<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR7744_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand, gemeente Dongen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentelijke informatiekrant, 24-02-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand, gemeente Dongen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentwet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, artikel 8, lid 1, onderdeel c, artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-02-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-03-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Sociale Zaken en Werkgelegenheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand, gemeente
            Dongen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE DONGEN;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 oktober
                        2004;</al><al>gelet op het bepaalde ingevolge 149 van de gemeentewet, artikel 8, eerste
                        lid, onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand en de bepalingen
                        van de Algemene wet bestuursrecht; </al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>Vast te stellen: “Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand,
                        gemeente Dongen”. De ingangsdatum daarvan te bepalen op 1 januari 2005.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen.</label></kop><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            omschreven worden hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand en de Algemene wet bestuursrecht. </al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand ( Stb. 2003, 375);</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c,
                                    van de wet;</al></li><li nr="c."><al>toeslag: het hoger vaststellen van de bijstandsnorm voor een
                                    alleenstaande of een alleenstaande ouder bedoeld in artikel 30
                                    van de wet;</al></li><li nr="d."><al>verlaging: het lager vaststellen van de bijstandsnorm en de
                                    toeslag bedoeld in de artikelen 25,26,27,29 en 30 van de
                                    wet;</al></li><li nr="e."><al>woning: een woning, een woonwagen of een woonschip;</al></li><li nr="f."><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de op de
                                            aanvangsdatum van de lopende huursubsidietijdvak per
                                            maand geldende huurprijs als bedoeld in de
                                            Huursubsidiewet 1997;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de ten behoeve van de
                                            financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente
                                            en de in verband met het in eigendom hebben van de
                                            woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder
                                            zakelijke lasten worden verstaan: de rioolrechten, het
                                            eigenaaraandeel van de onroerende zaakbelasting, de
                                            brandverzekering, de opstalverzekering en het
                                            eigenaaraan deel van de waterschapslasten alsmede een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud.</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>verzorginsbehoeftige: degene die, indien niet tezamen met een
                                    ander de woning zou worden bewoond, aangewezen zou zijn op
                                    beroepsmatige hulp zoals verzorging in een inrichting ter
                                    verpleging of verzorging, daaronder mede begrepen situaties
                                    waarin thuiszorg het alternatief is voor ambulante zorg of
                                    dagverpleging in een verpleeginrichting.</al></li><li nr="h."><al>verzorgende: degene die een verzorgingsbehoeftige verzorgt;</al></li><li nr="i."><al>netto minimumloon:het minimumloon per maand, genoemd
                                    in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, verhoogd met aanspraak op vakan
                                    tiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die
                                    wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na
                                    aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies
                                    volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het
                                    werknemersaandeel iekenfondspremie;</al></li><li nr="j."><al>garantietoeslag:toeslag voor de alleenstaande ouder waarvan het
                                    jongste kind de leeftijd van 8 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="k."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Dongen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Werkingssfeer.</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor de
                                    belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar.
