<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR80193_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2010/095</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 147 gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel 90/2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-55517</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Weg:</al><lijst><li nr="1."><al>alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                                            wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen
                                            bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende
                                            bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en
                                            als zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                            vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, welke
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen, de afsluitbare alleen gedurende
                                            de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe
                                            naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li></lijst></li><li nr="B."><al>Openbaar water:</al><al> alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het
                                    publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al></li><li nr="C."><al>Bebouwde kom:</al><al> de bebouwde kom als vastgesteld door gedeputeerde staten
                                    overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenverkeerswet,
                                    bij hun besluit van 20 juli 1982.</al></li><li nr="D."><al>Rechthebbende:</al><al> een ieder die over enig goed enige zeggenschap heeft krachtens
                                    een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="E."><al>Voertuigen:</al><al> alle gelede en ongelede motorvoertuigen, fietsen en andere rij-
                                    of voertuigen, met uitzondering van die, welke bestemd zijn om
                                    langs spoorstaven te worden voortbewogen en van kruiwagens,
                                    kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li><li nr="F."><al>Bouwwerk:</al><al> elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                                    ander materiaal, welke op de plaats van bestemming, hetzij
                                    direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
                                    indirect steun vindt in of op de grond.</al></li><li nr="G."><al>Gebouw:</al><al> elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte,
                                    geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="H."><al>Vee:</al><al> grootvee en varkens</al></li><li nr="I."><al>Kleinvee:</al><al> schapen, geiten, pluimvee, konijnen en andere kleine dieren in
                                    het agrarisch bedrijf.</al></li><li nr="J."><al>Handelsreclame:</al><al> iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee
                                    kennelijk primair beoogd wordt een commercieel belang te
                                    dienen.</al></li><li nr="K."><al>Wilde dieren:</al><al> niet te domesticeren dieren in die zin dat zij niet tot nut of
                                    gezelligheid te houden zijn.</al></li><li nr="L."><al>Uitstalling:</al><al> een los voorwerp geplaatst voor een pand op de weg, dat een
                                    onmiskenbare relatie heeft met de handel van de in dat pand
                                    gevestigde onderneming en niet valt onder het gemeentelijke
                                    reclamebeleid.</al></li><li nr="M."><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Aanvraag vergunning of ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het orgaan dat bevoegd is vergunningen of ontheffingen als bedoeld
                                in deze verordening te verlenen kan nadere regels stellen omtrent de
                                wijze van indiening van de aanvraag en de daarbij benodigde gegevens
                                en bescheiden. Deze regels worden openbaar gemaakt overeenkomstig
                                artikel 1.14 van deze verordening en artikel 3:42 van de Algemene
                                Wet Bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.2,
                                2.1.5.3, 2.4.15, 4.4.2 of 4.6.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Aanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsemarsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de
                                vierdaagsemarsen wordt ingediend uiterlijk op 1 maart van het jaar
                                waarin de vierdaagsemarsen plaatsvinden waarop de aanvraag
                                betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan, in geval van een bijzondere omstandigheid,
                                afwijken van de in lid 1 bedoelde termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde orgaan zendt, tenzij beslissing terstond plaatsvindt,
                                onmiddellijk na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager een
                                bericht van ontvangst, waarin tevens mededeling van de beslissings-
                                en verdagingstermijnen wordt gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegde orgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of
                                ontheffing binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag,
                                onderscheidenlijk na de dag waarop de in artikel 4:5, eerste lid van
                                de Algemene Wet Bestuursrecht bedoelde aanvulling is ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegde orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste zestig
                                dagen verdagen.</al><al> Van het besluit tot verdaging wordt voor de afloop van de in het
                                eerste lid bedoelde termijn schriftelijk mededeling gedaan aan de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op aanvragen voor vergunningen als bedoeld in de
                                artikelen 4.1.2 en 4.1.6.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid indien beslist wordt op een aanvraag
                                om een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.2, 2.1.5.3,
                                2.4.15, 4.4.2 of 4.6.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Te late indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde
                                orgaan de aanvrager in zijn aanvraag niet ontvankelijk verklaren,
                                indien het van mening is dat de aard van de gevraagde vergunning of
                                ontheffing zodanig is dat voor een verantwoorde beoordeling van de
                                aanvraag onvoldoende tijd aanwezig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor door het bevoegde orgaan bij openbare kennisgeving nader aan te
                                wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid
                                genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste zestig dagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid moeten vergunningen of
                                ontheffingen betrekking hebbend op 31 december 1999 en 1 januari
                                2000 ingediend worden vóór 1 oktober 1999. (<cursief>Dit lid
                                    verliest zijn werking per 1 januari 2000</cursief>)</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een aanvraag om
                                een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.2, artikel 2.1.5.3,
                                artikel 2.4.15, 4.4.2 of 4.6.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Vorm van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing is
                            slechts van kracht indien zij schriftelijk is gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Afwijking</titel></kop><al>Van de in artikel 1.2, eerste lid en artikel 1.7 gestelde eis mag worden
                            afgeweken indien de nakoming daarvan in verband met het spoedeisende
                            karakter van de zaak in redelijkheid niet kan worden gevergd.</al><al>In dat geval wordt in daartoe geëigende gevallen, van de mondeling
                            gegeven en medegedeelde vergunning of ontheffing binnen redelijke tijd
                            een schriftelijke bevestiging gegeven aan degene aan wie zij is
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden
                                verbonden.</al><al> Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht zich aan de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen te houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.10</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.11</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                        ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of
                                        wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter
                                        bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                                        vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                        voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                        gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij
                                        gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke
                                        termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit
                                        verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Een besluit tot intrekking of wijziging van een vergunning of
                                ontheffing is met redenen omkleed;</al><lijst><li nr="b."><al>dit besluit wordt niet genomen dan nadat de houder van de
                                        vergunning of ontheffing in de gelegenheid is gesteld binnen
                                        een door het bevoegde orgaan te stellen termijn zijn oordeel
                                        kenbaar te maken omtrent het voornemen tot het nemen van dit
                                        besluit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het gestelde in het tweede lid sub b kan buiten toepassing blijven
                                in spoedeisende gevallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorgaande leden van dit artikel zijn niet van toepassing op een
                                vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.2, artikel 2.1.5.3,
                                artikel 2.4.15, 4.4.2 of 4.6.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.12</nr><titel>Inzage vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze op eerste
                            vordering van een ambtenaar belast met de zorg voor de naleving van een
                            of meer van de desbetreffende bepalingen van deze verordening ter inzage
                            te geven aan deze ambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.13</nr><titel>Termijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de in deze verordening genoemde termijnen is het
                                bepaalde in de Algemene termijnenwet van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door
                                terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op
                                een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                                erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00
                                uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen
                                erkende feestdag is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.14</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><al>In de gevallen waarin openbare kennisgeving van besluiten en nadere
                            regels krachtens deze verordening plaatsvindt, liggen deze besluiten en
                            nadere regels voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage gedurende
                            drie maanden. Tevens worden deze besluiten en nadere regels aan het
                            arrondissementsparket medegedeeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg zich tezamen met anderen te
                                        begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te
                                        nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door
                                        uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden,
                                        dan wel te vechten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan
                                        of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende
                                        gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                        samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                        van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
                                        in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het
                                        bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of
                                        ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenkomsten, betogingen en optochten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Kennisgeving samenkomst, vergadering of betoging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        samenkomst tot het belijden van godsdienst of
                                        levensovertuiging, een vergadering of een betoging te
                                        houden, geeft hiervan voor de openbare aankondiging daarvan
                                        en ten minste 48 uur voor de aanvang, schriftelijk kennis
                                        aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft om op een openbare plaats op
                                        een vooraf bepaalbaar tijdstip een regelmatig terugkerende
                                        samenkomst tot het belijden van godsdienst of
                                        levensovertuiging te houden, geeft hiervan voor de openbare
                                        aankondiging daarvan en ten minste 48 uur voordat deze voor
                                        de eerste keer gehouden zal worden na de inwerkingtreding
                                        van dit artikel, eenmalig schriftelijk kennis aan de
                                        burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                        eerste en in het tweede lid genoemde termijn van 48 uur
                                        verkorten en/of een mondelinge kennisgeving ontvankelijk
                                        verklaren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, is niet van
                                        toepassing op overtreding van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de kennisgeving wordt opgave gedaan van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene, die de samenkomst,
                                                vergadering of betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de samenkomst, vergadering of
                                                betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de samenkomst, vergadering of
                                                betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang
                                                en beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                                samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene, die de samenkomst, de
                                                vergadering of betoging houdt, zal treffen om een
                                                regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs,
                                        waarin in ieder geval het tijdstip van de kennisgeving is
                                        vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>Beperking aanbieden van geschreven of gedrukte stukken of
                                        afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of
                                        afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk
                                        aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan
                                        door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of
                                        gedeelten daarvan. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend
                                        gemaakt overeenkomstig artikel 1.14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het in het
                                        eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare
                                        kennisgeving aan te duiden dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het
                                        huis-aan-huis verspreiden van de in het eerste lid bedoelde
                                        gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen en onder het
                                        publiek verspreiden van gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen vallend onder het begrip commerciële
                                        handelsreclame als bedoeld in artikel 4.3.5.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen en dergelijke op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of
                                        gids op of aan de weg op te treden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien
                                        wordt voldaan aan door de burgemeester te stellen nadere
                                        regels ten aanzien van de plaatsen, uren waarbinnen, duur en
                                        wijze van optreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluiten: Bijlage 4A en
                                            Bijlage 4C)</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college
                                            voorwerpen of stoffen in, op, aan of boven de weg aan te
                                            brengen, te hebben of achter te laten.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>steigers en containers, voor zover deze niet
                                                  zodanig zijn opgesteld dat zij hinder voor het
                                                  verkeer kunnen opleveren en mits wordt voldaan aan
                                                  de door het college te stellen nadere regels met
                                                  betrekking tot het plaatsen van deze voorwerpen of
                                                  stoffen;</al></li><li nr="b."><al>objecten op de weg bij feesten als bedoeld in
                                                  artikel 2.2.1 tweede lid onder e , voor zover deze
                                                  niet zodanig zijn opgesteld dat zij hinder voor
                                                  het verkeer kunnen opleveren en mits wordt voldaan
                                                  aan de door het college te stellen nadere regels
                                                  met betrekking tot het plaatsen van deze
                                                  voorwerpen of stoffen;</al></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die
                                                  noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht
                                                  worden in verband met laden of lossen ervan.
