<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR79474_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Compensatie- en Archeologieverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oostermoer, 20-04-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Compensatie- en Archeologieverordening van de gemeente Tynaarlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-04-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-04-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadvergadering, agendapunt 12, 12-04-2005</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Compensatie- en Archeologieverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Raadsbesluit nr. 12</al><al/><al>Betreft: .</al><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 maart 2005;</al><al>overwegende dat het ontwerp van deze verordening vanaf vrijdag 17 december
                        2004 gedurende zes weken ten behoeve van de inspraak ter inzage heeft
                        gelegen;</al><al>dat tijdens de inspraakperiode een zienswijze is ontvangen van de stichting
                        POP Groen en er schriftelijke vragen zijn gesteld door de fractie
                        D’66-Tynaarlo;</al><al>dat de zienswijzen en vragen aanleiding geven om de toelichting bij de tekst
                        van deze verordening te wijzigen;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet, op het Provinciaal Omgevingsplan,
                        de Habitatrichtlijn en het Structuurschema Groene Ruimte I;</al><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>vast te stellen de volgende compensatie- en archeologieverordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>aanvrager:</cursief>degene of de organisatie
                                    die een aanvraag indient als bedoelt in artikel 1:3, derde lid,
                                    van de Algemene wet bestuursrecht om te komen tot een
                                    ruimtelijke ingreep op een bepaalde locatie;</al></li><li nr="b."><al><cursief>ruimtelijke ingreep:</cursief> het geheel van de acties
                                    die nodig zijn binnen een ruimtelijk begrensd gebied dat nodig
                                    is om te komen tot het beoogde maatschappelijke doel;</al></li><li nr="c."><al><cursief>compensatie:</cursief> het creëren van nieuwe waarden
                                    die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Indien
                                    het volledig onvervangbare waarden betreft, heeft de compensatie
                                    betrekking op het creëren van zo vergelijkbaar mogelijke
                                    waarden;</al></li><li nr="d."><al><cursief>compensatieplan:</cursief> het plan zoals bedoeld in
                                    artikel 4;</al></li><li nr="e."><al><cursief>EHS:</cursief> de Ecologische hoofdstructuur bestaat
                                    uit bestaande bos- en natuurgebieden en landgoederen zoals
                                    opgenomen in het POP, nieuwe natuurgebieden met functiewijziging
                                    voorzover begrensd door de provincie, beheersgebieden en
                                    ecologische verbindingszones voor zover deze de natuurgebieden
                                    van de EHS met elkaar verbinden en zodra gerealiseerd;</al></li><li nr="f."><al><cursief>MER:</cursief> een Milieueffectrapport als bedoeld in
                                    hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer. Een MER biedt inzicht in de
                                    milieueffecten van verschillende beleidsalternatieven om het
                                    beoogde doel te bereiken;</al></li><li nr="g."><al><cursief>mitigatie:</cursief> het verminderen van nadelige
                                    effecten van ingrepen/activiteiten op de aanwezige natuur-,
                                    bos-, landschaps- en archeologische waarden door bepaalde
                                    maatregelen;</al></li><li nr="h."><al><cursief>compensatiegebieden:</cursief> gebieden waarin de
                                    compensatie plaatsvindt zoals bedoeld in de artikelen 5, tweede
                                    lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Groenfonds:</cursief> het Nationaal Groenfonds,
                                    opgericht in 1994 is een stichting die dicht bij de overheid
                                    staat. Doel van het Nationaal Groenfonds is het verlenen van
                                    financiële faciliteiten voor natuur, bos, landschap, recreatie
                                    en landbouw, binnen de kaders van het overheidsbeleid. Ook
                                    bundelt en beheert het Nationaal Groenfonds overheidsgelden. Zo
                                    kan de overheid de beschikbare gelden voor natuuruitbreiding
                                    beter benutten;</al></li><li nr="j."><al><cursief>Habitatrichtlijn:</cursief> heeft tot doel bij te
                                    dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door
                                    het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora
                                    en fauna op het Europese grondgebied;</al></li><li nr="k."><al><cursief>POP:</cursief> het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe
                                    II.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Gebied waarvoor deze verordening van toepassing is</titel></kop><tussenkop>Natuur en/of bos</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in deze verordening is ten aanzien van natuur- en
                                    of boswaarden van toepassing indien de ruimtelijke ingreep
                                    plaatsvindt in een van de volgende gebieden:</al><lijst><li nr="a."><al>kerngebieden van de ecologische hoofdstructuur;</al></li><li nr="b."><al>gerealiseerde reservaats- en natuurgebieden;</al></li><li nr="c."><al>kleinere natuurgebieden buiten de ecologische
                                            hoofdstructuur die als zodanig zijn aangeduid in het
                                            Provinciaal Omgevingsplan (POP), onder de werking van de
                                            Natuurbeschermingswet vallen of zijn vastgelegd in een
                                            bestemmingsplan;</al></li><li nr="d."><al>agrarische gronden met natuurwaarden (zone IV POP);</al></li><li nr="e."><al>biotopen van aandachtssoorten die op indicatie van de
                                            soortenbeschermingsplannen van het rijk in
                                            omgevingsplannen en/of bestemmingsplannen zijn
                                            opgenomen;</al></li><li nr="f."><al>bossen en landschappelijke beplantingen die onder de
                                            werking van de Boswet vallen.</al></li><li nr="g."><al>de gebieden die in bestemmingsplannen van de gemeente
                                            een bestemming en/of aanduiding hebben gekregen die
                                            (mede) is gericht op de bescherming van natuur- en/of
                                            boswaarden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in deze verordening is ook van toepassing op
                                    ruimtelijke ingrepen buiten de in het eerste lid aangegeven
                                    gebieden, indien deze ingrepen directe effecten hebben binnen de
                                    gebieden die in het eerste lid zijn aangegeven.</al></li></lijst><tussenkop>Landschap</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in deze verordening is ten aanzien van
                                    landschappelijke waarden van toepassing als sprake is van schade
                                    op de locatie zelf door verlies aan waardevolle landschappelijke
                                    elementen of structuren, schade aan de omgeving, bijvoorbeeld
                                    door een storende visuele werking, het verbreken van samenhang
                                    in het landschap of verlies aan openheid en de ruimtelijke
                                    ingreep plaatsvindt in een van de volgende gebieden:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebieden die zijn aangeduid op de kaart
                                            Aandachtsgebied bodem van het POP met:</al><lijst><li nr="1."><al>”zeer waardevolle es”;</al></li><li nr="2."><al>“waardevolle es”;</al></li><li nr="3."><al>“overige es”;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de gebieden die aangeduid op de kaart Cultuurhistorische
                                            gaafheid van het POP met de “hoogste
                                            gaafheidsgraad”;</al></li><li nr="c."><al>de gebieden die in bestemmingsplannen van de gemeente
