<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR79994_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2015 nr. 8563</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, artikel 158, lid 1 aanhef en onder c</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2015-015306</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>personeelsregelingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gelet op artikel 125 lid 1, juncto lid 2 van de Ambtenarenwet; Overwegende
                        dat de partijen in het Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden (SPA)
                        overeenstemming hebben bereikt over wijzigingen in de Collectieve
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies en enkele andere
                        rechtspositieregelingen;</al><al>BESLUITEN</al><al>vast te stellen de gewijzigde regeling: Regeling aanvullende voorzieningen
                        bij werkloosheid</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze regeling wordt verstaan onder betrokkene de ambtenaar </al><lijst><li nr="a."><al> aan wie op grond van artikel B.12 van de CAP ontslag is
                                        verleend, alsmede degene die, nadat het voornemen tot
                                        zodanig ontslag is medegedeeld, ontslag op aanvraag op grond
                                        van artikel B.10 van de CAP is verleend;</al></li><li nr="b."><al> aan wie op grond van artikel E.9 van de CAP ontslag is
                                        verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        arbeid wegens ziekte en die ten tijde van het ontslag door
                                        het UWV in het kader van de uitvoering van de WIA voor
                                        minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> dagloon: het dagloon in de zin van artikel 45 van de
                                        Werkloosheidswet, evenwel zonder toepassing van het bedrag,
                                        bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering
                                        sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van
                                        een dag;</al></li><li nr="b."><al> diensttijd: tijd, doorgebracht als overheidswerknemer in de
                                        zin van artikel 2.4, onderdeel a, van het pensioenreglement
                                        welke in aanmerking komt als pensioengeldige tijd, bedoeld
                                        in artikel 5.1 van het pensioenreglement, en tijd
                                        doorgebracht als werknemer in dienst van de overheid van
                                        lidstaten van de Europese Economische Ruimte, met
                                        uitzondering van tijd die in aanmerking is genomen bij de
                                        berekening van de duur van een wachtgeld of van een
                                        uitkering terzake van onvrijwillige werkloosheid ten laste
                                        van de overheid en met dien verstande dat van tijd die door
                                        ontslag onderbroken is geweest de tijd vóór de onderbreking
                                        slechts meetelt indien de onderbreking korter dan een jaar
                                        heeft geduurd;</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Aanvullende uitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2. Recht op aanvullende uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een uitkering als bedoeld in
                                hoofdstuk IIA van de Werkloosheidswet heeft recht op een aanvullende
                                uitkering overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 7
                                gedurende de uitkeringsduur, bedoeld in de artikel 42 van de
                                Werkloosheidswet, zulks met dien verstande dat de verloren
                                arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is geen aanspraak geven op
                                een aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 5 wordt de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg
                                steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Hoogte aanvullende uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering op grond van hoofdstuk II, A van de Werkloosheidswet
                                wordt na ontslag gedurende de eerste 12 maanden per dag aangevuld
                                tot 80% van het dagloon en tijdens het restant van de
                                uitkeringsduur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tot 70% van het
                                dagloon.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid bedraagt het percentage 77 en 67 in
                                plaats van achtereenvolgens 80 en 70 zolang de Wet van 20 december
                                1984, (Stb. 1984, 657) op betrokkene van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de berekening van de termijn van 12 maanden, bedoeld in het
                                eerste lid, wordt een op grond van artikel 4 gegeven aanvulling per
                                dag tot 80% van het dagloon mede in aanmerking genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Aanvullende uitkering bij ziekte, zwangerschap en
                                bevalling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene die binnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
                                uitkeringsduur waarin hij recht heeft op een uitkering op grond van
                                hoofdstuk II A van de Werkloosheidswet wegens ziekte ongeschikt is
                                arbeid te verrichten en deswege een uitkering krachtens de Ziektewet
                                geniet, heeft recht op een aanvullende uitkering gedurende de
                                termijn dat die uitkering krachtens de Ziektewet wordt genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvulling van de uitkering krachtens de Ziektewet is gelijk aan
                                die welke zou hebben gegolden indien artikel 3 van toepassing zou
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid wordt voor de betrokkene gedurende
                                de termijn dat zij een uitkering geniet krachtens artikel 29a van de
                                Ziektewet, deze uitkering per dag aangevuld tot 100% van het
                                dagloon.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Als betrokkene binnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
                                uitkeringsduur waarin zij recht heeft op een uitkering op grond van
                                hoofdstuk IIA van de Werkloosheidswet, in verband met zwangerschap
                                en bevalling een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg geniet,
                                wordt die uitkering per dag aangevuld tot 100% van het dagloon.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering bij ziekte
                                als bedoeld in het eerste lid tot het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Aanvullende overlijdensuitkering</titel></kop><al>Bij overlijden van betrokkene die tot en met de dag van overlijden recht
                            heeft op een aanvulling op grond van artikel 3 of artikel 4 wordt de
