<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR77430_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Eemnes 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-07-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Rotonde 26-6-2014, nr.
                35670</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Eemnes 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=GEMEENTEWET">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-05-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 2:11 lid 5, 5:24 lid 4</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2014/37</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Nota prostitutiebeleid.</al><al>Vastgesteld door de gemeenteraad op 25 september 2000.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage resourceIdentifier="exb-2019-5340">Nota prostitutiebeleid</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Eemnes 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De gemeente Eemnes stelt de volgende verordening vast: Algemene plaatselijke
                        verordening Eemnes 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> a. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                            manifestaties daaronder wordt verstaan;</al><al> b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994;</al><al> c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere
                            wijze toegankelijk zijn;</al><al> d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op
                            grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al> e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens
                            een zakelijk of persoonlijk recht;</al><al> f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de gemeentelijke
                            Bouwverordening;</al><al> g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                            Woningwet;</al><al> h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                            diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
                            dienen.</al><al> i. vaartuigen: Alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                            werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten, gebruikt of
                            geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer te water;</al><al> j. bevoegd gezag: het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                            lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, 2:12 of
                                artikel 4:11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het een aanvraag om een evenementenvergunning betreft als
                                bedoeld in artikel 2:25 dan kan het bestuursorgaan besluiten de
                                aanvraag niet te behandelen als deze minder dan 3 maanden vóór het
                                tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft wordt
                                aangevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><al> a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                            verstrekt;</al><al> b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                            inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning,
                            intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de
                            belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                            vereist;</al><al> c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al> d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een
                            gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;</al><al> e. indien de houder dit verzoekt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor een periode van maximaal 5 jaar,
                            tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van
                            de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag worden geweigerd
                            in het belang van:</al><al> a. de openbare orde;</al><al> b. de openbare veiligheid;</al><al> c. de volksgezondheid;</al><al> d. de bescherming van het milieu.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Toepasselijkheid Lex Silencio Positivo </titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de
                            volgende artikelen in deze verordening:</al><al> - Artikel 2.9 Ontheffing van het verbod optreden als
                            straatartiest;</al><al> - Artikel 2.10 vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan
                            een openbare plaats;</al><al> - Artikel 2.11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg;</al><al> - Artikel 2.64 Bijen;</al><al> - Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het
                            verkoopregister;</al><al> - Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                            houtopstanden;</al><al> - Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.;</al><al> - Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen;</al><al> - Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen;</al><al> - Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen;</al><al> - Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen;</al><al> - Artikel 5.16 Vrijheid van meningsuiting;</al><al> - Artikel 5.23 Vergunning organisatie snuffelmarkt;</al><al> - Artikel 5.38 verboden plaatsen (verstrooiing van as)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.10</nr><titel>Lex Silencio Positivo niet van toepassing </titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de
                            volgende artikelen in deze verordening.</al><al> - Artikel 2.25 Vergunning evenementen;</al><al> - Artikel 2.28 Exploitatievergunning horeca;</al><al> - Artikel 2.29 Sluitingstijd;</al><al> - Artikel 2.39 Exploitatievergunning speelgelegenheid;</al><al> - Artikel 2.40A Exploitatie van een speelgelegenheid (in Laren);</al><al> - Artikel 2.45 Betreden van plantsoenen e.d.;</al><al> - Artikel 2.60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren;</al><al> - Artikel 4.6 Geluidhinder;</al><al> - Artikel 4.6A Overige geluidhinder;</al><al> - Artikel 4.6B Routering in Laren *;</al><al> - Artikel 3.3 Vergunning seksinrichting;</al><al> - Artikel 4.18 Ontheffing van het verbod tot recreatief nachtverblijf
                            buiten kampeerterreinen;</al><al> - Artikel 5.6 Kampeermiddelen e.a.;</al><al> - Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen;</al><al> - Artikel 5.18 Standplaatsvergunning;</al><al> - Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden;</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                    te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten
                                    minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk
                                    kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><al> a. naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al> b. het doel van de betoging;</al><al> c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                    van aanvang en van beëindiging;</al><al> d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                    plaats van beëindiging;</al><al> e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al><al> f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                    een regelmatig verloop te bevorderen.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Dienstverlening </titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan een
                                    openbare plaats in strijd met de publieke functie van de
                                    openbare plaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college
                                    de weg, een weggedeelte of een openbare plaats anders te
                                    gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><al> a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare
                                    plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare
                                    plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel
                                    een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van de openbare plaats;</al><al> b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                    verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                    welstand;</al><al> c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                    voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende
                                    zaak.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10A</nr><titel>Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet
                                    voor:</al><al> a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al><al> b. terrassen als bedoeld in artikel 2.28A, vijfde lid,</al><al> c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt tevens
                                    niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                    worden geopenbaard;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet
                                    voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van het vorige
                                    artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, van het vorige
                                    artikel geldt niet voor bouwwerken;</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van het vorige
                                    artikel geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10B</nr><titel>Vrij te stellen categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van artikel 2:10A geldt niet
                                    voor:</al><al> a. Vlaggen, wimpels of vlaggenstokken;</al><al> b. Zonneschermen;</al><al> c. Voorwerpen of stoffen die noodzakelijkerwijze kortstondig op
                                    de weg gebracht worden in verband met laden of lossen
                                    ervan.</al><al> d. Uitstallingen bij winkels;</al><al> e. Voorwerpen die nodig zijn voor de inrichting van een
                                    werkterrein mits deze voorafgaand aan de plaatsing worden
                                    aangemeld bij het college.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan voor de voorwerpen uit lid 1 regels
                                    stellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan de plaatsing van de voorwerpen als bedoeld in
                                    lid 1 onder e verbieden in het kader van het voorkomen of
                                    verminderen van overlast voor weggebruikers of omwonenden en in
                                    het kader van de verkeersveiligheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering aan te
                                    brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergunning wordt verleend</al><al> a. Als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                    activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                    beheersverordening of voorbereidingsbesluit;</al><al> b. Door het college in de overige gevallen.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 onder weg verstaat,
                                    alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het
                                    uitvoeren van hun publieke taak.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde AVOI .</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een
                                    uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een
                                    bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><al> a. De bruikbaarheid van de weg;</al><al> b. Het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al><al> c. De bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                    omgeving;</al><al> d. De bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                    winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam
                                    van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de
                                    omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg
                                    achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een
                                    openbare plaats achter te laten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen
                                    betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de
                                    veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427,
                                    aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide of in
                                    natuurgebieden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van
                                    dertig meter daarvan gedurende de periode van 1 maart tot 1
                                    november.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het rookverbod geldt niet gedurende de code groen of geel
                                    volgens het droogte indicatiesysteem voor natuurbrandgevaren.
