<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR77685_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Welstandsnota gemeente Laren 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Larens Journaal 13-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Welstandsnota gemeente Laren 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WONINGWET">Woningwet, art. 12a, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-12-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2013/50</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze welstandsnota vervangt de Welstandsnota 2005</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5898</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Welstandsnota gemeente Laren 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Laren,</al><al> gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 mei 2010,</al><al> gelet op artikel 12a eerste lid van de Woningwet,</al><al> besluit:</al><al> een welstandsnota vast te stellen, inhoudende de volgende
                        beleidsregels</al><al> die burgemeester en wethouders toepassen:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Aanleiding, doel en opbouw van de welstandsnota</al><al> Nadat enkele jaren gewerkt is met de in 2005 vastgestelde
                            'Welstandsnota Laren', heeft in 2009 een evaluatie plaats</al><al> gehad. In dat verband is met diverse ‘gebruikers’ van de nota
                            gesproken: met betrokken ambtenaren en de verantwoordelijke</al><al> wethouder, met de Welstand- en Monumentencommissie, met architecten die
                            werkzaam zijn in de gemeente</al><al> Laren en met inwoners die een bouwplantraject hebben doorlopen. De
                            bevindingen zijn bijeengebracht in de</al><al> nota ‘Evaluatie welstandsbeleid gemeente Laren’ d.d. 27 augustus 2009.
                            Dat heeft geresulteerd in de voorliggende</al><al> aangepaste versie van de Welstandsnota.</al><al> In artikel 12a van de Woningwet is bepaald dat de gemeenteraad een
                            welstandsnota vaststelt met beleidsregels</al><al> waarin de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders
                            hanteren bij het beoordelen van een bouwaanvraag</al><al> op welstandsvereisten. Daarbij gaat het om de beoordeling of het
                            uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk,</al><al> zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te
                            verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn</al><al> met redelijke eisen van welstand. De voorliggende welstandsnota
                            voorziet in de bedoelde criteria. Daarbij biedt het,</al><al> als beleidsdocument, ruimte voor nieuwe accenten en inzichten.</al><al> Algemeen</al><al> De welstandsnota bevat beleidsregels waarin in ieder geval de criteria
                            zijn opgenomen die burgemeester en wethouders</al><al> toepassen bij hun beoordeling:</al><al> ? of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats,
                            waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking</al><al> heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;</al><al> ? of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf
                            als in relatie met de omgeving of de te verwachten</al><al> ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen
                            van welstand. </al><al> In Laren vragen burgemeester en wethouders, zo is vastgelegd in de
                            gemeentelijke bouwverordening, adviezen over welstandszaken aan de
                            commissie voor welstand en monumenten. De taak van de commissie voor
                            welstand en monumenten is het adviseren van burgemeester en wethouders
                            over alle welstandsaspecten die de openbare ruimte aangaan zoals
                            verkeersmaatregelen, APV aspecten, bouwplannen en monumenten. De
                            vergaderingen van de volledige commissie voor welstand en monumenten
                            zijn openbaar. De planindieners en hun ontwerpers hebben het recht hun
                            plan toe te lichten. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin
                            spreekrecht tijdens de welstandsvergadering.</al><al> Het welstandsadvies. Het welstandsadvies wordt schriftelijk uitgebracht
                            en wordt, indien het advies niet positief is, duidelijk onderbouwd.</al><al> Leeswijzer</al><al> In deel 1 wordt een toelichting gegeven op verankering van het
                            welstandstoezicht in de Woningwet en de organisatie</al><al> van het welstandstoezicht in Laren.</al><al> In deel 2 komt het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in Laren, dat geldt als
                            basis voor het welstandsbeleid, aan de orde.</al><al> In deel 3 komen de gebiedsgerichte criteria aan de orde. In dit deel
                            wordt ook ingegaan op de ontwikkelingen die Laren hebben gemaakt tot het
                            dorp zoals we dat nu kennen. Hieruit zijn vaak bouwstenen te halen die
                            in een nieuw jasje een brug kunnen slaan tussen heden en verleden.</al><al> In deel 4 zijn de loketcriteria opgenomen.</al><al> Tot slot komen dan nog aan de orde: de welstandscriteria voor
                            bouwplannen die binnen de invloedssfeer van monumenten</al><al> vallen, de procedure voor het opstellen van welstandscriteria bij
                            grotere (her)ontwikkelingsprojecten en de welstandscriteria die gebruikt
                            kunnen worden bij het repressief toezicht op vergunningsvrije bouwwerken
                            (de zogenaamde excessenregeling)</al><al> Voor de leesbaarheid is daarbij gekozen voor een volgorde van abstract
                            naar concreet: van algemene welstandscriteria, via 'relatieve'
                            welstandscriteria voor specifieke gebieden naar 'absolute' criteria voor
                            de sneltoets van veel voorkomende kleine bouwwerken. In de praktijk
                            zullen de loketcriteria veelal eerst worden geraadpleegd. </al><al> Redelijke eisen van welstand</al><al> Een ieder kan in de welstandsnota opzoeken welke welstandscriteria bij
                            de welstandsbeoordeling een rol zullen spelen.</al><al> De welstandscriteria zijn duidelijk geformuleerd en afgeleid van de
                            bestaande omgeving. Het uitgangspunt is dat</al><al> ieder de waardevolle karakteristieken van zijn eigen buurt kan
                            herkennen. Bij het ontwerpen van nieuwe gebouwen</al><al> of aanpassingen van bestaande bouwwerken moet daarmee rekening worden
                            gehouden. Wie bouwplannen heeft,</al><al> kan al vroeg in het ontwerpproces in overleg treden met de gemeente
                            zodat snel duidelijk is of die plannen kans van</al><al> slagen hebben. De welstandsnota is vooral een sturend en stimulerend
                            hulpmiddel en niet zozeer een instrument</al><al> om van alles te verbieden. Voorkomen moet worden dat er gebouwen worden
                            gerealiseerd die afbreuk doen aan de</al><al> omgeving. In een dergelijk geval krijgt de indiener gelegenheid de
                            plannen aan te passen. Ook dat hoort bij sturen</al><al> en stimuleren.</al><al> De welstandsnota heeft niet alleen betrekking op gebouwen, maar ook op
                            straatmeubilair, buitenreclame, openbare</al><al> verlichting, etc. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) vraagt in
                            veel gevallen een welstandstoets bij vergunningverlening.</al><al> Voor het maken van een inrit, het hebben van een uitstalling op het
                            trottoir of het aanbrengen van reclame</al><al> wordt advies gevraagd aan de Commissie welstand en monumenten. </al><al> Gebruik van de welstandsnota</al><al> Objectgerichte beoordelingscriteria Er zijn objectgerichte
                            welstandscriteria opgesteld voor bouwwerken die zo specifiek</al><al> zijn dat ze, ongeacht het gebied waarin ze worden geplaatst, een eigen
                            serie welstandscriteria vergen. Dit betreft</al><al> boerderijen en hooibergen. De opzet van deze objectgerichte
                            beoordelingskaders is vergelijkbaar met de hierna</al><al> beschreven gebiedsgerichte beoordelingskaders. Ook hierbij gaat het
                            steeds om 'relatieve' welstandscriteria. De</al><al> bouwplannen worden altijd aan de welstandscommissie voorgelegd, die bij
                            de beoordeling de criteria interpreteert in</al><al> het licht van het concrete bouwplan.</al><al> Gebiedsgerichte beoordelingscriteria</al><al> De welstandsnota geeft een beschrijving van de samenhang in en met
                            karakter van een bepaald gebied. Daaruit</al><al> ontstaat een reeks aandachtspunten of beoordelingscriteria. Het zijn
                            punten waar men op moet letten als men wil</al><al> bouwen of verbouwen in een bepaald gebied. In Laren zijn vier gebieden
                            onderscheiden die elk een eigen set aan</al><al> welstandscriteria hebben gekregen op basis van een beschrijving van de
                            samenhang in en het karakter van een bepaald</al><al> gebied of object. Met deze gebiedsgerichte welstandscriteria wordt ook
                            aangegeven in welke gebieden bijzondere</al><al> kwaliteiten aanwezig zijn en extra inspanningen worden verwacht en in
                            welke gebieden het handhaven van</al><al> de basiskwaliteiten voldoende is. </al><al> Loketcriteria</al><al> Als iemand wil weten welke welstandscriteria voor zijn bouwplan gelden,
                            kan hij allereerst in de welstandsnota nagaan</al><al> of het bouwplan valt onder de veel voorkomende kleine bouwplannen',
                            waarvoor loketcriteria zijn opgesteld.</al><al> Voor deze welstandstoets zijn loketcriteria opgesteld waarmee de
                            planindiener kan nagaan op welke wijze het</al><al> bouwplan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand voldoet. Wordt
                            het plan op deze manier ingediend, dan</al><al> kan een beoordeling door de commissie voor welstand en monumenten
                            achterwege blijven.</al><al> Algemene welstandscriteria</al><al> In een enkel geval zal het voorkomen dat de gebiedsgerichte en
                            objectgerichte welstandscriteria ontoereikend of te</al><al> beperkend zijn. Het kan gebeuren dat een plan wél voldoet aan redelijke
                            eisen van welstand maar niet aan de gebiedsgerichte</al><al> of objectgerichte criteria. Daarom zijn in de nota ook algemene
                            criteria opgenomen, waarmee een</al><al> bouwplan geheel op zichzelf, op de eigen architectonische kwaliteiten
                            kan worden beoordeeld. Deze criteria kunnen</al><al> niet te pas en te onpas worden gebruikt. Het moet gaan om
                            uitzonderlijke bouwwerken die op zichzelf een positieve</al><al> bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Ze zijn voor
                            onverwachte, experimentele of opvallende bouwwerken.</al><al> Als stelregel geldt daarbij dat er hogere eisen worden gesteld aan de
                            zeggingskracht en de architectuur, naarmate</al><al> een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. </al><al> Afwijken van het welstandsadvies?</al><al> Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies
                            van de welstandscommissie. Daarop zijn</al><al> de volgende uitzonderingsmogelijkheden:</al><al> • Afwijken op inhoudelijke grond: Burgemeester en wethouders kunnen op
                            inhoudelijke grond afwijken van het</al><al> advies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat
                            de welstandscommissie de van toepassing</al><al> zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar
                            hun oordeel niet de juiste criteria</al><al> heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders bij een reguliere
                            bouwvergunningsaanvraag op inhoudelijke</al><al> grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie, dan kunnen
                            zij, voordat het besluit</al><al> op de vergunningaanvraag wordt genomen maar binnen de daarvoor geldige
                            afhandelingstermijn, een nader</al><al> advies vragen . Het advies van deze commissie gaat boven het advies van
                            de reguliere welstandscommissie</al><al> en speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester
                            en wethouders. Indien burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond
                            afwijken van het advies van de welstandscommissie dan wel de
                            'second</al><al> opinion' wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de
                            bouwvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie</al><al> wordt hiervan op de hoogte gesteld.</al><al> • Afwijken om andere redenen: Burgemeester en wethouders krijgen
                            volgens artikel 44 lid 1d Ww de mogelijkheid</al><al> om bij strijd van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch
                            de bouwvergunning te verlenen</al><al> indien zij van oordeel zijn dat daar voor andere redenen zijn,
                            bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke</al><al> aard.</al><al> Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                            bouwvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie</al><al> wordt hiervan op de hoogte gesteld. In Laren zullen burgemeester en
                            wethouders uiterst terughoudend</al><al> zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke
                            kwaliteit niet snel ondergeschikt</al><al> wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen.</al><al> Supervisor</al><al> De gemeente kan bij de ontwikkeling van een bepaald gebied een (extern)
                            ontwerpteam aanwijzen dat als taak kan</al><al> krijgen de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en de initiatiefnemers
                            te stimuleren. Een vertegenwoordiging van de</al><al> commissie voor welstand en monumenten of een externe deskundige -de
                            supervisor- kan daaraan deelnemen. De</al><al> supervisor treedt niet in de plaats van de commissie voor welstand en
                            monumenten. Het is van belang dat de supervisor</al><al> aan de hand van schriftelijke verslagen van de gevoerde overleggen, de
                            commissie voor welstand en monumenten</al><al> informeert. </al><al> Excessenregeling</al><al> Volgens artikel 12, eerste lid, Woningwet zijn vergunningsvrije
                            bouwwerken vrij van welstand. Dat laat onverlet dat</al><al> de excessenregeling van artikel 19 Woningwet van toepassing is. De
                            excessenregeling houdt in dat, indien het uiterlijk</al><al> van bouwvergunningvrije bouwwerken ernstig in strijd is met redelijke
                            eisen van welstand, burgemeester en wethouders</al><al> kunnen aanschrijven tot het treffen van voorzieningen.</al><al> Of van ernstige strijd sprake is, zal aan de hand van de welstandsnota
                            die door de gemeenteraad volgens artikel</al><al> 12a Woningwet moet zijn vastgesteld, door burgemeester en wethouders
                            worden bepaald. De bouwer van een</al><al> bouwvergunningvrij bouwwerk kan uit die welstandsnota destilleren aan
                            welke eisen dat bouwwerk moet voldoen,</al><al> wil hij geen risico lopen om aangeschreven te worden tot het treffen
                            van voorzieningen van aan hen in het kader van</al><al> de welstandbeoordeling toegekende bevoegdheden en taken.</al><al> Tot slot</al><al> De welstandscriteria zijn door de raad vastgesteld en voor iedereen
                            beschikbaar. De welstandscommissie beoordeelt</al><al> bouwvergunningaanvragen in een openbare vergadering. De agenda van de
                            welstandscommissie is openbaar.</al><al> Planindieners en ontwerpers kunnen via de gemandateerd ambtenaar, van
                            de gemeente een afspraak maken met</al><al> de welstandscommissie om een toelichting te geven op hun bouwplan. Zij
                            kunnen de beoordeling bijwonen en een</al><al> uitleg krijgen over het advies. De vergaderingen van de welstand- en
                            monumentencommissie zijn openbaar.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>2</nr><titel>De welstandscriteria</titel></kop><structuurtekst><al>In dit deel komen de welstandscriteria aan de orde die worden gebruikt
                            voor de beoordeling van kleine en middelgrote</al><al> bouwplannen die zich voegen naar de bestaande ruimtelijke structuur van
                            Laren. Daarbij wordt onderscheid</al><al> gemaakt tussen: algemene en gebiedsgerichte criteria.</al><al> De algemene beleidscriteria liggen ten grondslag aan elke
                            planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor</al><al> de uitwerking van de gebiedsgerichte welstandscriteria.</al><al> De gebiedsgericht criteria zijn, zoals de naam al doet vermoeden, aan
                            een samenhangend gebied gekoppeld. Deze</al><al> criteria komen in deel 3 aan de orde.</al><al> In de meest waardevolle gebieden spreekt het voor zich dat de
                            welstandstoets gedetailleerder zal zijn dan in een</al><al> minder kwetsbaar gebied.</al><al> Algemene welstandscriteria</al><al> De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd
                            richten zich op de zeggingskracht en het</al><al> vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op
                            vrij universele kwaliteitsprincipes. </al><al> In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte
                            welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het</al><al> nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene
                            welstandscriteria.</al><al> Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan (slaafs) is
                            aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria,</al><al> maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn
                            omgeving negatief zal beïnvloeden.</al><al> Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige
                            omgeving maar door bijzondere schoonheid</al><al> wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggegrepen
                            op de algemene welstandscriteria. De</al><al> commissie voor welstand en monumenten kan burgemeester en wethouders in
                            een dergelijk geval gemotiveerd en</al><al> schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af
                            te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte</al><al> welstandscriteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan
                            alleen op grond van de algemene welstandscriteria</al><al> wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze
                            criteria overtuigend kan</al><al> worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt
                            dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat</al><al> er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het
                            architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk</al><al> zijn omgeving sterker domineert. </al><al> De volgende aspecten van de Algemene welstandscriteria worden bij een
                            beoordeling betrokken:</al><al> Relatie tussen vorm, gebruik en constructie</al><al> Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het
                            welstandstoezicht slechts is gericht op de</al><al> uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los
                            worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik</al><al> en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een
                            doelmatige constructie te maken.</al><al> Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm.</al><al> Daarmee is niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het
                            gebruik of de constructie. Ook wanneer andere</al><al> aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces
                            gaan domineren, mag worden verwacht dat</al><al> de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met
                            zijn oorsprong.</al><al> Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een
                            rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie.</al><al> Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals
                            de omgeving en de associatieve</al><al> betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm
                            in tegenspraak is met het gebruik en de</al><al> constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en
                            integriteit. </al><al> Relatie tussen bouwwerk en omgeving</al><al> Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in
                            bezit nemen van een deel van de algemene</al><al> ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de
                            externe begrenzing van de gebouwen als ook</al><al> de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het
                            gebouw is een particulier object in een openbare</al><al> context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen
                            functioneren alleen maar ook in de betekenis die</al><al> het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook
                            van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving</al><al> mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet
                            ontkent. Waar het om gaat is dat</al><al> het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de
                            omgeving en de ontwikkeling daarvan.</al><al> Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de
                            gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid</al><al> verschaffen.</al><al> Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context</al><al> Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een
                            taal zijn eigen grammaticale regels heeft</al><al> om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten
                            ter discussie kunnen staan. Maar als ze</al><al> worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst
                            verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk</al><al> verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving
                            niet bewust worden gehanteerd.</al><al> Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen
                            zij een zelfstandige betekenis en roepen</al><al> zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters
                            in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren</al><al> van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties
                            op met techniek en vooruitgang.</al><al> In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van wijzigingen en
                            associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig</al><al> was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de
                            kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de</al><al> wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en
                            geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele</al><al> culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die
                            bruikbaar zijn de bestaande maatschappelijke realiteit.</al><al> Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer
                            dat er een bouwwerk ontstaat dat integer</al><al> is naar zijn tijd doordat het op de grond van zijn uiterlijk in de tijd
                            worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties
                            is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of
                            verbouw in bestaande</al><al> (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat
                            authentiek is en wat nieuw is toegevoegd.</al><al> Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode,
                            maar dat is iets anders dan het imiteren van</al><al> stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. </al><al> Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te
                            "begrijpen" als beeld van de tijd waarin zij is</al><al> ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een
                            stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij</al><al> nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen
                            immers de geschiedenis van de toekomst.</al><al> Evenwicht tussen helderheid en complexiteit</al><al> Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden
                            gesteld is dat er structuur wordt aangebracht</al><al> in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en
                            is bepalend voor het beeld dat men</al><al> vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en
                            materialen maken het voor de gemiddelde</al><al> waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de
                            gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot</al><al> een bevattelijk beeld.</al><al> Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid.