                                                  Degene die de werkzaamheden verricht of doet
                                                  verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na
                                                  het beëindigen daarvan, in elk geval voor
                                                  zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
                                                  verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd
                                                  is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of
                                                  gevoelens worden geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.5;</al></li><li nr="g."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3 en
                                                  uitstallingen als bedoeld hierna onder h;</al></li><li nr="h."><al>uitstallingen, mits gelegen in door het college
                                                  aangewezen gebieden en indien voldaan is aan de
                                                  door het college gestelde regels ten aanzien van
                                                  uitstallingen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg een
                                            voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden
                                            geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te
                                            hebben,indien:</al><lijst><li nr="a."><al>deze door zijn omvang of vormgeving, constructie
                                                  of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de
                                                  weg,</al></li><li nr="b."><al>gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
                                                  of voor het doelmatig en veilig gebruik van de
                                                  weg, of</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer
                                                  en onderhoud van de weg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt
                                            onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet
                                            1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan
                                                  de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van
                                                  de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                  daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor
                                                  het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                  hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                  redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                  overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                  gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                            Wet milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement,
                                            artikel 19 van het Reglement verkeersregels en
                                            verkeerstekens 1990 of de Gelderse wegenverordening van
                                            toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een
                                        weg aan te leggen, de verharding van een weg op te breken,
                                        in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan hetgeen artikel l van de Wegenverkeerswet daaronder
                                        verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van
                                        gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap ter
                                        uitvoering van zijn of haar publiekrechtelijke taak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                        Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Gelderse
                                        wegenverordening, de Telecommunicatiewet en de
                                        Telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd
                                        gezag.</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                                uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar
                                                de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van de groenvoorziening in de
                                                gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur of de Gelderse
                                        wegenverordening van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die een winkelbedrijf uitoefent verboden
                                        winkelwagentjes aan de klanten beschikbaar te stellen voor
                                        vervoer van winkelwaren over de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod en stellen daarbij in
                                        elk geval voorwaarden ter voorkoming van het achterblijven
                                        van winkelwagentjes op de weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een boom, heg, struik of andere
                                        beplanting, die aan personen en aan het wegverkeer het vrije
                                        uitzicht kan belemmeren of op andere wijze hinder of gevaar
                                        kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, te
                                        knotten, op te binden, te verwijderen of op te ruimen na
                                        aanschrijving door burgemeester en wethouders, binnen een
                                        door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun
                                        aanwijzingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden langs de weg een voorwerp aan te brengen, te
                                        plaatsen of te hebben dat aan personen en aan het wegverkeer
                                        het uitzicht belemmert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken en dergelijke</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting,
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen, koekoeken en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden aan of in wegen openingen of ingangen van
                                        kelders, regenbakken of putten te hebben, tenzij de
                                        openingen of ingangen gedekt zijn met luiken van geribd
                                        scheepsplaat van een gewicht van tenminste 50 kg per
                                        vierkante meter, welke zuiver vlak en vastliggen op een
                                        hardstenen rand of ijzeren ramen en gelijk van hoogte zijn
                                        met het omliggende wegdek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        artikel 427 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 5,
                                        eerste lid onder h van het Rijkswegenreglement, de Gelderse
                                        wegenverordening of artikel 385 Nijmeegse Bouwverordening
                                        van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>(Dit artikel is aangepast en vernummerd tot artikel
                                        4.3.7)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel>Rookverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen of op heidegronden of
                                        binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de
                                        door burgemeester en wethouders aangewezen periode. Deze
                                        aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig
                                        artikel 1.14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen of op heidegronden of binnen een
                                        afstand van honderd meter daarvan brandende of smeulende
                                        voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                        liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt
                                        niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 3e van het
                                        Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als
                                        tuin ingerichte erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7a</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in door de burgemeester aangewezen gebieden
                                        en gedurende de door de burgemeester aangewezen tijden in de
                                        open lucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanwijzingbesluit als bedoeld in het eerste lid kan
                                        enkel voorschriften bevatten ter bescherming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de flora en fauna;</al></li><li nr="b."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="c."><al>de openbare veiligheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                        wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van
                                        het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                        milieuverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen aan te brengen of te hebben lager dan twee meter
                                        boven de hoogte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de
                                        uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen
                                        van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                        hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder
                                        verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8a</nr><titel>Gevaarlijke voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders
                                        aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek
                                        toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels,
                                        slagwapens of andere voorwerpen die als wapen gebruikt
                                        kunnen worden, openlijk bij zich te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                        behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en
                                        munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze
                                        voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar
                                        komt of kan komen.</al><al><vet><cursief> (zie voor aanwijzingsbesluit: Bijlage
                                                14)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of op of aan enig deel van een
                                    bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet of onvoldoende
                                    beveiligd is tegen neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen,
                                        borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer
                                        of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders geven tevoren schriftelijk kennis
                                        aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun
                                        voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen
                                        van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het
                                        eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                        weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                        bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                        houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken
                                        als gebouwen of bouwwerken hoger dan twee meter te plaatsen
                                        of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische
                                        spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                        toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van objecten die deel uitmaken van de
                                        hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.12</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                                verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren
                                                of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                veiligheid geplaatst op de onder a genoemde
                                                ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                daarvan te verijdelen of te belemmeren;</al></li><li nr="c."><al>zich te begeven of te bevinden op drijvend ijs of op
                                                ijsvlakten die door enig van gemeentewege
                                                aangebracht zichtbaar teken als gevaarlijk zijn
                                                aangeduid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van
                                        politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van
                                        gevaar voor personen of goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.13</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoop, theater- en schouwburgvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen, indien dit
                                            onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering van
                                            de inrichting en gedurende minimaal 40 weken per jaar
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2.2.6 tot en
                                            met 2.2.11 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1, 2.1.4.1,
                                            2.1.4.2 en 2.3.3.1 van deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>het voor publiek muziek ten te gehore brengen, behoudens
                                            straatmuziek;</al></li><li nr="d."><al>een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als
                                            bedoeld in artikel 2.1.2.1;</al></li><li nr="e."><al>een feest of wedstrijd op of aan de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een
                                    natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de
                                    bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde,
                                    die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet
                                    houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning voor een evenement als bedoeld in
                                    het eerste lid moet worden ingediend uiterlijk 12 weken vóór de
                                    datum van het evenement. De burgemeester kan voor bijzondere
                                    en/of periodiek terugkerende evenementen van de hiervoor
                                    vermelde termijn afwijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid;</al></li><li nr="e."><al>het woon- en leefklimaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd categorieën evenementen aan te wijzen
                                    waarvoor in verband met relatief geringe omvang of anderszins
                                    weinig hinder opleverende aard het verbod in het eerste lid niet
                                    geldt, mits de door het college te stellen algemene regels
                                    worden nageleefd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede
                                    lid, onder d, van artikel 2.2.1 voorziene gevallen, voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10
                                    juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.</al><al><vet><cursief>(Zie voor de Beleidsregels bootfeesten: Bijlage
                                            10)</cursief></vet></al><al><vet><cursief> (Zie voor de Beleidsregels dansmuziekevenementen:
                                            Bijlage 16)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Beëindiging evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde, het
                                    voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de
                                    veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid of
                                    gezondheid, dan wel het woon- en leefklimaat dit vordert, het
                                    bevel geven een evenement te beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die een evenement organiseert dan wel bij een evenement
                                    feitelijk de leiding heeft, is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>dat evenement onverwijld te beëindigen indien de
                                            burgemeester hiertoe een bevel geeft;</al></li><li nr="b."><al>ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel
                                            door de burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot
                                            het evenement toegelaten wordt;</al></li><li nr="c."><al>ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen
                                            tijde toegang hebben tot het evenement.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een evenement gepaard gaat of dreigt te gaan met een
                                    ernstige verstoring van de openbare orde is degene die dat
                                    evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding
                                    heeft, verplicht op bevel van een ambtenaar van politie het
                                    evenement onverwijld te beëindigen en geen publiek meer tot het
                                    evenement toe te laten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien
                                    waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, of in het
                                    derde lid gegeven is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Verwijderplicht</titel></kop><al>Indien een evenement is verboden of een bevel tot beëindiging als
                                bedoeld in artikel 2.2.4 is gegeven, is een ieder die zich op de
                                plaats of in de directe nabijheid van het evenement bevindt, op
                                eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich
                                terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen
                                richting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Betaald voetbalwedstrijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.11
                                    wordt onder organisator verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de betaalvoetbalorganisatie NEC, indien het betreft een
                                            voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de
                                            betaalvoetbalorganisatie NEC als thuis spelende ploeg
                                            betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig
                                            competitieverband tegen een
                                            amateurvoetbalorganisatie;</al></li><li nr="b."><al>de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het
                                            betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties
                                            afkomstig van buiten de gemeente Nijmegen, waarbij ten
                                            minste één betaalvoetbalorganisatie is betrokken;</al></li><li nr="c."><al>degene die buiten de gevallen, genoemd onder a. en b.
                                            een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één
                                            betaalvoetbalorganisatie is betrokken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.11
                                    wordt onder voetbalwedstrijd verstaan een voetbalwedstrijd
                                    georganiseerd door een organisator als bedoeld in het vorige
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.7</nr><titel>Voetbalvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de organisator verboden zonder vergunning van de
                                    burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden.
                                    Een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning moet worden ingediend uiterlijk
                                    vier weken voor de datum van de voetbalwedstrijd. De
                                    burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de
                                    uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren dan wel aan de
                                    vergunning voorschriften verbinden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.8</nr><titel>Verbod voetbalwedstrijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan het doen spelen van een wedstrijd
                                    verbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring
                                            van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>indien de krachtens artikel 2.2.7, derde lid, opgelegde
                                            voorschriften niet worden nageleefd;</al></li><li nr="c."><al>indien geen of niet tijdig een vergunning is
                                            aangevraagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een
                                    verbod, als bedoeld in het vorige lid is uitgevaardigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.9</nr><titel>Orde in verband met voetbalwedstrijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd
                                    tot 4 uur na afloop van een voetbalwedstrijd is het niet
                                    toegestaan voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan
                                    worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te
                                    verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een voetbalstadion de orde te verstoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.10</nr><titel>Verwijderingplicht voetbalsupporters</titel></kop><al>Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen
                                manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van
                                een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie
                                het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren,
                                zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar
                                van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het
                                bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te
                                begeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.11</nr><titel>Stadionomgevingsverbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                        een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te
                                        houden in de omgeving van het Goffertstadion vanaf 4 uur
                                        voor het vastgestelde aanvangstijdstip van een
                                        voetbalwedstrijd in het stadion tot 4 uur na afloop van de
                                        voetbalwedstrijd.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt voor een bepaalde
                                        periode welke niet langer is dan 24 maanden.</al></li></lijst><al><vet><cursief>(Zie voor de Beleidsregels stadionomgevingsverboden
                                        (2008): Bijlage 8)</cursief></vet></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf en de daaruit volgende bepalingen wordt
                                        verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inrichting: een voor het publiek toegankelijke
                                                ruimte:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan
                                        behoort het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken
                                        van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, wordt
                                        uitgeoefend;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, al dan niet door
                                        middel van een automaat, etenswaren of alcoholvrije dranken
                                        of rookwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden
                                        bereid om te worden afgehaald;</al><lijst><li nr="b."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                                rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting
                                                exploiteert of exploiteren en de tot
                                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                                personen;</al></li><li nr="c."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                                onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of
                                                uitoefenen in een inrichting;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden van de exploitant en beheerder,
                                                alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten,
                                                in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en
                                                met de derde graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register, bedoeld
                                                in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting
                                                wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Sluitingsuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting, welke uitsluitend of in
                                        hoofdzaak in gebruik is bij een sport- of jeugdorganisatie
                                        of instelling, dan wel in gebruik is als buurt- of wijkhuis,
                                        deze inrichting van 02.00 tot 05.00 uur voor bezoekers
                                        geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te
                                        laten verblijven.</al><al> De burgemeester is bevoegd in zeer bijzondere gevallen van
                                        tijdelijke aard ontheffing te verlenen van dit verbod.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet
                                        tijdelijk, tussen 00.00 uur en 06.00 uur voor publiek
                                        gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en
                                        leefmilieu.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor
                                        publiek toegankelijke ruimte gesloten dient te zijn, zich
