<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR79766_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Gennep</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gennep</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gennep</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, nr. 2013-10</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening 14e wijziging</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">artikel 8, Woningwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">artikel 11, Woningwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-05-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging art. 1.1, 2.5.3, 2.5.4, 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3, 2.7.3A,2.7.4, 2.7.5, 2.7.6, 2.7.7, 4.2, 4.4,4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4..12, 4.13, 4.14, 5.1.1, 5.1.2, 5.1.3, 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3, 5.3.4, 5.3.5, 5.3.6, 5.3.7,5.4.1, 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1, 7.2.2, 7.3.2, 7.4.1, 7.5.1, 7.6.1, 8.1.1, 8.1.6, 8.1.7, 8.2.1, 8.2.2, 8.3.1, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.3.5, 8.4.1, 9.3, 9.6, 9.7, 9.9, 12..2, 12.3, 12.6, 2.5.1, 2.5.1</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/3377</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bouwvoorschriften, administratieve bepalingen, welstandsbepalingen, bouwvergunning, stedenbouwkundige, voorschriften, bouwverbod, bouw, sloopvoorschriften, uitvoeringseisen voor bouwwerkzaamheden, bep</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening wijzigt de Bouwverordening gemeente Gennep</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-10487</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-10488</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Gennep</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De gemeenteraad van de gemeente Gennep:</al><al>Gelet op het besluit van burgemeester en wethouders van Gennep d.d. 23 maart
                        2010;</al><al>Gelezen het voorstel van het presidium d.d. 29 maart 2010;</al><al>Gehoord de commissie Grondgebied d.d. 12 april 2010;</al><al>Gelet op de artikelen 8 en 44 van de Woningwet;</al><al/><al>Besluit:</al><al/><al>Vast te stellen de Bouwverordening gemeente Gennep 2010 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>- bevoegd gezeg: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                artikel 1, eerste lid, 1 onderdeel e, danwel, bij het ontbreken van
                                een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                                wethouders; </al><al>- bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                artikel 2 van de Woningwet ; </al><al>- bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de
                                Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht belast is het bouw- en
                                woningtoezicht;</al><al>- bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
                                direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
                                indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren;</al><al>- gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                Bouwbesluit ; </al><al>- hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                                burgemeester en wethouders is vastgesteld; </al><al>- NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven norm; </al><al>- NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven voornorm; </al><al>- omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>- straatpeil: </al><al>a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; </al><al>b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg
                                grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang
                                bij voltooiing van de bouw; </al><al>- weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                                wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en
                                duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten,
                                alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                parkeerterreinen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:bouwwerk: een gedeelte
                                van een bouwwerk gebouw: een gedeelte van een gebouw</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: a. het gebied binnen de bebouwde kom; b. het gebied buiten
                                de bebouwde kom. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                            is vereist</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:a. de
                                    resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                    verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met
                                    het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.b. (vervallen) c.
                                    Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                    veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                    asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt
                                    het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                    uitgave 2003. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn,
                                            <cursief>of de geldende bodemkwaliteitskaart
                                            (lees: ontgravingskaart) mag als kwaliteitsbewijs worden
                                            opgevoerd. De voorwaarden voor het toepassen van de
                                            bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsbewijs zijn opgenomen
                                            in de op de bodemkwaliteitskaart gebaseerde en geldende
                                            Nota bodembeleid'. </cursief></al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al><cursief>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de
                                        aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek
                                        plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw
                                        wordt begonnen.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:a.
                                waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
                                b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwwerk, voor het bouwen
                                waarvan een omgevingsvergunning is vereist, is vereist; en c. 1. dat
                                de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke
                                gebruik niet wordt gehandhaafd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,, in het geval
                                zij op grond van het de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                                onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten
                                dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel
                                39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in
                                artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem
                                niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van
                                voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
                                    van de stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwwerk, voor het bouwen
                                waarvan een omgevingsvergunning is vereist, in aanmerking moet
                                worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwwerk,
                                voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, voor een
                                ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5.</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>angs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de
                                        weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel is het verboden een bouwwerk,
                                voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te
                                bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten: 1. ondergrondse
                                        uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                        rioolputten; 2. stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen,
                                        mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                        overschrijden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            veranderingen bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en
                                            18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die
                                            naar hun aard en bestemming op een voor de
                                            voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al> laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van
                                            de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in ;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>- 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                    strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>- 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                    niet in gevaar komt.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het
                                bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht ; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in en in die waarin de afwijking
                                            genoemd in de en is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in en in die waarin de afwijking
                                            genoemd in is verleend, voor zover het bouwwerk geheel
                                            achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                            artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                            afwijking is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in is het verboden bouwwerken voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><al>a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                pluimveeteelt daaronder begrepen;</al><al>b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al><al>c. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist ;</al><al>d. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>e. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht , te weten:</al><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al>2. terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f. antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al><al>b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al><al>e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de en , is verzekerd;</al><al>f. bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al><al>h. bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist;</al><al>i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al><al>j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II van het Besluit omgevingsrecht;</al><al>k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen
                                en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels,
                                afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen
                                en bordessen dan bedoeld zijn in ;</al><al>l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><al>a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                    achtergevel, en</al><al>b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                    begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft
                                    van ten minste 5 meter.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in , en de balkons en veranda's buiten
                                    beschouwing blijven. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking het bepaalde in:</al><al>a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                    indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                    bestemd is;</al><al>b. het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                    wordt voldaan:</al><al>1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                    tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg
                                    en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                    weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die
                                    zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                    afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen
                                    voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit
                                    voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter
                                    diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts
                                    gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><al>a. indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                    beletsel vormen;</al><al>b. indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><al>a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al><al>b. niet toegankelijk zijn.</al><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende
                                erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                ruimte.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking kunnen ontheffing verlenen van:</al><al>a. het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                    van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                    hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al><al>b. het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                    van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                    ongestoorde ligging van de leiding ge en bezwaar bestaat.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte van een
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter,
                                    vermeerderd met:</al><al>a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al><al>b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte van
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter,
                                    vermeerderd met:</al><al>a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok;</al><al>b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in - de maximale hoogte van de zijgevel van het
                                    eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste
                                    1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn
                                    die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op
                                    dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in , tweede lid,
                                    voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                    achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in mag een bouwwerk, voor het bouwen
                                    waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en
                                    de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die
                                    de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de en - maximale
                                    bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen
                                    van:</al><al>a. 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b. 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens - maximale bouwhoogte en dat met
                                    het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge of toegestane
                                    afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                                    terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien
                                    verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -
                                    daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                    toegelaten is. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in , onder d, en
                                    , onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte
                                    overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in , eerste lid, , eerste en derde lid, , eerste lid,
                                en is niet van toepassing op:</al><al>a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                dan het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn
                                of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al><al>d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><al>a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al><al>b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien
                                de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al><al>c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                handels- en industrieterrein;</al><al>d. agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht , en indien:</al><al>1. de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat;</al><al>2. bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al>g. topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                soortgelijke aard;</al><al>h. plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al><al>i. dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand
                                niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet
                                minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet
                                voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                behoren;</al><al>j. draagconstructies voor een reclame;</al><al>k. vrijstaande schoorstenen;</al><al>l. bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is; geen van de
                                aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; de activiteit in
                                overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk
                                beleid; de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                ordening, en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                onderbouwing bevat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                    1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                    bedragen;</al><al>b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                                    een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                    lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij
                                    5,00 m bedragen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><al>a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                    omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al><al>b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                    stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen (vervallen) </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>(vervallen)</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in, tweede lid, van toepassing is, gelden de
                                volgende bepalingen:a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit
                                toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met
                                een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt; b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput
                                met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende
                                aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op
                                andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van
                                water, bodem of lucht kan optreden; c. leidingen voor de afvoer van
                                hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën,
                                alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen
                                verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d. leidingen
                                voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                                zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1.</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2 Overbevolking van woonwagens</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek an
                                    hygiëne</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Nieuw Artikel</titel></kop><al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel/></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Nieuw Artikel</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen (vervallen)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                                het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2.</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen(vervallen)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan
                                het Gelders Genootschap, die uit haar midden personen voordraagt als
                                lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                welstandscommissie of Integrale Kwaliteitscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voorrzover op
                                grond van de raadsbesluiten van 31 januari 2008 en 1 december 2008
                                ten aanzien van deze bouwwerken redelijke eisen van welstand van
                                toepassing zijn</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minst uit een voorzitter en twee
                                leden, die allen deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                ruimtelijke kwaliteit of cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de voorzitter en leden worden plaatsvervangers aangewezen die
                                hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien
                                tenminste twee leden aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Eén van de leden van de welstandscommissie fungeert tevens als
                                secretaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:-
                            op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota; - de werkwijze van de welstandscommissie; - op welke
                            wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; - de
                            aard van de beoordeelde plannen; - de bijzondere projecten. De
                            welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze betrekking heeft op
                                een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft uit
                                binnen drie weken nadat door of namens burgmeester en wethouders
                                daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid
                                van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering
                                van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                                beoordeling als de adviezen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwe heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                                deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele
                                opzet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening onder verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies,
                                in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de
                                commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden.
                                Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen
                                waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend
                                mag worden verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
                                welstandscommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de tweede dag na die waarop
                                zij is afgekondigd</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 3 september 2007
                                en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening 14e
                                wijziging'.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 12 april 2010.De raad
                        voornoemd,</ondertekening><ondertekening>, voorzitter</ondertekening><ondertekening>, griffier </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>9</nr><titel>Reglement van Orde van de welstandscommissie</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Gennep/i163651.pdf">Bijlage 9 Reglement van Orde welstandscommissie</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>9</nr><titel>Reglement Integrale Kwaliteitscommissie gemeente Gennep</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Gennep/i163653.pdf">Reglement integrale Kwaliteitscommissie gemeente Gennep</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlagen Bouwverordening</label><nr>1</nr></kop><al>Bijlagen Bouwverordening gemeente Gennep 2010. </al><al>Bijlage 1 vervallen. </al><al>Bijlage 2 vervallen. </al><al>Bijlage 3 vervallen<plaatje><illustratie id="i62b053f4-229f-449f-9b07-8c23423c91bb" naam="i20803i62b053f4-229f-449f-9b07-8c23423c91bb.jpg" breedte="9cm" schaal="1" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="663px" hoogte="12.7cm"/></plaatje>. </al><al>Bijlage 4 vervallen. </al><al>Bijlage 5 vervallen. </al><al>Bijlage 6 Vervallen. </al><al>Bijlage 7 Vervallen. </al><al>Bijlage 8 Vervallen.</al><al>Bijlage 10 vervallen.</al><al>Bijlage 11 vervallen. </al><al>Bijlage 12 vervallen.</al><al>Bijlage 13 kaart bebouwde kom/buitengebied als bedoeld in artikel 1.3 tweede
                    lid</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Toelichting</titel></kop><al>Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV)Hoofdstuk 1 Inleidende
                    bepalingenArtikel 1.1 BegripsomschrijvingenAsbest</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de
                    vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer
                    12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer
                    12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer
                    77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn
                    verwerkt.</al><al>Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 en de daarbij behorende toelichting.</al><al>Regeling omgevingsrecht (Mor)</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                    vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor
                    komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning</al><al>Besluit omgevingsrecht (Bor)</al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt
                    het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken
                    (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel.