                                    Ingeval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                    indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                                    zijn. Ook voor de alleenstaande ouder gelden de bepalingen van
                                    deze verordening indien de alleenstaande ouder 21 jaar of ouder
                                    doch jonger dan 65 is.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 van deze verordening laten de
                                    toepassing van artikel 18, eerste lid van de wet onverlet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 3 Toeslagen.</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 % van het netto minimum loon voor de alleenstaande
                                    en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10 procent van
                                    het netto minimumloon voor de alleenstaande of de alleenstaande
                                    ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning een
                                    ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid wordt de toeslag bepaald op 20
                                    procent van het netto minimumloon voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de alleenstaande of de alleenstaande ouder met zijn ten
                                            laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn
                                            hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande of de alleenstaande ouder met zijn ten
                                            laste komende kinderen, met hun hoofdverblijf in
                                            dezelfde woning, waarvan één of meer kinderen de
                                            leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt;</al></li><li nr="c."><al>de alleenstaande of de alleenstaande ouder met zijn ten
                                            laste komende kinderen, met hun hoofdverblijf in
                                            dezelfde woning, waarbij één of meer kinderen van 21
                                            jaar of ouder beschikken over een netto inkomen dat ten
                                            hoogste 60 procent van het netto minimumloon
                                            bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>de alleenstaande of de alleenstaande ouder met zijn ten
                                            laste komende kinderen die samen met een
                                            verzorgingsbehoeftige in dezelfde woning het
                                            hoofdverblijf hebben, waarbij de alleenstaande of de
                                            alleenstaande ouder de verzorging op zich heeft genomen
                                            van de verzorgingsbehoeftige.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In afwijking van het tweede en het derde lid wordt de toeslag op
                                    nihil gesteld voor de alleen staande of de alleenstaande ouder
                                    met zijn ten laste komende kinderen die hun hoofdverblijf in
                                    dezelfde woning hebben met ten minste twee (kamer)huurders of
                                    kostgangers van wie huurpenningen of kostgeld wordt
                                    ontvangen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF TOESLAG.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 4. Verlaging toeslag alleenstaande van 21 of 22 jaar. </label></kop><al>Voor de toepassing van artikel 29 van de wet wordt:</al><lijst><li nr="1."><al>de toeslag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, in afwijking
                                    van artikel 3, tweede, derde en vierde lid, voor een
                                    alleenstaande van 21 jaar op nihil gesteld;</al></li><li nr="2."><al>indien op grond van artikel 3 een toeslag is toegekend, deze
                                    toeslag voor een alleen-</al><al> staande van 22 jaar verlaagd met 10 procent van het netto
                                    minimumloon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Verlaging gehuwden.</label></kop><al>Voor de toepassing van artikel 26 van de wet wordt:</al><lijst><li nr="1."><al>de bijstandsnorm voor gehuwden lager vastgesteld indien gehuwden
                                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                                    waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of
                                    gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander doordat
                                    men in dezelfde woning het hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="2."><al>de verlaging als bedoeld in het eerste lid bepaald op 10 procent
                                    van het netto minimumloon;</al></li><li nr="3."><al>in afwijking van het tweede lid geen verlaging toegepast
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>gehuwden de woning delen met één of meer kinderen die de
                                            leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt hebben;</al></li><li nr="b."><al>gehuwden de woning delen met één of meer kinderen van 21
                                            jaar of ouder die</al><al> beschikken over een netto inkomen dat niet meer
                                            bedraagt dan 60 procent van het netto minimumloon;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden de woning delen met een verzorgingsbehoeftige
                                            die zij verzorgen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In afwijking van het tweede en het derde lid wordt de verlaging
                                    bepaald op 20 procent van het netto minimumloon voor gehuwden
                                    die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben met ten minste
                                    twee (kamer)huurders of kostgangers van wie huurpenningen of
                                    kostgeld wordt ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Verlaging woonsituatie. </label></kop><al>Voor de toepassing van artikel 27 van de wet wordt:</al><lijst><li nr="1."><al>de bijstandsnorm of de toeslag lager vastgesteld indien de
                                    alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere
                                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin
                                    de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van zijn
                                    woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een
                                    woning;</al></li><li nr="2."><al>de verlaging als bedoeld in het eerste lid bepaald op 20 procent
                                    van het netto minimumloon indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn;</al></li><li nr="3."><al>de in het tweede lid bedoelde verlaging bij voorrang toegepast