                            overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet, per dag
                            aangevuld tot 100% van het dagloon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten aanzien van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 2,
                                zijn afdeling 1 van hoofdstuk II A - met uitzondering van artikel 41
                                - alsmede de artikelen 43, 47, tweede en derde lid, 75, 76 en 78 van
                                de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing, met dien
                                verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al> in artikel 26, eerste lid, onder a, van die wet voor
                                        "eerste dag van werkloosheid" wordt gelezen: eerste dag van
                                        werkloosheid na ontslag;</al></li><li nr="b."><al> in artikel 26, eerste lid, onder b, van die wet na "na het
                                        intreden van zijn werkloosheid" wordt ingevoegd: na
                                        ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de aanvullende uitkering bedoeld in artikel 2, is
                                het bepaalde bij en krachtens de artikelen 34, 35 en 35a van de
                                Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing in die zin dat de
                                daar bedoelde inkomsten in mindering komen op het totaal van de
                                aanvullende uitkering en de uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een sanctie wegens het niet nakomen van een verplichting op grond
                                van artikel 24, 25 of 26 van de Werkloosheidswet zal niet worden
                                gecompenseerd in de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De betrokkene aan wie ontslag op aanvraag als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, onder a, is verleend en aan wie in verband hiermee een
                                sanctie krachtens de Werkloosheidswet in verband met verwijtbare
                                werkloosheid is opgelegd heeft recht op een werkloosheidsuitkering
                                die betrokkene gehad zou hebben indien er geen sanctie zou zijn
                                opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Aanvullende uitkering provinciale werknemer die in het
                                buitenland woont</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht heeft
                                op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, heeft recht op
                                een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij geen
                                recht heeft op een uitkering op grond van die wet, uitsluitend wordt
                                veroorzaakt doordat hij buiten Nederland woont.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvullende uitkering op grond van dit artikel: </al><lijst><li nr="a."><al> eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens
                                        ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om
                                        arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een
                                        uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel
                                        a, b of n, van de Werkloosheidswet vanwege het enkele feit
                                        dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is
                                        geëindigd;</al></li><li nr="b."><al> is, indien betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een
                                        uitkering op grond van de Werkloosheidswet, niet van invloed
                                        op het recht op een aanvullende of nawettelijke uitkering
                                        dat voor betrokkene is verbonden aan dat recht op een
                                        uitkering op grond van de Werkloosheidswet.</al><al/><al> Het bepaalde in de eerste volzin, onderdeel a, is niet van
                                        toepassing zolang betrokkene op grond van de
                                        Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en
                                        arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op doorbetaling van
                                        zijn laatstelijk genoten bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De uitkering waarop betrokkene op grond van dit artikel recht
                                heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering waarop hij recht zou
                                hebben gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
                                wegens ziekte, zwangerschap of bevalling naar het recht van zijn
                                woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid
                                gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de
                                Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats
                                voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige uitkering
                                op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze
                                gelijkstelling duurt, is de uitkering gelijk aan de uitkering op
                                grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende
                                uitkering waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in
                                Nederland had gewoond.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                zwangerschap, bevalling of arbeidsongeschiktheid naar het recht van
                                zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering gebracht op
                                de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Zolang en voorzover betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                uitkering op grond van dit artikel en een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg, een
                                bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
                                strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht
                                van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het
                                karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond
                                van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                                wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen, indien
                                deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk
                                is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Nawettelijke uitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.</titel></kop><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, heeft na
                            het verstrijken van de duur van de uitkering krachtens hoofdstuk II A
                            van de Werkloosheidswet bij voortdurende werkloosheid recht op een
                            nawettelijke uitkering indien de uitkeringsduur, berekend overeenkomstig
                            artikel 10, tweede lid, langer is dan die, berekend overeenkomstig
                            artikel 42 van genoemde wet, en verminderd met 2 dan wel 3,5 jaar
