<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR79595_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Graafsche Courant, 7 mei 2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.nl">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-05-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Het betreft een opnieuw vastgestelde gewijzigde regeling (11e en 12e wijziging)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de bouwverordening uit 2005.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:- asbest: hetgeen daaronder
                                wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005;- Besluit indieningsvereisten: het
                                Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als bedoeld in
                                artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de
                                Woningwet;- Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                                licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43,
                                eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet;-
                                bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                artikel 2 van de Woningwet;- bouwtoezicht: degenen, die ingevolge
                                artikel 100a, eerste lid, van de Woningwet belast zijn met het bouw-
                                en woningtoezicht;- bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om
                                ter plaatse te functioneren;- deskundig bedrijf als bedoeld in
                                hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste
                                lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;- gebruiksoppervlakte:
                                de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;- hoogte van
                                de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester
                                en wethouders is vastgesteld;- NEN: een door de Stichting Nederlands
                                Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;- NVN: een door de Stichting
                                Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;-
                                straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                        grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang; </al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li></lijst><al>- weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                                wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en
                                duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten,
                                alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                parkeerterreinen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:- bouwwerk: een
                                gedeelte van een bouwwerk;- gebouw: een gedeelte van een
                                gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>toelichting A1.2(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag bouwvergunning</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>toelichting A2.1.1(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>toelichting A2.1.2(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>toelichting A2.1.3(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>toelichting A2.1.4(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>toelichting A2.1.5Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid
                                    als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat
                                    uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek
                                            verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999,
                                            waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                                            onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de
                                            resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                            protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU,
                                            uitgave oktober 1993);</al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                            het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994)
                                            of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave
                                            1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend
                                            onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                            bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst
                                            van deze verontreiniging een nader onderzoek, als
                                            bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                            uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                            (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem
                                            aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze
                                            als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 1.2.6, onderdeel e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>alle op de grond staande aan- of uitbouwen aan een
                                            bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt
                                            tot vergroting van het woongenot, met dien verstande
                                            dat:I. van het bouwwerk de bruto-oppervlakte minder is
                                            dan 50 m2.</al></li><li nr="b."><al>alle op de grond staande bijgebouwen van één
                                            bouwlaag of een op de grond staandeoverkapping van
                                            één bouwlaag bij een bestaande woning of
                                            bestaand woongebouw, met dien verstande dat:I. van het
                                            bouwwerk de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend
                                            terrein, minder is dan 5 m;II. van het bouwwerk de
                                            bruto-oppervlakte minder is dan 50 m2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.6, onderdeel e van
                                    de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouder kunnen gedeeltelijk ontheffing
                                    verlenen van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.6, onderdeel e van
                                    de Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk
                                    met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel
                                    45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het NVN 5725,
                                    uitgave 1999, bedoeld vooronderzoek naar het historisch gebruik
                                    en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is
                                    danwel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek
                                    volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>toelichting A2.1.6(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al>toelichting A2.1.7(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>toelichting A2.1.8(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>toelichting A2.2.1(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al>toelichting A2.2.2(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>toelichting A2.2.3(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel></kop><al>toelichting A2.2.4(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al>toelichting A2.2.5(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                                aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het
                                        bouwwerk;</al></li><li nr="c."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                        wordt;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de
                                        Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is
                                        vereist; en1. dat de grond raakt, of2. waarvan het
                                        bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                        gehandhaafd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van artikel 1.2.6 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen
                                burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd
                                    is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                    terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                    ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor
                                    lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het
                                    gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de
                                    brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                    brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in
                                    overleg met de brandweer is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de
                                        weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:1. ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                        funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;2.
                                        stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 moverschrijden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het
                                    bepaalde in het tweede lid - ontheffing verlenen van het verbod
                                    tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het
                                            Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op
                                            een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                    verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de
                                    hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                                    breedte ter weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte
                                    van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de
                                    veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar
                                    komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        eerste lid, onder h, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard
                                        en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                            ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                                    het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                    toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van
                                        het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:1. ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                        funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;2.
                                        terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        e en f, van het Besluit bouwwerken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één
                                        van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2,
                                        onder b, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen,
                                        bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn
                                            dat ten minste een strook grond omvat die:</al></li><li nr="b."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="c."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:1. een gunstige, andere
                                            indeling van het erf is aanwezig;2. het gebouw zal zijn
                                            gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                            liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                            openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                            weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan
                                            één van die zijden mag worden bebouwd en
                                            tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                            gebracht;3. bij het vergroten van een gebouw dat niet
                                            aan de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                            woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                            bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het
                                            verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                    aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                    ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden
                                    erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                                    rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                    gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                    artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                                    van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen
                                            de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstandtussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan
                                    de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                    verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen
                                    2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het
                                    horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                    bedragen dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                    omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                        onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        k, van het Besluit bouwwerken, en indien:1. de bestaande
                                        belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en
                                        de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;2.