                                            een bestemming hebben en/of aanduiding hebben gekregen
                                            die (mede) is gericht op de bescherming van
                                            landschappelijke waarden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in deze verordening is ook van toepassing op
                                    ruimtelijke ingrepen buiten de in het eerste lid aangegeven
                                    gebieden, indien deze ingrepen directe effecten hebben binnen de
                                    gebieden die in het eerste lid zijn aangegeven.</al></li></lijst><tussenkop>Archeologie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in deze verordening is van toepassing als sprake is
                                    van aantasting van archeologische waarden en de ruimtelijke
                                    ingreep plaatsvindt in een van de volgende gebieden:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebieden die zijn aangeduid op de Archeologische
                                            Monumentenkaart (AMK) van het POP met:</al><lijst><li nr="1."><al>“terrein van zeer hoge archeologische waarde,
                                                  wettelijk beschermd”;</al></li><li nr="2."><al>“terrein van zeer hoge archeologische
                                                  waarde”;</al></li><li nr="3."><al>“terrein van hoge archeologische waarde”;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de gebieden die zijn aangeduid op de kaart
                                            Archeologische indicatieve waarden van het POP met
                                            “hoog”;</al></li><li nr="c."><al>de gebieden die in bestemmingsplannen van de gemeente
                                            een bestemming en/of aanduiding hebben gekregen die
                                            (mede) is gericht op de bescherming van archeologische
                                            waarden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Compensatieverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afweging van alle relevante belangen voor gebieden met
                                natuur-, bos- en/of landschappelijke waarden wordt besloten dat een
                                van deze waarden moet wijken voor, of anderszins aanwijsbare schade
                                ondervindt van een ander aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk
                                belang, waarvoor een ruimtelijke ingreep wordt toegestaan, zullen
                                door de aanvrager niet alleen maatregelen worden getroffen met het
                                oog op inpassing en mitigatie ter plaatse van de ingreep, maar zal
                                bovendien, indien bedoelde maatregelen naar het oordeel van
                                burgemeester en wethouders onvoldoende zijn, compensatie
                                plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uitgangspunt bij de toepassing van compensatie is dat in beginsel
                                geen netto verlies aan waarden mag optreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien na afweging van alle relevante belangen voor gebieden met
                                (zeer) hoge archeologische waarden wordt besloten dat deze waarden
                                moeten wijken voor, of anderszins aanwijsbare schade ondervinden van
                                een ander aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk, waarvoor een
                                ruimtelijke ingreep wordt toegestaan, zal compensatie plaatsvinden
                                door de aanvrager. Compensatie bestaat in dat geval daaruit dat
                                eventueel vernietigde waarden op kosten van de aanvrager
                                wetenschappelijk worden onderzocht en/of worden opgegraven om de
                                aanwezige informatie veilig te stellen. Verder kan een bijdrage in
                                de kosten van conservering van gevonden artefacten aan de aanvrager
                                worden opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verantwoordelijkheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitgezonderd gevallen waarin de compensatiebepalingen van de Europese
                            Habitatrichtlijn, dan wel de Natuurbeschermingswet van toepassing zijn,
                            dient de aanvrager tegelijk met zijn aanvraag voor de concrete
                            ruimtelijke ingreep een compensatieplan te overleggen, waarin op een
                            integrale en nauwgezette wijze in elk geval de volgende aspecten worden
                            beschreven: </al><lijst><li nr="a."><al>de bestaande waarden van het betrokken gebied in relatie
                            tot de omgeving; </al></li><li nr="b."><al>de redelijkerwijs te verwachten effecten van de
                            voorgenomen ruimtelijke ingreep op deze waarden;</al></li><li nr="c."><al>de in artikel 3, eerste lid, bedoelde maatregelen (zie hiervoor onder
                            andere de “Bijlage uitgangspunten bij het formuleren van
                            compensatiemaatregelen”);</al></li><li nr="d."><al>de financiering van de te treffen
                            maatregelen;</al></li><li nr="e."><al>de ruimtelijke ingreep zelf;</al></li><li nr="f."><al>het zwaarwegend maatschappelijk belang;</al></li><li nr="g."><al>waar en hoe compensatie wordt voorgesteld en binnen welke
                                    termijn compensatie wordt gerealiseerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan de
                                    ruimtelijke ingreep indien geen andere geschikte locatie voor
                                    het te dienen maatschappelijk belang als bedoeld in artikel 3,
                                    eerste lid aanwezig is en dit maatschappelijk belang op een
                                    adequate wijze is aangetoond.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afhankelijk van de situatie kunnen burgemeester en wethouders
                                    nadere eisen stellen met betrekking tot de inhoud van het in het
                                    eerste lid bedoelde compensatieplan en de te volgen procedure.
                                    De gemeente pleegt hieromtrent vooraf overleg met de
                                    aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde compensatieplan wordt
                                    tegelijkertijd met de aanvraag ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bos</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien uit het in artikel 4, eerste lid, bedoelde plan blijkt
                                    dat er sprake is van:</al><lijst><li nr="-"><al>verlies van oppervlakte aan bos,</al></li><li nr="-"><al>aantasting van de kwaliteit van bos, en/of,</al></li><li nr="-"><al>verlies aan oude bosbodem, zulks ter beoordeling van
                                    burgemeester en wethouders, stellen burgemeester en wethouders
                                    de compensatie vast afhankelijk van de leeftijd van het bos als
                                    levensgemeenschap en met inachtneming van de volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>als het bos of de beplanting nog geen 25 jaren oud is, dient
                                    133% van de oppervlakte gecompenseerd te worden (100% voor het
                                    verlies van de oppervlakte en 33% oppervlakte voor het verlies
                                    van kwaliteit);</al></li><li nr="b."><al>als het bos of de beplanting ouder is dan 25 jaren doch jonger
                                    dan 100 jaren, dient 166% van de oppervlakte gecompenseerd te
                                    worden (100% voor het verlies van de oppervlakte en 66%
                                    oppervlakte voor het verlies van kwaliteit);</al></li><li nr="c."><al>als het bos of de beplanting ouder is dan 100 jaren, dient 300%
                                    van de oppervlakte gecompenseerd te worden (100% voor het
                                    verlies van de oppervlakte en 200% oppervlakte voor het verlies
                                    van kwaliteit).</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van geval tot geval wordt bezien of en hoe de natuurlijke
                                    kwaliteiten geregenereerd kunnen worden. Mocht regeneratie niet
                                    mogelijk zijn, dan wordt geen medewerking verleend aan de
                                    ingreep. Compensatie wordt uitgevoerd op een van tevoren te
                                    bepalen plaats waar potentieel dezelfde waarden kunnen worden
