in verband met schade).
                        Een prognose kan daarbij uitwijzen in hoeverre het noodzakelijk is de school
                        in haar oorspronkelijke omvang te herbouwen. </al><al>Overigens is het ook mogelijk de prognose-eis in zijn geheel te schrappen
                        uit het model, wanneer op lokaal niveau overeenstemming bestaat over de
                        toepassing en het resultaat (inclusief de jaarlijkse bijstelling) van een
                        prognosemethodiek. Eén instantie, bijvoorbeeld het onderdeel van het
                        gemeentelijk apparaat dat belast is met bevolkingsprognoses, is dan belast
                        met de operationalisatie van de methodiek. </al><al>Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het oog springend,
                        aanvullend gegeven. Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het
                        relevant is om bij de beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te
                        stellen of het gewenste onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is.
                        Ook ten aanzien hiervan wordt de praktijk van vóór 1 januari 1997
                        gecontinueerd. De bouwkundige rapportage dient een tweeledig doel: </al><lijst><li nr="a."><al>vaststelling van de noodzaak voor dat onderhoud; </al></li><li nr="b."><al>vaststelling van de mate van urgentie. </al></li></lijst><al/><al>De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van
                        het door burgemeester en wethouders vast te stellen formulier 'Bouwkundige
                        opname'. Bij de opzet van dit formulier is aangesloten bij een reeds door de
                        Rijksgebouwendienst ontwikkelde schouwmethode voor schoolgebouwen, zoals
                        deze voor de decentralisatie zowel in het primair als voortgezet onderwijs
                        werd toegepast. </al><al><vet><onderstreept>Lid 3-5</onderstreept></vet> Met de in deze leden
                        geformuleerde bepalingen wordt nader invulling gegeven aan het bepaalde in
                        artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om aanvullend gegevens aan te
                        leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid om als
                        bestuursorgaan (in casu burgemeester en wethouders) een aanvraag buiten
                        behandeling te laten in verband met onvoldoende verstrekte gegevens en
                        bescheiden. De Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in
                        acht moet nemen. Zo moet het besluit om de aanvraag niet te behandelen
                        binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of wanneer de termijn die
                        voor de aanvulling is gegeven ongebruikt verstreken is, aan de aanvrager
                        bekend gemaakt te worden. Terwille van de duidelijkheid voor de potentiële
                        aanvragers is ervoor gekozen om de concrete uitwerking van de Awb in dit
                        opzicht in de verordening op te nemen. Deze uitwerking komt er op neer dat
                        de duur van termijnen die burgemeester en wethouders kunnen hanteren in de
                        verordening is vastgelegd. De bevoegdheid die burgemeester en wethouders
                        wordt toegekend om incomplete aanvragen niet te behandelen, heeft als
                        praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder stadium kunnen
                        worden afgehandeld. De gemeenteraad hoeft zich in het kader van de
                        vaststelling van het programma alleen te buigen over de inhoud van volledige
                        aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete aanvragen bezig te
                        houden. Dit komt ook overeen met de huidige bestuurspraktijk. Géén
                        hardheidsclausule Er is van af gezien hier een hardheidsclausule op te
                        nemen, die het mogelijk maakt om in geval van overmacht aan de zijde van de
                        aanvrager af te wijken van de termijnen. Een gemeente kan zelf de afweging
                        maken of men een dergelijke clausule, die een zekere mate van vrijheid
                        toestaat bij het afwijken van de algemene regels, wenselijk vindt. Het
                        gevaar van een hardheidsclausule is dat er (relatief) vaak een beroep op
                        wordt gedaan. De behandeling vergroot de uitvoeringslast van het
                        bestuursorgaan en bekort bij toewijzing de beschikbare tijd voor de
                        (voorbereiding van de) besluitvorming. Daarnaast lijkt een hardheidsclausule
                        te veel van het goede tegen de achtergrond van de mogelijkheid om in
                        klemmende situaties een aanvraag met een spoedeisend karakter in te dienen.
                            </al><al><vet><onderstreept>Lid 4</onderstreept></vet> In enkele specifieke gevallen
                        is het noodzakelijk om het resultaat van de wettelijke teldatum van 1
                        oktober 'onverwijld' door te geven aan de gemeente. Dit omdat het resultaat
                        - en de daarmee samenhangende behoefte aan huisvesting(scapaciteit) - van
                        direct belang is voor de beoordeling van de noodzaak van een aangevraagde
                        voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen van de voorziening op het
                        programma. </al><al>In concreto betreft het hier aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de
                        huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo
                        zal bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het
                        schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee
                        samenhangende 'ruimtebeslag' op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De
                        noodzaak van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het
                        resultaat op de teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke
                        beoordeling door de raad, is de bepaling in het vierde lid opgenomen.
                        Evenals het geval is bij andere in de modelverordening opgenomen termijnen
                        is ook hier gekozen voor het werken met een fatale termijn. Daarbij is de
                        gemeenteraad - en niet burgemeester en wethouders - het bestuursorgaan dat
                        beslist om een aanvraag niet te behandelen wanneer de vereiste gegevens niet
                        of te laat worden verstrekt. Dit vanuit de gedachte dat in de meeste
                        gevallen het voorstel van burgemeester en wethouders over de vaststelling
                        van het programma als bedoeld in paragraaf 2.3 van de verordening, al ter
                        besluitvorming bij de raad ligt, dan wel de betrokken raadscommissie(s) zal
                        hebben gepasseerd. </al><al>Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt
                        geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening
                        wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de
                        leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde
                        lid). Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker
                        wanneer de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de
                        programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan
                        gehouden met deze mogelijkheid. </al><al><vet><onderstreept>Lid 5</onderstreept></vet> In het geval zoals omschreven
                        in het vierde lid beslist de gemeenteraad in het kader van het programma
                        over het buiten behandeling laten van de aanvraag. </al><al/><al><vet>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Dit artikel is een direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook
                        in procedureel opzicht het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet
                        te behandelen. De opgave van de ingediende aanvragen geeft alle bevoegde
                        gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen ligt, zowel vanuit het
                        bijzonder als vanuit het openbaar onderwijs. Er kunnen daarmee niet
                        naderhand nog aanvragen worden toegevoegd. Bij het vooroverleg over de
                        vaststelling van de verordening kan met de schoolbesturen worden afgesproken
                        om deze informatieverstrekking per onderwijssector (basis-, speciaal en
                        voortgezet onderwijs) te regelen. Zo zal een bestuur voor voortgezet
                        onderwijs niet altijd geïnteresseerd zijn in welke huisvestingswensen er
                        precies leven in het basisonderwijs. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1</onderstreept></vet> Deze bepaling is met name
                        opgenomen om de mogelijkheid een nadere toelichting/verduidelijking te
                        vragen of te geven over de op zich complete aanvragen in tijd bezien te
                        beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief verloop van de verdere
                        procedure op weg naar de vaststelling van het programma. Met deze bepaling
                        wordt bijvoorbeeld voorkomen dat het overleg als bedoeld in artikel 10
                        onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                        aanvragen. De datum van 1 mei is gekozen teneinde burgemeester en wethouders
                        voldoende ruimte te bieden voor het opstellen van een ontwerpvoorstel voor
                        het programma en het overzicht. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> Ten aanzien van een
                        voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding ingevolge artikel 4, derde
                        lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke kosten zal in eerste
                        aanleg worden gewerkt met een raming van de kosten. De bepaling in dit lid
                        regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en burgemeester en
                        wethouders indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door de
                        aanvrager overgelegde begroting. Burgemeester en wethouders kunnen na
                        toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de begroting op een of meer
                        onderdelen bijstelling behoeft. Uiteindelijk bepalen burgemeester en
                        wethouders de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al dan niet
                        bijgesteld, wordt voorgesteld in het kader van de vaststelling van het
                        gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende programma. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1-4</onderstreept></vet> Met deze leden wordt de in
                        de wet opgenomen verplichting ingevuld dat de gemeente niet dan na overleg
                        met het onderwijsveld overgaat tot de vaststelling van een
                        huisvestingsprogramma. Onder het overleg is ook vervat de hoorplicht
                        ingevolge de Awb van de aanvragers. Omdat de aanvrager bepaalt hoe hij
                        gehoord wil worden, moet gelegenheid worden gegeven om de standpunten ook
                        schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter van het overleg (met alle
                        bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die wel aan het overleg deelnemen
                        weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze daar eventueel op
                        kunnen reageren. </al><al>Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg dat voorafgaat aan de
                        vaststelling van de verordening na te gaan hoe dit overleg praktisch het
                        best kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten
                        die beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per
                        sector in te richten (primair en voortgezet onderwijs). Daarnaast kan worden
                        vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting
                        ingebed wordt in een mogelijk breder gestructureerde overlegvorm in het
                        kader van het lokaal onderwijsbeleid. </al><al><vet><onderstreept>Lid 5-9</onderstreept></vet> De wet bepaalt dat de
                        Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een bevoegd gezag de gemeente
                        daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit eigen beweging hiertoe
                        overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO). De Onderwijsraad brengt
                        binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt tegelijkertijd met het
                        programma bekend gemaakt. Op de advisering door de Onderwijsraad is van
                        toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is geregeld in de Awb. In
                        dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7
                        en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid de
                        gemeenteraad het programma vaststellen indien de Onderwijsraad het advies
                        niet binnen vier weken uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is de gemeente
                        gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de
                        Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer de raad
                        afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden ingevolge artikel 3:50
                        Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering. </al><al>In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de
                        Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de
                        vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de
                        vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op
                        de procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de
                        Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de
                        huisvestingsverordening (zie artikel 7 met de daarbij behorende toelichting
                        van de VNG-modelverordening procedure overleg huisvesting). Volgens de wet
                        is het de gemeenteraad die tijdens het overleg over het programma kan
                        besluiten 'uit eigen beweging' een verzoek om advies in te dienen bij de
                        Onderwijsraad. Op grond van het vijfde en het zevende lid delegeert de raad
                        dit aan burgemeester en wethouders. Dit sluit ook aan op de (voor de hand
                        liggende) keuze om ook het voeren van het overleg over het programma over te
                        laten aan burgemeester en wethouders. </al><al>In <vet><onderstreept>lid 6</onderstreept></vet> is bepaald dat alle
                        deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze
                        te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de
                        Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat is dat
                        duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen
                        om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                        uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om
                        de Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners
                        daaraan geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen
                        dienen schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                        oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal
                        willen betrekken. </al><al>Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle gevallen de
                        Onderwijsraad verzoekt om advies. In <vet><onderstreept>lid
                            7</onderstreept></vet> wordt tot uiting gebracht dat de raad - in
                        navolging van het bepaalde in lid 5 - dit overdraagt aan burgemeester en
                        wethouders. </al><al>Het is van belang dat het door burgemeester en wethouders ingediende verzoek
                        om advies goed gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die
                        relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad
                        stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken een
                        aanvang neemt vanaf het moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de
                        stukken die hij relevant acht voor de advisering. </al><al>Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                        gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                        vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd
                        gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de
                        Onderwijsraad wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in
                        artikel 11, lid 4 verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig
                        mogelijk tot de indiening van het advies over te gaan. Minstens zo
                        belangrijk is dat, zoals hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de
                        beschikking krijgt over alle relevante stukken. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1</onderstreept></vet> Hier wordt de mogelijkheid
                        geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen vast te stellen voor specifiek
                        gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden aan het treffen van bepaalde
                        huisvestingsvoorzieningen teneinde bepaalde onderwijsinhoudelijke
                        ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de integratie tussen het
                        basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs. Tevens kan een deel van
                        het budget worden geoormerkt voor de gerichte aanwending van middelen voor
                        de uitvoering van een meerjarige onderhoudsplanning van schoolgebouwen, die
                        op lokaal niveau is overeengekomen. Het afsplitsen van een bedrag voor een
                        specifieke categorie van voorzieningen kan een belangrijk instrument voor de
                        gemeente zijn om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van haar
                        zorgplicht voor een adequate onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument
                        effectief te kunnen inzetten is het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het
                        moment van de indiening van huisvestingsverzoeken hierover aan alle
                        schoolbesturen duidelijkheid te bieden. Dit kan door bijvoorbeeld in de
                        meerjarenbegroting voor bepaalde huisvestingsvoorzieningen een apart budget
                        op te nemen en daarbij te waarborgen dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten
                        tijde van de vaststelling van het programma. Een dergelijk deelbudget dient
                        in combinatie met de volgorde van de hoofd- en subprioriteiten zoals
                        opgenomen in bijlage V te worden bezien. Afhankelijk van de aard van de
                        prioriteit kan een wijziging in deze volgorde nodig zijn om te
                        bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden aangewend
                        voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de volgorde van
                        de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste intensivering van
                        bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de beschikbare
                        middelen ingevolge de niet-aangepaste volgorde van urgentiecriteria moeten
                        worden aangewend voor andere voorzieningen. </al><al>Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in
                        het verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een
                        adequate huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de
                        reguliere noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en onderhoud niet
                        onmogelijk maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit
                        voortvloeiende deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de
                        prioriteiten altijd in en na overleg met de schoolbesturen moeten worden
                        aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een voorgenomen wijziging in de
                        urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een wijziging van de
                        verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf moet gaan met
                        de schoolbesturen. </al><al><vet><onderstreept>Leden 2 en 3</onderstreept></vet> Uitgangspunt van de
                        modelverordening is de koppeling aan de begrotingscyclus. Dat leidt ertoe
                        dat gelijktijdig met de begroting ook het programma en het daaruit
                        voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter bescherming van de
                        aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende kalenderjaar gesteld. </al><al>Het spreekt voor zich dat de gemeenteraad geen programma hoeft vast te
                        stellen, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een
                        aanvraag is ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld
                        artikel 97 WPO). Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat
                        de vaststelling van een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle
                        aanvragen worden geplaatst op het programma of wanneer er geen aanvragen
                        zijn ingediend - en er dus ook geen kunnen worden afgewezen.
                            </al><al><vet><onderstreept>Lid 4</onderstreept></vet> Overschrijding van de uiterste
                        datum van de programmavaststelling leidt er automatisch toe dat alle
                        aangevraagde voorzieningen voor vergoeding in aanmerking moeten worden
                        gebracht, net zoals dat bij de minister van OCenW het geval was. Om
                        praktische redenen is ervoor gekozen om ook te vermelden dat het
                        bijbehorende (norm)bedrag beschikbaar wordt gesteld; de aanvrager weet dan
                        waar hij aan toe is. Wel moet in zo'n geval nog overleg over de wijze van
                        uitvoering plaatsvinden en moet geregeld worden dat voor een bepaalde datum
                        een bouwopdracht etc. moet zijn verleend. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Inhoud programma</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1</onderstreept></vet> In dit lid, dat een belangrijk
                        onderdeel van de verordening betreft, namelijk de inhoud van het
                        huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid tot uitdrukking dat de
                        raad het programma vaststelt als resultante van de toetsing aan de in de wet
                        limitatief omschreven weigeringsgronden (zie bijvoorbeeld artikel 95, derde
                        lid WPO). Een deel van deze weigeringsgronden wordt voor wat betreft hun
                        feitelijke toepassing geoperationaliseerd via de nadere regels die de raad
                        stelt op de onderdelen, genoemd in de tweede volzin. </al><al>Zo zijn de 'beoordelingscriteria' een nadere invulling van de toets of de
                        aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening
                        betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening. De criteria voor de
                        prognose operationaliseren de wettelijke weigeringsgrond 'dat de gewenste
                        voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten
                        ontwikkeling van het aantal leerlingen ...' De regels over de oppervlakte en
                        indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde ten aanzien van de
                        weigeringsgrond '... dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op
                        grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover de school reeds
                        beschikt'. </al><al>De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de
                        modelverordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen.
                        Artikel 12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het
                        geval is, de kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde
                        elementen in de bijlagen. De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd,
                        omdat deze - in tegenstelling tot de andere regels in het eerste lid - niet
                        noodzakelijk bij de programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De
                        urgentiecriteria komen pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan
                        waarvoor er budget beschikbaar is. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> De gemeente en schoolbesturen
                        kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen op het programma op te nemen
                        die volgens de criteria over de urgentie (bijlage V) daar strikt genomen
                        niet voor in aanmerking zouden komen. Indien daarover consensus bestaat
                        (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk overleg over het
                        concept-programma als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de verordening),
                        kunnen burgemeester en wethouders hiermee rekening houden bij het formuleren
                        van hun huis-vestingsprogramma dat wordt voorgelegd aan de gemeenteraad. Dit
                        artikel biedt de raad de mogelijkheid om af te wijken van de criteria zoals
                        geformuleerd in bijlage V. </al><al>Hoewel het bestuurlijk overleg over het concept-programma geen 'op
                        overeenstemming gericht overleg' betreft, is de praktijk binnen veel
                        gemeenten dat het overleg wel als zodanig wordt gevoerd en beleefd. Net als
                        bij de VNG-modelverordening Overleg lokaal onderwijsbeleid is er van
                        afgezien om een regeling te treffen voor het stemmen over een alternatieve
                        urgentievolgorde. Beoogd wordt te komen tot een gezamenlijk gedragen
                        voorstel. Finale besluitvorming over de daadwerkelijke urgentievolgorde
                        vindt niet plaats tijdens het overleg. Uiteindelijk beslist de raad of hij
                        wel of niet wenst af te wijken van de systematiek en criteria van bijlage V.
                        Het gaat om een kan-bepaling. </al><al><vet><onderstreept>Lid 3</onderstreept></vet> De zinsnede 'voor zover van
                        toepassing' kan ook op de vergoeding betrekking hebben. Zo zijn er
                        voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is om een bedrag beschikbaar
                        te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik in een
                        (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven
                        plaats te vinden. </al><al>Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan
                        daaruit niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in
                        aanmerking komt, maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond
                        ingebruikneming of buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van
                        een hoofdgebouw gaat gepaard met het afstoten van een dislocatie. </al><al>Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op
                        normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de
                        opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te
                        worden gerealiseerd. </al><al>Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk vergoeding
                        gebaseerd is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke
                        raming is uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden
                        gehanteerd bij de vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de
                        hand van door de aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen
                        offertes. </al><al/><al><vet>Artikel 13 Inhoud overzicht</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1</onderstreept></vet> Een verwijzing naar artikel
                        12, eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing van de daar genoemde
                        criteria blijkt of een aangevraagde voorziening op het programma dan wel op
                        het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde voorzieningen die geen
                        voorzieningen zijn in de zin van artikel 2 van de verordening komen op het
                        overzicht te staan. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> Deze bepaling is een direct
                        uitvloeisel van het motiveringsbeginsel. </al><al/><al><vet>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                            overzicht</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1 </onderstreept></vet>Volgens de toelichting op de
                        wet moeten het programma en het overzicht worden opgevat als een bundel van
                        beschikkingen. Deze beschikkingen moeten uiteraard ter kennis van de
                        aanvragers worden gebracht. De termijn van twee weken is gekozen, omdat de
                        wet bepaalt dat binnen vier weken na vaststelling van het programma overleg
                        over de uitvoering plaatsvindt met burgemeester en wethouders. Ingevolge
                        artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit mededeling toe doen aan
                        degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben
                        gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld voorafgaande aan
                        de vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het besluit aan
                        alle schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het
                        betrokken schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren
                        heeft gebracht. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> De wet bepaalt alleen iets
                        over de terinzagelegging van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen
                        bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand het totaal ter inzage
                        te leggen. </al><al/><al><vet>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1 </onderstreept></vet>Dit artikel geeft een nadere
                        invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg over de wijze van
                        uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de aanvrager en burgemeester
                        een aantal praktische afspraken maken over aspecten die samenhangen met de
                        realisering van de toegekende voorziening. Met dergelijke afspraken kunnen
                        onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject worden
                        voorkomen. In ieder geval zal hierbij volstrekt duidelijk moeten zijn wie
                        als bouwheer optreedt. De wet gaat er weliswaar vanuit dat het bevoegd gezag
                        optreedt als bouwheer, maar biedt de mogelijkheid dat het bevoegd gezag en
                        burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente de voorziening tot
                        stand brengt. Het moet duidelijk vaststaan of al dan niet gebruik wordt
                        gemaakt van deze mogelijkheid. De termijn van vier weken waarbinnen
                        burgemeester en wethouders met het betrokken schoolbestuur in overleg treden
                        over de uitvoering vloeit direct voort uit de wetgeving (artikel 95, lid 8
                        WPO; artikel 93, lid 8 WEC en artikelen 76, lid 8 en 210, lid 8 WVO). </al><al>De passage 'voor zover van toepassing' is opgenomen om niet alle voorkomende
                        varianten op het bouwheerschap en de eigendomssituatie te hoeven
                        beschrijven. Daarnaast is het bijvoorbeeld denkbaar dat geen nadere
                        afspraken behoeven te worden gemaakt over het tijdstip van indiening van het
                        bouwplan en de desbetreffende begroting, eenvoudigweg omdat burgemeester en
                        wethouders in het kader van artikel 16, vierde lid hebben besloten dat dit
                        achterwege kan blijven. Hetzelfde kan gelden voor de uitvoering van de toets
                        of zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. </al><al>In het kader van de controle en het afleggen van verantwoording over de
                        besteding van de middelen kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de
                        wijze en momenten waarop burgemeester en wethouders geïnformeerd worden over
                        de voortgang van de uitvoering van de voorziening, alsmede over de wijze
                        waarop de finale verantwoording wordt afgelegd. Daarbij kan - zeker bij
                        omvangrijke projecten - ook aan de orde zijn dat dit gepaard gaat met een
                        accountantsverklaring. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> Wanneer de vergoeding van de
                        uitvoering van de voorziening gebaseerd is op de feitelijke kosten wordt in
                        aanvulling op de afspraken die voortvloeien uit het bepaalde in lid 1, ook
                        expliciet in het overleg aan de orde gesteld op welke wijze de aanvrager het
                        werk wil gaan aanbesteden en wanneer de gemeente zicht krijgt op de offertes
                        die op de aanbesteding worden uitgebracht (zie ook toelichting bij artikel
                        4). Bij de aanbesteding van het werk dient de aanvrager, voor zo ver dit
                        gezien de aard van de voorziening nodig is, ingevolge het bepaalde in
                        bijlage IV, deel B richtlijnen in acht te nemen. Overigens kan de aanvrager
                        eerst tot aanbesteding overgaan wanneer burgemeester en wethouders hebben
                        ingestemd met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders eveneens gezien de aard van de voorziening niet
                        vereist is (zie ook artikel 16, lid 4). </al><al><vet><onderstreept>Lid 3</onderstreept></vet> Om te voorkomen dat in een
                        later stadium misverstanden rijzen over de afspraken over de uitvoering is
                        bepaald dat deze schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de
                        aanvrager worden voorgelegd. Indien de aanvrager zijn instemming
                        schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er
                        overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering. Mocht de aanvrager
                        niet instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk meestal nader overleg
                        plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het
                        niet eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dat wordt
                        dit ook schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd.