                                    Het droogte indicatiesysteem is te vinden op de website
                                    www.natuurbrandgevaar.nl .</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                    liggen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet
                                    voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                    erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad
                                    of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m
                                    uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte
                                    delen van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een
                                voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen vallen op
                                de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                    voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare
                                    verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld
                                    in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen
                                    aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet
                                    1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet
                                    Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn </titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden:</al><al> a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                    verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                    andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al><al> b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg
                                    te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                    daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><al> a. bioscoopvoorstellingen;</al><al> b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                    de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;</al><al> c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al> d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al><al> e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                    Wet openbare manifestaties;</al><al> f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                    verordening.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><al> a. een herdenkingsplechtigheid;</al><al> b. een braderie;</al><al> c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                    2:3 van deze verordening, op de weg;</al><al> d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg;</al><al> e. een klein evenement.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onder klein evenement wordt verstaan een evenement met maximaal
                                    100 bezoekers, een straatfeest of een buurtbarbecue op een
                                    dag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.25</nr><titel>Evenement </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement,
                                    indien:</al><al> a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100
                                    personen;</al><al> b. het evenement tussen 08.00 uur en 01.00 uur plaats
                                    vindt;</al><al> c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur en na
                                    23.00 uur en op zondag niet voor 13.00 uur en niet tijdens
                                    kerkdiensten;</al><al> d. het evenement geen (geluids-) overlast oplevert voor
                                    omwonenden;</al><al> e. het evenement niet plaatsvindt op doorgaande wegen en
                                    busroutes en er te allen tijde een doorgang van 4,5 meter vrij
                                    is voor hulpdiensten;</al><al> f. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                    van minder dan 10 m² per object;</al><al> g. er een organisator is;</al><al> h. de organisator uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het
                                    evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester
                                    en</al><al> i. de organisator uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het
                                    evenement de omwonenden heeft geïnformeerd;</al><al> j. het evenement niet plaats vindt op een lokatie waarvoor
                                    reeds een evenementenvergunning is verleend.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan nadere regels geven voor een evenement als
                                    bedoeld in lid 2.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor het houden van een optocht
                                    wanneer de optocht voldoet aan de regels die door het college
                                    worden gesteld en wanneer de optocht 10 dagen voor aanvang bij
                                    de burgemeester is gemeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding
                                    besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het
                                    tweede lid of het vierde lid te verbieden, indien daardoor de
                                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het
                                    milieu in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Een vergunning voor een evenement dient minimaal 12 weken voor
                                    aanvang van het evenement te worden aangevraagd bij de
                                    burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                                was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren
                                of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. Onder
                                een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel,
                                restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                                buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens
                                verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere
                                aanhorigheden;</al><al> b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting
                                liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
                                en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
                                voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.28</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting in Laren en Eemnes *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is in Laren en Eemnes verboden een openbare inrichting te
                                    exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                    de openbare inrichting in strijd is met het geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in
                                    de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                    bevindt in</al><al> a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet
                                    voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een
                                    nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;</al><al> b. een zorginstelling;</al><al> c. een museum; of</al><al> d. een bedrijfskantine of – restaurant.</al><al/></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling
                                    van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare
                                    inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Drank- en Horecawet, indien</al><al> a. Zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding
                                    van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld,
                                    overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan
                                    in of bij de inrichting, dan wel</al><al> b. De inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich
                                    geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of
                                    2:28, tweede of derde lid.</al><al/></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident
                                    heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.28A</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting in Blaricum *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                    de openbare inrichting in strijd is met het geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in
                                    de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                    weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter
                                    van de straat en de wijk waar de openbare inrichting is gelegen,
                                    de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het
                                    woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te
                                    staan door de exploitatie van het horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De burgemeester beslist in geval van een vergunningaanvraag die
                                    ook betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf
                                    behorende terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden over
                                    de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de
                                    burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikgeving van
                                    die weg ten behoeve van een of meer bij het horecabedrijf
                                    behorende terrassen weigeren:</al><al> a. Indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan
                                    wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                    doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al><al> b. Indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Noord Holland.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                    bevindt in</al><al> a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet
                                    voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een
