<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR80313_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Baarn 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentenieuws, Baarns Weekblad, 6-1-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Baarn 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, artikel 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10RV000042</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Baarn 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Baarn </al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 oktober
                                2010;</al></li><li nr="-"><al>gehoord de commissie Ruimtelijke Omgeving &amp; Beheer d.d. 9
                                december 2010;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat:</al><al> in verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht (Wabo) de bouwverordening Baarn aanpassing
                                behoeft;</al><al> een aanpassing van de parkeernormen gewenst is;</al><al> het gewenst is dat het Reglement welstandscommissie en de
                                plattegronden van de bebouwde kommen opgenomen worden in de
                                Bouwverordening;</al></li><li nr="-"><al>gelet op</al></li></lijst><al>De invoering van de Wabo en de daarmee samenhangende wijziging in
                        regelgeving en terminologie;</al><al/><al><onderstreept>b e s l u i t :</onderstreept></al><al/><al>de Bouwverordening Baarn 2010 vaststellen </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>asbest</cursief>: hetgeen daaronder wordt verstaan
                                        in artikel 1, onder a van het Asbest-</al><al> verwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al><cursief> Besluit indieningsvereisten</cursief>:
                                        vervallen;</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>- Besluit bouwwerken</cursief>: vervallen;</al><lijst><li nr="-"><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel
                                1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                                bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgermeester en
                                wethouders.</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwbesluit</cursief>: de algemene maatregel van bestuur
                                als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwtoezicht</cursief>: degene die ingevolge artikel 92,
                                tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met de
                                vergunningverlening;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk</cursief>: elke constructie van enige omvang van
                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om
                                ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al><cursief>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8</cursief>:
                                hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al><cursief>gebruiksoppervlakte</cursief>: de gebruiksoppervlakte als
                                bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al><cursief>hoogte van de weg</cursief>: de hoogte van de weg zoals die
                                door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al><cursief>IBA</cursief> : Individuele Behandeling van
                                Afvalwater;</al></li><li nr="-"><al><cursief>NEN</cursief>: een door de Stichting Nederlands
                                Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al><cursief>NVN</cursief>: een door de Stichting Nederlands
                                Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al><cursief>omgevingsvergunning voor het bouwen:</cursief> vergunning
                                voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al><cursief>omgevingsvergunning voor het slopen:</cursief> vergunning
                                voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al><cursief>straatpeil</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                        grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen
                                of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al><al/></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 2 De aanvraag om bouwvergunning</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</vet></al><al>Een schriftelijke aanvraag overeenkomstig artikel 4.2 lid 2 van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht , moet in 2-voud ingediend worden. </al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygienisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al></li><li nr="b."><al>(vervallen).</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li></lijst><al>3 Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht
                        tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d,
                        van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
                        bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten
                        beschikbaar zijn.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het
                        indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van
                        de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                        instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien het in
                        NEN 5725, uitgave 2009¸ bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik
                        en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                        gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave
                        2009 niet rechtvaardigen. </al><al>5. Indien het bouwen kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn
                        gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                        voordat met de bouw is begonnen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                        bouwvergunning</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                        ordening</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                            bouwvergunningverlening</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>vervallen</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</cursief></al><al>vervallen</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                            bodem</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>“Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een Omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al><lijst><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd”.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                        omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de
                        Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                        bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het
                        tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde
                        saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel
                        zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het
                        stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen
                                is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg,
                                moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet
                                aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten
                                verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd,
                                moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn,
                                dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6"><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></li><li nr="7"><al>Indien de toegang van het bouwwerk dat voor het verblijf van mensen
                                is bestemd meer dan 40 meter is verwijderd van de openbare weg, moet
                                er een keermogelijkheid aanwezig zijn die voldoet aan de eisen zoals
                                gesteld in “De omgeving van een brandveilig gebouw, NBF, 1990”.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.3A</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede
                                        voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                        zijn.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a.langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                        aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een
                        zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                        richting van de weg geeft;</al><al>b.langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit
                        de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de
                        as van de weg.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in veranderingen bedoeld in
                                artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van veranderingen bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,30 m overschrijden.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                        rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al></li></lijst></li></lijst><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
                        gevaar komt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning</al><al>voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht.</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m<sup>2</sup> behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen.</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                toelaten.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw voor het bouwen