                                    op de toeslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Anti cumulatiebepaling.</label></kop><al>Indien bij samenloop van de in de hoofdstukken omschreven bepalingen de
                            uitkering van een alleenstaande minder dan 50 procent van het netto
                            minimumloon, de uitkering van een alleenstaande ouder minder dan 70
                            procent van het netto minimumloon en de uitkering van gehuwden minder
                            dan 80 procent van het netto minimumloon bedraagt, wordt de uitkering
                            vastgesteld op 50 procent van het netto minimumloon voor de
                            alleenstaande, 70 procent van het netto minimumloon voor de
                            alleenstaande ouder en 80 procent van het netto minimumloon voor de
                            gehuwden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Garantietoeslag voormalige alleenstaande ouder. </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het laatste in de gezinsbijstand begrepen kind de
                                    leeftijd van 18 jaar heeft bereikt kan aan de voormalige
                                    alleenstaande ouder, mits het kind zijn hoofdverblijf in
                                    dezelfde woning heeft, een garantietoeslag worden verleend
                                    totdat het kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedraagt het verschil tussen het gezamenlijke inkomen
                                    van het kind en de ouder, gezet tegenover de geldende norm voor
                                    gehuwden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Overgangsrecht.</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de belanghebbende, die op de dag voorafgaande aan de
                                    inwerkingtreding van deze verordening een bijstandsuitkering
                                    ontvangt, waarvoor geldt dat de vaststelling van de hoogte van
                                    de uitkering op basis van deze verordening ongunstiger is dan op
                                    basis van de verordening toeslagen en verlagingen Abw, geldt dat
                                    de wijze van de vaststelling van de hoogte van de uitkering op
                                    basis van deze verordening niet eerder volledig in werking
                                    treedt dan zes maanden, nadat belanghebbende over de wijziging
                                    van de uitkering middels een beschikking daarvan op de hoogte is
                                    gebracht.</al></li><li nr="2."><al>Bij het in overstemming brengen van de uitkering op basis van
                                    deze verordening, wordt een afbouw toegepast van 25 % per twee
                                    maanden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 10 Nadere regels.</label></kop><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Uitvoering. </label></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Verantwoording. </label></kop><al>Over de uitvoering van deze verordening legt het college jaarlijks door
                            middel van het beleidsverslag verantwoording af aan de raad. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Citeertitel.</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening toeslagen en
                            verlagingen Wet werk en bijstand, gemeente Dongen”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Inwerkingtreding. </label></kop><al>Deze verordening treedt onder toepassing van artikel 25 van de
                            Tijdelijke referendumwet, na haar bekendmaking, in werking op 1 januari
                            2005.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></titel></kop><al>1.Norm, toeslag en verlaging</al><al>Hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand (WWB) kent voor de verlening van
                    bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van
                    basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit systeem is grotendeels overgenomen
                    uit de Algemene bijstandswet (Abw).</al><al>De basisnormen zijn geregeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de WWB.
                    Daarnaast voorzien de artikelen 25 tot en met 29 WWB, in de mogelijke toepassing
                    van toeslagen en verlagingen.</al><al>De gemeente is verplicht om in bepaalde gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden.</al><al/><al><cursief>Norm</cursief></al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaat er een drietal basisnormen
                    (artikel 21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouder: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaande: 50% van de gehuwdennorm</al><al/></li></lijst><al><cursief>Toeslagen</cursief></al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht
                    gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm. Dit betekent dat de
                    maximale uitkering voor een alleenstaande ouder 90% van de gehuwdennorm en de
                    maximale norm voor een alleenstaande 70% van de gehuwdennorm bedraagt.</al><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van deze verordening. Budgettaire
                    overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol spelen. De
                    gemeente is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag
                    rekening te houden met lagere bestaanskosten. De gemeente heeft de mogelijkheid
                    om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de
                    maximale toeslag te verstrekken. (Zie Memorie van Toelichting; TK 28.870, nr. 3,
                    pagina 53.)</al><al/><al><cursief>Verlagingen</cursief></al><al>In de wet is geregeld in welke gevallen een verlaging mag worden toegepast. Het
                    gaat hierbij om de volgende verlagingen:</al><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander
                    van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26
                    WWB);</al><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28
                    WWB);</al><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij alleenstaanden
                    (artikel 29 WWB).</al><al>De verlagingen zijn voor zover daaraan toepassing werd gegeven binnen de
                    uitvoering van de WWB uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 6 van de
                    verordening.</al><al/><al> 2. De verordening toeslagen en verlagingen</al><al>In artikel 8, lid 1, onder c, jo. artikel 30, WWB, is geregeld dat de
                    gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de
                    bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de
                    hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al/><al><cursief>Categorieën</cursief></al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de verordening een categoriaal karakter moet hebben.
