<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR77574_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoering wet kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2004-09-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Altena</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsblad land van
                Altena</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening uitvoering wet kinderopvang</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-09-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de verordening Kinderopvang gemeente Aalburg 1997.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoering wet kinderopvang</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door de gemeenteraad op 30 september 2004</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Aalburg;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang (Wk); </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang,
                                voor personen bedoeld in artikel 22 van de wet bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>Als dit van toepassing is: naam en sofi-nummer van de
                                        partner en, als dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en (zo mogelijk) sofi-nummer van het
                                        kind of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming
                                        betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>(zo mogelijk) een offerte of contract van het kindercentrum
                                        of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin
                                        in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren
                                        kinderopvang per kind per week, de kostprijs per uur en de
                                        aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat voor de aanvraag gebruik gemaakt wordt
                                van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend
                                door de partner.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Verlening van de tegemoetkoming erlening van de
                            tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                informeert de aanvrager hierover schriftelijk. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de aanvrager niet
                                behoort tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag is ontvangen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                kalenderjaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een kortere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Beperking van de aanspraak op de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang per kind dat door de ouder is aangevraagd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de berekening van de tegemoetkoming geldt de door de overheid
                                gehanteerde maximum uurprijs.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                                kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen
                                        de ouder en/of partner behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                        de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per kind
                                        waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>het maximaal toegekende bedrag per kalenderjaar of andere
                                        periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend en de
                                        wijze waarop dit berekend is;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier
                                weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Teveel betaalde voorschotten worden zo mogelijk verrekend met
                                lopende voorschotten dan wel teruggevorderd op grond van het
                                bepaalde in de wet</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt het college onmiddellijk, uit eigen
                                beweging, gebruik makend van een daarvoor ter beschikking gesteld
                                formulier, alle gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere tegemoetkoming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder verstrekt desgevraagd het college, binnen een door het
                                college te stellen redelijke termijn, alle gegevens van hem en zijn
                                partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming
                                van de gemeente van belang zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Bewaarplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouder bewaart alle bewijsstukken die aan de verstrekking van de
                                tegemoetkoming ten grondslag liggen ten minste gedurende vijf jaar
                                na de vaststelling en stelt deze op verzoek ter beschikking aan het
                                college voor controledoeleinden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Het register, de handhaving en sanctionering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Het register</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college houdt een register bij zoals bedoeld in artikel 46 van
                                de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>De handhaving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college zorgt voor de naleving van de wet zoals bedoeld in
                                Hoofdstuk 4 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>De sanctionering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college zorgt voor sanctionering zoals bedoelt in hoofdstuk 5
                                paragraaf 2 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan beleidsregels formuleren waarin nadere invulling
                                gegeven wordt aan het bepaalde in de artikelen 2.1 lid 1 sub d en f,
                                2.1 lid 4., 3.1 lid 2, 3.4 lid 2, 3.5. en hoofdstuk 6 van deze
                                verordening,</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Afwijken van bepalingen; hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouder
                                afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van
                                de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met inachtneming van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet
                                treedt deze verordening onmiddellijk in werking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening uitvoering Wet
                                kinderopvang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verordening Kinderopvang gemeente Aalburg 1997 wordt op 1 januari
                                2005 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De Algemene Aanvullende Subsidieverordening Welzijn gemeente Aalburg
                                2001 is niet van toepassing op de subsidiering op grond van de Wet
                                kinderopvang.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad,</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>AlgemeneToelichting</titel></kop><al><vet>1. inleiding </vet></al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang (Wk) in werking. De Wk wil het
                    ouders of verzorgers gemakkelijker maken werk en zorg te combineren. Niet alleen
                    werkenden kunnen een beroep doen op de Wk, maar ook niet werkenden. Een aantal
                    in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente voor het
                    betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De
                    vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang heet
                    ‘tegemoetkoming’, in juridische zin gaat het om een subsidie. Artikel 25 Wk
                    bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de
                    tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op
                    de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming. De
                    gemeente Aalburg heeft ervoor gekozen om ook de andere gemeentelijke taken in
                    het kader van de Wk in deze verordening op te nemen zodat in een verordening een
                    compleet beeld van de gemeentelijke taken ontstaat. Daarom heet deze verordening
                    “Verordening uitvoering Wet kinderopvang gemeente Aalburg” 2. Karakter van de
                    tegemoetkoming De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van
                    de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële
                    middelen door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde
                    activiteit van de aanvrager. Dit betekent dat de regels die de Awb stelt over
                    subsidies van toepassing zijn op de tegemoetkomingen. Daarnaast natuurlijk de Wk
                    zelf en deze verordening. De Algemene aanvullende subsidieverordening welzijn
                    gemeente Aalburg 2001 is niet van toepassing voor deze vorm van
                    subsidieverlening, omdat deze verordening in juridische zin specifieker is en
                    dus voorgaat op de algemene verordening. 3. De gemeentelijk doelgroepen In
                    artikel 22 van de Wk zijn de gemeentelijke doelgroepen geregeld. In artikel 22
                    worden de doelgroepen aangeduid die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming
                    van de gemeente om arbeid en zorg te kunnen combineren. Daarbij moet het begrip
                    ‘arbeid’ ruim worden opgevat. Ook het volgen van een traject in het kader van
                    arbeidsinschakeling of het volgen van een scholing of een cursus valt er onder.