                                        bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                    ruimtelijk beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van
                                    de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester
                                    en wethouders worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                            Bro;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid
                                            van de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al></li><li nr="c."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                            voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien
                                    verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                            schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                            inbrengen;</al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                            wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                            bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen
                                            verdagen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                    ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk
                                    kan worden ontdekt en gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage
                                    10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie waarvan:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op
                                            een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                            aangegeven waarde boven het meetniveau als bedoeld in
                                            het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in
                                            tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                            aangegeven grenswaarde;</al></li><li nr="c."><al>het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer
                                            bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                            verordening aangegeven grenswaarde; is voorzien van een
                                            brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave
                                            1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.</al></li><li nr="d."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer
                                            bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn
                                            aangegeven;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                    woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts
                                    in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte
                                    waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit
                                    de betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden
                                    geblokkeerd, voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met
                                    ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer
                                    van de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>de loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte
                                            en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden
                                            gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter;</al></li><li nr="b."><al>het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte
                                            waardoor slechts in één richting kan worden
                                            gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen
                                            verblijfsruimten is groter dan 200 m2;</al></li><li nr="c."><al>het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de
                                            betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van kinderopvang dient een brandmeldinstallatie met
                                    volledige dekking in het bouwwerk aanwezig te zijn, als:</al><lijst><li nr="a."><al>de totale gebruiksoppervlakte groter is dan 500 m2,
                                            of;</al></li><li nr="b."><al>de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen
                                            hoger dan 2 meter boven het meetniveau als bedoeld in
                                            het Bouwbesluit, of;</al></li><li nr="c."><al>kinderen in de leeftijdcategorie van 0 tot 6 jaar
                                            slapend aanwezig zijn in het gebouw.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van kinderopvang met een totale gebruiksoppervlakte van
                                    250 tot 500 m2 én niet sprake is van een omstandigheid zoals
                                    vermeld in lid 3 onder a tot en met c, dient het pand te worden
                                    voorzien van een gedeeltelijke brandmelding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als
                                    bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002,
                                    is uitgevoerd als:</al><lijst><li nr="a."><al>niet-automatische bewaking; of</al></li><li nr="b."><al>gedeeltelijke bewaking; of</al></li><li nr="c."><al>volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening, of</al></li><li nr="d."><al>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende
                                            vluchtroutes en risicoruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2 lid 1, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535,
                                    uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig
                                    een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma
                                    van eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN
                                    2535/A1 uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie, welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2
                                    rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de
                                    brandweer, is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in
                                    de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                    Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel
                                    een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders
                                    erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling
                                    in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als
                                    bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties
                                    2002.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                    alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit
                                    het bouwwerk kunnen vluchten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage
                                    11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien
                                    van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2,
                                    tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende
                                    verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                    ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN
                                    2575, uitgave 2004.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                    ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd
                                    overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders
                                    aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van
                                    vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk
                                    kunnen vluchten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage
                                    12 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van
                                    deze verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als
                                    bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                    vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088,
                                    uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                    herkenbaar aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor
                                    wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2
                                    tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                    gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval
                                    van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding
                                    aanwezig is, zijn de artikelen 2.6.9, tweede lid, en 2.6.10 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het
                                goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een
                                calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het
                                publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die
                                mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat
                                bouwwerk mogelijk maakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                            dit lid op woningen voor bejaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op het
                                            stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet
                                    van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                    openbare riolering aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats en op welke hoogte de voor het maken van
                                            de aansluiting noodzakelijke leiding de gevel van het
                                            gebouw, dan wel de grens van het erf of terrein moet
                                            kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval
                                            de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                                            het openbaar riool te lozen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                    is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            zonder waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder
                                            overstort, een gierput of een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                            faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                            moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water,
                                            bodem en lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                            faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater moeten:</al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden; en</al></li><li nr="b."><al>zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte
                                            opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende
                                            capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte
                                            van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid
                                            ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van
                                            de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen:</al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                            lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                            bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan
                                            wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                            hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                            afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten
                                            aan een rottingput.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                    bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is
                                    gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="b."><al>andere vergunningen en ontheffingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>de aanschrijving ingevolge de Woningwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            - onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde -
                            niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders
                            voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning - ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouw-besluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitingen van de
                                        riolering, en van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door
                                        wanden en vloeren beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van
                                        de thermische isolatie in andere besloten constructies;moet
                                        het bouwtoezicht onmiddellijk na voltooiing van de onder a
                                        en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende
                                werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten
                                behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>toelichting A4.14(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar
                                    wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                    gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12
                                van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen,
                                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    kantoorgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.Niet
                                        van toepassing is voorgaande eis op:a. woningen voor
                                        bejaarden;b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer
                                        dan 500 m2;c. woningen die niet worden verhuurd;d. woningen
                                        met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                        met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                        zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput
                                        zonder overstort, een doeltreffende gierput of een
                                        doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn,
                                        alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die
                                        toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                        wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water,
                                        bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten
                                        van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen
                                        verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                    gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk
                                    in gebruik te hebben of te houden, waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn,
                                            anders dan in een één- of meergezinshuis;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk
                                            gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft.</al></li><li nr="d."><al>aan meer dan vijf personen huisvesting zal worden
                                            verschaft middels bedrijfsmatige, kamergewijze verhuur
                                            van een woning;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                    slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                                    gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                    overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                    van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                    formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en
                                    bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid
                                    genoemde bijlage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in tweevoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend
                                    dan wel worden gewaarmerkt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                    bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de
                                    daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand
                                    duidelijk blijken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde
                                eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en
                                4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en
                                wethouders de aanvrager in de gelegenheid om binnen vier weken de
                                door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                                    gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten
                                    hoogste zes weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en
                                            zij over die vergunning nog niet hebben beslist;</al></li><li nr="b."><al>voor hetzelfde bouwwerk een aanschrijving is vereist
                                            wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit,
                                            als bedoeld in een der artikelen 14, 17, of 18 van de
                                            Woningwet, en deze binnen de in het eerste lid vermelde
                                            termijn is verzonden, doch aan die aanschrijving nog
                                            niet is voldaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat
                                    is beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder
                                    letter a van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan de
                                    aanschrijving als bedoeld onder letter b van het derde lid en
                                    burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                volgende omstandigheden zich voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het
                                        bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet
                                        geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en door het
                                        stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig
                                        gebruik worden bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de bouwvergunning is geweigerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning
                                    intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste
                                            of onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
                                            voldaan aan een voorwaarde van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26
                                            weken na het onherroepelijk worden van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                            langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                            vereist op grond van een verandering van de inzichten
                                            en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten
                                            het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de
                                            vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen
                                            of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te
                                            beschermen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig
                                zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor
                                de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                    bouwwerk, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                                    ruimten in woonfuncties, in combinatie met permanente
                                    aanwezigheid van personeel en begeleiding van bewoners, te
                                    gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp
                                    vermeld in bijlage 4 bij deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van
                                    artikel 3 van bijlage 3, niet van toepassing verklaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                    brandgevaarlijke stof aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hieveelheid van de
                                            betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien
                                            verstande dat de totale hoeveelheid van de eerste zes
                                            rijen honderd kilogram of liter is;</al></li><li nr="b."><al>de betreffende stof zodanig is verpakt- dat de
                                            verpakking tegen normale behandeling bestand is, en- van
                                            de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan
                                            ontsnappen, en</al></li><li nr="c."><al>de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van
                                            de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en
                                            S-zinnen)</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                            verbrandingsmotor;</al></li><li nr="b."><al>de brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of een
                                            ander warmteontwikkelend toestel;</al></li><li nr="c."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken,
                                            en</al></li><li nr="d."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5
                                            aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof
                                            voor zover dat bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                            toegestaan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 moeten worden
                                opgeslagen volgens de in bijlage 6 aangegeven wijze.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de
                                zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                        bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en
                                met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open
                                erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="c."><al>het gebruik van vluchtmogelijkheden wordt belemmerd.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze
                                wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulksgevaarlijk is in
                                verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>Indien in een aanschrijving op grond van artikel 17 van de Woningwet
                                is bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders
                                    (sloopvergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een aanschrijving op grond van de
                                    Woningwet. Burgemeester en wethouders kunnen aan deze
                                    aanschrijving voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede
                                            lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                            overgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken
                                    van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet inhouden:</al><lijst><li nr="a."><al>correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                            adres;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                            belast;</al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich
                                            het te slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het
                                            bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit
                                            asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk
                                            in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met
                                            bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                            desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                                            ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al></li><li nr="e."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk
                                            waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien
                                            niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt;</al></li><li nr="f."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen
                                            gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al></li><li nr="g."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden
                                            aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen
                                            bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op
                                            te richten of te veranderen of uit te breiden
                                            bouwwerk;</al></li><li nr="h."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                            plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing:</al></li><li nr="i."><al>het sloopveiligheidsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                    bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                    zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                    overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van het asbestinventarisatierapport,
                                            uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf,
                                            waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                                            bouwwerk bevindt;</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 23
                                            juli 1998 (= datum van verwerking in de gemeentelijke
                                            bouwverordening van de vierde serie wijzigingen van de
                                            Model-bouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat voldoet aan
                                            de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat
                                            er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;
                                            indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld
                                            vóór 1 juli 1993, dient tevens een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden
                                            overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen
                                            bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende
                                            materialen zijn toegepast;</al></li><li nr="c."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk
                                            is gebouwd na 1 januari 1994;</al></li><li nr="d."><al>bij woningen of naar bouwconstructie of
                                            materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning
                                            bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke
                                            verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat
                                            hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds
                                            het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                                            plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                            toegepast;</al></li><li nr="e."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                            verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te
                                            slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het
                                            materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig
                                            is;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed
                                    dat het bouwwerk asbest bevat of de aanvrager weet of
                                    redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk asbest bevindt
                                    wordt met een asbestinventarisatierapport van een deskundig
                                    bedrijf aangetoond of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest
                                    zich bevindt. Indien geen asbestinventarisatierapport van een
                                    deskundig bedrijf wordt overgelegd, moeten bij de aanvraag
                                    andere gegevens worden overgelegd waaruit blijkt of asbest
                                    aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Aan deze
                                    eis wordt geacht te zijn voldaan indien</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft
                                            op het verwijderen van asbest op in de aanvraag
                                            aangeduide plaatsen, of</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder
                                            b bij de aanvraag is gevoegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt
                                    dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een
                                    bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                    bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                    augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden
                                    ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                    rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                                    sloopvergunning worden gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in drievoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen, dan wel indien zij betrekking