                    Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de praktijk
                    eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire
                    benadering.</al><al>Het is niet nodig om in de verordening alle mogelijke situaties uitputtend te
                    regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college immers
                    de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18, lid 1,
                    WWB, bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>In deze verordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan het
                    merendeel van de verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 7 van de
                    verordening wordt het effect van samenloop van verschillende verlagingen beperkt
                    door minimum hoogtes voor te schrijven waaraan de bijstand moet voldoen na
                    toepassing van de verlagingen.</al><al>Vanwege de eenvoud is de werking van de verordening beperkt tot belanghebbende
                    van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de mogelijkheid
                    biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of
                    ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een belanghebbende van
                    18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de
                    hand dat het college eveneens op grond van artikel 18, lid 1, WWB, de bijstand
                    aanpast. (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2)</al><al/><al>3.Berekening toepasselijke bijstandsnorm</al><al>In de WWB is - in tegenstelling tot in de Abw - niet voorgeschreven, dat in
                    gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de
                    verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het
                    vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de
                    WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de
                    toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de
                    wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de
                    wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven,
                    blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen
                    volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie verlaging
                    wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk
                    in combinatie met de leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten.</al><al/><al>Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering algemene bijstand voor
                    personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders)</al><al> OF</al></li><li nr="2b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen
                            bij gehuwden)</al></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li><li nr="4a."><al>Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het
                            restant van) de toeslag.</al></li></lijst><al>De verordening geeft aan welke verlaging geldt.</al><al>Leidt de uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 7 van de verordening, dan moet het college de bijstand vaststellen op de
                    van toepassing zijnde minimum hoogte. De uitkomst van deze berekening laat ook
                    een eventueel aan de orde zijnde afstemming van de bijstand bij wijze van
                    individualisering onverlet.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    allemaal afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in
                    geval van wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de
                    verordening moet worden gewijzigd. </al><al>De begrippen die niet zijn omschreven in de WWB of Awb, of die verduidelijkt
                    moeten worden, zijn in het tweede lid omschreven.</al><al>Onder b is het begrip gehuwdennorm omschreven. Er is voor het gebruik van dit
                    begrip gekozen omdat de hoogte van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in
                    artikel 21 onder c. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                    minimumloon.</al><al>Onder c en d worden de begrippen toeslag en verlaging nog expliciet omschreven
                    met de verwijzing naar de betreffende artikelen uit de WWB.</al><al>Onder e is bepaald dat onder een woning ook een woonwagen of woonschip wordt
                    verstaan.</al><al>Het begrip woonkosten is omschreven onder f. </al><al>Voor de woonkosten van een huurwoning wordt aangesloten bij de Huursubsidiewet. </al><al>Voor de woonkosten van een eigen woning wordt rekening gehouden met de te
                    betalen hypotheekrente en de zakelijke lasten die aan het bezit van een eigen
                    woning zijn verbonden. Voor wat betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de
                    rente voor (dat deel van) de hypotheek die is afgesloten voor de financiering
                    van de woning. Het rentedeel van een eventueel toegekende rijkssubsidie wordt
