<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR77979_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang Vlaardingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlaardingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlaardingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2012, 24-10-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang Vlaardingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=GEMEENTEWET">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET KINDEROPVANG">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-10-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-10-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>498237</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt tot bijzonder onredelijke gevolgen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang Vlaardingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Vlaardingen</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7
                        september 2004, R.nr. 72,1;</al><al/><al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening en
                        de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van
                        kinderopvang bij verordening te regelen;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende</al><al/><al>Verordening Wet kinderopvang Vlaardingen</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> a het college: het college van burgemeester en wethouders;</al><al> b de wet: de Wet kinderopvang;</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al> 1. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                            bevat:</al><al> a. naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al><al> b. indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner en, indien
                            dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de
                            partner;</al><al> c. naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de kinderen
                            waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft;</al><al> d. een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat
                            de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven:
                            het aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de
                            aanvangsdatum van de opvang;</al><al> e. gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de ouder
                            behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel 22 van de wet;</al><al> f. overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten
                            over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al><al> 2. Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                            door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                            aanvraagformulier.</al><al> 3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                            ondertekend door de partner.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>3</nr><titel>Verlening van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al> 1. Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                            van alle benodigde gegevens.</al><al> 2. Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                            stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al> 1. De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                            aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                            genomen.</al><al> 2. Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                            tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang
                            zal plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al> 1. De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                            tegemoetkomingsjaar.</al><al> 2. In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                            voor een andere periode verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al> 1. Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                            kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al><al> 2. In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                            als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                            onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                            kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor
                            de combinatie van arbeid en zorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al> Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><al> a. de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de ouder
                            behoort;</al><al> b. de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                            tegemoetkoming betrekking heeft;</al><al> c. de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar de
                            kinderopvang plaatsvindt;</al><al> d. de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor de
                            tegemoetkoming wordt verleend;</al><al> e. de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en
                            het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al><al> f. de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al><al> g. de verplichtingen van de ouder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al> 1. De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                            termijnen uitbetaald.</al><al> 2. Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                            bevoorschotting.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al> 1. De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                            waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van
                            de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al><al> 2. Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                            van het overzicht van de kosten vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al> 1. De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                            worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                            inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een
                            lagere tegemoetkoming.</al><al> 2. De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen
                            een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                            inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                            hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>6</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                            bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt tot
                            bijzonder onredelijke gevolgen.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet treedt
                            deze verordening in werking 3 dagen na de datum van publicatie ervan in
                            het Gemeenteblad.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang
                            Vlaardingen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 september
                        2004.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label></kop><al> ALGEMENE TOELICHTING</al><al/><al>INLEIDING</al><al/><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                    beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                    combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang.
                    Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente
                    voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De
                    vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt
                    aangeduid met de term ‘tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)’. Artikel
                    25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de
                    verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming. Deze
                    verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke opdracht.</al><al/><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een
                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                    aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van
                    toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van
                    tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten drie regelingen
                    van toepassing zijn:</al><al>1. de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang;</al><al>2. de Wet kinderopvang;</al><al>3. de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al><al/><al>De vraag is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang
                    en de algemene subsidieverordening Vlaardingen, en meer in het bijzonder of de
                    algemene subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de
                    kosten van kinderopvang. Omdat deze verordening zo is opgezet dat deze geheel
                    los staat van de algemene subsidieverordening, is laatstgenoemde
                    subsidieverordening niet van toepassing op de verstrekking van tegemoetkomingen.
