<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR78052_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nota vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO / projectbesluit</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlaardingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlaardingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">2008, 19. 3-4-2008. Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nota vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO / projectbesluit</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=ALGEMENE WET BESTUURSRECHT">Algemene Wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET OP DE RUIMTELIJKE ORDENING">Wet op de Ruimtelijke Ordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-04-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-04-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VLD/2008/7544</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nota vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO / projectbesluit</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al> Het ruimtelijke beleid van de gemeente Vlaardingen is vastgelegd in een
                            aantal documenten (Stadsvisie ‘Vlaardingen koers op 2020’, Ruimtelijke
                            Structuurschets Vlaardingen 2020, Rivierzone ‘Nota Hoofdlijnen’
                            inclusief ‘Nota van Aanbevelingen’, vele bestemmingsplannen) waarvan de
                            verschillende bestemmingsplannen voor de burgers rechtstreeks bindende
                            documenten zijn. Een bestemmingsplan wordt door de gemeenteraad
                            vastgesteld voor een bepaald gebied waarbij de ontwikkeling van dat
                            gebied voor een periode van 10 jaar wordt vastgelegd.</al><al> Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1965
                            is de samenleving echter complexer geworden. Hierdoor zijn
                            ontwikkelingen niet meer zo eenvoudig te voorzien en vast te leggen. De
                            doorlooptijd van de procedure van een bestemmingsplan is ook zo lang (±
                            5 jaar) dat bij een opkomende ontwikkeling er niet altijd tijd is om te
                            wachten op een nieuw bestemmingsplan. De wetgever heeft dit voorzien
                            door middels artikel 19 een vrijstellingsbepaling op te nemen in de wet.
                            De wetgever heeft de inhoud van het artikel 19 WRO verschillende keren
                            gewijzigd. In zijn huidige vorm ziet het artikel er schematisch als
                            volgt uit: </al><al><plaatje><illustratie id="i09088dc6-7cc2-461d-9ff7-83515123c522" naam="i19521i09088dc6-7cc2-461d-9ff7-83515123c522.png" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="8.0cm"/></plaatje></al><al>Op alle artikel 19 WRO-procedures is de uniforme openbare
                            voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van
                            toepassing. Dit is een vrij zware procedure, maar mits goed toegepast
                            levert het tijdwinst op omdat tegen het besluit op de vrijstelling geen
                            bezwaarschrift meer kan worden ingediend, maar direct een beroepschrift
                            bij de Rechtbank.</al><al/><al> De praktijk is dat gemeenten een niet actueel bestemmingsplanbestand
                            kennen en veelvuldig gebruik (moeten) maken van artikel 19 WRO. Met de
                            toepassing van een artikel 19 WRO-procedure is echter het ruimtelijke
                            beleid nog niet herzien. Het project kan wel worden gerealiseerd, maar
                            de geldende bestemming blijft. Op termijn levert dit een te afwijkend
                            beeld op en wordt de rechtsbeschermingfunctie van het bestemmingsplan
                            ondermijnd.</al><al/><al> De wetgever heeft verschillende keren geprobeerd via aanpassing van het
                            artikel 19 WRO qua bevoegdheden, vereisten en procedure het gebruik van
                            dit artikel te ontmoedigen ten gunste van het actualiseren van
                            bestemmingsplannen. De praktijk is echter harder gebleken dan de leer.
