<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR77511_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Leerlingenvervoer</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Kontakt, 07-02-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-01-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-02-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de verordening leerlingenvervoer gemeente Aalburg 2002.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Leerlingenvervoer</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door de gemeenteraad op 30 januari 2007</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>school:- een basisschool of speciale school voor
                                        basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair
                                        onderwijs (Stb. 1998, 495);- een school voor speciaal
                                        onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of
                                        voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
                                        expertisecentra (Stb. 1998, 496);- een school voor
                                        voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet
                                        onderwijs (Stb. 1998, 512);- een school voor speciaal
                                        voortgezet onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op
                                        het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de
                                        leerling;</al></li><li nr="c."><al>leerling: een leerling van een school als bedoeld onder
                                        a.;</al></li><li nr="d."><al>woning: de plaats waar de leerling feitelijk zijn
                                        hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="e."><al>afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten
                                        langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en
                                        veilige weg;</al></li><li nr="f."><al>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen
                                        vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de
                                        school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde
                                        van de schooldag volgens het schoolplan, tenzij de
                                        structurele handicap van een leerplichtige leerling die
                                        aansluiting onmogelijk maakt;</al></li><li nr="g."><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
                                        volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus,
                                        veerdienst of auto;</al></li><li nr="h."><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                        taxi, treintaxi of bustaxi;</al></li><li nr="i."><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of
                                        fiets;</al></li><li nr="j."><al>reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten
                                        van de woning en de aanvang van de schooldag volgens het
                                        schoolplan, minus maximaal 10 minuten indien en voor zover
                                        de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein
                                        gewoonlijk eerder bereikt dan het schoolplan aangeeft, dan
                                        wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de
                                        schooldag volgens het schoolplan en de aankomst bij de
                                        woning;</al></li><li nr="k."><al>toegankelijke school: voor basisscholen en speciale scholen
                                        voor basisonderwijs: de basisschool van de verlangde
                                        godsdienstige of levensbeschouwelijke richting, dan wel de
                                        openbare school of de speciale school voor basisonderwijs
                                        waarop de leerling is aangewezen van de verlangde
                                        godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de
                                        openbare school;­ voor scholen voor (voortgezet) speciaal
                                        onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de school
                                        van de soort waarop de leerling is aangewezen van de
                                        verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan
                                        wel de openbare school van de soort waarop de leerling is
                                        aangewezen;</al></li><li nr="l."><al>inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001
                                        (Stb. 200, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen
                                        van de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan
                                        het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten
                                        wordt gevraagd.</al></li><li nr="m."><al>opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar
                                        de leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al></li><li nr="n."><al>commissie voor begeleiding: de commissie die is ingesteld
                                        door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel
                                        1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een
                                        instelling, of de bevoegde gezagsorganen van twee of meer
                                        scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                        expertisecentra, niet zijnde instellingen die hetzelfde
                                        regionaal expertisecentrum in stand houden;</al></li><li nr="o."><al>vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging
                                        van de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten
                                        van de leerling en zo nodig diens begeleider;- de
                                        verstrekking van een abonnement of strippenkaart voor de
                                        leerling en zo nodig diens begeleider, of­ - aanbieding van
                                        aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                                        verzorgen;</al></li><li nr="p."><al>permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als
                                        bedoeld in artikel 23 van de Wet op primair onderwijs;</al></li><li nr="q."><al>samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld
                                        in artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="r."><al>regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in
                                        artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>OPDC: orthopedagogische en -didactisch centrum als bedoeld
                                        in artikel 10h, derde lid van de Wet op het voortgezet
                                        onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid
                                        van een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de
                                        Wet op de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst
                                        op een basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een
                                        school voor voortgezet onderwijs en naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen
                                        op het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal
                                        onderwijs.</al></li><li nr="u."><al>Commissie voor de indicatiestelling: de commissie als
                                        bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                                vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van
                                in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het
                                dat de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke vergoeding van de
                                vervoerskosten toekomt, hun kinderen van het aldus verzorgde vervoer
                                gebruik laten maken tegen betaling van een bijdrage tot ten hoogste
                                het bedrag dat de ouders ingevolge het bepaalde in deze verordening
                                moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering van of
                                nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                                bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                kinderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                                bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand
                                tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor
                                de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weg
                                gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
                                bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer
                                scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn
                                gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar de
                                eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard
                                dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan
                                wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen,
                                van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de
                                woning zijn gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                                uit cluster 4 bezoek geldt als dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school, de school die door de commissie voor de indicatiestelling is
                                geadviseerd. Dit is van toepassing zolang de leerling zijn
                                woonplaats heeft in het gebied van het regionaal expertisecentrum
                                waaraan voornoemde commissie is verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                                vervoerskosten de wijze en het tijdstip van uitbetaling, alsmede de
                                tijdsduur van de verstrekte bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
                                schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                getroffen:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor
                                        1 juni is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een
                                        aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien
                                        verstande dat de datum waarop de vergoeding wordt toegewezen
                                        niet ligt voor de datum van ontvangst door het college.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op
                                de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding
                                van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid en
                                het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                                waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt
                                de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                                verstrekking van bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is
                                bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het
                                schooljaar waarop de bekostiging betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                                toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking
                                heeft op de reiskosten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>2</nr><titel>bepalingen omtrent het vervoer van de leerlingen van scholen voor
                            primair onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bekostiging voor de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                                school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging
                                verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de
                                woning dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale
                                        school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van
                                        de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder
                                        a. bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar
                                        die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                        brengen dan het vervoer naar de speciale school voor
                                        basisonderwijs, bedoeld onder a.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer de beslissing in acht van de permanente commissie
                                leerlingenzorg over de toelating van de leerling op een speciale
                                school voor basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1a</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor basisonderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van
                                het openbaar ervoer, indien de afstand van de woning naar de
                                dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>1b</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een speciale
                                school voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning
                                naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan twee
                                km bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid onder a en b verstrekt het college
                                de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per
                                fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan
                                niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                                begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is en
                                door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt
                                aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het
                                openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor vergoeding in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt,
                                indien voldaan wordt aan het afstands-criterium van artikel 11
                                en:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht
                                        of</al></li><li nr="b."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen een bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college
                                aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>3</nr><titel>bepalingen omtrent het vervoer van de leerlingen van scholen voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de
                                woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan twee
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het
                                college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                                lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd,
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor vergoeding in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan
                                het afstandscriterium van artikel 15 en:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
                                        lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet
                                        in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar
                                        vervoer gebruik te maken, of</al></li><li nr="b."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                                        of</al></li><li nr="c."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een bekostiging van de vervoerskosten,
                                kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer
                                leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerst lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bekostiging op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in
                                het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders een bedrag op basis van een
                                kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid van de
                                Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten
                                van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bezoekt, in het geval de
                                afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                                toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in artikel 15,
                                indien het college van oordeel is dat de lichamelijke,
                                verstandelijke of zintuiglijke handicap van de leerling dat
                                vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>4</nr><titel>bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bekostiging kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de
                                in de gemeente wonende ouders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                                vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                                die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                                speciaal onderwijs, in een internaat of pleeggezin verblijft,
                                volgens het bepaalde in deze Titel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van
                                het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer,
                                gemaakte reis van het internaat of pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de
                                vakantie voorkomt in het schoolplan van de school die de leerling
                                bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met
                                uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18,
                                eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel 20.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>5</nr><titel>eigen bijdrage en bekostiging naar financiële draagkracht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling, die een school voor basisonderwijs
                                of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het
                                inkomen tezamen meer bedraagt dan € 21.600,-- wordt slechts
                                bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die
                                leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11
                                bepaalde afstand te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het college in plaats van een bekostiging in geld toe te
                                kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de
                                ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt,
                                per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de
                                kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde
                                afstand indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan €
                                21.600,-- </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien binnen een gezin meer dan 1 kind het speciaal basisonderwijs
                                bezoekt, is maximaal eenmaal het drempelbedrag conform het bepaalde
                                in lid 1 en lid 2 verschuldigd. Indien uit hetzelfde gezin ook nog
                                één of meer andere kinderen het basisonderwijs bezoeken, is
                                daarnaast ook het drempelbedrag conform lid 1 en 2 per leerling
                                verschuldigd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de
                                zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30, eerste
                                lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs
                                zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer
                                of het daadwerkelijk gebruik ervan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bedrag van € 21.600,--, genoemd in het eerste en tweede lid,
                                wordt met ingang jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig
                                afgerond op een veelvoud van € 450,00. Het aangepaste bedrag treedt
                                in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van €
                                21.600,--</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolgeTitel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                toegankelijke school voor basisonderwijs, meer dan 20 kilometer
                                bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van
                                de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen en de afstand van
                                de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor
                                basisonderwijs, meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van
                                de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het
                                bedrag van de kosten van het vervoer.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                bijdrage als bedoeld in het tweede lid zijn afhankelijk van de
                                hoogte van het belastbaar inkomen van de ouders in de zin van de Wet
                                op de inkomstenbelasting 2001 en bedraagt:</al><al><plaatje><illustratie id="i638b1346-020b-4f37-9c1b-96030016c4fb" naam="i19139i638b1346-020b-4f37-9c1b-96030016c4fb.jpg" breedte="7.9cm" schaal="1" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="299px" hoogte="4.5cm"/></plaatje></al><al>Bij € 45.400,00 en verder per € 4.500,00 extra inkomen wordt de
                                eigen bijdrage steeds opgehoogd met € 300,00.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van
                                1 januari 1998 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,00.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden
                                met ingang van 1 januari 1998 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens,
                                op het onderdeel vervoersdiensten, heeft ondergaan ten opzichte van
                                1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een
                                veelvoud van € 5,00.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>6</nr><titel>bepalingen omtrent het vervoer van gehandicapte leerlingen van
                            scholen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die
                                een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school
                                voor voortgezet onderwijs bezoekt en vanwege een lichamelijke,
                                verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het
                                openbaar vervoer gebruik kan maken. Ten aanzien van een leerling van
                                een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9
                                in acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt, indien</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
                                        lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet
                                        in staat is- ook niet onder begeleiding - van openbaar
                                        vervoer gebruik te maken. Ten aanzien van een leerling van
                                        een speciale school voor basisonderwijs neemt het college
                                        artikel 9 in acht, Of:</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25
                                        en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school en terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                                        of:</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25
                                        en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg of de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren of laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren of laten vervoeren, bekostiging van
                                een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in
                                het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets of bromfiets, afgeleid van de
                                Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In gevallen die, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffen,
                                waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders
                                afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies
                                te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de
                                commissie voor de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of
                                andere deskundigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Verordening leerlingenvervoer gemeente Aalburg 2002 wordt
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>vervallen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag
                                waarop is meegedeeld in het Kontakt dat deze verordening is
                                vastgesteld. Tegelijkertijd zal deze mededeling alsmede de
                                verordening op www.aalburg.nl worden geplaatst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                Leerlingenvervoer gemeente Aalburg 2007.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 30 januari 2007,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Inleiding 2Algemene begrippen 2Systematiek van de verordening 2Aangepast vervoer
                    3Speciale school voor basisonderwijs (sbo) 3Speciaal onderwijs 3Dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school 4Vervoer van gehandicapte leerlingen naar scholen voor
                    primair en voortgezet onderwijs. 4Artikelgewijze toelichting 4Artikel 1:
                    Begripsomschrijving 4Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk
                    te achten vervoerskosten 8Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school 9Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging 13Artikel 5
                    Aanvraagprocedure 13Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen 15Artikel 7 Peildatum
                    leeftijd leerling 16Artikel 8 Andere vergoedingen 16Artikel 9 Bekostiging naar
                    de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het
                    samenwerkingsverband 16Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg 16Artikel
                    11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 16Artikel
                    12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider
                    18Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer 19Artikel
                    14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 21Artikel 15 Bekostiging
                    van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 22Artikel 16 Commissie
                    voor de begeleiding 22Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer
                    ten behoeve van een begeleider 23Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten
                    van aangepast vervoer 24Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                    vervoer 25Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten 26Artikel 21 Bekostiging van de
                    kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende
                    ouders 26Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer 27Artikel
                    23 Drempelbedrag 28Artikel 24 Financiële draagkracht 30Artikel 25 Bekostiging op
                    basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding 30Artikel 26
                    Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer 31Artikel 27 Bekostiging
                    op basis van de kosten van eigen vervoer 31Artikel 28 Beslissing college in
                    gevallen waarin de regeling niet voorziet 31Artikel 29 Afwijken van bepalingen
                    31Artikel 30 Intrekking oude regeling 32Artikel 31 Overgangsregeling 32Artikel
                    32 Inwerkingtreding 32Artikel 33 Citeertitel 32</al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De gemeenteraad moet een verordening vaststellen, waarin het leerlingenvervoer
                    wordt geregeld. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Aalburg 2007 (verder
                    Verordening 2007) volgt de modelverordening van de Vereniging Nederlandse
                    Gemeenten (VNG) Er is gekozen om een toelichting op maat te schrijven. Hierbij
                    wordt de toelichting op de modelverordening van de Vereniging Nederlandse
                    Gemeenten (VNG) wel gevolgd maar ingekort en enigszins aangepast aan de
                    plaatselijke situatie. Dit hebben we gedaan omdat we hopen dat deze moeilijke
                    materie hierdoor makkelijker te lezen en te begrijpen is. Het Handboek
                    Leerlingenvervoer van de VNG is voorts te raadplegen voor een uitgebreidere
                    toelichting. Een toelichting, die bovendien actueel gehouden wordt.We behandelen
                    achtereenvolgens een aantal algemene begrippen, om verder te gaan met een
                    toelichting per artikel.</al><al><vet>Algemene begrippen</vet></al><al>Om de systematiek van de Verordening 2007 goed te begrijpen is het belangrijk
                    het onderscheid te maken tussen een (speciale ) school voor basisonderwijs en
                    speciaal onderwijs. De Verordening 2007 hanteert dezelfde soort bepalingen bij
                    de keuze voor en het vervoer naar het (speciaal) basisonderwijs en het speciaal
                    onderwijs, maar er zijn ook belangrijke verschillen. Zowel bij een (speciale)
                    school voor basisonderwijs als bij het speciaal onderwijs moet een keuze gemaakt
                    worden voor de dichtstbijzijnde toegankelijke school. De term toegankelijkheid
                    betekent dat rekening wordt gehouden met de godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke richting van de school dan wel de openbare school waar de
                    ouders c.q. opvoeders voor kiezen.Achtereenvolgens behandelen wij - Systematiek
                    van de verordening bij het vervoer- Aangepast vervoer- (Speciale) school voor
                    basisonderwijs- Speciaal onderwijs- Dichtstbijzijnde toegankelijke school-
                    Vervoer van gehandicapte leerlingen naar scholen voor primair en voortgezet
                    onderwijs.- Systematiek van de verordening - Titel 1 van de Verordening 2007
                    behandelt algemene bepalingen.- Titel 2 regelt de bekostiging en het
                    leerlingenvervoer naar het basisonderwijs en de speciale scholen voor
                    basisonderwijs (sbo).- Titel 3 gaat over het speciaal onderwijs. - Titel 4 ziet
                    op het weekeinde- en vakantievervoer.- Titel 5 behandelt de bijdrage en de
                    bekostiging naar financiële draagkracht. Dit artikel geldt alleen voor ouders
                    van kinderen die het basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                    bezoeken, niet voor ouders van kinderen die het speciaal onderwijs bezoeken. -
                    Titel 6 bevat bepalingen over het vervoer van gehandicapte leerlingen naar
                    scholen voor primair en voortgezet onderwijs.De Verordening 2007 heeft tenslotte
                    in titel 7 nog enkele slotbepalingen. Ook de hardheidsclausule heeft in artikel
                    29 een plaats gekregen.In de Verordening 2007 wordt ervan uitgegaan dat ouders
                    zelf verantwoordelijk zijn voor het schoolbezoek van hun kinderen. De wettelijke
                    grondslag hiervan wordt onder andere gevormd door de Leerplichtwet.Tot een
                    afstand van 2 kilometer naar een school regelt de gemeente geen vervoer behalve
                    voor gehandicapte kinderen. Voor kinderen die naar een speciale school voor
                    basisonderwijs gaan en kinderen die naar het speciaal onderwijs moeten gaan, is
                    de gemeente verantwoordelijk voor bekostiging van het vervoer als de afstand
                    naar de school meer is dan 2 kilometer. Voor alle andere leerlingen die naar een
                    voor hen toegankelijke school gaan, vindt bekostiging op een of andere manier
                    plaats, indien de afstand van het woonhuis naar de school meer dan 6 kilometer
                    bedraagt. De Verordening 2007 gaat ervan uit dat leerlingen, die in aanmerking
                    komen voor bekostiging met openbaar vervoer, naar de school reizen met of zonder
                    begeleiding. Tevens bestaat de mogelijkheid om indien de school niet te ver weg
                    gelegen is de afstand, met of zonder begeleiding, af te leggen per fiets.Pas als
                    reizen met het openbaar vervoer te lang duurt (&gt; 1,5 uur en met aangepast
                    vervoer de helft of minder van die tijd) of niet mogelijk is, komt het
                    “aangepast” vervoer om de hoek kijken. Aangepast vervoer is vervoer per taxi of
                    bus, georganiseerd door de gemeente. Bovendien wordt aan ouders de mogelijkheid
                    gegeven om een vergoeding aan te vragen voor het vervoer van hun kinderen, als
                    openbaar vervoer wel kan, maar ouders liever zelf het vervoer ter hand nemen.