                                    heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                    kader van hetzelfde project.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan
                                    wel gewaarmerkt worden.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                    betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                    bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                    blijken.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                    voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                    asbest.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                    sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                    betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld
                                    in artikel 8.2.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                    krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die
                                    gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in
                                    de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                                    over te leggen binnen een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                    sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes
                                    weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging
                                    zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                    burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                    binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                    sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                    bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een
                                    vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de
                                    Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                                    monumentenverordening, eenleefmilieuverordening op grond van de
                                    Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning
                                    voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog
                                    niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde
                                    beslissing. Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van
                                    de datum van de laatst genomen beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                    kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van
                                    een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd,
                                    kan bij de aanvraag om sloopvergunning - voor zover voor beide
                                    aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd -
                                    worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn
                                    ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                                    bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                    beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                    beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat
                                    beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd; een vergunning ingevolge de
                                        Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke
                                        monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                        verleend;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en
                                        deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                        grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet
                                        is verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    sloopvergunning vereist voor het door of vanwege de
                                    bewoner/gebruiker van een woning, woonkeet, woonwagen of
                                    logiesverblijf en de op het erf van dat bouwwerk staande
                                    bouwwerken slopen van:</al><lijst><li nr="a."><al>gelijmde asbest bevattende vloerbedekking;</al></li><li nr="b."><al>gelijmde asbest bevattende vloertegels;</al></li><li nr="c."><al>geschroefde hechtgebonden asbest bevattende
                                            bouwmaterialen, met dien verstande dat voor het
                                            verwijderen van deze bouwmaterialen, voor zover deze aan
                                            de buitenzijde van een bouwwerk zijn toegepast en
                                            bestaan uit platen, een maximum geldt van 35 m2
                                            plaatoppervlakte, mits het voornemen tot dit slopen is
                                            gemeld bij burgemeester en wethouders en door
                                            burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag
                                            waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                            sloopvergunning is vereist.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest binnen een bij die
                                    mededeling te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister
                                    van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
                                    uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest
                                    bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder
                                    verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                                    vloerbedekking alsmede van andere afvalstoffen waarop de
                                    mededeling betrekking heeft de in de gemeente geldende
                                    voorschriften in acht te nemen.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of de aanschrijving tot
                                het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                                inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                    vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het
                                    slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk op de hoogt van de data en tijdstippen
                                    waarop het slopen, voorzover betrekking heeft op asbest, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na
                                    uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                    afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                                    2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                    voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                    ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding
                                    te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><al>toelichting A9.1(Vervallen)De advisering is vastgelegd in het reglement
                            op de gemeentelijke Welstandsadvisering.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                            Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en
                            het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>toelichting A10.2Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                            woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de
                            gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de
                            sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn
                            rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al>toelichting A10.4(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al>toelichting A10.5(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                            herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                            praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
                            - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen,
                            indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                            praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                            herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 1.2.5 onder e van de bijlage behorende bij het Besluit
                            indieningsvereisten bedoelde verkennende bodem-onderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.2.1 van de
                                brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 9
                                februari 1993 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                6.1.1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ontheffing, aanschrijving, toestemming, voorschrift of beperking
                                - hoe ook genaamd - verleend krachtens de
                                brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 9
                                februari 1993, blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is
                                verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op een nader door burgemeester en
                                wethouders te bepalen tijdstip doch niet eerder dan zes weken na
                                bekendmaking op de wijze als bedoeld in artikel 139 van de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 9 februari 1993
                                en alle daarin nadien aangebrachte wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, ontheffing of
                                toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop
                                deze verordening van kracht wordt en waarop genomend tijdstip nog
                                niet is beschikt, zijn de bepalingen van toepassing van de
                                bouwverordening, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van
                                deze verordening, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de
