<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR79507_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toelichting op de Bouwverordening 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Gooi en Eembode, 06-08-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-08-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-05-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toelichting op de Bouwverordening 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>TOELICHTING BOUWVERORDENING HILVERSUM 2009 </vet></al><al><vet>(inclusief de 12<sup>e</sup> wijziging op de MBV en deels vooruitlopend
                            op de 13<sup>e</sup> wijziging).</vet></al><al>Deze toelichting is gebaseerd op en grotendeels conform de toelichting van
                        de modelbouwverordening (MBV) van de VNG</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Asbest </al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest:
                        de vezelachtige silicaten: actinoliet (CAS-nummer 77536-66-4), amosiet
                        (CAS-nummer 12172-73-5), anthofylliet (CAS-nummer 77536-67-5), chrysotiel
                        (CAS-nummer 12001-29-5), crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4) en tremoliet
                        (CAS-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten
                        zijn verwerkt. Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting. </al><al/><al>Besluit indieningsvereisten </al><al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                        inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409
                        en gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende)
                        eisen meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is
                        voorts de opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan
                        te tekenen gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit besluit. </al><al/><al>Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        (‘Bblb’) </al><al>In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de
                        wetstekst zelf naar dit besluit (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb. 2003,
                        315, Stb. 2004, 291 en Stb. 2008, 94; wijzigingen vermeld voor zover bekend
                        ten tijde van vaststelling van deze bouwverordening). Het besluit houdt
                        tevens een forse verruiming in van de mogelijkheden tot vergunningvrij
                        bouwen. Bovendien omvat dit besluit een uitwerking van een nieuwe categorie
                        bouwwerken die licht-vergunningplichtig zijn. Van de jaarlijks onder de
                        Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen bouwwerken zal naar
                        verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5% licht-vergunningplichtig en
                        37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de Woningwet 2002 (TK
                        1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31). </al><al/><al>Bouwbesluit </al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                        geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan
                        het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn
                        de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                        opgenomen. </al><al/><al>Bouwtoezicht </al><al>Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100 expliciet de opdracht
                        aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van
                        de Woningwet. Dit sluit aan bij de op grond van artikel 100 (oud) Woningwet
                        bestaande centrale rol van de gemeente bij de vergunningverlening en
                        handhaving ten aanzien van het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken
                        en brengt geen verandering in het uitgangspunt dat elke gemeente vrij is
                        naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele
                        bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden. Op
                        grond van het nieuwe artikel 100a Woningwet wijzen burgemeester en
                        wethouders degenen aan die belast zijn met het bouw- en woningtoezicht. </al><al/><al>Gebruiksoppervlakte </al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                        begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip
                        naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij
                        ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei
                        1992). De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent
                        overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Model-bouwverordening.
                        Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                        Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager
                        om bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                        gebruiksoppervlakten. </al><al/><al>Bouwwerk en gebouw </al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de
                        als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk
                        wordt momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                        jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe
                        MBV gehandhaafd. De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen
                        gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald
                        in artikel 1 van de Woningwet. Zowel over het begrip bouwwerk als over het
                        begrip gebouw is jurisprudentie ontstaan. De inhoud van de begrippen
                        bouwwerk en gebouw is met de komst van de Woningwet van 1991 niet gewijzigd,
                        waardoor de jurisprudentie op basis van de Woningwet van 1962 en de
                        bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft. Bij de interpretatie van de
                        jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet rekening worden gehouden met de
                        driedeling bouwvergunningplichtig, meldingplichtig en vrij bouwen. Alle
                        vormen van bouwen, die niet in artikel 43 van de Woningwet als vrij bouwen
                        of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken als meldingplichtig zijn
                        benoemd, zijn bouwvergunningplichtig. </al><al/><al>Deskundig bedrijf </al><al>‘Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing
                        van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen
                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is
                        van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het
                        Arbeidsomstandighedenbesluit.’ Voor een uiteenzetting over de certificering
                        van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al/><al>Wat is bouwvergunningvrij bouwen? </al><al>Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid,
                        van de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die
                        wijziging is opgenomen in het ‘Bblb’. Het vroegere Besluit meldingplichtige
                        bouwwerken is komen te vervallen. De lijst van vergunningvrije bouwwerken
                        uit het bedoelde eerste lid van artikel 43 van de Woningwet is ingrijpend
                        gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht van voorbeelden van de opnieuw
                        gedefinieerde vergunningvrije bouwwerken, zie de met tekeningen
                        geïllustreerde nota van toelichting bij het ‘Bblb’. </al><al/><al>Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen? </al><al>De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die
                        onder de meldingsplicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden.
                        Bovendien is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken
                        komen te vallen onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.
                        Bouwplannen waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van
                        gemeentewege worden getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan,
                        de welstandsregels en de eisen inzake de constructieve veiligheid van het
                        Bouwbesluit, alsmede voorzover van toepassing de stedenbouwkundige
                        voorschriften van de bouwverordening. Wat betreft voorbeelden van de
                        categorie bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan de nota van toelichting
                        bij het ‘Bblb’ voor zichzelf spreken.' </al><al/><al><vet>Artikel 1 Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al>De vraag wat moet worden verstaan onder een bouwwerk, een gebouw, bouwen
                        e.d. in de zin van de Model-bouwverordening en wat niet, is reeds vele malen
                        onderworpen aan het oordeel van de rechter. </al><al>Daardoor kan een uitvoerig overzicht van de jurisprudentie op dit artikel
                        gegeven worden.</al><al>De voorbeelden die hieronder worden gegeven van de jurisprudentie zijn na de
                        vermelding in de vorige bouwverordening, daterend uit 2006, overigens niet
                        bijgewerkt met actuele jurisprudentie en kunnen daarom zijn verouderd.</al><al/><al><vet>Bouwwerk algemeen</vet></al><al>-Voor de betekenis van het begrip bouwwerk in de Woningwet is van meer
                        gewicht dat door de Woningwet een aantal uiteenlopende belangen wordt
                        beschermd, waaronder naast de belangen van veiligheid, hygi‘ne en
                        huisvesting, ook het belang betrokken bij het uiterlijk van bouwwerken,
                        zowel op zich zelf als in de omgeving. In overeenstemming daarmee is bij de
                        mondelinge behandeling van het desbetreffende wetsontwerp in de Tweede Kamer
                        opgemerkt dat het begrip bouwwerk ‘alles en nog wat’ kan omvatten.</al><al>HR 24 november 1972; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973,
                        XI.8.5.1.1, nr. 34062; Hof Arnhem 31 oktober 1978; BR 1978, 196.</al><al>-De wetgever heeft de inhoud van het begrip bouwwerk overgelaten aan het
                        spraakgebruik. De definitie van artikel 1 van de bouwverordening kan in
                        dezen als richtsnoer dienen.</al><al>Zie o.a. ARRS 5 september 1979; AB 1980, 32; ARRS 24 januari 1983, GS
                        6751.</al><al>-‘Plaats van bestemming’ in de definitie van bouwwerk moet niet worden
                        opgevat als ‘plaats van voorkeur’, doch veeleer als de plaats waarop de
                        constructie wordt opgetrokken om aldaar te gaan functioneren, zodat bij
                        voorbeeld buiten het regime van de bouwverordening vallen veelsoortig
                        constructiewerk op industri‘le terreinen buiten de eigenlijke bouwplaats
                        (prefabricatie e.d. en opslag van constructies die zonder ter plaatse
                        gebruikt te worden bestemd zijn om elders te gaan functioneren).</al><al>Nu vaststaat dat de onderwerpelijke metaalconstructie is vervaardigd met de
                        bedoeling hierin het carillon op te hangen en dit ter plaatse te doen
                        spelen, is er geen twijfel mogelijk dat de constructie zich op de plaats van
                        bestemming bevindt.</al><al>HR 19 juni 1970; BR 1970, blz. 386; OB 1970, XI.16, nr. 30369; NJ 1972, 453;
                        Kg. Sneek 27 april 1973; NJ 1973, 365; BR 1973, 436.</al><al>-Een verrijdbaar of ‘gemakkelijk’ verplaatsbaar object moet in beginsel als
                        bouwwerk in de zin van de Woningwet worden aangemerkt, wanneer het naar
                        omvang, constructie en gebruik een plaatsgebonden karakter heeft.</al><al>HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr. 34110; NG
                        1974, 512; Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246; ARRS 16
                        december 1980; BR 1981, 345; ARRS 21 juli 1983, A-31.3043 (1982)/21; ARRS 20
                        september 1986; RO 3.85.0135.</al><al>-Losstaande bouwwerken kunnen als één bouwwerk worden aangemerkt als zij
                        krachtens één vergunning zijn gebouwd en functioneel nauw met elkaar
                        verbonden zijn. (I.c. betrof het een vrijstaande schoorsteenpijp, behorend
                        bij een stoomgemaal.) ARRS 20 augustus 1979; BR 1980, 10.</al><al/><al><vet>Als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt de volgende ‘verplaatsbare
                            objecten’:</vet></al><al>-Een wooncaravan.</al><al>Hof Arnhem 7 mei 1968; BR 1968, 300; NJ 1969, 160; AB 1969, 429; OB 1969,
                        XI.16.1, nr. 28673.</al><al>-Een stacaravan.</al><al>ARRS 28 maart 1979; AB 1980, 76; GS 6587; NG 1980, 596;</al><al>ARRS 5 maart 1982, A-3.2901 (1980).</al><al>-Een friteskraam.</al><al>Hof Arnhem, 21 april 1977; NJ 1977, 77; BR 1977, 325.</al><al>-Een bloemenwagen.</al><al>ARRS 8 januari 1985; BR 1985, 373.</al><al>-Een toercaravan waarmee een vaste standplaats is ingenomen.</al><al>Wnd. vz. ARRS 19 juli 1983, RO 3.83.4172.</al><al>ARRS 21 januari 1986; GS 6842.</al><al>-Een sloopautobus die dienst doet als schaftlokaal en
                        schuilgelegenheid.</al><al>HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr. 34110; NG
                        1974, 512.</al><al>-Een (op één vaste plaats) staande tent met een oppervlakte van 242 m2 en
                        een hoogte van 4 m.</al><al>Vz. ARRS 6 april 1978; BR 1978, 647.</al><al>-Een tuinhuisje dat als verkoopmodel stond opgesteld in een
                        tuincentrum.</al><al>ARRS 30 januari 1980; BR 1980, 599.</al><al>-Een demontabele loods bestemd voor de verkoop met een oppervlakte van 139
                        m2.</al><al>ARRS 20 april 1978; BR 1978, 522.</al><al>-Een demontabele kas, met afmetingen van 15 x 5 m, bestaande uit een gebogen
                        lichtgewicht frame dat is overspannen met plastic.</al><al>AARS 20 september 1986; RO 3.85.0135.</al><al>-Demontabele luifels aan een winkelpand.</al><al>Vz. ARRS 27 maart 1987; RO 3.87.1154/S 5301.</al><al>-Een draagluchthal die aan de onderkant bestaat uit een met water gevulde
                        band waarmee de hal op zijn plaats wordt gehouden.</al><al>ARRS 9 december 1980; BR 1981, 342.</al><al>-Een bij een wegrestaurant geplaatste kraan waarvan de giek is vervangen
                        door een reclamebord in de vorm van een raket.</al><al>ARRS 19 augustus 1983, A-31.2807 (1982)/19.</al><al>-Een verrijdbare op dubbelrail geplaatste portaalkraan, op een betonnen
                        fundering.</al><al>ARRS 16 augustus 1983, A-32.5603 (1982).</al><al>-Een vlaggenmast van 13 m.</al><al>Pres. Rb. Assen 12 augustus 1971; BR 1971, 551.</al><al>-Containers, waarvan de een dient voor opslagdoeleinden en de ander als
                        onderdak voor een cv-ketel.</al><al>ARRS 22 juni 1982; BR 1982, 825.</al><al>-Een verplaatsbare, demontabele terrasoverkapping die in de winter wordt
                        afgebroken, bestaande uit twee in elkaars verlengde geplaatste, inklapbare
                        delen van respectievelijk 10 m bij 5 m en 6 m bij 4 m, die rusten op vijf in
                        de grond verankerde staanders heeft toch een plaatsgebonden karakter en is
                        derhalve een bouwvergunningplichtig bouwwerk.</al><al>Vz. ARRS 12 augustus 1993, No. S03.93.3000.</al><al>-De onderhavige frituurunit is een bouwwerk met een plaatsgebonden karakter,
                        nu daaraan vier wieltjes met een diameter van 10 cm zijn gemonteerd op
                        plaatsen waar contact met de ondergrond niet mogelijk is. Het verplaatsen
                        kan daardoor alleen nog met behulp van een hijskraan plaatsvinden. Voorts
                        ligt het in de bedoeling de unit blijvend te laten staan.</al><al>ARRS 16 augustus 1993, AB 1994, nr. 345.</al><al>-Huurder heeft van 2 stacaravans een zomerhuis gemaakt. Het bouwwerk is door
                        de maatvoering, alsmede de omstandigheid dat het zonder uitgebreide
                        aanpassingen in het geheel niet over de weg als aanhangsel van een auto kan
                        worden voortbewogen, aan te merken als een zomerhuis.</al><al>Vz. ABRS 14 januari 1994, R03.93.5862 en S03.93.4772; ABRS 4 april 1995,
                        R03.93.5862.</al><al>-Een paardencontainer is door ingraving met de grond verbonden en draagt een
                        plaatsgebonden karakter. De container is hoofdzakelijk in theorie
                        verplaatsbaar en is derhalve een bouwwerk.</al><al>ABRS 10 November 1994, R03.92.3274 en R03.92.3602.</al><al>-Een metalen constructie (9 bij 5 m) op wieltjes, met een zeildoek afgedekt,
                        die dient als opslagplaats voor hooi en stro is een bouwwerk gezien het
                        plaatsgebonden karakter.</al><al>ABRS 8 augustus 1994, R03.89.2034.</al><al>-Een verrijdbare overkapping, aan drie zijden omsloten door wanden, met een
                        oppervlakte van 75,6 m2, gezien de omvang, constructie, gebruik en
                        plaatsgebonden karakter. De omstandigheid dat de overkapping op wielen staat
                        en enige meters kan worden verreden doet daaraan niet af.</al><al>ABRS 25 april 1995, H01.95.0114 en K01.95.0022.</al><al>-Een op een standplaats geplaatste woonwagen met een permanent,
                        plaatsgebonden karakter.</al><al>ABRS 04 november 1996, R03.94.0111, JG 97.0017.</al><al>-Een dubbele stacaravan (houten, L-vormig chalet).</al><al>ABRS 3 december 1996, nr. R03.93.0294.</al><al>-Een demontabel tuinhuisje, dat naar aard en gebruik plaatsgebonden is. Er
                        komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat geen fundering of betonnen
                        vloer aanwezig is.</al><al>ABRS 7 september 1997, nr. H01.96.0691.</al><al>-Metalen afvalcontainers (gft en restafval) aangemerkt als bouwwerk. Geen
                        straatmeubilair.</al><al>Het betreft gft-containers (1.30 x 0.65 x 1.10) en restafvalcontainers (1.30
                        x 1.30 x 1.10). De afzonderlijke metalen containers moeten gezien hun omvang
                        en plaats-gebondenheid als bouwwerken worden aangemerkt. Zij zijn bedoeld om
                        duurzaam ter plaatse te functioneren. Dat zij enige malen per week
                        mechanisch worden opgetild om te worden geleegd, doet hieraan niet af,
                        aangezien zij op dezelfde plaats worden teruggezet. Niet aan te merken als
                        straatmeubilair.</al><al>ABRS 29 januari 1998, nr. H01.97.0336, NJB 1998, blz. 452, nr. 20.</al><al>-(Demontabel) zwembad is aan te merken als een bouwvergunningplichtig
                        bouwwerk.</al><al>Bij besluit van 10 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders van
                        Wassenaar appellante, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast binnen zes
                        weken het zonder bouwvergunning in de tuin van de woning Papeweg 44 te
                        Wassenaar geplaatste zwembad te verwijderen. De vraag of voor het zwembad
                        een bouwvergunning is vereist, beantwoordt de Afdeling bevestigend. Het
                        onderhavige zwembad betreft een constructie, bestaande uit een metalen
                        opstaande rand van ongeveer 1 meter hoog, waaraan een voering van kunststof
                        is bevestigd die met water is gevuld. Het geheel heeft een doorsnede van 6
                        meter en steunt direct op de grond. De constructie is bedoeld om daar waar
                        zij is geplaatst als zwembad te functioneren. De Afdeling is, evenals de
                        rechtbank, van oordeel dat het zwembad, gelet op de constructie, de
                        afmetingen en het plaatsgebonden karakter door burgemeester en wethouders
                        terecht als een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en
                        onder a, van de Woningwet is aangemerkt. De omstandigheid dat het zwembad
                        eerder op een andere plaats in de tuin heeft gestaan en kan worden
                        gedemonteerd leidt niet tot een ander oordeel. Voorts heeft de rechtbank op
                        goede gronden terecht geoordeeld dat voor het plaatsen van het zwembad een
                        bouwvergunning is vereist.</al><al> ABRS 3 april 2000, nr. 199902036</al><al>- Een in het watersportseizoen aanwezige skischans is
                        vergunningplichtig.</al><al>De skischans is een drijvend object, aan de bodem van de plas verankerd, ter
                        plaatse aanwezig van april tot oktober. Gelet op de constructie en de
                        plaatsgebondenheid, was voor het oprichten ervan een bouwvergunning vereist.
                        Dat de schans uitsluitend gedurende het watersportseizoen wordt gebruikt,
                        maakt dat niet anders. De daarmee samenhangende periodieke verplaatsing van
                        de schans doet niet af aan het plaatsgebonden karakter.</al><al> ABRS 23 juni 2000, nr. 199902356/1</al><al/><al><vet>Voorts zijn onder meer als bouwwerk aangemerkt:</vet></al><al>-Een benzinepompinstallatie, bestaande uit drie benzinepompen, vier tanks,
                        leidingen, twee perrons en vier lichtmastjes, alles bijeen een oppervlakte
                        in beslag nemend van ongeveer 12 bij 24 m.</al><al>HR 24 november 1971; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973,
                        XI.8.5.1.1, nr. 34062.</al><al>-Een woonboot die met de grond is verbonden.</al><al>Rb. Assen 28 mei 1974; BR 1975, 748.</al><al>-Een duiker in een weg.</al><al>HR 29 oktober 1974; BR 1975, 454; NJ 1975, 112.</al><al>-Waterstaatswerken, i.c. Oosterscheldewerken.</al><al>ARRS 20 januari 1984; BR 1984, 331; AB 1984, 193; GS 6769; NG 1984,
                        331.</al><al>-Een gedenkteken.</al><al>ARRS 24 januari 1983; GS 6751.</al><al>-Een vlonder van 8 m lang en 1 m breed.</al><al>ARRS 30 oktober 1979; BR 1980, 207; AB 1980, 217.</al><al>-Een ‘neerklapbaar’ zomerhuisje op geheide fundering.</al><al>ARRS 21 juli 1983, A-31.3043 (1982)/21.</al><al>-Een erfafscheiding van 1,50 m, bevestigd aan palen die 2,50 m van elkaar
                        staan.</al><al>ARRS 28 november 1978; BR 1979, 200.</al><al>-Hekwerken, afschermingen, rietmatten.</al><al>ARRS 9 september 1977; BR 1978, 115; ARRS 24 februari 1978; BR 1978, 406;
                        ARRS 10 december 1981; BR 1982, 314; ARRS 27 maart 1980, BR 1980, 704.</al><al>-Een carport van 240 x 450 cm, bestaande uit een op dwarsbalken rustende
                        golfplaatbedekking, bevestigd op 4 palen die met een betonvoet in de vloer
                        zijn bevestigd.</al><al>ARRS 13 januari 1981; BR 1981, 515.</al><al>-Speeltoestellen.</al><al>ARRS 11 juni 1985, nr. RO 3.83.7004</al><al>- De speelvoorzieningen - een klimtoestel met een hoogte van ongeveer 4.5
                        meter en een doorsnede van ongeveer 11 meter en twee voetbaldoelen met een
                        hoogte van 2 meter en een breedte van ongeveer 3 meter - zijn gesitueerd in
                        een smalle langgerekte groenstrook grenzend aan achtertuinen. Tussen de
                        voetbaldoelen bevindt zich een afstand van circa 40 meter. Er is sprake van
                        vergunningplichtige bouwwerken.</al><al> ABRS 6 juni 2000, nr. H01.99.1440.</al><al>- De speelvoorzieningen - een klimtoestel met een hoogte van ongeveer 4.5
                        meter en een doorsnede van ongeveer 11 meter en twee voetbaldoelen met een
                        hoogte van 2 meter en een breedte van ongeveer 3 meter - zijn gesitueerd in
                        een smalle langgerekte groenstrook grenzend aan achtertuinen. Tussen de
                        voetbaldoelen bevindt zich een afstand van circa 40 meter. Er is sprake van
                        vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>ABRS 6 juni 2000, nr. H01.99.1440.</al><al>-Een tijdelijke (zes maanden) portiersloge (porto-cabin, met een afmeting
                        van 3 x 3 x 2,75) met een slagboom.</al><al>Vz. ARRS 2 maart 1993, S03.93.0111 en S03.93.0112.</al><al>-Houten schotten met een hoogte van 1 à 2 meter en lichtmasten met een
                        hoogte van zes meter. Dat de houten schotten eenvoudig verwijderd kunnen
                        worden en dat deze niet aard en/of nagelvast met de grond verbonden zijn
                        doet, in aanmerking genomen het plaatsgebonden karakter, daaraan niet
                        af.</al><al>ARRS 11 januari 1993, R03.89.6929.</al><al>-Een in de tuin ingegraven (atoom)schuilgelegenheid, bestaande uit een tank
                        van 7 m lengte en 2,2 m doorsnede, die thans in gebruik is als
                        watertank.</al><al>ARRS 9 januari 1987; RO 3.85.0723.</al><al>-Een aanlegsteiger langs de wal in een gracht, mede gezien de aard en omvang
                        van dit object.</al><al>Wnd. vz. ARRS 19 januari 1987; RO 3.86.7570/S 1779.</al><al>-Een (inklapbaar) terrasscherm bij een hotel/café-restaurant, bedoeld om de
                        terrasbezoekers te beschermen tegen zon en regen.</al><al>ARRS 11 maart 1988, RO 3.86.5649.</al><al>Opmerking. Uit deze uitspraak valt impliciet af te leiden, dat een
                        zonnescherm van een soortgelijke omvang voor een winkel eveneens een
                        bouwwerk is.</al><al>-Een verrolpoort alsmede een afrastering.</al><al>ARRS 29 maart 1988, W/RvS/R.3.129/88.</al><al>-Een draagconstructie voor een lichtreclame, bestaande uit een in de stoep
                        verankerde buis. De aan een pand aangebrachte lichtreclame steunt aan de ene
                        zijde op de buis.</al><al>ARRS 22 april 1988, GS 6863.</al><al>-Antennes, horizontaal aangebracht op een reeds met bouwvergunning
                        geplaatste antennemast met verticale antenne. De grootste horizontale
                        antenne bestond onder meer uit twee sprieten van elk 7 meter lengte, die met
                        een tussenruimte van ongeveer 5 meter evenwijdig aan elkaar waren
                        aangebracht en konden worden gedraaid met behulp van een elektromotor.</al><al>Vz ARRS 9 augustus 1988; KG 1988, 50.</al><al>-Een balkonhek op de uitbouw van een woning.</al><al>ARRS 20 oktober 1988.</al><al>-De in de tuin aangebrachte keermuurtjes, beschoeiingen en vlonders worden,
                        gezien hun constructie en afmetingen, aangemerkt als
                        (bouwvergunningplichtige) bouwwerken.</al><al>ARRS 25 november 1993, R03.91.0529.</al><al>-Reclamebord op het dak, bestaande uit twee in V-vorm tegen elkaar
                        geplaatste borden van 3 bij 6 m, is gelet op omvang, constructie en
                        plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.</al><al>Vz. ABRS 14 maart 1994, AB 1994, nr. 431, RB actueel 1994/9, p. 3.</al><al>-Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de grond
                        geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m2, is gezien het plaatsgebonden
                        karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.</al><al>Vz. ARRS 29 maart 1994, R03.93.4934; S03.93.3858</al><al>-Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4 meter
                        hoog per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter heeft, moet
                        gelet op de omvang en constructie - waarbij mede in aanmerking is genomen de
                        permanente aanwezigheid van de banier - worden aangemerkt als een
                        (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Indien het geacht wordt een verandering
                        van een bestaand bouwwerk te betreffen, kan deze verandering bezwaarlijk
                        worden beschouwd als een verandering die uit esthetisch oogpunt van
                        ondergeschikte betekenis is.</al><al>Rb. ‘s-Gravenhage 20 april 1994, KG 1994, nr. 186.</al><al>-De in het geding zijnde reclame-installatie en de draagconstructie (omvang
                        7,50 bij 4,00 m) vormen één geheel. Gelet op de omvang moet dit worden
                        beschouwd als een bouwwerk. Ook indien de reclame-installatie niet als een
                        zelfstandig bouwwerk kan worden gezien, maar geacht zou moeten worden een
                        verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, dan kan deze
                        verandering, gezien de omvang in verhouding tot het gebouw waarop het is
                        aangebracht, bezwaarlijk als van ondergeschikte betekenis worden
                        beschouwd.</al><al>ABRS 27 april 1995, R03.92.1653.</al><al>-Een jollenvlonder waarvan de afmeting 1,65 x 4,5 m bedraagt, bestaande uit
                        een aantal planken, aangebracht op balken die vervolgens steunen op zes
                        palen in de grond, gezien de constructie en het plaatsgebonden
                        karakter.</al><al>ARRS 10 oktober 1995, R03.91.1601.</al><al>-Een reclamebord van ongeveer 1,5 x 0,5 meter, staande op twee palen van 1
                        meter.</al><al>Pres. Rb. Zwolle 14 november 1995, Awb 95/6335.</al><al>-Het aanbrengen van lichtreclame (logo van een woning-stichting), gelet op
                        de afmetingen en constructie.</al><al>ABRS 28 december 1995, R03.93.3712.</al><al>-Demontabele terrasoverkapping, gelet op de constructie, omvang, gebruik en
                        plaatsgebonden karakter.</al><al>ABRS 19 februari 1996, R03.92.3878.</al><al>-Een vaandel van 3,00 m hoog en 0,80 m breed, aan de boven- en onderzijde
                        bevestigd aan en tegen de gevel gemonteerde houder (beugel).</al><al>ABRS 13 mei 1996, BR 1996, 654, m.nt. Weerkamp.</al><al>-Een als vakantiewoning dienstdoende marina, bestaande uit een als woning
                        ingerichte en uitziende houten opbouw, geplaatst op een betonnen bak
                        (caisson). De marina is met stalen geleidingsbeugels verankerd aan een
                        betonnen paal met een lengte van 15 meter. Mede gezien deze solide
                        verankering en het plaatsgebonden karakter is sprake van een bouwwerk.
                        Gezien de recreatieve bestemming van de marina (wordt slechts enkele maanden
                        per jaar bewoond) is hier geen sprake van een woonschip in de zin van de Wet
                        op Woonwagens en Woonschepen.</al><al>ABRS 18 september 1997, GS 7079, nr. 6, m. nt. Teunissen, BR 1998, p.
                        667.</al><al>-Steigers die op staande palen worden gebouwd en met elkaar worden verbonden
                        door drijvende buizen. De hoofdsteiger zal een lengte hebben van ongeveer 60
                        m en een breedte van 1,20 m; de aanloopsteigers zullen een breedte hebben
                        van 0,5 m.</al><al>ABRS 13 september 1996, R03.93.3837 en R03.93.4690.</al><al>-Gelet op constructie zijn mestzakken als bouwwerken aan te merken.
                        Bouwvergunning vereist.</al><al>Burgemeester en wethouders van Oostburg hebben appellanten, die ter plaatse
                        varkenshouderijen exploiteren, onder aanzegging van bestuursdwang
                        aangeschreven om de op hun percelen geplaatste mestzakken, met een
                        opslagcapaciteit van 2.230 m3 en 4.000 m3, te verwijderen.</al><al>Appellanten betogen dat voor het plaatsen van de mestzakken bij de stallen
                        geen bouwvergunning is vereist.</al><al>Bij deze mestzakken is sprake van een constructie bestaande uit een prefab
                        plaat - voorzien van hijsankers - en een kunststof zak, waaraan leidingen
                        zijn verbonden voor de aan- en afvoer van mest. Deze constructie, die als
                        één geheel functioneert, steunt in of op de grond en heeft een
                        plaatsgebonden karakter. Voor het plaatsen van mestzakken is derhalve een
                        bouwvergunning vereist. Het betoog van appellanten faalt. Burgemeester en
                        wethouders waren derhalve bevoegd tot het doen uitgaan van een
                        handhavingbesluit.</al><al>ABRS 6 januari 2000, nr. 199900868/1.</al><al/><al><vet>Niet als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt:</vet></al><al>-Een waterleiding, bestaande uit een stelsel van met elkaar verbonden buizen
                        die gewoon in de grond zijn gelegd op een diepte van circa 1,25 meter onder
                        het maaiveld en die niet rusten op een fundering.</al><al>Kg. Terneuzen 30 maart 1971; BR 1972, 416; NJ 1972, 258.</al><al>-Een olieleiding, bestaande uit stalen buizen met een diameter van 60 cm die
                        zonder fundering worden ingegraven met een minimale gronddekking van circa
                        1,25 meter.</al><al>KB 8 maart 1974; OB 1974, XI.8.5.1.1, nr. 34736; NG 1974, S 112; BR 1974,
                        602; KB 25 maart 1974; AB 1974, 510; Hof Den Haag 8 maart 1974; NJ 1974,
                        534; BR 1975, 141; OB 1974, III.3.1, nr. 34732; NG 1974, S 112; KB 3
                        september 1984; BR 1984, 896.1.</al><al>-Een oever- en terreinverharding als trailerhelling.</al><al>KB 25 april 1974, S 279; OB 1975, XI.8.5.1.1, nr. 36102; NG 1975, S
                        120.</al><al>-Damwanden als tijdelijke hulpwerken voor het bouwen.</al><al>Rb. Rotterdam 6 mei 1981; BR 1981, 691.</al><al>-Een skibaan, bestaande uit een vlechtwerk van dunne kunststofmatten, die
                        met een vilten onderlaag is uitgespreid over een enigszins door ophogingen
                        en afgravingen aangepaste aarden helling. De skimat werd alleen ‘s winters
                        neergelegd.</al><al>ARRS 5 november 1981; BR 1982, 143.</al><al>Anders: een (seizoensgebonden) skischans die aan de bodem van de plas is
                        verankerd, is aangemerkt als een bouwwerk. ABRS 23 juni 2000, nr.
                        199902356/1.</al><al>-Een voertuig, waarmee alleen tijdens kantooruren standplaats wordt
                        ingenomen en dat buiten deze uren wordt gestald in een elders gelegen
                        garage. Daaraan doet niet af dat het voertuig gedurende de tijd dat het is
                        geparkeerd op standplaats, aangesloten wordt op het telefoonnet en op het
                        distributienet van de elektriciteitsmaatschappij.</al><al>Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246.</al><al>-Een caravan die niet voortdurend op hetzelfde terrein geplaatst is.</al><al>Vz. ARRS 15 juli 1983, RO 3.83.3881/15. </al><al>-Een waterbassin voor een tuinbouwbedrijf.</al><al>ARRS 18 november 1985, RO 3.85.6258/S 6709.</al><al>Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394, W/RvS/ R.3.110/88, met betrekking
                        tot een waterbassin van plasticfolie en gebruikte autobanden.</al><al>-Drijvende objecten, zoals een botenloods en een woonschip.</al><al>Hof Arnhem 6 juni 1972; BR 1972, 574; NJ 1973, 209; HR 10 april 1975; NJ
                        1975, 274.</al><al>-Twee keetwagens in gebruik als studie- en opslagruimte door zoon van
                        eigenaar perceel waarop de wagens staan, hebben geen bestemming met een
                        plaatsgebonden karakter. Volgens appellant zullen deze wagens gebruikt gaan
                        worden voor veldonderzoek door de zoon in verband met zijn studie.</al><al>Door diverse omstandigheden zijn de wagens enkele jaren (november 1984 -
                        datum uitspraak) op het perceel gestald.</al><al>ARRS 8 maart 1987; W/RvS/R.3.181/87; AB 1987, 373.</al><al>NB: Een omstreden uitspraak! Een intentie, die thans niet door de feiten kan
                        worden onderbouwd, wordt doorslaggevend geacht.</al><al>-Een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als woning
                        ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak, een
                        caisson.</al><al>Vz. ARRS 6 augustus 1992, Gst 6968/8.</al><al>-Een mestbassin bestaande uit een open kuil in de grond (de uitgegraven
                        grond wordt als dijk gebruikt), waarvan de bodem en wanden worden bekleed
                        met kunststoffolie kan niet worden getypeerd als het oprichten of plaatsen
                        van een bouwwerk. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk
                        zijnde, in de zin van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al><al>Wnd. Vz. ARRS 2 februari 1993, No. S03.93.0204.</al><al>-Een berg aarde is geen bouwwerk.</al><al>Wnd. Vz. ABRS 28 februari 1994, AB kort 1994, nr. 467.</al><al>-Een (mest)bassin met de afmetingen 41,40 x 31,00 x 3,20 m, bestaande uit
                        aarden dijken, afgedekt met folie, is geen bouwwerk. De omstandigheid dat
                        het bassin is voorzien van een zeildoek ter afdekking en van de nodige
                        technische installaties voor (onder andere) de aan- en afvoer van mest, noch
                        het feit dat om het bassin een hekwerk is geplaatst, leidt tot een ander
                        oordeel.</al><al>Wnd. Vz. ABRS 30 juni 1994, RO3.93.4962 en S03.04.0355.</al><al>- De slalombaan, bestaande uit een zestal drijvende boeien: geen
                        bouwvergunning vereist. ABRS 23 juni 2000, nr. 199902356/1.</al><al/><al>- Plaatsing tijdelijk bouwwerk soms vergunningvrij. In het geval van een
                        tent ligt grens bij eenendertig - al dan niet aaneengesloten - dagen.</al><al/><al>Burgemeester en wethouders van Voorst (appellanten) hebben geweigerd om
                        handhavend op te treden tegen het twee maal per jaar door Piet Zoomers B.V.