                    Het principe geldt dat de meest specifieke regeling voorrang heeft boven de
                    algemene regeling.</al><al/><al>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE TEGEMOETKOMINGEN</al><al/><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar
                    zijn.</al><al/><al>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te bevorderen </al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten
                    ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort
                    tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente.</al><al/><al>Om gemeenten in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de verstrekking
                    van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de verordening de
                    volgende bepalingen opgenomen:</al><al>- De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen eigen
                    bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt aan beperkingen
                    gebonden. In de verordening wordt bepaald dat bij deze groep ouders de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per week dat
                    naar het oordeel van het college voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is om
                    de combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken.</al><al>- Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                    gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip waarop
                    de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst is
                    genomen.</al><al>- De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk kinderopvang
                    plaatsvindt.</al><al>- De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten. Hierdoor
                    blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die de gemeente van de
                    ouders moet terugvorderen, beperkt.</al><al/><al>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar</al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur van één
                    kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door de
                    Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk jaar
                    opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen
                    waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming
                    beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het
                    kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al><al/><al>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen</al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                    wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het verlenen
                    van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming
                    een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De
                    aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven
                    nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van
                    kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                    voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens
                    afdwingbare aanspraak.</al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In
                    deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de gestelde
                    voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de
                    tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                    tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de
                    gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><al/><al/><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al/><al/><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al/><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                    toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde
                    begrippen zijn aangevuld.</al><al/><al>Artikel 2 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</al><al/><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26
                    Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de
                    ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                    schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al/><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                    verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd.</al><al/><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal
                    uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging
                    van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang van de
                    kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel
                    onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet
                    kinderopvang en artikel 16, eerste lid).</al><al/><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een
                    offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de
                    gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het kindercentrum of
                    gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven staan in
                    een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid, Wet kinderopvang).</al><al/><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                    verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot
                    een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met
                    een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de gegevens
                    beschikt:</al><al>- de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB, IOAW/IOAZ
                    of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al><al>- de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                    geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling;</al><al>- de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt;</al><al>- oudkomers vanaf het moment dat zij verplicht zijn een inburgeringstraject te
                    volgen.</al><al/><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                    verstrekken:</al><al/><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                    inkomensvoorziening kunstenaars:</al><al> Indien de uitkering wordt verkregen in een andere gemeente: naam van deze
                    gemeente</al><al> De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet ontvangt algemene bijstand op
                    grond van de WWB of kan zo’n uitkering ontvangen</al><al> Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al><al> De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school of instelling als
                    bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen of
                    in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000</al><al> Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al><al> De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering en maakt gebruik van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling</al><al> Trajectplan van het UWV</al><al> De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en maakt gebruik van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling</al><al> Trajectplan van het UVN</al><al> In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 26, derde
                    lid, Wet kinderopvang. </al><al>Artikel 3 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</al><al/><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze
                    termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen
                    voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten
                    hoogste vier weken die eventueel met vier weken kan worden verlengd.</al><al>De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                    aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er
                    zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet,
                    zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken voor 1 januari bij de gemeente
                    moeten indienen.</al><al/><al>Artikel 4 Weigeringsgrond</al><al/><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om de
                    subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing.
                    Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd indien een
                    gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><al>a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al><al>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                    verplichtingen; c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                    verantwoording zal afleggen omtrent</al><al>de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor
                    zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder
                    geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><al>a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                    en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag
                    zou hebben geleid, of</al><al>b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten
                    aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
                    is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.</al><al/><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de
                    aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming
                    vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de
                    tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats
                    tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen. De ingangsdatum van
                    verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing op aanvragen voor
                    uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt
                    verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door het college in
                    ontvangst is genomen.</al><al/><al>Artikel 6 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</al><al/><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor
                    aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                    betekent dat een ouder elk jaar voor 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen.</al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op
                    de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject voor een
                    bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming
                    te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een andere vorm van
                    arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de
                    tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte
                    uitgekeerde bedragen terug te vorderen.</al><al/><al>Artikel 7 Omvang van de kinderopvang</al><al/><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                    tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang
                    van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft
                    tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                    waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met
                    de combinatie van arbeid en zorg.</al><al/><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke eigen
                    bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten ‘Koa-kopje’, zie artikel
                    24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij
                    deze ouders zet de hoogte van de eigen bijdrage geen rem op de vraag naar
                    kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders die wél een (inkomensafhankelijke)
                    eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen en de hoogte van die
                    bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar kinderopvang.</al><al/><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de
                    verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins beperkt.