                            Daar zijn een groot aantal legitieme verklaringen voor waaronder
                            (wederom) de complexiteit van de samenleving, de toegenomen
                            juridificering en niet in de laatste plaats het vooral de laatste jaren
                            explosief uitdijend aantal aspecten waarmee bij de
                            bestemmingsplanvorming rekening moet worden gehouden. Voorbeelden van
                            dit laatste zijn mede in verband te brengen met de stand van de techniek
                            en geconstateerde misstanden (handhavingparagraaf, archeologie, externe
                            veiligheid, luchtkwaliteit, watertoets).</al><al/><al> Veel gemeenten zijn er al toe overgegaan om — gegeven de beperkte
                            capaciteit in zowel mensen als middelen — het gebruik van artikel 19 WRO
                            in meer of mindere mate te beperken en zodoende capaciteit Vrij te
                            spelen ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen.</al><al> De door de gemeenteraad van Vlaardingen op 5 juli 2007 aangenomen motie
                            (bijlage) speelt daar op in door het college van burgemeester en
                            wethouders op te dragen het aantal vrijstellingsprocedures ex artikel 19
                            lid 1 WRO te beperken en de daardoor vrijvallende ambtelijke capaciteit
                            in te zetten ter versnelling van de gewenste actualisatie van
                            bestemmingsplannen.</al><al> Om het verzoek van de gemeenteraad effectief toepasbaar te laten zijn,
                            is beleid nodig. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan ter
                            motivering van een besluit (om bijvoorbeeld in een bepaald geval géén
                            artikel 19 WRO-procedure te willen voeren) namelijk slechts worden
                            volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze
                            is neergelegd in een beleidsregel.</al><al> Dit beleid dient overigens te worden vastgesteld en gepubliceerd
                            alvorens er een beroep op kan worden gedaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><titel>Vrijstellingenbeleid artikel 19, leden 1, 2 en 3, WRO</titel></kop><structuurtekst><al> Uitgangspunt is dat toepassing van artikel 19, lid 1 WRO alleen dan
                            plaatsvindt wanneer er een algemeen maatschappelijk belang mee is
                            gediend, onvoorziene ontwikkelingen en/of bijzondere omstandigheden
                            uitgezonderd.</al><al> Vervolgens dient ook beleid te worden opgesteld voor de toepassing van
                            artikel 19, leden 2 en 3 WRO.</al><al> Het geheel biedt vervolgens een toetsingskader om ingewikkelde
                            aanvragen die slechts een individueel belang betreffen het hoofd te
                            kunnen bieden en daarmee effectief toepassing te geven aan de motie van
                            de gemeenteraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><titel>Nieuwe wetgeving</titel></kop><structuurtekst><al> Per 1 juli 2008 zal een nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening in
                            werking treden.</al><al> Een punt van aandacht is dat na verloop van de overgangstermijn van de
                            nieuwe wet de heffing van leges niet meer mogelijk zal zijn binnen
                            bestemmingsplannen die ouder zijn dan 10 jaar.</al><al> De wetgever heeft er deze keer bewust voor gekozen om een financiële
                            prikkel in te bouwen omdat zij wil benadrukken dat bestemmingsplannen
                            actueel moeten zijn.</al><al> De nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening kent een snellere procedure
                            voor de totstandkoming van bestemmingsplannen. Ondanks deze versnelling
                            heeft de wetgever ook ingezien dat een vrijstellingsmogelijkheid moet
                            blijven bestaan. De nieuwe WRO kent daarvoor het projectbesluit. Aan dit
                            projectbesluit kleeft het nadeel dat daarvoor dezelfde procedure moet
                            worden doorlopen als bij de vaststelling van een bestemmingsplan en dat
                            binnen het jaar nadat het projectbesluit onherroepelijk is geworden een
                            ontwerp voor een bestemmingsplan waarin het project is ingepast, ter
                            inzage wordt gelegd. De vraag dient zich aan of een projectbesluit dan
                            nog nuttig is. In ieder geval is er sprake van een zekere
                            ontmoediging.</al><al> Daarnaast is het criterium nieuw dat het projectbesluit slechts kan
                            worden genomen indien het gaat om de verwezenlijking van een project van
                            gemeentelijk belang. Met de hieronder voorgestelde beleidsregels wordt
                            vooruitgelopen op dit nieuwe criterium: een artikel 19 WRO-procedure of
                            -na inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening - een
                            projectbesluit wordt slechts ingezet indien er een relatie ligt met het
                            algemeen en/of maatschappelijk belang.</al><al/><al> Voor de vrijstellingsbepalingen van artikel 19, leden 1, 2 en 3 WRO,
                            worden uiteindelijk de volgende beleidsregels voorgesteld:</al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>Beleidsregel 1</titel></kop><al> Uitgangspunt van het gemeentelijk ruimtelijk beleid is en blijft het