                    Om te bepalen of iemand tot de doelgroep van de gemeente behoort of niet, moet
                    gekeken worden naar de omstandigheden van de ouder én indien aanwezig, de
                    partner van de ouder. Artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wk, geeft de
                    definitie van het begrip ‘ouder’: 1. een persoon die een huishouding voert
                    waartoe het kind behoort, op wie de kinderopvang betrekking heeft, welk kind in
                    belangrijke mate door hem wordt onderhouden in de zin van artikel 2 van de
                    Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, dan wel 2. een persoon die een
                    huishouding voert waartoe het kind behoort, op wie de kinderopvang betrekking
                    heeft, waarvoor die persoon een pleegvergoeding in het kader van de Wet op de
                    jeugdhulpverlening ontvangt. Voor de omschrijving van het begrip ‘partner’ wordt
                    in de Wk aangesloten bij het partnerbegrip in de Wet inkomstenbelasting 2001. 4.
                    Aanwijzen van gemeentelijke doelgroepen De gemeente kan er voor kiezen om naast
                    de doelgroepen die in de wet zijn benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die
                    aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.
                    Daarbij kan gedacht worden aan ouders die vrijwilligerswerk doen of ouders die
                    zich bezighouden met mantelzorg. Er is voor gekozen om dit niet te doen. De
                    kosten hiervan zouden immers volledig voor rekening van de gemeente zelf komen.
                    Zolang er geen goed zicht is op de te verwachte uitgaven in het kader van de wet
                    is het niet verantwoord hier nog extra uitgaven te creëren. 5. Hoogte van de
                    tegemoetkoming ten behoeve van de gemeentelijke doelgroepen In artikel 24 van de
                    wet is de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente bepaald. Naast de plicht
                    tot betaling van het werkgeversdeel van de kosten van kinderopvang ten behoeve
                    van de in artikel 22 genoemde wettelijke doelgroepen (16% of 32% deel van de
                    kosten) heeft de gemeente voor een deel van deze groepen nog een verplichting
                    tot betaling van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage. In de hierna volgende
                    schema’s zijn de groepen aangegeven ten aanzien van wie deze verplichting
                    bestaat. Deze inkomensafhankelijke ouderbijdrage moet in overeenstemming met de
                    jaarlijks door het ministerie van SZW vast te stellen ouderbijdragentabel
                    kinderopvang (“percentagetabel”) bepaald worden. Hieronder een overzicht van de
                    verdeling kosten kinderopvang voor alle betrokkenen. <plaatje><illustratie id="if13e79e4-46a7-4462-838b-27bb335bf56e" naam="i19168if13e79e4-46a7-4462-838b-27bb335bf56e.jpg" breedte="8cm" schaal="1" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="639px" hoogte="4.01cm"/></plaatje></al><al>Op de volgende pagina’s worden overzichten gegeven van de gemeentelijke
                    doelgroepen in de Wk, met daarbij de betreffende bepalingen in de wet. Bovendien
                    wordt per doelgroep aangegeven welk percentage van de kosten van de kinderopvang
                    door de gemeente wordt vergoed door middel van een tegemoetkoming. Hierbij wordt
                    tevens een indicatiebedrag per maand genoemd, gebaseerd op kinderopvang voor 1
                    kind voor 5 dagdelen in de week. Naast het percentage van 16% of 32% van de
                    kosten van de kinderopvang zoals opgenomen in artikel 7 lid 1 van de wet,
                    bestaat er voor ouders in een arbeidstoeleidingstraject met een uitkering en
                    voor ouders met een deeltijdbaan en een aanvullende WWB-uitkering nog recht op
                    een aanvullende vergoeding. Dit heeft tot doel om met name voor deze groep
                    ouders de kosten van de kinderopvang geen belemmering te laten zijn voor
                    deelname aan het reïntegratietraject dan wel het arbeidsproces. Een ouder zonder
                    partner: <plaatje><illustratie id="ib6505a51-28bb-4cec-a5f7-883e264ea525" naam="i19169ib6505a51-28bb-4cec-a5f7-883e264ea525.jpg" breedte="8cm" schaal="1" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="640px" hoogte="9.48cm"/></plaatje></al><al>Een ouder met partner: <plaatje><illustratie id="i69e25b27-4795-4b6c-b8f9-4f453f3c70c1" naam="i19170i69e25b27-4795-4b6c-b8f9-4f453f3c70c1.jpg" breedte="8cm" schaal="1" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="640px" hoogte="9.48cm"/></plaatje></al><al>6. Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de tegemoetkomingen In deze
                    verordening zijn de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn.
                    Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te bevorderen De