                    De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor.</al><al>Bevoegd gezag</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in
                    ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag
                    opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen,
                    wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening,
                    blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit
                    betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt
                    afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het
                    bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze
                    door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het
                    kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de
                    aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan
                    niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door
                    naar burgemeester en wethouders.</al><al>Bouwbesluit 2003</al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het
                    Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                    opgenomen.</al><al>Bouwtoezicht</al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                    die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                    toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen
                    onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>Gebruiksoppervlakte</al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, lid 2
                    begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen
                    omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de MBV.</al><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al>Deskundig bedrijf</al><al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
                    En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in
                    artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie hiervoor
                    www.ascert.nl</al><al>Omgevingsvergunning</al><al>In de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en
                    ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de begripsomschrijving
                    genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen
                    twee</al><al>Vergunningvrij bouwen</al><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.</al><al>Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist
                    staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                    gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).</al><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende
                    onderdelen:</al><al>- De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit, zoals
                    het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig. ; - De categorie
                    ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd waarbij twee
                    categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1. een categorie waarop
                    de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de beheersverordening (of
                    andere planologische regelingen) wel van toepassing is (art. 3) en 2. een
                    categorie waarop de bebouwingsregeling van het planologisch regime niet van
                    toepassing is. Een en ander hangt samen met het in de Wabo opgaan van
                    planologische afwijkingsbesluiten; - Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij
                    een hoofdgebouw worden onder een nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht; -
                    Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen bij
                    woningen en woongebouwen); - Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor
                    diepte van een aan- of uitbouw; - Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft
                    vergunningplichtig; Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de
                    gemeenteAlgemeen</al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                    geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                    toelichting.</al><al>Alternatief 1</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al>Alternatief 2</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al>Alternatief 3</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel
                    een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld
                    van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie.</al><al>Alternatief 4</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook een
                    gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van
                    welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie.</al><al>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwenAlgemeen</al><al>Regeling omgevingsrecht.</al><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op
                    de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De indieningsvereisten
                    staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze Regeling vervangt het Besluit
                    indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning.</al><al>Wet BIBOB</al><al>De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                    ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het
                    bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies
                    wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie
                    van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                    aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de
                    gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                    het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren.</al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op.</al><al>Awb</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is.</al><al>Wro</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).</al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde
                    lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg
                    hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al>Wabo</al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van
                    hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de MBV
                    aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) en
                    omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De Wabo
                    heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De
                    MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde
                    behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend
                    onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de
                    omgevingsvergunning.</al><al>Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden
                    over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats
                    opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze
                    voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11.</al><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                    (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                    betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en
                    de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheidenArtikel 2.1.5 BodemonderzoekInleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                    wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te
                    wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                    Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op
                    te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het
                    afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden
                    ingediend.</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodemArtikel 2.4.1 Verbod
                    tot bouwen op verontreinigde grondAlgemeen</al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De structuur is als volgt:</al><al>- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. - Artikel 4.4, lid 2 van
                    het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag reeds
                    beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook
                    voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking
                    was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als
                    bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht
                    volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te
                    toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag
                    verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag zijn. - Indien
                    blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport)
                    onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een
                    voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel
                    4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                    - Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd
                    gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                    omgevingsrecht. De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het
                    bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en
                    gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                    grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de
                    schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de
                    bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                    grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van
                    de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal
                    staat.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo</al><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet
                    onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe
                    zijn aangewezen (zie website ministerie VROM site:
                    www.vrom.nl/pagina.html?id=24354&amp;term=wet+bodembescherming ; Besluit
                    aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming) volgens de Wet
                    bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal
                    echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden
                    dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                    artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><al>- de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag
                    wordt aangebracht; - de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt
                    afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; - de
                    voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt
                    aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk
                    in stand wordt gehouden. Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in
                    principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor
                    het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het
                    overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het
                    bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te
                    laten plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                    bereikbaarheidseisenAlgemeen</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor
                    voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                    bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een
                    even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan
                    worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat
                    de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in
                    art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders
                    bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                    eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft
                    volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake
                    is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                    worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige
                    bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het
                    bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><al>a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat
                    tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend,
                    dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of, b. het bestemmingsplan
                    aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende,
                    niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt
                    ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien
                    of, c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                    voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de
                    bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het
                    bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit
                    het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen. Wet ruimtelijke
                    ordening (Wro)</al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 3.5.3 (Bereikbaarheid
                    bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen), 2.5.3A ( Bereikbaarheid van
                    gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het uitstel van
                    de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit
                    de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven deze artikelen vooralsnog in de
                    MBV bestaan.</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepalingDeze bepaling dient om te voorkomen dat,
                    indien in de bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald
                    gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het
                    beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis
                    wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te
                    hebben.</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeerLid 1</al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van
                    mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen
                    gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw
                    zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.</al><al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald,
                    dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge
                    artikel 5, lid 4 van de Postregeling 2009 dat op artikel 20 van de Postwet 2009
                    berust - een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van
                    aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een
                    oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de
                    blusslangen te groot wordt.</al><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin
                    van het eerste lid, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden
                    geweigerd. Eventueel kan de omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend
                    met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de
                    totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd.
                    Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot aanleg van de
                    verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.</al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een meldingsplicht voor het aanleggen van
                    wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                    toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen
                    is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten, c.q.
                    uitwegen op openbare wegen.</al><al>Lid 2</al><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door
                    gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's e.d.,
                    zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het
                    draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets
                    dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare
                    vrachtauto's.</al><al>Lid 4</al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk.</al><al>Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                    plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</al><al>Lid 5</al><al>De openbare bluswatervoorziening is geregeld op grond van artikel 1 van de
                    Brandweerwet 1985. B&amp;W hebben de zorg voor de openbare (brand)veiligheid en
                    zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor de openbare
                    bluswatervoorziening. De gemeente zelf moet hierin voorzien.</al><al>In de bouwverordening staat dat bij gebrek aan een openbare bluswatervoorziening
                    (de bouwer) moet zorg dragen voor een niet openbare bluswatervoorziening. Te
                    denken valt aan een huisje op de hei. In zo'n geval kan van de gemeente geen
                    bluswaterleiding worden gevraagd, dit gaat de zorgplicht te boven. De bouwer
                    moet dit zelf regelen.</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicaptenHet onderhavige
                    artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit die betrekking
                    hebben op de toegankelijkheid van gebouwen. In genoemde bepalingen is tevens
                    geregeld, wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet
                    beschikken.</al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijnHet bepaalde onder b kan
                    desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de weg is gelegen. Ook kan
                    per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in gebieden van de gemeente
                    waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30
                    meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het
                    onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd: - bij een wegbreedte van ten minste 30 meter
                    de lijn gelegen op een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de
                    weg; - bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                    bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; - bij een wegbreedte
                    geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. Artikel
                    2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijnHoewel het
                    begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die - behoudens
                    toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of
                    aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden
                    overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen
                    met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije
                    bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro.</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijnDoor de
                    verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate
                    samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd:</al><al>1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; 2. uitsteeksels die hoger
                    aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn
                    met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals
                    kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                    uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor
                    onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen
                    daartegen repressief op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen
                    regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen,
                    maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht
                    zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7
                    aan te vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de
                    voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'. Artikel 2.5.8
                    Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot overschijding van de
                    voorgevelrooilijnNaast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent
                    artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen
                    bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de
                    omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de wegArtikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage
                    II van het Besluit omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van
                    het Besluit omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te
                    sluiten.</al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoekenLid 4, onder a</al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijnZie de figuren 3 t/m 12, in de
                    bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijnHoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als
                    'de lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijnArtikel
                    2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijnNaast de afwijkingsmogelijkheden in het
                    onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking
                    in zeer speciale gevallen.</al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten.</al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwenHet erf, bedoeld in dit
                    voorschrift, mag niet worden verward met de 'buitenruimte' in de zin van het
                    Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwenNaleving van het onderhavige voorschrift
                    houdt tevens in het voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk
                    Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                    voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk
                    ramen mogen worden aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerkenDeze bepaling is bedoeld om het ontstaan
                    van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende
                    terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen
                    geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te
                    plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren.
                    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor
                    onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening
                    in de zijgevel van het gebouw.</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingenArtikel 5:48 van het Burgerlijk
                    Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen.
                    Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in de gemeentelijke
                    voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal
                    slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een
                    vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien
                    de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht
                    worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de
                    vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften
                    van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening.
                    Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd
                    artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld
                    in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld
                    een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf,
                    behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                    beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingenHet eerste lid strekt tot bescherming van het
                    vergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers
                    daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                    hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas,
                    olie, chemische producten e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                    bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding.</al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.</al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis.</al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd,
                    die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijnAlternatief 1</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al>Alternatief 2</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                    bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen
                    zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere differentiatie voor de bebouwde
                    kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen
                    grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige
                    delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijnZie ook de toelichting
                    op artikel 2.5.20.</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijnZie
                    figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                    achtergevelrooilijnenAlternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerkenAlternatief 1</al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Alternatief 2</al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60
                    graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                    genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                    maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege
                    beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II
                    van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinenHet
                    onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op binnenterreinen
                    van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerkenZie artikel 1.1 voor
                    de definitie van 'straatpeil'.</al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogteAd a</al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogteDe vermelding van artikel 3,
                    onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                    omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken.</al><al>Ad e, onder 1</al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleidArtikel 2.5.29 MBV is, in relatie met
                    de overige stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met
                    de relatie tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake
                    afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het
                    bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan
                    vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking
                    wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo
                    eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de
                    verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die
                    uit een bestemmingsplan.</al><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van
                    toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is.</al><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze.</al><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de
                    eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                    onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan
                    waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in
                    overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'.</al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                    afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                    zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwenAlgemeen</al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt.</al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de bebouwde
                    kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten locatie(s).</al><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder wordt
                    verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige
                    verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de
                    gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan
                    tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op
                    ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.</al><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid - aan te
                    geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het terrein van
                    een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de
                    toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit geval per
                    omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt weer af van
                    onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                    verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                    aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop
                    de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                    parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                    vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en
                    vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25 juli 2008. Verkrijgbaar op
                    CD-rom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving
                    en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting
                    CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een
                    verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het
                    bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                    leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                    parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers
                    gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen
                    voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                    vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking
                    getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'.
                    Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                    bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                    maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende
                    maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en
                    stoklopers.</al><al>Lid 5</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 6</al><al>Ad a</al><al>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de eis
                    in het eerste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op eigen
                    terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval dat
                    in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage aanwezig is. De
                    mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de eis in
                    het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein
                    (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. In
                    dat geval kan eventueel onder financiële voorwaarden vergunning worden
                    verleend.</al><al>Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden. Aan een
                    daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold voor onder
                    meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30
                    MBV.</al><al>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de ontheffingen en
                    eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de omgevingsvergunning. De op
                    grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie onder de oude wetgeving betreft
                    kort samengevat:</al><al>1. Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een
                    parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus
                    1998</al><al>Parkeergelegenheid Schagen</al><al>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein in de
                    parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde mag worden verbonden.
                    Art. 2.5.30 Bouwverordening:</al><al>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden aangenomen
                    dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft om door middel
                    van het verbinden van een financiële voorwaarde aan een vrijstelling, tot
                    betaling van een tegemoetkoming of een compensatie te verplichten. Aan deze
                    mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening aan de
                    voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de
                    wettelijke bepaling waarop de vergunning of vrijstelling berust en voorts dat de
                    verlening van de vergunning of vrijstelling in het algemeen belang tot het
                    heffen van een geldbedrag noopt. Bovendien moet blijken dat niet een andere uit
                    hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een
                    tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In dit verband wordt verwezen naar
                    de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985, p. 911.</al><al>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een financiële
                    voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op grond van art.