                            bestemmingsplan. In het bestemmingsplan worden de ruimtelijke
                            ontwikkelingen voor langere termijn vastgelegd. Op basis van dit gegeven
                            worden in beginsel slechts vrijstellingsprocedures op grond van artikel
                            19 WRO gevoerd voor bouwplannen of gebruiksverzoeken die gelegen zijn in
                            een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat ouder is dan 10 jaar
                            en die het algemeen en/of maatschappelijk belang dienen.</al><al> Op deze beleidsregel kunnen uitzonderingen van toepassing zijn indien
                            sprake is van een onvoorziene ontwikkeling en/of bijzondere
                            omstandigheid. Hierover beslissen B&amp;W.</al><al/><al> Toelichting:</al><al> Het systeem van de WRO blijft uitgaan van bestemmingsplannen. Dit volgt
                            uit het feit dat voor het verlenen van een vrijstelling van een
                            bestemmingsplan ouder dan tien jaar, waarvoor door het college van
                            gedeputeerde staten geen vrijstelling is verleend van de plicht het plan
                            na tien jaar te herzien, nog steeds een voorbereidingsbesluit moet
                            worden genomen. Met een dergelijk besluit wordt verklaard dat het
                            bestemmingsplan zal worden herzien.</al><al> Met het in de wet opnemen van deze verplichting tracht de wetgever te
                            bevorderen dat, ondanks de verruiming van de bevoegdheden op grond van
                            artikel 19 WRO, het planologische beleid in beginsel in
                            bestemmingsplannen wordt neergelegd.</al><al/><al> Toepassing van deze eerste beleidsregel kan leiden tot een negatieve
                            uitkomst voor een bouwplan dat ligt in een actueel bestemmingsplan.</al><al> Onder een actueel bestemmingsplan wordt hierbij verstaan een plan wat
                            jonger is dan 10 jaar. Een uitzondering wordt gemaakt voor een
                            onvoorziene ontwikkeling en/of een bijzondere omstandigheid.</al><al> Onvoorziene ontwikkelingen zijn vanuit hun aard niet goed te
                            beschrijven. Wijziging van wetgeving kan in ieder geval worden genoemd.
                            Een voorbeeld uit het verleden is de uit 2000 stammende Maatregel
                            Klassenverkleining.</al><al> Met gewijzigde regelgeving kan in het bestemmingsplan geen rekening
                            worden gehouden. Sterker, het mag ook niet. Zie hier de paradox voor het
                            geval dat het bestemmingsplan ergens rekening mee zou willen houden bij
                            wetenschap van toekomstige regelgeving.</al><al> Voorbeelden van bijzondere omstandigheden kunnen zijn: een langdurig
                            onderhandelingsproces of eerder gedane toezeggingen, een bijzondere
                            historische situatie in relatie tot het toekomstig beschermd
                            stadsgezicht, het Actieplan Wonen of andere voorbeelden van algemeen
                            maatschappelijk belang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>Beleidsregel 2</titel></kop><al> Er kan worden meegewerkt aan vrijstellingsprocedures ex artikel 19 WRO,
                            voor een verzoek dat valt in een bestemmingsplan dat ouder is dan 10
                            jaar en voldoet aan de actuele planologische inzichten, zoals onder meer
                            is neergelegd in de beleidsregel ‘erfbebouwing bij woningen in de
                            gemeente Vlaardingen’ en voldoet aan het provinciaal beleid, zoals
                            neergelegd in het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 9
                            oktober 2007, kenmerk PZH2007-456952, waarbij op grond van artikel 19,
                            lid 2 WRO categorieën van gevallen zijn aangewezen waarvoor een algemene
                            en een bijzondere verklaring van geen bezwaar is verleend.</al><al/><al> Toelichting:</al><al> Een verzoek om verlening van een vrijstelling dient in elk geval te
                            voldoen aan het gemeentelijk planologisch beleid. Het planologische
                            beleid is immers uitgangspunt bij het actualiseren en herzien van
                            bestemmingsplannen. Van een verouderd bestemmingsplan kan uitsluitend
                            vrijstelling worden verleend, indien aan datzelfde planologisch beleid
                            wordt voldaan, waarvan bij de herziening van bestemmingsplannen wordt
                            uitgegaan. Het planologische beleid voor onder andere de erfbebouwing is
                            neergelegd in de beleidsregel ‘Erfbebouwing bij woningen in de gemeente
                            Vlaardingen’. Voor zover het verzoek betrekking heeft op erfbebouwing
                            kan geen medewerking worden verleend, indien het verzoek een plan
                            betreft dat gelegen is binnen een geactualiseerd bestemmingsplan waarin
                            de erfregeling geacht wordt te zijn afgewogen en opgenomen.</al><al> In door het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangegeven
                            gevallen is door dit college op voorhand een bijzondere verklaring van
                            geen bezwaar verleend, mede gelet op het streven om administratieve en
                            bestuurslasten terug te dringen en overbodige procedures te voorkomen.