                    gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een “open-einde
                    regeling”. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort tot de
                    gemeentelijke doelgroep recht heeft op een tegemoetkoming van de gemeente. Om
                    greep te houden op de kosten die het gevolg zijn van de verstrekking van de
                    tegemoetkomingen, zijn in de verordening de volgende bepalingen opgenomen: - De
                    omvang van de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de gemeente wordt
                    aan beperkingen gebonden. In de verordening is bepaald dat de tegemoetkoming
                    wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per week dat naar het oordeel
                    van het college voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie
                    van arbeid en zorg mogelijk te maken. De wens van de ouder is hier dus
                    uitdrukkelijk niet bepalend. - Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende
                    kracht verstrekt. Een gemeentelijke tegemoetkoming wordt op zijn vroegst
                    verstrekt met ingang van datum waarop de aanvraag is ingediend. - De
                    tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er ook feitelijk kinderopvang
                    plaatsvindt. - De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten.
                    Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die de
                    gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt. In overleg met de
                    kindercentra ontwikkelt de gemeente een zo efficiënt mogelijk betalingssysteem.
                    Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar Een tegemoetkoming wordt in
                    principe verstrekt voor de duur van één kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten
                    bij de wijze waarop de betalingen door de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit
                    betekent dat een tegemoetkoming elk jaar opnieuw moet worden aangevraagd.
                    Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen waarin bij de aanvraag reeds
                    duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde
                    periode (bijvoorbeeld de duur van een reïntegratietraject die in het trajectplan
                    is vastgelegd of de datum waarop het kind naar de basisschool gaat of de
                    basisschool verlaat). Daarnaast kunnen natuurlijk ook twee besluiten genomen
                    worden, een voor het lopende jaar en een voor het komende jaar. Dit zal het
                    geval zijn als de behoefte aan kinderopvang bijvoorbeeld kort doorloopt in het
                    komende jaar. Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen De verstrekking
                    van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee wordt aangesloten
                    bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het verlenen van de
                    tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming een
                    voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een maximumbedrag. De
                    aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven
                    nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van
                    kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                    voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens
                    afdwingbare aanspraak. De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van
                    de tegemoetkoming. In deze beschikking wordt, achteraf, vastgesteld in hoeverre
                    de ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het
                    uiteindelijke bedrag van de tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de
                    tegemoetkoming wordt de tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming
                    wordt vastgesteld kan de gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de
                    tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren en eventueel
                    inlichtingen bij de houders van een kindercentrum of gastouderbureau op te
                    vragen. Artikelsgewijze toelichting</al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In de begripsbepalingen is aangesloten bij de begrippen die in de Wk worden
                    gehanteerd.</al><al><vet>Artikel 2.1 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag </vet></al><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26
                    Wk). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de ouder woont
                    (artikel 22, derde lid, Wk). De aanvraag moet schriftelijk gebeuren (artikel 4:1
                    Awb). Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een kalenderjaar wordt verstrekt