                            </al><al><vet><onderstreept>Lid 4</onderstreept></vet> Hierin is bepaald dat
                        burgemeester en wethouders, in geval in het overleg is medegedeeld dat de
                        indiening van een bouwplan en begroting achterwege kan blijven en/of er geen
                        nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden
                        hoeft plaats te vinden (zie artikel 16, vierde lid), binnen vier weken nadat
                        het overleg tot overeenstemming heeft geleid, de aanvrager uitsluitsel geven
                        wanneer de bekostiging een aanvang neemt. Het zal daarbij in de regel
                        voorzieningen betreffen waarvoor in een eerder stadium al een offerte is
                        overgelegd, die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan
                        bijvoorbeeld worden gedacht aan de vervanging van de dakbedekking van een
                        basisschool (onderdeel van de huisvestingsvoorziening onderhoud).
                            </al><al><vet><onderstreept>Lid 5</onderstreept></vet> Wanneer uit het ingevolge het
                        derde lid vastgestelde verslag blijkt het overleg over de wijze van
                        uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in een overeenstemming tussen
                        aanvrager en burgemeester en wethouders, dan zijn burgemeester en wethouders
                        als bestuursorgaan de instantie die dit constateert en meedeelt aan het
                        bevoegd gezag. Hierbij deelt het college mee wat de overwegingen zijn om
                        niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste uitvoering. Deze
                        mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor
                        aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat. </al><al/><al><vet>Artikel 16 Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                            bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                            omstandigheden; overlegging offertes</vet></al><al>Dit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de
                        wettelijke bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een
                        vergoeding van een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als
                        bouwheer optreedt, een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter
                        goedkeuring moet indienen bij burgemeester en wethouders (zie bijvoorbeeld
                        artikel 103 WPO). Tevens geeft de aanvrager daarbij aan op welk moment de
                        bekostiging een aanvang dient te nemen. </al><al>Indien in het overleg over de uitvoering (zie artikel 15) in afwijking van
                        het uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken
                        dat de gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het
                        eerste lid uiteraard niet van toepassing. De aanvrager moet alleen een
                        begroting bij het bouwplan in te dienen wanneer het een voorziening betreft
                        waarvoor de vergoeding op basis van de genormeerde benadering (bijlage IV,
                        deel A) is vastgesteld. Deze begroting zal marginaal getoetst worden zolang
                        de geraamde kosten de genormeerde vergoeding niet overschrijden. </al><al>Met het oog op een goede voortgang van de uitvoering en de duidelijkheid
                        richting aanvrager is in het tweede lid voorzien in een fatale termijn
                        (maximaal beslaat deze termijn negen weken) waarbinnen de gemeente het
                        bouwplan en de begroting moet hebben goedgekeurd. Bij goedkeuring van het
                        bouwplan en begroting stellen burgemeester en wethouders ook het tijdstip
                        vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt uitvoering
                        gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast te stellen
                        (zie bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO). Wanneer de fatale termijn
                        door burgemeester en wethouders wordt overschreden dan wordt het bouwplan en
                        de begroting geacht te zijn goedgekeurd en dient de bekostiging aan te
                        vangen op het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. </al><al>Het bepaalde in het derde lid markeert in de procedure rond de uitvoering
                        van het programma het moment waarop wordt bezien of er zich na vaststelling
                        van het programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het
                        rechtvaardigen om de aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier
                        een nadere invulling van wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld
                        artikel 101 WPO in samenhang met artikel 99, eerste lid WPO). Het moment is
                        zodanig gekozen dat door de aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn
                        gezet, zoals bijvoorbeeld het verlenen van een bouwopdracht. </al><al>De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van aanvragen
                        waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke
                        kosten bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen
                        sprake van een begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De begroting
                        is namelijk al bij de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft toen
                        alleen de functie gehad om te komen tot een bedrag ten behoeve van de
                        vaststelling van het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die
                        volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van
                        de begroting. </al><al/><al><vet>Artikel 17 Aanvang bekostiging</vet></al><al>Dit artikel is de uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in
                        bijvoorbeeld artikel 102, vierde lid WPO. Er is gekozen voor een globale
                        regeling waarin ruimte is voor variatie naargelang de concrete
                        omstandigheden. De opdracht aan de raad in genoemde artikel van de WPO wordt
                        gedelegeerd aan burgemeester en wethouders. Door de bepaling op te nemen dat
                        de aanvrager altijd aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen,
                        is de bescherming van de aanvrager gewaarborgd. </al><al/><al><vet>Artikel 18 Vervallen aanspraak op vergoeding</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1</onderstreept></vet> De data van 1 en 15 oktober
                        zijn gekozen met het oog op de vaststelling van de volgende
                        gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten of een
                        toegekende voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar betaald moet
                        worden. De bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht binnen
                        twee weken berust niet op de wet. Het is echter van belang om een dergelijke
                        bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting van de
                        aanvrager kan ondernemen. De term 'door de aanvrager' is opgenomen om
                        duidelijk te maken dat, indien de gemeente optreedt als bouwheer en de
                        termijn wordt overschreden, er geen sprake is van het vervallen van het
                        recht op een vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht op een
                        voorziening. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> Deze hardheidsclausule is, in
                        aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het denkbaar is dat, bijvoorbeeld
                        door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn buiten de schuld van de
                        aanvrager wordt overschreden. </al><al><vet><onderstreept>Lid 3</onderstreept></vet> De datum van 15 september is
                        gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van het verzoek kan proberen voor 1
                        oktober alsnog een bouwopdracht etc. te geven. </al><al/><al><vet>Artikelen 19-24 Spoedprocedure</vet></al><al>In dit hoofdstuk van de modelverordening zijn nadere regels opgenomen over
                        de indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze
                        aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn
                        daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen
                        dus het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op
                        grond hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort
                        'ontsnappingsroute' kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou
                        kunnen worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimd tijdig - op grond
                        van artikel 6 van de modelverordening - een aanvraag in te dienen voor het
                        programma of wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens
                        toepassing van de financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een
                        bevoegd gezag in de verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de
                        spoedprocedure, omdat de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet
                        kan worden gehanteerd door de gemeente. Een andere optie is dat een bevoegd
                        gezag op 'twee paarden wedt', namelijk: voor dezelfde voorziening een
                        aanvraag indient voor de opneming in het programma én een aanvraag indient
                        in het kader van de spoedprocedure. Al deze procedurele opties lopen echter
                        bij toepassing van de modelverordening spaak, omdat het uiteindelijk gaat om
                        de inhoud van de aanvraag. Onomstotelijk moet blijken dat het bij een
                        aanvraag met een spoedeisend karakter gaat om een calamiteit in de ware zins
                        des woords. Een calamiteit die onvoorzienbaar was en volgens de wetgever
                        zodanig moet zijn dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan
                        lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Het
                        meest voor de hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van een
                        schoolgebouw, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere
                        accommodatie moet doorgaan. </al><al>Toepassing van de modelverordening leidt er toe dat in vergelijking met de
                        situatie van voor de decentralisatie, het moment tussen indiening van een
                        reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader van het programma,
                        aanzienlijk wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de
                        aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate
                        wijze kan worden afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden
                        scoren bij de toepassing van de urgentiesystematiek, maar waarvan op moment
                        van indiening en op het moment van programmavaststelling (nog) niet kan
                        worden gesproken over de noodzaak om onverwijld de voorziening te treffen
                        omdat anders het onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden
                        verwacht dat de aanvragen die in het kader van de spoedprocedure worden
                        ingediend ook écht spoedeisend zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de
                        toepassing, maar zeker ook de toewijzing in het kader van de spoedprocedure,
                        eerder uitzondering dan regel zal zijn. </al><al>Met het oog op de wenselijkheid van een snelle beslissing was in eerste
                        instantie in de modelverordening de beslissingsbevoegdheid over de
                        spoedeisende aanvragen door de raad gedelegeerd aan burgemeester en
                        wethouders. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
                        State van 6 juli 2001 (nr. 200003494/1) luidt echter dat het college van
                        burgemeester en wethouders niet bevoegd is te beslissen op een spoedaanvraag
                        van een schoolbestuur, dit is een exclusieve taak van de gemeenteraad. In de
                        gewijzigde bepalingen over de procedure rondom aanvragen met een spoedeisend
                        karakter wordt aangesloten bij de bepalingen in de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb). Dit komt erop neer dat een aanvraag nog steeds bij het
                        college van burgemeester en wethouders kan worden ingediend (artikel 19),
                        maar dat de gemeenteraad binnen een redelijke termijn (artikel 4:13 Awb) een
                        beschikking dient af te geven. Indien een beschikking niet binnen een
                        redelijke termijn kan worden gegeven, stelt de gemeenteraad de aanvrager
                        daarvan in kennis en wordt een redelijke termijn genoemd waarbinnen hij de
                        beschikking wel tegemoet kan zien (art. 4:14 Awb). </al><al/><al><vet>Artikel 19 Indiening aanvraag</vet></al><al>Alhoewel de beslissingsbevoegdheid bij de raad ligt, worden burgemeester en
                        wethouders belast met de voorbereiding en uitvoering van de beslissing. Om
                        deze reden wordt de aanvraag ingediend bij burgemeester en wethouders. Uit
                        de Awb volgt dat alleen het orgaan dat beslissingsbevoegd is een formulier
                        kan vaststellen. Deze taak ligt derhalve bij de raad. </al><al/><al><vet>Artikel 20 Inhoud aanvraag</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1 </onderstreept></vet>In aanvulling op de
                        basisgegevens die zouden moeten worden overgelegd indien het om een
                        reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook duidelijk het
                        spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen
                        voortgang kan vinden) te worden toegelicht. Evenals bij een aanvraag voor
                        het programma het geval is, kan ook bij de aanvragen voor spoedeisende
                        voorzieningen een keuze worden gemaakt ten aanzien van welke gewenste
                        voorzieningen in de huisvesting een prognose wel of niet vereist is.
                        Harmonisatie met de in dit verband in artikel 7, tweede lid, onder a van de
                        modelverordening gemaakte keuze ten aanzien van de prognoses is daarbij
                        vanzelfsprekend. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2 </onderstreept></vet>De termijnen voor het
                        aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust kort gehouden. Dit is
                        gerechtvaardigd, omdat het tenslotte gaat om het treffen van een voorziening
                        die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de school, is
                        gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming. </al><al/><al><vet>Artikel 21 Tijdstip beslissingen</vet></al><al>Uit de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
                        Raad van State blijkt dat de beslissingsbevoegdheid een exclusieve taak van
                        de gemeenteraad is. De vroegere termijnen die voor burgemeester en
                        wethouders golden, zijn echter niet haalbaar voor de raad. Er is derhalve
                        aangesloten bij de termijnen zoals de Awb deze geeft, met dien verstande dat
                        gekozen is voor een invulling van de redelijke termijn, te weten twaalf
                        weken. Indien de raad niet in de gelegenheid is binnen deze termijn te
                        beslissen op de aanvraag, stelt zij de aanvrager hiervan op de hoogte en
                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen wel een beschikking tegemoet
                        kan worden gezien. </al><al>Het volgen van de Awb brengt met zich mee dat het niet op tijd beschikken
                        niet meer betekent dat de aanvraag van rechtswege geacht wordt te zijn
                        toegekend. De Awb gaat er vanuit dat wanneer er niet tijdig wordt beschikt,
                        de aanvraag geacht wordt niet te zijn toegekend. </al><al/><al><vet>Artikel 22 - 24 Inhoud en uitvoering beschikking; vervallen aanspraak
                            vergoeding</vet></al><al>Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met
                        een spoedeisend karakter is, afgezien van de afwijkende termijnen, de lijn
                        gevolgd die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van
                        programma en overzicht. </al><al>Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet opgenomen
                        weigeringsgronden (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de toetsingscriteria
                        worden toegepast overeenkomstig de bijlagen van de verordening. Extra
                        dimensie die ten opzichte van de 'reguliere lijn' aan deze toetsing wordt
                        toegevoegd is het element van de spoedeisendheid: het treffen van de
                        voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de voortgang van het
                        onderwijs. Tevens komt in de modelverordening tot uiting dat de raad niet de
                        financiële weigeringsgrond kunnen hanteren. Dit komt tot uiting doordat de
                        urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten beschouwing blijven. </al><al>Artikel 98 WPO legt de beslissingsbevoegdheid exclusief neer bij de raad.
                        Deze taak kan niet worden gedelegeerd aan burgemeester en wethouders.
                        Mandateren behoort niet tot de mogelijkheden. Ook het vormen van een 'potje'
                        voor aanvragen met een spoedeisend karakter waarover burgemeester en
                        wethouders kunnen beschikken, is niet mogelijk. Op deze wijze wordt immers
                        toch door burgemeester en wethouders een beslissing genomen of de aanvrager
                        aanspraak kan maken op dit 'potje'. Deze afweging gaat buiten de competentie
                        van burgemeester en wethouders omdat dit een exclusieve taak van de raad is.
                        De raad geeft bij de beschikking aan voor welke datum een bouwopdracht moet
                        zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn
                        gesloten, dit is geen onderwerp meer van het gesprek dat burgemeester en
                        wethouders voeren over de uitvoering van de toegekende aanvraag. Wel doen
                        burgemeester en wethouders er verstandig aan bij de voorbereiding van de
                        aanvraag met de aanvrager te spreken over een af te spreken datum,
                        uiteindelijk is het echter de raad die deze datum vaststelt. </al><al/><al><vet>Artikelen 25-28 Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</vet></al><al> Gemeenten die geen mogelijkheid willen bieden voor het aanvragen en daarmee
                        toekennen van vergoedingen voor de kosten van de bouwvoorbereiding, kunnen
                        bij de vaststelling van de verordening de artikelen 3 en 25 t/m 28
                        achterwege laten. Met nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding
                        van de kosten van bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag
                        voor plaatsing op het programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg
                        te plaveien naar de indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal
                        daarbij in de regel gaan om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk
                        moeten worden gekwalificeerd en die zich al enkele jaren van tevoren
                        aankondigen (de nieuwbouw van een school is daarbij het meest voor de hand
                        liggende voorbeeld). Met behulp van een bouwvoorbereidingskrediet kunnen de
                        aanvragen voor het programma goed worden voorbereid. Dit heeft als voordeel
                        dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde aanvragen verschijnen op het
                        programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling van het programma ter
                        hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de zekerheid dat in het jaar
                        waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook de besteding zal
                        plaatsvinden. </al><al>Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van
                        salariskosten, die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject.
                        Onder voorbereiding worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van
                        aanbesteding. Het kan daarbij gaan om kosten van: </al><lijst><li nr="-"><al>architect; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>adviseur constructie; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>adviseur werktuigbouwkundige installatie; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>adviseur electrotechnische installatie. </al></li></lijst><al/><al>In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te
                        schakelen voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement,
                        de kostenbeheersing of de bouwfysica. Inschakeling van laatstgenoemde
                        adviseurs kan een beperking inhouden van de werkzaamheden van de architect
                        en de eerstgenoemde overige adviseurs. In het algemeen wordt de opdracht aan
                        de architect geregeld met toepassing van de standaardvoorwaarden 1988
                        Rechtsverhouding opdrachtgever-architect, opgesteld door de BNA (SR 1988).
                        In de Leidraad 1994 blijvende voorzieningen in de huisvesting voor scholen
                        VO en BVE, een gezamenlijke uitgave van de ministeries van OCenW en VROM
                        (ISBN 90 346 2885 X), zijn in bijlage 8 nadere aanwijzingen gegeven omtrent
                        de opdrachtverlening aan architect en adviseurs. </al><al>De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de
                        huisvesting, omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een
                        vergoeding voor bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te
                        blijven. Het bedrag voor het programma is immers bestemd voor
                        huisvestingsvoorzieningen zoals bedoeld in de wet. Als een zodanige
                        voorziening niet wordt toegekend omdat het bedrag niet voldoende is, en er
                        wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding toegekend (het kan daarbij om
                        aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de aanvrager die wordt afgewezen in
                        beroep een gerede kans op succes. Het bedrag voor bouwvoorbereiding dient
                        dus als apart bedrag te worden opgenomen. </al><al>Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de
                        gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                        bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding
                        in procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze
                        benadering is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de modelverordening. Dit
                        betekent ook dat de raad het orgaan is dat beslist over het inwilligen van
                        dergelijke verzoeken. </al><al>Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening
                        betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt
                        voorbereid per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder
                        een dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de
                        toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid
                        met de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook
                        dat wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van
                        de huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de
                        genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht. Dit gebeurt omdat in de
                        normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in
                        bijlage IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen. </al><al>De mogelijkheid om een bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere
                        concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid dat de raad een
                        vergoeding voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de
                        beslissing op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria aangeduid,
                        omwille van kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27). Daarbij
                        is voorzien in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich
                        dat de noodzaak van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd
                        aanwezig moet zijn. Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en
                        effectieve besteding van eventueel toe te kennen gelden voor de
                        bouwvoorbereiding, een duidelijk perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer
                        de plannen zijn uitgewerkt, moet er ook binnen afzienbare termijn
                        daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt. </al><al>Dit is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het
                        beoogde jaar de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële
                        inschatting door de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog
                        vast te stellen programma kan worden geplaatst. Het verstrekken van een
                        bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is
                        weinig zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en vervolgens bij de
                        daarop volgende - met behulp van het krediet voorbereide - aanvraag voor
                        plaatsing op het programma te moeten constateren dat de financiële ruimte
                        niet aanwezig is voor de realisering van de voorziening. Iets dat zich
                        natuurlijk altijd kan voordoen in geval van onvoorziene tegenvallers op de
                        gemeentebegroting. </al><al/><al><vet>Artikelen 29-36 Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO geven de opdracht aan de
                        gemeenteraad om in de huisvestingsverordening een procedure voor het
                        medegebruik en de verhuur van onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het
                        medegebruik betreft houdt de opdracht in feite in het vastleggen van de
                        wijze waarop burgemeester en wethouders met het recht tot het vorderen van
                        leegstaande ruimten omgaan. Dit vorderingsrecht kan betrekking hebben op
                        medegebruik ten behoeve van onderwijs en educatie, maar ook ten behoeve van
                        culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Met nadruk zij gemeld
                        dat het gaat om delen van gebouwen die leegstaan. Indien het gaat om een
                        gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is artikel 37, Einde gebruik
                        gebouwen, van toepassing. Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen
                        kan betrekking hebben op zowel het gebruik tijdens als na de schooltijden.
                        Dit geldt ook voor sportterreinen die in eigendom zijn van een schoolbestuur
                        voor voortgezet onderwijs. </al><al>Het vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve van ander
                        gebruik dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor sportverenigingen). Het
                        recht van de gemeente om leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt
                        zich uit over de wel en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen.
                        Het sluitstuk van de procedure - het vorderen - vindt echter niet plaats als
                        het leegstand betreft in een gebouw van een school die de gemeente zelf in
                        stand houdt. Dat neemt niet weg dat de criteria die in deze artikelen worden
                        geformuleerd uiteraard ook gelden voor gebouwen van scholen die door de
                        gemeente in stand worden gehouden. </al><al>Er is gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten
                        behoeve van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten.
                        Voor medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van burgemeester en
                        wethouders verlangd worden dat in het overleg met het bevoegd gezag
                        expliciet, en ten aanzien van met name aangeduide onderwerpen, de
                        gelegenheid wordt geboden om eventuele wensen aangaande het medegebruik te
                        uiten, mede gelet op de vrijheid van richting en inrichting. Uiteraard
                        bestaat die gelegenheid ook in het overleg over het onderwijsmedegebruik.
                        Aangezien het dan echter altijd gaat om gebruik dat overeenkomt met de
                        bestemming van het gebouw, zal het overleg daarover meer een praktisch dan
                        een principieel karakter kunnen hebben. </al><al>De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd
                        gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is gedaan.
                        Dat kan een aanvraag om medegebruik zijn, maar het kan ook een andere
                        aanvraag zijn die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik
                        wordt voorzien. Voorbeeld: er komt een aanvraag binnen om de uitbreiding van
                        een basisschool op het programma te plaatsen. De bepalingen van artikel 12
                        (regels voor de vaststelling van het programma) zijn van toepassing op die
                        aanvraag. In artikel 12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die
                        bijlage is gesteld dat de uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen
                        2.000 meter hemelsbreed sprake is van leegstand waar medegebruik kan
                        plaatsvinden. Binnen die afstand blijkt geschikte leegstand aanwezig te
                        zijn, hetgeen wordt geconstateerd aan de hand van artikel 30 (omschrijving
                        leegstand). Tevens wordt geconstateerd dat de situatie als bedoeld in
                        artikel 31, lid 1 (de leegstand is al door het bevoegd gezag in medegebruik
                        gegeven aan een andere school) zich niet voordoet. Die constatering kan
                        plaatsvinden aan de hand van de gemeentelijke gegevensadministratie; op
                        grond van artikel 5 moet een bevoegd gezag immers melden dat er sprake is
                        van medegebruik. Burgemeester en wethouders delen in het overleg als bedoeld
                        in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij voornemens zijn
                        de raad voor te stellen om de wettelijke weigeringsgrond genoemd in artikel
                        100, lid 1d WPO toe te passen (de aanvraag wordt geweigerd als er door
                        middel van medegebruik in de huisvestingsbehoefte kan worden voorzien). Over
                        dat voornemen wordt op grond van artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd
                        gezag dat de aanvraag heeft ingediend en met het bevoegd gezag waarvan
                        leegstand gevorderd zal worden. Dat overleg maakt deel uit van het overleg
                        over het programma als bedoeld in artikel 10. Er wordt voorzien in de
                        aanvraag door toepassing te geven aan artikel 31 (volgorde van vorderen) en
                        32 (overleg en mededeling). De beschikking voor het bevoegd gezag dat de
                        uitbreiding heeft aangevraagd (onderdeel van het programma) luidt als volgt:
                        de aanvraag wordt afgewezen en in plaats daarvan wordt medegebruik in gebouw
                        [.....] toegekend. Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt krijgt op grond
                        van artikel 32 een vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is
                        aangegeven dat er tegen de vordering geen bezwaar bestaat. </al><al>Wat de verhuur betreft kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de
                        wet regelt immers uitputtend wanneer wel en niet sprake kan zijn van
                        verhuur. </al><al/><al><vet>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</vet></al><al>In dit artikel is aangegeven dat er, alvorens burgemeester en wethouders
                        kunnen overgaan tot vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op
                        grond van artikel 6 of 19) om een huisvestingsvoorziening voor een school,
                        en dat er bij die school ook een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. Lid
                        1b ziet op de situatie dat er bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke
                        onderhouds- of aanpassingsbehoefte, terwijl medegebruik daarvoor een
                        alternatief vormt. De leden 1d en e regelen dat er sprake dient te zijn van
                        leegstand</al><al/><al><vet>Artikel 30 Omschrijving leegstand</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1<sup>a</sup></onderstreept></vet> Voor 1 januari
                        1997 was op grond van de wet- en regelgeving voor het primair onderwijs
                        duidelijk wat er onder leegstand moest worden verstaan. Er werd uitgegaan
                        van een strikt genormeerde benadering: als het aantal vierkante meters van
                        een gebouw ruimte liet voor een extra groep leerlingen was er sprake van
                        genormeerde leegstand. Of die leegstand wel of niet feitelijk aanwezig was
                        of in gebruik was voor andere doeleinden deed niet ter zake. Aangezien de
                        betreffende wet- en regelgeving niet langer van toepassing is, is het van
                        belang een definitie van het begrip leegstand in de verordening op te nemen.