                            overeenkomstig artikel 10, derde lid, zulks met dien verstande dat de
                            verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is, geen aanspraak
                            geven op een nawettelijke uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. Duur nawettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de nawettelijke uitkering wordt voor de betrokkene,
                                bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, vastgesteld
                                overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met vijfde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de nawettelijke uitkering bedraagt drie maanden,
                                vermeerderd met een duur, gelijk aan 18% van de diensttijd als
                                betrokkene op de dag van ontslag nog geen 21 jaar is, met een duur,
                                gelijk aan 19,5% van de diensttijd als hij op de dag van ontslag 21
                                jaar is en zo vervolgens per leeftijdjaar opklimmend met 1,5%, met
                                dien verstande dat de duur voor betrokkene die op de dag van ontslag
                                60 jaar of ouder is, gelijk is aan drie maanden, vermeerderd met een
                                duur, gelijk aan 78% van de diensttijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het tweede lid berekende duur wordt verminderd met de
                                uitkeringsduur, berekend overeenkomstig artikel 42 van de
                                Werkloosheidswet en verminderd met 2 onderscheidenlijk 3,5 jaar voor
                                de betrokkene die op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan
                                57,5 jaar, onderscheidenlijk 57,5 jaar of ouder is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De overeenkomstig het tweede en derde lid berekende uitkeringsduur
                                wordt op een volle maand naar boven afgerond.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de nawettelijke uitkering van betrokkene die ten tijde
                                van het ontslag 59 jaar of ouder is wordt na afloop van de termijn
                                waarover de nawettelijke uitkering is toegekend verlengd tot de dag
                                waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, indien hij
                                direct voorafgaand aan het ontslag zonder onderbreking van langer
                                dan twee maanden vijf jaar in dienst is geweest van een of meer
                                provincies.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Hoogte nawettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De nawettelijke uitkering bedraagt per dag 70% van het
                                dagloon.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid bedraagt het percentage 67 in
                                plaats van 70 zolang de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) op
                                betrokkene van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden wordt de betrokkene die tot
                                en met de dag van overlijden recht heeft op een nawettelijke
                                uitkering, onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 van de
                                Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend die per dag gelijk is
                                aan 100% van het dagloon.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van betrokkene terzake van diens overlijden aanspraak
                                kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen,
                                arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
                                Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                                overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen waarop betrokkene recht
                                had.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13.</titel></kop><al>Ten aanzien van de nawettelijke uitkering is artikel 6, eerste lid, van
                            overeenkomstige toepassing met dien verstande dat ziekte van betrokkene
                            niet wordt geacht aan werkloosheid in de weg te staan en dat bij ziekte
                            artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet niet van
                            overeenkomstige toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Nawettelijke uitkering provinciale werknemer die in
                                het buitenland woont</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Na het verstrijken van de duur van een aanvullende uitkering op
                                grond van artikel 8 heeft betrokkene recht op de nawettelijke
                                uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou
                                hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 8, tweede,
                                vijfde lid en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15. Indexering</titel></kop><al>Het dagloon wordt telkens aangepast aan de in de provincies geldende
                            algemene salariswijziging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Verhuiskostenvergoeding</titel></kop><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, kan
                            terzake van de kosten welke voor hem aan een daartoe noodzakelijke
                            verhuizing zijn verbonden, een tegemoetkoming worden verleend tot ten
                            hoogste het bedrag van een vergoeding volgens de daartoe geldende
                            verhuiskostenregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. Afkoop</titel></kop><al>Op verzoek van de betrokkene kan het recht op de aanvullende en
                            nawettelijke uitkering geheel of ten dele worden afgekocht indien
                            daarmee de werkloosheid geheel of gedeeltelijk kan worden opgeheven. Bij
                            gehele, onderscheidenlijk gedeeltelijke afkoop als bedoeld in de eerste
                            volzin eindigt het recht op de aanvullende en nawettelijke uitkering
                            geheel, onderscheidenlijk voor het afgekochte deel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Verhoogde pensioenopbouw</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Uitkering bij ontslag in het belang van de
                                dienst</titel></kop><al>De ambtenaar aan wie met toepassing van artikel B.9, onderdeel o, van de
                            CAP ontslag is verleend, heeft recht op een aanvullende en nawettelijke
                            uitkering die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten met het oog op de
                            omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering is in geen geval
                            minder dan die waarop aanspraak zou bestaan indien de ambtenaar ontslag
                            zou zijn verleend als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
                            a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Eenmalige uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond artikel B.9,
                                onderdeel g, van de CAP of op grond van artikel B.9, onderdeel d,
                                heeft recht op een eenmalige uitkering bij ontslag indien het