                                    ontwikkeld. Deze plaats dient zich in het algemeen nabij de
                                    plaats van de ingreep te bevinden en waar aansluiting bij de
                                    bestaande waarden kan worden gezocht. Is deze mogelijkheid niet
                                    aanwezig, dan zal in de nabije omgeving een andere locatie
                                    (aansluitend aan de EHS, aan bestaand bos, aan bestaande
                                    natuurterreinen) moeten worden gevonden.</al></li><li nr="3."><al>Indien boswaarden verloren gaan ten behoeve van een zeldzamer
                            ecosysteem, gelden uitsluitend de compensatienormen van de Boswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Natuur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien uit het in artikel 4, eerste lid, bedoelde plan blijkt
                                    dat er sprake is van:</al><lijst><li nr="-"><al>verlies van oppervlakte aan natuur, </al></li><li nr="-"><al>aantasting van de kwaliteit van natuur en/of,</al></li><li nr="-"><al>verlies of aantasting van biotopen voor aandachtssoorten, </al></li></lijst><al>zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, stellen
                            burgemeester en wethouders de compensatie vast met inachtneming van de
                            volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>als natuurwaarden binnen 25 jaren vervangen kunnen worden, dient
                                    100% van de oppervlakte gecompenseerd te worden en 33%
                                    financiële toeslag voor het verlies van kwaliteit (ten behoeve
                                    van het aanloopbeheer);</al></li><li nr="b."><al>als natuurwaarden binnen een periode van 25 tot 100 jaren
                                    vervangen kunnen worden, dient 100% van de oppervlakte
                                    gecompenseerd te worden en 66% financiële toeslag voor het
                                    verlies van kwaliteit (ten behoeve van het aanloopbeheer);</al></li><li nr="c."><al>als natuurwaarden niet binnen een periode van 100 jaren
                                    vervangen kunnen worden, is compensatie slechts in zeer
                                    uitzonderlijke situaties mogelijk. Dan geldt naast een
                                    compensatie van 100% voor het verlies van de oppervlakte een
                                    financiële toeslag van 200% voor het verlies van kwaliteit.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Artikel 5, tweede lid, van deze verordening is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Landschap</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien uit het in artikel 4, eerste lid, bedoelde plan blijkt
                                    dat er sprake is van:</al><lijst><li nr="-"><al>schade op de locatie zelf door verlies aan waardevolle
                                    landschappelijke elementen of structuren en/of,</al></li><li nr="-"><al>schade aan de omgeving, bijvoorbeeld door een storende visuele
                                    werking, het verbreken van de samenhang in het landschap of
                                    verlies aan openheid, zulks ter beoordeling van het college van
                                    burgemeester en wethouders met inachtneming van de gemeentelijke
                                    en/of provinciale landschaps(beleids)plannen, stellen
                                    burgemeester en wethouders de compensatie vast met inachtneming
                                    van de volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>voor waterlopen dient 100% van de oppervlakte te worden
                                    gecompenseerd en 50% financiële toeslag voor het verlies aan
                                    kwaliteit;</al></li><li nr="b."><al>voor beplanting dient 100% van de oppervlakte te worden
                                    gecompenseerd en een financiële toeslag voor het verlies aan
                                    kwaliteit die afhankelijk is van de tijd die nodig is voor
                                    vervanging. Dit is 50% toeslag bij vervangbaarheid binnen 25
                                    jaar, 100% toeslag voor vervangbaarheid tussen 25 en 100 jaar en
                                    200% toeslag als vervanging niet of moeilijk mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>voor openheid geldt dat fysieke compensatie vrijwel onmogelijk
                                    is. Als mitigerende en inpassende maatregelen onvoldoende effect
                                    hebben, wordt in beginsel geen medewerking verleend aan
                                    aantastingen van openheid. Indien onder bijzondere
                                    omstandigheden van deze regel wordt afgeweken, wordt compensatie
                                    van geval tot geval bekeken;</al></li><li nr="d."><al>voor kwel en cultuurhistorische gaafheid geldt dat vervanging
                                    niet of nauwelijks mogelijk is. In beginsel wordt ook geen
                                    medewerking verleend aan aantastingen hiervan. Indien onder
                                    bijzondere omstandigheden van deze regel wordt afgeweken, wordt
                                    compensatie van geval tot geval bekeken.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Artikel 5, tweede lid, van deze verordening is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Archeologie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien uit het in artikel 4, eerste lid, bedoelde plan blijkt dat
                                (zeer) hoge archeologische waarden worden aangetast, wordt in
                                principe geen medewerking aan de ruimtelijke ingreep verleend.
                                Indien onder bijzondere omstandigheden van deze regel wordt
                                afgeweken, wordt in elk geval voorgeschreven dat eventueel
                                vernietigde waarden op kosten van de aanvrager wetenschappelijk
                                worden onderzocht en/of opgegraven om de aanwezige informatie veilig
                                te stellen. Verder kan de aanvrager een bijdrage in de kosten van
                                conservering van gevonden artefacten worden opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In overige gevallen wordt van geval tot geval bezien of, en zo ja in
                                hoeverre en onder welke condities medewerking wordt verleend aan de
                                ruimtelijke ingreep.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Nadat de implementatie van het verdrag van Malta van 16 januari 1992
                                is uitgewerkt in de Monumentenwet, komt artikel 8 van deze
                                verordening van rechtswege te vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Financiële compensatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde fysieke compensatie
                                redelijkerwijs niet of qua oppervlakte slechts ten dele mogelijk is,
                                kunnen burgemeester en wethouders besluiten tot financiële
                                compensatie. De financiële compensatie bestaat uit de kosten die
                                anders gemoeid zouden zijn met fysieke compensatie plus de
                                financiële toeslag ten behoeve van het aanloopbeheer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van artikel 8 is uitsluitend financiële compensatie
                                mogelijk. In dat geval gaat het om de kosten voor de activiteiten
                                genoemd in artikel 8, eerste lid en in voorkomend geval tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bedrag van de financiële compensatie wordt vastgesteld door het
                                college van burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag wordt door de aanvrager in het Groenfonds gestort,
                                gericht op behoud en herstel van bos-, natuur- en landschapswaarden
                                in de provincie Drenthe. De middelen die in het Groenfonds worden
                                gestort naar aanleiding van de financiële compensatie van
                                ruimtelijke ingrepen in de gemeente Tynaarlo dienen primair ten
                                goede te komen aan projecten gericht op het behoud en herstel van
                                bos-, natuur- en landschapswaarden elders in de gemeente
                                Tynaarlo.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Commissie van deskundigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien in de fase die voorafgaat aan de besluitvorming verschil