                    (artikel 3.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de lasten voor
                    de aanvragers zo beperkt mogelijk te houden kan de gemeente het
                    aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag aan de ouders toesturen, waarbij het
                    formulier al is ingevuld met de gegevens die al bekend zijn. De ouders hoeven
                    dan alleen de mutaties op het aanvraagformulier aan te geven. Een verhoging van
                    de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal uren of dagdelen
                    kinderopvang per kind, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de
                    tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang van de kinderopvang
                    hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk
                    mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wk en artikel 5.1,
                    eerste lid). Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag zo
                    mogelijk een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de
                    kinderopvang gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit is met name het geval als
                    de ouder nog geen relatie met Sociale Zaken heeft. Als dit wel het geval is kan
                    het regelen van de kinderopvang via de gemeente zelf verlopen en hoeft de ouder
                    geen offerte of contract te overleggen. Onderdeel e van het eerste lid bepaalt
                    dat bij de aanvraag gegevens of een verwijzing naar gegevens wordt gevoegd
                    waaruit blijkt dat de ouder behoort tot een gemeentelijke doelgroep. In een
                    aantal gevallen kan de ouder volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat
                    de gemeente over de gegevens beschikt: - de ouder of partner ontvangt van een
                    uitkering in het kader van de WWB, IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling; - de ouder is een
                    niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende geregistreerd bij het
                    CWI én maakt gebruik van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; - de
                    ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt; In andere gevallen
                    zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten verstrekken: <plaatje><illustratie id="idb27a152-562c-444d-ac89-edcbe4a76e53" naam="i19171idb27a152-562c-444d-ac89-edcbe4a76e53.jpg" breedte="8cm" schaal="1" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="640px" hoogte="9.48cm"/></plaatje></al><al>In het tweede lid is vastgelegd dat het college kan bepalen dat van een
                    aanvraagformulier gebruik gemaakt wordt waarop aangegeven staat welke gegevens
                    overlegd moeten worden bij de aanvraag. In het derde lid wordt bepaald dat als
                    de aanvrager een partner heeft, deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze
                    bepaling is volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is
                    al neergelegd in artikel 26, derde lid, Wk.</al><al><vet>Artikel 3.1 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</vet></al><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Dus niet
                    alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die een voortzetting van
                    een tegemoetkoming betreffen en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in
                    verband met uitbreiding van de omvang van de kinderopvang. In de verordening is
                    gekozen voor een beslistermijn van ten hoogste acht weken die eventueel met vier
                    weken kan worden verlengd. Dit sluit aan bij de termijnen die bij de uitvoering
                    van de WWB gehanteerd worden. De beslistermijn van acht weken heeft ook gevolgen
                    voor de datum waarbinnen aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moet
                    worden aangevraagd. Om er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari
                    kan worden voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal acht weken vóór 1
                    januari bij de gemeente moeten indienen. Het feit dat het college een termijn
                    van acht weken heeft om te beslissen over een aanvraag voor een tegemoetkoming,
                    wil uiteraard niet zeggen dat het college deze termijn ook in alle gevallen moet
                    benutten. De gemeente zal er naar streven de behandelingstermijn van aanvragen
                    zo kort mogelijk te houden en met name aanvragen waar spoed mee geboden is
                    direct af te handelen. Door middel van mandatering van de beslissingsbevoegdheid
                    wordt de besluitvorming versneld. ?</al><al><vet>Artikel 3.2 Weigeringsgrond</vet></al><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om de
                    subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing.