                    Ook als aangepast vervoer wel kan, maar ouders kiezen voor een school verder weg
                    dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school, kan op aanvraag van de ouders tot
                    op zekere hoogte bekostiging plaatsvinden. Ouders kunnen desgewenst het vervoer
                    met elkaar regelen, in een vergoeding daarvoor voorziet de Verordening
                    2007.</al><al><vet>Aangepast vervoer</vet></al><al>Aangepast vervoer is vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of
                    bustaxi;dat door de gemeente wordt geregeld. Daarbij wordt gekeken hoe het
                    vervoer het best is te combineren. Opstapplaatsen kunnen worden ingesteld om te
                    zorgen dat de leerlingen efficiënt en snel naar school en van school naar huis
                    cq. de opstapplaats komen. Ook als aangepast vervoer wordt aangeboden blijven
                    ouders ervoor verantwoordelijk dat hun kinderen de school bezoeken.Aangepast
                    vervoer wordt alleen aangeboden als reizen met het openbaar vervoer niet tot de
                    mogelijkheden behoort.</al><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs (sbo)</vet></al><al>Een speciale school voor basisonderwijs is een school voor kinderen die extra
                    aandacht nodig hebben, moeilijk lerende kinderen, kinderen met leer- en
                    opvoedingsmoeilijkheden en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters. Het
                    samenwerkingsverband van de basisschool van waar verwijzing plaatsvindt, is
                    doorslaggevend voor de keuze van de speciale basisschool school. Niet alle
                    basisscholen in Aalburg zijn aangesloten bij hetzelfde samenwerkingsverband,
                    terwijl de basisscholen in bijvoorbeeld Heusden en Andel ook weer aangesloten
                    zijn bij een ander samenwerkingsverband. De speciale school voor basisonderwijs
                    aangesloten bij het samenwerkingsverband is de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school.Bij de bekostiging van het basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs
                    geldt een drempelbedrag of een eigen bijdrage.</al><al><vet>Speciaal onderwijs</vet></al><al>Het speciaal onderwijs is onderwijs voor leerlingen die ten gevolge van een
                    handicap of een stoornis ernstige belemmeringen ondervinden bij het volgen van
                    onderwijs. Speciaal onderwijs wordt bezocht door lichamelijk, zintuiglijke of
                    verstandelijk beperkte leerlingen en leerlingen met gedragsstoornissen. Hierbij
                    is de indicatie, verzorgd door een Regionaal Expertise Centrum (REC), van
                    doorslaggevende betekenis voor het type school, waarnaar verwezen wordt. Artikel
                    2 van de Wet op de Expertise centra verdeelt het speciaal en het voortgezet
                    speciaal onderwijs in onderwijs aan: - dove kinderen; - slechthorende kinderen;
                    - kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de
                    hiervoor bedoelde kinderen; - visueel gehandicapte kinderen; - lichamelijk
                    gehandicapte kinderen; - langdurig zieke kinderen: - met een lichamelijke
                    handicap - anders dan met een lichamelijke handicap; - zeer moeilijk lerende
                    kinderen; - zeer moeilijk opvoedbare kinderen; - kinderen in scholen verbonden
                    aan pedologische instituten; - meervoudig gehandicapte kinderen. Met betrekking
                    tot bovengenoemde onderwijssoorten worden de volgende clusters onderscheiden:
                    Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig
                    gehandicapte kinderen met deze handicap Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen,
                    slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel
                    meervoudige gehandicapte kinderen met een van deze handicaps Cluster 3:
                    onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke handicap,
                    lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel
                    meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps Cluster 4: onderwijs
                    aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer
                    moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                    instituten. Vaak wordt bij de indicatie voor cluster 4 niet alleen het type
                    school aangegeven maar ook de school welke het best is toegerust op omgaan met
                    die betreffende stoornis. Bij cluster 4 is de daarbij aangegeven school, de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school.Bij het speciaal onderwijs geldt geen
                    drempelbedrag en ook geen eigen bijdrage.</al><al><vet>Dichtstbijzijnde toegankelijke school</vet></al><al>Het is van belang om te bepalen welke school de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school is. Zowel voor de leerlingen als voor de gemeente geldt dat lange reizen
                    met openbaar vervoer, aangepast vervoer als ook met de eigen auto om diverse
                    redenen niet gunstig zijn. Daarom is het belangrijk om te stimuleren, dat
                    leerlingen de dichtstbijzijnde school, van de godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school waar de ouders c.q.
                    opvoeders voor kiezen, bezoeken.</al><al>Bij de speciale school voor basisonderwijs is dit de school van het
                    samenwerkingsverband, bij het speciaal onderwijs is het de dichtstbijzijnde
                    school van het geïndiceerde type.Kiezen ouders toch voor een verder weggelegen
                    school, dan vindt slechts bekostiging plaats tot de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school en moeten de ouders zelf voorzien in de hogere kosten die
                    hun keuze met zich meebrengt.</al><al><vet>Vervoer van gehandicapte leerlingen naar scholen voor primair en voortgezet
                        onderwijs.</vet></al><al>Gehandicapte leerlingen in het regulier primair en voortgezet onderwijs, die
                    niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, komen in
                    aanmerking voor bekostiging van het vervoer. Bijvoorbeeld de kosten van
                    begeleiding maar het kan ook gaan om aangepast vervoer. De kilometergrens van 6
                    resp. 2 kilometer die voor het overige wel bepaald is voor het reguliere primair
                    en voortgezet onderwijs, geldt voor de bekostiging van dit vervoer niet. Dit
                    betekent dat ook over kortere afstanden in de kosten van begeleiding in het
                    openbaar vervoer of in aangepast vervoer moet worden voorzien.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al>Artikel 1: Begripsomschrijving In artikel 1 van de Verordening 2007 zijn
                    begrippen, die regelmatig gebruikt worden in deze verordening, nader
                    gedefinieerd. Ad a schoolIn dit artikel is opgenomen wat onder school moet
                    worden verstaan in het kader van de Verordening 2007.De Wet op het primair
                    onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is getreden, voorziet in de
                    samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor kinderen met leer- en
                    opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun
                    ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in één wet. Deze scholen heten sindsdien
                    'speciale scholen voor basisonderwijs'. Leerlingen van het regulier voortgezet
                    onderwijs die vanwege hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap
                    niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, kunnen
                    aanspraak maken op bekostiging van de kosten van leerlingenvervoer.Onder een
                    school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet
                    onderwijs (Wvo), vallen het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het
                    hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar
                    beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en leerwegondersteunend
                    onderwijs deel van uit maken.</al><al>De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het overig speciaal en voortgezet
                    speciaal onderwijs. Het gaat om onderwijs voor doven, slechthorenden, kinderen
                    met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapten, lichamelijk
                    gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis, langdurig zieken, zeer
                    moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig
                    gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten. Deze scholen heten
                    scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>Op 1 augustus 2003 is de Wet leerlinggebonden financiering in werking getreden.
                    Vanaf dat moment worden leerlingen die geïndiceerd zijn voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs gefaciliteerd indien zij kiezen voor het regulier onderwijs.
                    Zij krijgen dan een zogenaamde 'rugzak', een leerlinggebonden budget, met daarin
                    middelen voor de school ten behoeve van extra formatie, ambulante begeleiding
                    etc. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs gaan, maken
                    onverminderd aanspraak op leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4
                    scholen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen van pedologische
                    instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek) geldt dat zij
                    recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor de
                    indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven.</al><al>Het Besluit trekkende bevolking van de WBO bevat voorschriften voor scholen voor
                    kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden. In deze toelichting
                    wordt dit verder niet uitgewerkt.</al><al>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere onderwijsaanbod niet
                    adequaat is en de leerling dientengevolge een school voor gewoon voortgezet
                    onderwijs bezoekt, dan vindt geen bekostiging van de kosten van het
                    leerlingenvervoer plaats. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon
                    voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de relevante wetgeving.Ad b
                    ouders Onder het begrip ouders wordt in deze verordening verstaan, de ouders,
                    voogden of verzorgers. Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, moet
                    een inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig zijn.
                    Uitgangspunt is dat daarbij het belastbaar inkomen van de aanvragende ouders,
                    voogden of verzorgers genomen wordt. Het volgende onderscheid kan daarbij
                    gemaakt worden: • de kinderen vallen onder de zorg van natuurlijke personen; •
                    de kinderen vallen onder de zorg van een instelling. Indien de ouder een
                    natuurlijk persoon is, hoeft de bepaling van dit inkomen doorgaans geen
                    problemen op te leveren. Op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld wat het
                    inkomen van de betrokken ouders is. De belastingwetgeving houdt rekening met de
                    verschillende samenlevingsvormen. Als in een concreet geval onduidelijk is hoe
                    het vastgestelde verzamelinkomen bepaald moet worden, dan is het raadzaam de
                    belastingaanslagen dan wel jaaropgaven bij de ouders op te vragen. Als de
                    aanvrager een rechtspersoon is, dan valt deze formeel niet onder de werking van
                    de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van sommige instellingen is
                    echter rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het dagelijks vervoer
                    naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In voorkomende gevallen kan
                    met de betrokken instelling contact worden opgenomen. Ad c leerlingOok de
                    niet-leerplichtige leerlingen vallen onder de begripsomschrijving 'leerling'.
                    Ook ouders van niet-leerplichtige leerlingen kunnen aanspraak maken op
                    bekostiging van de vervoerkosten. Dit geldt voor kinderen pas als zij de
                    leeftijd van vier jaar hebben bereikt. Dan kan eventueel aanspraak worden
                    gemaakt op bekostiging van de vervoerkosten naar de basisschool of de speciale
                    school voor basisonderwijs. De toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal
                    onderwijs is als volgt: 1. De leeftijd waarop het kind tot het speciaal
                    onderwijs mag worden toegelaten is voor: a. zeer moeilijk opvoedbare kinderen: 6
                    jaar; b. zeer moeilijk lerende kinderen: 4,5 jaar; c. andere kinderen: 3 jaar.
                    2. In het belang van het kind kan de inspecteur toestaan dat een kind eerder
                    wordt toegelaten dan in het eerste lid is bepaald. 3. De leeftijd waarop de
                    leerling het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs moet
                    verlaten, is 20 jaar. De inspecteur kan voor een leerling in het voortgezet
                    speciaal onderwijs ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid, indien
                    het voortgezet verblijf op de school wenselijk is ter voltooiing van zijn
                    opleiding of van een op verhoging van zijn arbeidsgeschiktheid gerichte
                    behandeling. Hij kan zich ten behoeve van zijn beslissing een rapport over de
                    leerling, opgesteld door de in artikel 41, tweede lid, bedoelde commissie, doen
                    voorleggen. De commissie kan daartoe de betrokken leerling aan een onderzoek
                    onderwerpen. De ontheffing wordt telkens voor de tijd van 1 jaar verleend.</al><al>Voor leerlingen die op grond van deze artikelen toegelaten zijn op een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd
                    hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen aan de
                    voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken
                    op bekostiging van de vervoerskosten. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat
                    zolang een leerling toegelaten is op een school voor voortgezet onderwijs, en
                    dus 'leerling' is van zo'n school, er aanspraak kan bestaan op bekostiging op
                    grond van titel 6 van de verordening.Illegale leerlingenHet recht op onderwijs,
                    ook voor illegaal in ons land verblijvende leerlingen, is gebaseerd op het
                    principe dat jongeren waar ook ter wereld moeten worden toegerust om aan het
                    maatschappelijke leden deel te nemen. Nederland is hiertoe ook internationale
                    verdragsrechtelijke verplichtingen aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs
                    vastgelegd, dat illegale kinderen die voor hun 18e jaar een onderwijstraject
                    zijn gestart het recht hebben om dit af te maken. Hier vloeit uit voort dat
                    illegale leerlingen in principe ook recht hebben op leerlingenvervoer. Scholen
                    en gemeenten hoeven leerplichtige leerlingen niet te vragen naar de
                    verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus niet als een opsporingsambtenaar
                    worden ingezet.Ad d woningOnder 'woning' wordt in de verordening verstaan: de
                    plaats waar de leerling feitelijk zijn verblijf heeft. Met andere woorden, de
                    plaats van waaruit het kind de school bezoekt. Het is daarbij niet relevant in
                    welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Dit betekent dat
                    indien een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, in deze andere
                    gemeente in het algemeen bekostiging van de vervoerkosten van deze leerling
                    aangevraagd moet worden (dit geldt overigens niet indien het bijvoorbeeld een
                    leerling betreft die vanwege een vakantie van de ouders tijdelijk elders
                    verblijft). Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling zal in een
                    andere gemeente de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de
                    vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer laat
                    het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande gemeentelijke
                    kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook
                    voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het
                    vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later
                    dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip
                    woning een structureel element. In een voorkomend geval kan als volgt worden
                    gehandeld. Als vooraf vaststaat dat een leerling gedurende een korte periode
                    (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken) in een andere gemeente (B) verblijft en
                    zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf
                    in de oorspronkelijke gemeente (A). Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer
                    gedurende deze weken blijven verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het
                    kind naar zijn eigen school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk
                    verblijf van de leerling naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente
                    A hanteert, dan zal uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van
                    vervoerkosten bestaan.</al><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente
                    verblijft, verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in
                    de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt
                    aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen
                    verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria
                    bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de oorspronkelijke
                    gemeente.</al><al>In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en
                    vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een
                    dagcentrum reist, kan ervan uitgegaan worden dat het kind twee woningen in de
                    zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het dagcentrum.
                    Bij dit voorbeeld is de definitie van “dagcentrum “van belang. Dit zijn:
                    'Voorzieningen die buiten schooltijd begeleiding bieden aan schoolgaande
                    kinderen wier functioneren door psychosociale problemen wordt belemmerd, alsmede
                    aan hun (stief)ouders.' Bekende dagcentra zijn de Boddaertcentra, terwijl
                    medische kinderdagverblijven, die kinderen in de leeftijd van nul tot vier jaar
                    begeleiden, ook als zodanig kunnen worden aangemerkt. Om te bepalen of andere
                    voorzieningen als een dagcentrum kunnen worden aangemerkt, kan verder bij de
                    provincie worden geïnformeerd of gedeputeerde staten de voorziening als een
                    dagcentrum subsidiëren.Het is redelijk in dit soort gevallen een tegemoetkoming
                    te verlenen in de kosten van het vervoer van: 1. de ouderlijke woning naar de
                    school; 2. de school naar het dagcentrum (uiteraard dient wel aan de
                    afstandscriteria voldaan te worden). Het vervoer van dagcentrum naar huis komt
                    niet voor rekening van de gemeente. Een kind van gescheiden ouders kan twee
                    woningen hebben in de zin van de verordening. Indien leerlingenvervoer is
                    gewenst, moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind
                    doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of
                    zij woonachtig is. Ad e afstandVan belang is de afstand tussen de woning en de
                    school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en
                    veilige weg.Met betrekking tot het begrip 'afstand' is in de rechtspraak bepaald
                    dat de veiligheid van de weg op zich zelf beoordeeld voldoende dient te zijn..