                                    nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;</al><al> b. een zorginstelling;</al><al> c. een museum; of</al><al> d. een bedrijfskantine of – restaurant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met
                                    vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag
                                    tussen 02.00 uur en 07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde
                                    lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de
                                    winkel.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing in die
                                    situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                    voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                    tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk
                                    sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting</al><al> a. de orde te verstoren;</al><al> b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de
                                inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens
                                het eerste lid.</al><al> c. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor het personeel van
                                de openbare inrichting.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34</nr><titel/></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden in Blaricum en Eemnes *</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.39</nr><titel>Speelgelegenheden *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al><al> a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                    eerste lid onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al><al> b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de
                                    Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al><al> c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><al> a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-
                                    en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid; of</al><al> b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is
                                    met een geldend bestemmingsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.40</nr><titel>Speelautomaten *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al> a. Wet: de Wet op de kansspelen;</al><al> b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a,
                                    van de Wet;</al><al> c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                    c, van de Wet;</al><al> d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder d, van de Wet;</al><al> e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder e, van de Wet.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                    kansspelautomaten toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten in het
                                    geheel niet toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10A</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden en speelautomaten in Laren
                                *</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><al> a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                    aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze
                                    aan te brengen of te doen aanbrengen;</al><al> b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                    afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar
                                    water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of
                                    verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich
                                    te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig
                                    ander gereedschap, voorwerp of middel dat ertoe kan dienen zich
                                    onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                                    onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                    middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde
                                    gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of
                                    niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente
                                in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen,
                                groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of
                                paden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    wordt vereist.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden :</al><al> a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een
                                    beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                    toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                    verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al><al> b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                    andere gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats
                                    gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                    Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.48</nr><titel>Hinderlijk gebruik van drank</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>et is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een
                                    door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><al> a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al><al> b. de plaats niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank
                                    en Horecawet;</al><al> c. openbare plaatsen waar een klein evenement als bedoeld in
                                    artikel 2:25 plaats vindt;</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.49</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden:</al><al> a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden;</al><al> b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                    drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><al> a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al><al> b. daardoor die ingang versperd wordt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.53</nr><titel>Bespieden van personen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.56</nr><titel> Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.57</nr><titel>Loslopende honden in Laren en Eemnes *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><al> a. binnen de bebouwde kom van Laren en Eemnes op een openbare
                                    plaats zonder dat die hond aangelijnd is;</al><al> b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                    zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of
                                    op een andere door het college aangewezen plaats;</al><al> c. op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een
                                    halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of
                                    houder duidelijk doet kennen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet
                                    voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een
                                    eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd
                                    opleidt tot geleidehond.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan buiten de bebouwde kom gebieden aanwijzen waar
                                    een verplichting geldt tot het aanlijnen van een hond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.57A</nr><titel>Aanlijngebod voor honden in Blaricum *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders van Blaricum zijn bevoegd gedeelten
                                    van de gemeente of bepaalde plaatsen in de gemeente aan te
                                    wijzen waar het ter voorkomen of opheffing van overlast verboden
                                    is om een hond te laten verblijven of te laten lopen zonder dat
                                    die hond aangelijnd is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens een in het eerste lid
                                    aangewezen plaats een hond te laten verblijven of te laten lopen
                                    zonder dat die hond aangelijnd is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.58</nr><titel>Verontreiniging door dieren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigenaar of houder van een dier is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat dit dier zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><al> a. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd is
                                    voor het verkeer en voetgangers;</al><al> b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                    zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                    speelweide;</al><al> c. op een andere door het college aangewezen openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid, onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    het dier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op
                                    het terrein van een ander:</al><al> a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar
                                    of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                    hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag
                                    van die hond noodzakelijk vindt;</al><al> b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf
                                    nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft
                                    bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en
                                    een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die
                                    hond noodzakelijk vindt.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c.,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een onderhuids aangebrachte
                                    microchip die met een chipreader afleesbaar is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><al> a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d,
                                    van de Regeling agressieve dieren;</al><al> b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                    lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan
                                    1,50 meter.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve
                                    dieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.59A</nr><titel>Gevaarlijk ras of type hond in Eemnes *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de eigenaar of de houder van een hond verboden die hond
                                    te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                    terrein van een ander, anders dan kort aangelijnd en voorzien
                                    van een muilkorf, indien de hond behoort tot een door
                                    burgemeester en wethouders bij openbare kennisgeving als
                                    gevaarlijk aangemerkt ras of type hond of door kruising daarmee
                                    verkregen verwanten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c.,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een onderhuids aangebrachte
                                    microchip die met een chipreader afleesbaar is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn niet bevoegd rassen of typen
                                    honden aan te wijzen, waarvoor reeds in de Regeling agressieve
                                    dieren maatregelen zijn genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.59B</nr><titel>Gevaarlijke gebruikshonden in Eemnes *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is anderen dan degene die met een hond een opleiding voor
                                    bewakings , opsporings of verdedigingswerk bij een erkende
                                    instantie met goed gevolg heeft afgerond, verbo¬den deze hond
                                    anders dan kort aangelijnd op of aan de weg te laten verblijven
                                    of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is de eigenaar of de houder van een hond, die voor bewakings
                                    , opsporings of verdedigingswerk bij een erkende instantie wordt
                                    of gedeeltelijk is opgeleid, verboden deze hond anders dan kort
                                    aangelijnd op of aan de weg te laten verblijven of te laten
                                    lopen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het aanlijngebod als bedoeld in het eerste en tweede lid geldt
                                    niet, indien de hond vergezeld gaat van de eigenaar of de houder
                                    die in het bezit is van ten minste een gedrags en
                                    gehoorzaamheidscursus 1 diploma- voor die betreffende hond.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het eerste en derde lid is het
                                    aanlijngebod als omschreven in artikel 2:57, eerste lid onder a,
                                    van toepassing op degene die met een hond een opleiding voor
                                    bewakings , opsporings of verdedigingswerk bij een erkende
                                    instantie met goed gevolg heeft afgerond, alsmede op de eigenaar
                                    of de houder van een hond, die in het bezit is van ten minste
                                    een gedrags en gehoorzaamheidscursus 1 diploma voor die
                                    betreffende hond.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c.,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een onderhuids aangebrachte
                                    microchip die met een chipreader afleesbaar is.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Onder een erkende instantie, bedoeld in het eerste en tweede
                                    lid, wordt verstaan:</al><al> a onderafdelingen van rasverenigingen van
                                    werkhondenrassen;</al><al> b Nederlandse bond voor gebruikshondensportverenigingen;</al><al> c Koninklijke Nederlandse politiehondvereniging;</al><al> d Nederlandse bond voor de diensthond.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.59C</nr><titel>Begripsomschrijving gevaarlijke honden in Eemnes *</titel></kop><al>In artikel 2:59B wordt verstaan onder:</al><al> a. muilkorf: muilkorf als bedoel in artikel 1, onder d, van de
                                Regeling agressieve dieren;</al><al> b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50
                                meter;</al><al> c. gedrags en gehoorzaamheidscursus 1: een door de georganiseerde
                                kynologie gehouden gedrags en gehoorzaamheidscursus, waarbij het
                                beoefenen van appel en goed gedrag van een hond ten opzichte van
                                mens en dier plaatsvindt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                    verboden is daarbij aangeduide dieren:</al><al> a. aanwezig te hebben,of</al><al> b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                    hen gestelde regels, of</al><al> c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                    aanwijzing is aangegeven, of</al><al>d. te voeren</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel
                                    aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een
                                    groter aantal dan door het college is aangegeven, dan wel te
                                    voeren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.62</nr><titel>Loslopend vee of pluimvee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt in een aan een
                                weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden
                                door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat
                                zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die
                                weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.63</nr><titel>Duiven </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                    duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in
                                    een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart
                                    en 1 juni.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gesteld gebod.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale
                                    ophokverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.64</nr><titel>Bijen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al><al> a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere
                                    gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al><al> b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen
                                    te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of
                                    gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                    door de Provinciale Wegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.65</nr><titel>Bedelarij*</titel></kop><al>Het is in Eemnes verboden in door het college aangewezen gebieden op
                                of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te
                                bedelen om geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van helling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld:</al><al> a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al><al> b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al><al> c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                    voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
                                    goed;</al><al> d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
                                    het goed;</al><al> e. de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><al> a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                stellen:</al><al> 1º dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van
                                zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende
                                vestiging;</al><al> 2º van een verandering van de onder a, sub 1º , bedoelde
                                adressen;</al><al> 3º als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al><al> 4º dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                gegaan;</al><al> b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                register ter inzage te geven;</al><al> c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
                                zijn;</al><al> d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in
                                bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd, is reeds opgenomen in art. 2:68]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op
                                horecabedrijven) onder artikel 2:32).</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een vergunnign als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang
                                    van het voorkomen of beperken van overlast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
                                </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van 50 meter van een rieten
                                    dak één of meer vuurpijlen af te steken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste,
                                    tweede en derde lid gestelde verbod onder door hen vast te
                                    stellen voorschriften.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding </titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10A, 2:12, 2:16, 2:19, 2:47,
                                2:48, 2:49, 2:50, 2:52, 2:73, of 5:34 van de Algemene plaatselijke
                                verordening groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere nader door de gemeenteraad
                                    aan te wijzen openbare plaatsen.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. </titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al> a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al> b. prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                vergoeding;</al><al> c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke of besloten
                                ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zijn
                                bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of
                                vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. In deze
                                verordening worden twee categorieën onderscheiden: de categorie
                                woning van een thuiswerker en de categorie overige seksinrichtingen.