                        ten behoeve van haar kledingbedrijf geplaatst houden van een tent (met een
                        oppervlakte van 30 bij 25 meter) op een perceel te Wilp. Appellanten hebben
                        in hoger beroep betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat voor het
                        tijdelijk plaatsen van een tent geen bouwvergunning is vereist. De Afdeling
                        geeft appellanten op dit punt gelijk. In elk geval kan het plaatsen van een
                        tent gedurende niet meer dan in totaal eenendertig - al dan niet
                        aaneengesloten - dagen per kalenderjaar niet als activiteit worden
                        aangemerkt waarvoor bouwvergunning is vereist. De aanwezigheid van een tent
                        gedurende een zodanige periode heeft geen blijvende planologische gevolgen
                        voor het desbetreffende gebied. Aan dit aspect heeft de Afdeling ook in de
                        appellanten aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 2 februari 1995,
                        inzake nr. R03.91.0975 (BR 1995, p. 409) - waarin is overwogen dat voor het
                        plaatsen van tribunes gedurende een periode van ten hoogste drie weken geen
                        bouwvergunning is vereist - betekenis toegekend. Nu Piet Zoomers B.V. twee
                        maal per jaar gedurende drie dagen op het terrein bij haar vestiging een
                        tent plaatst en geplaatst houdt ten behoeve van een winkelactie, heeft de
                        Afdeling geconcludeerd dat daarvoor geen bouwvergunning is vereist.</al><al>ABRS 7 juni 2001, nr. 200000506/1.</al><al/><al><vet>Als gebouw in de zin van de Woningwet zijn onder andere
                            aangemerkt:</vet></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van
                        de Woningwet (B-III).</al><al/><al><vet>Niet als gebouw werden o.a. aangemerkt:</vet></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van
                        de Woningwet (B-III).</al><al/><al><vet>Woning</vet></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, van de
                        Woningwet (B-III).</al><al/><al><vet>Aan of uitbouw</vet></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet
                        (B-III).</al><al/><al><vet>Bijgebouw</vet></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet
                        (B-III).</al><al/><al><vet>Over meldingplichtig bouwen</vet></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet
                        (B-III).</al><al>Nb: artikel 42 van de Woningwet, regelend meldingplichtig bouwen is per 1
                        januari 2003 vervallen.</al><al/><al><vet>Over vergunningvrij bouwen</vet></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 43 van de Woningwet
                        (B-III).</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen</vet></al><al>Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een
                        gemeentelijke verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet
                        van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is
                        bepaald. Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de
                        Algemene termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>Algemeen </al><al>Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van
                        kracht, die - na een intussen verstreken overgangsperiode - voor het gebied
                        buiten de bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of
                        meer bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften
                        van de bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het
                        gebied binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele
                        aanvulling op de voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen
                        de toenmalige bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege
                        de aanwezigheid van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of
                        dorpsgezicht eveneens bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening ook binnen de
                        desbetreffende delen van de bebouwde kom slechts dienen ter eventuele
                        aanvulling op de voorschriften van dergelijke bestemmingsplannen. </al><al>Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van
                        de gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol
                        onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften
                        voor de toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het
                        is praktisch om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de
                        bouwverordening behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip 'bebouwde
                        kom', zoals dat voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke
                        Ordening, lijkt niet gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige
                        begrenzing kan worden afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening
                        behorende, kaart kan tevens worden gebruikt om op overzichtelijke wijze de
                        eventuele gebieden aan te duiden die zijn vrijgesteld van welstandstoezicht.
                        In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan
                        continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de
                        voorschriften voor de ligging van de rooilijnen en die voor de
                        maximumbouwhoogten. Daarom zijn in veel gemeenten de begrenzingen van de
                        bebouwde kom en die van het buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van
                        de bouwverordening 1965 naar de bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf
                        dat daardoor het begrip 'bebouwde kom' in de zin van de bouwverordening
                        meestal verschilt van het begrip 'bebouwde kom' in de zin van de
                        wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het Besluit op de
                        ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april 2000 is gewijzigd. Bij de
                        herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens
                        belangrijker geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan
                        zonder uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van
                        een volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van
                        de bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening van de
                        werkingssfeer van het bestemmingsplan en de bouwverordening zijn bovendien
                        verdwenen bij de komst van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name
                        ten aanzien van bestaande bestemmingsplannen die in het verleden onbewust
                        onvolledig blijken te zijn vastgesteld. Tevens lijken de stedenbouwkundige
                        voorschriften van de bouwverordening vanaf 2003 nog belangrijker te zijn
                        geworden, omdat de vroegere meldingsplichtige bouwwerken niet onder de
                        werking van de (stedenbouwkundige voorschriften van de) bouwverordening
                        vielen, maar de huidige licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wel. Door
                        dit alles kan een duidelijke afbakening van de bebouwde kom in de zin van de
                        bouwverordening in relatie tot eventuele plangrenzen en grenzen van
                        'welstandsvrije' gebieden van groter gewicht blijken dan in vroeger jaren.
                        </al><al/><al><vet>2 De aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>Algemeen </al><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking
                        hebben op de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw
                        artikel 40a opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van
                        bestuur voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en
                        indiening van een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te
                        leggen bescheiden. Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De
                        voorschriften van dit besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste
                        serie wijzigingen van de Model-bouwverordening in paragraaf 1 en enkele in
                        paragraaf 2 opgenomen artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen
                        materiële wijziging beoogd ten opzichte van deze vervallen artikelen. De
                        overige paragrafen van hoofdstuk 2 bevatten inhoudelijke criteria, waaraan
                        de aanvraag om bouwvergunning wordt getoetst c.q. moet voldoen. De wet
                        Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb. 2002,
                        347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni
                        2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                        ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door b&amp;w
                        wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt
                        gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie
                        van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                        aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de
                        gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan
                        voor b&amp;w aanleiding zijn de bouwvergunning te weigeren. Bijlage 1 bij
                        het standaard formulier voor het aanvragen van een bouwvergunning bevat een
                        checklist. In deze checklist is vermeld dat burgemeester en wethouders de
                        aanvrager informeren of en zo ja, welke gegevens en bescheiden de aanvrager
                        dient in te dienen in verband met de Wet BIBOB.De veegwet zal niet eerder
                        dan 1 januari 2004 van kracht worden. Het vragen van een advies door b&amp;w
                        is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd,
                        schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om bouwvergunning met
                        acht weken op. Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni
                        2004 van kracht geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet
                        zijn gewijzigd. Zie Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van
                        het ministerie van Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de
                        Wet Bibob in relatie tot de Woningwet (070-3704600 of
                        www.justitie.nl/bibob). </al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden
                        (Stb. 1994, 1). Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen
                        burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid
                        is in de Awb opgenomen. Hiermee is tevens de Wet arob komen te vervallen.
                        Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, wordt nu ook geregeld
                        door de Awb. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen
                        van een gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een
                        algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt
                        voorzien, van rechtswege op te gelden. </al><al>De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning De gefaseerde
                        vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet zelf
                        uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en
                        wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning
                        desgevraagd gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om
                        wel of geen gefaseerde vergunningverlening aan te vragen. Daarnaast biedt
                        artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester en wethouders de
                        facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening
                        (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de achtste serie wijzigingen
                        in de Model-bouwverordening was opgenomen. Een belangrijk verschil tussen de
                        gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel 56a van de Woningwet 2002 en
                        de facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening op
                        grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning onder voorwaarden) is
                        dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de procedure van de
                        gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en wethouders
                        verplicht zijn een aanvraag om een reguliere bouwvergunning gefaseerd te
                        behandelen, terwijl in het laatste geval burgemeester en wethouders bevoegd
                        zijn te in te stemmen met de verlening van een bouwvergunning op
                        hoofdlijnen. </al><al>Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning Aan de bouwvergunning kunnen
                        voorwaarden worden verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over
                        het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich
                        ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van
                        hetgeen is bepaald in artikel 4.11. Veelal is het nodig voor de fractie
                        gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij elkaar
                        mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten
                        ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden
                        aan een voorwaarde voor de verpakking. </al><al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie Voor een overzicht van de jurisprudentie
                        met betrekking tot de indieningsvereisten van een aanvraag om bouwvergunning
                        zoals die tot de achtste serie wijzigingen ook al was opgenomen in de
                        Model-bouwverordening 1992, zie de losbladige uitgave 'Standaardregelingen
                        in de bouw' van de VNG Uitgeverij. </al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging</vet></al><al>Inleiding </al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot
                        doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel
                        2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel
                        is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een
                        bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de
                        relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit
                        indieningsvereisten. </al><al>Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003
                        vervallen. Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles
                        beschreven over het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de
                        bouwverordening. </al><al>In verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1
                        januari 2003 is bij de achtste serie wijzigingen van de MBV een reeks
                        artikelen vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer
                        uit vragen uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen
                        de MBV en genoemd Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat
                        betreft de regeling inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van
                        toepassing zijnde normen en protocollen. In feite ontbrak de materie die
                        voorheen was geregeld in het tweede tot en met het vierde lid van het
                        vervallen artikel 2.1.5. In een overleg met het ministerie van VROM is
                        uitgesproken dat op termijn de hele materie van het bodemonderzoek in
                        landelijke regelgeving wordt neergelegd, doch dat dit nog enige tijd zal
                        duren voordat het zover is. Omdat het onverantwoord wordt geacht deze
                        periode over een gebrekkige regelgeving te beschikken, is tevens in dit
                        overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing de MBV wordt aangevuld met
                        een nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een wijziging van de
                        bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging van landelijke
                        regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5 maakt het
                        tevens noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien. Met
                        betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG
                        circulaire van 15 juli 2003, nr. MG 2003-18. De hierna vermelde toelichting
                        per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces
                        staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide
                        toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. </al><al>Lid 1 </al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                        onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                        wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                        onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien
                        het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de
                        locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het
                        derde lid besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het
                        verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar
                        asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend
                        om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003
                        ontwikkeld. In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden:
                        vooronderzoek, verkennend onderzoek en nader onderzoek. </al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                        beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                        wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de
                        gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog
                        steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente
                        maakt bekend, bij voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het
                        aanvragen van een reguliere bouwvergunning, dat en waar een dergelijke
                        beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu
                        of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                        organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                        uitbesteed. </al><al>Lid 2 </al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op
                        1 januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting
                        niet voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang
                        gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van
                        artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van
                        het bouwen dat, hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang
                        gelijk te stellen is aan bouwvergunningsvrij c.q.
                        licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in het ‘Bblb’. Daarbij kan
                        bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen van een tuinschuurtje bij of
                        een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in deze gevallen dus geen
                        bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de aanhoudingsregeling
                        van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van toepassing zijn op
                        aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning, namelijk in het geval
                        dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden
                        bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval
                        van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a,
                        eerste lid Woningwet). De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling
                        of een bodemonderzoek is vereist geen rol te spelen. </al><al>Lid 3 </al><al>Het begrip 'bruikbare onderzoeksresultaten' houdt in dat in ieder geval een
                        onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is. </al><al>Lid 4 </al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                        klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                        categorie betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend.
                        De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. </al><al>Lid 5 </al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                        voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van
                        deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                        gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet
                        altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom
                        behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden
                        ingediend. Of zoals de toelichting bij de bijlage van het Besluit
                        indieningsvereisten vermeldt "Dit tijdstip kan in een voorwaarde bij de
                        bouwvergunning worden vastgelegd op basis van het bepaalde in artikel 56 van
                        de Woningwet." </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</vet></al><al/><al><vet>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</vet></al><al>De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de MBV
                        opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van
                        uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor
                        het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was
                        in artikel 2.2.1 MBV opgenomen dat de aanvrager door of namens burgemeester
                        en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de datum van
                        ontvangst is vermeld. In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds 1
                        januari 2003 een dergelijke bepaling, die in verband met de fatale
                        beslistermijnen in de bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007
                        voorziet het nieuwe artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat
                        burgemeester en wethouders de ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen
                        en een ontvangstbevestiging van de bouwaanvraag verzenden. Gelet op de
                        sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet op
                        termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over
                        beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de
                        lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes
                        weken en twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter
                        uitzonderingen. Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van
                        het feit dat op een aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een
                        vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening nodig is, de termijn van zes weken
                        (lichte-bouwvergunning/bouwvergunning eerste of tweede fase) of twaalf weken
                        (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing is; zie artikel 46 en 49 van
                        de Woningwet. Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk
                        twaalf weken betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel
                        4.5 van de Algemene wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op
                        grond van het bepaalde in de artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet,
                        dan wel het verdagen van de beslissing daarop. Ook de positie van de
                        derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van belang. Ter bescherming
                        van de positie van derden-belanghebbenden regelt artikel 41 van de Woningwet
                        de openbare bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning. Om te vermijden
                        dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief verleende
                        bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken ingevolge de
                        Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen op de
                        termijn van zes respectievelijk twaalf weken voor hen kenbaar zijn. Vanaf
                        2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van zes
                        of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter
                        nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een
                        aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de beslissing
                        over een aanvraag om bouwvergunning. </al><al/><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                            bouwvergunningverlening</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen bodemonderzoek</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>Artikel 58 van de Woningwet regelt dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een
                        naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief
                        verleende bouwvergunning. De termijn voor het geven van schriftelijk bericht
                        is door de Woningwet gesteld op twee weken. De bouwverordening dient alleen
                        de inhoud van het bericht te regelen. Zo nodig kan dit artikel worden
                        aangepast aan plaatselijke omstandigheden en gebruiken. </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al>Algemeen </al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                        gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op
                        te nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het
                        derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze
                        voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de
                        redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening
                        niet is toegestaan. Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige
                        artikel sluiten nauw aan bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen
                        grote verschillen ontstaan. De verschillen die er zijn, betreffen de
                        aanduiding van de categorie waarvoor het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken
                        waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist. De bouwwerken waarvoor een
                        zogenoemde lichte bouwvergunning volgens artikel 44, derde juncto eerst lid
                        van de Woningwet is vereist, vallen buiten deze onderzoeksplicht. Dit volgt
                        uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het Besluit indieningsvereisten,
                        waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte bouwvergunning de gegevens
                        en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van hoofdstuk 1 van de
                        bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend. De plicht tot het indienen
                        van een onderzoeksrapport staat in paragraaf 1.2.5 onder e van hoofdstuk 1
                        van de bijlage bij genoemd besluit. Derhalve geldt de plicht tot het
                        indienen van een bodemonderzoeksrapport niet voor een aanvraag om een lichte
                        bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt niet geheel overeen met de
                        categorie meldingplichtige bouwwerken van voor de wetswijziging van 2003.
                        Indien burgemeester en wethouders op andere wijze dan via bedoeld
                        bodemonderzoek ermee bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd is
                        (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht bodemonderzoek of historisch
                        onderzoek), kunnen zij ook in geval van een aanvraag om een lichte
                        bouwvergunning van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport verlangen. In
                        artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen het onderzoek naar de
                        gesteldheid van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven dat geen
                        bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij
                        regulier-bouwvergunning-plichtig bouwen dat naar aard en omvang gelijk is
                        aan bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwen.Voorts worden
                        hieronder bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven
                        waaronder burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing
                        kunnen verlenen van de plicht tot het (doen) verrichten van bodemonderzoek.
                        De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1 januari
                        2003 niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit
                        indieningsvereisten geregeld. De structuur is als volgt: </al><lijst><li nr="·"><al>De voorprocedure - voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om
                                bouwvergunning - waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de
                                milieudienst, een oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het
                                onderzoeksrapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een
                                aanvraag om bouwvergunning overbodig geworden nu de NEN 5740 deze
                                materie nagenoeg geheel bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel
                                heeft over de keuze van de onderzoeksopzet staat het hem vrij
                                hierover bij de desbetreffende dienst of afdeling van de gemeente
                                informatie te vragen en een vooroverleg te voeren. In dit
                                vooroverleg kan tevens aan de orde komen de vraag of en zo ja voor
                                welke gegevens ontheffing wordt verleend van het onderzoek naar de
                                bodemgesteldheid.</al></li><li nr="·"><al>Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een
                                reguliere bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport
                                betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus paragraaf
                                1.2.5 onder e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het Besluit
                                indieningsvereisten. </al></li><li nr="·"><al>Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel
                                2.1.5 uit de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend
                                onderzoek volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, inclusief
                                correctieblad C1, uitgave 2000 en NEN 5707, uitgave 2003. Voordat
                                een verkennend onderzoek wordt uitgevoerd moet een vooronderzoek
                                volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden uitgevoerd ten behoeve van
                                het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele
                                onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de
                                historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht
                                is, verlenen burgemeester en wethouders op grond van het derde lid
                                van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht
                                tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf
                                1.2.5 onder e als hiervoor genoemd. Duidt het vooronderzoek op de
                                aanwezigheid van diffuse of puntbronnen, dan dient daarnaast
                                onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde protocol uit de
                                Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (oktober 1993,
                                ISBN 90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht
                                verkregen in de algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel en de
                                aanwezigheid van puntbron(nen) gebonden verontreiniging(en). Wanneer
                                uit het verkennend onderzoek blijkt dat sprake is van
                                bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor geldt
                                het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN
                                90-12-09083) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave
                                1995, ISBN 90-12-08232-3). Het beoordelingskader waarmee kan worden
                                voorkomen dat de aanwezigheid van asbest in de bodem op een
                                bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is aangevuld met de
                                onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie, Monsterneming en analyse
                                van asbest in bodem). Indien voorafgaand aan een verkennend
                                bodemonderzoek conform NEN 5740 een vooronderzoek volgens NVN 5725
                                wordt uitgevoerd, kan de aanwezigheid van asbest in de bodem worden
                                onderzocht door daaraan een onderzoek volgens NEN 5707 te koppelen.
                                De norm is van toepassing op asbest in bodem en grond met minder dan
                                20% puin. Op de bepaling van asbest in bodem met meer dan 20% puin
                                is NEN 5897, uitgave 2005 ‘Monsterneming en analyse van asbest in
                                onbewerkt bouw- en sloopafval en puingranulaat’ van toepassing
                                .</al></li><li nr="·"><al>Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd.
                                Dit kan zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of
                                nadat dit verzoek is ingediend. De ontheffing van de
                                onderzoeksplicht houdt niet in dat niet getoetst wordt aan het
                                verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In het kader van de
                                grondpolitiek, de planologie, het bodem- of milieubeleid beschikt de
                                gemeente in voorkomende gevallen al over onderzoeksresultaten. Het
                                criterium voor het verlenen van een ontheffing is dus een eerder
                                onderzoek, dat kwalitatief aan het onderzoeksrapport gelijkwaardige
                                informatie heeft opgeleverd. Is het terrein niet eerder onderzocht,
                                dan vormt het feit dat in de gemeentelijke archieven bruikbare
                                informatie voor een historisch onderzoek te vinden is, uiteraard
                                geen grond voor een ontheffing. Het eerdere onderzoek kan door de
                                gemeente in eigen beheer gebeurd zijn. De situatie waarin de
                                gemeente een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en verkocht, leent
                                zich bijvoorbeeld goed voor een ontheffing. Verder kan de aanvrager
                                of een eerdere rechthebbende in een ander verband dan de aanvraag om
                                bouwvergunning onderzoeksgegevens aan de gemeente hebben overgelegd.
                                Voorwaarde bij dit alles is wel dat de bij de gemeente bekende
                                informatie actueel genoeg is. De actualiteitswaarde van de
                                onderzoeksresultaten bedraagt maximaal twee tot vijf jaar,
                                afhankelijk van de aard en mate van de verontreiniging en het
                                bodemgebruik na het uitvoeren van het onderzoek. Overwogen zou
                                kunnen worden om, in verband met de krappe termijnen, deze
                                ontheffingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders te mandateren.
                                De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling
                                van de compleetheid van de stukken in verband met toepassing van
                                artikel 4:5 juncto 4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan
                                het lastig en wellicht niet goed realiseerbaar zijn om binnen die
                                termijn ook de mogelijkheid van een ontheffing te beoordelen en bij
                                een gunstige uitkomst te verlenen. Daarom is de mogelijkheid en
                                wenselijkheid aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van
                                ontheffing te bezien en deze zo mogelijk te verlenen voordat de
                                aanvraag wordt ingediend. Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid
                                en behoedt de gemeente voor problemen met de fatale termijnen. </al></li><li nr="·"><al>Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen
                                ontheffing blijkt dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en
                                dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een
                                voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager
                                overeenkomstig artikel 47 van de Woningwet in de gelegenheid gesteld
                                de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al></li><li nr="·"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen
                                burgemeester en wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning
                                bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten
                                worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens
                                wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke
                                gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van
                                artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten.</al></li></lijst><al/><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen
                        in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid
                        zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                        grondslagen van de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij
                        de wetswijziging vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de
                        uitgangspunten van de Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften
                        in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming
                        waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens,
                        plant en dier centraal staat. </al><al/><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen </al><al/><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting
                        bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het
                        betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde
                        mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te
                        genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van
                        twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee
                        of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één
                        dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.
                        Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of
                        kweken van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                        nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                        waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd
                        als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel
                        eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                        algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt
                        die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                        verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK,
                        1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder
                        opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een
                        logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend
                        verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of
                        garage bij een woning. </al><al/><al>Bouwwerken die de grond niet raken </al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                        verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                        vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering
                        of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden
                        gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek
                        worden geëist. </al><al/><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging </al><al>De systematiek van de Woningwet gaat er van uit dat burgemeester en
                        wethouders het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige
                        gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de
                        voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Indien sprake is van
                        een ernstig geval van verontreinigde grond zijn gedeputeerde staten of
                        burgemeester en wethouders van de vier grote steden volgens de Wet
                        bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                        saneringsmaatregelen. </al><al/><al>Afstemming met Wet bodembescherming </al><al/><al>Met de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de
                        bouwvergunningsprocedure en de saneringsprocedure uit de Wet
                        bodembescherming. Op grond van artikel 52A van de Woningwet geldt er een
                        aanhoudingsverplichting voor aanvragen om bouwvergunning indien uit het
                        overgelegde bodemonderzoek blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate
                        is verontreinigd dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van
                        een geval van ernstige verontreiniging. Deze aanhoudingsplicht geldt ook als
                        bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden
                        bestaat dat de grond waarop gebouwd wordt in ernstige mate is verontreinigd.
                        In deze gevallen zal het gaan om bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek
                        behoefde te worden overgelegd, bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd
                        is voor het verblijf van mensen. Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het
                        derde lid van artikel 52A totdat het krachtens de Wet bodembescherming
                        bevoegde gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd. Ook eindigt de
                        aanhoudingsplicht indien het bevoegde gezag heeft vastgesteld dat geen
                        sprake is van een ernstig geval van verontreiniging. </al><al/><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk </al><al/><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden
                        kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging
                        geldt er voor de bouwvergunning geen aanhoudingsverplichting en moeten
                        burgemeester en wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen
                        sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg
                        dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel
                        burgemeester en wethouders de bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen
                        weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van
                        aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie
                        hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van de Model-bouwverordening.
                        Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                        aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                        bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                        saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de
                        bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend
                        kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de
                        bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan
                        noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                        verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                        termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                        welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort
                        niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is,
                        niet te leiden tot weigering van de bouwvergunning. In de voorwaarden van de
                        bouwvergunning kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd
                        moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als
                        saneringsvoorwaarden valt te denken aan: </al><lijst><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                                laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                                afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de
                                totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al/><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                        verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het
                        belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                        bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft
                        hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook bouwaanvragen waarbij
                        sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van
                        dit artikel worden afgedaan. Nadat het op grond van de Wet bodembescherming
                        bevoegde gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd en de aanhoudingsplicht
                        op grond van artikel 52A van de Woningwet is beëindigd, kan de
                        bouwvergunning worden verleend onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de
                        aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde
                        saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. </al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan </al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                        paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                        voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                        niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht
                        kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                        eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                        gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende
                        bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de
                        Model-bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid
                        in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan
                        anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat
                        er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp
                        betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval.
                        Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval
                        bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                        stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de
                        bouwverordening het bestemmingsplan aan. Alvorens in een concreet geval tot
                        aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een
                        drieledige toets te worden uitgevoerd: </al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt
                                het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden
                                gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                                aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord
                                op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien
                                of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                                voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                                werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                                gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of
                                nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient
                                aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van
                                artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al/><al>Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een
                        bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze
                        laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV.
                        Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te
                        introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een
                        minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende
                        beleidsinzichten onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake
                        blijft van continuiteit van de stedenbouwkundige eisen in de
                        (model)bouwverordening sinds 1965. De voorschriften van stedenbouwkundige
                        aard zijn afgeleid van de stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV.
                        Deze oude voorschriften zijn geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten
                        alternatieven geboden. Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige
                        voorschriften zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie
                                artikel 9 van de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een
                                bestemmingsplan van kracht is, moet worden aangenomen, dat de
                                stedenbouwkundige voorschriften slechts rechtskracht hebben, voor
                                zover het bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn
                                kracht beroofd wordt. Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet
                                heeft ten opzichte van het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel
                                een verduidelijking ondergaan. De voorschriften van de
                                bouwverordening treden alleen terug, als het bestemmingsplan over
                                hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften bevat of als het
                                bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt, dat de voorschriften van de
                                bouwverordening terugtreden.Uit jurisprudentie blijkt dat onder
                                bepaalde voorwaarden de conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet
                                zodanig kan worden toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan
                                de bepalingen van de bouwverordening opzij kan zetten. Indien met
                                toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                                geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht geworden
                                bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de plaats treedt
                                van het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het verlengde
                                daarvan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de voorgrond
                                treden bij de toepassing van de conflictregel. In deze hoedanigheid
                                kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de
                                bouwverordening terzijde schuiven. Een eerste vereiste hiervoor is
                                dat er sprake is van een ontwerpbestemmingsplan dat reeds een
                                voldoende concreet toetsingskader biedt en waarvan redelijkerwijs te
                                verwachten is dat het onherroepelijk zal worden. Een tweede vereiste
                                is dat met de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de
                                vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of
                                het bouwplan past binnen het ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets
                                moet ook bezien worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig
                                is met de bouwverordening, waarbij de conflictregel wederom aan de
                                orde komt. Als onder deze omstandigheden blijkt dat de
                                bouwverordening voorschriften geeft die niet overeenstemmen met het
                                toekomstige bestemmingsplan, dan blijven deze voorschriften bij de
                                toetsing van het concrete bouwplan buiten toepassing. Voor gebieden
                                waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus een anticipatie op voet
                                van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet aan de
                                orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de mogelijkheid (Nb. Zie
                                hierna de toelichting bij artikel 2.5.29 waarin wordt ingegaan op de
                                per 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening) om
                                vrijstelling te verlenen van de verboden tot bouwen met
                                overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het
                                bouwplan past in het toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt
                                daarbij de eis dat dit bestemmingsplan het stadium van 'intern
                                praatstuk' is gepasseerd, hetgeen in het betreffende artikel nader
                                is geconcretiseerd.(Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995, blz. 671, Gst.
                                7022, 9, m.nt. De Gier. Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB
                                1987,135). </al></li><li nr="·"><al>De tweedeling in (licht-)bouwvergunningplichtig en vrij bouwen. De
                                stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                                bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het
                                hoofd worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in
                                van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten altijd
                                bouwvergunningplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn
                                aangepast aan artikel 43 van de Woningwet en het ‘Bblb’</al></li><li nr="·"><al>Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de
                                MBV parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van
                                parkeerartikelen is mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit
                                vooralsnog geen regeling ter zake zal bevatten.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>Van verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 t/m 2.5.29 is
                        ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van omwonenden
                        beïnvloed worden. Tot en met de achtste serie wijzigingen MBV gaf artikel
                        2.5.1 een begrenzing van die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar
                        voor een onredelijke benadeling van belangen van de omwonenden tegen te
                        gaan. Deze bepaling hield in dat </al><lijst><li nr="a."><al>een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht
                                krijgen dat tot een bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet
                                meer voldoende licht en lucht zou kunnen toetreden, dan wel dat de
                                goede werking van schoorstenen en ventilatiekanalen zou worden
                                belemmerd.</al></li><li nr="b."><al>bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning moest worden
                                aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende terreinen zijn
                                bebouwd tot de hoogte en de oppervlakte die ten hoogste zonder
                                vrijstelling of ontheffing mogelijk zijn krachtens bestemmingsplan,
                                de bouwverordening of enige andere verordening.</al></li><li nr="c."><al>Bij overschrijding van een of meer van de onder b bedoelde maxima
                                door een bestaand bouwwerk in afwijking van het gestelde onder b
                                moest worden uitgegaan van de werkelijke afmetingen van dat
                                bouwwerk.</al></li></lijst><al>Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier
                        bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet
                        gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de
                        eigenaar van het bestaande gebouw overeenkomen dat op kosten van
                        eerstgenoemde de nodige veranderingen aan het bestaande pand worden
                        aangebracht (bijvoorbeeld grotere of andere ramen, mechanische gasafvoer
                        e.d.). Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering
                        gemeentebestuur heeft de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de
                        bevoegdheid om op grond van artikel 148 Gemeentewet bij verordening
                        beleidsregels (i.c. richtlijnen) vast te stellen, waarmee andere
                        bestuursorganen van de gemeente (i.c. B&amp;W) rekening dienen te houden bij
                        de uitoefening van bij of krachtens de wet verleende bevoegdheden. Het
                        belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in de artikelenreeks 2.5.2
                        tot en met 2.5.29 MBV blijft echter ook na 7 maart 2002 onverkort aanwezig.
                        Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor bestuursorganen om voor
                        eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De inhoud van het
                        vervallen artikel 2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij besluit van
                        burgemeester en wethouders opnieuw worden vastgesteld en bekendgemaakt. Een
                        andere oplossing zou kunnen zijn dat de gemeenteraad bijvoorbeeld in een
                        beleidsnota de kaders aangeeft, waarbinnen het college van b&amp;w zijn
                        bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo'n beïnvloeding van het collegebeleid
                        kan echter alleen in politieke zin gehandhaafd worden! </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan
                        wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is
                        geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag
                        voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze
                        bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf
                        van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet
                        alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen
                        gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden. Indien de maat in het
                        eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald, dan
                        correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge het
                        Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust - een brievenbus aan het tuinhek
                        moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus.
                        De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens
                        de voorkeur, omdat anders de lengte van de blusslangen te groot wordt.
                        Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de
                        zin van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel
                        kan de bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas
                        mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen
                        voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de
                        aanvrager van de bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een
                        toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op
                        het wegennet. Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor
                        het aanleggen van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model
                        voor de algemene plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een
                        privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke
                        toestemming tot uitwegen is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet
                        nodig voor het aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen. </al><al>Lid 2 </al><al>Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de
                        achtste serie wijzigingen van de Model-bouwverordening 1992 (d.d. najaar
                        2002) is doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet
                        meer toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg
                        Boxmeer). De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op
                        het gebruik door gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's,
                        brandweerauto's e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De
                        eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een
                        sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde
                        gangbare vrachtauto's. Lid 4 </al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                        aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke
                        opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                        plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt. </al><al>Lid 5 </al><al>Indien een toereikende openbare bluswatervoorziening afwezig is moet worden
                        zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.