                    Het college mag niet volstaan met verwijzing naar een minder veilige
                    alternatieve route. Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan
                    het afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor
                    begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is. Ad f
                    vervoerOnder vervoer wordt verstaan: openbaar vervoer, aangepast vervoer of
                    eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat
                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens het
                    schoolplan, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die
                    aansluiting onmogelijk maakt.Ad g openbaar vervoerOnder openbaar vervoer' wordt
                    verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus,
                    of auto volgens een dienstregeling. Daarbij wordt onder een dienstregeling
                    verstaan een voor ieder kenbaar schema van reismogelijkheden. In de Verordening
                    2007 is de begripsomschrijving 'openbaar vervoer' uitgebreid met 'veerdienst'.
                    Ad h aangepast vervoerAangepast vervoer is vervoer per besloten (school)bus,
                    taxi, treintaxi of bustaxi;Aangepast vervoer vindt plaats van af het woonhuis of
                    de opstapplaats. De gemeente Aalburg hanteert diverse opstapplaatsen. Het
                    aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de
                    schooldag, zoals aangegeven in het schoolplan. Hiermee wordt voorkomen dat
                    ouders op basis van bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen
                    aanvragen indienen voor het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de
                    leerling te jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend
                    indien de structurele handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het
                    volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend
                    geval wel tijdens de schooltijd vervoerd te worden. Ad i eigen vervoerZoals in
                    de Verordening 2007 verder uitgewerkt, kan ook bekostiging worden aangevraagd
                    voor het vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets.Ouders kunnen het
                    vervoer van leerlingen ook combineren en daarvoor vervoerskosten aanvragen.Ad j
                    reistijdOnder 'reistijd' wordt in de Verordening 2007 verstaan: de totale
                    tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de
                    schooldag volgens het schoolplan, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen
                    het einde van de schooldag volgens het schoolplan minus maximaal tien minuten
                    indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein
                    gewoonlijk eerder bereikt dan het schoolplan aangeeft en de aankomst bij de
                    woning. Voorts leert de praktijk dat leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken
                    van het leerlingenvervoer, zich vaak zo'n tien minuten voor de aanvang van de
                    lessen op het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand deze tijd uit te
                    sluiten van de reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd aan het begin van de
                    schooldag. Er wordt niet 10 minuten afgetrokken voor een eventuele wachttijd aan
                    het einde van de schooldag. Het is niet de bedoeling het begrip reistijd in alle
                    gevallen uit te breiden, slechts indien en voor zover de leerling voor de
                    aanvang van de lessen zich in de school dan wel op het schoolplein bevindt. Ad k
                    toegankelijke schoolDe toegankelijke school is de school van de door de ouders
                    gewenste godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare
                    school.Bij een speciale school voor basisonderwijs is dit de school van het
                    samenwerkingsverband, bij het speciaal onderwijs is het de school van het
                    geïndiceerde type.De permanente commissie leerlingenzorg (pcl, artikel 23 WPO)
                    beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een
                    speciale school voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit
                    positief is, kan een leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden
                    opgenomen. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit besluit is overigens een besluit
                    in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van de operatie
                    Weer samen naar school is afgesproken dat, indien vaststaat dat een leerling is
                    aangewezen op een hulpklas bij een basisschool, deze basisschool moet worden
                    aangemerkt als de toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde
                    basisschool is, en dat derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient
                    te worden bekostigd.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs geldt dat de regionale verwijzingscommissie (rvc)
                    beslist op aanvraag van de ouders over de toelaatbaarheid tot het
                    praktijkonderwijs. Dit is geregeld in artikel 10g van de WVO. Ad l inkomenOm te
                    bepalen of op grond van artikel 23 een drempelbedrag kan worden geheven, is het
                    inkomen van ouders in het peiljaar nodig. Voor het schooljaar 2006-2007 is het
                    peiljaar 2004. De Wet op de inkomstenbelasting 2001 is van toepassing . Ouders
                    kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit
                    gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld. Ad m opstapplaatsEen van de
                    mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren,
                    is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi
                    of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet
                    thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder
                    begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen
                    opstapplaats. Het instellen van opstapplaatsen heeft onder andere ook op verzoek
                    van ouders plaatsgevonden. Dit bekort de reistijd van de voertuigen
                    aanzienlijk</al><al>Vaste jurisprudentie wordt hieronder beschreven als we te maken hebben met
                    opstapplaatsen. Over het algemeen geldt dat indien de afstand tussen huis en de
                    opstapplaats niet meer dan dertig minuten lopen bedraagt, een opstapplaats
                    ingesteld kan worden. Overigens kan de reistijd tot de opstapplaats bekort
                    worden, wanneer de afstand van de ouderlijke woning naar de opstapplaats met de
                    fiets wordt afgelegd.Van ouders mag worden verwacht dat zij, indien de leeftijd
                    van hun kind dat verlangt, het kind vergezellen naar de opstapplaats. Wanneer
                    gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, kan gedacht worden aan
                    bestaande plaatsen waar een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband
                    met de weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke
                    verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet
                    voldoende om af te zien van het aanwijzen van halteplaatsen, omdat van ouders in
                    dergelijke gevallen verwacht mag worden dat zij hun kinderen begeleiden tot
                    tenminste het moment dat hun kinderen in het voertuig zijn gestapt. Ook als de
                    route naar de opstapplaats onveilig is, mag van de ouders verwacht worden dat
                    zij hun kind vergezellen. Dat de ouders zelf voor deze begeleiding moeten zorg
                    dragen kan in alle redelijkheid van hen worden gevergd, gelet op het feit dat
                    ook ouders van wie de kinderen een school bezoeken die op een kortere afstand
                    van hun woning is gelegen dan de in de Verordening 2007 genoemde zes kilometer,
                    zo nodig voor begeleiding zullen moeten zorg dragen.</al><al>Geen jurisprudentie bestaat nog over de vraag of het college opstapplaatsen mag
                    aanwijzen die een afstandsgrens van zes kilometer hanteren, analoog aan de 6
                    kilometer grens voor bekostiging van het vervoer naar basisonderwijs. Ouders van
                    wie de woning op bijvoorbeeld vijf kilometer van de school gelegen is, krijgen
                    immers over die vijf kilometer ook geen bekostiging. Zij dienen er zelf voor te
                    zorgen dat hun kinderen de school bezoeken. De positie van die ouders is in
                    feite niet anders dan die van de ouders van wie de woning op zes kilometer of
                    meer van de school is gelegen. Het lijkt daarom redelijk van beide ouders over
                    tenminste dezelfde afstand hetzelfde te mogen vragen zowel wat betreft de
                    begeleiding als de kosten van het vervoer. Wanneer een verzoek om een
                    tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt ingediend, blijft de afstand tussen de
                    woning en de school relevant; het instellen van opstapplaatsen verandert daar
                    niets aan. Dit betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen kilometer van de
                    school wonen, terwijl de gemeente op zes kilometer afstand een opstapplaats
                    heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging van het vervoer (en eventueel
                    begeleiding) over de resterende drie kilometer. Ook blijft het berekenen van de
                    reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact; met andere woorden de tijdsduur
                    die gemoeid is met het bereiken van de opstapplaats telt mee als reistijd als
                    bedoeld in artikel 13, onder a, en artikel 18, eerste lid onder b, van de
                    Verordening 2007. Ad n commissie voor begeleidingDe commissie voor begeleiding
                    is de commissie die is ingesteld door het bevoegd gezag van de school als
                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra. Deze commissie speelt
                    alleen een rol in het speciaal onderwijs.De commissie voor de begeleiding heeft
                    geen indicerende taken maar heeft wel taken omtrent toewijzing van (ambulante)
                    begeleiding bij de school. Ad o vervoersvoorzieningeen gehele of gedeeltelijke
                    bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de
                    leerling en zo nodig diens begeleider;­ de verstrekking van een abonnement of
                    strippenkaart voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van
                    aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgenDe wet bepaalt dat
                    de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen dan wel doen verzorgen. In de
                    begripsbepaling 'vervoersvoorziening' is dit nader uitgewerkt. Ad p permanente
                    commissie leerlingenzorgDe permanente commissie leerlingenzorg beslist op
                    aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een speciale school
                    voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een
                    leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden opgenomen. Besluiten
                    van de permanente commissie leerlingenzorg dienen door het college bij de
                    beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer betrokken te worden. Ad q
                    samenwerkingsverbandBasisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs richten
                    een zodanige zorgstructuur in, dat voor elke leerling die zorg geboden kan
                    worden die op een bepaald moment wenselijk is. Artikel 18 van de WPO geeft een
                    regeling voor de samenwerkingsverbanden. Ad r regionale verwijzingscommissieDe
                    regionale verwijzingscommissie heeft op grond van de WVO de taak te beoordelen
                    of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is. Ad s OPDCHet
                    orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening bedoeld om
                    leerlingen extra zorg te geven. Op een OPDC kan ook onderwijs gegeven worden,
                    maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor voortgezet onderwijs.
                    Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een OPDC en aanspraak maken op
                    vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer
                    naar het OPDC. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een OPDC en
                    gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in
                    aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet
                    onderwijs. Ad t ambulante begeleidingEen ambulante begeleider is verbonden aan
                    een school voor speciaal onderwijs en geeft ondersteuning aan gehandicapte
                    leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan
                    de ambulante begeleider van gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs,
                    voor wie een aanvraag leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de
                    vervoersbehoefte van die leerlingen. Ad u commissie voor de indicatiestellingElk
                    kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden geïndiceerd. De
                    commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van onafhankelijke
                    landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden
                    financiering en in welk cluster de leerling wordt geplaatst. Artikel 2
                    Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten In de
                    verordening worden de aanspraken van de ouders op gehele of gedeeltelijke
                    bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs vastgelegd. Tevens zijn in de regeling aanspraken op bekostiging van
                    de kosten die zijn verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer vastgelegd
                    van ouders van leerlingen, die met het oog op het volgen van voor hen passend
                    onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven.</al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft echter ingevolge de
                    Leerplichtwet ten principale in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel
                    2, derde lid, van de verordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet
                    vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of
                    overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch deze
                    verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al>Indien het college het vervoer zelf laat verzorgen, kan het van ouders, die voor
                    bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking komen, verlangen dat hun
                    kinderen van dit vervoer gebruik maken (dit kan dus zijn bekostiging van het
                    openbaar vervoer, al dan niet onder begeleiding, of aangepast vervoer). Tevens
                    verlangen zij dan dat ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van
                    de vervoerskosten toekomt, een eigen bijdrage betalen aan het vervoer van hun
                    leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de Verordening 2007). De hoogte van deze
                    eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die
                    scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is
                    afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de
                    te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of nalatig zijn met betrekking tot
                    de ingevolge de verordening te betalen bijdrage, leidt dit tot het vervallen van
                    de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van
                    bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer. Het behoeft geen
                    betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken kunnen worden gemaakt met
                    regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop mogelijke wijze van aangepast
                    vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede lid, tot uitdrukking
                    dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit
                    hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. In het vierde lid staat
                    dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer kan doen in plaats van de ouders/verzorgers.</al><al>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Een van de
                    uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is dat de
                    gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de
                    uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende
                    keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen
                    bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en
                    bijzonder onderwijs. In de Verordening 2007 is deze bepaling in artikel 3
                    verankerd. Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand
                    tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke
                    school.</al><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de
                    school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                    de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs, speciaal
                    voortgezet onderwijs en praktijkonderwijs wordt hier nog een tweede criterium
                    aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond
                    van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier bedoelde soorten zijn
                    schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en artikel 5 van de WVO. Dit
                    impliceert dat bekostiging van de vervoerskosten van de leerling in principe
                    plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (openbaar of
                    bijzonder) van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Als
                    dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt, de school die naar afstand het
                    dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                    (meest) begaanbare, veilige weg.</al><al>Het spreekt voor zichzelf dat op een toegankelijke school wel plaatsruimte voor
                    de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten tot de
                    desbetreffende school. Van belang hierbij is dat wanneer het college een
                    aanvraag om bekostiging afwijst in verband met de aanwezigheid van een
                    dichterbij gelegen school van (de aangewezen soort en van) dezelfde richting,
                    het dient aan te tonen dat de leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot
                    die school. Hierbij kan nog worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe
                    school met slechts een leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor
                    leerlingen uit groep 3 en verder niet toegankelijk is. De leerling zal, indien
                    hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende dichtstbijzijnde school, moeten
                    uitzien naar een andere school. Deze school is dan aan te merken als de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk geval dient bekostiging
                    van vervoerskosten te worden verstrekt, naar deze andere (dichtstbijzijnde)
                    school. Met de introductie van de WPO per 1 augustus 1998 dient voor de speciale
                    scholen voor basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school in het samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9
                    van de Verordening 2007. In de parlementaire behandeling van de Wet
                    gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de
                    richting van het onderwijs. Een belangrijke wijziging van de wet kan in dit
                    verband niet onvermeld blijven. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die
                    voor bekostiging in aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor
                    de leerling voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                    richting is expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde
                    voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer met betrekking tot een
                    verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                    brengen, en de ouders met het vervoer naar die school instemmen. Bovengenoemd
                    uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt die, met
                    voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning
                    van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft tot de
                    kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de woning
                    gelegen school. Dit is echter geen verplichting. Het college kan besluiten om in
                    het geheel geen bekostiging te verstrekken indien vervoer aanwezig is waarvan de
                    kosten gelijk blijven ongeacht het aantal leerlingen dat van dat vervoer gebruik
                    maakt. Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de
                    woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente
                    goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan
                    de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt
                    vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.</al><al>Ouders hebben in beginsel veel ruimte om hun bezwaren inhoud te geven. Het
                    zogenoemde 'richtingenvraagstuk' heeft geleid tot veel jurisprudentie. Zo blijkt
                    uit jurisprudentie dat de wet en de verordening leerlingenvervoer zich er niet
                    tegen verzetten dat ouders tijdelijk kiezen voor een school met een van hun
                    principiële voorkeur afwijkende richting. Aanvankelijk beperkte de
                    jurisprudentie zich tot de vraag over het al dan niet doen toekennen van een
                    vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde 'klassieke richtingenbestand'.
                    Kenmerkend hierbij is dat het gaat om stromingen van levensbeschouwelijke en
                    godsdienstige aard. Ook bijzonder onderwijs op algemene grondslag is hierbij als
                    richting aan te merken.</al><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs,
                    tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend
                    worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor
                    protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt)
                    onderwijs, scholen voor reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen
                    bijzonder onderwijs. Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke
                    richting aan te merken. Relatief nieuw is de jurisprudentie over de zogenoemde
                    'vrije scholen'. Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische
                    wijsbegeerte en met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden
                    een bepaalde richting in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het
                    onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing. De
                    verscheidenheid in richtingen is regelmatig onderwerp van geschillen. Met het
                    oog hierop is het volgende te melden.</al><al>1. De Platoschool in Amsterdam :In Nederland is een Platoschool, gevestigd in
                    Amsterdam. Alhoewel deze school in het Plan van Scholen van Amsterdam is
                    opgenomen als uitgaande van een eigen richting en de Onderwijsraad in 1985 als
                    zijn opvatting heeft gegeven dat deze school van een eigen richting uitgaat,
                    wordt de Platoschool niet geacht een eigen richting te vertegenwoordigen. 2. In
                    het christelijk onderwijs kunnen wat betreft het leerlingenvervoer de volgende
                    richtingen worden onderscheiden: protestants-christelijk, reformatorisch,
                    gereformeerd, gereformeerd (vrijgemaakt), gereformeerde schoolvereniging,
                    scholen met den bijbel, christelijk-nationaal, hervormd. In recente
                    jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een
                    afzonderlijke richting aangemerkt. 3. Kees Boekeschool Werkplaats
                    kindergemeenschap. In Bilthoven is gevestigd de Werkplaats kindergemeenschap,
                    opgericht door Kees Boeke. Deze school behoort tot de algemeen bijzondere
                    richting. 4. Jan van Rijckenborgschool (Rozenkruisschool) Nederland telt op dit
                    moment drie scholen met deze naam, gevestigd in Hilversum, Heiloo en Duiven.