                                    van mening bestaat omtrent de omvang van de schade dan wel
                                    omtrent de inzet van maatregelen, kunnen partijen overeenkomen
                                    een advies te vragen aan de commissie van deskundigen. De kosten
                                    van dit advies zijn voor rekening van de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>De commissie van deskundigen wordt ingesteld door gedeputeerde
                                    staten van Drenthe een en ander in overleg met de Vereniging van
                                    Drentse Gemeenten</al></li><li nr="3."><al>De commissie bestaat uit ten minste drie onafhankelijk
                                    deskundigen op het gebied van ruimtelijke ordening, landschap,
                                    natuur, archeologie, cultuurhistorie en bos. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag
                                    na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Zij kan worden aangehaald als: “Compensatie- en
                                    archeologieverordening van de gemeente Tynaarlo”.</al></li></lijst><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vries, 12 april 2005.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>mw. G. Smit, plv. voorzitter.</ondertekening><ondertekening>F.Haisma, griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage uitgangspunten bij het formuleren van
                    compensatiemaatregelen.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij de aantasting dient zoveel als mogelijk invulling gegeven te worden
                            aan landschappelijke inpassing en mitigatie. Deze activiteiten zijn er
                            in belangrijke mate op gericht om de locatie, waar als gevolg van de
                            ingrepen sprake is van negatieve effecten, te verkleinen. Dit kan
                            gebeuren door een juiste inrichting, landschappelijke inpassing en door
                            het nemen van specifieke maatregelen zoals bijvoorbeeld geluidsschermen,
                            dassentunnels en wildviaducten.</al></li><li nr="2."><al>Het bereiken van een gelijkwaardige ecologische samenhang. Als delen van
                            de ecologische structuur worden aangetast, moeten compenserende gebieden
                            aansluiten bij het resterende deel om eenzelfde samenhang te kunnen
                            waarborgen. Als dit niet mogelijk is, zal kwaliteitsverbetering van het
                            resterende gebied moeten plaatsvinden.</al></li><li nr="3."><al>Vervanging door natuur van gelijke aard. Het doel is het compenseren
                            naar de aard van het gebied dat verloren gaat of naar de aard van de
                            effecten van de ingreep op de omgeving. Van belang zijn in dit verband
                            de aanwezige zeldzame en bedreigde soorten (vergelijk de
                            Habitatrichtlijn), het landschapstype en het natuurdoeltype. Voor bossen
                            en ecologische verbindingszones geldt ook dat de compensatie van gelijke
                            aard moet zijn. Bos wordt vervangen door bos en een verbindingszone door
                            een andere verbindingszones die dezelfde waarde in hetzelfde gebied
                            vertegenwoordigt. </al></li><li nr="4."><al>De functionaliteit van de ecologische structuur dient in tact te
                            blijven. Alvorens een goed voorstel voor compensatie te kunnen maken,
                            moet bekend zijn welke functies het aan te tasten gebied vervult. Voor
                            gebieden die voor amfibieën van belang zijn moet onderscheid gemaakt
                            worden tussen leef- en voortplantingsgebied. Beiden moeten met elkaar in
                            verbinding staan. Bij compensatie van een van beide gebieden, moet het
                            te compenseren gebied aansluiting vinden bij het in tact blijvende
                            gebied.</al></li><li nr="5."><al>Compenserende maatregelen dienen een areaal te beslaan dat minimaal even
                            groot is als het gebied dat door de ingreep wordt ingenomen. De omvang
                            van het te compenseren gebied wordt bepaald door het vernietigde areaal
                            plus het deel waarin, na mitigerende maatregelen nog negatieve effecten
                            blijven bestaan. Voorts wordt een toeslag berekend voor
                            kwaliteitsverlies, afhankelijk van de waarden van het aan te tasten
                            gebied. De compensatie van het kwaliteitsverlies houdt rekening met de
                            periode die moet worden overbrugd om van maagdelijk ingericht gebied te
                            komen tot gerijpt gebied dat verloren is gegaan. </al></li><li nr="6."><al>De aard en de omvang van de compensatie worden mede bepaald door de
                            invloeden die de ingreep uitoefent op zijn omgeving en de aard van het
                            gebied waar compensatie plaatsvindt. De invloed op de omgeving van de
                            ingreep kan door mitigerende en inpassende maatregelen zoveel mogelijk
                            beperkt worden. Doel hiervan is de uiteindelijke negatieve externe
                            invloed te minimaliseren.</al></li><li nr="7."><al>De compenserende maatregelen dienen in beginsel plaats te vinden in de
                            (directe) omgeving van de ingreep. De locatie moet zodanig gekozen
                            worden dat deze buiten de directe invloedssfeer van de ingreep ligt,
                            zodat niet opnieuw aanleiding ontstaat voor compensatie. Compensatie mag
                            ook niet plaatsvinden binnen de EHS, omdat dit in strijd is met de
                            compensatiegedachte en leidt tot oneigenlijk gebruik van
                            compensatie-middelen. Compensatie binnen de EHS zou opnieuw leiden tot
                            compensatie. Vanuit het streven naar zo groot mogelijke aaneengesloten
                            gebieden, verdient het wel aanbeveling aan te sluiten bij de EHS.</al></li><li nr="8."><al>Compensatie dient te passen binnen het lokaal afgewogen beleid zoals dat
                            verwoord is in het provinciaal omgevingsplan, natuur- en
                            landschapsbeleidsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen. Een
                            belangrijk hulpmiddel bij de keuze voor compensatiegebieden zijn het POP
                            en de (gemeentelijke) landschaps- en natuurbeleidsplannen. Het POP en
                            landschaps- en natuurbeleidsplan verwoorden de beleidsdoelstellingen ten
                            aanzien van behoud, herstel en ontwikkeling van natuur en landschap
                            binnen de gemeente en provincie.</al></li><li nr="9."><al>Inrichting, beheer en duurzaamheid dienen gewaarborgd te zijn. Tot
                            onderdeel van de compensatie worden ook de inrichting van terreinen
                            gerekend die nodig is om ontwikkeling mogelijk te maken van
                            natuurwaarden tot het kwaliteitsniveau van het gebied dat door de
                            ingreep verloren gaat. Voorwaarde hierbij is dat zowel het voortbestaan
                            van de compensatiegebieden als het beheer ervan, na inrichting, op een
                            duurzame wijze gewaarborgd zijn. Dit kan gebeuren door de toekomstig
                            beheerder al in een vroeg stadium bij de planontwikkeling te betrekken.
                            De kosten voor het aanloopbeheer komen voor rekening van de
                            initiatiefnemer. De duur van het aanloopbeheer is afhankelijk van het
                            beoogde natuurdoeltype. Om duurzaamheid te garanderen is tevens van
                            belang dat de functiewijziging van het compensatiegebied wordt
                            doorvertaald naar bestemmingsplannen en POP.</al></li><li nr="10."><al>Bij de realisering van compensatie moet gestreefd worden naar
                            robuustheid in groene structuren. Compensatie mag niet leiden tot
                            versnippering van natuur en landschap. Compensatie van grote elementen
                            mag niet leiden tot opsplitsing in kleinere eenheden. Bundeling van
                            meerdere compensaties kan leiden tot robuuste nieuwe gebieden. Hierbij
                            mag niet voorbijgegaan worden aan het feit dat bij compensatie gestreefd
                            dient te worden naar gelijke aard en functionaliteit van de compensatie.