                                waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is
                                vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht , te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen,die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel
                                3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
                                de bestaande toestand verbeterd.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is
                        voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel
                                verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000
                                volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken
                                worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar
                                        bestaat.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn
                                1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al></li></lijst><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter
                        plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                        weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht , en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            </vet><vet>overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
                            bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                        beleid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit niet in strijd is met in voorbereiding zijnde
                                        toekomstig ruimtelijk beleid</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>vervallen</al></li><li nr="3."><al>vervallen</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de afmetingen van bedoelde parkeerruimten bij:</al><lijst><li nr="-"><al>langsparkeren tenminste 2,00 m bij 5,50 m
                                                bedragen;</al></li><li nr="-"><al>haaks parkeren in een garage tenminste 2,25 m bij
                                                5,00 m bedragen;</al></li><li nr="-"><al>haaksparkeren in de buitenruimten tenminste 2,50 m
                                                bij 5,00 m <vet>of </vet>2,50 m bij 4,50 m waarbij
                                                een overstek richting openbare ruimte van minimaal
                                                0,5 m wordt gehanteerd. De afmetingen mogen ten
                                                hoogste 3,25 bij 6,00 m bedragen; </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><lijst><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                        te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
                                        van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn
                                        voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het</al><al> eerste en het derde lid:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden
                                op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte,
                                dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;</al><lijst><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het</al><al> tweede lid:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>bij de herinrichting en/of een nieuwbouwproject (inbreidingslocatie)
                                in een bestaande wijk tot de afmetingen van een parkeerplaats van
                                tenminste 1,80 m bij 5,00 m <vet>of </vet>1,80 m bij 4,50 m waarbij
                                een overstek richting openbare ruimte van minimaal 0,50 m wordt
                                gehanteerd.</al><lijst><li nr="6."><al>er wordt geacht te zijn voldaan aan de in het eerste lid
                                        bedoelde term “voldoende mate” wanneer voldaan is aan de
                                            “<cursief>publicatie 182 van de C.R.O.W. Parkeercijfers-
                                            Basis voor
                                            parkeer</cursief><cursief>normering”</cursief></al></li></lijst></li></lijst><al>7. het bevoegd gezag kan, de Commissie Verkeerszaken gehoord, gemotiveerd
                        afwijken van de “<cursief>publicatie 182 van de C.R.O.W. Parkeercijfers-
                            Basis voor parkeernormering”</cursief></al><al>8. Indien ten behoeve van het stallen of parkeren van auto’s, in, op of
                        onder een bouwwerk ruimte wordt aangebracht, moet worden voldaan aan het
                        gestelde in de NEN 2443, uitgave 2000. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake alle brandveiligheidsinstallaties
                            en vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al>vervallen</al><al/><al><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst></li></lijst><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen,waarin voor het
                        kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voorverwarming
                        geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het</al><al> eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                        verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                        of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in
                                        artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                                        (warmtedistributienet).</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn
                        aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is deze eis in delen
                        van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is.</al><lijst><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                        binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                        noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw
                                        dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten
                                        kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                        moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                        terugvloeien van afvalwater en fecaliën, ingeval de leiding
                                        te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar
                                        riool te lozen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al dan
                                niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede
                                staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor
                                andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid
                                of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                geeft.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
                                wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen. Het afvalwater dient dan op een
                                        andere wijze te worden vervoerd of gezuiverd;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en fecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moeten lozen op een verzameltank welke
                                        regelmatig en tijdig geleegd moet worden door een daarvoor
                                        gecertificeerd ophaalbedrijf;</al></li><li nr="b."><al>lozen op een mestkelder zonder overstort, een gierput of een
                                        rottingput zonder overstort zijn niet toegestaan;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën,
                                        moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water,
                                        bodem en lucht kan optreden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten:</al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en
                                        lucht kan optreden; en, </al></li><li nr="b."><al>aangesloten zijn aan een in de grond aangebrachte opvang- en
                                        infiltratievoorziening van voldoende capaciteit, welke
                                        voorziening in verband met de grootte van de te ontwateren
                                        oppervlakken en de bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn
                                        gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de
                                        bebouwing op het perceel; of</al></li><li nr="c."><al>indien aansluiting aan de hiervoor bedoelde opvang- en
                                        infiltratievoorziening redelijkerwijs niet gevergd kan
                                        worden, gescheiden van afvalwater lozen op een openbaar
                                        hemelwaterriool, of, indien dat niet aanwezig is, een
                                        openbaar gemengd riool.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking:</al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                        andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                        lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                        bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel
                                        de omvang van het perceel de infiltratie van hemelwater niet
                                        toelaten en bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater
                                        niet wordt aangesloten aan een rottingput.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen
                                wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                in NEN 3215, uitgave 2007.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een buitenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm. en van sterkteklasse SN8.</al></li><li nr="5."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buiten-riolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al/><al>HOOFDSTUK 3 </al><al/><al><vet>De melding</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet> HOOFDSTUK 4 </vet></al><al><vet>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid sub b van de
                                Woningwet, dan wel een besluit tot oplegging van een last onder</al><al> bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens
                        door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                uitgezet.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een Omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van een Omgevingsvergunning voor het
                                bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt.</al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m<sup>3</sup>, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke
                                opslag.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1. Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al> van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                                alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren
                                beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies moet het
                                bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                                bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een
                        omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                        nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
                        </vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 15 meter is verwijderd van
                                een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van tenminste 4,5 m en over een breedte
                                        van tenminste 3,25 m zijn verhard;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede
                                        voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                        zijn.</al></li></lijst></li></lijst><al> 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al/></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in
                            gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                            logiesgebouwen of kantoorgebouwen </vet></al><al><vet>(</vet>vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard </vet></al><al><vet>(</vet>vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.4</vet><vet> Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                            in logiesverblijven en logiesgebouwen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.5</vet><vet> Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                            in kantoorgebouwen</vet></al><al><vet>(</vet>vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                        aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan
                                gas aanwezig is en voor</al><al> verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën,
                                alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in
                                artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                        aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend niet verontreinigd hemelwater wordt
                                        geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor
                                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                        ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen met betrekking tot de in
                                het eerste lid bedoelde aansluiting aan een openbaar riool.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een gecertificeerde Individuele Behandeling
                                Afvalwater (IBA) met een doeltreffende aansluitleiding naar die
                                toiletten aanwezig zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische
                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>een beerput, een gierput of een rottingput met overstort zijn niet
                                toegestaan;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder fecaliën moeten zodanig lozen dat geen
                                verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingput
                                IBA.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 </vet></al><al/><al><vet>Brandveilig gebruik</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6.1.1</vet><vet> Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.2</vet><vet> Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.3</vet><vet> In behandeling nemen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.4</vet><vet> Termijn van beslissing</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.5</vet><vet> Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.6</vet><vet> Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.7</vet><vet> Verplicht aanwezige bescheiden </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6.2.1</vet><vet> Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.2.2</vet><vet> Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.2.3</vet><vet> Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                            ongevallen bij brand</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6.3.1</vet><vet> Gebruiksgereed houden
                            bluswaterwinplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 6.3.2</vet><vet> Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6.4.1 </vet><vet> Hinder in verband met de
                            brandveiligheid</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking </cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m²
                                gebruiksoppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>(vervallen)</al></li><li nr="3."><al>(vervallen)</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens </vet></al><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                        woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m²
                        gebruiksoppervlakte.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te
                        doen gebruiken, indien door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld, dat
                        zulks gevaarlijk is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het
                        gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2 eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 4.</al><al/><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of terrein,
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                                bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                                vocht -waaronder ook begrepen rook, roet en walm-, of irriterend
                                materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door: geluid
                                en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door
                                schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van
                                het bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Het vorenstaande is niet van toepassing indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al><al/></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                        gebruiken.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 6 Installaties</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid
                        verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een
                        onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al/><al><vet> HOOFDSTUK 8 Slopen</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag;</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                                redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen
                                dan 10 m<sup>3</sup>, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen
                                van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen
                                ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan
                                wel een oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van
                                een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit
                                voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van
                                        het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een
                                        fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie
                                        overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                        de gegevens als bedoeld in artikel 7.2, onder d, van de
                                        Regeling omgevingsrecht</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid,
                                onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen,
                                de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                                sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                Omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien
                                in een tijdelijke Omgevingsvergunning voor het slopen voor een
                                seizoensgebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen
                                van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel
                                45 van de Woningwet.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                                onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht
                                van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft
                                behouden, is vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="e."><al>(vervallen)</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                        onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                        gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>(vervallen)</al><al/></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van Omgevingsvergunning
                            voor het slopen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                Omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in
                                de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of
                                        uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                        voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van
                                        de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                        bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van
                                        de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                        vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                        woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het
                                        bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een
                                        beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                        gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                        asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt; mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij
                                        burgemeester en wethouders en door burgemeester en
                                        wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld
                                        is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen
                                        is vereist.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 3 voud
                                worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en
                                het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in
                                het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste
                                lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en
                                8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                nemen. Voorts is de houder verplicht ter zake van de afvoer van
                                asbest bevattende vloerbedekking alsmede van andere afvalstoffen
                                waarop de mededeling betrekking heeft de in de gemeente geldende
                                voorschriften in acht te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                                vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                                met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                            omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover
                        dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van
                        de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                                kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al><al/></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                        toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een
                        oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                        inzage worden gegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de Omgevingsvergunning voor
                            het slopen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden..</al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen
                                twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag
                                een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het
                                slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan het bouwtoezicht bij de afdeling
                                Vergunningverlening.</al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                                krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                                vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                                fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr.158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al><al/></li></lijst><al><vet> HOOFDSTUK 9 Welstand</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                                Welstand en Monumenten Midden Nederland, die uit haar midden
                                personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna
                                gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een Omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen zonder advies van de
                                welstandscommissie beoordelen of vergunningplichtige bouwwerken niet
                                in strijd zijn met redelijke eisen van welstand mits: </al><lijst><li nr="a."><al>zij hun standpunt baseren op de in de welstandsnota genoemde
                                        sneltoetscriteria, of</al></li><li nr="b."><al>volgens hen sprake is van bouwen, identiek aan een voor het
                                        betreffende bouwblok of in de desbetreffende straat als
                                        zodanig door de welstandscommissie goedgekeurde en in de bij
                                        de welstandsnota behorende trendsetterslijst opgenomen
                                        bouwwerken.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit drie leden, waaronder
                                een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden
                                deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>In de welstandscommissie kunnen twee ingezetenen van de gemeente
                                anders als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                burgemeester en wethouders door de gemeenteraad benoemd en
                                ontslagen.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></li><li nr="4."><al>De burgerleden en hun plaatsvervangers worden op voorstel van
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze
                        toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de
                        werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven
                        aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de
                        bijzondere projecten.</al><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al/><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze betrekking heeft op
                                een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit
                                binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders
                                daarom is verzocht.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag om is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid
                                van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te
                                ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag
                                wordt behandeld;</al></li><li nr="4."><al>er is geen spreekrecht voor derden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of
                                meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het
                                bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van
                                de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen niet in strijd is met redelijke
                                eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te wijzen
                                ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de verschillende
                                categorieën licht vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria
                                zijn opgenomen.</al></li><li nr="5."><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet voldoet
                                aan de betreffende welstandscriteria, leggen burgemeester en
                                wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies uitsluitend
                                schriftelijk bij een negatief advies of bij een positief oordeel
                                onder voorwaarden of in bijzondere gevallen op verzoek van het
                                bevoegd gezag;</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                        bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht,
                                neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al/><al><vet> HOOFDSTUK 11 Handhaving</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al>HOOFDSTUK 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al/><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling</vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins, die
                        is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht
                        wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen
                        van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór de onderhavige
                        wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde
                        bepalingen worden toegepast.</al><al/><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.4</vet><vet> Overgangsbepaling (aanvragen om)
                            gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op de dag van