                    Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep ouders die geen
                    eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel kinderopvang de ouder
                    redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht te kunnen combineren
                    met zorgtaken.</al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om
                    arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met
                    omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een
                    beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                    ontwikkeling van het kind, In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                    sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet kinderopvang, hoeft voor
                    deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd.</al><al/><al>Artikel 8 Inhoud van de beschikking</al><al/><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de beschikking moet onder andere de wijze
                    van uitbetaling van de tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel t). Artikel 9
                    bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van de ouder
                    worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden
                    gedacht:</al><al>- de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                    tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te verstrekken van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode;</al><al>- de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met derde
                    lid, Wet kinderopvang</al><al/><al>Artikel 9 De bevoorschotting van de tegemoetkoming</al><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager
                    recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het
                    gehele tegemoetkomingsjaar betreft).</al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan
                    niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding
                    tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                    van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van
                    de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo’n
                    voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.</al><al/><al>Artikel 10 Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</al><al/><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus
                    ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in
                    dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders
                    hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij het college
                    in te dienen.</al><al/><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                    tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                    kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend.
                    Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                    kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                    maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de
                    tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek
                    doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                    controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of
                    gastouderbureau op te vragen.</al><al/><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                    precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                    recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                    verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen
                    van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op
                    basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van
                    de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de
                    beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van
                    een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal.</al><al/><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming
                    op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager
                    worden vastgesteld indien:</al><al>a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                    plaatsgevonden; b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de
                    subsidie verbonden verplichtingen;</al><al>c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de
                    aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of</al><al>d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist
                    of behoorde te weten.</al><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen’.</al><al/><al>Artikel 11 Verrekening met de voorschotten</al><al/><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet kinderopvang
                    (zie ook de toelichting bij artikel 12).</al><al/><al>Artikel 12 Inlichtingenplicht</al><al/><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 28,
                    eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt deze
                    verplichting hier herhaald. Het vierde lid van artikel 28 bevat de
                    inlichtingenplicht voor houders van een kindercentrum of gastouderbureau. Deze
                    bepaling luidt: ‘De houder verstrekt desgevraagd aan het college van
                    burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak
                    van een ouder op de tegemoetkoming van belang zijn’.</al><al/><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                    onderscheiden:</al><al>1. het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al><al>2. er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen recht
                    op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke doelgroep).</al><al/><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder
                    op te leggen. Hieronder wordt op de twee maatregelen nader ingegaan.</al><al/><al>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de tegemoetkoming</al><al/><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in de
                    terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en teruggevorderd.
                    Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: a. de situatie waarin de
                    tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en b. de situatie waann de tegemoetkoming
                    wel is vastgesteld.</al><al/><al>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb)</al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking
                    tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van
                    de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><al>a. de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet geheel
                    hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al><al>b. de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                    verplichtingen;</al><al>c. de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                    verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                    beschikking op de aanvraag tot verlening van de tegemoetkoming zou hebben
                    geleid;</al><al>d. de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de ontvanger dit
                    wist of behoorde te weten.</al><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><al/><al>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)</al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat het
                    besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het
                    college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                    schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot
                    betaling van een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college
                    aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
                    bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken of