                                ontslag in overwegende mate is toe te rekenen aan schuld van de
                                provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van de eenmalige uitkering,
                                gelet op de bijzondere omstandigheden van het concrete geval. Zij
                                houden daarbij in ieder geval rekening met de mate van schuld van de
                                provincie en de ambtenaar aan het ontslag, met de leeftijd van de
                                ambtenaar en met de duur en de omvang van het dienstverband van de
                                ambtenaar bij de provincie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Doorwerking wettelijke maatregelen</titel></kop><al>Tenzij in het SPA anders is overeengekomen werken algemene neerwaartse
                            wijzigingen in duur en hoogte van de uitkering krachtens de
                            Werkloosheidswet - anders dan door wijzigingen als gevolg van
                            individuele feiten en omstandigheden - vanaf de in het Staatsblad
                            vermelde datum van inwerkingtreden van genoemde algemene neerwaartse
                            wijzigingen door in de duur en hoogte van de aanvullende en nawettelijke
                            uitkering. De in de eerste volzin bedoelde doorwerking vindt evenwel
                            niet eerder plaats dan 6 maanden na de datum van publicatie van genoemde
                            algemene neerwaartse wijzigingen in het Staatsblad dan wel, indien dat
                            later is, voor de datum van afloop van het lopende akkoord over de
                            arbeidsvoorwaarden in de sector provincies.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De wachtgeldregeling en de uitkeringsregeling bij werkloosheid
                                vervallen met ingang van 1 januari 2003. Toegang tot deze regelingen
                                is met ingang van 1 januari 2001 niet meer mogelijk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde regelingen blijven vanaf 1 januari
                                2003 onverminderd van kracht voor de gewezen ambtenaren aan wie vóór
                                1 januari 2001 op grond van die regelingen een wachtgeld of
                                uitkering is toegekend waarvan de duur doorloopt na 1 januari 2003,
                                onderscheidenlijk welke na deze datum herleeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De gewezen ambtenaar die uit hoofde van ontslag, einde van het
                                dienstverband of werkloosheid recht heeft op wachtgeld of uitkering
                                op grond van de in het eerste lid bedoelde regelingen heeft uit dien
                                hoofde geen aanspraken op grond van de Regeling aanvullende
                                voorzieningen bij werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23. Inwerkingtreden en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende
                                voorzieningen bij werkloosheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deze regeling treedt in werking, na uitgifte van het provinciaal
                                blad waarin zij is geplaatst, op 1 januari 2001.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten van Gelderland </al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Overgangsrecht bij aanpassing regeling i.v.m. afschaffing
                        ww-vervolguitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De bepalingen van de Regeling aanvullende voorzieningen bij
                            werkloosheid, zoals die luidden op de dag vóór inwerkingtreding van dit
                            besluit, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h van de
                            Werkloosheidswet van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al> Betrokkene van wie de duur van zijn uitkering op grond van artikel 42
                            van de werkloosheidswet afloopt vóór 1 april 2005 en die in deze
                            uitkeringsperiode een aanvullende uitkering geniet op grond van de
                            Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid, heeft aansluitend
                            recht op een uitkering, indien en voor zolang hij op grond van het
                            vervallen artikel 49 van de Werkloosheidswet recht zou hebben gehad op
                            een vervolguitkering. Deze uitkering wordt toegekend tot uiterlijk 1
                            april 2005. Geen recht op de uitkering bestaat indien op betrokkene
                            artikel 130h van de Werkloosheidswet van toepassing is. De uitkering
                            bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag zolang een periode van 12
                            maanden na datum van ontslag, onderscheidenlijk het einde van de
                            tijdelijke aanstelling nog niet is verstreken en daarna 70% van de
                            berekeningsgrondslag.</al></li><li nr="3."><al> Heeft betrokkene, bedoeld in het tweede lid, op grond van de Regeling
                            aanvullende voorzieningen bij werkloosheid aansluitend aan de
                            aanvullende uitkering recht op een nawettelijke uitkering, dan vangt
                            deze nawettelijke uitkering aan op 1 april 2005, aansluitend aan de in
                            het tweede lid bedoelde uitkering. De duur van de nawettelijke uitkering
                            wordt berekend overeenkomstig artikel 10 van de Regeling aanvullende
                            voorzieningen bij werkloosheid zoals deze vanaf de datum van
                            inwerkingtreding van dit besluit luidt.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Overgangsbepaling bij wijziging provinciale rechtspositieregelingen
                        i.v.m. de WIA en het WIA-akkoord overheid- en onderwijspersoneel</titel></kop><al>Artikel 1, tweede lid, onderdeel c, en artikel 7 van de Regeling aanvullende
                    voorzieningen bij werkloosheid zoals die luidden op 31 mei 2007, blijven van
                    toepassing op degene voor wie de Suppletieregeling bij gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid op grond van artikel IV na 31 mei 2007 van kracht
                    blijft.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Overgangsrecht bij wijziging i.v.m. de cao Provincies 2012/2015</titel></kop><al><vet>Artikel III</vet></al><al>Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanvullende voorzieningen
                    bij werkloosheid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit
                    besluit, blijft van toepassing op degene die op grond van die bepaling op die
                    dag recht had op een aanvullende uitkering krachtens die regeling.</al><al><vet>Artikel IV</vet></al><al>Artikel 10, vijfde lid, van deRegeling aanvullende voorzieningen bij
                    werkloosheid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit,
                    blijft van toepassing op degene dieop die dag recht had op een verlengde
                    nawettelijke uitkering krachtens die bepaling.</al><al><vet>Artikel V</vet></al><al>Artikel 18 van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid, zoals dat
                    luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op
                    degene die op grond van die bepaling op die dag recht had op een bijdrage van de
