<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR77471_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financieel beleid, beheer en financiële inrichting</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening uitgangspunten financieel beleid, beheer en inrichting</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-10-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-11-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Financieel beleid, beheer en financiële inrichting</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door de gemeenteraad op 30 oktober 2003</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dienst/afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de
                                        gemeentelijke organisatie die als zodanig een eigen
                                        rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college
                                        heeft.</al></li><li nr="b."><al>administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen,
                                        verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het
                                        besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen
                                        van) de organisatie van de gemeente Aalburg en ten behoeve
                                        van de verantwoording die daarover moet worden
                                        afgelegd.</al></li><li nr="c."><al>financiële administratie: het onderdeel van de administratie
                                        dat omvat het systematisch maken en verwerken van
                                        aantekeningen betreffende de financiële gegevens van
                                        (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Aalburg,
                                        teneinde te komen tot een goed inzicht in:a. de
                                        financieel-economische positie;b. het financiële beheer;c.
                                        de uitvoering van de begroting;d. het afwikkelen van
                                        vorderingen en schulden;e. alsmede tot het afleggen van
                                        rekening en verantwoording daarover.</al></li><li nr="d."><al>administratieve organisatie: het stelsel van
                                        organisatorische maatregelen gericht op het tot stand
                                        brengen en het in stand houden van de goede werking van de
                                        bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve
                                        van de verantwoordelijke leiding.</al></li><li nr="e."><al>financieel beheer : het uitoefenen van bestuur over en
                                        toezicht op het beheer van middelen en het uitoefenen van
                                        rechten van de gemeente Aalburg.rechtmatigheid: het in
                                        overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving,
                                        waaronder gemeentelijke verordeningen, raadsbesluiten en
                                        collegebesluiten.</al></li><li nr="f."><al>doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met
                                        een zo beperkt mogelijke inzet van middelen.</al></li><li nr="g."><al>doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke
                                        effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden
                                        behaald.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Kaderstellen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Programmabegroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt in ieder geval bij de aanvang van de nieuwe
                                    raadsperiode een programma-indeling vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt per programma vast:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoogde maatschappelijke effecten;</al></li><li nr="b."><al>de te leveren goederen en diensten;</al></li><li nr="c."><al>de baten en lasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt voorts per programma indicatoren voor met
                                    betrekking tot de beoogde maatschappelijke effecten en de te
                                    leveren goederen en diensten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt de indicatoren, bedoeld in het derde lid,
                                    vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van
                                    gegevens over de geleverde goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid en
                                    doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad,
                                    kunnen worden getoetst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Producten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij iedere begroting en jaarstukken wordt een overzicht gegeven
                                    van de toedeling van de producten uit de productraming aan de
                                    programma’s.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderverdeling van de programma’s in de producten staat voor
                                    de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot
                                    wijzigen. Wijzigingen worden bij de begroting expliciet
                                    vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt uiterlijk 01 juni van het begrotingsjaar een
                                    nota aan over de kaders voor het volgende begrotingsjaar en de
                                    drie opvolgende jaren. In deze nota worden de bevindingen
                                    betrokken uit de rapportage van de begrotingsuitvoering bedoeld
                                    in artikel 7 en de jaarstukken bedoeld in artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt deze nota uiterlijk 30 juni vast.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitvoering begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de
                                    begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt ten aanzien van de productenraming er zorg
                                    voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de lasten en baten, door middel van kostentoerekening,
                                            eenduidig zijn toegewezen aan de producten van de
                                            productraming;</al></li><li nr="b."><al>de budgetten uit de productraming en kredieten voor
                                            investeringen passen binnen de kaders zoals
                                            geautoriseerd bij de vaststelling van de uiteenzetting
                                            van de financiële positie.;</al></li><li nr="c."><al>de lasten van de producten niet dusdanig worden
                                            overschreden dat de realisatie van andere producten
                                            binnen hetzelfde programma onder druk komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de lasten van de programma’s
                                    zoals geautoriseerd in de (gewijzigde) begroting niet worden
                                    overschreden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Beheersing en Interne controle</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de
                                    rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor de jaarlijkse
                                    interne toetsing van de getrouwheid van de
                                    informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de
                                    beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college
                                    maatregelen tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt een nota aan inzake de bestrijding van
                                    misbruik en oneigenlijk gebruik van de gemeentelijke
                                    regelingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van misbruik of oneigenlijk gebruik stelt het college
                                    de raad daarvan onverwijld in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van
                                    een aantal bedrijfsonderdelen op juistheid, volledigheid en
                                    tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening, de
                                    rechtmatigheid van beheershandelingen en op misbruik en
                                    oneigenlijk gebruik van de gemeentelijke regelingen. Ieder
                                    bedrijfsonderdeel van de gemeente wordt minimaal eens in de 8
                                    jaar getoetst.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college zorgt, indien nodig, op basis van de resultaten van
                                    de toets bedoeld in het derde lid voor een plan van verbetering.