                        Bij de begripsaanduiding is gekozen voor eenzelfde benaderingswijze als
                        voorheen, zij het met de volgende uitzondering. </al><al>Omdat bij de capaciteitsbepaling van een gebouw ingevolge bijlage III, deel
                        A wordt uitgegaan van lokalen, kan het niet meer voorkomen dat er weliswaar
                        een overmaat aan vierkante meters geconstateerd wordt maar dat er geen
                        lokaal over is. </al><al>Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag eventueel
                        voor eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor
                        wordt verstrekt wel geregistreerd, maar niet als beschikbare capaciteit. Het
                        vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot dergelijke ruimten uit. Voor
                        de goede orde: de zogenaamde eigendoms- en huurscholen vallen dus wel onder
                        het vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel een (rijks)vergoeding
                        verstrekt. </al><al>In tegenstelling tot de volledig voor eigen rekening gefinancierde ruimten,
                        strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot leegstaande ruimten waaraan een
                        bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek,
                        overblijflokaal) heeft gegeven. Deze handelwijze kan worden afgeleid uit de
                        jurisprudentie onder de oude wetgeving waarin is vastgelegd dat, indien er
                        sprake is van genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere
                        bestemming heeft gegeven, deze bestemming moet wijken voor noodzakelijk
                        onderwijsgebruik. </al><al><vet><onderstreept>Lid 1<sup>b</sup></onderstreept></vet> Voor het
                        voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt genormeerde, benadering
                        worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het vertrekpunt is wel
                        hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens bijlage
                        III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het ruimtebehoeftemodel
                        ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een overschot aan ruimte
                        is. Als dat overschot geconstateerd wordt, behoeft dat niet automatisch te
                        betekenen dat er dan ook een geschikte ruimte vrij is op de gewenste tijd.
                        Een bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs heeft namelijk
                        het recht, binnen de rijksbekostiging, om meer of minder uren aan bepaalde
                        vakken toe te delen. Deze keuzen hebben consequenties voor het lesrooster en
                        de omvang van de groepen, en daarmee voor de beschikbaarheid van het gebouw.
                        Daarom wordt bij een school voor voortgezet onderwijs vervolgens aan de hand
                        van het lesrooster bekeken of er daadwerkelijk sprake is van leegstand. De
                        verantwoordelijkheid om op basis van lesroosters eventueel aan te tonen dat
                        er geen sprake is van leegstand, ligt bij het schoolbestuur. Achtergrond
                        hiervan is dat gemeenten geen zicht hebben op de lesroosters van scholen. </al><al>Het gaat hier met nadruk om de vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien
                        een bevoegd gezag extra middelen aanwendt en daarmee beslag op leegstand
                        legt, is er sprake van eigen beleid dat dient te wijken voor noodzakelijk
                        onderwijsgebruik. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2<sup>a </sup></onderstreept></vet>Voor de
                        beoordeling of er ruimte is in een gymlokaal dat gebruikt wordt door het
                        primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in gebruik
                        is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar opgeteld.
                        De capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de leegstand
                        op. Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum aantal
                        uren dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het
                        aantal van 40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet
                        onderwijs die de maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard
                        niet dat scholen voor primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden
                        verwezen kunnen worden naar een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in
                        gebruik is. Verwijzing kan alleen maar plaatsvinden binnen de voor de
                        betreffende schoolsoort geldende reële schooltijden. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2<sup>b </sup></onderstreept></vet>De reden van de
                        controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als bij lid 1b.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1</onderstreept></vet> Door opneming van deze
                        bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van scholen. Indien bevoegde
                        gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er geen reden voor de
                        gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk toe leiden dat
                        in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet worden
                        toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale
                        situatie is gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij
                        hoge uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze
                        bepaling. </al><al>Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het
                        (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan
                        genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als
                        peuterspeelzaal. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> Hierin is bepaald dat het
                        onderling overeengekomen medegebruik alleen dan een reden is om niet tot
                        vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de school die
                        medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier
                        uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals
                        bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde
                        gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat dit leidt
                        tot een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander
                        onderwijsgebruik. </al><al><vet><onderstreept>Lid 3</onderstreept></vet> De keuze voor deze volgorde
                        van vorderen kan uiteraard gewijzigd worden. Het verdient echter aanbeveling
                        om deze keuze wel vast te leggen. Indien er meerdere opties zijn moet immers
                        gemotiveerd kunnen worden hoe burgemeester en wethouders tot een bepaalde
                        keuze zijn gekomen. Het gestelde in dit lid zijn bij uitstek aangelegenheden
                        die met de bevoegde gezagsorganen besproken moeten worden, alvorens ze vast
                        te leggen. Dat geldt uiteraard ook voor a, zoals dat voor de hele
                        verordening geldt. Uitgangspunt bij de vordering is dat een schoolbestuur
                        dat ruimtegebrek heeft bij een van zijn scholen, eerst gaat kijken naar
                        eventueel beschikbare ruimte binnen een van de onder zijn beheer staande
                        gebouwen. Indien deze aanwezig is, zal het in de regel nog geen eens komen
                        tot een aanvraag voor medegebruik bij de gemeente. Mocht dit wel zo zijn dan
                        is de kans groot dat ingevolge lid 3a de gemeente het bestuur verwijst naar
                        een van zijn eigen gebouwen. Voor a geldt echter ook dat het financiële
                        consequenties kan hebben om niet als eerste optie van de - qua oppervlakte
                        en indeling - geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar dat uit hoofde van een
                        doelmatiger oplossing kan worden voorbijgegaan aan aanwezige leegstand in
                        een van de gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het gestelde onder b is
                        minder relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om redenen van eenvoud is
                        er echter voor gekozen geen aparte volgorde voor gymnastiekruimten op te
                        nemen. Bij de toepassing van lid 3c dient het openbaar onderwijs in dit
                        verband ook als een richting te worden aangemerkt.
                            </al><al><vet><onderstreept>Lid 4</onderstreept></vet> Deze bepaling voorkomt dat de
                        volgorde zoals opgenomen in het derde lid te rigide gaat werken. Wanneer op
                        lokaal niveau alle bij de vordering betrokken partijen het eens zijn over
                        een oplossing die niet direct voortvloeit uit het derde lid, dan kan van de
                        daarin neergelegde volgorde worden afgeweken. </al><al/><al><vet>Artikel 32 Overleg en mededeling</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1</onderstreept></vet> Het voeren van overleg is
                        wettelijk verplicht. Om praktische redenen is ervoor gekozen dit te koppelen
                        aan het overleg over het programma. In het kader van de vaststelling van het
                        programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er van medegebruik
                        sprake kan zijn. </al><al>Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat
                        is niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te
                        staan) is er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies
                        van de Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om
                        bezwaar en beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit
                        heeft geen opschortende werking. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2 </onderstreept></vet>De termijn van vier weken is
                        uiteraard facultatief. Om een bevoegd gezag waarvan gevorderd gaat worden de
                        gelegenheid te geven desgewenst tijdig (organisatorische) maatregelen te
                        nemen, verdient het aanbeveling de termijn zo kort mogelijk te houden. Het
                        bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg ook al in de gelegenheid
                        om zich voor te bereiden op het medegebruik. De mededeling dient
                        schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake van een beschikking waarop de
                        rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van bezwaar
                        en/of beroep heeft geen opschortende werking. </al><al>De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve
                        handelingen te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te
                        staan dat er overeenstemming over de vordering bestaat. </al><al><vet><onderstreept>Leden 3 en 4</onderstreept></vet> In geval van een
                        spoedprocedure is het niet goed mogelijk om termijnen op te nemen voor het
                        overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat een
                        en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard geldt ook
                        hier dat het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid moet
                        hebben om de nodige maatregelen te treffen. </al><al><onderstreept><vet>Lid 5</vet></onderstreept>De vordering geschiedt
                        voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt
                        weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de periode te baseren op de
                        uitkomst van de prognose. De periode van vordering kan verlengd worden
                        indien dat noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Artikel 33 Vergoeding</vet></al><al>Voor het primair onderwijs is, als gevolg van de vereenvoudiging van het
                        Londo-stelsel, in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat gebruik maakt van
                        een gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor ontvangen vergoeding
                        doorbetaalt. Aangezien 'de ontvangen' vergoeding niet eenduidig te
                        definiëren valt - de vergoeding is namelijk mede afhankelijk van de omvang
                        van de school - dient daarover overleg tussen de bevoegde gezagsorganen
                        plaats te vinden. Voor het voortgezet onderwijs geldt niet een dergelijke
                        wettelijke bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen weg. </al><al>Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                        overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde
                        rechtsbescherming geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een
                        bepaling ten aanzien van de vergoedingen op te nemen voor het geval men er
                        onverhoopt niet uitkomt. Een systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage
                        IV, deel C, en is afgeleid van de rijksvergoeding voor de materiële
                        instandhouding voor de huisvesting van groepen in het basisonderwijs.
                        Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</vet></al><al><vet><onderstreept>Onderdeel a</onderstreept></vet> Zie de toelichting bij
                        artikel 30. </al><al><vet><onderstreept>Onderdeel b</onderstreept></vet> De sportvelden zijn hier
                        opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO dat het vorderingsrecht
                        zich ook daartoe uitstrekt. </al><al/><al><vet>Artikel 35 Overleg en mededeling</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 2 </onderstreept></vet>De reden dat hier expliciet is
                        aangegeven wat in ieder geval in het overleg aan de orde dient te komen is
                        gelegen in het feit dat het gaat om gebruik van een gebouw of terrein
                        waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste instantie is bedoeld. Dat
                        betekent dat de positie van het bevoegd gezag met nog meer waarborgen
                        omkleed moet worden dan wanneer het om onderwijsmedegebruik gaat. Het
                        bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld worden zich in het overleg een
                        oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                        activiteit op het onderwijsproces. Als gevolg daarvan kan ook afgesproken
                        worden dat bepaalde maatregelen van de zijde van de gemeente of de
                        medegebruiker genomen worden om hinder te voorkomen. Omdat het om
                        verschillende vormen van medegebruik kan gaan is niet eenduidig vast te
                        stellen welke vergoeding daartegenover dient te staan. Wel is het mogelijk
                        om hierbij aan te sluiten op een vergoedingsbedrag in het kader van de
                        programma's van eisen materiële instandhouding basisonderwijs door middel
                        van een verwijzing naar bijlage IV, deel C. Deze vergoeding dekt de
                        variabele kosten en zal in het algemeen voldoende zijn; het gaat immers niet
                        om huur. </al><al>Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er
                        wordt van uitgegaan dat deze door burgemeester en wethouders
                        vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan de beoogde gebruiker natuurlijk wel
                        in het overleg betrokken worden. Het verdient in ieder geval aanbeveling dat
                        het bevoegd gezag en de medegebruiker, voor de aanvang van het medegebruik,
                        schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor
                        die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering door burgemeester
                        en wethouders. </al><al><vet><onderstreept>Lid 3 </onderstreept></vet>Indien het overleg niet tot
                        overeenstemming leidt, nemen burgemeester en wethouders een beslissing
                        inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te
                        voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet
                        geëffectueerd kan worden. De beslissing van burgemeester en wethouders is
                        een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. </al><al/><al><vet>Artikel 36 Toestemming burgemeester en wethouders</vet></al><al><onderstreept>Leden 2 en 3</onderstreept> De aanduiding van de bestemming
                        van de te verhuren ruimte is van belang voor de toetsing door burgemeester
                        en wethouders aan de wet- en regelgeving die bepaalde bestemmingen niet
                        toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet
                        toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als woon- of
                        bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid en 1624, tweede lid
                        van het Burgerlijk Wetboek. Ook een bestemming die zich niet verdraagt met
                        het onderwijs aan de school is in de onderwijswetgeving uitgesloten. Er is
                        echter voor gekozen die afweging aan het bevoegd gezag te laten.
                        Burgemeester en wethouders maken wel de afweging of er een andere school is
                        die ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van eventueel
                        binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen voor een onmiddellijke
                        noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat geen reden
                        voor weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien burgemeester en
                        wethouders een indicatie hebben dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig
                        zal zijn voor het onderwijs, dat zij dit aan het bevoegd gezag mededelen.
                        Dat geldt evenzeer als burgemeester en wethouders voornemens zijn de ruimte
                        te vorderen voor ander gebruik. Het bevoegd gezag kan dan een verantwoorde
                        afweging maken of het wil overgaan tot verhuur. De risico's voor verhuur en
                        de eventuele schadeplicht die ontstaat bij voortijdige opzegging van het
                        contract omdat burgemeester en wethouders gebruik maken van hun
                        vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het bevoegd gezag. </al><al/><al><vet>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</vet></al><al>De wetgeving voor het primair onderwijs kende tot 1 januari 1997 een
                        bepaling waarin gesteld werd dat het gebruik van een dislocatie diende te
                        worden beëindigd binnen drie maanden na beëindiging van de rijksbekostiging
                        van dat gebouw. De rijksbekostiging werd beëindigd indien een dislocatie kon
                        worden 'leeggerekend', dat wil zeggen indien het hoofdgebouw genormeerd
                        zoveel ruimte bevatte dat alle groepen van de school daarin gehuisvest
                        konden worden. Aangezien de rijksbekostiging niet langer gerelateerd is aan
                        de gebouwen, is er geen sprake meer van 'leegrekenen' door het rijk. Aan een
                        bepaling omtrent de beëindiging van het gebruik van dislocaties is echter
                        wel behoefte, vooral vanwege het feit dat gemeenten door hergebruik van
                        onderwijsgebouwen een deel van de beoogde efficiency moeten realiseren. Het
                        eindigen van het recht op het gebruik van hoofdgebouwen blijft in de wet
                        gekoppeld aan de beëindiging van de bekostiging van de school, zie
                        bijvoorbeeld artikel 163 WPO. De WVO kent weliswaar niet zo'n bepaling, maar
                        het spreekt voor zich dat het recht op het gebruik van een gebouw eindigt
                        wanneer de school die het gebouw gebruikt wordt opgeheven. </al><al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO geven aan de gemeente opdracht
                        om in de verordening een termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog
                        ten hoogste kan worden gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door
                        gedeputeerde staten, is bepaald dat de school heeft opgehouden of zal
                        ophouden het gebouw te gebruiken. Tevens moet de gemeente een procedure
                        vaststellen voor een eventueel op te maken staat van onderhoud ingeval van
                        beëindiging van het gebruik. Artikel 37 van de modelverordening voorziet in
                        deze wettelijke opdracht. In het artikel wordt geen onderscheid gemaakt
                        tussen hoofdgebouwen en dislocaties. Dat onderscheid is in dit kader ook
                        niet relevant; ten aanzien van alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk
                        moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden. </al><al>Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de beëindiging van
                        het gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de beëindiging van
                        het gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in stand
                        gehouden scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig
                        onderhoud dus niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in
                        stand worden gehouden. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit
                        uiteraard in materiële zin wel het geval. Het volgen van eenzelfde
                        handelwijze ligt dan ook voor de hand. <vet><onderstreept>Lid
                                1</onderstreept></vet> De datum van de beëindiging van het gebruik
                        ligt in formele zin altijd na de datum waarop toepassing is gegeven aan
                        artikel 110 WPO, 108 WEC, 76u of 225 WVO. Aan die artikelen wordt toepassing
                        gegeven doordat burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag in een
                        gezamenlijke akte verklaren dat het gebruik van het gebouw beëindigd wordt
                        of, ingeval van een geschil daarover, indien gedeputeerde staten daar een
                        beslissing over nemen op verzoek van een der partijen. In materiële zin kan
                        uiteraard sprake zijn van een beëindiging van het gebruik op een tijdstip
                        dat ligt voor toepassing van eerder genoemde artikelen. Van belang is dan
                        echter wel dat de eigendomsoverdracht dan nog niet heeft plaatsgevonden en
                        dat het bevoegd gezag als eigenaar nog steeds verantwoordelijk is voor het
                        gebouw. Als datum is gekozen de datum die in de akte die bevoegd gezag en
                        gemeente opstellen wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat
                        zullen gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal
                        de datum aan het einde van het schooljaar liggen. </al><al>Om een en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen
                        realiseren, is het nodig dat burgemeester en wethouders in een vroegtijdig
                        stadium constateren dat een gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een
                        school. Die constatering kan in de regel plaatsvinden aan de hand van de
                        leerlingtelling van 1 oktober. Als er sprake is van een voorgenomen fusie of
                        opheffing, moet een bevoegd gezag daarvan mededeling doen aan de gemeente
                        ingevolge artikel 5 van de modelverordening. Direct na de telling van 1
                        oktober, of na de mededeling van het bevoegd gezag, kan de procedure voor de
                        vaststelling van een gezamenlijke akte over het einde van het gebruik in
                        gang worden gezet. Mocht daarover een geschil ontstaan, dan kan gedeputeerde
                        staten om een beslissing worden verzocht. De beslissing van gedeputeerde
                        staten is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van
                        toepassing is. Of het instellen van beroep in dit geval opschortende werking
                        heeft, is niet eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het
                        instellen van beroep geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders
                        bepaalt. De wet bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden
                        nadat is komen vast te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer
                        nodig heeft, niet eerder kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van
                        gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden of nadat door de rechter in
                        beroep is beslist. Ten aanzien van de eigendomsoverdracht heeft het
                        instellen van beroep dus opschortende werking. Ten aanzien van de beslissing
                        of een school heeft opgehouden het gebouw te gebruiken sec, bepaalt de wet
                        niets. Ten aanzien van een mogelijk beroep tegen die beslissing zou dus
                        gesteld kunnen worden dat het geen opschortende werking heeft. Mocht blijken
                        dat dat wel zo is, dan kan overwogen worden een voorlopige voorziening bij
                        de president van de rechtbank te vragen indien er sprake is van spoedeisende
                        omstandigheden. </al><al><vet><onderstreept>Lid 2</onderstreept></vet> Met achterstallig onderhoud
                        wordt in dit verband bedoeld het onderhoud dat, met het oog op de
                        onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had moeten zijn. Het
                        gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen
                        alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de
                        meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is
                        over één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit
                        schilderwerk eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van
                        achterstallig onderhoud. Het is van belang de staat van het onderhoud op te
                        maken, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die
                        tijd kan nog eenduidig worden vastgesteld aan wie het eventueel
                        achterstallig onderhoud is toe te rekenen. Het spreekt voor zich dat het
                        opmaken van de staat van onderhoud achterwege kan blijven indien er geen
                        enkele aanleiding is om te veronderstellen dat er sprake is van
                        achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                        gezag behoort. </al><al><vet><onderstreept>Lid 3</onderstreept></vet> De staat van onderhoud wordt
                        opgemaakt in opdracht van burgemeester en wethouders. Hiervoor kunnen
                        burgemeester en wethouders een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken
                        aanwijzen of een derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud
                        van de opdracht en over de persoon of instantie die dit uitvoert, hebben
                        burgemeester en wethouders eerst overleg met het betrokken bevoegd gezag.
                        Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussie c.q.
                        meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de keuze
                        van de uitvoerder. De positie van burgemeester en wethouders is in dit kader
                        vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de huur
                        een inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder
                        hersteld moet worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen
                        van het bevoegd gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld
                        betrekking hebben op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of
                        uit bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor
                        zich dat bij het opmaken van de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over
                        het tijdstip waarop de schouwing plaatsvindt.
                        </al><al><vet><onderstreept>Lid 4</onderstreept></vet> Burgemeester en wethouders
                        voeren overleg met het bevoegd gezag over de uitkomsten van de staat van
                        onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men het daar wel of niet
                        mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is geconstateerd, geeft het
                        bevoegd gezag in het overleg aan of het bereid is dit alsnog uit te voeren.
                        Er kan ook overeengekomen worden dat het bedrag dat gemoeid is met het
                        achterstallig onderhoud wordt betaald aan de gemeente. Indien partijen geen
                        overeenstemming bereiken, bespreken ze hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er
                        kan bijvoorbeeld arbitrage overeengekomen worden, waarbij beide partijen
                        afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Burgemeester en
                        wethouders kunnen zich ook wenden tot de burgerlijke rechter, op grond van
                        het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door
                        zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te
                        gebruiken of te onderhouden. Gelet op de kosten en de moeite die dergelijke
                        procedures voor beide partijen met zich meebrengen, verdient het veruit de
                        voorkeur in gezamenlijk overleg een oplossing te bereiken. </al><al><vet><onderstreept>Lid 5</onderstreept></vet> Deze bepaling is opgenomen
                        voor de situatie dat er weliswaar een vermoeden over achterstallig onderhoud
                        bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten uitvoeren. Daarvan is
                        bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt wordt. </al><al/><al><vet>Artikelen 38 en 39 Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte primair
                            onderwijs</vet></al><al>In de artikelen 38 en 39 zijn het gebruik van en de vergoeding voor
                        gymnastiekruimten voor het primair onderwijs nader geregeld. De verlegging
                        per 1 januari 1997 van de geldstroom 'materiële instandhouding gymnastiek'
                        voor het primair onderwijs naar de gemeenten via het Gemeentefonds leidt tot
                        de opdracht aan de gemeenteraad om na overleg met de schoolbesturen voor het
                        onderwijs in lichamelijke opvoeding het aantal klokuren vast te stellen dat
                        ten hoogste per groep leerlingen voor vergoeding in aanmerking komt. Deze
                        wettelijke opdracht is nader uitgewerkt in artikel 38. Aangezien de gemeente
                        belast is met de bepaling van de omvang en de vergoeding van het
                        onderwijsgebruik van gymnastiekruimten en - landelijk bezien - het overgrote
                        deel van de gymnastiekruimten door of vanwege de gemeente worden beheerd,
                        ligt het voor de hand dat de gemeente een coördinerende rol vervult bij de
                        toedeling van dit gebruik. Dit is verder uitgewerkt in artikel 39. </al><al/><al><vet>Artikel 38 Omvang en vergoeding gebruik</vet></al><al><vet><onderstreept>Lid 1</onderstreept></vet> In het systeem in het primair
                        onderwijs van voor de invoering van de decentralisatie werden de capaciteit
                        en het gebruik van gymnastiekaccommodaties uitgedrukt in een aantal klokuren
                        onderwijsgebruik. In lid 1 is ervoor gekozen deze systematiek ook na 1
                        januari 1997 te handhaven. Hiermee wordt voorkomen dat een onnodige breuk
                        optreedt in de van overheidswege bekostigde omvang van het onderwijsgebruik
                        van gymnastiekruimten. </al><al>De voor de bepaling van het aantal klokuren gymnastiek per schoolweek al
                        voor het basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs in het recente
                        verleden ontwikkelde en toegepaste rekenregels zijn dan ook overgenomen in
                        de verordening. </al><al>Hiertoe is in het eerste lid bepaald dat de gemeente voor het basisonderwijs
                        ten hoogste 1,5 klokuur gymnastiek per bovenbouwgroep bekostigt; voor het
                        (voortgezet) speciaal onderwijs is dit ten hoogste 2,25 klokuur per
                        bovenbouwgroep. In een specifiek geval is het in het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs mogelijk om voor een groep leerlingen jonger dan zes jaar een
                        vergoeding te verkrijgen voor het gebruik van een gymnastiekruimte voor ten
                        hoogste 3,75 klokuren per week. Deze mogelijkheid was al verankerd in de
                        bekostigingsregels zoals deze golden voor 1 januari 1997. De formulering
                        'ten hoogste' betekent dat de gemeente ook minder klokuren kan bekostigen
                        wanneer op basis van het activiteitenplan van de school het gebruik van de
                        gymnastiekruimte onder dit niveau ligt. De formulering sluit tevens uit dat
                        het gebruik boven deze norm voor bekostiging van gemeentewege in aanmerking
                        komt. De wijze waarop het aantal groepen, waarvan de omvang van het gebruik
                        wordt afgeleid, vastgesteld wordt, is neergelegd in bijlage III, deel B.