                    provincie in de extra pensioenopbouw.</al><al><vet>Artikel VI</vet> Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de
                    datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst (red. 20
                    december 2014) en werkt terug tot en met 1 december 2014.</al><al/></bijlage><nota-toelichting><al><vet>1. Inleiding </vet></al><al>De ambtelijke aanspraken zijn geregeld in wettelijke en bovenwettelijke
                    aanspraken. Het overheidspersoneel valt onder alle sociale verzekeringswetten.
                    Dit zijn de wettelijke aanspraken. Dat betekent dat de provinciale ambtenaar
                    valt onder de werking van de ZW, WAO, Werkloosheidswet (WW), Toeslagenwet en de
                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW). De Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid is een
                    bovenwettelijke regeling in aanvulling op de WW.</al><al><vet>2. Uitgangspunten</vet></al><al>Aan de bovenwettelijke werkloosheidsregeling ligt een aantal uitgangspunten ten
                    grondslag. Als zodanig kunnen worden genoemd: • een naadloze aansluiting op de
                    WW-systematiek; • een eenvoudige regeling zowel qua regelgeving als qua
                    uitvoering; • een regeling die invulling geeft aan het volumebeleid; • een
                    regeling waarbij zowel de bovenwettelijke voorzieningen in de marktsector als de
                    huidige ambtelijke regelingen het referentiepunt zijn; • een duurzame regeling
                    voor de middellange termijn.</al><al>Tussen de eerste twee uitgangspunten is een nauwe samenhang: zonder een goede
                    aansluiting op de WW-systematiek is een eenvoudige regeling niet denkbaar. Een
                    dergelijke regeling zou leiden tot hogere uitvoeringskosten dan strikt genomen
                    noodzakelijk is. Naadloze aansluiting past in de filosofie dat de WW de
                    bodemvoorziening is en de bovenwettelijke regeling een complementaire
                    voorziening. Het derde uitgangspunt impliceert: • voor de werknemer dat de
                    regeling voldoende prikkel moet bevatten om zo snel mogelijk weer in het
                    arbeidsproces terug te keren; • voor de werkgever dat de regeling voldoende
                    prikkel moet bevatten om zich tot het uiterste in te spannen alternatieven voor
                    werkloosheid te vinden.</al><al>Volumebeleid is dan ook een belangrijke taak voor het uitvoeringsorgaan aan wie
                    de uitvoering van de bovenwettelijke regeling zal zijn opgedragen. Met dit
                    uitgangspunt is ook rekening gehouden bij de afspraken over met name hoogte en
                    duur van de bovenwettelijke uitkering: deze mogen uiteraard niet de prikkel tot
                    reïntegratie wegnemen.</al><al><vet>3. Hoofdlijnen van de regeling</vet></al><al><vet>a. </vet><vet>Toegang tot de regeling</vet></al><al>Voor toegang tot de regeling is vereist enerzijds dat aanspraak bestaat op een
                    loongerelateerde WW-uitkering en anderzijds dat de ambtenaar ontslag uit
                    provinciale dienst is verleend.</al><al>Het eerste vereiste vloeit voort uit het uitgangspunt dat de regeling naadloos
                    moet aansluiten op de WW. IIn concreto houdt dit, gelet op de in de WW gestelde
                    voorwaarden voor het ontstaan van het recht op een uitkering, het volgende
                    in.</al><al>Betrokkene moet werknemer zijn in de zin van de WW, d.w.z. de natuurlijke
                    persoon, nog niet AOW-gerechtigd, die in privaatrechtelijke of
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.</al><al>Betrokkene moet werkloos zijn. Daartoe is ontslag geen noodzakelijke voorwaarde
                    in de WW. Van werkloosheid is sprake bij verlies van ten minste 5 arbeidsuren
                    per kalenderweek of van 50% van zijn arbeidsuren per kalenderweek alsmede van
                    het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en
                    betrokkene beschikbaar is om arbeid te verrichten.</al><al>Betrokkene moet voldoen aan de referte-eis voor een loongerelateerde
                    WW-uitkering.</al><al>Het vereiste van ontslag is een voorwaarde voor recht op een bovenwettelijke
                    uitkering. Niet ieder ontslag leidt echter tot een recht op bovenwettelijke
                    voorzieningen, ook al zou uit hoofde van dat ontslag recht op een WW-uitkering
                    ontstaan. Van de regeling zijn uitgezonderd ambtenaren aan wie bijvoorbeeld
                    ontslag op aanvraag is verleend, ontslag wegens het bereiken van de
                    AOW-gerechtigde leeftijd, strafontslag, ontslag wegens ongeschiktheid of
                    onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte en ontslag na afloop van
                    non-activiteit i.v.m. de vervulling van een politiek ambt.</al><al>Het recht op bovenwettelijke voorzieningen blijft beperkt tot die ambtenaren aan
                    wie re-organisatieontslag is verleend en ontslag wegens gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Daarnaast zijn nog bijzondere
                    voorzieningen getroffen in enkele andere gevallen van ontslag:</al><al>• ontslag in het belang van de dienst, bijvoorbeeld wegens onverenigbaarheid van
                    karakters (artikel 19); • ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders
                    dan op grond van ziekte en ontslag na afloop van non-activiteit i.v.m. de
                    vervulling van een politiek ambt (artikel 20).</al><al><vet>b. Aanvullende en nawettelijke uitkering </vet></al><al>De regeling voorziet in een aanvullende uitkering en een nawettelijke uitkering.
                    De aanvullende uitkering houdt in een aanvulling van de WW-uitkering, een
                    aanvulling op de uitkering krachtens de ZW in de periode dat wegens ziekte geen
                    recht op een WW-uitkering maar op een ZW-uitkering bestaat en, in voorkomende
                    gevallen, een aanvulling op de overlijdensuitkering.</al><al>De aanvullende uitkering wordt toegekend gedurende de WW-uitkeringperiode. Zij
                    eindigt dus op het moment dat de duur van de loongerelateerde WW-uitkering is
                    afgelopen of zoveel eerder als die wettelijke uitkering eerder is afgelopen
                    i.v.m. bijvoorbeeld het einde van de werkloosheid. De aanvulling bij ziekte
                    wordt slechts toegekend zolang er uit hoofde daarvan aanspraak op een
                    ZW-uitkering bestaat.</al><al>Een nawettelijke uitkering is een uitkering na afloop van de duur van zowel de
                    loongerelateerde WW-uitkering als de WW-vervolguitkering ingeval anders dan
                    vanwege het verstrijken van de uitkeringsduur is voldaan aan de voorwaarden voor
                    een WW-uitkering. Zie verder de artikelgewijze toelichting.</al><al><vet>c. Hoogte van de aanvullende en nawettelijke uitkering</vet> Grondslag voor
                    de aanvullende en nawettelijke uitkering is het dagloon dat voor de WW wordt
                    gehanteerd. Dat volgt uit het uitgangspunt om naadloos op de WW aan te sluiten.
                    De maximum dagloongrens wordt echter niet gehanteerd. De hoogte van de
                    aanvullende uitkering is als volgt. In de eerste 12 maanden wordt de
                    WW-uitkering aangevuld tot 80%, daarna tot 70% van het ongemaximeerde dagloon.