                            Kleinschalige landschapselementen met belangrijke verbindingsfunctie,
                            welke vaak zeer bepalend zijn voor het landschap, mag men niet
                            compenseren als onderdeel van een groot bosgebied.</al></li></lijst><tussenkop>Vormen van aantasting</tussenkop><al>Bij ruimtelijke ingrepen ten koste van natuur, landschap, bos en archeologie kan
                    sprake zijn van de volgende vormen van aantasting</al><al>a.vernietiging</al><al>Hierbij is sprake van vernietiging van de groeiplaats en de aanwezige
                    natuurwetenschappelijke, landschappelijke of archeologische waarden ten behoeve
                    van andere bestemmingen</al><al>b.verstoring</al><al>Onder verstoring verstaan we de negatieve effecten op de omgeving door de nieuwe
                    ontwikkelingen op de locatie van aantasting. Deze kan bestaan uit
                    geluidsoverlast, betreding, verdroging, verontrusting en verlichting</al><al>c.versnippering</al><al>Versnippering treedt op als elementen uit de ecologische of landschappelijke
                    structuur met een duidelijke voor hun omgeving belangrijke functie. Dit zijn
                    elementen die een functie hebben in grotere natuurlijke systemen. Bij dergelijke
                    systemen moet gedacht worden aan foerageer- en leefgebieden, stepping stones,
                    houtwallen, natte of droge verbindingen tussen natuurgebieden en winter- en
                    zomergebieden.</al></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening moet worden gezien als een uitwerking van het
                            Provinciaal omgevingsplan Drenthe (POP), de Habitatrichtlijn en het
                            Structuurschema Groene Ruimte 1 (SGR). Dit SGR is een planologische
                            kernbeslissing. In deze Rijksnota is het compensatiebeginsel opgenomen.
                            In de (rijks)notitie “Toelichting op toepassing compensatiebeginsel bij
                            concrete projecten” van 10 oktober 1995 is het beginsel verder
                            uitgewerkt. Het in deze stukken geschetste beleid heeft niet alleen
                            betekenis voor het Rijk zelf, maar werkt ook door naar het beleid van
                            Rijk, provincies en gemeenten. Er is er dus geen sprake meer van een
                            blanco situatie. Vooral bij toetsing van gemeentelijke plannen aan
                            rijksbeleid kan de gemeente te maken krijgen met de richtlijnen van de
                            SGR. Laatstbedoelde notitie van het Rijk kan ook worden gebruikt als
                            hulpmiddel bij de uitvoering van deze verordening. Dit laatste geldt in
                            het bijzonder voor het in de notitie opgenomen stappenplan en de
                            checklist. </al></li><li nr="2."><al>Omdat compensatie maatwerk is heeft het Rijk de provincies en de
                            gemeenten gevraagd de lijnen die op centraal niveau zijn uitgezet in het
                            SGR, nader uit te werken. In het kader van de totstandkoming van het POP
                            is medewerking toegezegd. Verschillende vormen zijn daarbij denkbaar:
                            beleidsnota, beleidsregels of een verordening. In overleg tussen de
                            provincie en de Drentse gemeenten is geconcludeerd dat een gemeentelijke
                            verordening de voorkeur verdient boven een provinciale regeling. In het
                            POP zal een beleidsregel op hoofdlijnen, die dient ter toetsing van
                            gemeentelijke plannen, worden opgenomen, die alleen voorziet in die
                            gevallen waarin een gemeente (nog) geen gemeentelijke verordening heeft
                            vastgesteld. In nauwe samenspraak tussen gemeenten en provincie is een
                            modelverordening totstandgekomen. Deze verordening geeft de gemeente een
                            instrument in handen om te komen tot een brede beoordeling van
                            voorgestelde activiteiten die ingrijpen in kwetsbare gebieden. Op basis
                            van deze verordening is de Compensatieverordening van de gemeente
                            Tynaarlo opgesteld. Op een aantal punten is de modelverordening
                            aangevuld dan wel gewijzigd. Dit betreft de volgende onderdelen:</al></li><li nr="·"><al>Artikel 1</al></li></lijst><al>De definities zijn aangevuld en qua formulering op een aantal punten aangepast.
                    Er is voor gekozen om de term “initiatiefnemer” te vervangen door “aanvrager”.
                    In de praktijk zal vrijwel altijd de initiatiefnemer ook de aanvrager zijn. In
                    die gevallen waar daarvan geen sprake is, zal er tussen de initiatiefnemer en
                    aanvrager een privaatrechtelijke relatie bestaan. Hierbij kan bijvoorbeeld
                    worden gedacht aan een aannemingovereenkomst tussen de opdrachtgever en de
                    uitvoerende aannemer. In vrijwel alle gevallen zal in dat geval sprake zijn van
                    een aanvraag namens de opdrachtgever. Door voor het begrip “aanvrager” te kiezen
                    loopt een vergunningstraject dan wel een vrijstellingstraject (waar sprake is
                    van een aanvrager) parallel met het compensatietraject. Het is af te raden om
                    een vergunning of vrijstelling aan een aanvrager te verlenen en vervolgens de
                    compensatieverplichting op te leggen aan de initiatiefnemer. De gerechtigde tot
                    het doen van de ruimtelijke ingreep moet dezelfde zijn als degene die de
                    compensatieverplichting opgelegd krijgt. Overigens loopt de gemeente ook een
                    zeker risico als de gerechtigde tot het doen van de ruimtelijke ingreep niet
                    dezelfde is als degene die de compensatieverplichting krijgt opgelegd. Wat
                    bijvoorbeeld als de laatste failliet gaat? In dat geval kan de
                    vergunninghouder/vrijstellingshouder zonder compensatie de ruimtelijke ingreep
                    uitvoeren. Ook het gevaar van misbruik van rechtspersonen ligt hier op de loer.