                    2.5.30 MBV.</al><al>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële voorwaarde is
                    toegestaan onder enkele voorwaarden:</al><al>a. de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling
                    van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust; b. de vergunning moet in
                    het algemeen belang nopen tot het opleggen van een geldbedrag; c. de stellige
                    noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook hieruit blijken dat
                    niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid
                    aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen. Een noodzaak om
                    in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het realiseren van voldoende
                    parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel aanwezig, de parkeerproblematiek is
                    zo groot dat zonder het treffen van voorzieningen de omgeving overlast /
                    parkeerhinder zal ondervinden.</al><al>2. In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op
                    www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de ontheffing van de
                    parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te realiseren
                    voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak:</al><al>' dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door
                    [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de
                    desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter zitting
                    van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld
                    een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast
                    dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden
                    aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing
                    betrekking heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m
                    acceptabel is voor het parkeren van bezoekers, kan ( ¿) niet afdoen aan haar
                    oordeel dat ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de
                    financiële bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan.
                    De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer
                    terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid,
                    aanhef en onder a, van de bouwverordening is verleend.</al><al>¿.ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de
                    bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is voldaan
                    aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van ontheffing slechts
                    mogelijk is indien op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt
                    voorzien.</al><al>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee van de vijf
                    parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage concreet zal
                    worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan van de openbare
                    ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd
                    op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige
                    parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten aanzien van die twee
                    parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële bijdrage die
                    door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing als
                    bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a, aangewend zal worden om te
                    voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In
                    zoverre is voldaan aan het in het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde
                    vereiste.</al><al>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen
                    inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het
                    betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.'</al><al>Ad b</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruik van de
                    afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt b,
                    is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van
                    raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Niet hoeft te worden afgeweken,
                    indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is op de openbare weg, op
                    een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend openbare
                    parkeergarage.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de
                    eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen
                    terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                    Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningenArtikel 2.7.1 Eis tot
                    aansluiting aan de waterleidingDe plicht tot aansluiting aan het distributienet
                    van de waterleiding houdt niet in dat het waterleidingbedrijf tot de levering
                    van drinkwater verplicht is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het
                    betrekken van drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet
                    houdt slechts de verplichting in tot het doen treffen van de technische
                    voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt
                    geleverd, is afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten
                    contract. De voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal
                    vervat in een afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite
                    zal de aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en
                    zullen de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de
                    levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                    aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                    binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde
                    artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat
                    het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                    drinkwater wordt toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnetDe plicht tot
                    aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een kwestie van
                    comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie voorts de
                    toelichting op artikel 2.7.1. Hetgeen daar is gesteld over de waterleiding geldt
                    mutatis mutandis voor de aansluiting aan het elektriciteitsnet’</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnetLid 1</al><al>De niet-vantoepassingverklaring is bedoeld voor woningen, waarin niet op gas
                    wordt gekookt en voor verwarming geen individuele toevoer van gas nodig is. In
                    de praktijk betreft dit vaak woningen voor ouderen of gehandicapten, waar wordt
                    aangenomen dat elektrisch koken veiliger is dan op gas koken.</al><al>Lid 2, onder b</al><al>Het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in het
                    eerste lid is denkbaar voor koopwoningen, indien de eigenaar-bewoner geen
                    aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot hetgeen het geval kan zijn
                    voor huurwoningen, indien de gemeenteraad geschiktheid van de woning voor het
                    stoken en koken op de meest economische brandstof noodzakelijk acht.</al><al>Lid 2, onder c</al><al>Van het bepaalde in het eerste lid hoeft niet afgeweken te worden bij woningen
                    die worden aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming, indien een
                    gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas.</al><al>Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                    voor verwarmingKostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject
                    kunnen botsen met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is
                    een titel gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te
                    kunnen afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het
                    aardgasnet.</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare rioleringAlternatief 1</al><al>Algemeen</al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                    transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                    neergelegd in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, de Wet
                    Milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Waterwet richten zich op de lozers
                    van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze regelgeving.
                    Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar het Handboek Water:
                    www.infomil.nl/handboekwater.</al><al>Met het oog op vermindering van de belasting van het milieu en van het bestaande
                    rioleringsnet kan in bepaalde gebieden of in een hele gemeente verplicht worden
                    gesteld dat hemelwaterafvoer wordt afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel.
                    Deze plicht is niet gebaseerd op de bouwverordening, maar staat in een
                    afzondelijke gemeentelijke verordening. De VNG heeft hiervoor de
                    Modelverordening afvoer hemelwater en grondwater opgesteld en oer ledenbrief van
                    16 juli 2009, Lbr. 09/091 aan de gemeentebesturen toegezonden. Deze verordening
                    is gebaseerd op artikel 10.32a van de Wet milieubeheer.</al><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4
                    van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel
                    5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 2.1 van de Wabo
                    gegeven vergunningplicht voor het bouwen en het herziene artikel 13 van de
                    Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan
                    te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het
                    dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt.</al><al>Vanaf begin 2008 worden lozingen zoveel mogelijk geregeld met algemene regels
                    (amvb’s). Deze amvb’s zijn gebaseerd op bovengenoemde wetten en regelen alle
                    lozingsroutes: rioolstelsels, oppervlaktewater en bodem. Dit betreft drie
                    amvb’s, die zich richten tot een bepaalde doelgroep:</al><al>1. Het besluit lozing afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468), dat uitsluitend
                    van toepassing is op lozingen vanuit particuliere huishoudens, 2. het
                    Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415), dat zich richt tot inrichtingen in de zin
                    van de Wet milieubeheer, en 3. het Besluit lozen buiten inrichtingen (Scr.,
                    2009, 12902) waarin het grootste deel van de resterende lozingen in geregeld
                    worden. Dit besluit is nog in ontwerp en zal in 2010 van kracht worden. Een
                    aantal lozingen, met name die van grotere bedrijven, worden nog geregeld met
                    vergunningen. Bij lozing in het oppervlaktewater is dat de watervergunning, bij
                    lozing in het riool de Wabo -vergunning.</al><al>Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de omvang van de
                    lozing) staan de besluiten een directe lozing in het oppervlaktewater of de
                    bodem toe. In deze besluiten zijn de voorwaarden voor deze lozingen opgenomen,
                    voor kleinschalige lozingen van huishoudelijk afvalwater kan dan bijvoorbeeld
                    een Iba (Individuele Behandeling van Afvalwater) worden toegepast.</al><al>Lid 1</al><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dient de afvoerleiding het
                    huishoudelijk afvalwater te worden aangesloten op het vuilwaterriool. De afvoer
                    van het hemelwater van dak en terrein kan afhankelijk van het gemeentelijk
                    beleid, zoals vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), geloosd
                    worden in het oppervlaktewater, de bodem of een speciaal daartoe aangelegd
                    hemelwaterstelsel. De voorwaarden waar deze lozingen aan moeten voldoen staan in
                    de hiervoor genoemde besluiten onder ‘Algemeen’.</al><al>De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan de onder b genoemde
                    uitzondering op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten)
                    gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen
                    te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de
                    toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in
                    de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en
                    regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam,
                    specificatieblad S 445.</al><al>Lid 2, onder a</al><al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van
                    de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:</al><al>a. om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering
                    wordt aangesloten;</al><al>b. om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd voor
                    enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuilwaterafvoer, indien in het
                    desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel
                    aanwezig is.</al><al>Lid 2, onder b</al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al>Lid 3</al><al>Bij het tussenschakelen van voorzieningen nodig voor de goede werking van het
                    riool kan worden gedacht aan terugslagkleppen, ontluchting e.d. Door de 'hogere
                    regelgeving' – hiervoor genoemd onder ‘Algemeen’ - is nog meer dan voorheen
                    duidelijk dat de bouwverordening niet gaat over het lozen, maar uitsluitend over
                    de aansluitplicht.</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Deze lozingen in oppervlaktewater of bodem zijn geregeld in bovenstaande
                    besluiten. In bepaalde gevallen, genoemd in die besluiten, moet gemeld
                    worden.</al><al>Lid 4, onder b</al><al>Het bevoegd gezag kan afwijking toestaan van de verplichting tot aansluiting aan
                    het openbare riool.</al><al>Een gebruikelijke praktijk bij agrarische bedrijven is dat het huishoudelijk
                    afvalwater geloosd wordt in de mestkelder en gezamenlijk met de mest wordt
                    uitgereden over het land onder de meststoffenregelgeving.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 1</al><al>Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het
                    terrein, zie artikel 2.7.5, alternatief 2.</al><al>Leden 2 tot en met 4</al><al>Zie in alternatief 1 dezelfde lidnummers.</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare rioleringAlternatief 1</al><al>Lid 1, onder c</al><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen erop te wijzen dat de lozingen van afvalwater, via alle lozingsroutes,
                    zijn geregeld met algemene regels volgens de amvb’s genoemd in toelichting bij
                    artikel 2.7.4.</al><al>Lid 1, onder d</al><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                    daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk
                    hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                    behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                    andere oplossing moeten worden gezocht.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2, onder b</al><al>De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze af
                    te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een op het
                    eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening, berust op
                    milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt beoogd om het
                    hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel mogelijk bij te
                    dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het tegengaan van
                    verdroging van het milieu.</al><al>Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan
                    bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte
                    infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee
                    gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen
                    worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens
                    - Ontwerp en uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en
                    infiltratie van hemelwater binnen de perceelsgrens,
                    (www.isso.nl/producten/isso-winkel/ ).</al><al>De aanvrager van de omgevingsvergunning dient van tevoren te (laten) onderzoeken
                    welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse
                    aanwezige bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is.
                    Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een
                    dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door
                    de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van gemeentewege
                    beschikbaar worden gesteld.</al><al>Lid 3, onder b</al><al>Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede
                    wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                    infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden
                    gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelgrenzen in
                    acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar hangt af van de
                    hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van de
                    infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van de ter
                    zake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kan het bevoegd gezag
                    afwijking toestaan van de verplichting tot het aanbrengen van een
                    infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer en/of de
                    geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven.</al><al>Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens
                    van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput (septic tank)
                    daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden aangesloten.</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en
                    terreinenLid 3</al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk
                    rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er -
                    met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede
                    werking van de zuiveringsinstallatie - op worden toegezien dat er in de
                    huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen.</al><al>Lid 4</al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen.</al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 2007, 'Binnenriolering in woningen
                    en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op
                    binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de
                    dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop
                    aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn.
                    Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot
                    bewoning bestemde gebouwen.</al><al>Lid 5</al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                    voorgeschreven.</al><al>Lid 6</al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                    overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee
                    vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><al>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                    ingebruikneming van een bouwwerk</al><al>Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de
                    voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar
                    uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een
                    bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 hebben betrekking op alle
                    bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig.</al><al>Artikel 7b Woningwet bevat verplichtingen in de vorm van algemene
                    verbodsbepalingen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die
                    van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk of
                    een open erf of terrein. In de artikelen 2.1., 2.2 en 2.3 van de Wabo staat
                    (onder meer) het verbod te bouwen zonder of in strijd met een voorschrift van de
                    omgevingsvergunning. Voorts kan worden opgetreden tegen de instandhouding van
                    een (deel van een) bouwwerk dat is gebouwd zonder of in afwijking van een
                    omgevingsvergunning.</al><al>Structuur van de voorschriften</al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                    handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het
                    bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en
                    met 4.6 en 4.13.</al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige
                    effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand,
                    hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10.
