<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR78923_7</dcterms:identifier><dcterms:title>Levensloopregeling provincies</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2015 nr.
                8563</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Levensloopregeling provincies</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, artikel 158, lid 1aanhef en onder c</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2015-015306</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>personeelsregelingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Red. Dit wijzigingsbesluit, neergelegd in Provinciaal Blad 2015 nr. 8563 met een inwerkingtreding per 1 januari 2016, is als een aanvullend besluit genomen op een (oud) wijzigingsbesluit, neergelegd in Provinciaal Blad 2014 nr. 3893, met eveneens een inwerkingtreding per 1 januari 2016. Het oude wijzigingsbesluit (nr.3893) is al ingevoerd in deze regelingenbank. Dit aanvullend wijzigingsbesluit (nr. 8563) kan dus technisch gezien in deze regelingenbank niet meer inwerking treden per 1 januari 2016. Derhalve is de inwerkingtreding voor dit aanvullend besluit gesteld op 2 januari 2016 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Levensloopregeling provincies</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN;</al><al>Gelet op artkel 125, tweede lid, van de Ambtenarenwet; Overwegende dat de
                        partijen in het Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden (SPA)
                        overeenstemming hebben bereikt over de wijzigingen in de Collectieve
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies en enkele andere
                        rechtspositieregelingen;</al><al>BESLUITEN</al><al>vast ts stellen de navolgende gewijzigde regeling: Levensloopregeling
                        provincies </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Definities</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> levensloopinstelling: een door de ambtenaar gekozen
                                    kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                    derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dit
                                    artikellid op 31 december 2011 luidde;</al></li><li nr="b."><al> levenslooprekening: een geblokkeerde rekening op naam van de
                                    ambtenaar bij een levensloopinstelling waarmee een
                                    levenslooptegoed wordt opgebouwd;</al></li><li nr="c."><al> levenslooptegoed: de bij een levensloopinstelling opgebouwde
                                    voorziening in geld, vermeerderd met de daarop gekweekte
                                    inkomsten en de daarmee behaalde rendementen;</al></li><li nr="d."><al> levensloopverzekering: een verzekering op naam van de ambtenaar
                                    bij een levensloopinstelling waarmee een levenslooptegoed wordt
                                    opgebouwd;</al></li><li nr="e."><al> loon: loon als bedoeld in artikel 19g, eerste lid, onderdeel b,
                                    van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dit onderdeel op 31
                                    december 2011 luidde.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Sparen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2. Deelname</titel></kop><al>De ambtenaar heeft onder bij en krachtens de Wet op de loonbelasting
                            1964 gestelde voorwaarden elk kalenderjaar recht deel te nemen aan deze
                            regeling. De ambtenaar kan daartoe eenmaal per jaar bij Gedeputeerde
                            Staten een aanvraag indienen. De aanvraag wordt minimaal twee maanden
                            voor de gewenste ingangsdatum ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Bronnen</titel></kop><al>De ambtenaar kan voor deelname aan de in artikel 2 bedoelde regeling de
                            volgende bronnen inzetten:</al><lijst><li nr="a."><al> het salaris, voorzover dat uitgaat boven het voor de ambtenaar
                                    geldende wettelijk minimumloon;</al></li><li nr="b."><al> de toelagen als bedoeld in de artikelen C.11 tot en met C.15
                                    van de CAP;</al></li><li nr="c."><al> het budget uit het IKB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Aanvraag deelname</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De in artikel 2 bedoelde aanvraag wordt per kalenderjaar opnieuw
                                ingediend en bevat in ieder geval de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al> de levensloopinstelling;</al></li><li nr="b."><al> het nummer van de levenslooprekening of het (polis)nummer
                                        van de levensloopverzekering;</al></li><li nr="c."><al> tot welke bedragen uit de in artikel 3 genoemde bronnen
                                        wordt gespaard;</al></li><li nr="d."><al> of eenmalig dan wel maandelijks wordt gespaard;</al></li><li nr="e."><al> de begin- en einddatum van de spaarperiode indien is
                                        gekozen voor maandelijks sparen;</al></li><li nr="f."><al> een verklaring van de ambtenaar waaruit blijkt:</al><al/><al> - dat hij bekend is met de inhoud van deze regeling;</al><al/><al> - of hij in een of meer inmiddels beëindigde