                            Een bouwwerk moet de waarnemer blijven</al><al> prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag
                            best een beheerst beroep op de creativiteit</al><al> van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom
                            helderheid en complexiteit als complementaire</al><al> begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in
                            de architectonische compositie ontstaat</al><al> vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het
                            bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving</al><al> met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk
                            aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle</al><al> relatie. </al><al> Schaal en maatverhoudingen</al><al> Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de
                            betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote</al><al> bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar
                            worden onherkenbaar en ongeloofwaardig</al><al> als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande
                            kleine bouwwerken. De maatverhoudingen</al><al> van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan,
                            maar vormen tegelijk één van de meest</al><al> ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer
                            ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen</al><al> van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde
                            ruimte aangenamer, evenwichtiger</al><al> of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te
                            stellen.</al><al> Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de
                            maatverhoudingen een sterkere samenhang en</al><al> hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en
                            contrast daarin werken.</al><al> De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de
                            compositie van het gevelvlak. Hellende daken</al><al> vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde
                            elementen (zoals een dakkapel, een</al><al> aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de
                            hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren</al><al> zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving
                            waarin dat is geplaatst.</al><al/><al> Materiaal, textuur, kleur en licht</al><al> Door middel van materialen en kleuren krijgt een bouwwerk uiteindelijk
                            zijn visuele en tactiele kracht. De keuze van</al><al> materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal
                            aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden</al><al> is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een
                            onsamenhangend beeld groot. Als materialen</al><al> en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen
                            ondersteunende functie hebben maar slechts</al><al> worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis
                            ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan</al><al> de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval
                            wanneer het gebruik van materialen en kleuren</al><al> geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer
                            het gebruik van materialen en kleuren</al><al> een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het
                            bouwwerk in de weg staat. </al><al> Naast deze Algemene welstandscriteria moet rekening worden gehouden
                            met:</al><al> Gebiedsgerichte criteria</al><al> Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte
                            welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria</al><al> worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich
                            voegen binnen de bestaande ruimtelijke</al><al> structuur van Laren. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van
                            de gemeente en het architectonisch vakmanschap</al><al> en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden
                            aangetroffen. Deze criteria geven</al><al> aan hoe een bouwwerk zich moet gedragen om in zijn omgeving niet teveel
                            uit de toon te vallen, en welke gewaardeerde</al><al> karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden
                            gebruikt.</al><al> Monumentenbeleid</al><al> Monumentale gebouwen en structuren in de gemeente zijn geïnventariseerd
                            en Laren telt in totaal ongeveer 88</al><al> Rijksmonumenten en ongeveer 135 gemeentelijke monumenten en ongeveer 80
                            beeldbepaalde panden (zie de monumentenlijst</al><al> in bijlage 2). Een deel van het centrum is aangewezen als Beschermde
                            stads- en dorpsgezichten. De</al><al> verwachting is dat deze aantallen in de toekomst uitgebreid worden. </al><al> Monumentencommissie en monumentenbeleid</al><al> Behalve advisering in het kader van de Woningwet, is de commissie voor
                            welstand en monumenten ook door de</al><al> gemeenteraad aangewezen om te adviseren in het kader van artikel 15 van
                            de Monumentenwet. Er is sprake van</al><al> een geïntegreerde adviescommissie, dat wil zeggen dat de commissie voor
                            welstand en monumenten tevens</al><al> bouwaanvragen voor een monument beoordeelt.</al><al> Openbare ruimte, groenbeleid en beeldende kunst</al><al> De gemeente besteedt veel aandacht aan de inrichting van de openbare
                            ruimte en voert dit ook uit in eigen beheer.</al><al> In het groenbeleidsplan is de kwaliteit van de openbare ruimte en groen
                            een speerpunt van beleid. De gemeente</al><al> streeft naar kwaliteitsverbetering en duurzaam groen door beleid te
                            richten op een duurzame inrichting van de</al><al> openbare buitenruimte en door de groendiscipline een volwaardige plaats
                            te geven binnen de ruimtelijke planvorming, onder andere door
                            veiligstelling in bestemmingplannen. </al><al> Laren kent een omvangrijk buitengebied dat grotendeels valt onder de
                            Natuurbeschermingswet. Het beheer wordt</al><al> grotendeels door het Goois Natuur Reservaat als eigenaar uitgevoerd.
                            Beleid en uitvoeringsplannen liggen daaraan</al><al> ten grondslag.</al><al> De gemeente Laren voert door middel van het zogenoemde plaatsingsplan
                            beleid ten aanzien van beeldende kunst</al><al> in de openbare ruimte en laat zich daarbij adviseren door de
                            Kunstcommissie. Ook deze plannen worden voorgelegd</al><al> aan de commissie voor welstand en monumenten. </al><al> Hardheidsclausule</al><al> Burgemeester en wethouders kunnen, op advies van de commissie voor
                            welstand en monumenten afwijken van de</al><al> welstandscriteria. Dit kan het geval zijn bij plannen die van
                            bijzondere architectonische waarde zijn. Deze plannen</al><al> dienen altijd te voldoen aan de algemene welstandscriteria.</al><al> Welstandscriteria excessen</al><al> Toetsing achteraf. Als voor een vergunningsplichtig bouwwerk geen
                            bouwvergunning is aangevraagd, dan wel het</al><al> bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de
                            bouwvergunning is afgegeven, krijgt de eigenaar de</al><al> gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor
                            het gerealiseerde bouwwerk. Als deze</al><al> bouwvergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld vanwege een negatief
                            welstandsadvies, dan kunnen burgemeester</al><al> en wethouders degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is,
                            aanschrijven om binnen een door</al><al> hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen. </al><al> De gemeente geeft met deze welstandsnota regels voor het
                            welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de</al><al> naleving daarvan. De gemeente Laren zal tevens prioriteit geven aan het
                            handhavingsbeleid en illegale bouwwerken</al><al> (of gebruik dat strijdig is aan het bestemmingsplan) actief op te
                            sporen en daar tegen op te treden.</al><al> Ook bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning hoeft te worden aangevraagd
                            moeten aan minimale welstandseisen</al><al> voldoen. Volgens artikel 13 A Woningwet kunnen burgemeester en
                            wethouders de eigenaar van een bouwwerk,</al><al> dat in ernstige mate in strijd is met “redelijke eisen van weistand”,
                            aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Volgens</al><al> datzelfde wetsartikel moeten de criteria hiervoor in de welstandsnota
                            zijn opgenomen. </al><al> Criteria bij excessen</al><al> De gemeente Laren hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling
                            het criterium dat er sprake moet zijn van</al><al> een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen
                            evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een
                            gebied. Dit heeft betrekking op:</al><al> ? Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving
                            (zoals het dichtmetselen van gevelopeningen),</al><al> ? Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij
                            aanpassing van een bouwwerk,</al><al> ? Armoedig materiaalgebruik (zoals hergebruikte bouwmaterialen die niet
                            opnieuw worden gestuct of geverfd),</al><al> ? Het toepassen van niet geëigend materiaal (zoals afgedankte deuren
                            voor een erfafscheiding)</al><al> ? Het toepassen van felle (primaire) of contrasterende kleuren ten
                            opzichte van het gebouw of zijn omgeving (zoals</al><al> fluorescerende kleuren, gekleurde verlichting gericht op gebouwen en
                            beschilderingen in mozaïek motief)</al><al> ? Het plegen van een te grove inbreuk op wat in de omgeving
                            gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte</al><al> welstandscriteria)</al><al> Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de loketcriteria voor licht
                            vergunningsplichtige bouwwerken zijn per</al><al> definitie niet in strijd met redelijke eisen van welstand. </al><al> Criteria bij (her)ontwikkeling</al><al> Bij grootschalige ontwikkelingsprojecten worden bij de
                            stedenbouwkundige planvoorbereiding nieuwe welstandscriteria</al><al> vastgesteld in de vorm van een aanvulling van de welstandsnota. Voor
                            dergelijke aanvullingen geldt dat de inspraak</al><al> wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de
                            stedebouwkundige planvoorbereiding. Na afronding</al><al> van de ontwikkelingsfase worden voor de betreffende gebieden reguliere
                            welstandscriteria opgesteld die gericht zijn</al><al> op het beheer van het gebied.</al><al> Bij in- of uitbreidingsprojecten zal voortaan bij de stedenbouwkundige
                            planvoorbereiding tevens – in overleg met de</al><al> commissie voor welstand en monumenten - bekeken worden of voor de
                            projectontwikkeling nieuwe welstandscriteria</al><al> vastgesteld moeten worden. Indien dit het geval is, dan stellen
                            burgemeester en wethouders deze criteria ad hoc</al><al> vast.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>3</nr><titel>Gebiedsgerichte criteria</titel></kop><structuurtekst><al>Gebiedsindeling</al><al> Er zijn in Laren vier gebieden te onderscheiden:</al><al> a. Het eerste is de oude agrarische kern waar vroeger de bebouwing
                            (vooral boerderijen) geconcentreerd was. Dit</al><al> centrumgebied komt grotendeels in aanmerking om als beschermd gebied te
                            worden aangemerkt. De procedure</al><al> daarvoor loopt</al><al> b. Het tweede gebied is de schil om het centrum. Vanouds zijn dit de
                            engen ofwel de akkers die door individuele</al><al> boeren werden bebouwd. Vanaf ± 1880 wordt dit gebied langzaam maar
                            zeker bebouwd.</al><al> c. Het derde gebied wordt gevormd door de hoger gelegen (slechte)
                            landbouwgronden waarop al vroeg landgoederen</al><al> en grote villa’s zijn gerealiseerd.</al><al> d. Het vierde gebied is het gebied dat vooral na de tweede wereldoorlog
                            is bebouwd om in de dringende woningbehoefte</al><al> te voorzien.</al><al> Deze indeling is ontleend aan het voortgaande Beeldkwaliteitplan. Voor
                            de herkenbaarheid is deze indeling in deze</al><al> Welstandsnota aangehouden.</al><al> Per gebied is een samenhangend beoordelingskader opgesteld, waarin de
                            volgende onderdelen aan de orde komen:</al><al> · Een korte beschrijving van het gebied, waarbij aandacht wordt besteed
                            aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige</al><al> of landschappelijke omgeving, een typering van de bouwwerken en het
                            materiaal- en kleurgebruik</al><al> en de detaillering.</al><al> · Een samenvatting van het beleid, de gewenste ontwikkeling en de
                            waardering voor het gebied op grond van de</al><al> belevingswaarde en eventuele bijzondere cultuurhistorische,
                            stedenbouwkundige of architectonische werken.</al><al> · De aanvullende beleidsinstrumenten die de gemeente inzet in het
                            gebied.</al><al> · Het voor het gebied geldende welstandsniveau.</al><al> · De welstandscriteria, steeds onderverdeeld in criteria betreffende de
                            relatie met de omgeving van het bouwwerk,</al><al> de massa, de opbouw en de detaillering.</al><al> Welstandsniveau’s</al><al> Per gebied is aangegeven welk welstandsregiem van toepassing is. In het
                            centrum wordt de lat hoog gelegd omdat</al><al> de historische kwaliteit dit vraagt; in andere gebieden wordt een extra
                            inspanning gevraagd omdat het gebied extra</al><al> bijdraagt aan het collectieve beeld. In grote delen ligt de nadruk op
                            een conformeren aan de bestaande kwaliteit.</al><al> Voor het uitgebreide natuurgebied zijn uit praktische overwegingen geen
                            gebiedscriteria geformuleerd. Voor zover</al><al> nodig zijn de algemene welstandscriteria van toepassing. Er zijn, van
                            hoog naar laag, vier niveaus van welstandstoetsing</al><al> te onderscheiden:</al><al> · het specifieke welstandsbeleid gebaseerd op door het Rijk aan te
                            wijzen beschermde stads- of dorpsgezicht</al><al> waarbij het welstandstoezicht is afgestemd op de redengevende
                            omschrijving,</al><al> · het bijzondere welstandsgebied waar extra inspanning ten behoeve van
                            de ruimtelijke kwaliteit gewenst is,</al><al> · het reguliere welstandsbeleid waar de huidige basiskwaliteit moet
                            worden gehandhaafd,</al><al> · het welstandsvrije gebied. </al><al> Het specifiek welstandstoezicht omvat naast het (te beschermen)
                            dorpsgezicht een vijftal kleinere gebiedjes die</al><al> bij de laatste monumenteninventarisatie als beschermingswaardig werden
                            aangemerkt. Omdat een aanwijzing als</al><al> gemeentelijk beschermd dorpsgezicht bestuurlijk te vergaand wordt
                            gevonden is gekozen voor extra aandacht vanuit</al><al> het welstandstoezicht. Het specifieke welstandstoezicht in deze
                            gebieden betekent dat met name zal worden gelet</al><al> op:</al><al> · de samenhang van het te beoordelen plan met zijn omgeving</al><al> · de wijze waarop met de redengevende omschrijving, die ten grondslag
                            ligt aan het monument en/of het te beschermen</al><al> gebied, wordt omgegaan.</al><al> · kleur en materiaalgebruik van het pand</al><al> · de toepassing van reclame en rolhekken</al><al> · de mate van ‘verrijking’ of ‘versobering’ van een gebouw in de
                            detaillering (bijvoorbeeld goten en kozijnen)</al><al> · de terreininrichting inclusief beplanting en erf afscheidingen.</al><al> Het te beoordelen plan dient inzicht te geven in deze aspecten. Deze
                            plannen worden in de voltallige commissie beoordeeld.</al><al> Voor wijzigingen die normaal gesproken vergunningvrij zijn, maar enkel
                            door het feit dat deze in een te beschermen</al><al> gebied liggen (lichte) bouwvergunningsplichtig zijn, geldt het
                            bijzondere welstandstoezicht. Dit kan, mits het geen</al><al> Rijks of Gemeentelijk monument betreft, ambtelijk worden afgedaan.</al><al> Het bijzondere welstandstoezicht geldt vooral voor die straten en
                            terreinen die bij een eerste kennismaking met</al><al> Laren bepalend zijn voor de beeldvorming en het image van het dorp
                            Laren als geheel. In het algemeen gaat het om</al><al> de entrees van het dorp en doorgaande wegen. Kenmerken als:</al><al> · het groene landelijke karakter,</al><al> · hoogwaardige architectuur en</al><al> · kunst in een brede betekenis,</al><al> zijn criteria die bij een toetsing van plannen extra aandacht krijgen.
                            Solitaire monumenten en beeldbepalende panden</al><al> vallen eveneens onder het bijzondere welstandstoezicht. </al><al> Voor de deelgebieden Villa gebieden en Schil rond het centrum geldt
                            voor de omzetting van woningen in appartementen,</al><al> zoals bedoeld in de Structuurvisie Laren 2008-2023, een bijzonder
                            welstandstoezicht voor wat betreft de</al><al> kwaliteitseisen. In het kader van welstandstoetsing wordt daarom
                            verwezen naar de geldende criteria in deze structuurvisie.</al><al> Het regulier welstandstoezicht geldt voor die gebieden waar zonder veel
                            problemen afwijkingen van de bestaande</al><al> ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen
                            mogelijk is. De gemeente stelt hier geen bijzondere</al><al> eisen aan de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandstoezicht is gericht op
                            het handhaven van de basiskwaliteit</al><al> van de gebieden. </al><al> Welstandsvrije gebieden zijn in Laren niet aangewezen. Die delen van de
                            gemeente die geen gebiedsbeschrijving</al><al> kennen vallen onder het algemene welstandsbeleid zoals in deel 2 is
                            beschreven.</al><al> De ruimtelijke geschiedenis van Laren</al><al> Veel van wat we in Laren zien en waarderen is in het verleden aangelegd
                            en gebouwd. Dit ondanks het feit dat er</al><al> ook destijds discussie is gevoerd over de schoonheid van een aantal van
                            de nu gewaardeerde gebouwen. De Larense</al><al> commissie voor welstand en monumenten is o.a. uit die discussie
                            ontstaan. Een waardering voor het bestaande</al><al> veronderstelt dan ook begrip en respect voor het historisch ontstaat.