                        Voor informatie wanneer van het laatste sprake kan zijn, zij verwezen naar
                        hoofdstuk 2 en de bijlagen van de “Handleiding Bluswatervoorziening en
                        bereikbaarheid” (Uitgave Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en
                        Rampenbestrijding).</al><al>Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een: </al><lijst><li nr="a."><al>aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;</al></li><li nr="b."><al>aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater
                                zijnde;</al></li><li nr="c."><al>speciaal gegraven blusvijver;</al></li><li nr="d."><al>ander oppervlaktewater;</al></li><li nr="e."><al>waterput of bron.</al></li></lijst><al> Lid 6 </al><al>De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun
                        aard, ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen
                        opstelplaats voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden:
                        recreatiewoonverblijven die aan het water liggen en over een aanlegsteiger
                        beschikken, bergplaatsen voor materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande
                        boerenschuren, schuilhutten e.d. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt. Dit houdt verband met de
                        inwerkingtreding per 1 november 2008 van het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken (‘gebruiksbesluit’).</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het
                        Bouwbesluit die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor
                        al dan niet gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld,
                        wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet
                        beschikken. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin
                        de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                        gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                        voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan
                        verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: b
                        langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd: </al><lijst><li nr="·"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                                afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="·"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                                bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="·"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn opgenomen. Het onderhavige verbod geldt niet voor
                        bouwvergunningvrije bouwwerken. Het geldt dus wel voor
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans voorzover in het ‘Bblb’
                        niet anders is bepaald, en voor bouwvergunningplichtige bouwwerken. Indien
                        een bouwvergunningvrij bouwwerk wordt gebouwd in, op, aan of bij een
                        monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een monument, als bedoeld
                        in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, dan wel in een
                        beschermd stads- of dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, dan
                        is een dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering
                        licht-bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het
                        ‘Bblb’. Zie tevens artikel 2.5.8, eerste lid, onder g. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet>
                        Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het ‘Bblb’. Door de
                        verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                        mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige
                        werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal-
                        benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit
                        betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het
                        onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) licht-, dan wel
                        regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt echter
                        niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                        onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                        samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie
                        van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p.
                        18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                        onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel
                        uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod
                        tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                        zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het ‘Bblb’ kent betreft een uitbreiding van het bebouwd
                        oppervlak. Bij het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard
                        mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke
                        vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de
                        rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus bouwvergunningplichtig. Zie
                        de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                        bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen van
                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van
                        het ‘Bblb’ kunnen worden beschouwd: </al><lijst><li nr="1."><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters
                                en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                                hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                                dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                                uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden
                                dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen burgemeester en
                                wethouders dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op te
                                treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het
                                gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen,
                                maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening
                                van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel
                                a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                                punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de
                                woorden ', te weten:'. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                        2.5.29 nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een
                        bestemmingsplan in voorbereiding is. Artikel 2.5.8 is afgestemd op de
                        artikelen 2 en 3 van het ‘Bblb’. De vermelding de artikelen 2 en 3 van het
                        ‘Bblb’ in artikel 2.5.8 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                        bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen
                        genoemd zijn in de artikelen 2 en 3 van het ‘Bblb’, uit te sluiten. Lid 1,
                        ad b Deze bepaling maakt het mogelijk om ontheffing te verlenen voor op het
                        eigen voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het ‘Bblb’. De vermelding van
                        artikel 3 van het ‘Bblb’ in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het
                        misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die
                        als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het ‘Bblb’, uit te sluiten.
                        Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al>Lid 4, onder a </al><al>Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar
                        behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen. </al><al>Lid 4, onder f </al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                        zolderverdiepingen e.d. </al><al>Lid 4, onder g </al><al>Deze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een
                        ruim voorterrein vragen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage. </al><al>Lid 1, onder a </al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                        achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                        dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel
                        2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn opgenomen. Het geheel achter de achtergevelrooilijn
                        bouwen moet overigens opgevat worden als een - verboden - overschrijding van
                        de achtergevelrooilijn. Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd
                        monument of in een van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn
                        normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering
                        bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het ‘Bblb’.
                        Zie tevens artikel 2.5.14, lid l. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op het ‘Bblb’. De redenering is dat bij een
                        eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                        aangebracht kunnen worden als bouwvergunningvrij met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag
                        om bouwvergunning, is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van
                        de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. Twee punten zijn
                        van belang: </al><lijst><li nr="·"><al>De voor dit artikel van belang zijnde beperking die artikel 3,
                                eerste lid, onder k, van het ‘Bblb’ kent, betreft een uitbreiding
                                van de bebouwde oppervlakte. Bij het aanbrengen van veranderingen
                                van niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een
                                uitbreiding van de bebouwde oppervlakte.</al></li><li nr="·"><al>Wat betreft de aan- en uitbouwen die bouwvergunningplichtig zijn, is
                                het wel mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende werking
                                heeft. In dat geval hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de
                                bouwverordening geen betekenis. Voorzover het bestemmingsplan de
                                aan- en uitbouwen verbiedt, is vrijstelling mogelijk op grond van
                                artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. </al></li></lijst><al/><al>Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld
                        in artikel 3, eerste lid, onder k, van het ‘Bblb’. Als zodanig kunnen in het
                        algemeen worden beschouwd: </al><lijst><li nr="1."><al>uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters
                                en gevellijsten, plinten, enigszins uitspringende schoorsteenwanden
                                en hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                                dakoverstekken, dakgoten en kleine afdaken.</al></li></lijst><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                        artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van ontheffing ingeval van voorbereiding
                        van nieuw ruimtelijk beleid. Artikel 2.5.14 is afgestemd op het ‘Bblb’. De
                        vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                        bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die bouwvergunningvrij
                        zijn, uit te sluiten. Zie de term 'bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen
                        gebouw zijnde' onder h. Bij het verlenen van ontheffing ingevolge de
                        bepalingen van dit artikel dienen de richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en
                        2.5.2 in het bijzonder in acht te worden genomen, mede in het belang van
                        omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de
                        brandweer bereikbaar moet blijven. Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van
                        artikel 48, eerste lid, van de MBV 1965. </al><al>Ad a en g </al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                        bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                        bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                        omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                        winkelbebouwing. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                        'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit. Naleving van het onderhavige
                        voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen aan het bepaalde in
                        artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                        burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                        minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht. Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen
                        is tevens het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het
                        (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor
                        immers een beletsel. Lid 3 b, onder 1 Deze ontheffing is onder meer bedoeld
                        voor patiowoningen. Lid 3 b, onder 2 Indien één van de in dit lid genoemde
                        situaties zich voordoet en er dus open ruimte achter een gebouw is, zij het
                        dat deze niet bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende
                        'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de voorgeschreven erfgrootte kunnen
                        worden verleend. Lid 3 b, onder 3 Bij de beoordeling van de vraag of er
                        sprake is van een betering van de bestaande toestand zal een verkleining van
                        het erf tot geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts
                        aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties
                        in het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden.
                        In die gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering
                        van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht
                        moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de
                        vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                        bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht. Lid 2, onder a en b Bij het verlenen van ontheffing zal
                        onder meer rekening moeten worden gehouden met de ligging in het gebouw van
                        eventuele dienstwoningen. Bij het hanteren van de ontheffing dient bovendien
                        onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een
                        bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok
                        waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien
                        de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing minder ver mogen
                        gaan dan in het andere geval. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                        ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze
                        aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel
                        worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een
                        tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan
                        worden verleend, indien de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door
                        een opening in de zijgevel van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij
                        het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard
                        ook gelet moeten worden op het bepaalde in artikel 2.5.1. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                        recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                        beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde
                        voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                        erfafscheiding is in principe een bouwvergunningvrij bouwwerk op grond van
                        artikel 2, onder e, van het Besluit bouwvergunningvrije en
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans indien de daarin vermelde
                        beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden
                        genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de
                        bouwvergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de
                        voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de
                        bouwverordening. Eventueel kunnen burgemeester en wethouders op grond van
                        het tweede lid van laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen
                        van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein
                        dat geen erf, behorend bij een gebouw, is. Zie artikel 2.76 van het
                        Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van beweegbare delen van erf-
                        en terreinafscheidingen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet> Het eerste lid strekt tot
                        bescherming van het bouwvergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de
                        bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare
                        veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                        elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d. Het gehele
                        artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en
                        hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een bouwvergunning
                        aanwezig zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het gebied van een
                        bestemmingsplan, zolang de voorschriften van dat bestemmingsplan dit niet
                        uitsluiten of een andere regeling ter zake bevatten; zie artikel 9 van de
                        Woningwet 1991. Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen
                        bepalen, in hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                        hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is
                        het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan
                        worden verleend. De aan een ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in
                        het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het
                        bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                        lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                        bouwwerk. Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                        aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn
                        of de hoofdtransportleiding. Krachtens overeenkomst met de NV Nederlandse
                        Gasunie zal de gemeente van derden in elk geval het plegen van dergelijk
                        overleg verlangen, indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt
                        gebouwd. Voor hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen
                        praktische betekenis hebben, indien op het betrokken perceel een recht van
                        opstal is gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                        Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat geval heeft het recht van opstal niet
                        alleen betrekking op bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar ook op
                        bouwvergunningvrije. Meestal betreft het dan vrij te houden stroken van 2 x
                        30 meter, waarin echter onder voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde
                        bouwwerken, machines e.d. is toegestaan. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al><vet><cursief>Deze toelichting behoort bij het door Hilversum overgenomen
                                tekstalternatief 1 van de VNG</cursief></vet></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        is bedoeld. Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige
                        ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en
                        lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de
                        daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                        maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het
                        voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele
                        raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de
                        daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                        glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels
                        beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in
                        een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de
                        onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de
                        tegenoverliggende bebouwing.) Met het oog op de in het algemeen wenselijke
                        stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden
                        voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en
                        anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren
                        12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage. Een
                        voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                        vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal
                        een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende
                        invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle
                        gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke
                        onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de
                        uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16). </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet> Zie
                        ook de toelichting op artikel 2.5.20. </al><al/><al><vet><cursief>Deze toelichting behoort bij het door Hilversum overgenomen
                                tekstalternatief 1 van de VNG</cursief></vet></al><al>Lid 2 </al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt. De langs de
                        andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                        ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18). </al><al>Lid 4 </al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken met die
                        van het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de strekking is
                        onveranderd gebleven. Zie figuur 19. </al><al>Lid 2 </al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                        achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                        aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                        verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing
                        te verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                        voorgevel. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al>Lid 2 </al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al><vet><cursief>Deze toelichting behoort bij het door Hilversum overgenomen
                                tekstalternatief 1 van de VNG</cursief></vet></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Artikel 2.5.24 Hoofdlijnen van de jurisprudentie</al><al>De voorbeelden die hieronder worden gegeven van de jurisprudentie zijn na de
                        vermelding in de vorige bouwverordening, daterend uit 2006, overigens niet
                        bijgewerkt met actuele jurisprudentie en kunnen daarom zijn verouderd.</al><al>-Voor beoordeling van aanvaardbaarheid antennemast is de hoogte in
                        uitgeschoven toestand bepalend.</al><al/><al>Bij besluit van 29 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders van Helmond
                        geweigerd appellant een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van
                        een antennemast op het perceel gelegen aan de Anna Bijnsstraat 17 te
                        Helmond.</al><al>Vast staat dat de hoogte van de onderhavige antennemast meer bedraagt dan de
                        ingevolge artikel 2.5.24 van de Bouwverordening Helmond 1993 toegestane 15
                        meter. Burgemeester en wethouders waren derhalve reeds hierom op grond van
                        artikel 44, aanhef en onder b, van de Woningwet gehouden om de gevraagde
                        bouwvergunning te weigeren. Dat sprake is van een uitschuifbare antennemast,
                        die in ingeschoven vorm slechts 8,5 meter hoog is, brengt hierin geen
                        verandering. Voor de beoordeling van het bouwplan moet het bouwwerk in zijn
                        volle omvang worden bezien. Dat betekent hier dat beoordeeld moet worden of
                        een antenne met een hoogte van 18 meter ter plaatse aanvaardbaar is. </al><al>Niet kan worden staande gehouden dat op grond van artikel 10 van het Verdrag
                        tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in
                        samenhang met artikel 94 van de Grondwet, de bepaling uit de bouwverordening
                        die zich verzet tegen de oprichting van de onderhavige antennemast buiten
                        toepassing moet worden gelaten. Gelet op de opvallende situering van de nog
                        op te richten antennemast naast de schuur van appellant en de dominerende
                        hoogte van de antennemast in een door tuinen omringende woonomgeving, is
                        sprake van een situatie die een beperking van de door het eerste lid van
                        voormelde verdragsbepaling gewaarborgde rechten rechtvaardigt.</al><al>ABRS 12 augustus 1999, H01.99.0294</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                        binnenterreinen van gesloten bouwblokken. Een zadeldak is een dak, bestaande
                        uit twee schuine vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn.
                        nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun goot. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet></al><al>De voorbeelden die hieronder worden gegeven van de jurisprudentie zijn na de
                        vermelding in de vorige bouwverordening, daterend uit 2006, overigens niet
                        bijgewerkt met actuele jurisprudentie en kunnen daarom zijn verouderd.</al><al>-Door de aanleg van de weg op een binnenterrein is er geen sprake meer van
                        een binnenterrein, artikel 2.5.25 (Model-)bouwverordening is niet van
                        toepassing.</al><al>- Vz. ABRS 15 juni 1995, H01.95.0175/P90 en K01.95.0032.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Ad a </al><al>Artikel 2.5.27 is afgestemd op artikel 3 van het ‘Bblb’. De redenering is,
                        dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een
                        bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                        bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. Ad b </al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of
                        te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van
                        een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de
                        artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, zij het behoudens
                        vrijstelling ingevolge artikel 2.5.28, onder e. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet> Artikel 2.5.28 is afgestemd op artikel 3 van het
                        ‘Bblb’. De vermelding van artikel 3 van het ‘Bblb’ in artikel 2.5.28 is
                        vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis
                        zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het
                        ‘Bblb’, uit te sluiten. Bij het verlenen van ontheffingen dient bijzondere
                        aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2.
                        Ook kunnen welstandsoverwegingen worden betrokken bij het beoordelen van
                        verzoeken om ontheffing. </al><al>Ad e, onder 1 </al><al>Deze ontheffing zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft,
                        dat aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere
                        voorschriften hoger is dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan
                        een gaaf straatbeeld worden verkregen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van
                            de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                            beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 (Bouwverordening Hilversum 2009) is, wat betreft de
                        verwijzing die voorkomt in het tweede lid, aangepast naar aanleiding van de
                        per 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening, die in de
                        plaats komt van de Wet op de Ruimtelijke ordening.</al><al>In plaats van naar artikel 20 Bro en artikel 19, lid 2 Wro, wordt nu
                        uitsluitend verwezen naar artikel 4.1.1 Besluit ruimtelijke ordening. Voor
                        zover de voorgaande Wet op de ruimtelijke ordening nog een rol zou kunnen
                        spelen wordt dit geregeld door een overgangsregeling in het besluit tot
                        vaststelling van deze Bouwverordening Hilversum 2009. </al><al>Ten aanzien van het hiervoor genoemde artikel 19, lid 2 WRO nog het
                        volgende. De verwijzing naar een mogelijke ontheffing voor een
                        bouwactiviteit die valt onder het beleid van de provincie inzake artikel 19,
                        lid 2 WRO is vervallen, omdat er voor dit artikel in de – in plaats van de
                        WRO in werking getreden – Wro niet een vergelijkbare regeling is
                        teruggekomen. Om toch een ruimere ontheffingsmogelijkheid te creëren dan
                        alleen bouwactiviteiten die voorkomen in artikel 4.1.1 Bro – zoals hiervoor
                        met artikel 19, lid 2 WRO – had gerealiseerd kunnen worden door ook de
                        verwijzing naar artikel 4.1.1 Bro te schrappen en zo de ontheffing mogelijk
                        te maken voor élke bouwactiviteit, mits in overeenstemming met in
                        voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid. Dat komt echter niet
                        overeen met de systematiek van de Wro. Omdat voorts in de ‘nieuwe’ Wro de
                        termijn van totstandkoming van een bestemmingsplan is verkort in
                        vergelijking met de hiervoor geldende WRO is het ook een reële mogelijkheid
                        om in gevallen dat deze noodzaak bestaat hiervoor een bestemmingsplan vast
                        te stellen.</al><al>Voor zover de voorgaande Wet op de ruimtelijke ordening nog een rol zou
                        kunnen spelen is hierin voorzien door een overgangsregeling in het besluit
                        tot vaststelling van deze Bouwverordening Hilversum 2009. Hierna volgt de
                        toelichting op artikel 2.5.29 zoals deze in de MBV nog voorkomt, uitgaande
                        van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. </al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in zijn relatie met de overige stedenbouwkundige
                        ontheffingen uit de MBV, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de
                        buitenplanse vrijstellingsregelingen van artikel 17 en 19 WRO en anderzijds
                        de binnenplanse (d.w.z. opgenomen in het bestemmingsplan zelf)
                        vrijstellingen ex artikel 15 WRO. Deze analogie doordenkend is paragraaf 2.5
                        MBV te beschouwen als een deel van een pseudo-bestemmingsplan en zijn de
                        artikelen 2.5.8, -14 en -28 te beschouwen als drie 'binnenplanse'
                        ontheffingen. Artikel 2.5.29 is dan te beschouwen als de 'buitenplanse'
                        ontheffing. Zie ook algemene toelichting bij paragraaf 2.5. Als gevolg van
                        de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                        (afdeling 3.4) in de Awb per 1 juli 2005 is het niet meer mogelijk om de
                        minimale wettelijke termijn voor de terinzagelegging en het naar voren
                        brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekende de invoering
                        van een (deels) zelfstandige projectenprocedure (artikel 19, lid 1 WRO), de
                        aangewezen projectenprocedure (artikel 19, lid 2 WRO) en de algemene
                        vrijstellingsregeling (artikel 19, lid 3 WRO juncto artikel 20 Bro). De
                        laatste twee vrijstellingsregelingen kennen in beginsel geen preventief
                        provinciaal toezicht meer (verklaring van geen bezwaar). Deze relatie tussen
                        2.5.29 MBV en de nieuwe formulering (3/4/2000) van artikel 17 en 19 WRO
                        leidt tot een nieuwe opzet van artikel 2.5.29 MBV. De regeling in de
                        artikelen 17, 18, 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in
                        combinatie met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening hebben
                        model gestaan voor de aanpassing van dit artikel. Geconcludeerd werd dat de
                        reikwijdte van artikel 2.5.29 MBV grote overeenstemming vertoont met artikel
                        20 Bro. Laatstgenoemd artikel geeft aan welke initiatieven (bouwen en
                        gebruiken) in strijd met het bestemmingsplan met een eenvoudige vrijstelling
                        van burgemeester en wethouders afgedaan kunnen worden. Dit betreft met name
                        in de bebouwde kom substantiële vergrotingen van de algemeen toegestane
                        bouwvolumina, verdergaand dan waarvoor op grond van onder meer de artikelen
                        2.5.14 MBV en 2.5.28 MBV ontheffing kan worden verleend (het gaat meestal
                        niet om uitbreidingen van bestaande gebouwen, maar om nieuwe gebouwen die
                        niet tussen de rooilijnen of onder de maximumbouwhoogte passen). Artikel
                        2.5.29 MBV maakt het mogelijk soortgelijke projecten te realiseren in
                        afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen van de MBV. Provinciaal
                        toezicht is in beide situaties niet aan de orde. Het betreft immers in vele
                        gevallen de bebouwde kom of het aanvullen van door Gedeputeerde Staten
                        goedgekeurde bestemmingsplannen. Vandaar dat er ook geen verplichte relatie
                        wordt gelegd met het zogenaamde artikel 10 Bro-overleg. Gegeven deze
                        gelijkenis ligt het voor de hand de ontheffing van artikel 2.5.29 MBV een
                        nagenoeg gelijke procedure toe te kennen als in artikel 19, lid 3 WRO en in
                        artikel 18 WRO. Lid 1 De verordeningstekst van het eerste lid bleef bij de
                        achtste serie wijzigingen (d.d. per 1 januari 2003) grotendeels
                        gelijkluidend aan de desbetreffende tekst die van 1983 tot 2001 vigeerde. De
                        woorden 'voor het bouwen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan geldt'
                        zijn vervallen, omdat niet slechts in het geval dat er geen bestemmingsplan
                        geldt gebruik gemaakt kan worden van artikel 2.5.29 MBV, doch ook indien er
                        een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een
                        heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken is;
                        zie ook de Algemene toelichting bij paragraaf 5 van de MBV onder 'Relatie
                        stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan'. Lid 2 De in lid 1, sub
                        a en b van het voorheen geldende artikel 2.5.29 (tot 1 januari 2003)
                        genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en ontwerpbestemmingsplan
                        zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij ruimtelijke vrijstellingen
                        de rechtstreekse relatie met een nieuw bestemmingsplan is komen te
                        vervallen. Het gaat nu over het ruimere begrip en toetsingskader 'kenbaar
                        planologisch (nieuw) beleid'. Sub a en b: doorverwijzing naar artikel 19,
                        lid 2 WRO alsmede naar artikel 20 Bro. Het gedachtegoed uit de algemene
                        toelichting bij dit artikel komt hier in wettekst tot uitdrukking. Sub c:
                        Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant? Op grond van oude
                        Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982, Gst. 6740, BR 1982, p. 887;
                        ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS 26 januari 1984, Gst.
                        6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS 2 augustus 1985, BR
                        1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat een in de
                        bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling 'een objectief bepaald,
                        althans bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent datgene waartoe de
                        ontheffing kan strekken. Dit betekent dat de mogelijkheid tot verlening van
                        ontheffing in relatie moet zijn gebracht met een redelijke verwachting dat
                        het bouwplan in overeenstemming zal zijn met 'een voldoende omlijnd, voor
                        alle belanghebbenden kenbaar, toekomstig planologisch kader.' De ARRS heeft
                        de eisen later wat afgezwakt, waarbij zij zo'n 'pseudo-anticipatieregeling'
                        in de bouwverordening niet als onverbindend aanmerkte waarin voor het kunnen
                        verlenen van ontheffingen slechts als eisen waren opgenomen dat
                        belanghebbenden vooraf waren gehoord en dat de GS een verklaring van geen
                        bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober 1985, AB 1986, 501 en ARRS 11
                        mei 1995, AB 1996. De afdeling is er in ieder geval steeds van uitgegaan dat
                        het materiële toetsingskader vergelijkbaar moet zijn met het toetsingskader
                        dat wordt gehanteerd bij toepassing van artikel 19 WRO. Voor het nieuwe
                        artikel 19 WRO moet men bedenken dat de toepassing ervan zonder
                        voorbereidingsbesluit slechts mogelijk is indien er een geldend
                        bestemmingsplan is dat jonger is dan tien jaar en er bovendien een goede
                        ruimtelijke onderbouwing is gegeven. In eerste instantie moet natuurlijk
                        gedacht worden aan een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een
                        goed gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan
                        een basis vormen. Ook is ander 'vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk
                        beleid', evenals bij de toepassing van artikel 19 WRO, zonder meer mogelijk
                        om de ontheffing op de baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                        structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                        bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota. Nadrukkelijk wordt echter ook ander
                        nieuw ruimtelijk beleid als inspiratiebron genoemd. Immers enkel
                        'vastgesteld en bekendgemaakt beleid' zal verstarrend werken want het kan
                        lang duren voordat zo'n beleid een feit is. Zo kan overeenstemming met een
                        voorontwerpbestemmingsplan waarmee de Provinciale Planologische Commissie
                        heeft ingestemd, al een voldoende basis zijn. Dit laatste spoort immers met
                        de jurisprudentie op artikel 19 WRO (oud) en ook met de eerste uitspraken
                        van lagere rechters inzake het nieuwe artikel 19 WRO (2000). Motivering De
                        eis van een 'goede ruimtelijke onderbouwing' geldt voor de vrijstelling van
                        het eerste en tweede lid van artikel 19 WRO. Voor de vrijstellingen van het
                        derde lid van artikel 19 WRO is deze eis niet gesteld. Uiteraard geldt voor
                        een dergelijk vrijstellingsbesluit zoals voor alle besluiten wel de eis van
                        een goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                        onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                        planologisch beleid. In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom
                        expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt
                        verleend 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk
                        beleid'. Er is dus, gezien ook de tekst van artikel 19, lid 3 WRO en artikel
                        17 WRO, niet gekozen om een 'goede ruimtelijke onderbouwing' te eisen voor
                        de artikel 2.5.29 MBV-ontheffing. Wel geldt natuurlijk het algemene
                        motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb en de relevante jurisprudentie
                        daarover. Er is overigens weinig jurisprudentie over artikel 2.5.29.'
                        Milieuzonering Ook bij deze ontheffing moeten burgemeester en wethouders
                        rekening houden met alle belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten
                        opzichte van hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De
                        relevante afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene
                        VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Lid 3 Bekendmaking/openbare
                        kennisgeving Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om
                        bouwvergunning binnen twee weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het
                        desbetreffende bouwplan kan worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met
                        de eisen van de MBV. Afdeling 3.4 Awb Dit betreft een paragraaf van regelend
                        recht die niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in de MBV. Er
                        geldt derhalve geen wettelijke verplichting om de procedure van afdeling 3.4
                        Awb te volgen bij de ontheffing ex artikel 2.5.29 MBV. Titel 4.1 Awb Deze
                        paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex
                        specialis) hier niet van afwijkt. Horen Het is niet gebruikelijk dat de
                        aanvrager om bouwvergunning gehoord moet worden (art. 4:7 Awb) bij het
                        voornemen van burgemeester en wethouders om de aanvraag te weigeren
                        aangezien het altijd een beschikking op aanvraag betreft. Voor wat betreft
                        de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er voor de aanvraag om
                        bouwvergunning een weigeringsgrond bestaat, hoeft de belanghebbende niet te
                        worden gehoord. Indien de gemeenten door middel van een ontheffing toch wil
                        meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen van een of meer buren
                        voor de beslissing relevant worden. In dat laatste geval zullen zij gehoord
                        moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254). Inspraak Inspraak is niet aan de orde
                        gezien de procedure analoog aan artikel 17/19, lid 3 WRO. Zienswijzen en
                        fatale termijnen Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene
                        termijnen van de Awb zijn al aangepast aan de bijzondere termijnen van de
                        Woningwet. Desondanks is het inpassen van behandelingstermijn en van de
                        zienswijzen onmogelijk in het systeem van fatale termijnen van de Woningwet.
                        Deze ontheffingsprocedure moet immers worden doorlopen binnen de
                        desbetreffende fatale termijnen van de Woningwet. Zolang echter de aanvraag
                        om een reguliere bouwvergunning kan worden verdaagd, lijkt het mogelijk om
                        beide procedures, inclusief het afwikkelen van de ingebrachte zienswijzen,
                        te volgen zonder dat er sprake hoeft te zijn van fictieve bouwvergunningen.
                        Op grond van jurisprudentie (VzARRvS, 25 november 1993 (Delft), BR 1994, p.
                        497) geldt echter nog steeds dat een fictieve bouwvergunning voor
                        onrechtmatig moet worden gehouden als er geen vrijstelling van de
                        bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet niet voorziet in de
                        mogelijkheid dat een op grond van de bouwverordening vereiste vrijstelling
                        van rechtswege wordt verleend. Relatie met de lichte bouwvergunningprocedure
                        De lichte bouwvergunning moet worden verleend binnen zes weken na de
                        aanvraag. Deze termijn kan niet worden verdaagd. Gesteld moet worden dat het
                        bij licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken om geringe afwijkingen moet
                        gaan van de rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en zij daarom kunnen
                        worden afgedaan met behulp van een ontheffing als bedoeld in de artikelen
                        2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28. Deze kennen geen voorbereidingsprocedure zodat er
                        geen knelpunten zijn met de termijn van zes weken. Als gevolg van de
                        inwerkingtreding van de nieuwe uniforme voorbereidingsprocedure (afdeling
                        3.4) in de Awb (voorzien medio 2004) is het niet meer mogelijk om de
                        minimale wettelijke termijn voor de ter inzagelegging en het naar voren
                        brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekent dat het
                        wettelijk gezien niet meer mogelijk is om een lichte-bouwvergunningprocedure
                        te doorlopen in combinatie met een procedure op grond van artikel 2.5.29
                        MBV. Indien een procedure op grond van artikel 2.5.29 MBV wordt doorlopen in
                        combinatie met een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase is het van
                        belang dat in een vroegtijdig stadium wordt onderkend dat als gevolg van de
                        nieuwe wettelijke termijn voor het indienen van zienswijzen een beslissing
                        op de bouwaanvraag binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk is. In
                        een dergelijke situatie zullen burgemeester en wethouders tijdig een
                        verdagingsbesluit moeten nemen om te voorkomen dat er een fictieve
                        bouwvergunning eerste fase ontstaat. Monumenten en stads- en dorpsgezichten
                        Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de
                        MBV analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere
                        categorie aangemerkt. Relatie met de gefaseerde bouwvergunning De gefaseerde
                        bouwvergunningprocedure mag worden verdaagd. Beide procedures, de
                        bouwvergunningprocedure en de ontheffingsprocedure, kunnen binnen de
                        termijnen worden doorlopen, mits, bij ingekomen zienswijzen, gebruik wordt
                        gemaakt van de verdagingsmogelijkheid. Rechtsbescherming Inzake deze
                        ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De
                        rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende bouwvergunning.
                        De beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in op.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al>Algemeen</al><al>Op veel plaatsen in Hilversum is de parkeerruimte in de openbare ruimte niet
                        of nauwelijks toereikend. Uitbreiding van openbare parkeerplaatsen is veelal
                        niet, of slechts tegen hoge kosten mogelijk.</al><al>Het uitgangspunt van het Hilversumse beleid is dat in parkeerruimte op eigen
                        terrein moet worden voorzien als een bouwvergunning of ontheffing Wro wordt
                        verleend ten gevolge waarvan de parkeerbehoefte toeneemt. Op deze wijze
                        wordt de toename van de parkeerdruk in de openbare ruimte beperkt, en wordt
                        de verantwoordelijkheid voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen
                        primair bij de ‘veroorzaker’ van de parkeervraag gelegd.</al><al>Het onderhavige artikel beoogt aansluiting te zoeken bij het rijksbeleid en
                        bij de landelijke parkeerkencijfers. Zie hiervoor verder bij de toelichting
                        onder lid 1.</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid formuleert de verplichting om voldoende parkeerruimte te
                        realiseren op eigen terrein. Burgemeester en wethouders kunnen beleidsregels
                        vaststellen voor de wijze waarop de parkeerbehoefte berekend wordt.</al><al>Vóór deze bouwverordening waren de beleidsregels een bijlage bij de
                        verordening. Deze beleidsregels differentiëren globaal naar
                        stedelijkheidsgraad/bereikbaarheid met openbaar vervoer, waarvoor Hilversum
                        is opgedeeld in drie gebieden (centrum, schil/overloopgebied en rest
                        bebouwde kom). De getallen zijn gebaseerd op de kengetallen van het CROW
                        (landelijke parkeerkencijfers, uitgebracht in 2003 in de vorm van publicatie
                        182 “Parkeerkencijfers- Basis voor parkeernormering” van dit nationale
                        kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur). Aan de hand van deze
                        normen kan per aanvraag in de concrete situaties de parkeereis worden
                        bepaald. Hierbij kan en dient rekening te worden gehouden met eventueel van
                        belang zijnde specifieke omstandigheden, die van belang kunnen zijn om naar
                        boven of naar beneden af te wijken.</al><al>Lid 2</al><al>De bedoeling van het tweede lid is om te bereiken dat de te realiseren
                        parkeerplaatsen feitelijk zodanige afmetingen hebben dat zij door een
                        normale personenauto gebruikt kunnen worden en dat er ook voldoende ruimte
                        is voor in- en uitstappen. Om die reden wordt de eis gesteld, dat ten
                        behoeve van de bruikbaarheid rekening moet worden gehouden met de situatie
                        en inrichting van de plek waar parkeerruimte wordt aangebracht (dit betreft
                        een toegevoegde vermelding in vergelijking met de MBV). De in de MBV
                        opgenomen minimum en maximum maten zijn ook hier opgenomen zodat de absolute
                        grenzen, die in elk geval niet dienen te worden overschreden, concreet
                        worden gemaakt.</al><al>Waar reguliere parkeerplaatsen met de vermelde minimummaat in de
                        lengterichting grenzen aan een trottoir of rijbaan kunnen deze eventueel aan
                        het doel beantwoorden. Waar dit niet het geval is (bijvoorbeeld haaks op de
                        rijbaan of trottoir gesitueerde parkeerplaatsen) zal deze maat voor gangbare
                        personenauto’s niet snel toereikend zijn. Om te beoordelen of
                        parkeerplaatsen in de gegeven situatie voor gangbare personenauto’s goed
                        bruikbaar zijn (onder andere een reële grootte hebben), rekening houdend met
                        - zie hiervoor - de situatie en inrichting van de plek, kunnen als leidraad
                        worden genomen de normen zoals opgenomen in de uitgave “Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen in de bebouwde kom” (ASVV) van de Stichting Centrum
                        voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                        Verkeerstechniek (CROW). Deze worden betreffende het aanbrengen van
                        verkeersvoorzieningen landelijk als maatgevend wordt beschouwd.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid verplicht tot het aanleggen van laad- en losplaatsen als het
                        gebruik van het pand daar aanleiding toe geeft.</al><al>Lid 4</al><al>De primaire verantwoordelijkheid voor het realiseren van
                        parkeervoorzieningen ligt bij de aanvrager van de bouwvergunning of
                        ontheffing. Er zijn echter gevallen denkbaar waarbij dit feitelijk
                        onmogelijk is of financieel onhaalbaar. Het vierde lid geeft burgemeester en
                        wethouders de mogelijkheid ontheffing te verlenen van de parkeereisen.</al><al>Lid 5</al><al>Het vijfde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de
                        ontheffingen nader in te kaderen in beleidsregels. In dit artikel wordt
                        expliciet aangegeven dat ook financiële voorwaarden mogelijk zijn. Hiermee
                        wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid dat een vorm van parkeer-
                        en/of mobiliteitsvoorziening wordt ingesteld.</al><al><vet><cursief>Het voorschrift en de toelichting hierop zoals nu is opgenomen
                                valt inhoudelijk te beschouwen als een aangepaste versie van
                                ‘alternatief 2’ uit de MBV.</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Om die reden wordt hieronder ten overvloede ook de toelichting
                                weergegeven bij alternatief 2 van de VNG in de MBV.</cursief></vet></al><al>Algemeen </al><al>Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het
                        A, B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig
                        losgelaten. De Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet,
                        decentraal wat kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk
                        voor een voldoende en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties
                        voor bedrijven en voorzieningen en volgen hierbij de principes van het
                        integrale locatiebeleid zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is
                        daarmee (nog meer dan in het verleden) een zaak van de decentrale overheden. </al><al>Lid 1 </al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                        overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per
                        bouwvergunning te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte
                        van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal
                        bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van
                        openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers
                        gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen.