                            In die gevallen past het niet om vanuit de gemeente een barrière op te
                            werpen en zal een beginselbereidheid bestaan om medewerking te verlenen.
                            Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin de gemeente de eigen
                            verantwoordelijkheid op dit terrein moet nemen ten nadele van
                            verzoeker(s), vandaar de beginselbereidheid.</al><al> Artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft tenslotte
                            een limitatieve opsomming van de gevallen waarin artikel 19, lid 3 WRO
                            door burgemeester en wethouders kan worden toegepast. In de praktijk
                            wordt dit zonder veel procedurele rompslomp ruim benut.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>Beleidsregel 3</titel></kop><al> Indien voor een procedure ex artikel 19 leden 1 en 2 WRO een
                            ruimtelijke onderbouwing in enigerlei vorm dient te worden opgesteld,
                            kan de gemeente van de aanvrager verlangen dat deze hetzij de
                            ruimtelijke onderbouwing, hetzij de benodigde gegevens daartoe
                            aanlevert. De gemeente behoudt zich het recht voor om haar medewerking
                            aan de betreffende vrijstellingsprocedure alsnog te weigeren, indien een
                            aanvrager verzuimt de gevraagde gegevens aan te leveren.</al><al/><al> Toelichting:</al><al> Deze beleidsregel houdt verband met de wettelijke eis van een goede
                            ruimtelijke onderbouwing als genoemde in de leden 1 en 2 van artikel 19
                            WRO. Zonder een goede ruimtelijke onderbouwing kan immers de
                            vrijstellingsprocedure voor deze leden niet worden vervolgd. Aangezien
                            het samenstellen van een ruimtelijke onderbouwing een tijdrovende
                            aangelegenheid betreft en overigens geheel in het belang van de
                            aanvrager is, wordt er voor gekozen om de aanvrager aan de hand van een
                            door de gemeente gehanteerde checklist zelf de ruimtelijke onderbouwing
                            te laten aanleveren. Bijkomend voordeel voor de aanvrager is dat deze op
                            dat moment de termijn van dit deel van de procedure ook zelf in de hand
                            heeft.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><titel>Uitvoering</titel></kop><structuurtekst><al> Voor wat betreft de uitvoering verandert er niet zo veel, het college
                            van burgemeester en wethouders dan wel het hoofd van de afdeling
                            Stadsontwikkeling en Toezicht blijven besluiten nemen op grond van hun
                            mandaat zoals zij dat voor de vaststelling van deze beleidsregels deden.
                            Het verschil is dat er in de keten een schakel bij is gekomen: de toets
                            aan het beleid.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><titel>Tenslotte</titel></kop><structuurtekst><al> Ruimtelijke ordening is een dynamisch begrip. In de uitvoering van deze
                            beleidsregels zal telkens van geval tot geval moeten worden bezien of en
                            in welke mate een bepaalde situatie van toepassing zal zijn. Niet moet
                            worden uitgesloten dat deze beleidsregels zullen moeten worden aangevuld
                            en/of veranderd. Het vertrekpunt is altijd dat door de capaciteit op
                            bestemmingsplannen te willen inzetten, meer burgers geholpen worden dan
                            wanneer één artikel 19 WRO-procedure wordt gevoerd.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>-door burgemeester en wethouders op</ondertekening><ondertekening> -door de gemeenteraad op</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>