                            Om met respect voor het verleden op</al><al> een eigentijdse manier in Laren te bouwen, wordt in dit hoofdstuk
                            aangegeven wat, historisch gezien, belangrijk is</al><al> om bij het maken van plannen te respecteren. </al><al> Laren in aanleg</al><al> Vanouds wordt Laren gekenmerkt door een relatief groot hoogteverschil
                            (van 2.50 tot 25.00 m + N.A.P.). Dit hoogteverschil</al><al> en de daarmee verband houdende grondwaterstand was van invloed op de
                            ontwikkeling van Laren. Zoals</al><al> de meeste esdorpen in het Gooi en op de Utrechtse heuvelrug is ook
                            Laren ontstaan rond de 5.00 m hoogtelijn (niet</al><al> te natte en niet te droge humus houdende bosgrond). Aanvankelijk als
                            drie buurtschappen.</al><al> De agrarische ontwikkeling van die buurtschappen is langzaam gegaan. In
                            eerste instantie zijn de gebieden rond de</al><al> boerderijen in cultuur gebracht. Omdat men slechts de beschikking had
                            over primitief gereedschap werden alleen de</al><al> meest hinderlijke bomen verwijderd. Daardoor ontstonden er min of meer
                            ovale akkers. Het grillige stratenpatroon</al><al> dat daardoor ontstond is in het centrum nog terug te vinden.</al><al> De Larense Brink met Coeswaerde en enkele aangrenzende gebiedjes vormen
                            als het ware het Larense handelsmerk,</al><al> het maakt het dorp herkenbaar en tevens uniek. De onvervangbare waarde
                            en schoonheid van dit gebied</al><al> plus het brinkje aan de St. Janstraat rechtvaardigen een stringente
                            bescherming. De Welstandsnota conformeert</al><al> zich hieraan. </al><al> De agrarische uitbouw</al><al> Vanuit de drie buurtschappen is zeer geleidelijk meer en meer
                            landbouwgrond ontgonnen. Deze tweede fase in de</al><al> Larense dorpsuitleg betrof grofweg het gebied tussen de 8.00 en 15.00 m
                            hoogtelijn. In de tweede helft van de 19e</al><al> eeuw wordt deze grond in het kadaster als 2e klasse landbouwgrond
                            gewaardeerd. De grond werd hoofdzakelijk</al><al> voor de akkerbouw gebruikt. De schil om het centrum omvat een groot
                            deel van deze grond. De aanwezige beplanting</al><al> bestond vooral uit houtwallen, die tot doel had om ongewenst wild en
                            vee te weren. Houtwallen als erfafscheiding</al><al> van grotere percelen passen uitstekend bij het Larense karakter. De nog
                            aanwezige houtwallen verdienen een</al><al> zorgvuldig beheer en waar mogelijk uitbreiding.</al><al> Op een enkele uitzondering na bestonden de wegen uit onverharde
                            zandpaden die zich vanuit de buurtschappen</al><al> steeds verder vertakten en elkaar kruisten waardoor ruitvormige
                            verkavelingpatronen ontstonden. Dit patroon is ook</al><al> nu nog in de wegenstructuur herkenbaar. Karakteristiek en beeldbepalend
                            zijn de nog aanwezige zandpaden, gaffelvormige</al><al> wegaansluitingen en holle straatprofielen.</al><al> De Drift/Pruisenbergen en het noordelijke deel van de Tafelbergweg
                            bezitten nog een dergelijk hol straatprofiel.</al><al> Tussen de 15.00 en 20.00 m hoogtelijn lagen de droge en daardoor minder
                            waardevolle 3e klasse landbouwgronden.</al><al> Vanaf globaal de 20.00 m hoogtelijn beginnen de heide en de
                            eikenhakhoutbosjes (4e klasse gronden). Op deze 4e</al><al> klasse gronden, het minst geschikt voor de landbouw, ontstonden al in
                            een vroeg stadium (ca 1835) enkele omvangrijke</al><al> landgoederen. Hoewel dit gebied in de loop van de tijd steeds
                            intensiever bebouwd is geraakt bezit dit deel van</al><al> Laren nog steeds dat groene karakter. Het derde gebied van de
                            Welstandsnota bevat hoofdzakelijk dit gebied. </al><al> De verandering naar forensendorp</al><al> Op de eerste kadastrale kaart van 1823 wordt Laren nog in zijn
                            agrarische luister weergegeven. De molen ligt aan</al><al> de westkant van het dorp en kan volop profiteren van een vrije
                            windaanvoer over de open eng.</al><al> Volgens de eerste militaire topografische kaart is deze situatie in
                            1855 nog nauwelijks veranderd. Slechts een enkele</al><al> villa en het landgoed Larenberg (1835) blijken in deze periode het
                            dorpsbeeld te hebben veranderd.</al><al> Rond de eeuwwisseling, als trein en tram het Gooi hebben ontsloten,
                            begint Laren pas goed in de belangstelling van</al><al> kunstenaars en forensen te komen. De eerste villa's verschijnen rond de
                            Naarderstraat en Hilversumseweg, aan de</al><al> tramlijn en aan de verharde straat, dicht bij de voorzieningen van het
                            dorp. Veel kunstenaars, met name schilders,</al><al> laten atelierwoningen bouwen. Door de initiatieven van hotelier Jan
                            Hamdorff wordt deze ontwikkeling versterkt en</al><al> mag Laren zich in een brede landelijke belangstelling verheugen.</al><al> Er wordt in deze tijd nog niet planmatig gebouwd. Gronden die voor de
                            landbouw niet zo belangrijk zijn, zoals de</al><al> arme 4e klasse grond en restperceeltjes en percelen evenwijdig aan de
                            straat raken het eerste bebouwd. De erfgooier</al><al> probeert zijn agrarisch bedrijf nog zo lang mogelijk voort te zetten.
                            Als nevenindustrie ontstaan er in Laren</al><al> kleine huisweverijen, later gevolgd door enige grotere tapijtweverijen.
                            Met uitzondering van de tapijtweverijen is er in</al><al> Laren nog een rijke schakering aan boerderijen, forenzenwoningen,
                            atelierwoningen en daglonerhuisjes te vinden.</al><al> Van 1899 tot 1911 vestigt zich in het grensgebied van Laren-Blaricum
                            een kolonie van christen-anarchisten onder</al><al> leiding van prof. J. van Rees. De kolonie was geïnspireerd op
                            internationale denkbeelden over een maatschappij visie</al><al> waarin "gemeenschappelijkheid" centraal stond ter bestrijding van
                            armoede, geweld en rechteloosheid.</al><al> Vanuit een vergelijkbare sociale betrokkenheid, doch op een
                            realistische basis gestoeld, ontstond rond 1915 in de</al><al> omgeving van de Smeekweg, het woningbouwcomplex van de
                            "woningbouwvereniging voor Erfgooiers".</al><al> Onder invloed van de Woningwet l901 wordt nog voor de eerste
                            wereldoorlog een begin gemaakt met een dorpsuitleg.</al><al> (o.a. Velthuysenlaan en de Van Wulfenlaan). Uit deze periode stammen
                            nog een aantal prachtige woningen van</al><al> bekende architecten als de Bazel, Berlage, Hanrath en Kropholler. Het
                            is met name deze transformatie van een</al><al> agrarische gemeenschap naar een forenzengemeenschap die de basis is
                            geweest voor aanwijzing van een deel</al><al> van het centrum als beschermd gebied. </al><al> Na de eerste wereldoorlog begint de verstedelijking pas goed op gang te
                            komen. Door de aanleg van wegen worden</al><al> grotere stukken landbouwgrond bouwrijp gemaakt. De aanleg van het
                            Hoefloo is daarvan een goed voorbeeld. Bekende</al><al> architecten als Wouter Hamorff en Rueter, maar ook
                            landschapsarchitecten als Springer bepalen deels het</al><al> "nieuwe" gezicht van Laren. De inventarisatie "Laren rijk aan
                            monumenten" geeft een goed overzicht van deze ontwikkeling.</al><al> Een van de eerste stedebouwkundige plannen betrof het uitbreidingsplan
                            van 11 april 1935. De toenmalige eng</al><al> werd hierin nagenoeg geheel verkaveld. De agrarische functie stond in
                            die tijd onder grote (financiële) druk. Blijkens</al><al> voorontwerpen was een goede aansluiting van het dorp op de nieuwe
                            straat Amsterdam-Amersfoort (de huidige A1)</al><al> voor een forensendorp als Laren erg belangrijk. </al><al> Van de oorspronkelijke eng zijn nu nog slechts restanten over. Het
                            geheel van engrestanten en een informele bebouwing aan smalle, bochtige,
                            soms holle en onverharde wegen bepalen in hoge mate het landelijke
                            karakter van</al><al> Laren. Via een aanwijzing als relatienota gebied wordt aan
                            beheersplannen voor de Larense engen gewerkt e.e.a.</al><al> gebeurt in overleg met het Goois Natuurreservaat die de eng beheert.
                            Deze beheersplannen zijn met het Welstandsnota</al><al> vergelijkbaar. Zij resulteren uiteindelijk in
                            beheersovereenkomsten.</al><al> In de jaren '50 komt het uitbreidingsplan 1953 tot stand. De intensieve
                            verkaveling uit het plan 1935 blijft daarin gehandhaafd.</al><al> Onder invloed van nieuwe planologische inzichten over de scheiding
                            wonen, werken en recreëren en de</al><al> daarmee gepaard gaande verkeerstoename (de aanleg van autosnelwegen)
                            wordt in dit plan een ringvormige verkeersontsluiting</al><al> om het centrum gepland. Men maakt zoveel mogelijk gebruik van bestaande
                            en al eerder geprojecteerde</al><al> wegen. Aan deze ringwegen werden eveneens woningen geprojecteerd. Een
                            aantal wegen was echter</al><al> zodanig geprojecteerd dat relatief veel grondeigenaren daaraan hun
                            medewerking moesten verlenen. De ‘ringweg’</al><al> is dan ook slechts gedeeltelijk aangelegd. De Steffenshein-West en de
                            Essenboom zijn delen van wat een ringweg</al><al> had moeten worden. In het op de doelstellingennota 1978 gebaseerde
                            beleid is afstand genomen van deze ringweg.</al><al> Sindsdien richt het beleid zich met name op inbreidingsplannen (de
                            Omloop, Engelsjan) en het aanpassen van bestemmingsplannen</al><al> aan de maatschappelijke realiteit. Veel bedrijven zijn de laatste jaren
                            naar elders vertrokken. De</al><al> bedrijfsgebouwen zijn veelal afgebroken en door appartementen
                            vervangen. Voorbeelden zijn de Postkoets, Wevershoek,</al><al> Spinnewiel, Vredenburgh, St. Janpark en Hamdorff. </al><al> In het voorgaande is een verband gelegd tussen de economische en
                            maatschappelijke ontwikkelingen zoals Laren</al><al> die in de loop der eeuwen heeft doorgemaakt en de ruimtelijke
                            verandering die daarvan het gevolg was. Deze processen</al><al> staan niet stil. Na de tweede wereldoorlog is Laren geleidelijk
                            veranderd.</al><al> De sterke opkomst van de telecommunicatie heeft wat dat betreft voor
                            een regionale impuls gezorgd. In Hilversum</al><al> heeft zich dat vooral in werkgelegenheid vertaald, in Laren in een luxe
                            woningmarkt en een sterke koopkracht. Van</al><al> een forensendorp werd Laren een hoogwaardig regionaal winkelcentrum
                            voor het Gooi en verre omstreken.</al><al> De ontwikkelingen in de Hilversumse telecommunicatiesector doen die
                            markt nog steeds groeien. De uitstraling</al><al> daarvan op de regio plus een vergrijzend maar koopkrachtig publiek
                            rechtvaardigt de verwachting dat de situatie</al><al> zich op zijn minst zal stabiliseren.</al><al> Om het huidige voorzieningenniveau in een concurrerende markt met
                            kritische consumenten te kunnen handhaven</al><al> worden steeds hogere eisen gesteld aan de kwaliteit van het totaal aan
                            voorzieningen van wegen, groen, winkels,</al><al> etc. De welstandsnota kan daarin richtinggevend zijn. </al><al> De Larense Welstandsnota omvat vier gebieden (zie tekening). Hoewel de
                            grenzen daarvan niet scherp te trekken</al><al> zijn, zijn deze gebieden elk min of meer homogeen van karakter. Die
                            homogeniteit hangt samen met de economische</al><al> en maatschappelijke ontwikkelingen die Laren in de loop der eeuwen
                            heeft doorgemaakt en hiervoor zijn beschreven.</al><al> Gebiedsomschrijving "Rond de Brinken”</al><al> De Brink is het hart van Laren. Door ligging, omvang, bladerendak,
                            dobbe (vijver) en gebruiksmogelijkheden is De</al><al> Brink beeldbepalend voor het landelijke karakter van Laren.</al><al> In de voetsporen van kunstenaar, forens en economische ontwikkelingen
                            is het agrarische dorp Laren met zijn plattelandssfeer</al><al> veranderd in een forensendorp met een exclusieve regionale
                            winkelfunctie. De herkenbaarheid van dit</al><al> transformatieproces is de belangrijkste reden om een groot deel van het
                            centrum als een beschermd dorpsgezicht</al><al> aan te wijzen. Dit transformatieproces heeft een grote diversiteit aan
                            gebouwen gebracht. De welstandscriteria voor</al><al> dit centrumgebied hebben mede tot doel om die diversiteit te
                            beschermen.</al><al> Rond de kleinere brinken (Krommepad en St.Janstraat) is het agrarisch
                            karakter van Laren nog het sterkst aanwezig.</al><al> Het zijn vooral de boerderijen die door hun ogenschijnlijk willekeurige
                            ligging, grote rieten daken, tuinen en hagen</al><al> het karakter bepalen. De brinkjes zelf zijn, in tegenstelling tot de
                            Brink van Laren, parkeereilandjes geworden.</al><al> Ze zijn geïsoleerd geraakt van hun omgeving. </al><al> Algemene gebiedskenmerken</al><al> De ruimtelijke kenmerken van dit centrumgebied wordt in het algemeen
                            bepaald door:</al><al> ? de open Brink met zijn bomen, vijver en gebruiksmogelijkheden</al><al> ? de brinken aan de St. Janstraat en het Krommepad</al><al> ? een vriendelijk landelijke sfeer</al><al> ? het weinig commerciële karakter van de gebouwen (een ingetogen
                            reclame, het spaarzame gebruik van rolluiken</al><al> en het ontbreken van grootschalige gebouwen met veel glas en een sterke
                            horizontale geleding)</al><al> ? de aanwezigheid van veel karaktervolle gebouwen, vaak beeldbepalend
                            en soms monumentaal</al><al> ? de toepassing van overwegend traditionele bouwmaterialen als
                            baksteen, pannen en riet</al><al> ? een eenvoudige sobere architectuur met een eenvoudige gevelindeling
                            en neutrale kleurstellingen waarin crème</al><al> voor kozijnen en donkergroen voor draaiende delen overheersen</al><al> ? eenvoudige, weinig plantsoenachtige, groenvoorziening waarin haag en
                            boom beeldbepalend zijn</al><al> ? bestratingen van wegen en stoepen van gebakken straatklinker</al><al> ? de vaak informele verkeersafwikkeling</al><al> Bijzondere gebiedskenmerken</al><al> ? De Basiliek met het “klein Vaticaan”</al><al> ? Het gebied tussen Brink, Eemnesserweg en Kerklaan wordt ook wel het
                            “klein Vaticaan” genoemd. Hier staan</al><al> en stonden veel kerkelijke (Rooms Katholieke) gebouwen. Deze gebouwen
                            markeren in sterke mate het transformatieproces</al><al> zoals dat aan de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht te grondslag
                            ligt. Met deze gebouwen</al><al> werd:</al><al> ? er een nieuwe (grotere) bebouwingsschaal,</al><al> ? een nieuwe bouwstijl en</al><al> ? nieuwe sociaal maatschappelijke functies in Laren geïntroduceerd. </al><al> Deze gebouwen markeren zo het einde van de agrarische periode en het
                            begin van Laren als forensendorp.</al><al> Veranderingen aan deze gebouwen verdienen dan ook specifieke aandacht
                            van de commissie voor welstand en monumenten.</al><al> St. Janstraat - Zevenend (tussen Eemnesserweg en het Jordaan), Brink
                            (tussen Eemnesserweg en Klaaskampen),</al><al> Nieuweweg, Hamdorffcomplex met aansluitende delen van Klaaskampen,
                            Schoutenbosje en Burgemeester Van</al><al> Nispenstraat waarin:</al><al> ? het transformatieproces nadrukkelijk aanwezig is</al><al> ? een drukke gezelligheid heerst</al><al> ? de straatbreedte varieert</al><al> ? de commercie overheerst</al><al> ? voortuinen veelal ontbreken (bestrating van gevel tot gevel)</al><al> ? individuele gebouwen zoals de Prinsemarij en het Hamdorffcomplex
                            kwaliteitsaccenten leggen</al><al> ? de aanwezigheid van straatmeubilair en bomen belangrijk is </al><al> De Rijt en Naarderstraat zijn uitlopers van het winkelgebied</al><al> De Naarderstraat met:</al><al> ? rooilijnen dicht op de straat met daartussen een volledige
                            bestrating</al><al> ? kenmerkende hoekpanden (nr.8a, 23 en 36)</al><al> ? forse panden met bovenwoningen en kap</al><al> ? de overgang tussen Brink en Naarderstraat waarin de Protestantse
                            kerk, het Bonte Paard, Mauve en de voormalige</al><al> boerderij (nr.3) beeldbepalend zijn</al><al> ? de overgang van het centrumgebied bij de Tafelbergweg</al><al> De C. Bakkerlaan met:</al><al> ? van oorsprong kleine ambachtelijke bedrijfjes</al><al> ? de krappe situering, kleine gebouwen, smalle straat</al><al> ? twee appartementsgebouwen (Wevershoek en Spinnewiel) verstoren de
                            kleinschaligheid.</al><al> ? De Nieuw Larenweg, Dammaat en Bij den Toren met:</al><al> ? smalle klinkerstraatjes, hagen, kleine huisjes</al><al> ? kleine voortuinen </al><al> Het gebied rond Krommepad, Oud Laren, de Rijt, de Pijl en Kerklaan
                            waar:</al><al> ? hagen de smalle bochtige straatjes begeleiden,</al><al> ? de situering van waarop de panden t.o.v. een grote variatie kent</al><al> ? de bebouwing laag en kleinschalig is</al><al> ? de sfeer van een agrarisch karakter heeft</al><al> ? een dorpse beslotenheid heerst</al><al> is van grote cultuurhistorische waarde.</al><al> De kruising Zevenend, Jordaan, Zijtak met aansluitend de
                            Ambachtsstraat:</al><al> ? visuele begrenzing van het centrumgebied</al><al> ? de verkeerssituatie met bestrating heeft een dorpse uitstraling </al><al> De Zijtak met de aanwezige bedrijfjes (houtzagerij en steenhouwerij)
                            zijn zeer karakteristiek:</al><al> ? het markeert de grens van de oorspronkelijke dorpsbebouwing</al><al> ? het representeert een oude nog functionerende dorpsindustrie</al><al> ? de kraanbaan is karakteristiek en beeldbepalend</al><al> ? gebouwen, situering, wegbeloop, etc is vanuit de vroegere ligging aan
                            de dorpsrand nog steeds herkenbaar</al><al> Het gebied rond de molen is bijzonder vanwege:</al><al> ? de historische ligging van de molen op de westelijke rand van dorp en
                            open eng</al><al> ? de situering van de molen op één van de karakteristiekste gaffel
                            aansluitingen (Y-splitsing) van Laren</al><al> ? hagen, bestrating materiaalgebruik en kleuren zijn
                            karakterbepalend</al><al> ? combinatie van diverse gebouwen </al><al> De brink aan de St. Janstraat met:</al><al> ? veel karakterbepalende voormalige boerderijen ademt een agrarisch
                            sfeer</al><al> ? een informele uitstraling</al><al> ? het grote aantal geparkeerde auto's op en rond het brinkje doet
                            afbreuk aan het karakter</al><al> Welstandsregiem</al><al> Voor het te beschermen dorpsgezicht geldt een specifiek
                            welstandstoezicht. Voor het resterende deel van dit gebied</al><al> geldt het bijzondere welstandstoezicht. </al><al> Welstandscriteria:</al><al> Uitgaand van het welstandsregiem gelden voor dit gebied de volgende
                            welstandscriteria:</al><al> Functie De functie (gebruiksmogelijkheid) van een gebouw is in het
                            bestemmingsplan aangegeven. Het</al><al> bestemmingsplan wil het wonen boven winkels stimuleren. Deze
                            woonfunctie vraagt vanuit</al><al> kwalitatieve overwegingen om een eigen entree en een buitenruimte in de
                            vorm van loggia of</al><al> balkon. Entrees voor bovenwoningen dienen in principe in de zijgevels
                            te worden gemaakt. Balkons</al><al> en loggia’s dienen in principe aan de achterzijde te worden geplaatst.
