<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR78778_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Son en Breugel 2002</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Son en Breugel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Son en Breugel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Son en Breugel 2002</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Wet voorzieningen gehandicapten, art.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2002-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2002-01-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2002-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2007-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>06.0002123</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit nadere regels verordening voorzieningen gehandicapten.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Artikel 2.10 van deze verordening werkt terug tot en met 1 april 2000. Deze verordening wordt per 1 april 2007 vervangen door de verordening maatschappelijke ondersteuning.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Son en Breugel 2002</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening voorzieningen gehandicapten 2002</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Son en Breugel, gelezen het voorstel van
                        burgemeester en wethouders van 31 januari 2002, gehoord de commissie
                        Wz;Gelet op artikel 2 van de Wet voorzieningen gehandicapten (Stb. 1993 nr.
                        545) en gelet op artikel 149 van de Gemeentewet (Stb 1993, 610);Overwegende
                        dat het noodzakelijk is het verstrekken van voorzieningen aan gehandicapten
                        bij verordening te regelen;besluit vast te stellen de volgende Verordening
                        voorzieningen gehandicapten gemeente Son en Breugel 2002:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>I</nr><titel>Algemeen</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Voorziening: een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of
                                        een rolstoel.</al></li><li nr="b."><al>Inkomen: 1 het netto-inkomen, conform de berekening zoals
                                        aangegeven in het Besluit nadere regels verordening
                                        voorzieningen gehandicapten; 2 het gezamenlijk
                                        netto-inkomen, conform de berekening zoals aangegeven in het
                                        Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                                        gehandicapten van de ouders of pleegouders van de
                                        gehandicapte, indien de gehandicapte jonger is dan 18 jaar
                                        en geen echtgenoot heeft in de zin van artikel 1 van de Wet;
                                        3 het gezamenlijk netto-inkomen, conform de berekening zoals
                                        aangegeven in het Besluit nadere regels verordening
                                        voorzieningen gehandicapten van de gehandicapte en zijn
                                        echtgenoot, indien de gehandicapte een echtgenoot heeft in
                                        de zin van artikel 1 van de Wet.</al></li><li nr="c."><al>Woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst
                                        op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan
                                        worden verplaatst.</al></li><li nr="d."><al>Standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een
                                        woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
                                        leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere
                                        instellingen of van gemeenten kunnen worden
                                        aangesloten.</al></li><li nr="e."><al>Woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak
                                        wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of
                                        inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag-
                                        of nachtverblijf van een of meer personen.</al></li><li nr="f."><al>Ligplaats: een door de gemeente aangewezen ligplaats welke
                                        door een woonschip wordt ingenomen.</al></li><li nr="g."><al>Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                        permanente bewoning, waar de gehandicapte zijn vaste woon-
                                        en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij
                                        in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of
                                        zal staan, dan wel het feitelijk woonadres indien de
                                        gehandicapte met een briefadres in de gemeentelijke
                                        basisadministratie ingeschreven staat of zal staan.</al></li><li nr="h."><al>Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw,
                                        niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en
                                        noodzakelijk om de woning van de gehandicapte vanaf de
                                        toegang tot de woning te bereiken.</al></li><li nr="i."><al>Woningaanpassing: ingreep van bouwkundige of woontechnische
                                        aard die: 1 gericht is op het opheffen of verminderen van
                                        ergonomische beperkingen die een gehandicapte ondervindt bij
                                        het normale gebruik van zijn woonruimte; of 2 betrekking
                                        heeft op een uitraasruimte.</al></li><li nr="j."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten
                                        van een voorziening welke kan worden afgestemd op het
                                        inkomen van de gehandicapte.</al></li><li nr="k."><al>Forfaitaire vergoeding: een bijdrage ineens die los van het
                                        inkomen en los van de werkelijke kosten van een voorziening
                                        wordt verstrekt, al dan niet met inachtneming van een
                                        inkomensgrens.</al></li><li nr="l."><al>Gemaximeerde vergoeding: een vergoeding in de kosten van een
                                        voorziening die tot een vastgesteld maximum wordt verstrekt,
                                        al dan niet met in achtneming van een inkomensgrens.</al></li><li nr="m."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                        bruikleen of in huur wordt verstrekt.</al></li><li nr="n."><al>Normbedrag: een forfaitaire of een gemaximeerde
                                        vergoeding.</al></li><li nr="o."><al>Norminkomen: het norminkomen als bedoeld in artikel 1 aanhef
                                        en onder c van de Regeling inzake financiële
                                        tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG.</al></li><li nr="p."><al>Eigen bijdrage: een door burgemeester en wethouders vast te
                                        stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een
                                        voorziening in natura betaald moet worden en op welk bedrag
                                        de bepalingen van de 'Regeling inzake financiële
                                        tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG' van toepassing
                                        zijn.</al></li><li nr="q."><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: door de gehandicapte
                                        aangevraagde voorziening waarover een niet-gehandicapte
                                        persoon, die in vergelijkbare persoonlijke omstandigheden
                                        als de aanvrager verkeert, naar maatschappelijke maatstaf en
                                        redelijkerwijs de beschikking zou (kunnen) hebben.</al></li><li nr="r."><al>Wet: de Wet voorzieningen gehandicapten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><al>a deze in overwegende mate op het individu is gericht;b deze
                                    langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van
                                    het wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te
                                    heffen of te verminderen;c deze, naar objectieve maatstaven
                                    gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden
                                    aan­ge­merkt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking op hetgeen in het eerste lid, aanhef en onder a is
                                    gesteld, kan een voorziening worden verstrekt in de vorm van het
                                    gebruik van een collectief systeem van aanvullend al dan niet
                                    openbaar vervoer als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder
                                    a.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling
                                            of privaatrechtelijke verbin­te­nis aanspraak op de
                                            voorziening bestaat;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de ondervonden aantoonbare beperkingen als
                                            gevolg van ziekte of gebrek in de woning voortvloeien
                                            uit de aard van de in de woning gebruikte
                                            materialen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Financiële tegemoetkomingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de hoogte van de financiële
                                    tegemoetkomingen voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen
                                    en rolstoelen vast overeenkomstig het bepaalde in het Besluit
                                    nadere regels verordening voorzieningen gehandicapten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de hoogte van de eigen
                                    bijdrage voor voorzieningen in natura vast overeenkomstig het
                                    bepaalde in het Besluit nadere regels voorzieningen
                                    gehandicapten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Besluitvorming, nadere regels en nadere voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voorzover in deze verordening geen beperkingen zijn opgelegd
                                    zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot alle besluitvorming
                                    ter uitvoering van deze verordening en de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen het Besluit nadere regels
                                    verordening voorzieningen gehandicapten vast alsmede andere voor
                                    de uitvoering van deze verordening noodzakelijke nadere
                                    besluiten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Type woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                    woonvoorziening kan bestaan uit:</al><al>1. een financiële tegemoetkoming in de kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>verhuizing en inrichting, te betalen aan de hoofdbewoner
                                            van de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>woningaanpassing, te betalen aan de eigenaar van de
                                            woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of
                                            niet-woontechnische aard, te betalen aan de hoofdbewoner
                                            van de woonruimte of de leverancier van de
                                            voorziening;</al></li><li nr="d."><al>onderhoud, keuring en reparatie, te betalen aan de
                                            eigenaar van de woonruimte of de leverancier van de
                                            voorziening;</al></li><li nr="e."><al>tijdelijke huisvesting, te betalen aan de hoofdbewoner
                                            of de eigenaar van de tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="f."><al>huurderving, te betalen aan de eigenaar van de
                                            woonruimte.</al></li></lijst><al>2. een voorziening in natura die in bruikleen dan wel in
                                    eigendom wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling financiële
                                        tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Terstond na voltooiing van de werkzaamheden in het kader van
                                        een voorziening als bedoeld in artikel 2.1 aanhef en onder 1
                                        sub b , maar uiterlijk binnen 15 maanden na het verlenen van
                                        de financiële tegemoetkoming, verklaart de woningeigenaar
                                        aan burgemeester en wethouders dat de bedoelde werkzaamheden
                                        zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid gaat
                                        vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de
                                        voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de
                                        financiële tegemoetkoming is verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid is tevens een
                                        verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële
                                        tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Degene aan wie de financiële tegemoetkoming in de kosten
                                        genoemd in artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub b wordt
                                        uitbetaald, dient gedurende een periode van vijf jaar alle
                                        rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de
                                        werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening
                                        wordt verstrekt</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op het
                                    treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, verzorgingstehuizen, vakantiewoningen,
                                    tweede woningen en kamers die zelfstandig verhuurd worden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het recht op een woonvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Het primaat van de verhuizing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een woonvoorziening als bedoeld in
                                        artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub a in aanmerking worden
                                        gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van
                                        ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning
                                        belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een woonvoorziening als bedoeld in
                                        artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub b in aanmerking worden
                                        gebracht indien de in het eerste lid genoemde voorziening
                                        niet te realiseren is of niet de goedkoopst adequate
                                        voorziening is en de voorziening gericht is op het opheffen
                                        of verminderen van ergonomische beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een woonvoorziening als bedoeld in
                                        artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub c in aanmerking worden
                                        gebracht indien de in het eerste en het tweede lid genoemde
                                        voorzieningen niet te realiseren zijn of niet de goedkoopst
                                        adequate voorzieningen zijn en wanneer aantoonbare
                                        beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale
                                        gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een combinatie van de
                                        voorzieningen als bedoeld in artikel 2.1 aanhef en onder 1
                                        sub a tot en met c in aanmerking worden gebracht indien de
                                        in het eerste tot en met het derde lid genoemde
                                        voorzieningen afzonderlijk niet de goedkoopste adequate
                                        voorzieningen zijn en wanneer aantoonbare beperkingen als
                                        gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de
                                        woning belemmeren. Daarbij geldt dat een woonvoorziening als
                                        bedoeld in artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub b als onderdeel
                                        van de combinatie van voorzieningen slechts wordt verstrekt
                                        indien deze gericht is op het opheffen of verminderen van
                                        ergonomische belemmeringen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten af te zien van
                                        het in dit artikel neergelegde primaat van verhuizing in de
                                        gevallen aangegeven in het Besluit nadere regels verordening
                                        voorzieningen gehandicapten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Voorwaarden bij verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Hoofdverblijf en bezoekbaar maken woning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen woonvoorzieningen als
                                        bedoeld in artikel 2.1 slechts ten behoeve van het
                                        hoofdverblijf van een gehandicapte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een woonvoorziening als
                                        bedoeld in artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub b, c en d dan
                                        wel een combinatie van deze voorzieningen worden verstrekt
                                        voor het bezoekbaar maken van een woning indien de
                                        gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in een
                                        AWBZ-inrichting.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken van een woning als bedoeld in het
                                        tweede lid wordt uitsluitend verstaan dat de gehandicapte de
                                        woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De aanvraag voor woonvoorzieningen als bedoeld in het tweede
                                        lid wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen
                                        woning staat.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het totaal van de op grond van het tweede lid te verstrekken
                                        financiële tegemoetkomingen kan niet meer bedragen dan het
                                        bedrag genoemd in het Besluit nadere regels verordening
                                        voorzieningen gehandicapten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Weigeringsgronden woonvoorzieningen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders wijzen een aanvraag voor een
                                    woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1 af indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het
                                            gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                            belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                            gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en
                                            er geen andere belangrijke reden aanwezig was, of</al></li><li nr="b."><al>de gehandicapte niet is verhuisd naar de voor zijn of
                                            haar belemmeringen op dat moment beschikbare meest
                                            geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk
                                            toestemming is verleend door burgemeester en
                                            wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Duidelijkheid over financiering van niet-gesubsidieerde
                                        deel van de kosten</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de kosten als bedoeld in artikel 2.1 aanhef en
                                    onder 1 sub b en c indien in de financiering van het niet door
                                    subsidie gedekte deel van de voorziening is voorzien.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beperking in de verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Het verwerven van grond</titel></kop><al>Voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel
                                    2.1 aanhef en onder 1 sub b betreft het uitbreiden van een
                                    bestaande woning, dan wel het groter bouwen van een nieuw te
                                    bouwen woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn, kunnen
                                    burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen voor de extra te verwerven grond tot het aantal
                                    vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte
                                    bij de woning, zoals vermeld in het Besluit nadere regels
                                    verordening voorzieningen gehandicapten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een
                                    gemeenschappelijke ruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Beperking zeer dure woonvoorzieningen</titel></kop><al>Woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer
                                    bedragen dan het bedrag genoemd in artikel 5, eerste lid, aanhef
                                    en onder a, van de wet, worden niet verleend, tenzij weigering
                                    van die voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te
                                    beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende
                                    aard.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en
                                    binnenschepen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Woonwagen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal
                                            vijf jaar is;</al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            voor een woonvoorziening bij de gemeente op de