                                    Het college neemt op basis van dit plan maatregelen om de
                                    tekortkomingen te herstellen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De resultaten van de toets en het plan van verbetering worden
                                    ter kennisgeving aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Rapportage en Verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Tussentijdse rapportage en informatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse
                                    rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente
                                    over de periode tot en met april en de periode tot september van
                                    het lopende boekjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tussenrapportages worden ter behandeling aangeboden op de
                                    volgende tijdstippen:- de eerste tussenrapportage voor de
                                    raadsvergadering van juni van het begrotingsjaar;- de tweede
                                    tussenrapportage voor de raadsvergadering oktober van het
                                    begrotingsjaar;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de
                                    programma-indeling van de begroting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De rapportages gaan in op afwijkingen, zowel wat betreft de
                                    lasten, de geleverde goederen en diensten en indien daar
                                    aanleiding voor is de maatschappelijke effecten. In de
                                    rapportages wordt in ieder geval aandacht besteed aan
                                    afwijkingen van:</al><lijst><li nr="a."><al>inkomsten uit de algemene uitkering;</al></li><li nr="b."><al>de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt
                                    pas een besluit, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen
                                    voorzover het betreft niet bij begroting vastgestelde
                                    afzonderlijke verplichtingen inzake het verstrekken van
                                    leningen, waarborgen en garanties die risicovol zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college informeert vooraf de raad en neemt pas een besluit
                                    nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
                                    bedenkingen ter kennis van het college te brengen indien het
                                    college nieuwe meerjarige verplichtingen aangaat waarvoor in de
                                    begroting geen budget is opgenomen en waarbij er sprake is van
                                    een jaarlijkse last groter dan € 10.000.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor een adequate vertaling van de
                                    verantwoording van de diensten naar de productenrealisatie en
                                    naar de programma verantwoording.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de
                                    programma’s. In de verantwoording geeft het college aan:</al><lijst><li nr="a."><al>wat is bereikt;</al></li><li nr="b."><al>welke goederen en diensten zijn geleverd;</al></li><li nr="c."><al>wat de kosten zijn;</al></li><li nr="d."><al>hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting
                                            gestelde doelen.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>2</nr><titel>Financiële positie</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Kaderstellen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Financiële positie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat al het beleid waartoe de
                                    raad heeft besloten, in de uiteenzetting van de financiële
                                    positie en de meerjarenramingen is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen worden
                                    bij de uiteenzetting van de financiële positie expliciet
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de
                                    investeringskredieten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Waardering </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college biedt eens in de vier jaar de beleidsnota "Activa-
                                    en Afschrijvingsbeleid" aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Voorziening voor oninbare vordering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(artikel 11 modelverordening is niet opgenomen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt eens in de vier jaar gelijktijdig met de in
                                    artikel 4 genoemde nota de (bijgestelde) nota reserves en
                                    voorzieningen aan</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nota behandelt:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de toerekening en verwerking van rente over de reserves
                                            en de voorzieningen;</al></li><li nr="d."><al>in relatie tot de nota weerstandsvermogen bedoeld in
                                            artikel 15.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(de leden 1 en 2 uit artikel 13 van de modelverordening zijn
                                    verwerkt als lid 4 respectievelijk lid 5, van artikel 15. Lid 3
                                    van artikel 13 modelverordening is verwerkt als artikel 18 lid
                                    2.)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De regels met betrekking tot de uitvoering van de
                                    treasuryfunctie zijn vastgelegd in het "Treasurystatuut".</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>3</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt eenmaal in de 4 jaar ter vaststelling door de raad
                                de nota "Lokale heffingen" aan. Deze nota behandelt in ieder
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke
                                        belastingen en heffingen;</al></li><li nr="b."><al>de verdeling van de druk van de belastingen over de diverse
                                        bevolkingsgroepen en belanghebbenden;</al></li><li nr="c."><al>de kostendekkendheid van de heffingen;</al></li><li nr="d."><al>de druk van de lokale belastingen en heffingen;</al></li><li nr="e."><al>het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de
                                bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen
                                zijn vastgelegd. Het college draagt er zorg voor dat er een actueel
                                overzicht is van de tarieven, heffingen, prijzen en kosten per
                                verstrekte dienst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het vaststellen van de hoogte van gemeentelijke tarieven,
                                heffingen en prijzen door de raad verstrekt het college via de
                                begroting aan de raad per verordening de actueel geraamde
                                hoeveelheden per door de gemeente verstrekte dienst, waarover de
                                tarieven, heffingen en prijzen in rekening worden gebracht en per
                                verordening het totaal van de geraamde kosten van de erin genoemde
                                door de gemeente verstrekte diensten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en diensten
                                van de gemeente Aalburg wordt een systeem van kostentoerekening
                                gehanteerd.Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten
                                alleen die indirecte kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen
                                met de door de gemeente verleende diensten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan de
                                reserves voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa,
                                de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor de
                                rioolrechten, reinigingsrechten en afvalstoffenheffing de
                                compensabele BTW.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                lokale heffingen verslag van:- de opbrengsten per lokale heffing;-
                                het volume en bedrag aan kwijtscheldingen;- de kostendekkendheid van
                                de rioolrechten en de afvalstoffenheffing;- de (ontwikkeling van de)
                                lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudingen,
                                meerpersoonshuishoudingen en bedrijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Weerstandsvermogen en risicomanagement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt eenmaal in de vier jaar een nota
                                "Weerstandsvermogen" aan waarin het college aangeeft de risico’s van
                                materieel belang en een inschatting van de kans dat deze risico’s
                                zich voordoen. Het college brengt hierbij in elk geval de risico’s
                                in beeld en actualiseert de risico’s genoemd in de paragraaf bedoeld
                                in het eerste lid. Hierbij wordt speciale aandacht gegeven aan:</al><lijst><li nr="a."><al>renteontwikkeling op de kapitaalmarkt;</al></li><li nr="b."><al>claims door derden;</al></li><li nr="c."><al>kosten van vermoedelijke bodemverontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>faillissement en verbonden of geborgde partijen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft in deze nota ook aan de weerstandscapaciteit en in
                                hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico’s van
                                materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden
                                opgevangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota onderhoud
                                openbare ruimte aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting
                                van het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor het openbaar
                                groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast binnen 3 maanden nadat de nota is
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een nota
                                rioleringsplan aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting
                                van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de uitbreiding
                                van de riolering alsmede de kwaliteit van het milieu en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast binnen 3 maanden nadat de nota is