                            Balkons mogen niet</al><al> buiten de straatgerichte rooilijn uitsteken.</al><al> De oorspronkelijke functie van een gebouw (voormalige boerderij,
                            wevershuis, winkel en bedrijf)</al><al> dient vanuit een bescherming van het transformatieproces bij
                            functieverandering herkenbaar te</al><al> blijven.</al><al> Algemeen De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve
                            referentiepunt voor ieder (vergunningsplichtig)</al><al> bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering
                            de bestaande</al><al> stedebouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de
                            detaillering, kleur- en</al><al> materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al> Bouwmassa De bouwmassa (oppervlakte en goot- en nokhoogte) van een
                            gebouw is in het bestemmingsplan</al><al> aangegeven. Binnen die randvoorwaarden moeten gestreefd worden
                            naar:</al><al> · Winkelgevels waarvan de straatgerichte kozijnoppervlakte (glas) niet
                            groter is dan 70% van</al><al> de oppervlakte begane grond gevel. Minimaal 30% van deze gevel dient
                            gesloten te zijn.</al><al> · Straatgerichte gevels voor de overige functies (zoals woningen,
                            kantoren en Horeca) dienen</al><al> voor minimaal 50% gesloten zijn).Om de inritten (holle kiezen) tot
                            parkeerkelders te</al><al> ´camoufleren zijn deze toelaatbaar:</al><al> o Als de toegangsdeur ligt aan de van de openbare ruimten afgekeerde
                            zijde van een</al><al> gebouw.</al><al> o Als deze via een afgesloten autolift bereikbaar zijn.</al><al> o Als het begin van een hellingbaan achter een (garage)deur ligt, is
                            een toegang tot</al><al> een parkeergarage ook aan de openbare kant van een gebouw
                            toelaatbaar.</al><al> · Een evenwichtige opbouw van openingen (ramen) met een eenheid tussen
                            begane grond</al><al> en verdieping.</al><al> · Het ontbreken van luifels of andere scheidingen tussen begane grond
                            en verdieping is</al><al> kenmerkend.</al><al> · Een hellend dak (in principe een zadeldak) voor het hoofdgebouw.</al><al> · Bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdvolume</al><al> · Aan en uitbouwen dienen aan de vormgeving van de hoofdmassa te zijn
                            gerelateerd. In de</al><al> vormgeving komt dit tot uitdrukking in harmonische verhoudingen tussen
                            bestaande en toe</al><al> te voegen elementen</al><al> · Een goede aansluiting op bestaande goot- en nokhoogten</al><al> · Een situering die bij voorkeur iets afwijkt van een parallelle
                            situering van straat of hoofdgebouw.</al><al> Detaillering De detaillering van gebouwen dient uit te gaan van een
                            sobere traditionele bouwkundige detaillering.</al><al> Uitzonderingen gelden voor:</al><al> · Openbare gebouwen en entrees van publiek trekkende gebouwen
                            (winkels)</al><al> · Voor hoekpanden en entrees van gebouwen;</al><al> hier is een verbijzondering in detaillering gewenst. </al><al> Materialen Natuurlijke materialen zoals bakstenen, hout en riet behoren
                            tot de traditionele bouwmaterialen</al><al> van Laren. Voor dit gebied wordt voor hoofdgebouwen uitgegaan van:</al><al> Gevels:</al><al> · Een rood/bruine tot bruin/gele handvorm steen in waalformaat geldt
                            als uitgangspunt voor</al><al> bestaande en nieuwe bouwwerken.</al><al> · Plint of trasramen (gemetseld of gestukadoord) worden
                            aanbevolen.</al><al> · Houten gevelelementen zijn als toevoeging van een gevelbeeld
                            toelaatbaar.</al><al> · Bouwstenen of gevelelementen van beton, glas, metaal of kunststof
                            welke meer dan 15%</al><al> van een gevelaanzicht bepalen zijn niet toegestaan.</al><al> · Gekleurd of spiegelend glas (reflecterend) is niet toegestaan.</al><al> · Gestukadoorde gevels zijn als uitzondering toelaatbaar.</al><al> · Geschilderde of gekeimde gevels zijn niet toelaatbaar. </al><al> Daken:</al><al> · Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen, gebakken leien of
                            riet.</al><al> · Geglazuurde (en gekleurde) dakpannen zijn alleen in bijzondere
                            situaties toelaatbaar.</al><al> · Metaal (zoals staal, koper en zink) of kunststof dakbedekking is voor
                            hoofdgebouwen alleen</al><al> als bouwkundige accent toelaatbaar.</al><al> · Kunstriet is niet toegestaan</al><al> Kozijnen:</al><al> · Traditionele Hollandse houten kozijnen en profileringen zijn het
                            uitgangspunt, kunststof</al><al> materiaal is niet toegestaan.</al><al> · Bij utilitaire gebouwen zijn metalen kozijnen en deuren
                            toelaatbaar.</al><al> · Een roedeverdeling dient uit te gaan van een staande verdeling. </al><al> Bijgebouwen De voor aangebouwde bijgebouwen toe te passen materialen
                            dienen een relatie te hebben met</al><al> de voor het hoofdgebouw gebruikte materialen.</al><al> Voor vrijstaande bijgebouwen worden houten gevels en platte daken met
                            bijhorende afdekking</al><al> ook toelaatbaar geacht.</al><al> Kleur In het algemeen verdienen neutrale kleurstellingen de
                            voorkeur,</al><al> · Het gewenste kleurgebruik is in het algemeen traditioneel en
                            terughoudend van aard.</al><al> · Gebouwen die een bepaalde bouwstijl vertegenwoordigen behoren uit
                            respect voor die</al><al> bouwstijl een passende kleurstelling aan te houden.</al><al> · Crème voor kozijnen en donkergroen voor draaiende delen is op
                            voorhand aanvaardbaar.</al><al> · Zwart is voor houten gevelelementen in het algemeen
                            aanvaardbaar.</al><al> · Genuanceerd grijs en rood is voor een gebakken dakbedekking in het
                            algemeen</al><al> aanvaardbaar. </al><al> Terreininrichting De inrichting van tuinen en erven dient primair aan
                            te sluiten op de functie van het hoofdgebouw.</al><al> Gestreefd wordt naar een dorpse (landelijke) uitstraling. Bij de
                            woonfunctie is het groene</al><al> karakter bepalend. Hagen, leilinden en gazon zijn daarin passende
                            elementen. Met stedelijke</al><al> elementen zoals sluitende verhardingen, boomkransen, straatmeubilair en
                            terreinverlichting</al><al> moet omzichtig worden omgegaan. Bij de inrichting van terrassen
                            verdient grind de voorkeur.</al><al> Erf afscheidingen Voor zover een gebouw geen publieksfunctie heeft,
                            dienen erf afscheidingen uit hagen (eventueel</al><al> met een ondersteuningsconstructie) te bestaan. Voor openbare gebouwen
                            en ondiepe (&lt; 3</al><al> meter) voortuinen van woningen zijn eenvoudige smeedijzeren hekken en
                            gemetselde muurtjes</al><al> tot maximaal 0.75 meter hoog acceptabel. </al><al> Aanvullende criteria beschermd dorpsgezicht</al><al> Voor het bouwen in beschermde dorps- of stadsgezichten is altijd een
                            vergunning nodig. De waarde van het beschermd</al><al> gezicht ligt in de historisch gegroeide en goed behouden samenhang
                            tussen structuur en bebouwing. Voor</al><al> het beschermd dorpsgezicht van Laren gaat het vooral om het
                            transformatieproces van een agrarisch dorp naar een</al><al> forenzendorp. Bij de loketcriteria zijn deze aanvullende criteria apart
                            benoemd.</al><al> Voor de monumenten en beeldbepalende panden geldt een stringent
                            welstandsregiem:</al><al> ? Aan en uitbouwen dienen of te zijn opgenomen in de hoofdmassa of een
                            toevoeging van ondergeschikte aard te</al><al> zijn. In de vormgeving komt dit tot uitdrukking in harmonische
                            verhoudingen tussen bestaande en toe te voegen</al><al> elementen</al><al> ? Bouwstenen of gevelelementen van beton, glas, metaal of kunststof
                            welke meer dan 15% van een gevelaanzicht</al><al> bepalen zijn niet toegestaan.</al><al> ? Het gewenste kleurgebruik is in het algemeen traditioneel en
                            terughoudend van aard. </al><al> Gebiedsomschrijving van de "Schil rond het centrum"</al><al> De schil rond het centrum bestond aan het begin van de vorige eeuw nog
                            voornamelijk uit akkers; engen. De bebouwing</al><al> en beplanting in dit gebied zijn naar verhouding dan ook nog jong. Uit
                            nagenoeg alle stijlperiodes van deze</al><al> eeuw zijn in dit gebied goede voorbeelden te vinden. Door een
                            intensieve tuinbeplanting en overwegend smalle wegen</al><al> heeft het gebied een besloten kleinschalig karakter.</al><al> Algemene gebiedskenmerken</al><al> De kwaliteit binnen de "schil rond het centrum" wordt bepaald door een
                            gemengde bebouwing bestaande uit</al><al> ? kleine bedrijven en woningen</al><al> ? recreatieve voorzieningen met een grote openheid</al><al> ? verzorging - en verpleegtehuizen met een eigen schaalniveau</al><al> ? een diversiteit aan architectuurstromingen van na 1850. De
                            architectonische kwaliteit steekt boven het gemiddelde</al><al> uit. Er ligt een accent op regionale architectuur uit de jaren 20 en
                            30</al><al> ? de nog aanwezige eng-restanten. De Laarder eng is met name door zijn
                            omvang en ligging aan de A1 beeldbepalend</al><al> voor het landelijke karakter van Laren</al><al> ? ruim aanwezige groenvoorzieningen als gevolg van grote tuinen, hagen
                            en laanbomen</al><al> ? een radiale wegenstructuur die zich via de voor Laren zo kenmerkende
                            gaffelaansluitingen vanuit het centrum</al><al> steeds verder vertakt </al><al> Bijzondere gebiedskenmerken</al><al> ? De engrestanten aan Tafelbergweg met een scala aan gebouwen met een
                            hoogwaardige architectuur en het</al><al> agrarisch engrestant aan Oosterend en Oude Drift. Tussen Steenbergen en
                            Rozenlaantje bevindt zich een lange</al><al> akker die met name door de begrenzing karakterbepalend is.</al><al> ? De Laarder eng rond het Schuilkerkpad Door de ligging aan de A1
                            draagt dit gebied bij aan het landelijke karakter</al><al> van het gehele Gooi. Bepalend voor de landschappelijke kwaliteit van de
                            eng is:</al><al> ? het open karakter met beboste randen en een enkele solitaire
                            boom</al><al> ? een gebruik t.b.v. de akkerbouw d.w.z. een zichtbare wisseling der
                            seizoenen</al><al> ? lange zichtlijnen op een glooiend terrein en het dorpssilhouet met
                            kerktorens</al><al> ? zandpaden die het gebied doorkruisen</al><al> ? de cultuurhistorische waarde</al><al> ? Nog aanwezige halfverharde en onverharde wegen zoals: Standelkruid,
                            De Noolen, Steenbergen, Werkdroger,</al><al> Hein Duvel en de onverharde wegen in de eng.</al><al> ? het restant van de zandverstuiving tegen de grens met Blaricum. Deze
                            is van cultuurhistorische en landschappelijke</al><al> waarde</al><al> ? De landelijke bouwstijl van de bebouwing aan het Rozenlaantje (nr.2
                            van K.P.C de Bazel) in combinatie met hagen</al><al> en smalle wegen is beschermingswaardig.</al><al> ? het Hoefloo is vanwege de fraaie laanbeplanting, brede berm en de
                            hoge kwaliteit van de woningen waardevol</al><al> ? de St. Janstraat is met name nabij de Zijtak karakteristiek. Dit punt
                            markeert de grens van de oorspronkelijke</al><al> dorpsbebouwing. In de aard van de gebouwen, situering, wegbeloop, etc
                            is deze overgang nog steeds herkenbaar ? een aantal verrassende
                            overhoeken op splitsingen van wegen zoals:</al><al> ? Jordaan-Oude Kerkweg</al><al> ? Melkweg-Heideveldweg-Kloosterweg</al><al> Door het vloeiende beloop van kruisende wegen, de begeleidende hagen,
                            een lage boerderijachtige bebouwing</al><al> waarin grote rieten kappen het erf domineren, zijn dit beeldbepalende
                            gebiedjes voor hun omgeving</al><al> ? Zevenenderdrift karakteristiek voor deze weg is geleidelijke
                            verandering van een smal wegprofiel met een dicht</al><al> op de weg staande kleine bebouwing naar een breed hol wegprofiel met
                            aangrenzende akker en grote woningen</al><al> op ruime percelen</al><al> Welstandsregiem</al><al> Voor monumenten, beeldbepalende panden, beeldbepalende complexen de
                            volgende ontsluitingswegen met de</al><al> daaraan liggende bebouwing, geldt het bijzonder welstandstoezicht:</al><al> ? Hilversumseweg</al><al> ? Naarderstraat</al><al> ? Torenlaan</al><al> ? Eemnesserweg</al><al> Voor het overige deel van dit gebied geldt een regulier
                            welstandstoezicht. </al><al> Welstandscriteria:</al><al> Uitgaand van het welstandsregiem gelden voor dit gebied de volgende
                            welstandscriteria:</al><al> Functie De functie (gebruiksmogelijkheid) van een gebouw is in het
                            bestemmingsplan aangegeven. Het</al><al> bestemmingsplan wil het huidige karakter van dit gebied bewaren. In dit
                            gebied komen relatief</al><al> veel functiemengingen voor. Waar mogelijk dient aan een niet
                            woonfunctie daarom extra architectonische</al><al> aandacht te krijgen. Het utilitaire karakter dient zich in de
                            vormgeving aan te passen</al><al> aan de overwegende woonbebouwing. </al><al> Algemeen De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve
                            referentiepunt voor ieder (vergunningsplichtig)</al><al> bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering
                            de bestaande</al><al> stedebouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de
                            detaillering, kleur- en</al><al> materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al> Bouwmassa De bouwmassa (oppervlakte en goot- en nokhoogte) van een
                            gebouw is in het bestemmingsplan</al><al> aangegeven. Binnen die randvoorwaarden moet gestreefd worden naar:</al><al> Als het begin van een hellingbaan achter een (garage)deur ligt, is een
                            toegang tot</al><al> een parkeergarage ook aan de openbare kant van een gebouw toelaatbaar. </al><al> Detaillering De detaillering van gebouwen dient uit te gaan van een
                            sobere traditionele bouwkundige detaillering.</al><al> Uitzonderingen gelden voor:</al><al> · Hoekpanden en entrees van gebouwen; hier is een verbijzondering in
                            detaillering gewenst.</al><al> · Panden aan de ontsluitingswegen</al><al> Materialen Natuurlijke materialen zoals bakstenen, hout en riet behoren
                            tot de traditionele bouwmaterialen</al><al> van Laren. Voor dit gebied wordt voor hoofdgebouwen uitgegaan van: </al><al> Gevels:</al><al> · Gebakken stenen als uitgangspunt voor bestaande en nieuwe
                            bouwwerken.</al><al> · Gekleurd of spiegelend glas (reflecterend) is niet toegestaan.</al><al> · Gestukadoorde gevels zijn als uitzondering toelaatbaar.</al><al> · Gebouwen die een bepaalde bouwstijl vertegenwoordigen behoren uit
                            respect voor die</al><al> bouwstijl een passend materiaal gebruik aan te houden</al><al> Daken:</al><al> · Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen, gebakken leien of
                            riet.</al><al> · Metaal (zoals staal, koper en zink) of kunststof dakbedekking is voor
                            hoofdgebouwen alleen</al><al> als bouwkundig accent toelaatbaar.</al><al> · Kunstriet is niet toegestaan </al><al> Kozijnen:</al><al> · Traditionele Hollandse houten kozijnen en profileringen zijn het
                            uitgangspunt.</al><al> · Bij utilitaire gebouwen zijn metalen kozijnen en deuren