                                bepalingen van deze verordening worden toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het voorgaande lid is slechts van toepassing op de
                                artikelen van hoofdstuk 2, 3, 4, 5, 9, 10, 11 en 12 van deze
                                verordening, met uitzondering van de artikelen 2.5.29, 2.7.4, 2.7.5,
                                4.11 en 12.1, voor zover deze in overeenstemming zijn met de Wet tot
                                wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de
                                evaluatie van de wet en anderzijds het project Marktwerking,
                                Deregulering en Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningprocedure en
                                welstandstoezicht) (Wet van 18 oktober 2001, Stb,. 2001, 518).</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</label><nr>1</nr></kop><al>bijlage toelichting B1Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en
                        3.1<vet>Artikel 1De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden
                        als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)Artikel 2De
                        bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als
                        bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen)Artikel
                        3Funderingsplan (vervallen)Artikel 4Constructieve en aanverwante gegevens
                        (vervallen)Artikel 5Bouwveiligheidsplan (vervallen)Artikel 6Eisen ten
                        aanzien van tekeningen (vervallen)Artikel 7Eisen ten aanzien van
                        berekeningen (vervallen)</vet></al></bijlage><bijlage><kop><label>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</label><nr>2</nr></kop><al>bijlage toelichting B2Bijlage behorende bij artikel 6.1.2De aanvraag voor een
                    gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens
                        bevatten.<vet>Artikel 1</vet></al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                            correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager
                            ondertekende machtiging;</al></li><li nr="c."><al>een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het
                            bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                            energiebron;</al></li><li nr="e."><al>voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum
                            aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2</vet>De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet
                    zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo
                            mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de
                            bouwwerken, op een schaal van 1:1000;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken
                            op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de
                            bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen
                            brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste
                            lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de
                            bedden moet zijn aangegeven;</al></li><li nr="c."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100,
                            aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het
                            publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;</al></li><li nr="d."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen
                            worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van
                            tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te
                            houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare
                            vrije vloeroppervlakte.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3</vet>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn
                    uitgevoerd, een en ander overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de
                    bijlage bij Besluit indieningsvereisten.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Gebruikseisen voor bouwwerken</label><nr>3</nr></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Gebruikseisen voor bouwwerken niet zijnde een- en meergezinshuizen en woonwagens, behalve voor een- en meergezinshuizen en woonwagens, waarin sprake is van een verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanent toezicht op en begeleiding</label><nr>4</nr></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</label><nr>5</nr></kop><al>bijlage toelichting B5Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 </al><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry><al>ADR-klasse</al></entry><entry><al>Omschrijving</al></entry><entry><al>Verpakkinggroep</al></entry><entry><al>Toegestanemaximumhoeveelheid inkg of 1'</al></entry></row><row><entry><al>2UN 1950 Spuitbussen en UN 2037 Houders, klein, gas</al></entry><entry><al>gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon,
                                        kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)</al></entry><entry><al>n.v.t.</al></entry><entry><al>50</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en
                                        aceton</al></entry><entry><al>II</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>3excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een
                                        vlampunt tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry><al>brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde
                                        inkten</al></entry><entry><al>III</al></entry><entry><al>50</al></entry></row><row><entry><al>4.1, 4.2, 4.3</al></entry><entry><al>4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen
                                        en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand
                                        zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders4.2: voor
                                        zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel)
                                        en diethylzink4.3: stoffen die in contact met water
                                        brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium
                                        en calciumcarbonaat</al></entry><entry><al>II en III</al></entry><entry><al>50</al></entry></row><row><entry><al>5.1</al></entry><entry><al>brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide</al></entry><entry><al>II en III</al></entry><entry><al>50</al></entry></row><row><entry><al>5.2</al></entry><entry><al>organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl
                                        peroxide</al></entry><entry><al>n.v.t.</al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>2gasflessen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>n.v.t.</al></entry><entry><al>115literwaterinhoud</al></entry></row><row><entry><al>3dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt
                                        tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>III</al></entry><entry><al>1.000liter</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage
                    5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden
                    echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze
                    stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan
                    ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn
                    afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Opslag brandgevaarlijke stoffen</label><nr>6</nr></kop><al>bijlage toelichting B6Bijlage behorend bij artikel 6.2.3(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen</label><nr>7</nr></kop><al>bijlage toelichting B7Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6De NEN-normen, bedoeld
                    in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad
                            NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);</al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername' (Engelstalig);</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</label><nr>8</nr></kop><al>bijlage toelichting B8Bijlage behorende bij artikel 8.1.2(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Reglement van orde van de welstandscommissie</label><nr>9</nr></kop><al>(Vervallen)De advisering is vastgelegd in het reglement op de gemeentelijke
                    Welstandsadvisering.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Brandmeldinstallaties</label><nr>10</nr></kop><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 </al><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de in
                    de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften
                    wordt in tabel 2.6.1 verstaan onder: </al><table summary=""><title/><tgroup cols="3"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>:</al></entry><entry><al>dit lid is niet van toepassing</al></entry></row><row><entry><al>*</al></entry><entry><al>:</al></entry><entry><al>het hele artikel is van toepassing</al></entry></row><row><entry><al>≤</al></entry><entry><al>:</al></entry><entry><al>alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit teken
                                        aangegeven waarde</al></entry></row><row><entry><al>F</al></entry><entry><al>:</al></entry><entry><al>in dit geval is volstaan met het geven van de functionele
                                        eis in artikel 2.6.1, eerste lid, inafwachting van mogelijk
                                        nog te ontwikkelen nadere criteria</al></entry></row><row><entry><al>a</al></entry><entry><al>:</al></entry><entry><al>zonder doormelding naar een brandweeralarmcentrale</al></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>:</al></entry><entry><al>indien in combinatie met een grenswaarde in m2: deze
                                        voorziening dient altijd aanwezig te zijn,ongeacht de
                                        grootte van het vloeroppervlak</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen in dezelfde rij van de
                    tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden voldaan.Voorbeeld:Bij de
                    winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van bijlage 10 het meest duidelijk tot
                    uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat
                    een brandmeldinstallatie nodig is. Bijeenkomstfunctie niet zijnde de
                    bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport – wanneer het
                    gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m2 en er meer dan 1 verblijfsruimte
                    bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke bewaking en doormelding
                    noodzakelijk.Wanneer in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in
                    verschillende regels van de tabel worden gegeven, moet aan één van de criteria
                    worden voldaan.Voorbeeld:Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger
                    dan 4 jaar – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 200 m2 of er een vloer
                    op een hoogte ligt van meer dan 2,4 meter ten opzichte van het meetniveau, dan
                    is volledige bewaking en doormelding vereist.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Ontruimingsinstallatie</label><nr>11</nr></kop><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 ()</al><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry nameend="2" namest="1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry nameend="3" namest="2"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry nameend="2" namest="1"><al/></entry><entry><al>Aanwezigheid</al></entry><entry><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Artikel</al></entry><entry><al>2.6.6</al></entry><entry><al>2.6.7</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Lid</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>woonfunctie niet van een woonwagenbestemd voor minder
                                        zelfredzame personen</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Logiesgebouw</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de
                    artikelen 2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt
                    in tabel 2.6.5 verstaan onder:-: dit lid is niet van toepassing;*: het hele
                    artikel is van toepassing;</al></bijlage><bijlage><kop><label>Vluchtrouteraanduiding</label><nr>12</nr></kop><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8</al><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry nameend="2" namest="1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry nameend="3" namest="2"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry nameend="2" namest="1"><al/></entry><entry><al>Aanwezigheid</al></entry><entry><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Artikel</al></entry><entry><al>2.6.9</al></entry><entry><al>2.6.10</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Lid</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>Woonfunctie</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Woongebouw</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>Celfunctie</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Cellengebouw</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>Industriefunctie</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>industriefunctie niet zijnde een lichteindustriefunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>Kantoorfunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>Logiesfunctie</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Logiesgebouw</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>Onderwijsfunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>Sportfunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>Winkelfunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>Overige gebruiksfunctie</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>Bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer</al></entry><entry><al>F</al></entry><entry><al>*</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Ander bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10. Voor de toepassing van de in de
                    artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt
                    in tabel 2.6.8 verstaan onder:-: dit lid is niet van toepassing;*: het hele
                    artikel is van toepassing;F: in dit geval is volstaan met het geven van de
                    functionele eis in artikel 2.6.8, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te
                    ontwikkelen nadere criteria.</al></bijlage><bijlage><al><vet>BOUWVERORDENING</vet>(integraal inclusief 12e serie
                            wijzigingen)<onderstreept><vet>met bijlagen en
                        toelichting</vet></onderstreept>Besluit vaststelling: 22 april 2008Datum
                    inwerkingtreding: <onderstreept><vet>Inhoudsopgave</vet></onderstreept>Hoofdstuk
                    1 Inleidende bepalingenartikel 1.1 Begripsomschrijvingenartikel 1.2 Termijnen
                    (vervallen)artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente<vet>Hoofdstuk 2
                        De aanvraag bouwvergunning</vet><cursief>paragraaf 1 Gegevens en
                        bescheiden</cursief>artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)artikel
                    2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)artikel 2.1.3 Bij de
                    aanvraag in te dienen bescheiden (vervallen)artikel 2.1.4 Gegevens en bescheiden
                    met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen (vervallen)artikel
                    2.1.5 Bodemonderzoekartikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij
                    de aanvraag om bouwvergunning (vervallen)artikel 2.1.7 Bouwregistratie
                    (vervallen)artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)<cursief>paragraaf 2
                        Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</cursief>artikel 2.2.1
                    Ontvangst van de aanvraag (vervallen)artikel 2.2.2 Samenloop meet vrijstelling
                    ruimtelijke ordening (vervallen)artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen
                    (vervallen)artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                    bouwvergunningverlening (vervallen)artikel 2.2.5 In behandeling nemen en
                    bodemonderzoek (vervallen)artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                        bouwvergunning<cursief>paragraaf 3 Welstandstoetsing</cursief>artikel 2.3.1
                    Welstandscriteria (vervallen)<cursief>paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde bodem</cursief>artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op
                    verontreinigde bodemartikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning<cursief>paragraaf 5
                        Voorschriften van stedenbouwkundige aard</cursief>artikel 2.5.1 Richtlijnen
                    voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen
                    (vervallen)artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepalingenartikel 2.5.3 Bereikbaarheid
                    van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningenartikel 2.5.3a
                    Brandweeringangartikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    gehandicaptenartikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijnartikel 2.5.6 Verbod
                    tot overschrijding van de voorgevelrooilijnartikel 2.5.7 Toegelaten
                    overschrijding van de voorgevelrooilijnartikel 2.5.8 Ontheffing voor
                    overschrijdingen van de voorgevelrooilijnartikel 2.5.9 Bouwen op de wegartikel
                    2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoekenartikel 2.5.11 Ligging van de
                    achtergevelrooilijnartikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijnartikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijnartikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    achtergevelrooilijnartikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwenartikel 2.5.16
                    Erf bij overige gebouwenartikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerkenartikel 2.5.18
                    Erf- en terreinafscheidingenartikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse
                    hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingenartikel 2.5.20
                    Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijnartikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                    achtergevelrooilijnartikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                    achtergevelrooilijnartikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                    achtergevelrooilijnenartikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                    bouwwerkenartikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinenartikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerkenartikel
                    2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogteartikel 2.5.28
                    Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogteartikel 2.5.29
                    Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleidartikel 2.5.30
                    Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen<cursief>paragraaf 6 Voorschriften inzake
                        brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</cursief>artikel
                    2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallatiesartikel 2.6.2 Aanwezigheid van
                    brandmeldinstallatiesartikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                    brandmeldinstallatiesartikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallatiesartikel
                    2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsinstallatiesartikel 2.6.6 Aanwezigheid van
                    ontruimingsinstallatiesartikel 2.6.7 Kwaliteit van
                    ontruimingsinstallatiesartikel 2.6.8 Beginsel inzake
                    vluchtrouteaanduidingenartikel 2.6.9 Aanwezigheid van
                    vluchtrouteaanduidingenartikel 2.6.10 Kwaliteit van
                    vluchtrouteaanduidingenartikel 2.6.11 Gelijkwaardigheidartikel 2.6.12
                    Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten<cursief>paragraaf 7
                        Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</cursief>artikel 2.7.1 Eis tot
                    aansluiting aan de waterleidingartikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                    elektriciteitsnetartikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnetartikel
                    2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare rioleringartikel 2.7.5 Aansluiting