                                            standplaats stond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Woonschip</titel></kop><al>Burgemeester er wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonschip
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip nog minimaal
                                            vijf jaar is;</al></li><li nr="b."><al>het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag
                                            blijven liggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Technische levensduur woonwagen en woonschip</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het
                                        woonschip minder dan vijf jaar is, of de standplaats van de
                                        woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking
                                        komt, of het woonschip niet ten minste nog vijf jaar op de
                                        ligplaats mag liggen, kunnen uitsluitend woonvoorzieningen
                                        worden verstrekt als bedoeld in artikel 2.1 aanhef en onder
                                        1 sub c en d.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit nadere
                                        regels verordening voorzieningen gehandi­cap­ten de maximale
                                        hoogte bepalen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld
                                        in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Binnenschip</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip,
                                    indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper,
                                    de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het
                                    verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van
                                    het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987, 466), van een binnenschip,
                                    dat:</al><lijst><li nr="a."><al>in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van
                                            het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op
                                            de wijze omschreven in de maatregel te boek gestelde
                                            schepen 1992; en</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor vervoer van
                                            goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het
                                            metingsbesluit binnenvaartuigen 1987 een laadvermogen
                                            van ten minste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van
                                            meer dan 12 personen buiten de in de aanhef
                                            bedoelde.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Verhuis- en (her)inrichtingskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr><titel>Financiële tegemoetkoming in verhuis- en
                                        inrichtingskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële
                                        tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als
                                        bedoeld in artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub a verstrekken
                                        aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de gehandicapte;</al></li><li nr="b."><al>een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten
                                                behoeve van een gehandicapte de woonruimte heeft
                                                ontruimd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                        tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid aanhef en onder
                                        a indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verhuizing niet heeft plaatsgevonden voordat
                                                burgemeester en wethouders een besluit hebben
                                                genomen naar aanleiding van de aanvraag, tenzij zij
                                                daartoe toestemming hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>de gehandicapte niet voor het eerst zelfstandig gaat
                                                wonen;</al></li><li nr="c."><al>de gehandicapte verhuist vanuit en naar een
                                                woonruimte die geschikt is om het hele jaar door
                                                bewoond te worden;</al></li><li nr="d."><al>de gehandicapte niet verhuist naar een
                                                AWBZ-inrichting of een verzorgingstehuis;</al></li><li nr="e."><al>aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of
                                                gebrek het normale gebruik van de te verlaten woning
                                                belemmeren, tenzij het een verhuizing naar een
                                                ADL-woning betreft;</al></li><li nr="f."><al>de gehandicapte niet verhuisd is op een moment dat
                                                op basis van leeftijd, gezinssituatie of
                                                woonsituatie de verhuizing ook zonder handicap
                                                algemeen gebruikelijk geacht zou zijn.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Facultatieve woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.16</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                                        reparatie</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie
                                    als bedoeld in artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub d indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening in het kader van de Wet voorzieningen
                                            gehandicapten dan wel de Regeling Geldelijke Steun
                                            Huisvesting Gehandicapten of de Beschikking Geldelijke
                                            Steun Huisvesting Gehandicapten is verleend, en</al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening voorkomt in het Besluit nadere regels
                                            verordening voorzieningen gehandicapten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.17</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële
                                        tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting
                                        verlenen die door de gehandicapte moeten worden gemaakt in
                                        verband met het aanpassen van:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn huidige woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>de door de gehandicapte nog te betrekken
                                                woonruimte;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid
                                        wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te
                                        passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de
                                        woningaanpassing niet bewoond kan worden en de gehandicapte
                                        als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te
                                        staan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                        tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als
                                        bedoeld in het eerste lid indien de gehandicapte
                                        redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij dubbele woonlasten
                                        heeft.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit nadere
                                        regels verordening voorzieningen gehandicapten de periode
                                        bepalen gedurende welke een financiële tegemoetkoming als
                                        bedoeld in het eerste lid kan worden verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.18</nr><titel>Huurderving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte
                                        kunnen burgemeester en wethouders een financiële
                                        tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in
                                        verband met derving van huurinkomsten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit nadere
                                        regels verordening voorzieningen gehandicapten bepalen dat
                                        het eerste lid niet wordt toegepast indien het bedrag
                                        waarvoor de woning is aangepast minder bedraagt dan een door
                                        hen in bedoeld Besluit vastgesteld bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit nadere
                                        regels verordening voorzieningen gehandicapten de duur van
                                        de periode bepalen gedurende welke een financiële
                                        tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Afschrijving woningaanpassingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.19</nr><titel>Afschrijving van woningaanpassingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigenaar van een woning die krachtens deze verordening
                                        een financiële tegemoetkoming in de kosten van het treffen
                                        van een woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1 aanhef en
                                        onder 1 sub b heeft ontvangen van meer dan het bedrag
                                        genoemd in het Besluit nadere regels verordening
                                        voorzieningen gehandicapten en die binnen een periode van 10
                                        jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden de
                                        woning verkoopt, is gehouden de gemeente een deel van de
                                        financiële tegemoetkoming terug te betalen</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in het
                                        eerste lid is gelijk aan het bedrag van de financiële
                                        tegemoetkoming na aftrek van het bedrag genoemd in het
                                        Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                                        gehandicapten, verminderd met 10 procent per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien de woning wordt
                                        verkocht aan de gehandicapte voor wie de aanpassingen zijn
                                        aangebracht of een andere gehandicapte aan wie op grond van
                                        deze verordening een vergelijkbare voorziening zou zijn
                                        toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ter uitvoering van het eerste lid is de eigenaar van de
                                        woning verplicht om binnen een maand na het passeren van de
                                        akte burgemeester en wethouders hiervan schriftelijk op de
                                        hoogte te stellen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De toepassing van dit artikel vindt plaats onverminderd het
                                        bepaalde in artikel 7.1.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Vervoersvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Algemene omschrijving vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                vervoersvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar
                                        vervoer</al></li><li nr="b."><al>een voorziening in natura in de vorm van 1 een al dan niet
                                        aangepaste bruikleen-, huur- of lease-auto; 2 een al dan
                                        niet aangepaste gesloten buitenwagen;3 een scootmobiel;4 een
                                        ander verplaatsingsmiddel;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten
                                        van:1 aanpassing van een eigen auto; 2 gebruik van een
                                        collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar
                                        vervoer; 3 gebruik van een bruikleen-, huur- of lease-auto;
                                        4 gebruik van een taxi of een eigen auto; 5 gebruik van een
                                        rolstoeltaxi; 6 aanschaf of gebruik van een ander
                                        verplaatsingsmiddel; 7 begeleiding bij het gebruik van het
                                        openbaar vervoer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Het recht op een vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als bedoeld in
                                    artikel 3.1 in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare
                                    beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer, of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk
                                            maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als bedoeld in
                                    artikel 3.1 aanhef en onder b en c in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek
                                            het gebruik van een collectief systeem van aanvullend al
                                            dan niet openbaar vervoer als bedoeld in het artikel 3.1
                                            aanhef en onder a onmogelijk maken, of</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1
                                            aanhef en onder a niet aanwezig is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de bij artikel 3.1 aanhef en onder b sub 2 tot en met 4 en
                                    artikel 3.1 aanhef en onder c sub 1 en 3 tot en met 6 genoemde
                                    voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op het gebruik van
                                    een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en
                                    onder a verstrekt kunnen worden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de financiële
                                    tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder c sub
                                    3 tot en met 6 kan rekening worden gehouden met de individuele
                                    vervoersbehoefte van de gehandicapte en de mate waarin de
                                    voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder a en b
                                    in die vervoersbehoefte kunnen voorzien.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor zover de behoeften van echtgenoten samenvallen en gebruik
                                    kan worden gemaakt van dezelfde voorziening, bepalen
                                    burgemeester en wethouders, rekening houdend met de
                                    samenvallende behoeften de toe te kennen vervoersvoorziening als
                                    bedoeld in artikel 3.1 met in achtneming van hetgeen is gesteld
                                    in het Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                                    gehandicapten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien het inkomen hoger is dan 1,5 maal het norminkomen wordt
                                    geen vervoersvoorziening verstrekt als bedoeld in:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 3.1 aanhef en onder a;</al></li><li nr="b."><al>artikel 3.1 aanhef en onder b sub 1.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien het inkomen hoger is dan 1,5 maal het norminkomen worden
                                    de financiële tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 3.1 aanhef
                                    en onder c sub 2 tot en met 5 verstrekt onder aftrek van het
                                    bedrag waarmee de grens van 1,5 maal het norminkomen wordt
                                    overschreden.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Indien het inkomen meer bedraagt dan 1,5 maal het norminkomen,
                                    terwijl uitsluitend gebruik gemaakt kan worden van een
                                    rolstoeltaxi, wordt, in afwijking van het zevende lid, een
                                    financiële tegemoetkoming verstrekt die gelijk is aan het
                                    verschil tussen een taxikostenvergoeding en de vergoeding voor
                                    het gebruik van een rolstoeltaxi.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Indien de gehandicapte een vervoersvoorziening ontvangt welke
                                    wordt genoemd in het zesde lid en het inkomen overschrijdt
                                    nadien de grens van 1,5 maal het norminkomen, dan wordt de
                                    vervoersvoorziening ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Indien de gehandicapte een vervoersvoorziening ontvangt welke
                                    wordt genoemd in het zevende lid en het inkomen overschrijdt
                                    nadien de grens van 1,5 maal het norminkomen, dan zijn het
                                    zevende en het achtste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vervoersvoorziening als
                                    bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder b weigeren indien de
                                    vervoersbehoefte van de gehandicapte op jaarbasis minder dan 250
                                    kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van
                                    de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de
                                    verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader
                                    van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie
                                    voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat
                                    uitsluitend door de gehandicapte bezocht kan worden, terwijl het
                                    bezoek noodzakelijk is voor de gehandicapte om dreigende
                                    vereenzaming te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Training gesloten buitenwagen en scootmobiel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer blijkt dat de gehandicapte onvoldoende in staat is aan
                                    het verkeer deel te nemen met een op grond van deze verordening
                                    toegekende gesloten buitenwagen of scootmobiel, als bedoeld in
                                    artikel 3.1 aanhef en onder b sub 2 en 3, verlenen burgemeester
                                    en wethouders een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    training.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt eerst verstrekt indien de gehandicapte:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen één maand na ontvangst van het besluit, waarbij
                                            de vervoersvoorziening in natura als bedoeld in het
                                            eerste lid is toegekend, van de huisarts een
                                            doorverwijzing naar een eerstelijns ergotherapeut heeft
                                            verkregen voor het ontvangen van een training door een
                                            eerstelijns ergotherapeut; en</al></li><li nr="b."><al>binnen één week na de aflevering van de
                                            vervoersvoorziening in natura als bedoeld in het eerste
                                            lid een afspraak heeft gemaakt met een eerstelijns
                                            ergotherapeut voor het ontvangen van een training;</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde eerstelijns ergotherapie wegens een
                                            oorzaak, gelegen buiten de invloedssfeer van de
                                            gehandicapte, geen aanvang kan nemen binnen twee maanden
                                            na de aflevering van de vervoersvoorziening in natura
                                            als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Rolstoelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor
                                        verplaatsing binnen en buiten de woonruimte, dan wel een
                                        aanpassing daaraan;</al></li><li nr="b."><al>een sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud, gebruik en reparatie;</al></li><li nr="d."><al>accessoires;</al></li><li nr="e."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van de onder c en
                                        d bedoelde voorzieningen;</al></li><li nr="f."><al>een combinatie van de onder a tot en met e bedoelde
                                        voorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Het recht op een rolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een rolstoelvoorziening in aanmerking
                                    worden gebracht wanneer de aantoonbare beperkingen als gevolg
                                    van ziekte of gebrek het dagelijks zittend verplaatsen in en om
                                    de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt
                                    worden op grond van andere wettelijke regelingen een onvoldoende
                                    oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een gehandicapte in
                                    aanmerking voor een sportrolstoel worden gebracht indien hij
                                    zonder sportrolstoel niet in staat is tot sportbeoefening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Vorm van de verstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een rolstoel wordt in bruikleen verstrekt en wordt na afloop van
                                    de bruikleenperiode ingenomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verstrekking van een
                                    sportrolstoel plaatsvinden in de vorm van een forfaitaire of
                                    gemaximeerde vergoeding waarmee voor een periode van drie jaar
                                    een rolstoel aangeschaft en onderhouden kan worden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van de vergoeding als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    vastgesteld met inachtneming van het Besluit nadere regels