                            toelaatbaar.</al><al> · Een roedeverdeling dient uit te gaan van een staande verdeling.</al><al> Bijgebouwen De voor aangebouwde bijgebouwen toe te passen materialen
                            dienen een relatie te hebben met</al><al> de voor het hoofdgebouw gebruikte materialen.</al><al> Voor vrijstaande bijgebouwen worden houten gevels en platte daken met
                            bijhorende afdekking</al><al> ook toelaatbaar geacht. </al><al> Kleur In het algemeen verdienen neutrale kleurstellingen de
                            voorkeur,</al><al> · Crème voor kozijnen en donkergroen voor draaiende delen is op
                            voorhand aanvaardbaar.</al><al> · Gebouwen die een bepaalde bouwstijl vertegenwoordigen behoren uit
                            respect voor die</al><al> bouwstijl een passende kleurstelling aan te houden.</al><al> Terreininrichting De inrichting van tuinen en erven dient primair aan
                            te sluiten op de functie van het hoofdgebouw.</al><al> Gestreefd wordt naar een dorpse (landelijke) uitstraling. Bij de
                            woonfunctie is het groene</al><al> · Een evenwichtige opbouw van gevels</al><al> · Een hellend dak voor het hoofdgebouw.</al><al> · Een goede aansluiting van aan- en uitbouwen op bestaande goot- en
                            nokhoogten</al><al> · Om de inritten (holle kiezen) tot parkeerkelders te ´camoufleren zijn
                            deze toelaatbaar :</al><al> o Als de toegangsdeur ligt aan de van de openbare ruimten afgekeerde
                            zijde van een</al><al> gebouw.</al><al> o Als deze via een afgesloten autolift bereikbaar zijn. karakter
                            bepalend. Overkappingen anders dan de vergunningvrije, zijn niet
                            toelaatbaar. </al><al> Wegen Onverharde en halfverharde wegen mogen niet worden verhard</al><al> Gaffelaansluitingen moeten worden behouden en waar verkeerstechnische
                            verantwoord worden</al><al> hersteld.</al><al> Inritten dienen qua bestrating aan te sluiten op het materiaalgebruik
                            van de aanwezige (onverharde)</al><al> weg. Bermprofielen mogen niet worden verhoogd of verlaagd. De breedte
                            van een inrit</al><al> mag ten hoogste 3.50 m bedragen.</al><al> Erfafscheidingen Vergunningvrije erfafscheidingen tot 1 meter dienen
                            bij voorkeur uit hagen te bestaan. Voor</al><al> openbare gebouwen en ondiepe (&lt; 3 meter) voortuinen van woningen
                            zijn geen hogere erfafscheidingen</al><al> toegestaan. Zie voorts de loketcriteria. </al><al> Aanvullende criteria beschermingswaardige panden en complexen</al><al> Voor de monumenten en beeldbepalende panden geldt een stringent
                            welstandsregiem:</al><al> ? Aan en uitbouwen dienen of te zijn opgenomen in de hoofdmassa of een
                            toevoeging van ondergeschikte aard te</al><al> zijn. In de vormgeving komt dit tot uitdrukking in harmonische
                            verhoudingen tussen bestaande en toe te voegen</al><al> elementen</al><al> ? Bouwstenen of gevelelementen van beton, glas, metaal of kunststof
                            welke meer dan 15% van een gevelaanzicht</al><al> bepalen zijn niet toegestaan.</al><al> ? Het gewenste kleurgebruik is in het algemeen traditioneel en
                            terughoudend van aard.</al><al> Gebiedsomschrijving van de "Villa gebieden"</al><al> Het aan de westzijde van de kern van Laren bebouwde gebied, kenmerkt
                            zich vooral door vrijstaande villa's op ruime</al><al> percelen met veel groen. De woningen zijn gemaakt als een
                            'maatkostuum'. Dit komt tot uitdrukking in een grote</al><al> diversiteit aan architectuurstromingen.</al><al> De wegen zijn informeel van karakter en hebben vaak een grasberm zonder
                            trottoir. De erfbeplanting domineert het</al><al> straatbeeld en zorgt voor een besloten karakter. Enkele straten hebben
                            een fraaie laanbeplanting. Aan de westzijde</al><al> is een duidelijke relatie met het natuurgebied aanwezig. </al><al> Algemene gebiedskenmerken</al><al> De ruimtelijke kwaliteiten van dit gebied worden in het algemeen
                            bepaald door:</al><al> ? een bebouwing die bestaat uit royaal gesitueerde villa's in een
                            lommerrijke omgeving. Vanaf de openbare weg is</al><al> daarom maar vaak een glimp van deze gebouwen te zien. De diversiteit
                            aan architectuurstromingen is daardoor</al><al> dan ook nauwelijks zichtbaar. Toegangspoorten, oprijlanen en hekwerken
                            bepalen vaak meer de allure van de</al><al> bebouwing dan de gebouwen zelf.</al><al> ? het bosachtig karakter, waardoor een geleidelijke overgang wordt
                            gevormd tussen dorp en aangrenzend natuurgebied</al><al> ? smalle (asfalt) straatjes, waarvan de rafelige kanten vaak in het
                            groen van de bermen overgaan, dragen bij aan</al><al> het informele karakter van dit deelgebied</al><al> ? de A1 (geluidsoverlast, grootschaligheid en barrière t.o.v. het
                            centrum) heeft van negatieve invloed op het landelijke</al><al> karakter</al><al> Bijzondere gebiedskenmerken</al><al> ? de openheid van de engrestanten tussen Leemzeulder en
                            Tafelbergweg;</al><al> ? hoogteverschillen zoals die zich met name aan de Tafelbergweg (het
                            onverharde deel), Leemzeulder en Raboes</al><al> manifesteren</al><al> ? de landschappelijke waarde met een zware beplanting van de
                            landgoederen “Larenberg”, “Zeveneind” en -</al><al> "Raboes".</al><al> ? het ruime profiel (brede bermen) van het Raboes</al><al> ? de kleinschalige bebouwing rond het Koloniepad zoals dat in een
                            ingetogen maatvoering, het gebruik van "natuurlijke"</al><al> materialen, een eenvoudige detaillering, groene tuininrichting en
                            groene erfafscheidingen tot uitdrukking</al><al> komt</al><al> ? Het informele karakter van diverse woonstraatjes (bv de Lange Wijnen)
                            komt met name tot uitdrukking in:</al><al> o een smal (±3,50m) en bochtig wegprofiel</al><al> o de grasbermen ofwel het ontbreken van opstaande trottoirbanden en
                            trottoirs</al><al> o het materiaalgebruik, asfalt en gebakken klinkertjes</al><al> ? de overgang (de rand) van de open Westerheide naar de besloten
                            bebouwing met op de grens de onverharde</al><al> Westerheide (vroeger de Oude Postweg) is karakteristiek voor dit gebied
                            het profiel en de beplanting (met haagbeuken)</al><al> van het Hoefloo en Hoog Hoefloo rechtvaardigt een beheer gericht op het
                            behoud van het karakter</al><al> ? Aan de van Beeverlaan bevindt zich een cluster van 5 landhuizen die
                            door hun situering en stijlverwantschap bijzonder</al><al> zijn. (Verbouw)plannen moeten in dat totaalbeeld worden
                            beoordeeld.</al><al> ? het St. Janskerkhof vanwege zijn cultuurhistorische betekenis. De
                            plaatsmarkering door hoge bomen en zichtlijnen</al><al> zijn belangrijke (te versterken) visuele kenmerken.</al><al> ? de algemene begraafplaats is vanwege de aanleg en beplanting van
                            bijzondere betekenis. </al><al> Welstandsregiem</al><al> Voor monumenten, beeldbepalende panden, beeldbepalende complexen en de
                            volgende ontsluitingswegen met de</al><al> daaraan liggende bebouwing, geldt het bijzonder welstandstoezicht:</al><al> ? Hilversumseweg</al><al> ? Naarderstraat</al><al> ? Rijksweg A1</al><al> Voor het overige deel van dit gebied geldt een regulier
                            welstandstoezicht.</al><al> Welstandscriteria:</al><al> Uitgaand van het welstandsregiem gelden voor dit gebied de volgende
                            welstandscriteria: </al><al> Functie De functie (gebruiksmogelijkheid) van een gebouw is in het
                            bestemmingsplan aangegeven. Het</al><al> bestemmingsplan wil het huidige karakter van dit gebied bewaren. In dit
                            gebied komen relatief</al><al> veel functiemengingen voor. Waar mogelijk dient aan een niet
                            woonfunctie daarom extra architectonische</al><al> aandacht te krijgen. Het utilitaire karakter dient zich in de
                            vormgeving aan te passen</al><al> aan de overwegende woonbebouwing.</al><al> Algemeen De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve
                            referentiepunt voor ieder (vergunningsplichtig)</al><al> bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering
                            de bestaande</al><al> stedebouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de
                            detaillering, kleur- en</al><al> materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al> Bouwmassa De bouwmassa (oppervlakte en goot- en nokhoogte) van een
                            gebouw is in het bestemmingsplan</al><al> aangegeven. Binnen die randvoorwaarden moet gestreefd worden naar:</al><al> · Een evenwichtige opbouw van gevels</al><al> · Een goede aansluiting van aan- en uitbouwen op bestaande goot- en
                            nokhoogten</al><al> · Om de inritten tot parkeerkelders te ´camoufleren zijn deze
                            toelaatbaar :</al><al> o Als de toegangsdeur ligt aan de van de openbare ruimten afgekeerde
                            zijde van een</al><al> gebouw.</al><al> o Als deze via een afgesloten autolift bereikbaar zijn.</al><al> o Als het begin van een hellingbaan achter een (garage)deur ligt, is
                            een toegang tot</al><al> een parkeergarage ook aan de openbare kant van een gebouw
                            toelaatbaar.</al><al> Detaillering De detaillering van gebouwen dient uit te gaan van een
                            sobere traditionele bouwkundige detaillering.</al><al> Uitzonderingen gelden voor:</al><al> · Hoekpanden en entrees van gebouwen; hier is een verbijzondering in
                            detaillering gewenst.</al><al> · Panden aan de ontsluitingswegen </al><al> Materialen Natuurlijke materialen zoals bakstenen, hout en riet behoren
                            tot de traditionele bouwmaterialen</al><al> van Laren. Voor dit gebied wordt voor de hoofdgebouwen uitgegaan
                            van:</al><al> Gevels:</al><al> · Gebakken stenen als uitgangspunt voor bestaande en nieuwe
                            bouwwerken.</al><al> · Gekleurd of spiegelend glas (reflecterend) is niet toegestaan.</al><al> · Gestukadoorde gevels zijn als uitzondering toelaatbaar.</al><al> · Gebouwen die een bepaalde bouwstijl vertegenwoordigen behoren uit
                            respect voor die</al><al> bouwstijl een passend materiaal gebruik aan te houden </al><al> Daken:</al><al> · Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen, gebakken leien of
                            riet.</al><al> · Metaal (zoals staal, koper en zink) of kunststof dakbedekking is voor
                            hoofdgebouwen toelaatbaar.</al><al> · Kunstriet is niet toegestaan</al><al> Kozijnen:</al><al> · Traditionele Hollandse houten kozijnen en profileringen zijn het
                            uitgangspunt.</al><al> · Metalen kozijnen en deuren zijn toelaatbaar. </al><al> Bijgebouwen De voor aangebouwde bijgebouwen toe te passen materialen
                            dienen een relatie te hebben met</al><al> de voor het hoofdgebouw gebruikte materialen.</al><al> Voor vrijstaande bijgebouwen worden houten gevels en platte daken met
                            bijhorende afdekking</al><al> ook toelaatbaar geacht.</al><al> Kleur In het algemeen verdienen neutrale kleurstellingen de
                            voorkeur,</al><al> · Crème voor kozijnen en donkergroen voor draaiende delen is op
                            voorhand aanvaardbaar.</al><al> · Gebouwen die een bepaalde bouwstijl vertegenwoordigen behoren uit
                            respect voor die</al><al> bouwstijl een passende kleurstelling aan te houden. </al><al> Terreininrichting De inrichting van tuinen en erven dient primair aan
                            te sluiten op de functie van het hoofdgebouw.</al><al> Gestreefd wordt naar een dorpse (landelijke) uitstraling. Bij de
                            woonfunctie is het groene</al><al> karakter bepalend. Overkappingen anders dan de vergunningvrije, zijn
                            niet toelaatbaar.</al><al> Wegen Onverharde en halfverharde wegen mogen niet worden verhard</al><al> Gaffelaansluitingen moeten worden behouden en waar verkeerstechnische
                            verantwoordelijk</al><al> worden hersteld.</al><al> Inritten dienen qua bestrating aan te sluiten op het materiaalgebruik
                            van de aanwezige (onverharde)</al><al> weg. Bermprofielen mogen niet worden verhoogd of verlaagd. De breedte
                            van een inrit mag ten hoogste 3.50 m bedragen.</al><al> Erfafscheidingen Vergunningvrije erfafscheidingen tot 1 meter dienen
                            bij voorkeur uit hagen te bestaan. Voor</al><al> openbare gebouwen en ondiepe (&lt; 3 meter) voortuinen van woningen
                            zijn eenvoudige smeedijzeren</al><al> hekken tot 1 meter hoog aanvaardbaar. Voor het overige zie de
                            loketcriteria. </al><al> Voor de monumenten en beeldbepalende panden geldt een stringent
                            welstandsregiem:</al><al> ? Aan en uitbouwen dienen of te zijn opgenomen in de hoofdmassa of een
                            toevoeging van ondergeschikte aard te</al><al> zijn. In de vormgeving komt dit tot uitdrukking in harmonische
                            verhoudingen tussen bestaande en toe te voegen</al><al> elementen</al><al> ? Bouwstenen of gevelelementen van beton, glas, metaal of kunststof
                            welke meer dan 15% van een gevelaanzicht</al><al> bepalen zijn niet toegestaan.</al><al> ? Het gewenste kleurgebruik is in het algemeen traditioneel en
                            terughoudend van aard.</al><al/><al>Gebiedsomschrijving voor de "Gesloten bebouwing"</al><al> Dit gebied wordt aan de oostzijde door een strakke en historisch
                            beladen gemeente- en provinciegrens, de Gooiergracht,</al><al> gemarkeerd. Door zijn lage ligging is dit deelgebied lange tijd een nat
                            en daardoor niet ontgonnen gebied</al><al> gebleven. De bebouwing is pas rond en na de eeuwwisseling tot stand
                            gekomen. De bebouwing bestaat voornamelijk</al><al> uit arbeiders- en middenstandswoningen. De erfgooierswoningen, rond de
                            Erfgooiersweg, zijn een apart hoofdstuk</al><al> in de Larense volkshuisvesting. Deze woningen zijn karakteristiek voor
                            Laren en rechtvaardigen een beschermingswaardige</al><al> behandeling in het welstandsbeleid.</al><al> Algemene gebiedskenmerken</al><al> De ruimtelijke kwaliteiten van dit gebied worden grotendeels bepaald
                            door:</al><al> ? een bebouwing in een traditionele blokverkaveling met open
                            hoeken</al><al> ? de eenvoudige traditionele vormgeving in combinatie met een sober
                            materiaalgebruik</al><al> ? incidentele accenten zoals de "erfgooiers" en "Erica" woningen
                            (beeldbepalende complexen)</al><al> ? overgangsgebieden tussen de Larense woonbebouwing en:</al><al> o het coulisselandschap in het grensgebied met Blaricum</al><al> o het polderlandschap van Eemnes</al><al> o het natuurgebied langs het Postiljon</al><al> ? Het lineaire karakter van de Gooiergracht als oude grens tussen
                            Utrecht (de bisschop van Utrecht) en Noord-</al><al> Holland (de graven van Holland) is een markant aanwezige
                            scheidslijn.</al><al> Bijzondere gebiedskenmerken</al><al> ? Het gebied tussen de Eemnesserweg en Blaricum wordt gedomineerd door
                            sportvoorzieningen. Van noord naar</al><al> zuid neemt de gebruiksintensiteit toe.</al><al> ? het onbebouwde eng gebied rond de H.Vosweg en de Ruiterweg met
                            onverharde wegen en houtwallen.</al><al> ? de laanbeplanting en het profiel van de Blaricummertollaan.</al><al> ? het eigen karakter van een aantal lineaire wegen in het gebied.