                    De aanvulling tot 70% heeft in de WW-loondervingsfase feitelijk alleen betekenis
                    voor hen wier bezoldiging uitkomt boven de maximum dagloongrens. De hoogte van
                    de nawettelijke uitkering is steeds 70% van het ongemaximeerde dagloon.</al><al><vet>d. Aansluiting op de WW-systematiek</vet></al><al>Zoals hierboven weergegeven is de naadloze aansluiting op de WW-systematiek een
                    belangrijk uitgangspunt. Dit uitgangspunt is, zoals hierboven geschetst, onder
                    meer vertaald in het (grotendeels) overnemen van het dagloonbegrip als
                    berekeningsgrondslag en het vereiste dat de bovenwettelijke regeling alleen
                    openstaat als er recht op WW bestaat.</al><al>Ook op andere onderdelen wordt in de bovenwettelijke regeling nauw bij de
                    WW-systematiek aangesloten. Zo zijn de bepalingen in de WW inzake gehele of
                    gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering (artikelen 19 en 20 WW),
                    inzake herleving en verlenging van de uitkering (artikelen 21 en 43 WW), inzake
                    verplichtingen en sancties (artikelen 24 t/m 28 WW), inzake anti-cumulatie
                    (artikelen 34 en 35 WW) en inzake scholing (artikelen 75, 76 en 78 WW) van
                    overeenkomstige toepassing. Een en ander is geregeld in de artikelen 6 en 13 van
                    de regeling. De WW-systematiek wordt echter niet gevolgd ten aanzien van de
                    indexering. Die blijft gekoppeld aan de algemene salarisontwikkeling in de
                    sector provincies.</al><al><vet>e. Doorwerking van wettelijke maatregelen in het bovenwettelijke
                        traject</vet></al><al>Indien de wetgever een neerwaartse wijziging in de hoogte en duur van de
                    WW-uitkering aanbrengt zal dit - tenzij in het sectoroverleg anders wordt
                    overeengekomen - doorwerken naar het bovenwettelijke traject. Gelet op het
                    systeem van de bovenwettelijke uitkering, een aanvulling op de wettelijke
                    uitkering, zou een verlaging van het wettelijke uitkeringsniveau er automatisch
                    toe leiden dat deze verlaging wordt gecompenseerd in de bovenwettelijke
                    uitkering (bij een verlaging van de WW naar 65% bijvoorbeeld zou een aanvulling
                    tot 78% immers niet een aanvulling van 8% maar van 13% zijn).</al><al>Hetzelfde verhaal geldt bij een duurvermindering in de WW. Dat zou automatisch
                    tot een compensatie in de nawettelijke uitkering leiden doordat de nawettelijke
                    uitkering zou worden verlengd met de periode waarmee de wettelijke
                    uitkeringsduur is bekort. De doorwerkingclausule zoals opgenomen in artikel 21
                    van de regeling is gelijk aan die welke tussen de overheidssectorwerkgevers en
                    centrales van overheidspersoneel is afgesproken in het model voor een
                    bovenwettelijk invaliditeitspensioen, zij het dat hieraan is toegevoegd dat
                    doorwerking in ieder geval niet plaatsvindt voor de afloop van het lopende
                    SPA-akkoord over de arbeidsvoorwaarden.</al><al><vet>f. Overgangsrecht</vet></al><al>De ambtelijke wachtgeldregeling en uitkeringsregeling zijn met ingang van 1
                    januari 2003 vervallen. Vanaf 1 januari 2001 hebben ambtenaren wier
                    dienstverband op of na die datum is geëindigd, geen toegang meer tot die
                    regelingen.</al><al>De wachtgeldregeling en de uitkeringsregeling blijven vanaf 1 januari 2003 wel
                    van kracht voor gewezen ambtenaren aan wie direct voorafgaand aan 1 januari 2001
                    een wachtgeld of uitkering op grond van die regelingen is toegekend.</al><al><vet>g. De uitvoering van de regeling</vet></al><al>Zowel de Werkloosheidswet als de Regeling aanvullende voorzieningen bij
                    werkloosheid worden uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV). Wat betreft de uitvoering van de Werkloosheidswet
                    is dat wettelijk geregeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                    inkomen (Wet SUWI). De uitvoering van de Regeling aanvullende voorzieningen bij
                    werkloosheid is contractueel geregeld tussen de provincie en het UWV (als
                    rechtsopvolger van de USZO). Het UWV is de uitvoering van deze regeling,
                    inclusief de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften, gemandateerd.</al><al><vet>4. Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet> Het eerste lid geeft aan wie onder de werking van de
                    regeling vallen. Arbeidsongeschikten komen alleen voor een bovenwettelijke
                    uitkering in aanmerking als zij op de ontslagdatum voor minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt zijn verklaard door het UWV. De WW, waarop een bovenwettelijke
                    uitkering wordt gegeven, is immers niet van toepassing op hen die voor 35% of
                    meer arbeidsongeschikt zijn verklaard.</al><al>In het tweede lid is onder d het diensttijdbeginsel vastgelegd. Het komt
                    materieel overeen met het huidige ABP-diensttijdbegrip. Rekening is gehouden met
                    de jurisprudentie inzake meetellen van overheidsdiensttijd bij lidstaten van de
                    Europese Economische Ruimte. De diensttijd is van belang voor de berekening van
                    de duur van de nawettelijke uitkering. Diensttijd die al in aanmerking is
                    genomen voor de bepaling van de duur van een eerdere werkloosheidsuitkering ten
                    laste van de overheid wordt niet opnieuw in beschouwing genomen.</al><al><vet>Artikel 2</vet> Geen recht op een aanvullende uitkering ontstaat indien
                    geen recht ontstaat op een loongerelateerde WW-uitkering maar slechts op een
                    kortdurende WW-uitkering op grond van hoofdstuk II B van de WW. Na ontslag heeft
                    men slechts recht op een aanvullende uitkering voor zover men recht heeft op een