                    De initiatiefnemer is een lege B.V. die men failliet laat gaan zodat de
                    ruimtelijke ingreep zonder compensatie kan worden uitgevoerd.</al><al>·Artikel 2</al><al>Het oorspronkelijke artikel 2 van de modelverordening is gesplitst in 2 nieuwe
                    artikelen. Artikel 2 dat regelt in welk gebied de verordening van toepassing is
                    en artikel 3 dat de compensatieverplichting regelt. Ten aanzien van het gebied
                    is duidelijker aangegeven waar de verordening geldt voor de waarden landschap en
                    archeologie. Ten aanzien van natuur en bos is aangesloten bij de aanduiding van
                    de SGR. Toegevoegd onder g. de gemeentelijke bestemmingplannen. Nieuw zijn de
                    gebiedsaanduidingen voor landschap en archeologie. De modelverordening gold in
                    principe voor de hele gemeente ten aanzien van deze waarden. </al><al>·Artikel 3 </al><al>De compensatieverplichting is verduidelijkt met name voor wat de betreft de
                    archeologie. Toegevoegd is dat de aanvrager in voorkomend geval een bijdrage in
                    de kosten van de conservering van gevonden artefacten kan worden opgelegd. </al><al>·Artikel 4</al><al>Toegevoegd is binnen welke termijn de compensatie gerealiseerd dient te
                    zijn.</al><al>·Artikelen 5,6,7 en 8</al><al>De formulering is aangepast. Aangegeven is dat het verlies van waarden ter
                    beoordeling van het college is. In artikel 8 lid 3 is het vervallen van de
                    verordening ten aanzien van archeologie gerelateerd aan het in werking treden
                    van de implementatie van het Verdrag van Malta in de Monumentenwet. </al><al>·Artikel 9</al><al>Opgenomen is dat ten aanzien van archeologische waarden uitsluitend een
                    financiële compensatie wordt vastgesteld; het betreft hier immers unieke waarden
                    die niet anderszins te compenseren zijn. Verder is opgenomen dat bedragen die
                    gestort worden in het Groenfonds naar aanleiding van ruimtelijke ingrepen in de
                    gemeente Tynaarlo primair ten goede dienen te komen aan projecten elders in de
                    gemeente Tynaarlo. </al><al>·Artikel 10 </al><al>Opgenomen is dat het inschakelen van een deskundigencommissie voor rekening is
                    van de aanvrager. </al><lijst><li nr="3."><al>Wie de verordening naast het SGR legt zal hier en daar afwijkingen
                            constateren. Dat heeft te maken met het hiervoor gesignaleerde maatwerk.
                            Op lokaal en regionaal niveau bestaat de kennis die nodig is om te komen
                            tot een uitgekristalliseerd compensatiebeleid. Daar is precies bekend
                            welke belangen beschermingswaardig zijn. De situatie in de randstad
                            verschilt qua compensatie hemelsbreed van de situatie in Drenthe
                            (grotere grondclaims voor bebouwing, minder beschikbare grond, hogere
                            grondprijzen en minder mogelijkheden voor bos- en natuurvorming). Het
                            behoeft dan ook geen verbazing te wekken dat compensatie in deze
                            provincie hier en daar anders wordt ingekleurd dan op rijksniveau. De
                            voor Drenthe gehanteerde compensatienormen vinden hun grondslag
                            enerzijds in bestuurlijke wensen, neergelegd in het bestuursprogramma
                            “Besturen in Balans” en anderzijds in het Provinciaal Omgevingsplan voor
                            Drenthe. De belangrijkste verschillen in de verordening zijn: </al></li><li nr="a."><al>Het SGR is van toepassing op grootschalige openbare
                            recreatievoorzieningen; de verordening niet (de in de SGR bedoelde
                            grootschalige recreatievoorzieningen bevinden zich op dit moment niet in
                            Drenthe). In voorkomende gevallen blijft het SGR van toepassing. </al></li><li nr="b."><al>Het SGR is niet van toepassing op landschappelijke en archeologische
                            waarden; de verordening wel. De archeologische waarden moeten ingevolge
                            het zogenaamde verdrag van Malta d.d. 16 januari 1992 in de aangepaste
                            Monumentenwet beschermd worden, maar deze zal in ieder geval niet voor
                            2005 in werking treden. Tot die tijd kan deze verordening de
                            archeologische waarden beschermen. </al></li></lijst><al>Provinciale staten zijn van mening dat in Drenthe ook landschappelijke waarden
                    voor bescherming in aanmerking komen. In het POP is opgenomen dat
                    landschapswaarden voor de toekomst behouden dienen te worden en waar mogelijk
                    hersteld. De Nota landschap geeft vrij duidelijk aan in welke gebieden behoud en
                    herstel aan de orde zijn en in welke gebieden nieuwe ontwikkelingen kansen
                    kunnen krijgen.</al><al>4.Overeenkomstig het SGR en het POP is de verordening van toepassing op concrete
                    voornemens met betrekking tot ruimtelijke ingrepen die worden genomen na het
                    inwerkingtreden van de verordening. In veel gevallen zal de ruimtelijke ingreep
                    in strijd zijn met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan. Immers de
                    bestemming van de waardevolle gebieden zal gericht zijn op de bescherming van
                    deze gebieden. Het kan echter voorkomen dat er op basis van een vigerend
                    bestemmingsplan medewerking aan een ruimtelijke ingreep kan worden verleend met
                    toepassing van een wijzigings- of vrijstellingsbepaling of met het verlenen van
                    een aanlegvergunning. In dergelijke gevallen kan de verordening worden
                    toegepast. Voorwaarde hierbij is wel dat uit de voorschriften van het
                    betreffende bestemmingsplan moet blijken dat het college van burgemeester en
                    wethouders bevoegd zijn om nadere eisen te stellen bij het nemen van een
                    dergelijk besluit. </al><al>Aan een op basis van een vigerend bestemmingsplan te verlenen bouwvergunning kan
                    geen compensatievoorwaarde worden opgelegd. Op grond van jurisprudentie kan
                    worden opgemaakt dat artikel 56, derde lid, van de Woningwet er zich tegen
                    verzet dat in het kader van de te verrichten welstandstoets een voorschrift tot
                    beplanting aan de bouwvergunning wordt verbonden (BR 2001/685). Een zelfde lijn
                    is ten aanzien van een compensatievoorwaarde waarschijnlijk. </al><al>Conform de lijn van het SGR is de beraadslaging en besluitvorming over
                    compensatie ingebed in de procedure van de ruimtelijke ordening. Waar mogelijk
                    kan ook aangehaakt worden bij een MER-traject. Door zo mogelijk een koppeling
                    aan te brengen met bestaande processen blijft het geheel overzichtelijk. Langs
                    deze weg kunnen doublures worden voorkomen. Overigens wordt hier benadrukt dat
                    het SGR, het POP en de verordening steunen op het principe van “nee, tenzij ….”