                    Deze gaan uit van het kerkgenootschap Lectorium Rosicrucianum en worden in stand
                    gehouden door de Stichting scholen van het Rozenkruis. Volgens adviezen van de
                    Onderwijsraad uit 1984 en 1985 is het kerkgenootschap Lectorium Rosicrucianum
                    blijkens zijn afzonderlijke kerkformatie een van de richtingen die zich in het
                    Nederlandse volk op geestelijk terrein openbaren. Volgens jurisprudentie
                    vertegenwoordigen deze scholen een eigen richting. 5. Janus Korczakschool Gezien
                    het advies van de Onderwijsraad en het hiermee overeenkomende oordeel van de
                    Kroon gaat deze school uit van de algemeen-bijzondere richting. 6. Islamitische
                    scholen Gezien de statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan dat
                    zij een eigen richting vertegenwoordigen. 7. Hindoeïstische scholen Gezien de
                    statuten van de Hindoeïstische scholen wordt er van uitgegaan dat zij een eigen
                    richting vertegenwoordigen. 8. Interconfessioneel onderwijs Hieronder wordt
                    verstaan onderwijs dat gebaseerd is op verschillende geloofsovertuigingen.
                    Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit de fusie van een
                    protestante en een katholieke school. Gezien de statuten van deze scholen wordt
                    dit type onderwijs niet als aparte richting ten opzichte van andere
                    confessionele scholen aangemerkt.</al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening 2007 dienen ouders,
                    indien een leerling een school voor basisonderwijs bezoekt op grotere afstand
                    dan bepaald in de Verordening 2007, terwijl zich dichterbij andere (openbare en
                    bijzondere) basisscholen bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij
                    overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de
                    richting van de dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Uiteraard geldt voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het bovenstaande slechts van toepassing
                    is op dichterbij gesitueerde scholen van de soort waarop de leerling is
                    aangewezen (bijvoorbeeld ZMOK-school of school voor lichamelijk gehandicapte
                    kinderen). In dit kader is van belang dat voor het antwoord op de vraag op welke
                    soort speciaal onderwijs een leerling is aangewezen slechts een keuze kan worden
                    gemaakt uit de in artikel 2 van de WEC onderscheiden soorten. Slechts indien
                    door de ouders wordt aangetoond - met name via deskundigenrapporten - dat niet
                    de dichtstbijgelegen school van de gewenste richting en de aangewezen soort
                    geschikt is maar een verder gelegen school, is er voor het college aanleiding te
                    bezien of met toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder
                    gelegen school dient te worden bekostigd.</al><al>Voorbeeld 1. School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes
                    kilometer afstand van de woning van de leerling. School B is een
                    protestants-christelijke basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de
                    woning van de leerling. Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende
                    bezwaren te hebben tegen de richting van de school die dichterbij gelegen is
                    (i.c. school B), verstrekt het college bekostiging voor het vervoer van de
                    leerling naar school A. Voorbeeld 2. Een leerling bezoekt een school voor
                    algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie kilometer afstand van de woning. De
                    ouders besluiten dat de leerling naar een andere basisschool van dezelfde
                    richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand van de woning. In dit geval
                    verstrekt het college geen bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op
                    zes kilometer afstand (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school). Voorbeeld 3. Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt)
                    school op zeven kilometer afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt
                    een nieuwe gereformeerde (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt
                    de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand.
                    Het is immers niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Hierbij is
                    echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de gangbare
                    opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren reëel
                    indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke
                    overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de school
                    op zeven kilometer afstand van de woning. Indien de ouders beslissen om de
                    leerling eerder naar de dichterbij gelegen school te sturen, vervalt de
                    bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe school bezoekt. Voorbeeld 4.
                    Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de
                    woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in dezelfde
                    gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde school voor
                    openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand van acht
                    kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging naar deze
                    school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch op de verder
                    weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke overgangsperiode voor de hand
                    te liggen. Het college kan dan overwegen - indien daarmee het belang van de
                    leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor het resterende schooljaar.
                    Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij gelegen school is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens. Voorbeeld 5. Een
                    leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor
                    basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een
                    rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een
                    protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk
                    op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de
                    vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende
                    bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke
                    school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs). De
                    protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de
                    leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen
                    toegankelijke school. Voorbeeld 6. Een leerling bezoekt een openbare basisschool
                    op negen kilometer afstand van de woning. Op zes kilometer afstand is ook een
                    openbare basisschool gehuisvest, terwijl er dichterbij gelegen scholen voor
                    bijzonder basisonderwijs aanwezig zijn.Het college verstrekt bekostiging van de
                    vervoerskosten naar de school op zes kilometer afstand van de woning, indien de
                    ouders schriftelijk hebben verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de
                    richting van deze dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes
                    kilometer afstand is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school. Voorbeeld 7. Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is
                    een reformatorische basisschool gelegen. De leerling bezoekt een reformatorische
                    basisschool op acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school
                    godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot
                    uitdrukking komt in de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit geval
                    bekostigt het college niet de kosten van het vervoer naar de school, gelegen op
                    een afstand van acht kilometer. Of bekostiging plaatsvindt naar de
                    reformatorische basisschool op drie kilometer afstand is afhankelijk van de door
                    de gemeenteraad bepaalde kilometergrens. (In Aalburg 6 km.)Voorbeeld 8. Een
                    leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor
                    basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat
                    de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de leerling
                    dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de
                    vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een
                    afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college verstrekt
                    geen bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf
                    kilometer afstand. En ook niet naar de school gelegen op 12 km afstand.
                    Voorbeeld 9. Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor
                    basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de
                    leerling afkomstig is, terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij
                    de woning van de leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor
                    basisonderwijs is. Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het
                    samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de Verordening 2007). Voor alle hiervoor
                    weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met toepassing van de
                    hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan verstrekken indien
                    daartoe naar de mening van het college aanleiding is. Niet tot het begrip
                    'richting' wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige methode van een school.
                    Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen,
                    Daltonscholen en Freinetscholen. Deze scholen baseren hun identiteit op de
                    onderwijskundige inrichting van de school en niet op de godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke richting. Montessorischolen kunnen onder meer van
                    katholieke of protestante signatuur zijn. Dit betekent dat er in dezen geen
                    verschil bestaat tussen een 'reguliere' katholieke basisschool en een katholieke
                    Montessorischool, etc. Een verklaring van bezwaar (artikel 3, tweede lid) dient
                    zich te richten tegen de richting van het bijzonder onderwijs dan wel tegen het
                    openbaar onderwijs en niet tegen de onderwijskundige methode die op de school
                    gehanteerd wordt. Ouders dienen in de verklaring dus aan te geven overwegende
                    bezwaren te hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van
                    het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is
                    aangewezen, die dichterbij zijn gelegen. Sedert de totstandkoming van artikel 13
                    van de LO-wet is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het
                    onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het
                    college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting
                    inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn
                    in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval is in de
                    jurisprudentie aangenomen dat niet de richting van het onderwijs maar de
                    kwaliteit daarvan de keuze van de ouders heeft bepaald, in weerwil van de door
                    de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar tegen de overige richtingen en
                    het openbaar onderwijs. Op het college rust in deze gevallen een zware
                    bewijslast. Aangetoond dient te worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil
                    van de letter van hun verklaring kennelijk niet de richting van het onderwijs
                    betreffen. Zelfs indien ouders hun kinderen aanvankelijk naar een openbare
                    basisschool sturen, vervolgens naar een katholieke basisschool en uiteindelijk
                    wederom naar een openbare basisschool moet de ouders het voordeel van de twijfel
                    worden gegeven. Ook indien ouders hun kind pas op twaalfjarige leeftijd naar de
                    school met de door hen gewenste richting sturen, dient het college de verklaring
                    van de ouders, dat zij tegen de overige richtingen en tegen het openbaar
                    onderwijs bezwaar hebben te respecteren, zeker nu de ouders aangegeven hebben
                    dat zij hun kind aanvankelijk te jong achtten om de afstand naar de gewenste
                    school te overbruggen. Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde gezin scholen van
                    diverse richtingen bezoeken levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de
                    ouders hun keuze kennelijk niet met het oog op de richting van het onderwijs
                    hebben bepaald.Op 1 augustus 2003 is de Wet leerlinggebonden financiering in
                    werking getreden. Vanaf dat moment kunnen leerlingen die geïndiceerd zijn voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het regulier onderwijs.
                    Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs gaan, titel 3 van de
                    Verordening 2007, maken onverminderd aanspraak op leerlingenvervoer. Voor
                    leerlingen van cluster 4 scholen - zeer moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen
                    van scholen verbonden aan pedologische instituten, langdurig zieke kinderen
                    (psychiatrische problematiek) - geldt dat zij recht hebben op vervoer naar de
                    cluster 4-school waarvoor de commissie voor de indicatiestelling (cvi) een
                    advies heeft afgegeven. Op basis van de wet (artikel 4, vijfde lid Wet op de
                    expertisecentra) wordt de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft
                    afgegeven, aangemerkt als de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit geldt
                    zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum waar
                    voornoemde commissie aan is verbonden. Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging
                    De bekostiging zal als regel voor de tijdsduur van een schooljaar verstrekt
                    worden. Dit zal zeker het geval zijn als de ouders voorafgaande aan een
                    schooljaar een aanvraag doen ten behoeve van een geheel schooljaar. In enkele
                    gevallen echter, bijvoorbeeld als de aanvraag gedurende het schooljaar
                    plaatsvindt, of bij onveranderde situatie, kan het college beslissen dat de
                    bekostiging geldt voor dat lopende schooljaar.Tevens dient het college bij
                    verstrekking van bekostiging de wijze en het tijdstip van uitbetaling te
                    bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden of: • de bekostiging per
                    maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt; • de bekostiging in de vorm van een
                    voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag
                    achteraf geschiedt; • de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast
                    vervoer, rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt. Aangezien de
                    praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van betalen veel
                    verschillende varianten laat zien, is in de Verordening 2007 geen expliciete
                    keuze gemaakt. Afhankelijk van de lokale wensen wordt hieraan invulling gegeven.
                    Wel kan in dit verband opgemerkt worden dat bekostiging op declaratiebasis,
                    bijvoorbeeld door het overleggen van strippenkaarten of maandabonnementen, de
                    betrouwbaarste indicator is. Artikel 5 Aanvraagprocedure De artikelen 5 en 6 van
                    de Verordening 2007 regelen de aanvraagprocedure voor bekostiging van de
                    vervoerskosten. Tevens zijn bepalingen opgenomen over de handelwijze bij
                    veranderingen van omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de bekostiging.
                    Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij hiertoe
                    een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor een
                    aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Artikel 4:4 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) geeft in het algemeen de gemeente de bevoegdheid om het
                    gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. In artikel 5 van de
                    Verordening 2007 zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de aanvraag van
                    bekostiging van de vervoerskosten. De aanvraag kan in principe op twee
                    tijdstippen plaatsvinden: 1. indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe
                    schooljaar, dient de aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar
                    ingediend te worden; 2. indien het betreft een aanvraag gedurende het
                    schooljaar, kan de aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend. Ad 1
                    Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe schooljaar Veelal zal
                    ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat een
                    leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook
                    continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van
                    het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt
                    artikel 5, tweede lid, van de Verordening 2007 dat de ouders, die in aanmerking
                    wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande
                    aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen. Deze
                    datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                    aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar
                    gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de -
                    in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van onderzoek.
                    Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college
                    op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe
                    schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven. De
                    aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn
                    van de noodzakelijke bijlagen. Indien het aanvraagformulier niet juist en/of
                    volledig is ingevuld, zullen ouders het aanvraagformulier moeten aanpassen dan
                    wel aanvullen en opnieuw moeten inzenden. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald
                    dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
                    ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken. Artikel 5, vierde lid, van de Verordening 2007 is vervolgens van
                    toepassing. Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de
                    eventueel te verwachten stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen
                    verwerken. Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de Verordening 2007
                    kan het voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor
                    de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een
                    vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of
                    andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere
                    situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste
                    vier weken verdagen (artikel 5, vijfde lid, van de Verordening 2007). De Awb
                    bepaalt dat dit uitstel schriftelijk kenbaar gemaakt moet worden aan de
                    betrokken ouders door het college, voor afloop van de eerste termijn. Dit in
                    verband met de bepalingen omtrent het overschrijden van de termijnen en de
                    daaruit voortvloeiende toewijzing van de aanvragen. Uiterlijk een dag voor het
                    verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende
                    aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de
                    verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het
                    uitblijven van het advies van de commissie van begeleiding of het advies van
                    andere deskundigen is het van belang dat er toch een beschikking wordt
                    afgegeven. Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt
                    (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de Verordening 2007
                    zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen
                    beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de Awb bepaalt
                    dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in
                    ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking
                    heeft gegeven. Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele
                    verdaging van vier weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis
                    van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het
                    onderhavige geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden
                    (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt
                    niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel
                    6:12, derde lid). Bij de berekening van de termijnen (acht weken voor de
                    beslissing, vier weken uitstel), gelden de bepalingen zoals deze zijn opgenomen
                    in de Algemene termijnenwet. De Algemene termijnenwet bepaalt dat, indien de
                    gestelde termijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag,
                    de termijn verlengd wordt tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag,
                    zondag of algemeen erkende feestdag is. (Als algemeen erkende feestdagen zijn
                    aan te merken nieuwjaarsdag, tweede paasdag, beide kerstdagen, Hemelvaartsdag en
                    Koninginnedag.) Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht
                    weken In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe
                    schooljaar om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de
                    meeste gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe
                    schooljaar af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar
                    ingediend voor 1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de
                    gecorrigeerde aanvraag ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is). Immers, in
                    een dergelijk geval zullen de ouders de aanvraag moeten aanvullen of corrigeren.
                    Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde lid, van de
                    Verordening 2007 van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het college binnen
                    acht weken na ontvangst van het formulier een beslissing neemt, nadat ouders in
                    voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met ontbrekende
                    gegevens aan te vullen. Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het
                    schooljaar een aanvraag plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien
                    in de loop van het schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld
                    van basisonderwijs naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van
                    het jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken.
                    Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders wijst op de noodzaak
                    een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag van de ouders worden
                    verwacht dat zij direct - maar uiterlijk binnen een week na de berichtgeving van
                    de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de nieuwe woongemeente indienen.
                    Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente niet gehouden om de kosten van
                    vervoer in de periode vanaf een week na de mededeling van de oude woongemeente
                    tot aan de uiteindelijke indiening van de aanvraag bij de nieuwe woongemeente te
                    bekostigen. Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de
                    afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt
                    dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria en
                    sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld. Indien op een aanvraag positief is
                    beslist of indien via bezwaar of beroep een positieve beschikking is
                    afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum de bekostiging wordt
                    verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden, dat het college de
                    ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval een aanvraag voor het
                    nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de bekostiging in
                    principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar (artikel
                    5, zesde lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke start van het
                    schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De
                    bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk
                    plaatsvindt. Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt
                    gericht zal de ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in
                    het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, echter niet voor de datum
                    waarop de aanvraag wordt gedaan (artikel 5, zesde lid, onder b) (de datum van
                    ontvangst). Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de
                    gemeente in het algemeen de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren
                    voor te schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt
                    opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is
                    aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Onder
                    gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen
                    (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een medische
                    verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                    belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere
                    bewijsstukken. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze
                    gegevens te overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste
                    beoordeling van de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een
                    juiste beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip
                    'juist' redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van
                    invloed zijn op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het
                    college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Indien het aanvraagformulier
                    aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het
                    aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de
                    verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld
                    vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt,
                    dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt
                    genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde
                    lid van de Awb, dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden
                    gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Gemeenten kunnen zich
                    bij een afwijzende beschikking niet louter beroepen op een onjuist dan wel
                    onvolledig ingevuld aanvraagformulier, zij moeten bij hun beoordeling mede
                    betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is. Bij het in
                    behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op de
                    kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de
                    voorafgaande jaren gebleken is. Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college
                    de mogelijkheid om de beslissing op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een
                    beslissing van een bestuursorgaan om een beslissing te verdagen is een
                    beschikking in de zin van de Awb. Dit betekent onder andere dat het
                    bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te motiveren (artikel 4:16 van de
                    Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende bekend gemaakt dient te worden
                    (artikel 3:41 van de Awb). Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen Lid 1 Artikel 6,
                    eerste lid, van de Verordening 2007 regelt dat ouders verplicht zijn wijzigingen
                    door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op de verstrekte
                    bekostiging van de vervoerskosten. Gegevens die van invloed kunnen zijn op de
                    bekostiging zijn onder andere: - wijziging van de reistijd, in verband met
                    verandering in bijvoorbeeld het openbaar vervoer; - wijziging in het woonadres
                    van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing; - wijziging van de
                    gezinssamenstelling; - wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het
                    al dan niet begeleiden van leerlingen; - wijziging van het adres van de school;
                    - wijziging van de schooltijden van de school; - wijziging van school
                    (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); -
                    toekenning van bekostiging op grond van de Wet Rea etc. Lid 2 Ouders dienen
                    dergelijke wijzigingen direct mede te delen aan het college. Indien de wijziging
                    daartoe aanleiding geeft, trekt het college de verstrekte bekostiging in en
                    verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten
                    (artikel 6, tweede lid, van de Verordening 2007). Indien de wijziging geen
                    invloed op de bekostiging heeft, gebeurt dit uiteraard niet. Wijziging in het
                    inkomen van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of speciale
                    school voor basisonderwijs volgen heeft in principe geen invloed op de
                    bekostiging van de vervoerskosten voor het desbetreffende jaar. Indien echter
                    sprake is van een structurele wijziging in het inkomen van de ouders die voor
                    hen ernstig nadelig is, kan het college vooruitlopend op het volgende schooljaar
                    de bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan door de ouders
                    direct op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen vaststelt die van invloed
                    kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders ten onrechte bekostiging
                    (hebben) ontvangen. Lid 4 Artikel 6, vierde lid, van de Verordening 2007 biedt
                    in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostigingen
                    terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken
                    bekostigingen. Ook in onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging
                    is vastgesteld de bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt
                    verstrekt. De beslissing dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt.