                        Voor het basisonderwijs wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 1.2; voor het
                        (voortgezet) speciaal onderwijs naar paragraaf 2.2).
                            </al><al><vet><onderstreept>Leden 2 en 3</onderstreept></vet> Hier wordt de hoogte en
                        wijze van vergoeding geregeld voor het gebruik door het primair onderwijs
                        van gymnastiekruimten die in eigendom zijn van een schoolbestuur van een
                        niet door de gemeente in stand gehouden school. Anders dan voor de
                        gymnastiekruimten die door of vanwege de gemeente beschikbaar zijn voor het
                        onderwijsgebruik, dient in dit geval een vergoeding aan het schoolbestuur te
                        worden verstrekt. </al><al>Een school voor primair onderwijs welke een gemeentelijke accommodatie
                        gebruikt als gymnastiekruimte krijgt hiervoor geen vergoeding. De gemeente
                        bekostigt immers tot aan het genoemde maximum in lid 1 zelf de exploitatie
                        van dit gebruik. Wanneer een schoolbestuur, niet zijnde de gemeente,
                        eigenaar is van de accommodatie dan dient dit wel een vergoeding te
                        ontvangen teneinde de kosten van het onderwijsgebruik te kunnen dekken. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 39 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                            inroostering gebruik</vet></al><al>Het gebruik door het primair onderwijs van gymnastiekruimten vindt meestal
                        plaats in gemeentelijke accommodaties. Formeel beschouwd gaat het daarbij
                        doorgaans om situaties van medegebruik en daarmee om een voorziening in de
                        huisvesting als bedoeld in artikel 2 van de verordening. </al><al>Aangezien de omvang van dit medegebruik, uitgedrukt in het aantal klokuren,
                        jaarlijks kan fluctueren door de veranderingen in het aantal leerlingen van
                        een school, zou dat jaarlijks kunnen leiden tot aanvragen in het kader van
                        het programma, dan wel spoedprocedure. Beide procedures zijn te zwaar en te
                        omslachtig om jaarlijkse mutaties in het gebruik van gymnastiekaccommodaties
                        aan te vragen. Dit geldt voor die mutaties die binnen de bestaande
                        capaciteit kunnen worden opgevangen en dus niet leiden tot een uitbreiding
                        of nieuwbouw van gymnastiekruimten. Zeker wanneer daarbij wordt bedacht dat
                        de gemeente ingevolge de wet en artikel 38 gehouden is tot bekostiging van
                        het genormeerde gymnastiekgebruik. </al><al> Tegen deze achtergrond is in artikel 39 voor een benadering gekozen waarbij
                        de huisvestingsprocedures worden ontlast van aanvragen die samenhangen met
                        mutaties in klokuren, voor zover deze mutaties binnen de voorhanden zijnde
                        capaciteit kunnen worden ondergebracht. Formeel worden de jaarlijkse opgaven
                        van schoolbesturen van het gewenste gebruik van de gymnastiekruimten
                        weliswaar beschouwd als een aanvraag in het kader van de spoedprocedure,
                        materieel worden zij echter buiten deze procedure om afgewikkeld. Hiervoor
                        in de plaats komt de benadering uit artikel 39, die in essentie op het
                        volgende neerkomt. De gemeente heeft als lokale overheid zicht op het
                        onderwijsgebruik van de sportaccommodaties (welke school geeft
                        gymnastiekonderwijs in welk gebouw, wanneer en voor hoeveel uren, en wat is
                        de capaciteit van het gebouw?). </al><al>De volgende elementen zorgen ervoor dat de gemeente voor het primair
                        onderwijs dit inzicht heeft: </al><lijst><li nr="a."><al>inventarisatie van de accommodaties die geschikt zijn voor
                                gymnastiekonderwijs, inclusief de eigendomssituatie; </al></li><li nr="b."><al>vaststelling van de capaciteit en feitelijk/genormeerd
                                klokuurgebruik per onderwijsgebruiker (school); </al></li><li nr="c."><al>jaarlijkse registratie van de mutaties in feitelijk/genormeerd
                                klokuurgebruik. De mutaties zijn gebaseerd op: </al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen op de teldatum t-1 voor de vaststelling van
                                het genormeerde gebruik voor het daaropvolgende schooljaar; </al></li><li nr="-"><al>de opgaven van de schoolbesturen waarbij wordt aangegeven voor
                                hoeveel uur men feitelijk gebruik wil maken van een gymnastiekruimte
                                voor het komende schooljaar; </al></li></lijst><al/><al>Op basis van dit inzicht maakt de gemeente jaarlijks een voorstel tot
                        inroostering van het onderwijsgebruik, waarbij indien nodig ook wordt bezien
                        in hoeverre gebruik boven de norm kan plaatsvinden, gegeven de beschikbare
                        capaciteit. </al><al>Dit voorstel wordt niet dan na overleg met de betrokken schoolbesturen
                        vastgesteld. </al><al>De opgaven van het gewenste gebruik, het voorstel tot en het vaststellen van
                        de inroostering vinden relatief kort voor het nieuwe schooljaar plaats. Dit
                        omdat de meeste schoolbesturen over de exacte omvang van het
                        gymnastiekgebruik pas uitspraken kunnen doen wanneer zicht bestaat op de
                        omvang en inzet van de personeelsformatie voor het komende schooljaar. </al><al/><al><vet>Artikel 41 Invoering euro (?)</vet></al><al>Ruim twintig maanden geleden werd de definitieve waardeverhouding
                        euro/gulden vastgesteld en werd de girale euro een feit. Dit heeft
                        consequenties voor de presentatie van het programma en overzicht. De
                        reguliere procedure voor het indienen en beoordelen van een aanvraag voor
                        een huisvestingsprogramma volgt in principe de procedure die leidt tot
                        vaststelling van de gemeentebegroting. De gulden is nog de leidende valuta
                        in de gemeentelijke begrotingsstukken tot en met 31 december 2001. Met
                        ingang van 2002 is de euro de leidende notatie. De begroting voor 2001 wordt
                        nog in ieder geval in guldens gepresenteerd. En hoewel de voorbereidingen
                        voor de begroting 2002 in 2001 plaatsvinden, zal de begroting 2002 de eerste
                        begroting in euro's worden. Het is aan te bevelen om de begroting ook in de
                        andere munteenheid te presenteren. Dit ter vergroting van de gewenning aan
                        de euro en ter vergemakkelijking van de vergelijking met voorgaande jaren. </al><al>Voor het huisvestingsprogramma betekent dit dat het programma 2001 door de
                        gemeenteraad nog in guldens vastgesteld wordt, en het programma 2002 in
                        euro's. Voor beschikkingen op spoedaanvragen geldt, dat het moment van de
                        beslissing (door burgemeester en wethouders) bepalend is voor de keuze welke
                        munteenheid gehanteerd dient te worden. Het is verstandig om beide valuta te
                        noteren in de beschikking, daar uitbetalingen na januari 2002 uitsluitend in
                        eurobedragen mogen plaatsvinden. Uitgangspunt bij de omzetting van guldens-
                        in eurobedragen is dat deze worden omgerekend op basis van de officiële
                        waardeverhouding van € 1,- = fl. 2,20371. Het zo omgerekende bedrag wordt
                        afgerond op twee decimalen (dit volgt uit EU-verordening 1103/97).</al><al/><al><vet>Artikel 42 Indexering</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat jaarlijks de verordening door
                        de raad moet worden gewijzigd, louter om de ingevolge artikel 4 gehanteerde
                        genormeerde vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV,
                        deel A, waar deze normen hun basis hebben, vormt namelijk - net als de
                        overige bijlagen - onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te
                        delegeren aan burgemeester en wethouders wordt een dergelijke relatief zware
                        procedure via de raad overbodig. Het kan nu via een lichtere procedure door
                        op dit onderdeel burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot wijziging te
                        geven. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voorafgaat
                        aan wijzigingen van de verordening, kan plaatsvinden door toezending van de
                        voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop
                        te reageren. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Toelichting Bijlage I </label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De wet geeft in artikel 100 WPO, 98 WEC, 76k en 215 WVO expliciet aan op
                        grond waarvan een voorziening kan worden geweigerd. Voor toepassing van de
                        weigeringsgronden dienen deze artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat
                        vindt in deze bijlage plaats door per voorziening de beoordelingscriteria te
                        beschrijven. Ze hebben betrekking op eisen qua aanwezigheid van leerlingen,
                        prognoses, oppervlakten/capaciteit van gebouwen, bouwkundige staat van een
                        gebouw enzovoort. De noodzaak van de aangevraagde voorziening(en) - of van
                        mogelijke alternatieve voorzieningen - voor de desbetreffende school wordt
                        vastgesteld op basis van de beoordelingscriteria. Na toepassing van de
                        beoordelingscriteria kan er antwoord worden gegeven op de vraag: 'Is de
                        voorziening noodzakelijk?' </al><al>De noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van: </al><lijst><li nr="-"><al>de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school
                                worden gebruikt; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de
                                noodzaak van de gevraagde voorziening op te heffen. </al></li></lijst><al/><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                        minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering
                        gaat gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal
                        leerlingen en daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de
                        zwaarte van de voorziening in financiële zin. De prognose die wordt
                        gevraagd, dient ertoe het verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren
                        zo nauwkeurig mogelijk te voorspellen. </al><al>Toekenning van huisvestingsvoorzieningen - behalve bij
                        onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair, bij medegebruik, bij
                        constructiefouten en bij vervanging of herstel van schade in geval van
                        bijzondere omstandigheden - kan plaatsvinden, indien volgens de prognose,
                        die voldoet aan de prognosecriteria (in bijlage II), voldoende duidelijkheid
                        bestaat over het voortbestaan van het instituut of de nevenvestiging voor
                        een termijn van minimaal vier jaren. </al><al>Indien de gevraagde voorziening een voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening (nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of aanpassing) betreft,
                        is de termijn voor de prognose in elk geval vijftien jaren te rekenen vanaf
                        het gewenste jaar van bekostiging. </al><al>Voor nieuwbouw en voor uitbreiding kan de voorziening - afhankelijk van de
                        verwachte duur van het gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of
                        ingebruikname van een bestaand gebouw - in tijdelijke vorm (noodbouw en
                        dergelijke) of in permanente vorm worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts
                        aan de orde indien het gaat om een nieuw instituut of om een nieuwe
                        afdeling. In alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het
                        hele instituut of voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter
                        vervanging van een bouwkundig slecht gebouw. </al><al>Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                        (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe
                        aanspraak op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit
                        kan worden opgeheven. </al><al>In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut ter
                        beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van burgemeester en
                        wethouders om gebruik te maken van beschikbare capaciteit bij andere
                        scholen. Dit beperkt zich in principe tot de gebouwen in gebruik bij het
                        primair onderwijs en het voortgezet onderwijs. Bij medegebruik is geen
                        lange-termijnprognose nodig. Voor inzicht in de periode van medegebruik is
                        wel een indicatie van de duur nodig alsmede inzicht in de eventuele
                        ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van de hoofdgebruiker. </al><al>Bij medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur zoveel
                        mogelijk de leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen
                        dat de school over (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het
                        aantal locaties vrijgelaten. </al><al>De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare capaciteit hangen af van
                        de ligging en de geschiktheid van de feitelijke leegstand. </al><al>De verwijsafstand - die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft
                        - is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale
                        hemelsbrede afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het
                        aan het aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen. </al><al>De andere mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te
                        houden, is die van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen
                        worden bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen
                        van het verwijsgebied moeten - om gemakkelijk een prognose te kunnen maken -
                        samenvallen met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per
                        onderwijssector. Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten
                        niet. </al><al>Het geschikt zijn van de leegstand blijkt uit de capaciteit van het
                        betreffende lokaal, zoals in de nulmeting (zie bijlage III, deel A) is
                        aangegeven. Als uitgangspunt kan dienen dat onderwijsruimten (speellokalen,
                        vaklokalen, werkplaatsen, etc., gymnastieklokalen) die niet gedurende de
                        gehele werkweek in gebruik zijn bij de school die (hoofd)gebruiker van het
                        gebouw is, kunnen worden gebruikt door scholen die onvoldoende ruimte hebben
                        in hun eigen huisvesting. </al><al>Voor het primair onderwijs is feitelijke leegstand binnen het primair
                        onderwijs per definitie geschikt. Voor het voortgezet onderwijs is het
                        moeilijker feitelijke leegstand vast te stellen. Voor zover lokalen niet
                        noodzakelijk zijn, kunnen zij worden gebruikt door andere scholen. Leegstand
                        die in feite niet aanwezig is, omdat het gebouw minder lokalen telt (zoals
                        in de nulmeting geconstateerd) dan op basis van de normering mag worden
                        aangenomen, telt niet mee voor de mogelijkheden van medegebruik. Dit geldt
                        eveneens voor ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen
                        heeft gerealiseerd en waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten.
                        Hieronder vallen dus niet de zogenaamde eigendoms- en huurscholen. </al><al>Medegebruik is voor gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het
                        realiseren van de benodigde doelmatigheid. Indien binnen redelijke termijn
                        een ander geschikt gebouw vrijkomt, kan worden bezien of gebruik maken van
                        het vrijkomende gebouw een goede oplossing biedt voor het
                        huisvestingsprobleem. Ervan uitgaande dat door toepassing van een
                        meerjarenplanning samen met de schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op
                        het vrijkomen van (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen
                        worden gekoppeld aan de meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het
                        kader van ander beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet
                        opnieuw voor onderwijs wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang
                        gaat dienen of wordt afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming
                        kan worden gegeven. </al><al>De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor
                        (extra) huisvesting is nu geharmoniseerd tussen primair onderwijs en
                        voortgezet onderwijs. Voor een voor blijvend gebruik bestemde huisvesting is
                        die periode vijftien jaren. Voor tijdelijke huisvesting is deze periode vier
                        jaren of meer. Voor gebruik van minder dan vier jaren wordt uitgegaan van
                        opvang binnen het bestaande gebouw, bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte.
                        Slechts indien dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening goedgekeurd.
                        Daartoe is onder uitbreiding in het basisonderwijs en in het (voortgezet)
                        speciaal onderwijs een beoordelingscriterium opgenomen. </al><al/><al/><al><vet>Deel A</vet></al><al/><al><vet>Lesgebouwen</vet></al><al> Vervangende bouw komt in het algemeen voort uit de slechte conditie van een
                        gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte) bouwkundige staat en
                        om verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende gebouwen in een
                        volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek van schouwing
                        voor alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel mogelijk
                        zijn geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door burgemeester
                        en wethouders. Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan
                        betrekking hebben op een budgettair neutrale oplossing, een
                        herschikkingsoperatie of verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                        ordening. Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat
                        daarvoor geen extra kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen
                        niet hoger zijn dan de huidige kosten. Daarnaast kunnen - in overeenstemming
                        met het aanvragende schoolbestuur - eventuele gelden voor exploitatie,
                        aanpassingen (VO) en onderhoud (VO) van het schoolbestuur worden ingezet. </al><al>Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                        bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                        herschikkingsplan is in elk geval het realiseren van een optimale
                        huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid. </al><al>Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken
                        aan stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                        noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt. Uit de nulmeting kan naar
                        voren komen dat de feitelijke oppervlakte groter is dan de genormeerde
                        oppervlakte voor het aantal groepen dat in het gebouw kan worden gehuisvest.
                        In zo'n geval is er sprake van een zogenaamde verschiloppervlakte. Bij een
                        aanvraag voor uitbreiding zal in dat geval worden bezien of de
                        verschiloppervlakte niet kan worden betrokken bij de omvang van de
                        uitbreiding, met andere woorden, of niet (deels) inpandig de benodigde extra
                        capaciteit is te realiseren. Indien dit te duur is ten opzichte van
                        uitbreiding, dan wordt er van uitgegaan dat uitbreiding wordt gerealiseerd
                        (zie ook bijlage III, deel A). In het voortgezet onderwijs bestaat pas de
                        noodzaak de capaciteit uit te breiden, als ook met een 10% hogere
                        gebruiksduur van de bestaande capaciteit er onvoldoende capaciteit voor de
                        school aanwezig is. </al><al>De wijze waarop de voorziening - na goedkeuring - wordt gerealiseerd, hangt
                        af van de normering die in bijlage III, deel C, is uitgewerkt. </al><al>Voor de uitbreiding met een tweede speellokaal in het basisonderwijs is
                        aangegeven, wanneer dit noodzakelijk is. Nieuw ten opzichte van de eerder
                        geldende regelgeving is ten eerste het loslaten van de automatische
                        uitbreiding met een tweede speellokaal bij het vormen van de veertiende
                        groep. Koppeling aan het aantal groepen - van een zekere omvang - jongste
                        leerlingen (in nieuwbouwwijken vaak een aanzienlijk deel van de leerlingen)
                        maakt meer maatwerk mogelijk. Ten tweede is om een efficiënt gebruik van
                        gebouwen te bevorderen, een verwijzingsmogelijkheid naar een op korte
                        afstand aanwezig speellokaal of gymnastiekruimte waar nog ruimte is,
                        opgenomen. Op het punt van afstand heeft harmonisatie met het speciaal
                        onderwijs plaatsgevonden. De mogelijkheid om een speciale school voor
                        basisonderwijs uit te breiden met een speellokaal is het gevolg van de
                        invoering van de WPO. De schoolsoorten so-lom en so-mlk zijn hierdoor
                        opgegaan in de speciale scholen voor basisonderwijs (sbo). Dit geldt ook
                        voor een groot deel van de voormalige afdelingen voor onderwijs aan in hun
                        ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk). Circa 80% van deze afdelingen was
                        verbonden aan een lom- of mlk-school. Aan lom- of mlk-scholen zonder een
                        dergelijke afdeling konden onder de ISOVSO alleen kinderen vanaf zes jaar
                        worden toegelaten. Onder de WPO is dit veranderd. Evenals het geval is bij
                        reguliere basisscholen kunnen tot een sbo kinderen vanaf vier jaar worden
                        toegelaten; dit voorzover de binnen het desbetreffende samenwerkingsverband
                        primair onderwijs werkzame 'permanente commissie leerlingenzorg' heeft
                        vastgesteld dat plaatsing van het jonge kind op een sbo noodzakelijk is.
                        Onder de WPO kan het dan ook voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar
                        worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op onderwijs aan
                        de jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een speellokaal,
                        maar ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen (het
                        vervangen van hoge toiletpotten door kleine; het maken van een zgn. natte
                        hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen; zie de wijziging onder
                        '1.10 Aanpassing'). </al><al>Aangezien het om relatief dure voorzieningen gaat, dient uit oogpunt van een
                        verantwoorde besteding van de middelen een drempel te worden gesteld. Dit om
                        te voorkomen dat de voorzieningen moeten worden getroffen voor een zeer
                        gering aantal leerlingen. Deze drempel bestaat uit twee elementen: </al><lijst><li nr="1."><al>De sbo moet bezocht worden door minimaal 12 kinderen jonger dan zes
                                jaar. Dit aantal leerlingen is afgeleid van de groepsgrootte zoals
                                die gold voor iobk-leerlingen. </al></li><li nr="2."><al> Aan de hand van een prognose moet aannemelijk worden gemaakt dat de
                                sbo waarvoor de voorziening wordt getroffen, voor minimaal 15 jaar
                                levensvatbaar is. </al></li></lijst><al/><al>De gemeente kan bij de toetsing van een aanvraag van een sbo ook
                        nadrukkelijk kijken naar de bepalingen over de opvang van de jonge risico
                        leerlingen in het zorgplan van het samenwerkingsverband wsns. De
                        samenwerkingsverbanden hebben in hun zorgplan namelijk opgenomen waar welke
                        zorg noodzakelijk wordt geacht. In aanvulling hierop kan gemeente over de
                        gebouwlijke consequenties van de WPO afstemming zoeken met de schoolbesturen
                        uit het samenwerkingsverband. </al><al>Bij een sbo waaraan voor de inwerkingtreding van de WPO een iobk-afdeling
                        was verbonden, doet de noodzaak voor het treffen van bovengenoemde
                        voorzieningen zich niet voor. Het gebouw van een dergelijke school is immers
                        al berekend op de opvang van de jongste kinderen. </al><al>Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw of een gedeelte
                        daarvan spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de omvang en de
                        kwaliteit een belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen
                        hiervoor is gesteld. De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de
                        noodzakelijke aanpassingen nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds
                        voor onderwijs geschikt is). Indien de kosten samen met de (eventuele)
                        verwervingskosten te hoog zijn (het ministerie van OCenW hield daarvoor 70
                        procent van de kosten van nieuwbouw aan), is de vraag gerechtvaardigd of
                        vervangende bouw niet een betere optie is. Natuurlijk staat het de gemeente
                        vrij hiertoe te besluiten (en daarmee af te wijken van dit percentage),
                        bijvoorbeeld in verband met de locatie, het (monumentale) gebouw of het
                        ontbreken van alternatieve mogelijkheden voor huisvesting binnen de wijk.