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt eens in de vier jaar bij de begrotingsraad een
                                nota onderhoud gebouwen aan ter behandeling en vaststelling door de
                                raad. De nota bevat de voorstellen voor het te plegen onderhoud en
                                de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota bij de behandeling van de voorjaarsnota vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen verslag over de voortgang van het
                                geplande onderhoud en het eventuele achterstallig onderhoud aan
                                openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair,
                                riolering, gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                "Financiering" in ieder geval verslag van:</al><lijst><li nr="a."><al>de kasgeldlimiet;</al></li><li nr="b."><al>de renterisiconorm;</al></li><li nr="c."><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de
                                        komende drie jaar;</al></li><li nr="d."><al>de rentevisie, rentekosten en rente-opbrengsten verbonden
                                        aan de financieringsfunctie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De omslagrente voor de berekening van de kapitaallasten wordt
                                bepaald door het rentetotaal van de uitstaande leningen en de bij
                                begroting vastgestelde gecalculeerde rente over het eigen vermogen
                                en voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                bedrijfsvoering vast. De nota wordt ter kennisgeving aan de raad
                                gezonden. In de nota wordt speciale aandacht geschonken aan de
                                relatie tussen het gemeentelijk apparaat en de inwoners van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de bedrijfsvoeringparagraaf in de begroting wordt ingegaan op de
                                tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven. In het
                                jaarverslag wordt gerapporteerd over de bij de begroting bepaalde
                                onderwerpen aangaande de bedrijfsvoering alsmede over nieuwe
                                ontwikkelingen. Daarbij wordt speciale aandacht gegeven aan:</al><lijst><li nr="a."><al>aantal personeelsleden in dienst onderverdeeld naar leeftijd
                                        en beloningsschaal;</al></li><li nr="b."><al>de instroom, uitstroom en het percentage ziekteverzuim van
                                        personeel;</al></li><li nr="c."><al>de directe loonkosten;</al></li><li nr="d."><al>de personeelskosten</al></li><li nr="e."><al>de kosten inleenkrachten;</al></li><li nr="f."><al>de kosten van ingehuurde externen;</al></li><li nr="g."><al>de huisvestingskosten;</al></li><li nr="h."><al>de automatiseringskosten;</al></li><li nr="i."><al>vernieuwing, uitbreiding, herstructurering, reorganisatie en
                                        inkrimping van de ambtelijke organisatie, de gemeentelijke
                                        huisvesting, het gemeentelijk materieel en de gemeentelijke
                                        automatiseringssystemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringparagraaf van de
                                begroting en jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar
                                de doelmatigheid en doeltreffendheid, bedoeld in artikel 213a
                                Gemeentewet, en de uitputting van de bijbehorende budgetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                verbonden partijen aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van elk van de verbonden partijen wordt weergegeven het openbaar
                                belang, het eigen vermogen, de solvabiliteit, het financieel
                                resultaat en het financieel belang en de zeggenschap van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De paragraaf bevat voorts de kaders voor het beleid aangaande (het
                                aangaan van nieuwe) participaties met name de condities waaronder
                                het publiek belang is gediend met behartiging door verbonden
                                partijen, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de
                                verbonden partijen en de financiële voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een (bijgestelde)
                                nota grondbeleid aan ter behandeling en vaststelling door de
                                raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Verstrekking subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(artikel 23 van de modelverordening is niet opgenomen)</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>4</nr><titel>Financiële organisatie en administratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in
                                        de gemeente als geheel en in de diensten;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de
                                        omvang van activa met economisch nut, activa met
                                        maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen en schulden,
                                        enzovoorts.;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor
                                        het maken van kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                        doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                        gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende
                                        wet- en regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                        doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde
                                        bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                        begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en
                                        van de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle
                                        op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                        doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                        gestelde beleidsdoelen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Financiële administratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de inrichting en de werking van de financiële administratie
                                        voldoet aan het Besluit begroting en verantwoording
                                        provincies en gemeenten en andere relevante wet- en
                                        regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk, de
                                        provincie en de Europese Unie, alsmede aan andere
                                        instellingen die specifieke verantwoordingsverplichtingen
                                        opleggen aan gemeenten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en
                                        een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                        diensten op de schaal van de gemeente een adequate scheiding
                                        van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden,
                                        zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de
                                        betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en
                                        beheersorganen is gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                        verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                        investeringskredieten;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Aanbesteding en inkoop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De gemeente Aalburg kent een nota “Aanbestedingsbeleid”. Het college
                                draagt middels deze nota zorg voor en legt vast de interne regels
                                voor de inkoop en aanbesteding van werken en diensten. De regels
                                waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de regels
                                terzake van de Europese Unie. Het opgestelde Handboek
                                administratieve organisatie dient hierbij als uitgangspunt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Subsidieverstrekking en steunverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(artikel 28 van de modelverordening is niet opgenomen)</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking per 15 november 2003, met dien
                                verstande dat de begroting, meerjarenraming, de jaarstukken, de
                                uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij
                                behorende toelichtingen met ingang van de begroting voor het
                                begrotingsjaar 2004 voldoen aan de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “reglement
                                uitgangspunten financieel beleid”.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad donderdag 30 oktober
                        2003</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Artikelgewijze toelichting</titel></kop><al><vet>Artikel 2. Programmabegroting</vet></al><al>Artikel 2 bevat een aantal bepalingen over de inrichting van de begroting waarin
                    de kaderstellende functie van de raad tot uiting komt. De raad legt op basis van
                    dit artikel een belangrijk deel van de infrastructuur van de begroting vast,
                    evenals de kengetallen waarop de raad wil sturen en controleren. In het Besluit
                    comptabiliteitsvoorschriften 1995 was de indeling van de begroting in functies
                    verplicht voorgeschreven. In het Besluit begroting en verantwoording provincies
                    en gemeenten is dat niet meer zo. De gemeente bepaalt nu zelf het aantal en de
                    inhoud van de programma's van de begroting en kan daardoor de begrotingsopzet
                    aanpassen aan de eigen politiekbestuurlijke wensen. Zo kan een gemeente
                    programma's indelen naar doelgroepen of indelen volgens de pijlers van het grote
                    stedenbeleid. Omdat er een politiek-bestuurlijke keuze ten grondslag ligt aan de
                    indeling van de programma’s, stelt de raad de indeling vast. Meestal zal die
                    vaststelling voor enkele jaren gelden, bijvoorbeeld voor een gehele
                    raadsperiode. Indien daartoe aanleiding is, kan de raad de indeling wijzigen.