                    te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking
                    omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de
                    kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al><al>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw)</al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen
                    bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken
                    of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de
                    volgende gevallen:</al><al>a. er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                    vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en
                    op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de verlening van de
                    tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al><al>b. de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                    tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al><al>c. de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                    tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                    verplichtingen.</al><al/><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt.</al><al/><al>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming
                    is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het
                    reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen.</al><al>In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand
                    (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing
                    verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld
                    dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                    tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                    terugvordering moet de wijze waarop zal worden tewggevorderd worden vermeld
                    (artikel 60, eerste lid WWB).</al><al/><al>De bestuurlijke boete</al><al/><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college in
                    bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke boete is
                    geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een
                    bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling
                    van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder (artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het betreffende bedrag komt toe aan
                    de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet kinderopvang).</al><al/><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                    inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de volgende
                    verplichtingen:</al><al>- het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en inlichtingen
                    van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de
                    tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel 28, eerste lid, Wet
                    kinderopvang);</al><al>- het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het college
                    te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet kinderopvang);</al><al>- het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het college van
                    inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere
                    tegemoetkoming (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang).</al><al/><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269,- (artikel 72,
                    eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de hoogte
                    van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren. Artikel 72,
                    tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd
                    op de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de ouder verweten
                    kan worden en de omstandigheden waarin die persoon verkeert. Van het opleggen
                    van een bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al/><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                    bestuurlijke boete mag</al><al>opleggen. Dit is het geval in de volgende situaties:</al><al>- de overtreder is overleden;</al><al>- de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete
                    of er is hem een kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke boete zal worden
                    opgelegd. In deze gevallen kan het college aangifte doen bij het Openbaar
                    Ministerie;</al><al>- er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.</al><al/><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                    artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang.</al><al/><al>Artikel 13 Hardheidsclausule</al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als strikte
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. Bij het afwijken van de
                    bepalingen kunnen de rechten van belanghebbende op basis van deze verordening
                    niet worden aangetast.</al><al/><al>Artikel 14 Inwerkingtreding</al><al>Omdat het in werking treden van de verordening geen uitstel kan leiden, is
                    besloten om met toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet (Trw)
                    de inwerkingtreding van de verordening niet te laten voorafgaan door de door die
                    wet vereiste termijn van 6 weken.</al><al/><al>Artikel 15 Citeertitel</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al>Kadernotitie Wet kinderopvang Vlaardingen</al><al/><al>1. Inleiding</al><al/><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang (Wk) werking. Het wetsvoorstel is
                    op 18 mei 2004 in de Tweede Kamer behandeld en aangenomen en op 6 juli door de
                    Eerste Kamer aanvaard.</al><al/><al>Doel van de Wk is om het voor ouders gemakkelijker te maken zorg en werk te
                    combineren. Het wetsvoorstel heeft als centraal uitgangspunt dat de kosten van
                    de kinderopvang door ouders, werkgevers en overheid samen worden gedragen. De
                    ouders hebben zelf zeggenschap over de keus voor een kindercentrum. De
                    verwachting is dat hierdoor meer marktwerking ontstaat en de kwaliteit
                    verbetert.</al><al>In deze notitie spreekt de gemeenteraad van Vlaardingen zich uit over de kaders
                    welke zij aan het college mee wil geven ten aanzien van de uitvoering van de
                    Wk.</al><al/><al>1.1 Verantwoordelijkheden</al><al/><al>Na de inwerkingtreding van de Wk wordt de kinderopvang betaald door de
                    werkgevers, ouders en overheid.</al><al>De bijdrage van de overheid en de ouders tezamen bedraagt tweederde van de
                    opvangkosten. De hoogte van het inkomen van de ouders bepaalt hoe hoog de
                    tegemoetkoming vanuit de overheid (via de belastingdienst) is. Naarmate het
                    inkomen lager is, is de tegemoetkoming van de overheid hoger.</al><al>De werkgevers betalen eenderde deel van de opvangkosten. Echter, zij worden niet
                    wettelijk verplicht om bij te dragen aan de kinderopvang. Het Rijk gaat er van
                    uit dat beide werkgevers van de werkende ouders een zesde deel van de
                    opvangkosten betalen. Als ouders van hun gezamenlijke werkgevers minder (of
                    helemaal niets) vergoedt krijgen, zorgt de overheid voor compensatie. Deze
                    compensatie is structureel voor ouders met een inkomen tot € 45.000,-. Voor
                    ouders met een hoger inkomen wordt de compensatie in 2007 en 2008
                    afgebouwd.</al><al/><al>1.2 Gevolgen voor de gemeente</al><al/><al>Niet alle ouders hebben een werkgever. De gemeente krijgt als taak om aan de
                    zogenaamde ‘wettelijke doelgroepen’ de werkgeversbijdrage, dit is 1/6 deel per
                    ouder tot maximaal 1/3 deel van de opvangkosten, m.a.w. de gemeentelijke
                    bijdrage te betalen (bij 2 ouders behorende tot de doelgroep 2*1/6=1/3).