                        Ook ontstaat hier - evenals bijvoorbeeld bij het bijbouwen van noodlokalen -
                        een onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven worden bezien en
                        gewaardeerd. </al><al>Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging van een
                        bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als: </al><lijst><li nr="-"><al>dit per saldo geen meerkosten met zich meebrengt; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>er sprake is van een herschikkingsoperatie; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                ordening. </al></li></lijst><al/><al>Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                        schoolgebouw aan de orde is. Het automatisme bij de toewijzing van terrein
                        in het primair onderwijs is verlaten. Indien terrein noodzakelijk is, wordt
                        daar bij de eventuele toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening
                        rekening mee gehouden. </al><al>In de systematiek van de modelverordening is voor de huisvestingsvoorziening
                        'ingebruikneming' op basis van artikel 7, tweede lid, onder a, een prognose
                        vereist. De toetsing van een prognose komt dan ook tot uiting in de criteria
                        voor de beoordeling van aangevraagde voorziening tot ingebruikneming van een
                        bestaand lesgebouw (zie bijvoorbeeld b1 en b2 van paragraaf 1.4). </al><al>Voor het primair onderwijs gaat het bij eerste inrichting
                        onderwijsleerpakket (en meubilair) om het aantal groepen leerlingen. Bij
                        fusie van scholen kan er enkel sprake zijn van een extra onderwijsleerpakket
                        en meubilair, indien het aantal groepen groter is dan het totaal bekostigde
                        onderwijsleerpakket en meubilair van de aan de fusie deelnemende scholen. De
                        bestaande scheiding tussen onderwijsleerpakket en meubilair (enkel
                        onderwijsleerpakket voor wegingsgroepen in het basisonderwijs) - aangebracht
                        tijdens de periode van de Tijdelijke wet beperking huisvestingsvoorzieningen
                        - blijft bestaan. </al><al>Voor de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair is ook de
                        nulmeting van belang. Op 1 augustus 1985 voor het basisonderwijs en op 1
                        januari 1988 voor het (voortgezet) speciaal onderwijs werden alle scholen
                        geacht voldoende te zijn ingericht. Daar waar dat niet het geval was, kon
                        via overgangsartikelen aanvullende eerste inrichting worden verkregen. Voor
                        de nulmeting impliceert dit dat alle toekenningen tot aan 1 augustus 1985
                        resp. 1 januari 1988 ook worden begrepen onder de aanwezige eerste
                        inrichting. De aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in het voortgezet onderwijs is gekoppeld aan de toekenning van een
                        voorziening in de huisvesting met dien verstande dat die voorziening een
                        uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg
                        moet hebben. Indien artikel 7, vierde lid, van de verordening ook van
                        toepassing is verklaard op eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair, dan is de passage 'de laatste teldatum voorafgaande aan de
                        indiening van de aanvraag' vervangen door: 'de meest recente teldatum'. </al><al>Onderwijsleerpakket en meubilair werd niet aangemerkt als een voorziening
                        waarop artikel 7, vierde lid, van toepassing kon zijn. De oorspronkelijke
                        formulering behelsde dat voor het bepalen van de noodzaak altijd wordt
                        gekeken naar de teldatum voorafgaande aan de aanvraag. Bij de totstandkoming
                        van de modelverordening is er bewust voor gekozen dat onderwijsleerpakket
                        alleen wordt toegekend op het moment dat de leerlingen feitelijk aanwezig
                        zijn. Dit behoeft in beginsel niet tot problemen te leiden, omdat bij
                        onverwachte groei van het aantal leerlingen de mogelijkheid bestaat om via
                        de spoedprocedure (artikel 21 e.v. van de modelverordening voorzieningen
                        huisvesting onderwijs) uitbreiding aan te vragen. Als voorwaarde geldt dan
                        wel dat de buitenreguliere telling voor de formatie aantoont dat er sprake
                        is van groei met minstens één groep. De buitenreguliere telling is dan de
                        teldatum voorafgaande aan de indiening van de aanvraag voor de toetsing van
                        de noodzaak. </al><al>Vanuit de gedachte dat de spoedprocedure in beginsel beperkt dient te
                        blijven tot calamiteiten, kunnen problemen ontstaan bij een verwachte groei
                        van het aantal leerlingen. De formulering in de verordening betekent dat de
                        teldatum van 1 oktober van het jaar t moet worden gehanteerd om de raad in
                        oktober/november van het jaar t+1 een besluit te laten nemen over een
                        eventuele toekenning van onderwijsleerpakket en/ of meubilair voor het jaar
                        t+2. Hiermee kunnen toekenningen voor onderwijsleerpakket een half jaar
                        achter de feiten aanlopen - immers, de teldatum van 1 oktober van het jaar t
                        zou per 1 augustus van het jaar t+1 leiden tot een uitbreiding van de
                        formatie - en is het daardoor niet mogelijk om te anticiperen op de
                        toekomstige leerlingenontwikkeling. </al><al>Met de wijziging, die gebruikmaakt van de in de verordening geboden
                        mogelijkheid, kan wel worden geanticipeerd op toekomstige
                        leerlingontwikkelingen. Tevens wordt voldaan aan het uitgangspunt dat de
                        leerlingen feitelijk aanwezig moeten zijn, wil er een toekenning van
                        onderwijsleerpakket en/of meubilair plaatsvinden. De noodzaak van de
                        voorziening blijkt uit het aantal leerlingen op de meest recente teldatum.
                        De meest recente teldatum van 1 oktober van het jaar waarin het programma
                        wordt vastgesteld, kan worden gebruikt om te bezien of het geraamde aantal
                        leerlingen daadwerkelijk op de school aanwezig is (en dus of de noodzaak van
                        de voorziening wordt aangetoond). </al><al>De toeslag meubilair is noodzakelijk door de verkleining van de
                        groepsgrootte in het basisonderwijs. Als gevolg van de
                        groepsgrootteverkleining ontstaat geen noodzaak voor de volledige eerste
                        inrichting meubilair voor een bepaalde groep leerlingen. Omdat er geen groei
                        van het aantal leerlingen plaatsvindt, behoeft geen totale eerste inrichting
                        van een groep te worden bekostigd. Wel moet de basisinrichting van een
                        klaslokaal kunnen worden aangevraagd. Het gaat daarbij om kasten, een bureau
                        en stoel voor de leerkracht, een werkwand, een zand-/watertafel en een
                        boekenhoek/leestafel. Indien in het verleden voor de betreffende groep al
                        een toeslag meubilair is verstrekt (vanaf de eerste stap van de
                        groepsgrootteverkleining in augustus 1997), hoeft dit niet alsnog te worden
                        bekostigd. </al><al>De toekenning van de toeslag staat los van de eerste inrichting
                        onderwijsleerpakket en meubilair van een bepaalde groep. Het gaat om
                        inrichting van een extra ruimte bij een gelijkblijvend aantal leerlingen,
                        niet om de totale inrichting van een groepsruimte als gevolg van groei van
                        het aantal leerlingen. In bijlage III wordt de omvang van de toeslag bepaald
                        (bij de wijzigingen in 'Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling,
                        Deel C de bepaling van de omvang van de toekenning' wordt ook een
                        rekenvoorbeeld voor toekenning van de toeslag beschreven) en in bijlage IV
                        wordt een financiële normering van de toeslag weergegeven. </al><al>Aanpassingen komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In elk geval zullen
                        aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe) wettelijke
                        vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de regelgeving op
                        het gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden, voor zover
                        niet in overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een (tijdelijke)
                        vrijstelling is verleend. </al><al> Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen uitgezonderd waarvoor een
                        schoolbestuur rechtstreeks van het rijk een vergoeding ontvangt. Het betreft
                        onder andere het aanbrengen van een gehandicaptentoilet en het geschikt
                        maken van het gebouw voor gehandicapten. </al><al>Onder aanpassing kunnen wel enkele benoemde voorzieningen worden aangevraagd
                        om het gebouw en/of het terrein toegankelijk te maken voor in hun bewegingen
                        beperkte gehandicapten. Het gaat hierbij om het terrein toegankelijk maken
                        tot en met de entree (met name het realiseren van een hellingbaan) en het
                        aanbrengen van een traplift bij een meerlaags schoolgebouw. </al><al>Voor het voortgezet onderwijs vergoedt de gemeente slechts aanvragen voor
                        aanpassingen binnenzijde gebouw voor zover deze het bedrag van f 600,-¹ per
                        leerling van de school te boven gaan. Aanpassingen aan de binnenzijde onder
                        het drempelbedrag zijn geen voorziening in de huisvesting en kunnen op die
                        grond door de gemeente worden geweigerd. Bij de beoordeling van aanpassingen
                        moet worden nagegaan of er geen onderhoud in de aanvraag is opgenomen.
                        Immers, in het voortgezet onderwijs krijgt het bevoegd gezag daarvoor
                        rechtstreeks inkomsten van het rijk. Een lijst van 'activiteiten onderhoud
                        VO', waarvoor het bevoegd gezag zelf een vergoeding ontvangt, is bij deze
                        toelichting gevoegd. </al><al>Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan
                        uit het aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig
                        zijn, maar wel aanwezig waren in de dislocatie en die noodzakelijk zijn om
                        het onderwijs aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven.
                        Een integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit: </al><lijst><li nr="-"><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende
                                ruimte tot speellokaal inclusief berging; </al></li><li nr="-"><al>veranderen van leslokalen in werklokalen; </al></li><li nr="-"><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam; </al></li><li nr="-"><al>maken zandbak en buitenberging; </al></li><li nr="-"><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats. </al></li></lijst><al/><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                        mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                        primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                        moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                        tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet-
                        en regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen
                        beoordelen. </al><al>De mogelijkheid om een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs
                        geschikt te maken voor kinderen jonger dan 6 jaar is het gevolg van de
                        invoering van de WPO. Onder de WPO kan het voorkomen dat kinderen jonger dan
                        zes jaar worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op
                        onderwijs aan de jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een
                        speellokaal, maar ook om het realiseren van bouwkundige
                        integratievoorzieningen. Onder 1.3.2b wordt de mogelijkheid geboden om een
                        sbo uit te breiden met een speellokaal. Met deze wijziging wordt voorzien in
                        de mogelijkheid om het gebouw geschikt te maken voor kinderen jonger dan 6
                        jaar. Het gaat hierbij om de volgende aanpassingen: het vervangen van hoge
                        toiletpotten door kleine, het maken van een zgn. natte hoek in de ruimten
                        bestemd voor de jongste kinderen. In het voorkomende geval dient het gebouw
                        hierop te worden aangepast. De hoogte van de noodzakelijke investering is
                        sterk afhankelijk van het gebouw en de noodzakelijke aanpassingen. Gezien de
                        verscheidenheid aan mogelijke aanpassingen is een normvergoeding niet aan te
                        geven; deze aanpassing wordt (net als de overige soorten aanpassingen)
                        bekostigd op basis van de feitelijke kosten. Ook hier dient uit oogpunt van
                        een verantwoorde besteding van de middelen een drempel te worden gesteld.
                        Dit om te voorkomen dat de voorzieningen moeten worden getroffen voor een
                        zeer gering aantal leerlingen. De gestelde drempel is vergelijkbaar met de
                        drempel voor het toekennen van een speellokaal aan een sbo. </al><al>Onderhoud is conform de wet enkel een voorziening in het primair onderwijs.
                        Ook hier geldt dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat het
                        onderhoud noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor het bevoegd
                        gezag in de materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet langer
                        volstaat. Voordat onderhoud aan noodlokalen of permanente gebouwen wordt
                        toegekend, zal worden nagegaan of de desbetreffende noodlokalen of gebouwen
                        nog noodzakelijk zijn voor in elk geval meer dan vier jaar. Indien de
                        groepen uit de noodlokalen elders in medegebruik kunnen worden
                        ondergebracht, zal voor die optie worden gekozen. </al><al>Bij herstel van constructiefouten is het van (groot) belang daadwerkelijk
                        vast te stellen dat het gaat om een constructiefout. </al><al>In het voortgezet onderwijs is de gemeente alleen aan te spreken op
                        constructiefouten aan de buitenzijde van het gebouw en op die aan de
                        binnenzijde voor zover die laatste het bedrag van f 600,-¹per leerling van
                        de school te boven gaan. Constructiefouten tot dit drempelbedrag zijn geen
                        voorziening in de huisvesting en kunnen op die grond door de gemeente worden
                        geweigerd. </al><al/><al><vet>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                            omstandigheden</vet></al><al>Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het herstel van schade in
                        geval van bijzondere omstandigheden kan rekening worden gehouden met de
                        situatie van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal
                        afgebrande school met acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw
                        met zes lokalen, omdat de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de
                        prognose blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien
                        jaren meer dan zes groepen zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet
                        de gemeente er verstandig aan eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar
                        tot uitkering overgaat. </al><al/><al/><al><vet>Deel B</vet></al><al/><al><vet>Gymnastiekruimten</vet></al><al> Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening is steeds sprake
                        van gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het
                        traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van
                        de (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over
                        de aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden
                        gerealiseerd. Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende
                        schoolbestuur voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal
                        die de gemeente daar op korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan
                        optimaal gebruik worden gemaakt van de aanwezige ruimte. In feite wordt
                        voorafgaand aan elke beslissing - nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming
                        - bezien of niet door medegebruik de gevraagde voorziening overbodig is.
                        Overigens laat de praktijk zien dat - zeker in de plattelandsgemeenten -
                        eventueel vervoer naar een verder weg gelegen gymnastiekruimte een goed
                        alternatief kan zijn. Uiteraard is hiervoor overleg met het bevoegd gezag
                        noodzakelijk. </al><al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt met gymnastiekruimte tevens
                        bedoeld een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad
                        (watergewenningsbad of hydrotherapiebad). Vanzelfsprekend deze laatste twee
                        enkel voor de onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is. </al><al>Een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs ten behoeve van lichamelijk gehandicapte kinderen en voor
                        een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig
                        gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. </al><al>Een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs ten behoeve van zeer moeilijk lerende kinderen en een
                        school voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig
                        gehandicapten met zeer moeilijk lerende kinderen. </al><al>Bij andere vormen van (voortgezet) speciaal onderwijs worden deze baden niet
                        noodzakelijk geacht en komen ze niet voor. </al><al>Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt
                        gekeken naar de klokuurnorm zoals de gemeenteraad die voor het primair
                        onderwijs heeft vastgesteld en naar het rooster. Voor het voortgezet
                        onderwijs is enkel het rooster van belang. </al><al>In tegenstelling tot de situatie voor 1997 wordt het maken van was- en
                        kleedgelegenheden in gymnastiekruimten niet meer als uitbreiding gezien maar
                        als aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van deze ruimtes fysiek
                        meestal een uitbreiding van het gebouw tot gevolg heeft. </al><al>Het maken van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort
                        ook tot de aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving
                        (eisen met betrekking tot hygiëne). </al><al>Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting
                        worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer) naar een
                        grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is verstrekt. </al><al>Lijst 'activiteiten onderhoud VO' (voor rekening bevoegd gezag) </al><al>- goten vervangen </al><al>- hemelwaterafvoeren vervangen </al><al>- schoorstenen vervangen </al><al>- tegels herstraten </al><al>- klinkers herstraten </al><al>- asfalt nieuwe laag aanbrengen </al><al>- gazon maaien </al><al>- beplanting verzorgen en vervangen </al><al>- sportvelden maaien etc. </al><al>- terreinmeubilair vervangen </al><al>- hout binnen en binnen/buiten schilderen, beitsen </al><al>- staal buiten en binnen/buiten schilderen </al><al>- steen en beton buiten schilderen </al><al>- daken, bitumenlaag, grind nieuwe laag, vervangen </al><al>- daken, kunststoflaag, grind vervangen </al><al>- isolatie onder dakbedekking vervangen </al><al>- cv-ketel en toebehoren vervangen, geregeld onderhoud </al><al>- kachels vervangen, geregeld onderhoud </al><al>- ventilatoren (incl. specifieke installaties voor werkplaatsen en
                        specifieke - vaklokalen) vervangen, geregeld onderhoud </al><al>- warmwatertoestel vervangen, geregeld onderhoud </al><al>- brandblusvoorzieningen vervangen, geregeld onderhoud </al><al>- belinstallatie vervangen </al><al>- intercom vervangen </al><al>- liften vervangen </al><al>- klein en dagelijks onderhoud buiten schilderen, beitsen </al><al>- hout en staal binnen schilderen </al><al>- sauswerk nieuwe laag aanbrengen </al><al>- vloerbedekking (incl. gymzaal) vervangen </al><al>- industrieparket schuren, nieuwe laklaag </al><al>- gietasfalt schuren, nieuwe toplaag </al><al>- spijkerribbenvloer (metsellokaal) vervangen spijkerribben </al><al>- verlichting vervangen lampen </al><al>- diverse inventaris goederen vervangen </al><al>- klein en dagelijks onderhoud binnen </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Toelichting Bijlage II</label></kop><al><vet>TOELICHTING Bijlage II</vet></al><al>In veel gevallen dient ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag voor
                        een huisvestingsvoorziening een prognose van leerlingenaantallen te worden
                        overlegd. Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de
                        noodzaak van een aangevraagde voorziening. Tot voor kort werd een aantal
                        prognosemodellen voorgeschreven (Probo II voor het basisscholen, Lasso voor
                        speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het prognosemodel huisvesting voor het voortgezet onderwijs). Nu geeft de
                        verordening burgemeester en wethouders de bevoegdheid nadere regels vast te
                        stellen. Als model is hiertoe in samenwerking met de besturenorganisaties
                        voor het openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt Programma van eisen
                        voor leerlingprognoses opgesteld. In dit programma van eisen is tot op het
                        niveau van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe
                        prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een
                        beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per
                        onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en
                        daarmee tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school. </al><al>Het Programma van eisen voor leerlingprognoses dat in samenwerking met de
                        besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs is opgesteld,
                        is aan gemeenten gezonden als bijlage bij ledenbrief 99/136. Door het
                        vaststellen van dit programma van eisen geven burgemeester en wethouders
                        invulling aan de bepaling dat zij nadere regels kunnen stellen. </al><al>Met de verwijzing naar artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening
                        overleg lokaal onderwijsbeleid wordt bewerkstelligd dat de nadere regels
                        (het Programma van eisen voor leerlingprognoses) onderwerp van overleg
                        worden in het op overeenstemming gericht overleg. </al><al>Door geen prognoseprogrammatuur maar rekenregels vast te stellen, wordt aan
                        de markt overgelaten welke programmatuur in de praktijk voor het
                        prognosticeren van leerlingenaantallen wordt gebruikt. Om te vermijden dat
                        op lokaal niveau technisch gecompliceerde discussies ontstaan over het al of
                        niet voldoen aan de rekenregels, is ter ondersteuning van de gemeenten een
                        'testgroep prognoses' ingesteld. In de testgroep hebben terzake kundige
                        gemeenteambtenaren zitting. De testgroep kan desgevraagd toetsen of een
                        prognoseprogramma voldoet aan het Programma van eisen voor
                        leerlingprognoses. </al></divisie><divisie><kop><label>Toelichting Bijlage III</label></kop><al><vet>TOELICHTING Bijlage III</vet></al><al/><al><vet>Deel A</vet></al><al/><al><vet> De bepaling van de capaciteit</vet><vet>School voor basisonderwijs</vet><vet>Capaciteit van de gebouwen</vet></al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de
                        nulmeting en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen
                        beoordelen maar ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van
                        mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een
                        aantal groepen. De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting. Lang niet alle
                        gebouwen voldoen aan de voor de decentralisatie gehanteerde
                        oppervlaktenormering, vooral veel oudere gebouwen hebben meer m² BVO dan
                        behoort bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Indien een
                        dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is het reëel naar de mogelijkheid te
                        kijken of met de uitbreiding de 'overdimensionering' van het gebouw kan
                        worden teruggedrongen. Van belang daarbij is onder andere de BVO van het
                        gebouw. De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de
                        'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                        schoolgebouwen in het primair onderwijs'. </al><al>De capaciteit van het gebouw was ook een bij het ministerie van OCenW
                        vastliggend gegeven, maar is normatief, aan de hand van oppervlaktetabellen
                        vastgesteld. De werkelijkheid kan afwijkend zijn van de registratie. Om deze
                        reden is gekozen voor een nieuwe vaststelling van de capaciteit van de
                        gebouwen. De capaciteit van een gebouw in groepen is gelijk aan het aantal
                        lokalen in het gebouw. Indien de normatieve BVO behorend bij het
                        vastgestelde aantal groepen dat in het gebouw kan worden gehuisvest, lager
                        is dan de werkelijke BVO, is het gebouw 'overgedimensioneerd'. Het aantal m²
                        van deze 'overdimensionering' is van belang op het moment dat een gebouw
                        moet worden uitgebreid. Op dat moment kan worden bezien in hoeverre de
                        fysieke uitbreiding van het gebouw kan worden beperkt, terwijl de
                        noodzakelijke capaciteitsvergroting van het gebouw wordt gerealiseerd. De
                        vermindering van de 'overdimensionering' van de BVO van het gebouw is van
                        belang om een gunstiger uitgangspunt te creëren voor de vergoeding van de
                        materiële exploitatie. </al><al>Voor een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs wordt de
                        capaciteit op een iets afwijkende manier vastgesteld. De capaciteit van een
                        gebouw voor een sbo, vastgesteld aan de hand van het aantal groepen, is
                        gelijk aan het aantal lokalen verminderd met 1. Het aantal lokalen wordt
                        verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen. Indien
                        het gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen wordt het aantal lokalen
                        verminderd met 3. </al><al>Door de bepaling dat burgemeester en wethouders in overeenstemming met het
                        bevoegd gezag van de school kunnen bepalen dat de capaciteit van het gebouw
                        of de gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op
                        eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere
                        gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                        brede schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een uitleenpost
                        van de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke
                        vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar
                        komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden
                        doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch
                        eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande
                        lokalen worden ingezet. </al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene
                        regel 'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime
                        tijd optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school (of
                        ingebruikname als gevolg van de grotere ruimtebehoefte door de
                        groepsgrootteverkleining). Overigens betekent een verlaging van de
                        capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking kan komen voor een
                        uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken
                        krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen elders. </al><al/><al><vet>Rangordebepaling</vet></al><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                        dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                        leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en
                        zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                        vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                        dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste
                        gebouwen het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen
                        worden afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie
                        van OCenW vastgelegd en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen
                        denkbaar om voor een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere
                        dislocatie kan structureel voldoende huisvesting bieden en door de rangorde
                        aan te passen kan de grotere dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk
                        geval stellen burgemeester en wethouders, na overleg met het bevoegd gezag,
                        een andere volgorde van de dislocaties vast. </al><al/><al><vet>Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer
                        geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                        kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                        niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                        openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar
                        groen en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een
                        geheel is geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel
                        van de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al>Naar de administratie van het ministerie van OCenW kan niet meer worden
                        verwezen, aangezien deze administratie met de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting niet meer actueel is. </al><al/><al><vet>Inventaris</vet></al><al> De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het
                        moment dat uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat
                        een inventaris is verstrekt voor het aantal groepen waarvoor voor het
                        schooljaar 2001/2002 huisvesting zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat
                        voor dit aantal groepen ook een onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd
                        had kunnen worden op basis van de oktobertelling 2000 of op basis van de
                        buitenreguliere telling augustus 2001. Op deze aanvragen is nog door het
                        ministerie van OCenW beslist. Het kan zijn dat in het verleden voor meer
                        groepen onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt dan het aantal groepen
                        waarvoor voor het schooljaar 2001/2002 huisvesting kan worden gevraagd. De
                        gemeente kan dit aantonen aan de hand van de hiertoe afgegeven beschikkingen
                        door het ministerie van OCenW. In een aantal gevallen hebben burgemeester en
                        wethouders, zonder een goedkeurende beschikking van OCenW, zelf gezorgd voor
                        de uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair. Ook dit is
                        aantoonbaar door middel van de daartoe gevoerde correspondentie tussen
                        burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de school. In beide
                        gevallen is het hoogste aantal groepen waarvoor een onderwijsleerpakket en
                        meubilair is verstrekt het uitgangspunt voor het beoordelen van de omvang
                        van de noodzakelijke uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair. </al><al>De periode waarnaar wordt gekeken, is de periode na inwerkingtreding van de
                        WBO voor een basisschool, of de ISOVSO voor een speciale school voor
                        basisonderwijs. In de OWBO en OISOVSO is bepaald dat de inventaris aanwezig
                        op het moment van inwerkingtreding van de wet wordt geacht te voldoen.