                    hierop in mindering gebracht. Rente verbonden aan (een deel van) de hypotheek,
                    die betrekking heeft op bijvoorbeeld de financiering van duurzame
                    gebruiksgoederen, wordt niet meegenomen. Bij de overige zakelijke lasten gaat
                    het om het eigenaardeel van de rioolrechten, het eigenaardeel van de onroerend
                    zaak belasting, de brandverzekering, de opstalverzekering en het eigenaardeel
                    van de waterschapslasten en een vast te stellen bedrag voor onderhoud.</al><al>Onder g is het begrip verzorgingsbehoevende omschreven. De vraag of iemand is
                    aangewezen op verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                    verzorgingstehuis zal moeten worden beantwoord op basis van een onafhankelijk
                    medisch onderzoek.</al><al>Onder i is de omschrijving aangegeven van het minimum loon zoals als
                    omschrijving weergegeven in artikel 37, eerste lid WWB en moet overeenkomstig
                    worden uitgelegd.</al><al/><al>Artikel 2 Werkingssfeer</al><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook categoriale verlagingen
                    mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet
                    opportuun geacht worden. De normen voor deze leeftijdscategorieën zijn in
                    artikel 20 WWB laag vastgesteld, vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van
                    belanghebbenden. Betreffende ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun
                    onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te
                    betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als
                    hierdoor ook nog op basis van deze verordening een verlaging van de uitkering
                    plaatsvindt. Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op
                    belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de verordening nodeloos
                    ingewikkeld maken.</al><al>Mocht echter het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18, lid 1, WWB de bijstand lager vast te stellen. In de
                    praktijk zal dit zich gezien de geringe hoogte van de jongerennorm niet
                    veelvuldig voordoen, maar te denken valt aan de situatie waarin gehuwden met een
                    kind in een kraakpand wonen. De gehuwdennorm van artikel 21 onder c WWB minus de
                    verlaging van artikel 6 onder 2 van deze verordening leidt tot een lager bedrag
                    aan bijstand dan de norm van artikel 20, lid 2, onder c, WWB. In dergelijke
                    uitzonderlijke situaties moet het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot
                    individualiseren.</al><al>De verlening van een toeslag aan personen jonger dan 21 jaar is op grond van de
                    wet niet mogelijk. Indien een jongere te maken krijgt met hogere bestaanskosten
                    dat waarin de norm voorziet dan kan het college bijzondere bijstand verlenen in
                    deze extra kosten.</al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om - zo nodig in
                    afwijking van de uit deze verordening voortvloeiende hoogte van de bijstand - de
                    bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden
                    en middelen van belanghebbende gepast is, volgt uit artikel 30, lid 4, WWB. De
                    individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin deze verordening
                    niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van deze verordening geen
                    misverstand te laten bestaan, is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de
                    verordening op te nemen.</al><al/><al>Artikel 3 Toeslagen</al><al>Lid 1</al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30, lid 2, onder a, WWB.
                    Hierin is namelijk bepaald dat de “echte” alleenstaande (ouder) recht heeft op
                    de maximale toeslag.</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur en
                    stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende
                    zelf.</al><al/><al>Lid 2 </al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van het netto minimum loon in het geval één of meer anderen in
                    dezelfde woning het hoofdverblijf hebben. </al><al/><al>Lid 3 onder a </al><al>Artikel 30 lid 2 onder a WWB schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het
                    bepaalde in artikel 27,28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat artikel genoemde
                    maximum bedrag. De maximale toeslag komt neer op 20 % van het netto minimumloon.
                    De artikelen 26,27,28 en 29 geven de gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde
                    categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent
                    dat het toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag van 20 % van het netto