                            Voorbeelden zijn:</al><al> o Graafland met laanbomen</al><al> o Schapendrift met een brede holle berm</al><al> o Smeekweg met deels een laanbeplanting</al><al> o Gooiergracht met (nog een beperkt) vrij uitzicht over het
                            polderlandschap/golfterrein</al><al> o Heideveldweg met een laanbeplanting </al><al> Welstandsregiem</al><al> Voor monumenten, beeldbepalende panden, beeldbepalende complexen en de
                            Eemnesserweg als ontsluitingsweg</al><al> met de daaraan liggende bebouwing, geldt het bijzonder
                            welstandstoezicht. Voor het overige deel van dit gebied</al><al> geldt een regulier welstandstoezicht.</al><al> Welstandscriteria:</al><al> Uitgaand van het welstandsregiem gelden voor dit gebied de volgende
                            welstandscriteria:</al><al> Functie De functie (gebruiksmogelijkheid) van een gebouw is in het
                            bestemmingsplan aangegeven. Het bestemmingsplan wil het huidige karakter
                            van dit gebied bewaren. </al><al> Algemeen De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve
                            referentiepunt voor ieder (vergunningsplichtig)</al><al> bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering
                            de bestaande</al><al> stedebouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de
                            detaillering, kleur- en</al><al> materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al> Bouwmassa De bouwmassa (oppervlakte en goot- en nokhoogte) van een
                            gebouw is in het bestemmingsplan</al><al> aangegeven. Binnen die randvoorwaarden moet gestreefd worden naar:</al><al> · Een evenwichtige opbouw van gevels</al><al> · Een hellend dak (in principe een zadeldak) voor het hoofdgebouw.</al><al> · Bijgebouwen dienen ondergeschikt zijn aan het hoofdvolume</al><al> · Aan en uitbouwen dienen aan de hoofdmassa te zijn gerelateerd. In de
                            vormgeving komt dit</al><al> tot uitdrukking in harmonische verhoudingen tussen bestaande en toe te
                            voegen elementen</al><al> · Een goede aansluiting op bestaande goot- en nokhoogten.</al><al> · Vanwege de eenheid van complexmatig gebouwde woningen moeten kleuren,
                            materialen</al><al> en vormgeving complexmatig worden beoordeeld.</al><al> · Gelet op de bebouwingsdichtheid van dit gebied en het soort
                            woonbebouwing zijn parkeerkelders</al><al> alleen via de hardheidsclausule toelaatbaar. </al><al> Detaillering De detaillering van gebouwen dient uit te gaan van een
                            sobere traditionele bouwkundige detaillering.</al><al> Uitzonderingen gelden voor:</al><al> · Voor hoekpanden en entrees van gebouwen;</al><al> hier is een verbijzondering in detaillering gewenst.</al><al> Materialen Natuurlijke materialen zoals bakstenen, hout en riet behoren
                            tot de traditionele bouwmaterialen</al><al> van Laren. Voor dit gebied wordt voor de hoofdgebouwen uitgegaan van: </al><al> Gevels:</al><al> · Gebakken stenen zijn het uitgangspunt voor bestaande en nieuwe
                            bouwwerken.</al><al> · Bouwstenen of gevelelementen van beton, glas, metaal of kunststof
                            welke meer dan 15%</al><al> van een gevelaanzicht bepalen zijn niet toegestaan.</al><al> · Gekleurd of spiegelend glas (reflecterend) is niet toegestaan.</al><al> · Gestukadoorde gevels zijn als uitzondering toelaatbaar.</al><al> · Gebouwen die een bepaalde bouwstijl vertegenwoordigen behoren uit
                            respect voor die</al><al> bouwstijl een passend materiaal gebruik aan te houden</al><al> Daken:</al><al> · Hellende daken zijn primair gedekt met pannen, gebakken leien of
                            riet.</al><al> · Metaal (zoals staal, koper en zink) of kunststof dakbedekking is voor
                            hoofdgebouwen alleen</al><al> als bouwkundige accent toelaatbaar. </al><al> Kozijnen:</al><al> · Houten kozijnen zijn het uitgangspunt.</al><al> · Metalen kozijnen en deuren zijn toelaatbaar.</al><al> Bijgebouwen De voor aangebouwde bijgebouwen toe te passen materialen
                            dienen een relatie te hebben met</al><al> de voor het hoofdgebouw gebruikte materialen.</al><al> Voor vrijstaande bijgebouwen worden houten gevels en platte daken met
                            bijhorende afdekking</al><al> ook toelaatbaar geacht. </al><al> Kleur In het algemeen verdienen neutrale kleurstellingen de
                            voorkeur,</al><al> · Het gewenste kleurgebruik is als uitgangspunt traditioneel en
                            terughoudend van aard.</al><al> · Gebouwen die een bepaalde bouwstijl vertegenwoordigen behoren uit
                            respect voor die</al><al> bouwstijl een passende kleurstelling aan te houden.</al><al> Terreininrichting De inrichting van tuinen en erven dient primair aan
                            te sluiten op de functie van het hoofdgebouw.</al><al> Gestreefd wordt naar een dorpse (landelijke) uitstraling. Bij de
                            woonfunctie is het groene</al><al> karakter bepalend. </al><al> Erf afscheidingen Voor zover een gebouw geen publieksfunctie heeft,
                            dienen erf afscheidingen uit hagen (eventueel</al><al> met een ondersteuningsconstructie) te bestaan. Voor openbare gebouwen
                            en ondiepe (&lt; 3</al><al> meter) voortuinen van woningen zijn eenvoudige smeedijzeren hekken en
                            gemetselde muurtjes</al><al> tot 1 meter hoog acceptabel.</al><al> Aanvullende criteria beschermingswaardige panden en complexen</al><al> Voor de gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden geldt een
                            stringent welstandsregiem.</al><al> ? Aan en uitbouwen dienen of te zijn opgenomen in de hoofdmassa of een
                            toevoeging van ondergeschikte aard</al><al> zijn. In de vormgeving komt dit tot uitdrukking in harmonische
                            verhoudingen tussen bestaande en toe te voegen</al><al> elementen</al><al> ? Bouwstenen of gevelelementen van beton, glas, metaal of kunststof
                            welke meer dan 15% van een gevelaanzicht</al><al> bepalen zijn niet toegestaan.</al><al> ? Het gewenste kleurgebruik is in het algemeen traditioneel en
                            terughoudend van aard.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>4</nr><titel>Loketcriteria voor kleine bouwplannen</titel></kop><structuurtekst><al>In dit hoofdstuk worden de criteria gegeven voor de welstandstoets van
                            enkele veel voorkomende kleine plannen. In</al><al> tegenstelling tot alle eerder beschreven relatieve welstandscriteria
                            gaat het in deze paragraaf om vrijwel absolute,</al><al> objectieve criteria die de planindiener vooraf maximale duidelijkheid
                            geven. De criteria voor kleine plannen kunnen</al><al> gezien worden als een verzameling standaard oplossingen die in elk
                            geval geen bezwaren zullen oproepen.</al><al> Licht-vergunningsplichtige plannen die aan deze criteria voldoen worden
                            niet aan de welstandscommissie voorgelegd</al><al> maar beoordeeld door een ambtenaar van het team Vergunningen, die
                            daartoe door burgemeester en wethouders</al><al> is gemandateerd. Alleen als een dergelijk bouwplan niet aan de criteria
                            voor kleine plannen voldoet of wanneer</al><al> er sprake is van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de
                            toepasbaarheid van deze criteria, wordt het</al><al> plan aan de welstandscommissie voorgelegd. De welstandscommissie maakt
                            in dergelijke gevallen tevens gebruik</al><al> van de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene
                            welstandscriteria. Van een dergelijk bijzondere situatie is</al><al> in ieder geval sprake bij de aangewezen monumenten en beeldbepalende en
                            beeldondersteunende panden en het</al><al> beschermde dorpsgezicht.</al><al> Criteria voor kleine plannen zijn gegeven voor:</al><al> • aan- of uitbouwen</al><al> • bijgebouwen of overkappingen</al><al> • dakkapellen</al><al> • kozijn- of gevelwijzigingen</al><al> • erf- of perceelafscheidingen</al><al> • reclame-uitingen</al><al> • winkelpuien</al><al> • luifels</al><al> • zonwering en rolluiken</al><al> • reclame, belettering en lichtbakken</al><al> • steigerreclame</al><al> • airco’s</al><al> Indien een bouwwerk dat valt onder de bovengenoemde categorieën niet
                            bouwvergunningsvrij is moet een vergunning</al><al> om te bouwen worden aangevraagd. In dat geval treedt het
                            bestemmingsplan in eerste instantie regelend op</al><al> voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bouwplan
                            past binnen het bestemmingsplan wordt het</al><al> bouwplan door een door burgemeester en wethouders gemandateerde
                            ambtenaar getoetst aan de criteria voor kleine</al><al> plannen. Voldoet het plan aan deze criteria dan geeft deze ambtenaar
                            namens burgemeester en wethouders het</al><al> positieve welstandsoordeel.</al><al> Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een
                            bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de</al><al> toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan aan de
                            welstandscommissie (dan wel een namens haar</al><al> gemandateerd lid) voorgelegd. De welstandscommissie zal in deze
                            gevallen met inachtneming van de gestelde criteria</al><al> voor kleine plannen en met de gebiedsgerichte, de objectgerichte of de
                            algemene welstandscriteria beoordelen</al><al> of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Op deze
                            manier kunnen licht-bouwvergunningsplichtigebouwwerken die in eerste
                            instantie niet voldoen aan de criteria voor kleine plannen alsnog door
                            de welstandscommissie</al><al> bezien worden in relatie tot de context van het gebied waar het
                            bouwplan geplaatst wordt. </al><al> In het Beschermde Dorpsgezicht en bij de door het Rijk, de provincie of
                            de gemeente aangewezen beschermde</al><al> monumenten zijn de elders vergunningsvrije bouwwerken,
                            vergunningsplichtig. Dat betekent dat altijd een bouwvergunning</al><al> moet worden aangevraagd. Gelet op de bijzondere waarden die in het
                            geding zijn in het Beschermde</al><al> Dorpsgezicht, worden alle aanvragen in dit gebied voorgelegd aan de
                            welstandscommissie.</al><al> Voor- en achterkant benadering</al><al> Er wordt onderscheid gemaakt tussen voor- en achterkant. Voorkant is de
                            voorgevel en de zijgevel, voor zover gelegen</al><al> aan de weg of openbaar groen. Achterkant is de achtergevel en de
                            zijgevel die niet aan de weg of openbaar</al><al> groen grenst. </al><al> Standaardplan</al><al> Een aanvraag voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand
                            als deze identiek is aan een in hetzelfde</al><al> bouwblok gerealiseerd bouwwerk, dat minder dan 5 jaar geleden met een
                            positief welstandsadvies is vergund. Het</al><al> bouwwerk voldoet ook aan redelijke eisen van welstand als het bouwwerk
                            overeenkomstig het ontwerp van de architect</al><al> is, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt
                            en waarvoor een positief welstandsadvies</al><al> is gegeven. Informatie over de standaardplannen is verkrijgbaar bij het
                            Team Vergunningen van de gemeente.</al><al> Vergunning en welstandstoetsing</al><al> De toepassing van welstandstoetsing is gekoppeld aan de
                            vergunningsplicht om te bouwen. Onder bepaalde voorwaarden</al><al> mag zonder vergunning worden gebouwd. Deze wordt dan ook niet
                            preventief getoetst aan redelijke eisen</al><al> van welstand.</al><al> In uitzonderingsgevallen, wanneer een bouwwerk in ernstige mate in
                            strijd is met redelijke eisen van welstand kan</al><al> de gemeente achteraf met behulp van de Excessenregeling ingrijpen. De
                            eigenaar wordt dan verzocht het uiterlijk</al><al> van het bouwsel aan te passen, ondanks het feit dat het
                            bouwvergunningsvrij is. </al><al> Voldoet een aanvraag niet aan de voorwaarden voor de lichte
                            bouwvergunning, dan is een reguliere bouwvergunning</al><al> vereist. Het bouwplan zal door de welstandscommissie getoetst worden
                            aan redelijke eisen van welstand aan</al><al> de hand van de criteria voor kleine plannen, gebiedsgerichte,
                            objectgerichte en de algemene welstandscriteria.</al><al> Aan- en uitbouwen</al><al> Criteria voor een aan- of uitbouw</al><al> Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en</al><al> wethouders overwegen daarvan vrijstelling of ontheffing te verlenen. </al><al> Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden</al><al> wordt voldaan:</al><al> A. het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande aan- of uitbouw in
                            hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar</al><al> geleden met een positief welstandsadvies is vergund, of</al><al> B. het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het
                            project ontworpen heeft waarvan het</al><al> bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is
                            gegeven, of </al><al> C. het bouwplan voldoet aan de volgende criteria:</al><al> Maat en plaats</al><al> Plaatsing Gebouwd op het achtererf op meer dan 1 m van de weg of het
                            openbaar groen</al><al> De aan- of uitbouw heeft t.o.v. het oorspronkelijke hoofdgebouw een
                            gevelsprong (visuele</al><al> dilatatie) van 10 cm bij hoekwoningen</al><al> Aan tussenwoning aan de achtergevel niet breder dan de oorspronkelijke
                            gevel</al><al> De uitbreiding ten hoogste 30 m² betreft. </al><al> Kapvorm: Hoogte bij plat dak: eerste verdieping vloer</al><al> Hoogte bij aankapping: doortrekking bestaande kap in zelfde dakhelling
                            als hoofdgebouw</al><al> c.q. maximaal 1 m boven eerste verdiepingsvloer</al><al> Materialen: Gevels: overeenkomstig het hoofdgebouw of een plint met
                            serreachtige houten constructie.</al><al> Geen metalen gevels</al><al> Deuren, Ramen en Kozijnen: Hout of aluminium</al><al> Daken: gebakken pannen of bij platte daken metaal, glas of mastiek. </al><al> Kleuren Overeenkomstig het hoofdgebouw</al><al> Overig In het beschermd dorpsgebied geldt bovendien dat:</al><al> · Een willekeurig gevelvlak ten hoogste 40% kozijnoppervlakte (deuren
                            plus ramen) mag</al><al> bevatten.</al><al> · De goothoogte (c.q. boeiboordhoogte) en/of nokhoogte niet hoger mag
                            worden dan die</al><al> van het hoofdgebouw of aanbouw. </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de aan- of uitbouw voldoet aan de eventuele aanvullende criteria in
                            het gebiedsgerichte beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie.</al><al/><al/><al>Bijgebouwen en overkappingen</al><al> Criteria voor bijgebouwen en overkappingen</al><al> Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en</al><al> wethouders overwegen daarvan vrijstelling of ontheffing te
                            verlenen.</al><al> Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden</al><al> wordt voldaan:</al><al> A. het bouwwerk is overeenkomstig een bestaand bijgebouw en overkapping
                            in hetzelfde bouwblok dat minder</al><al> dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is vergund, of </al><al> B. het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het
                            project ontworpen heeft waarvan het</al><al> bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is
                            gegeven, of</al><al> C. het bouwplan voldoet aan de volgende criteria: </al><al> Maat en plaats</al><al> Plaatsing Gebouwd op het achtererf op meer dan 1 m van de weg of het
                            openbaar groen</al><al> Kapvorm: Platdak, lessenaardak of een kap met een goothoogte van ten
                            hoogste 3 meter en een nokhoogte</al><al> van ten hoogste 5 meter. Een dakhelling die aansluit op de dakhelling
                            van een aangrenzend</al><al> (hoofd) gebouw c.q. minimaal 40 graden is.</al><al> Voor overkappingen (b.v. carports) geldt bovendien:</al><al> · Minimale vrije doorloophoogte van 2.40 meter</al><al> · 0m een, op afschot gelegd (golfplaten) dak dient een boeiboord van
                            ten hoogste 0,3</al><al> meter te worden aangebracht. </al><al> Materialen: Gevels: metselwerk of hout; geen metaal of (prefab)
                            betonplanken.</al><al> Deuren, Ramen en Kozijnen: Hout of aluminium</al><al> Daken met kap: dakpannen of (metalen) golfplaten. Platte daken: geen
                            welstandseis.</al><al> Kleuren Conform het hoofdgebouw </al><al> Overig In het beschermd dorpsgebied geldt bovendien dat:</al><al> · Van een willekeurig gevelvlak, uitgezonderd een gevel met
                            garagedeuren, ten hoogste</al><al> 20% kozijnoppervlakte (deuren plus ramen) bevat.</al><al> · De goothoogte (c.q. boeiboordhoogte) en/of nokhoogte niet hoger mag
                            worden dan die</al><al> van het hoofdgebouw of aanbouw.</al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de bijgebouwen en overkappingen voldoen aan de eventuele aanvullende
                            criteria in het gebiedsgerichte</al><al> beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie. </al><al> Dakkapellen</al><al> Criteria voor dakkapellen</al><al> Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en</al><al> wethouders overwegen daarvan vrijstelling of ontheffing te
                            verlenen.</al><al> Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden</al><al> wordt voldaan:</al><al> A. het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande dakkapel in hetzelfde
                            bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden</al><al> met een positief welstandsadvies is vergund, of </al><al> B. het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het
                            project ontworpen heeft waarvan het</al><al> bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is
                            gegeven, of</al><al> C. het bouwplan voldoet aan de volgende criteria: </al><al> Maat en plaats</al><al> Plaatsing Er zijn ten hoogste twee dakkapellen per dakvlak
                            toegestaan.</al><al> In voorkomende gevallen is de opbouw in het dakvlak als volgt: eerst
                            een dakkapel, daarboven</al><al> tuimelramen.</al><al> Indien op een bestaand dak (b.v. bij de buren met bouwvergunning) twee
                            dakkapellen boven</al><al> elkaar aanwezig zijn, is een symmetrische situatie voor de andere
                            woning toelaatbaar.</al><al> Plaats, vorm en afmetingen moeten overeenkomen met de reeds geplaatste
                            dakkapel.</al><al> De gezamenlijke breedte van een dakkapel mag (gemeten over de