                                        dienstbetrekkingen een levenslooptegoed heeft opgebouwd en
                                        wat de omvang daarvan is op 1 januari van het kalenderjaar
                                        van de ondertekening van de verklaring;</al><al/><al> - of hij een voorziening heeft ingevolge een regeling voor
                                        verlofsparen als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964 zoals dit artikel op 31 december 2005
                                        luidde en wat het laatst bekende saldo van die regeling
                                        is;</al><al/><al> - dat hij ermee instemt dat zijn gehele of gedeeltelijke
                                        levenslooptegoed aan de provincie wordt uitgekeerd in
                                        situaties als bedoeld in artikel 6, derde lid, of artikel
                                        12; </al><al/><al> - dat hij ermee instemt dat de levensloopinstelling aan de
                                        provincie informatie over de omvang van het levenslooptegoed
                                        verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het een eerste aanvraag betreft gaat deze vergezeld van een
                                verklaring van de levensloopinstelling waaruit blijkt dat deze
                                instelling: </al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van de levenslooprekening of de
                                        levensloopverzekering conform het gestelde in deze regeling
                                        en het bepaalde bij en krachtens de Wet op de loonbelasting
                                        1964 zal handelen;</al></li><li nr="b."><al> de provincie aan het begin van elk kalenderjaar een opgave
                                        zal verstrekken van het levenslooptegoed op 1 januari van
                                        dat jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het een eerste aanvraag betreft en in een of meer inmiddels
                                beëindigde dienstbetrekkingen een levenslooptegoed is opgebouwd gaat
                                de aanvraag vergezeld van een verklaring van de levensloopinstelling
                                waar dat tegoed is opgebouwd, waarin wordt aangegeven hoeveel jaren
                                de ambtenaar heeft gespaard, in welke kalenderjaren en tot welke
                                bedragen in die jaren een voorziening in geld is uitgekeerd en wat
                                de omvang van het levenslooptegoed is op 1 januari van het lopende
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de aanvraag wordt gebruikgemaakt van een door gedeputeerde
                                staten vastgesteld formulier.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Beslissing op de aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten kennen de in artikel 2 bedoelde aanvraag toe
                                binnen 30 dagen na ontvangst daarvan, tenzij het levenslooptegoed,
                                vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al> het levenslooptegoed uit een of meer inmiddels beëindigde
                                        dienstbetrekkingen; en</al></li><li nr="b."><al> het saldo van de regeling voor verlofsparen als bedoeld in
                                        artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dit
                                        artikel luidde op 31 december 2005;</al></li><li nr=""><al>Op 1 januari van het kalenderjaar waarin de voorziening in
                                        geld zal worden gespaard gelijk is aan of meer bedraagt dan
                                        2,1 maal het loon over het voorafgaande kalenderjaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste lid blijft een
                                salarisvermindering buiten beschouwing voorzover deze het gevolg is
                                van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of een lager
                                gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct
                                voorafgaand aan de pensioendatum mits de omvang van het
                                dienstverband in geval van het aanvaarden van een deeltijdfunctie
                                niet met meer dan 50% vermindert.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beslissing op de aanvraag wordt zo spoedig mogelijk
                                bekendgemaakt aan de ambtenaar en de levensloopinstelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Maximum te sparen bedrag </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Uit de in artikel 3 genoemde bronnen kan per kalenderjaar ten
                                hoogste 12% van het loon over dat jaar worden ingezet voor de
                                levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde maximumpercentage geldt niet voor de
                                ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet
                                de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien gedurende een kalenderjaar uit de in artikel 3 genoemde