                    (loongerelateerde) WW-uitkering i.v.m. arbeidsurenverlies ontstaan uit het
                    ontslag bij de provincie. Het tweede lid geldt niet bij vermindering van WW
                    wegens gedeeltelijke werkloosheid op grond van artikel 47, tweede lid, van de
                    WW, maar enkel bij financiële korting of sanctie.</al><al><vet>Artikel 3</vet> Als het recht op WW-uitkering binnen de eerste 12 maanden
                    na ontslag eindigt (bijvoorbeeld door einde van de werkloosheid) en later
                    herleeft, herleeft ook het recht op de aanvullende uitkering. De herleefde
                    WW-uitkering wordt gedurende de periode dat die 12 maanden niet zijn vol gemaakt
                    aangevuld tot 80% en eerst daarna voor de resterende uitkeringsduur tot
                    70%.</al><al>Het tweede lid is noodzakelijk zolang die wet waarin een wettelijke toeslag van
                    3% is geregeld nog van toepassing is. In navolging van OCW zal worden verzocht
                    deze wet in te trekken voor het provinciaal personeel.</al><al><vet>Artikel 4</vet> Bij ziekte eindigt de WW-uitkering. De aanvulling op de
                    ZW-uitkering eindigt op het moment dat de ZW-uitkering eindigt, derhalve ten
                    hoogste na 52 weken. De WW-uitkering kan herleven als geen nieuw recht op WW
                    ontstaat. De tijd waarin de aanvulling van de ZW-uitkering tot 80% is gegeven
                    telt mee voor de berekening van de duur van de 12 maanden waarin de WW-uitkering
                    tot 80% wordt aangevuld. De aanvulling van de ZW-uitkering daalt van 80% naar
                    70% op het moment van verstrijken van die 12 maanden.</al><al>De uitkering bij zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond van de Wet arbeid
                    en zorg wordt aangevuld tot 100% van de berekeningsgrondslag.</al><al><vet>Artikel 5</vet> Artikel 35 van de ZW voorziet in een eenmalige
                    overlijdensuitkering. Die overlijdensuitkering wordt per dag aangevuld tot 100%
                    van het ongemaximeerde dagloon.</al><al><vet>Artikel 6</vet> Hierin is bepaald dat een groot aantal bepalingen van de WW
                    van overeenkomstige toepassing zijn. Het gaat daarbij om de bepalingen inzake
                    het recht op WW, inzake (gehele of gedeeltelijke) beëindiging van het recht op
                    WW, de bepalingen inzake verlenging en herleving van het recht op WW en inzake
                    verplichtingen en sancties, anticumulatie en scholing.</al><al>Het tweede lid zorgt ervoor dat als gevolg van de overeenkomstige toepassing van
                    de kortingsbepaling van andere inkomsten geen dubbele korting plaatsvindt: zowel
                    op het wettelijke als het bovenwettelijke deel.</al><al>Het vierde lid regelt dat, indien een ontslag op eigen verzoek in geval van een
                    voorgenomen reorganisatieontslag zou leiden tot sancties m.b.t. de wettelijke
                    uitkering omdat sprake zou zijn van verwijtbare werkloosheid, de sanctie in het
                    bovenwettelijk deel wordt gecompenseerd.</al><al>Het is uiteraard van groot belang dat de beslissingen en handelingen t.a.v. de
                    wettelijke en aanvullende/nawettelijke uitkering op elkaar zijn afgestemd.
                    Voorkomen moet immers worden dat bijvoorbeeld eenzelfde nalatigheid tot
                    verschillende sancties leidt.</al><al><vet>Artikel 8 en 14</vet>Op grond van regelgeving van de Europese Unie komt de
                    provinciale werknemer die in het buitenland woont, bij volledige werkloosheid
                    niet in aanmerking voor een WW-uitkering in Nederland. Betrokkene zal in dat
                    geval een werkloosheidsuitkering in zijn woonland moeten aanvragen.</al><al>Daarmee voldoet hij niet aan de in de artikelen 2 en 9 gestelde voorwaarde voor
                    een bovenwettelijke (= aanvullende en nawettelijke) werkloosheidsuitkering dat
                    hij recht moet hebben (gehad) op een WW-uitkering. In de artikelen 8 en 14 is
                    geregeld dat de provinciale werknemer die in het buitenland woont, bij volledige
                    werkloosheid toch de aanvullende en eventueel nawettelijke
                    werkloosheidsuitkering ontvangt waarop hij recht zou hebben gehad als hij in
                    Nederland zou hebben gewoond. Daarmee is uitvoering gegeven aan een aanbeveling
                    terzake van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). De regeling sluit
                    aan bij het model dat Loyalis Contractmanagement B.V. op verzoek van de ROP bij
                    wijze van handreiking heeft ontwikkeld. Dit model geeft in alle gevallen een
                    garantie op het totale (wettelijke plus bovenwettelijke) uitkeringsniveau dat
                    betrokkene zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Hiertoe wordt een
                    fictief werkloosheidsrecht vastgesteld en het bovenwettelijk recht conform de
                    Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid. De op deze wijze
                    vastgestelde totale aanspraken worden uitbetaald als een volledige
                    bovenwettelijke uitkering. Als betrokkene een buitenlandse
                    werkloosheidsuitkering ontvangt, zal het bedrag van deze buitenlandse uitkering
                    volledig worden gekort op de bovenwettelijke betaling (anticumulatie).
                    Bewijsstukken hiervan levert betrokkene maandelijks aan.</al><al>De werkloze provinciale werknemer moet Nederlandse werkbriefjes blijven
                    insturen. Veranderingen in de omstandigheden (bijv. werkhervatting of
                    overtreding van verplichtingen) hebben hetzelfde effect dat zij zouden hebben
                    als betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus steeds plaats op grond
                    van de Nederlandse regels.</al><al>In geval van ziekte bij of kort na ontslag waarbij de laatstgenoten bezoldiging
                    wordt doorbetaald wordt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering onderbroken.