                    Hiervoor stelt het Rijk een Wk-budget beschikbaar dat wordt toegevoegd aan het
                    gemeentefonds. Voor 2005 is dit € 205.000, — (zie verder onderdeel
                    financiën).</al><al/><al>Deze wettelijke doelgroepen zijn:</al><al>• ouders in een reïntegratietraject met een uitkering op grond van de WWB, loaw,
                    loaz, Anw;</al><al>• nieuwkomers die een inburgeringstraject volgen;</al><al>• oudkomers vanaf het moment dat zij verplicht zijn een inburgeringstraject te
                    volgen;</al><al>• niet-uitkeringsgerechtigden die als werkzoekende zijn geregistreerd bij het
                    CWI en een reïntegratietraject volgen;</al><al>• huishoudens waarbij sprake is van een sociaal-medische indicatie en die niet
                    behoren tot één van de andere doelgroepen;</al><al>• studenten die opleiding en zorg combineren;</al><al>• tienermoeders;</al><al>• personen met een inkomen volgens de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars
                    (WIK).</al><al/><al>2. Uitvoeringsvarianten doelgroepen</al><al/><al>Het uitgangspunt van de Wet kinderopvang is dat de ouder zelf verantwoordelijk
                    is voor het regelen van kinderopvang. De ouder moet op zoek naar een
                    kindercentrum, de ouder moet een verzoek indienen bij de belastingdienst voor
                    voorlopige teruggaaf, de ouder vraagt de gemeentelijk bijdrage aan bij de
                    gemeente en draagt zelf zorg voor het betalen van het kindercentrum.</al><al>De gemeente heeft vanuit de Wet werk en bijstand een groot belang dat de
                    kinderopvang tijdig wordt geregeld door de ouder. Immers, kinderopvang is een
                    belangrijke voorwaarde voor het kunnen starten van een reïntegratietraject en
                    vervolgens uitstroom naar werk. Tijdige kinderopvang bespaart
                    bijstandskosten.</al><al/><al>De Gemeente Vlaardingen ziet zich nu voor een keuze gesteld op welke wijze de
                    gemeente het aanvraagproces en de betaling van de gemeentelijke bijdrage e.d.
                    gaat regelen m.b.t. doelgroepen.</al><al>In feite zijn er drie varianten voor de uitvoering van de kinderopvang. De
                    eerste variant sluit het meest aan bij de uitgangspunten van de Wet kinderopvang
                    en de Wet werk en bijstand. De ouder is zelf verantwoordelijk voor het regelen
                    van de kinderopvang en het reïntegratietraject en de gemeente voert de wettelijk
                    verplichte taken uit. Deze wettelijke taken zijn: innemen van een aanvraag (of
                    wijzigingsverzoek), het beoordelen van de aanvraag, berekenen en betaalbaar
                    stellen van de gemeentelijke bijdrage en vaststellen van de gemeentelijke
                    bijdrage na afloop van het begrotingsjaar.</al><al>De tweede en derde variant hebben oog voor het belang dat de gemeente heeft bij
                    het tijdig regelen van passende kinderopvang mede in het kader van de
                    reïntegratietrajecten (besparing op de bijstandskosten). De varianten worden
                    hieronder uitgewerkt.</al><al/><al>Variant 1: de ouder regelt alles zelf</al><al>Uitgangspunt van deze variant is dat de ouder zelf verantwoordelijkheid is voor
                    het regelen van kinderopvang. De gemeente ondersteunt de ouder hierbij niet. De
                    gemeente is “slechts” verantwoordelijk voor de hiervoor beschreven wettelijke
                    taken.</al><al>Voordelen: Deze variant sluit aan bij uitgangspunten van de Wet kinderopvang en
                    de Wet werk en bijstand: de ouder blijft zelfstandig en wordt aangezet tot
                    kostenbewust handelen. Deze variant brengt geen extra uitvoeringskosten met zich
                    mee.</al><al>Nadelen: Indien de kinderopvang door de ouder niet goed wordt geregeld, waardoor
                    een reïntegratietraject niet of later kan starten, heeft dit negatieve gevolgen
                    voor de uitstroom van de ouder uit de bijstand. De gemeente loopt dus een
                    financieel risico.</al><al/><al>Variant 2: de gemeente regelt alles</al><al>Uitgangspunt van deze variant is dat de gemeente grip houdt op het hele proces.