                    Een programma is gebaseerd op de drie w-vragen: wat willen we bereiken, wat gaan
                    we daar voor doen en wat mag dat kosten? Vooral voor de eerste twee vragen
                    zullen in de praktijk indicatoren nodig zijn. Aan de hand van die indicatoren
                    kan de raad zijn kaderstellende functie vervullen. Ook dienen zij om de raad de
                    gelegenheid te bieden zijn controlerende functie in te vullen door de uitkomsten
                    en resultaten van de programma's te beoordelen. In het dualistisch bestel moet
                    de raad de w-vragen zelf beantwoorden; hij kan dat niet overlaten aan het
                    college en/of de ambtelijke organisatie. Wel zal het college de indicatoren
                    dienen te formuleren, hetgeen evenwel eerst goed mogelijk is nadat de beoogde
                    maatschappelijke effecten helder zijn geformuleerd.</al><al><vet>Artikel 3. Producten</vet></al><al>De raad stelt de programmabegroting vast. Ter uitvoering van de begroting stelt
                    het college - zoals geregeld in het Besluit begroting en verantwoording - een
                    productraming op. Het college is vrij in het aantal producten en de indeling
                    daarvan. De productraming is in de systematiek van het besluit geen onderdeel
                    van de begroting. De raad kan van oordeel zijn dat hij bij de programmabegroting
                    en verantwoording een overzicht wil hebben van welke producten er bij de
                    programma’s horen. Dit wordt geregeld in het eerste lid.Artikel . Kaders
                    begrotingDe artikelen 2 en 3 betreffen vooral de infrastructuur van de
                    begroting. Artikel gaat overhet meerjarige budgettaire kader. Dat vormt, zoals
                    in de meeste gemeenten gebruikelijkis, de grondslag voor de eigenlijke
                    begroting. Gegeven het grote belang van hetbudgetrecht van de raad, is het
                    logisch dat de raad expliciet een budgettair kader vaststelt.</al><al><vet>Artikel 5. Uitvoering begroting</vet></al><al>In artikel 5 legt de raad het college een aantal eisen op die voor een goede
                    uitvoering van de begroting noodzakelijk zijn. In het eerste lid wordt bepaald
                    dat het college de rechtmatigheid, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van
                    de uitvoering dient te waarborgen. Lid 2 stelt eisen voor de onderwerpen die van
                    belang zijn voor de opstelling van de productraming. Lid 3 doet hetzelfde voor
                    de uitvoering van de programma’s van de begroting. In het duale stelsel geeft de
                    raad geen nadere uitvoeringsregels om aan de prestatie-eis te voldoen. Deze
                    uitvoeringsregels zijn aan het college.</al><al><vet>Artikel 6. Interne controle</vet></al><al>De raad legt in dit artikel enkele basiscondities vast voor de interne controle.
                    Daarmee verkrijgt de raad de zekerheid dat het college aan de eisen genoemd in
                    met name artikel 5, eerste lid, zal kunnen voldoen. De verordening geeft in het
                    eerste en tweede lid aan het college de opdracht voor de inrichting van de
                    financiële organisatie verschillende maatregelen te treffen op het gebied van
                    interne controle, bijvoorbeeld een adequate functiescheiding. Voor een goede
                    interne controle zijn echter aanvullende onderzoeken nodig. In het derde lid van
                    artikel 6 geeft de raad aan, welke onderzoeken hij nodig acht om de eisen van
                    controle te waarborgen en met welke frequentie deze onderzoeken moeten worden
                    uitgevoerd. Het vierde en vijfde lid regelt dat het college op grond van de
                    uitkomsten van de onderzoeken bij tekortkomingen maatregelen tot herstel treft
                    en dat de raad over de uitkomsten van de onderzoeken en de eventuele maatregelen
                    tot herstel op de hoogte wordt gebracht. De genoemde onderzoeken in dit artikel
                    omvatten niet de interne onderzoeken van het college naar de doelmatigheid en de
                    doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. Regels voor deze interne onderzoeken
                    zijn opgenomen in de verordening artikel 213a Gemeentewet.</al><al><vet>Artikel 7. Tussentijdse rapportage en informatie</vet></al><al>Artikel 7, eerste tot en met vierde lid, formaliseert een belangrijk onderdeel
                    van de planning en control van de raad. De raad geeft namelijk aan de aard van
                    de informatie die het college standaard dient te verstrekken evenals de
                    reguliere frequentie. Op basis van deze informatie kan de raad de uitvoering van
                    de begroting volgen en besluiten of bijsturing nodig is. Artikel 7 regelt
                    wanneer de raad tussentijds over de stand van zaken in het lopende
                    begrotingsjaar moet worden geïnformeerd. In dit artikel is gekozen voor twee
                    tussenrapportages. Door het vastleggen van de datum in het artikel kan de raad
                    een maximale termijn vastleggen, waarbinnen de tussenrapportages moeten worden
                    samengesteld en opgeleverd. In het derde lid van het artikel geeft de raad
                    kaders voor de inrichting van de tussenrapportages. In het vierde lid geeft de
                    raad aan waarover hij in elk geval in de tussenrapportages wil worden
                    geïnformeerd. Om de gemeentelijke organisatie niet op te zadelen met een
                    rapportagecircus is het natuurlijk wel zaak, dat de tussenrapportages niet te
                    uitgebreid en overzichtelijk zijn. De stand van zaken van - en prognose voor het
                    lopende begrotingsjaar kan overigens naast de jaarstukken van het afgelopen jaar
                    mede een belangrijke basis zijn voor het inzicht voor en het opstellen van de
                    komende begroting. Het vijfde en zesde lid gaan in op de informatieplicht van
                    het college voor nieuwe, niet in de begroting opgenomen activiteiten. De raad
                    autoriseert het college met het vaststellen van de begroting op hoofdlijnen het