                                bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt:</al><lijst><li nr="-"><al>de Bouwverordening van Baarn , vastgesteld bij raadsbesluit
                                        25 november 2009, bekend gemaakt op 17 december 2009 en in
                                        werking getreden op 17 december 2009 en alle daarin
                                        aangebrachte wijzigingen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of
                                toestemming anderszins,die is ingediend vóór het tijdstip waarop
                                deze verordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog
                                niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van
                                toepassing, zoals die luidden vóór het tijdstip waarop deze
                                verordening van kracht wordt, tenzij de aanvrager de wens te kennen
                                geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ´Bouwverordening Baarn
                                2010´.</al><al/></li></lijst></tekst></regeling-tekst><bijlage><al><cursief>Bijlagen</cursief></al><al><cursief>Bouwverordening Baarn 2010</cursief></al><al/><al>BIJLAGE 1 Vervallen</al><al>BIJLAGE 2 Vervallen</al><al>BIJLAGE 3 Vervallen</al><al>BIJLAGE 4 Vervallen</al><al>BIJLAGE 5 Vervallen</al><al>BIJLAGE 6 Vervallen</al><al>BIJLAGE 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                    erven en terreinen</al><al/><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al><vet><cursief>NEN 7002, uitgave 1968</cursief></vet>, 'Centrifugaal
                            gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december
                            1979);</al></li><li nr="b."><al><vet><cursief>NEN 7003, uitgave 1968</cursief></vet>, 'Hulpstukken voor
                            gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al><vet><cursief>NEN 7013, uitgave 1980</cursief></vet>, 'Expansiestukken
                            van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al><vet><cursief>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009</cursief></vet>,
                            'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering -
                            Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en
                            het systeem' (Engelstalig);</al></li><li nr="e."><al><vet><cursief>NEN-EN 295-1, uitgave 1992</cursief></vet>, 'Keramische
                            buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                            vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996,
                            A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen
                            (Engelstalig)';</al></li><li nr="f."><al><vet><cursief>NEN-EN 295-2, uitgave 1992</cursief></vet>, 'Keramische
                            buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                            vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel
                            2. Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig);</al></li><li nr="g."><al><vet><cursief>NEN-EN 295-3, uitgave 1992</cursief></vet>, 'Keramische
                            buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                            vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden (Engelstalig).</al><al/></li></lijst><al>BIJLAGE 8 Vervallen</al><al/><al> BIJLAGE 9 Reglement Welstandcommissie / Commissie Ruimtelijke Kwaliteit </al><al/><al><vet>Gemeente Baarn</vet></al><al>Dit reglement is opgesteld in verband met de invoering van de Wabo per 1 oktober
                    2010. Dit heeft procedurele gevolgen voor de advisering door de
                    Welstandcommissie / Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van Welstand en Monumenten
                    Midden Nederland. Gelijktijdig met deze invoering moet de gemeente een
                    geactualiseerd reglement van orde (bijlage 9 Bouwverordening) vaststellen.</al><al/><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Benoeming en samenstelling van de WC / CRK 1.1 Begripsbepaling</al></li><li nr="1."><al>2 Benoemingsprocedure 1.3 Samenstelling WC / CRK</al></li><li nr="2."><al>Taakomschrijving 2.1 Taakomschrijving WC / CRK 2.1.1 Wettelijke taken
                            2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken 2.2 Taakomschrijving
                            commissieleden 2.2.1 Taken van de rayonarchitect 2.2.2 Taken van de
                            voorzitter 2.2.3 Taken architectleden</al><al> 2.2.4 Taken burgerleden</al></li><li nr="3."><al>Werkwijze Vergunningverlening</al></li><li nr="4."><al>Werkwijze van de WC / CRK 4.1 Vooroverleg over bouwplannen 4.2
                            Gemandateerde behandeling 4.2.1 Rayonarchitect</al><al> 4.2.2 Het mandaatadvies 4.2.3 Openbaarheid 4.2.4 Toelichting
                            opdrachtgever/ontwerper 4.2.5 Spreekrecht 4.3 Openbare
                            commissievergadering 4.3.1 Locatie vergadering 4.3.2 Publicatie agenda
                            4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper 4.3.4 Spreekrecht 4.4 Het
                            welstandsadvies 4.5 Afwijken van het welstandsadvies 4.5.1 Second
                            opinion</al></li><li nr="5."><al>Evaluatie welstandstoezicht 5.1 Jaarverslag burgemeester en
                            wethouders</al></li><li nr="5."><al>2 Jaarverslag WC / CRK <vet>1.</vet>BENOEMING EN SAMENSTELLING VAN DE
                            WELSTANDSCOMMISSIE / COMMISSIE RUIMTELIJKE KWALITEIT</al><al/></li></lijst><al><vet>1.1</vet></al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>De Welstandscommissie / Commissie Ruimtelijke Kwaliteit fungeert als
                    welstandscommissie voor de gemeente Baarn op grond van art. 1, lid q, Woningwet. </al><al>De Welstandscommissie / Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt in de rest van dit
                    document afgekort als WC / CRK.</al><al/><al><vet>1.2</vet></al><al><vet>Benoemingsprocedure</vet></al><al>De gemeente is lid van de gemeenschappelijke regeling Welstand en Monumenten
                    Midden Nederland (WMMN) en wijst daarmee impliciet WMMN aan als haar WC / CRK.
                    WMMN legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden. Dit betreft
                    de voorzitter, de rayonarchitect en twee architectleden en hun plaatsvervangers.
                    Indien gewenst, vindt overleg plaats tussen WMMN en de gemeente. Alle leden van
                    de WC / CRK en hun plaatsvervangers worden door het Algemeen Bestuur van WMMN
                    benoemd voor een periode van maximaal drie jaar, met de mogelijkheid van
                    verlenging met nog eens maximaal drie jaar. Het Algemeen Bestuur van WMMN wordt
                    daartoe door het gemeentebestuur gemandateerd. Voor de benoeming van burgerleden
                    en hun plaatsvervangers geldt een afwijkende procedure. </al><al>Bij afwezigheid van de voorzitter of andere leden van de commissie, treden
                    plaatsvervangers op in de commissievergadering. De rayonarchitect kan zich door
                    een collega-rayonarchitect laten vervangen. </al><al>De gemeente kan zelf rechtsreeks burgerleden benoemen. Alvorens dit te doen,
                    overleggen B&amp;W met WMMN over het gewenste profiel van het burgerlid of de
                    burgerleden. Er mogen maximaal twee burgerleden in de WC / CRK worden benoemd.
                    Burgerleden ontvangen via de gemeente een onkostenvergoeding.</al><al>Alle leden en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                    gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of
                    relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed.
                    De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De
                    commissie streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de
                    ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.</al><al/><al><vet>1.3</vet></al><al><vet>Samenstelling van de WC / CRK</vet></al><al>De WC / CRK bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de rayonarchitect, en twee
                    architecten. De rayonarchitect fungeert tevens als secretaris-deskundige van de
                    commissie.</al><al>De gemeente kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra deskundigen
                    van het bureau van WMMN of daarbuiten. Dit betreft o.a. disciplines als cultuur-
                    en bouwhistorie, stedenbouw en landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type
                    plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de
                    vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn benoemd
                    door de gemeente.</al><al>De WC / CRK kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden aanwezig
                    zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn/haar vervanger) en waarvan tenminste
                    twee leden deskundig zijn op het gebied van welstand. </al><al/><al><vet> 2</vet> TAAKOMSCHRIJVING</al><al/><al><vet>2.1</vet></al><al><vet>Taakomschrijving WC / CRK en (integrale) mandaatcommissie</vet></al><al>De WC / CRK is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk
                    verplichte taken. De wettelijke taken van de WC / CRK worden uitgevoerd op grond
                    van de Wabo, Woningwet en gemeentelijke verordeningen. De commissie is
                    beleidsmatig gebonden aan de voor de plannen geldende en vastgestelde
                    gemeentelijke beleidskaders. </al><al/><al><vet>2.1.1</vet><vet> Wettelijke taken</vet></al><al>1. Welstandstoetsing omgevingsvergunningplichtige bouwwerken.</al><al> De commissie is bevoegd om B&amp;W te adviseren over de welstandsaspecten van
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor bouwen (art. 2.1 / 2.10 Wabo, art.