                            gemiddelde hoogte van</al><al> de dakkapel) maximaal 50% van de breedte van het dakvlak bedragen met
                            een maximum</al><al> van 4.00 meter.</al><al> De afstand van een dakkapel tot de zijkant van het dak, een andere
                            dakkapel of de hoekkeper</al><al> dient minimaal 1,20 meter te bedragen.</al><al> De afstand van de onderzijde van de dakkapel tot de dakvoet dient
                            minimaal 0,5 m en maximaal</al><al> 1 m te zijn.</al><al> De afstand van de bovenzijde van de dakkapel tot aan de daknok dient
                            ten minst 0.90 m</al><al> (drie pannen) te zijn.</al><al> Dakkapellen (van twee woningen) mogen worden samengevoegd met die van
                            de belendingen,</al><al> met inachtneming van de aangegeven maximale breedte en minimum afstand
                            tot een</al><al> eindgevel.</al><al> Kapvorm Op een (normaal) pannendak met een dakhelling van ten minste 40
                            graden mag:</al><al> · een dakkapel met een plat dak worden aangebracht</al><al> · de kozijnhoogte maximaal 1,50 meter zijn, exclusief een daklijst van
                            ten hoogste 0,25</al><al> meter. </al><al> Op daken gedekt met riet, leien of leipannen met een dakhelling van
                            minimaal 45 graden</al><al> mag:</al><al> · een dakkapel worden afgedekt met een hellend dakvlak van minimaal
                            35º</al><al> · de afstand dakkapel tot nok ten minste 1 meter bedragen</al><al> · de inwendige (sta)hoogte maximaal 2.40 meter bedragen</al><al> · de kozijnhoogte maximaal 1 meter bedragen</al><al> Op een gebroken kap (Mansarde kap) mag een dakkapel slechts in het lage
                            (steile) dakvlak</al><al> geplaatst worden. De bovenzijde van de dakkapel dient een voortzetting
                            te zijn van het hoge</al><al> (flauw hellende) dakvlak.</al><al> Materialen De dakbedekking van de dakkapel is bij aangekapte
                            dakkapellen in overeenstemming met</al><al> het dakvlak van de woning</al><al> De zijwangen van de dakkapel in hout</al><al> De zijwangen van de dakkapel bij een doorlopende dakbedekking van riet
                            of leipannen </al><al> Kleuren Afstemmen op de architectuur van de woning</al><al> Overig Nieuwbouwplannen, voor geschakelde of aaneen gebouwde woningen,
                            dienen inzicht te</al><al> geven in de latere mogelijkheid tot plaatsing van een dakkapel. </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de dakkapel voldoet aan de eventuele aanvullende criteria in het
                            gebiedsgerichte beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie.</al><al> Kozijn- of gevelwijzigingen</al><al> Criteria voor kozijn- of gevelwijziging</al><al> Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en</al><al> wethouders overwegen daarvan vrijstelling of ontheffing te verlenen. </al><al> Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden</al><al> wordt voldaan:</al><al> A. het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande kozijn- of
                            gevelwijziging in hetzelfde bouwblok dat minder</al><al> dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is vergund, of</al><al> B. het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het
                            project ontworpen heeft waarvan het</al><al> bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is
                            gegeven, of </al><al> C. het bouwplan voldoet aan de volgende criteria:</al><al> Maat en plaats</al><al> • maatvoering afgestemd op hoofdgebouw</al><al> Architectonische uitwerking</al><al> • kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de gevel</al><al> • terughoudend met het gebruik van kunststof, alleen toepasbaar indien
                            dimensioneringen en aansluitingen</al><al> zijn afgestemd op de gevel,</al><al> • detaillering afgestemd op de gevel en de kozijnen,</al><al> • indien er (nog) samenhang en ritmiek aanwezig is in het straatbeeld
                            mag dit door een incidentele</al><al> gevelwijziging niet worden verstoord </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de kozijn- of gevelwijziging voldoet aan de eventuele aanvullende
                            criteria in het gebiedsgerichte</al><al> beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie.</al><al> Erf of perceelafscheidingen</al><al> Criteria voor erfafscheidingen</al><al> Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en</al><al> wethouders overwegen daarvan vrijstelling of ontheffing te verlenen. </al><al> Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden</al><al> wordt voldaan:</al><al> A. het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande erf of
                            perceelsafscheidingen in hetzelfde bouwblok dat minder</al><al> dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is vergund, of</al><al> B. het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het
                            project ontworpen heeft waarvan het</al><al> bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is
                            gegeven, of </al><al> C. het bouwplan voldoet aan de volgende criteria:</al><al> Maat en plaats</al><al> Plaatsing Voor zover een gebouw geen publieksfunctie2 heeft, dienen
                            erfafscheidingen aan de straatzijde uit</al><al> hagen (eventueel met een ondersteuningsconstructie tot 1 meter hoog) te
                            bestaan.</al><al> Voor openbare gebouwen en ondiepe (&lt; 3 meter) voortuinen van
                            woningen zijn aan de straatzijde</al><al> eenvoudige smeedijzeren hekken en gemetselde muurtjes tot maximaal 0.75
                            meter hoog toelaat</al><al> baar.</al><al> Hekwerken (minimaal 90% open) van donkergroen of zwart geplastificeerd
                            gaas of gegalvaniseerde</al><al> staalmatten tot 2 meter hoog ter ondersteuning van een groenblijvende
                            beplanting is als erfafscheiding</al><al> tussen voorgevel en straat/groenvoorziening toelaatbaar. Voorwaarde is
                            dat binnen één jaar na</al><al> afgifte vergunning een groenblijvende beplanting wordt aangebracht.
                            Voor hoekwoningen kan uit</al><al> verkeerskundige overwegingen (uitzicht) in de voortuin een lagere maat
                            worden vastgesteld. </al><al> Voor poorten in een erfafscheiding geldt:</al><al> ? een hoogte van maximaal 1.80 m (boven ooghoogte) voor een dichte
                            poort en 2.00 m</al><al> voor poorten die voor minimaal 70% doorzichtig zijn zoals smeedijzeren
                            poorten.</al><al> ? penanten mogen ten hoogste 2 meter hoog zijn</al><al> ? de breedte van een poort (uitgesloten één looppoort van 1.20 m breed)
                            mag gemeten</al><al> aan de weg ten hoogste 4 m breed zijn. Bij percelen breder dan 25 m
                            gemeten aan de</al><al> weg, zijn twee poorten toelaatbaar</al><al> ? Dat deze boven eigen grond moeten openen en sluiten.</al><al> Constructie/materiaal</al><al> Erfafscheidingen zijn in diverse materialen te koop. Hieronder zijn de
                            meest voorkomende materialen en hun</al><al> Esthetische waarde en eigenschappen aangegeven: </al><al> Hagen Vanwege het groene karakter van Laren gaat de voorkeur uit naar
                            hagen als erfscheiding</al><al> (bv beuken-, haagbeuk-, meidoorn- taxus-, ligusterhaag)</al><al> Gaashek Een andere mogelijkheid waar een sterke voorkeur voor bestaat
                            is een gaashek in een donkergroene</al><al> of donkerbruine kleur met een klimbeplanting (bv de groenblijvende
                            hedra)</al><al> Hout In tuingebieden is een uit hout opgetrokken erfafscheiding vrijwel
                            altijd een goede keus. Uit</al><al> esthetisch oogpunt zijn houten vlechtschermen direct langs de openbare
                            weg niet toegestaan.</al><al> De kwetsbaarheid en uitvoering ervan maken deze schermen meer geschikt
                            voor</al><al> goed afgeschermde (tuin)situaties. Langs de openbare weg voldoen
                            planken schuttingen</al><al> beter. Omdat Laren voor een groot deel in het grondwater
                            beschermingsgebied ligt</al><al> mogen geen gecreosoteerde palen in de grond gebracht worden.</al><al> Steen Een korte erfafscheiding maximaal 1.50 m lang, direct aan de
                            woning gebouwd, kan goed in</al><al> steen worden uitgevoerd. Ook als begrenzing van de openbare ruimte kan
                            een stenen muur</al><al> tot een passende invulling leiden.</al><al> Beton De uit betonpalen, -planken en -blokken samengestelde schuttingen
                            hebben een zeer eigen</al><al> verschijningsvorm, die niet inpasbaar is. Vooral in de directe
                            woonomgeving, die bijna altijd</al><al> wordt gedomineerd door baksteenarchitectuur, zijn betonschuttingen niet
                            toelaatbaar.</al><al> Riet De in de handel zijnde rietmatten of rietplaten zijn relatief
                            kwetsbaar en de toepassing dient</al><al> daarom beperkt te worden tot goed (door beplanting) afgeschermde
                            plaatsen.</al><al> Metaal (Smeed)ijzeren hekken (minimaal 90% open) zijn toelaatbaar.</al><al> Andere materialen Andere materialen zoals plastic, prikkeldraad en
                            metalen damwandprofiel zijn niet geschikt</al><al> voor erfafscheidingen. Zij worden als lelijk en onvriendelijk ervaren.
                            Toepassing in de woonomgeving</al><al> is derhalve niet toelaatbaar.</al><al> Kleur Een donkere kleur (RAL 6009 -donkergroen) geldt als uitgangspunt.
                            Lichtere kleuren zijn</al><al> nogal aandacht trekkend en leggen sterker de nadruk op oneffenheden en
                            onvolmaaktheden.</al><al> Stenen erfafscheidingen dienen in de steenkleur van de woning te worden
                            gebouwd.</al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de erf of perceelafscheidingen voldoet aan de eventuele aanvullende
                            criteria in het gebiedsgerichte</al><al> beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie. </al><al> Criteria voor Reclame, belettering en lichtbakken</al><al> Reclames dienen technisch, reclametechnisch en visueel optimaal te
                            worden aangepast aan het gebouw en/of ingepast</al><al> in de omgeving.</al><al> Bij een vergunningaanvraag moet worden gelet op:</al><al> ? de reclame op zich:</al><al> o Bij de reclame op zich moet worden gelet op de verschijningsvorm.
                            Toegestaan is alleen letters of geblazen</al><al> neonbuizen. Ook moet worden gelet op het mogelijk bewegend, knipperend
                            of geluid producerend zijn, alsmede</al><al> op de materiaal- en de kleurtoepassing, bevestigingsconstructie,
                            grafische verzorging van teksten en</al><al> tekens. Knipperende neonreclame en lichtbakken zijn niet
                            toegestaan.</al><al> o De verschijningsvorm moet in relatie worden gebracht met de plaats
                            waar de reclame wordt gewenst en het</al><al> bedrijf of beroep dat wordt uitgeoefend.</al><al> o Van belang is, dat ook bij de reclame op zich rekening gehouden wordt
                            met de belangen van derden, zoals</al><al> bewoners of gebruikers van tegenover-, naast- of bovengelegen panden of
                            vertrekken.</al><al> ? de reclame in relatie tot zijn omgeving waarbij de volgende gebieden
                            zijn te onderscheiden:</al><al> o voor woondoeleinden;</al><al> o met winkels (centrum);</al><al> o met bedrijven;</al><al> o als parken, sportterreinen en landelijk gebied;</al><al> o als overgangsgebieden en verbindingsassen zoals (doorgaande)
                            wegen</al><al> Normstelling en criteria voor plaatsing</al><al> A Woongebieden (norm):</al><al> Gezien het ontbreken van een relatie tussen een woonmilieu en
                            reclame-uitingen, wordt hier geen enkele soort reclame</al><al> toegestaan (reclame op daken, op zichzelf staande reclame, reclame aan
                            gebouwen enz. is niet toegestaan).</al><al> Een uitzondering hierop vormen woningen met een praktijkruimte voor het
                            uitoefenen van een vrij beroep, zoals:</al><al> ? een notaris, accountant, advocaat, arts, architect, timmerman,
                            schilder, loodgieter, etc;</al><al> Aansluitend op de A.P.V. is een beperkte/onverlichte naam- of
                            beroepsaanduiding mogelijk van maximaal 0,5 m2. </al><al> B Winkels (algemeen):</al><al> ? bij aanvragen om vergunningen voor nieuwbouw of verbouwing van gevels
                            van winkelpanden (of centra), kantoor-</al><al> en bedrijfsgebouwen, wordt verlangd dat reclame of het kader waarin
                            reclame komt, direct op de aanvraagtekeningen</al><al> wordt aangegeven en dus integraal met het bouwplan door de commissie
                            voor welstand en</al><al> monumenten kan worden beoordeeld;</al><al> ? overigens dient de vorm, kleur, belettering en lay-out van alle
                            reclameobjecten in harmonie te zijn met de architectuur,</al><al> Winkelcentra (plaatsingsmogelijkheden):</al><al> ? onder de luifel is, loodrecht op de voorzijde, per travee (kleinste
                            winkelbreedte) één tweezijdige reclame mogelijk</al><al> tot een vrije hoogte van 2,40 meter boven het trottoir;</al><al> ? tegen (evenwijdig aan) de gevel is per winkelbreedte één reclame
                            mogelijk met een oppervlakte van maximaal</al><al> 0,5 m2 en een lengte van maximaal 25% van de gevelbreedte;</al><al> ? reclames aan gevels mogen niet hoger worden aangebracht dan 0,6 meter
                            onder de onderzijde van de raamdorpels</al><al> van de eerste verdieping of tot de hoogte van de vloer van de eerste
                            verdieping;</al><al> ? tegen (loodrecht op) de gevel is per travee (kleinste winkelbreedte)
                            één (dubbelzijdige) reclame mogelijk met</al><al> een oppervlakte van maximaal 0,5 m2;</al><al> ? zonneschermen of markiezen met uitdrukkelijk reclametechnische
                            doelstellingen, worden niet aanvaardbaar geacht;</al><al> ? reclamevlaggen van max. 1 m² per stuk: maximaal twee stuks per gevel
                            van de betreffende winkel plus één vrijstaande</al><al> houten of witte kunststof vlaggenmast per perceel (eigengrond) van ten
                            hoogste 6 meter hoog;</al><al> ? buiten het gevelvlak uitstekende reclameobjecten dienen als regel
                            niet hoger te worden aangebracht dan de</al><al> scheiding van de begane grond en de eerste verdieping (tenminste 2,40
                            meter boven het trottoir en tenminste</al><al> 4,50 meter boven de rijweg). </al><al> C. Bedrijven</al><al> ? tegen (loodrecht op) de gevel is per travee (kleinste winkelbreedte)
                            één (dubbelzijdige) reclame mogelijk met</al><al> een oppervlakte van maximaal 0,5 m2;</al><al> D. Parken, sportterreinen en sportclubs</al><al> Reclame op eigen terrein:</al><al> ? rond de sportvelden borden van beperkte hoogte (bovenzijde 0,80 m
                            boven maaiveld) alleen gericht naar de</al><al> sportvelden.</al><al> ? Niet vanaf de openbare weg zichtbaar sponsorbord met afmetingen:
                            maximaal 3 m²</al><al> ? Op of aan kantine/ kleedgebouw en/of tribune alleen de naam van de
                            sportclub.</al><al> ? Reclame aan lichtmasten en lichtuitstralende reclame is niet
                            toegestaan </al><al> Aanduidingen op gemeentegrond</al><al> ? Eén naambord om te attenderen op de toegang naar de accommodatie van
                            sportverenigingen</al><al> ? Oppervlakte maximaal 0,5 m², op een verkeersveilige plaats. Alleen
                            als de situatie erom vraagt maximaal 2 borden.</al><al> ? Op bord(en) staat alleen de naam van de club, géén reclametekst
                            (zoals sponsor).</al><al> landelijk gebied (norm):</al><al> ? in deze gebieden is geen commerciële reclame mogelijk</al><al> E. Overgangsgebieden en verbindingsassen:</al><al> Langs de verbindingsassen Hilversumseweg, Torenlaan, Eemnesserweg,
                            Naarderstraat, Zevenend en Vredelaan is</al><al> de volgende permanente reclame toelaatbaar:</al><al> maat, schaal, materialen en kleur van het betreffende pand en omgeving;
                            dit ongeacht standaardvormen</al><al> en kleuren van reclameobjecten van bedrijfsketens e.d.</al><al> plattegrondkasten of zuilen met een nuttig oppervlakte van ten hoogste
                            2 m² waarvan ten hoogste 2/3 deel voor</al><al> reclame doeleinden mag worden gebruikt. De maximale hoogte is 2.20
                            meter. In totaal mogen er maximaal 10</al><al> stuks worden geplaatst;</al><al> ? abri's waarvan ten hoogste één zijwand voor reclame doeleinden mag
                            worden gebruikt;</al><al> ? reclame via billboards, klokken, gevelwandbeschilderingen en
                            lichtmastreclame is niet toegestaan;</al><al> Langs de A1 mag geen op dat verkeer gerichte reclame worden geplaatst. </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de reclame-uiting voldoet aan de eventuele aanvullende criteria in
                            het gebiedsgerichte</al><al> beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie.</al><al/><al> Criteria voor steigerdoekreclame</al><al> Steigerdoek reclame is onder de navolgende voorwaarden
                            toelaatbaar:</al><al> ? De Brink wordt uitgezonderd. Op deze plaatsen worden wel
                            steigerdoeken met daarop een façade van de gevel</al><al> gestimuleerd door op maximaal 10% van het oppervlak van het doek
                            reclame toe te staan zonder dat daarvoor</al><al> kosten aan de gemeente verschuldigd zijn, mits de reclame tussen de 1e
                            en 2e etage wordt aangebracht en de</al><al> belijning van het pand in acht wordt genomen.</al><al> ? Steigerdoekreclame op hoekpanden wordt toegestaan, mits de reclame
                            aan de Brinkzijde terughoudend wordt</al><al> aangelicht.</al><al> ? Aan steigerdoekreclame worden de navolgende welstandscriteria en
                            -bepalingen verbonden:</al><al> o De reclame-uiting dient in een kader van doorzichtig steigerdoek van
                            tenminste 50 cm. breed te worden</al><al> geplaatst, neutraal en onopvallend van kleur, passend bij het
                            gevelbeeld. Bij reclame op hoekpanden</al><al> wordt elke zijde separaat beoordeeld. Elke zijde moet worden voorzien
                            van een apart kader met een op</al><al> zichzelf staande reclame-uiting. Hiervan kan slechts worden afgeweken
                            als het in wezen om één reclame-</al><al> uiting gaat, mits beide zijden tevens als losse uitingen kunnen worden
                            gezien.</al><al> o Het reclamedoek moet tussen de bovenkant van de begane grondetage en
                            de goot worden aangebracht.</al><al> o De maximale breedte van de reclame-uiting bedraagt 16 meter. Indien
                            de totale bouwsteiger aanzienlijk</al><al> breder is, verdient een steigerdoek volgens het ‘Italiaanse model’3 de
                            voorkeur.</al><al> o Alleen platte doeken zijn toegestaan, met statische afbeeldingen.