                                        daarin te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor
                                        zover op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                        vergunningsvoorschriften van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2a</nr><titel>Venstertijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting als bedoeld in artikel 3 van de Drank-
                                        en Horecawet, onverminderd de bevoegdheid om voor reeds
                                        aanwezige bezoekers geopend te blijven, verboden tussen
                                        04.00 uur en 08.00 uur bezoekers toe te laten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod als genoemd in het eerste lid is niet van
                                        toepassing in de nacht van 31 december op 1 januari.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Toegang ambtenaren van politie</titel></kop><al>De exploitant en beheerder van een inrichting zijn verplicht er
                                    voor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg
                                    onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot die
                                    inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers
                                            geopend is; dan wel</al></li><li nr="b."><al>gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te
                                            zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig
                                            zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een inrichting deel te nemen aan enig
                                        spel waarbij met of om geld - voor geld inwisselbare
                                        voorwerpen daaronder begrepen - wordt gespeeld, danwel
                                        daartoe gelegenheid te geven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid geldt niet voor zover de Wet op de Kansspelen
                                        van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Terrasvergunningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
                                        burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die
                                        betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf
                                        behorende terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden
                                        over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning tot het hebben van een terras bevat in elk
                                        geval voorschriften met betrekking tot de terrasafmetingen,
                                        het onderhoud en de verzorging en het uiterlijk aanzien van
                                        het terras. Indien deze vergunning geen voorschriften
                                        omtrent de sluitingstijden bevat, is het verboden het terras
                                        te hebben tussen 01.00 en 09.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning ten behoeve van een of
                                        meer bij een horecabedrijf behorende terrassen
                                        weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid
                                                van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor
                                                het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="c."><al>ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de
                                                nabije omgeving van het terras;</al></li><li nr="d."><al>indien op het pand ten behoeve waarvan de
                                                terrasvergunning wordt aangevraagd krachtens het ter
                                                plaatse geldende bestemmingsplan geen
                                                horecabestemming rust.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van
                                        de burgemeester een inrichting als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid onder a, sub 2 of sub 3van deze
                                        verordening te exploiteren (exploitatievergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning, bedoeld in het eerste lid, vervalt drie jaar
                                        na de datum van inwerkingtreding van de vergunning, tenzij
                                        door de burgemeester in bijzondere gevallen een kortere
                                        looptijd is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij
                                        de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de
                                        burgemeester vast te stellen formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt
                                        tenminste:</al><al> a: opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de
                                        exploitant en de beheerder;</al><al> b: opgaaf gedaan van het adres en de aard en
                                        exploitatiewijze van de inrichting;</al><al> c: overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten
                                        behoeve van de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                        natuurlijke perso(o)n(en)- en beheerder afgegeven verklaring
                                        omtrent het gedrag;</al><al> d: overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de
                                        inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en
                                        een plattegrond van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig
                                        in behandeling genomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam
                                        gezet van de exploitant en beheerder van de inrichting. De
                                        vergunning is niet overdraagbaar. In geval van beëindiging
                                        of overdracht van de inrichting aan een rechtsopvolger is de
                                        exploitant verplicht, hiervan direct schriftelijk mededeling
                                        te doen aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan een maximum stellen aan het aantal te
                                        verlenen vergunningen per categorie van inrichtingen, te
                                        onderscheiden naar aard en exploitatiewijze.</al><al><vet><cursief> (zie voor nadere regulering bijlage 12a,
                                                bijlage 12b en bijlage 12c)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Aanwezigheid van exploitant en beheerder</titel></kop><al>Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                    zonder dat de ingevolge artikel 2.3.1.6, zesde lid op de
                                    vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting
                                    aanwezig is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.8</nr><titel>Weigeringgronden exploitatievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel
                                        2.3.1.6, indien:</al><al> a: de vestiging of de exploitatie van de inrichting in
                                        strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in procedure
                                        zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of
                                        leefmilieuverordening;</al><al> b: de inrichting niet voldoet aan de door de burgemeester
                                        vastgestelde inrichtingseisen;</al><al> c: gelegen is buiten een door de burgemeester aangewezen
                                        gebied;</al><al> d: een op de aanvraag vermelde exploitant - indien een
                                        rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die
                                        rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of
                                        beheerder jonger is dan 21 jaar.</al><al><vet><cursief>(zie voor nadere regulering bijlage
                                                12a)</cursief></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning, bedoeld in artikel
                                        2.3.1.6, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar diens
                                        oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie
                                        in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op
                                        ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de
                                        aanwezigheid van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde
                                        weigeringgrond houdt de burgemeester rekening met:</al><al> a: het karakter van de straat en de wijk, waarin de
                                        inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;</al><al> b: de aard van de inrichting;</al><al> c: de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                        blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
                                        van de inrichting;</al><al> d: de concentratie van inrichtingen in een bepaald
                                        gebied;</al><al> e: de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of
                                        beheerder van de inrichting in deze of andere
                                        inrichtingen;</al><al> f: de wijze van exploitatie van de inrichting in het
                                        verleden, voor zover de exploitant en beheerder onveranderd
                                        is gebleven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd indien de exploitant of
                                        de beheerder in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het
                                        indienen van de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd
                                        die op grond van verstoring van de openbare orde gesloten is
                                        geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.9</nr><titel>Intrekkinggronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.11 kan de burgemeester de
                                    vergunning intrekken:</al><al>a: indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder van de
                                    inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden
                                    verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een
                                    gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen
                                    voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de
                                    inrichting;</al><al>b: indien de exploitant of beheerder van de inrichting toestaat
                                    dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
                                    gepleegd;</al><al>c: indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten
                                    hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven
                                    van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde een
                                    bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving
                                    van de inrichting;</al><al>d: indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich
                                    schuldig maakt aan feiten, die bij een aanvraag van een
                                    verklaring omtrent het gedrag zouden leiden tot een weigering
                                    daarvan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.10</nr><titel>Vervallen vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt, indien:</al><al> a: gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen
                                        handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de
                                        vergunning;</al><al> b: er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor
                                        geen nieuwe vergunning is aangevraagd;</al><al> c: de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft
                                        verloren;</al><al> d: een vergunning, strekkende ter vervanging van de
                                        eerstbedoelde vergunning is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant of
                                        beheerder deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke
                                        aanvraag voor de exploitatie van dezelfde inrichting wordt
                                        ingediend, blijft het bepaalde in het eerste lid, onder c
                                        buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is
                                        beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.11</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is gedurende 52 weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op die inrichtingen, die voorheen op grond van de
                                        meldingsplicht voor alcoholvrije inrichtingen een melding
                                        hebben gedaan en over een ontvangst van kennisgeving
                                        beschikken, voor zover er geen wijzigingen optreden of zijn
                                        opgetreden in de gemelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens gedurende 52 weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op de ten tijde van de inwerkingtreding bestaande
                                        inrichtingen, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet,
                                        etenswaren worden bereid om te worden afgehaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens niet van toepassing
                                        op de in het eerste en tweede lid genoemde inrichtingen na
                                        afloop van de in de vorige leden genoemde termijn, indien de
                                        exploitant binnen die genoemde termijn een aanvraag om
                                        vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de
                                        burgemeester is beslist.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is gedurende vier weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op die inrichtingen, die tot het moment van
                                        inwerkingtreding van de wijziging van artikel 2.3.1.1 op
                                        grond van het vervallen artikel 2.3.1.1 eerste lid onder b
                                        niet beschouwd werden als een inrichting, maar wel
                                        beschikken over een zogenaamd meldingsdocument van de
                                        burgemeester of daarover beschikt hebben en voor dezelfde
                                        inrichting een nieuwe aanvraag hebben gedaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens niet van toepassing
                                        op de in het vorige lid genoemde inrichtingen na afloop van
                                        de in het vorige lid genoemde termijn, indien de exploitant
                                        binnen genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft
                                        ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is
                                        beslist.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op vergunningaanvragen voor de in het vierde lid bedoelde
                                        inrichtingen zijn de artikelen 2.3.1.6, zevende lid,
                                        2.3.1.8, eerste lid onder c, tweede lid en derde lid niet
                                        van toepassing, voor zover er geen wijziging ten aanzien van
                                        de exploitant en inrichting is opgetreden. Artikel 2.3.1.8,
                                        vierde lid is niet van toepassing voor zover het sluitingen
                                        voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.3.1.6
                                        betreft.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor zover de voorgaande leden niet voorzien in een
                                        regeling, beschikt de burgemeester.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in
                                            de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen
                                            tijdelijk de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                            gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="b."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
                                            daarin de feitelijke leiding heeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel
                                    kampeert is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op speelautomatenhallen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>(zie voor nadere regulering bijlage
                                        6)</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening
                                            van een spel dat bestaat uit een door de speler in
                                            werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch
                                            proces, waarbij het resultaat kan leiden tot een
                                            middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of
                                            premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder
                                            te spelen;</al></li><li nr="c."><al>behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan:</al><lijst><li nr="1."><al>het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een
                                                  verlengde speelduur of het recht op gratis spellen
                                                  en</al></li><li nr="2."><al>het proces, ook nadat het in werking is gesteld,
                                                  door de speler kan worden beïnvloed en het geheel
                                                  of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid
                                                  bij het gebruik van de daartoe geboden middelen
                                                  afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd
                                                  of het recht op gratis spellen verkregen
                                                  wordt;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>kansspelautomaat: een speelautomaat die geen
                                            behendigheidsautomaat is;</al></li><li nr="e."><al>speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het
                                            publiek gelegenheid te geven een spel door middel van
                                            speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c,
                                            eerste lid, onder c, van de Wet;</al></li><li nr="f."><al>ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die de
                                            speelautomatenhal exploiteert;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de
                                            onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is
                                            belast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Exploitatie speelautomatenhal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan voor maximaal 3 speelautomatenhallen een
                                        vergunning verlenen, te weten: 2 speelautomatenhallen voor
                                        het deel van de gemeente dat wordt begrensd door de rivier
                                        de Waal en de singels en 1 speelautomatenhal in het
                                        grootwinkelcentrum Dukenburg (Zwanenveld).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.3</nr><titel>Bescheiden vergunningaanvraag</titel></kop><al>De ondernemer dient bij de vergunningaanvraag de volgende
                                    gegevens en bescheiden over te leggen:</al><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij
                                            is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een
                                            plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de
                                            speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en/of
                                            behendigheidsautomaten worden opgesteld;</al></li><li nr="b."><al>een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel
                                            en Fabrieken;</al></li><li nr="c."><al>een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over
                                            de ruimte te beschikken;</al></li><li nr="d."><al>een verklaring omtrent het gedrag:</al><lijst><li nr="-"><al>van de ondernemer dan wel, indien de ondernemer
                                                  een rechtspersoon is, van degene(n) die de
                                                  onderneming krachtens de (alsdan bij te voegen)
                                                  statuten vertegenwoordigt(en) en</al></li><li nr="-"><al>van de beheerder;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>een verklaring dat hij beschikt over een
                                            exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste
                                            lid van de Wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.4</nr><titel>Persoonlijk karakter vergunning; voorschriften en
                                        beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de
                                        ondernemer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de vergunning wordt de naam van de beheerder
                                        vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen
                                        verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de sluitingstijden van de speelautomatenhal;</al></li><li nr="b."><al>het toezicht in de speelautomatenhal;</al></li><li nr="c."><al>het aantal speelautomaten dat mag worden
                                                opgesteld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.5</nr><titel>Weigering vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30e, eerste en tweede
                                        lid van de Wet, wordt de vergunning geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het maximaal aantal af te geven vergunningen voor
                                                speelautomatenhallen is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks
                                                vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk
                                                is;</al></li><li nr="c."><al>de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet
                                                heeft (hebben) bereikt;</al></li><li nr="d."><al>de ondernemer of de beheerder(s) onder curatele
                                                staat (staan) of bewind is ingesteld over één of
                                                meer aan hen toebehorende goederen, als bedoeld in
                                                Boek 1, titel 19, van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="e."><al>door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar
                                                het oordeel van de burgemeester de leef- en
                                                woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter
                                                van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare
                                                wijze nadelig wordt beïnvloed;</al></li><li nr="f."><al>de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal
                                                strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan,
                                                dan wel een stadsvernieuwingsplan c.q.
                                                leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de
                                                stads- en dorpsvernieuwing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                        het vorige lid, onder b en onder c. Een ontheffing van het
                                        bepaalde onder b geldt voor een periode van ten hoogste zes
                                        maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.6</nr><titel>Beëindiging vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een overeenkomstig artikel 2.3.3.4, tweede lid, in de
                                        vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder
                                        heeft verloren, dient de ondernemer onder overlegging van de
                                        in artikel 2.3.3.3, onder d, genoemde bescheiden, binnen
                                        drie maanden een nieuwe vergunning aan te vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de beslissing op een aanvrage
                                        voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel
                                        exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand
                                        onherroepelijk is geworden dan wel indien geen aanvrage is
                                        ingediend binnen drie maanden na het verlies van de
                                        hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.7</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30f, eerste en tweede lid
                                    van de Wet en artikel 1.11, eerste lid van deze verordening, kan
                                    de burgemeester de vergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan
                                            de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat
                                            een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2.3.3.5,
                                            onder e;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een
                                            periode van langer dan zes maanden wordt
                                            onderbroken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.8</nr><titel>Voortzetting exploitatie na overlijden ondernemer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een ondernemer komt te overlijden dient, indien
                                        voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, binnen drie
                                        maanden een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In alle andere gevallen van wisseling van ondernemer dient
                                        binnen één maand na overname van de speelautomatenhal een