                    Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                    gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt
                    geregeld in artikel 7b Woningwet jo 4.14 MBV.</al><al>De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                    ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al>Handhaving van de voorschriften</al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn op grond van artikel 7b van de Woningwet
                    rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting bij Hoofdstuk
                    11.</al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6
                    kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                    bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden
                    andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast.</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheidenHoewel de instantie
                    die toeziet op de naleving van verleende vergunningen op de hoogte kan zijn van
                    de inhoud van deze bescheiden is toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein
                    deze bescheiden aanwezig te hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage
                    te geven. Het verplicht aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie
                    over wat in die bescheiden is voorgeschreven. De tekst is immers voorhanden en
                    voorkomt dat de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden
                    niet te kennen.</al><al>Sub a</al><al>Onder het begrip ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ in de zin van dit artikel
                    vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen
                    e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden
                    gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.</al><al>Sub b</al><al>Deze toestemmingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige
                    consequenties hebben. Deze vergunningen kunnen betrekking hebben op bij
                    voorbeeld beschikkingen van de rijks- of provinciale overheid.</al><al>Sub d</al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en 14, tweede
                    lid, onder b. van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor
                    bouwen op grond van deze besluiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is
                    vereist (art. 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en art. 2.1, derde
                    lid van de Wabo).</al><al>Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2
                    ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn.</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouwDe woorden 'voor zover nodig' zijn
                    opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het
                    aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld bij een verbouwing.</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamhedenDe strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te
                    geven tot tijdige controle.</al><al>Lid 1, sub a</al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd, verdient het aanbeveling het
                    regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                    voorkoming van schade aan leidingen. Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet
                    Informatieuitwisseling Ondergrondse Netten (WION), ook wel genoemd
                    ‘Grondroerdersregeling’. Het Kadaster is belast met de uitvoering van deze wet.
                    Zie: www.kadaster.nl/KLIC .</al><al>Lid 3</al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd
                    terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder
                    en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen.</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingenDit artikel
                    heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht vermoedt, dat
                    ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn onttrokken of
                    ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van de hier
                    bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te doen
                    verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers zelf in
                    de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te
                    informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit en de
                    bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit artikel
                    om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de gemeente.</al><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten
                    van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om
                    bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel
                    van de bouwverordening toegepast.</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputtenHet belang dat hier wordt gediend is de
                    kwaliteit van funderingen en daarmee de veiligheid van bouwwerken. Dit is een
                    publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                    privaatrechtelijke zin. Het motief van het bepaalde in dit artikel is aanvullend
                    op de doelstelling van de Waterwet.</al><al>De Grondwaterwet is per 22 december 2009 vervangen door de Waterwet. Een
                    belangrijk gevolg van de invoering van de Waterwet is dat de huidige
                    vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit
                    resulteert in één vergunning: de watervergunning.</al><al>In veel gevallen is een watervergunning niet nodig omdat veel activiteiten onder
                    algemene regels vallen.</al><al>In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van de
                    vergunningenprocedure.</al><al>Bevoegd gezag voor de verlening van de watervergunning zijn het waterschap voor
                    het regionale watersysteem, Rijkswaterstaatvoor het hoofdwatersysteem en de
                    provincies vor drie specifieke categorieën grondwateronttrekkingen en
                    infiltraties. Als de aanvraag om een watervergunning betrekking heeft op
                    handelingen waarvoor verschillende bestuursorganen bevoegd zijn, wordt de
                    beslissing op de aanvraag in beginsel genomen door het hoogste bevoegde gezag.
                    De Waterwet geeft Rijkswaterstaat, de provincies en de waterschappen wel de
                    mogelijkheid in voorkomende gevallen te regelen dat een ander bestuursorgaan
                    bevoegd gezag wordt. Hiertoe is een handreiking ontwikkeld (‘Handreiking
                    samenloop bevoegdheden Waterwet’)</al><al>De watervergunning en de omgevingsvergunning worden niet geïntegreerd. Het zijn
                    afzonderlijke vergunningen die wel bij hetzelfde overheidsloket, Omgevingsloket
                    online, kunnen worden aangevraagd. De gemeente is aangemerkt als het
                    overheidsloket van Nederland, dus in principe ook voor de watervergunning, ook
                    al is zij hiervoor geen bevoegd gezag. De aanvraag voor een watervergunning kan
                    echter ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag op grond van de Waterwet worden
                    ingediend (Rijkswaterstaat, provincie of waterschap). Overigens kan ook de
                    aanvraag om een omgevingsvergunning bij de provincie worden ingediend als niet
                    de gemeente maar de provincie bevoegd is op die aanvraag te beslissen. De
                    aanvrager heeft dus alle vrijheid, daarom is het verstandig dat waterbeheerders,
                    provincies en gemeenten afspraken maken over de onderlinge afstemming. De
                    wettelijke termijnen moeten immers in acht worden genomen, waardoor snel
                    handelen noodzakelijk is. Zo zal een via de gemeente binnengekomen aanvraag om
                    een watervergunning direct aan de waterbeheerder of de provincie moeten worden
                    doorgezonden.</al><al>Zie ook: www.helpdeskwater.nl en www.waterwet.nl</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterreinDit voorschrift betreft de veiligheid
                    van voorbijgangers en belendingen. Zie ook artikel 2.4 van de Regeling
                    omgevingrecht (Mor) dat regels bevat over het indienen van een
                    bouwveiligheidsplan.</al><al>Lid 1</al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die
                    bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de
                    veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur
                    zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde
                    tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterreinHet afscheiden van een bouwterrein
                    dient ertoe onbevoegden van het terrein te weren en te voorkomen dat mensen - en
                    vooral spelende kinderen - op een bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief
                    geldt ook voor de eis in het derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein
                    moet worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over
                    de vorm van de bewaking: permanent aanwezig zijn of surveillance door een
                    bewakingsdienst, beslist het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met
                    de bouwer.</al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                    gewaarborgd.</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinderDe bepaling
                    beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor de omgeving
                    te voorkomen.</al><al>Artikel 4.11 BouwafvalAlgemeen</al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                    geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening
                    dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al><al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van
                    afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                    gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij
                    de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                    hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                    ander afval.</al><al>a Gevaarlijke afvalstoffen</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                    gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de
                    Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL), verbiedt het mengen van gevaarlijk
                    afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen
                    ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en
                    gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan
                    geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op
                    deze wijze gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling
                    van klein chemisch afval van huishoudens.</al><al>b en c Glaswol en steenwol</al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                    ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                    stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter.</al><al>De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten
                    te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van
                    bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde omgevingsvergunning is verleend.</al><al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot
                    scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn.</al><al>d Overig afval</al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                    bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                    onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting die
                    op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te
                    nemen.</al><al>Wanneer is iets afval?</al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak
                    is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden
                    gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval.</al><al>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als
                    ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe
                    te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van
                    economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen
                    prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een
                    gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding
                    plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een
                    bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie
                    overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting.
                    Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                    overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                    overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot
                    ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten
                    zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                    gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het
                    gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden
                    opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger
                    (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om
                    nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen
                    daarin.</al><al>Afvoeren en overdragen van bouwafval</al><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het
                    mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport
                    vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor
                    het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening,
                    waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien
                    hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet
                    milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.</al><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                    bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk een stortverbod
                    voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die geringe hoeveelheden
                    bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij sorteerbedrijven en
                    gemeentelijke milieustraten, veelal ook op zaterdagmorgen.</al><al>Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                    waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over
                    bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                    toegelaten.</al><al>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                    fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de
                    regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of
                    anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse
                    retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten
                    wordt zinvol geacht.</al><al>Sorteerinrichting</al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is -
                    voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar een
                    sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te
                    ontvangen.</al><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                    voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling
                    niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval. Hierin worden de volgende afvalstromen
                    aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro
                    metalen, massief niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie,
                    kunststofgevelelementen of delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor deze
                    stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij achteraf in
                    een sorteerinrichting.</al><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een
                    sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen van
                    gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips
                    (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon
                    afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel
                    en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel
                    zijn van een retoursysteem . Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij
                    meestal slechts in geringe mate in bouwafval voorkomen.</al><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                    ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                    aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de
                    Stichting KNAPZAK (www.knapzak.nl) nemen enkele kunststofverwerkers deze
                    kunststoffen zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor
                    reclycing.</al><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                    voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                    Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                    kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting
                    Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor kitkokers,
                    verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R
                    Recycling BV te Middelharnis.</al><al>Mee terugnemen naar de werf</al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                    verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                    naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                    bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch
                    nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een omgevingsvergunning is
                    vereist op grond van de Wabo. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit afval
                    vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De
                    plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere stoffen, de
                    anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht tot het
                    afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een inzamelaar die
                    voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al><al>Enkele specifieke begrippen</al><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid
                    van een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo.</al><al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te
                    zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor
                    enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de
                    toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen
                    voor kunststoffen.</al><al>Lid 1</al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                    terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate omgevingsvergunning op grond van de Wabo.
                    Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt
                    het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet naar een
                    stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde
                    stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is
                    verbranden de beste oplossing.</al><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt
                    uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                    hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL) voorziet hierin.
                    In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit.</al><al>Vergunningvoorwaarden</al><al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te
                    verbinden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te
                    scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan
                    in strijd met het vierde lid van artikel 2.22 Wabo.</al><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar.
                    Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met
                    een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven,
                    verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en
                    zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron
                    noch met een brand- of explosiebron.</al><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij
                    het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8,
                    het slopen, te betrekken.</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamhedenDe
                    gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen spoedig
                    daarna controles uit te voeren. Artikel 7b van de Woningwet bevat het verbod een
                    bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken anders dan in overeenstemming met de
                    op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede
                    lid, onderdeel a. Uit dit artikel uit de Woningwet vloeit voort dat de
                    voorschriften omtrent het gebruik in de bouwverordening geen betrekking kunnen
                    hebben op het gebruik in planologische zin, doch uitsluitend op het veilig en
                    verantwoord gebruik van gebouwen.</al><al>Lid 1</al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere
                    fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden
                    mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.</al><al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig
                    de uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de
                    desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is
                    eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is
                    onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het
                    afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere
                    afwerkconstructie.</al><al>Lid 2</al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van
                    twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al>Lid 3</al><al>Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning niet anders is gesteld,
                    geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruiknemingOp aandrang vanuit de praktijk en gelet
                    op de uitspraak rechtbank Leeuwarden van 22 september 2008, LJN BF2263 wordt het
                    verbod tot ingebruikneming van een bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw
                    ingevoerd.</al><al>Hierbij is uitgegaan van de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend ten aanzien
                    van het niet gereed melden.</al><al>Gereedmelding is aan de orde bij de in artikel 4.12 MBV genoemde gevallen.
                    Voorkomen moet worden dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van het in
                    gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken of bouwwerken waarin niet alle
                    noodzakelijke bouwtechnische voorzieningen zijn aangebracht (ABRvS, 23 december
                    2009, LJN: BK7451).</al><al>Hoofdstuk 5 Staat van open ervan en terreinen, aansluiting op de
                    nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierteParagraaf 1
                    Staat van open erven en terreinenAlgemeen</al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt
                    in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande
                    bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren.