                                Onder overige seksinrichtingen wordt in elk geval verstaan: een
                                prostitutiebedrijf, waaronder begrepen erotisch-massagelsalon, een
                                seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan
                                niet in combinatie met elkaar;</al><al> d. thuiswerker: de natuurlijke persoon die bedrijfsmatig, of in een
                                omvang alsof hij bedrijfsmatig werkt, seksuele handelingen verricht
                                in de eigen woning;</al><al> e. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al> f. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al><al> g. exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
                                seksinrichting of escortbedrijf exploiteert;</al><al> h. beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke
                                feitelijke leiding en beheer uitoefent in een seksinrichting of
                                escortbedrijf;</al><al> i. bezoeker: degene die aanwezig is in een overige seksinrichting
                                als bedoeld onder c., met uitzondering van :</al><al> 1. de exploitant;</al><al> 2. de beheerder:</al><al> 3. de protitué(e);</al><al> 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al> 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                6.1a;</al><al> 6. andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft
                                voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of een escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In de (aanvraag om) vergunning wordt in ieder geval
                                    vermeld:</al><al> a. door welke natuurlijke of rechtsperso(o)n(en) de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf zal worden
                                    geëxploiteerd;</al><al> b. door welke perso(o)n(en) de seksinrichting, of het
                                    escortbedrijf zal worden beheerd.</al><al> c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al><al> d. de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door
                                    middel van een situatietekening met een schaal van ten minste
                                    1:1 000;</al><al> e. bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer
                                    van Koophandel;</al><al> f. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot
                                    het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting; in
                                    geval van thuiswerk: het bewijs van inschrijving in het
                                    bevolkingsregister op het bewuste adres;</al><al> g. een plattegrond 1 op 100 waarop de werkruimten zijn
                                    aangegeven;</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant. De
                                    vergunning is persoonsgebonden en kan niet worden
                                    overgedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De exploitant –indien een rechtspersoon: de tot
                                    vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                    personen- en de beheerder:</al><al> a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                    ouderlijke macht of de voogdij;</al><al> b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;</al><al> c. hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    –indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die
                                    rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon- en de beheerder
                                    niet:</al><al> a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al><al> b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                    een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                    door de rechter in Nederland inclusief de drie openbare lichamen
                                    Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten,
                                    dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                    naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis
                                    ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafvordering is toegelaten;</al><al> c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><al> § bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
                                    de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al><al> § de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417 bis, 426 of
                                    429 quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al> § de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6j, artikel
                                    8j of artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al> § de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet
                                    op de kansspelen;</al><al> § de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere
                                    beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;</al><al> § de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><al> a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                    74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,-
                                    bedraagt;</al><al> b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al> a. bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al> b. bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum
                                    van de intrekking van deze vergunning.</al><al/></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De exploitant –indien een rechtspersoon: de tot
                                    vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                    persoon- is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of
                                    beheerder geweest van een inrichting die voor ten minste één
                                    maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan
                                    de vergunning als bedoeld in artikel 3.3 is ingetrokken, tenzij
                                    aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Sluitingsuur *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                    verblijven:</al><al> a. In Blaricum tussen 24.00 en 07.00 uur;</al><al> b. In Eemnes op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en
                                    18.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 10.00 en 16.00
                                    uur</al><al> c. In Laren op zaterdagen en zondagen gedurende de hele dag en
                                    maandagochtend tot 14.00 uur en van dinsdag- tot en met
                                    vrijdagochtenden tussen 24.00 en 14.00 uur.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In Blaricum en Laren kan In afwijking van het tweede lid kan het
                                    bevoegde bestuursorgaan door middel van een ontheffing voor een
                                    afzonderlijke seksinrichting een sluitingstijd voor dinsdag- tot
                                    en met vrijdagochtenden tot 01.00 uur vaststellen. Deze
                                    ontheffing wordt verleend voor een kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In Eemnes kan het bevoegde bestuursorgaan door middel van een
                                    vergunningvoorschrift voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    afwijkende sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het
                                    eerste lid, tweede lid of het derde lid, dan wel krachtens
                                    artikel 3.6 gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover de in de Wet milieubeheer opgenomen sluitingstijden van
                                    toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.12 tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegde bestuursorgaan:</al><al> a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.5 eerste, tweede
                                    of derde lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al> b. van een afzonderlijke seksinrichting (tijdelijk) de
                                    gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht maakt het bevoegde bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
                                </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat ten minste één van de ingevolge artikel 3.4
                                    op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de
                                    seksinrichting aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op
                                    toe te zien dat in de inrichting:</al><al> a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                    de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                    XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het
                                    Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in
                                    de Wet wapens en munitie;</al><al> b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                    met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Raam- en straatprostitutie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, te trachten als prostitué(e) de aandacht van
                                    passanten op zich te vestigen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk (in een bepaalde richting) te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en
                                wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
                                </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotischpornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te
                                    bieden of aan te brengen:</al><al> a. indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                    heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden
                                    of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en
                                    leefomgeving in gevaar brengt;</al><al> b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegde
                                    bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                    leefomgeving gestelde regels.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn en weigeringsgronden; nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 1.2 neemt het bevoegde bestuursorgaan