                    Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat een beslissing, die tot een of meer
                    belanghebbenden is gericht, bekend wordt gemaakt door toezending of uitreiking
                    aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling
                    Aangezien in de Verordening 2007 het leeftijdscriterium in het basisonderwijs
                    als een van de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan
                    niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding, verdient het
                    aanbeveling een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de
                    leerling in aanmerking komt voor openbaar vervoer onder begeleiding en in de
                    verordening is geen peildatum gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling
                    de leeftijd van negen jaar bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden
                    afgegeven, namelijk voor de periode dat de leerling nog acht jaar is en voor de
                    periode dat de leerling de leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke
                    handelwijze houdt nogal wat extra administratieve werkzaamheden in. In de
                    Verordening 2007 (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die geldt
                    voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1 augustus van het
                    betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de wettelijke start van
                    het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van
                    een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de Verordening 2007
                    het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling
                    halverwege het schooljaar negen jaar). Er hoeft dan ook maar 1 beschikking voor
                    het gehele schooljaar te worden afgegeven. Ten behoeve van het (voortgezet)
                    speciaal onderwijs is een dergelijke leeftijdsgrens niet opgenomen.</al><al>Artikel 8 Andere vergoedingenIndien kan worden aangetoond dat een aanvrager van
                    leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding
                    ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die
                    vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op
                    basis van de verordening leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor
                    vergoedingen die worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande
                    kinderen in het voortgezet onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is
                    opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en
                    is niet puur bestemd voor reiskosten. Deze vergoeding mag daarom niet worden
                    afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer. Artikel 9 Bekostiging naar de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het
                    samenwerkingsverband Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de
                    Verordening 2007. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3,
                    eerste lid. Artikel 4 van de WPO bepaalt voor speciale scholen voor
                    basisonderwijs echter dat het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het
                    samenwerkingsverband dient te worden bekostigd. Dat zal veelal wel, maar hoeft
                    niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn omdat
                    buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen speciale school kan zijn.
                    Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen
                    het eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij de regeling voor
                    basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor leerlingenvervoer
                    rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst
                    of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel 9 wordt
                    gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond
                    van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool.
                    Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt als gevolg
                    van de verwijzing naar artikel 3 van de Verordening 2007 bij toepassing van
                    onderdeel 2 ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.
                    Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg In de WPO wordt aan de permanente
                    commissie leerlingenzorg (pcl) de taak opgedragen om een besluit te nemen over
                    de toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs. Het
                    college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit
                    besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het samenwerkingsverband aan de
                    permanente commissie leerlingenzorg adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat
                    is gebeurd dient het college het advies van de commissie bij de beoordeling te
                    betrekken. Omdat het een advies betreft, is het college daaraan echter niet
                    gebonden. Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer
                    per fiets In artikel 11 van de Verordening 2007 zijn de minimumvoorwaarden
                    vastgelegd om ouders aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de
                    vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt: 'bekostiging van de kosten van
                    openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets'. Als
                    afstandscriterium wordt in de Verordening 2007 zes kilometer gehanteerd. In de
                    lijn van de jurisprudentie is deze kilometergrens inmiddels in artikel 4,
                    zevende lid, van de WPO als bovengrens vastgelegd. Bij de wijze waarop de
                    afstand tussen school en woning bepaald moet worden, kan bij verschil van mening
                    daarover tussen de ouders en de gemeente niet volstaan worden met het meten van
                    de afstand door een auto-dagteller. In Aalburg maken wij daarbij gebruik van de
                    ANWB Route-planner. Van belang is tevens dat bij het meten van de afstand niet
                    mag worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg ('s morgens) en de
                    terugweg ('s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in de
                    verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven -
                    of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer in de rede
                    dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de heen- dan wel de terugreis -
                    wordt verstrekt. Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is
                    op grond van de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO
                    en artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC. Artikel 4, achtste en negende
                    lid, van de WPO luidt: 8 De regeling kan bepalen dat geen aanspraak op
                    bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling
                    toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste,
                    voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. 9 De regeling kan bepalen
                    dat voor een leerling die ouder is dan een bepaalde leeftijd, de aanspraak op
                    bekostiging wordt beperkt tot de kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien
                    zulks in redelijkheid kan worden verlangd, een goedkopere wijze van
                    vervoer.</al><al>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel Voor het vervoer van leerlingen
                    naar scholen voor basisonderwijs heeft de gemeente naast de vaststelling van een
                    afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee andere volumebeperkende maatregelen ter
                    beschikking ter regulering van de vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en
                    het toepassen van het draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van
                    leerlingen naar speciale scholen voor basisonderwijs kan eveneens een
                    drempelbedrag geheven worden, maar is het toepassen van het draagkrachtbeginsel
                    niet mogelijk. 1. Drempelbedrag Het drempelbedrag houdt in dat: - aan ouders van
                    wie het inkomen meer bedraagt dan € 21.600,-- per jaar (geïndexeerd), slechts
                    bekostiging wordt verleend voorzover de kosten van vervoer van de leerling de
                    kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 dan wel artikel 15
                    bepaalde afstand te boven gaan; - indien het college het vervoer zelf
                    organiseert, dienen ouders een financiële bijdrage per te vervoeren leerling te
                    betalen die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel
                    11 dan wel artikel 15 bepaalde afstand als het inkomen meer bedraagt dan €
                    21.600,-- per jaar (geïndexeerd) (zie artikel 23 van de Verordening 2007). 2.
                    Draagkrachtprincipe Naast het heffen van een drempelbedrag kan de gemeente in
                    een aantal gevallen bepalen dat de hoogte van de bekostiging afhankelijk is van
                    de financiële draagkracht van de ouders, of dat het vervoer dat de gemeente
                    verzorgt of doet verzorgen geschiedt tegen een van de financiële draagkracht van
                    de ouders afhankelijke bijdrage (artikel 4, elfde lid, van de WPO). Dit
                    draagkrachtbeginsel kan worden toegepast indien het leerlingen betreft die een
                    school voor basisonderwijs bezoeken en voor wie de afstand van de woning naar de
                    school meer dan twintig kilometer bedraagt. Bij de vaststelling van de hoogte
                    van de draagkrachtafhankelijke bijdrage is rekening gehouden met het
                    gelijktijdig in rekening brengen van de verplichte eigen bijdrage. Dit betekent
                    dat in deze systematiek zowel de verplichte eigen bijdrage als de
                    draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening dienen te worden gebracht. Als
                    uitgangspunt van de Verordening 2007 geldt bekostiging op basis van het openbaar
                    vervoer: 'Openbaar vervoer eventueel onder begeleiding is regel en aangepast
                    vervoer is uitzondering'. Artikel 11 van de Verordening 2007 bepaalt dat de
                    ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school
                    voor basisonderwijs bezoeken, in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op
                    basis van de kosten van het openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien
                    de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
                    school meer dan zes (bij basisonderwijs) respectievelijk 2 (bij sbo) kilometer
                    bedraagt. Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding
                    wordt verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al
                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer. Overeenkomstig artikel 1, onder e, van de Verordening 2007
                    dient onder 'afstand' verstaan te worden: de afstand tussen de woning van de
                    leerling en de te bezoeken school, gemeten langs de kortste voor de leerling
                    voldoende begaanbare en veilige weg. Leerlingenvervoer naar
                    dislocaties/nevenvestigingen Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de
                    Verordening 2007 bepalen dat het college bekostiging verstrekt in de kosten van
                    leerlingenvervoer, indien de afstand van de woning van de leerling naar de
                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor basisonderwijs, een
                    speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet
                    onderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes
                    respectievelijk 2 kilometer. Indien de school die de leerling bezoekt meer dan
                    een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle
                    onderwijslocaties als school in de zin van de verordening leerlingenvervoer
                    dienen te worden beschouwd. Deze vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen
                    door met name de schaalvergrotingsoperatie in het basisonderwijs. Door deze
                    operatie is het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen
                    omgevormd tot nevenvestigingen. Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan
                    aansluiting worden gezocht bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele
                    instandhouding in het primair onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid,
                    artikel 11 en artikel 15, eerste lid van de Verordening leerlingenvervoer 2007.
                    Als uitgangspunt geldt dan dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt
                    bezocht als school kan worden beschouwd in de zin van de verordening.</al><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><al>1. Nevenvestiging in het basisonderwijs. Een nevenvestiging wordt in termen van
                    de WPO (artikel 1) beschouwd als een deel van de school op de plaats waar voor
                    de vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school functioneerde. De eigen
                    wettelijke positie van een nevenvestiging komt onder andere tot uiting in een
                    afzonderlijke normstelling voor de instandhouding, in een afzonderlijke regeling
                    voor de rijksbekostiging van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van
                    de hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een
                    afzonderlijke leerlingadministratie bij te houden. Gelet op het voorgaande
                    uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het voor de hand een
                    nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te beschouwen. 2.
                    Dislocaties in het primair onderwijs. Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor
                    genoemde uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de verordening
                    worden beschouwd. 3. Bekostiging. Het college verstrekt bekostiging indien de
                    leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien
                    uiteraard aan de criteria van de verordening op het gebied van richting en
                    kilometergrens wordt voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de
                    hoofdvestiging als een nevenvestiging of dislocatie bedoeld. Hieruit vloeit
                    bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie bezoekt die minder ver
                    van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk
                    artikel 15 van de Verordening 2007, het college niet gehouden is bekostiging te
                    verstrekken voor de kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op
                    indien de hoofdvestiging van de school zich wel verder weg van de woning bevindt
                    dan de kilometergrens. Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de
                    kosten van leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen
                    onderwijslocatie van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die
                    verder weg van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11
                    respectievelijk artikel 15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze kilometergrens
                    is gelegen. 4. Toegankelijkheid. De bekostigingsplicht van het college tot de
                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school kan van specifiek belang
                    zijn indien de leerling een school bezoekt met een nevenvestiging of een
                    dislocatie. Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het
                    bevoegd gezag bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging
                    en de nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig onderwijscurriculum
                    verzorgen. Indien bijvoorbeeld de dichtstbijgelegen locatie een dislocatie is
                    waar slechts onderwijs voor de onderbouw wordt verzorgd, is deze locatie voor
                    een leerling uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verdergelegen
                    dislocatie of hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als
                    dichtstbijzijnde onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden
                    wordt voldaan, bekostigt het college het vervoer daarheen. Artikel 12
                    Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider In een
                    aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is
                    zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere
                    'oudere' leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze begeleiding
                    een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de Verordening 2007 is
                    daaromtrent een regeling getroffen. Uit artikel 12 blijkt: 1. dat de afstand van
                    de woning naar de school meer dan zes respectievelijk 2 begeleider in aanmerking
                    te komen; 2. dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de
                    leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat ervan
                    uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe zelfstandig van het
                    openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een incidenteel geval niet zo, dan
                    kan op grond van artikel 29 van de Verordening 2007 een uitzondering hierop
                    gemaakt worden. In dit verband is artikel 7 van de Verordening 2007 van belang.
                    Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het
                    hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook al wordt de
                    leerling in de loop van het schooljaar negen jaar; 3. dat door de ouders
                    genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in staat is zelfstandig
                    van het openbaar vervoer gebruik te maken. Hiervan kan onder andere sprake zijn
                    indien: ­ de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik
                    te maken; ­ de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                    meerdere malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien
                    zijn leeftijd, te jong hiervoor is; ­ de route van het uitstappunt van de bus
                    naar de school gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld
                    verkeersbrigadiers niet mogelijk is).</al><al>Dit 'genoegzaam aantonen' dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door
                    eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer,
                    psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal gevallen kan
                    het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen dient de
                    situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het college bepaalt
                    immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van de leerling niet
                    mogelijk is. Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet
                    van belang. Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de
                    kosten plaats aan de ouders van de leerling. In de meeste gevallen zal het een
                    ouder zijn die de leerling begeleidt. Indien een begeleider (al dan niet een
                    ouder) meer dan een leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als
                    ware er sprake van de begeleiding van een leerling. Met andere woorden, indien
                    bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen begeleidt met het openbaar vervoer, kan
                    het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten
                    behoeve van de begeleider drie maal plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van de
                    Verordening 2007 bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten behoeve
                    van een begeleider voor bekostiging in aanmerking komen. Bij de vraag of ook een
                    ander kind als begeleider kan optreden meldt jurisprudentie dat leerlingen van
                    elf jaar en ouder enige begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar van een
                    elfjarig kind kan bijvoorbeeld niet kan worden verwacht dat het zelfstandig twee
                    of meer jongere kinderen door moeilijke verkeerssituaties kan loodsen. Artikel
                    13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer Bekostiging op basis
                    van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de leerling die een school
                    voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, dient in
                    principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden verleend. Deze
                    uitzonderingen zijn in artikel 13 van de Verordening 2007 vastgelegd. In veel
                    gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer zelf
                    organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de draagkracht zullen
                    dan door de ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor
                    het aangeboden vervoer. Overigens geldt met name voor aangepast vervoer dat
                    regionale samenwerking met andere gemeenten tot belangrijke besparingen kan
                    leiden. In artikel 13 van de Verordening 2007 is bepaald dat bekostiging op
                    basis van de kosten van aangepast vervoer wordt verstrekt, indien de afstand van
                    de woning naar de school meer dan zes respectievelijk twee kilometer bedraagt,
                    en: 1. indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                    terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer
                    tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht
                    of 2. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling, naar het oordeel van het
                    college, zelf gebruik kan maken van vervoer per fiets. De bepaling dat aangepast
                    vervoer wordt toegekend indien de leerling is aangewezen op openbaar vervoer
                    onder begeleiding en de ouders kunnen aantonen dat het begeleiden van de
                    leerling door hen of door anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling
                    van het gezin zou leiden en een andere oplossing niet mogelijk is, is niet meer
                    in de Verordening 2007 opgenomen. De overweging hierbij is dat begeleiding
                    primair een taak van de ouders is. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf
                    voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een
                    oppas, buren, familie of anderen in te schakelen). In noodsituaties kunnen
                    ouders een beroep doen op de hardheidsclausule (artikel 29 van de Verordening
                    2007). Daarbij kan rekening worden gehouden met ontstane jurisprudentie. Het is
                    aan de ouders om voldoende aannemelijk te maken dat het hun onmogelijk is hun
                    kind te begeleiden.Ouders moeten deze onmogelijkheid tot begeleiden aantonen
                    (eventueel met bewijsstukken) en tevens aannemelijk maken dat het kind ook niet
                    (gedeeltelijk) door een ander kan worden begeleid.Ook ouders die stellen dat het
                    begeleiden van hun kind tot gevolg heeft dat zijn jongere broertje of zusje uren
                    per dag, mede door afwijkende schooltijden, zonder opvang moet doorbrengen,
                    moeten proberen zelf een oplossing te vinden bijvoorbeeld door de begeleiding in
                    overleg met andere ouders te regelen, of zorg te dragen dat gedurende de
                    afwezigheid van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de
                    schoolkinderen, door anderen op de jongere kinderen wordt gepast. Tevens is het
                    mogelijk om de bekostiging die de gemeente ten behoeve van begeleiding
                    verstrekt, aan een ander ten goede te laten komen die de begeleiding verzorgt.