                        Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                        vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en vervoerplan.
                        Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                        verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                        Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede
                        (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                        parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning worden bepaald. Aan de
                        hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen
                        bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                        toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                        overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                        onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                        bouwvergunning bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als
                        toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                        zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn. </al><al>Lid 2 </al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van
                        lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen
                        terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door
                        alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te
                        maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden -
                        artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                        Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                        bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen
                        van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                        afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                        rolstoelgebruikers en stoklopers. </al><al>Lid 3 </al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's). </al><al>Lid 4, ad a </al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                        parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak
                        te maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                        winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden
                        verleend onder financiële voorwaarden. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Hoofdlijnen van de jurisprudentie (oud)</vet></al><al>Diverse uitspraken over artikel 258, lid 1, van de (Model-) bouwverordening
                        1965 kunnen relevant worden geacht voor de toepassing zowel van het derde
                        lid van artikel 2.5.30 (alternatief 1) als van het eerste lid van artikel
                        2.5.30 (alternatief 2).</al><al/><al><vet>1 Algemeen</vet></al><al>-Artikel 258 geldt uitsluitend bij het nemen van een beslissing op een
                        aanvraag om bouwvergunning. Het artikel is geen grondslag voor de toepassing
                        van de aanschrijvingsbevoegdheden krachtens de Woningwet.</al><al>ARRS 20 november 1981, BR 1982, 312; OB 1982, III.2.2.7, nr. 44033.</al><al>-Wanneer niet wordt en ook niet kan worden voldaan aan artikel 258, lid 1,
                        van de bouwverordening, dan voldoet het bouwwerk waarop de bouwaanvraag
                        betrekking heeft niet aan de bouwverordening en kan - behoudens in het geval
                        van vrijstelling - geen bouwvergunning worden verleend. Artikel 258 van de
                        bouwverordening strekt slechts ter bescherming van de belangen die worden
                        bedreigd door het ontbreken van voldoende parkeergelegenheid op een
                        bouwperceel zelf.</al><al>ARRS 21 januari 1982, AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505.</al><al>-De gemeente moet het stellen van parkeereisen motiveren.</al><al>ARRS 1 juli 1981, RO3.3219/S859.</al><al>-Bij het beantwoorden van de vraag of is voldaan aan artikel 258, lid 1, van
                        de bouwverordening, kunnen niet in aanmerking worden genomen eventuele
                        parkeermogelijkheden (i.c. een te bouwen parkeergarage) aan de overzijde van
                        de weg waaraan men een verkeersaantrekkend gebouw wil oprichten. Een
                        dergelijke parkeermogelijkheid kan wel een rol spelen bij het verlenen van
                        de vrijstelling krachtens lid 3 (= MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 1),
                        lid 5, onder b, en artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4).</al><al>Vz. ARRS 30 juli 1985; RO3.85.4382/S1097.</al><al>-Een huurovereenkomst met kettingbeding (voor het gebruik van andermans
                        grond als parkeerterrein) acht de ARRS in beginsel geen voldoende
                        waarborg.</al><al>ARRS 23 augustus 1985; GS 6817.</al><al>-De uitbreiding van de werkplaats hangt samen met een wijziging van de
                        werkmethode. Vast staat dat er slechts één spuitcabine is en blijft; het
                        maximaal te behandele n aantal auto’s zal na de uitbreiding gelijk blijven
                        aan het huidige aantal. Er kan derhalve worden verwacht dat de parkeerdruk
                        niet of nauwelijks zal verhogen. Geen strijd met artikel 258
                        (Model-)bouwverordening 1965.</al><al>ABRS 3 juli 1995, R03.91.1240.</al><al/><al><vet>2 Vrijstellingsbeleid en -criteria</vet></al><al>NB: MBV 1965, artikel 258, lid 3 = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 1),
                        lid 5, onder b, = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4.</al><al>-Wil de gemeente vrijstelling verlenen krachtens artikel 258, lid 3, dan
                        moet zij aantonen dat het scheppen van voldoende parkeerruimte op het
                        terrein bij het betrokken verkeersaantrekkende gebouw zodanige bezwaren
                        oplevert, dat aan deze bezwaren doorslaggevende betekenis moet worden
                        gegeven ten opzichte van de belangen van derden.</al><al>ARRS 28 augustus 1981, BR 1982, 53.</al><al>-Het weigeren van een vrijstelling op grond van motieven die niet in verband
                        kunnen worden gebracht met genoemde belangen, is ongeoorloofd. Een
                        beslissing omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 258, lid 3, van de
                        bouwverordening moet zijn onderbouwd met onderzoek naar:</al><al>a de te verwachten parkeerdruk (aantallen en aard bezoekers, piektijden,
                        soorten middelen van</al><al>vervoer);</al><al>b de aanwezige parkeermogelijkheden (ook in een wijdere omgeving dan de
                        straat waaraan het</al><al>bouwperceel ligt).</al><al>ARRS 21 januari 1982, AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505.</al><al>-In het algemeen is het redelijk vrijstelling te verlenen krachtens artikel
                        258, lid 3, wanneer:</al><al>a een te bouwen gebouw zich niet leent voor het daarop of daaronder
                        aanleggen van parkeerplaatsen, terwijl van een daarbij behorend terrein niet
                        of nauwelijks sprake is;</al><al>b zonder vrijstelling het aan het gebouw geven van een functie die aan het
                        bestemmingsplan beantwoordt, moeilijk denkbaar is.</al><al>ARRS 9 oktober 1981, A-3.0132 (1980).</al><al>-Parkeerbehoeften kunnen niet op alle tijden en plaatsen onder alle
                        omstandigheden gelijkelijk worden beoordeeld. Daarom wordt van gemiddelden
                        uitgegaan. Aan de overheid is voor het vaststellen van deze gemiddelden
                        grote vrijheid gelaten. Afwijking van de gekozen gemiddelden is
                        redelijkerwijs alleen geboden, als de noodzaak daartoe uit de feiten blijkt.
                        De problematiek van het parkeren in stadscentra pleegt te worden aangepakt
                        in het geheel van voor stadscentra in te voeren verkeersreguleringen en
                        andere maatregele n. Daarbij behoeft niet voorop te staan dat voor alle
                        bezoekers van de stadscentra op koopavonden en zaterdagen te allen tijde en
                        zonder dat enige wachttijd in acht genomen moet worden, parkeerplaatsen
                        beschikbaar moeten zijn.</al><al>ARRS 16 mei 1986, RO3.83.6416.</al><al/><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de
                            bouwverordening (MBV 1992)</vet></al><al>-De behoefte aan parkeergelegenheid vloeit voort uit de aard en oppervlakte
                        alsmede het aantal</al><al>zitplaatsen van een inrichting. Pas bij de vrijstelling speelt de reeds
                        aanwezige parkeergelegenheid in de omgeving een rol.</al><al>ABRS 21 maart 1994, R03.90.6357.</al><al>-Het kan niet worden ontkend dat het regelen van parkeergelegenheid uit een
                        oogpunt van goede ruimtelijke ordening van belang is. Dit houdt echter niet
                        in dat het bestemmingsplan uit dien hoofde op gedetailleerde wijze de
                        parkeermogelijkheden zou dienen vast te leggen. De wegenverkeerswetgeving is
                        het meest ge‘igende instrument om het verkeer naar de minst bezwarende
                        parkeergelegenheid te verwijzen.</al><al>Kroon 4 januari 1995, AB 1995, 337, m.nt. AWK.</al><al>-Voor een reeds bestaand bedrijf moet bij de uitbreiding aansluiting worden
                        gezocht bij de nieuwe parkeernormen, deze zijn niet zonder meer van
                        toepassing. Het tekort aan parkeerplaatsen in de oude situatie mag niet
                        meegerekend worden. Van de uitbreiding kan wel de extra verkoopruimte, maar
                        niet de magazijnruimte meegerekend worden.</al><al>ABRS 17 januari 1995, R03.91.1986.</al><al>-Parkeernormen. Slechts rekening houden met de parkeerbehoefte die verband
                        houdt met uitbreiding van een kantoorgebouw.</al><al>Burgemeester en wethouders van Deventer hebben bij besluit van 20 oktober
                        1997 aan de Stichting Thuiszorg Zuidwest Overijssel met toepassing van
                        artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (de anticipatieprocedure)
                        vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van
                        een kantoorgebouw op het perceel Zwolseweg 180 te Deventer. Het bouwplan
                        voorziet in het plaatsen van drie extra verdiepingen, alsmede een dakopbouw,
                        op een gedeelte van dat gebouw. Appellanten hebben onder meer betoogd dat de
                        rechtbank heeft miskend dat niet is voldaan aan de parkeereis, welke
                        voortvloeit uit artikel 2.5.30 van de gemeentelijke bouwverordening. Zij
                        hebben in dit verband gesteld dat 20 van 77 parkeerplaatsen, waarover de
                        Stichting Thuiszorg na uitvoering van het bouwplan zal kunnen beschikken,
                        zijn gesitueerd op grond, waarop de bestemming ‘Spoorwegdoeleinden’ rust en
                        die derhalve daarvoor niet gebruikt mogen worden en dat van 5
                        parkeerplaatsen niet vaststaat dat ze langdurig beschikbaar zullen blijven.
                        De Afdeling overweegt dat appellanten door de door burgemeester en
                        wethouders voor het bepalen van de parkeerbehoefte gehanteerde normen en
                        uitgangspunten niet tekort zijn gedaan, nu daarbij niet slechts de
                        parkeerbehoefte die aan de uitbreiding verbonden is is betrokken, maar van
                        het gehele gebouw. Of de parkeerplaatsen op grond van de Nederlandse
                        Spoorwegen mogen worden meegerekend kan in het midden blijven, nu het aantal
                        beschikbare plaatsen ook zonder die toereikend is voor de vergunde
                        uitbreiding. Dat, zoals appellanten stellen, de beschikbaarheid van de op
                        het bestaande parkeerterrein bij Huize Corel gereserveerde parkeerplaatsen
                        slechts van korte duur is, hebben zij niet aannemelijk gemaakt.</al><al>ABRS 20 april 2000, nr. H01.99.0617.</al><al>-Parkeerbehoefte wordt bepaald door bestemming en aard pand.</al><al>Bij besluit van 19 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders van Ter Aar
                        vrijstelling en bouwvergunning verleend ten behoeve van de bouw van 21
                        appartementen (vijftien vrije sectorwoningen en zes huurwoningen). Wat de
                        bij de te bouwen woningen gesitueerde parkeerplaatsen betreft, hebben
                        appellanten betoogd dat het bouwplan in onvoldoende parkeerplaatsen
                        voorziet. De vergunde bouw voorziet in de realisering van 31
                        parkeerplaatsen. Het bouwpla n is gebaseerd op een parkeernorm van 1,3
                        parkeerplaats per vrije sector-woning (15 x 1,3) en van 1 parkeerplaats per
                        huurwoning (6 x 1), zodat - afgezien van de vijf extra parkeerplaatsen die
                        deels buiten het eigenlijke bouwperceel vallen – de bij de bouw betrokken
                        grond reeds voldoet aan de parkeernorm van totaal 26 parkeerplaatsen.
                        Daarbij is - overeenkomstig artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de
                        gemeente Ter Aar - aansluiting gezocht bij de parkeercijfers en
                        parkeernormen van de Stichting CROW te Ede. Onder deze omstandigheden wordt,
                        gelet op artikel 2.5.30 van de bouwverordening, naar het oordeel van de
                        Afdeling in voldoende mate in de parkeerbehoefte voorzien. De stelling van
                        appellanten dat, gezien de krapte aan parkeerplaatsen bij de nabijgele gen
                        kerk, de aan te leggen parkeerplaatsen niet alle ten goede zullen komen aan
                        de toekomstige bewoners van de appartementen, leidt niet tot een ander
                        oordeel. De parkeerbehoefte van een pand wordt immers bepaald door vooral
                        bestemming en de aard van het pand zelve, niet door de omgeving. Voor zover
                        de vijf extra te realiseren parkeerplaatsen zijn gelegen op grond, waarvan
                        de gemeente geen eigenaar is, komt daaraan geen betekenis toe, reeds omdat
                        er niet aan behoeft te worden getwijfeld dat deze vijf parkeerplaatsen ook
                        daadwerkelijk zullen worden aangelegd.</al><al>ABRS 26 september 2000, nr. 199903418/1.</al><al>-Reikwijdte van de in artikel 2.5.30, eerste lid, neergelegde
                        (parkeer)eis</al><al>Bij besluit van 31 maart 1998 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel
                        Amsterdam Zuid, thans stadsdeel Amsterdam Oud Zuid, van de gemeente
                        Amsterdam het advocatenkantoor Höcker, Rueb &amp; Doeleman, onder oplegging
                        van een dwangsom, aangeschreven om binnen zes weken na de bekendmaking van
                        dat besluit het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de gronden
                        rond de panden Van Eeghenstraat 94-98 te Amsterdam als parkeerterrein te
                        staken. Voor zover Höcker, Rueb &amp; Doeleman betogen dat niet (meer) kan
                        worden voldaan aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening
                        neergelegde eis omtrent het voorzien in parkeerruimte op eigen terrein,
                        overweegt de Afdeling dat dit artikel slechts in acht moet worden genomen
                        bij het bepalen van het (minimum) aantal parkeerplaatsen waarin dient te
                        worden voorzien bij de realisering van een gebouw met een welbepaalde
                        functie, ten behoeve waarvan een aanvraag bouwvergunning is ingediend. Er is
                        dan ook geen reden te oordelen dat appellant in het bepaalde in artikel
                        2.5.30, eerste lid, voornoemd, aanleiding had behoren te zien om af te zien
                        van handhavend optreden.</al><al>ABRS 8 februari 2000, nr. 199900281/1, AB 2000, 219 m.nt. Nijmeijer en
                        Soppe.</al><al/><al><vet>3 Financiële voorwaarden</vet></al><al>Een vrijstelling van de hoofdregel dat op eigen terrein in voldoende mate in
                        parkeergelegenheid wordt voorzien, leidt tot de vraag hoe de kosten van de
                        op openbaar terrein aangelegde parkeerplaatsen kunnen worden verhaald.</al><al>De ARRS stelt in een uitspraak van 30 augustus 1985 (AB 1986, nr. 243, BR
                        1985, p. 911) dat in het algemeen moet worden aangenomen dat een
                        bestuursorgaan de mogelijkheid heeft door middel van een financiële
                        voorwaarde tot betaling van een tegemoetkoming of compensatie te
                        verplichten, zij het onder een aantal voorwaarden:</al><al>a de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de
                        doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;</al><al>b de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een
                        geldbedrag;</al><al>c de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook
                        hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbeschermingmeer
                        aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie
                        te verlangen.</al><al>De Afdeling overwoog voorts dat bij de besluitvorming omtrent de financiële
                        compensatie moet worden afgewogen of bestaande wettelijke voorzieningen de
                        gemeente ten dienste staan, die voor de betrokkene meer waarborgen bieden of
                        die anderszins gunstiger zijn dan de onderhavige financiële voorwaarde. In
                        verband met de onderhavige zaak wees de Afdeling op de
                        parkeermetervoorziening en de baatbelasting.</al><al>De Afdeling lijkt te twijfelen aan het recht van de gemeente op vergoeding
                        voor de aanleg van een parkeerplaats door middel van een financiële
                        voorwaarde aan de vrijstelling op grond van artikel 2.5.30. Algemene (en ook
                        recentere) jurisprudentie ten aanzien van kostenverhaal van openbare
                        voorzieningen doet vermoeden dat de twijfels van de Afdeling niet snel
                        zullen verdwijnen (Zie ook: ‘Kostenverhaal bij particuliere
                        grondexploitatie; verhaal van kosten van voorzieningen van openbaar nut via
                        de exploitatieverordening en via de verordening baatbelasting’, VNG, 1994.
                        Overigens is deze publicatie mede verschenen naar aanleiding van de
                        wijziging van de baatbelasting per 1 januari 1995; deze wijziging houdt in
                        dat de bouwgrondbelasting opgaat in de baatbelasting-nieuwe-stijl, waarmee
                        100% van de kosten van openbare voorzieningen kunnen worden verhaald.)</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van
                        lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen
                        terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door
                        alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te
                        maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden -
                        artikel 218, lid 1, over ‘parkeerplaatsen van voldoende afmetingen’. Het
                        Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                        bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen
                        van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                        afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                        rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto’s).</al><al><cursief>Lid 4, ad a</cursief></al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                        parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak
                        te maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                        winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden
                        verleend onder financiële voorwaarden. Zie hiervoor onder ‘Hoofdlijnen van
                        de jurisprudentie’, punt 3. </al><al/><al><vet>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting op deze paragraaf vervalt. Dit houdt verband met de
                        inwerkingtreding per 1 november 2008 van het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken (‘gebruiksbesluit’).</al><al>De bepalingen in de bouwverordening vervielen van rechtswege op het moment
                        van inwerkingtreding van het gebruiksbesluit omdat dit besluit hetzelfde
                        onderwerp regelt.</al><al>Hieronder staan de diverse onderwerpen nog genoemd die in deze paragraaf
                        werden geregeld.</al><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                            hulpverleningsdiensten</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al/><al><vet>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</vet><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt
                        niet in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht
                        is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van
                        drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts
                        de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die
                        het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is
                        afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De
                        voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een
                        afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de
                        aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen
                        de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de
                        levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld. Overigens
                        moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen aansluiting op
                        het waterleidingnet verplicht stelt in geval een binnenhuisinstallatie voor
                        drinkwater - als bedoeld in het genoemde artikelnummer van het Bouwbesluit -
                        ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                        gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het aanbrengen
                        van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater wordt
                        toegestaan. Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde
                        leiding van het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7. </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                        kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid.
                        Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Lid 1 </al><al>De niet-vantoepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de
                        kans op ongevallen. </al><al>Lid 2, onder b </al><al>Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                        eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                        hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                        geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                        brandstof noodzakelijk acht. </al><al>Lid 2, onder c </al><al>Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of
                        blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden geweigerd, indien
                        een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op
                        aardgas. Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke
                            voorziening voor verwarming</vet></al><al>Dit artikel uit de MBV is niet opgenomen in de Bouwverordening Hilversum
                        2009.</al><al>Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen
                        met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel
                        gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen
                        afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al><cursief>Hilversum heeft tekstalternatief 2 van de VNG overgenomen. Ter
                            informatie hier de gehele toelichting van de MBV van de VNG.</cursief></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Algemeen </al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                        transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                        neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, het
                        Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt
                        een beknopte beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere
                        uiteenzetting verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module aanpak
                        verspreide afvalwaterlozingen, Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den
                        Rijn (losbladig). Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering
                        geregeld in artikel 2.7.4 van de MBV. Voor bestaande bouw is deze
                        aansluitplicht geregeld in artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in
                        samenhang met de in artikel 40 van de Woningwet gegeven bouwvergunningplicht
                        en het herziene artikel 13 van de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar
                        van een bouwwerk te verplichten om aan te sluiten op de riolering indien de
                        afstand tussen de openbare riolering en het dichtstbijzijnde deel van het
                        bouwwerk 40 meter of minder bedraagt. Het Lozingenbesluit bodembescherming
                        stelt regels voor het lozen van afvalwater in de bodem. Buiten bepaalde
                        afstanden tot de riolering (afhankelijk van de hoeveelheid afvalwater) staat
                        het Lozingenbesluit bodembescherming een individueel zuiveringssysteem toe.
                        De eisen voor het lozen vanuit individuele zuiveringssystemen in de bodem
                        staan vermeld in de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming.
                        Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de publicatie van het Ministerie van
                        VROM: Individuele behandeling van afvalwater bij verspreide bebouwing;
                        onderzoeksfase 4B: IBA-richtlijn (november 1991). Het lozen op
                        oppervlaktewater wordt door de waterkwaliteitsbeheerder gereguleerd op basis
                        van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het lozen van
                        huishoudelijk afvalwater is op 1 maart 1997 het WVO-Lozingenbesluit
                        huishoudelijk afvalwater in werking getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek
                        van dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het Lozingenbesluit
                        bodembescherming. </al><al>Lid 1 </al><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen
                        voor hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden
                        aangesloten. Het is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van
                        de daken van zeer grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen,
                        niet op het openbare riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor
                        lozing op oppervlaktewater is echter een vergunning vereist op grond van
                        artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De
                        aanvrager van de bouwvergunning kan de onder b genoemde uitzondering op de
                        aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het
                        hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen te
                        consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de
                        toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld
                        in de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen,
                        uitgegeven en regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te
                        Rotterdam, specificatieblad S 445. </al><al>Lid 2, onder a </al><al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn
                        van de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het
                        gemeentelijk bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd: </al><lijst><li nr="a."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of
                                vacuümriolering wordt aangesloten; </al></li><li nr="b."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden
                                gerealiseerd voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de
                                vuil-waterafvoer, indien in het desbetreffende deel van de gemeente
                                een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is. </al></li></lijst><al>Lid 2, onder b </al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                        bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                        rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan
                        tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden
                        getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de
                        mogelijkheid van aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is. </al><al>Lid 3 </al><al>Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als
                        hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen.
                        Uitzonderingen gelden voor: </al><lijst><li nr="a."><al>afvloeiend hemelwater;</al></li><li nr="b."><al>huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                                gebruik;</al></li><li nr="c."><al>bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk
                                afvalwater en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                                gebruik.</al></li></lijst><al>Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden
                        standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een
                        vergunningsvereiste op grond van die wet. Indien zelfs afscheiding,
                        verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke niet tot het gewenste
                        resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn dat
                        verstoring van de goede werking van de openbare riolering of de
                        zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere
                        wijze wordt geloosd dan op het openbaar riool. In het Inrichtingen- en
                        vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het bevoegd gezag is ten
                        aanzien van de geldende of te stellen lozingsvoorschriften. In het algemeen
                        zijn dit voor de complexe categorie'n bedrijven niet langer burgemeester en
                        wethouders, zoals tot 1 maart 1996 het geval was onder de werking van de
                        toenmalige gemeentelijke lozingsverordeningen riolering. </al><al>Lid 4, onder a </al><al>Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op
                        grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. </al><al>Lid 4, onder b </al><al>Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor
                        bedrijfsdoeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt
                        gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting
                        tot aansluiting aan het openbare riool verlenen. </al><al/><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 1 </al><al>Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het
                        terrein, zie artikel 2.7.5, alternatief 2. </al><al>Leden 2 tot en met 4 Zie in alternatief 1 dezelfde lidnummers.</al><al/><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie m.b.t. artikel 2.7.4</vet></al><al><cursief>De voorbeelden die hieronder worden gegeven van de jurisprudentie
                            zijn na de vermelding in de vorige bouwverordening, daterend uit 2006,
                            overigens niet bijgewerkt met actuele jurisprudentie en kunnen daarom
                            zijn verouderd.</cursief></al><al><vet>Artikel 2.7.4 Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de
                            Woningwet 1962 en de bouwverordening (MBV 1965)</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Een eventuele verplichting voor de gemeente op grond van artikel
                                240, eerste lid, van de bouwverordening (= artikel 2.7.4 in de MBV
                                1992) laat onverlet dat de wetgever - blijkens artikel 274 van de
                                gemeentewet en artikel 42, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening - in beginsel aanvaardbaar heeft geacht dat een gemeente
                                privaatrechtelijke middelen hanteert ter verkrijging van een
                                bijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut, zoals de
                                aanleg van riolering. Pres. Rb. Utrecht 13 augustus 1985.</al></li><li nr="-"><al>Beslissingen ten aanzien van het beheer en onderhoud van openbare
                                riolering hebben een publiekrechtelijk karakter en worden derhalve
                                door de Afdeling rechtspraak als beschikkingen getoetst. De gemeente
                                is niet verplicht om in geval van wateroverlast voorzieningen te
                                treffen die het terugstromen van rioolwater in lager gelegen
                                woningen voorkomen, nu die woningen van latere datum zijn dan het
                                riool.</al></li></lijst><al>ARRS 2 maart 1988, RO3.86.2877.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de
                            bouwverordening (MBV 1992)</vet></al><al>-Het standpunt dat de historische lozingsvergunning krachtens artikel 31 WVO
                        een aan het gestelde in artikel 91 Bouwbesluit gelijkwaardige voorziening is
                        als bedoeld in artikel 99 van dit besluit, kan niet anders worden begrepen
                        dan dat de aanwezigheid van een rioleringsstelsel dat op het openbaar riool
                        moet worden aangesloten voor dit pand niet is vereist zolang door het
                        Hoogheemraadschap die lozingsvergunning niet is ingetrokken. Nu voor dit
                        pand de aansluiting aan de gemeentelijke riolering niet is vereist, is het
                        bepaalde in artikel 5.3.4, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening voor
                        eisers niet van betekenis en heeft verweerder ten onrechte de
                        bestuursdwangaanschrijving doen gronden op laatstgenoemde bepaling.</al><al>Rb. Den Haag 1 november 1995, 94/12569 GEMWT.</al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al><vet><cursief>Deze toelichting behoort bij het door Hilversum overgenomen
                                tekstalternatief 2 van de VNG</cursief></vet></al><al>Lid 2, onder b </al><al>De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze
                        af te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een
                        op het eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening,
                        berust op milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt
                        beoogd om het hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel
                        mogelijk bij te dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het
                        tegengaan van verdroging van het milieu. Afhankelijk van de grootte van het
                        erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan bedoelde infiltratievoorziening
                        bestaan uit een in de grond aangebrachte infiltratieput, een drainage, een
                        grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee gelijk te stellen voorziening.
                        Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen worden ontleend aan
                        ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens - Ontwerp en
                        uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en infiltratie
                        van hemelwater binnen de perceelsgrens, uitgave Stichting Bouwresearch
                        (SBR), Rotterdam, september 2000 (telefoon 010-2065959). De aanvrager van de
                        bouwvergunning dient van tevoren te (laten) onderzoeken welke van de
                        genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse aanwezige
                        bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is. Bij het
                        ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een
                        dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek
                        door de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van
                        gemeentewege beschikbaar worden gesteld. </al><al>Lid 3, onder b </al><al>Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede
                        wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                        infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen
                        worden gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de
                        perceelgrenzen in acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar
                        hangt af van de hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van
                        de infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van
                        de terzake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kunnen
                        burgemeester en wethouders dan ook ontheffing verlenen van de verplichting
                        tot het aanbrengen van een infiltratievoorziening, indien de
                        bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer en/of de geringe afmetingen van het
                        erf daartoe aanleiding geven. Bij de keuze van een meer traditionele wijze
                        van hemelwaterafvoer is overigens van belang dat terwille van een goede
                        werking van een rottingsput (septic tank) daarop geen afvoerleidingen voor
                        hemelwater mogen worden aangesloten. </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven
                            en terreinen</vet></al><al>Lid 3 </al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een
                        gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt
                        afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden van dat
                        rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden
                        toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten
                        e.d. voorkomen. </al><al>Lid 4 </al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                        praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                        onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                        verschenen. Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997,
                        'Binnenriolering in woningen en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden'
                        formeel slechts toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal
                        het duidelijk zijn dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding
                        binnenshuis en anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het
                        eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis
                        voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen. </al><al>Lid 5 </al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                        huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                        rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                        voorgeschreven. </al><al>Lid 6 </al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                        NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                        overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband
                        daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel. </al><al/><al><vet>3 De melding.</vet> vervallen </al><al/><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet> vervallen </al><al/><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet> vervallen </al><al/><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling
                        tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de
                        vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en
                        in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13
                        en 4.15 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij
                        als vergunningplichtig. Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van
                        kracht, waarin verplichtingen in de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn
                        opgenomen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die van
                        toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk,
                        standplaats of een open erf of terrein. Bovendien verbiedt het herziene
                        artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het bouwen zonder of in afwijking van
                        een verleende bouwvergunning (sub a), als het in stand laten van een
                        bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd is zonder of in afwijking van een
                        verleende bouwvergunning (sub b). Als gevolg van de gewijzigde systematiek
                        van de Woningwet is een verbod tot ingebruikneming zoals tot en met de 11e
                        serie wijzigingen opgenomen was in artikel 4.14 van de Model-bouwverordening
                        niet langer noodzakelijk. Op grond van artikel 7b juncto artikel 40, eerste
                        lid Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien nodig het gebruik van
                        het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod leidt in geval van niet-naleving
                        van de voorschriften van de bouwverordening tot een overtreding waartegen
                        direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding van een verbod van
                        artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a,
                        onder 2, van de Wet op de economische delicten (WED). </al><al/><al><vet>Structuur van de voorschriften</vet> Het merendeel van de voorschriften
                        in dit hoofdstuk betreft preventieve handelingen of het nalaten van
                        handelingen teneinde (tijdige) controle door het bouwtoezicht of anderen
                        mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en met 4.6 en 4.13.
                        Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van
                        nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid,
                        grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7
                        tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het
                        bouwafval. Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12
                        over de gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk
                        wordt sinds 1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet. De
                        veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                        ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein. </al><al/><al><vet>Handhaving van de voorschriften</vet> De voorschriften uit dit
                        hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel 7b van de Woningwet
                        rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting bij
                        Hoofdstuk 11. Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als
                        bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.
                        Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                        bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor
                        gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie
                        belast. <vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief
                        in artikel 59 van de Woningwet. De intrekkingsgronden zijn vanaf 1 januari
                        2003 in de Woningwet uitgebreid. In verband met het Besluit
                        indieningsvereisten en het gewijzigde artikel 56 Woningwet kan een
                        bouwvergunning tevens worden ingetrokken indien voorgeschreven gegevens niet
                        tijdig zijn overgelegd nadat de bouwvergunning is verleend. Voorts kan een
                        bouwvergunning gedeeltelijk worden ingetrokken. Indien bijvoorbeeld
                        onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo zijn dat slechts een
                        gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar plaats is. Bovendien
                        is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken op verzoek van de
                        vergunninghouder; iets wat trouwens in de praktijk al gebruikelijk was
                        (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke restitutie van leges).