                            Bewegende beelden en/of driedimensionale</al><al> objecten aan de doeken behoren niet tot de mogelijkheden, het gebruik
                            van fluorescerende</al><al> kleuren evenmin.</al><al> o De periode gedurende welke steigerdoekreclame mag worden gevoerd
                            dient verbonden te zijn aan een</al><al> gelimiteerde en aan de bouw verbonden tijd; bij
                            niet-bouwvergunningplichtige werkzaamheden geldt</al><al> daarbij een maximum van 9 weken.</al><al> o Indien de aanvraag binnen de standaardcriteria valt behoeft geen
                            voorlegging aan de Welstandscommissie</al><al> plaats te vinden.</al><al> o Geringe afwijkingen van de criteria zijn mogelijk, mits de
                            Welstandscommissie op de aanvraag positief</al><al> adviseert, dan wel – bij negatieve advisering – het Dagelijks Bestuur
                            in het specifieke geval gegronde</al><al> redenen heeft om van dit advies af te wijken.</al><al> ? Het aanlichten van de reclame wordt toegestaan, behoudens tussen 0.00
                            uur en 6.00 uur ’s nachts.</al><al> ? Alcoholreclame wordt niet toegestaan. Voor alle andere uitingen
                            gelden de beperkingen die uit de wetgeving, jurisprudentie</al><al> of richtlijnen van de Reclame Code Commissie voortvloeien.</al><al> ? In overeenkomsten met de professionele reclame-aanbieders wordt
                            opgenomen:</al><al> o de verplichting om bij de aanvraag een schrijven van de aannemer te
                            voegen waaruit aard en planning</al><al> van de werkzaamheden duidelijk blijken, en op basis daarvan inschatten
                            of de aangevraagde periode reëel is, respectievelijk bepalen tot wanneer
                            het reclamedoek uiterlijk mag hangen.</al><al> o de verplichting tot het overleggen van foto’s van vóór en na de
                            werkzaamheden.</al><al> o de beperking dat binnen 3 jaar na afronding van de werkzaamheden geen
                            nieuwe steigerdoekreclame</al><al> op hetzelfde pand mag worden aangebracht.</al><al> ? Noch het aantal deelnemende reclame-aanbieders, noch het aantal
                            aanvragen worden bij voorbaat gelimiteerd. </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de steigerdoekreclame voldoet aan de eventuele aanvullende criteria
                            in het gebiedsgerichte</al><al> beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie.</al><al> Criteria voor winkelpuien</al><al> Bij wijzigingen van winkelpuien worden de volgende aspecten
                            betrokken:</al><al> ? rekening houden met het oorspronkelijke type en grootte van de
                            (winkel)pui</al><al> ? bij de bestaande, waardevolle gevel is herstel vaak beter dan sloop
                            en vervanging</al><al> ? de vormgeving van de pui dient samenhang met de architectuur van de
                            bovenbouw van het (totale) pand te vertonen</al><al> ? goede verhouding in maat en schaal</al><al> ? verantwoord en aangepast kleurgebruik en detaillering die bij het
                            (totale) pand past</al><al> ? toepassen van duurzame materialen</al><al> ? integratie van reclame of naamaanduiding </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de winkelpui voldoet aan de eventuele aanvullende criteria in het
                            gebiedsgerichte</al><al> beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie</al><al> Criteria voor Luifels</al><al> Bij luifels worden de volgende aspecten betrokken:</al><al> ? de vormgeving van de luifel dient de samenhang met de architectuur
                            van de bovenbouw van het pand niet te</al><al> verzwakken</al><al> ? luifels mogen niet breder zijn dan de breedte van de gezamenlijke
                            kozijnen.</al><al> ? de hoogte van luifels boven een voetpad dient minimaal 2.40 m te
                            bedragen en boven een voor auto´s bestemde</al><al> strook 4.50 m</al><al> ? Luifels mogen maximaal 0.50 m uit de gevel uitsteken en dienen boven
                            eigengrond te worden aangebracht.</al><al> ? verantwoord en aangepast kleurgebruik en detaillering die bij het
                            pand past</al><al> ? toepassen van duurzame materialen</al><al> ? integratie van reclame of naamaanduiding </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de luifel voldoet aan de eventuele aanvullende criteria in het
                            gebiedsgerichte beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie.</al><al> Criteria voor Zonwering en rolluiken</al><al> Bij de welstandsbeoordeling van zonwering en rolluiken worden de
                            volgende aspecten betrokken:</al><al> ? aansluiting moet worden gezocht bij de kleur en indeling van de
                            bestaande gevel</al><al> ? de minimale openheid van rolluiken voor een etalage moet tenminste
                            75% bedragen;</al><al> ? rolluiken voor een winkel dienen rekening te houden met de
                            bouwkundige indeling (gevelsprongen) van het winkelfront</al><al> ? vorm, materiaal en de kleurkeuze van rolluiken dienen op de sfeer en
                            het gebruik van het gebouw te zijn afgestemd </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de zonwering en rolluiken voldoet aan de eventuele aanvullende
                            criteria in het gebiedsgerichte</al><al> beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie</al><al> Aanbeveling:</al><al> ? het toepassen van gepantserd glas</al><al> ? het plaatsen van een rolluik met gesloten structuur achter de
                            etalage, waarbij het plaatsen van zeer waardevolle</al><al> artikelen in de etalage uiteraard minder gewenst is.</al><al> Criteria voor airco´s</al><al> Airco´s kunnen aan de hand van de volgende loketcriteria ambtelijk
                            worden afgedaan:</al><al> ? in principe moeten airco´s binnen het gebouw worden aangebracht met
                            een rooster in de muur. Dit beperkt niet</al><al> alleen de hinder (lawaai) voor de omgeving maar doet ook het minste
                            afbreuk aan een pand.</al><al> ? Bij airco´s aan de buitenzijde van een gebouw moeten:</al><al> o maximale maten van 1x1x0,5 m in acht worden gehouden</al><al> o airco´s aan het zicht van derden worden ontrokken door b.v. volledige
                            omkasting, plaatsing achter balkonborstwering</al><al> of op een dak</al><al> o (Ontsierende) leidingen worden weggewerkt in kabelgoten</al><al> o geschilderd worden in de kleur van de achtergrond </al><al> Aanvullende criteria</al><al> • de airco voldoet aan de eventuele aanvullende criteria in het
                            gebiedsgerichte beoordelingskader</al><al> • alle aanvragen in het Beschermde Dorpsgezicht en die een monument of
                            beeldbepalend pand betreffen</al><al> worden voorgelegd aan de welstandscommissie.</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>5</nr><titel>Objectgerichte criteria</titel></kop><structuurtekst><al>In deze paragraaf worden de objectgerichte welstandscriteria genoemd
                            voor bouwwerken die zo specifiek zijn dat</al><al> ze, ongeacht het gebied waarin ze worden geplaatst, een eigen serie
                            welstandscriteria vergen. De opzet van deze</al><al> objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met de de
                            gebiedsgerichte beoordelingskaders. Ook hierbij gaat</al><al> het steeds om 'relatieve' welstandscriteria. De bouwplannen worden
                            altijd aan de welstandscommissie voorgelegd,</al><al> die bij de beoordeling de criteria interpreteert in het licht van het
                            concrete bouwplan (dit in tegenstelling tot de criteria</al><al> voor de kleine bouwplannen in de volgende paragraaf, die vrijwel
                            'absoluut' zijn, waardoor ambtelijke beoordeling</al><al> mogelijk is).</al><al> Ook voor de specifieke bouwwerken is het vaststellen van het
                            welstandsniveau van belang. Het moet aansluiten bij</al><al> het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste
                            ontwikkelingen. In theorie zijn voor de specifieke bouwwerken</al><al> vier welstandsniveau's mogelijk: 'beschermen' bij de beschermde
                            objecten, dat wil zeggen de door het Rijk,</al><al> de provincie of de gemeente aangewezen monumenten, 'verbeteren' bij de
                            welstandsobjecten waarbij extra inspanning</al><al> ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is, 'handhaven' de
                            welstandsobjecten waarbij de basiskwaliteit</al><al> moet worden gehandhaafd en 'vrij' bij de welstandsvrije objecten. Hoe
                            hoger het welstandsniveau hoe hoger de gewenste</al><al> kwaliteit.</al><al> Langhuisboerderijen</al><al> Beschrijving</al><al> De Langhuisboerderijen in Laren staan voornamelijk in de kern van het
                            dorp en in de gebieden met verspreide bebouwing</al><al> eromheen. De boerderijen zijn afwisselend en georiënteerd op de weg,
                            hoewel de voorgevel niet altijd</al><al> evenwijdig aan de weg staat. Ze hebben een traditionele en eenvoudige
                            opbouw van één laag met kap. De architectonische</al><al> uitwerking is doelmatig, zeer zorgvuldig en gevarieerd. Het materiaal-
                            en kleurgebruik is traditioneel.</al><al> In Laren zijn diverse typen van boerderijen. Bij het type
                            langhuisboerderij zijn de deuren in de zijgevels gelegen. De</al><al> onderste daklijn is meestal ter plaatse van deze deuren (zijbaander)
                            verhoogd. In vele gevallen is de noklijn van de</al><al> stallen lager dan die van het woongedeelte. Het woongedeelte heeft ook
                            een rijkere architectonische uitwerking.</al><al> De daken zijn gedekt met gebakken pannen of natuurriet. De vensters
                            zijn klein en onderverdeeld met roeden. Op</al><al> de erven komen bijgebouwen als schuren en hooibergen voor. Hulst- en
                            meidoornhagen dienen ook nu nog veelal</al><al> als erfafscheiding. De grote en nieuwere langhuisboerderijen uit de
                            late 19e en begin 20e eeuw zijn strakker vormgegeven</al><al> dan de oudere boerderijen: rechthoekige langhuisboerderijen met
                            doorgaande zadeldaken, gedekt met</al><al> pannen. </al><al> Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</al><al> Behoud van de uiterlijke vorm is het kernwoord voor het welstandsbeleid
                            voor de boerderijen van Laren. Daarnaast</al><al> is de maat, schaal en vorm van de gevelinvullingen van belang. De
                            terughoudende maar tegelijkertijd zorgvuldige</al><al> architectuur van deze historische bebouwing is een belangrijke
                            kwaliteit in het dorpsbeeld. Aanpassingen en nieuwbouw</al><al> dienen op een vergelijkbaar niveau te worden uitgevoerd.</al><al> Welstandsniveau</al><al> Voor de cultuurhistorisch waardevolle boerderijen in Laren is het
                            welstandsbeleid gericht op het verbeteren en in</al><al> stand houden van de karakteristieken van deze objecten. </al><al> Ligging</al><al> • het dorpse karakter van het gebied behouden, daarbij is een heldere
                            ordening van verschillende gebouwen</al><al> en traditionele erfbeplanting op het erf belangrijk</al><al> • per kavel is er één hoofdmassa</al><al> • de gebouwen volgen in ligging grofweg de hoofdstructuur</al><al> Massa</al><al> • panden zijn individueel en afwisselend</al><al> • gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm waarbij het woongedeelte
                            veelal hoger is dan het achterhuis</al><al> (stalgedeelte)</al><al> • gebouwen hebben een opbouw bestaande uit een onderbouw van één laag
                            en één laag met een zadeldak</al><al> • zijgevels hebben kleine vensters en eventueel staldeuren</al><al> • op-, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als
                            toegevoegd element of opgenomen in de</al><al> hoofdmassa</al><al> • bij aanpassingen aan gebouwen moet de hoofdvorm van het gebouw
                            duidelijk herkenbaar blijven </al><al> Architectonische uitwerking</al><al> • de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd</al><al> • het verschil tussen voorhuis en achterhuis (stalgedeelte) van het
                            hoofdgebouw in architectonische</al><al> uitwerking benadrukken</al><al> • fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als kozijnen,
                            dakgoten, daklijsten, windveren,</al><al> raamhout en roedeverdeling</al><al> • traditioneel Hollandse houten kozijnen en raamhout en profileringen
                            vormen het uitgangspunt</al><al> • bijgebouwen als schuren zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig
                            gedetailleerd als de hoofdmassa</al><al> • wijzigingen en toevoegingen zijn in maat schaal en stijl zorgvuldig
                            afgestemd op het hoofdvolume</al><al> Materiaal- en kleurgebruik</al><al> • het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel</al><al> • gevels zijn in hoofdzaak van baksteen eventueel gecombineerd met
                            pleisterwerk of houten delen</al><al> • daken zijn afgedekt met gebakken pannen of met natuurriet</al><al> • het houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren als bijvoorbeeld
                            groen voor deuren en luiken, licht oker</al><al> voor kozijnen en wit en groen voor de ramen </al><al> Hooibergen</al><al> Beschrijving</al><al> De hooiberg is vanouds een agrarisch bedrijfsgebouw voor de opslag van
                            hooi en granen. Maar ook een wijkplaats</al><al> voor dieren. In Laren komen enkele hooibergen voor en dat zijn
                            hooibergen met vier of vijf roeden (staanders).</al><al> Oorspronkelijk</al><al> waren de roeden vierkant en van eikenhout. Later werden de roeden ook
                            van beton of ijzer gemaakt en</al><al> werden ook ronde roeden toegepast.</al><al> Er is bij een hooiberg sprake van een verstelbaar dak, met een
                            hijsmechanisme. Van oudsher betreft het vooral</al><al> hooibergen met een rieten kap. Bij latere aanpassingen en nieuwe
                            hooibergen zijn veelvuldig zinken golfplaten toegepast.</al><al> De hooiberg is een open constructie</al><al> Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</al><al> Behoud van de uiterlijke vorm is het kernwoord voor het welstandsbeleid
                            voor de hooibergen van Laren. </al><al> Aanpassingen</al><al> en nieuwbouw dienen op een vergelijkbaar niveau te worden
                            uitgevoerd.</al><al> Welstandsniveau</al><al> Voor de cultuurhistorisch waardevolle hooibergen in Laren is het
                            welstandsbeleid gericht op het verbeteren en in</al><al> stand houden van de karakteristieken van deze objecten. </al><al> Ligging</al><al> • de hooibergen liggen op het (voormalige) erf, achter de brandmuur van
                            de boerderij</al><al> Massa</al><al> • de hoofdvorm is vierkant, rechthoekig of een andere veelhoek; </al><al> Architectonische uitwerking</al><al> • de roeden vormen een herkenbaar onderdeel van het bouwwerk.</al><al> Materiaal- en kleurgebruik</al><al> • de roeden worden in hout, ijzer of beton uitgevoerd;</al><al> • het dakvlak wordt in riet of een ander materiaal in grijze of donkere
                            tint uitgevoerd. </al><al> Dakopbouwen</al><al> Beschrijving</al><al> Op enkele plekken in Laren zijn dakopbouwen toegepast. Het gaat hierbij
                            om een uitbreiding van de woning waarbij</al><al> de nok wordt verhoogd. Veelal gebeurd dit bij woningen met een relatief
                            flauwe kap en een lage nokhoogte ten opzichte</al><al> van de goothoogte. De ruimte is niet aanwezig om een dakkapel te
                            plaatsen. Dakopbouwen zijn altijd regulier</al><al> bouwvergunningplichtig. Aanvragen om reguliere bouwvergunningen moeten
                            altijd voorgelegd worden aan de welstandscommissie.</al><al> Een dakopbouw moet is aan de volgende criteria voldoen: </al><al> • Deze mogen of tussen de schoorstenen of over de volle breedte van een
                            woning</al><al> worden gebouwd indien de nokhoogte van de woning t.o.v. de
                            vloerhoogte</al><al> onvoldoende is om een dakkapel te plaatsen volgens de regels voor
                            vergunningvrij</al><al> bouwen.</al><al> • Bij plaatsing op een bouwblok moet de hoogte zijn afgestemd op de
                            eerste dakopbouw waarvoor bouwver</al><al> gunning is verleend.</al><al> • De ramen van de dakopbouw moeten naar het achtererf gekeerd zijn</al><al> • De hoogte tussen bovenkant bestaande vloer en onderkant nok mag
                            maximaal 2.70 meter zijn.</al><al> • De goothoogte van de dakopbouw mag, gerekend van de bestaande
                            zoldervloer, maximaal 2 meter</al><al> zijn.</al><al> • De dakhellingen van het verhoogde gedeelte moet gelijk zijn aan de
                            helling van het bestaande dak</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad in haar vergadering van 30 juni
                        2010.</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Laren/i232395.pdf">Welstandsnota Laren 2010 Bijlage 1 Begripsomschrijving</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>