                    De gemeente neemt de verantwoordelijkheid van de ouder over. De gemeente
                    onderhoudt het contact met het kindercentrum, vult samen met de ouder het
                    verzoek om belastingteruggaaf in en regelt de betaling (via een machtiging van
                    de ouder) aan het kindercentrum.</al><al>Voordelen: Kinderopvang kan eerder geregeld zijn, waardoor de ouder tijdig op
                    een traject geplaatst kan worden. Snelle doorlooptijden leiden tot lagere
                    bijstandskosten.</al><al>Nadelen: De ouder blijft afhankelijk van de gemeente en wordt minder
                    gestimuleerd tot kostenbewust handelen en het nemen van eigen
                    verantwoordelijkheid. Deze variant is arbeidsintensief en brengt derhalve extra
                    uitvoeringskosten met zich mee.</al><al/><al>Variant 3: maatwerkhelpdesk kinderopvang</al><al>Uitgangspunt van deze variant is dat de ouder in beginsel zelf verantwoordelijk
                    is voor het regelen van kinderopvang, maar dat ouders die hulp nodig hebben
                    ondersteuning kunnen krijgen vanuit een helpdesk voor kinderopvang. De
                    klantmanager van de afdeling sociale zaken en werkgelegenheid kan op grond van
                    individuele omstandigheden (bijvoorbeeld vanwege taalachterstand of ernstige
                    schuldenproblematiek) ouders doorverwijzen naar de helpdesk. De helpdesk kan
                    deze ouders dan behulpzaam zijn bij het zoeken naar een geschikt kindercentrum
                    en het regelen van de offerte aanvraag. De helpdesk heeft tevens een belangrijke
                    functie als aanspreekpunt voor kindercentra en de klantmanagers.</al><al>Voordelen: De ouder blijft zelfstandig hetgeen aansluit bij de basisgedachte van
                    de Wet kinderopvang en de Wet werk en bijstand. Indien een ouder hulp nodig
                    heeft kan de helpdesk kinderopvang ondersteuning bieden, waardoor snellere
                    doorlooptijd gerealiseerd kan worden. Dit leidt tot een besparing op de
                    bijstandskosten. De helpdesk heeft tevens een belangrijke functie als
                    aanspreekpunt voor ouders en kindercentra.</al><al/><al>Deze laatste variant heeft tevens als voordeel dat de werkwijze aansluit bij de
                    huidige werkwijze in het kader van de KOA-regeling. De afdeling SZvV verricht
                    diverse taken op het gebied van kinderopvang voor wat betreft Wwb doelgroepen.