                                        nieuwe vergunning te worden aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zolang op een tijdig ingediende aanvrage niet is beslist is
                                        voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming
                                        van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van
                                        rechtswege vervallen vergunning.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Toezicht op speelautomaten in andere inrichtingen dan
                                    speelautomatenhallen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel
                                            2.3.3.1 onder b;</al></li><li nr="c."><al>behendigheidsautomaat: een behendigheidsautomaat als
                                            bedoeld in artikel 2.3.3.1 onder c;</al></li><li nr="d."><al>kansspelautomaat: een kansspelautomaat als bedoeld in
                                            artikel 2.3.3.1 onder d;</al></li><li nr="e."><al>hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in
                                            artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet,
                                            waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat
                                            artikellid wordt uitgeoefend:</al><lijst><li nr="1."><al>waar het café en het restaurantbezoek op
                                                  zichzelf staat en waar geen andere activiteiten
                                                  plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis
                                                  kan worden toegekend en</al></li><li nr="2."><al>waarvan de activiteiten in belangrijke mate
                                                  gericht zijn op personen van 18 jaar en
                                                  ouder;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in
                                            artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet,
                                            waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat
                                            artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige
                                            inrichting is, of een inrichting waarin
                                            horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de
                                            ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij
                                            het Bedrijfschap Horeca.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4.2</nr><titel>Opstelplaatsenbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                        toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                        toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                        geheel niet zijn toegestaan.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><al>Het is degenen aan wie dit door of namens de burgemeester in het
                                belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt,
                                verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te
                                bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen
                                gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in
                                de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit van de burgemeester:
                                        Bijlage 3, 3a en 3b)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerend goed
                                    dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerend
                                    goed dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te
                                            brengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid, aanhef en sub a gestelde verbod, geldt
                                    niet voor het aanplakken op daartoe door de gemeente geplaatste
                                    publicatieborden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer zaken met verboden handeling als kennelijk
                                    doel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen 's avonds 10 uur en 's morgens 6 uur op
                                    de weg te vervoeren of bij zich te hebben gereedschappen of
                                    andere hulpmiddelen waarmee handelingen kunnen worden verricht
                                    als verboden in artikel 2.4.2 of in de artikelen 138, 310 en 350
                                    Wetboek van Strafrecht, met het kennelijke doel dergelijke
                                    handelingen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels, gedurende
                                    de openingstijden daarvan, een tas te vervoeren of aanwezig te
                                    hebben die er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
                                    winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3.a</nr><titel>Handel in verdovende middelen</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op of
                                aan de openbare weg te bevinden, indien redelijkerwijze kan worden
                                aangenomen, dat dit er kennelijk op gericht is een verdovend middel
                                als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                stof, te koop aan te bieden of de verkoop, aflevering of
                                verstrekking daarvan te bevorderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3b</nr><titel>Gebruik harddrugs op straat</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
                                bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen,
                                dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten
                                behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te
                                hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3c</nr><titel>Samenscholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer
                                    dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband
                                    houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als
                                    bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, of indien deze verzameling
                                    verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3
                                    van de Opiumwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder die zich bevindt in een verzameling van personen als
                                    in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend
                                    bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of
                                    zich in de aangewezen richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en
                                    leefmilieu, de sluiting van een voor het publiek toegankelijke
                                    ruimte bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van
                                    de houder van de ruimte die het betreft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de houder van een voor publiek toegankelijke ruimte
                                    verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar
                                    bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd
                                    dat de ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de
                                    burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek
                                    toegankelijke ruimte krachtens een op grond van het eerste lid
                                    door de burgemeester genomen besluit gesloten dient te zijn,
                                    zich daarin te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden onder bezoekers
                                    verstaan allen die zich in de voor het publiek toegankelijke
                                    ruimte bevinden of daarin toegelaten worden met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>de houder van de ruimte alsmede diens huisgenoten die
                                            door de gemeente Nijmegen zijn ingeschreven als bewoners
                                            van de bij de ruimte behorende woning;</al></li><li nr="b."><al>logeergasten;</al></li><li nr="c."><al>hen wier tegenwoordigheid wegens dringende
                                            omstandigheden wordt vereist.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Verbod betreden van voor het publiek gesloten ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                    behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                            beeld, monument, overkapping, voertuig, hekheining,
                                            verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                            weggebruikers of aan gebruikers van nabij de weg gelegen
                                            gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt
                                            wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                    artikel 350, 351, 351bis, 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a</nr><titel>Verbod slapen op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg op een voor anderen hinderlijke wijze als
                                    slaapplaats te gebruiken, al dan niet in een voertuig,
                                    woonwagen, tent of vergelijkbaar ander onderkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen wegen aanwijzen waar dit
                                    verbod niet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van
                                    de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid
                                    voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en
                                    beperking van hinder en overlast, ontsiering van het stadsbeeld,
                                    verontreiniging, besmettelijke ziekten en brandgevaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet op
                                    de Openluchtrecreatie van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6b</nr><titel>Overlast skateboarden</titel></kop><al>1.Onder skateboarden wordt in dit artikel verstaan: het zich
                                voortbewegen op skateboarden en vergelijkbare voorwerpen.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen wegen aanwijzen waar het is
                                verboden om te skateboarden.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluiten: Bijlage 13A
                                        en13B)</cursief></vet></al><lijst><li nr="3."><al>De in het vorige lid bedoelde plaatsen kunnen worden
                                        aangewezen in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>het doelmatig beheer en onderhoud van de weg,
                                                waaronder mede begrepen de bescherming van
                                                verkeersdeelnemers en de verdeling van de
                                                gebruiksmogelijkheden van de weg;</al></li><li nr="b."><al>de voorkoming of opheffing van hinder of
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>de voorkoming van schade aan de weg en
                                                straatmeubilair.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                    aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
                                    drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat deel uitmaakt van of behoort bij een
                                            inrichting, als bedoeld in artikel 2.3.1.1 lid 1, onder
                                            a, sub 1;</al></li><li nr="b."><al>het gedeelte van de weg, waarvoor een ontheffing geldt
                                            krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7a</nr><titel>Gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door de
                                    burgemeester aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende
                                    glazen verpakkingen, kennelijk bestemd voor het bewaren van
                                    dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in
                                            artikel 2.3.1.5;</al></li><li nr="b."><al>de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens
                                            artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel
                                    2.3.1.1 en degene die het winkelbedrijf of slijtersbedrijf
                                    uitoefent, welke inrichting, winkel of slijterij is gelegen aan
                                    een door de burgemeester aangewezen weg of weggedeelte, verboden
                                    dranken in door de burgemeester aangewezen verpakkingen, en/of
                                    drinkgerei van glas of blik te verstrekken gedurende een door de
                                    burgemeester aangewezen periode. De burgemeester wijst de wegen
                                    of weggedeeltes, verpakkingen en drinkgerei en de periode aan in
                                    het belang van de openbare orde en/of veiligheid indien en voor
                                    zover de genoemde belangen dit dringend noodzakelijk maken en
                                    dat ook in een aantoonbaar verband staat tot deze
                                    aanwijzing.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit bijlage
                                        22)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort, onder
                                            een luifel, afdak, overkapping of onderdoorgang op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
                                            gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor
                                de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Neerzetten van fietsen en bromfietsen</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan:</al><lijst><li nr="1."><al>indien dit schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor
                                        de bruikbaarheid van de</al><al> weg of voor het doelmatig en veilig gebruik ervan, dan wel
                                        een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                        onderhoud van de weg;</al></li><li nr="2."><al>tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een
                                        gebouw dan wel in de</al><al> ingang van een portiek, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil
                                                van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek,
                                                of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die doorgang gehinderd of die ingang
                                                versperd wordt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets bij publiek trekkende
                                    activiteiten</titel></kop><al>Het is verboden op door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen
                                zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11-a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen gebieden aanwijzen waar het
                                    verboden is om buiten de daarvoor aangewezen stallingruimten
                                    fietsen en bromfietsen te plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al><al><vet><cursief> (zie voor aanwijzingsbesluiten: Bijlage 5A, waar
                                            ook de relevante beleidsregels voor ontheffingen zijn
                                            toegevoegd, Bijlage 5B en Bijlage
                                    5C)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11-b</nr></kop><al>Het is verboden om een (brom-)fiets, al of niet voor onmiddellijk
                                gebruik geschikt, langer dan 4 weken onbeheerd in een
                                fietsenstalling in een door Burgemeester en Wethouders aangewezen
                                zone achter te laten.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluiten: Bijlage 5A, waar ook
                                        de relevante beleidsregels voor ontheffingen zijn
                                        toegevoegd, Bijlage 5B en Bijlage 5C)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een
                                gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in of aan een onroerend goed een
                                        alarminstallatie in werking te hebben die een voor de
                                        omgeving opvallend geluid kan produceren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een telefoonkiesapparaat zodanig in werking
                                        te hebben dat zonder menselijke tussenkomst, via het
                                        openbaar telefoonnet, aan de meldkamer of alarmcentrale van
                                        de politie, de brandweer of enige andere overheidsinstelling
                                        alarmmeldingen kunnen worden gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van de in de
                                        vorige leden neergelegde verboden.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        artikel 142 Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></li></lijst><al><vet>(Toelichting bij artikel 2.4.15:</vet></al><al><vet><cursief>Relatie met artikel 4.1.1.1. Verbod
                                        geluidhinder</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1,</nr><titel>eerste lid bevat het verbod om met toestellen of
                                    geluidsapparaten dan wel op een andere wijze handelingen te
                                    verrichten of toe te laten, waardoor voor een omwonende of
                                    overigens voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt. Het
                                    tweede lid van dit artikel bevat een
                                    ontheffingsmogelijkheid.</titel></kop><al><cursief>De term "geluidsapparaten" is ontleend aan artikel 1 van de
                                    Wet geluidshinder, waar een geluidsapparaat wordt gedefinieerd
                                    als een apparaat bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen
                                    van geluid. Een luidalarminstallatie valt ook onder deze
                                    definitie.</cursief></al><al><cursief>Echter, artikel 2.4.15 APV verhoudt zich tot artikel 4.1.1
                                    APV als een bijzondere tot een algemene bepaling. Dat betekent
                                    dat artikel 4.1.1 niet van toepassing is op
                                    luidalarminstallaties. Wel verdient het aanbeveling ten aanzien
                                    van luidalarminstallaties een zelfde beleid ter voorkoming van
                                    geluidshinder te voeren als op grond van het bedoelde artikel
                                    4.1.1 wordt gevoerd. Dit is vooral van belang bij de situering
                                    van de installaties met het oog op het geluidsniveau buiten het
                                    beveiligde pand.) </cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Loslopende honden, verboden plaatsen</titel></kop><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit: Bijlage20A en
                                        20C)</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of
                                        degene, die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden
                                        deze te laten verblijven of lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg zonder dat de hond aangelijnd en voldoende
                                                in zijn macht is;</al></li><li nr="b."><al>op de weg zonder dat de hond voorzien is van een aan
                                                de halsband bevestigde, van gemeentewege verstrekte,
                                                hondenpenning;</al></li><li nr="c."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk
                                                als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                                speelweide;</al></li><li nr="d."><al>op een andere door burgemeester en wethouders
                                                aangewezen en als zodanig aangeduide plaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en Wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar
                                        het verbod sub a niet van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of degene
                                    die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze zich van
                                    zijn uitwerpselen te laten ontdoen in tuinen van derden en op de
                                    weg met uitzondering van de als zodanig door het college van
                                    burgemeester en wethouders aangewezen en ingerichte
                                    hondenuitlaatplaatsen.</al><al><vet><cursief> (Zie voor aanwijzingsbesluiten
                                            hondenuitlaatplaatsen bijlagen 20B en
                                            volgende)</cursief></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod wordt opgeheven indien het gaat om openbare
                                    wegen en perken en de eigenaar, houder of verzorger van een hond
                                    dan wel degene die een hond onder zijn toezicht heeft, er zorg
                                    voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op of aan de openbare weg bevindt
                                    is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat
                                    geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep. Dat geldt zowel
                                    aan het begin van de “uitlaatronde“ als aan het einde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of hem, die
                                    een hond onder zijn toezicht heeft verboden die hond te laten
                                    verblijven of te laten lopen op de weg of enig andere -al dan
                                    niet met enige beperking- voor publiek toegankelijke plaats of
                                    op het terrein van een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd en voldoende in iemands
                                            macht, nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of
                                            de houder schriftelijk hebben medegedeeld, dat zij die
                                            hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een
                                            kortaanlijngebod in verband met het gedrag van die hond
                                            noodzakelijk vinden;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf,
                                            nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de
                                            houder schriftelijk hebben medegedeeld, dat zij die hond
                                            gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een kortaanlijn-
                                            en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond
                                            noodzakelijk vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder
                                            d, van de Regeling agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met
                                            een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet
                                            langer is dan 1,50 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voorzover de Regeling agressieve dieren van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Bescherming tegen gevaarlijke honden op eigen erven</titel></kop><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond en hem, die een
                                hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze hond op zijn erf
                                zonder muilkorf te laten loslopen, indien burgemeester en wethouders
                                hebben medegedeeld, dat zij het dier gevaarlijk achten, danwel
                                indien de hond is opgeleid voor bewa-kings-, opsporings- en
                                verdedigingswerk, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>op een vanaf de weg zichtbare plaats een -ter beoordeling
                                        van burgemeester en wethouders- duidelijk leesbaar
                                        waarschuwingsbord is aangebracht;</al></li><li nr="b."><al>de gelegenheid bestaat een brievenbus te bereiken en aan te
                                        bellen zonder dat men het erf behoeft te betreden;</al></li><li nr="c."><al>het erf voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke
                                        afrastering dat de hond zonder menselijke tussenkomst niet
                                        buiten het erf kan komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd gedeelten van de
                                    gemeente of bepaalde plaatsen, geen woningen zijnde, aan te
                                    wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van
                                    schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide
                                    dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben, dan wel;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van
                                            schade aan de openbare gezondheid gestelde regels, dan
                                            wel;</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al><al> De aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt
                                            overeenkomstig artikel 1.14.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                    aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde en
                                    overeenkomstig artikel 1.14 openbaar bekend gemaakte regels, dan
                                    wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een
                                    onroerend goed gelegen binnen een krachtens het eerste lid
                                    aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het
                                    in het tweede lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het aanwezig hebben van dieren gebeurt in strijd met het
                                    bepaalde krachtens het eerste lid kunnen burgemeester en
                                    wethouders degene die de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot
                                    het treffen van maatregelen ter voorkoming of opheffing van
                                    overlast of van schade aan de openbare gezondheid.</al><al> Degene tot wie de aanschrijving is gericht of diens