                    Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd als een
                    gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: a. de activiteiten niet of niet
                    geheel zullen plaatsvinden; b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de
                    subsidie verbonden verplichtingen; c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze
                    rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                    daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling
                    van de subsidie van belang zijn. Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de
                    subsidieverlening voorts in ieder geval kan worden geweigerd als de aanvrager:
                    a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                    en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag
                    zou hebben geleid, of b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling
                    is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                    personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de
                    rechtbank is ingediend. Artikel 3.3 Ingangsdatum Dit artikel bepaalt dat een
                    tegemoetkoming niet met terugwerkende kracht wordt verleend. Zoals eerder bij
                    Hoofdstuk 6 (Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen) van de Algemene Toelichting aangegeven is, ligt hieraan een
                    financiële reden ten grondslag. Het niet verlenen van tegemoetkomingen met
                    terugwerkende kracht is één van de mogelijkheden om greep te houden op de
                    kosten. De bepaling dat een tegemoetkoming niet met terugwerkende kracht wordt
                    verleend heeft ook betrekking op aanvragen voor een verhoging van de
                    tegemoetkoming in verband met een uitbreiding van het aantal uren kinderopvang.
                    De verhoogde tegemoetkoming wordt, op zijn vroegst, verstrekt vanaf het moment
                    waarop die aangevraagd is. </al><al><vet>Artikel 3.4 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</vet></al><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor
                    aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                    betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. Het college kan de
                    tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het
                    geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op de
                    tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject voor een bepaalde
                    periode volgt. Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming te
                    koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een andere vorm van
                    arbeid), kan in sommige gevallen voorkomen worden dat ten onrechte subsidie
                    verleend wordt.</al><al><vet>Artikel 3.5 Beperking van de aanspraak op de tegemoetkoming</vet></al><al>De Wk regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de
                    gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang van die aanspraak.
                    Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot een
                    gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                    waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met
                    de combinatie van arbeid en zorg. De eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang van de ouders die tot de gemeentelijke doelgroep behoren is in
                    bepaalde gevallen nihil, namelijk wanneer de inkomensafhankelijke eigen bijdrage
                    door de gemeente wordt gecompenseerd (zie artikel 24, eerste en tweede lid,
                    onderdeel a). Dit betekent dat voor degenen die tot deze gemeentelijke doelgroep
                    behoren de hoogte van de eigen bijdrage geen rem zet op de vraag naar
                    kinderopvang. Ouders die een (substantiële) eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang moeten betalen, zullen de hoogte van die bijdrage mee laten wegen
                    bij hun vraag naar kinderopvang. Om de kosten voor de gemeente te beperken, is
                    daarom deze bepaling over de noodzaak van het aantal uren kinderopvang per week
                    in de verordening opgenomen, die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins
                    beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om in elk individueel
                    geval te beoordelen hoeveel kinderopvang per week een ouder redelijkerwijs nodig
                    heeft om de arbeid die deze ouder verricht te kunnen combineren met zorgtaken.
                    Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om
                    arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met
                    omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een
                    beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                    ontwikkeling van het kind. Voor deze beoordeling hoeft geen advies te worden
                    aangevraagd. In beleidsregels zal neergelegd worden hoe omgegaan wordt met deze
                    bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling zoveel mogelijk
                    geobjectiveerd. Hoewel de wet geen beperkingen stelt aan het aantal uren
                    kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt, gaat de overheid echter
                    wel een maximum uurprijs hanteren voor de berekening van de tegemoetkoming in de
                    kosten van kinderopvang. Dit maximum wordt gehanteerd om te voorkomen dat hoge
                    prijzen ongelimiteerd voor overheidsvergoeding in aanmerking zouden komen. In de
                    praktijk blijken kindercentra (landelijk niveau) vaak een hoger tarief te
                    hanteren dan de maximum uurprijs door de overheid. Het hanteren van een maximum
                    uurprijs kan tot gevolg hebben dat ouders zelf een hoger percentage van de
                    kosten moeten dragen dan waarvan de wet in eerste instantie uitgaat. Wanneer
                    uitgegaan wordt van kinderopvang voor 1 kind voor 5 dagdelen in de week kan een
                    indicatiebedrag van € 15,-- per maand genoemd worden, dat de ouder niet vergoed
                    krijgt door de gemeente wanneer de maximum uurprijs gehanteerd wordt. </al><al><vet>Artikel 3.6 Inhoud van de beschikking</vet></al><al>In de beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                    tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f). Artikel 3.7 bepaalt dat de
                    uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse voorschotten. Onderdeel g
                    van artikel 3.6. schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van de
                    ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden
                    gedacht: - de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te
                    verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode; - de
                    informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met derde lid, Wk
                    (en in ongeveer dezelfde bewoordingen is overgenomen in artikel 5.1 van de
                    verordening); - de verplichting om alle bewijsstukken die aan de verstrekking
                    van de tegemoetkoming ten grondslag liggen tenminste gedurende vijf jaar na de
                    vaststelling te bewaren en deze op verzoek ter beschikking te stellen aan het
                    college voor controledoeleinden. Het besluit is een beschikking in de zin van
                    titel 4.1 van de Awb. Dit betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden
                    gemaakt en beroep kan worden ingesteld.</al><al><vet>Artikel 3.7 De bevoorschotting van de tegemoetkoming</vet></al><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager
                    recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen. Bij kortere perioden wordt
                    naar gelang de duur daarvan een andere verdeling toegepast. De gemeente betaalt
                    de tegemoetkoming in principe uit aan de ouder. De ouder kan, al dan niet op
                    verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente machtigen om
                    de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau te doen.