                    12 Woningwet, art. 6.2 Bor).</al><lijst><li nr="2."><al>Toetsing van reclames op grond van de welstandsnota of APV.</al></li><li nr="3."><al>Jaarverslag WC / CRK.</al></li></lijst><al>De WC / CRK legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door
                    haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen
                    op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste
                    eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek
                    plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de WC / CRK. </al><al/><al><vet>2.1.2</vet><vet> Niet wettelijk verplichte taken</vet></al><al>De WC / CRK kan op verzoek van burgemeester en wethouders opdracht krijgen om
                    naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te
                    voeren:</al><al>a. Onder de regie van de gemeente - en op verzoek van de commissie, de gemeente
                    of de aanvrager - noodzakelijk geacht vooroverleg voeren met betrokkenen bij de
                    voorbereiding van bouwplannen.</al><al>b. Advies uitbrengen aan burgemeester en wethouders over de ruimtelijke
                    kwaliteitsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurvisies,
                    bestemmingsplannen, ontheffingen / projectbesluiten, beheersverordeningen,
                    beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen, landschappelijke plannen en
                    andere relevante gemeentelijke beleidsstukken. </al><al>De WC / CRK krijgt deze stukken reeds in het ontwerpstadium voorgelegd ter
                    advisering en brengt hier desgevraagd schriftelijk advies over uit.</al><al>c. Advies uitbrengen over stedenbouwkundige en architectonische</al><al>ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de
                    gemeente.</al><al>d. Adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van
                    bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn.</al><al> e. Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, burgemeester
                    en wethouders en burgers.</al><al/><al><vet>2.2</vet></al><al><vet>Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al/><al><vet>2.2.1</vet><vet> Taken van de rayonarchitect</vet></al><al>De rayonarchitect van het WMMN is secretaris-deskundige van de commissie.
                    Hij/zij voert als gemandateerd lid van de WC / CRK de eerste gesprekken – het
                    vooroverleg - met de gemeente, planindieners, ontwerpers en andere
                    belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van
                    bouwplannen in de WC / CRK voor. De plannen waarvoor de rayonarchitect een
                    mandaat heeft, worden door hem/haar van een advies voorzien (<cursief>Zie verder
                        4.2 Gemandateerde behandeling).</cursief>De rayonarchitect stelt
                    de agenda voor de commissievergadering op en geeft die door aan de behandelend
                    ambtenaar van Vergunningverlening. Tijdens de commissievergadering introduceert
                    de rayonarchitect de bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante
                    welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied. Onder de
                    verantwoordelijkheid van de rayonarchitect wordt de beraadslaging en conclusie
                    over een bouwplan uitgewerkt in een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen
                    twee weken verzonden wordt.</al><al/><al><vet>2.2.2</vet><vet> Taken voorzitter</vet></al><al>De voorzitter van de WC / CRK is in principe gekozen uit de kring van
                    gemeentebestuurders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de
                    commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de commissie
                    adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid. Tijdens de
                    openbare vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle
                    aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie
                    van de aanwezigen bij een plan wil inspreken. Indien een plan in het vooroverleg
                    is besproken, geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte samenvatting
                    van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is. De voorzitter leidt
                    de discussie en biedt alle commissieleden de gelegenheid om hun mening voldoende
                    naar voren te brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na een inhoudelijke discussie
                    over een adviesaanvraag een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting
                    wordt gegeven. De voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda. Bij het
                    overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de
                    voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de
                    commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De
                    resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks verslag van de WC
                    / CRK.</al><al/><al><vet>2.2.3</vet><vet> Taken architectleden</vet></al><al>De architectleden geven vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een
                    onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Op het moment dat zij op de een of
                    andere wijze een zakelijke binding hebben met een bepaald bouwplan laten zij
                    zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. Bij langlopende
                    projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt en waarbij de
                    architectleden een zakelijke binding hebben, treden zij in overleg met de
                    commissie en het bureau tijdelijk terug.</al><al/><al><vet>2.2.4</vet><vet> Taken burgerleden</vet></al><al>Burgerleden moeten inwoner zijn van de gemeente Baarn en zijn alleen betrokken
                    bij de beoordeling van plannen uit deze gemeente. Burgerleden hebben zowel
                    zitting in de WC / CRK als bij de mandaatvergaderingen van de