                                    verordening voorzieningen gehandicapten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Training elektrische rolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer blijkt dat de gehandicapte onvoldoende in staat is aan
                                    het verkeer deel te nemen met een op grond van deze verordening
                                    toegekende elektrische rolstoel, verlenen burgemeester en
                                    wethouders een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    training.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt eerst verstrekt indien de gehandicapte:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen één maand na ontvangst van het besluit, waarbij
                                            de elektrische rolstoel is toegekend, van de huisarts
                                            een doorverwijzing naar een eerstelijns ergotherapeut
                                            heeft verkregen voor het ontvangen van een training door
                                            een eerstelijns ergotherapeut; en</al></li><li nr="b."><al>binnen één week na de aflevering van de elektrische
                                            rolstoel een afspraak heeft gemaakt met een eerstelijns
                                            ergotherapeut voor het ontvangen van een training;</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde eerstelijns ergotherapie wegens een
                                            oorzaak, gelegen buiten de invloedssfeer van de
                                            gehandicapte, geen aanvang kan nemen binnen twee maanden
                                            na de aflevering van de elektrische rolstoel.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Procedures</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het verkrijgen van een voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de gehandicapte
                                    zijn aanvraag moet indienen bij een door hen aan te wijzen
                                    instantie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De gehandicapte die een voorziening in het kader van deze
                                    verordening aanvraagt, dient desgevraagd een identiteitsbewijs
                                    te overleggen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Algemene gronden voor weigering</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde voorzieningen in
                                ieder geval weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de aanvraag een financiële tegemoetkoming betreft
                                        in kosten die de aanvrager voor de datum van het besluit
                                        naar aanleiding van die aanvraag heeft gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien een middel als waarop de aanvraag betrekking heeft
                                        reeds eerder krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten is
                                        vergoed of verstrekt en de normale afschrijvingsduur voor
                                        dat middel nog niet is verstreken, tenzij het eerder
                                        vergoede of verstrekte middel geheel of gedeeltelijk
                                        verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Bijzondere bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een financiële tegemoetkoming wordt verleend, wordt in de
                                    beschikking vermeld op welke kosten de tegemoetkoming betrekking
                                    heeft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een periodieke financiële tegemoetkoming wordt verleend,
                                    wordt in de beschikking tevens vermeld: de geldingsduur, de
                                    uitkeringsmaatstaf, alsmede de voorschriften waaraan de
                                    belanghebbende dient te voldoen alvorens tot uitbetaling van de
                                    tegemoetkoming kan worden overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de geldingsduur niet in de beschikking is vermeld, wordt
                                    uitgegaan van een verstrekking voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij overlijden van de rechthebbende eindigt de verstrekking op
                                    de eerste dag van de maand volgend op maand waarin de
                                    rechthebbende is overleden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het college
                                van burgemeester en wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, voor zover dit van
                                    belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een
                                    voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door
                                            burgemeester en wethouders te bepalen plaats en tijdstip
                                            en hem te ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door burgemeester en wethouders te bepalen plaats
                                            en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen
                                            deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders vragen een daartoe door hen
                                    aangewezen adviesinstantie om advies in de gevallen genoemd in
                                    het Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                                    gehandicapten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De adviseur dient, afhankelijk van het soort aanvraag, te
                                    beschikken over voor de beoordeling van de aanvraag toereikende
                                    kennis op een of meer van de volgende gebieden:</al><lijst><li nr="a."><al>medische kennis;</al></li><li nr="b."><al>sociale kennis;</al></li><li nr="c."><al>ergonomische kennis;</al></li><li nr="d."><al>technische kennis.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij een volgende aanvraag voor een voorziening hebben
                                    burgemeester en wethouders de bevoegdheid aan te geven, dat
                                    opnieuw advies dient te worden uitgebracht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Een gehandicapte is verplicht aan burgemeester en wethouders of
                                    de door hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te (doen)
                                    verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                    aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht aan burgemeester en wethouders mededeling te
                                doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Heronderzoek en intrekking van een besluit tot verlening van
                                    een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om regelmatig een
                                    heronderzoek naar de voor de voortzetting van het recht op een
                                    voorziening van belang zijnde gegevens te verrichten en kunnen
                                    daartoe een onderzoeksfrequentie vaststellen in het Besluit
                                    nadere regels verordening voorzieningen gehandicapten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een besluit genomen op grond
                                    van deze verordening geheel of gedeeltelijk intrekken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden
                                            gesteld bij of krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                            gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                            gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                            genomen, terwijl de belanghebbende wist of
                                            redelijkerwijs had kunnen weten dat bedoelde gegevens
                                            onjuist waren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming dan
                                    wel een gemaximeerde vergoeding, kan worden ingetrokken indien
                                    blijkt dat de tegemoetkoming of vergoeding binnen zes maanden na
                                    de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het
                                    middel waarvoor deze was verleend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op het verlenen van
                                    onroerende woonvoorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van deze verordening
                                    verstrekte voorziening van de gehandicapte in ieder geval
                                    terugvorderen indien zij het besluit waarbij deze voorziening is
                                    toegekend hebben ingetrokken ingevolge artikel 6.3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een ingevolge deze verordening
                                    verstrekte voorziening in natura terugvorderen indien de
                                    gehandicapte, ook na daartoe schriftelijk te zijn aangemaand, in
                                    gebreke blijft zijn eigen bijdrage te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Alle ingevolge deze verordening terug te vorderen bedragen
                                    worden verhoogd met de wettelijke rente.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III</nr><titel>Slot</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten
                                    gunste van de gehandicapte of de woningeigenaar afwijken van
                                    hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, indien
                                    strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende
                                    aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kunnen
                                    burgemeester en wethouders advies vragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                    verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en
                                wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Periodieke evaluatie gemeentelijk beleid en bijstelling
                                    verordening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het door de gemeente gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar
                                    geëvalueerd; indien deze evaluatie daar aanleiding toe geeft,
                                    wordt de verordening aangepast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zenden na afloop van iedere evaluatie
                                    een verslag aan de gemeenteraad over de doeltreffendheid en de
                                    effecten van de verordening in de praktijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding; intrekken oude
                                    verordeningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                    gehandicapten gemeente Son en Breugel 2002.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking, met terugwerkende kracht,
                                    met ingang van 1 januari 2002.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 2.10 werkt terug tot en met 1 april 2000.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Son en
                                    Breugel 1996 wordt ingetrokken per de datum waarop deze
                                    verordening in werking treedt;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het "Verstrekkingenboek voorzieningen gehandicapten Son en
                                    Breugel" (1995) wordt ingetrokken per de datum waarop deze
                                    verordening in werking treedt.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Son
                        en Breugel op 31 januari 2002.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, De secretaris, </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Verordening voorzieningen gehandicapten</titel></kop><al><vet>Afdeling I - Algemeen</vet></al><al><cursief>Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 - Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard.</al><al/><al><cursief>a voorzieningen</cursief></al><al>Onder a wordt het begrip voorzieningen beperkt tot de onderdelen die onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten vallen, te weten woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen. De Wet geeft zelf een omschrijving van het
                    begrip woonvoorziening en van het begrip vervoersvoorziening. Van het begrip
                    rolstoel is geen omschrijving gegeven, noch in de Wet noch in deze verordening.
                    Hoewel iedereen precies weet wat onder een rolstoel verstaan wordt, geeft het
                    formuleren van een begripsomschrijving grote problemen. Onder rolstoel dient
                    hier begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan
                    zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een trippelstoel wordt niet
                    als rolstoel beschouwd. De trippelstoel valt in ieder geval onder de door de
                    AWBZ te verstrekken voorzieningen indien er sprake is van een loopprobleem. Een
                    scootmobiel is altijd een vervoersvoorziening. Indien een rolstoel uitsluitend
                    voor buitengebruik geschikt is, is de rolstoel per definitie een
                    vervoersvoorziening. De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening
                    onder het begrip rolstoel.</al><al/><al><cursief>b inkomen</cursief></al><al>Om uitvoeringstechnische redenen wordt het begrip inkomen nader omschreven in
                    het Besluit nadere regels verordening voorzieningen gehandicapten.</al><al/><al><cursief>c woonwagen</cursief></al><al>De begripsomschrijving komt uit de Huisvestingswet (artikel 1, eerste lid,
                    aanhef en onder f).</al><al/><al><cursief>d standplaats</cursief></al><al>De begripsomschrijving komt uit de Huisvestingswet (artikel 1, lid 1 aanhef en
                    onder e).</al><al/><al><cursief>e en f woonschip en ligplaats</cursief></al><al>Deze begripsomschrijvingen komen uit de VNG-model-Woonschepenverordening.</al><al/><al><cursief>g hoofdverblijf</cursief></al><al>Krachtens de WVG heeft de gemeente een zorgplicht voor de in de gemeente
                    woonachtige gehandicapten. In eerste instantie geeft de gemeentelijke
                    bevolkingsadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde
                    gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen
                    aanhouden. De gemeente waar de gehandicapte daadwerkelijk verblijft heeft een
                    zorgplicht voor het verlenen van voorzieningen. In het geval van AWBZ-bewoners
                    heeft de zorgplicht betrekking op de vervoersvoorzieningen. In die gevallen
                    waarin gehandicapten een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten de
                    betreffende instellingen op grond van artikel 75 van de Wet GBA aanwijzen op
                    bepaalde, door de gemeente vast te stellen tijdstippen een overzicht te
                    verstrekken van personen welke naar redelijke verwachting voor onbepaalde tijd
                    verblijven in de instelling, dan wel gedurende drie maanden ten minste tweederde
                    van de tijd in de instelling zullen verblijven.</al><al>De zinsneden 'of zal hebben' en 'of zal staan' zien op de situatie waarin de
                    gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een
                    woning wil laten aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken.</al><al>In die gevallen dat de gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen moet
                    duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. De WVG zelf geeft
                    hierover geen uitsluitsel. Artikel 2, eerste lid, van de WVG stelt dat het
                    gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het
                    maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten.</al><al>De verordening beoogt met de zinsnede 'waar de gehandicapte zijn vaste woon- en
                    verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de gemeentelijke
                    basisadministratie ingeschreven staat of zal staan' een mogelijkheid te openen
                    aanvragen in te dienen bij gemeenten waar men nog niet woonachtig is.</al><al>Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken
                    woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning staat.
                    Deze gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de woning de
                    goedkoopste, adequate oplossing is of dat een reeds geschikte woning beschikbaar
                    is. De gemeente waaruit de gehandicapte vertrekt, heeft hier geen inzicht in.
                    Van belang is wel dat er in voorkomende gevallen zekerheid bestaat dat de
                    gehandicapte ook daadwerkelijk naar de andere gemeente zal verhuizen en ook
                    recht heeft op een woningaanpassing. Er dient dus een medische indicatie plaats
                    te vinden. Ook in die gevallen dat een aanvraag wordt gedaan voor het bezoekbaar
                    maken van een woonruimte voor de gehandicapte die in een AWBZ-instelling
                    verblijft, is bovenstaande formulering van belang.</al><al>Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten
                    gemeente.</al><al>De zinsnede "bestemd en geschikt voor permanente bewoning" beoogt
                    woningaanpassingen aan permanent bewoonde recreatiewoningen uit te sluiten.</al><al/><al><cursief>h gemeenschappelijke ruimte</cursief></al><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimte is beperkt tot ruimten die niet tot de
                    onderscheiden woning behoren, maar toegang daartoe verschaffen, zoals een gang,
                    een portaal etc.</al><al/><al><cursief>i woningaanpassing</cursief></al><al>In deze verordening wordt onder woningaanpassing verstaan woningaanpassingen van
                    bouwkundige of woontechnische aard (onroerende woonvoorzieningen). Deze
                    categorie betreft de voorzieningen die op grond van de RGSHG werden verstrekt en
                    betreft het overgrote deel van de woningaanpassingen. Om voor deze voorzieningen
                    in aanmerking te komen moet er sprake zijn van ergonomische beperkingen of het
                    moet gaan om een uitraasruimte. Het criterium ergonomische beperkingen is dus
                    gekoppeld aan bouwkundige of woontechnische voorzieningen met uitzondering van
                    uitraasruimten. De woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard
                    en verhuiskostenvergoedingen vallen niet onder dit begrip, deze worden
                    afzonderlijk in artikel 2.1 aanhef onder 1 sub a en c genoemd.</al><al>Onder woningaanpassingen wordt tevens verstaan: aanpassingen aan
                    gemeenschappelijke ruimten die noodzakelijk zijn om de individuele woning van de
                    gehandicapte te kunnen bereiken.</al><al/><al><cursief>j, k en l financiële tegemoetkomingen, forfaitaire en gemaximeerde
                        vergoedingen</cursief></al><al>De WVG definieert financiële tegemoetkomingen, forfaitaire en gemaximeerde
                    vergoedingen niet afzonderlijk. Alle bijdragen in de kosten die gehandicapten op
                    het terrein van vervoer, wonen en rolstoelen hebben, worden door de wetgever
                    begrepen als financiële tegemoetkomingen. Ten einde het verschil tussen
                    financiële tegemoetkoming, forfaitaire en gemaximeerde vergoedingen duidelijk te
                    maken, wordt in deze verordening voor deze laatste twee begrippen een
                    afzonderlijke omschrijving gegeven. Of voor een bepaalde voorziening een
                    forfaitaire dan wel een gemaximeerde vergoeding wordt verstrekt, bepalen
                    burgmeester en wethouders in het Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                    gehandicapten.</al><al>Onder een financiële tegemoetkoming wordt begrepen een tegemoetkoming in de
                    kosten van de voorziening die op het inkomen van de gehandicapte kan worden
                    afgestemd, terwijl een forfaitaire of gemaximeerde vergoeding wordt verstrekt
                    los van het inkomen. Vervolgens is het verschil tussen een forfaitaire
                    vergoeding en een gemaximeerde vergoeding dat een forfaitaire vergoeding ook los
                    van de werkelijk gemaakte kosten wordt verstrekt terwijl een gemaximeerde
                    vergoeding moet worden aangewend voor het doel waarvoor de vergoeding is
                    verstrekt en dus kan worden afgerekend op declaratiebasis. Een forfaitaire
                    vergoeding is een 'bedrag ineens' en kan dus niet op basis van declaraties
                    worden afgerekend. Een forfaitaire vergoeding is te vergelijken met een
                    'cliënt-gebonden budget' waarbij de cliënt volledige bestedingsvrijheid heeft.
                    Zo werd op grond van de AAW de autokostenvergoeding door het GAK verstrekt als
                    gemaximeerde vergoeding (op declaratiebasis), terwijl het ABP dezelfde
                    vergoeding verstrekte als forfaitair bedrag (volledige bestedingsvrijheid). In
                    beide gevallen gold echter dat indien de gehandicapte meer kosten maakte dan
                    maximaal (of forfaitair) konden worden vergoed, deze meerkosten niet voor
                    vergoeding in aanmerking kwamen. In die zin is een forfaitair bedrag
                    vergelijkbaar met een gemaximeerde vergoeding. Voor de WVG is dit onderscheid
                    tussen financiële tegemoetkomingen die op het inkomen kunnen worden afgestemd
                    enerzijds en forfaitaire en gemaximeerde vergoedingen anderzijds van belang
                    omdat de meerkosten bij forfaitaire of gemaximeerde vergoedingen niet vallen
                    onder de regels die de Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen
                    bijdragen WVG stelt aan 'eigen betalingen'. Eventuele meerkosten (men reist meer
                    dan het forfaitaire of maximale bedrag toelaat) behoeven dus ook niet bij
                    draagkrachtvaststelling in het kader van de WVG te worden betrokken.</al><al/><al><cursief>q algemeen gebruikelijke voorziening </cursief></al><al>Het begrip algemeen gebruikelijke voorziening wordt gedefinieerd als de door de
                    gehandicapte aangevraagde voorziening waarover een niet-gehandicapte persoon,
                    die in vergelijkbare persoonlijke omstandigheden als de aanvrager verkeert, naar
                    maatschappelijke maatstaf en redelijkerwijs de beschikking zou (kunnen) hebben.