                    Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding tussen de
                    gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening van het
                    kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van de
                    tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. Het tweede lid geeft het college de
                    bevoegdheid om nadere voorschriften te stellen over de wijze van bevoorschotting
                    van de tegemoetkoming. Deze zullen er op gericht zijn om een zo eenvoudig
                    mogelijke administratie te verkrijgen. Daarbij wordt gestreefd naar
                    rechtstreekse betalingen aan de kindercentra waardoor achteraf zo min mogelijk
                    verrekeningen nodig zijn.</al><al><vet>Artikel 4.1 Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</vet></al><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus
                    ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in
                    dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt en dat de
                    ouders daarvoor geen aanvraag hoeven in te dienen. De ouders zijn wel verplicht
                    om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is
                    verleend aan het college een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang
                    over deze periode te verstrekken. Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar
                    is verleend, moet het overzicht van de kosten uiterlijk vier weken na 31
                    december bij het college worden ingediend. Het overzicht van de kosten kan zowel
                    een apart jaaroverzicht zijn dat door het kindercentrum of gastouderbureau wordt
                    opgesteld of een verzameling van maandoverzichten. Het college heeft vervolgens
                    acht weken de tijd om de tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de
                    gemeente een onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen. In het besluit tot het
                    vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat precies het bedrag is waar
                    de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd recht op heeft en de manier
                    waarop dit berekend is. Het bedrag in de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming geldt daarbij als het maximumbedrag. De uiteindelijke
                    vastgestelde tegemoetkoming kan wel lager, maar nooit hoger zijn dan het bedrag
                    dat is vermeld in de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Als de
                    aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming op een
                    lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager
                    worden vastgesteld als: a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of
                    niet geheel hebben plaatsgevonden; b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan
                    aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de subsidieontvanger
                    onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
                    of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                    subsidieverlening zou hebben geleid, of d. de subsidieverlening anderszins
                    onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Het derde lid
                    van artikel 4:46 luidt: ‘Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is
                    van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend,
                    worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd
                    bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen’.</al><al><vet>Artikel 4.2 Verrekening met de voorschotten</vet></al><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wk (zie ook de
                    toelichting bij artikel 6.1). Zoals in de toelichting op artikel 3.7. is
                    aangegeven wordt er naar gestreefd om de uitbetaling en administratie zo te
                    organiseren dat het ontstaan van verrekeningen voorkomen wordt. Overigens zijn
                    de bepalingen over terugvordering uit de WWB van toepassing voor de
                    gemeente.</al><al><vet>Artikel 5.1 Inlichtingenplicht</vet></al><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 28,
                    eerste tot en met derde lid van de wet. Het vierde lid van artikel 28 bevat de
                    inlichtingenplicht voor houders van een kindercentrum of gastouderbureau. Deze
                    bepaling luidt: ‘De houder verstrekt desgevraagd aan het college van
                    burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak
                    van een ouder op de tegemoetkoming van belang zijn’. Er kunnen twee vormen van