                    Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het opleggen
                    van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van de artikelen 13,
                    13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang
                    of het opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden
                    voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen
                    of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen
                    van een plicht tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen
                    5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van
                    hoofdstuk 2, de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Op die plek
                    fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                    bouwen. De bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van
                    een open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.</al><al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinenVan een onvoldoende
                    staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake, indien een open erf
                    of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een gevolg zijn van het
                    gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende
                    staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door overvloedige begroeiing,
                    waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van
                    het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                    BrandblusvoorzieningenZie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicaptenZie de toelichting
                    op artikel 2.5.4.</al><al>Paragraaf 2(Vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningenArtikel 5.3.1 Eis tot aansluiting
                    aan de waterleidingZie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Het onderhavige voorschrift vormt geen grondslag voor een besluit ingevolge de
                    artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel tot toepassing van
                    bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom waarin het bevoegd
                    gezag het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde
                    artikelnummers van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het bevoegd gezag de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het
                    betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende
                    welput, regenbak of watertank.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnetZie de toelichting op
                    de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnetZie de toelichting op de
                    artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare rioleringZie de toelichting op
                    de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                    wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang - op grond van
                    het Lozingenbesluit bodembescherming - het afvalwater in de bodem mag worden
                    geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen
                    (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen - in
                    financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de
                    rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte
                    van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening.</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare rioleringZie de toelichting
                    op artikel 2.7.5.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. ReinheidArtikel
                    5.4.1 PreventieOnreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een
                    bouwwerk is geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een
                    bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft rechtstreekse werking en leidt in
                    geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet
                    dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een
                    last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het bouwwerk
                    onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te gaan.</al><al>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingenAlgemeen</al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, andere gebouwen en bouwwerken geen gebouw
                    zijnde. De wet noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld.
                    Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld
                    over het gebruik. In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen
                    van gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door onder meer een algemene
                    maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) voorziet in dit onderwerp. De
                    overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al><al>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsenArtikel 7.1.1 Overbevolking van
                    woningenAlgemeen</al><al>Dit artikel berust op artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het is bedoeld om
                    in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist, van
                    gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                    beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren
                    binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen
                    optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het
                    onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een
                    woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal
                    bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige
                    voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de
                    woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te
                    balanceren.</al><al>Zie voor dit onderwerp ook de Huisvestingswet. Overigens kunnen lokale
                    omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen van een
                    afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld
                    ook als volgt kunnen luiden:</al><al>'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt
                    bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien
                    verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste
                    12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.'</al><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                    woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen
                    in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins
                    gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde
                    kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht
                    wenselijk en mogelijk.</al><al>Normstelling</al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het
                    niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                    ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                    minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in
                    principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten,
                    respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten.</al><al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagensDe normstelling in dit artikel is
                    gebaseerd op de maximale plaatsings- en gebruiksmogelijkheden van stapelbedden.
                    Overigens is de lagere getalwaarde in dit artikel ten opzichte van het vorige
                    artikel vergelijkbaar met het verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en
                    artikel 4.30 van het Bouwbesluit.</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruikArtikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en
                    staken van gebruikAanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de
                    bepalingen van de Woningwet is het voor een aantal situaties nodig een verbod te
                    stellen tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van
                    het gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het
                    gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een
                    verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig
                    bouwwerk is gelegen.</al><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in artikel
                    7.2.2 is afhankelijk gesteld van een beschikking van het bevoegd gezag. De
                    mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling van
                    feitelijke aard.</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinenArtikel 7.3.1
                    Bepaling aantal personen nachtverblijfArtikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft
                    de raad de mogelijkheid om van het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a,
                    genoemde aantal personen af te wijken. De raad kan indien afwijking van dit
                    artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in
                    de bouwverordening vaststellen.</al><al>Artikel 7.3.2 HinderArtikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks
                    handhaafbaar op grond van artikel 7b van die wet.</al><al>Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het
                    plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van
                    tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en
                    televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor
                    zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van
                    stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij
                    voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het
                    verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich in
                    een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels of
                    –stof te vrezen valt.</al><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen
                    die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein
                    zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels
                    gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen
                    een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de
                    aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van
                    sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een
                    overtreding van het Bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende
                    aantoonbaar.</al><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                    artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.</al><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                    artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                    maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                    rechtvaardigen.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. ReinheidArtikel
                    7.4.1 PreventieDit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het
                    weren van schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene
                    reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van
                    excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling
                    onmisbaar.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al>Paragraaf 5 WatergebruikArtikel 7.5.1 Verboden gebruik van waterHet hier
                    bedoelde verbod treedt pas in werking nadat het bevoegd gezag de beschikking
                    heeft genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 en 7.2.2.</al><al>Paragraaf 6 InstallatiesArtikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installatiesIn
                    het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of de
                    gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt
                    dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud
                    en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                    terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte
                    opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                    veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                    Warenwetbesluit liften, dat op de Warenwet berust.</al><al>Hoofdstuk 8 SlopenAlgemeen</al><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Dit
                    hoofdstuk gaat over de omgevingsvergunning voor het slopen. Aan de vergunning
                    kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject.
                    Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening
                    is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk
                    hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het
                    bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop
                    verwijzen wij hier.</al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen wordt geregeld in
                    hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht. De indieningsvereisten staan in
                    artikel 7.2 van de Mor.</al><al>Planologische sloopvergunning</al><al>De Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceert een sloopvergunning, die wij hier
                    ter onderscheiding van andere ‘sloopvergunningen’ – uit de bouwverordening en
                    uit de Monumentenwet – aanduiden als ‘planologische sloopvergunning’. De
                    planologische sloopvergunning kan door de raad van een gemeente in een
                    bestemmingsplan worden opgenomen. De wet stelt niets verplicht, maar biedt deze
                    mogelijkheid. Deze vergunning ziet op de planologische gevolgen van
                    sloopactiviteiten en de eventuele bouwplannen op de locatie die door het slopen
                    vrij komt.</al><al>Asbest</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke
                    stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van
                    asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het
                    besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe
                    werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot
                    regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de
                    bouwverordening zijn bindend voor de burger.</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al>Voor meer informatie en publicaties over dit onderwerp wordt verwezen naar
                    www.infomil.nl\asbest</al><al>Incident</al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals
                    een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een
                    calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                    asbestbranden”.</al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al>Certificering</al><al>De certificering voor de bouw valt onder het ministerie van SZW. De instantie
                    die zich bezig houdt met de certificering is de Stichting Certificatie Asbest,
                    www.ascert.nl De oude Beoordelingsrichtlijnen (BRL) die van toepassing waren op
                    de sloop van asbest zijn vervangen door certificeringsschema’s voor
                    asbestinventarisatie (SC 540) en asbestverwijdering (SC 530) (Gepubliceerd in
                    Stcrt. 2008, nr. 57, p. 9).</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Risicoklasse</al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                    arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te
                    doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al>Intensivering van de handhaving</al><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                    handhaving van de sloopvoorschriften.</al><al>Voor diverse publicaties wordt verwezen naar www.infomil.nl</al><al>Ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp treft u aan op www.vng.nl .</al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopenArtikel 8.1.1 Omgevingsvergunning
                    voor het slopenDe Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de
                    juridische basis voor de omgevingsvergunning voor het slopen. De Wabo brengt met
                    zich mee, dat de term sloopvergunning wordt vervangen door omgevingsvergunning
                    voor het slopen of wanneer het uitsluitend over het verwijderen van asbest gaat
                    omgevingsvergunning voor het slopen van asbest.</al><al>Ontvangstbevestiging en mededeling procedure</al><al>De huidige praktijk van het plaatsen van een datumstempel op de aanvraag als
                    bewijs van ontvangst is niet langer voldoende. Artikel 3.1, tweede en derde lid
                    Wabo stelt verplicht dat na ontvangst van een aanvraag onverwijld de bevestiging
                    wordt verzonden en dat eveneens onverwijld een mededeling over de te volgen
                    procedure wordt verzonden.</al><al>Lid 1</al><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                    afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                    asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in artikel
                    8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende
                    interne verbouwingen.</al><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of
                    meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                    vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al>Lid 2</al><al>Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het te
                    slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een
                    gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op de
                    sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                    controleren.</al><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10
                    m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om
                    kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens
                    het ontbreken van een omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan: los gestort sloopafval.</al><al>Lid 3</al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.
                    Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de vergunning te
                    verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d. Het vierde lid
                    geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het scheiden en gescheiden
                    houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere detaillering.</al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd
                    in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen
                    bouwwerken</al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8
                    tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige
                    toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt
                    uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen veiligheid op het
                    bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en
                    het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat
                    deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard
                    behoeft datgene wat via deze vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet
                    nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een vergunning. Mede afhankelijk
                    van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe
                    omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van veel
                    belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De veiligheid
                    voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de sfeer van
                    de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie. Een
                    sloopveiligheidsplan wordt verlangd en ingediend bij de aanvraag om een
                    vergunning. De regeling daarvoor staat in hoofdstuk 4 van het Besluit
                    omgevingsrecht in samenhang met artikel 7.2 Regeling omgevingsrecht (en art. 7.1
                    Regeling omgevingsrecht wanneer sprake is van het slopen van een bij
                    gemeentelijke verordening aangewezen beschermd monument of het slopen in een bij
                    gemeentelijke verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht).</al><al>Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de
                    gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij
                    voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de vergunning voorschriften verbonden ter voorkoming
                    van deze strijdigheid.</al><al>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur
                    het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de
                    vergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van gevaarlijk
                    afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer dat alleen
                    mag worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en transporteurs voor
                    het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings- en
                    verwerkingsinrichtingen die beschikken over een vergunning ingevolge de Wet
                    milieubeheer. De voorschriften in de vergunning mogen geen 'gedwongen
                    winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X,
                    terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn.</al><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                    vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en
                    samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in
                    de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest
                    minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al><al>Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest en
                    overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als
                    voorwaarde in de vergunning op te nemen:</al><al>- steenachtig sloopafval, met uitzondering van gips; - bitumineuze en
                    teerhoudende dakbedekking; - met PAKS verontreinigde materialen; - asfalt; -
                    dakgrind; - glas (vlakglas) voor zover een inzamelstructuur beschikbaar is. De
                    opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                    bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel
                    5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                    gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                    sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf.</al><al>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning
                    worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en
                    de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke hoeveelheden en
                    welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en voorts van de
                    in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en
                    verwerkingscapaciteit.</al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                    regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het
                    is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Het is van belang dat voordat een aanvraag om vergunning wordt getoetst de
                    hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten
                    de volgende aspecten worden nagegaan:</al><al>- wat kan worden hergebruikt; - wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie; -
                    kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet; - aan welke kwaliteit dient het
                    herbruikbaar materiaal te voldoen; - wat zijn de acceptatievoorwaarden van
                    bewerkers, verwerkers, sorteerders en inzamelaars. Onderzoek</al><al>Voordat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden
                    ingediend moeten de volgende onderzoeken plaatsvinden:</al><al>- Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                    daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter f); -
                    Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen
                    bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met gevaarlijke
                    afvalstoffen, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke
                    verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de
                    aanvraag om vergunning worden gevoegd (MBV artikel 8.1.2, derde lid); - Indien
                    moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest aanwezig is, moeten
                    overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2, daarover bij het indienen van een
                    aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen gegevens worden ingediend.