                    In artikel 1.2 lid 3, aanhef en onder a wordt vervolgens bepaald dat in geval
                    een voorziening algemeen gebruikelijk is, geen voorziening wordt toegekend.</al><al>Onder persoonlijke omstandigheden moet onder meer worden verstaan de leeftijd en
                    het inkomen van de aanvrager.</al><al>Waar de grens tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat dat niet is precies
                    getrokken moet worden, zal afgemeten moeten worden aan algemeen maatschappelijke
                    normen. In het algemeen kan gesteld worden dat iets algemeen gebruikelijk is
                    indien het niet speciaal voor gehandicapten is, gewoon te koop is en niet
                    duurder is dan soortgelijke producten. Een uitzondering geldt indien het gaat om
                    noodzakelijke vervangingen op het moment dat er nog geen sprake is van een
                    volledige afschrijving.</al><al>Het antwoord op de vraag of men kan beschikken over de gevraagde voorziening
                    wordt mede bepaald door de redelijkheid. In het geval het gaat om een
                    investering in een woning die geen eigendom is van de betrokkene, zoals de
                    aanleg van centrale verwarming in een huurwoning, is het zeer wel denkbaar dat,
                    afhankelijk onder meer van de omvang van de kosten daarvan in relatie tot de
                    hoogte van het inkomen van de betrokkene, die kosten een zodanige belasting van
                    diens budget meebrengen dat niet van een algemeen gebruikelijke uitgave kan
                    worden gesproken. Zie ook CRvB 28-05-1999, nr. 98/5258 WVG en CRvB 28-05-1999,
                    nr, 98/5364 WVG.</al><al>Rolstoelen zijn nooit algemeen gebruikelijk.</al><al>Een fiets daarentegen is wel algemeen gebruikelijk omdat in Nederland een ieder
                    geacht kan worden te beschikken over een fiets. Om die reden komt de
                    gehandicapte niet voor een fiets in aanmerking.</al><al/><al>Burgemeester en wethouders kunnen ter uitvoering van deze verordening in
                    beleidsregels nadere invulling geven aan het begrip algemeen gebruikelijk. De
                    bevoegdheid daartoe ontlenen zij aan artikel 1.4 van deze verordening en artikel
                    4:81 Algemene wet bestuursrecht.</al><al><vet>Artikel 1.2 - Beperkingen</vet></al><al>Artikel 1.2 lid 1 geeft beperkingen aan, die betrekking hebben op het toekennen
                    van een voorziening. Een voorziening kan slechts worden verstrekt indien aan
                    alledrie de in artikel 1.2 lid 1 genoemde voorwaarden is voldaan.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.2 lid 1, aanhef en onder a: individueel
                    gericht</cursief></al><al>Met uitzondering van het collectief vervoer dient een voorziening in overwegende
                    mate op het individu gericht te zijn. In dit artikellid wordt het aanvragen van
                    gemeenschappelijke voorzieningen dus uitgesloten, hoewel voorzieningen die naast
                    een individueel ook een gezamenlijk karakter kunnen hebben, wel passen in het
                    kader van deze verordening. Een voorbeeld van een voorziening met een
                    individueel karakter waar daarnaast ook anderen gebruik van kunnen maken is bij
                    voorbeeld een auto, waarin ook anderen mee kunnen rijden.</al><al/><al><cursief>1.2 lid 1, aanhef en onder b: langdurig noodzakelijk</cursief></al><al>Ingevolge lid 1 aanhef en onder b dienen de voorzieningen langdurig noodzakelijk
                    te zijn om beperkingen op het gebied van het wonen of het buiten of binnen
                    verplaatsen op te heffen. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor
                    langere tijd aangewezen moet zijn op een desbetreffende aanpassing of een
                    desbetreffende rolstoel. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie
                    tijdelijk gehandicapt is, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat
                    de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader
                    van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men drie maanden een hulpmiddel lenen, welke
                    periode één maal met nog eens drie maanden kan worden verlengd. Waar precies de
                    grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie
                    verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de
                    prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of
                    aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak
                    uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes
                    van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak.
                    De adviseur speelt bij de bepaling of er al dan niet sprake is van het al dan
                    niet langdurig noodzakelijk zijn van betreffende voorziening een belangrijke
                    rol.</al><al>Als algemene stelregel kan gelden dat voorzieningen die langer dan zes maanden
                    nodig zijn als langdurig noodzakelijk moeten worden aangemerkt en dus voor
                    verstrekking op grond van deze verordening in aanmerking komen.</al><al/><al><cursief>1.2 lid 1, aanhef en onder c goedkoopst adequaat</cursief></al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    gehandicapte als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van
                    het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop
                    zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke
                    beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening.</al><al>Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
                    waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord,
                    maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Dit niveau zou
                    bij woonvoorzieningen omschreven kunnen worden als de norm die in het
                    Bouwbesluit gangbaar is. Alleen in die gevallen dat bij voorbeeld vanuit
                    welstandtoezicht hogere eisen worden gesteld, kan de gemeente hier een
                    uitzondering op maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten afspraken
                    gemaakt worden.</al><al>Het is uiteraard wel mogelijk een voorziening te verstrekken die duurder is dan
                    de goedkoopst-adequate voorziening, mits de gehandicapte bereid is het
                    prijsverschil voor eigen rekening te houden.</al><al/><al/><al>Lid 3 van artikel 1.2 geeft drie situaties weer waarin geen voorziening wordt
                    toegekend.</al><al/><al><cursief>1.2 lid 3, aanhef en onder a: algemeen gebruikelijk </cursief></al><al>Zie hieromtrent de toelichting op artikel 1.1 aanhef en onder q.</al><al/><al><cursief>1.2 lid 3, aanhef en onder b: aanspraken via andere
                        regelingen</cursief></al><al>Onder b wordt bij artikel 1.2 lid 3 aangegeven dat deze voorzieningen niet
                    worden verstrekt indien er een andere wettelijke regeling bestaat, op grond
                    waarvan men aanspraak kan maken op de aangevraagde voorziening. Hetzelfde geldt
                    voor het geval waarin de gehandicapte aanspraak heeft op de voorziening op grond
                    van een privaatrechtelijke verbintenis (bijvoorbeeld een schadevergoeding door
                    een verzekeraar).</al><al/><al><cursief>1.2 lid 3, aanhef en onder c: aard van de materialen</cursief></al><al>Het opheffen van allergene factoren of andere problemen die hun oorzaak vinden
                    in de aard van de in of aan de woonruimte gebruikte materialen valt niet onder
                    de werking van de verordening. Ook hoeft geen woonvoorziening te worden
                    verstrekt indien de klachten die de gehandicapte ervaart niet voortvloeien uit
                    de aard van de gebruikte materialen in of aan de woning maar uit de door de
                    ziekte of gebrek veroorzaakte overgevoeligheid voor deze materialen. Een
                    uitzondering op het voorgaande is indien er sprake is van niet voorziene,
                    onverwacht optredende meerkosten waarvoor de gehandicapte niet heeft kunnen
                    reserveren. Een voorbeeld hiervan is dat uit een medisch onderzoek plotseling
                    blijkt dat de gehandicapte lijdt aan een ziekte of gebrek (bijvoorbeeld CARA)
                    waardoor de gehandicapte zijn woning dient te saneren. Dergelijke
                    woonvoorzieningen worden in deze verordening als roerende woonvoorziening
                    aangemerkt (artikel 2.1 aanhef en onder 1 sub c).</al><al>Verder dient te worden vermeld dat indien de ondervonden belemmeringen het
                    gevolg zijn van achterstallig onderhoud, vocht en tocht veroorzaakt door in de
                    woning gelegen factoren de kosten van het opheffen van deze belemmeringen ook
                    niet onder de werking van deze verordening vallen. De woningeigenaar dient op
                    grond van artikel 12 lid 2 van het Besluit beheer sociale huursector te zorgen
                    dat lichamelijke gehandicapten voor wie hun woongelegenheden niet passend zijn
                    volgens redelijke wensen kunnen worden gehuisvest. Met andere woorden de
                    (sociale) woningeigenaar dient zijn woning deugdelijk te onderhouden. Alleen in
                    die situaties dat de gehandicapte met een inkomen op het sociaal minimum te
                    maken heeft met een woningeigenaar die weigert tot onderhoud/aanpassing over te
                    gaan, desnoods tegen een huurverhoging kan er sprake zijn van zorgplicht.</al><al><vet>Artikel 1.3 - Financiële tegemoetkomingen</vet></al><al>De regels met betrekking tot het vaststellen van de hoogte van financiële
                    vergoedingen en - in het voorkomende geval - van de eigen bijdrage zijn
                    opgenomen in het door burgemeester en wethouders vast te stellen Besluit nadere
                    regels verordening voorzieningen gehandicapten.</al><al><vet>Artikel 1.4 - Besluitvorming, nadere regels en nadere
                    voorwaarden</vet></al><al>Lid 1 van artikel 1.4 geeft nog eens ondubbelzinnig aan dat de uitvoering van de
                    verordening wordt opgedragen aan burgemeester en wethouders.</al><al>Lid 2 geeft burgemeester en wethouders de expliciete opdracht tot het
                    vaststellen van het Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                    gehandicapten. Deze opdracht behelst tevens de periodieke aanpassing (jaarlijks
                    per 1 januari) van de in het besluit opgenomen bedragen aan de prijsindexcijfers
                    van het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al><al><cursief>Hoofdstuk 2 - Woonvoorzieningen </cursief></al><al><cursief>Paragraaf 1 - Algemene omschrijving</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1 - Type woonvoorzieningen</vet></al><al><cursief>2.1 aanhef en onder 1 sub a: verhuis- en
                    inrichtingskosten</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken
                    in de verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste
                    of een goedkoper dan de reeds bewoonde woonruimte aan te passen woning. De
                    gemeente maakt de afweging of zij een tegemoetkoming in de verhuiskosten wil
                    geven of dat de woning van de gehandicapte aangepast moet worden. Indien
                    aangepaste of aanpasbare woningen beschikbaar zijn kan uit
                    doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven worden aan verhuizen boven
                    aanpassen van de huidige woonruimte van de gehandicapte. Bij de uiteindelijke
                    keuze van de te verstrekken voorziening wordt een afweging gemaakt tussen de
                    kosten van het verhuizen versus het aanpassen van de huidige woonruimte. Tevens
                    moet bij de afweging verhuizen of aanpassen rekening gehouden worden met de
                    sociale omstandigheden waarin de gehandicapte zich bevindt zoals de aanwezigheid
                    van mantelzorg.</al><al>Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt
                    gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente. Het registreren van
                    aangepaste woningen kan hierbij een hulpmiddel zijn. Om zo doelmatig mogelijk
                    met de aangepaste voorraad woningen om te kunnen gaan kan het wenselijk zijn dat
                    indien de band tussen gehandicapte en woning is verbroken (bijvoorbeeld door
                    overlijden van de gehandicapte) deze woning opnieuw aan een andere gehandicapte
                    wordt toegewezen. In dat geval zullen de achterblijvende huurders worden
                    verzocht naar een andere woonruimte te verhuizen.</al><al>Het verlenen van een verhuiskostenvergoeding kan als stimuleringsmaatregel
                    gezien worden. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om een financiële
                    tegemoetkoming of een forfaitaire, dan wel gemaximeerde vergoeding te
                    verstrekken ten behoeve van het vrijmaken van een aangepaste woning. Als
                    burgemeester en wethouders de achterblijvende gezinsleden verzoeken om de woning
                    vrij te maken kunnen zij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming of
                    vergoeding in een deel van de verhuiskosten.</al><al>Er kunnen verschillende redenen zijn op grond waarvan de gemeente besluit om het
                    vrijkomen van een woning te stimuleren door het verstrekken van een
                    verhuiskostenvergoeding. Hierbij kan gedacht worden aan de hoogte van eerder
                    gemaakte investeringskosten van de vrij te maken woning, bijvoorbeeld indien de
                    woning voor een door burgemeester en wethouders te bepalen bedrag in het
                    verleden is aangepast. Een andere reden voor het verstrekken van een
                    verhuiskostenvergoeding kan zijn dat daarmee voorkomen wordt dat een woning voor
                    meer dan een soortgelijk bedrag dient te worden aangepast. Afhankelijk van de
                    situatie kunnen burgemeester en wethouders in uitzonderlijke gevallen de hoogte
                    van de tegemoetkoming laten afhangen van de concrete situatie. Het instrument
                    wordt immers als stimulans aangewend om de medewerking van huurders te krijgen
                    bij het vrijmaken van de woning voor een gehandicapte.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat wanneer een woning wordt vrijgemaakt, er twee maal
                    een vergoeding voor verhuizing en inrichting kan worden verstrekt: allereerst
                    aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan de gehandicapte die naar de
                    vrijgemaakte woning verhuist. De totaalkosten hiervan zullen een onderdeel
                    uitmaken van de afweging of er een tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekt
                    zal worden dan wel een woning aangepast moet worden.</al><al>Een financiële tegemoetkoming voor de kosten van verhuizing en inrichting wordt
                    uitbetaald aan de hoofdbewoner van de woonruimte.</al><al/><al><cursief>2.1 aanhef en onder 1 sub b: woningaanpassingen</cursief></al><al/><al>Bij een tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing gaat het om bouwkundige
                    (onroerende) woningaanpassingen die de ergonomische beperkingen van de
                    gehandicapte wegnemen of gedeeltelijk wegnemen. In het Besluit nadere regels
                    verordening voorzieningen gehandicapten worden door burgemeester en wethouders
                    de kosten(soorten) vastgesteld die in aanmerking komen voor vergoeding.</al><al>Een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing wordt uitbetaald
                    aan de eigenaar van de woonruimte.</al><al/><al><cursief>2.1 aanhef en onder 1 sub c: roerende woonvoorzieningen</cursief></al><al>Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouwkundige
                    of woontechnische aard zal in de praktijk met name een financiële tegemoetkoming
                    voor woningsanering in verband met CARA en/of een aangetoonde allergie of het
                    verstrekken van rolstoeltapijten verstaan worden. Ook kunnen onder deze
                    categorie hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen worden begrepen welke niet
                    nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede tilliften. Deze laatste twee
                    categorieën woonvoorzieningen van bouwkundige of woontechnische aard kunnen ook
                    in de vorm van een voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in
                    bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk is.</al><al>Indien de gemeente voor woonvoorzieningen van bouwkundige of woontechnische aard
                    financiële tegemoetkomingen verstrekt, wordt daarbij aangegeven welke
                    voorzieningen hiervoor gekocht moeten worden.</al><al>Een financiële tegemoetkoming in de kosten van woonvoorzieningen van
                    niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard wordt uitbetaald aan de
                    hoofdbewoner van de woonruimte of de leverancier van de voorziening.</al><al>Ten aanzien van tilliften geldt op grond van rechtbankjurisprudentie (Rb.