                    Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat er
                    thuis kinderen zijn die verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan zijn
                    van begeleiding door de ouders op zich niet voldoende is. Van ouders wordt in
                    dit soort gevallen verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor het (laten)
                    begeleiden van hun kinderen en in voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid
                    niet aanwezig is. In feite zal de gemeente moeten afwegen wat van ouders, die in
                    aanmerking komen voor bekostiging van het leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt
                    ten aanzien van de begeleiding van hun kinderen dan van ouders die niet voor die
                    bekostiging in aanmerking komen. Een voorbeeld moge dit verduidelijken: ouder A
                    woont op vijf kilometer van de school en ouder B op zeven kilometer, de gemeente
                    hanteert een afstandscriterium van zes kilometer. Beide ouders hebben thuis een
                    kind dat verzorging behoeft. Wanneer ouder B, die in aanmerking komt voor
                    leerlingenvervoer, zou mededelen zijn kind niet te kunnen begeleiden in verband
                    met de gezinssituatie dan doet zich de vraag voor of, op grond van het feit dat
                    er sprake is van een verschil in afstand van twee kilometer, van ouder A wel en
                    van ouder B niet verwacht kan worden dat hij zijn kind zelf begeleidt, dan wel
                    een andere oplossing zoekt. Ad 1 Reistijd met openbaar vervoer is meer dan
                    anderhalf uur Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer,
                    meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50%
                    of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt. Overigens is
                    het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium reistijd
                    aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college kunnen
                    eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt
                    teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert).
                    Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium
                    overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de
                    conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het
                    openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast
                    vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                    teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer. Discussie over de
                    exacte reistijd per openbaar vervoer kan worden vermeden door uit te gaan van de
                    desbetreffende dienstregelingen. In de Verordening 2007 is een reistijdcriterium
                    opgenomen van anderhalf uur. Bij het ontbreken van de mogelijkheid om
                    bekostiging te krijgen op basis van de kosten van aangepast vervoer is bij een
                    reisduur tot anderhalf uur de vrijheid van ouders om voor hun kinderen een
                    openbare dan wel een bijzondere school van de door hen gewenste richting te
                    kiezen niet op onaanvaardbare mate onder druk komen te staan van financiële of
                    andere hindernissen. Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden
                    verwacht dat indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken
                    of onverkort aan de in artikel 13, onder a, van de Verordening 2007 weergegeven
                    reistijd dient te worden vastgehouden. De hardheidsclausule in de gemeentelijke
                    verordening biedt daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid. In een aantal gevallen
                    kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de heenreis (woning-school)
                    wel voldaan wordt aan het criterium van de reistijd, terwijl dit voor de
                    terugreis niet het geval is. Dit kan het geval zijn indien bijvoorbeeld op de
                    heenreis een stopbus en op de terugreis een snelbus is ingezet, of indien de
                    heenreis qua tijd niet aansluit bij de aanvang van de school, maar dat dit bij
                    de terugreis wel het geval is. In dergelijke gevallen dient het college te
                    besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat betreft de heenreis, op basis
                    van aangepast vervoer, en voor wat betreft de terugreis op basis van openbaar
                    vervoer. Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van
                    vervoer te overwegen. De leerling zou in zo'n geval gebruik kunnen maken van
                    aangepast vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een
                    centraal eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer
                    om op de plaats van bestemming te komen. Een vorm van combinatievervoer kan zijn
                    dat de leerling eerst met de bus naar het station gaat en vervolgens de trein
                    neemt. Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus of de buurtbus enkele
                    centrale opstappunten (zie artikel 1, onder m) kent. Hierbij dienen de
                    leerlingen van huis naar een opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht.
                    Indien hiermee een reistijd is gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien
                    de vertrektijden van de bus zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden
                    van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze
                    constructie in beginsel alleszins redelijk te noemen. Wanneer de leerling gelet
                    op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer van huis naar de
                    opstapplaats is het reëel dat de ouders zelf voor de begeleiding zorg dragen. Ad
                    2 Openbaar vervoer ontbreekt In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar
                    vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen
                    gebruik van kunnen maken voor het vervoer van woning naar school of vice versa.
                    In principe kunnen de ouders dan aanspraak maken op bekostiging op basis van
                    aangepast vervoer. Hierbij kan het college de volgende mogelijkheden overwegen:
                    ­ is een combinatie van vervoer haalbaar; ­ de vervoersonderneming kan verzocht
                    worden om wijzigingen aan te brengen in de dienstregeling of de mate van het
                    openbaar vervoer, waardoor deze vervoervorm dienstbaar wordt voor het reizen van
                    en naar de school; ­ het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de
                    schooltijden af te stemmen op de vervoertijden; ­ contact kan worden opgenomen
                    met de rijksverkeersinspectie in het betreffende gebied; deze kan eventueel een
                    adviserende en bemiddelende rol spelen; ­ tevens kan nog bezien worden of het
                    mogelijk is andersoortig vervoer te organiseren tegen de kosten van openbaar
                    vervoer. Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet
                    uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van de
                    kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door de
                    gemeente verzorgde vervoer). Overigens biedt artikel 13, onder b, van de
                    Verordening 2007 het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in
                    staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de
                    volgende overwegingen een belangrijke rol: ­ is de leerling zelfstandig genoeg
                    om met de fiets naar school te gaan; ­ is de route die de leerling af moet
                    leggen, veilig met de fiets af te leggen. Is dat het geval, dan vindt een
                    fietsbekostiging plaats (zie ook de toelichting op artikel 14). Een bepaling in
                    de gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt
                    verleend op basis van de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer
                    ontbreekt, is in strijd is met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken
                    van openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis
                    van de kosten van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien
                    de reistijd die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief
                    lang is en het alternatief van aangepast vervoer niet. Artikel 14 Bekostiging op
                    basis van de kosten van eigen vervoer Artikel 14 van de Verordening 2007 geeft
                    nadere regels omtrent de bekostigingen van het eigen vervoer. Hieronder kan
                    worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten
                    vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets etc.), of een leerling
                    die gebruik maakt van fietsvervoer. Of van bekostiging van eigen vervoer sprake
                    kan zijn is ter beoordeling van het college. Een belangrijke maatstaf hierbij
                    kan zijn dat dit vervoer voor de gemeente een goedkopere wijze van vervoer is.
                    Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake indien voor de desbetreffende leerling nog
                    plaats is in een aangepast vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling
                    anders zou kunnen reizen. Ook kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de
                    leerling meespelen bij de beoordeling van het college of de leerling zelf
                    gebruik kan maken van het vervoer per fiets. De bekostiging van het eigen
                    vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de ouders in principe op basis
                    van de bepalingen in de Verordening 2007 voor in aanmerking komen: a. voor
                    openbaar vervoer; b. voor aangepast vervoer. Ad a Openbaar vervoer Indien ouders
                    aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer en
                    zij vervoeren de leerling met toestemming van het college zelf, dan keert het
                    college bekostiging uit op basis van het openbaar vervoer. Voorbeeld: Afstand
                    woning-school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking voor bekostiging op
                    basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de leerling zelf, met
                    toestemming van het college. Het college dient nu na te gaan wat voor deze
                    afstand betaald zou moeten worden, indien de leerling gebruik zou maken van het
                    openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt dat het college het meest goedkope tarief
                    als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens past het college het eigen bijdrage
                    principe toe. De vraag, wat het openbaar vervoer per kilometer kost, is niet in
                    zijn algemeenheid te beantwoorden en is mede afhankelijk van het Vervoersplan en
                    de bepalingen omtrent de zone-indeling die gelden voor die specifieke gemeente.
                    Nadere informatie hierover bij de plaatselijke of regionale
                    vervoersondernemingen is daarom noodzakelijk. Ad b Aangepast vervoer Indien
                    ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf vervoeren, geldt
                    een vergoeding per kilometer. De vergoeding wordt afgeleid van Reisbesluit
                    binnenland en de Reisregeling binnenland conform artikel 14, tweede tot en met
                    vijfde lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de Verordening 2007.
                    De kilometervergoeding betreft enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het
                    kind per auto vervoerd wordt, in principe aanspraak bestaat op vier maal de
                    afstand woning-school. De vergoeding bedraagt € 0,14 per km. Geen bekostiging
                    wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling ook tussen de
                    middag wordt vervoerd. Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die
                    aangepast vervoer behoeven, mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van
                    de woning van de te vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd
                    woont. In artikel 14, derde lid, van de Verordening 2007 is bepaald, dat ouders
                    aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien zij
                    meer dan 1 leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college toestemming
                    hebben gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe slechts
                    aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer.
                    Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje vervoeren, kunnen
                    het college bij wijze van uitzondering op grond van de hardheidsclausule een
                    andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast
                    vervoer per leerling. Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college
                    noodzakelijk. Hierbij zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de
                    kosten die daarmee gepaard gaan. Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van
                    de Verordening 2007 dat het college bekostiging verstrekt op basis van het
                    aantal kilometers fietsvervoer, indien de leerling gebruik maakt van het vervoer
                    per fiets. Hiervan kan sprake zijn: a. indien het college van oordeel is dat de
                    leerling hiertoe in staat mag worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt; b.
                    indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader van de
                    bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor toestemming geeft.
                    Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets
                    Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                    bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van oordeel
                    is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord
                    te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere
                    wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk: -
                    openbaar vervoer onder begeleiding; - aangepast vervoer al dan niet verzorgd
                    door het college; - eigen vervoer; - een combinatie van bovenstaande
                    vervoersmogelijkheden. In de Verordening 2007 is voor het (speciaal) onderwijs 1
                    afstandsgrens opgenomen, namelijk twee kilometer. Hierbij dient echter rekening
                    te worden gehouden met het bepaalde in artikel 20 van de Verordening 2007. Dit
                    artikel bepaalt dat als de afstand naar de school minder bedraagt dan twee
                    kilometer, toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de handicap van
                    de leerling dat vereist. Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het
                    vervoer naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs
                    geldt ook ten aanzien van de bekostiging van het vervoer naar scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs dat het college de voor de gemeente goedkoopst
                    mogelijke wijze van vervoer bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een
                    strippenkaart, een jaarabonnement of een maandabonnement of een
                    kilometervergoeding voor de (brom)fiets). Het college kan op grond van het
                    tweede lid bepalen dat bekostiging voor de fiets wordt verstrekt. Het college
                    moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding,
                    gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij dient in overweging worden
                    genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele handicap van de leerling, de
                    veiligheid van de af te leggen route en de afstand. Ook is het mogelijk een
                    fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken
                    en voor de overige maanden bekostiging voor ander passend vervoer. Artikel 16
                    Commissie voor de begeleiding De indicerende taken zijn overgegaan naar de
                    regionale Commissies van Indicatiestelling (CvI). De taken omtrent het toewijzen
                    van (ambulante) begeleiding gaan over naar de commissie voor de begeleiding,
                    verbonden aan een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Het college kan
                    advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de ambulante
                    begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de gesteldheid
                    van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies worden
                    ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies geven. Om de
                    bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het college
                    een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het advies van
                    genoemde commissies daarbij moet worden betrokken. Indien het voor een gemeente
                    duidelijk is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling passend is
                    (bijvoorbeeld omdat het een herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat
                    vervoer noodzakelijk maakt), behoeft het advies niet te worden gevraagd.
                    Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat het advies van genoemde commissies ook
                    gevraagd kan worden indien de gemeente dit wenselijk vindt. Tevens biedt de
                    Verordening 2007 in artikel 16, de mogelijkheid dat het college het advies van
                    andere deskundigen in kan winnen. Van deze mogelijkheid kan gebruik worden
                    gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het college afwijkt van het advies
                    van genoemde commissies, of in geval de bijzondere handicap van de leerling dit
                    vraagt. Andere deskundigen kunnen dan bijvoorbeeld zijn: ­ medische
                    specialisten; ­ een orthopedagoog; ­ de huisarts van de leerling; ­
                    kinderpsycholoog en dergelijke. Als nadeel van een keuze voor de
                    directeur/commissie voor de begeleiding als adviserend orgaan geldt de veel
                    gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens subjectief van aard kunnen zijn.
                    Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende school en er kunnen dan bepaalde
                    belangen zijn bij het aannemen van het kind op de desbetreffende school. Het is
                    in dat kader van belang dat het college een gemotiveerd advies vraagt van de
                    directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts is in de Verordening 2007
                    gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen te raadplegen. Uiteraard
                    kan de gemeenteraad ook kiezen voor een andere vorm van advies. In een dergelijk
                    geval kan de gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke commissie van
                    advies instellen, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten. Op deze
                    wijze kan een onafhankelijk advies verkregen worden; de commissie van advies is
                    immers niet gekoppeld aan een bepaalde school. De samenstelling van een
                    dergelijke commissie zou dan kunnen bestaan uit een arts (specialist), een
                    maatschappelijk werker, een onderwijsgevende en een psycholoog. De eventuele
                    kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie van advies zullen dan wel door
                    de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten worden. Er kan gekozen worden voor
                    advisering door een schoolartsendienst of geneeskundige dienst. Wanneer advies
                    nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld 'veilige route' -, dan
                    kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende
                    deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de (verkeers)politie. Ook voor deze
                    deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke positie innemen. De kosten
                    verbonden aan de adviezen van een schoolartsendienst of geneeskundige dienst,
                    zullen veelal lager zijn dan de kosten verbonden aan een apart ingestelde
                    onafhankelijke commissie. Deze kosten zullen echter ook voor rekening van de
                    gemeente komen. Volgens de Verordening 2007 vindt advisering plaats indien het
                    college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan
                    bijvoorbeeld gaan om: 1. advisering aan het college over de vraag of een
                    leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan
                    niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets (artikel 15,
                    tweede lid); 2. advisering aan het college over de vraag of een leerling, die
                    een school voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan
                    maken van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of
                    lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding
                    noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van de Verordening 2007); 3. advisering
                    aan het college over de vraag of een leerling die een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn verstandelijke of lichamelijke
                    handicap al dan niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar
                    vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (artikel
                    18, eerste lid, onder a, van de Verordening 2007); 4. advisering aan het college
                    over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de woning van de leerling naar de te
                    bezoeken school minder bedraagt dan de in de verordening aangegeven minimum
                    km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke handicap, die school
                    zonder aangepast vervoer te bereiken (artikel 20 van de Verordening 2007);5.
                    advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de (brom)fiets,
                    indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid, onder c, van de
                    Verordening 2007); 6. advisering aan het college indien het college wil afwijken
                    van de bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van de Verordening
                    2007.</al><al>In de Verordening 2007 hebben de commissies slechts adviserende taken als het
                    het gestel van de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk). De commissies
                    hebben geen adviserende taak indien het betreft: 1. de vraag of de reistijd van
                    anderhalf uur of meer met openbaar vervoer door middel van aangepast vervoer
                    teruggebracht kan worden tot 50% of minder (artikel 18, onder b, van de
                    Verordening 2007); 2. de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder
                    c, van de Verordening 2007). Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het
                    gemotiveerde advies aan het college uitbrengt binnen een door het college te
                    stellen termijn. Deze commissies zijn een externe adviseur in de zin van artikel
                    3:5 van de Awb. Dit houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 van de
                    Awb zijn gegeven van toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het
                    bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen waarbinnen het advies wordt
                    verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient te worden wie de adviseur
                    is die het advies heeft uitgebracht. Artikel 17 Bekostiging van de kosten van
                    openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider Indien ouders van een leerling
                    op grond van artikel 15 van de Verordening 2007 in aanmerking komen voor
                    bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer, en het college van
                    oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                    gebruik kan maken, komen de ouders tevens in aanmerking voor bekostiging van de
                    kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider (artikel 17 van
                    de Verordening 2007). Uit artikel 17 blijkt: 1. de leerling moet een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken die is aan te merken als de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school, en de afstand van de woning naar de
                    school voor speciaal onderwijs moet meer dan twee kilometer bedragen; 2. de
                    begeleiding wordt slechts bekostigd indien door de ouders genoegzaam wordt
                    aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke of
                    zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is zelfstandig
                    van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. Hiervan kan onder andere
                    sprake zijn: ­ indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling
                    begeleiding noodzakelijk maakt; ­ indien de leerling gedurende de rit met het
                    openbaar vervoer een of meerdere malen over moet stappen op te gevaarlijke
                    overstappunten en dit gezien de leeftijd van de leerling onverantwoord is; ­
                    indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te gevaarlijke
                    punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke punten niet mogelijk
                    is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.). Voor dit 'genoegzaam aantonen' geldt
                    - analoog aan de desbetreffende bepaling voor het openbaar vervoer onder
                    begeleiding naar scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                    basisonderwijs - dat de bewijslast bij de ouders ligt. Ouders dienen hiertoe
                    verklaring(en) van deskundige(n) te overleggen.</al><al>Indien het college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient daarbij het
                    advies van de commissie voor de begeleiding of andere deskundigen (bijvoorbeeld
                    specialist, pedagoog en psycholoog) te worden betrokken. Het advies betreft dan
                    de vraag of de leerling, gezien zijn lichamelijke, verstandelijke of
                    zintuiglijke handicap dan wel leeftijd, niet zelfstandig van het openbaar
                    vervoer of de fiets gebruik kan maken. In principe is het niet van belang wie de
                    leerling uiteindelijk begeleidt. In de regel zullen dit de ouders zijn. Het is
                    echter ook denkbaar dat een ander familielid, een oppas, buren, ouders van
                    andere leerlingen, een kennis of een klasse-assistent de leerling begeleidt. Bij
                    begeleiding door een klasse-assistent dienen wel afspraken gemaakt te worden met
                    het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in groepsverband
                    georganiseerd worden of via een rooster van verschillende begeleiders. Is
                    hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de Verordening 2007 van
                    toepassing; indien een begeleider meerdere leerlingen tegelijk begeleidt, komen
                    slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor
                    bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op artikel 12). Door de
                    Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een regeling
                    getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een gehandicapte.