                    door het college uit te voeren beleid. Hiermee worden alle afzonderlijke
                    verplichtingen die in de programma’s besloten liggen in materiële zin oftewel
                    financieel geaccordeerd. Bij de uitvoering van de begroting geldt voor het
                    college de informatieplicht uit het vierde lid artikel 169 Gemeentewet. Bij het
                    aangaan van verplichtingen of het uitoefenen van bevoegdheden door het college
                    met ingrijpende gevolgen voor de gemeente moet het college eerst het gevoelen
                    van de raad inwinnen. De raad schrijft nu in dit artikel voor welke
                    privaatrechtelijke rechtshandelingen in elk geval vooraf aan de raad moeten
                    worden gemeld. De raad perkt hiermee de beoordelingsvrijheid in van het college
                    door zelf te bepalen wat belangrijk genoeg is om vooraf aan de raad mee te
                    delen. De raad schept op deze wijze echter ook zekerheid voor het college. Het
                    college weet welke informatie hij in elk geval vooraf aan de raad moet
                    mededelen. Het haalt mogelijke misverstanden en politieke spanningen uit de
                    lucht. Verschillende privaatrechtelijke rechtshandelingen zijn in de verordening
                    benoemd. Tevens is een limietbedrag ingevuld. Bij de rechtshandelingen boven
                    deze limieten wordt het college verplicht vooraf het gevoelen van de raad in te
                    winnen. Beneden deze bedragen blijft overigens de informatieplicht voor het
                    college gelden, zoals neergelegd in artikel 169, vierde lid, Gemeentewet, dat
                    wil zeggen dat het college gehouden is de raad te informeren over het gebruik
                    van collegebevoegdheden indien er om welke reden dan ook ingrijpende gevolgen
                    zijn te verwachten. Het limietbedrag in de verordening is zodanig hoog
                    vastgesteld, dat het college niet bij elke kleine zaak eerst de raad moet
                    raadplegen. Hierdoor zou kostbare tijd van de raad en het college verloren gaan
                    en de handelingsvrijheid van het college worden gefrustreerd. Iets wat de
                    dualiseringsoperatie juist probeert te voorkomen. De raad en het college zullen
                    steeds moeten afwegen de kosten die aan de informatievoorziening zijn verbonden
                    versus het nut, alsmede de toegevoegde waarde ervan. Al snel namelijk wordt een
                    overvloed aan informatie gevraagd.</al><al><vet>Artikel 8. Jaarrekening</vet></al><al>Artikel 8 is het sluitstuk van de begrotingscyclus, de verantwoording over de
                    begrotingsuitvoering door het college, cq. de controle van de raad daarop. Basis
                    daarvoor is de productrealisatie. In het eerste lid wordt daarvoor een
                    kwaliteitseis gesteld. Het tweede lid is de tegenpool van artikel 2, lid 2.</al><al><vet>Artikel 9. De financiële positie</vet></al><al>De raad geeft in dit artikel enkele belangrijke uitgangspunten aan die het
                    college voor de uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen
                    moet volgen. Tevens wordt hier expliciet vastgelegd hoe de raad bij het
                    vaststellen van de financiële positie, de investeringskredieten autoriseert. De
                    autorisatie van deze kredieten zou anders als gevolg van het door gemeenten
                    gehanteerde lasten en batenstelsel buiten de boot vallen. Investeringen van
                    gemeenten worden voornamelijk geactiveerd en drukken zodoende in het jaar van
                    aanschaf niet op de onder de programma’s verantwoorde lasten.</al><al><vet>Artikel 10. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</vet></al><al>De nota activa en afschrijvingsbeleid bevat de “regels voor waardering en
                    afschrijving activa” en vloeit direct voort uit artikel 212, eerste lid, sub a,
                    Gemeentewet. Aalburg kent ter zake een bestendige werkwijze, met vaste normen en
                    een uitgekristalliseerd beleid, hetgeen in de eerste helft van 200 in de vorm
                    van een nota nader zal worden vastgelegd.</al><al><vet>Artikel 11. Voorziening voor oninbare vorderingen</vet></al><al>Deze bepaling is (vooralsnog) niet opgenomen omdat de toegevoegde waarde van het
                    beschikken over deze informatie in de huidige situatie niet opweegt tegen de
                    belasting van het ambtelijk apparaat, het college en de raad.</al><al><vet>Artikel 12. Reserves en voorzieningen</vet></al><al>Een belangrijk beleidsmatig aspect betreft de omvang van het eigen vermogen van
                    een gemeente. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat uit de algemene
                    reserves en bestemmingsreserves. Hoe groot moet het eigen vermogen zijn om
                    risico’s op te vangen en gaan we een investering financieren door
                    belastingverhoging of door het interen op het eigen vermogen, zijn financieel
                    beleidsmatige vragen die thuishoren bij de raad. Artikel 12 bepaalt, dat het
                    college een nota over de reserves en voorzieningen aanbiedt ter behandeling en
                    vaststelling door de raad. In deze nota kan de raad het kader vaststellen voor
                    de omvang van de reserves . Kaders stellen voor voorzieningen is veelal niet aan
                    de orde, omdat voorzieningen een verplichtend karakter kennen. Wel is het
                    inzichtelijk in de nota in te aan op de voorzieningen.</al><al><vet>Artikel 14. Financieringsfunctie</vet></al><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelenbeheer. Geziende operationele kwetsbaarheid van deze functie zijn de
                    regels met betrekking tot de uitvoeringhiervan vastgelegd in het "
                    Treasurystatuut".</al><al><vet>Artikel 15. Registratie bezittingen en activa</vet></al><al>Voor een goed beeld van de financiële positie is een volledige registratie van
                    degemeentelijke bezittingen onontbeerlijk. Om te garanderen dat de registratie
                    actueel enjuist is, wordt in dit artikel het college opgedragen periodiek de
                    registratie te controleren enbij afwijkingen maatregelen tot herstel te treffen.