                                    het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel
                                    3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de
                                    volledige aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><al> a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                    3:4 gestelde eisen;</al><al> b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of</al><al> c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al><al> 2. De vergunning bedoeld in artikel 3.3, eerste lid kan,
                                    onverminderd het bepaalde in artikel 1.8, worden geweigerd in
                                    het belang van:</al><al> a. het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat;</al><al> c. de veiligheid van personen of goederen;</al><al> d. de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> e. de gezondheid of zedelijkheid; of</al><al> f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee;</al><al> g. indien niet is voldaan aan het gestelde in de nadere regels
                                    als bedoeld in artikel 3.13.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, kan worden
                                    geweigerd:</al><al> a. in het belang van de openbare orde;</al><al> b. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                    overlast;</al><al> c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting
                                    van het woon- en leefklimaat;</al><al> d. in het belang van de veiligheid van personen of
                                    goederen;</al><al> e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al><al> g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                    prostitué(e);</al><al> h. indien niet voldaan is aan het gestelde in de nadere regels
                                    als bedoeld in artikel 3.13.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.13</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.12 genoemde belangen kan het college
                                van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de
                                bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant als bedoeld in artikel
                                    3.3, derde lid, onder a, de exploitatie van de seksinrichting
                                    feitelijk heeft beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.3, derde lid,
                                    onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week
                                    schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3.12, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.16</nr><titel>Vervallen vergunning</titel></kop><al>Behoudens het bepaalde in artikel 3.15 vervalt de vergunning:</al><al> a. indien er een jaar feitelijk geen gebruik is gemaakt van de
                                vergunning;</al><al> b. indien er een wijziging heeft plaatsgevonden in de persoon van
                                de exploitant;</al><al> c. indien er een wijziging van bouwkundige aard in de inrichting
                                heeft plaatsgevonden;</al><al> d. indien de inrichting naar een andere locatie wordt
                                verplaatst.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer;</al><al> b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                Besluit;</al><al> c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al><al> d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één
                                of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al><al> e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden
                                is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al><al> f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van
                                artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende
                                bij de betreffende inrichting;</al><al> g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1
                                van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige
                                terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de
                                betreffende inrichting;</al><al> h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                versterkt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten * </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer van de volgende delen:</al><al> Blaricum: het Dorp en de Bijvanck</al><al> Laren: -</al><al> Eemnes: -</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is een inrichting in Blaricum toegestaan maximaal 7
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, een
                                    inrichting in Eemnes toegestaan maximaal 4 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden en een inrichting in
                                    Laren toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per
                                    kalenderjaar te houden. Bij deze incidentele festiviteiten zijn
                                    de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing, mits de houder van de inrichting ten minste twee
                                    weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                    kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is een inrichting in Blaricum toegestaan om tijdens maximaal
                                    7 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting
                                    langer aan te houden, het is een inrichting in Eemnes toegestaan
                                    om tijdens maximaal 4 incidentele festiviteiten per kalenderjaar
                                    de verlichting langer aan te houden en het is een inrichting in
                                    Laren toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te
                                    houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 ,
                                    eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de
                                    houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college kan voorwaarden verbinden aan de festiviteiten ter
                                    voorkoming of beperking van geluidhinder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><al>Gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden om van 20.00 uur tot 07.00 uur van de
                                    daaropvolgende dag, dan wel tot 13.00 uur als dat een zondag
                                    betreft, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                    in de openlucht een geluidsapparaat niet zijnde een motorrijtuig
                                    als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c. van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 , een (recreratie)toestel of een
                                    (bouw)machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat
                                    voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod,
                                    vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in
                                    werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen
                                    categoriën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of
                                    (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college
                                    vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van
                                    (geluid)hinder.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                                    betreffen:</al><al> a. het maximale geluidsniveau;</al><al> b. de situering van de geluidsbronnen;</al><al> c. de frequentie en tijden van het gebruik.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6A</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder privé feest wordt verstaan een feest dat niet een openbare
                                    verrichting van vermaak is als bedoeld in artikel 2:25 en dat
                                    plaats vindt buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van een privé feest in de openlucht
                                    een muziekinstallatie in werking te hebben of muziek te maken op
                                    zondag tot en met vrijdag tussen 23.00 u en 09.00 u, op vrijdag
                                    en zaterdag tussen 00.00u en 09.00u en op zondag voor 13.00
                                    u.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van een privé feest een
                                    muziekinstallatie in werking te hebben of muziek te wanneer dit
                                    een kerkdienst kan verstoren.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het geluidsniveau van de muziek van een privé feest dient
                                    zodanig te zijn dat omwonenden geen overlast ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder ao
                                    van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op
                                    zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een
                                    omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college kan van het in het zesde lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6B</nr><titel>Routering in Laren * </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is in Laren verboden buiten een inrichting in de zin van de
                                    Wet milieubeheer met een vrachtauto, als bedoeld in artikel 1,
                                    onder ao van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                    1990, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het
                                    college bij openbaar bekend te maken besluit aangewezen weg te
                                    rijden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al><al> b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op
                                    de stronk uitlopen;</al><al> c. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al><al> d. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al><al> e. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                    Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.)