                    Utrecht, 20-12-1995) dat de verstrekking hiervan tot de gemeentelijke zorgplicht
                    behoort. Weliswaar kan er soms op grond van arbowetgeving recht op een tillift
                    bestaan doch deze wetgeving ziet op de verhouding werknemer-werkgever. De
                    gehandicapte kan daar dus geen rechten aan ontlenen.</al><al/><al><cursief>Uitraasruimte</cursief></al><al>Sinds 1 april 2000 valt op grond van een wijziging van artikel 1 onder c WVG ook
                    een uitraasruimte onder de gemeentelijke WVG-zorgplicht. In de verordening is
                    dit tot uitdrukking gebracht in de omschrijving van het begrip woningaanpassing
                    in artikel 1.1 aanhef onder g. Het is derhalve niet nodig om de uitraasruimte
                    als aparte voorziening te benoemen in artikel 2.1 lid 1.</al><al/><al><cursief>2.1 aanhef en onder 2</cursief></al><al>Woonvoorzieningen kunnen ook in natura worden verstrekt. Daarbij moet vooral
                    worden geacht aan woningaanpassingen en woonvoorzieningen van niet-bouwkundige
                    en niet-woontechnische aard. Burgemeester en wethouders bepalen de vorm van een
                    woonvoorziening in natura: bruikleen of eigendom.</al><al>Als een voorziening in natura kan worden verstrekt een zogeheten WAP-unit
                    (woningaanpassingsunit). Dit is een min of meer geprefabriceerde ruimte die aan
                    de bestaande woning kan worden verbonden. In het geval van een ingrijpende (en
                    dus dure) woningaanpassing zal het plaatsten van een dergelijke unit de
                    goedkoopst adequate voorziening vormen in vergelijking met een financiële
                    tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing. De units kunnen immers,
                    nadat de noodzaak daarvan is komen te vervallen wegens bijvoorbeeld verhuizing
                    naar een andere gemeente of wegens overlijden van de betrokken gehandicapte,
                    worden aangewend voor gebruik ten behoeve van een andere gehandicapte.</al><al><vet>Artikel 2.2 - Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling financiële
                        tegemoetkoming</vet></al><al>In dit artikel wordt onder meer geregeld dat de woningaanpassing direct na
                    voltooiing van de werkzaamheden wordt gereedgemeld. De reden voor het opnemen
                    van deze bepaling is om te voorkomen dat onnodig lang een verplichting tot
                    uitbetaling van subsidie blijft openstaan.</al><al>De gereedmelding vindt plaats door degene aan wie de financiële tegemoetkoming
                    wordt uitbetaald en niet door de gehandicapte. Hiervoor is gekozen omdat degene
                    die de financiële tegemoetkoming ontvangt niet altijd de gehandicapte is. Indien
                    dat het geval is heeft de gehandicapte, of zijn gemachtigde, geen belang bij de
                    gereedmelding en zou de begunstigde de dupe kunnen worden.</al><al>De gereedmelding dient binnen een termijn van 15 maanden na het verlenen van de
                    financiële tegemoetkoming plaats te vinden, dit om te voorkomen dat het treffen
                    van de voorziening te lang op zich laat wachten.</al><al>De gemeente controleert of aan de voorwaarden bij het verlenen van de subsidie
                    is voldaan. Om te voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk moet worden
                    gecontroleerd is er voor gekozen om een verklaring te vragen. Indien later
                    alsnog zou blijken dat niet aan alle voorwaarden is voldaan kan de subsidie
                    alsnog worden ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd.</al><al>De termijn van vijf jaar bedoeld in het vierde lid sluit aan op de normaal
                    geldende verjaringstermijn. Binnen vijf jaar is het mogelijk om subsidies,
                    belastingen etc. terug te vorderen.</al><al><vet>Artikel 2.3 - Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt
                        verstrekt</vet></al><al>Woonvoorzieningen worden alleen verstrekt als die betrekking hebben op
                    woonruimten die op grond van de Huursubsidiewet als zelfstandige woonruimten
                    aangemerkt worden. Een uitzondering op deze regel geldt ten aanzien van
                    woonwagens als bedoeld in de Woningwet. Hiervoor kent de verordening aparte
                    regels.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 - Het recht op een woonvoorziening</cursief></al><al>In de wet wordt het begrip woonvoorziening omschreven; daarbij wordt aangegeven
                    dat het alleen gaat om het opheffen van (ergonomische) beperkin­gen die het
                    normale gebruik van de woning omvatten. Het gaat hierbij om de normale
                    (elementaire) woonfuncties zoals slapen, eten en lichaamsreiniging. Het
                    gebruiken van een hobby-, werk- of recreatieruimte valt niet onder de zorgplicht
                    van de gemeente. Evenmin als het treffen van een voorziening uit oppas- of
                    verzorgingsoogpunt.</al><al><vet>Artikel 2.4 - Het primaat van de verhuizing</vet></al><al>De manier waarop de woonvoorzieningen hier zijn gegroepeerd geeft een beperkte
                    rangorde aan. Deze geldt ongeacht de vorm waarin de woonvoorzieningen worden
                    verstrekt (financiële tegemoetkoming of natura).</al><al>Primair zal gekeken worden of verhuizing mogelijk en zinvol is. Dat wil zeggen
                    dat een geschikte woning beschikbaar is of op korte termijn beschik­baar komt.
                    Onder geschikte woning dient hier begrepen te worden een woning die met
                    betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan worden.</al><al>Is geen geschikte woning beschikbaar dan kunnen burgemeester en wethouders
                    besluiten één van de andere voorzieningen te verstrekken. Overigens kunnen
                    hierbij ook andere omstandighe­den een rol spelen, zoals de mogelijkheid van de
                    gehandicapte te verhuizen, opgebouwde mantelzorg etc. Indien de gemeen­te, nadat
                    alle factoren in de overweging zijn meegenomen, tot de conclusie komt dat
                    verhuizing de goedkoopst, adequate oplos­sing is, dan heeft bij het verstrekken
                    van de woonvoorziening de vergoeding voor verhuis- en (her)in­richtingskosten
                    het primaat.</al><al/><al>Uit lid 4 blijkt dat het ook mogelijk is om een combinatie van woonvoorzieningen
                    te verstrekken. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het verstrekken van financiële
                    tegemoetkomingen voor zowel verhuizing en inrichting als voor een beperkte
                    woningaanpassing. Uiteraard geldt als voorwaarde voor een combinatie van
                    voorzieningen dat dit de goedkoopst adequate oplossing is. Daarnaast geldt dat
                    een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing als onderdeel
                    van een combinatie van woonvoorzieningen slechts wordt verstrekt indien de
                    woningaanpassing is gericht op het opheffen of verminderen van ergonomische
                    beperkingen.</al><al/><al>Lid 5 biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in het Besluit nadere
                    regels situaties te benoemen waarin zij kunnen afwijken van de in dit artikel
                    neergelegde rangorde van woonvoorzieningen. Ter uitvoering hiervan kunnen
                    burgemeester en wethouders bijvoorbeeld nadere voorwaarden stellen aan de
                    toepassing van het primaat van de verhuizing. Wanneer niet aan deze voorwaarden
                    is voldaan, vindt dit primaat geen toepassing en zal bijvoorbeeld een financiële
                    tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing worden toegekend.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 - Voorwaarden bij verlening van
                    woonvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.5 - Hoofdverblijf en bezoekbaar maken woning</vet></al><al>In principe is de verlening van woonvoorzieningen alleen mogelijk indien de
                    gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in de woning waaraan de voorzieningen
                    worden getroffen. Een uitzondering kan gemaakt worden als de gehandicapte zijn
                    hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een bepaalde woning
                    bezoekt. Het is dan mogelijk voorzieningen te verstrekken ten behoeve van het
                    aanpassen van één woonruimte waar de gehandi­capte vaak verblijft, uiteraard met
                    toestemming van de eige­naar van die woonruimte. De te verlenen woonvoorziening
                    beperkt zich slechts tot het bezoekbaar maken van die woning omdat de
                    gehandicapte daar slechts geringe tijd verblijft. Uit
                    doelma­tig­heidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen volledige maar
                    een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt.</al><al>Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt verstaan dat de gehandicapte de
                    woonkamer en één toilet kan bereiken en gebrui­ken. Volgens vaste jurisprudentie
                    van de CRvB kan een gemeente ten aanzien van bezoekbaar maken nooit gedwongen
                    worden meer dan het limitatief opgesomde te verstrekken of de hardheidsclausule
                    te gebruiken.</al><al>Het vierde lid bepaalt dat de aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar
                    de bezoekbaar te maken woning staat. Deze bepaling wordt opgenomen omdat de
                    gehandicapte anders in de gemeente waar hij zijn hoofdverblijf heeft de aanvraag
                    zou indienen.</al><al>Op grond van het vijfde lid is het totaal van de te verstrekken financiële
                    tegemoetkomingen voor het bezoekbaar maken gebonden aan een maximum bedrag. Dit
                    wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld in Besluit nadere regels
                    verordening voorzieningen gehandicapten. Het vaststellen van een maximum bedrag
                    voorkomt dat bij bezoekbaar maken dure aanpassingen aangebracht moeten worden
                    terwijl in andere omstandigheden het primaat van de verhuizing gebruikt zou
                    zijn.</al><al>In het geval dat de ouders van de gehandicapte ieder in een afzonderlijke woning
                    binnen de gemeentegrenzen wonen als gevolg van echtscheiding, wordt die woning
                    aangepast die door de gehandicapte het meest bezocht wordt.</al><al>Omdat het bezoekbaar maken als voorziening buiten de directe werkingssfeer van
                    de wet valt kan de verhuurder niet gedwongen worden (via aanschrijving) om de
                    woning aan te passen.</al><al><vet>Artikel 2.6 - Weigeringsgronden woonvoorzieningen </vet></al><al>Voor alle WVG-voorzieningen geldt als uitgangspunt dat deze slechts worden
                    verstrekt indien ze noodzakelijk zijn. Er bestaat dus geen recht op
                    woonvoorzieningen indien er uit het oogpunt van de handicap geen noodzaak voor
                    de verhuizing bestond. Met andere woorden: verhuizing vanuit een voor de
                    gehandicapte geschikte woning kan niet leiden tot de verstrekking van
                    WVG-voorzieningen. Dit is evenwel anders indien er een belangrijke reden voor de
                    verhuizing bestaat. Onder belangrijke reden kan worden verstaan: verhuizen op
                    basis van het aanvaarden van een werkkring elders, op basis van een
                    echtscheiding, of vanwege het bestaan van een nieuwe duurzame vorm van
                    samenleven.</al><al>Er bestaat eveneens geen recht op woonvoorzieningen als de gehandicapte niet is
                    verhuisd naar de op het moment van de verhuizing meest geschikte woning.</al><al>Uit de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de daarop gebaseerde
                    jurisprudentie volgt dat de uitsluitingsgronden buiten toepassing blijven indien
                    er sprake is van gewijzigde omstandigheden.</al><al>Een aantal algemene weigeringsgronden is opgenomen in artikel 5.2.</al><al><vet>Artikel 2.7 - Duidelijkheid over financiering van niet-gesubsidieerde deel
                        van de kosten</vet></al><al>Indien er geen duidelijkheid bestaat over de wijze van finan­ciering van het
                    niet door subsidie gedekte deel van de voor­ziening staat het niet vast dat de
                    voorziening daadwerkelijk getroffen kan worden. Het mag duidelijk zijn dat er in
                    dat geval geen subsidie wordt verleend.</al><al>Dit artikel ziet vooral op de situatie waarin de gehandicapte duurdere
                    voorzieningen wenst dan goedkoopst adequaat. In dat geval zal hij zelf de
                    meerprijs moeten voldoen en de financiering voor de extra kosten moeten
                    regelen.</al><al><cursief>Paragraaf 4 - Beperking in de verlening van
                    woonvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.8 - Het verwerven van grond</vet></al><al>Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het groter
                    bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft kan de gemeente een financiële
                    tegemoetkoming verlenen in de kosten van het verwerven van extra grond die
                    noodzake­lijk is om de woningaanpassing te realiseren. Uiteraard wordt geen
                    financiële tegemoetkoming verstrekt indien de extra te verwerven grond als tuin
                    of iets dergelijks wordt benut. Alleen de grond die noodzakelijk is voor de
                    woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor een financiële
                    tegemoetkoming, waarbij een maximum aantal vierkante meters wordt gehanteerd
                    voor de verschillende vertrekken conform hetgeen burgemeester en wethouders
                    bepalen in het Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                    gehandicapten.</al><al><vet>Artikel 2.9 - Woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten</vet></al><al>De gemeenschappelijke ruimten zullen voornamelijk entrees en portieken van
                    woongebouwen betreffen. Daarbij zal het vooral gaan om het verbreden van
                    toegangsdeuren, het aanbrengen van elektrische deuropeners, de aanleg van een
                    hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot de woning, drempel­hul­pen
                    en vlonders, het aanbrengen van een extra trapleuning, een opstel­plaats voor
                    een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het
                    woongebouw.</al><al>Het primaat van de verhuizing zoals dat is neergelegd in artikel 2.4 geldt
                    onverkort bij de toepassing van dit artikel. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden
                    dat indien het nodig is om een traplift aan te brengen in een gemeenschappelijke
                    ruimte een verhuizing naar een andere woning de goedkoopst adequate oplossing
                    kan zijn. Gelet op de toelichting bij artikel 2.4 spelen ten aanzien van het al
                    dan niet toepassen van het primaat van de verhuizing niet alleen financiële
                    aspecten een rol.</al><al><vet>Artikel 2.10 - Beperking zeer dure woningaanpassingen</vet></al><al>Dit artikel geeft gevolg aan de wettelijke plicht om in de verordening te
                    bepalen dat woonvoorzieningen waarvan de kosten meer bedragen dan € 45.378 in
                    beginsel niet worden verleend.</al><al><cursief>Paragraaf 5 - Aanpassingen van woonwagens</cursief></al><al><vet>Artikel 2.11 - Woonwagen</vet></al><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin voorzieningen aan woonwagens kunnen
                    worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Gezien de
                    kenmerken van deze woonruimten is het echter nodig enkele nadere voorwaar­den te
                    stellen.</al><al><vet>Artikel 2.12 - Woonschip</vet></al><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin voorzieningen aan woonschepen kunnen
                    worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Gezien de
                    kenmerken van deze woonruimten is het echter nodig enkele nadere voorwaar­den te
                    stellen.</al><al><vet>Artikel 2.13 - Technische levensduur woonwagen en woonschip</vet></al><al>Indien niet aan de eisen zoals vermeld in artikel 2.14 en 2.15 kan worden
                    voldaan, kan er geen uitgebreide aanpassing meer worden gesubsidieerd. Om de
                    beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk aan te wenden wordt er door
                    burgemeester en wethouders in het Besluit nadere regels verordening
                    voorzieningen gehandicapten een bovengrens vastgesteld voor de hoogte van de in
                    deze gevallen te verlenen financiële tegemoetkoming.</al><al><vet>Artikel 2.14 - Binnenschip</vet></al><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin voorzieningen aan binnenschepen kunnen
                    worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Gezien de
                    kenmerken van deze woonruimten is het echter nodig enkele nadere voorwaar­den te
                    stellen.</al><al><cursief>Paragraaf 6 - Verhuis- en (her)inrichtingskosten</cursief></al><al><vet>Artikel 2.15 - Financiële tegemoetkoming in verhuis- en
                        inrichtingskosten</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tege­moetkoming, een
                    forfaitaire of gemaximeerde vergoeding in de verhuis- en inrichtingskosten
                    verstrekken aan een gehandicapte die naar een ge­schikte (aangepaste) of een
                    goedkoper dan de huidige woonruimte aan te passen woonruimte is verhuisd.