                    Overigens is deze bepaling in de contextvan de gemeente Aalburg een relatief
                    “zware” bepaling.</al><al><vet>Artikel 16. Lokale heffingen</vet></al><al>Het nieuwe artikel 212 Gemeentewet eist in het tweede lid, onderdeel b, dat de
                    verordening 212 Gemeentewet minimaal de grondslagen bevat voor de berekening van
                    de door het gemeentebestuur in rekening te brengen tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b Gemeentewet en in rekening te brengen heffingen als
                    bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer. In de verordening is er voor gekozen
                    om als uitgangspunt van het financieel beleid de grondslagen voor de bepaling
                    van heffingen, tarieven en prijzen in het algemeen te verankeren. Zo zijn ook
                    opgenomen regels voor de bepaling van de lokale belastingen.Het eerste lid van
                    artikel 16 regelt, dat het college elk jaar een nota lokale heffingen aan de
                    raad aanbiedt ter behandeling en vaststelling van de lokale lasten. Het Besluit
                    begroting en verantwoording provincies en gemeenten schrijft de minimumeisen
                    voor die moeten worden vermeld, namelijk: a. de geraamde inkomsten;b. het beleid
                    ten aanzien van de lokale heffingen;c. een overzicht op hoofdlijnen van de
                    diverse heffingen;d. een aanduiding van de lokale lastendruk;e. een beschrijving
                    van het kwijtscheldingsbeleid.</al><al><vet>Artikel 17. Weerstandsvermogen</vet></al><al>Een gemeente loopt risico’s. Deze risico’s zijn van uiteenlopende aard. Tegen
                    een deel van deze risico’s kan een gemeente zich verzekeren, of er moeten
                    voorzieningen worden gevormd, of ze kunnen anderszins worden opgevangen. Voor
                    een deel van de risico’s is dit echter niet het geval. Daarnaast kiezen
                    gemeenten er soms voor om voor bepaalde verzekerbare risico’s eigen risicodrager
                    te worden door zich bewust niet voor deze risico’s te verzekeren.De niet
                    verzekerde risico’s hebben, als ze zich voordoen, (grote) financiële
                    consequenties. Het is dus zaak voor een gemeente, dat ze zich bewust is van de
                    risico’s die ze loopt, en ze beheerst. Het uitsluiten van risico’s is echter
                    niet mogelijk. Waar gewerkt wordt vallen spaanders. Niet verzekerde risico’s die
                    zich voordoen, moet de gemeente opgevangen met het eigen vermogen, door
                    belastingverhoging of door beleidsmatige ombuigingen op de begroting. Het eerste
                    lid van artikel 17 eist dat het college eens in de vier jaar een nota aan de
                    raad aanbiedt, waarin het college uiteenzet hoe hij omgaat met de inventarisatie
                    en beheersing van risico’s. Dit zijn bijvoorbeeld regels over welke bezittingen
                    van de gemeente moeten worden verzekerd en welke procedures hiervoor gelden. Een
                    ander voorbeeld van een regel voor de beheersing van risico’s is, dat er
                    jaarlijks een rentevisie wordt gemaakt, waarmee de gemeente het renterisico op
                    haar leningportefeuille op een aanvaardbaar niveau houdt. Ieder college kan zelf
                    invulling geven hoever hij met deze regels wil gaan. Ten tweede moet het college
                    in deze nota de risico’s kwantificeren en aan de hand ervan het gewenste
                    weerstandscapaciteit bepalen.Het tweede lid regelt over welke risico’s en hun
                    financiële consequenties de raad in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen
                    van de begroting en de jaarstukken moet worden geïnformeerd. Het “Besluit
                    begroting en verantwoording provincies en gemeenten” verplicht een aantal zaken
                    op te nemen in de paragraaf, namelijk:a. een inventarisatie van de
                    weerstandscapaciteit;b. een inventarisatie van de risico’s;c. het beleid omtrent
                    de weerstandscapaciteit en de risico’s;Voor de speciale aandacht in de
                    verordening kan men denken aan een opsomming van de risico’s zoals:a.
                    tegenvallende rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;b. lopende en te verwachten
                    claims van derden;c. nog niet getaxeerde kosten van (vermoedde)
                    milieuverontreiniging;d. dreigend faillissement van derden bij wie
                    borgstellingen, garanties, leningen of vorderingen uitstaan.</al><al><vet>Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen</vet></al><al>In artikel 18 stelt de raad regels voor de begrotings- en
                    verantwoordingsinformatie aan de raad over het onderhoud aan kapitaalgoederen.