                                    C. Moreau);</al><al> f. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
                                </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                    houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor:</al><al> a. bomen die een kleinere diameter hebben dan 20 cm, dan wel
                                    een omtrek van 63 cm, gemeten op 130 cm vanaf de grond (bij een
                                    meerstammige boom geldt de omvang van de dikste stam);</al><al> b. coniferen, tenzij hoger dan 6 meter;</al><al> c. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                    landbouw gronden, beide voorzover bestaande uit niet-geknotte
                                    populieren of wilgen;</al><al> d. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al><al> e. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen
                                    als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                                    terreinen;</al><al> f. kweekgoed;</al><al> g. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                    geveld;</al><al> h. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                    Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is
                                    buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige
                                    eenheid vormt die:</al><al> i. ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al><al> ii. ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                    gerekend over het totale aantal rijen;</al><al> i. houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                    Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het
                                    college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.3.6;</al><al> j. bomen en houtopstand waarvoor het college toestemming geeft
                                    tot het direct vellen van een boom of houtopstand, indien er
                                    sprake is van een situatie van acuut spoedeisend belang.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                                    toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door
                                    degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd
                                    is over de houtopstand te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer het bureau LASER aan het bevoegd gezag een afschrift
                                    heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in
                                    artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit
                                    afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al><al> a. de natuurwaarde van de houtopstand;</al><al> b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al><al> c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</al><al> d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al><al> e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al><al> f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel/></kop><al>Gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen
                                    moet worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan,
                                    kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                                    waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door
                                    zijn te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan
                                    wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
                                    gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan
                                    wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van
                                    voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                                    overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door
                                    hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die
                                    bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                    met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.17</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.3.2, artikel 4.3.5 of artikel 4.3.6, schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een
                                naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.18</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor
                                    verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
                                    iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door
                                    het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de
                                    aanschrijving vast te stellen termijn:</al><al> a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al><al> b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al><al> c. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                    of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                    vervoeren. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.19</nr><titel>Afstandsgrenzen van bomen, heesters en heggen </titel></kop><al>Het is toegestaan om bomen, heesters en heggen te planten en
                                aanwezig te hebben ongeacht de hoogte, tot aan de grenslijn van eens
                                anders erf, een en ander als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid van
                                het Burgerlijk Wetboek.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.20</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten
                                    een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                    openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben:</al><al> a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al><al> b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al><al> c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen
                                    daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                    geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                    commercieel doel;</al><al> d. mestopslag , gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                    een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de geldende Provinciale milieuverordening;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.21</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen </titel></kop><al>Gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.22</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.23</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
                                2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is, dan wel
                                gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.25</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><al> a. de bescherming van natuur en landschap;</al><al> b. de bescherming van een stadsgezicht.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.26</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel
                                    4:18, eerste lid niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van
                                het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met
                                uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en
                                rolstoelen;</al><al> b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><al> a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                    lessen;</al><al> b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                    personen tegen betaling.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><al> a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                    worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en
                                    dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al><al> b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                    bedoelde persoon.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><al> a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                    toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een
                                    straal van 100 meter met als middelpunt een van deze
                                    voertuigen;</al><al> b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Voertuigwrakken (inclusief fietswrakken)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Kampeermiddelen, aanhangwagens e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een kampeerwagen, caravan, magazijnwagen,
                                    keetwagen, aanhangwagen of ander voertuig dat voor recreatie of
                                    anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                    gebruikt:</al><al> a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen binnen de
                                    bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;</al><al> b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar
                                    dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien
                                    van de gemeente.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                                    landschapsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig te parkeren dat, met inbegrip van
                                    de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte
                                    heeft van meer dan 2,4 meter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor de door het
                                    college aangewezen weggedeelten en/ of tijdstippen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                    te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><al> a. op de weg;</al><al> b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                    vanwege de overheid;</al><al> c. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats daarbij aangeduide fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor collectes die op het collecterooster
                                    van het Centraal Bureau voor de Fondsenwerving staan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan onder door hem te stellen voorschriften
                                    vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen
                                    instellingen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><al> a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene
                                    die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al><al> b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                    dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;</al><al> c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                    dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als
                                    bedoeld in artikel 5:17.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.15</nr><titel>Ventverbod *</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag
                                    tussen 20.00 uur en 09.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod in lid 2 geldt niet voor venten met etenswaren voor
                                    zover dat niet aan de deur gebeurt op maandag tot en met
                                    zaterdag tussen 19.00u en 22.00u en op zondag tussen 13.00u en