                    rayonarchitect.</al><al>Burgerleden hebben geen vertegenwoordigende functie, maar spreken op
                    persoonlijke titel als lid van de WC / CRK. Zij geven vanuit hun ervaring en
                    beleving een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen en proberen ‘de kijk van
                    de burger’ in een welstandsadvies te vertalen. Zij hebben daarom minimaal een
                    inbreng op het gebied van de bij hen aanwezige gebiedskennis, maatschappelijke
                    verhoudingen en plaatselijke factoren en kenmerken.</al><al>Daarnaast kunnen burgerleden een rol hebben bij het bevorderen van een heldere
                    en begrijpelijke communicatie tussen de WC / CRK en een aanvrager.</al><al>Op het moment dat een burgerlid op de een of andere wijze een persoonlijke
                    binding heeft met een bepaald bouwplan trekt hij/zij zich voor de betreffende
                    commissievergadering terug. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng van de
                    commissie verwacht wordt en het burgerlid een persoonlijke binding heeft, treedt
                    deze in overleg met de commissie en het bureau tijdelijk terug.</al><al/><al><vet>3 </vet>WERKWIJZE VERGUNNINGVERLENINGDe welstandsprocedure begint met
                    een intake van bouwplannen bij de afdeling Vergunningverlening.</al><al>Ten behoeve van de welstandstoets beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is
                    voorzien van de benodigde bescheiden om het te kunnen toetsen. </al><al>Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in de AMVB ‘Besluit omgevingsrecht
                    (Bor)’ en in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Beide regelingen
                    zijn gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al/><al><vet>4 </vet>WERKWIJZE VAN DE WC / CRK</al><al/><al><vet>4.1</vet></al><al><vet>Vooroverleg over bouwplannen</vet></al><al>De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om – op afspraak - een nog niet
                    formeel aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de WC / CRK toe te lichten
                    en te bespreken. De rayonarchitect maakt altijd een verslag van het vooroverleg.
                    Vooroverleg vindt in principe in het openbaar plaats. Hiervan kan worden
                    afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager en de WC / CRK. </al><al/><al><vet>4.2</vet></al><al><vet>Gemandateerde behandeling</vet></al><al/><al><vet>4.2.1</vet><vet> Rayonarchitect</vet></al><al>De rayonarchitect behandelt in de regel wekelijks bij de gemeente de
                    bouwplannen. Daarbij kunnen ook burgerleden aanwezig zijn. De rayonarchitect
                    heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig bouwplannen af te handelen.
                    Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de rayonarchitect alleen
                    grootschalige (stedenbouwkundige) plannen en de meer complexe plannen
                    doorschuift naar de voltallige commissie. Voor de overige plannen heeft hij /
                    zij zowel een positief als negatief mandaat. De commissie zelf is
                    eindverantwoordelijk voor het welstandsadvies. Tenminste één keer per jaar vindt
                    overleg plaats tussen de rayonarchitect en de WC / CRK over het mandaat.</al><al/><al><vet>4.2.2</vet><vet> Het mandaatadvies</vet></al><al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan burgemeester en wehouders
                    over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een
                    standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van
                    welstand’. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in
                    de welstandsnota. Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door
                    een stempel op de betreffende tekeningen en het adviesformulier te plaatsen. Een
                    negatief mandaatadvies wordt schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de
                    relevante criteria uit de welstandsnota.</al><al/><al><vet>4.2.3</vet><vet> Openbaarheid gemandateerde behandeling</vet></al><al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Via het huis-aan-huis
                    blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en plaats van de
                    gemandateerde behandeling. De agenda zelf wordt op het gemeentehuis ter inzage
                    gelegd en op internet gepubliceerd. De mandaatbehandeling is niet openbaar in
                    gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van Bestuur
                    en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in art.
                    10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.</al><al/><al><vet>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                    gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien
                    zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor
                    bestemde formulier of rechtstreeks bij Vergunningverlening. De gemeente zorgt
                    voor de uitnodigingen.</al><al/><al><vet>4.2.5</vet><vet> Spreekrecht</vet></al><al>Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                    geboden. Zowel opdrachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden hebben
                    spreekrecht.</al><al/><al><vet>4.3</vet></al><al><vet>Openbare commissievergadering</vet></al><al>De WC / CRK vergadert in de regel één keer per twee weken. De rayonarchitect
                    behandelt wekelijks alle voorgelegde bouwplannen onder mandaat. Alleen grote en
                    complexe plannen worden doorgeschoven naar de commissie (zie 2.2.1 t/m 2.2.4
                    voor taken leden WC / CRK tijdens de commissievergadering). De openbaarheid
                    geldt voor de beraadslaging over bouwplannen, de beoordeling daarvan en voor de
                    adviezen. De commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in
                    gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van Bestuur
                    en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in art.