                    De verantwoordingsinformatie wordt gesplitst. Het eerste tot en met het vierde
                    lid regelen, dat er nota’s aan de raad worden aangeboden over het onderhoud aan
                    de verschillende categorieën kapitaalgoederen. Hierin kan op de stand van zaken
                    worden ingegaan en kan de raad de kaders voor het toekomstig beleid
                    uiteenzetten. Door het vastleggen van de data in de verordening voor het
                    aanbieden van de nota onderhoud gemeentelijke gebouwen door het college aan de
                    raad, kan de raad deze nota agenderen. Voor de andere nota’s is in de
                    verordening een actualisatie termijn opgenomen van jaar. De omvang van dat
                    onderhoud heeft een meer statisch karakter. Deze nota’s hoeven in de regel dan
                    ook maar eenmaal per raadsperiode te worden besproken (een raadsperiode is
                    jaar). De raad kan de nota natuurlijk tussentijds agenderen. Sommige gemeenten
                    hebben voor bepaalde categorieën onderhoud kapitaalgoederen niet al te hoge
                    uitgaven. Deze gemeenten kunnen er voor kiezen om voor de diverse soorten
                    kapitaalgoederen geen afzonderlijke nota op te stellen, maar deze soorten
                    kapitaalgoederen te bundelen in één nota Artikel 18, vierde lid, regelt over
                    welke feiten aangaande het financieel beheer van het onderhoud van
                    kapitaalgoederen de raad in de verplichte paragraaf onderhoud kapitaalgoederen
                    bij de begroting en jaarstukken in elk geval geïnformeerd wordt. Hier kan de
                    raad invulling geven aan zijn eigen informatiebehoefte over het onderhoud
                    kapitaalgoederen. Het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                    gemeenten schrijft enige feiten voor, die in de paragraaf moeten worden vermeld.
                    Namelijk het beleidskader, de daaruit voortvloeiende financiële consequenties en
                    de vertaling daarvan in de begroting van het onderhoud wegen, het onderhoud
                    riolering, het onderhoud water, het onderhoud groen en het onderhoud gebouwen. </al><al><vet>Artikel 19. Financiering</vet></al><al>Artikel 19 regelt over welke feiten inzake het financieel beheer van de
                    financieringsfunctie de raad in elk geval in de verplichte paragraaf
                    financiering bij de begroting en jaarstukken wordt geïnformeerd. De raad kan
                    aangeven om over meerdere zaken geïnformeerd te willen worden zoals de
                    samenstelling en omvang van het vreemde vermogen en van de uitzettingen en de
                    liquiditeitspositie.</al><al><vet>Artikel 20. Bedrijfsvoering</vet></al><al>Het domein van de ambtelijke organisatie is de verantwoordelijkheid van het
                    college. Beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door het
                    college. In het eerste lid van artikel 20 van de verordening over het financieel
                    middelenbeheer van de bedrijfsvoering wordt dan ook slechts een nota over de
                    bedrijfsvoering ter kennisgeving aan de raad overlegd.Het tweede lid regelt
                    verder over welke feiten aangaande het financieel beheer van de bedrijfsvoering
                    de raad in de verplichte paragraaf bedrijfsvoering geïnformeerd wordt. In dit
                    artikel kan de raad invulling geven aan zijn eigen informatiebehoefte over de
                    middelen bedrijfsvoering. Men kan hiervoor bijvoorbeeld opnemen:a. aantal
                    personeelsleden in dienst onderverdeeld naar leeftijd en beloningsschaal;b. de
                    instroom, uitstroom en het percentage ziekteverzuim van personeel;c. de directe
                    loonkosten;d. de personeelskostene. de kosten inleenkrachten;f. de kosten van
                    ingehuurde externen;g. de huisvestingskosten;h. de automatiseringskosten;i.
                    vernieuwing, uitbreiding, herstructurering, reorganisatie en inkrimping van de
                    ambtelijke organisatie, de gemeentelijke huisvesting, het gemeentelijk materieel
                    en de gemeentelijke automatiseringssystemen.</al><al><vet>Artikel 21. Verbonden partijen</vet></al><al>Artikel 21 stelt regels voor de verantwoordingsinformatie over de verbonden
                    partijen. De verantwoordingsinformatie wordt gesplitst. Het eerste lid regelt,
                    dat er een nota verbonden partijen aan de raad wordt aangeboden, waarin op de
                    stand van zaken van de verbonden partijen wordt ingegaan en de raad de kaders
                    voor het toekomstig beleid uiteen kan zetten. Deze nota wordt minimaal eens in
                    de vier jaar dus minimaal één keer per raadsperiode door het college aan de raad
                    aangeboden. De raad kan de nota altijd tussentijds agenderen.Het Besluit
                    begroting en verantwoording schrijft enige feiten verplicht voor die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld, namelijk:a. de visie op verbonden partijen in
                    relatie tot de realisatie van de doelstellingen die zijn opgenomen in de
                    begroting;b. de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen.Daar de begroting,
                    jaarstukken en nota’s openbare stukken zijn, kan vermelding van bepaalde in de
                    verordening vereiste informatie de belangen van de gemeente schaden. We kunnen
                    bijvoorbeeld denken aan het voornemen om een financieel belang af te stoten,
                    hetgeen in bepaalde situaties de onderhandelingspositie van de gemeente aantast.