                    Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de NS hem een
                    legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen die vanwege
                    een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet onder alle
                    omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar
                    op de NS-stations. Het legitimatiebewijs is wat het binnenland betreft geldig op
                    onder meer: a. alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen; b. alle buslijnen in
                    Nederland, zowel in het stads- als in het streekvervoer; c. alle metro- en
                    tramlijnen. Daarnaast is door de Vereniging het Nederlandse Blinden- en
                    Slechtziendenwezen (VNBW) een regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer
                    van de begeleider. Als de blinde/slechtziende hiervoor in aanmerking komt, dan
                    wordt hem een geleidekaart verstrekt. Deze is bestemd voor diegenen die vanwege
                    hun visuele handicap niet of niet onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen
                    reizen. De geleidekaart kan worden aangevraagd bij de VNBW, Postbus 14094, 3508
                    SC Utrecht, tel. (030) 254 17 88. Voorts blijkt het in de praktijk tot de
                    mogelijkheden te horen dat afspraken met de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld
                    het uitstappen van de leerling onder begeleiding van de conducteur. Artikel 18
                    Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer Ook voor het vervoer
                    naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat bekostiging op basis
                    van de kosten van aangepast vervoer in principe uitzondering is. Wel moet de
                    toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal onderwijs gewaarborgd blijven.
                    Daar waar vervoer, openbaar of aangepast, noodzakelijk is, moet dit op passende
                    wijze kunnen plaatsvinden. In artikel 18 van de Verordening 2007 zijn deze
                    waarborgen verankerd. Ad a De verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke
                    handicap van de leerling vereist aangepast vervoer Indien de leerling, gelet op
                    zijn verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is, ook
                    niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het
                    college de kosten van het aangepast vervoer. Hiervan kan onder andere sprake
                    zijn indien: - een leerling een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen
                    bezoekt en zich in een rolstoel voort moet bewegen; - een leerling een
                    ZMOK-school bezoekt en zijn geestelijke toestand aangepast vervoer noodzakelijk
                    maakt. Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd wordt, bepaalt het college.
                    Een belangrijk criterium hierbij is: op welke wijze kan het aangepast vervoer zo
                    goedkoop en efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder de bereikbaarheid van
                    de school in gevaar te brengen? In veel gevallen zal het door het college
                    georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn. Het college kan ook, uit
                    financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in samenwerking met buurgemeenten een
                    vervoerregeling treffen, zodat leerlingen uit verschillende gemeenten gebruik
                    kunnen maken van het door het college georganiseerde vervoer. Ook kan het
                    betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route verschillende
                    opstappunten kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij een ernstige
                    lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap van de leerling kan het
                    college besluiten dat de leerling thuis opgehaald wordt. Indien er sprake is van
                    centrale opstappunten, kan van de ouders verlangd worden dat zij de leerling,
                    indien nodig, hier naar toe begeleiden. In veel gevallen zal de afstand
                    woning-opstappunt klein en veilig te overbruggen zijn (bijvoorbeeld een centraal
                    punt in een wijk). Als de afstand huis-opstappunt groter is (bijvoorbeeld meer
                    dan twee km), kan overwogen worden een extra opstappunt in te lassen of de
                    leerling thuis op te halen. Op grond van artikel 18, tweede lid, van de
                    Verordening 2007 dient het college indien het de gevraagde voorziening niet of
                    slechts gedeeltelijk toekent het advies te vragen aan de commissie voor de
                    begeleiding. Deze zal dan moeten beoordelen of de leerling, gezien zijn
                    lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, niet in staat is - ook
                    niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan
                    het college het advies van andere deskundigen inwinnen. De bepaling dat
                    aangepast vervoer wordt verstrekt indien de leerling is aangewezen op openbaar
                    vervoer onder begeleiding en de ouders kunnen aantonen dat het begeleiden van de
                    leerling door hen of door anderen onmogelijk is, dan wel tot ernstige benadeling
                    van het gezin zou leiden, en een andere oplossing niet mogelijk is, is niet meer
                    in de verordening opgenomen. De overweging hierbij is dat begeleiding primair
                    een taak van de ouders is. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een
                    oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren,
                    familie of anderen in te schakelen). In noodsituaties kunnen ouders een beroep
                    doen op de hardheidsclausule (artikel 29 van de Verordening 2007). Ad b Reistijd
                    met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur Het college verstrekt ook
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer, indien de leerling met
                    gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan ten minste
                    anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder
                    van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Ook hierbij geldt
                    dat het advies van de commissie voor de begeleiding niet gevraagd hoeft te
                    worden. Zie verder de toelichting op artikel 13 onder ad 1. Ad c Openbaar
                    vervoer ontbreekt Artikel 18, eerste lid, onder c, van de Verordening 2007 geeft
                    een derde mogelijkheid om aanspraak te maken op bekostiging op basis van de
                    kosten van aangepast vervoer. Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het
                    aangepast vervoer bekostigt, indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan het
                    voorkomen dat het openbaar vervoer zo weinig frequent rijdt dat de leerling
                    daarvan geen gebruik kan maken. Echter, voordat het college beslist dat
                    bekostiging van het aangepast vervoer verleend wordt, kan het de mogelijkheden
                    onderzoeken zoals in de toelichting op artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het
                    college bepalen dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per
                    (brom)fiets. Het college kan het advies van de commissie voor de begeleiding en
                    eventueel het advies van andere deskundigen daarover vragen. Als de leerling
                    gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of met behulp van
                    een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder aanwezig is),
                    kunnen de ouders op grond van de Wet Rea bij het GAK een tegemoetkoming in de
                    aanschafkosten vragen. In uitzonderlijke gevallen kan het college zelfs gehouden
                    zijn de (salaris)kosten van een begeleider in aangepast vervoer te bekostigen.
                    Een voorbeeld van zo’n uitzonderlijk geval is dat de leerling constant op de
                    ondersteuning van een deskundige op het gebied van speciale medische apparatuur
                    is aangewezen. Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer
                    Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan
                    het voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te laten
                    vervoeren per auto. In artikel 19 van de Verordening 2007 zijn hiervoor nadere
                    voorschriften gegeven. a. Openbaar vervoer Indien ouders de leerling zelf wensen
                    te vervoeren of te laten vervoeren tegen een (kilometer)vergoeding, is
                    toestemming van het college noodzakelijk. Deze toestemming is opgenomen in de
                    Verordening 2007, omdat het college dient te bekijken of deze wijze van vervoer
                    daadwerkelijk de goedkoopste is. Is dat het geval, dan kan het college
                    desgewenst toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren.
                    De bekostiging die hier dan tegenover staat is afhankelijk van de bekostiging
                    waarop de ouders in principe recht hebben. Maken ouders aanspraak op bekostiging
                    van de kosten van openbaar vervoer en wensen zij de leerling zelf te vervoeren
                    of te laten vervoeren, dan bekostigt het college de kosten van het openbaar
                    vervoer. Voorbeeld: Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het
                    openbaar vervoer naar een school voor dove leerlingen. De kosten van een
                    jaarabonnement zijn € 500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming
                    van het college, zelf. De bekostiging is dan € 500,- als ware er sprake van
                    bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer. b. Aangepast vervoer Maken
                    ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer en
                    vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of laten zij de
                    leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een bedrag per kilometer.
                    Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de
                    Verordening 2007, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de
                    Reisregeling binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar
                    de toelichting op artikel 14. In artikel 19, derde lid, van de Verordening 2007
                    is tevens bepaald dat, indien het college de ouders desgewenst heeft toegestaan
                    meer dan een leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op
                    basis van een kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien de ouders
                    aanspraak maken op bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer. Indien de ouders
                    of het college van oordeel zijn dat de leerling met de fiets of de bromfiets
                    naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt op basis van een
                    fietsvergoeding dan wel op basis van een bromfietsvergoeding. Indien het college
                    van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het (brom)fietsvervoer kan
                    het advies van de commissie voor de begeleiding of andere deskundigen worden
                    ingewonnen. Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal
                    onderwijs bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de
                    bevordering van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding per
                    km fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per
                    kilometer bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de
                    Reisregeling binnenland. Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten In artikel 4,
                    zevende lid, van de WEC is bepaald dat de gemeenteraad kan bepalen dat geen
                    aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de woning en de
                    school, echter onverminderd het bepaalde dat leerlingen die wegens hun
                    lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan
                    openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze vervoerd dienen te
                    worden. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn
                    handicap, ook over een afstand van minder dan zes kilometer aangepast vervoer
                    behoeft. Artikel 20 van de Verordening 2007 voorziet in een dergelijke
                    voorziening. Uitgangspunt van de Verordening 2007 is dat in principe voldaan
                    dient te worden aan het gestelde criterium in artikel 15 van de Verordening 2007
                    (afstandsgrens). Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer
                    noodzakelijk naar de school die dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan
                    kunnen ouders toch in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten.
                    Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien door de aard van de handicap
                    aangepast vervoer technisch de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).
                    Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de
                    beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van
                    andere deskundigen te betrekken. Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het
                    weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders Artikel 21
                    van de Verordening 2007 bepaalt dat het college desgewenst de kosten van het
                    weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende ouders van
                    de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                    speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in
                    twee belangrijke onderdelen uiteen: 1. Het college van de gemeente waar de
                    ouders wonen, bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer. 2. Het
                    college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer, indien het
                    verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met
                    het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Ad 1 Indien
                    de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door het
                    college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het
                    college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin
                    verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van
                    de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het
                    dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient
                    te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt. Het komt wel eens
                    voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt gescheiden zijn en
                    dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het andere weekeinde naar
                    zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een andere gemeente woont
                    dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een aanvraag in te dienen bij
                    de gemeente waar men woonachtig is. Ook komt het voor dat ouders het college
                    vragen hun kind af en toe ook door de week naar huis te vervoeren. Dergelijke
                    verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier immers om weekeinde- en
                    vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in voorkomend geval bezien
                    worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel 29 van de Verordening
                    2007. Ad 2 Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde-
                    en vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat of
                    pleeggezin noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal
                    onderwijs. Met andere woorden, er moet dus een directe relatie bestaan tussen
                    het verblijf in een internaat of het pleeggezin en het volgen van passend
                    onderwijs. Dit betekent dat het college geen bekostiging voor het weekeinde- en
                    vakantievervoer verstrekt, als de leerling passend onderwijs kan volgen dat met
                    dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent
                    dit dat het vervoer niet wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om
                    medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft. In zijn
                    uitspraak van 20 oktober 1988 bepaalt de afdeling Rechtspraak van de Raad van
                    State dat het college terecht geen bekostiging heeft verstrekt in de kosten van
                    weekeinde- en vakantievervoer nu de leerling niet primair voor het volgen van
                    passend speciaal onderwijs in een internaat verblijft Of plaatsing op het
                    internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft plaatsgevonden dient
                    door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De gemeente dient na te gaan
                    op welke gronden een leerling op een internaat is geplaatst Weekeinde- en
                    vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Met
                    andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt geen weekeinde- of
                    vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of pleeggezin. Een
                    belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in een internaat of een
                    pleeggezin verblijven - omdat hun ouders een trekkend bestaan leiden - niet voor
                    bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer in aanmerking komen. De
                    toelichting op de regelgeving van kinderen van ouders die een trekkend bestaan
                    leiden is te vinden in het Handboek van de VNG.Artikel 22 Bekostiging kosten
                    weekeinde- en vakantievervoer Artikel 22 van de Verordening 2007 bepaalt welke
                    bekostiging maximaal wordt verleend, namelijk ten behoeve van: 1. de reis van
                    het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in elk
                    weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de schoolvakanties; 2. de
                    reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders en terug
                    in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze vakantie is
                    opgenomen in het schoolplan van de school die de leerling bezoekt. Welke wijze
                    van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente waar de ouders
                    wonen. Artikel 22, derde lid, van de Verordening 2007 geeft aan dat de
                    bepalingen van Titel 3 van de Verordening 2007 van overeenkomstige toepassing
                    zijn op de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer, met
                    uitzondering van artikel 16, artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste lid,
                    onder b, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de Verordening 2007. 1. In
                    artikel 16, artikel 17, tweede lid, en in artikel 18, tweede lid, van de
                    Verordening 2007 is geregeld dat het college indien het de gevraagde voorziening
                    niet honoreert het advies van de commissie voor de begeleiding of eventueel het
                    advies van andere deskundigen moet vragen. Ingeval er sprake is van weekeinde-
                    en vakantievervoer behoeft dit advies niet gevraagd te worden. (Indien het
                    college van oordeel is dat dit wel wenselijk is, kan het college uiteraard wel
                    het advies vragen.) 2. In artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening
                    2007 is geregeld dat aangepast vervoer wordt bekostigd als de leerling met
                    gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug (i.c. van internaat of
                    pleeggezin naar de woning van ouders of terug) meer dan ten minste anderhalf uur
                    onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                    reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Indien ook deze bepaling
                    van overeenkomstige toepassing zou worden verklaard, dan zou naar alle
                    waarschijnlijkheid bijna al het weekeinde- en vakantievervoer van leerlingen met
                    aangepast vervoer geschieden. Bovendien kunnen bij weekeinde- en vakantievervoer
                    langere reistijden worden gerechtvaardigd. 3. In artikel 20 is geregeld dat
                    bekostiging van het vervoer naar scholen, dichterbij gelegen dan het in artikel
                    15 aangegeven afstandscriterium van twee kilometer mogelijk is, indien de
                    lichamelijke handicap van de leerling dat vereist. Gezien de afstanden die bij
                    het weekeinde- en vakantievervoer afgelegd moeten worden, kan artikel 20 buiten
                    werking worden gesteld. Immers, indien een dergelijke situatie zich voor zou
                    doen, hoeft het kind niet in een internaat of een pleeggezin te verblijven met
                    het oog op het volgen van passend onderwijs. Analoge toepassing van Titel 3 van
                    de Verordening 2007 betekent dat: 1. bekostiging van openbaar vervoer regel is
                    indien aan de afstandscriteria van artikel 15 wordt voldaan. 2. het college
                    tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider kan
                    bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam
                    wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of
                    lichamelijke handicap of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar
                    vervoer gebruik te maken (artikel 17, eerste lid). 3. het college de kosten van
                    het aangepast vervoer bekostigt, indien: a. de leerling gelet op zijn
                    verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap niet in staat is - ook
                    niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 18,
                    eerste lid, onder a); b. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                    oordeel van het college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan maken. (Van het
                    (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd moeten worden, in
                    principe geen gebruikgemaakt worden) (artikel 18, eerste lid, onder c).