                                bronnen meer dan 12% van het loon over dat kalenderjaar is ingezet
                                wordt, tenzij het tweede lid van toepassing is, het bovenmatig
                                gedeelte voor het einde van dat kalenderjaar door de
                                levensloopinstelling aan de provincie uitgekeerd op een door de
                                provincie aangegeven wijze. Dit bovenmatig gedeelte wordt voor het
                                einde van het kalenderjaar als salaris aan de ambtenaar
                                uitgekeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Storting/overmaking </titel></kop><al>De uit de in artikel 3 genoemde bronnen te sparen bedragen worden door
                            de provincie gestort op de levenslooprekening dan wel overgemaakt als
                            premie voor de levensloopverzekering, zo mogelijk in de maand waarin de
                            door de ambtenaar aangewezen bronnen aan hem zouden zijn uitbetaald. Het
                            is de ambtenaar niet toegestaan gelden rechtstreeks op zijn
                            levenslooprekening te storten of rechtstreeks als premie over te maken
                            voor de levensloopverzekering. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Aanvraag beëindiging spaarperiode </titel></kop><al>Op aanvraag van de ambtenaar wordt de spaarperiode beëindigd uiterlijk
                            met ingang van de tweede maand na ontvangst van die aanvraag. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.</titel></kop><al>Vervallen per 1 januari 2016</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Opnemen van levenslooptegoed </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10. Aanvraag opname levenslooptegoed </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan een aanvraag tot opname van levenslooptegoed
                                indienen. In die aanvraag vermeldt de ambtenaar het bedrag van de
                                opname.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde aanvraag bevat een machtiging van de
                                ambtenaar om een uitkering ter grootte van het in de aanvraag
                                aangegeven bedrag ten laste van diens levenslooptegoed aan de
                                provincie te verstrekken op een door de provincie aangegeven
                                wijze.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar het levenslooptegoed geheel of ten dele wil
                                gebruiken ten behoeve van de opname van onbetaald verlof op grond
                                van de Wet arbeid en zorg of op grond van de CAP, dan wordt de
                                aanvraag tot opname van levenslooptegoed ten minste drie maanden
                                vóór ge gewenste aanvangsdatum ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Beslissing en uitbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kennen de in artikel 10, eerste lid, bedoelde
                                aanvraag toe binnen 30 dagen na ontvangst daarvan en maken de
                                beslissing op de aanvraag zo spoedig mogelijk bekend aan de
                                ambtenaar en aan de levensloopinstelling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Na ontvangst van de in artikel 10, tweede lid, bedoelde uitkering
                                wordt deze na inhouding van loonheffing aan de ambtenaar
                                uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De uitkering aan de ambtenaar is niet aan te merken als salaris of
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien geld uit het levenslooptegoed wordt ingezet voor toegekend
                                onbetaald verlof, verstrekken Gedeputeerde Staten, voor zover het
                                saldo uit dat tegoed toereikend is, de ambtenaar gedurende de
                                periode van onbetaald verlof maandelijks een uitkering ter hoogte
                                van het bij de aanvraag aangegeven percentage van de bezoldiging
                                over de maand, direct voorafgaand aan de datum van ingang van dat
                                verlof. De uitkering is ten hoogste gelijk aan die bezoldiging.
                                Indien het onbetaald verlof voor een deel van de voor de ambtenaar
                                geldende arbeidsduur is toegekend, gaat de uitkering tezamen met het
                                daarnaast genoten loon bij de provincie niet uit boven de
                                bezoldiging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoodfdstuk 4 Beëindiging bij overlijden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12. Overlijden</titel></kop><al>In geval van overlijden van de ambtenaar wordt het levenslooptegoed
                            overeenkomstig de geldende voorwaarden van de levensloopinstelling aan
                            de provincie uitgekeerd op een door de provincie aangegeven wijze. Het
                            levenslooptegoed wordt na inhouding van loonheffing uitgekeerd aan de