                    schending van de inlichtingenplicht worden onderscheiden: 1. het betreffende
                    kind maakt geen gebruik van kinderopvang; 2. er wordt wel gebruik gemaakt van
                    kinderopvang, maar de ouder heeft geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort
                    niet tot gemeentelijke doelgroep).Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en
                    als gevolg hiervan ten onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te
                    hoog bedrag, kan het college de beschikking tot het verlenen of tot het
                    vaststellen van de tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Ook is het mogelijk om hiernaast een bestuurlijke boete op
                    te leggen aan de betreffende ouder of partner.</al><al><vet>Artikel 5.2 Bewaarplicht</vet></al><al>Met het oog op de mogelijkheid van de gemeente om ook na de vaststelling van de
                    tegemoetkoming te controleren of de tegemoetkoming rechtmatig is verstrekt, is
                    in dit artikel een bewaarplicht opgenomen.</al><al><vet>Artikel 6.1 Het register</vet></al><al>In de wet is opgenomen dat de gemeente zorgt voor een openbaar toegankelijk
                    register waarin alle kindercentra zijn opgenomen die zich daartoe aangemeld
                    hebben. Na ontvangst van de melding wordt de toezichthouder door de gemeente
                    geïnformeerd die vervolgens nagaat of de exploitatie van het kindercentrum
                    overeenkomstig het bepaalde in de wet is. Als dit niet het geval is kan de
                    gemeente het kindercentrum aanwijzingen geven waarin aangegeven is welke
                    maatregelen genomen moeten worden. Het niet opvolgen daarvan, ondanks de
                    mogelijke inzet van bestuursdwang kan leiden tot het verbieden van de
                    exploitatie. Overigens geldt voor hoofdstuk 6 dat via beleidsregels de
                    uitvoering nader ingevuld zal worden.</al><al><vet>Artikel 6.2 De handhaving</vet></al><al>In de wet is tevens opgenomen dat de gemeente zorgt voor de handhaving van de
                    kwaliteit van de kinderopvang binnen de gemeente. Bij handhaving gaat het om het
                    toezicht op de naleving en het zonodig ingrijpen. In het vorige artikel is, in
                    grote lijnen, aangegeven welke procedure daarbij gevolgd wordt.</al><al><vet>Artikel 6.3 De sanctionering</vet></al><al>De sanctionering richt zich zowel op de ouder als de houder van het
                    kindercentrum. Beiden kunnen een bestuurlijke boete opgelegd krijgen bij het
                    niet nakomen van verplichtingen zoals opgelegd op grond van de wet en deze
                    verordening. De handhaving gebeurt op grond van hoofdstuk 5 van de wet.</al><al><vet>Artikel 7.1 Beleidsregels</vet></al><al>In dit artikel is geregeld dat het college beleidsregels kan opstellen waarin
                    nader aangegeven is hoe omgegaan wordt met bevoegdheden ten aanzien van de
                    genoemde artikelen. Op die wijze wordt de beoordeling zoveel mogelijk
                    geobjectiveerd.</al><al><vet>Artikel 7.2 Hardheidsclausule</vet></al><al>De hardheidsclausule maakt het mogelijk om in gevallen dat toepassing van de
                    verordening tot een onbillijke uitkomst zou leiden van de verordening af te
                    wijken.</al><al><vet>Artikel 7.3 Onvoorzien</vet></al><al>Anders dan de hardheidsclausule geeft dit artikel ruimte om in onvoorziene
                    omstandigheden adequaat te kunnen handelen. Deze ruimte is nodig nu het hier een
                    nieuwe regelgeving betreft waarbij op voorhand niet te overzien is welke
                    situaties zich zullen aandienen.</al><al><vet>Artikel 7.4 Inwerkingtreding</vet></al><al>In dit artikel is geregeld op welk moment de verordening in werking treedt. De
                    verordening is vastgesteld in de raadsvergadering van 30 september en treedt
                    onmiddellijk in werking. Dit is mogelijk op grond van artikel 25 van de
                    Tijdelijke referendumwet. Om tijdig de aanvragen te kunnen afwerken is het
                    immers nodig om in de maand oktober over een geldige verordening te beschikken
                    zodat geen ruimte gelaten kan worden voor een mogelijk te houden referendum.
                    Beschikkingen moeten immers voor 1 december door de gemeente afgegeven worden
                    omdat dan de aanvraagtermijn van de Belastingdienst sluit. Althans van aanvragen
                    die na die datum ingediend zijn wordt geen garantie gegeven dat de eerste
                    betaling begin januari plaats vindt.</al><al><vet>Artikel 7.5. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 7.6 Intrekking </vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 7.7 Reikwijdte</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>