                        Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a
                        van de Woningwet een aanvullende intrekkingsgrond is opgenomen. De termijn
                        van 26 weken is gelijk aan die van de MBV 1965. De uit jurisprudentie
                        voortkomende plicht om de vergunninghouder te horen alvorens wordt besloten
                        tot intrekking van een vergunning is nu als voorschrift vastgelegd in
                        artikel 4:8 Awb. Het intrekken van een begunstigende beschikking zoals een
                        bouwver-gunning dient omgeven te zijn met de nodige waarborgen ter
                        bescherming van de rechtszekerheid van de houder der vergunning. Binnen
                        afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet gewijzigd teneinde het
                        mogelijk te maken de bouwvergunning in te trekken naar aanleiding van een
                        integriteitsbeoordeling Wet BIBOB. </al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet>
                        Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                        ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is
                        toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te
                        hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht
                        aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die
                        bescheiden is voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat
                        de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te
                        kennen. </al><al>Sub a </al><al>Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel vallen tevens de
                        bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet
                        strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd
                        bij de bouwwerkzaamheden. </al><al>Sub b </al><al>Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze
                        bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en vrijstellingen kunnen
                        betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen
                        van de rijks- of provinciale overheid. Sub d </al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel
                        een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen
                        bouwvergunning is vereist krachtens artikel 43, eerste lid, letter a van de
                        Woningwet. Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge
                        artikel 8.3.2 ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig
                        zijn. </al><al>Sub e </al><al>Zie de toelichting op artikel 8.3.2 lid 2</al><al/><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</vet> Vervallen.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen
                        voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen,
                        bij voorbeeld bij een verbouwing. </al><al/><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                        tijdige controle. </al><al>Lid 1, sub a Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het
                        aanbeveling het regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te
                        lichten ter voorkoming van schade aan leidingen. </al><al>Lid 3 </al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt
                        geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door
                        vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te
                        verlangen. </al><al/><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet> Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op
                        gevallen waarin het bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of
                        materialen aan het oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het
                        algemeen zullen de kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer
                        verplicht is te verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen.
                        Degene die bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van
                        bepaalde werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens
                        conform de vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken.
                        Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening
                        van de controlerende instantie, c.q. de gemeente. Dit artikel geldt als
                        aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek,
                        opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht
                        (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om bijvoorbeeld
                        bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel van de
                        bouwverordening toegepast. </al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is
                        een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                        privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met
                        de MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de
                        bedoeling van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid. De hoeveelheid
                        aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien de
                        onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit
                        artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van andere,
                        niet in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden toegezien.
                        Gedacht kan worden aan een waterwingebied. Onder de hierboven bedoelde
                        andere bepalingen kan met name worden verstaan: zowel voor het mogen bemalen
                        van een bouwput als voor het mogen lozen van het aldus opgepompte grondwater
                        is een vergunning vereist. De grondslag voor de vergunning voor het bemalen
                        van een bouwput c.q. het onttrekken van grondwater staat in de Grondwaterwet
                        en de provinciale grondwaterverordeningen. Laatstgenoemde verordeningen
                        bevatten overigens in het algemeen een uitzondering op het
                        vergunningvereiste voor het kortstondig droog houden van een bouwput, mits
                        nader in die verordeningen omschreven beperkte hoeveelheden grondwater
                        worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water kan aan een
                        vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden ingevolge de Wet
                        milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. </al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op
                        de bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                        veiligheid van voorbijgangers en belendingen. </al><al>Lid 1 </al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen,
                        die bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van
                        een heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming
                        van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft
                        de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De
                        controle op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de
                        Arbeidsinspectie en bij het elektriciteitsbedrijf. Tot de achtste serie
                        wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij een aanvraag om
                        bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen in artikel
                        2.1.6, eerste lid, MBV. Sinds 1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de
                        bijlage bij het Besluit indieningsvereisten regels over het indienen van een
                        bouwveiligheidsplan. Of er bij een bouwvergunning een bouwveiligheidsplan
                        moet zijn en aan welke eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het
                        onderhavige artikel van de MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het
                        bouwveiligheidsplan afwijken van de voorschriften in dit artikel, gaan de
                        bepalingen van het bouwveiligheidsplan voor. </al><al>Leden 2 en 3 </al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de
                        schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die)
                        gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein
                        te weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                        bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het
                        derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij
                        het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                        permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist
                        het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer. De
                        verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                        gewaarborgd. </al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder
                        voor de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften',
                        in het algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is
                        gesteld ten aanzien van de arbeidsomstandigheden. </al><al/><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al>Algemeen </al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                        geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de
                        bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.
                        Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden
                        van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                        gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering
                        bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                        hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                        ander afval. </al><al>a Gevaarlijke afvalstoffen </al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                        gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de
                        Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; zie hierna ook bij de
                        toelichting op lid 1), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander
                        afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna
                        gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden
                        houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan
                        geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen
                        en op deze wijze gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde
                        inzameling van klein chemisch afval van huishoudens. </al><al>b en c Glaswol en steenwol </al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                        ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                        stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter. De ondergrens
                        van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten te
                        veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van
                        bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde bouwvergunning is verleend.
                        Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht
                        tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn. </al><al>d Overig afval </al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                        bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                        onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting
                        die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst
                        te nemen. Wanneer is iets afval? Zodra op een bouwplaats materialen of
                        stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak is er sprake van bouwafval.
                        Restanten van materialen en stoffen die apart worden gelegd om later nog te
                        kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval. Acceptatievoorwaarden en
                        marktwerking </al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden
                        als ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande
                        scheiding toe te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen
                        veelal op basis van economische motieven besluiten tot een verdergaande
                        scheiding. Hierbij zullen prijzen worden vergeleken en zal bij een
                        verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger prijs- en kostenverhouding
                        gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt onverkort het
                        voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die
                        bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in
                        het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als
                        sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                        overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                        overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is
                        tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q.
                        milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen. Om de
                        marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                        gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in
                        het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden
                        worden opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de
                        ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook
                        aanbeveling om nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de
                        eventuele veranderingen daarin. </al><al>Afvoeren en overdragen van bouwafval </al><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om
                        het mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor
                        transport vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die
                        bevorderlijk is voor het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving
                        dan de bouwverordening, waarbij met name te denken valt aan de provinciale
                        milieuverordening. Uit dien hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar
                        een bewerkings- of verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die
                        op grond van de Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.
                        De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                        bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1
                        april 1997 een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval.
                        Particulieren die geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen,
                        kunnen terecht bij sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal
                        ook op zaterdagmorgen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod
                        niet geldt voor asbest, waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in
                        het onderhavige artikel over bouwafval niet genoemd, omdat het als
                        bouwmateriaal niet meer is toegelaten. </al><al>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant </al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan
                        de fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering
                        op de regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een
                        bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting moeten worden
                        afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als
                        grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht. </al><al>Sorteerinrichting </al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is -
                        voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar
                        een sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen
                        ongesorteerd te ontvangen. Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen
                        naast de beoordelingsrichtlijn voor de certificering van sorteerbedrijven te
                        houden aan de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13
                        februari 1996). Hierin worden de volgende afvalstromen aangeduid als
                        herbruikbaar: harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen,
                        massief niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie,
                        kunststofgevelelementen of delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor
                        deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij
                        achteraf in een sorteerinrichting. Voor papier/karton en kunststoffen is de
                        mogelijkheid van uitsorteren bij een sorteerbedrijf volledig operationeel.
                        Voor de retourname van reststoffen van gipsblokken en gipskartonplaten heeft
                        de Nederlandse Branchevereniging voor Gips (NBVG) in samenwerking met de
                        gipsproducenten een systeem scheiden en schoon afvoeren ontwikkeld. Voor
                        steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel en voor EPS
                        ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel zijn
                        van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997). Overigens geldt voor
                        zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval
                        voorkomen. Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn
                        bewerkingssystemen ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen
                        transporteurs van aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE
                        en LDPE-folie. Via de Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers
                        deze kunststoffen zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor
                        reclycing. De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door
                        sorteerbedrijven voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de
                        Vereniging van Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof
                        gevelelementen kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het
                        recyclingsysteem van de Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een
                        verwerkingssysteem voor kitkokers, verfverpakking en snoerband
                        (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R Recycling BV te Middelharnis.
                        Mee terugnemen naar de werf Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die
                        bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht, de aannemer, een geringe
                        hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke
                        opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de bestaande praktijk. Het
                        formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch nut. Overigens kan
                        het zijn dat voor deze opslag een vergunning is vereist op grond van de Wet
                        milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit afval vervolgens
                        in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De plicht
                        om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere stoffen, de
                        anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht tot het
                        afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een inzamelaar
                        die voor de inname van deze stoffen bevoegd is. </al><al>Enkele specifieke begrippen </al><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de
                        aanwezigheid van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voorzover een
                        milieuvergunning bij die wet verplicht is gesteld. Onder 'inzamelaar' wordt
                        verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te zamelen met het oog op
                        hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor enkele deelstromen
                        kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de toelichting van
                        artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen voor
                        kunststoffen. </al><al>Lid 1 </al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                        terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                        scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                        verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet
                        milieubeheer. De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen
                        het gevaarlijk afval gaat moet beschikken over een adequate vergunning op
                        grond van de Wet milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf
                        wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat
                        gevaarlijk bouwafval niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn
                        vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor
                        sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing. Voor de
                        handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt
                        uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                        hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL) - in werking
                        getreden op 1 mei 2002 - voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet
                        milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit. De EURAL vervangt het Besluit
                        aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) (Stb. 1993, 617) dat van 1
                        januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt inhoudelijk voor wat
                        betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af van het BAGA.
                        Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval. De
                        Nederlandstalige versie van de lijst werd als bijlage 5 opgenomen in de
                        publicatie 'Handreiking Eural; Europese afvalstoffenlijst' van het
                        ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van
                        september 2001. De in deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers
                        zijn gevaarlijke afvalstoffen.</al><al>Sinds de hiervoor bedoelde publicatie is tot stand gekomen de Regeling
                        Europese afvalstoffenlijst, met een Afvalstoffenlijst als bijlage bij het
                        artikel 1, eerste lid. </al><al>Op het tijdstip waarop deze Bouwverordening Hilversum 2009 tot stand kwam
                        was van toepassing de Afvalstoffenlijst, bedoeld in artikel 1, eerste lid
                        van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL) zijnde de regeling van 27
                        maart 2002, Scrt. 62, zoals deze regeling is gewijzigd bij de regeling van
                        27 maart 2002, Scrt. 76 (herplaatsing), inwerkingtreding 1 juni 2002). In de
                        tekst van het artikel 4.11, eerste lid van de Bouwverordening Hilversum 2009
                        wordt overigens verwezen naar de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                        Europese afvalstoffenlijst (EURAL), zonder hierbij de datum en vindplaats
                        van publicatie van de regeling te vermelden. Het is namelijk de bedoeling te
                        verwijzen naar deze regeling zoals die geldt op het tijdstip waarop dit
                        artikel wordt toegepast (dus met inbegrip van sinds de eerste
                        inwerkingtreding van kracht geworden wijzigingen). </al><al>Voor het verwijderen (slopen) van asbest en asbesthoudende materialen geldt
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Vergunningvoorwaarden Het is toegestaan
                        over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren, uitsluitend wanneer
                        dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde fracties,
                        voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden. Deze voorwaarden betreffen
                        aspecten die niet in een algemene regeling als de verordening thuis horen
                        maar zijn toegesneden op de concrete situatie. Dit kan bijvoorbeeld
                        betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten gevaarlijk
                        (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in één bak
                        worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet bij elkaar
                        mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de (tijdelijke) opslag op
                        de bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de inzamelaar c.q.
                        vervoerder al de wijze van scheiden en verpakken van de risicodragende
                        stoffen. De bakken - sommige typen onderverdeeld in compartimenten - zijn
                        vaak eigendom van de inzamelaar/vervoerder. De overheid kan de eventuele
                        vergunningvoorwaarden hierop afstemmen. Het is niet toegestaan voorwaarden
                        aan de bouwvergunning te verbinden die ertoe strekken nog andere fracties
                        verplicht op de bouwplaats te scheiden dan die vermeld staan in het eerste
                        lid. In het algemeen komt men dan in strijd met het derde lid van artikel 56
                        van de Woningwet. Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde
                        stoffen niet bij elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron
                        (batterijen) niet combineren met een brand- of explosiebron
                        (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders,
                        versnellers, vertragers enz.), logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij
                        de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron noch met een brand- of
                        explosiebron. Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient
                        het aanbeveling bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de
                        toelichting op hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken. </al><al/><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                        spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een
                        voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk
                        ingevolge artikel 7b Woningwet. </al><al>Lid 1 Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in
                        een latere fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra
                        graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.
                        Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte
                        overeenkomstig de uitkomst van de berekening van de
                        energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen
                        voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief
                        mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het
                        opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van
                        de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie. Overigens
                        stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari 2007
                        een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal
                        samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij
                        zijn bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen.
                        Raadpleeg, voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in
                        onvoldoende exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving
                        of neem contact op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem,
                        gemeenten@senternovem.nl of 030 239 35 33. </al><al>Lid 2 Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een
                        termijn van twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het
                        bouwtoezicht de noodzakelijke of gewenste controles uitvoert. </al><al>Lid 3 Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning niet anders is
                        gesteld, geldt ook hier de termijn van twee dagen. </al><al/><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet> Voor de
                        toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989, (Voorschriften
                        Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 4.15 Merktekens voor brandwerend glas</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                        gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                        bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren
                        te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden
                        voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond
                        van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het
                        opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden
                        voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden
                        afgewogen of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het
                        alsnog opleggen van een plicht tot het treffen van die voorzieningen
                        redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de
                        artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag om bouwvergunning. Op
                        die plek fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om bouwvergunning. De
                        bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een
                        open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan. Het gebruik van open
                        erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7. Zo sluit artikel 5.1.1
                        nauw aan bij artikel 7.3.2. </al><al/><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</vet></al><al>De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965. Van een
                        onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake,
                        indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan
                        een gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan
                        een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden
                        veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot
                        een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan
                        uitzicht) in gevaar komt. Over de mogelijkheid van aanschrijving op grond
                        van dit artikel in de MBV 1965 gaat de uitspraak van ARRS 21 april 1987,
                        W/RvS/03.85.6262. </al><al/><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet> Zie de toelichting op artikel 2.5.3. Bij
                        het toepassen van bestuurdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                        wegens strijd met artikel 7b, eerste lid, onder d, van de Woningwet, juncto
                        het onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede lid, ware rekening te houden
                        met het bepaalde in artikel 12.3 van deze bouwverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet> Zie
                        de toelichting op artikel 2.5.4. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt. Dit houdt verband met de
                        inwerkingtreding per 1 november 2008 van het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken (‘gebruiksbesluit’).</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen
                            niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                            kantoorgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallatie in
                            woongebouwen van bijzondere aard</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            kantoorgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt. </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1. Het onderhavige voorschrift kan geen
                        grondslag voor een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot
                        toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                        vormen waarin het college van burgemeester en wethouders het maken van een
                        aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin
                        een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van
                        het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                        gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het college
                        de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                        drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende welput,
                        regenbak of watertank. Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst
                        bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1. Het is
                        zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                        wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder
                        dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang -
                        op grond van het Lozingsbesluit bodembescherming - het afvalwater in de
                        bodem mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven
                        voorzieningen (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde
                        voorzieningen - in financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een
                        regeling van de rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming
                        prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de
                        bouwverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet>
                        Zie de toelichting op artikel 2.7.5. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet> Onreinheid die verband houdt met de wijze
                        van gebruiken van een bouwwerk is geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1
                        betreft de staat waarin een bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft
                        sinds 1 april 2007 rechtstreekse werking en leidt in geval van
                        geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                        wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een
                        last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het bouwwerk
                        onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te gaan.
                        </al><al/><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet></al><al>De toelichting op hoofdstuk 6 vervalt. Dit houdt verband met de
                        inwerkingtreding per 1 november 2008 van het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken (‘gebruiksbesluit’).</al><al>De bepalingen in de bouwverordening vervielen van rechtswege op het moment
                        van inwerkingtreding van het gebruiksbesluit omdat dit besluit hetzelfde
                        onderwerp regelt.</al><al>Hieronder staan de diverse onderwerpen nog genoemd die in dit hoofdstuk
                        werden geregeld.</al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>Vervallen </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen
                            bij brand</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al/><al><vet>7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening
                        voorschriften bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens,
                        andere gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet
                        noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen
                        dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld over het
                        gebruik. Het brandveilig gebruik, genoemd in de opsomming van artikel 8
                        Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6 van deze verordening. De overige
                        gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk. </al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</vet></al><al/><al><vet>Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en
                            woonketen</vet></al><al>Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet.
                        Zij zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit
                        vereist, van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een
                        gedwongen beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te
                        realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel
                        van het kunnen optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de
                        normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te
                        beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een
                        bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan
                        het onderhavige voorschrift voor het opstellen van een regeling op het
                        gebied van de woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van
                        huisvesting ten behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de
                        normstelling 1,5 à 2 maal zo zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van
                        de overbevolking te balanceren. Overigens kunnen lokale omstandigheden voor
                        een gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen van een afwijkende
                        normstelling in zijn bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld ook
                        als volgt kunnen luiden: 'Het is verboden een woning te bewonen met of toe
                        te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m2
                        gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de eerste persoon van het
                        totale aantal bewoners ten minste 12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient
                        te zijn.' Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het
                        binnentreden van woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving
                        van deze artikelen in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen
                        klachten of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent
                        bewoonde kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger
                        toezicht wenselijk en mogelijk. Overigens moet voor de wat grotere
                        woongebouwen die geen gewone één- en meergezinshuizen zijn, afhankelijk van
                        het aantal aanwezige personen worden beschikt over een vergunning op grond
                        van artikel 6.1.1 van deze bouwverordening ('vergunning brandveilig
                        gebruik') </al><al/><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden.
                        Het niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                        ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                        minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                        eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het
                        Bouwbesluit blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in
                        grotere verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo
                        gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan
                        verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten. Zie voor
                        het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1. </al><al/><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde
                        in dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het
                        verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het
                        Bouwbesluit. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</vet></al><al/><al><vet>Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van
                            gebruik</vet></al><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                        Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen
                        tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het
                        gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het
                        gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een
                        verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een
                        bouwvallig bouwwerk is gelegen. Het staken van het gebruik c.q. het verbod
                        tot gebruik als bedoeld in de artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk
                        gesteld van een beschikking van burgemeester en wethouders. De mededeling
                        als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling van
                        feitelijke aard. </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</vet></al><al>Artikel 2.11.1, eerste lid, onder a van het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken (Stb. 2008, 327; ook wel genaamd ‘gebruiksbesluit’) bepaalt dat
                        het verboden is om zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van
                        burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken
                        voor zover daarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf
                        zal worden verschaft aan meer dan 10 personen. In het tweede lid van genoemd
                        artikel wordt bepaald dat in een bouwverordening van het genoemde aantal
                        personen kan worden afgeweken. Voor de inwerkingtreding van het
                        gebruiksbesluit was een vergelijkbaar gebruiksvergunningsvoorschrift
                        opgenomen in artikel 6.1.1 (nu vervallen) van de bouwverordening. Het aantal
                        personen in welk geval een gebruiksvergunning was vereist was daarbij
                        bepaald op ‘vijf of meer’. In het onderhavige artikel 7.3.1 wordt
                        overeenkomstig de in het gebruiksbesluit gegeven mogelijkheid afgeweken van
                        het daarin genoemde aantal van 10 personen en wordt aangesloten op het
                        aantal personen zoals ook in de hiervoor geldende bouwverordening werd
                        bepaald (in de terminologie van het gebruiksbesluit: meer dan 4).</al><al><vet>Oud:</vet></al><al>Hiervoor was een inmiddels vervallen artikel 7.3.1 opgenomen in de MBV,
                        waarvan de toelichting hierna ter informatie nog wordt weergegeven. Reden is
                        dat dit artikel was bedoeld als opvolger van artikel 352 MBV 1965. In
                        Hilversum is het laatstgenoemde artikel echter als ‘bouwverordening 1968’ in
                        stand gebleven en tot op heden niet vervallen. Derhalve – hoewel geen
                        onderdeel van deze ‘Bouwverordening Hilversum 2009’ hieronder de toelichting
                        die daar betrekking op heeft.</al><al><onderstreept>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open
                            erven en terreinen in afwijking van de
                        bestemming</onderstreept>Dit artikel is vervallen. Reden tot
                        vervallen van artikel 7.3.1 Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de
                        Afdeling Rechtspraak van de Raad van State een waarschuwing tot het
                        toepassen van bestuursdwang wegens overtreding van artikel 7.3.1 geschorst,
                        omdat naar het oordeel van de voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen
                        grond biedt voor een dergelijke bepaling. De tekst van artikel 7.3.1 was
                        gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV. Artikel 352 was gebaseerd op
                        artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet van 1991 geeft in artikel 8 een
                        limitatieve opsomming van in de bouwverordening te regelen onderwerpen. Dit
                        betekent dat er in de bouwverordening geen plaats meer is voor een op
                        artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van artikel 352 MBV
                        moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel 8 van de
                        Woningwet. De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde
                        uitspraak tot het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt
                        voor een gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist
                        artikel 7.3.1 verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke
                        grondslag te repareren sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit.
                        Overeenkomstig eerdere jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal
                        ingetrokken artikel 352 MBV opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige
                        casus had de gemeente bij invoering van de nieuwe bouwverordening de oude
                        bouwverordening en dus ook artikel 352 ingetrokken. Hoewel de uitspraak op
                        één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van een
                        onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke
                        bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in
                        deze kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het
                        materieel geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele benadering
                        kan als nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere mogelijk
                        andersluidende uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen aanwijzingen dat
                        in de toekomst een ander oordeel is te verwachten. Derhalve is artikel 7.3.1
                        geschrapt. Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel
                        352 MBV niet is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en
                        herleeft op het moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of
                        is ingetrokken. Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat
                        volgt hierna de toelichting die daarop betrekking heeft. </al><al/><al>Artikel 352 MBV 1965 </al><al>Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog
                        niet zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk
                        complement op de artikelen 10 en 12 van die wet. Deze artikelen bepalen
                        namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen, c.q. voorlopige
                        regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan
                        begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de toekomst kan
                        het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een bestemmingsplan worden
                        geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware een overgangsregeling.
                        Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid
                        bedoeld, in overeenstemming worden gebracht met de Wet op de Ruimtelijke
                        Ordening, treedt voor het gebied, dat in dat plan is begrepen, artikel 352
                        buiten werking. De aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet
                        ingevolge de Overgangswet binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
                        laatstbedoelde wet geschieden. Nog steeds zijn niet alle bestemmingsplannen
                        aangepast, zodat deze overgangsregeling vooralsnog nodig blijft. Dit artikel
                        houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen en kan
                        daarom geen grond zijn voor het weigeren van een bouwvergunning. </al><al/><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965. Het oude
                        artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is gebaseerd
                        op de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op grond van
                        de Woningwet op grond van de Woningwet dus mogelijk maakt. Dit artikel
                        betreft, voor zover het een regeling bevat ter voorkoming van schade, hinder
                        of overlast, een materie die eventueel ook in een algemene plaatselijke
                        verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in een APV is
                        geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de bouwverordening te
                        worden opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere overlapping van het
                        onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar artikel in de Model-APV
                        (art. 4.4.1). Gelet op doel en strekking van de bouwverordening zal artikel
                        7.3.2 voornamelijk toepassing kunnen vinden als er een relatie kan worden
                        gelegd met bouwen of bouwwerken. Voor open erven en terreinen niet direct
                        behorende tot een bouwwerk zal eerder de APV van toepassing zijn. Daar
                        bepaalde voor de omgeving hinder veroorzakende activiteiten direct zijn
                        verbonden met hetgeen in, op, aan of nabij een bouwwerk gebeurt is dit
                        artikel in de bouwverordening nodig. Voor zover het hinder in verband met de
                        brandveiligheid betreft, ware in plaats van artikel 7.3.2 toe te passen
                        artikel 6.4.1. Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende
                        gevallen: het plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke
                        trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij
                        voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en
                        televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere wettelijke
                        voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke
                        wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten
                        die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen of
                        restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van
                        verspreiding van asbestvezels of –stof te vrezen valt. Door weersinvloeden
                        en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen die zich aan de
                        buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein zijn
                        opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels gemakkelijk
                        losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen een
                        risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de
                        aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie
                        van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een
                        overtreding van het bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende
                        aantoonbaar. In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op
                        overtreding van artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.
                        Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                        artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                        maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                        rechtvaardigen. Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het
                        Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen
                        die geluid produceren een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist.
                        Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze
                        vergunningplichtige inrichtingen. Voor het bestrijden van geluidsoverlast
                        afkomstig van horeca-inrichtingen geldt het Besluit horecabedrijven
                        milieubeheer. Voorschrift 2.12 van dit besluit stelt dat de gemeenteraad bij
                        verordening twaalf dagen (of dagdelen) aanwijst waarop de voorschriften 2.1
                        tot en met 2.6 van het Besluit niet van toepassing zijn. Ter uitvoering van
                        deze plicht en in verband met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer is
                        de Model-APV herzien waarbij de burgemeester bevoegd is om voor het houden
                        van festiviteiten dagen of dagdelen aan te wijzen waarop horeca-inrichtingen
                        de voorschriften met betrekking tot geluid- en trillinghinder niet hoeven na
                        te leven. (Model-APV artikelen 4.1.1 tot en met 4.1.4). Het lijkt alleszins
                        redelijk in de periode dat deze zogenaamde twaalfdagenregeling geldt voor de
                        geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geen toepassing te geven
                        aan artikel 7.3.2 van de (Model-)bouwverordening. </al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                        schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene
                        reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van
                        excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze
                        bepaling onmisbaar. Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1. </al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Watergebruik</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en
                        wethouders de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de
                        artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.3. </al><al/><al><vet>Paragraaf 6 Installaties</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar
                        of de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden
                        en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan
                        over nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als
                        een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                        gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is,
                        ligt dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het
                        onderhoud en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve
                        installaties voor portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische
                        ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor) e.d. Tevens is deze
                        bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan terreinrioleringen,
                        inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte opvang- en
                        bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater. N.B. Het onderhoud van
                        liftinstallaties is, voor wat betreft de veiligheidsaspecten van gewone
                        personenliften, in principe geregeld in het Besluit liften, dat op de Wet op
                        de gevaarlijke werktuigen berust. </al><al/><al><vet>7A Kamerbewoning</vet></al><al>Dit hoofdstuk maakte deel uit van de hiervoor geldende bouwverordening. Hier
                        werden in hoofdzaak dezelfde onderwerpen geregeld als in de per 1 november
                        2008 in werking getreden Besluit brandveilig gebruik bouwwerken
                        (‘gebruiksbesluit’). Bepalingen in de bouwverordening die hetzelfde
                        onderwerp regelden als het gebruiksbesluit vervielen met ingang van 1
                        november 2008 van rechtswege. Voor de duidelijkheid is nu het gehele
                        hoofdstuk 7A vervallen.</al><al/><al><vet>8 Slopen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet> Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het
                        bepaalde in artikel 8, tweede lid, letter d, van de Woningwet, en van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit hoofdstuk is een vergunningstelsel
                        opgenomen voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden
                        verbonden gericht op het specifieke sloopproject. Het voornaamste motief
                        voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening is gelegen in een
                        bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk hergebruiken van
                        deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het bouwafval
                        staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop verwijzen
                        wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren van een nieuwe beschikking,
                        de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is in de bouwverordening
                        het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren afdoende te
                        regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van zaken en
                        de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en locaties bleek dit niet
                        haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest -
                        voor zover niet kan worden volstaan met een melding - in het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven. </al><al/><al><vet>Asbest</vet></al><al>In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het
                        Asbestverwijderingsbesluit gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005, Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is
                        gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en op de Woningwet. Dit
                        besluit bevat regels voor de verwijdering van asbest bij het slopen van
                        bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het besluit heeft voor
                        zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe werking voor de
                        burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot regelgeving
                        in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de bouwverordening
                        zijn bindend voor de burger. Het laatstgenoemde besluit is in werking
                        getreden op 1 maart 2006. In de daarop volgende zin wordt het zinsdeel ‘de
                        artikelen 2, 3, 4 en 9’ vervangen door ‘de artikelen 10 en 11. Artikel 8,
                        negende lid, van de Woningwet bepaalt dat de gemeenteraad een jaar de tijd
                        heeft om dit deel van het besluit - in casu de artikelen 2, 3, 4 en 9 - in
                        de bouwverordening op te nemen en dus uiterlijk op 18 juni 1994 van kracht
                        te doen zijn. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een
                        uitvoerige Nota van toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet
                        zinvol een selectie uit deze Nota over te nemen in de toelichting bij
                        hoofdstuk 8 van de bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van
                        toelichting te raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m
                        32). </al><al/><al><vet>Incident </vet></al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit),
                        zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde
                        lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in
                        geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                        asbestbranden”. Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van
                        aanpak. Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en
                        producten die tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                        asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met
                        de bij het incident passende spoed te gebeuren. </al><al/><al><vet>Certificering </vet></al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De
                        instantie die zich bezig houdt met de certificering is: Stichting
                        Certificatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl,
                        fax: 0317-425725, website: www.ascert.nl. </al><al/><al><vet>Risicoklasse </vet></al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                        arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in
                        risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van
                        de arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning. De
                        verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                        arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was
                        meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.
                        </al><al/><al><vet>Intensivering van de handhaving</vet></al><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                        handhaving van de sloopvoorschriften. De VNG heeft in de ledenbrief over
                        Ketenhandhaving asbest van 12 februari 2007, Lbr. 07/07 aandacht gevraagd
                        voor de handhaving van de voorschriften over asbestverwijdering en de
                        LOMprojecten over ketenhandhaving asbest. De Vereniging Bouw- en
                        Woningtoezicht Nederland publiceert in de eerste helft van 2007 de
                        “Handreiking slopen. Vergunningverlening, controle en handhaving”. Deze
                        handreiking staat ook op de site van deze vereniging: www.vereniging-bwt.nl
                        Medio 2007 verschijnt over de uitvoering van de voorschriften over
                        asbestverwijdering de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het
                        ministerie van VROM, de VROM-Inspectie, het ministerie van SZW /
                        Arbeidsinspectie, Infomil, de vereniging BWT Nederland, de VNG en het LOM.
                        </al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Sloopvergunning</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</vet></al><al>De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet
                        bestuursrecht moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld. De
                        Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis
                        voor de sloopvergunning. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen
                        van de sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb. </al><al>Lid 1 </al><al>Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze controleerbaar en
                        handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle andere belangen,
                        zonder afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan het milieubelang.
                        Veel van wat behoort tot het normale onderhoud en het aanbrengen van
                        veranderingen van ondergeschikte betekenis behoeft niet te worden
                        onderworpen aan een sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten ontstaat
                        sloopafval. Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en
                        gescheiden wordt afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval
                        voor zover geen asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis
                        geformuleerd in artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve
                        van niet-ingrijpende interne verbouwingen. Het verwijderen van asbest is of
                        vergunningplichtig op grond van dit artikel of meldingplichtig op grond van
                        artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de vergunningvrije restcategorie
                        van artikel 8.4.1. </al><al>Lid 2 </al><al>Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover
                        het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met
                        een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op
                        de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                        controleren. Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk
                        net onder de 10 m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de
                        vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is
                        dit een overtreding wegens het ontbreken van een sloopvergunning. Overigens
                        verwachten wij deze ontduiking niet, omdat puin afvoeren naar een puinbreker
                        aanzienlijk minder kost dan storten op een stortplaats. Onder 10 m3
                        sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval. </al><al>Lid 3 </al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen worden
                        verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                        vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met
                        d. Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                        scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                        detaillering. Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de
                        onderwerpen genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel. </al><al>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van
                        nabijgelegen bouwwerken </al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen
                        4.8 tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van
                        overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein
                        enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen
                        veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid
                        van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm
                        geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden indien het
                        vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze
                        vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voorwaarde
                        te worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede afhankelijk van de
                        sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe
                        omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van
                        veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                        veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort
                        tot de sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de
                        Arbeidsinspectie. Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd
                        en ingediend bij de aanvraag om een sloopvergunning. De regeling daarvoor
                        staat in artikel 8.1.2, tweede lid. Het is de aanvrager van de vergunning
                        die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de gekozen methode leidt tot strijd
                        met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij voorbeeld over het selectief
                        slopen, de veiligheid of het uitvoeren van bodemonderzoek, worden aan de
                        sloopvergunning voorschriften verbonden ter voorkoming van deze
                        strijdigheid. </al><al>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren </al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                        verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of
                        transporteur het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de
                        voorschriften van de sloopvergunning en andere regels, bij voorbeeld die
                        over het vervoer van gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de
                        praktijk komt dit erop neer dat alleen mag worden samengewerkt met
                        vergunninghoudende inzamelaars en transpor-teurs voor het gevaarlijk afval
                        en alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings- en verwerkingsinrichtingen
                        die beschikken over een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. De
                        voorschriften in de sloopvergunning mogen geen 'gedwongen winkelnering'
                        inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor
                        dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn. De fracties waarin
                        moet worden gescheiden worden vermeld in de vergunningvoorschriften. De
                        keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en samenstelling van het
                        te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in de regio
                        aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest
                        minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving.