                        Verder terugkijken in de tijd heeft dus geen zin. </al><al>Door de wijziging van het Formatiebesluit WPO is de formatie ten behoeve van
                        het verkleinen van de groepen niet meer afzonderlijk zichtbaar. Dit maakt
                        het derhalve onwenselijk het onderscheid tussen formatie groepsverkleining
                        en regulier formatie te blijven hanteren ten behoeve van de eerste
                        inrichting onderwijsleerpakket en meubilair. Voor de eerste inrichting
                        onderwijsleerpakket en meubilair, samen de inventaris, wordt daarom nu ook
                        aangesloten bij de nieuwe formatiebesluit. De invoering van de
                        groepsverkleining brengt met zich mee dat de gemiddelde groepsgrootte daalt
                        van 29 leerlingen naar 24 leerlingen per groep. Om deze reden zijn de
                        inrichtingsbedragen aangepast (zie bijlage IV, paragraaf 1.4) en dient er
                        een omrekening plaats te vinden tussen oude systematiek en nieuwe
                        systematiek van het toekennen van bedragen voor de eerste inrichting. In
                        bijlage 3 van de ledenbriefnummer 01/161 (SEZ/2001003936) wordt uitgebreid
                        ingegaan op de wijze van omrekenen. Kern hierbij is dat de waarde van de
                        huidige inrichting van de school gerelateerd wordt aan een waarde bij de
                        nieuwe systematiek. Deze nieuwe waarde vertegenwoordigt een op een geheel
                        getal afgerond aantal groepen en ligt in beginsel lager dan de oude waarde.
                        Een bestaande school krijgt dus niets minder, maar de waarde van de huidige
                        inventaris wordt lager gesteld: wanneer een school in aanmerking komt voor
                        uitbreiding van de eerste inrichting wordt er met de nieuwe bedragen
                        gerekend, het feit dat een school dus ooit - in financiële zin - meer
                        ontvangen heeft, doet hier niets aan af. </al><al>Het is zinvol om het aantal groepen waarvoor een school geacht wordt te zijn
                        ingericht na omrekening opnieuw vast te stellen in overleg met de scholen. </al><al/><al><vet>Gymnastiekruimten</vet></al><al> De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van
                        belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat
                        gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling
                        van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de
                        gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren. Een
                        gymnastiekruimte behorende tot een school voor basisonderwijs kan 40
                        klokuren worden gebruikt. Een school voor het basisonderwijs kan gezien de
                        schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken
                        van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op
                        klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school
                        dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de
                        betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte
                        beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de klokuren
                        noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere
                        school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de
                        gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden. De terreinoppervlakte
                        van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij
                        het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het
                        terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte
                        van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte
                        voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele
                        aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte,
                        bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de
                        totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt
                        bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein.
                        In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is
                        gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte
                        geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze
                        wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te
                        realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele
                        geval dat voor de invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek
                        wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan,
                        indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen
                        die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden
                        verstrekt. </al><al/><al><vet>(Voortgezet) speciaal onderwijs </vet><vet>Capaciteit van de gebouwen</vet></al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen is van belang om aanvragen
                        voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar ook om de leegstand te kunnen
                        bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen
                        wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen. De eerste keer geschiedt
                        dit in de nulmeting. Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor de
                        decentralisatie gehanteerde oppervlaktenormering, vooral veel oudere
                        gebouwen hebben meer m² BVO dan behoort bij het aantal groepen waarvoor het
                        gebouw geschikt is. Indien een dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is
                        het reëel naar de mogelijkheid te kijken of met de uitbreiding van de
                        zogenaamde 'overdimensionering' van het gebouw kan worden teruggedrongen.
                        Van belang daarbij is onder andere de BVO van het gebouw. De BVO is een
                        gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de 'Meetinstructie voor het
                        vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                        primair onderwijs'. </al><al>De capaciteit van het gebouw was ook een bij het ministerie van OCenW
                        vastliggend gegeven, maar is normatief, aan de hand van het aanwezige aantal
                        lokalen vastgesteld. De werkelijkheid kan afwijkend zijn van deze
                        registratie. Om deze reden is gekozen voor een nieuwe vaststelling van de
                        capaciteit van de gebouwen. De capaciteit van een gebouw, vastgesteld aan de
                        hand van het aantal groepen, is gelijk aan het aantal lokalen in het gebouw
                        verminderd met 1. In het speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen
                        verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen en wordt
                        het aantal lokalen verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan
                        26 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw normatief
                        geschikt is. In het voortgezet speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen
                        verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 14 lokalen en wordt
                        het aantal lokalen verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan
                        28 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw normatief
                        geschikt is. </al><al>Indien de normatieve BVO behorend bij het vastgestelde aantal groepen dat in
                        het gebouw kan worden gehuisvest, lager is dan de werkelijke BVO, is het
                        gebouw 'overgedimensioneerd'. Het aantal m² van deze 'overdimensionering' is
                        van belang op het moment dat een gebouw moet worden uitgebreid. Op dat
                        moment kan worden bezien in hoeverre de fysieke uitbreiding van het gebouw
                        kan worden beperkt, terwijl de noodzakelijke capaciteitsvergroting van het
                        gebouw wordt gerealiseerd. De vermindering van de 'overdimensionering' van
                        de BVO van het gebouw is van belang om een gunstiger uitgangspunt te creëren
                        voor de vergoeding van de materiële exploitatie. </al><al>Door de bepaling dat burgemeester en wethouders in overeenstemming met het
                        bevoegd gezag van de school kunnen bepalen dat de capaciteit van het gebouw
                        of de gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op
                        eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere
                        gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                        brede schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een uitleenpost
                        van de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke
                        vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar
                        komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden
                        doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch
                        eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande
                        lokalen worden ingezet. </al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene
                        regel 'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime
                        tijd optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school.
                        Overigens betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder
                        in aanmerking kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het
                        aantal leerlingen, of te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar
                        leegstaande lokalen elders. </al><al>In tabel 4, Ruimtenormering (V)SO, is de genormeerde BVO weergegeven
                        onderscheiden naar de verschillende schoolsoorten. De bepaling van de
                        genormeerde BVO voor een scholengemeenschap van 6 groepen speciaal onderwijs
                        en 5 groepen voortgezet speciaal onderwijs voor visueel gehandicapten is als
                        volgt: </al><lijst><li nr="-"><al>vaste voet voor een scholengemeenschap visueel gehandicapten 727 m²
                            </al></li><li nr="-"><al>het totaal aantal groepen is 11 waarvan 3 in de vaste voet zijn
                                opgenomen dus voor 8 groepen geldt het aantal m² per groep: 8 * 96 =
                                768 m² </al></li><li nr="-"><al>ten behoeve van de groepen van het VSO dient een correctie te worden
                                gemaakt: 5 * -10 = -50 m² </al></li><li nr="-"><al>totaal 727 + 768 + (-50) = 1445 m² </al></li></lijst><al/><al><vet>Rangordebepaling</vet></al><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                        dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                        leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en
                        zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                        vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                        dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste
                        gebouwen het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen
                        worden afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie
                        van OCenW vastgelegd en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen
                        denkbaar om voor een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld: kan een
                        kleinere dislocatie structureel voldoende huisvesting bieden en kan door de
                        rangorde aan te passen de grotere dislocatie worden afgestoten? In een
                        dergelijk geval stellen burgemeester en wethouders, na overleg met het
                        bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast. </al><al/><al><vet>Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de
                        eerste keer geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in
                        de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale
                        perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of
                        wat soms bij het openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte
                        van het openbaar groen en andere openbare gebouwen tezamen met het
                        schoolterrein als een geheel is geregistreerd, dan wordt het met
                        overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al>Naar de administratie van het ministerie van OCenW kan niet meer worden
                        verwezen, aangezien deze administratie met de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting niet meer actueel is. </al><al/><al><vet>Inventaris</vet></al><al> De inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                        uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat de inventaris
                        is verstrekt voor het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997
                        huisvesting zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat voor dit aantal
                        groepen ook een onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd hadden kunnen
                        worden op basis van de oktobertelling 1995. Op deze aanvragen is nog door
                        het ministerie van OCenW beslist. Het kan zijn dat in het verleden voor meer
                        groepen een onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt dan het aantal
                        groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997 huisvesting kan worden
                        gevraagd. De gemeente kan dit aantonen aan de hand van de hiertoe afgegeven
                        beschikkingen door het ministerie van OCenW. In een aantal gevallen hebben
                        burgemeester en wethouders, zonder een goedkeurende beschikking van OCenW,
                        zelf gezorgd voor de uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair.
                        Ook dit is aantoonbaar door middel van de daartoe gevoerde correspondentie
                        tussen burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de school. In
                        beide gevallen is het hoogste aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket en
                        meubilair is verstrekt het uitgangspunt voor het beoordelen van de omvang
                        van de noodzakelijke uitbreiding van onderwijsleerpakket en meubilair. </al><al>De periode waarnaar wordt gekeken, is de periode na inwerkingtreding van de
                        ISOVSO. In de OISOVSO is bepaald dat de inventaris aanwezig op het moment
                        van inwerkingtreding van de wet wordt geacht te voldoen. Verder terugkijken
                        in de tijd heeft dus geen zin. </al><al/><al><vet>Gymnastiekruimten</vet></al><al>Het is van belang de capaciteit van de gymnastiekruimten vast te stellen
                        vanwege aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren gebruik van een
                        gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                        mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt
                        vastgelegd in een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een
                        school voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt.
                        Een school voor het (voortgezet) speciaal onderwijs kan gezien de
                        schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken
                        van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op
                        klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school
                        wordt de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de
                        desbetreffende school bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte
                        beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de klokuren
                        noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere
                        school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de
                        gemeente of een accommodatie beheerd door derden. </al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte betreft de oppervlakte zoals
                        deze is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de
                        gymnastiekruimte gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig
                        opgenomen zijn in de terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval
                        heeft het geen zin de terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte
                        afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele aanvraag voor
                        uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het
                        gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de totale terreinoppervlakte
                        van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt bekeken. In het enkele geval
                        dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het
                        terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze
                        wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te
                        realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele
                        geval dat voor de invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek
                        wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan,
                        indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen
                        die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden
                        verstrekt. </al><al/><al><vet>Voortgezet onderwijs</vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw voor het voortgezet onderwijs
                        wordt bepaald aan de hand van III-2, de 'Meetinstructie voor het vaststellen
                        van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet
                        onderwijs'. Door de bepaling dat burgemeester en wethouders in
                        overeenstemming met het bevoegd gezag van de school kunnen bepalen dat de
                        capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is
                        het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te zetten binnen het
                        bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                        gedacht aan brede schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een studiehuis-ruimte,
                        een uitleenpost van de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een
                        dergelijke vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor
                        beschikbaar komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het
                        schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het
                        algemeen - juridisch eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke
                        wijze hun leegstaande lokalen worden ingezet. </al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene
                        regel 'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime
                        tijd optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school.
                        Overigens betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder
                        in aanmerking kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het
                        aantal leerlingen, of te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar
                        leegstaande lokalen elders. </al><al>In het voortgezet onderwijs kan de belangstelling van leerlingen voor de
                        verschillende onderwijssoorten/studierichtingen binnen instellingen sterk
                        variëren, ook zonder dat het totale volume wijzigt. Dat heeft van tijd tot
                        tijd wijzigingen van de functies van ruimten tot gevolg. Onder meer om deze
                        reden is gekozen voor een eigen verantwoordelijkheid voor schoolbesturen,
                        waar het de bouwkundige aanpassingen betreft aan de binnenzijde van de
                        gebouwen (tot het drempelbedrag van f 600,-¹ per leerling). Een momentopname
                        van gebouwgegevens op een niveau van afzonderlijke (les)ruimten is, gelet op
                        deze eigen verantwoordelijkheid van schoolbesturen, niet zinvol. </al><al/><al><vet>Terrein</vet></al><al> De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de registratie in
                        de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale
                        perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of
                        wat soms bij het openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte
                        van het openbaar groen en andere openbare gebouwen tezamen met het
                        schoolterrein als een geheel is geregistreerd, dan wordt het met
                        overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al>Naar de administratie van het ministerie van OCenW kan niet meer worden
                        verwezen, aangezien deze administratie met de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting niet meer actueel is. </al><al/><al><vet>Inventaris</vet></al><al>De toekenning van inventaris is in het voortgezet onderwijs vanaf de
                        invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de toekenning van een
                        voorziening in de huisvesting. Deze methodiek wijkt fundamenteel af van de
                        door OCenW gehanteerde systematiek, waarbij inventaristoekenningen juist
                        niet gerelateerd waren aan toekenningen in de huisvesting. </al><al>Bij de start van de nieuwe systematiek wordt ervan uitgegaan, dat alle
                        scholen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van inventaris. </al><al/><al><vet>Gymnastieklokalen</vet></al><al>Het gegeven 'aantal gymnastieklokalen in eigendom' heeft de gemeente nodig
                        om bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren gymnastiek door een
                        VO-instelling te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in de eigen
                        huisvesting kan verzorgen. </al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang
                        vanwege aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt
                        gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand
                        ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten
                        wordt vastgelegd in een aantal lesuren. Een gymnastiekruimte behorende tot
                        een school voor voortgezet onderwijs kan 40 lesuren worden gebruikt. Indien
                        een school aanspraak maakt (kan maken) gedurende een aantal lesuren op het
                        gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is
                        de capaciteit van deze gymnastiekruimte het aantal uren dat deze
                        gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school
                        waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte
                        behorend bij een andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een
                        sportaccommodatie van de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door
                        derden. </al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze
                        is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte
                        gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in
                        de terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                        terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren
                        omdat bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                        gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                        kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                        gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke
                        uitbreiding van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op
                        een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw,
                        wordt de terreinoppervlakte geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze
                        wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te
                        realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van leer- en
                        hulpmiddelen en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat
                        voor de invulling van het noodzakelijke aantal lesuren gymnastiek wordt
                        verwezen naar medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien
                        vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de
                        gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden
                        verstrekt. </al><al/><al/><al><vet>Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><vet>School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een basisschool houdt in dat wordt
                        bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in
                        relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de
                        noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt
                        in groepen, zijnde het aantal formatieplaatsen. Er is onderscheid gemaakt in
                        het bepalen van de ruimtebehoefte voor tijdelijke en voor permanente
                        voorzieningen. Bij de bepaling van de ruimtebehoefte voor een tijdelijke
                        voorziening wordt wel rekening gehouden met de gewogen leerlingen, bij de
                        bepaling van de ruimtebehoefte voor een permanente voorziening wordt hiermee
                        geen rekening gehouden. </al><al>Tevens wordt voorzien in een doorwerking van de formatie voor
                        groepsgrootteverkleining in de bepaling van de ruimtebehoefte van scholen.
                        Voor een uitgebreide toelichting op de bepaling van de ruimtebehoefte als
                        gevolg van de groepsgrootteverkleining wordt verwezen naar de VNG-ledenbrief
                        van 30 september 1997, kenmerk Lbr. 97/170. </al><al>Om de ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs te bepalen
                        is aangesloten bij de N-factoren zoals deze golden voor het voormalig lom-
                        en mlk-onderwijs. Dit betekent dat de groepsgrootte normatief is bepaald op
                        15 leerlingen. Achtergrond van deze keuze is het volgende. Binnen een sbo
                        wordt geen onderscheid gemaakt naar de leeftijd van de leerling. Weliswaar
                        is een sbo toegankelijk voor leerlingen vanaf vier jaar, maar in een
                        afzonderlijke afdeling voor 'jonge risicoleerlingen' (voormalig iobk) is
                        niet voorzien. Ook de formatietoekenning aan een sbo is niet afhankelijk van
                        de leeftijd van de leerlingen. </al><al>Bovendien is gekozen om aan te sluiten bij de N-factor van het voormalig
                        lom- en mlk-onderwijs vanuit de overweging dat een groot deel van de sbo's
                        is opgebouwd uit voormalig lom- mlk -onderwijs zonder iobk-afdeling.
                        Concreet zou een afwijking van de N-factor van 15 voor deze scholen leiden
                        tot een mogelijke aanspraak op uitbreiding zonder dat er sprake is van een
                        leerlingstijging. Gevolg van de keuze voor een N-factor van 15 is dat
                        voormalige lom/mlk-scholen zonder iobk-afdeling een gelijkblijvende
                        ruimtebehoefte behouden. Voor voormalige lom/mlk-scholen met een
                        iobk-afdeling kan de N-factor van 15 tot gevolg hebben dat de ruimtebehoefte
                        lager wordt. Immers, voor de voormalige iobk-afdeling werd een N-factor van
                        12 gehanteerd. Uiteraard bestaat de mogelijkheid om voor deze scholen in
                        overleg tussen het samenwerkingsverband, de sbo en de gemeente een
                        uitzondering te maken op de N-factor van 15. Hierbij kan worden overwogen om
                        de N-factor lager vast te stellen (bijvoorbeeld een gemiddelde van de
                        N-factoren van het voormalig iobk en lom/mlk) of een overgangstermijn te
                        introduceren. </al><al/><al><vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs houdt in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de
                        desbetreffende school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige
                        capaciteit. De omvang van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de
                        capaciteit wordt uitgedrukt in groepen. </al><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SO-school, een VSO-school, een
                        SOVSOschool, een SO-school met een of meer afdelingen of een SOVSO-school
                        met een of meer afdelingen is afhankelijk van het totaal aantal groepen van
                        de desbetreffende school. Het aantal groepen van de SO- en de VSO-component
                        en van de afdelingen wordt per afzonderlijke component vastgesteld. Het
                        aantal groepen van een of meer afdelingen wordt bij het aantal groepen van
                        de SO-component opgeteld. De bepaling van het genormeerd aantal m²
                        bruto-vloeroppervlakte of de bepaling van de genormeerde stichtingskosten is
                        afhankelijk van het aantal groepen SO, het aantal groepen VSO of het aantal
                        groepen SOVSO. </al><al/><al><vet>School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de
                        hand van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een
                        tweetal componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is
                        enerzijds afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en
                        anderzijds afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van de
                        vestiging en het onderwijsaanbod). </al><al>Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis van het aantal leerlingen per
                        onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden component worden bepaald. Een
                        voorbeeld: Het Lokale Lyceum </al><al/><table><tgroup cols="6"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><tbody><row><entry><al>Ruimtesoort</al></entry><entry><al>Leerweg</al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>BVO/II</al></entry><entry><al>aantal II</al></entry><entry><al>BVO</al></entry></row><row><entry><al>onderbouw </al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al>6,02</al></entry><entry><al>100</al></entry><entry><al>602</al></entry></row><row><entry><al>avo/vwo</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al>5,69</al></entry><entry><al>200</al></entry><entry><al>1138</al></entry></row><row><entry><al>totaal</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al>300</al></entry><entry><al>1740 </al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel
                        7.1.b. De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging
                        en heeft geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden.
                        De vaste voet van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter
                        Algemene Ruimte. Het totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op
                        2720 m² bruto vloeroppervlakte Algemene Ruimte. </al><al>Een school komt in aanmerking voor een vaste voet per afdeling als op deze
                        school de beroepsgerichte leerweg voor deze afdeling wordt aangeboden.
                        Uitgangspunt daarbij is dat de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg
                        wordt aangeboden zo veel mogelijk wordt gefaciliteerd ten behoeve van het
                        beroepsgericht onderwijs. Pas als op de instelling de beroepsgerichte
                        leerweg van een bepaalde afdeling of sector wordt aangeboden, mag voor die
                        afdeling of sector ook de leerwegondersteunende of de gemengde leerweg
                        worden aangeboden. </al><al/><al/><al><vet>Deel C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet><vet>School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al/><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                        aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                        voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                        huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                        capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²)
                        dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien
                        in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of
                        gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw.
                        De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder
                        is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid. De
                        omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen
                        zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen.
                        Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                        gedeeltelijk in gebruik worden gegeven. </al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        aanwezig is. </al><al/><al><vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                        aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke
                        voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                        huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                        capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²)
                        dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien
                        in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of
                        gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw.
                        De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder
                        is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid. De
                        omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        aanwezig is. </al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                        groepen waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding
                        tot de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van
                        medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen. </al><al/><al><vet>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de
                        minimaal noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III,
                        deel D, gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                        gestelde eisen. De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang
                        van de terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de
                        uitbreiding hiervan voor een basisschool wordt bepaald door het aantal
                        groepen, op basis van het gewogen leerlingenaantal, waarvoor deze
                        voorziening noodzakelijk is. In het geval van uitbreiding geldt dat het
                        verschil in groepen wordt bepaald door het aantal groepen zoals aanwezig was
                        op de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag en het aantal
                        groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is
                        bekostigd. Het aantal groepen waarvoor de eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket reeds is bekostigd, wordt bepaald door het aantal
                        groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 1996/1997,
                        tenzij burgemeester en wethouders kunnen aantonen dat voor meer groepen
                        eerste inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven. </al><al>In plaats van de teldatum voorafgaande aan de indiening van de aanvraag, is
                        ook mogelijk om de meest recente teldatum te hanteren voor het toetsen welke
                        omvang de toekenning dient te hebben. Voor een toelichting op deze
                        mogelijkheid wordt verwezen naar de toelichting bij bijlage I, onderdeel a
                        lesgebouwen. De omvang van de eerste aanschaf van het meubilair of
                        uitbreiding hiervan voor een basisschool wordt op dezelfde wijze bepaald als
                        de eerste aanschaf of de uitbreiding van het onderwijsleerpakket. De
                        verstrekking of de bekostiging van het meubilair wordt echter bepaald door
                        het aantal groepen op basis van het ongewogen leerlingenaantal. Ook voor
                        meubilair kan de systematiek worden gehanteerd van de 'meest recente
                        teldatum'. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of de
                        uitbreiding hiervan voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt
                        bepaald door het aantal groepen waarvoor deze voorzieningen noodzakelijk is.
                        In geval van uitbreiding geldt dat het verschil in groepen wordt bepaald
                        door het aantal groepen zoals aanwezig was op de laatste teldatum voor het
                        indienen van de aanvraag (of meest recente teldatum) en het aantal groepen
                        waarvoor reeds eerder aanschaf van het onderwijsleerpakket of meubilair is
                        bekostigd. Het aantal groepen waarvoor reeds aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket of meubilair is bekostigd, wordt bepaald door het aantal
                        groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 2001/2002,
                        tenzij burgemeester en wethouders kunnen aantonen dat voor meer groepen
                        eerste inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven. </al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                        noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van
                        onderwijs. Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in
                        aanmerking komen die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het
                        geven van onderwijs niet overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn
                        omdat een gebouw in gebruik wordt genomen of omdat de capaciteit van het
                        gebouw moet worden vergroot voor het creëren van een extra les- of
                        speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van specifieke
                        wet- en regelgeving, bijvoorbeeld Arbo-eisen, kunnen eveneens voor
                        bekostiging in aanmerking komen. Als een oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte
                        installatie komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van een
                        gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging
                        in aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben
                        op de noodzakelijke verplaatsing van de installatie. </al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die
                        noodzakelijk zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn
                        omschreven in het overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de
                        vervanging van de binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van
                        radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming of door het
                        totaal van verschillende van deze activiteiten. </al><al/><al><vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                        aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                        voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                        huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                        capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²)
                        dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien
                        in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of
                        gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw.
                        De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder
                        is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid. De
                        omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen
                        zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen.
                        Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                        gedeeltelijk in gebruik worden gegeven. </al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        aanwezig is. </al><al/><al><vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                        aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke
                        voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                        huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                        capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²)
                        dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien
                        in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of
                        gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw.