                    minimumloon bestaat indien de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid om de
                    bijstandnorm of de toeslag te verlagen( zie artikel 4 tot en met 6 van deze
                    verordening)</al><al/><al>Lid 3 onder b</al><al>Indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende
                    kinderen de woning deelt met één of meer kinderen die de leeftijd van 21 jaar
                    nog niet bereikt hebben, wordt aan de alleenstaande of de alleenstaande ouder de
                    maximale toeslag toegekend. Inwonende kinderen tot 21 jaar zijn veelal
                    aangewezen op een uitkering op grond van de Wet Studiefinanciering. Ook de
                    jongeren onder de 21 jaar die zijn aangewezen op een minimum jeugdloon
                    beschikken slecht over een bescheiden inkomen. Het inwonende kind tot 21 jaar
                    kan derhalve in het algemeen niet volwaardig bijdragen in de gezamenlijke
                    bestaanskosten.</al><al/><al>Lid 3 onder c</al><al>Indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende
                    kinderen de woning deelt met één of meer kinderen van 21 jaar of ouder welke
                    beschikken over een netto inkomen dat ten hoogste 60 % van het netto minimumloon
                    bedraagt, wordt aan de alleenstaande of de alleenstaande ouder de maximale
                    toeslag toegekend. Het inwonende kind kan in dit geval niet geacht worden
                    volwaardig bij te dragen in de gezamenlijke bestaanskosten. </al><al/><al> Lid 3 onder d</al><al>Gezien de tendens om ouderen en verzorgingsbehoeftigen zo veel mogelijk thuis te
                    verzorgen, wordt bij een hoofdverblijf in dezelfde woning, waarvan er één
                    verzorgingsbehoeftig is, aan de verzorgende- alleenstaande en alleenstaande
                    ouder een toeslag van 20 % verstrekt. Indien op voorhand uitgegaan zou worden
                    van schaalvoordelen en dus een lagere toeslag zou worden verstrekt, zou dat de
                    opname van verzorgingsbehoeftigen door medebewoners bevorderen.</al><al/><al>Lid 4</al><al>De inkomsten die de alleenstaande of de alleenstaande ouder ontvangt van twee of
                    meer (kamer)huurders of kostgangers worden geacht van dusdanige omvang te zijn
                    dat volledig wordt bijgedragen aan de gezamenlijke kosten van het bestaan,
                    waardoor het gerechtvaardigd is om geen toeslag te verlenen. </al><al/><al>Artikel 4 Verlaging toeslag alleenstaande van 21 en 22 jaar.</al><al>Lid 1 en 2 </al><al>Doordat er geen aparte normen zijn voor 21 en 22 jarigen alleenstaanden, kan tot
                    gevolg hebben dat in bepaalde gevallen de bijstandsuitkering hoger is dan het
                    loon dat men verdient. Ook het minimumloon dat men in een voltijdse
                    dienstbetrekking kan verdienen is nauwelijks hoger. Op die manier is er geen of
                    een geringe stimulans om arbeid te aanvaarden. Teneinde dit te voorkomen geeft
                    artikel 29 van de WWB het college de mogelijkheid om de toeslag als bedoeld in
                    artikel 25 van de WWB afwijkend vast te stellen. Artikel 4 van de verordening
                    stelt derhalve de toeslag voor een alleenstaande 21 jarige op nihil en verlaagt
                    de toeslag die aan een 22 jarige alleenstaande op grond van artikel 3 zou worden
                    toegekend met 10 % van het netto minimumloon. </al><al/><al>Artikel 5 Verlaging gehuwden.</al><al>Lid 1</al><al>De hoogte van de uitkering van alleenstaande en de alleenstaande ouders is
                    afhankelijk van de mate waarin zij de kosten van het bestaan delen. Hoe meer
                    kosten kunnen worden gedeeld, hoe lager de toeslag is. Ook gehuwden kunnen
                    schaalvoordelen genieten indien zij de kosten van het bestaan kunnen delen omdat
                    zij de door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Daarom geeft artikel 26 van
                    de WWB het college de bevoegdheid de bijstandsnorm van een echtpaar te verlagen
                    voor zover deze lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                    waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                    kunnen delen van deze kosten met een ander. </al><al/><al>Lid 2</al><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slecht eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de verlaging als gevolg van de
                    optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10 procent van het netto
                    minimumloon.</al><al/><al>Lid 3 onderdeel a en b</al><al>Indien gehuwden de woning delen met één of meer kinderen die de leeftijd van 21
                    jaar nog niet bereikt hebben, wordt op de uitkering van de gehuwden geen korting
                    toegepast. Inwonende kinderen tot 21 jaar zijn veelal aangewezen op een
                    uitkering op grond van de Wet Studiefinanciering. Ook jongeren tot 21 jaar zijn