                    Burgemeester en wethouders kunnen ook aan een niet-gehandicap­te persoon een
                    dergelijke woonvoorziening verstrekken indien op deze wijze een aangepaste of
                    geschikte woonruimte vrij komt voor een gehandicap­te. De tegemoetkoming of de
                    vergoeding van een deel van de verhuis- en inrichtingskosten dient ter
                    stimulering van het vrijmaken van de woning.</al><al>Gehandicapten staan soms jaren op een wachtlijst voordat zij een woning in een
                    ADL-cluster toegewezen krijgen (ADL staat voor: algemene dagelijkse
                    levensverrichtingen). De gehandicapte woont in dat geval geduren­de langere tijd
                    in een geschikte, adequate woning. Ten einde de drempel om naar een ADL-woning
                    te verhuizen niet te groot te maken, wordt voor deze situatie een uitzondering
                    in de verordening gemaakt.</al><al><cursief>Paragraaf 7 - Facultatieve woonvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.16 - Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                    reparatie</vet></al><al>Alleen van bepaalde voorzieningen (genoemd in het door burgemeester en
                    wethouders vast te stellen Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                    gehandicapten) komen de kosten van onderhoud, keuring en reparatie in
                    aanmer­king voor een vergoeding. De maximale hoogte van deze vergoe­ding staat
                    vermeld in het Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                    gehandicapten.</al><al><vet>Artikel 2.17 - Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</vet></al><al>In die gevallen waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de
                    voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk
                    naar een andere woonruimte moet uitwijken, en in die gevallen waarin de
                    gehandicapte tijdens het aanbrengen van de voorzieningen in de nieuwe woning nog
                    in de te verlaten woning moet blijven wonen of tijdelijk naar een andere
                    woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat hij noodzakelijkerwijs
                    dubbele woonkosten heeft, een vergoeding in de dubbele woonlasten worden
                    verstrekt. Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden
                    van de gehandicapte ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht
                    moeten worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke
                    huisvesting worden overgegaan.</al><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële tegemoetkoming in de
                    kosten van huisvesting als de gehandicapte redelijkerwijs niet kan voorzien dat
                    hij deze dubbele woonlasten heeft. De tegemoetkoming heeft betrekking op kosten
                    die gemaakt worden in verband met het tijdelijk betrekken van een zelfstandige
                    woonruimte, het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte of het
                    langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit nadere regels de maximale duur
                    van de periode bepalen gedurende welke een tegemoetkoming in de kosten van
                    tijdelijke huisvesting kan worden verstrekt.</al><al><vet>Artikel 2.18 - Huurderving</vet></al><al>Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                    huurinkomsten te verlenen kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor gehandicapten. De duur van de tege­moetkoming kan
                    afhankelijk gesteld worden van de situatie ter plekke.</al><al>Op grond van het derde lid kunnen burgemeester en wethouders in het Besluit
                    nadere regels de maximale duur van de periode bepalen gedurende welke een
                    financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving kan worden verstrekt. Op
                    grond van het derde lid kunnen burgemeester en wethouders in het Besluit nadere
                    regels eveneens bepalen dat gedurende een zekere periode aansluitend aan de
                    datum waarop de gelding van de huurovereenkomst is verstreken geen financiële
                    tegemoetkoming voor huurderving wordt verstrekt. Deze bevoegdheid is
                    burgemeester en wethouders verleend omdat in de exploitatie van een woning
                    rekening wordt gehouden met een bepaald percentage huurderving. Het is daarom
                    dan ook te verantwoorden dat het normale risico van leegstand voor rekening en
                    risico van de verhuurder blijven.</al><al/><al>Om te voorkomen dat de gemeente gehouden is ook bij kleine woningaanpassingen
                    een financiële tegemoetkoming voor huurderving te verstrekken is in het tweede
                    lid bepaald dat b en w in het Besluit nadere regels een ondergrens kunnen
                    vastleggen. Voor woningen waarvoor de aanpassingskosten minder hebben bedragen
                    dan het in het Besluit nadere regels genoemde bedrag kan dan geen tegemoetkoming
                    voor huurderving worden verleend.</al><al><cursief>Paragraaf 8 - Afschrijving woningaanpassingen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.19 - Afschrijving woningaanpassingen</vet></al><al>Dit artikel heeft een tweeledige functie. In de eerste plaats is het bedoeld om
                    te voorkomen dat bij verkoop van de woning de waardestijging die het gevolg is
                    van een dure woningaanpassing volledig ten goede komt aan de woningeigenaar. In
                    de tweede plaats voorkomt het kapitaalvernietiging. Indien de gehandicapte
                    zonder gegronde reden binnen tien jaar verhuist dan kan dit leiden tot
                    kapitaalvernietiging. Het is niet meer dan redelijk om de gehandicapte hier
                    gedeeltelijk voor aan te spreken.</al><al>Een en ander is uitgewerkt door de woningeigenaar bij verkoop te verplichten tot
                    terugbetaling van de aanpassingskosten verminderd met de afschrijving. Daarbij
                    geldt een lineaire afschrijving over een termijn van 10 jaar, zodat het terug te
                    betalen bedrag jaarlijks met 10 procent daalt. Uit oogpunt van rechtsgelijkheid
                    is het bedrag genoemd in het Besluit nadere regels vrijgelaten. De regeling
                    geldt immers niet voor woningaanpassingen beneden dit bedrag.</al><al>Ter illustratie van de toepassing van de afschrijvingsregeling het volgende
                    voorbeeld, waarbij wordt uitgegaan van het in het Besluit nadere regels genoemde
                    bedrag van f 25.000,-- (€ 11.344,51). Indien een woning is aangepast voor f
                    75.000,-- (€ 34.033,52) en de eigenaar verkoopt deze woning na vijf jaar, dan
                    dient hij 50 procent van de aanpassingskosten minus f 25.000,-- (€ 11.344,51)
                    terug te betalen. Dit percentage is berekend door de totale aanpassingskosten na
                    aftrek van f 25.000,-- (€ 11.344,51) te stellen op 100 procent en dit te
                    verminderen met een afschrijving van 50 procent (5 jaar maal 10 procent). De
                    berekening luidt als volgt: f 75.000,-- (€ 34.033,52) minus f 25.000,-- (€
                    11.344,51) = f 50.000,-- (€ 22.689,01) x 50% = f 25.000,-- (€ 11.344,51)</al><al>De termijn van tien jaar ligt ruim beneden de in de bouwwereld algemeen
                    gebruikelijke afschrijvingstermijn van (afhankelijk van het soort bouwwerk) 12
                    tot 20 jaar.</al><al>Het vijfde lid benadrukt dat indien de toepassing van dit artikel zou leiden tot
                    onbillijkheden, burgemeester en wethouders hiervan af kunnen wijken door
                    toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 7.1. Denk aan situaties
                    waarin de waardestijging van de woning aantoonbaar minder bedraagt dan de
                    aanpassingskosten of waarin er aanleiding is tot versnelde afschrijving.</al><al><cursief>Hoofdstuk 3 - Vervoersvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 3.1 - Algemene omschrijving vervoersvoorzieningen</vet></al><al>Dit artikel geeft een overzicht van alle mogelijke vervoersvoorzieningen die op
                    grond van deze verordening verstrekt kunnen worden. Artikel 3.2 bepaalt welk van
                    de voorzieningen het primaat heeft en in hoeverre er combinaties mogelijk zijn
                    van verschillende vervoersvoorzieningen. Aan de volgorde waarin de verschillende
                    soorten voorzieningen in artikel 3.1 worden genoemd kunnen dus geen rechten
                    worden ontleend.</al><al>De (eventuele) onderhoudskosten met betrekking tot vervoersvoorzieningen dienen
                    te worden voldaan uit de financiële tegemoetkomingen die voor het gebruik
                    hiervan worden verstrekt.</al><al>Op grond van artikel 3.1 aanhef en onder c sub 6 in samenhang met artikel 17,
                    lid 2, van het Besluit nadere regels kan een financiële vergoeding in de kosten
                    van noodzakelijke begeleiding bij het gebruik van het openbaar vervoer worden
                    verleend.</al><al><vet>Artikel 3.2 - Het recht op een vervoersvoorziening</vet></al><al>Lid 1 van artikel 3.2 geeft aan dat een gehandicapte alleen voor een
                    vervoersvoorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer aantoonbare
                    beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek a. het gebruik van het openbaar
                    vervoer of b. het bereiken van dit openbaar vervoer deels onmogelijk maken.</al><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    gehandicapte in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoersystemen
                    bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de gehandicapte in
                    aanmerking komt voor een voorziening terzake. Doordat de streekbus,
                    bijvoorbeeld, voor iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is,
                    heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische problemen (men durft niet
                    in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn daardoor in principe geen
                    indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een adequate voorziening
                    getroffen worden, hetgeen wellicht beter gevonden kan worden in een therapie
                    waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek
                    op te lossen, dan was de problematiek tijdelijk en viel derhalve terecht niet
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten, bij gebrek aan een langdurige
                    noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem niet therapeutisch
                    opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een
                    vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><al/><al>Uit lid 2 volgt dat het primaat ligt bij het collectief vervoer. Slechts indien
                    de gehandicapte hier om medische redenen geen gebruik van kan maken bestaat er
                    recht op een of meer van de vervoersvoorzieningen genoemd in artikel 3.1 aanhef
                    en onder b en c.</al><al/><al>De concrete invulling van het systeem van collectief vervoer is in afzonderlijke
                    besluiten door het gemeentebestuur geregeld. Dit is noodzakelijk om desgewenst
                    ook burgers die geen recht hebben op een vervoersvoorziening op grond van de WVG
                    de mogelijkheid te bieden om gebruik te maken van het systeem van collectief
                    vervoer. In de besluiten die het collectief vervoer regelen zijn onder andere
                    bepalingen opgenomen omtrent het vervoersgebied, de beschikbaarheid, de
                    verschuldigde eigen bijdrage per rit en de voorwaarden voor het meereizen van
                    een begeleider, kinderen en blindengeleide/sociale honden. Voor burgers die geen
                    recht hebben op WVG-vervoers­voorziening­en kunnen hogere tarieven gelden dan
                    voor burgers die hier wel recht op hebben.</al><al/><al>Individuele verstrekkingen kunnen ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt worden. Dit is het geval wanneer het collectief
                    systeem de vervoersbehoefte van de gehandicapte niet volledig dekt of de
                    gehandicapte minder kilometers biedt dan hij met een vervoerskostenvergoeding
                    voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of (bruikleen)auto kan afleggen. Lid 3
                    van artikel 3.2 bepaalt dus dat, ook al is er een collectief vervoerssysteem
                    aanwezig, er in aanvulling daarop individuele vervoersvoorzieningen kunnen
                    worden geboden. Dit geldt voor alle onder b en c genoemde voorzieningen, met
                    uitzondering van de bruikleen-, huur- of leaseauto. Het verstrekken van meerdere
                    voorzieningen is uiteraard alleen aan de orde indien daartoe een medische
                    noodzaak bestaat.</al><al/><al>Lid 4 van artikel 3.2 bepaalt vervolgens dat bij het vaststellen van de hoogte
                    van de vervoerskostenvoorziening rekening wordt gehouden met de individuele
                    vervoersbehoefte en de mate waarin een collectief vervoerssysteem en/of een
                    voorziening in natura in die vervoersbehoefte kan voorzien. Bij het bepalen van
                    de hoogte van de vervoerskostenvergoeding zal dus eerst moeten worden
                    vastgesteld of er sprake is van een uitzonderlijke vervoersbehoefte en
                    vervolgens is dan de vraag aan de orde in welke mate een collectief
                    vervoerssysteem en/of een voorziening in natura in die vervoersbehoefte kan
                    voorzien. Ter bepaling van dit laatste kan worden uitgegaan van algemene
                    richtlijnen die op bepaalde typen vervoersystemen van toepassing zijn of kan
                    worden gekozen voor onderzoek ter plekke. Indien er in individuele gevallen
                    sprake is van een bijzondere vervoersbehoefte kan het van toepassing zijnde
                    normbedrag zowel in bovenwaartse zin als in neerwaartse zin worden
                    bijgesteld.</al><al/><al>Wanneer, zoals lid 5 van artikel 3.2 bepaalt, beide echtgenoten gehandicapt zijn
                    en een vervoersvoorziening behoeven, kan, in het geval dat de behoeften van de
                    echtgenoten samenvallen, volstaan worden met een enkele voorziening. Dit om te
                    voorkomen dat men een vervoerskostenvergoeding krijgt die niet in relatie staat
                    tot vervoerskostenvergoeding die anderen ontvangen.</al><al>Vallen de behoeften niet samen, of slechts ten dele, dan kan twee maal een
                    vervoerskostenvergoeding worden verstrekt tot een bepaald maximum. De hoogte van
                    dit maximum is vastgelegd in het Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                    gehandicapten.</al><al/><al>Zolang of zodra het inkomen van de gehandicapte de grens van 1,5 maal het
                    norminkomen overschrijdt, wordt hem als regel geen vervoersvoorziening toegekend
                    of wordt de hem toegekende vervoersvoorziening ingetrokken. Lid 6 bepaalt dat er
                    boven de inkomensgrens van 1,5 maal het norminkomen geen recht bestaat op
                    collectief vervoer en dat boven deze inkomensgrens geen auto (in natura) wordt
                    verstrekt en lid 9 bepaalt in samenhang met lid 6 dat een eenmaal toegekend
                    recht op collectief vervoer en op een auto (in natura) wordt beëindigd.