                                    22.00u.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het is in Blaricum verboden te venten aan de deur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                    eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al><al> a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of</al><al> b. voor bepaalde dagen en uren.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten aan te bieden,,gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al> a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al><al> b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2:24.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><al> a. wegens strijd met een geldend bestemmingsplan;</al><al> b. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband
                                    met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke
                                    welstand;</al><al> c. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                    gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                    verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een
                                    standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                    verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                    komt</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5.18, tweede lid onder a., geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.21</nr><titel/></kop><al>Gereserveerd</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><al> a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste
                                    lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al><al> b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water in blaricum en Eemnes *</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water in Blaricum en
                                    Eemnes*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde AVOI</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen in Blaricum en
                                    Eemnes*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan op openbaar water gedeelten aanwijzen waar het
                                    verboden is om met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben, dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is in Eemnes in elk geval verboden met een vaartuig een
                                    ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor
                                    een vaartuig beschikbaar te stellen op de Eem anders dan in de
                                    jachthaven, op de randmeren en op de Eemnesservaart.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water</al><al> a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente;</al><al> b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De verboden in het tweede en derde lid gelden niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats in Blaricum en Eemnes*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in
                                    de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats in Blaricum en Eemnes*</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken in Blaricum en
                                    Eemnes*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.29</nr><titel>Reddingsmiddelen in Blaricum en Eemnes*</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.30</nr><titel>Veiligheid op het water in Blaricum en Eemnes*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen in Blaricum en Eemnes*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen:</al><al> a. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                    overlast;</al><al> b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                    van de omgeving en ter bescherming van andere
                                    milieuwaarden;</al><al> c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in
                                    het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                    terreinen:</al><al> a. in het belang van het voorkomen van overlast;</al><al> b. in het belang van de bescherming van natuur- of
                                    milieuwaarden;</al><al> c. in het belang van de veiligheid van het publiek.</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><al> a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister
                                    van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten;</al><al> b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al> c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al> d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                    percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste
                                    lid bedoeld;</al><al> e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging
                                    van de onder d bedoelde personen.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><al> a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van
                                    de Wegenverkeerswet 1994;</al><al> b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                    'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                    motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als 'toestel'.</al><al/></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al><al> a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                    dergelijke;</al><al> b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand;</al><al> c. vuur voor koken, bakken en braden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De in het tweede lid onder c gestelde uitzondering geldt in
                                    Blaricum niet voor het Voorland Stichtse Brug. Het is verboden
                                    tussen 1 april en 1 oktober te koken, bakken en braden
                                    (barbecuen) op dit voorland. Voor het koken, bakken en braden
                                    (barbecuen) tussen 1 oktober en 1 april op het Voorland Stichtse
                                    Brug dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het
                                    college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.35</nr><titel>Brandgevaarlijke houtopstanden </titel></kop><al>Het is verboden houtopstanden te creëren van een dermate omvang dat
                                deze opstanden naar het oordeel van de commandant van de brandweer
                                bij een brand op enigerwijze tot gevolg hebben of kunnen hebben dat
                                vuur via deze opstanden kan overslaan naar naburige percelen. De in
                                dit kader door of vanwege de commandant van de brandweer gegeven
                                bevelen inzake het verminderen c.q. verlagen van de houtopstand
                                dienen stipt en onmiddellijk binnen een daartoe gestelde termijn te
                                worden opgevolgd.</al><al> Deze bevelen worden schriftelijk gegeven, tenzij dit
                                spoedheidshalve om veiligheidsredenen niet mogelijk is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.36</nr><titel>Verbod carbid te schieten in Eemnes*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                                    calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met
                                    vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden
                                    (carbid te schieten).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan onder voorwaarden ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien:</al><al> a. gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal
                                    50 liter; en</al><al> b. de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal; en</al><al> c. het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen
                                    openbare wegen of paden liggen; en</al><al> d. het gebruik plaatsvindt op 31 december, van 10.00 uur tot 1
                                    januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar en</al><al> e. wordt geschoten in een richting die is afgewend van de
                                    woonbebouwing; en</al><al> f. de betreffende locatie is gelegen op een afstand van
                                    tenminste:</al><al> i. 75 meter van woonbebouwing; en</al><al> ii. 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; en</al><al> iii. 300 meter van inrichtingen waar dieren worden
                                    gehouden.</al><al> g. het schietterrein wordt afgezet met linten of ander
                                    vergelijkbaar materiaal.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of
                                    in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente
                                    aanwijzen waar het gestelde in het tweede en derde lid niet van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke
                                    stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van
                                    strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.37</nr><titel>Verbod carbid te schieten in Laren*</titel></kop><al>Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                                calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met
                                vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden
                                (carbid te schieten).</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.38</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.39</nr><titel>Verboden plaatsen*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><al> a. Blaricum:</al><al> i. Het Stichtse strandje, alsmede binnen 100 meter uit de
                                    kustlijn hiervan;</al><al> ii. De verharde delen van de weg en verharde openbare
                                    plaatsen;</al><al> iii. De openbare sporttereinen en –velden en bijbehorende
                                    voorzieningen;</al><al> iv. kinderspeelplaatsen</al><al> v. gemeentelijke begraafplaats, met uitzondering van het
                                    strooiveldje en de graven;</al><al> vi. andere door burgemeester en wethouders nader aan te wijzen
                                    plaatsen.</al><al> b. Eemnes:</al><al> i. De verharde delen van de weg en verharde openbare
                                    plaatsen;</al><al> ii. De openbare sporttereinen en –velden en bijbehorende
                                    voorzieningen;</al><al> iii. kinderspeelplaatsen</al><al> iv. gemeentelijke begraafplaats, met uitzondering van het
                                    strooiveldje en de graven;</al><al> v. andere door burgemeester en wethouders nader aan te wijzen
                                    plaatsen.</al><al> c. Laren:</al><al> i. Verharde delen van de weg;</al><al> ii. Gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.40</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie en kan bovendien worden bestraft met openbaarmaking van
                            de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de medewerkers van het team Handhaving
                                van de BEL Combinatie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                                hoofdstukken 2 en 4 van deze verordening zijn belast de medewerkers
                                van de afdeling Aanleg en Beheer van de BEL Combinatie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn voorts belast de bij besluit van het college
                                dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening*</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Blaricum 2007,
                                de gemeente Eemnes 2007 en de gemeente Laren 2005 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 november 2010.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Eemnes 2010</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 25 oktober 2010</ondertekening><ondertekening>de raad van Eemnes,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.A. de Bruijn R. van Benthem RA</ondertekening><ondertekening>griffier Voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i242989.pdf">Nota prostitutiebeleid</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>