                    vaak aangewezen op een minimum jeugdloon en derhalve een bescheiden inkomen. Het
                    inwonende kind tot 21 jaar kan derhalve in het algemeen niet volwaardig
                    bijdragen in de gezamenlijke bestaanskosten. Hetzelfde geldt voor kinderen van
                    21 jaar of ouder die beschikken over een netto inkomen dat ten hoogste 60 % van
                    het netto minimumloon bedraagt. </al><al/><al> Lid 3, onderdeel c.</al><al>Gezien de landelijke tendens om ouderen en verzorgingsbehoeftigen zo veel
                    mogelijk thuis te verzorgen, wordt bij woningdelers waarvan er één
                    zorgingsbehoeftig is, bij de verzorgende gehuwden geen verlaging van de
                    uitkering toegepast. Indien op voorhand uitgegaan zou worden van schaalvoordelen
                    en dus een verlaging van de uitkering zou worden toegepast, zou dat de opname in
                    een verpleeghuis of verzorgingstehuis van de verzorgingsbehoeftigen door
                    medebewoners bevorderen.</al><al/><al>Lid 4</al><al>De inkomsten die de gehuwden ontvangen van twee of meer (kamer)huurders of
                    kostgangers worden geacht van dusdanige omvang te zijn dat volledige bijgedragen
                    wordt aan de gezamenlijke kosten van het bestaan, waardoor het gerechtvaardigd
                    is om een maximale korting van 20 procent van het netto minimumloon toe te
                    passen. </al><al/><al>Artikel 6 Verlaging woonsituatie.</al><al>Artikel 27 WWB geeft de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in
                    zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                    heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op
                    de artikelen 25 en 26 WWB.</al><al>Artikel 27 WWB is ruimer gesteld dan de bepaling die hierover in artikel 35, lid
                    1, van de Abw was opgenomen. Artikel, 35, lid 1, Abw, voorzag enkel in een
                    verlaging in het geval aan de door belanghebbende bewoonde woning geen
                    woonkosten verbonden waren. Volgens de toelichting op 27 WWB is de verruiming
                    bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te
                    kunnen toepassen.</al><al>In dit artikel is onder lid 2 een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan
                    de woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt nodeloos
                    ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin
                    woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten
                    heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18,
                    lid 1, WWB de bijstand lager vast te stellen. </al><al>Het begrip woonkosten is in deze verordening in artikel 1, lid 2, onder f,
                    gedefinieerd.</al><al>Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en
                    dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van op grond
                    van dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de
                    Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35, lid 1, Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al/><al>Artikel 7 Anti cumulatiebepaling</al><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden tot verlaging zoals die zijn
                    genoemd in de artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening, dan dient rekening
                    te worden gehouden met de effecten van cumulatie van factoren. </al><al>Om te voorkomen dat een dergelijke cumulatie er toe leidt dat de uitkering die
                    overblijft onvoldoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
                    voorzien, is bepaald dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de uitkering van een alleenstaande niet minder mag bedragen dan 50
                            procent van het netto minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>de uitkering van een alleenstaande ouder niet minder mag bedragen dan 70
                            procent van het netto minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>de uitkering van gehuwden niet minder mag bedragen dan 80 procent van
                            het netto minimumloon.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 8 Garantietoeslag voormalige alleenstaande ouder.</al><al>Kort voorafgaande aan de invoering van de Abw per 1-1-1996 is het besluit binnen
                    de gemeente genomen om de “ Toeslag voormalige éénoudergezinnen” op te nemen in
                    het bijzondere bijstandsbeleid. Dit betrof zowel een garantietoeslag als een
                    overbruggingstoeslag. De garantietoeslag is een toeslag voor de voormalige
                    alleenstaande ouder waarvan het jongste, tot de gezinsbijstand behorend kind, de
                    leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Door het bereiken van deze leeftijd van het
                    jongste kind veranderd de situatie voor de alleenstaande ouder direct. De norm
                    veranderd naar die van een alleenstaande met een toeslag van 20 % en de