                                    rechtsopvolger is verplicht de aanschrijving op te volgen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ieder die een of meer dieren onder zijn hoede heeft, is
                                    verplicht door voorzorgsmaatregelen die in redelijkheid van hem
                                    verwacht mogen worden, te voorkomen dat deze dieren voor de
                                    omgeving hinderlijk zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    Milieubeheer of het Honden- en Kattenbesluit van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.21</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>Loslopend vee en kleinvee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of kleinvee dat zich bevindt in een aan een
                                weg liggend weiland of terrein, is verplicht ervoor te zorgen dat
                                zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee en kleinvee die
                                weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.23</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
                                            gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen
                                    te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover de Gelderse wegenverordening van toepassing
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>Opvangen van dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dieren, die op de weg worden aangetroffen in strijd met het
                                    bepaalde in de artikelen 2.4.16, 2.4.18, 2.4.21 of 2.4.24,
                                    kunnen van gemeentewege worden opgevangen of, indien het
                                    opvangen bezwaarlijk is, afgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Opgevangen dieren blijven veertien dagen ter beschikking van de
                                    rechthebbende en kunnen, als zij binnen die tijd niet zijn
                                    opgevraagd of de kosten van voeding en huisvesting niet zijn
                                    vergoed, worden herplaatst of afgemaakt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar;</al></li><li nr="c."><al>horecabedrijf: een inrichting als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid sub a;</al></li><li nr="d."><al>houder: de exploitant of beheerder als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid sub b en c.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan besluiten ten aanzien van de verkoop of
                                    overdracht van bepaalde categorieën gebruikte of ongeregelde
                                    goederen de verplichting op te leggen een verkoopregister bij te
                                    houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De handelaar houdt de verkoop of op andere wijze overdracht van
                                    aangewezen goederen als bedoeld in het eerst lid bij in een
                                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt
                                    register en vermeldt daarin onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                            zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
                                            goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van</titel></kop><al><onderstreept>Strafrecht </onderstreept></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij in overeenstemming met het bepaalde in artikel
                                        437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
                                        burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
                                        schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een
                                        beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave
                                        te doen van zijn woonadres en van het volledige adres van
                                        elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in
                                        gebruik genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de onder a bedoelde functionaris.;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een
                                handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig
                                voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.2.1, 2.1.5.1, 2.1.5.2,
                                2.1.6.4, 2.1.6.8, 2.1.6.8a, 2.2.9, 2.2.10, 2.2.11, 2.4.6, 2.4.7,
                                2.4.8, 2.4.9 en 4.3.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening van
                                de gemeente Nijmegen groepsgewijze niet naleven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Spreiding van vuurwerk verkooppunten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Vuurwerk verkooppunten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, voor
                                    zover de locatie van de bedrijfsuitoefening niet voldoet aan het
                                    in het belang van de openbare orde en in het belang van het
                                    voorkomen of beperken van overlast, door het college gestelde
                                    afstandscriterium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor vuurwerk verkooppunten die in 2004 en 2005 rechtsgeldig in
                                    werking waren en voor ondernemers die in 2005 een ontvankelijke
                                    aanvraag of een melding op grond van de Wet milieubeheer
                                    indienden, geldt het verbod van lid 1 niet.</al><al><vet><cursief> (zie voor besluit vaststelling afstandscriterium:
                                            Bijlage 15)</cursief></vet></al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke
                                    plaatsen:</al><lijst><li nr="a."><al>parkeerterreinen;</al></li><li nr="b."><al>overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf
                                            niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel
                                            1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na afloop van de in het eerste lid bepaalde duur worden
                                    cameraprojecten geëvalueerd. De burgemeester betrekt de
                                    gemeenteraad bij evaluatie van cameraprojecten.</al><al><vet><cursief>(zie voor besluit toezicht: Bijlage 19 a en 19b)
                                        </cursief></vet></al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                                seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>d escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht;</al><al>f raamprostitutiebedrijf: een seksinrichting met één of meer ramen
                                van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op
                                zich te vestigen;</al><al>g straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan
                                wel aanlokken;</al><al>h exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert
                                of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>i beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                                feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of
                                escortbedrijf;</al><al>j bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al><al> 1 de exploitant;</al><al> 2 de beheerder;</al><al> 3 de prostituee;</al><al> 4 het personeel dat in de inrichting werkzaam is;</al><al> 5 toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a;</al><al> 6 andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft
                                voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de
                                bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al><al><vet><cursief>(zie voor collegebesluit tot vaststellen nadere
                                        regels: Bijlage 2B)</cursief></vet></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen en escortbedrijven</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
                                        <vet><cursief>(zie besluiten in bijlage 2D en bijlage 2E)
                                    </cursief></vet></al><al>2 Het bevoegd orgaan kan een maximum stellen aan het aantal te
                                verlenen vergunningen.</al><al>3 Bij de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval overgelegd respectievelijk vermeld:</al><al> a de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al> b de persoonsgegevens van de beheerder; </al><al> c het aantal werkzame prostituees;</al><al> d de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al><al> e de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door
                                middel van een situatietekening met een schaal van tenminste
                                1:1000;</al><al> f een plattegrond van de seksinrichting door middel van een
                                tekening met een schaal van tenminste 1:100;</al><al> g een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer
                                van Koophandel;</al><al> h een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het
                                gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag
                                            en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse
                                            Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
                                            wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                                            bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                            eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                            toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                    Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan driehonderd vijfenzeventig euro
                                            bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de
                                            datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de
                                            datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                    vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                    perso(o)n(en) - of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor
                                    ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is
                                    gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1
                                    is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen
                                    verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al>1 Het bevoegd orgaan kan door middel van voorschriften als bedoeld
                                in artikel 1.9 voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingstijden
                                vaststellen. </al><al>2 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                gedurende de op grond van lid 1 opgelegde sluitingstijden.</al><al>3 Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4 eerste lid, gesloten
                                dient te zijn.</al><al>4 Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor
                                zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><al>1 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan
                                het bevoegd bestuursorgaan:</al><al> a tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste lid,
                                geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al> b van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al>2 Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste
                                lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van
                                de Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. </al><al>2 De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe
                                te zien dat in de seksinrichting:</al><al> a geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
                                (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek
                                van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens
                                en munitie;</al><al> b geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                Vreemdelingenwet bepaalde. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al>1 Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet op of aan door het
                                college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen en gebieden,
                                indien de bij dat besluit vastgestelde voorschriften in acht worden
                                genomen; deze voorschriften betreffen in ieder geval de tijden,
                                waarop het verbod in het eerste lid vermeld niet geldt, de leeftijd
                                van de prostituee en de locatie waar het afwerken dient te
                                geschieden.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit met beleidsregels:
                                        Bijlagen 2A-1 en 2A-2)</cursief></vet></al><al>3 Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door een ambtenaar van politie of een buitengewoon
                                opsporingsambtenaar van de afdeling Toezicht van de gemeente
                                Nijmegen het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                richting te verwijderen.</al><al>4 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                wegen en tijden bedoeld in het tweede lid, het bevel worden gegeven
                                zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al><al>5 Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden op de in lid 2 bedoelde wegen en
                                gebieden dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een
                                ander doel dan waarvoor deze gebieden zijn bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en
                                wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit met nadere regulering:
                                        Bijlage 2F)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al><onderstreept>goederen, afbeeldingen en
                                dergelijke</onderstreept></al><al>1 Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><al> a indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt;</al><al> b anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringgronden;</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al>1 Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf
                                weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.</al><al>2 Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                twaalf weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>1 De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                geweigerd indien:</al><al> a de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                perso(o)n(en) - of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2
                                gestelde eisen;</al><al> b de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in
                                procedure zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of
                                leefmilieuverordening;</al><al> c er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel
                                250a van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de
                                Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;</al><al> d de aanvrager niet door het overleggen van een door het college
                                van burgemeester en wethouders afgegeven geschiktheidverklaring kan
                                aantonen dat het bedoelde pand voldoet aan de ex artikel 3.1.3
                                gestelde nadere regels;</al><al> e het maximale aantal af te geven vergunningen voor
                                seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend;</al><al> f de vergunning is aangevraagd voor een raamprostitutiebedrijf dat
                                niet is gevestigd in de percelen Nieuwe Markt 24 tot en met 40 (even
                                nummers).</al><al>2 De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de
                                aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, kan
                                worden geweigerd:</al><al> a in het belang van de openbare orde;</al><al> b in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> c in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van
                                het woon- en leefklimaat;</al><al> d in het belang van de veiligheid van personen of goederen;</al><al> e in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> f in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al><al> g in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                prostituee.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1 De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting
                                of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2 Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1 Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid,
                                onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd,
                                geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke
                                beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al><al>2 Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2,
                                eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>3 In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5.1</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>1 Op het exploiteren van seksinrichtingen of escortbedrijven, die
                                reeds gevestigd zijn èn zich vóór 1 oktober 2000 bij burgemeester en
                                wethouders schriftelijk aangemeld hebben, is het gestelde in artikel
                                3.2.1, eerste lid, niet van toepassing:</al><al> a gedurende 52 weken na het in werking treden daarvan;</al><al> b na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant
                                binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in
                                artikel 3.2.1, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag
                                door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen.</al><al>2.Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, sub a, kan het
                                bevoegd bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede
                                lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen
                                van in die aanschrijving vermelde voorzieningen.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1.1</nr><titel>Verbod geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om met toestellen of geluidsapparaten dan
                                        wel op andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor
                                        een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                        wordt veroorzaakt, of toe te laten dat deze handelingen
                                        worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen van het bepaalde in het
                                        eerste lid ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid van het artikel omschreven verbod
                                        geldt niet indien wordt voldaan aan de door het college te
                                        stellen nadere regels met betrekking tot het vrijstellen van
                                        bepaalde soorten geluidhinder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, de
                                        Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet of
                                        het Reglement Verkeerstekens en Verkeersregels van
                                        toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>"Festiviteitenregeling voor inrichtingen"</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>(zie voor de bijlagen behorende bij deze
                                            paragraaf: Nadere regels:-Bijlage9A en jaarlijkse
                                            aanwijzing van dagen: Bijlage9B)</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het Besluit: het Besluit algemene regels voor
                                            inrichtingen milieubeheer (Stb 2007, 415);</al></li><li nr="b."><al>inrichting: een inrichting type A of type B zoals
                                            bedoeld in het Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                            bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                            drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: door burgemeester en wethouders
                                            als zodanig aangewezen activiteit;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere activiteit: specifiek aan één inrichting
                                            gebonden activiteit met een incidenteel karakter, die
                                            plaats vindt binnen de inrichting;</al></li><li nr="f."><al>openluchttheater: een inrichting waarbij uitsluitend of
                                            in hoofdzaak sprake is van een of meer voorzieningen of
                                            installaties voor het in de open lucht vertonen van
                                            films, houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante
                                            uitvoeringen, of houden van tentoonstellingen van
                                            gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst, cultuur
                                            of wetenschap;</al></li><li nr="g."><al>atletiekbaan: een inrichting waarbij uitsluitend of in
                                            hoofdzaak sprake is van een of meer voorzieningen of
                                            installaties voor het beoefenen van sport.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2.2</nr><titel>Horeca-, sport en recreatie-inrichting</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘Horeca-, sport en
                                    recreatie-inrichting’: een inrichting type A of type B zoals
                                    bedoeld in het Besluit waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van:</al><lijst><li nr="1."><al>een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                                  snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of
                                                  daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding
                                                  logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken
                                                  of spijzen voor directe consumptie worden bereid
                                                  of verstrekt, of</al></li><li nr="2."><al>een gelegenheid tot zwemmen of baden;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer
                                            voorzieningen of installaties voor:</al><lijst><li nr=""><al>1. het in een besloten ruimte dansen of geven
                                                  van dansonderricht;</al><al>2. het in een besloten ruimte onderrichten van
                                                  muziek of toneel, of oefenen of houden van
                                                  muziek-, toneel- of daarmee verwante
                                                  uitvoeringen;</al><al>3. het in een besloten ruimte vertonen van
                                                  films, houden van presentaties, vergaderingen of
                                                  congressen, of tentoonstellen van
                                                  gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst,
                                                  cultuur of wetenschap;</al><al>4. het in de open lucht of in een besloten
                                                  ruimte beoefenen van sport in wedstrijdverband,
                                                  ter voorbereiding van wedstrijden of voor
                                                  recreatieve doeleinden, of</al><al>5. het in de open lucht vertonen van films,
                                                  houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante
                                                  uitvoeringen, of houden van tentoonstellen van
                                                  gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst,
                                                  cultuur of wetenschap;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>uitsluitend of in hoofdzaak gelegenheid wordt geboden
                                            tot het deelnemen aan kansspelen of om mee te dingen
                                            naar prijzen of premies door enige kansbepaling of tot
                                            het gebruiken van speelautomaten, of</al></li><li nr="d."><al>uitsluitend of in hoofdzaak:</al><lijst><li nr="1."><al>recreatief dagverblijf wordt geboden of waar een
                                                  of meer voorzieningen aanwezig zijn voor
                                                  recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="2."><al>recreatief nachtverblijf wordt geboden in ten
                                                  hoogste 400 vakantiewoningen, of</al></li><li nr="3."><al>recreatief nachtverblijf wordt geboden in ten
                                                  hoogste 750 trekkershutten of door middel van een
                                                  kampeerterrein als bedoeld in artikel 1, onder b,
                                                  van de Wet op de openluchtrecreatie, met een
                                                  capaciteit van ten hoogste 750
                                                  kampeermiddelen;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een samenstel
                                            van bedrijvigheden als bedoeld onder a tot en met
                                            d.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2.3</nr><titel>Collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                        het Besluit gelden niet voor de door burgemeester en
                                        wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten in de daarbij aangewezen gebieden gedurende de
                                        aangewezen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing ten minste
                                        vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar
                                        bekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in bijzondere
                                        omstandigheden een activiteit buiten de in het eerste lid
                                        bedoelde aanwijzing om aan te wijzen als collectieve
                                        festiviteit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen
                                        voor het maximale geluidsniveau als gevolg van de inrichting
                                        en voor maatregelen om het geluidsniveau te beperken tijdens
                                        een collectieve festiviteit.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de aanwijzing van collectieve festiviteiten kunnen
                                        burgemeester en wethouders bepalen dat collectieve
                                        festiviteiten slechts gelden voor horeca-, sport- en
                                        recreatie-inrichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2.4</nr><titel>Vergunning bijzondere activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen ten behoeve van een
                                        inrichting vergunning verlenen voor maximaal twee bijzondere
                                        activiteiten per kalenderjaar waarbij de waarden die zijn
                                        genoemd in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
                                        niet gelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen bij nadere regels voor een
                                        door hen aan te wijzen openluchttheater een maximaal aantal
                                        bijzondere activiteiten vaststellen dat afwijkt van het in
                                        het eerste lid genoemde aantal. Het afwijkend maximum is
                                        niet hoger dan zes.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen bij nadere regels voor een
                                        door hen aan te wijzen atletiekbaan een maximaal aantal
                                        bijzondere activiteiten vaststellen dat afwijkt van het in
                                        het eerste lid genoemde aantal. Het afwijkend maximum is
                                        niet hoger dan zes.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1.5 lid 1 dient de houder van de
                                        inrichting ten minste vier weken voor de aanvang van de
                                        activiteit een schriftelijke aanvraag voor een vergunning in
                                        bij burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in meerdere inrichtingen gelijktijdig een bijzondere
                                        activiteit plaatsvindt kunnen meerdere aanvragen zoals
                                        bedoeld in het derde lid worden samengevoegd in een aanvraag
                                        tot een vergunning voor een bijzondere activiteit in
                                        meerdere inrichtingen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen
                                        voor de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal bijzondere activiteiten waarvoor
                                                vergunning kan worden verleend. In deze nadere
                                                regels mag het in het eerste lid genoemde aantal
                                                niet wordt overschreden;</al></li><li nr="b."><al>de dagen waarop en tijden waarbinnen een vergunning
                                                voor een bijzondere activiteit kan worden
                                                verleend;</al></li><li nr="c."><al>de maximale tijdsduur waarvoor een vergunning voor
                                                een bijzondere activiteit kan worden verleend;</al></li><li nr="d."><al>voorwaarden voor het verlenen van een vergunning
                                                voor een bijzondere activiteit. Deze voorwaarden
                                                kunnen betrekking hebben op het maximale
                                                geluidsniveau als gevolg van de inrichting en
                                                maatregelen om het geluidsniveau te beperken;</al></li><li nr="e."><al>toetsing van de vergunningaanvraag aan de maximaal
                                                toegestane gebruiksfrequenties voor locaties als
                                                bedoeld in de notitie “Beleidsregels geluid bij
                                                evenementen in de openlucht” (GB09016, december
                                                2008).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In de in het vorige lid bedoelde nadere regels kan
                                        onderscheid gemaakt worden tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>verschillende gebiedsdelen en locaties in de
                                                gemeente;</al></li><li nr="b."><al>activiteiten die plaatsvinden binnen een gesloten
                                                gebouw met gesloten ramen en deuren en activiteiten
                                                die niet plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met
                                                gesloten ramen en deuren;</al></li><li nr="c."><al>activiteiten met en zonder levende muziek;</al></li><li nr="d."><al>horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen en overige
                                                inrichtingen;</al></li><li nr="e."><al>een door burgemeester en wethouders aangewezen
                                                openluchttheater als bedoeld in het tweede lid en
                                                overige inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>een door burgemeester en wethouders aangewezen
                                                atletiekbaan als bedoeld in het derde lid en overige
                                                inrichtingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2.5</nr><titel>Weigeringgronden vergunning</titel></kop><al>De vergunning wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>uit een of meer vergunningaanvragen blijkt dat niet
                                            gelijktijdig in meerdere inrichtingen een bijzondere
                                            activiteit plaatsvindt, indien de aanvraag betrekking
                                            heeft op een vergunning zoals bedoeld in artikel
                                            4.1.2.4, vierde lid;</al></li><li nr="b."><al>in een inrichting door het verlenen van de vergunning in
                                            een kalenderjaar meer bijzondere activiteiten kunnen
                                            plaatsvinden dan mogelijk is op grond van artikel
                                            4.1.2.4, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al>een aanvraag wordt ingediend door een inrichting aan
                                            welke inrichting door het college wegens geluidoverlast
                                            een last onder dwangsom is opgelegd of een andere
                                            bestuursrechtelijke maatregel is getroffen;</al></li><li nr="d."><al>uit een aanvraag blijkt dat het verlenen van de
                                            vergunning in strijd is met nadere regels die
                                            burgemeester en wethouders op grond van deze paragraaf
                                            hebben vastgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2.6</nr><titel>Verboden bijzondere activiteiten</titel></kop><al>Het is verboden een bijzondere activiteit te organiseren, toe te
                                    laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien de
                                    burgemeester het organiseren van een bijzondere activiteit
                                    verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en
                                    leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare
                                    orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Afvalstoffen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Wet Milieubeheer (Stb. 1992, 551 zoals sindsdien
                                            gewijzigd);</al></li><li nr="b."><al>autowrakken: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
                                            wet;</al></li><li nr="c."><al>inzameldienst: de dienst bedoeld in artikel
                                            4.2.1.2;</al></li><li nr="d."><al>wegen: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                            openstaande wegen of paden, de zijkanten;</al></li><li nr="e."><al>motorrijtuigen: alle rij- of voertuigen, bestemd om
                                            anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen
                                            uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of
                                            aan het rij- of voertuig zelf aanwezig dan wel door
                                            elektrische tractie met stroomtoevoer van elders;</al></li><li nr="f."><al>doelmatige verwijdering:</al><al> zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder
                                            geval:</al><lijst><li nr="1."><al>de continuïteit van de verwijdering wordt
                                                  gewaarborgd;</al></li><li nr="2."><al>de afvalstoffen (met inachtneming van artikel
                                                  10.1, Wm) op effectieve en efficiënte wijze wordt
                                                  verwijderd;</al></li><li nr="3."><al>de capaciteit aan afvalverwijderingsinrichtingen
                                                  is afgestemd op het aanbod te verwijderen
                                                  afvalstoffen;</al></li><li nr="4."><al>een onevenwichtige spreiding van
                                                  afvalverwijderingsinrichtingen wordt
                                                  voorkomen;</al></li><li nr="5."><al>een effectief toezicht op de verwijdering
                                                  mogelijk is en</al></li><li nr="6."><al>gewaarborgd is dat een inrichting voor het op of
                                                  in de bodem brengen van afvalstoffen, nadat zij
                                                  buiten gebruik is gesteld, geen nadelige gevolgen
                                                  voor het milieu veroorzaakt;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>afvalstoffen:</al><al> alle stoffen, preparaten of andere producten, waarvan
                                            de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan
                                            - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet
                                            ontdoen;</al></li><li nr="h."><al>huishoudelijke afvalstoffen:</al><al> afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens,
                                            afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen,
                                            behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde
                                            bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn
                                            aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;</al></li><li nr="i."><al>grofhuisafval:</al><al> huishoudelijke afvalstoffen die te groot en/of te zwaar
                                            zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke
                                            afvalstoffen aan de inzameldienst te worden
                                            aangeboden;</al></li><li nr="j."><al>restafval: huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering
                                            van klein chemisch afval, groente-, fruit- en tuinafval,
                                            glas, oud papier en karton, textiel en grof
                                            huisafval.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1.2</nr><titel>Inzameldienst</titel></kop><al>Als inzameldienst, belast met het ter uitvoering van de wet en
                                    deze afdeling inzamelen van afvalstoffen wordt aangewezen DAR
                                    NV.</al><al>DAR NV wordt hiertoe concessie verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.1</nr><titel>Uitsluiting grof huisafval</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op grof
                                    huisafval, behoudens voor zover bij artikel 4.2.3.4
                                    bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.1a</nr><titel>Overdragen of aanbieden restafval aan de
                                        inzameldienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Restafval wordt éénmaal per week door de inzameldienst
                                        ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen over te dragen
                                        of ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de
                                        inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        burgemeester en wethouders krachtens paragraaf 4 van deze
                                        afdeling aan anderen dan de inzameldienst vergunning hebben
                                        verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde wordt
                                        restafval door de inzameldienst bij laagbouw éénmaal per
                                        twee weken ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet in het gebied
                                        voormalig sportpark Grootstal.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.2</nr><titel>De dagen en tijden voor het overdragen of het
                                        aanbieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen dagen en tijden vast voor
                                        het overdragen of het ter inzameling aanbieden van
                                        huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden de in het eerste lid bedoelde afvalstoffen
                                        op andere dan de krachtens dat lid vastgestelde dagen en
                                        tijden over te dragen of ter inzameling aan te bieden aan de
                                        inzameldienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.3</nr><titel>De wijze en de plaats van het overdragen of het
                                        aanbieden</titel></kop><al>Het is verboden restafval anders aan de inzameldienst over te
                                    dragen, ter inzameling aan te bieden of achter te laten in van
                                    gemeentewege geplaatste wijkcontainers dan in groene
                                    huisvuilzakken van het type dat vastgesteld is door Burgemeester
                                    en wethouders (<vet><cursief>bijlage 7</cursief></vet>) en
                                    waarvoor gemeentelijke belastingen zijn afgedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.4</nr><titel>Verpakking van huishoudelijk afval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vuilniszakken moeten goed gesloten zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het overdragen of ter inzameling aanbieden moet de
                                        inhoud van de vuilniszakken die niet zwaarder mag zijn dan
                                        12 kg, zonder uitsteeksels in de zakken zijn gepakt, zodanig
                                        dat zulks geen aanleiding kan geven tot verwondingen of het
                                        scheuren van de zakken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.5</nr><titel>Ordelijke overdracht of aanbieding van
                                        huishoudelijkafval</titel></kop><al>Het overdragen of het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                    in vuilniszakken moet ordelijk geschieden door plaatsing
                                    daarvan, na 06.00 uur op een krachtens artikel 4.2.2.2, eerste
                                    lid, vastgestelde inzameldag, op het voetpad, zo dicht mogelijk
                                    bij de rijweg, of, bij het ontbreken van een voetpad, aan de
                                    kant van de rijweg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.6</nr><titel>Aangewezen plaats</titel></kop><al>In het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke
                                    afvalstoffen kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de
                                    vuilniszakken overgedragen of ter inzameling aangeboden moeten
                                    worden op een door hen te bepalen plaats nabij de percelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.7</nr><titel>Het overdragen of aanbieden in containers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat huishoudelijke
                                        afvalstoffen in een gedeelte van de gemeente in van
                                        gemeentewege op of nabij de percelen geplaatste containers
                                        moeten worden overgedragen of ter inzameling
                                        aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze overdracht moet geschieden in gesloten verpakking en op
                                        een zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de
                                        containers achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De containers moeten na het deponeren van de afvalstoffen
                                        goed gesloten en, indien gesitueerd op voor het publiek
                                        toegankelijke plaatsen, tussen 18.00 en 06.00 uur afgesloten
                                        te zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.7a</nr><titel>Het overdragen of aanbieden in wijkcontainers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het navolgende gedeelte van de gemeente dient restafval
                                        in van gemeentewege geplaatste wijkcontainers te worden
                                        overgedragen of ter inzameling te worden aangeboden:
                                        voormalig sportpark Grootstal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze overdracht moet geschieden in de gesloten
                                        huisvuilzakken en op zodanige wijze dat geen afvalstoffen
                                        buiten de containers achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De containers moeten na het deponeren van de afvalstoffen
                                        goed gesloten worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.8</nr><titel>Verwijdering container</titel></kop><al>De gebruiker van een container moet er voor zorgen dat de
                                    container zo spoedig mogelijk, na lediging door de
                                    inzameldienst, doch uiterlijk op het eind van een krachtens
                                    artikel 4.2.2.2, eerste lid, vastgestelde inzameldag, van de weg
                                    is verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.9</nr><titel>Het in bijzondere gevallen overdragen of ter inzameling
                                        aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent het in
                                    bijzondere gevallen op afroep overdragen of ter inzameling
                                    aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de
                                    inzameldienst</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.10</nr><titel>Aangewezen plaats achterlaten huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><al>Indien krachtens artikel 10.11, vijfde lid, van de wet een
                                    plaats binnen de gemeente is aangewezen, waar in voldoende mate
                                    gelegenheid geboden wordt huishoudelijke afvalstoffen achter te
                                    laten, stellen burgemeester en wethouders de dagen, tijden en
                                    wijzen vast waarop deze afvalstoffen daar kunnen worden
                                    achtergelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.11</nr><titel>Incidenteel achterlaten huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent het
                                    incidenteel achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.12</nr><titel>Verbod achterlaten huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen,
                                    tijden, wijzen en plaatsen achter te laten dan bij of krachtens
                                    de artikelen 4.2.2.4 tot en met 4.2.2.11 is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.12a</nr><titel>Achterlaten in daartoe bestemde bakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden andere huishoudelijke afvalstoffen dan van
                                        zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen papier,
                                        plastic bekertjes en blikjes, niet zijnde vloeistoffen,
                                        achter te laten in daartoe van gemeentewege geplaatste of
                                        voorgeschreven bakken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden glas op andere plaatsen achter te laten dan
                                        in daartoe van gemeentewege geplaatste glasbakken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden papier op andere plaatsen achter te laten
                                        dan in daartoe van gemeentewege geplaatste
                                        papierbakken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden textiel op andere plaatsen achter te laten
                                        dan in daartoe van gemeentewege geplaatste
                                        textielbakken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.13</nr><titel>Het zich afzonderlijk ontdoen van bijzondere categorieën
                                        huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, in afwijking van het bepaalde in de artikelen
                                        4.2.2.1 tot en met 4.2.2.12 verboden de volgende categorieën
                                        van huishoudelijke afvalstoffen anders dan afzonderlijk over
                                        te dragen of aan te bieden aan de inzameldienst of achter te
                                        laten in daartoe in de nabijheid van de percelen geplaatste
                                        bakken of op een daartoe ter beschikking gestelde
                                        plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>Klein Chemisch Afval.</al></li><li nr="b."><al>Glas.</al></li><li nr="c."><al>Oud papier en karton.</al></li><li nr="d."><al>Textiel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Door de inzameldienst en/of een vergunninghouder
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.2.4.1 wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>klein chemisch afval één maal per week met behulp
                                                van de chemokar ingezameld;</al></li><li nr="b."><al>glas via de van gemeentewege geplaatste glasbakken
                                                ingezameld;</al></li><li nr="c."><al>oud papier en karton één maal per maand
                                                ingezameld;</al></li><li nr="d."><al>textiel vier maal per jaar ingezameld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.13a</nr><titel>Groente-, fruit- en tuinafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, in afwijking van het bepaalde in de artikelen
                                        4.2.2.1 tot en met 4.2.2.12 verboden groente-, fruit- en
                                        tuinafval anders dan afzonderlijk over te dragen of aan te
                                        bieden aan de inzameldienst of achter te laten in daartoe in
                                        de nabijheid van percelen geplaatste bakken of op een
                                        daartoe ter beschikking gestelde plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Door de inzameldienst wordt éénmaal per week groente, fruit
                                        en tuinafval afzonderlijk ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid wordt door de inzameldienst
                                        bij laagbouw éénmaal per twee weken groente-, fruit- en
                                        tuinafval afzonderlijk ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid dient in het voormalig
                                        sportpark Grootstal het groente-, fruit- en tuinafval achter
                                        te worden gelaten in van gemeentewege geplaatste groente-,
                                        fruit- en tuinafvalcontainers.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De overdracht van groente-, fruit- en tuinafval aan het de
                                        in het vierde lid bedoelde wijkcontainers moet geschieden op
                                        zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de containers
                                        achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De in het vierde lid bedoelde wijkcontainers moeten na het
                                        deponeren van het groente-, fruit- en tuinafval goed worden
                                        gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.14</nr><titel>Nadere regels bijzondere categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop het groente-,
                                        fruit- en tuinafval en/of de in artikel 4.2.2.13. bedoelde
                                        categorieën van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden
                                        overgedragen, aangeboden of achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden het groente-, fruit- en tuinafval en/of de
                                        in artikel 4.2.2.13. bedoelde categorieën van huishoudelijke
                                        afvalstoffen over te dragen, aan te bieden of achter te
                                        laten in strijd met het krachtens het eerste lid
                                        bepaalde.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het zich ontdoen van grof huisafval</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.1</nr><titel>Verbod ontdoen grof huisafval</titel></kop><al>Het is verboden grof huisafval op een andere wijze of plaats aan
                                    de inzameldienst over te dragen of ter inzameling aan te bieden
                                    dan bij of krachtens deze paragraaf is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.2</nr><titel>Aanbieden en overdragen grof huisafval</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen vast op welke plaats, op
                                    welke tijden en op welke wijze grof huisafval ter inzameling kan
                                    worden aangeboden en overgedragen aan de inzameldienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.3</nr><titel>Omvang en inhoud grof huisafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een stuk grof huisafval mag bij het overdragen of het
                                        aanbieden niet langer, hoger en breder zijn dan 1,5 meter.