                    Op grond van artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een
                    onderzoeksplicht naar de aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat wil
                    zeggen daartoe gecertificeerd bedrijf. Achter in deze toelichting is als bijlage
                    8 van de toelichting opgenomen een Keuzetabel voor de vaststelling van
                    deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van de
                    omgevingsvergunning voor het slopen een handreiking voor een verdergaande
                    scheiding dan normaliter in de voorwaarden van deze omgevingsvergunning
                    verplicht is gesteld om op de slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde
                    houder voor een verdergaande scheiding zowel financiële als milieuhygiënische
                    overwegingen in zijn beschouwing betrekken.</al><al>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten
                    van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten van
                    kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze twee deelstromen
                    inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                    kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene die
                    sloopt een container kan huren waarin de afval geworden kunststofleidingen
                    worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend
                    voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden
                    afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al>Andere inzamelsystemen</al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en
                    die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor
                    hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en voor aluminium.
                    De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en
                    bij de brancheorganisatie.</al><al>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van
                    een aanvraag om vergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De
                    artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met
                    het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn dikwijls nog niet
                    bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                    het slopen. Deze gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het
                    in behandeling nemen.</al><al>In de vergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat uiterlijk
                    ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden de naam
                    en het adres van degene die met de sloopwerkzaamheden is belast worden
                    overgelegd aan het bevoegd gezag of de directeur van het (gemeentelijk)
                    bouwtoezicht.</al><al>Het gebruik van een mobiele puinbreker</al><al>In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening een regeling voor
                    de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers op slooplocaties. Een dergelijke
                    regeling maakt voorschriften ter zake in de gemeentelijke bouwverordening
                    overbodig. In een concreet geval raadplege men de desbetreffende provinciale
                    griffie over de vraag of, en zo ja welke, provinciale voorschriften terzake
                    gelden.</al><al>In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen,
                    blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter
                    zinvol.</al><al>Op verzoek van de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het slopen kan,
                    onder in de vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de
                    sloopplaats het beton en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde
                    mobiele puinbreekinrichting.</al><al>Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ bevat alle voorschriften ten
                    aanzien van mobiele brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf
                    deze datum zijn de in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande
                    voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling
                    treedt in de plaats van de lagere regeling.</al><al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                    toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan
                    een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en sloopafval
                    wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie
                    maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te
                    bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de
                    breker is opgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de vergunning voorschriften worden gesteld. Afhankelijk
                    van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of bepaalde
                    handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval zware
                    eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De tweede
                    zin verplicht het bevoegd gezag een voorschrift in de vergunning op te nemen
                    over het afzonderlijk gereed maken voor de afvoer van het sloopproject van
                    asbest en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. Deze verplichting staat in
                    artikel 10, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 5</al><al>Voor seizoengebonden bouwwerken, welke naar hun aard slechts tijdelijk een plek
                    staan en meestal jaarlijks op dezelfde plek opnieuw worden geplaatst, geldt een
                    andere regeling. Het betreft hier meestal het uit elkaar nemen van het bouwwerk
                    totdat dit opnieuw wordt opgebouwd. Hierbij wordt gedacht aan strandpaviljoens,
                    bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopenAd a en b</al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld
                    in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens het slopen
                    en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is gewaarborgd. Indien
                    ook door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau van veiligheid c.q.
                    bescherming kan worden gewaarborgd, moet de vergunning worden geweigerd. Meestal
                    zal in overleg met de aanvrager - vaak al vóór de indiening van de aanvraag om
                    vergunning - worden gezocht naar een voor de gegeven situatie veilige
                    sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende bescherming van nabijgelegen
                    bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een
                    onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te
                    kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet
                    van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt.</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopenVoordat wordt
                    besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die vergunning te
                    worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de houder aannemelijk
                    kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de werkzaamheden begint, of
                    deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot intrekking nog niet te
                    nemen. De Wabo verhindert niet dat in een verordening, waarbij de
                    vergunningplicht is ingesteld, criteria op te nemen over het intrekken van de
                    vergunning.</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van de omgevingsvergunning voor het
                    slopenArtikel 8.2.1 SloopmeldingAlgemeen</al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit
                    betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een
                    melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1
                    juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van
                    het college van burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking
                    en vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht.
                    Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend bij
                    burgemeester en wethouders. Ingevolge het tweede lid moet worden gebruik gemaakt
                    van de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren.
                    In het achtste lid is bepaald dat aan de mededeling voorschriften kunnen worden
                    verbonden.</al><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                    sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar
                    de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de
                    woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid).</al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan
                    degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf – dus
                    de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit
                    Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van
                    mens en milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen
                    voor de door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze
                    voorschriften gelden dan naast artikel 7 en naast de voorschriften bij de
                    mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit
                    praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften
                    onvoldoende zijn.</al><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden
                    open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten
                    afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal
                    tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het
                    grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het aanbeveling
                    dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een
                    inzamel-structuur creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande wijzen
                    de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al>Lid 1</al><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest verwijdert.
                    Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de bijgebouwen of met de
                    woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de woning ook genoemd het
                    logiesverblijf (recreatiewoning) alsmede de op het daarbij behorende erf staande
                    bijgebouwen.</al><al>Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                    asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is
                    in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een
                    maximum van 35 m2 per kadastraal perceel.</al><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen
                    bij woningen. De begripsbepaling voor woning in het tweede lid van artikel 1 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen oplossing, omdat onduidelijk
                    is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en omdat in de Woningwet het begrip
                    woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit
                    Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in de
                    uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning
                    mede wordt verstaan een een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid
                    van art. 8.2.1 MBV.</al><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje bij
                    een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf
                    van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in
                    het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                    bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                    perceel bedraagt’.</al><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                    letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is – net
                    als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel
                    mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging is
                    bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het
                    onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen
                    die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel
                    van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans
                    bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de model-bouwverordening, de
                    bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen bouwwerken
                    ‘logiesverblijf’ gehandhaafd.</al><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is
                    beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van
                    een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger
                    het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En
                    illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans
                    dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is
                    de burger legaal bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren.</al><al>Op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer toegestaan om
                    anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het verwijderen
                    van:</al><al>- gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met betrekking
                    tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken zodanig complex dat ze
                    voor particulieren niet goed waren na te leven. Minder vergaande voorschriften
                    leiden echter tot een risico op blootstelling aan asbestvezels. - dakleien. Bij
                    het werken met deze leien is het risico van breuk groot. Bij breuk van
                    asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen leidt tot een
                    onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en verontreiniging van het
                    milieu met deze vezels. Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 9</al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende voorschriften'
                    die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                    vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag verwijderen na een
                    melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de voorschriften over
                    het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor
                    grof huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen bij de
                    gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al><al>Lid 10</al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen
                    niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij
                    in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden
                    onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan
                    verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk.</al><al>Lid 11</al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure
                    van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is: Indien de
                    aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen burgemeester en wethouders
                    besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan pas als de aanvrager
                    in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door burgemeester en
                    wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen
                    die termijn kort te houden (één week).</al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                    voor het slopenDit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder een
                    omgevingsvergunning voor het slopen als bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder
                    sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1 mag gebeuren. Deze uitzonderingen
                    hebben geen betrekking op andere regelingen waarin bepaalde sloophandelingen
                    mogelijk aan een vergunning of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of
                    monumentenverordening.</al><al>In gevolge het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is ook het verwijderen van
                    beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen vergunningvrij. Ook
                    wel aangeduid als voegkit.</al><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a,
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 bedoelde waterleidingbuizen, gasleidingbuizen,
                    rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor zover zij deel uitmaken van het
                    ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-,
                    water-, riool- en mantelbuizen in bouwwerken moet wel plaatsvinden door een
                    deskundig asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen van deze buizen die
                    zich in (of in de kruipruimte van) een bouwwerk bevinden is geen sprake van
                    routinematig verwijderen met een beheersbaar risico.</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopenArtikel 8.3.1 Veiligheid op het
                    sloopterreinZie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel
                    8.1.1.</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheidenDeze eis is
                    nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de aanwezigheid van de
                    vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                    last onder dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die de werkzaamheden
                    verricht - in de regel een ander dan de houder van de vergunning - geacht worden
                    de voorwaarden te kennen.</al><al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de omgevingsvergunning voor
                    het slopen, indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze
                    vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</al><al>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 AsbestDe artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben
                    betrekking op het slopen van asbest. De betekenis van de artikelen kan als volgt
                    worden onderscheiden. Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van de
                    omgevingsvergunning voor het slopen. Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen dat
                    vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze situatie kan zich
                    voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor alle
                    situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                    omgevingsvergunning voor het slopen als op grond van een mededeling naar
                    aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste bestaande
                    technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit artikel echter
                    niet voor het slopen op grond van een mededeling.</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                    slopenDe leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10,
                    letters k, l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden
                    bevatten verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het
                    slopen.</al><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                    slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                    asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                    Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat
                    op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                    bouwverordening.</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die slooptLid 1</al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                    aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                    asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop gerichte
                    vergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die moet
                    er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt.</al><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen van
                    de sloopwerkzaamheden door toepassing van bestuursdwang.</al><al>Lid 2</al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot
                    tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk.</al><al>Indien het bevoegd gezag de ontvangst van een melding van de voltooiing van een
                    sloopwerk bevestigt, bijv. door de melding af te stempelen en van de
                    ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling die
                    niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt
                    daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en
                    het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbestArtikel 7 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften voor de wijze van
                    slopen, verpakken en opslaan van asbest voorzover dit gebeurt anders dan in de
                    uitoefening van een beroep of bedrijf.</al><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden
                    regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende
                    certificering.</al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                    handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                    bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                    regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM tot nog toe geen gebruik
                    gemaakt.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van
                    asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister
                    op grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                    vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopenArtikel 8.4.1 Sloopafval algemeenZoals hiervoor bij
                    artikel 8.1.1 toegelicht, zijn er redenen om de plicht tot het hebben van een
                    vergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3 sloopafval. Dit betekent
                    niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3 bedraagt, niet gescheiden zou
                    behoeven te worden.</al><al>De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard
                    voor zover die stoffen daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde
                    stoffen die niet mogen worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is
                    asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder
                    melding mag worden verwijderd.</al><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien.
                    De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10
                    m3, uitsluitend repressief plaats.</al><al>Transponeringstabel artikelen Asbestverwijderingsbesluit 2005 en MBV incl. 11e
                    serie wijzigingen</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 MBV inclusief 11e serie wijzigingen Art. 3 H 8,
                    Toelichting Algemeen Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit Art. 4, lid 1,
                    sub a 8.1.2, lid 3, sub c Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c Art. 4, lid
                    2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e Art. 4, lid 3, sub a, b en c
                    8.2.1, lid 1, sub a en b Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen Art. 6 1.1
                    (Begripsbepaling) Art. 7 H. 8 Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed
                    Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2 Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet Art.
                    10, letter a 8.1.1 Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c Art. 10, letter c 8.2.1
                    Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7 Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8 Art. 10, letter f
                    8.2.1, lid 9 Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8 Art. 10, letter h 8.1.2, lid 12 Art.