                    Dit betekent derhalve dat in principe niet wordt meegewerkt aan ruimtelijke
                    ingrepen die significant inbreuk maken op belangrijke waarden van bos, natuur,
                    landschap en archeologie.</al><al>Behalve in de SGR, is ook in een aantal andere Europese richtlijnen en in wetten
                    sprake van compensatie. De uitwerking hiervan kan gekoppeld worden aan de
                    gemeentelijke verordening, zodat zoveel mogelijk een eenduidig compensatiebeleid
                    ontstaat dat duidelijkheid verschaft aan de aanvragers. In Vogel- en
                    Habitatgebieden is compensatie verplicht op grond van de Europese
                    habitatrichtlijn. Deze Europese richtlijnen zijn langer dan een jaar geleden
                    vastgesteld en tot op heden nog niet geheel verwerkt in de Nederlandse wetgeving
                    (aanpassing Natuurbeschermingswet 1998 nog steeds niet in werking getreden). Dat
                    betekent dat de Europese richtlijn rechtstreeks doorwerkt in provinciale en
                    gemeentelijke plannen. Overigens is men voornemens in het wetsvoorstel tot
                    herziening van de Natuurbeschermingswet, artikel 6 van de Habitatrichtlijn ook
                    van toepassing te verklaren op ingrepen die invloed hebben op de in Nederland
                    aangegeven natuurgebieden. </al><tussenkop>Habitatrichtlijn artikel 6</tussenkop><al>3<sup>e</sup> lid Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of
                    nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met
                    andere plannen of projecten <onderstreept>significante gevolgen</onderstreept>
                    kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de
                    gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen
                    van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor
                    het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde
                    nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de
                    zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken
                    gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden
                    hebben geboden. </al><al>4<sup>e</sup> lid Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van
                    de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van
                    alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met
                    inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden
                    gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te
                    waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De
                    Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende
                    maatregelen. </al><al>In de Flora- en faunawet wordt gesproken over bescherming en zorgplicht. Dat
                    betekent dat een ieder in principe zorg moet dragen voor bescherming van
                    inheemse soorten. Bij onvermijdelijke aantasting van soorten is men genoodzaakt
                    passende maatregelen te nemen om instandhouding van de desbetreffende soort in
                    een bepaald gebied te handhaven.</al><al>5.Uit onderdeel 4 van het vorenstaande kan opgemaakt worden dat het principe van
                    bescherming en zorg wel wettelijk en dwingend is vastgelegd, maar nergens is met
                    zoveel woorden uitgewerkt wat daar concreet onder wordt verstaan. Op grond van
                    wettelijke bepalingen moet dus van geval tot geval bekeken worden of voldaan is
                    aan de uitgangspunten van bescherming, instandhouding en geen netto-verlies.
                    Aangezien dit een tijdrovende bezigheid is die, bij verschil van mening tot
                    lange procedures kan leiden, is het raadzaam te kiezen voor een afspraak wat
                    wordt verstaan onder genoemde uitgangspunten. Een vorm van vastleggen van
                    afspraken tussen provincie en gemeenten is te vinden in deze
                    compensatieverordening.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al>Artikel 1</al><al>In dit artikel zijn de definities van de gebruikte termen opgenomen. </al><al>Artikel 2</al><al>In dit artikel is aangegeven voor welke gebieden de compensatieverordening van
                    toepassing is. Ten aanzien van natuur en bos is aangesloten bij de
                    gebiedsaanduiding van het SGR. Ten aanzien van landschap en archeologie is
                    aangesloten bij de kaarten van het POP en de gemeentelijke bestemmingsplannen
                    waarin deze waarden (mede) worden beschermd.</al><al>Artikel 3</al><al>In deze bepaling is het principe van de compensatieverplichting neergelegd. </al><al>Het eerste lid is van toepassing op ruimtelijke ingrepen met betrekking tot
                    natuur, bos en landschap. Bij significante aantasting van bestaande waarden zal
                    door Rijk of provincie in voorkomende gevallen altijd een vorm van compensatie
                    verlangd worden. </al><al>In het tweede lid wordt het beginsel van “geen netto verlies” als uitgangspunt
                    verklaard. Dit beginsel wordt in de artikelen 5 en verder nader uitgewerkt. Bij
                    een ingreep in een bepaald gebied wordt door de volgende stappen te doorlopen
                    inhoud gegeven aan het beginsel “geen netto verlies”:</al><lijst><li nr="a."><al>compensatie in oppervlakte conform de normen in artikel 5 en verder, in
                            de directe omgeving van de ingreep door middel van vervangende grond die
                            voldoende is ingericht en geschikt gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>via vergoeding van gekapitaliseerde kosten van aanloopbeheer vanwege
                            kwaliteitsverschil tussen bestaand en nieuw aangelegd terrein;</al></li><li nr="c."><al>als fysieke compensatie niet of niet voldoende mogelijk is, wordt deze
                            vervangen door financiële compensatie. Zie artikel 9 van de
                            verordening.</al></li></lijst><al>Ingevolge van het derde lid is de verordening ook van toepassing op archeologie
                    als dat gezien de aard en karakter van de voorgenomen ruimtelijke ingreep naar
                    het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is. In dat geval kan er naar
                    zijn aard alleen sprake zijn van financiële compensatie. </al><al>Artikel 4</al><al>De Natuurbeschermingswet wordt hier genoemd omdat het compensatiebeginsel over
                    enige tijd (<cursief>wetsontwerp vastgesteld door de Eerste en Tweede Kamer,
                        maar nog niet in werking getreden omdat de Habitatrichtlijn nog onvoldoende
                        in de Natuurbeschermingswet is verankerd. Het aangepaste voorstel moet
                        nogmaals vastgesteld worden</cursief>) voor een aantal gebieden in deze wet
                    geregeld zal zijn. De verordening treedt dan terug.</al><al>Kern van artikel 4 is het compensatieplan, onmisbaar onderdeel van het
                    besluitvormingproces. Van belang is dat burgemeester en wethouders nadere eisen
                    kunnen stellen aan inhoud en procedure. Mocht de gemeente besluiten dat in alle
                    gevallen nadere stukken of te volgen stappen noodzakelijk zijn, dank kan het
                    eerste lid worden aangevuld met de benodigde informatie.</al><al>In de bijlage achter deze toelichting worden de vormen van aantasting van de
                    waarden weergegeven. In het compensatieplan dient daar op te worden ingegaan.
                    Verder worden in de bijlage achter deze toelichting uitgangspunten geformuleerd
                    waaraan compensatiemaatregelen dienen te voldoen. Hetgeen daar is aangegeven
                    kunnen burgemeester en wethouders bijvoorbeeld als nadere eis stellen aan te
                    nemen compensatiemaatregelen. Uiteraard kunnen burgemeester en wethouders naast
                    het voorgaande andere eisen stellen aan de inhoud van het compensatieplan en/of
                    de te volgen procedure. </al><al>Het vierde lid schrijft voor dat het plan bij de aanvraag wordt gevoegd.