                            erfgenamen van de ambtenaar. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Inwerkingtreding en citeertitel </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13. Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als Levensloopregeling provincies.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten van Gelderland</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMEEN</titel></kop><al>Sedert 1 januari 2012 is de wettelijke levensloopregeling vervallen en er nog
                    slechts een overgangsregeling van kracht voor bestaande deelnemers die op 31
                    december 2011 een spaartegoed hadden. De overgangsregeling loopt tot 1 januari
                    2022. Bestaande deelnemers met een spaartegoed van € 3.000 of meer hadden twee
                    keuzes: - Zij kunnen het volledige tegoed in 2013 in één keer opnemen. Dit geeft
                    hen een fiscaal voordeel: zij betalen belasting over 80% van het spaartegoed dat
                    op 31 december 2011 op de rekening stond. Over het in 2012 gespaarde bedrag
                    wordt 100% belasting betaald. Zij mogen zelf weten waaraan zij het tegoed
                    besteden. Hierna kunnen ze niet opnieuw via de levensloopregeling gaan sparen. -
                    Zij kunnen kiezen voor voortzetting van deelname aan de oude levensloopregeling
                    die voor hen gehandhaafd blijft. Zij kunnen doorsparen tot uiterlijk het einde
                    van de overgangsperiode. Daarna komt (de rest van) het spaartegoed in één keer
                    vrij. Zij kunnen in de overgangsperiode hun spaartegoed in zijn geheel of in
                    delen opnemen. Zij mogen zelf bepalen wanneer zij dat doen en waaraan zij het
                    geld besteden. De besteding is met andere woorden niet langer beperkt tot
                    uitkeringen tijdens onbetaald verlof of voor extra pensioen.</al><al>Voor bestaande deelnemers die op 31 december 2011 een spaartegoed hadden van
                    minder dan € 3.000 is dit tegoed op 1 januari 2013 vrijgekomen. Het spaartegoed
                    is in 2013 in één keer uitbetaald. Zij betalen belasting over 80% van het tegoed
                    dat op 31 december 2011 op hun rekening stond. Over het in 2012 gespaarde bedrag
                    wordt 100% belasting betaald. Een eventuele levensloopverlofkorting wordt
                    verrekend. De levensloopregeling staat niet meer open voor nieuwe
                    deelnemers.</al><al>De Levensloopregeling Provincies is nu afgestemd op de deelnemers die onder de
                    overgangsregeling vallen. De deelnemers dus met een spaartegoed op 31 december
                    2011 van € 3.000 of meer die hebben gekozen voor voortzetting van hun deelname
                    aan de (overgangs)regeling. De ambtenaar die gekozen heeft voor voortgezette
                    deelname aan de overgangsregeling kan uit het brutoloon geld sparen. De
                    werkgever is verplicht om daaraan mee te werken. Sparen gebeurt belastingvrij,
                    de loonheffing wordt ingehouden bij opname uit het levenslooptegoed. Een
                    voorbeeld ter verduidelijking. Een ambtenaar heeft op 31 december 2011 € 6.500
                    aan levenslooptegoed en heeft in 2012 € 1.000 gespaard. Hij kan tot 31 december
                    2021 blijven doorsparen. Hij neemt in maart 2013 € 5.000 op en in oktober 2013
                    de rest. Hij betaalt in 2013 belasting over € 5.000 en over (80% van € 2.500) €
                    2.000 dus over in totaal € 7.000. Het te sparen bedrag wordt naar keuze van de
                    ambtenaar gestort op een geblokkeerde rekening bij een bank of als premie bij
                    een verzekeraar. Voor opname uit het levenslooptegoed is toestemming nodig van
                    zowel de werknemer als de werkgever. Het levenslooptegoed kan worden meegenomen
                    naar een volgende werkgever. Sinds 2012 wordt er geen levensloopverlofkorting
                    meer opgebouwd. De reeds opgebouwde rechten op de levensloopverlofkorting kunnen
                    bij opname van het tegoed worden verzilverd. Die is € 205 per tot 1 januari 2012
                    gespaard jaar, maar nooit groter dan het bedrag dat vrijvalt of wordt
                    opgenomen.</al><al>De ambtenaar kan per jaar maximaal 12% van zijn brutoloon sparen tot een maximum
                    van 210% van het jaarloon. Het maximum van 12% geldt niet voor de ambtenaar die
                    op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd van 56 jaar
                    heeft bereikt.</al><al>Zoals hierboven al aangegeven, kan het tegoed voor alle gewenste doelen worden
                    aangewend. Voor de opbouw van het levenslooptegoed kan de ambtenaar geld sparen
                    uit het salaris, de toelagen die tot de bezoldiging behoren en het IKB.</al><al>Als gevolg van de Wet uniformering loonbegrip wordt de inleg aftrekbaar voor de
                    premies werknemersverzekering. Eventuele uitkeringen op grond van de WW of de
                    WIA worden dan gebaseerd op een lager loon.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al>Artikel 1 Definities Onderdeel c levenslooptegoed De definitie is ruim.