                    Deze gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in de begroting,
                    jaarstukken en openbare nota’s. Ingevolge het Besluit begroting en
                    verantwoording dient een lijst van verbonden partijen te worden bijgehouden. </al><al><vet>Artikel 22. Grondbeleid</vet></al><al>Een belangrijke taak van een gemeente is het daadwerkelijk ingrijpen in de
                    ruimtelijke ordening van een gemeente door zelf vastgoedlocaties te (laten)
                    ontwikkelen. De uitgangspunten van het financieel beleid ten aanzien van het
                    grondbeleid horen bij de raad thuis. Artikel 22, eerste lid, regelt, dat het
                    college eenmaal per raadsperiode een nota grondbeleid aan de raad aanbiedt ter
                    behandeling en vaststelling. In deze nota kan de raad de kaders vaststellen voor
                    het toekomstig grondbeleid. De raad kan de nota altijd tussentijds
                    agenderen.</al><al><vet>Artikel 23. Verstrekking subsidies</vet></al><al>Een belangrijke uitgaande middelenstroom, die de kaderstellende rol en het
                    budgetrecht van de raad raakt, betreft de verstrekking van gemeentelijke
                    subsidies. Hiervoor is geen paragraaf bij de begroting en de jaarstukken
                    opgenomen. Artikel .23 Algemene wet bestuursrecht vereist dat een subsidie
                    slechts door een bestuursorgaan kan worden verstrekt op grond van een wettelijk
                    voorschrift. Het voorschrift moet regelen voor welke activiteiten subsidies
                    kunnen worden verstrekt. Voor incidentele gevallen met een subsidieduur van ten
                    hoogste vier jaar geldt het bovengenoemde vereiste niet. Gemeenteraden hebben in
                    de regel op grond van deze wettelijke bepaling een subsidieverordening
                    vastgesteld. Artikel 23 regelt, dat de raad periodiek een Welzijnsplan ontvangt
                    waarin het college het voorgenomen beleid uiteenzet voor de verstrekking van
                    subsidies en een overzicht van de toegekende subsidies.</al><al><vet>Artikel 24. Administratie</vet></al><al>In artikel 24 worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties van
                    de gemeente. In hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens moeten worden
                    vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze
                    verordening regelt niet – inherent aan het dualisme – de regels en activiteiten
                    die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het college.</al><al><vet>Artikel 25. Financiële administratie</vet></al><al>Een belangrijk onderdeel van de administratie is de financiële administratie.
                    Bij algemene maatregel van bestuur stelt het Rijk eisen aan de
                    verantwoordingsinformatie van gemeenten. In het Besluit begroting en
                    verantwoording zijn onder andere waarderingsgrondslagen, balansindeling en
                    verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. Vanuit de financiële
                    administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële
                    verantwoordingsinformatie aan de raad, maar ook aan gedeputeerde staten, in hun
                    rol als toezichthouder, het rijk, de Europese Unie etc.</al><al><vet>Artikel 26. Financiële organisatie</vet></al><al>In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de financiële
                    organisatie gegeven, waaraan het college bij het stellen van regels voor de
                    ambtelijke organisatie invulling moet geven. De uitgangspunten vormen kaders
                    voor het college, waaraan hij zich moet houden. In de onderdelen a en b worden
                    eisen gesteld aan de toedeling van taken aan organisatieonderdelen van de
                    gemeente en de toewijzing van functies aan functionarissen. In de onderdelen c
                    t/m f worden eisen gesteld aan de budgettoedeling en de verantwoording
                    daarover.</al><al><vet>Artikel 27. Aanbesteding en inkoop</vet></al><al>De inkoop van goederen en diensten en de aanbesteding van werken zijn
                    belangrijke en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair effect kunnen
                    hebben. Het hanteren van een protocol is naast de desbetreffende administratieve
                    aspecten tevens te zien als een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid
                    kan worden beperkt en er wordt jegens derden rechtszekerheid gecreëerd. Artikel
                    27 legt aan het college de zorg op om regels op te stellen voor de aanbesteding
                    van werken en inkoop van goederen en diensten. De regelgeving van de Europese
                    Unie dient daarbij nageleefd te worden. Doordat de regels worden vastgelegd kan
                    de accountant bij zijn controle van de jaarstukken nagaan of de interne regels
                    (en de Europese regelgeving) zijn nageleefd, het is een onderdeel van de
                    rechtmatigheidstoets. De accountant beoordeelt hiervoor eveneens het systeem van
                    interne regels.</al><al><vet>Artikel 28. Subsidieverstrekking en steunverlening</vet></al><al>Een ander kwetsbare activiteit van gemeenten is de subsidieverlening en
                    steunverlening aan ondernemingen. Ook hiervoor is het hanteren van een protocol
                    te zien als een vorm van risicobeheersing. Daarnaast is op delen van deze
                    activiteit de Europese regelgeving inzake staatssteun van toepassing.</al><al><vet>Artikel 29. Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van het oude artikel
                    212 Gemeentewet opgestelde verordening. De wetgever heeft bepaald, dat de nieuwe
                    verordening artikel 212 Gemeentewet bij alle gemeenten op het begrotingsjaar 200
                    van toepassing moet zijn. De oude verordening blijft nog van kracht op de
                    begroting en jaarrekening van 2003.</al><al><vet>Artikel 30. Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel wordt de naam gegeven, waarmee men in de gemeentelijke stukken
                    naar deze verordening kan verwijzen.VaststellingDe begroting 200 moet voor 15
                    november 2003 zijn toegezonden aan gedeputeerde staten (artikel 191 Gemeentewet)
                    en dus moet de begroting voor die datum door de raad zijn vastgesteld. De nieuwe
                    verordening 212 is van toepassing op de begroting 200 . De wetgever heeft dan
                    ook bepaald dat de nieuwe verordening 212 voor 15 november 2003 door de raad
                    moet zijn vastgesteld. Daarnaast moet de verordening binnen twee weken na
                    vaststelling door de raad door het college naar gedeputeerde staten worden
                    verzonden (artikel 21 Gemeentewet). De ondertekening van uitgaande stukken van
                    de raad door de burgemeester is in het nieuwe duale bestel gehandhaafd (artikel
                    75, lid 1 Gemeentewet). Door de komst van de griffier zijn de taken van de
                    gemeentesecretaris gewijzigd. De secretaris hoeft niet meer aanwezig te zijn bij
                    de vergaderingen van de raad. Deze taak wordt overgenomen door de griffier
                    (artikel 107b Gemeentewet). Door deze wijziging is het niet meer de secretaris,
                    die de uitgaande stukken van de raad meeondertekent. De griffier moet de
                    uitgaande stukken van de raadsvergaderingen meeondertekenen </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>