                    10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.</al><al/><al><vet>4.3.1</vet><vet> Locatie vergadering</vet></al><al>De WC / CRK vergadert in principe op een vaste locatie in het rayon. Bij de
                    behandeling van belangrijke bouwplannen kan – op verzoek van de gemeente -
                    worden besloten om in de eigen gemeente te vergaderen.</al><al/><al><vet>4.3.2 Publicatie agenda</vet></al><al>Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het
                    tijdstip en plaats van de commissievergadering. De agenda zelf wordt op het
                    gemeentehuis ter inzage gelegd en op internet gepubliceerd.</al><al/><al><vet>4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                    behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij hun plan
                    willen toelichten, kunnen ze hiervoor een afspraak maken bij
                    Vergunningverlening. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al><al/><al><vet>4.3.4</vet><vet> Spreekrecht</vet></al><al>Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden.
                    Zowel opdrachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden hebben spreekrecht. </al><al/><al><vet>4.4</vet></al><al><vet>Het welstandsadvies</vet></al><al>De WC / CRK brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan burgemeester
                    en wethouders over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk
                    of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van
                    welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de
                    welstandsnota. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:</al><al><vet>Akkoord</vet></al><al>De WC / CRK is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst
                    motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al><al><vet>Niet akkoord tenzij</vet></al><al>De commissie adviseert aan burgemeester en wethouders het plan te laten
                    aanpassen omdat het volgens de van toepassing zijnde criteria op een aantal
                    punten (nog) niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een ‘niet akkoord
                    tenzij’ wordt gegeven als de commissie van mening is dat de aanvrager kan
                    volstaan met enkele aanpassingen en deze daarin heeft toegestemd c.q. dit
                    redelijkerwijze is te verwachten. De gemeente controleert of de definitieve
                    bouwtekening in overeenstemming is met de voorwaarden van de WC / CRK.</al><al><vet>Niet akkoord</vet></al><al>De commissie brengt een negatief advies uit aan burgemeester en wethouders omdat
                    het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet voldoet aan
                    redelijke eisen van welstand. Een negatief advies wordt gegeven als de commissie
                    van mening is dat een bouwplan ingrijpend moet worden aangepast. Adviseert de
                    commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze
                    bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van
                    toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van
                    het plan op die punten. De gemeente maakt een inschatting of de gevraagde
                    aanpassingen nog binnen de vereisten van het bestemmingsplan en de resterende
                    vergunningtermijn te realiseren zijn. Indien dat niet mogelijk is, betekent het
                    negatief advies dat de vergunning opnieuw moet worden aangevraagd.</al><al><vet>Aanhouden</vet></al><al>De WC / CRK kan het advies aanhouden – waarbij Vergunningverlening aangeeft of
                    en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningtermijn - wanneer
                    meer informatie of een toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>4.5</vet></al><al><vet>Afwijken van het welstandsadvies en/of -criteria</vet></al><al>B&amp;W hebben de wettelijke mogelijkheid om, ook op andere dan
                    welstandsgronden, af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor
                    afwijking moeten bij de bekendmaking van het besluit worden vermeld.</al><al>B&amp;W kunnen, eventueel op advies van de WC / CRK, ook gemotiveerd (op
                    welstandsgronden) afwijken van de welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen
                    die niet voldoen aan de vastgelegde criteria, maar wél aan redelijke eisen van
                    welstand. B&amp;W verwijzen in dat geval naar de algemene criteria in de
                    welstandsnota.</al><al/><al><vet>4.5.1</vet><vet> Second opinion</vet></al><al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden burgemeester en wethouders eerst
                    de vaste welstandscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder
                    uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit
                    gemeld aan de WC / CRK. Bij een second opinion wordt de bouwaanvraag voorgelegd
                    aan een commissie buiten WMMN. Hierover neemt de gemeente contact op met de
                    Federatie Welstand.</al><al/><al><vet> 5 </vet> EVALUATIE WELSTANDTOEZICHT</al><al>5.1 </al><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een
                    verslag voor waarin zij uiteenzetten:</al><lijst><li nr="-"><al>Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de WC / CRK;</al></li><li nr="-"><al>In welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan art. 12, eerste
                            lid Ww, zij zijn overgegaan tot toepassing van bestuursdwang of
                            oplegging van een last onder dwangsom.</al><al/></li></lijst><al><vet>5.2</vet></al><al><vet>Jaarverslag WC / CRK</vet></al><al/><al>Zie onder punt 2.1.1</al><al/><al>BIJLAGE 10 vervallen</al><al>BIJLAGE 11 vervallen</al><al>BIJLAGE 12 vervallen</al><al> BIJLAGE 13 kaart bebouwde komgrens Baarn (artikel 1.3 lid 2)</al><al/><al><vet>Begrenzing bebouwde kom van de gemeente Baarn</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>