                    Uitgangspunt hiervan is dat boven deze inkomensgrens mensen in het algemeen de
                    kosten van een auto of collectief vervoer geacht worden zelf te kunnen betalen.
                    Met andere woorden: boven de genoemde grens is een auto algemeen gebruikelijk.
                    Genoemde beperking geldt ook voor collectief vervoer.</al><al/><al>Voorgaande algemene regel gaat niet op voor de vervoersvoorzieningen, die niet
                    in het zesde lid en niet in het zevende lid worden genoemd. Deze niet in het
                    zesde lid en het zevende lid genoemde voorzieningen worden wél toegekend bij
                    overschrijding van genoemde inkomensgrens en worden ook niet ingetrokken bij
                    overschrijding van meermaals genoemde inkomensgrens (nadat de voorziening reeds
                    is toegekend). Tot dergelijke vervoersvoorzieningen behoort bijvoorbeeld de
                    scootmobiel.</al><al/><al>Ten aanzien van de vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en
                    onder c sub 2 tot en met 5 (financiële tegemoetkomingen) geldt dat bij een
                    inkomen boven de grens van 1,5 maal het norminkomen een lagere financiële
                    tegemoetkoming wordt toegekend dan het volledige normbedrag. Het bedrag van de
                    verlaging van het volledige normbedrag is gelijk aan het bedrag waarmee genoemde
                    grens wordt overschreden. Dit is bepaald in lid 7. Ten aanzien van de situatie
                    dat de gehandicapte uitsluitend gebruik kan maken van een rolstoeltaxi en een
                    inkomen boven de grens van 1,5 maal het norminkomen heeft, geldt deze regel
                    niet, maar geldt de regel die is geformuleerd in lid 8.</al><al>Ten aanzien van de vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en
                    onder c sub 2 tot en met 5 (financiële tegemoetkomingen) bepaalt lid 10 in
                    samenhang met lid 7 dat bij overschrijding van de grens van 1,5 maal het
                    norminkomen - lopende de verstrekking van de financiële tegemoetkoming -verlaagd
                    wordt ten opzichte van het volledige normbedrag met een bedrag dat gelijk is aan
                    het bedrag waarmee genoemde grens wordt overschreden. Het moge duidelijk zijn
                    dat de financiële tegemoetkoming wordt ingetrokken in het geval dat het bedrag
                    waarmee genoemde grens wordt overschreden hoger is dan het bedrag van de norm
                    financiële tegemoetkoming. Ten aanzien van de situatie dat de gehandicapte
                    uitsluitend gebruik kan maken van een rolstoeltaxi en het inkomen - lopende de
                    verstrekking van een financiële tegemoetkoming - de grens van 1,5 maal het
                    norminkomen overschrijdt, geldt deze regel niet, maar geldt het bepaalde in lid
                    10 in samenhang met lid 8.</al><al/><al>Vervoersvoorzieningen in natura zijn in het algemeen behoorlijk duur. Wanneer de
                    gehandicapte aan wie een dergelijke voorziening is verstrekt deze slechts in
                    beperkte mate gebruikt, kan gesteld worden dat de betreffende voorziening niet
                    langer de goedkoopst adequate is. De gemeente kan dan beter een financiële
                    tegemoetkoming verstrekken. De praktijk leert dat dit in veel gevallen ook beter
                    overeenkomt met de wensen van de gehandicapte. Om dit te bewerkstelligen is in
                    lid 11 de bepaling opgenomen dat burgemeester en wethouders de verstrekking van
                    een vervoersvoorziening in natura kunnen weigeren indien de gehandicapte met
                    deze voorziening op jaarbasis minder dan 250 kilometer aflegt. Door middel van
                    beleidsregels kunnen burgemeester en wethouders nader invullen in welke gevallen
                    zij van deze bevoegdheid gebruikmaken. Het werken met beleidsregels betekent dat
                    in individuele gevallen afwijking van het vastgestelde beleid mogelijk is,
                    bijvoorbeeld indien een financiële tegemoetkoming niet adequaat is. Daarnaast is
                    ook hier de in artikel 7.1 opgenomen hardheidsclausule onverkort van
                    toepassing.</al><al/><al>Het twaalfde lid is een weergave van de jurisprudentie van de CRvB met
                    betrekking tot de reikwijdte van vervoersvoorzieningen.</al><al><vet>Artikel 3.3 - Training gesloten buitenwagen en scootmobiel</vet></al><al>Lid 1. Burgemeester en wethouders kunnen indien daartoe aanleiding bestaat een
                    financiële tegemoetkoming verstrekken in de kosten van een training in het
                    gebruik van een gesloten buitenwagen of scootmobiel. Dit is ook mogelijk
                    gedurende een zogenaamde proefplaatsing. In alle gevallen geldt als voorwaarde
                    dat de betreffende voorziening moet zijn toegekend op basis van deze
                    verordening.</al><al>Lid 2. Training kan ook worden geboden door een eerstelijns ergotherapeut. In
                    dat geval komen de kosten in aanmerking voor vergoeding door de
                    ziektekostenverzekeraar. Slechts indien de ergotherapie niet binnen een termijn
                    van twee maanden na aflevering van de scootmobiel of de gesloten buitenwagen kan
                    aanvangen - ondanks de inspanningen van de gehandicapte zoals die zijn
                    omschreven in dit artikel - voorziet dit artikel in de mogelijkheid dat de
                    kosten door de gemeente worden vergoed. De omstandigheid dat de ergotherapie
                    niet kan aanvangen binnen twee maanden na aflevering van de scootmobiel of de
                    gesloten buitenwagen dient een oorzaak te hebben die buiten de invloedsfeer van
                    de gehandicapte ligt. Te denken valt met name aan lange wachttijden.</al><al><cursief>Hoofdstuk 4 - Rolstoelen</cursief></al><al><vet>Artikel 4.1 - Algemene omschrijving</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders een rolstoel kunnen
                    verstrekken voor verplaatsing binnen en/of buiten. 'Rolstoelen' die uitsluitend
                    geschikt zijn voor buitenvervoer zijn per definitie vervoersvoorzieningen
                    (bijvoorbeeld een scootmobiel of een elektrische buitenwagen) en worden dus
                    verder niet onder deze algemene omschrijving van rolstoelen begrepen. Zoals bij
                    de begripsomschrijvingen reeds is aangegeven, valt onder het begrip 'rolstoel'
                    alleen een handbewogen of elektrische rolstoel en geen andere voorzieningen voor
                    het verplaatsen binnenshuis, zoals een trippelstoel. Onder handbewogen
                    rolstoelen kunnen ook verstaan worden een duwwandelwagen of een zelfbeweger. Ook
                    individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de rolstoelverstrekking.
                    Een voorbeeld hiervan is een anti-dekubitus kussen. Vaak zullen aanpassingen
                    tegelijkertijd met de rolstoel worden gerealiseerd. Het kan echter ook voorkomen
                    dat de aanpassingen aan rolstoelen afzonderlijk van de rolstoel worden
                    aangevraagd en verleend.</al><al>Sportrolstoelen, genoemd onder b, vallen wel onder de algemene omschrijving van
                    artikel 4.1.</al><al>Voorts kunnen burgemeester en wethouders een tegemoetkoming in de kosten van
                    onderhoud, gebruik of reparatie en accessoires verlenen.</al><al>Onderhoudskosten die het gevolg zijn van oneigenlijk gebruik van en door de
                    gebruiker aangebrachte ongeoorloofde modificaties aan de rolstoel komen niet
                    voor vergoeding in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4.2 - Het recht op een rolstoel</vet></al><al>In dit artikel is omschreven wanneer een gehandicapte in aanmerking komt voor
                    verstrekking van een rolstoel. De eerste voorwaarde is dat er sprake is van
                    aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek (afgeleid van de
                    begripsomschrij­ving van de gehandicapte). Voorts moet men (om
                    medisch-ergono­misch redenen) in belangrijke mate aangewezen zijn op zittend
                    verplaatsen. Ten slotte moeten andere loophulpmiddelen onvoldoende uitkomst
                    bieden. De noodzaak tot zittend verplaat­sen hoeft niet de gehele dag, maar wel
                    in belangrijke mate, aanwezig te zijn.</al><al>Voorbeelden van "andere wettelijke regelingen" als bedoeld in het eerste lid
                    zijn de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Ziekenfondswet.</al><al>Voor sportrolstoelen kunnen ook gehandicapten in aanmerking komen die in het
                    dagelijkse leven van loophulpen gebruik kunnen maken, maar zonder sportrolstoel
                    niet in staat zijn tot sportbeoefening. Ten aanzien van sportrolstoelen blijft
                    de gemeentelijke zorgplicht op grond van de WVG beperkt tot recreatieve
                    sportbeoefening. De meerkosten voor sportrolstoelen in verband met professionele
                    sportbeoefening komen niet voor vergoeding op grond van de verordening in
                    aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4.3 - Vorm van de verstrekking</vet></al><al>Een rolstoel wordt in principe in bruikleen verstrekt. Voor sportrolstoelen kan
                    in plaats daarvan een afkoop­som, in de vorm van een forfaitaire of gemaximeerde
                    vergoeding, worden verstrekt. Indien burgemeester en wethouders hiervoor kiezen
                    dan bepalen zij in het Besluit nadere regels verordening voorzieningen
                    gehandicapten de hoogte van de vergoeding.</al><al><vet>Artikel 4.4 - Training elektrische rolstoel</vet></al><al>Lid 1. Burgemeester en wethouders kunnen indien daartoe aanleiding bestaat een
                    financiële tegemoetkoming verstrekken in de kosten van een training in het
                    gebruik van een elektrische rolstoel. Dit is ook mogelijk gedurende een
                    zogenaamde proefplaatsing. In alle gevallen geldt als voorwaarde dat de
                    elektrische rolstoel moet zijn toegekend op basis van deze verordening.</al><al>Lid 2. Training kan ook worden geboden door een eerstelijns ergotherapeut. In
                    dat geval komen de kosten in aanmerking voor vergoeding door de
                    ziektekostenverzekeraar. Slechts indien de ergotherapie niet binnen een termijn
                    van twee maanden na aflevering van de elektrische rolstoel kan aanvangen -
                    ondanks de inspanningen van de gehandicapte zoals die zijn omschreven in dit
                    artikel - voorziet dit artikel in de mogelijkheid dat de kosten door de gemeente
                    worden vergoed. De omstandigheid dat de ergotherapie niet kan aanvangen binnen
                    twee maanden na aflevering van de elektrische rolstoel dient een oorzaak te
                    hebben die buiten de invloedsfeer van de gehandicapte ligt. Te denken valt met
                    name aan lange wachttijden.</al><al/><al><vet>Afdeling II - Procedures</vet></al><al><cursief>Hoofdstuk 5 - Het verkrijgen van een voorziening</cursief></al><al>De aanvraagprocedure wordt in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregeld, met
                    name in hoofdstuk 3, Algemene bepalingen over besluiten, en hoofdstuk 4,
                    Bijzondere bepalingen over besluiten.</al><al>Al hetgeen in de Awb is geregeld, hoeft niet meer in de verordening te worden
                    geregeld. Vandaar dat het procedurele deel van de -verordening zeer beperkt kan
                    blijven.</al><al><vet>Artikel 5.1 - Aanvraagprocedure</vet></al><al>Wie een aanvraag in kan dienen en waar dat moet gebeuren kan ook nog verwarring
                    opleveren. De aanvraag kan uiteraard ingediend worden door de gehandicapte. Maar
                    het is ook moge­lijk dat een ander namens de gehandicapte een aanvraag in­dient.