                    10, letter i 8.1.4, lid 2 Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4 Art. 10, letters k, l,
                    m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4 Art. 11 12.1, lid 1 en 2</al><al>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezichtAlgemeen</al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al>Welstandscriteria en welstandsnota</al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al>Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet omschreven
                    als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft
                    uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25
                    april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari
                    2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke
                    ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een
                    bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissieOnder het regime van de
                    Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een welstandsnota is
                    vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder
                    redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het bevoegd gezag
                    beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2.</al><al>Alternatief 1</al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                    diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                    hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te
                    worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen
                    voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd. De
                    welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Alternatief 2</al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die adviseert
                    over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissieOnafhankelijkheid</al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten.</al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al>Alternatief 1</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                    geen lid van de welstandscommissie.</al><al>Alternatief 2</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar, maar
                    minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners
                    deelnemen.</al><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                    welstandscommissie.</al><al>Alternatief 3</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik wordt
                    gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al>Alternatief 4</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat uit
                    elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een provinciale
                    welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al>Alternatief 5</al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om een
                    stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt in de MBV.</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduurHet vierde lid van artikel 12b van de
                    Woningwet beperkt de zittingsduur van de leden van de welstandscommissie tot ten
                    hoogste drie jaar met een eenmalige mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens
                    maximaal drie jaar in de commissie die in de desbetreffende gemeente werkzaam
                    is. Daarmee wordt beoogd de doorstroming van de leden van de welstandscommissie
                    te bevorderen. Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking
                    van de zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissies in
                    gevaar kan brengen.</al><al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure voor
                    (deskundige) leden op te nemen in de MBV. Een reglement van orde dat als bijlage
                    9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en toegesneden is op de
                    lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk reglement van orde
                    lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te regelen om in geval
                    van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven welstandsadviezen
                    zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te kunnen tonen.</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoordingJaarverslag welstandscommissie</al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota
                    als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                    welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al>- op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                    welstandsadviezen; - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid
                    van vergaderen; - in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit
                    hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                    dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als
                    bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan
                    zijn overgegaan. Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen
                    jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                    wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al><al>Artikel 9.5 Termijn van adviseringDe termijnen voor de behandeling van
                    bouwplannen ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor het bouwen staan in
                    de Wabo. Deze termijnen zijn beduidend korter dan voorheen in de Woningwet.
                    Hierdoor ontstaat voor de welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel
                    is de advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een
                    verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo
                    de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                    voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst
                    van verzoek om vergunning.</al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                    waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichtingOpenbaar
                    vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat nu voor de
                    welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de Woningwet. De
                    wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid.
                    Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op
                    artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden
                    aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te
                    weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaatIn de praktijk kan, gelet op de korte
                    beslistermijnen, behoefte bestaan aan mandaat.</al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                    betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen onder
                    mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met name
                    in geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine
                    bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen
                    door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per
                    bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebrachtLid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de
                    Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij
                    positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft.
                    Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerkenIndien de raad een
                    gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van welstandstoezicht, stelt de raad
                    alternatief 3 of alternatief 4 van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is
                    aangeduid op de kaartbijlage als bedoeld in artikel 1.3 MBV.</al><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingenArtikel 10.6 Herziening en
                    vervanging van aangewezen normen en andere voorschriftenHet onderhavige artikel
                    heeft betrekking op de door het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI)
                    uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en praktijkrichtlijnen
                    (NPR's).</al><al>Hoofdstuk 11 HandhavingAlgemeen</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2003 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in
                    strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of
                    ander bouwwerk weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden
                    gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen
                    kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb
                    de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32,
                    vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24, vijfde lid Awb. Het
                    direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is
                    er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang
                    toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten
                    worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                    uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003,
                    893).</al><al>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingenAlgemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten.</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                    terreinenDe artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor
                    bestaande situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen
                    voldoen en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe
                    situaties - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                    voorschriften - lijkt de eis wel redelijk.</al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de
                    nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                    vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                    vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om
                    te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen
                    van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al><al>BijlagenBijlage 1 Toelichting verordeningFiguren 1 t/m 19, behorende bij de
                    stedenbouwkundige bepalingenFiguren 1 tm 19, bij stedenbouwkundige
                    bepalingen.pdf (versie geldig sinds: 04-05-2010; PDF-bestand; grootte: 326.57
                    KB)</al><al>Bijlage 5 Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingenActiviteit
                    samenhangende met sloopproject Sloopmethode Bedreiging Beulen (slopen met behulp
                    van slingeren, zwaaien, vallen van bal) – onvoldoende afstand tot gebouwen –
                    stof bij instorten – overmatige trillingen – ongecontroleerd instorten –
                    ongecontroleerd instorten Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op
                    lengterichting met als gevolg breuk) – stof bij instorten – wegspatten
                    dommekracht (hefboom) – ongecontroleerd instorten Expanderen (sloopmethode die
                    gebruik maakt van bepaalde stoffen die een aanzienlijke volumevergroting
                    vertonen; o.a. explosieven.) – rondvliegend puin – opslag e.d. – trillingen –
                    verzakkingen Afhijsen (knijpen) – vallend materiaal/onvoldoende afstand –
                    omvallen kraan/maximum hijslast – afbreken hijslast Trekken (uitoefen kracht in
                    de lengterichting) – kantelen trekapparatuur – stapelen palen Overige methoden:
                    Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al dan niet met behulp van
                    werktuigen. Hierbij kan indien het bouwhek niet vergenoeg staat puin,
                    gereedschap e.d. Buiten het sloopterrein vallen. Materieel (bouwkranen, mobiele
                    puinbrekers) - aan- en afvoer - op- en afbouw - afbreken hijslast of delen
                    daarvan - omvallen kraan - overschrijden max. wegbelasting Sloopobject -
                    omvallen bouwdelen - wegspattend/vallend puin en gereedschap - verontreinigd
                    sloopmateriaal Activiteit samenhangende met sloopproject Bedreiging Sloopterrein
                    - afkalven, instorten bouwputten - opslag van materialen en materieel -
                    onvoldoende afgrenzing Bouwputten en -sleuven - instorten/afkalven bouwputten en
                    sleuven - onjuiste bemaling Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen
                    Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen arbeidsinspectie en APV's</al><al>Bijlage 6 Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve
                    van de opsteller van het sloopveiligheidsplanBedreigde functies en objecten
                    Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en object- gericht) Aanbevelingen Belendingen
                    Bouwkundige staat – constructief scheiden Overleg met eigenaar/beheerder - - –
                    trillingsarm slopen belending (in extremo: met de hand) - - - –
                    stutten/stempelen bouwputten- en sleuven - - - – gecontroleerd bemalen - - - –
                    voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en funderingen - - Gebruikers
                    – trillingsarm slopen Voorlichten gebruikers - - – stofarm slopen - - - – slopen
                    op bepaalde dagen/tijden - - - – in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen
                    - - - – rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal, zoals asbest - -
                    Gebruiksfuncties – vrijhouden / toegankelijk houden van belendende gebouwen
                    Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan verkeerscirculatieplan - - –
                    aangepaste werktijden - Gedeeltelijk te slopen objecten Bouwkundige staat
                    resterende constructie – toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                    betreft veiligheid Zie ook bouwkundige staat belendingen Getoetst dient te
                    worden aan de regelgeving met betrekking tot veiligheid, gezondheid en
                    bruikbaarheid voor bestaande situaties. Voor mogelijke maatregelen en
                    aanbevelingen zie ’belendingen’ - Gebruikers resterende constructie – toetsen
                    aan Bouw besluit en Bouwverordening wat betreft veiligheid en gezondheid Zie ook
                    gebruikers belendingen. - - Gebruiksfuncties resterende constructie (school,
                    ziekenhuis, e.d.) – toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat betreft
                    bruikbaarheid Zie ook gebruiksfuncties belendingen - Infrastructuur Kabels,
                    leidingen en rioleringen – aangepaste sloopmethode Regelen in vooroverleg met
                    betreffende nutsbedrijven - - – stutten - - - – beschermen - - - – (afdekken) -
                    - - – afsluiten - - - – omleggen - - - – hijsplan bij grote hijsklussen - -
                    Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.) – beschermen - - - – afsluiten - - - –
                    verwijderen - - Wegen, bruggen, viaducten, e.d. – afdekken (schotten, rijplaten,
                    zand) Overleg met verantwoordelijke instanties - - – aangepaste sloop methode -
                    - Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken e.d.) - Overleg met
                    verantwoordelijke instanties - Overig (tunnels e.d.) - Regelen in vooroverleg
                    met verantwoordelijke instantie Verkeerssituatie Voetgangers en fietsers –
                    afdoende afgrenzen sloopterrein Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan
                    Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en gemeentediensten - -
                    – uitstekers (valschermen) - - - – voetgangerstunnels - - - – afzetten
                    weggedeelte met hekwerk - - - – (tijdelijk) afzetten van de gehele weg - -
                    Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto’s) – afdoende afgrenzen sloopterrein
                    Bij complexe situaties: - - – vrijhouden en waarbor gen veiligheid boven
                    leidingen trams en trolleys Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                    instanties en gemeentediensten - - – uitstekers - - - – afzetten weg
                    verkeerscirculatieplan - - Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto’s e.d. –
                    vrijhouden weg Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan - - – aangepaste
                    sloop methode Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                    gemeentediensten - - – beperken overige verkeersstroom - - Spoorwegen Regelen in
                    vooroverleg met NS - - Scheepvaart Regelen in vooroverleg met waterbeheerder
                    (RWS, provincie, waterschap, gemeente) - Bijzondere omstandigheden Veel
                    omstanders – aanbrengen extra veiligheidsvoorzieningen Vooraf informeren
                    omwonenden - - – afzetten wegen Bij grote manifestaties overleg met gemeente -
                    Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d) – afzetten weg Overleg met
                    deskundige instanties - - – ontruimen belendende percelen - - Vandalen en
                    daklozen – extra afscheiding - - - – verscherpt toezicht -</al><al>Bijlage 7 Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplanVoorbeeld
                    inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>1. Naam en correspondentieadres van de aannemer 2. Ligging van het te slopen
                    perceel 3. Doel en opzet sloopveiligheidsplan 4. Beschrijving werkzaamheden 5.
                    Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en hulp- en
                    beveiligingsmiddelen 6. Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met
                    betrekking tot externe veiligheid 7. Betrokken instanties 8. Dagindeling
                    werkzaamheden 9. Instructies aan werknemers 10. Instructies/voorlichting
                    omwonenden 11. Voorgenomen veiligheidsmaatregelen 12. Uitvoering toezicht op
                    maatregelen 13. Logboek Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><al>a. belangrijke telefoonnummers b. tekening waarop staat aangegeven: - de
                    situering van het sloopobject; - de plaats van de bouwkranen; - de aan- en
                    afvoerwegen; - de laad-, los- en hijszones; - de plaats van de bouwketen; - de
                    situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende wegen, bouwwerken
                    e.d.; - de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het
                    laden en lossen daaronder begrepen, plaatsvinden; - de in of op de bodem van het
                    bouwperceel aanwezige leidingen; - de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal
                    van deze tekening mag niet kleiner zijn dan 1:1.000. (indien nodig bij
                    detailleringen niet kleiner dan 1:100). c. controlelijst ten behoeve van externe
                    veiligheid op de werken d. transportroutes afkomende materialen</al><al>Bijlage 8 Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloopniveau
                    Iminimumscheiding niveau I-plusminimumscheiding niveau II niveau
                    IIImaximumscheiding gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                    verontreinigde afvalstromen) gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                    chemisch verontreinigde afvalstromen olieproducten overig gevaarlijk afval
                    afgewerkte oliebrandstofrestanten batterijen accu's schoorsteenkanalen
                    rookkanalen overig chemisch belast puin verontreinigde leidingen oliehoudende
                    elementen coatings, kitten bitumineuze materialen zeefzand tl-buizen/starters
                    halogeen lampen niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL asbest en
                    asbesthoudende afvalstromen asbest en asbesthoudende afvalstromen
                    asbestproductengolfplaat spouwbladenbrandwerende
                    platenisolatiemateriaalproducten niet elders genoemd met asbest en asbeststof
                    verontreinigd sloopafval met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval
                    metalen metalen ferro constructiebalken e.d. metalen trappen e.d. betonijzer
                    schroot tanks, silo's ferro niet elders genoemd non ferro aluminium (kozijnen,
                    instructies) lood (buis, slabben) zink (regenpijp, dakgoot)koperbuis non ferro
                    niet elders genoemd elektriciteitskabels kabels 220 V kabels &gt; 220 V
                    steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin steenachtig afval i.c.