                        De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder
                        is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid. De
                        omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        aanwezig is. </al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                        groepen waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding
                        tot de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van
                        medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen. </al><al/><al><vet>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de
                        minimaal noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III,
                        deel D, gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                        gestelde eisen. De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang
                        van de terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de
                        uitbreiding hiervan wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor deze
                        voorziening noodzakelijk is. In het geval van uitbreiding geldt dat het
                        verschil in groepen wordt bepaald door het aantal groepen zoals aanwezig was
                        op de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag en het aantal
                        groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is
                        bekostigd. Het aantal groepen waarvoor de eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket is bekostigd, wordt bepaald door het aantal groepen dat
                        wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 1996/1997, tenzij
                        burgemeester en wethouders kunnen aantonen dat voor meer groepen eerste
                        inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het meubilair of de uitbreiding hiervan
                        wordt op dezelfde wijze bepaald als de eerste aanschaf of de uitbreiding van
                        het onderwijsleerpakket. </al><al>Voor zowel het onderwijsleerpakket als het meubilair kan om de omvang van de
                        toekenning te bepalen, de systematiek van de meest recente teldatum worden
                        gehanteerd. Voor een toelichting op deze mogelijkheid wordt verwezen naar de
                        toelichting bij bijlage I, onderdeel a lesgebouwen. </al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                        noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van
                        onderwijs. Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in
                        aanmerking komen die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het
                        geven van onderwijs niet overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn
                        omdat een gebouw in gebruik wordt genomen of omdat de capaciteit van het
                        gebouw moet worden vergroot voor het creëren van een extra les- of
                        speellokaal. De aanpassing kan ook noodzakelijk zijn omdat een dislocatie
                        wordt afgestoten en specifieke voorzieningen die in de dislocatie aanwezig
                        waren in het hoofdgebouw moeten worden gerealiseerd. Ook kan het zijn dat
                        een dislocatie, als gevolg van een stijging van het aantal leerlingen, de
                        status hoofdgebouw krijgt en als gevolg hiervan moet worden aangepast.
                        Indien de school een ander vak opneemt in het schoolwerkplan en het
                        schoolwerkplan wordt als zodanig door de inspectie goedgekeurd, dan kan een
                        noodzakelijke aanpassing van een lokaal tot het desbetreffende vaklokaal
                        worden goedgekeurd. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van
                        specifieke wet- en regelgeving, bijvoorbeeld Arbo-eisen, kunnen eveneens
                        voor bekostiging in aanmerking komen. In het geval dat een oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte
                        installatie komen de meerkosten van het vervangen van de oliegestookte
                        installatie ten opzichte van het vervangen van een oliegestookte installatie
                        door een gasgestookte installatie voor bekostiging in aanmerking. De
                        meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben op de
                        noodzakelijke verplaatsing van de installatie. De omvang van het onderhoud
                        wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk zijn aan de buitenzijde
                        van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het overzicht 'onderhoud
                        primair onderwijs', door de vervanging van de binnenkozijnen en binnendeuren
                        of door de vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor de
                        centrale verwarming of door het totaal van verschillende van deze
                        activiteiten. </al><al/><al><vet>School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald
                        met behulp van het Ruimtebehoeftemodel, dat staat beschreven in deel B van
                        deze bijlage en het bijbehorende gedeelte van de toelichting. </al><al>In de toekenningscriteria (Bijlage I) is bepaald, dat voor de beoordeling of
                        een instelling voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening in
                        aanmerking komt de beschikbare capaciteit met tien procent wordt verhoogd.
                        Vervolgens wordt bezien of de ruimtebehoefte op basis van de
                        leerlingprognose voor langer dan vijftien jaar deze verhoogde capaciteit
                        overschrijdt. </al><al>Indien zulks het geval is wordt de omvang van de voorziening bepaald door
                        vaststelling van het verschil tussen de werkelijk beschikbare capaciteit
                        (100%) en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel (tabellen 7.1.a en 7.1.b). </al><al>Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan worden opgesteld. Om
                        te bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal een toets
                        moeten plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is van
                        onderbezetting. In geval van medegebruik door een andere school voor
                        voortgezet onderwijs moet bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo
                        op elkaar kunnen worden afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar
                        opheffen. In geval van medegebruik door een school voor primair onderwijs
                        zal gekeken moeten worden of binnen het lesrooster een of meer lokalen
                        leeggeroosterd kunnen worden. Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan
                        zijn bepalend bij de bepaling van de leegstand. Het is nu van belang om
                        enerzijds te toetsen of het lesrooster redelijk is. Is het aantal
                        ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in verhouding tot het aantal
                        leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan het lesrooster getoetst
                        worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in de week niet boven
                        de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32 uur in de week
                        ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij voorkeur een
                        plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel
                        ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting maximaal 16 is
                        in plaats van 26 leerlingen. Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster
                        redelijk is, in verhouding tot de bepaling van de ruimtebehoefte van de
                        instelling, wordt het aan de hand van de volgende criteria getoetst: </al><lijst><li nr="-"><al>aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (excl.
                                gym); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur
                                per week; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen. Uitzondering vormen
                                het praktijkonderwijs (14 leerlingen en het leerwegondersteunend
                                onderwijs 16 leerlingen);</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32
                                uur per week. Voor specifieke lokalen en werkplaatsen ligt het
                                normatieve gebruik op 24 uur per week; </al></li><li nr="-"><al>gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen
                                ruimten voor machinale houtbewerking en de lasserij zijn geschikt
                                voor maximaal 8 leerlingen; </al></li><li nr="-"><al>een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45
                                minuten dan wordt het aantal lessen per week naar rato verhoogd.
                            </al></li></lijst><al/><al>Voor de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen
                        wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent. </al><al/><al><vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>Met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het
                        leerlingenaantal, dat voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode
                        langer dan vier jaar en korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte bepaald.
                        Vergelijking van deze ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde
                        beschikbare capaciteit geeft als resultaat de omvang van de goedgekeurde
                        tijdelijke voorziening, uitgedrukt in m² bruto vloeroppervlakte. </al><al>Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze oppervlakte niet naar lokaalsoort
                        toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het niveau bruto m²'s lesruimte
                        per instelling. Als drempel voor toekenning wordt 1 lokaal gehanteerd, dat
                        wil zeggen dat het gekonstateerde ruimtetekort minimaal 100 m² bruto moet
                        bedragen om voor toekenning van een voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening in aanmerking te komen. Voor de bepaling van de voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing
                        van noodlokalen wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent. </al><al/><al><vet>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen is rechtstreeks
                        gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een
                        vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage I,
                        paragraaf 3.7). </al><al/><al><vet>Gymnastiekruimten</vet></al><al>De bepaling van de omvang van de verschillende voorzieningen in de
                        huisvesting, die gymnastiekruimte betreffen, verloopt, onder toepassing van
                        het Ruimtebehoeftemodel, analoog aan de bepaling van de omvang van
                        toekenningen voor lesgebouwen. </al><al>Voor de bepaling van het aantal in medegebruik te geven lessen gymnastiek is
                        het lesrooster maatgevend. Het maximale aantal lestijden gymnastiek kan met
                        de in paragraaf 3.4 gegeven formule worden berekend. </al><al/><al><vet>Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet></al><al>De wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                        nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen.
                        In de modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen.
                        Enerzijds omdat op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot
                        mogelijk is, anderzijds omdat naar aanleiding van de tweede fase van het
                        Bouwbesluit VROM reeds een aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld
                        zullen worden. </al><al/><al>Ook de minister van OCenW heeft, door middel van een Algemene maatregel van
                        bestuur, enkele minimale oppervlakte-eisen stellen. Deze betreffen echter
                        niet de specifieke ruimten, doch het totale gebouw, danwel alle bij een
                        school in gebruik zijnde gebouwen. Deze normen zijn gepubliceerd in het
                        Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO (Stb. 1997, 125). </al><al>In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de modelverordening alleen iets
                        over de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van
                        ruimten, met name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Toelichting Bijlage IV </label></kop><al><vet>TOELICHTING BIJLAGE IV</vet></al><al/><al>In deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende
                        voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke
                        vergoedingsmethoden, namelijk: </al><lijst><li nr="-"><al>vergoeding op basis van normbedragen (deel A); </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B). </al></li></lijst><al/><al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                        medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld. De keuze tussen vergoeding
                        op basis van normbedragen en vergoeding op basis van feitelijke kosten dient
                        vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de verordening. In deze
                        modelverordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen genormeerd. Slechts
                        indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële uitkomsten leidt, is
                        afgezien van normering. Afhankelijk van de lokale situatie kan de keuze
                        tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten een andere zijn. </al><al/><al><vet>Deel A </vet></al><al/><al><vet>Vergoeding op basis van normbedragen</vet><vet>Procentuele normvergoeding voor bouwvoorbereiding</vet></al><al>In de artikelen 3, 4 en 25 t/m 28 van de modelverordening is een aantal
                        regels gegeven voor het toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding.
                        In de toelichting bij deze artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor
                        bouwvoorbereiding is opgenomen in de genormeerde bedragen in Deel A van
                        Bijlage IV. Dit betekent dat, indien een genormeerde vergoeding voor
                        bouwvoorbereiding (uitgedrukt in een percentage van de bouwkosten) wordt
                        verstrekt, deze vergoeding in mindering moet worden gebracht op de
                        genormeerde vergoeding voor de uiteindelijke realisering van de voorziening.
                        Het hiervoor genoemde percentage is gebaseerd op de veronderstelling dat de
                        aanvrager de bouw voorbereidt tot aan het moment van aanbesteding (dus
                        inclusief de opstelling van het bestek, bouwvoorbereidingstekeningen en de
                        begroting). </al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding,
                        tijdelijke voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair,
                        onderhoud en gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen. Alle genoemde
                        bedragen zijn herleid tot het prijspeil 1 juli 2003. Ten behoeve van de
                        vergoeding van voorzieningen in 2004 zijn deze bedragen vervolgens
                        geïndexeerd met het MEV-cijfer van 2,25% respectievelijk 0,8%. </al><al/><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                        genormeerd op een bedrag voor een vaste voet en een bedrag per groep.
                        Hiernaast kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven
                        voor fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een
                        speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn
                        niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren. </al><al/><al><vet>Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                        noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel
                        door middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de
                        afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de
                        verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik
                        een rol spelen. Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid
                        gemaakt tussen tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het
                        uitbreiden van een permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen
                        en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen
                        als eerste voorziening is er geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er
                        een extra toeslag moet worden gegeven om voorzieningen als directieruimten,
                        lerarenkamer, conciërgeruimte en dergelijke (toeslag hoofdlocatie) te kunnen
                        realiseren. Indien er wel een permanent hoofdgebouw aanwezig is, maar nog
                        geen tijdelijke voorziening, komt de aanvrager bij plaatsing van het eerste
                        noodlokaal in aanmerking voor een toeslag t.b.v. een entree en een garderobe
                        (toeslag eerste lokaal). Indien er reeds een noodaccommodatie aanwezig is,
                        die moet worden uitgebreid, kan worden volstaan met de toekenning van de
                        bedragen (gebaseerd op 80 m²) exclusief de toeslagen. </al><al>Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                        aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                        noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                        schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw
                        huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs
                        vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De vergoeding voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair is
                        aangepast als gevolg van de wijziging van het formatiebesluit. Door deze
                        wijziging kan weer van het principe worden uitgegaan dat wanneer een school
                        met een groep groeit, deze school een lokaal krijgt en uitbreiding volledige
                        eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair, voor zover de school nog
                        niet over deze eerste inrichting beschikt. De reden van de groei niet meer
                        ter zake, omdat bij de vaststelling van de toekenning van de bedragen voor
                        eerste inrichting geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen reguliere groei
                        en groei als gevolg van de groepsverkleining. De toeslag meubilair is
                        verdwenen. Bij de omrekening is geen rekening gehouden met de reeds
                        toegekende toeslagen meubilair. </al><al>De invoering van de groepsverkleining betekent dat er een verschil ontstaat
                        tussen de genormeerde omvang van onderbouw- en bovenbouwgroepen. De
                        genormeerde omvang van onderbouwgroepen is gesteld op 20 leerlingen, voor de
                        bovengroepen geldt 28 leerlingen. De huidige inrichtingsbedragen zijn
                        gebaseerd op een genormeerde groepsgrootte van 29 leerlingen, terwijl de
                        gemiddelde groepsgrootte dus is gedaald tot 24 leerlingen. Dit rechtvaardigt
                        een aanpassing van de normering voor eerste inrichting onderwijsleerpakket
                        en meubilair. Daarnaast wordt de toeslag meubilair afgeschaft. Verder wordt
                        de normering vereenvoudigd. Dit om het ook mogelijk te maken voor scholen
                        met meer dan 30 groepen de bedragen voor eerste inrichting te kunnen
                        bepalen. </al><al>De systematiek valt uiteen in twee delen. Tot en met vijf groepen is het
                        niet mogelijk op een goede manier te lineariseren, hierom is vastgehouden
                        aan de oude toekenningssystematiek. Deze bedragen zijn inclusief de
                        inrichting van het (eerste) speellokaal. Vanaf de zesde groep ontvangt een
                        school per groep een bedrag. In dit bedrag zit niet meer een component voor
                        het tweede speellokaal. Indien er recht ontstaat op een tweede speellokaal
                        ontvangt de school het inrichtingsbedrag als een aparte toeslag tweede
                        speellokaal. Voorbeeld 1: Een nieuwe basisschool heeft recht op negen
                        groepen eerste inrichting. De school beschikt over negen groepsruimten en
                        een speellokaal. De school ontvangt voor de eerste vijf groepen 109.180,59
                        euro (dit bedrag is inclusief het eerste speellokaal) en voor de groepen zes
                        tot en met negen 46.320,88 euro (4 maal 11.580,22 euro). Omdat het een
                        nieuwe school betreft, ontvangt de school 139.951,33 euro (155.501,47 euro
                        minus een korting van 10%). </al><al>Voorbeeld 2: Een basisschool groeit van dertien naar zestien groepen.
                        Hiermee kan de school de vijfde groep vier-vijf-jarigen vormen, de school
                        krijgt derhalve een speellokaal toegekend. De school krijgt drie maal het
                        bedrag 'elke volgende groep' toegekend: 34.740,66 euro (3 maal 11.580,22
                        euro) plus de toeslag tweede speellokaal van 6.158,67 euro totaal 40.899,33
                        euro. </al><al/><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Opgenomen zijn bedragen voor onderhoudsactiviteiten die, conform bijlage I,
                        voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komen. Het gaat hier om
                        grootschaliger onderhoudsactiviteiten, immers het dagelijks onderhoud wordt
                        door middel van de vergoeding voor preventief onderhoud door het ministerie
                        aan het bevoegd gezag vergoed. De vergoeding valt uiteen in een vast bedrag
                        en een bedrag per vierkante meter bruto-vloeroppervlakte van het gebouw (ook
                        voor buitenberging en terreinen!). Alleen bij de vergoeding voor het
                        vervangen van de pannen, de goten en het houtwerk bij een hellend dak dient
                        nog een correctiefactor te worden toegepast. Deze factor kan worden
                        vastgesteld bij de nulmeting. De vergoeding voor het vervangen van bitumen
                        dakbedekking op een plat dak bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per
                        m² bruto-vloeroppervlakte. Indien een schoolgebouw uit meerdere verdiepingen
                        bestaat, leidt het bedrag per m² bruto-vloeroppervlakte tot een te hoge
                        vergoeding. Voor een dergelijk gebouw dient te worden uitgegaan van het
                        aantal m² dakoppervlakte (zie voetnoot 2 bij de tabel onderhoud, paragraaf
                        1.5). In dezelfde tabel zijn de onderhoudsactiviteiten 'algehele vervanging
                        van kozijnen en deuren' en 'algehele vervanging van hang- en sluitwerk'
                        vanwege hun nauwe samenhang samengebracht in een vergoedingsformule. </al><al/><al><vet>Gymnastiek</vet></al><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                        uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie, eerste inrichting met
                        onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Hiernaast zijn bedragen
                        opgenomen voor de klokuurvergoeding (materiële exploitatie), welke van
                        toepassing zijn bij gebruik van een 'eigen' gymnastiekzaal en bij
                        medegebruik/huur van een gymnastiekaccommodatie. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding,
                        tijdelijke voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair,
                        onderhoud en gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen. Alle genoemde
                        bedragen zijn herleid tot het prijspeil 1 juli 2003. Ten behoeve van de
                        vergoeding van voorzieningen in 2004 zijn deze bedragen vervolgens
                        geïndexeerd met het MEV-cijfer van 2,25% respectievelijk 0,8%. </al><al/><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                        genormeerd op een bedrag voor een vaste voet en een bedrag per groep.
                        Hiernaast kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven
                        voor fundering, het realiseren van een speellokaal en sloopkosten. Kosten
                        voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze
                        kosten met de ligging sterk kunnen variëren. </al><al>De bouwkosten en de toeslag voor de paalfundering variëren al naar gelang de
                        schoolsoort. Deze variatie is van belang gezien de schoolsoortspecifieke
                        technische eisen. In bepaalde omstandigheden, afhankelijk van de omvang van
                        de school, wordt een toeslag gegeven voor een extra ruimte. In het VSO kan
                        hiermee een vaklokaal worden gerealiseerd. De vergoeding voor SOVSO-scholen
                        voorziet hiernaast nog in een bedrag als gevolg van de correctiefactor in de
                        oppervlakteberekening. Voor elke groep VSO wordt bij nieuwbouw en
                        uitbreiding het investeringsbedrag met het 'bedrag correctie SOVSO'
                        gecorrigeerd.</al><al/><al><vet>Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                        noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel
                        door middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de
                        afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de
                        verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik
                        een rol spelen. Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid
                        gemaakt tussen tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het
                        uitbreiden van een permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen
                        en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen
                        als eerste voorziening is er geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er
                        een extra toeslag moet worden gegeven om voorzieningen als directieruimten,
                        lerarenkamer, conciërgeruimte en dergelijke (toeslag hoofdlocatie) te kunnen
                        realiseren. Indien er wel een permanent hoofdgebouw aanwezig is, maar nog
                        geen tijdelijke voorziening, komt de aanvrager bij plaatsing van het eerste
                        noodlokaal in aanmerking voor een toeslag t.b.v. een entree en een garderobe
                        (toeslag eerste lokaal). Indien er reeds een noodaccommodatie aanwezig is,
                        die moet worden uitgebreid, kan worden volstaan met de toekenning van de
                        bedragen (gebaseerd op 80 m²) exclusief de toeslagen. </al><al>Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                        aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                        noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                        schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw
                        huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs
                        vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Tot de wijzigingen van de modelverordening in 2003 werd in de verordening
                        verwezen naar de tabellen in het 'programma van eisen 1996' van het
                        bekostigingsstelsel voor het (voortgezet) onderwijs. De hierin genoemde
                        bedragen dienden te worden geïndexeerd. Dit maakte dat de bedragen voor
                        eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair verschilden per
                        schoolsoort, naar type lokaal en naar omvang van de school. Bij de
                        wijzigingen van de modelverordening in 2003 is een vereenvoudiging
                        doorgevoerd. Voortaan wordt per eerste inrichting per groep toegekend, tot
                        aan vier groepen geldt een vaste voet (met uitzondering van een
                        nevenvestiging). </al><al>Bij de vereenvoudiging is het onderscheid tussen theorielokalen en
                        vaklokalen in het VSO vervallen. De inrichtingsbedragen per groep zijn
                        gemiddeld. Wel kent de nieuwe tabel een toeslag extra ruimte. </al><al/><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Opgenomen zijn bedragen voor onderhoudsactiviteiten die, conform bijlage I,
                        voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komen. Het gaat hier om
                        grootschaliger onderhoudsactiviteiten, immers het dagelijks onderhoud wordt
                        door middel van de vergoeding voor preventief onderhoud door het ministerie
                        aan het bevoegd gezag vergoed. De vergoeding valt uiteen in een vast bedrag
                        en een bedrag per vierkante meter bruto-vloeroppervlakte van het gebouw (ook
                        voor buitenberging en terreinen!). Alleen bij de vergoeding voor het
                        vervangen van de pannen, de goten en het houtwerk bij een hellend dak dient
                        nog een correctiefactor te worden toegepast. Deze factor kan worden
                        vastgesteld bij de nulmeting. De vergoeding voor het vervangen van bitumen
                        dakbedekking op een plat dak bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per
                        m² bruto-vloeroppervlakte. Indien een schoolgebouw uit meerdere verdiepingen
                        bestaat, leidt het bedrag per m² bruto-vloeroppervlakte tot een te hoge
                        vergoeding. Voor een dergelijk gebouw dient te worden uitgegaan van het
                        aantal m² dakoppervlakte (zie voetnoot 2 bij de tabel onderhoud, paragraaf
                        2.5). In dezelfde tabel zijn de onderhoudsactiviteiten 'algehele vervanging
                        van kozijnen en deuren' en 'algehele vervanging van hang- en sluitwerk'
                        vanwege hun nauwe samenhang samengebracht in een vergoedingsformule. </al><al/><al><vet>Gymnastiek</vet></al><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                        uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie, eerste inrichting met
                        onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Voor LG- en MG-scholen is er een
                        extra toeslag voor het vergroten van de entree en de was- en kleedruimte.
                        Bij de voorziening 'bad voor watergewenning en bewegingstherapie' is slechts
                        medegebruik van toepassing. Indien nieuwbouw van een dergelijke voorziening
                        noodzakelijk is vindt vergoeding op basis van feitelijke kosten plaats (zie
                        deel B). </al><al>Hiernaast zijn bedragen opgenomen voor de klokuurvergoeding (materiële
                        exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een 'eigen'
                        gymnastiekzaal en bij medegebruik/huur van een gymnastiekaccommodatie. </al><al/><al><vet>3 Voortgezet onderwijs</vet> In dit hoofdstuk zijn voor de
                        voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, eerste
                        inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair en gymnastiek genormeerde
                        bedragen opgenomen. Alle genoemde bedragen zijn herleid tot het prijspeil 1
                        juli 2003 en ten behoeve van de vergoeding van voorzieningen in 2004
                        geïndexeerd met het MEV-cijfer 2,25% respectievelijk 0,8%. </al><al/><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>De kosten voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw zijn
                        genormeerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ruimte-afhankelijke kosten
                        (lokaalspecifiek) en sectie-afhankelijke kosten (sectie-specifiek).
                        Hiernaast kan, afhankelijk van de beoordeling, een vergoeding voor
                        aanvullende normkosten (fundering en bemaling) worden gegeven. Kosten voor
                        de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met
                        de ligging sterk kunnen variëren. </al><al>Om de normvergoeding van de investeringskosten te kunnen berekenen is het
                        noodzakelijk te weten met hoeveel vierkante meters BVO de verschillende
                        ruimtesoorten moeten worden uitgebreid of teruggebracht. Het huidige gebouw
                        zal daarom eerst moeten worden opgemeten. Dit kan in drie stappen gebeuren: </al><lijst><li nr="1."><al>Opmeten van de netto vierkante meters van de specifieke ruimten.