                    In principe dient men een aanvraag in te dienen bij die gemeente waar men in het
                    bevolkingsregister is ingeschreven. Alleen in de situatie dat men verhuist naar
                    een andere gemeen­te, kan het voorkomen dat men een aanvraag indient bij een
                    gemeente waar men (nog) niet in het bevolkingsregister staat ingeschreven. Zie
                    hieromtrent ook de toelichting op artikel 1.1 aanhef en onder g.</al><al>In het eerste lid van artikel 5.1 is bepaald dat burgemeester en wethouders een
                    instantie kunnen aanwijzen waar de gehandicapte zijn aanvraag moet indienen. Een
                    verplichting om een aanvraag in te moeten dienen bij een ander dan het tot
                    beslissen bevoegde orgaan (burgemeester en wethouders) is mogelijk op grond van
                    artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al>De aanvrager van een beschikking kan aangeven dat zijn gege­vens vertrouwe­lijk
                    ter beschikking worden gesteld. Op grond van artikel 2:5 Awb dienen de gegevens
                    vertrouwelijk te worden behandeld.</al><al>Over wat precies wordt bedoeld met het moment van verstrekken bestaat nog
                    onduidelijkheid. Verstrekking vormt het sluitstuk van de aanvraagprocedu­re. In
                    een aantal gevallen is het van belang om het moment van verstrekken nader te
                    definiëren.</al><al>Wat is het moment waarop de voorziening wordt verstrekt? Is dat het moment
                    waarop de aanvraag wordt ingediend, het moment waarop de beschikking wordt
                    afgegeven of een ander moment?</al><al>Het moment van verstrekken is voor vervoersvoorzieningen en rolstoelen het
                    moment dat de voorziening of de financiële tegemoetkoming daadwerkelijk ter
                    beschikking komt van de gehandicapte. Dat is dus het moment dat deze de
                    voorziening of de beschikking, waarin het bedrag van de financiële
                    tege­moetkoming is vastgesteld, ontvangt. Indien de financiële tegemoetkoming
                    met terugwerkende kracht wordt toegekend, geldt de aanvangsdatum van de
                    vergoedingsperiode als verstrekkings­datum.</al><al>Alle andere momenten zijn slechts onderdeel van de verstrek­kingsprocedure.
                    Tussen de beschikking en de verstrekking kan geruime tijd zitten, bij voorbeeld
                    indien de voorziening aan de eisen van het individu moet worden aangepast.</al><al>Het moment van verstrekken van een woningaanpassing is het moment waarop
                    burgemeester en wethouders de hoogte van de financiële tegemoetkoming hebben
                    vastgesteld en dit meedelen aan degene aan wie de financiële tegemoetkoming
                    wordt uitbe­taald (zie toelichting op artikel 2.2).</al><al><vet>Artikel 5.2 - Algemene gronden voor weigering</vet></al><al>Dit artikel geeft een tweetal algemene gronden voor weige­ring aan (artikel 2.6
                    bevat een aantal specifieke weigeringsgronden met betrekking tot
                    woonvoorzieningen).</al><al>Onder a wordt gedoeld op de situatie dat de gehandicapte een voorziening
                    realiseert voordat deze door burgemeester en wethouders is toegekend. Omdat de
                    gemeente dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het
                    vastgestelde beleid te verstrekken, noch invloed heeft op de te verstrekken
                    soort voorziening, zal in deze situatie de voorziening worden geweigerd.</al><al>Niet eerder dan nadat burgemeester en wethouders een beslis­sing over de
                    aanvraag voor een woningaanpassing hebben genomen mag een aanvang worden gemaakt
                    met de werkzaamheden. Pas op dat moment hebben burgemeester en wethouders alle
                    op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een
                    besluit genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen burgemeester en wethouders
                    als goedkoopst adequate voorziening beschouwen. Burgemeester en wethouders
                    kunnen immers ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de
                    gehandicapte gelegen zijn, zoals een beschikbare aange­paste woning elders,
                    waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzake­lijk is.</al><al>Pas nadat de gemeente een positieve beschikking voor een
                    verhuiskostenver­goeding heeft gegeven, komt een gehandicapte hiervoor in
                    aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een afweging heeft
                    gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de gehandicapte tot verhuizen
                    overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achter­af,
                    nadat de gehandicapte reeds is verhuisd, met een claim voor
                    verhuiskostenvergoe­ding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                    echter nodig zijn dat de gehandicapte snel moet beslissen omdat de woning anders
                    aan een andere woning­zoekende wordt toegewezen. In deze, of andere urgente
                    geval­len, is het verkrijgen van toestemming van de gemeente ook voldoende. Maar
                    in alle gevallen dient de gehandicapte voor de verhuizing schriftelijk
                    toestemming van de gemeente te hebben verkregen.</al><al/><al>Onder b wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd wordt als het
                    gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsge­had,
                    terwijl het de aanvrager te verwijten is dat het middel verloren is gegaan, bij
                    voor­beeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze regeling niet geldt indien de aanvrager geen
                    schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient
                    bekeken te worden of het moge­lijk is deze derde door de gehandicapte hiervoor
                    aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen.</al><al>Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden.</al><al>Indien bij voorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoen­de verzekerd is,
                    dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al><vet>Artikel 5.3 - Bijzondere bepalingen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt in lid 1 dat in de beschikking moet worden vermeld op welke
                    kosten de tegemoetkoming betrekking heeft, indien een financiële tegemoetkoming,
                    dan wel gemaximeerde vergoeding wordt verleend. Door deze vermelding kan worden
                    voorkomen dat later onduidelijkheid blijkt te bestaan over het precieze doel van
                    de tegemoetkoming. Ook maakt deze omschrij­ving de intrekking van een
                    voorziening en de terugvordering daarvan eenvoudiger.</al><al>Lid 2 van artikel 5.3 bepaalt dat in de beschikking geldings­duur,
                    uitke­ringsmaatstaf alsmede toepasselijke voorschriften voor uitbetaling vermeld
                    dienen te worden indien het een periodieke tegemoetkoming betreft. Deze
                    voorschriften hebben primair tot doel een goede motivering te geven voor de
                    beslis­sing. Een tweede doel is om voldoende duidelijkheid te schep­pen bij de
                    gehandicapte wat van hem verwacht wordt. Hiermee kan voorkomen worden dat de
                    situatie ontstaat dat gehandicapte en gemeentebestuur beide een initiatief van
                    de ander afwach­ten, terwijl de gehandicapte actie dient te ondernemen.</al><al>Bij overlijden eindigt de verstrekking van de voorziening op de eerste dag van
                    de maand volgend op de maand waarin de rechthebbende is overleden.</al><al><cursief>Hoofdstuk 6 - Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het
                        college van burgemeester en wethouders</cursief></al><al><vet>Artikel 6.1 - Inlichtingen, onderzoek, advies</vet></al><al>Lid 1 van dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de
                    gehandicapte op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een
                    door burgemeester en wethouders te bepalen plaats en tijdstip en te laten
                    onderzoe­ken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen
                    deskundigen.</al><al>Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.
                    Burgemeester en wethouders mogen dus geen gege­vens (doen) opvragen waarin zij
                    uit andere hoofde geïnteres­seerd zijn.</al><al>Lid 2 geeft aan wanneer burgemeester en wethouders advies dienen te vragen. Uit
                    praktisch oogpunt is ervoor gekozen om de precieze invulling hiervan over te
                    laten aan b en w via het door hen vast te stellen Besluit nadere regels
                    verordening voorzieningen gehandicapten.</al><al/><al>In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer
                    adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben hetgeen een
                    eenduidige vermelding onmogelijk maakt. De WVG vereist vermelding ook niet: de
                    wet noemt: 'de procedure ..., daaronder begrepen het inwinnen van
                    deskundi­genadvies'.</al><al/><al>De eisen, te stellen aan een deskundigenadvies zijn opgenomen in lid 3. Deze
                    eisen zijn ontleend aan de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandi­capten.
                    Daarbij kan het volgende worden aangetekend:</al><al>Onder medische kennis dient verstaan te worden het beoorde­len/interpreteren van
                    de medische situatie en de vertaling van ziekte/stoornis naar beper­king.</al><al>Onder sociale kennis wordt begrepen het inzicht in de gevolgen van de
                    afwezigheid van functies (aanwezigheid van beperkin­gen). De ervaring van de
                    beperking in de leef-, woon- en werksituatie wordt met handicap aangeduid.</al><al>De adviseur moet het vermogen hebben om de beperkingen in de individuele
                    situatie te vertalen naar handicaps. Door kennis te hebben van het indivi­du,
                    zijn omgeving en de rol van het individu hierin, is het mogelijk inzicht te
                    krijgen in de aard en de mate van het probleem. Tevens is het dan reeds mogelijk
                    om een globale vertaalslag te maken naar mogelijke oplossin­gen.</al><al>Onder ergonomische kennis wordt het volgende verstaan. De adviseur dient inzicht
                    te hebben in de aanpassingsmogelijkhe­den van hulpmiddelen aan de mens. Dit
                    vereist kennis over menselijke eigenschappen (anatomie, fysiolo­gie,
                    psychologie) en technische eigenschappen van hulpmiddelen.</al><al>De technische kennis betekent dat een adviseur 'weet' moet hebben van onder
                    andere bouwkundige (on)mo­ge­lijkheden.</al><al>De opgesomde lijst van noodzakelijke kennisgebieden hoeft overigens niet
                    geconcentreerd te zijn in één adviesfunctie.</al><al><vet>Artikel 6.2 - Wijzigingen in de situatie</vet></al><al>Op grond van artikel 6.2 is de gehandicapte die een voorziening heeft ontvangen
                    verplicht wijzigingen die relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling van het
                    (voortduren van het) recht op een voorziening, uit eigen beweging aan
                    burgemeester en wethouders door te geven. Het gaat hier om alle gegevens en
                    feitelijkheden waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van
                    belang zijn, zoals veranderingen in de hoogte van het inkomen als het gaat om
                    inkomensafhankelijke bijdragen, de staat van een in bruikleen verstrekt
                    voorwerp, gewijzigde burgerlijke staat, verhuizing, etc.</al><al><vet>Artikel 6.3 - Intrekking van een besluit tot verlening van een
                        voorziening</vet></al><al>Parallel aan artikel 4:48 lid 1 sub c Awb kunnen burgemees­ter en wethouders
                    volgens het tweede lid de voorziening geheel of gedeeltelijk intrekken indien
                    zodanig onjuiste of onvolle­dige gegevens zijn verstrekt dat zo de juiste
                    gegevens bekend waren geweest burgemeester en wethouders niet tot toekenning
                    zouden zijn overgegaan.</al><al>Indien er reeds uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kunnen
                    burgemeester en wethouders de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorde­ren
                    (artikel 6.4). Het ligt voor de hand dat van deze moge­lijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er sprake van verwijt­baarheid is. Wanneer
                    betrokkene dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn
                    inkomen.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding
                    binnen 6 maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de
                    voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd (lid 3). Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling
                    van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening vooraf
                    gaat. Bij woningaan­passingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de
                    uitbeta­ling pas dan plaats vindt nadat de woningaanpassing is uitge­voerd. Dit
                    derde lid van artikel 6.3 is dus niet van toepas­sing op woningaanpassingen.
                    Voor woningaanpassingen is naar analogie van artikel 6.3 derde lid in artikel
                    2.2 eerste lid geregeld dat binnen een periode van 15 maanden na het verlenen
                    van de financiële tegemoetkoming de woningaanpassing gereed moet zijn en dat dit
                    aan Burge­meester en wethouders gemeld wordt.</al><al>Indien het inkomen van de gehandicapte boven de inkomensgrens uitkomt, zal een
                    eventuele vervoerskostenvergoeding worden verminderd of stopgezet. Burgemeester
                    en wethouders kunnen bij de stopzetting een overgangster­mijn in acht nemen. Ten
                    tijde van de AAW gold een overgangstermijn van een half jaar nadat schriftelijk
                    mededeling was gedaan van het intrekken van de vergoeding.</al><al>Op grond van de Awb dient een besluit tot intrekking van een voorziening
                    betrokkene schriftelijk te worden medegedeeld. Hierover hoeft in de verordening
                    voorzieningen gehandicapten dus geen afzonderlijke bepaling te worden
                    opgenomen.</al><al><vet>Artikel 6.4 - Terugvordering</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 6.3.</al><al><vet>Afdeling III - Slot</vet></al><al><cursief>Hoofdstuk 7 - Slotbepalingen</cursief></al><al><vet>Artikel 7.1 - Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders in bijzon­dere gevallen
                    kunnen afwijken van de bepalingen van deze verordening, zo nodig na het inwinnen
                    van advies. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste van de betrokken
                    gehandicapte of eigenaar van de woonruimte en nooit ten nadele. Ook de eigenaar
                    van de aangepaste woonruimte kan in aanmerking komen voor de hardheidsclausule.
                    Gedacht kan worden aan een situatie waar het van belang is dat een woon­ruimte
                    ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat bij voorbeeld bekend is dat een
                    gehandicapte op het punt staat om uit een revalida­tiecentrum te worden
                    ontslagen en waar de aangepaste woning uitermate geschikt voor is. In die
                    gevallen kan het doelmati­ger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in
                    de huurderving te verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere
                    gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausu­le moet beschouwd worden als
                    een uitzondering en niet als een regel. De criteria die hierbij gehanteerd
                    kunnen worden zullen in het Handboek WVG worden opgenomen. De gemeente moet in
                    verband met precedentwerking duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie
                    van de verordening wordt afgeweken.</al><al><vet>Artikel 7.2 - Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                        verordening niet voorziet</vet></al><al>Deze restclausule biedt burgemeester en wethouders de moge­lijkheid in alle
                    niet-voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze
                    beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en
                    beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen
                    te worden.</al><al><vet>Artikel 7.3 - Periodieke evaluatie gemeentelijk beleid en bijstelling
                        verordening</vet></al><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid perio­diek geëvalu­eerd
                    te worden. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het
                    voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te
                    leiden tot aanpassing van de verordening.</al><al><vet>Artikel 7.4 - Citeertitel; inwerkingtreding; intrekken oude
                        verordening</vet></al><al>Dit artikel bevat de citeertitel van de verordening, geeft aan wanneer de
                    verordening in werking treedt en trekt de vorige verordening in. Artikel 2.10
                    treedt met terugwerkende kracht tot 1 april 2000 in werking. Dit is de datum van
                    inwerkingtreding van artikel 5 van de WVG. Ingevolge dit artikel beperkt de
                    zorgplicht van de gemeente voor woningaanpassingen zich in beginsel tot
                    woningaanpassingen waarvan de kosten minder bedragen dan het in dat artikel
                    genoemde bedrag.</al><al>Door het intrekken van de vorige verordening komen tevens de daarop gebaseerde
                    besluiten met nadere regels te vervallen (o.a. Besluit onderhoud en Besluit
                    grondverwerving). </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>