                    Ingevolge artikel 4:5 Awb behoeft de aanvraag pas in behandeling te worden
                    genomen als het plan aan de gestelde vereisten voldoet. De eis van het
                    tegelijkertijd indienen van het compensatieplan kan niet in het kader van een
                    bouwaanvraag worden gesteld. Het Besluit indieningvereisten aanvraag
                    bouwvergunning voorziet daar niet in en daarom is dat niet toegestaan. </al><al>Artikelen 5 en 6</al><al>Uitgangspunt is dat geen “netto-verlies” aan genoemde waarden resteert (artikel
                    3, tweede lid). Daartoe zullen maatregelen getroffen kunnen worden met het oog
                    op inpassing, mitigatie en compensatie (artikel 3, eerste lid). De in de
                    verordening opgenomen normen voor compensatie van bos en natuur (artikelen 5 en
                    6) zijn gebaseerd op het SGR I. Een voorstel van de provincie om hogere
                    compensatienormen in de verordening op te nemen is niet overgenomen. Dit
                    voorstel was als zodanig met cursieve letters in de modelverordening als
                    keuzemogelijkheid aangegeven. </al><al>Ons inziens schept het wel stellen van een compensatienorm meer duidelijkheid,
                    ook al zal deze situatie zich zeer weinig voordoen omdat vernietiging van
                    niet-vervangbare natuur te allen tijde voorkomen moet worden. </al><al>Artikel 7</al><al>Voor landschap gelden de normen genoemd in de nota Landschap en het POP als
                    leidraad. Verder is een rol weggelegd voor de gemeentelijke
                    landschapsbeleidsplannen en bestemmingsplannen. Maar van geval tot geval wordt
                    maatwerk geleverd. Mits goed gemotiveerd, is een andere norm ook denkbaar. </al><al>Artikel 8</al><lijst><li nr="1."><al>Het verdrag van Malta d.d. 16 januari 1992 is bedoeld voor de
                            bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding
                            ervan in de ruimtelijke ontwikkeling.</al></li><li nr="2."><al>Archeologische waarden zijn, uitzonderingen als hunebedden, grafheuvels,
                            celtic fields en mottes daargelaten, doorgaans onzichtbaar omdat ze
                            schuilgaan onder het maaiveld. De zichtbare en de onzichtbare waarden -
                            samen ook wel het bodemarchief genoemd - hebben met elkaar gemeen dat
                            zij niet-regenereerbaar zijn. Aantasting van archeologische waarden
                            (voorwerpen, grondsporen en hun onderlinge relaties) betekent dus
                            vernietiging van unieke informatiebronnen. De moderne archeologische
                            monumentenzorg, die binnen niet al te lange tijd zijn beslag zal krijgen
                            in een nieuwe monumentenwet, streeft dan ook naar behoud van
                            archeologische waarden in de bodem, zodat ook latere generaties dit
                            bodemarchief nog kunnen raadplegen. Is behoud-in-situ niet mogelijk, dan
                            dient door wetenschappelijk onderzoek voorafgaand aan de geplande
                            bodemverstoring de in de bodem aanwezige informatie onderzocht,
                            vastgelegd en veiliggesteld te worden. Aantasting – waaronder ook
                            versnippering van terreinen valt – komt voor compensatie in
                            aanmerking.</al></li></lijst><al>De aanvrager dient na te gaan of en in welke mate het de ruimtelijke ingreep
                    gevolgen heeft voor eventuele archeologische waarden in het desbetreffende
                    gebied. De instrumenten die hiervoor ter beschikking staan zijn de
                    Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische
                    Waarden (IKAW). De AMK geeft de bekende terreinen en hun waarde weer, de IKAW
                    geeft de kans (laag, middelhoog en hoog) aan op de aanwezigheid van
                    archeologische waarden in gebieden waar (nog) geen waarden zijn aangetroffen.
                    Een groot deel van de op de AMK aangeduide terreinen is behoudeniswaardig (een
                    aantal terreinen is zelfs wettelijk beschermd). De nog niet gewaarde terreinen
                    op deze kaart – ‘terreinen van archeologische betekenis’ - dienen op kosten van
                    de initiatiefnemer gewaardeerd te worden alvorens vastgesteld kan worden of zij
                    al dan niet behoudeniswaardig zijn. </al><al>De gebieden waarvoor de IKAW een hoge tot middelhoge verwachting uitspreekt
                    dienen aan een verkennend onderzoek onderworpen te worden om vast te stellen of
                    er waarden aanwezig zijn en zo ja, wat de waardering is. In het geval het om
                    (zeer) hoge archeologische waarden gaat, dient naar behoud gestreefd te worden.
                    Indien behoud niet mogelijk is en de waarden als gevolg van de voorgenomen
                    ingreep vernietigd zullen worden, dienen ze op kosten van de initiatiefnemer
                    wetenschappelijk opgegraven te worden om de aanwezige informatie veilig te
                    stellen. </al><al>Verder kan het college overwegen de aanvrager een bijdrage in de kosten van
                    conservering van gevonden artefacten op te leggen. Hiermee dient dan wel in
                    redelijkheid te worden omgegaan. Men kan immers niet onverkort van een aanvrager
                    verlangen dat hij/zij de kosten voor conservering van zeer waardevolle
                    cultuurschatten op zich neemt. Het conserveren van artefacten is in het belang
                    van de gemeenschap. Zolang iets onder de grond zit heeft ook niemand er wat
                    aan.</al><al>De gemeente kan in principe het artikel over archeologie weglaten uit de
                    compensatieverordening. Dit omdat de nieuwe Monumentenwet binnen afzienbare tijd
                    van toepassing zal worden op behoud van archeologie. Op het moment dat deze wet
                    in werking treedt dan komt artikel 8 van rechtswege te vervallen. </al><al>Artikel 9</al><al>Uitgangspunt is dat financiële compensatie slechts plaatsvindt als fysieke
                    compensatie niet of slechts ten dele mogelijk is. De financiële compensatie
                    wordt in dat geval door de gemeente of provincie gelabeld in een fonds
                    gestort.</al><al>Daarnaast kan de financiële toeslag gestort worden in een fonds. De financiële
                    toeslag wordt vanuit het fonds beschikbaar gesteld aan de beheerder voor het
                    beheer (en inrichting) van de nieuwe gebieden. De financiële toeslag kan ook
                    d.m.v. een bankgarantie veiliggesteld worden en rechtstreeks door de
                    initiatiefnemer aan de beheerder worden uitbetaald. De gemeente bepaalt hoe en
                    waar de financiële compensatie wordt gestationeerd. Het verdient aanbeveling een
                    termijn vast te stellen, waarbinnen de financiële compensatie opnieuw moet
                    worden ingezet. Aangezien geadviseerd wordt compensatie zo dicht mogelijk bij de
                    ingreep te realiseren, ligt het voor de hand dat compensatie in eerste instantie
                    binnen de eigen gemeente plaatsvindt. Mocht dat niet haalbaar zijn, of als
                    blijkt dat compensatie in een andere gemeente op minder problemen stuit, kan de
                    gemeente besluiten de financiële middelen te besteden in een andere gemeente.
                    Zeker bij grensoverschrijdende natuurgebieden kan dit aan de orde zijn.</al><al>Artikel 10</al><al>Het is niet de bedoeling dat de commissie van deskundigen een
                    “rechtsbeschermende rol” krijgt. Vandaar de bepaling dat deze commissie alleen
                    een rol kan spelen in het voortraject. Als burgemeester en wethouders een
                    besluit op de aanvraag genomen hebben gelden de normale regels van bezwaar en
                    beroep (Algemene wet bestuursrecht). Gezien de lage frequentie van
                    compensatiegevallen en de te verwachten nog lagere frequentie van
                    meningsverschillen, lijkt het efficiënter om een provinciale commissie in te
                    stellen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>