                    Er is sprake van een “centraal punt” waar het aanvragen van kinderopvang, melden
                    bij het kindercentrm, contacten met het kindercentrum alsmede de controle
                    plaatsvindt. Deze werkwijze verloopt tot nu toe naar tevredenheid.</al><al/><al>De gemeenteraad van Vlaardingen stelt ten aanzien van de uitvoering van het
                    subsidieproces voor de kinderopvang de volgende kaders:</al><al>1. De ouder is in beginsel zelf verantwoordelijk voor het regelen van
                    kinderopvang. Dit is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Wk.</al><al> 2. Teneinde te voorkomen dat er knelpunten in de kinderopvang gaan ontstaan,
                    waardoor de reïntegratie van ouders wordt gefrustreerd, wordt een helpdesk
                    kinderopvang ingericht die -ondersteuning op maat kan bieden aan ouders die deze
                    ondersteuning nodig hebben.</al><al/><al>3. Uitbreiding doelgroepen</al><al>De gemeente heeft de mogelijkheid om, naast de hiervoor genoemde wettelijke
                    doelgroepen, ook voor andere doelgroepen de kinderopvang te bekostigen. Hierbij
                    kan onder andere gedacht worden aan mantelzorgers en vrijwilligers. De kosten
                    van kinderopvang voor deze niet-wettelijke doelgroepen komen echter volledig
                    voor rekening van de gemeente. De belastingdienst draagt alleen bij in kosten
                    voor ouders die tot de wettelijke doelgroep behoren. Bovendien heeft het rijk
                    bij het vaststellen van de hoogte van het gemeentelijk budget voor de Wet
                    kinderopvang geen rekening gehouden met gemeentelijke kosten voor uitbreiding
                    van doelgroepen.</al><al/><al>De gemeenteraad van Vlaardingen stelt ten aanzien van de mogelijkheid van
                    uitbreiding van de wettelijke doelgroepen de volgende kaders:</al><al/><al>De gemeente Vlaardingen zal, gelet op het open einde karakter van de regeling,
                    vooralsnog geen gebruik maken van de mogelijkheid om naast de wettelijke
                    doelgroepen ook voor andere doelgroepen de kinderopvang te financieren.</al><al/><al>4. Financiering van de kinderopvang</al><al>De Wet kinderopvang vervangt alle bestaande financiële regelingen voor
                    kinderopvang van de overheid (zowel subsidies als financiële regelingen).</al><al>In de productenbegroting 2004 staat een bedrag van €423.720,- voor uitgaven
                    subsidies aan de Stichting kinderopvang Vlaardingen voor kinderopvang. In
                    verband met het wegvallen van de subsidietaak van gemeenten wordt door het rijk
                    met ingang van 2005 een bedrag van € 790.000,- in mindering gebracht op de
                    uitkering in het Gemeentefonds. Een negatief verschil van € 366.280,-. In de
                    perspectiefnota is voor de dekking van dit tekort € 388.000,- gereserveerd.</al><al/><al>Bestedingen in het kader van de wet</al><al>Voor uitvoering van de Wet kinderopvang wordt aan het gemeentefonds een bedrag
                    toegevoegd, bedoeld voor de betaling van de gemeentelijke bijdrage in de kosten
                    voor kinderopvang. Dit is een vast bedrag per jaar. Voor 2005 is dat €
                    205.000,-, voor 2006 € 208.000,- en voor 2007 € 212.000,-. De gemeente is
                    verplicht om voor de wettelijke doelgroepen de gemeentelijke bijdrage te betalen
                    (open einde regeling). Dit betekent dat de gemeente zelf eventuele tekorten moet
                    aanvullen.</al><al/><al>De kosten voor 2005 zien er als volgt uit:</al><al>* tegemoetkoming ouders € 230.540,-</al><al>* toezicht € 15.000,-</al><al>* sociaal medische indicatie € 4.000,-</al><al>totaal € 249.540,-</al><al>Een (prognose) tekort van € 44.540,-</al><al/><al>Uitvoeringgskosten</al><al>De uitvoeringskosten van de huidige doeigroepenregeling (KOA-regeling) worden
                    gedekt uit de algemene middelen. Op dit moment is daar 1,1 formatie meegemoeid
                    (inclusief beleid SZW). Begroot is hiervoor € 101.969,- (inclusief
                    overhead).</al><al>Op basis van ramingen van het aantal aanvragen, mutaties, terugvorderingen,
                    ondersteuningsverzoeken e.d. door de afdeling sociale zaken, wordt er voor 2005
                    vooralsnog van uitgegaan dat het proces van tegemoetkoming (en de ondersteuning
                    daarvan in de zin van informatievoorziening naar derden en