                                Door vermenigvuldiging van de netto vierkante meters van deze
                                ruimten met de bruto/netto factor van 1,67 wordt de BVO van deze
                                ruimten verkregen. </al></li><li nr="2."><al>Opmeten van de netto vierkante meters van de werkplaatsen. Ter
                                verkrijging van de BVO van deze werkplaatsen kunnen deze netto
                                vierkante meters worden vermenigvuldigd met de bruto/netto factor
                                van 1,38. </al></li><li nr="3."><al>De vierkante meters BVO van de algemene ruimte zijn nu: BVO van het
                                gebouw minus BVO specifieke ruimten en BVO werkplaatsen. Oftewel: </al><al/></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bestaande BVO totaal </al></entry><entry><al>... m²</al></entry></row><row><entry><al>BVO specifieke ruimte (netto m² x 1,67)</al></entry><entry><al>.. m²</al></entry></row><row><entry><al>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38)</al></entry><entry><al>... m²</al></entry></row><row><entry><al>= Algemene ruimte</al></entry><entry><al>... m²</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Het tekort of overschot per ruimtesoort wordt daarop vermenigvuldigd met het
                        bedrag per vierkante meter BVO. Door sommering van deze positieve en
                        negatieve bedragen wordt het totaal bedrag aan normvergoeding voor
                        investeringskosten/inventaris verkregen. Dit bedrag per vierkante meter BVO
                        verschilt overigens per omvang van de goed te keuren uitbreiding of
                        nieuwbouw (zie deel A, 3.1 van bijlage IV). </al><al>Bij het in de vorige alinea berekende bedrag moeten vervolgens ook nog de
                        vergoedingen voor de sectie-afhankelijke en de aanvullende kosten worden
                        opgeteld. </al><al/><al><vet>Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                        noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel
                        door middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de
                        afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de
                        verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik
                        een rol spelen. Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt geen
                        onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van tijdelijke lokalen als eerste
                        voorziening en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie. Met de op
                        basis van bijlage III goedgekeurde oppervlakte kan door middel van de
                        formule het investeringsbedrag worden berekend. Dit investeringsbedrag omvat
                        tevens alle bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor fundering,
                        aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke. </al><al>Indien een tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                        aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                        noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                        schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw
                        huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs
                        vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet></al><al>De normvergoeding voor inventaris wordt berekend door het tekort of
                        overschot per ruimtesoort te vermenigvuldigen met het normatieve bedrag per
                        m² wat voor deze ruimten is opgenomen. Hierbij gaat de vergelijking echter
                        iets verder: </al><al>Bestaande BVO totaal ... m² </al><lijst><li nr="-"><al>BVO specifieke ruimte Handel/verkoop administratie (netto m² x 1,67)
                                ... m² </al></li><li nr="-"><al> BVO specifieke ruimte (uiterlijke) verzorging/mode en commercie ...
                                m² (netto m² x 1,67) </al></li><li nr="-"><al> BVO werkplaatsen Techniek Algemeen (netto m² x 1,38) ... m² </al></li><li nr="-"><al> BVO werkplaatsen Grafische Techniek (netto m² x 1,38) ... m² </al></li><li nr="-"><al> BVO werkplaatsen Landbouw (netto m² x 1,38) ... m² </al></li><li nr="-"><al> BVO werkplaatsen AMVB (netto m² x 1,67) ... m² </al></li><li nr="-"><al> BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38) ... m² </al></li></lijst><al> = Algemene ruimte ... m² </al><al/><al>Het bovenstaande betekent voor inventaris dat als een school goedkope ruimte
                        moet ombouwen voor dure ruimte, het verschil in inventariskosten wordt
                        gecompenseerd. Dit kan gebeuren als algemene ruimte verbouwd wordt tot
                        werkplaats of specifieke ruimte. Andersom kan ook voorkomen, dat de school
                        gekort wordt op het bedrag voor inventaris als werkplaatsen of specifieke
                        ruimte wordt verbouwd tot algemene ruimte. Bij dit laatste kan het in
                        uitzonderlijke gevallen voorkomen dat het totaalbedrag negatief wordt. In
                        dit uitzonderlijke geval wordt het bedrag voor inventaris op nul gezet. </al><al/><al><vet>Gymnastiek</vet></al><al>Voor gymnastiek wordt een aparte vergelijking gemaakt tussen het aantal
                        gymzalen waar normatief recht op bestaat en het aantal aanwezige zalen. Bij
                        uitbreiding van een oefenvloer tot 252 m² kan het normbedrag aan
                        inventaris/investeringskosten worden berekend door: </al><lijst><li nr="-"><al>vermenigvuldiging van de netto m² met 1,3 tot BVO; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>door vermenigvuldiging van deze BVO met het aantal normbedrag per
                                vierkante meter voor inventaris/investeringskosten. </al></li></lijst><al/><al><vet>4 Indexering</vet></al><al>Op grond van artikel 102, derde lid WPO; artikel 100, derde lid WEC en
                        artikel 76m, derde lid, en 217, derde lid WVO, is de gemeente verplicht
                        normen vast te stellen aan de hand waarvan bedragen kunnen worden
                        vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. Een aantal
                        voorzieningen, zoals aanpassing en soms ook onderhoud, zal worden bekostigd
                        nadat een offerte is uitgebracht en beoordeeld. Deze voorzieningen zijn
                        gezien de enorme verscheidenheid niet of nauwelijks zinvol te normeren.
                        Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen op basis van normbedragen
                        worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen jaarlijks moeten
                        worden aangepast aan het geldende prijspeil. </al><al>Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op
                        een actueel prijspeil gebracht. Ten behoeve van bijvoorbeeld de
                        begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan van vaststaande cijfers in
                        het volgende jaar door met behulp van zogenaamde MEV-cijfers het prijspeil
                        voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze methodiek van toepassing
                        te verklaren, liggen de vergoedingen voor de voorzieningen vast. Het
                        vorenstaande betreft de methodiek die momenteel wordt gehanteerd in het
                        primair onderwijs. Jaarlijks wordt het prijsniveau gepubliceerd van het
                        daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling zal het
                        gepubliceerde prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk
                        prijspeil, dus een 'terugcorrectie' met het MEV-cijfer. </al><al>De keuze van indexcijfer is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze in
                        de verordening vast te leggen. De vaststelling van de index is jaarlijks. De
                        vaststelling kan tegelijkertijd plaatsvinden met de vaststelling van het
                        programma en het overzicht. Gezien het tijdstip van vaststellen van het
                        programma en het overzicht kan zonder problemen ook het MEV-cijfer worden
                        gehanteerd omdat dit cijfer definitief bekend wordt gemaakt op de derde
                        dinsdag in september. </al><al>Een alternatief voor het hanteren van de MEV-cijfers is het gebruik maken
                        van een inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd ten behoeve van de
                        gemeentebegroting; ook kan het percentage waarmee het Gemeentefonds wordt
                        aangepast van toepassing worden verklaard bij de bijstelling van de
                        normbedragen. De eerste vastlegging van het prijspeil is gebaseerd op de
                        normbedragen zoals deze nu worden gehanteerd door het ministerie van OCenW.
                        Dit prijspeil heeft een directe relatie met de ruimtenormen die de grondslag
                        vormen van de vergoedingen. </al><al/><al><vet>Deel B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al>In deze modelverordening is getracht zoveel mogelijk vergoedingen te
                        normeren (deel A). Voor een beperkt aantal voorzieningen is echter geen
                        genormeerde vergoeding opgenomen. Deze voorzieningen dienen derhalve op
                        basis van feitelijke kosten te worden vergoed. Uiteraard kan op lokaal
                        niveau een andere scheiding tussen de genormeerde vergoeding en vergoeding
                        op basis van feitelijke kosten worden gemaakt. Deze keuze dient echter wel
                        vastgelegd te worden in artikel 4 van de verordening. </al><al/><al>In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van feitelijke kosten,
                        volgens deze modelverordening, van toepassing op de volgende voorzieningen: </al><al>verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen; </al><al>nieuwbouw van een bad voor watergewenning of bewegingstherapie (V)SO; </al><lijst><li nr="-"><al>aanpassingen aan gebouwen; </al></li><li nr="-"><al>herstel van constructiefouten; </al></li><li nr="-"><al>herstel van schade; </al></li><li nr="-"><al>kosten van bouwvoorbereiding; alsmede </al></li><li nr="-"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;
                            </al></li><li nr="-"><al>aankoop van terreinen; </al></li><li nr="-"><al>huur van gymnastiekruimten van derden; </al></li><li nr="-"><al>huur van bestaande gebouwen. </al></li></lijst><al/><al>Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels,
                        zoals vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard
                        niet voor aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze
                        voorzieningen worden de overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed. </al><al/><al><vet>Procedure vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al>Vergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de
                        vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit
                        te voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte
                        geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het
                        programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de
                        aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de
                        vaststelling van het bedrag en het programma wordt deze kostenraming
                        beoordeeld en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit
                        bedrag wordt na vaststelling van het programma in de beschikking voor de
                        aanvrager vermeld. Dit bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen
                        derhalve geen rechten aan worden ontleend). De daadwerkelijke hoogte van de
                        vergoeding wordt bepaald aan de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat
                        kan derhalve leiden tot meer- of minderkosten ten opzichte van de raming.
                        Deze meer- of minderkosten hebben geen invloed meer op de voorzieningen, die
                        op het reeds vastgestelde programma en overzicht zijn geplaatst.</al><al/><al><vet>Aanbestedingsregels¹</vet></al><al>Aangezien de daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt gebaseerd op de
                        laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen van offertes door
                        middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige wijze gebeurt.
                        Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de gemeente, met het
                        oog op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen stellen aan de
                        te volgen aanbestedingsprocedure. In het overleg tussen aanvrager en
                        gemeente ingevolge artikel 15 worden nadere afspraken gemaakt over de te
                        volgen aanbestedingsprocedure. </al><al>Een aanbestedingsprocedure heeft tot doel de rechtsverhouding tussen
                        opdrachtgever enerzijds en de gegadigde(n) voor de opdracht anderzijds goed
                        te regelen. De in ons land meest gehanteerde aanbestedingsprocedures zijn
                        het Uniforme aanbestedingsreglement 1986 (UAR 1986) en, voor opdrachten die
                        onder de EG-richtlijn vallen, het Uniform aanbestedingsreglement-EG 1991
                        (UAR-EG 1991). Beide reglementen zijn na uitvoerig overleg tussen de
                        verschillende betrokkenen in de bouwwereld tot stand gekomen. Beide
                        reglementen voldoen tevens aan de algemene beginselen van behoorlijk
                        bestuur. Slechts de rijksoverheid is verplicht om beide reglementen toe te
                        passen. Veel gemeenten hebben echter het UAR 1986 op zichzelf van toepassing
                        verklaard, dan wel mede op basis hiervan een eigen aanbestedingsbeleid
                        geformuleerd. Als er van een eigen aanbestedingsbeleid sprake is, kan ook
                        dit beleid, in plaats van het UAR 1986, van toepassing worden verklaard op
                        opdrachten in het kader van deze verordening. Voorzover hierover in de
                        gemeente nog niets is geregeld, verdient het aanbeveling om het UAR 1986 op
                        de opdrachten in het kader van de onderwijshuisvesting van toepassing te
                        verklaren. Het UAR 1986 biedt een viertal mogelijke aanbestedingsprocedures,
                        die afhankelijk van de omvang van de opdracht en de lokale omstandigheden
                        kunnen worden toegepast, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>De openbare aanbesteding: de aanbesteding wordt algemeen bekend
                                gemaakt en ieder gegadigde kan een offerte indienen; </al></li><li nr="2."><al>De aanbesteding met voorafgaande selectie: de aanbesteding wordt
                                algemeen bekend gemaakt en gegadigden kunnen zich melden. Een
                                beperkt aantal geselecteerde gegadigden wordt uitgenodigd een
                                offerte in te dienen; </al></li><li nr="3."><al>De onderhandse aanbesteding: voor de aanbesteding wordt een beperkt
                                aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om offerte uit te
                                brengen; en </al></li><li nr="4."><al>De onderhandse aanbesteding na selectie: voor de aanbesteding wordt
                                een beperkt aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om deel te
                                nemen aan een selectie. De geselecteerde gegadigde wordt uitgenodigd
                                offerte uit te brengen. </al></li></lijst><al/><al>Aspecten die bij de keuze voor een van de procedures een rol spelen zijn
                        bijvoorbeeld de openbaarheid, de optimale prijsvorming door concurrentie, de
                        kwaliteit van de aannemer, de kostendeskundigheid van de opdrachtgever, de
                        mogelijkheden tot adequate directievoering van de opdrachtgever en
                        dergelijke. Bij kleine en middelgrote projecten verdient het aanbeveling de
                        procedure van de onderhandse aanbesteding dan wel de procedure van
                        aanbesteding met voorafgaande selectie te volgen. Bij grote projecten, onder
                        het EG-drempelbedrag, ligt de procedure van de openbare aanbesteding het
                        meest voor de hand. </al><al>Naast deze in het UAR 1986 aangegeven wijzen van aanbesteding, kan er ook op
                        basis van enkelvoudige uitnodiging worden gegund. Hierbij wordt vooraf een
                        gegadigde, bijvoorbeeld een plaatselijke aannemer, uitgezocht en gevraagd
                        offerte uit te brengen. Hierbij wordt derhalve afgezien van mogelijke
                        voordelen van concurrentie en brede oriëntatie op de markt. Het vraagt
                        tevens grote kostendeskundigheid van de opdrachtgever om tot reële
                        prijsvorming te komen. Ook zullen er vele afspraken moeten worden vastgelegd
                        bij de gunning, bijvoorbeeld t.a.v. termijnen, afstandsverklaring en
                        dergelijke. Gezien het karakter van de enkelvoudige uitnodiging dient zeer
                        terughoudend met deze mogelijkheid te worden omgegaan. Slechts bij zeer
                        kleine opdrachten, dan wel bij zeer gespecialiseerde werkzaamheden kan
                        overwogen worden van de enkelvoudige uitnodiging gebruik te maken.
                        </al><al><vet>[10]</vet><vet>[11]</vet></al><al/><al><vet>Deel C Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al>Medegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen.
                        Indien medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken
                        over een aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school
                        aan de eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de
                        gemeente de hoogte van de vergoeding bepalen. </al><al> Het medegebruikstarief voorziet in een vergoeding voor de gebouwafhanklijke
                        kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke. In het bekostigingsstelsel
                        voor de materiële instandhouding voor het basisonderwijs is dit bedrag
                        vormgegeven in het bedrag dat voor elke groep meer dan zes groepen ter
                        beschikking wordt gesteld. Dit bedrag is tevens van toepassing voor
                        medegebruik in het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet
                        onderwijs. </al><al/><al>Voor 2004 is de vergoeding € 3.920,- (zie PvE 2004, www.cfi.nl) </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Toelichting Bijlage V</label></kop><al><vet>TOELICHTING BIJLAGE V</vet></al><al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het
                        beschikbaar gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor
                        alle potentiële toekenningen - alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen
                        aan de beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn - een nadere en
                        eenduidige volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig
                        om te bepalen welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking
                        komen voor bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de
                        urgentiecriteria niet te worden toegepast en volstaat het toepassen van de
                        beoordelingscriteria en de toekenning van een bedrag, dus de beschreven
                        regels in de bijlagen I tot en met IV. </al><al>Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt de
                        gemeente niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee
                        correcte toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van de
                        gemeenteraad zeker zal uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget
                        meer is. </al><al>Voor het staande houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig
                        de criteria die de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de
                        uitvoering daaraan strikt de hand te houden. Met de hieronder gehanteerde
                        indeling in hoofd- en subprioriteiten is dit mogelijk. </al><al>De zorg voor adequate huisvesting volgens de wet betekent concreet dat het
                        vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat: </al><lijst><li nr="a."><al>elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/
                                nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk); </al></li><li nr="b."><al>vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                                constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met
                                bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van
                                het onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed; </al></li><li nr="c."><al>voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van
                                onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt
                                vergoed. </al></li></lijst><al/><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of
                        het budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het
                        budget voor de volgende programma's en op de mogelijkheden andere, minder
                        urgente voorzieningen toe te kennen. </al><al>Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in
                        aanmerking komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te
                        vinden om te bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt
                        geplaatst. De volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de
                        lijst van goed te keuren voorzieningen. </al><al>In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen
                        niet nodeloos gecompliceerd te maken. </al><al>De gemeente kan één integraal budget vaststellen voor alle drie de
                        onderwijssectoren tezamen. Dit zorgt voor een integrale afweging. Van die
                        systematiek is in de modelverordening uitgegaan. De gemeente kan ook
                        deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter vóór de beoordeling van de
                        voorzieningen plaats te vinden. Een dergelijke handelwijze komt overeen met
                        die van het ministerie vóór 1997. Indien een gemeente een bepaald beleid wil
                        prioriteren, dan dient dit in de systematiek van de modelverordening te
                        geschieden door een wijziging van de urgentiecriteria, en dus door een
                        wijziging van de verordening. </al><al>De voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden
                        opgenomen als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog
                        subprioriteiten worden onderscheiden. </al><al>(Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                        capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                        gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                        oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                        voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit
                        wordt dus in een percentage uitgedrukt). </al><al>Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van
                        individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet
                        scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking
                        gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor
                        individuele aanvragen. </al><al>De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat
                        onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                        onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek
                        en de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt
                        als eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3
                        is een volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw
                        een zekere mate van onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens
                        voorzieningen voor (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige
                        ruimten/niet-lesgebouwen. </al><al>De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen (bijvoorbeeld
                        Bouwbesluit, Arbo, brandweereisen) vallen onder hoofdprioriteit 3. Voor
                        zover sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het schoolgebouw op
                        korte termijn indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er sprake van
                        een voorziening die spoedeisend is. </al><al/><al>Samenvatting urgentiecriteria: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Hoofdprioriteiten</al></entry><entry><al>Subprioriteiten</al></entry><entry><al>Rangorde bepaling door:</al></entry></row><row><entry><al>1 capaciteitstekorten</al></entry><entry><al>a met herschikking</al></entry><entry><al>percentage capaciteitstekort </al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>b zonder herschikking</al></entry><entry><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>c bij gymnastiekruimten</al></entry><entry><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry><al>2 adequaat onderhoudsniveau</al></entry><entry><al>a gebouw</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>b theorie-/leslokaal</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>d niet-lesruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>e overige ruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>3 voldoen aan wettelijke verplichtingen</al></entry><entry><al>a gebouw</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>b theorie-/leslokaal</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>d niet-lesruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>e overige ruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>4 nieuwe onderwijskundige inzichten c.a.</al></entry><entry><al>a voor theorie-/leslokalen</al></entry><entry><al>percentage leerlingen waar voor nieuw onderwijskundig
                                            beleid geldt</al></entry></row><row><entry><al>b voor vak-/speellokalen/ gymnastiekruimten</al></entry><entry><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig
                                            beleid geldt</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>c overige (toekomstige) onderwijsruimten percentage
                                            leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                            geldt</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>d herstel/vervanging schade in bijzondere
                                            omstandigheden,voor zover niet spoedeisend mate van
                                            ernst van de schade</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>e overige activiteiten</al></entry><entry><al>ouderdom van het gebouw </al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Voorbeeld: Na toepassing van de beoordelingscriteria blijken er in de
                        gemeente X zeven aanvragen te zijn, die potentieel voor goedkeuring in
                        aanmerking komen. Het totale bedrag, dat hiermee gemoeid is bedraagt f
                        730.000,-. </al><al/><al>Het gaat om de volgende aanvragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Onderwerp:</al></entry><entry><al>Bedrag:</al></entry></row><row><entry><al>a Aanpassingen t.b.v. studiehuis V.O.</al></entry><entry><al>220.000,- </al></entry></row><row><entry><al>b ARBO-aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry><al>10.000,-</al></entry></row><row><entry><al>c ARBO-aanpassing lokaal B.O. </al></entry><entry><al>40.000,-</al></entry></row><row><entry><al>d Uitbreiding 1 groep</al></entry><entry><al>50.000,-</al></entry></row><row><entry><al>e Uitbreiding oefenvloer</al></entry><entry><al>300.000,-</al></entry></row><row><entry><al>f Onderhoud dak B.O.</al></entry><entry><al>30.000,- </al></entry></row><row><entry><al>g Onderhoud erfscheiding V.S.O.</al></entry><entry><al>80.000,-</al></entry><entry><al>TOTAAL: </al></entry><entry><al>730.000,- </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Deze zeven aanvragen worden allereerst ingedeeld in hoofd- en
                        subprioriteiten, vervolgens voorzien van de score en ten slotte in volgorde
                        van de urgentiecriteria gezet. Daar waar meerdere aanvragen in dezelfde
                        hoofd- en subprioriteit voorkomen komt als eerste de aanvraag met de hoogste
                        score. De score wordt als volgt bepaald: </al><lijst><li nr="-"><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 1 door het relatieve tekort aan
                                capaciteit. Bij aanvraag d is het tekort bijvoorbeeld 1 groepsruimte
                                op een aanwezige capaciteit voor 8 groepen. De 55%-score bij
                                aanvraag e komt tot stand omdat de bestaande oefenvloer van 140 m²
                                wordt uitgebreid tot 252 m²; </al></li><li nr="-"><al>Voor de aanvragen in de hoofdprioriteiten 2 en 3 door de uitkomst
                                van de bouwtechnische opname. Hoe hoger de score hoe meer noodzaak
                                het probleem aan te pakken; </al></li><li nr="-"><al> Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 4 door het relatieve gebruik
                                van de onderwijskundige vernieuwing. </al></li></lijst><al/><al>Bij aanvraag a is de score bijvoorbeeld 33%, omdat de vernieuwing voor de
                        bovenste twee leerjaren van een zes leerjaren tellende opleiding is bedoeld. </al><al/><al><vet>[1]</vet> Aankruisen/invullen hetgeen van toepassing is. </al><al><vet>[2]</vet> Doorhalen hetgeen niet van toepassing is. </al><al><vet>[3]</vet> Aankruisen (bij 0)/invullen hetgeen van toepassing is. </al><al><vet>[4]</vet> Doorhalen hetgeen niet van toepassing is. </al><al><vet>[5]</vet> Alleen verstrekken wanneer het betrokken schoolbestuur
                        eigenaar is van de gymnastiekruimte. </al><al><vet>6]</vet> Opgave van gewenste dagdelen is hier voldoende.
                        Aankruisen/invullen hetgeen van toepassing is. </al><al><vet>[7]</vet> Doorhalen hetgeen niet van toepassing is. </al><al><vet>[8]</vet> Doorhalen hetgeen niet van toepassing is (zie bijlage 5 van
                        de modelverordening, paragrafen 2.2 en 2.3). </al><al><vet>[9]</vet>Doordat besloten is de invoering van de decentralisatie
                        onderwijshuisvesting uit te stellen tot 1/1/97, wordt gestart met een
                        korting van f 50 miljoen in 1997. </al><al><vet>[10]</vet> Als beste uit de bus; Gemeentelijk aanbestedingsbeleid,
                        Europese regels en contractvormen in de bouw. VNG-uitgeverij, 1994. (Deze
                        uitgave wordt naar verwachting in oktober 1996 geactualiseerd.) </al><al><vet>[11]</vet> Uniform aanbestedingsreglement, waarin opgenomen UAR 1986 en
                        UAR-EG 1991, ministerie van VROM, Staatsuitgeverij, 1995.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>