                        Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen,
                        asbest en overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende
                        fracties als voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen: </al><lijst><li nr="·"><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="·"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="·"><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="·"><al>asfalt;</al></li><li nr="·"><al>dakgrind;</al></li><li nr="·"><al>glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al></li></lijst><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer. Wanneer
                        de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het bepaalde
                        in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel 5 van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Een opdrachtgever doet er verstandig
                        aan een sloopaannemer te kiezen die is gekwalificeerd voor het soort
                        sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere sloopwerken is dit vrijwel
                        steeds een gespecialiseerd bedrijf. </al><al/><al>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor </al><al/><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een
                        vergunning worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te
                        slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in
                        welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van
                        containers) en voorts van de in de regio beschikbare verwijderingstructuren,
                        waaronder bewerkings- en verwerkingscapaciteit. Er is voor gekozen geen
                        indicatie te geven voor de verschillende inzamelstructuren en bewerkings- of
                        verwerkingsstructuren, omdat deze sterk regionaal of lokaal kunnen
                        verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het is daarom noodzakelijk
                        dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de vergunningaanvraag, op de
                        hoogte is van de lokale en regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop
                        vrijkomende afvalstromen. Het is van belang dat voordat een aanvraag om
                        sloopvergunning wordt getoetst de hergebruikmogelijkheden bij de
                        beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten de volgende aspecten
                        worden nagegaan: </al><lijst><li nr="·"><al>wat kan worden hergebruikt;</al></li><li nr="·"><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li><li nr="·"><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li><li nr="·"><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te
                                voldoen;</al></li><li nr="·"><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers,
                                sorteerders en inzamelaars.</al></li></lijst><al/><al> Onderzoek </al><al>Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend moeten de
                        volgende onderzoeken plaatsvinden: </al><lijst><li nr="·"><al>Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen
                                gedeelte daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede
                                lid, letter f);</al></li><li nr="·"><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat
                                een te slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is
                                verontreinigd met gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische
                                afvalstoffen) als bedoeld in het BAGA, dient een onderzoek te worden
                                ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport
                                met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning
                                worden gevoegd (MBV artikel 8.1.2, derde lid);</al></li><li nr="·"><al>Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                                aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2,
                                daarover bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning
                                gegevens worden ingediend. Op grond van artikel 3 van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht naar de
                                aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat wil zeggen daartoe
                                gecertificeerd bedrijf.</al></li></lijst><al>Achterin deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                        vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van
                        de sloopvergunning een handreiking voor een verdergaande scheiding dan
                        normaliter in de voorwaarden van de sloopvergunning verplicht is gesteld om
                        op de slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een
                        verdergaande scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen
                        in zijn beschouwing betrekken. </al><al/><al>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen </al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de
                        producenten van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de
                        producenten van kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze
                        twee deelstromen inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld. De VKG heeft met
                        het Ministerie van VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst gesloten over de
                        inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren. Daartoe
                        zal een stichting worden belast met het (doen) inzamelen en herverwerken van
                        alle aangeboden oude kunststof kozijnen, ramen en deuren. De FKS heeft met
                        het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de volledige
                        inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                        kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene
                        die sloopt een container kan huren waarin de afval geworden
                        kunststofleidingen worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten
                        ketenbeheer, functionerend voor het gehele land. Andere kunststoffen dan
                        hier genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met dit inzamelsysteem. </al><al/><al>Andere inzamelsystemen </al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product
                        en die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te
                        maken voor hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en
                        voor aluminium. De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij
                        de leverancier en bij de brancheorganisatie. </al><al>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend </al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen
                        van een aanvraag om sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de
                        aanvraag. De artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van
                        degene die met het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn
                        dikwijls nog niet bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om
                        sloopvergunning. Deze gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling
                        van het in behandeling nemen. In de sloopvergunning kan een voorwaarde
                        worden opgenomen inhoudende dat uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen
                        voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene
                        die met de sloopwerkzaamheden is belast worden overgelegd aan burgemeester
                        en wethouders of de directeur van het (gemeentelijk) bouwtoezicht. </al><al/><al>Het gebruik van een mobiele puinbreker </al><al>In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening sinds
                        omstreeks 1996 een regeling voor de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers
                        op slooplocaties. Een dergelijke regeling maakt voorschriften ter zake in de
                        gemeentelijke bouwverordening overbodig. In een concreet geval raadplege men
                        de desbetreffende provinciale griffie over de vraag of, en zo ja welke,
                        provinciale voorschriften terzake gelden. In de bouwverordening van de
                        gemeenten die in de overige provincies liggen, blijven de voorschriften voor
                        het gebruik van een mobiele puinbreker echter zinvol. Zulke voorschriften
                        stonden tot en met de derde serie wijzigingen ook in de
                        Model-bouwverordening 1992. Zij bestonden uit: </al><lijst><li nr="a."><al>een extra tekstelement in de opsomming van het derde lid, luidende:
                                x het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is opgesteld
                                op de sloopplaats, voorzover de toestemming, als bedoeld in het
                                vijfde lid, van toepassing is; </al></li><li nr="b."><al>een vijfde lid, luidende: 5 Het bewerken van het sloopafval op de
                                plaats waar dit afval vrijkomt, is niet toegestaan. </al></li></lijst><al>Op verzoek van de aanvrager van de sloopvergunning kan, onder in de
                        vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats
                        het beton en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                        puinbreekinrichting. Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ van 15
                        januari 2004, Stb. 2004, 25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele
                        brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf deze datum zijn de
                        in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande voorschriften over
                        mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling treedt in de
                        plaats van de lagere regeling. Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven
                        in genoemd besluit is het toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in
                        de directe nabijheid daarvan een mobiele puinbreker op te stellen waar het
                        steenachtige bouw- en sloopafval wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten
                        periode van ten hoogste drie maanden. Het is verboden om met een mobiele
                        puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken dat afkomstig is van andere bouw-
                        of slooplocaties dan die waarbij de breker is opgesteld. Interessant is de
                        uitspraak ABRS 24 maart 2004, Gst. 7208, 90 m.nt. Nijmeijer en Teunissen.
                        Een (mobiele) puinbreekinstallatie is een bouwvergunningplichtig bouwwerk.
                        De binnenplanse vrijstelling afvalverwerking is hierop van toepassing. </al><al>Lid 4 </al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                        derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                        Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                        bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk
                        afval zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag
                        ervan. De tweede zin verplicht burgemeester en wethouders over het
                        afzonderlijk gereed maken voor de afvoer van het sloopproject van asbest en
                        de termijn waarbinnen dit moet gebeuren een voorschrift in de vergunning op
                        te nemen. Deze verplichting staat in artikel 10, letter e, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Lid 5 </al><al>Indien op grond van het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet een
                        tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk, is verleend en
                        daarin voorschriften zijn opgenomen over het slopen van het tijdelijke
                        bouwwerk – meestal in de zin van het uit elkaar nemen en opslaan van de
                        onderdelen van het bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt opgebouwd - is
                        daarvoor geen afzonderlijke sloopvergunning nodig. De tijdelijke
                        bouwvergunning dient de nodige voorschriften te bevatten voor het slopen van
                        het bouwwerk. Uit de Memorie van Toelichting bij de Woningwet blijkt dat met
                        name gedacht wordt aan strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks
                        terugkerende evenementen e.d. </al><al/><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>Het verlenen en het weigeren van een sloopvergunning is een besluit in de
                        zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling 3:4 van de Awb – de
                        zogeheten Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) - is niet van
                        toepassing op de behandeling van een verzoek om sloopvergunning. Het lijkt
                        niet zinvol, deze UOV van toepassing te verklaren op de sloopvergunning.
                        Aanvullend op de eisen die in dit artikel zijn gesteld gelden de
                        voorschriften van de Awb over het indienen van verzoeken om besluiten,
                        indienen door een gemachtigde enz. </al><al>Leden 1 en 2 </al><al>Bepaald is wat moet worden ingediend om een sloopvergunning te kunnen
                        verkrijgen. Het bepaalde onder letter g is ingevoerd om coerdinatie tussen
                        bouwvergunning en sloopvergunning mogelijk te maken. Zie voorts artikel
                        8.1.5, tweede lid. Ook wanneer een bouwvergunning is vereist en het bouwen
                        tevens (gedeeltelijk) slopen inhoudt is een sloopvergunning vereist. De
                        bouwvergunning houdt derhalve niet in dat mag worden gesloopt. Voor deze
                        situatie van samenloop van twee vergunningen is artikel 8.1.5, eerste lid,
                        bedoeld. De aanvrager is niet verplicht beide vergunningen gelijktijdig aan
                        te vragen. Doet hij dit wel, dan heeft dit voor hem (en overigens ook voor
                        de gemeente) enige procedurele voordelen. De in te dienen gegevens over de
                        aanwezigheid van asbest in een te slopen bouwwerk en de plaatsen waar dit
                        asbest zich bevindt dienen om een juist beeld te krijgen van de verwijdering
                        van asbest en om vast te stellen welke overige bepalingen van de
                        bouwverordening hierop van toepassing zijn. Een asbestinventarisatierapport,
                        waaruit blijkt waar het asbest zich bevindt, opgesteld door een deskundig
                        bedrijf, is verplicht. Een dergelijk rapport behoeft niet te worden
                        overgelegd indien een van de gevallen zich voordoet als bedoeld in het derde
                        of vierde lid. Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn in het verleden op
                        grote schaal asbesthoudende bouwmaterialen toegepast, onder meer
                        asbestcementgolfplaten als dakbedekking. Tegenwoordig ontstaan er in de
                        agrarische sector in verscheidene streken van Nederland initiatieven tot
                        projectmatige asbestverwijdering vanaf een reeks agrarische bedrijfsgebouwen
                        in de gemeente. Het verlenen van één enkele zogenaamde
                        paraplusloopvergunning voor het gehele asbestverwijderingsproject is in dat
                        geval minder omslachtig dan het verlenen van individuele sloopvergunningen
                        voor de verwijderingswerkzaamheden aan ieder agrarisch bedrijfsgebouw
                        afzonderlijk. Een dergelijke paraplusloopvergunning behoeft niet op
                        juridische bezwaren te stuiten, indien een nauwkeurige plaatsaanduiding van
                        alle agrarische bedrijfsgebouwen die in het kader van dat
                        asbestverwijderingsproject zullen worden aangepakt, wordt opgenomen in de
                        vergunningaanvraag. Aldus komen ook voor paraplusloopvergunningen tijdig en
                        volledig de gegevens beschikbaar die noodzakelijk zijn, omdat vergunningen
                        ingevolge de Algemene wet bestuursrecht vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.
                        Zie voor een verdere toelichting op de consequenties van laatstgenoemde wet
                        voor sloopvergunningen de aanhef van de toelichting op het onderhavige
                        artikel. Een sloopveiligheidsplan als bedoeld onder letter i van het tweede
                        lid is te vergelijken met een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel
                        1.2.5 onder a van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten en is
                        slechts nodig in enkele risicovolle sloopprojecten. Een dergelijk plan
                        behoort zeker niet tot de standaardbescheiden bij een aanvraag om
                        sloopvergunning. In een overleg voorafgaande aan het indienen van een
                        aanvraag kan blijken of een dergelijk plan nodig is. De zinsnede 'en voorts,
                        indien van toepassing' duidt erop dat slechts indien door of namens
                        burgemeester en wethouders het opstellen van een sloopveiligheidsplan van
                        toepassing is verklaard, aan deze plicht behoeft te worden voldaan. Over het
                        tijdstip waarop het plan wordt ingediend wordt verwezen naar het eerste lid
                        van artikel 8.1.3 en de Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Lid 3 </al><al>Algemeen </al><al>De aanvrager dient op het aanvraagformulier aan te geven dat hij vermoedt
                        dat het bouwwerk geen asbest bevat. Op grond van artikel 8.1.2, lid 3, wordt
                        aan hem de verplichting opgelegd om aan te tonen waarop deze verwachting is
                        gebaseerd. Op grond van diverse feiten of omstandigheden kan aannemelijk
                        zijn dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door het Ministerie van
                        VROM, de bouwpraktijk en de VNG zijn gevallen geïnventariseerd waarin de
                        aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat hij vermoedt dat er geen
                        sprake is van verwijdering van asbest en op welke wijze dit ten genoegen van
                        burgemeester en wethouders moet worden aangetoond. Deze gevallen zijn
                        opgesomd in het onderhavige lid 3. Dit lid is een direct werkend
                        voorschrift, waarop de indiener van een verzoek om sloopvergunning zich kan
                        beroepen door op het aanvraagformulier aan te geven dat en waarom geen
                        onderzoeksrapport is bijgevoegd. De gedachte achter deze inventarisatie is
                        dat wordt voorkomen dat de plicht tot het doen van een onderzoek naar asbest
                        onevenredig hoge maatschappelijke kosten met zich brengt, omdat de kans op
                        de aanwezigheid van asbest niet in verhouding tot die kosten staat. In
                        sommige gevallen is het evident dat het te slopen bouwwerk geen asbest
                        bevat. In andere gevallen kan de aanvrager zelf constateren dat er
                        vermoedelijk geen asbest aanwezig is. Bij de inventarisatie van de gevallen
                        waarin de aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat er geen sprake
                        is van verwijdering van asbest, is als richtlijn genomen dat het bouwwerk,
                        gelet op bouwconstructie en gebruikte materialen, betrekkelijk eenvoudig
                        moet zijn. Niet valt uit te sluiten dat zich in de praktijk vergelijkbare
                        gevallen zullen aandienen, waarin gemeente en aanvrager het erover eens zijn
                        dat aannemelijk is dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Het
                        voorstel biedt de mogelijkheid aan de aanvrager om ten genoegen van
                        burgemeester en wethouders in andere, vergelijkbare gevallen of op andere,
                        vergelijkbare wijze aan te tonen dat de verplichting om een onderzoek door
                        een deskundig bedrijf te overleggen niet van toepassing is. Onder b </al><al>Voor medio 1997 was het reeds praktijk dat - voorafgaand aan met name grote
                        sloopprojecten - een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest plaatsvond.
                        Deze onderzoeksrapporten zijn alleen aanvaardbaar als alternatief indien
                        daarin aandacht wordt besteed aan alle aspecten waaraan in BRL 5052 eisen
                        worden gesteld. Burgemeester en wethouders bepalen, zo nodig met externe
                        ondersteuning, of het onderzoek aan deze criteria voldoet. Indien het
                        onderzoeksrapport niet aan deze eisen voldoet, dient alsnog een onderzoek
                        door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf plaats te vinden. Een dergelijk
                        onderzoek kan als voldoende deskundig uitgevoerd worden beschouwd, indien
                        het aan de volgende criteria voldoet: </al><lijst><li nr="·"><al>De gebruikte onderzoeksmethode is goed beschreven en levert in
                                principe dezelfde basisgegevens op als zijn vastgelegd in
                                beoordelingsrichtlijn BRL 5052, uitgave 1998.</al></li><li nr="·"><al>De opdracht tot het uitvoeren van een volledig asbestonderzoek moet
                                duidelijk omschreven zijn.</al></li><li nr="·"><al>Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een bedrijf en/of personen
                                met een aantoonbare expertise in onderzoeken naar asbesthoudende
                                materialen.</al></li></lijst><al>Personen met een dergelijke expertise zijn bijvoorbeeld medewerkers van
                        woningcorporaties met een toereikende opleiding, in het algemeen blijkend
                        uit het bezit van een diploma deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA).
                        Samenvattend kan worden gesteld dat, op grond van BRL 5052, een
                        onderzoeksrapport ten minste de volgende onderwerpen dient te bevatten: </al><lijst><li nr="·"><al>een samenvatting;</al></li><li nr="·"><al>de resultaten van een visuele inspectie, zo nodig aangevuld met
                                informatie uit desk research;</al></li><li nr="·"><al>de bemonstering;</al></li><li nr="·"><al>de laboratoriumanalyses;</al></li><li nr="·"><al>een overzicht van de hoeveelheden, exacte plaatsen en wijze van
                                bevestiging van het asbestbevattende materiaal;</al></li><li nr="·"><al>een overzicht van de plaatsen waar niet is geïnventariseerd, maar
                                waar mogelijk nog asbestbevattend materiaal aanwezig is.</al></li></lijst><al>De toepassing en verkoop van asbesthoudende materialen is sinds 1 juli 1993
                        verboden. Dit betekent dat wanneer een dergelijk onderzoek na 1 juli 1993
                        heeft plaatsgevonden, dit nog steeds een betrouwbaar beeld van de
                        aanwezigheid van asbest zal geven. Ook onderzoeken van eerdere datum kunnen
                        bij de beoordeling worden betrokken indien uit de schriftelijke verklaring
                        blijkt dat de onderzochte situatie later niet meer gewijzigd is. Hiervoor
                        kan onder andere informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder
                        of de huurder. </al><al>Onder c </al><al>De situatie dat het te slopen bouwwerk na 1 januari 1994 is gebouwd, is
                        opgenomen omdat de verkoop en verwerking van asbest door bedrijven sinds 1
                        januari 1994 verboden is. Het heeft derhalve vrijwel geen zin om bouwwerken
                        die na 1 januari 1994 zijn gebouwd, te onderzoeken op de aanwezigheid van
                        asbest. Als bewijs voor deze motivering moet de aanvrager een schriftelijk
                        stuk overleggen, waaruit blijkt dat het bouwwerk, dan wel het te slopen deel
                        van het bouwwerk, na 1 januari 1994 is gebouwd. Onder d </al><al>Vooral bij bouwwerken van recente datum zal de bouwer bij de aanvrager
                        bekend zijn. De verklaring van de aanvrager omtrent later uitgevoerde
                        verbouwingen kan worden ondersteund door verklaringen van de bouwer en/of de
                        fabrikant dat het hierbij toegepaste materiaal geen asbest bevat. Deze
                        situatie is echter niet beperkt tot later uitgevoerde verbouwingen. Ook van
                        tussentijds aangebrachte voorzieningen, bijvoorbeeld brandwerende
                        voorzieningen, dient te worden aangetoond dat deze geen asbest bevatten.
                        Hiervoor kan onder andere informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de
                        beheerder of de huurder. </al><al>Onder e </al><al>Sinds de risico's van asbest bij de consument bekend zijn geworden, zijn
                        fabrikanten overgegaan tot het (op verzoek) verklaren dat hun product vrij
                        is van asbest. In de corporatiepraktijk is het gebruikelijk dat aannemers
                        bij gebruik van asbestverdachte materialen, zoals golfplaten, verklaringen
                        van de fabrikant overleggen, waaruit blijkt dat daarin geen asbest is
                        gebruikt. Onderzoek door een deskundig bedrijf is in deze eenvoudige
                        situatie onnodig; voor de sloop van bepaalde materialen kan met deze
                        verklaringen worden volstaan. Onder verwijdering van bepaalde materialen
                        wordt bijvoorbeeld verstaan verwijdering van vinylvloerbedekking of
                        standleidingen uit een serie woningen. Zie ook de toelichting onder f.
                        Visuele inspectie De voorheen bestaande mogelijkheid om aan de hand van een
                        visuele inspectie de aanwezigheid van asbest te bepalen is met de 11e serie
                        van wijzigingen vervallen. De visuele inspectie aan de hand van de checklist
                        van bijlage 8 van de bouwverordening leidde nogal eens tot een discussie
                        tussen de gemeente en de aanvrager, waarbij de eerste meent dat wel moet
                        worden uitgegaan van asbestverdachte materialen en de tweede meent dat de
                        visuele inspectie voldoende houvast biedt om aan te nemen dat geen asbest
                        aanwezig is. Mede gelet op de strekking van het nieuwe
                        Asbestverwijderingsbesluit om minder uitzonderingen toe te laten op de
                        asbestinventarisatieplicht dan voorheen het geval was, is de visuele
                        inspectie aan de hand van de toen bestaande checklist bijlage 8 vervallen.
                        De genoemde checklist gaat naar de toelichting en vormt als bijlage bij de
                        toelichting een nuttige handreiking bij de uitvoering. Het vierde lid dat
                        handelt over de verplichte asbestinventarisatie is aangescherpt in die zin
                        dat de gevallen waarin een dergelijk inventarisatierapport niet behoeft te
                        worden overgelegd bij de aanvraag om sloopvergunning is beperkt. Hiermee
                        wordt aansluiting gezocht bij de tekst van artikel 3 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 met het tekstgedeelte “… beschikt … over een
                        asbestinventarisatierapport indien hij weet of redelijkerwijs kan weten dat
                        zich in het bouwwerk…. asbest … bevindt.” De combinatie van de herziene
                        leden 3 en 4 van artikel beoogt hier invulling aan te geven. </al><al>Lid 4 </al><al>Bij het verzoek om een sloopvergunning moet worden vermeld of zich in het te
                        slopen (deel van een) bouwwerk asbest bevindt. Aan de hand van een aantal
                        criteria kan de mate van waarschijnlijkheid en daarmee de noodzaak om een
                        asbestinventarisatie te doen plaatsvinden worden vastgesteld. Deze criteria
                        zijn ontleend aan het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit besluit wordt
                        in artikel 3, eerste lid, de formulering gebruikt ‘indien hij weet of
                        redelijkerwijs kan weten’. Dit voorschrift richt zich tot degene die
                        voornemens is te slopen. In dit vierde lid van artikel 8.1.2 worden twee
                        situaties genoemd waarin het niet nodig is een asbestinventarisatierapport
                        te doen opstellen. Indien zich geen der situaties als bedoeld in het derde
                        lid en het vierde lid voordoet is altijd een asbestinventarisatierapport van
                        een deskundig bedrijf vereist. </al><al>Lid 5 </al><al>Degene die voornemens is een sloopvergunning aan te vragen kan indien het
                        historisch gebruik hem onbekend is bij de gemeente navraag doen naar het
                        historisch gebruik van het gebouw. Over de verwachting verontreiniging aan
                        te treffen en de daaraan te verbinden conclusie - wel of geen onderzoek
                        instellen - is vooroverleg met de gemeente verstandig.</al><al>Zie voor een toelichting op de afvalstoffenlijst behorende bij de EURAL de
                        toelichting op artikel 4.11, eerste lid.</al><al> Lid 6 </al><al>Het aantalvoud waarin de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten
                        worden ingediend kan per gemeente verschillen, mede afhankelijk van de
                        plaatselijke organisatie. Het opstellen van een sloopveiligheidsplan Analoog
                        aan het bouwveiligheidsplan kan, bij complexe sloopprojecten en/of een
                        omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid of een hoge verkeersintensiteit,
                        de externe veiligheid bijzondere aandacht vergen. De maatregelen die de
                        aanvrager om sloopvergunning denkt te nemen, moeten voorafgaand aan de sloop
                        aan de hand van een sloopveiligheidsplan kunnen worden getoetst. Er wordt
                        met nadruk op gewezen dat het sloopveiligheidsplan als bedoeld in dit
                        artikel alleen betrekking heeft op de weg, de in de weg gelegen werken, de
                        weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                        gebruikers. Wanneer is een sloopveiligheidsplan nodig Indien de bedreigingen
                        die uitgaan van activiteiten omtrent slopen (bijlage 5 van de toelichting)
                        zich uitstrekken tot boven gronden en bebouwingen buiten de afgrenzing van
                        het sloopterrein, zullen maatregelen nodig zijn om deze bedreigingen weg te
                        nemen. Afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden kan het nodig
                        zijn deze maatregelen in een sloopveiligheidsplan op te nemen (bijlage 6 van
                        de toelichting). Een sloopveiligheidsplan is slechts dan nodig indien de
                        locatiespecifieke omstandigheden dusdanig complex zijn dat het zonder een
                        dergelijk plan voor het bouw- en woningtoezicht niet mogelijk is om de
                        externe veiligheid op voorhand afdoende te beoordelen, terwijl duidelijk
                        sprake is van bedreiging(en) van de externe veiligheid. Aan de hand van
                        enkele voorbeelden is hierna één en ander verduidelijkt. Wat is de inhoud
                        van het sloopveiligheidsplan De inhoud van het sloopveiligheidsplan is
                        afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden. In de in bijlage 6 van
                        de toelichting opgenomen checklist wordt voor de verschillende bedreigde
                        objecten en functies een aantal mogelijke maatregelen gegeven die in het
                        sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De aanvrager om
                        sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige maatregelen
                        opnemen die niet op deze checklist voorkomen. In bijlage 7 van de
                        toelichting is een voorstel gedaan voor een inhoudsopgave van een
                        sloopveiligheidsplan. </al><al>Toetsing van het sloopveiligheidsplan </al><al>De in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist van bedreigde
                        objecten en functies en maatregelen kan dienen als hulpmiddel bij het
                        opstellen en toetsen van een sloopveiligheidsplan, door na te gaan of de
                        betreffende situatie en voorgestelde maatregel(en) vergelijkbaar is/zijn met
                        de in de checklist gegeven objecten, functies en maatregelen. Vooroverleg
                        Bij complexe en/of risicovolle sloopprojecten is een (informeel) vooroverleg
                        vaak noodzakelijk. Voor wat betreft de externe veiligheid bij het slopen
                        dienen bij een vooroverleg de met de sloop samenhangende bedreigingen, de
                        bedreigde objecten en functies en de locatiespecifieke omstandigheden bekend
                        te zijn, zodat reeds in het vooroverleg (met de juiste instanties) kan
                        worden bepaald of er een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is en waar het
                        sloopveiligheidsplan zich op dient te richten. Voorbeelden Voorbeeld 1:
                        Sloop van gebouw met een hoge gevel (30 m) aan een smalle (20 m) drukke
                        winkelstraat met een tram, voetgangers, fietsers en auto's. De weg dient
                        gedurende de sloopwerkzaamheden al zijn verkeersfuncties te blijven
                        vervullen. De bovenleiding van de tram is bevestigd aan de gevel van het te
                        slopen gebouw. Voor slopen van het dak is een kraan nodig. Het zal duidelijk
                        zijn dat in deze complexe situatie de externe veiligheid een belangrijke rol
                        speelt. In het sloopveiligheidsplan zullen opgenomen moeten worden: </al><lijst><li nr="·"><al>gegevens waaruit blijkt dat de sloopmethode geen bedreiging vormt
                                (dit kan inhouden dat de voorgevel met de hand moet worden
                                gesloopt);</al></li><li nr="·"><al>de maatregelen ter bescherming van de weggebruikers, zoals
                                bijvoorbeeld uitstekers (om de zoveel verdiepingen) of
                                voetgangertunnels;</al></li><li nr="·"><al>de verkeerscirculatie gedurende de sloop;</al></li><li nr="·"><al>de wijze waarop wordt omgegaan met de bovenleiding van de tram;</al></li><li nr="·"><al>het tijdstip, de tijdsduur en de wijze van de
                                hijswerkzaamheden.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 2: Afhijsen van kerktoren (60 m) in dicht bebouwde binnenstad. Er
                        is te weinig ruimte voor een mobiele kraan. Er zal boven woningen moeten
                        worden gewerkt. In het sloopveiligheidsplan zal onder meer aandacht moeten
                        worden geschonken aan: </al><lijst><li nr="·"><al>de aan/afvoer en op/afbouw van de kraan;</al></li><li nr="·"><al>de draagkracht van het wegdek;</al></li><li nr="·"><al>de duur, het tijdstip van de werkzaamheden;</al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van schade en gevaar als gevolg van het afbreken van
                                de hijslast of delen daarvan;</al></li><li nr="·"><al>eventueel tijdelijk te ontruimen bouwwerken.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 3: Gedeeltelijke sloop van pand met belendingen. De sloop betreft
                        ook de funderingen. Er zal daarom een bouwput nodig zijn met bemaling. De
                        gevel van het gebouw is in slechte staat, maar moet behouden blijven. Er is
                        sprake van gemeenschappelijke bouwmuren. De belendende panden zijn oud, in
                        een matige staat en bezitten een historische waarde. In het
                        sloopveiligheidsplan zullen de volgende aspecten minimaal aan de orde moeten
                        komen: </al><lijst><li nr="·"><al>stabiliteit resterende gevel, bijvoorbeeld met behulp van stalen
                                steunconstructie;</al></li><li nr="·"><al>sloopmethode in verband met trillingen, trillingsarm slopen;</al></li><li nr="·"><al>bemaling in verband met grondwaterstand;</al></li><li nr="·"><al>stabiliteit belendingen in verband met bouwput;</al></li><li nr="·"><al>verankeringen in gemeenschappelijke bouwmuur.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 4: Sloop van een 60 meter hoog gebouw op een bedrijfsterrein, te
                        midden van andere bedrijfsgebouwen en wegen. Het gebouw bevindt zich ten
                        minste 500 meter van de afgrenzing van het bedrijfsterrein. In dit geval is
                        er geen sprake van bedreiging van de externe veiligheid, gezien de afstand
                        tot de openbare weg. Er is dan ook geen sloopveiligheidsplan noodzakelijk.
                        Voorbeeld 5: Wanneer uit een rij aaneengesloten woningen er één wordt
                        gesloopt kan dit tot gevolg hebben dat een woningscheidende wand na de sloop
                        buitenwand (uitwendige scheidingsconstructie) wordt. De consequentie dat
                        deze wand regenwerend moet worden gemaakt en ook overigens zal moeten gaan
                        voldoen aan de eisen die gelden voor een uitwendige scheidingsconstructie
                        zoals bedoeld in het Bouwbesluit bestaande woningen en woongebouwen kan
                        vooraf worden besproken tussen partijen. Het verhaal van eventuele schade is
                        een privaatrechtelijke aangelegenheid. De overheid kan volstaan met het
                        stellen van voorschriften tot het voorkomen van schade. Voorbeeld 6:
                        Gedeeltelijke sloop vindt plaats en het overige deel van het bouwwerk blijft
                        bestaan en blijft in gebruik. Afhankelijk van de gekozen sloopmethode en de
                        samenstelling van het bouwwerk kan het nodig zijn een voorschrift op te
                        nemen over het voorkomen van brand. Aanbevelingen Het opvolgen van de
                        onderstaande aanbevelingen kan de externe veiligheid tijdens het slopen
                        vergroten: </al><lijst><li nr="·"><al>vooroverleg waarin de externe veiligheid ter sprake komt;</al></li><li nr="·"><al>voor de praktijk van aanbesteding is het van belang dat voor het
                                moment dat sloopaannemers inschrijven op een sloopproject bekend is
                                of een sloopveiligheidsplan wordt verlangd en wat de inhoud daarvan
                                moet zijn. Een mogelijkheid is om in het bestek actiepunten met
                                betrekking tot de externe veiligheid op te nemen; (Deze aspecten
                                worden niet als voorschrift aan de sloopvergunning verbonden, omdat
                                zij van privaatrechtelijke aard zijn).</al></li><li nr="·"><al>zodra beschikbaar: procescertificering van sloopbedrijven (hieraan
                                wordt momenteel gewerkt door de brancheorganisaties);</al></li><li nr="·"><al>indien een gemeente onvoldoende ervaring/deskundigheid bezit op het
                                gebied van sloopveiligheid, kan een externe deskundige worden
                                ingeschakeld.</al></li></lijst><al>In de bijlagen 5, 6 en 7 die zich achter de artikelsgewijze toelichting
                        bevinden worden aandachtspunten vermeld voor het opstellen van een
                        sloopveiligheidsplan.' Lid 7 Met betrekking tot het zevende lid, waarin het
                        gebruik van de Nederlandse taal verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat
                        artikel 2:7 van de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid biedt om
                        verzoeken gericht aan een bestuursorgaan van een gemeente gelegen in de
                        provincie Friesland in de Friese taal te doen. Leden 12 en 13 Het bepaalde
                        in deze leden is een uitwerking van artikel 2, letter g, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit. Voorkomen wordt dat voor het slopen van een
                        bouwwerk zowel een vergunning als een melding is vereist. Indien een deel
                        van de sloopwerkzaamheden vergunningplichtig is en een deel meldingplichtig,
                        is het geheel van sloopwerkzaamheden vergunningplichtig en is derhalve het
                        meldingplichtige gedeelte begrepen in de sloopvergunning. Indien per abuis
                        een vergunning wordt aangevraagd terwijl volstaan kan worden met een
                        melding, wordt de aanvraag om sloopvergunning aangemerkt als melding.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>Lid 1 Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking
                        worden ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te
                        behandelen. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de
                        eis dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het
                        bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Een dergelijke
                        mededeling is een beschikking in de zin van de Awb. Zie voor een uitgebreide
                        uiteenzetting over de procedure de toelichting bij artikel 6.1.3. Het daar
                        gestelde met betrekking tot de gebruiksvergunning geldt mutatis mutandis ook
                        voor de sloopvergunning. Omdat bij het indienen van een aanvraag om
                        sloopvergunning nog geen onderzoeksplicht geldt, kan het gebeuren dat de
                        aanvrager op grond van eigen inzichten meent dat zich in het te slopen
                        bouwwerk geen asbest bevindt, doch dat burgemeester en wethouders op grond
                        van hun ter beschikking staande gegevens menen dat het te slopen bouwwerk
                        wel asbest bevat. Indien burgemeester en wethouders voldoende zeker zijn van
                        hun zaak stellen zij op grond van de tweede zin van dit lid de aanvrager in
                        de gelegenheid de ontbrekende gegevens over de aanwezigheid van asbest aan
                        te vullen binnen vier weken. </al><al>Lid 2 Dit lid strekt ertoe de gegevens over degene die het sloopwerk
                        uitvoert buiten de procedure van artikel 4:5 Awb te houden. Deze gegevens
                        mogen op een later tijdstip doch voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                        worden ingediend. Zie daarover de toelichting bij artikel 8.1.1, derde lid,
                        letter d. </al><al/><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet> Ingevolge het eerste lid
                        moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf weken na ontvangst van de
                        aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien toepassing is gegeven
                        aan artikel 8.1.3 betekent dit, dat de termijn wordt opgeschort. Zie
                        hierover de toelichting bij artikel 8.1.3. De termijnen in dit artikel zijn
                        geen fatale termijnen, maar termijnen van orde. Dit betekent dat ook na het
                        verstrijken van een termijn burgemeester en wethouders alsnog een beslissing
                        kunnen nemen. Hierop hoeft een aanvrager niet te wachten. Deze mag aannemen
                        dat een vergunning is geweigerd indien na het verstrijken van de termijnen
                        geen beslissing is genomen. Tegen deze fictieve weigering kan op grond van
                        de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld. Het tweede lid bevat een
                        uitzondering op de termijn van het eerste lid. Het derde lid bevat een
                        aanhoudingsregeling, die ten doel heeft te voorkomen dat een sloopvergunning
                        op grond van de bouwverordening wordt verleend en daarna een andere
                        noodzakelijke vergunning voor het slopen wordt geweigerd. Deze verwarrende
                        situatie zou tot onherstelbare schade kunnen leiden, zoals het slopen van
                        een beschermd monument. </al><al>Lid 2 Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 introduceert in artikel 10, letter
                        i een termijn van vier weken waarbinnen moet zijn beslist omtrent een
                        verzoek om sloopvergunning voor het verwijderen van uitsluitend asbest. Het
                        woord uitsluitend is volgens de toelichting bij het besluit zeer bepalend.