                    In de overige gevallen van ziekte loopt de bovenwettelijke
                    werkloosheidsuitkering door. In deze situatie zijn er twee mogelijkheden.</al><al>Als betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap of
                    bevalling heeft en dit aantoont, gaat de fictieve WW-uitkering over in een
                    fictieve uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Dit
                    betekent dat de einddatum van de fictieve WW-uitkering opschuift (bij ziekte
                    alleen als deze meer dan 3 maanden duurt). Bovendien geldt bij zwangerschap en
                    bevalling een hoger uitkeringspercentage.</al><al>Meldt betrokkene zich ziek maar levert hij geen bewijs van een buitenlandse
                    ziekte-uitkering, dan loopt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering door zoals
                    bij werkloosheid. Dus zonder opschuiving van de einddatum en zonder verhoging in
                    geval van zwangerschap of bevalling.</al><al>Artikel 8, tweede lid, onderdeel b, is van belang als betrokkene lager alsnog
                    recht krijgt op WW. Dat is mogelijk in bijzondere situaties, bijvoorbeeld als
                    hij bij een volgend werkloosheidsgeval wel in Nederland woont. De
                    bovenwettelijke uitkering als “grensarbeider” mag dan niet in mindering worden
                    gebracht op de bovenwettelijke uitkering die is verbonden aan zijn nieuwe
                    Nederlandse WW-recht. Het vijfde lid van artikel 8 regelt de anticumulatie van
                    de woonlanduitkering. Het zesde lid van artikel 8 regelt de situatie van
                    samenloop tussen een uitkering op grond van dit artikel en een andere uitkering.
                    Als beide uitkeringen betrekking hebben op hetzelfde deel van de arbeidsuren
                    wordt de uitkering op grond van dit artikel alleen uitbetaald voorzover die
                    hoger is dan de andere uitkering. Dit lid is alleen van belang in bijzondere
                    situaties, bijvoorbeeld als betrokkene opnieuw uitkering krijgt nadat hij naar
                    Nederland is verhuisd, of anderszins geen “grensarbeider” meer is. Het zesde lid
                    heeft geen betrekking op de woonlanduitkeringen. Zie daarvoor het vijfde
                    lid.</al><al>Artikel 14, eerste lid, kent betrokkene het recht op een nawettelijke uitkering
                    toe dat hij zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Het tweede lid
                    van artikel 14 verwijst naar enkele onderdelen van artikel 8. Zie de toelichting
                    aldaar.</al><al><vet>Artikel 9 </vet> Hierin is het recht op de nawettelijke uitkering geregeld.
                    Zie ook de tweede volzin van de toelichting op artikel 2.</al><al><vet>Artikel 10</vet> In het tweede en derde lid is de uitkeringsduur
                    overeenkomstig het leeftijd + diensttijdbeginsel geregeld, met de correctie
                    vanwege het vervallen van de WW-vervolguitkering (zie onderdeel 3c van de
                    algemene toelichting). Bij (reorganisatie)ontslag op de leeftijd van 59 jaar en
                    ouder wordt de nawettelijke uitkering verlengd tot de AOW-gerechtigde leeftijd
                    als betrokkene bij ontslag direct voorafgaand zonder onderbreking van langer dan
                    2 maanden een provinciale diensttijd had van tenminste 5 jaar.</al><al><vet>Artikelen 11 t/m 13</vet> In artikel 13 is artikel 19, eerste lid, onder a,
                    WW waarin beëindiging bij ziekte is geregeld, niet overgenomen bij de
                    nawettelijke uitkering omdat alsdan betrokkene niet meer onder de ZW valt en hij
                    in dat geval op de bijstand zou zijn aangewezen. Voor het overige wordt verwezen
                    naar de toelichting op de hoofdlijnen van de regeling.</al><al><vet>Artikel 15</vet> De wettelijke indexering van het WW-dagloon conform de Wet
                    koppeling met afwijkingsmogelijkheden geldt niet voor de aanvullende en
                    nawettelijke uitkering. De berekeningsgrondslag voor de aanvullende en
                    nawettelijke uitkering wordt steeds aangepast op het tijdstip van de algemene
                    salarismaatregelen in de sector provincies.</al><al><vet>Artikelen 16 en 17</vet> Het gaat hier om voorzieningen die ook in de oude
                    wachtgeldregeling al voorkomen. Zij kunnen een bijdrage leveren aan een spoedige
                    reïntegratie in het arbeidsproces.</al><al><vet>Artikel 19</vet> Het gaat hier om een ontslag in het belang van de dienst
                    zoals bedoeld in artikel B.9, onderdeel o, van de CAP. Gedacht moet worden met
                    name aan ontslag in geval van onverenigbaarheid van karakters. De voorziening
                    sluit aan op die in de huidige rechtspositieregelingen.</al><al><vet>Artikel 20</vet> Hier bedoelde gewezen ambtenaren komen niet in aanmerking
                    voor een aanvullende en nawettelijke uitkering. Wel bestaat recht op een
                    eenmalige uitkering indien de werkgever voor 50% of meer schuld heeft aan het
                    ontslag. Gelet op de Awb zullen Gedeputeerde Staten een beslissing hierover
                    slechts kunnen nemen na een zorgvuldig onderzoek, gehoord de betreffende
                    ambtenaar.</al><al>Een paritair uit werkgevers- en werknemersleden en een onafhankelijke voorzitter
                    bestaande commissie zal in het kader van de heroverwegingsprocedure op grond van
                    de Awb het provinciebestuur adviseren over het ontslag, het recht en de hoogte
                    van de eenmalige uitkering in hun onderlinge samenhang. De ambtenaar kan zich in
                    alle fasen laten bijstaan door een raadsman (bijv. een vakbond als hij daarvan
                    lid is).</al><al><vet>Artikel 23</vet> Deze regeling treedt in werking op het moment waarop de
                    nieuwe gevallen onder de WW gaan vallen, te weten 1 januari 2001. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>