                    kinderbijslag wordt niet meer ontvangen. Het jongste kind is vaak schoolgaand en
                    ontvangt dan een tegemoetkoming onderwijsbijdrage in de schoolkosten dan wel
                    studiefinanciering. Deze inkomsten van het jongste kind en het nieuwe inkomen
                    van de ouder geeft vaak een inkomensachteruitgang te zien ten opzicht van de
                    periode dat het jongste kind nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt. De
                    garantietoeslag is er voor om dit verlies in inkomen voor een bepaalde periode
                    te compenseren. Bij ongewijzigde omstandigheden behoud de ouder deze toeslag tot
                    het kind 21 jaar wordt. De toeslag bedraagt het verschil tussen het gezamenlijke
                    inkomen van het kind en de ouder afgezet tegen de bijstandsnorm voor een
                    echtpaar. Bij elke normwijziging van overheidswege wordt de toeslag aangepast
                    evenals bij wijziging van het inkomen. De toeslag moet als bijzondere bijstand
                    worden aangemerkt maar omdat het wel bijstand is voor inkomstenderving is het
                    wel belast. Middelen hiervoor zijn in het verleden bij afschaffing van de
                    rijksregeling “toeslag voormalige éénoudergezinnen”toegevoegd aan de bijzondere
                    bijstandsgelden. Daar het een toeslag betreft voor een inkomensgarantie wordt
                    het opgenomen in deze verordening. </al><al/><al>Artikel 10 Overgangsrecht.</al><al>Tot de inwerkingtreding van deze verordening vindt de vaststelling van de hoogte
                    van de toeslagen en verlagingen plaats op basis van de verordening toeslagen en
                    verlagingen Algemene bijstandswet. Voor het geval zich situaties voordoen
                    waarbij de nieuwe verordening ongunstiger is voor belanghebbende, is reden om
                    het overgangsrecht vast te stellen. Dit overgangsrecht is alleen van toepassing
                    op de belanghebbende die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de
                    nieuwe verordening een bijstandsuitkering ontvangt.</al><al>Met name zal zich dit voordoen wat betreft de toeslag voor de alleenstaande
                    waarbij het delen van de woning het gevolg is van een resocialisatieprogramma
                    vanuit een psychiatrisch ziekenhuis, waardoor deze belanghebbenden er op
                    achteruit kunnen gaan, wordt deze overgangsregeling getroffen. Vanwege het
                    zorgvuldigheidsbeginsel wordt door een gefaseerde afbouw van de oude situatie de
                    verandering in geleidelijke stappen ingevoerd. Nadat belanghebbende de
                    beschikking heeft ontvangen gaat de afbouwregeling in per de eerste van de maand
                    daaropvolgend.</al><al>Het verschil in uitkering, bij ongewijzigde omstandigheden, op basis van de oude
                    verordening en de vaststelling van de uitkering op basis van deze verordening,
                    wordt gedurende de eerste twee maanden vermenigvuldigd met de factor 0,75 de
                    daaropvolgende twee maanden met de factor 0,50 om tenslotte de periode van de
                    overgangsmaatregel af te sluiten door nog twee maanden de factor 0,25 toe te
                    passen. </al><al/><al>Artikel 11 Nadere regels. </al><al>Voor de juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om dergelijke regels vast te stellen. </al><al/><al>Artikel 12 Uitvoering.</al><al>Evenals bij de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van deze verordening bij
                    het college. </al><al/><al> Artikel 13 Verantwoording.</al><al>De gemeenteraad kan zijn controlerende functie alleen op een goede wijze
                    vormgeven indien beschikt wordt over de van belang zijnde gegevens. Om deze
                    reden is in dit artikel bepaald dat het college jaarlijks verslag moet doen van
                    de uitvoering van deze verordening. Deze verantwoording wordt afgelegd door
                    middel van een beleidsverslag. Dit beleidsverslag wordt voorgelegd aan de
                    Adviesraad Sociale Zekerheid.</al><al/><al>Artikel 14 Citeertitel.</al><al>Dit artikel behoeft geen andere toelichting. </al><al/><al>Artikel 15 Inwerkingtreding.</al><al>Deze verordening is op grond van artikel 8 van de Tijdelijke referendumwet
                    referendabel. De datum van de inwerkingtreding van de verordening moet daarom,
                    met in acht name van artikel 22 van die wet, op tenminste 6 weken na datum
                    publicatie gesteld worden. De ingangsdatum van deze verordening moet echter
                    uiterlijk ingaan op 1-1-2005 gezien het gegeven dat er een overgangstermijn van
                    één jaar is genomen, gerekend vanaf 1-1-2004 waarbinnen de gemeente de tijd
                    heeft om alle verordeningen in overeenstemming te brengen met de WWB.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>