                    anders dan aan de openbare rioleringartikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering
                    van de buitenriolering op erven en terreinenartikel 2.7.7 Wijze van meten van de
                    afstand tot de leidingen van het openbare net van de
                        nutsvoorzieningen<vet>Hoofdstuk 3 De melding</vet>artikel 3.1 De wijze van
                    melden (vervallen)artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen)<vet>Hoofdstuk 4
                        Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van
                        een bouwwerk</vet>artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige
                    start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamhedenartikel 4.2 Op het
                    bouwterrein verplicht aanwezige bescheidenartikel 4.3 Wijzigingen in gegevens
                    bouwregistratie (vervallen)artikel 4.4 Het uitzetten van de bouwartikel 4.5
                    Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamhedenartikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                    onderzoekingenartikel 4.7 Bemalen van bouwputtenartikel 4.8 Veiligheid op het
                    bouwterreinartikel 4.9 Afscheiding van het bouwterreinartikel 4.10 Veiligheid
                    van hulpmiddelen en het voorkomen van hinderartikel 4.11 Bouwafvalartikel 4.12
                    Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamhedenartikel 4.13 Melden van
                    werken bij lage temperaturenartikel 4.14 Verbod tot
                        ingebruikneming<vet>Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen,
                        brandveiligheidsinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren
                        van schadelijk en hinderlijk gedierte</vet><cursief>paragraaf 1 Staat van
                        open erven en terreinen</cursief>artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open
                    erven en terreinenartikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                    Brandblusvoorzieningenartikel 5.1.3 Bereikbaarheid gebouwen voor
                        gehandicapten<cursief>paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</cursief>artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                    brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingenartikel 5.2.2
                    Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet zijnde woningen,
                    woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen
                    (vervallen)artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                    woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)artikel 5.2.4 Aanwezigheid van
                    brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen
                    (vervallen)artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                    kantoorgebouwen (vervallen)<cursief>paragraaf 3 Aansluiting op de
                        nutsvoorzieningen</cursief>artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de
                    waterleidingartikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnetartikel
                    5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnetartikel 5.3.4 Eis tot aansluiting
                    aan de openbare rioleringartikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                    rioleringartikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                    erven en terreinenartikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen<cursief>paragraaf 4 Het weren van
                        schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</cursief>artikel 5.4.1
                        Preventie<vet>Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik</vet><cursief>paragraaf 1
                        Gebruiksvergunning</cursief>artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerkartikel
                    6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunningartikel 6.1.3 In behandeling nemenartikel 6.1.4
                    Termijn van beslissenartikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunningartikel 6.1.6
                    Intrekken gebruiksvergunningartikel 6.1.7 Verplicht aanwezige
                        bescheiden<cursief>paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van
                        brand en brandgevaar</cursief>artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor
                    bouwwerkenartikel 6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebbenartikel 6.2.3 Opslag en
                    verwerking stoffen<cursief>paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen
                        van ongevallen bij brand</cursief>artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden
                    bluswaterwinplaatsenartikel 6.3.2 Gebruik middelen en
                        voorzieningen<cursief>paragraaf 4 Hinder in verband met
                        brandveiligheid</cursief>artikel 6.4.1 Hinder in verband met
                        brandveiligheid<vet>Hoofdstuk 7 Overige
                        gebruiksbepalingen</vet><cursief>paragraaf 1 Overbevolking</cursief>artikel
                    7.1.1 Overbevolking van woningenartikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en
                        woonketen<cursief>paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief>artikel 7.2.1
                    Verbod tot gebruik bij bouwvalligheidartikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens
                    gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëneartikel 7.2.3 Staken van het gebruik
                    van een woonwagen<cursief>paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                        terreinen</cursief>artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open
                    erven en terreinen in afwijking van de bestemming (vervallen)artikel 7.3.2
                        Hinder<cursief>paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                        Reinheid</cursief>artikel 7.4.1 Preventie<cursief>paragraaf 5
                        Watergebruik</cursief>artikel 7.5.1 Verboden gebruik van
                        water<cursief>paragraaf 6 Installaties</cursief>artikel 7.6.1 Gebruiksgereed
                    houden van installaties<vet>Hoofdstuk 8 Slopen</vet><cursief>paragraaf 1
                        Sloopvergunning</cursief>artikel 8.1.1 Sloopvergunningartikel 8.1.2 Aanvraag
                    sloopvergunningartikel 8.1.3 In behandeling nemenartikel 8.1.4 Termijn van
                    beslissenartikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwenartikel 8.1.6 Weigeren
                    sloopvergunningartikel 8.1.7 Intrekken sloopvergunning<cursief>paragraaf 2
                        Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</cursief>artikel 8.2.1
                    Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunningartikel 8.2.2 Overige
                    uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning<cursief>paragraaf 3
                        Verplichtingen tijdens het slopen</cursief>artikel 8.3.1 Veiligheid op het
                    sloopterreinartikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                    bescheidenartikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunningartikel
                    8.3.4 Plichten van degene die slooptartikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en
                    opslaan van asbestartikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                        tuinbouwkassen<cursief>paragraaf 4 Vrij slopen</cursief>artikel 8.4.1
                    Sloopafval algemeen<vet>Hoofdstuk 9 Welstand</vet>artikel 9.1 De advisering door
                    de welstandscommissie<vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve
                    bepalingen</vet>artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunningartikel 10.2 De
                    aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde
                    woning of woonwagenartikel 10.3 Overdragen vergunningenartikel 10.4 Overdragen
                    mededeling (vervallen)artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde
                    woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsenartikel 10.6
                    Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften<vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet>artikel 11.1 Stilleggen van
                    de bouwartikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruiknemingartikel 11.3
                    Stilleggen van het slopenartikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek
                        (vervallen)<vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen</vet>artikel 12.1 Strafbare feitenartikel 12.2 Overgangsbepaling
                    bodemonderzoek (vervallen)artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de
                    staat van open erven en terreinenartikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                    vergunningen e.d.artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)artikel
                    12.6 Slotbepaling<vet>Bijlagen</vet>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag
                    bouwvergunning (vervallen)Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag
                    gebruiksvergunningBijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerkenBijlage 4 Gebruikseisen
                    voor bouwwerken niet zijnde een- en meergezinshuizen en woonwagens, behalve voor
                    een- en meergezinshuizen en woonwagens, waarin sprake is van een verminderde
                    zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanent toezicht op en
                    begeleiding van bewonersBijlage 5 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke
                    stoffenBijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffenBijlage 7 Kwaliteitseisen voor
                    buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinenBijlage 8
                    Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbestBijlage 9 Reglement van orde van de
                    welstandscommissie (vervallen)Bijlage 10 Tabel, behorende bij artikel 2.6.1
                    BrandmeldinstallatiesBijlage 11 Tabel, behorende bij artikel 2.6.5
                    OntruimingsinstallatiesBijlage 12 Tabel, behorende bij artikel 2.6.8
                    Vluchtrouteaanduiding </al></bijlage></regeling></body></cvdr>