                        Dit houdt in dat de termijn van vier weken niet geldt voor alle andere
                        sloopsituaties waarin geen asbest wordt verwijderd of waarin naast de
                        asbestverwijdering ook andere materialen worden gesloopt. Een mogelijk
                        nadeel van de korte termijn van vier weken is dat er geen tijd meer is om -
                        met gebruikmaking van art. 8.1.3 MBV - een aanvrager in de gelegenheid te
                        stellen een onvolledige aanvraag aan te vullen. Het aantal keren dat een
                        aanvraag niet in behandeling wordt genomen wegens onvolledigheid van de
                        stukken kan hierdoor toenemen (art. 4:5 Awb). Artikel 10 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevat geen regeling voor verlenging van de
                        termijn. Hoewel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen relatie legt met de
                        Monumentenwet, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of met
                        een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en
                        dorpsvernieuwing, gaan wij ervan uit dat het niet verkeerd is om in de
                        bouwverordening de koppeling die bedoeld is om de beschermende werking te
                        verzekeren, te handhaven ook indien daarmee de termijn van vier weken
                        aanmerkelijk wordt overschreden. Hoewel monumenten zijn opgericht in een
                        tijd dat asbest geen bouwmateriaal was, kan bij een eerdere (meestal
                        inpandige) verandering of restauratie asbest zijn toegepast, dat nu weer
                        wordt verwijderd. </al><al>Lid 3 De in bestemmingsplannen vereiste aanlegvergunning kan een rol
                        vervullen bij het al dan niet slopen van een bouwwerk. Voor het aanleggen
                        van een weg kan een aanlegvergunning zijn vereist. Indien de
                        aanlegvergunning er niet is, mag die weg niet worden aangelegd. Dan is het
                        niet nodig een bouwwerk te slopen dat staat in het tracé van die weg. Indien
                        in artikel 8.1.6 een extra weigeringsgrond voor een sloopvergunning wordt
                        opgenomen onder de letter f. voor het (nog) niet aanwezig zijn van een
                        vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33 van de Huisvestingswet,
                        dienen deze vergunningen ingevolge de Huisvestingswet ook in de opsomming
                        van artikel 8.1.4, tweede lid te worden opgenomen als aanhoudingsgrondslag.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet> Men zij erop bedacht
                        dat de regeling over het in behandeling nemen van de aanvraag om
                        sloopvergunning (zie artikel 8.1.3) afwijkt van die van de aanvraag om
                        bouwvergunning. Indien bij beide aanvragen gegevens ontbreken zal dat
                        praktisch tot gevolg hebben dat er eerder op de aanvraag om sloopvergunning
                        moet worden beslist, dan op de aanvraag om bouwvergunning. Gelet op de
                        samenhang van beide vergunningen, kan het onder omstandigheden de voorkeur
                        verdienen de beslistermijn ter zake van de sloopvergunning te overschrijden
                        in afwachting van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning. Ter zake
                        van de aanvraag om sloopvergunning gelden immers geen fatale termijnen. Zie
                        hierover ook de toelichting bij artikel 8.1.4. Wanneer een bouwvergunning en
                        een sloopvergunning nodig zijn voor één activiteit zoals verbouwen en zowel
                        een sloopveiligheidsplan als een bouwveiligheidsplan wordt verlangd, kan een
                        gecombineerd sloop- en bouwveiligheidsplan worden ingediend. Zie voorts de
                        toelichting bij artikel 8.1.2, eerste en tweede lid. Een toepassing van de
                        samenloopregeling is niet zinvol indien uitsluitend asbest wordt verwijderd
                        en daarop de termijn van vier weken van toepassing is als bedoeld in het
                        tweede lid van artikel 8.1.4. </al><al/><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</vet></al><al>Algemeen </al><al>De weigeringgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld. Voorheen
                        bevatten de artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet 1962 een
                        regeling over respectievelijk woningonttrekking en woningsplitsing. Per 1
                        juli 1993 is de Huisvestingswet in werking getreden. Artikel 89, eerste lid,
                        tweede zin, luidt: In de Woningwet 1962 vervallen de artikelen 56 en 56a tot
                        en met 56i. Dit geldt ook voor het overgangsartikel 124 in de Woningwet
                        1991. De artikelen 30 tot en met 32 en 33 tot en met 39 regelen thans de
                        mogelijkheid tot het eisen van een onttrekkingvergunning respectievelijk een
                        splitsingsvergunning. Uitwerking geschiedt in een gemeentelijke
                        huisvestingsverordening. Voor zover in de gemeentelijke bouwverordening nog
                        wordt verwezen naar de vervallen artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de
                        Woningwet, dienen deze verwijzingen te worden ingetrokken. Voor het weigeren
                        van de sloopvergunning hebben sommige gemeenten als weigeringgrond opgenomen
                        het niet aanwezig zijn van een toestemming als bedoeld in artikel 56, eerste
                        lid, van de Woningwet 1962. Een formulering voor een dergelijke
                        weigeringgrond kan nu luiden: 'f. een vergunning als bedoeld in artikel 30
                        of artikel 33 van de Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze
                        niet is verleend.' </al><al>Ad a en b </al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de sloopvergunning, als
                        bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid
                        tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende
                        is gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende
                        niveau van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de
                        sloopvergunning worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager -
                        vaak al vóór de indiening van de aanvraag om sloopvergunning - worden
                        gezocht naar een voor de gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige
                        maatregelen dat voldoende bescherming van nabijgelegen bouwwerken is
                        verzekerd. De weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een onveilige
                        sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te kunnen
                        tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet van
                        worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt. </al><al>Ad c, d en e </al><al>Dezelfde andere voor het slopen vereiste vergunningen als besproken bij de
                        aanhouding onder artikel 8.1.4, tweede lid, gelden hier als weigeringgrond
                        voor de sloopvergunning indien één van deze andere vergunningen is
                        geweigerd. Op deze wijze wordt de sloopvergunning van de bouwverordening het
                        sluitstuk van het complex van vergunningen dat nodig kan zijn voor het
                        slopen van een bouwwerk. Letter e. De relatie tussen een aanlegvergunning en
                        een sloopvergunning, waarbij het ontbreken van de eerste een weigeringsgrond
                        oplevert voor de tweede vergunning, is enkel van belang indien de
                        aanlegvergunning een duidelijke relatie vertoont met de reden waarop een
                        sloopvergunning is gevraagd voor die locatie. Dit is bijvoorbeeld het geval
                        indien voor de aanleg van een weg een bouwwerk moet worden gesloopt en voor
                        die weg een aanlegvergunning is vereist en niet is verleend. Dan bestaat een
                        causaal verband tussen de sloopvergunning en de aanlegvergunning en is het
                        logisch dat de sloopvergunning wordt geweigerd indien de reden voor de
                        aanvraag is vervallen. Zonder aanlegvergunning komt de weg er niet. Indien
                        er geen relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning aanwezig
                        is, maar beide om uiteenlopende redenen tegelijk in hetzelfde gebied nodig
                        zijn, geldt deze weigeringsgrond niet. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</vet></al><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van
                        die vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien
                        de houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                        werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit
                        tot intrekking nog niet te nemen. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>Algemeen De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de
                        vergunningplicht. Dit betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling
                        naar aanleiding van een melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding
                        plaatsvindt van artikel 8.2.1 juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.
                        Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling
                        van burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en
                        vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht..
                        Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend
                        bij het bevoegde bestuursorgaan, dit is burgemeester en wethouders.
                        Ingevolge het zesde lid moet worden gebruik gemaakt van de door burgemeester
                        en wethouders vastgestelde formulieren. In het achtste lid is bepaald dat
                        aan de mededeling voorschriften kunnen worden verbonden. Degene die een
                        mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                        sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken
                        naar de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die
                        in de woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het
                        Ministerie van Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM)
                        heeft een brochure uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis
                        van een ontvangen mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat
                        richtlijnen over de wijze waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het
                        is aan te raden deze brochure aan de burger uit te reiken bij het
                        verstrekken van de mededeling. Naast de voorschriften bij de mededeling,
                        staan in de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                        rechtstreeks werkende voorschriften waaraan degene die asbest verwijdert
                        anders dan in het kader van beroep of bedrijf – dus de burger - zich moet
                        houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit Besluit is de
                        minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van mens en
                        milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen voor de
                        door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze voorschriften
                        gelden dan naast artikel 7 en naast de voorschriften bij de mededeling. Van
                        deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit
                        praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften
                        onvoldoende zijn. Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans
                        drie mogelijkheden open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door
                        een aannemer laten afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid
                        aanbiedt, meestal tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op
                        vergelijkbare wijze als het grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek
                        raakt' verdient het aanbeveling dat de gemeente voor het asbest afkomstig
                        van particulieren een inzamel-structuur creëert, waardoor ten minste op een
                        van de vorenstaande wijzen de particulier zich van dit afval kan ontdoen.
                        Lid 1 Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest
                        verwijdert. Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de
                        bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de
                        woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de
                        woonwagen alsmede de op het daarbij behorende erf staande bijgebouwen. Het
                        door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                        asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende
                        vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per kadastraal perceel. Genoemd
                        artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen bij
                        woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een woonwagen of woonkeet wel
                        een sloopvergunning is vereist. De begripsbepaling voor woning in het tweede
                        lid van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen
                        oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en
                        omdat in de Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover
                        bedoeld is met dit Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in
                        het beleid noch in de uitvoering van de regels te brengen, mag worden
                        geconcludeerd dat onder woning mede wordt verstaan een woonwagen, een
                        woonkeet en een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid van art.
                        8.2.1 MBV. De tekst van het derde lid van artikel 4 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende
                        golfplaten op een schuurtje bij een woning vergunningvrij door de burger
                        verwijderd mogen worden onder het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005. Er
                        staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het
                        erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                        niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                        gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                        te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter
                        per kadastraal perceel bedraagt’. Een schuur is een bijgebouw bij een
                        woning. En hoewel de dakplaten niet letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen,
                        mag worden aangenomen dat bedoeld is – net als onder de regeling van vóór
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel mogelijk te maken. De Nota van
                        toelichting geeft niet aan dat een wijziging is bedoeld. Er staat in de
                        toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het onderhavige besluit
                        opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen die zijn
                        opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel van
                        de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans
                        bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de model-bouwverordening,
                        de bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen bouwwerken
                        ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’ gehandhaafd. Beleidsmatig verdient
                        het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is beter dan de andere
                        uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van een schuurtje niet
                        zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger het asbest
                        golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En illegaal
                        verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans dat dit
                        eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is de
                        burger legaal bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren. Met de
                        inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer
                        toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot
                        het verwijderen van: </al><lijst><li nr="·"><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                                betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                                zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te
                                leven. Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico
                                op blootstelling aan asbestvezels. </al></li><li nr="·"><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk
                                groot. Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels
                                vrij, hetgeen leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van
                                asbestvezels en verontreiniging van het milieu met deze vezels.
                            </al></li></lijst><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. Lid 9 De tweede zin van dit lid verwijst
                        naar 'in de gemeente geldende voorschriften' die de burger in acht moet
                        nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking en andere
                        afvalstoffen die hij zelf mag verwijderen na een melding. Met deze
                        voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de voorschriften over het meegeven
                        van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor grof
                        huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen bij de gemeentewerf
                        of andere inzamelplaats. Lid 10 Na het slopen van het asbest mag dit niet
                        worden bewerkt. Dus de platen mogen niet worden gebruikt voor andere
                        toepassingen en niet worden verkleind opdat zij in een huisvuilzak passen.
                        Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden onderhouden door verven of
                        coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan verven, hetzij
                        anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk. Lid 11 De
                        sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure
                        van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is:
                        Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen burgemeester
                        en wethouders besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan
                        pas als de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een
                        door burgemeester en wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit
                        artikellid is ervoor gekozen die termijn kort te houden (één week), mede
                        gelet op de korte beslistermijn op de sloopmelding. Men zij erop bedacht dat
                        door de korte beslistermijn het gevaar van termijnoverschrijding groot is.
                        Zie voor een uitgebreid overzicht van de procedure de toelichting bij
                        artikel 3.1, achtste lid. </al><al/><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning </vet></al><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder sloopvergunning als
                        bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1
                        mag gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere
                        regelingen waarin bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning,
                        ontheffing of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of
                        monumentenverordening. Sinds de inwerkingtreding van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook het verwijderen van beglazingskit
                        dat is verwerkt in de constructie van kassen als vergunningvrij genoemd.
                        Voorheen werd de hier bedoelde kit ook wel aangeduid als voegkit. Dit
                        artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a bedoelde
                        waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen,
                        voor zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en
                        rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in
                        bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig
                        asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen van deze buizen die zich in
                        (of in de kruipruimte van) een bouwwerk bevinden is geen sprake van
                        routinematig verwijderen met een beheersbaar risico. </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</vet></al><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De
                        artikelen 4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384
                        van de MBV 1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op
                        het slopen. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet>
                        Lid 1 Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                        aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het
                        slopen mag degene die de werkzaamheden verricht - in de regel een ander dan
                        de houder van de vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen.
                        Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de sloopvergunning,
                        indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze
                        vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</al><al>Lid 2 Met het oog op de veiligheid van de omgeving (voorkomen menging asbest
                        met andere materialen en verspreiding naar de – externe – omgeving) is in
                        vergelijking met de MBV de verplichting ingevoegd op een bouw- of
                        sloopplaats, waar (vervolg-)werkzaamheden plaatsvinden nadat asbest in een
                        ‘binnenruimte’ is verwijderd, een eindbeoordeling van de verwijdering ter
                        inzage te (kunnen) geven aan het bouwtoezicht (zie ook artikel 4.2 onder e).
                        Zolang deze rapportage (vrijgaverapport) nog niet aan de gemeente is
                        toegezonden, bestaat zo voor het bouwtoezicht ter plekke in elk geval een
                        mogelijkheid om zekerheid te verkrijgen dat het opgegeven asbest verwijderd
                        is (zonder dat het nodig is – vanwege een nog niet ontvangen of (nog) niet
                        ter plekke in te zien rapport – een conclusie te moeten trekken over de
                        aannemelijkheid van een correcte asbestverwijdering). Het aangegeven rapport
                        kan op een bouw of sloopplaats overigens ook door andere instanties ter
                        inzage worden gevraagd, zoals door de arbeidsinspectie ter uitvoering van de
                        haar opgedragen regelgeving. Indien aanwezig behoort het afschrift van een
                        dergelijk rapport dan ook deel uit te maken van het (bouw-)dossier op de
                        bouw-/sloopplaats. </al><al>Het feit dat in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 regels zijn opgenomen
                        omtrent het verwijderen van asbest en ten behoeve daarvan een aanwijzing
                        wordt gegeven een aantal met name genoemde regels in de bouwverordening op
                        te nemen, sluit het opnemen van het onderhavige voorschrift niet uit. Deze
                        bepaling voorziet erin met het oog op de externe veiligheid het bouwtoezicht
                        in staat te stellen in alle gevallen waar sprake is van
                        (vervolg-)werkzaamheden, vroegtijdig effectief te kunnen uitoefenen, op de
                        wijze zoals hiervoor omschreven. Het betreft een voorschrift met een
                        gelijkaardige strekking als van artikel 8.3.4, tweede lid.</al><al/><al><vet>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</vet></al><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van
                        asbest. De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden.
                        Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning.
                        Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest
                        niet bekend was. Deze situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt
                        gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt,
                        dus zowel op grond van een sloopvergunning als op grond van een mededeling
                        naar aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste
                        bestaande technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit
                        artikel echter niet voor het slopen op grond van een mededeling. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</vet></al><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10,
                        letters k, l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden
                        bevatten verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning.
                        Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                        slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                        asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                        Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar
                        staat op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                        bouwverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>Lid 1 Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest
                        wordt aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment
                        dat asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop
                        gerichte sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding
                        aanwezig zijn. Die moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden
                        gesloopt. Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het
                        stilleggen van de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van
                        artikel 100 van de Woningwet. Lid 2 De strekking van het tweede lid is het
                        bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot tijdige controles tijdens en bij
                        het voltooien van het sloopwerk. Hetzelfde geldt voor de Arbeidsinspectie op
                        grond van artikel 8.3.3, vierde lid, indien tijdens het slopen tevens
                        asbestverwijdering plaatsvindt. Indien burgemeester en wethouders de
                        ontvangst van een melding van de voltooiing van een sloopwerk bevestigen,
                        bijv. door de melding af te stempelen en van de ontvangstdatum te voorzien,
                        is die bevestiging een administratieve handeling die niet meer inhoudt dan
                        een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt daarmee geen
                        aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en het
                        scheiden en gescheiden houden van het sloopafval. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</vet>
                        Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de
                        voorschriften voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                        voorzover dit gebeurt anders dan in de uitoefening van een beroep of
                        bedrijf. Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze
                        handelingen gelden regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en
                        de desbetreffende certificering. Voor degenen die anders dan in de
                        uitoefening van een beroep of bedrijf een handeling als hiervoor bedoeld
                        verrichten, geeft artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 een
                        vergelijkbare verplichting. Van de bevoegdheid om op grond van het tweede
                        lid van artikel 8 een ministeriële regeling te doen uitgaan heeft de
                        minister van VROM geen gebruik gemaakt en is thans mei 2006 evenmin een
                        aanvang gemaakt om dit binnen afzienbare tijd alsnog te doen. De leden 1 en
                        2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van asbest
                        wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister op
                        grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                        vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet> Vervallen </al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Vrij slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht
                        tot het hebben van een sloopvergunning te koppelen aan een ondergrens van 10
                        m3 sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3
                        bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden. Voorheen bestond tussen
                        het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe relatie. Met ingang van de
                        vierde serie wijzigingen van de MBV 1992, gepubliceerd in 1997, is dit niet
                        meer het geval. De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden
                        gescheiden, uiteraard voorzover die stoffen daarin voorkomen, betreffen
                        gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen worden gemengd met het
                        overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen, omdat dit immers
                        nooit zonder vergunning of zonder melding mag worden verwijderd. Preventief
                        toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien. De
                        handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10
                        m3, uitsluitend repressief plaats.</al><al>Zie voor een toelichting op de afvalstoffenlijst behorende bij de EURAL de
                        toelichting op artikel 4.11, eerste lid.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Asbestverwijderingsbesluit 2005</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Model-bouwverordening incl. 11e serie wijz.</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 3</al></entry><entry colname="col2"><al>H 8, Toelichting Algemeen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 3, lid 3</al></entry><entry colname="col2"><al>H 8, Toelichting calamiteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 1, sub a</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 3, sub c </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 1, sub b</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.2, lid 1, sub c </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 1, sub a en b </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 5</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.3, lid 3 vervallen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 6</al></entry><entry colname="col2"><al>1.1 (Begripsbepaling)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 7</al></entry><entry colname="col2"><al>H.8, Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet
                                            gereed</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 8, lid 1</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.5, lid 1 en 2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 8, lid 2</al></entry><entry colname="col2"><al>Min. Besluit is er nog niet </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter a</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.1 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter b</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 3, sub c </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter c</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter d</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 7 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter e</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 8 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter f</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 9 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter g</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 8 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter h</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 12 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter i</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.4, lid 2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter j</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 4 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letters k, l, m en n</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.3, lid 1 t/m 4 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 11</al></entry><entry colname="col2"><al>12.1, lid 1 en 2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>9 Het welstandstoezicht</vet><vet>Algemeen</vet> In hoofdstuk 9 van de
                        MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de Model-bouwverordening
                        zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met betrekking tot het
                        welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde lid van de
                        Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de samenstelling,
                        inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. De werkwijze van de
                        welstandscommissie is in de Model-bouwverordening niet concreet uitgewerkt
                        vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk
                        zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een
                        gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke
                        keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale
                        welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is
                        het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te onderschrijven.
                        Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                        situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                        stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een
                        dergelijk reglement niet persé in de bouwverordening zelf te worden
                        opgenomen, maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de
                        gemeentelijke bouwverordening. In Hilversum is gekozen voor het instellen
                        van een ‘Commissie voor Welstand en Monumenten’, die – onder meer –
                        functioneert als welstandscommissie zoals bedoeld in de Woningwet. </al><al><vet>Commissie voor Welstand en Monumenten</vet></al><al>De Woningwet schrijft in artikel 8 voor wat de bouwverordening onder andere
                        aangaande de welstandscommissie moet regelen. Het merendeel van wat daarin
                        is voorgeschreven werd in Hilversum geregeld in de zelfstandige verordening
                        ‘Reglement van orde op de Commissie voor Welstand en Monumenten’
                        (vastgesteld door de raad in 2003, laatst gewijzigd in 2007) en niet in een
                        van de artikelen van de bouwverordening. De bedoelde commissie functioneert
                        zowel als welstandscommissie zoals bedoeld in de Woningwet, als een
                        commissie zoals bedoeld in artikel 1, sub f, van de monumentenverordening
                        Hilversum 2001. Ten behoeve van de duidelijkheid is ervoor gekozen om dit
                        reglement formeel als bijlage bij artikel 9.1 in de bouwverordening op te
                        nemen. Door deze verordening bij inwerkingtreding van deze bouwverordening
                        te laten vervallen en in plaats daarvan nu als bijlage te voegen bij artikel
                        9.1 van de bouwverordening blijft die ook formeel voldoen aan de hiervoor
                        beschreven eis in de Woningwet. Het ‘Reglement van orde op de Commissie voor
                        Welstand en Monumenten’ is inhoudelijk ongewijzigd gebleven.</al><al><vet>Welstandscriteria en welstandsnota</vet></al><al>De werking van het begrip 'redelijke eisen van welstand' heeft met de
                        gewijzigde wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de
                        hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                        welstand kunnen burgemeester en wethouders een vergunningplichtig bouwwerk
                        beoordelen op aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover
                        adviseren. Ook bouwvergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale
                        welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                        burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige
                        mate in strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die
                        strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota
                        zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht meer
                        mogelijk. Voor het uitwerken van de welstandscriteria alsmede de
                        samenstelling van en de besluitvorming over de welstandsnota geldt een
                        overgangstermijn van 18 maanden na 1 januari 2003. Tot het moment dat een
                        gemeentelijke welstandsnota van kracht wordt, blijft de zelfstandige werking
                        van de in de bouwverordening aangeduide 'redelijke eisen van welstand' in
                        stand. Als er op 1 juli 2004 geen door de gemeenteraad aangenomen
                        welstandsnota ligt, vervalt van rechtswege de mogelijkheid om bouwplannen te
                        toetsen aan redelijke eisen van welstand. De welstandsbeoordeling c.q.
                        -advisering dient gebaseerd te worden op de in de nota opgenomen criteria.
                        In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze criteria 'zo veel
                        mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en
                        standplaatsen en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats
                        waar een bouwwerk of standplaats is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de
                        criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen
                        als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                        kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                        ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                        beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                        stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                        beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen
                        voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een
                        behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en
                        vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van
                        ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                        zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                        beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist. De welstandsnota is
                        derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe gebieden worden
                        ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied een
                        toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure
                        (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling door de raad) wordt
                        gevolgd. Indien burgemeester en wethouders de welstandscriteria in
                        bijzondere gevallen buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb
                        (inherente afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval
                        deugdelijk door burgemeester en wethouders te worden gemotiveerd. Het werken
                        met deelnota's ten aanzien van welstand, zoals dat in de praktijk wordt
                        toegepast, heeft met name in de overgangsperiode tot 1 juli 2004 belangrijke
                        consequenties. Indien voor een deel van de gemeente een welstandsnota wordt
                        vastgesteld, zal vanaf dat moment immers in het deel van de gemeente waarin
                        een deel-welstandsnota wordt vastgesteld artikel 9.1 (oud) MBV niet meer
                        gelden op grond van artikel VII, tweede lid van de Wet van 18 oktober 2001
                        (Stb. 2001, 518). U kunt hierbij gebruik maken van de bij artikel 1.3 MBV
                        behorende kaart. De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol
                        bij: </al><lijst><li nr="·"><al>de toetsing van aanvragen om bouwvergunning;</al></li><li nr="·"><al>het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen
                                bij of krachtens de Woningwet is bepaald.</al></li></lijst><al/><al><vet>Relatie bestemmingsplan en welstand</vet></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de
                        voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets
                        zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                        bestemmingsplan biedt. De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van
                        artikel 34 van de (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12
                        van de Woningwet en het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van
                        die wet omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                        voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van
                        toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat
                        die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16
                        maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119). In lijn
                        met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                        welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de
                        Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige
                        voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In
                        artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd
                        dat óók de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                        advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee,
                        langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere
                        waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbij
                        behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit
                        betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële
                        verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het
                        bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                        m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner
                        naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende
                        bestemming te realiseren. Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel
                        (artikel 12, derde lid Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie
                        toekomstig bestemmingsplan en welstand. Tot het moment dat de gemeentelijke
                        welstandsnota van kracht wordt, blijft de zelfstandige werking van de tot de
                        achtste serie wijzigingen van de MBV aangeduide 'redelijke eisen van
                        welstand' in stand (zie ook artikel VII, tweede lid van de Wet van 18
                        oktober 2001, Stb. 2001, 518). Voor de overige bepalingen van hoofdstuk 9
                        geldt geen overgangstermijn. </al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                        welstandscommissie bij een aanvraag om reguliere bouwvergunning verplicht
                        indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is
                        aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De
                        commissie adviseert, burgemeester en wethouders beslissen. In de herziene
                        Woningwet is bij amendement de figuur van de stadsbouwmeester opgenomen.
                        Vanaf 1 januari 2003 kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in plaats van een
                        welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de
                        bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                        stadsbouwmeester. De figuur van de stadsbouwmeester is niet nader uitgewerkt
                        in de Model-bouwverordening, omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                        welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                        welstandsadvisering en openbaarheid lijken met de figuur van de
                        stadsbouwmeester niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt de waardevolle
                        collectieve oordeelsvorming bij de keuze van een stadsbouwmeester, terwijl
                        deze in kwesties van smaak, zoals deze meespelen bij de welstandsadvisering,
                        onontbeerlijk kan worden geacht. Voorts bieden de Kamerstukken geen
                        aanknopingspunten hoe de figuur van de stadsbouwmeester verder aangekleed
                        moet worden. Naar verwachting zal een zeer beperkt aantal gemeenten kiezen
                        voor een stadsbouwmeester. In de welstandsnota kan de gemeenteraad evenwel
                        vaststellen dat de welstandstoets voor de categorie
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet door de (volledige)
                        welstandscommissie plaatsvindt. In de Hilversumse welstandsnota is de
                        mogelijkheid opgenomen om de welstandsadvisering over deze categorie
                        bouwaanvragen te mandateren aan ambtenaren, voorzover het betreft
                        bouwaanvragen die voldoen aan de sneltoetscriteria en liggen in een gebied
                        met een regulier of bijzonder welstandsniveau. Met het doel een snelle
                        afdoening van deze bouwaanvragen te bevorderen hebben burgemeester en
                        wethouders ook daadwerkelijk gebruik gemaakt van deze mogelijkheid (zie ook
                        artikel 21 het ‘Reglement van orde op de Commissie voor Welstand en
                        Monumenten’; bijlage 9 bij deze bouwverordening).</al><al> De huidige adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met
                        lokale dan wel provinciale welstandscommissies. Ook onder het nieuwe regime
                        van de Woningwet kan de gemeenteraad ervoor kiezen om voor de
                        welstandsadvisering gebruik te (blijven) maken van een provinciale
                        welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke
                        regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt
                        gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de
                        leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen. </al><al>Onafhankelijkheid</al><al>Sinds de Woningwet 1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk
                        afzonderlijk lid van deze commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan
                        indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het
                        gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de
                        welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen.
                        Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders aan de
                        welstandscommissie voor de eigen gemeente is in dit verband uitgesloten. </al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In afwijking van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de
                        eis dat in de welstandscommissie uitsluitend ‘deskundigen’ zitting kunnen
                        hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                        kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                        commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                        beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega’s. Onder
                        niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke
                        bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de
                        kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                        gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De
                        gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen
                        wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                        welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerdere alternatieven denkbaar. </al><al>Hilversum heeft gekozen voor een commissie (‘Commissie voor Welstand en
                        Monumenten’) van deskundige leden en een burgerlid in de ‘welstandskamer’
                        (een burgerlid krachtens raadsbesluit van 4 juli 2007), waarbij de
                        secretaris geen deel uitmaakt van de commissie.</al><al>Hilversum heeft (zie artikel 9.1 lid 3) de mogelijkheid heeft opengelaten om
                        voor een bepaalde termijn de advisering voor bepaalde gebieden over te
                        dragen aan een stadsbouwmeester, en heeft hier gestalte aan gegeven door per
                        1 januari 2004 de advisering in het stadsvernieuwingsgebied Liebergen voor
                        een periode van 3 jaar op te dragen aan een stadsbouwmeester (dhr. Prof. Ir.
                        H.J.M. Ruijssenaars).</al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                            standplaatsen</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, kan de aanwijzing van een dergelijk gebied eventueel
                        worden opgenomen in artikel 1.3 en de bijbehorende (kaart-)bijlage
                        (desgewenst conform alternatief 3 of 4 van artikel 1.3 MBV). N.b.: het hier
                        in artikel 9.2 geregelde onderwerp is in de MBV genummerd als artikel
                        9.9.</al><al/><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>De aanvraag </al><al>Ook de Woningwet 1962 hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in
                        gebruik geven of nemen van een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of
                        niet eerder legaal gewoond werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning
                        bruikbaar maken verbouwd worden en is voor die verbouwing een bouwvergunning
                        nodig, dan wijkt de eis van een woonvergunning voor de eis van een
                        bouwvergunning. Met de Woningwet van 1991 verandert er in zoverre iets, dat
                        de woonvergunning nu in de wet is uitgewerkt in plaats van in de
                        bouwverordening. In de nieuwe bouwverordening is alleen nog plaats voor een
                        invulling van de wijze van indiening en inrichting van de aanvraag, zoals
                        artikel 8, lid 2, onder e, van de Woningwet verplichtend vaststelt. Volstaan
                        is met het in artikel 10.1 opnemen van de op basis van de oude
                        bouwverordeningen gangbare aanvraagbescheiden voor een woonvergunning. De
                        vergunning Met het in de Woningwet 1991 uitwerken van de woonvergunning
                        verdwijnt overigens de regeling van de oude bouwverordening. Op grond van de
                        op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV kon een woonvergunning worden geweigerd
                        als er sprake was van strijd met het bestemmingsplan of de voor woningbouw
                        geldende nieuwbouweisen. Op grond van artikel 60 van de Woningwet 1991 mag
                        en moet een woonvergunning alleen worden geweigerd als de aanvraag strijd
                        oplevert met het bestemmingsplan of de bouwverordening. Welk deel van de
                        bouwverordening hiermee bedoeld kan zijn, is onduidelijk. Het niet voldoen
                        aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit is uitdrukkelijk geen
                        weigeringgrond voor de woonvergunning. Uit het eerste lid van artikel 60 van
                        de Woningwet valt af te leiden, dat het gebouw in principe geschikt moet
                        zijn voor bewoning. Is er geen uit het bestemmingsplan of de bouwverordening
                        voortvloeiende weigeringgrond en is het gebouw bouw- en/of woontechnisch
                        toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er volgens het Ministerie van VROM
                        twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw alsnog geschikt gemaakt
                        wordt: </al><lijst><li nr="1."><al>het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                                woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning;</al></li><li nr="2."><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet. </al></li></lijst><al>Beide oplossingen laten nog wat vragen onbeantwoord. </al><al>Ad 1 Welke bouw- en/of woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als
                        voorwaarden aan de woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van
                        uitgebreide technische maatregelen wordt op een gegeven moment immers een
                        bouwvergunning noodzakelijk en de wetssys-tematiek gaat ervan uit, dat er of
                        een woonvergunning of een bouwvergunning noodzakelijk is. </al><al>Ad 2 Bij welk niveau van eisen is er sprake van ongeschiktheid tot bewoning?