                                        Kleinere stukken grof huisafval moeten zoveel mogelijk in
                                        één of meer bundels samengedrukt en -gebonden worden
                                        overgedragen of aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Stukken of bundels grof huisvuil mogen geen grotere inhoud
                                        hebben dan 1 m<sup>3</sup> of zwaarder zijn dan 30 kg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.4</nr><titel>Schakelbepaling</titel></kop><al>De artikelen 4.2.2.1a, 4.2.2.10, 4.2.2.12 en 4.2.2.13 zijn op
                                    het overdragen, het ter inzameling aanbieden en het achterlaten
                                    van grof huisafval van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en grof
                                    huisafval door anderen dan de inzameldienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.1</nr><titel>Inzamelvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ander dan de inzameldienst verboden zonder
                                        vergunning van burgemeester en wethouders van derden
                                        afkomstige huishoudelijke afvalstoffen en grof huisafval in
                                        te zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                        moet deze tijdens het inzamelen steeds bij zich hebben en op
                                        verzoek van degenen bij wie hij inzamelt tonen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien vaststaat of met
                                        redenen is te vrezen dat het verlenen van een vergunning
                                        niet in het belang is van een doelmatige verwijdering van
                                        huishoudelijke afvalstoffen of grof huisafval.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.2</nr><titel>Aanbieden aan degene die inzamelt met vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop huishoudelijke
                                        afvalstoffen kunnen worden overgedragen of ter inzameling
                                        aangeboden aan degene die op grond van artikel 4.2.4.1
                                        bevoegd is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in strijd met
                                        het krachtens eerste lid bepaalde over te dragen of ter
                                        inzameling aan te bieden aan degene die op grond van artikel
                                        4.2.4.1 bevoegd is huishoudelijke afvalstoffen in te
                                        zamelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Het zich ontdoen van andere categorieën van
                                    afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5.1</nr><titel>Aanwijzing andere categorieën afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van derden afkomstige
                                        andere categorieën afvalstoffen dan huishoudelijke
                                        afvalstoffen aanwijzen, die aan de inzameldienst kunnen
                                        worden overgedragen of ter inzameling aangeboden dan wel
                                        kunnen worden achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Andere motorrijtuigen op meer dan twee wielen dan
                                        autowrakken, die rijtechnisch in onvoldoende staat van
                                        onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                        verkeren, kunnen ter verwijdering worden afgegeven op door
                                        burgemeester en wethouders tenminste één daartoe aangewezen
                                        plaats binnen de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijze en plaatsen waarop de in het eerste lid
                                        bedoelde afvalstoffen aan de inzameldienst kunnen worden
                                        overgedragen, aangeboden of achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid
                                        over te dragen, aan te bieden of achter te laten in strijd
                                        met het krachtens het vorige lid bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        milieubeheer, de Destructiewet of de Provinciale
                                        Milieuverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5.2</nr><titel>Inzameling andere categorieën afvalstoffen door
                                        derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan anderen dan de inzameldienst verboden zonder
                                        vergunning van burgemeester en wethouders de krachtens
                                        artikel 4.2.5.1, eerste lid aangewezen afvalstoffen in te
                                        zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de in het vorige lid
                                        bedoelde vergunning voorschriften verbinden ter bescherming
                                        van het milieu.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt in ieder
                                        geval geweigerd indien vaststaat of met redenen valt te
                                        vrezen dat het verlenen van een vergunning niet in het
                                        belang is van een doelmatige verwijdering van deze
                                        afvalstoffen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Openbare bekendmaking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.6.1</nr><titel>Bekendmaking van besluiten burgemeester en
                                        wethouders</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen
                                    4.2.2.2, eerste lid, 4.2.2.6, 4.2.2.7, eerste lid, 4.2.2.9,
                                    4.2.2.10, 4.2.2.11, 4.2.2.14, 4.2.3.2, 4.2.4.2 en 4.2.5.1,
                                    eerste, tweede en derde lid genomen besluiten worden openbaar
                                    bekend gemaakt overeenkomstig artikel 1.14.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Bodem-, weg- en andere milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Verontreiniging van de weg en van terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>afval of vuilnis of enig andere dergelijke stof of
                                            voorwerp, die/dat aanleiding kan geven tot
                                            verontreiniging, beschadiging of onvoldoende afwatering
                                            van de weg, dan wel aanleiding kan geven tot gevaar voor
                                            weggebruikers of hinder of nadelige beïnvloeding van het
                                            milieu, op of in de bodem, buiten een daarvoor bestemde
                                            verzamelplaats, te plaatsen, te storten, te werpen, uit
                                            te gieten, te laten vallen of lopen of te houden;</al></li><li nr="b."><al>een op of aan de weg geplaatste afvalmand, -bak of
                                            soortgelijk voorwerp te gebruiken voor een ander doel
                                            dan voor het daarin deponeren van klein afval, zoals
                                            verpakkingen van versnaperingen en kleine eetwaren, en
                                            sigaretten- en sigarendoosjes.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>wordt gehandeld door of vanwege de overheid voor zover
                                            nodig in de uitoefening van haar taken;</al></li><li nr="b."><al>de stoffen of voorwerpen tijdelijk op de weg geraken of
                                            worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden
                                            of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel
                                            van het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de
                                            weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    voorts niet voor zover van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>de Bestrijdingsmiddelenwet, de Kernenergiewet, de Wet
                                            Milieubeheer, de Wet bodembescherming;</al></li><li nr="b."><al>artikel 5 of 9 van het Rijkswegenreglement;</al></li><li nr="c."><al>artikel 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                            of</al></li><li nr="d."><al>de Gelderse wegenverordening, de Verordening
                                            Bodembescherming Gelderland of de Provinciale
                                            Milieuverordening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of
                                    voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt
                                    verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht,
                                    alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van
                                            het verkeer of voor beschadiging van het wegdek
                                            oplevert, de weg terstond na het ontstaan van de
                                            verontreiniging te reinigen of te doen reinigen;</al></li><li nr="b."><al>indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid
                                            van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek
                                            oplevert, de weg terstond na de beëindiging van de
                                            werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren,
                                            elke dag terstond na beëindiging van de werkzaamheden op
                                            die dag te reinigen of te doen reinigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                    artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement dan wel
                                    voorschriften bij of krachtens de Wet Milieubeheer of de
                                    Bodembeschermingwet van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder of beheerder van een winkel, hal, kraam of een andere
                                    inrichting waar eet- en/of drinkwaren worden verkocht welke ter
                                    plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>een mand, bak of soortgelijk voorwerp in of nabij de
                                            inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te
                                            hebben, waarin het publiek papier, etensresten,
                                            verpakkingsmateriaal en ander afval kan
                                            achterlaten;</al></li><li nr="b."><al>zorg te dragen dat die mand, die bak of dat soortgelijke
                                            voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval
                                            daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die mand, die
                                            bak of dat voorwerp steeds tijdig wordt geledigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder of beheerder van een inrichting bedoeld in het eerste
                                    lid is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na
                                    sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op
                                    eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op
                                    de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van
                                    de inrichting op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen,
                                    voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verplichtingen gelden
                                    niet voor zover de Wet Milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.4</nr><titel>Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die op de weg reclame- of strooibiljetten of dergelijke
                                    geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht deze,
                                    indien zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg
                                    of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het
                                    publiek worden weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of
                                    te doen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet ten aanzien van
                                    het verspreiden van reclame- of strooibiljetten of dergelijke
                                    geschriften vanuit een luchtvaartuig.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.5</nr><titel>Verbod op het verspreiden van strooibiljetten met commerciële
                                    doeleinden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen vallend onder het
                                    begrip commerciële handelsreclame onder het publiek te
                                    verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of
                                    bekend te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet
                                    deze tijdens het verspreiden steeds bij zich hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien vaststaat of met redenen is
                                    te vrezen dat het verlenen van een vergunning leidt tot
                                    verontreiniging van de openbare ruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                    dagen en tijden waarop de strooibiljetten worden uitgereikt en
                                    de kwaliteit van het gebruikte papier.</al><al><vet><cursief> (zie voor collegebesluit tot vaststellen nadere
                                            regels: Bijlage 11 bij de
                                    slotpagina's)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.6</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.7</nr><titel>Verbod doorzoeken van ter inzameling gereed staande
                                    afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    huishoudelijke afvalstoffen, grof huisvuil of andere
                                    afvalstoffen, welke ter inzage gereed staan te doorzoeken of te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet
                                    deze tijdens het doorzoeken of verwijderen bij zich hebben en op
                                    verzoek van degenen bij wie hij doorzoekt of verwijdert
                                    tonen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer
                                            bomen;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld,
                                            opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan
                                            van de houtopstand;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente,
                                            vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de
                                            Boswet;</al></li><li nr="e."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                            Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi
                                            (Buism.) C. Moreau);</al></li><li nr="f."><al>iepenspintkever: het insect in elk ontwikkelingsstadium,
                                            behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.),
                                            Scolytus multistriatus (Marsh.) en Scolytus pygmaeus
                                            (F.);</al></li><li nr="g."><al>bosplantsoen: aanplant van jong bos, hoofdzakelijk
                                            bestaande uit heesters, struiken en jonge bomen met een
                                            oppervlakte van minimaal 250m² en een breedte van
                                            minimaal 5 m.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand
                                    ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    houtopstand te kappen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>bomen die geen eigendom zijn van de gemeente en een
                                            stamomtrek hebben van minder dan 95 centimeter;</al></li><li nr="b."><al>bomen die eigendom zijn van de gemeente en een
                                            stamomtrek hebben van minder dan 65 centimeter;</al></li><li nr="c."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                            landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit
                                            niet-geknotte populieren of wilgen;</al></li><li nr="d."><al>fruitbomen die geen deel uitmaken van een bedrijfsmatige
                                            exploitatie en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="e."><al>naaldbomen, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen
                                            als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder
                                            bestemde terreinen;</al></li><li nr="f."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="g."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                            geveld;</al></li><li nr="h."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                            Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen
                                            is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                            zelfstandige eenheid vormt die:</al><al> ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; </al><al> ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20
                                            bomen, gerekend over het totale aantal rijen;</al></li><li nr="i."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last
                                            van het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het bepalen van de stamomtrek als bedoeld in het tweede lid
                                    geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de stamomtrek van de stam 1.30 m. boven het
                                            maaiveld;</al></li><li nr="b."><al>bij meerstammigheid de diameter van de dikste stam.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3a</nr><titel>Weigeringsgronden en nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                            dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de vitaliteit van de houtopstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende de
                                    in het eerste lid genoemde belangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.4</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning het voorschrift
                                    verbinden, dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
                                    door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden
                                    herplant. Daarbij kan tevens worden bepaald binnen welke termijn
                                    na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
                                    herbeplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan het
                                    bevoegd gezag aan de vergunning het voorschrift verbinden, dat
                                    een financiële compensatie moet worden betaald in het belang van
                                    de instandhouding van het bomenbestand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de rooivergunning ook het voorschrift
                                    verbinden, dat niet wordt gerooid dan nadat de bouwvergunning
                                    waarvoor de rooivergunning wordt aangevraagd onherroepelijk is
                                    geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.5</nr><titel>Herplant- en instandhoudingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is
                                    gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de
                                    grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen de grond opnieuw te beplanten. Deze
                                    beplanting geschiedt overeenkomstig de door het bevoegd gezag te
                                    geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herplant en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden
                                    vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan het
                                    bevoegd gezag van de zakelijk gerechtigde van de grond waarop
                                    zich de houtopstand bevond dan wel van degene die uit andere
                                    hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, een
                                    financiële compensatie eisen, in het belang van de
                                    instandhouding van het bomenbestand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig
                                    wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van
                                    de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene
                                    die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd
                                    is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te
                                    geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                    voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                    weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste,
                                    tweede, derde of vierde lid is opgelegd, alsmede diens
                                    rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.6</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van
                                artikel 17 juncto artikel 13, vierde lid, van de Boswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.7</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het collegegevaar opleveren voor verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is
                                    de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te
                                            vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te
                                            vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding
                                            van de iepziekte wordt voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                    vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bescherming van flora en fauna</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Bescherming groenvoorzieningen</titel></kop><al>Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij
                                de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een
                                bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen en/of paddenstoelen te
                                plukken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.1</nr><titel>Opslag bromfietsen of motorvoertuigen, caravans,
                                    afvalstoffen, mest of ingekuilde landbouwproducten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een van de weg zichtbare plaats aanwezig te
                                    hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan,
                                            indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt
                                            voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                            commercieel doel;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere
                                            dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden
                                            gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afval, afbraakmaterialen
                                            en oude metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                    verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod ontheffing te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
                                    Provinciale Milieuverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.2</nr><titel>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerend goed alsmede de
                                    hoofdgebruiker van dat goed verboden zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag dit goed of een daarop aanwezige zaak te gebruiken
                                    of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van
                                    handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of
                                    afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een
                                    andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen en afbeeldingen gericht op
                                            het inwendig gedeelte van een onroerend goed, dan wel
                                            deel uitmakend van een etalageopstelling;</al></li><li nr="b."><al>opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren
                                            of andere constructies, aangewezen door burgemeester en
                                            wethouders;</al></li><li nr="c."><al>opschriften en aankondigingen betrekking hebbend
                                            op:</al><lijst><li nr="-"><al>openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop,
                                                  verhuur of verpachting van een onroerend goed,
                                                  voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="-"><al>het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of
                                                  op het onroerend goed wordt uitgeoefend of
                                                  waarvoor dat goed is bestemd, zomede op
                                                  naamborden: mits deze opschriften en
                                                  aankondigingen gezamenlijk geen grotere
                                                  oppervlakte hebben dan 0,15 m<sup>2</sup> en geen
                                                  van alle een grotere afmeting in een richting
                                                  hebben dan 0,50 meter en mits deze opschriften en
                                                  aankondigingen zijn aangebracht op of aan het
                                                  onroerend goed;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van
                                            in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van
                                            degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het
                                            bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn
                                            aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde
                                            bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zolang
                                            zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="e."><al>opschriften en aankondigingen aan gebouwen en
                                            inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn
                                            aangebracht ten dienste van dat vervoer;</al></li><li nr="f."><al>opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke
                                            aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits
                                            van het aanbrengen ervan tevoren door of vanwege de
                                            rechthebbende of de hoofdgebruiker van het onroerend
                                            goed schriftelijk kennisgeving is gedaan aan
                                            burgemeester en wethouders en dit college niet binnen 14
                                            dagen na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar
                                            heeft doen blijken.</al><al> Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht
                                            hun tijdelijk karakter te hebben verloren, wanneer deze
                                            gedurende meer dan 4 weken op het onroerend goed
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover de Woningwet, de Monumentenwet, de gemeentelijke
                                    monumentenverordening of artikel 2.1.5.1 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband
                                            met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                            welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van het in de nabijheid gelegen
                                            onroerend goed.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.3</nr><titel>Aanschrijving</titel></kop><al>Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in
                                artikel 4.6.2, tweede lid dan wel aangebracht voor een ander doel
                                dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt
                                gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, zijn
                                burgemeester en wethouders bevoegd de rechthebbende
                                onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van het onroerend goed aan te
                                schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter
                                beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder.</al><al>Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger,
                                is verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.4</nr><titel>Ledigen beerputten en dergelijke</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende onderscheidenlijk
                                de hoofdgebruiker van een onroerend goed aanschrijven tot het
                                ledigen of doen ledigen van de op of in dat onroerend goed aanwezige
                                beer-, gier- of zinkput of riool.</al><al>Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger,
                                is verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.5</nr><titel>Vervoer meststoffen over de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de maanden april tot en met september
                                    van 10.00 tot 24.00 uur en gedurende de overige maanden van
                                    12.00 tot 24.00 uur over de weg meststoffen, uitgezonderd
                                    kunstmeststoffen te vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden over de weg vloeibare meststoffen uit beer-,
                                    gier- of zinkputten te vervoeren anders dan in bakken, kuipen of
                                    tobben, welke waterdicht en met goed sluitende deksels gesloten
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod voor bepaalde wegen met een landelijk karakter
                                    een algemene of bijzondere ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de
                                    Meststoffenwet of de Wet Bodembescherming van toepassing
                                    zijn.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wegen:</al><al> alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                                        wegen of paden, de daarin liggende bruggen en duikers
                                        alsmede de tot de wegen behorende paden en bermen of
                                        zijkanten;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen:</al><al> alle gelede en ongelede motorvoertuigen, fietsen en andere
                                        rij- of voertuigen, met uitzondering van die, welke bestemd
                                        zijn om langs spoorstaven te worden voortbewogen en van
                                        kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                        voertuigen;</al></li><li nr="c."><al>parkeren:</al><al> het doen of laten staan van voertuigen, anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het
                                        onmiddellijk laden of lossen van goederen;</al></li><li nr="d."><al>aanhangwagens:</al><al> alle voertuigen, welke door een motorvoertuig worden
                                        voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden
                                        voortbewogen, met uitzondering van kampeerwagens, caravans
                                        of andere voor recreatie bestemde voertuigen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 100 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens ten aanzien
                                    van voertuigen die worden gebruikt voor de uitoefening van een
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in
                                            het eerste lid genoemde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak, fiets- of bromfietswrak op de
                                    weg te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een voertuigwrak, fiets- of bromfietswrak wordt verstaan:
                                    een voertuig dat of een fiets of bromfiets die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en tevens in kennelijk
                                    verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Parkeren van voertuigen met gevaarlijke stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om een voertuig dat wordt gebezigd voor het
                                    vervoer van meer dan 300 kilogram gevaarlijke stoffen als
                                    bedoeld in artikel 2 van de Wet gevaarlijke stoffen te parkeren
                                    indien zich binnen een straal van 250 meter gebouwen bevinden
                                    waarbinnen zich personen plegen op te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet gevaarlijke stoffen of de Wet Milieubeheer van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Caravans en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een kampeerwagen, een caravan of een ander voor
                                    de recreatie bestemd voertuig en aanhangwagens langer dan
                                    gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg of op een van
                                    af de weg zichtbare plaats te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Gelderse wegenverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat kennelijk bedoeld is als
                                    voorwerp om handelsreclame mee te maken op de weg te
                                    parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op andere dan door burgemeester en
                                    wethouders bij openbaar te maken besluit aangewezen wegen. Deze
                                    aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel
                                    1.14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2
                                    meter op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te
                                    parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet Milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Aantasting groenvoorziening door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden,
                                    dan wel een voertuig, fiets of bromfiets te laten staan, door of
                                    in een park of plantsoen of op een niet van de weg deel
                                    uitmakende groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                            uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                            overheid;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is
                                            ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor
                                            dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Collectes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld en goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of gedeeltelijk voor een ideëel of liefdadig doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd collectes die aan te wijzen die voorkomen
                                    op een landelijk vastgesteld collecteplan en waarvoor het in het
                                    eerste lid genoemde verbod niet geldt.</al><al> Het college is bevoegd algemene regels te geven met betrekking
                                    tot het houden van deze collectes. De vrijstelling van het
                                    verbod geldt slechts, in het geval van vaststelling van deze
                                    algemene regels, indien zij worden nageleefd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Venten en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    in de uitoefening van de kleinhandel op of aan de weg of aan een
                                    openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet
                                    met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de
                                    openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te
                                    verkopen of af te geven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of
                                            afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin
                                            gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;</al></li><li nr="b."><al>voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van
                                            goederen door - of door huisgenoten of personeel van -
                                            hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel,
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkelsluitingswet
                                            1976;</al></li><li nr="c."><al>voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op
                                            de plaats die is aangewezen voor het houden van een door
                                            de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de
                                            tijden waarop die markt gehouden wordt;</al></li><li nr="d."><al>voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen op een standplaats bedoeld in artikel
                                            5.2.3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                            -veiligheid;</al></li><li nr="d."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te
                                            verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter
                                            plaatse in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Standplaatsen:</titel></kop><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit: Bijlage
                                    4)</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan
                                        wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor
                                        publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met
                                        een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een
                                        standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de
                                        uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te
                                        verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te
                                        bieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is de rechthebbende op een voor publiek toegankelijk en
                                        in de openlucht gelegen perceel verboden toe te staan, dat
                                        daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                        standplaats wordt of is ingenomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of
                                        gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in art. 7 eerste
                                        lid van de Grondwet.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door
                                        de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden
                                        waarop die markt gehouden wordt en voor een evenement als
                                        bedoeld in artikel 2.2.1.</al></li><li nr="5."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wet Milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement
                                        of de Gelderse wegenverordening van toepassing is.</al></li><li nr="6."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                                aanzien van de omgeving;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                                -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in
                                                de gemeente of in een deel der gemeente
                                                redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                                verlenen van de vergunning een redelijk
                                                verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                                                gevaar komt.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een
                                        aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de
                                        aanvraag tevens een activiteit betreft die
                                        vergunningplichtig is op basis van de Wet Milieubeheer en
                                        indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid,
                                        tot de dag waarop de beslissing omtrent de vergunning
                                        ingevolge de Wet Milieubeheer is genomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Verbod te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    wegen een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te
                                    koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van dit verbod
                                    verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Slachten van dieren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Publiekelijk slachten</titel></kop><al>Het is verboden op of zichtbaar vanaf voor het publiek toegankelijke
                                plaatsen, dieren te slachten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in artikel 4
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens een wedstrijd dan
                                    wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor
                                    het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.
                                    Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik
                                    van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of
                                            van het publiek.</al><al> De aanwijzing en de daarbij te stellen regels worden
                                            openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel
                                            1.14.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    Milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking gemotoriseerd verkeer, ruiterverkeer en
                                    terreinfietsen in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij
                                    verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig, bromfiets als
                                    bedoeld in artikel 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                    of met een paard of terreinfiets aldaar overlast kan veroorzaken
                                    of schade kan berokkenen aan milieuwaarden. De aanwijzing wordt
                                    openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel 1.14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaatsen:</al><lijst><li nr="a."><al>zich met een motorvoertuig, bromfiets als bedoeld in het
                                            vorige lid of met een paard of een terreinfiets te
                                            bevinden; dan wel</al></li><li nr="b."><al>zich met een motorvoertuig, bromfiets als bedoeld in het
                                            vorige lid of met een paard of een terreinfiets te
                                            bevinden buiten de in die aanwijzing aangeduide en als
                                            zodanig gemarkeerde paden; dan wel</al></li><li nr="c."><al>zich met een motorvoertuig, bromfiets of met een paard
                                            of een terreinfiets te bevinden op een in die aanwijzing
                                            aangeduid tijdstip.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor berijders
                                    van paarden en terreinfietsen:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 58 van het
                                            Reglement verkeersregels en verkeerstekens aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de door burgemeester en wethouders
                                            aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken welke
                                            krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                                            uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters
                                            van percelen gelegen binnen de door burgemeester en
                                            wethouders aangewezen en overeenkomstig artikel 1.14
                                            openbaar bekend gemaakte plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d. bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op primaire en secundaire wegen als bedoeld in de Wet
                                            uitkeringen wegen;</al></li><li nr="b."><al>op wegen die krachtens de Wet van 14 mei 1981, Stb. 287
                                            voor motorrijtuigen of categorieën daarvan gesloten zijn
                                            verklaard;</al></li><li nr="c."><al>op wegen gelegen binnen de krachtens de provinciale
                                            "Verordening verkeersbeperking ter bescherming van de
                                            natuur" aangewezen natuurgebieden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het tweede lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.2</nr><titel>Regulering incidentele asverstrooiing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en
                                            crematoriumterreinen;</al></li><li nr="c."><al>kinderspeelterreinen;</al></li><li nr="d."><al>ligweiden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een besluit nemen waarin voor
                                    een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan
                                    genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen op verzoek van de nabestaande
                                    die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere
                                    omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste
                                    lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                    crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.3</nr><titel>Verbod incidentele asverstrooiing bij hinder of overlast voor
                                    derden</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Straatnaamborden, huisnummers, brandkranen en dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Gedoogplicht aanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan het bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van burgemeester en wethouders, straatnaamborden,
                                    daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen,
                                    huisnummers, wijkaanduidingen, bordjes welke de ligging van
                                    brandkranen en afsluiters van nutsvoorzieningen aanduiden en die
                                    borden of merktekens, welke burgemeester en wethouders krachtens
                                    een bij de wet of verordening gegeven bevoegdheid noodzakelijk
                                    achten, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders geven tevoren schriftelijk kennis aan
                                    de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen
                                    over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van de in dat
                                    lid bedoelde borden of merktekens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verwijdering e.d. aanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5.6.1.,
                                    eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen
                                    of onleesbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek
                                    van strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende
                                    op een bouwwerk die met inachtneming van het door burgemeester
                                    en wethouders vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in
                                    afwijkende vorm wenst aan te brengen. Burgemeester en wethouders
                                    kunnen ter zake nadere regels stellen, welke overeenkomstig
                                    artikel 1.14 openbaar bekend worden gemaakt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Gevonden voorwerpen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.2</nr><titel>Detectorverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor
                                    een detectorverbod geldt. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend
                                    gemaakt overeenkomstig artikel 1.14. <vet><cursief>(zie voor
                                            aanwijzingsbesluit: Bijlage 1)</cursief></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zich anders dan met vergunning van burgemeester
                                    en wethouders, met een metaaldetector te bevinden op de onder
                                    lid 1 bedoelde terreinen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op degene
                                    aan wie ingevolge artikel 40 van de Monumentenwet 1988 een
                                    opgravingvergunning is verstrekt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Onder kampeermiddel wordt verstaan: tent, tentwagen, kampeerauto of
                                caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of
                                gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor als
                                gevolg van artikel 27 van de Woningwet een bouwvergunning is
                                vereist. Een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen
                                geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden
                                of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.2</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd. Dit verbod geldt ook voor het plaatsen van
                                    kampeermiddelen voor eigen gebruik voor korte perioden door de
                                    rechthebbende van een terrein.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de ontheffing weigeren in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid;</al></li><li nr="e."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van het
                                    eerste lid niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels
                                    stellen in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            andere goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid;</al></li><li nr="e."><al>de bescherming van natuur en landschap.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in de volgende leden, wordt overtreding van
                                het bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9
                                daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met hechtenis
                                van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overtredingen van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                bepaalde en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen wordt gestraft met geldboete van de
                                eerste categorie: artikel 2.4.10, artikel 2.4.11, artikel 2.4.11a,
                                artikel 2.4.11b, artikel 2.4.22, artikel 2.5.1, artikel 2.5.2 en
                                artikel 4.1.1.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 4.2.2.1 tot en met
                                4.2.4.2 bepaalde en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen geldt als strafbaar feit op grond van
                                artikel 1a van de Wet economische delicten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1a</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>1. Met inachtneming van de uitzonderingen als bedoeld in het tweede lid
                            van dit artikel zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde
                            bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9 daarbij
                            gegeven voorschriften en beperkingen belast de toezichthouders van het
                            bureau Toezicht afdeling Stadstoezicht van de Directie
                            Stadsbedrijven.</al><al>2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor: </al><al>- artikel 2.1.1.1</al><al>- artikel 2.1.2.3</al><al>- artikel 2.2.3</al><al>- de artikelen 2.2.10 en 2.2.11</al><al>- artikel 2.3.1.4</al><al>- artikel 2.4.12</al><al>- artikel 2.6.1</al><al>- hoofdstuk 3 met uitzondering van artikel 3.2.6</al><al>- de artikelen 4.2.2.1 tot en met 4.2.4.2</al><al>3. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9 daarbij
                            gegeven voorschriften en beperkingen belast de door burgemeester en
                            wethouders dan wel de burgemeester aangewezen personen.
                                    (<vet><cursief>zie ook bijlage 12D en bijlage
                                18</cursief>)</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Het binnentreden in woningen zonder toestemming van de
                                bewoners</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en
                                wethouders nader te bepalen dag na die waarop zij is
                                afgekondigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dat tijdstip worden de volgende verordeningen of bepalingen uit
                                verordeningen ingetrokken:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de Nijmeegse Politieverordening, vastgesteld op 27 juni 1962,
                                sedertdien gewijzigd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de Afvalstoffenverordening;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>artikelen 30 en 31 Brandbeveiligingsverordening;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>verordening houdende toepassing van de artikelen 8 en 22, lid 6 van
                                de Drank- en Horecawet;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de Geluidhinderverordening recreatie-inrichtingen;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>de verordening speelautomatenhallen;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>de verordening tot wering van overlast als gevolg van het zonder
                                toestemming van rechthebbende in gebruik nemen van gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                                verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en
                                voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                                betrekking heeft ook vervat is in deze verordening en voor zover zij
                                niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende vijf jaren
                                na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor zover de
                                bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn
                                opgelegd ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet
                                eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende vijf jaren na
                                de inwerkingtreding van eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
                                gedurende vijf jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van
                                kracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op
                                grond van een verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening nog niet op die aanvrage is beslist, wordt daarop de
                                overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                vergunning of ontheffing bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat is ingekomen
                                binnen de daarvoor geldende beroepstermijn, wordt beslist met
                                toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing van kracht totdat onherroepelijk is beslist
                                op een aanvraag voor een - krachtens een overeenkomstig gebod of
                                verbod ook in deze verordening vereiste - vergunning of ontheffing,
                                indien deze aanvraag ten minste zestig dagen voor afloop van de in
                                het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde orgaan is
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijven van kracht
                                de ontheffingen bedoeld in deel II van het raadsbesluit d.d. 16
                                december 1987 inzake wijziging van artikel 64 Nijmeegse
                                Politieverordening.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De in artikel 2.4.15, leden 1 en 2, gestelde verboden zijn niet van
                                toepassing op degenen die aantonen dat zij de daar bedoelde
                                apparatuur uiterlijk de dag van inwerking treden van deze
                                verordening in gebruik hebben en sindsdien onafgebroken in gebruik
                                hebben gehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Aanhalingstitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene
                            Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Nijmegen d.d.
                        29 januari 1992.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Voorzitter, mr. E.M. d'Hondt</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Secretaris, mr. F.J. Derks </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Nijmegen/i21234.pdf">Bijlage APV</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>