                    beleidsondersteuning), met de huidige formatie kan worden uitgevoerd. Voor 2006
                    zal op basis van de feitelijke ervaringscijfers in 2005 de daadwerkelijk
                    benodigde formatie worden berekend.</al><al/><al>Extra administratieve ondersteuning</al><al>Vanaf 15 september a.s. moeten doelgroepouders bij de afdeling sociale zaken een
                    aanvraag voor een financiële bijdrage in de kosten van kinderopvang indienen om
                    betaling van de bijdrage tijdig te regelen. De aanvragen dienen voor 1-1-2005
                    zowel ingediend als afgehandeld te worden. Derhalve zal de afhandeling van de
                    aanvragen, het geven van voorlichting over de gevolgen van de nieuwe wetgeving
                    e.d. leiden tot een uitbreiding van m.n. administratieve taken in de periode 15
                    september 2004 tot en met januari 2005. Deze taken dienen naast de huidige taken
                    verricht te worden. Verwacht wordt dat een tijdelijke uitbreiding met een 0,5
                    fte (adm. Kracht) gedurende deze periode voldoende soelaas biedt om de extra
                    taken op te vangen. Voorgesteld wordt om deze tijdelijke uitbreiding, i.v.m. de
                    implementatie van de wet, ten laste van de algemene middelen te brengen. De met
                    deze tijdelijke uitbreiding verband houdende kosten worden geschat op €
                    12.000,-</al><al/><al>De gemeenteraad van Vlaardingen stelt ten aanzien van de financiering van de
                    kinderopvang de</al><al>volgende kaders:</al><al> 1. De kosten kinderopvang worden gedekt uit het budget Wet kinderopvang uit het
                    gemeentefonds. 2. Indien de prognose in 2005 ten aanzien van de kosten in het
                    kader van de wet concreet wordt, zal bij de eerste voortgangsrapportage in 2005
                    een aanvullend budget worden aangevraagd. 3. De kosten voor extra
                    administratieve ondersteuning worden meegenomen in de aanvraag in het kader van
                    de tweede voortgangsrapportage 2004. </al><al>5. De relatie gemeente/ kindercentra</al><al>De Wk regelt dat alle werkende ouders over een budget voor kinderopvang kunnen
                    beschikken, ouders kopen de opvang zelf in en zijn verantwoordelijk voor de
                    betaling. Hiermee vervalt de subsidierelatie tussen gemeente en
                    kinderopvang.</al><al>Het is wel van groot belang dat de gemeente in overleg blijft met de
                    kindercentra over passende kinderopvang voor de wettelijke doelgroepen die de
                    gemeentelijke bijdrage ontvangen. Deze groep is immers niet zo aantrekkelijk
                    voor de kindercentra omdat zij in eerste instantie vaak voor een kortere periode
                    (duur van een traject) kinderopvang nodig hebben. De kindplaats verkopen aan
                    ouders met een reguliere baan lijkt al snel aantrekkelijker.</al><al/><al>De laatste jaren is veel geïnvesteerd in het vergroten van het aanbod van de
                    kinderopvang, met als doel vraag en aanbod zoveel mogelijk met elkaar in
                    evenwicht te brengen. Hoewel de wachtlijsten niet verdwenen zijn, lijkt het
                    aantal kinderopvangplaatsen redelijk te voldoen. Om deze situatie te behouden is
                    het nodig vraag en aanbod te monitoren en een actief vestigingsbeleid te voeren
                    zodat de beschikbaarheid van kinderopvang, ook in commercieel onaantrekkelijke
                    gebieden gewaarborgd blijft.</al><al/><al>De gemeenteraad van Vlaardingen stelt ten aanzien van de relatie tussen gemeente
                    en kindercentra de volgende kaders:</al><al>1. De inzet van de gemeente Vlaardingen is om goede afspraken te maken met de
                    kindercentra over het realiseren van passende en tijdige kinderopvang voor de
                    wettelijke doelgroepen.</al><al>2. De gemeente Vlaardingen stelt zich blijvend op de hoogte van de
                    ontwikkelingen in de vraag naar en het aanbod van kinderopvang. Indien het
                    aanbod in (delen van) Vlaardingen niet tegemoet komt aan de vraag kan prioriteit
                    gegeven worden aan het vestigen van een kinderopvangorganisatie, bijvoorbeeld
                    bij herstructurering.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de Gemeente
                    Vlaardingen van 29 september 2004.</al><al/><al>De griffier, De voorzitter,</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>