                        Onderschrijdt de kwaliteit van het gebouw het niveau van eisen voor de
                        bestaande woningbouw, dan is er geen discussie. Dit niveau geeft in feite de
                        onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het gebouw als woning
                        kan echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een besluit
                        ingevolge artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de
                        noodzakelijkheid van voorzieningen. Ten aanzien van gebouwen die over een
                        voorzieningenniveau beschikken, dat ligt tussen het niveau voor nieuwbouw en
                        het niveau voor bestaande bouw, zal de noodzakelijkheid van een besluit
                        ingevolge artikel 13 Woningwet niet gauw aangetoond kunnen worden. De
                        praktijk zal de antwoorden uit moeten wijzen. Het kiezen voor de tweede
                        oplossing heeft overigens als nadeel, dat bewoning wordt toegestaan voordat
                        het gebouw geschikt is tot bewoning. De woonvergunning is een beschikking.
                        Dat betekent dat naast de eisen van de bouwverordening, de algemene eisen
                        van de Awb van toepassing zijn. De aanvraag moet dus bijvoorbeeld
                        schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                        aanvraag te beschikken (artikel 4:1 Awb). Ingevolge artikel 60 van de
                        Woningwet zijn burgemeester en wethouders het bevoegde orgaan. Worden de in
                        de bouwverordening geeiste gegevens niet ingediend, dan is artikel 4:5
                        juncto artikel 4:15 Awb van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet> Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>Artikel 8, tweede lid, onder f, van de Woningwet, eist een voorschrift voor
                        de overdraagbaarheid van de aldaar genoemde op de Woningwet gebaseerde
                        vergunningen. De op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV bevatte een regeling
                        voor de overdraagbaarheid van bouwvergunningen. Deze bepaling is in de
                        nieuwe MBV overgenomen voor de overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en
                        bouwverordening gebaseerde vergunningen. Artikel 10.3 houdt in, dat
                        burgemeester en wethouders verplicht zijn tot overschrijving als daarom
                        wordt gevraagd, zelfs al leidt overschrijving tot een niet gewenste en
                        planologisch niet juiste situatie. Zowel de rechtverkrijgende onder
                        bijzondere titel (bij voorbeeld de koper) als de rechtverkrijgende onder
                        algemene titel (bij voorbeeld de erfgenaam) moet om overschrijving vragen.
                        Met het recht van de verkrijgende wordt hier het recht bedoeld dat is
                        neergelegd in de vergunning. De wet van 10 juni 2004 is onder de naam
                        Aanpassingswet BIBOB verschenen in Stb. 2004, 320, en krachtens Besluit van
                        31 augustus 2004 in werking getreden op 15 september 2004, Stb. 2004, 452.
                        In de Woningwet zijn de artikelen 44a en 59 gewijzigd. </al><al/><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet> De tekst van de toelichting
                        komt te vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet> Vervallen.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                        Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's)
                        en praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële regeling
                        gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                        werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders
                        bij toepassing van de voorschriften van de bouwverordening afwijken van een
                        daarin aangewezen NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich
                        daarbij houden aan de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde
                        voorschrift. Bij een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde
                        instantie immers in het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen,
                        waarbij een commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit
                        gemeentelijke kring - wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van
                        een voorlopige editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz.
                        Met het onderhavige voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het
                        verschijnen van een gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een
                        norm, voornorm, praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening
                        moet worden gewijzigd om de actuele versie van de aangewezen uitgave van
                        kracht te doen zijn. </al><al/><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening 1992 een nadere uitwerking van de bijzondere
                        bestuursdwangbevoegdheden van burgemeester en wethouders krachtens het
                        toenmalige artikel 8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid
                        van de Woningwet. Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de
                        regeling van de handhaving integraal herzien. Het aanschrijfinstrumentarium
                        voor bestaande bouwwerk vormt niet langer een geïsoleerd deel van de
                        Woningwet, maar sluit beter aan op de voorschriften inzake het bouwen van
                        bouwwerken. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het generieke
                        instrumentarium van de Awb. Het niet naleven van de voorschriften van het
                        Bouwbesluit 2003, de bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota
                        voor bestaande bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met
                        toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan
                        worden opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003 gaat nu voor alle bouwwerken
                        gelden (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze
                        systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor
                        bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                        handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                        standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                        Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een
                        open erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het
                        uiterlijk van een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is
                        met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn
                        vastgelegd in de welstandsnota. Tenzij sprake is van spoedeisende
                        omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met zich mee dat een
                        belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen een
                        voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld zijn
                        zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient vervolgens
                        zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit
                        2003 het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of standplaats in
                        strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw,
                        ander bouwwerk of die standplaats weer in overeenstemming met die
                        voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde
                        termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig
                        artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang
                        voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het
                        verbeuren van een dwangsom voorkomen. Tegen een handhavingsbesluit staan de
                        normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad
                        van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid
                        om een voorlopige voorziening te vragen). Deze nieuwe systematiek betekent
                        ook een vereenvoudigde regeling voor de toepassing van bestuursdwang
                        bestaande uit het stilleggen van de bouw- en sloopwerkzaamheden. Op grond
                        van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de mogelijkheid bestaan om met
                        toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                        last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                        sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                        Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning
                        wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om
                        spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:25, zesde
                        lid van de Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw-
                        of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale
                        situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders
                        mogelijk voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder
                        meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG
                        020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893). </al><al/><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet> Vervallen. </al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet>
                        Vervallen. </al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet> Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al>Dit onderwerp wordt thans geregeld in artikel 5:18 Awb. In het kader van
                        toezicht zijn voorts van belang: </al><lijst><li nr="·"><al>Het betreden en binnentreden van woningen met toestemming van de
                                bewoners, artikel 5:15 Awb. </al></li><li nr="·"><al>In artikel 5:15 Awb is tevens geregeld dat de toezichthouder zich
                                kan doen vergezellen van de 'sterke arm'.</al></li><li nr="·"><al>Idem, zonder toestemming van de bewoner, artikel 10, lid 5 Ww.</al></li><li nr="·"><al>Procedurele voorschriften over het binnentreden, Algemene wet op het
                                binnentreden.</al></li></lijst><al/><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de
                        Wet op de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet
                        langer mogelijk. Omdat in deze verordening onderwerpen van verschillende
                        herkomst en structuur zijn ondergebracht is het noodzakelijk voor elk
                        daarvan een afzonderlijk overgangsartikel op te nemen. </al><al/><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                        vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld
                        in artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in
                        artikel 1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED).
                        Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van
                        (brand)veiligheid en gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft
                        gekozen voor het onder de WED brengen van deze overtredingen, omdat aan
                        overtredingen als bedoeld veelal een financieel-economisch belang ten
                        grondslag ligt. Door de indeling in artikel 1a, onder 2o van de WED wordt
                        aangesloten bij de strafbaarstelling van een groot aantal milieudelicten,
                        die veelal een vergelijkbare achtergrond hebben en waarmee inmiddels de
                        nodige ervaring is opgedaan door de politie, het Openbaar Ministerie en de
                        rechterlijke macht. Voor deze indeling heeft de wetgever mede gekozen
                        vanwege het (potentiële) gevaar en de (potentieel) zeer ernstige gevolgen
                        die het niet naleven van deze voorschriften met zich mee kan brengen. Indien
                        opzettelijk gepleegd, zijn deze delicten misdrijven; indien niet opzettelijk
                        gepleegd, zijn het overtredingen. Overgangsrecht strafbare feiten: Artikel
                        132 van de Woningwet bepaalt dat overtredingen van de oude bouwverordening
                        worden afgedaan volgens de oude Woningwet. Men zie artikel 97 oude Woningwet
                        en artikel 394 oude MBV.</al><al>1.Het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet bevat een uitzondering op
                        het bepaalde in het eerste lid aangaande de overtreding van een voorschrift
                        gegeven krachtens artikel 120 van de Woningwet. Artikel 120 gaat over
                        voorschriften in een a.m.v.b. ter nakoming van internationale
                        verplichtingen. Overtreding van de verbodsbepaling is in artikel 110, tweede
                        lid van de Woningwet aangemerkt als een economisch delict in de zin van de
                        Wet op de Economische Delicten (WED). Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is
                        een nakoming van een Europese internationale verplichting. Artikel 11 van
                        dit Besluit en artikel 12.1, tweede lid van de MBV legt de relatie met het
                        tweede lid van artikel 110 van de Woningwet. Overtreding van de artikelen
                        genoemd in het tweede lid van artikel 12.1, voor zover deze betrekking
                        hebben op het slopen van asbest, is een economisch delict. </al><al/><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze bouwverordening
                        opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt
                        niet wanneer burgemeester en wethouders van mening zijn dat het eerder
                        uitgevoerde indicatieve bodemonderzoek niet meer als recent kan worden
                        aangemerkt. Voor de vraag wat kan worden verstaan onder een recent
                        onderzoek, zie de toelichting bij artikel 2.4.1 van de
                        Model-bouwverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                        situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen
                        en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties
                        - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                        voorschriften - lijkt de eis wel redelijk. Wanneer een bestaand gebouw, dat
                        krachtens deze overgangsbepaling niet aan de nieuwe voorschriften behoeft te
                        voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een vergunning nodig is op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die vergunning eisen omtrent de
                        bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om te voorkomen dat een
                        eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen van bereikbaarheid
                        zou behoeven te voldoen. </al><al/><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet> vervallen </al><al/><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>Algemeen </al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                        artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen,
                        zijnde algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het
                        besluit in het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen
                        verkrijgbaar gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde
                        verordening. Een (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van
                        artikel 140 van de Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen
                        op de gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen
                        plaats. De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na
                        de bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan
                        echter een ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen
                        of burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                        inwerkingtreding van de veror-dening op een nader tijdstip te bepalen. De
                        verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van
                        het arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                        Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige
                        mededeling ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk
                        na de bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan
                        de inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente
                        ligt; zie artikel 95 van de Woningwet. Alternatief 1 (inwerkingtreding
                        ineens) Als na de vaststelling door de gemeenteraad de bouwverordening in
                        zijn geheel op dezelfde datum in werking treedt dient alternatief 1 in de
                        bouwverordening opgenomen te worden. Alternatief 2 (gefaseerde
                        inwerkingtreding) De mogelijkheid bestaat om de bouwverordening gefaseerd in
                        werking te laten treden. Aangeraden wordt om hier zo min mogelijk gebruik
                        van te maken. Met betrekking tot een aantal onderwerpen kan het
                        organisatorisch echter wenselijk zijn om de artikelen omtrent deze
                        onderwerpen op een later tijdstip in werking te laten treden. In beginsel
                        komen drie onderwerpen in aanmerking: de bodembepalingen, de sloopbepalingen
                        (inclusief de bouwafvalbepaling) en de bepalingen omtrent het brandveilig
                        gebruik. Van een of meerdere van deze onderwerpen kan de inwerkingtreding
                        worden uitgesteld. De gewenste artikelen kunnen bij lid 1 gekozen worden.
                        Bij lid 2, sub a, dient, in het geval dat ervoor gekozen is de
                        inwerkingtreding van (mede) de sloopbepalingen uit te stellen, de aangegeven
                        toevoeging plaats te vinden. Lid 2, sub b, mag niet opgenomen worden voor
                        het geval dat de inwerkingtreding van (mede) de bepalingen voor het
                        brandveilig gebruik uitgesteld worden. Het moment van inwerkingtreding van
                        de desbetreffende artikelen dient te zijner tijd bij raadsbesluit
                        vastgesteld te worden. Desgewenst kunnen voor de diverse artikelen
                        verschillende momenten van inwerkingtreding bepaald worden. Indien de
                        gemeente reeds bij de vaststelling van de MBV 1992 het tijdstip wil bepalen
                        waarop de desbetreffende artikelen in werking treden, kan zij een bepaling
                        ter zake aan dit artikel 12.6 toevoegen. De inwerkingtreding van alle
                        artikelen dient vóór 1 oktober 1993 te geschieden, zo bepaalt de Woningwet
                        1991. </al><al/><al><vet>Bijlage 1</vet><vet>Toelichting verordening</vet> Figuren 1 t/m 19,
                        behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen. Figuur 1 Voor verkeer vrij te
                        houden hoogten (artikel 2.5.11, eerste lid, onder c) Figuur 2 Voor verkeer
                        vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8) Figuur 3 Ligging van de
                        achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder a) Figuur 4 Ligging
                        van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder a) Figuur 5
                        Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder a)
                        Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder b) Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                        lid, onder c) Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                        eerste lid, onder c) Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel
                        2.5.11, eerste lid, onder d) Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn
                        (artikel 2.5.11, eerste lid, onder e) Figuur 11 Teruglegging met het oog op
                        de daglicht toetreding van achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met
                        elkaar vormen (ingevolge artikel 2.5.11, lid 2) Figuur 12 Bouwhoogte in
                        voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum bouwhoogte (artikelen
                        2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Binnen de bebouwde kom Figuur 13
                        Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum bouwhoogte
                        (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten de bebouwde kom Figuur
                        14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                        bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2).
                        Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde kom Figuur 15 Bouwhoogte in de
                        voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid, eerste alinea) Figuur 16
                        Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid, tweede
                        alinea) Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21,
                        tweede lid, eerste alinea) Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn
                        (artikelen 2.5.20, tweede lid, tweede alinea) Figuur 19 Hoogte van een
                        zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.22) <vet>Bijlage
                            2</vet><vet>Voorwaarden bij een gebruiksvergunning</vet> Bijlage bij
                        toelichting op hoofdstuk 6 van de Model-bouwverordening</al><al>Vervallen.</al><al><vet>Bijlage 3 bij de toelichting op de bouwverordening</vet></al><al>Maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het
                        oog op de brandveiligheid</al><al>Vervallen.</al><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al>Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Vervallen.</al><al><vet>Bijlage 5</vet> Activiteiten samenhangende met slopen en
                        bedreigingen</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Activiteit samenhangende met sloopproject </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopmethode </al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen
                                            van bal) </al></entry><entry colname="col2"><al>– onvoldoende afstand tot gebouwen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– overmatige trillingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op
                                            lengterichting met als gevolg breuk) </al></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– wegspatten dommekracht (hefboom)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                            stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen;
                                            o.a. explosieven.) </al></entry><entry colname="col2"><al>– rondvliegend puin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– opslag e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– trillingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stofproductie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– verzakkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afhijsen (knijpen) </al></entry><entry colname="col2"><al>– vallend materiaal/onvoldoende afstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– omvallen kraan/maximum hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– afbreken hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting) </al></entry><entry colname="col2"><al>– kantelen trekapparatuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stapelen palen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige methoden: </al></entry><entry colname="col2"><al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al
                                            dan niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien
                                            het bouwhek niet vergenoeg staat puin, gereedschap e.d.
                                            Buiten het sloopterrein vallen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers) </al></entry><entry colname="col2"><al>– aan- en afvoer </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– op- en afbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– afbreken hijslast of delen daarvan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– omvallen kraan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– overschrijden max. wegbelasting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopobject </al></entry><entry colname="col2"><al>–omvallende bouwdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>–wegspattend/vallend puin en gereedschap </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>–verontreinigd sloopmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject </al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopterrein </al></entry><entry colname="col2"><al>– afkalven, instorten bouwputten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– opslag van materialen en materieel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– onvoldoende afgrenzing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwputten en -sleuven </al></entry><entry colname="col2"><al>– instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– onjuiste bemaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen </al></entry><entry colname="col2"><al>Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen
                                            arbeidsinspectie en APV’s. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 6 </vet> Checklist van bedreigde objecten, functies en
                        maatregelen ten behoeve van de opsteller van het sloopveiligheidsplan </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="18*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="29*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bedreigde functies en objecten </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en object-
                                                gericht) </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Aanbevelingen </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belendingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat </al></entry><entry colname="col3"><al>– constructief scheiden </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met eigenaar/beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen belending (in extremo: met de
                                            hand) </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stutten/stempelen bouwputten- en sleuven </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– gecontroleerd bemalen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                            funderingen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers </al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen </al></entry><entry colname="col4"><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stofarm slopen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– slopen op bepaalde dagen/tijden </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal,
                                            zoals asbest </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties </al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden / toegankelijk houden van belendende
                                            gebouwen </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                            verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste werktijden</al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gedeeltelijk te slopen objecten </al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat resterende constructie </al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                            betreft veiligheid Zie ook bouwkundige staat belendingen
                                        </al></entry><entry colname="col4"><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met
                                            betrekking tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid
                                            voor bestaande situaties. Voor mogelijke maatregelen en
                                            aanbevelingen zie ’belendingen’</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers resterende constructie </al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat
                                            betreft veiligheid en gezondheid Zie ook gebruikers
                                            belendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school,
                                            ziekenhuis, e.d.) </al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat
                                            betreft bruikbaarheid Zie ook gebruiksfuncties
                                            belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Infrastructuur </al></entry><entry colname="col2"><al>Kabels, leidingen en rioleringen </al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloopmethode </al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met betreffende
                                            nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stutten </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– (afdekken) </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– omleggen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– hijsplan bij grote hijsklussen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.) </al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– verwijderen </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Wegen, bruggen, viaducten, e.d. </al></entry><entry colname="col3"><al>– afdekken (schotten, rijplaten, zand) </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken e.d.)
                                        </al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Overig (tunnels e.d.) </al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                                            instantie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verkeerssituatie </al></entry><entry colname="col2"><al>Voetgangers en fietsers </al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan Regelen
                                            in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                            gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers (valschermen) </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– voetgangerstunnels </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weggedeelte met hekwerk </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– (tijdelijk) afzetten van de gehele weg </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto’s) </al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden en waarbor gen veiligheid boven leidingen
                                            trams en trolleys </al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg verkeerscirculatieplan </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto’s e.d. </al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden weg </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode </al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– beperken overige verkeersstroom</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Spoorwegen </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met NS </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Scheepvaart </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS,
                                            provincie, waterschap, gemeente) </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere omstandigheden </al></entry><entry colname="col2"><al>Veel omstanders </al></entry><entry colname="col3"><al>– aanbrengen extra veiligheidsvoorzieningen </al></entry><entry colname="col4"><al>Vooraf informeren omwonenden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten wegen </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d) </al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– ontruimen belendende percelen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Vandalen en daklozen </al></entry><entry colname="col3"><al>– extra afscheiding </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– verscherpt toezicht </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 7 </vet> Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan </al><lijst><li nr="1."><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li><li nr="2."><al>Ligging van het te slopen perceel</al></li><li nr="3."><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li><li nr="4."><al>Beschrijving werkzaamheden</al></li><li nr="5."><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel
                                en hulp- en beveiligingsmiddelen</al></li><li nr="6."><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking
                                tot externe veiligheid</al></li><li nr="7."><al>Betrokken instanties</al></li><li nr="8."><al>Dagindeling werkzaamheden</al></li><li nr="9."><al>Instructies aan werknemers</al></li><li nr="10."><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al></li><li nr="11."><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li><li nr="12."><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li><li nr="13."><al>Logboek</al></li></lijst><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan </al><lijst><li nr="a."><al>belangrijke telefoonnummers</al></li><li nr="b."><al>tekening waarop staat aangegeven: </al><lijst><li nr="o"><al>- de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="o"><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="o"><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="o"><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van
                                        aangrenzende wegen, bouwwerken e.d.;</al></li><li nr="o"><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle
                                        sloopwerkzaamheden, het laden en lossen daaronder begrepen,
                                        plaatsvinden;</al></li><li nr="o"><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige
                                        leidingen;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze
                                        tekening mag niet kleiner zijn dan 1:1.000. (indien nodig
                                        bij detailleringen niet kleiner dan 1:100). </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al></li><li nr="d."><al>transportroutes afkomende materialen</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8</vet> Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij
                        sloop</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>niveau I minimumscheiding </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>niveau I-plus minimumscheiding </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>niveau II </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>niveau III maximumscheiding</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen) </al></entry><entry colname="col2"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen) </al></entry><entry colname="col3"><al>olieproducten overig gevaarlijk afval </al></entry><entry colname="col4"><al>afgewerkte olie brandstofrestanten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>batterijen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>accu’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoorsteenkanalen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>rookkanalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overig chemisch belast puin </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>verontreinigde leidingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>oliehoudende elementen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>coatings, kitten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bitumineuze materialen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zeefzand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tl-buizen/starters</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>halogeen lampen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen </al></entry><entry colname="col2"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen </al></entry><entry colname="col3"><al>asbestproducten golfplaat </al></entry><entry colname="col4"><al>spouwbladen brandwerende platen isolatiemateriaal
                                            producten niet elders genoemd </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval </al></entry><entry colname="col4"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>metalen </al></entry><entry colname="col2"><al>metalen </al></entry><entry colname="col3"><al>ferro </al></entry><entry colname="col4"><al>constructiebalken e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metalen trappen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>betonijzer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schroot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tanks, silo’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>non ferro </al></entry><entry colname="col4"><al>aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis,
                                            slabben)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zink (regenpijp, dakgoot) koperbuis</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>non ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>elektriciteitskabels </al></entry><entry colname="col4"><al>kabels 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kabels &gt; 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin </al></entry><entry colname="col2"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin </al></entry><entry colname="col3"><al>beton </al></entry><entry colname="col4"><al>gewapend beton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schuimbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gasbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>staalvezelbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hoge sterkte beton betonproducten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>metselwerk </al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metselmortel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>kalkzandsteen </al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bouwblokken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>dakpannen/ bedekking (beton, keramiek, leisteen) </al></entry><entry colname="col4"><al>intacte dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gebroken dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakleien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>keramiek </al></entry><entry colname="col4"><al>wandtegels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plavuizen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>sanitair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gipshoudende elementen </al></entry><entry colname="col4"><al>gipsplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>anhydriet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipsvezelplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipshoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>asfalt </al></entry><entry colname="col4"><al>asfaltbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>asfaltpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>freesafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col3"><al>steenwol </al></entry><entry colname="col4"><al>steenwol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>glaswol </al></entry><entry colname="col3"><al>glaswol </al></entry><entry colname="col4"><al>glaswol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>massief hout(zonder verduurzamings- middelen, direct
                                            herbruikbaar) </al></entry><entry colname="col2"><al>massief hout(zonder verduurzamings-middelen, direct
                                            herbruikbaar) </al></entry><entry colname="col3"><al>massief hout (direct herbruikbaar) </al></entry><entry colname="col4"><al>balken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>trapelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakbeschot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>regels/tengels </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>pallets</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoon hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geverfd /gelakt hout </al></entry><entry colname="col4"><al>gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kozijnen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deuren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>parketvloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>verlijmd hout (plaatmateriaal) </al></entry><entry colname="col4"><al>spaanplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>multiplex</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hardboard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vezelplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>houtwolcementplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bekistingmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geïmpregneerd hout </al></entry><entry colname="col4"><al>tuinhout</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bielzen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geïmpregneerd hout</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overig afval </al></entry><entry colname="col2"><al>kunststof gevelelementen </al></entry><entry colname="col3"><al>kunststof gevelelementen </al></entry><entry colname="col4"><al>kunststof gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>PVC- en PE-leidingen </al></entry><entry colname="col3"><al>PVC</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen(riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PP en PE </al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vlak glas </al></entry><entry colname="col3"><al>vlak glas </al></entry><entry colname="col4"><al>vlak glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>draadglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>spiegelglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dubbelglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>HR- en LE-glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>papier en karton </al></entry><entry colname="col3"><al>papier en karton </al></entry><entry colname="col4"><al>papier</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>karton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overig afval </al></entry><entry colname="col3"><al>LDPE / HDPE </al></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>XPS / EPS </al></entry><entry colname="col4"><al>vloerisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PUR </al></entry><entry colname="col4"><al>isolatieplaten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>PUR-producten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overige kunststoffen gemengd </al></entry><entry colname="col4"><al>EPDM</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>cellulose isolaties </al></entry><entry colname="col4"><al>cellulose isolaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>textiel </al></entry><entry colname="col4"><al>gordijnen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerbedekking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen </al></entry><entry colname="col4"><al>folies met aanhangend papier/karton met aanhangend vuil
                                            textiel met aanhangend vuil glas met kitresten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>composiet-materialen </al></entry><entry colname="col2"><al>beton met PS-platen sandwichpanelen metselwerk met
                                            stucwerk</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton met stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>thermohardende kunststoffen </al></entry><entry colname="col4"><al>meterkasten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deurknoppen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig afval </al></entry><entry colname="col4"><al>overig afval </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Toelichting tabel In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I
                        en niveau I-plus staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in
                        artikel 8.4.1. Dit minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de
                        vereiste minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee
                        niveaus, respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de
                        vaststelling van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee
                        alternatieven. Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is
                        van een maximale scheiding. Niveau II is te beschouwen als een tussenstap,
                        waarmee een verder inzicht wordt verkregen in het opsplitsen naar de
                        verschillende afvalstromen. De verschillende categorieën van afvalstoffen
                        die in niveau II worden onderscheiden, kunnen niet worden opgevat als
                        definitieve oplossingen met betrekking tot scheiden. Hierna wordt kort
                        beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als hulpmiddel. </al><lijst><li nr="·"><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste
                                afvalstromen: Op het gevaarlijke afval is het de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst van toepassing (EURAL). De EURAL heeft het Besluit
                                aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) vervangen. Zie hierover
                                en over de afvalstoffenlijst ook de toelichting op artikel 4.11,
                                eerste lid. Het scheiden van de herbruikbare componenten uit het
                                gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze gescheiden worden op
                                niveau III.</al></li><li nr="·"><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen Het scheiden van
                                asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan kan
                                worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende producten
                                in één afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden gestort.</al></li><li nr="·"><al>Overige afvalstromen Het scheiden van de diverse componenten is
                                alleen zinvol indien hiermee een afvalstroom wordt verkregen die in
                                aanmerking komt voor hergebruik en waarvoor inzamel- en verwerkings-
                                of bewerkingscapaciteit bestaan. Voor sommige componenten betekent
                                dit dat gescheiden dient te worden tot niveau III (bijvoorbeeld
                                bepaalde betonproducten, steenachtige isolatiematerialen, dakpannen,
                                metalen, kunststoffen, glas, schoon hout). Voor andere componenten
                                kan ook worden volstaan met scheiding op niveau II (asfalt,
                                metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout,
                                papier en karton, textiel, kabels).</al></li><li nr="·"><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                                afvalstromen In verband met het stortverbod voor bouw- en
                                sloopafval, moet ook deze categorie worden beschouwd als overig
                                afval en worden afgevoerd naar de sorteerinrichting. </al></li></lijst><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen
                        van de mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de
                        sloopvergunning. Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor
                        de verschillende inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren,
                        omdat deze regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen
                        onderhevig zijn. Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar,
                        verantwoordelijk voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is
                        van de lokale en regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop
                        vrijkomende afvalstromen. Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze
                        tabel opgenomen. Grond die tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen
                        sloopafval en kan dus geen onderwerp zijn in een voorschrift van de
                        sloopvergunning. Toch verdient het aanbeveling alert te zijn op de afvoer
                        van (verontreinigde) grond. Voor informatie betreffende de bewerkings- en
                        verwerkingscapaciteit en locaties van bewerkings- en verwerkingsinstallaties
                        kunnen onder meer de volgende publicaties worden geraadpleegd: </al><lijst><li nr="·"><al>Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen
                                aan den Rijn, 1993)</al></li><li nr="·"><al>SBR-brochure 230-b Bouw-afvalstoffengids, Rotterdam 1991.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 9</vet> Vervallen </al><al><vet>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en
                            daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</vet>
                        Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden
                        vorm voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe
                        product. Door slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de
                        loop der tijd afnemen.) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Product </al></entry><entry colname="col2"><al>Mogelijk toegepast in </al></entry><entry colname="col3"><al>Mate waarin het is toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Uiterlijk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                            ‘wafelstructuur' </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating </al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij </al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats </al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                            geëmailleerde of gespoten coating </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal </al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak </al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal
                                            dunner dan betonnen bak </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard) </al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                            inpandige kasten </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien </al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien </al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer </al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                            zichtbaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels </al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd </al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="21*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord </al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in
                                            oude haarden en allesbranders </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig </al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk </al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds </al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks </al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board </al></entry><entry colname="col2"><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                            trapbeschot </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton </al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering </al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag </al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983 </al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag
                                        </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toelichting tabel </vet><cursief>Herkennen van asbest </cursief> Alleen
                        in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of een
                        materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                        waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                        overzicht is niet volledig. Voor de herkenning van vinylvloertegels en
                        vinylvloerbedekking (in de volksmond zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan
                        de volgende informatie worden gegeven: - Asbesthoudende vinylvloertegels Tot
                        omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                        asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                        Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten
                        en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een
                        wit 'gevlamde' decoratie. - Asbesthoudende vinylvloerbedekking
                        Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                        gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag
                        zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                        lichtbeige en soms lichtgroen. Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten
                        vloerbedekking: vloerbedekking van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt;
                        breekbaar, dun zeil met een doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve,
                        zeilachtige vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde met daarin een
                        grofmazig juteweefsel, zoals linoleum; buigzaam zeil met een dikke, bruine,
                        harige onderzijde; soepel zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of
                        foam (schuim). Ten slotte is het van belang het volgende te weten:
                        Toepassing en verkoop van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na
                        1983 is vrijwel geen losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren
                        zijn ook asbestvrije cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De
                        in Nederland gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de
                        opdruk NT aan de onderzijde van de plaat. </al><al><vet> Jurisprudentie</vet><onderstreept>JG 02.0008</onderstreept><onderstreept>JG 02.0026 </onderstreept><onderstreept>JG 02.0048</onderstreept><onderstreept>JG 02.0112, art. 7-3-2-aanhef, art. 7-3-2-b-</onderstreept><onderstreept>JG 02.0113</onderstreept><onderstreept>JG 02.0161 </onderstreept><onderstreept>JG 03.0009</onderstreept><onderstreept>JG 03.0011 </onderstreept><onderstreept>JG 03.0029 </onderstreept><onderstreept>JG 03.0046 </onderstreept><onderstreept>JG 03.0065 </onderstreept><onderstreept>JG 03.0066 </onderstreept><onderstreept>JG 03.0134</onderstreept><onderstreept>JG 04.0033 </onderstreept><onderstreept>JG 04.0045 </onderstreept><onderstreept>JG 04.0059, art. 8-1-1-3, art.8-1-6</onderstreept><onderstreept>JG 04.0060, art.2-5-30-1</onderstreept><onderstreept>JG 04.0098</onderstreept><onderstreept>JG 04.0135 </onderstreept><onderstreept>JG 04.0140 </onderstreept><onderstreept>JG 05.0073 </onderstreept><onderstreept>JG 05.0075 </onderstreept><onderstreept>JG 05.0090 </onderstreept><onderstreept>JG 05.0092 </onderstreept><onderstreept>JG 05.0102 </onderstreept><onderstreept>JG 05.0112 </onderstreept><onderstreept>JG 06.0003 </onderstreept><onderstreept>JG 06.0036 </onderstreept><onderstreept>JG 06.0042 </onderstreept><onderstreept>JG 06.0116 </onderstreept><onderstreept>JG 07.0121 </onderstreept><onderstreept>JG 07.0009 </onderstreept><onderstreept>JG 07.0020 </onderstreept><onderstreept>JG 07.0021 </onderstreept><onderstreept>JG 07.0039 </onderstreept><onderstreept>JG 07.0060 </onderstreept><onderstreept>JG 07.0074 </onderstreept><onderstreept>JG 08.0003 </onderstreept><onderstreept>JG 08.0004 </onderstreept></al></tekst></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>