                    Hieronder valt niet alleen het levenslooptegoed van de ambtenaar in zijn
                    dienstbetrekking bij de provincie, maar ook elk ander levenslooptegoed uit één
                    of meer beëindigde dienstbetrekkingen. Onderdeel h werkgeversbijdrage De
                    werkgeversbijdrage is geen salaris of bezoldiging. Dat betekent dat hierover ook
                    geen vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering wordt opgebouwd. Artikel 2
                    Deelname Dit artikel is de kernbepaling. In verband met de controle op het
                    opgebouwde levenslooptegoed moet de aanvraag tot deelname aan de
                    levensloopregeling elk jaar opnieuw worden ingediend.</al><al>Artikel 4 Aanvraag deelname Dit artikel regelt de procedure met betrekking tot
                    de aanvraag tot deelname aan de levensloopregeling. In het eerste lid is
                    aangegeven welke gegevens de ambtenaar bij zijn aanvraag moet verstrekken. Naast
                    deze gegevens zal de ambtenaar een verklaring moeten overleggen (zie onderdeel
                    f). Bij eerste aanvraag zal ook een verklaring van de levensloopinstelling
                    moeten worden overgelegd (zie tweede en derde lid). Voor de aanvraag hebben
                    Gedeputeerde Staten een standaardformulier vastgesteld (vierde lid).</al><al>Artikel 5 Beslissing op de aanvraag Dit artikel handelt over het nemen van een
                    beslissing door Gedeputeerde Staten op de aanvraag van een ambtenaar. De
                    aanvraag kan worden geweigerd als het levenslooptegoed uit de provinciale
                    dienstbetrekking, samen met die elementen op 1 januari van het kalenderjaar
                    waarin aan de levensloopregeling wordt deelgenomen gelijk is aan of meer
                    bedraagt dan 2,1 maal het loon over het voorafgaande jaar. Als in het voorgaande
                    kalenderjaar een salarisvermindering heeft plaatsgevonden mag bij de beoordeling
                    of nog kan worden doorgespaard van het niet verminderde salaris worden uitgegaan
                    mits die salarisvermindering het gevolg is van het aanvaarden van een
                    deeltijdfunctie of het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de
                    periode die aanvangt tien jaar direct voor de ingangsdatum van het pensioen.
                    Daarbij geldt als extra eis dat het dienstverband na het aanvaarden van een
                    deeltijdfunctie niet minder mag zijn dan 50% van de omvang van het dienstverband
                    op de laatste dag voor de dag die tien jaar voor de pensioendatum ligt. Op een
                    eenmaal toegekende aanvraag kan door de ambtenaar niet meer worden teruggekomen.
                    Wel is correctie door de provincie mogelijk als achteraf blijkt dat de aanvraag
                    ten onrechte is toegekend.</al><al>Artikel 6 Maximum te sparen bedrag Gelet op de fiscale wetgeving is bepaald dat
                    ten behoeve van het levenslooptegoed per kalenderjaar niet meer wordt gespaard
                    dan 12% van het loon over dat jaar. Uitzondering hierop vormt de categorie
                    ambtenaren die op 31 december 2005 ten minste 51 jaar en nog geen 56 jaar oud
                    is. Deze ambtenaren mogen meer dan 12% sparen en kunnen zo versneld een
                    levenslooptegoed opbouwen. Wel geldt voor hen het maximum levenslooptegoed van
                    2,1 maal het jaarloon. Indien meer dan 12% is gespaard wordt het bovenmatig deel
                    teruggestort naar de provincie die vervolgens na inhouding van loonheffing het
                    restant zo spoedig mogelijk uitbetaalt aan de ambtenaar.</al><al>Artikel 7 Storting/overmaking Dit artikel regelt op welk moment het geld naar de
                    levensloopinstelling wordt overgemaakt. Uitgangspunt is dat dit zoveel mogelijk
                    op de gebruikelijke betaaldata gebeurt. De overmaking geschiedt door de
                    provincie. De ambtenaar mag dus niet rechtstreeks gelden overmaken. Artikel 8
                    Aanvraag beëindiging spaarperiode Dit artikel biedt de ambtenaar de mogelijkheid
                    om te stoppen met sparen.</al><al>Artikelen 10 en 11 Aanvraag, beslissing, uitbetaling levenslooptegoed Deze
                    artikelen regelen de procedure van aanvraag, besluitvorming en uitbetaling van
                    levenslooptegoed. Alleen bij inzet voor onbetaald verlof geldt er een
                    aanvraagtermijn, voorafgaande aan de aanvang van het verlof (drie maanden). De
                    uitkering tijdens onbetaald verlof is ten hoogste 100% van de
                    berekeningsgrondslag. De uitkering uit het levenslooptegoed aan de ambtenaar is
                    geen salaris of bezoldiging. Ingeval van ontslag tijdens de spaarperiode blijft
                    het levenslooptegoed, als niet anders is beslist, bij de levensloopinstelling
                    staan.</al><al>Artikel 12 Overlijden In dit artikel wordt geregeld dat na overlijden het
                    levenslooptegoed door de levensloopinstelling aan de provincie wordt uitgekeerd
                    en dat de provincie dit tegoed na inhouding van loonheffing aan de erfgenamen
                    uitkeert.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>