                    Overigens geldt met name voor het weekeinde- en vakantievervoer dat een
                    combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een combinatie
                    trein- taxi, etc. 4. het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf
                    vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer
                    waarop de ouders aanspraak zouden maken (artikel 19). De algemene bepalingen van
                    Titel 1 van de Verordening 2007 zijn uiteraard ook van toepassing, alsmede het
                    bepaalde in de Titel 7. Artikel 23 Drempelbedrag Gemeenten kunnen een
                    drempelbedrag bij ouders in rekening kunnen brengen. In de Verordening 2007
                    wordt invulling gegeven aan deze door de wet geboden mogelijkheid. Bij het
                    drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente
                    vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de
                    school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering van het
                    drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze
                    kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de Verordening 2007 is de
                    kilometergrens voor het basisonderwijs op zes kilometer gesteld (artikel 11,
                    eerste lid onder a) voor het speciaal basisonderwijs is de kilometergrens op
                    twee kilometer gesteld (artikel 11 eerste lid onder b) en voor het (voortgezet)
                    speciaal onderwijs is deze grens eveneens op twee kilometer gesteld ( artikel
                    15, eerste lid). Gemeenten zijn vrij een andere kilometergrens vast te stellen,
                    mits deze niet boven de 6 kilometer uitkomt. In de wet is deze afstand als
                    bovengrens vastgelegd. Indien een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente
                    voor de berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden
                    gewerkt met een fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te
                    worden bepaald op basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag
                    voor leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om
                    de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te
                    overbruggen. Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart
                    voor dit aantal te reizen zones. Voor het schooljaar 2006-2007 gaat het bij een
                    zone om een bedrag van € 231,50) (de kosten van een jeugdjaarkaart met een ster)
                    en bij twee of drie zones om een bedrag van € 393,--. (de kosten van een
                    jeugdjaarkaart met 2 sterren). Bij de vaststelling van de hoogte van het
                    drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt
                    van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast
                    vervoer of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de
                    kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente
                    gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan
                    van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route. Het drempelbedrag
                    wordt opgelegd aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of
                    een speciale school voor basisonderwijs bezoeken en waarvan de ouders een
                    gezamenlijk inkomen van meer dan € 21.600,- (geïndexeerd) hebben.</al><al>Voor leerlingen die het speciaal onderwijs en voor leerlingen die onder titel 6
                    vallen (gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet
                    onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook
                    wanneer de leerling zelf de aanvraag doet, mag geen drempelbedrag gevraagd
                    worden.</al><al>Het bedrag wordt bovendien per leerling in rekening gebracht. Indien een
                    leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt van het
                    leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening
                    gebracht. Het blijft mogelijk om voor elk van de genoemde onderwijssoorten een
                    verschillende kilometergrens te hanteren. Bovendien staat het de gemeente vrij
                    het drempelbedrag wel voor de ene maar niet voor de andere schoolsoorten in te
                    voeren. Met name wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en
                    het inkomen van de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig
                    grote financiële belasting ontstaan. In de Verordening 2007 is er voor gekozen
                    om dergelijke uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde
                    drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel in
                    rekening te brengen.</al><al>De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in de verordening te bepalen dat
                    het drempelbedrag een beperkt aantal keer, bijvoorbeeld maximaal twee keer, per
                    gezin geheven wordt. Bovendien is het mogelijk om de inkomensgrens in de
                    verordening hoger te leggen dan de in de wet genoemde ondergrens van €
                    21.600,--.</al><al>De gemeente Aalburg heeft een onderscheid gemaakt in het drempelbedrag voor
                    basisonderwijs en speciaal basisonderwijs.Wanneer binnen een gezin meer dan 1
                    kind het speciaal basisonderwijs bezoekt, is maximaal eenmaal het drempelbedrag
                    conform het bepaalde in artikel 23 lid 1 en lid 2 verschuldigd..Indien uit het
                    zelfde gezin ook nog één of meer andere kinderen het basisonderwijs bezoeken, is
                    daarnaast ook het drempelbedrag conform artikel 23 lid1 en lid 2 per leerling
                    verschuldigd.</al><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule bij de bepaling van het drempelbedrag is
                    in voorkomende gevallen mogelijk.Ten aanzien van het heffen van een
                    drempelbedrag voor leerlingen die in aanmerking komen voor een fietsvergoeding
                    het volgende. De fietsvergoeding van € 0,05 per kilometer is in een aantal
                    gevallen lager dan het door de ouders verschuldigde drempelbedrag. Om te
                    voorkomen dat leerlingen die zouden kunnen fietsen daarvan om deze reden afzien,
                    is het raadzaam in dergelijke gevallen op grond van de hardheidsclausule geen of
                    slechts een deel van het drempelbedrag in rekening te brengen. Ook kan worden
                    overwogen de fietsvergoeding te verhogen. In dat geval geldt de hogere
                    fietsvergoeding uiteraard niet alleen voor leerlingen waarvoor een drempelbedrag
                    verschuldigd is, maar voor alle leerlingen die aanspraak maken op een
                    fietsvergoeding. Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd
                    verzamelinkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het
                    peiljaar. Als peiljaar moet op grond van de wet worden aangemerkt het tweede
                    kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de
                    vervoerkosten wordt gevraagd. Ouders kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de
                    Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld. In de
                    meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerde
                    verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het gecorrigeerde verzamelinkomen van
                    het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging
                    wordt gevraagd nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het
                    desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een
                    later stadium, als het gecorrigeerde verzamelinkomen in het peiljaar bekend is,
                    kan een definitieve berekening worden gemaakt. Wanneer ouders weigeren de
                    gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel
                    4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
                    ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken. Vervolgens kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling
                    te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
                    Ingeval ouders geen aangifte bij de belastinginspecteur hebben gedaan, geschiedt
                    bij toepassing van de bijdragen van artikel 23 en 24 van de Verordening 2007
                    leerlingenvervoer de berekening van het ouderlijk inkomen aan de hand van het
                    gecorrigeerde belastbaar loon. Dit cijfer is door de ouders op te vragen bij de
                    Belastingdienst via een IB 60-formulier (inkomensverklaring). De hoogte van het
                    gecorrigeerde verzamelinkomen is voor het peiljaar 2004 (dus ten behoeve van het
                    schooljaar 2006-2007) vastgesteld op € 21.600,-- wat betreft het innen van een
                    drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                    indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten
                    opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en afgerond op een veelvoud van
                    € 450,-. Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt
                    tussen het peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de
                    aanvraag wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk
                    om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te
                    maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de Verordening 2007.Door
                    het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere
                    peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te
                    betalen. Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken,
                    kan de regeling, zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet
                    studiefinanciering 2000, als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in
                    de Verordening 2007 opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 29 van de
                    Verordening 2007 om een beleidsbevoegdheid van het college. Voorgaand artikel
                    vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het betreffende
                    artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan
                    zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te
                    kiezen. Het wordt redelijk geacht dat als de verzorgers pleegouders zijn zij ook
                    de financiële verplichtingen op zich nemen die uit de eventuele honorering van
                    een aanvraag tot bekostiging van vervoerkosten naar school voortvloeien. In
                    tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een
                    justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de
                    natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend. In de
                    bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het algemeen
                    geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de gemeente in
                    mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor het
                    leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de
                    Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot
                    bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de gemeente ook het
                    drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven
                    de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar
                    financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel kunnen zij deze
                    kosten wel verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de leerling. Ten
                    aanzien van de invordering van het drempelbedrag is het navolgende van belang:
                    In artikel 2, tweede lid, van de Verordening 2007 is onder meer bepaald:
                    'Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                    bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.' Indien het college zelf
                    het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in
                    aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Doen zij dit
                    niet of niet geheel dan vervalt de aanspraak. Indien het college dit wenst kan
                    het weigerachtige ouders in gebreke stellen en de (kanton)rechter verzoeken uit
                    te spreken dat de ouders het drempelbedrag dienen te betalen. Vervolgens kan met
                    inschakeling van een deurwaarder de bijdrage worden geïnd. Aangezien deze
                    procedure nogal omslachtig en duur is kan het, als er sprake is van aangepast
                    vervoer, raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders blijven echter op grond
                    van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kind. De
                    praktijk leert dat een dergelijke maatregel zeer effectief is. Artikel 24
                    Financiële draagkracht De Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer biedt
                    gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier kinderen een school voor
                    basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten minste twintig kilometer van de
                    woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke bijdrage te vragen in
                    de kosten van het vervoer. Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin
                    geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening
                    wordt gebracht. In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal
                    inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde
                    draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van
                    de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd
                    vastgesteld op een wijze die aansluit bij de Wet gemeentelijke regelingen
                    leerlingenvervoer. In Wet op het primair onderwijs is opgenomen dat geen
                    draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening kan worden gebracht indien de
                    afstand tot de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs meer dan 20
                    kilometer bedraagt. In combinatie met de invulling die op grond van de wet in
                    artikel 3 van de Verordening 2007 is gegeven aan de toegankelijkheid betekent
                    dit dat het niet mogelijk is een draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening te
                    brengen bij de speciale scholen voor basisonderwijs. De speciale school voor
                    basisonderwijs is daarom niet opgenomen in het eerste en het tweede lid van
                    artikel 24 van de Verordening 2007. De draagkrachtafhankelijke bijdrage in de
                    systematiek van de verordening wordt steeds geheven naast het drempelbedrag (en
                    voorheen de verplichte eigen bijdrage). Bij de vaststelling van de hoogte van de
                    verschuldigde draagkrachtafhankelijke bijdrage is hiermee rekening gehouden.
                    Omdat het drempelbedrag bij een kilometergrens van 6 kilometer hoger is dan de
                    verplichte eigen bijdrage zijn de bedragen in verband met de wetswijziging naar
                    beneden bijgesteld. Door bij de hoogte van de draagkrachtafhankelijke bijdrage
                    rekening te houden met gelijktijdige inning van het drempelbedrag, wordt recht
                    gedaan aan de bedoeling van de wetgever en aan eerdere jurisprudentie, omdat
                    zodoende feitelijke cumulatie van ouderlijke bijdragen wordt vermeden (zie ook
                    de toelichting bij artikel 11 van de Verordening 2007). Bij toepassing van de
                    bijdrage naar financiële draagkracht kan op eenzelfde wijze als beschreven in de
                    toelichting op artikel 23 (het drempelbedrag) op grond van artikel 29 van de
                    Verordening 2007 ten gunste van de ouders van de peildatum worden afgeweken,
                    zodat die ouders in voorkomende gevallen geen bijdrage naar financiële
                    draagkracht hoeven te betalen. Dit artikel geldt niet voor leerlingen die onder
                    titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet
                    onderwijs). Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer
                    met begeleiding In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in
                    het regulier primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van
                    het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor
                    leerlingenvervoer. Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die verbonden is
                    aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs, advies vragen over
                    passend vervoer voor deze leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een
                    leerling geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van
                    de schooldirecteur of andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD arts). Ook
                    voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder titel 6
                    vallen geldt, dat ze - overeenkomstig artikel 9 - recht hebben op vervoer naar
                    de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband. Dit is
                    geregeld in lid 1 van artikel 25. Bij afwijzing of gedeeltelijke toekenning van
                    een aanvraag leerlingenvervoer voor een leerling van een speciale school voor
                    basisonderwijs dient het college het advies van de permanente commissie
                    leerlingenzorg of andere deskundigen te betrekken.</al><al>Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een structurele
                    handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen tijdelijke handicap.
                    Dit betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te verzorgen om tijdelijke
                    medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft. Ouders
                    hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In sommige gevallen vergoedt de
                    ziektekostenverzekeraar een gedeelte. Echter, het kan voorkomen dat een leerling
                    een zware operatie moet ondergaan of een meervoudige ledematenbreuk heeft
                    opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een groot gedeelte van het schooljaar
                    afhankelijk is van rolstoel en/of krukken vanwege herstel of revalidatie. In dat
                    geval kan een leerling eventueel wel een beroep doen op het leerlingenvervoer op
                    basis van titel 6. De gemeente geeft dan een beschikking af voor de duur van het
                    herstel en/of de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft
                    de leerling geen recht meer op vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van
                    drie maanden aan, voordat er eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op
                    basis van de Wet Rea. Dit zou een richtlijn kunnen zijn voor de gemeente: -
                    tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                    leerlingenvervoer - tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de
                    gemeente bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis
                    van titel 6. Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer -
                    De gehandicapte leerling die slechts onder begeleiding gebruik kan maken van het
                    openbaar vervoer komt, als dit openbaar vervoer ontbreekt, in aanmerking voor
                    bekostiging van aangepast vervoer.- De gehandicapte leerling die alleen,
                    zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer en het openbaar vervoer
                    ontbreekt, kan geen aanspraak maken op aangepast vervoer. Zie verder de
                    toelichting op artikel 25. Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van
                    eigen vervoer Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een
                    uitgebreide toelichting te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt
                    de bekostiging gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis
                    van de Verordening 2007 voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6
                    betekent dit ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding
                    (artikel 25) ofwel aangepast vervoer (artikel 26). Artikel 28 Beslissing college
                    in gevallen waarin de regeling niet voorziet Dit artikel bepaalt dat het college
                    beslist in gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                    de verordening niet voorziet. In de Verordening 2007 zijn de hoofdlijnen van de
                    bekostigingen van het leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een
                    aantal concrete gevallen voordoen, waarin de Verordening 2007 niet voorziet. Te
                    denken valt onder andere aan: - varianten van het combinatievervoer
                    (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar vervoer); - begeleiding tijdens
                    groepsvervoer; - gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten; - varianten
                    in het gebruik van eigen vervoer. Voor dergelijke en andere situaties waarin de
                    Verordening 2007 niet voorziet, is in artikel 28 van de Verordening 2007 bepaald
                    dat het college beslist. Hierbij dient in redelijkheid gehandeld te worden.
                    Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en
                    de Verordening 2007 gehandeld wordt. Artikel 29 Afwijken van bepalingen Dit
                    artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, ten gunste van de ouders
                    kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Met deze bepaling wordt
                    aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid, van
                    de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC. Dit houdt in dat het college
                    slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening. Van een
                    dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn
                    indien: - een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in
                    aanmerking komt, toch gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                    handicap - begeleid moet worden; - leerlingen die naar het oordeel van het
                    college gebruik moeten maken van aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de
                    criteria, daarvoor niet in aanmerking komen; - sprake is van groepsvervoer,
                    georganiseerd door de ouders en het college een daarop geënte bekostiging wil
                    betalen; - sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijs-inhoudelijke
                    danwel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbijgelegen toegankelijke
                    school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan ligt bij de ouders -
                    kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer naar een verder gelegen
                    toegankelijke school.</al><al>Naar aanleiding van de jurisprudentie zijn nadere richtlijnen te destilleren
                    inzake de toepassing van de hardheidsclausule te weten: a. Hardheidsclausules
                    hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van
                    personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden
                    voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking
                    gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals
                    bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren. b. Via toepassing van
                    de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden
                    afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag van artikel 23. Voorts
                    dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste -
                    precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met
                    op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking
                    hebbende argumenten. Tevens wordt in artikel 29 van de Verordening 2007 bepaald
                    dat het college zo nodig het advies van de commissie van onderzoek, het advies
                    van de RVC of andere deskundigen vraagt. Dit is uiteraard slechts verplicht voor
                    zover de aanvragen betrekking hebben op het vervoer naar scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs.Artikel 30 Intrekking oude regeling In artikel
                    30 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat
                    is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop
                    de nieuwe verordening in werking treedt.Artikel 31 Overgangsregeling Dit artikel
                    is vervallen.Artikel 32 Inwerkingtreding De Verordening 2007 treedt in werking
                    op de achtste dag na de dag waarop is meegedeeld in Het Kontakt dat De
                    Verordening leerlingenvervoer gemeente Aalburg 2007 is vastgesteld.
                    Tegelijkertijd zal deze mededeling evenals de verordening op www.aalburg.nl
                    worden geplaatst.Artikel 33 CiteertitelDe naam van deze verordening is
                    Verordening Leerlingenvervoer</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>