                    betonpuin en baksteenpuin beton gewapend beton schuimbeton gasbeton
                    staalvezelbeton hoge sterkte betonbetonproducten beton niet elders genoemd
                    metselwerk metselwerkpuin metselmortel kalkzandsteen metselwerkpuin bouwblokken
                    dakpannen/bedekking (beton, keramiek, leisteen) intacte dakpannen gebroken
                    dakpannen dakleien keramiek wandtegels plavuizen sanitair gipshoudende elementen
                    gipsplaat stucwerk anhydriet vloeren gipsvezelplaat gipshoudende elementen
                    asfalt asfaltbeton asfaltpuin freesafval steenwol steenwol steenwol glaswol
                    glaswol glaswol massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                    herbruikbaar) massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct herbruikbaar)
                    massief hout (direct herbruikbaar) balken vloerdelen trapelementen dakbeschot
                    regels/tengels pallets schoon hout niet elders genoemd geverfd/gelakt hout
                    gevelelementen kozijnen deuren parketvloeren geverfd/gelakt hout niet elders
                    genoemd verlijmd hout (plaatmateriaal) spaanplaat multiplex hardboard vezelplaat
                    houtwolcementplaat bekistingmateriaal vloerplaat plaatmateriaal niet elders
                    genoemd geïimpregneerd hout tuinhout bielzen geïmpregneerd hout niet elders
                    genoemd overig afval kunststof gevelelementen kunststof gevelelementen kunststof
                    gevelelementen PVC- en PE-leidingen PVC leidingsystemen (riolering, afvoer) PP
                    en PE leidingsystemen (riolering, afvoer) dakfolies wandfolies vlak glas vlak
                    glas vlak glas draadglas spiegelglas dubbelglas HR- en LE-glas papier en karton
                    papier en karton papier karton overig afval LDPE/HDPE dakfolies wandfolies
                    leidingsystemen XPS/EPS vloerisolatie dakisolatie wandisolatie PUR
                    isolatieplaten PUR-producten niet elders genoemd overige kunststoffen gemengd
                    EPDM overige kunststoffen gemengd cellulose isolaties cellulose isolaties
                    textiel gordijnen vloerbedekking door vuil voor hergebruik ongeschikte
                    materialen folies met aanhangend papier/karton met aanhangend vuil textiel met
                    aanhangend vuilglas met kitresten composiet-materialen beton met
                    PS-platensandwichtpanelenmetselwerk met stucwerk beton met stucwerk
                    thermohardende kunststoffen meterkasten deurknoppen overig afval overig
                    afval</al><al>Toelichting tabel</al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus staan
                    voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                    minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                    minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                    respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de vaststelling
                    van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht wordt
                    verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De verschillende
                    categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden onderscheiden, kunnen niet
                    worden opgevat als definitieve oplossingen met betrekking tot scheiden.</al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                    hulpmiddel.</al><al>- Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste afvalstromen: Op het
                    gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen van
                    toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare componenten uit het
                    gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze gescheiden worden op niveau III.
                    - Asbest en asbesthoudende afvalstromen Het scheiden van asbestproducten tot op
                    niveau III is niet zinvol. Volstaan kan worden met het apart houden van asbest
                    en asbesthoudende producten in één afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden
                    gestort. - Overige afvalstromen Het scheiden van de diverse componenten is
                    alleen zinvol indien hiermee een afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking
                    komt voor hergebruik en waarvoor inzamel- en verwerkings- of
                    bewerkingscapaciteit bestaan. Voor sommige componenten betekent dit dat
                    gescheiden dient te worden tot niveau III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten,
                    steenachtige isolatiematerialen, dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon
                    hout). Voor andere componenten kan ook worden volstaan met scheiding op niveau
                    II (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout,
                    papier en karton, textiel, kabels). - Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q.
                    chemisch verontreinigde) afvalstromen In verband met het stortverbod voor bouw-
                    en sloopafval, moet ook deze categorie worden beschouwd als overig afval en
                    worden afgevoerd naar de sorteerinrichting.</al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen van de
                    mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de sloopvergunning.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze regionaal
                    of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                    voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                    regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                    tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                    onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                    aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond.</al><al>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbestProduct Mogelijk toegepast
                    in Mate waarin het is toegepast Uiterlijk Asbestcement, vlakke plaat Gevels,
                    dakbeschot, rondom schoorstenen Vaak Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan
                    een kant ‘wafelstructuur' Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating
                    Decoratieve buitengevels, galerij Vrij algemeen in flats Als vlakke plaat maar
                    met aan een kant gekleurde geëmailleerde of gespoten coating Asbestcement,
                    schoorsteen of luchtkanaal Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen Vaak
                    Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat Asbestcement, bloembak Zowel
                    buiten als binnen, balkons Vaak In diverse vormen, verder als vlakke plaat,
                    meestal dunner dan betonnen bak Asbestcement, golfplaat Daken van schuren en
                    garages Vaak Als golfplaat, in diverse dikten Asbestcement met cellulosevezels
                    (asbestboard) Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen, inpandige
                    kasten Soms Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard Asbestcement, dakleien
                    Imitatieleien In Nederland weinig toegepast Vlakke plaatjes, aan één zijde
                    gecoat Asbestcement, standleidingen Afvoer toilet Vaak Als luchtkanaal, maar
                    dikker Asbestcement, imitatiemarmer Vensterbanken en schoorsteenmantels Soms Als
                    marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels zichtbaar Harde asbesthoudende
                    vinyltegels Toiletten, keukens Soms, meestal bij de bouw gelegd Harde tegel met
                    meestal een wit gevlamd motief</al><al>Toelichting tabel</al><al>Herkennen van asbest</al><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of
                    een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                    waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                    overzicht is niet volledig.</al><al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond
                    zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden
                    gegeven:</al><al>- Asbesthoudende vinylvloertegels</al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                    asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                    Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten en
                    keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een wit
                    'gevlamde' decoratie.</al><al>- Asbesthoudende vinylvloerbedekking</al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                    gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag zit
                    asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                    lichtbeige en soms lichtgroen.</al><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking van
                    textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een doffe,
                    zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen met een
                    harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum;
                    buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel zeil met een
                    onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim).</al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop van
                    asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                    losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                    cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                    gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de
                    onderzijde van de plaat. </al><al>JurisprudentieJG 10.0040JG 10.0047 </al></nota-toelichting><bijlage><al>Inhoudsopgave</al><al>1 Inleidende bepalingen </al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 1.2 Termijnen </al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente </al><al>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen </al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning </al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens </al><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden </al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                    vergunningaanvragen </al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </al><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                    bouwvergunning </al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                    woonwagens en standplaatsen </al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning </al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag </al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening </al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen </al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening </al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek </al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning </al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen) </al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen </al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen </al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige bepalingen </al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling </al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. </al><al>Brandblusvoorzieningen </al><al>Artikel 2.5.3A Brandweeringang </al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding
                    van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg </al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. </al><al>Afschuining van straathoeken </al><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen </al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen </al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen </al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen </al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen </al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen </al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid </al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen </al><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties </al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties </al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties </al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteraanduidingen </al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid </al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten </al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet </al><al>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                    voor verwarming </al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                    terreinen </al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                    net van de nutsvoorzieningen </al><al>3 De melding </al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden </al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria </al><al>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een
                    bouwwerk </al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                    staking van bouwwerkzaamheden </al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden </al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen) </al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw </al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden </al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen </al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten </al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein </al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein </al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder </al><al>Artikel 4.11 Bouwafval </al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden </al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen </al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming </al><al>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het
                    weren van schadelijk en hinderlijk gedierte </al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen </al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                    Brandblusvoorzieningen </al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet
                    zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                    kantoorgebouwen </al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van
                    bijzondere aard </al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven
                    en logiesgebouwen </al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in kantoorgebouwen </al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet </al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                    terreinen </al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                    net van de nutsvoorzieningen </al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. </al><al>Reinheid </al><al>Artikel 5.4.1 Preventie </al><al>6 Brandveilig gebruik </al><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning </al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk </al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning </al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen </al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing </al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning </al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning </al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar
                </al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken </al><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke
                    stoffen </al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen </al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden
                    van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand </al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed
                    houden van bluswaterwinplaatsen </al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen
                </al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met brandveiligheid </al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in
                    verband met de brandveiligheid </al><al>7 Overige gebruiksbepalingen </al><al>Paragraaf 1
                    Overbevolking </al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen </al><al>Artikel 7.1.2
                    Overbevolking van woonwagens </al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik </al><al>Artikel 7.2.1
                    Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid </al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens
                    gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Artikel </al><al>7.2.3 Staken van het gebruik
                    van een woonwagen </al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
                </al><al>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf </al><al>Artikel 7.3.2 Hinder Paragraaf 4
                    Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. </al><al>Reinheid </al><al>Artikel 7.4.1
                    Preventie </al><al>Paragraaf 5 Watergebruik </al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water
                </al><al>Paragraaf 6 Installaties </al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties </al><al>8
                    Slopen </al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Artikel 8.1.1
                    Omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
                </al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen </al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing </al><al>Artikel
                    8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen </al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning
                    voor het slopen </al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
                </al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het
                    slopen </al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding </al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het
                    vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen
                    tijdens het slopen </al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein </al><al>Artikel 8.3.2 Op het
                    sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden </al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder
                    van de omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die
                    sloopt </al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest </al><al>Artikel
                    8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen </al><al>Paragraaf 4 Vrij
                    slopen </al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen </al><al>Artikel 9.1 De advisering door de
                    welstandscommissie </al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie </al><al>Artikel
                    9.3 Benoeming en zittingsduur </al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording </al><al>Artikel 9.5
                    Termijn van advisering </al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting </al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat </al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies
                    wordt uitgebracht </al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
                </al><al>10 Overige administratieve bepalingen </al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning
                </al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen </al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen
                </al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling </al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar
                    verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen
                </al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften </al><al>11 Handhaving </al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw </al><al>Artikel 11.2
                    Overtreding van het verbod tot ingebruikneming </al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het
                    slopen </al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek </al><al>12 Straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen </al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten </al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling
                    bodemonderzoek </al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                    open erven en terreinen </al><al>Artikel 12.4 </al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
                </al><al>Artikel 12.6 Slotbepaling </al><al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag
                    bouwvergunning </al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende
                    bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)
                </al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen) </al><al>Artikel 3
                    Funderingsplan (vervallen) </al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens
                    (vervallen) </al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen) </al><al>Artikel 6 Eisen ten
                    aanzien van tekeningen (vervallen) </al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen
                    (vervallen) </al><al>Bijlagen 2 t/m 6 </al><al>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en
                    hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen </al><al>Bijlage 8 </al><al>Bijlage 9
                    Reglement van orde van de welstandscommissie Toelichting</al></bijlage></regeling></body></cvdr>