<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>77399_6</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden
                Gelderland 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-05-12T14:25:43</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2015 nr.
                2466</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2015-04-29</dcterms:issued><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden
                Gelderland 2007</dcterms:alternative><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankenrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-05-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-10-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>PS2015-278</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gezien het voorstel PS2015-278 inzake de wijziging van de Verordening
                        rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Gelderland 2007;</al><al>BESLUITEN</al><al>vast te stellen de navolgende gewijzigde regeling: Verordening rechtspositie
                        gedeputeerden, staten- en commissieleden Gelderland 2007</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Provinciewet;</al></li><li nr="b."><al> Rechtspositiebesluit gedeputeerden: het Koninklijk Besluit van
                                    22 maart 1994, Stb. 241;</al></li><li nr="c."><al> Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 242.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Voorzieningen voor statenleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het statenlid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks ingevolge artikel 2, tweede lid, van genoemd
                            Rechtspositiebesluit wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het statenlid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van
                                het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks ingevolge artikel 2, vijfde lid, van genoemd
                                Rechtspositiebesluit wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van een statenlid van wie de arbeidsverhouding
                                ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als
                                dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste
                                lid een onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag,
                                vermeld in artikel 2, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit
                                staten- en commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks ingevolge
                                artikel 2, vijfde lid, van genoemd Rechtspositiebesluit wordt
                                herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar lid is geweest
                                van Provinciale Staten ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de
                                artikelen 2 en 3, naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in
                                dat jaar statenlid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het statenlid wordt op aanvraag een openbaar-vervoerjaarkaart
                                tweede klasse verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan het statenlid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen
                                van vergaderingen van Provinciale Staten en van een commissie,
                                alsmede de reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de
                                provincie gemaakte reizen. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        (trein)taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                        Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aan het statenlid aan wie ingevolge het eerste lid een
                                openbaar-vervoerjaarkaart is verstrekt, worden de in het tweede lid,
                                onderdeel b, bedoelde reiskosten alleen vergoed als het reizen
                                betreft, anders dan voor het bijwonen van vergaderingen van
                                Provinciale Staten en van een commissie en die reizen met het
                                openbaar vervoer niet of slechts met aanzienlijk tijdverlies zijn te
                                maken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij meerdere vergaderingen op één en dezelfde dag in de provinciale
                                gebouwen wordt aan het statenlid slechts ten behoeve van één reis
                                naar de provinciale gebouwen vice versa een vergoeding als bedoeld
                                in het tweede lid verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Aan het statenlid wordt op zijn verzoek vanwege de provincie een
                                parkeersticker, -kaart of anderszins verstrekt, waarmee hij, ingeval
                                hij in zijn hoedanigheid van statenlid in de provinciale gebouwen
                                aanwezig dient te zijn, zijn auto gratis op de Markt te Arnhem kan
                                parkeren. Wanneer de vergaderingen van Provinciale Staten elders
                                plaatsvinden, kan ten behoeve van de statenleden van provinciewege
                                voor parkeerfaciliteiten ter plaatse worden gezorgd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het statenlid worden tijdens zijn zakelijk verblijf in de
                                provinciale gebouwen maaltijden en consumpties vanwege de provincie
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het statenlid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke
                                verblijfkosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie
                                gemaakte reizen dan die voor het bijwonen in de provinciale gebouwen
                                van vergaderingen van Provinciale Staten en van een commissie, tot
                                ten hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens het
                                Reisbesluit binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De kosten van deelname van een statenlid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de
                                provincie worden aangeboden of verzorgd, komen voor rekening van de
                                provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vervallen met ingang van 24 februari 2011.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verlenen een statenlid op aanvraag voor de
                                uitoefening van het statenlidmaatschap een tegemoetkoming voor de
                                aanschaf of het gebruik van een eigen computer, bijbehorende
                                apparatuur en software. De tegemoetkoming bedraagt per maand €
                                15,--.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In verband met de invoering van papierloos vergaderen wordt de
                                tegemoetkoming tijdelijk verhoogd tot € 40,- per maand. Deze
                                verhoging geldt van 1 januari 2013 t/m het einde van deze
                                Statenperiode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan het statenlid wordt ten behoeve van het voorhanden hebben en
                                houden van een ISDN-, ADSL- of internet-via-kabel-verbinding
                                maandelijks een bedrag van € 15,-- ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De bedragen onder 1 en 2 worden jaarlijks herzien op de wijze
                                bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit
                                Staten- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Spaarloonregeling</titel></kop><al>Het statenlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef
                            en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing
                            van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan op aanvraag
                            deelnemen aan de voor het provinciaal personeel geldende
                            spaarloonregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Op aanvraag verlagen Gedeputeerde Staten de vergoeding voor de
                            werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, in het geval een statenlid een
                            uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ingeval een statenlid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het lidmaatschap van Provinciale Staten meer bedraagt
                                dan de vergoeding voor de werkzaamheden als statenlid die dit lid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de provincie verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ingeval een statenlid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs en onderzoekspersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                lidmaatschap van Provinciale Staten meer bedraagt dan de vergoeding
                                voor de werkzaamheden als statenlid die dit lid ontvangt, wordt deze
                                vergoeding ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag van
                                bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                                Provinciale Staten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een statenlid dat op grond van artikel 75 van de Provinciewet meer
                                dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van Provinciale Staten
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het statenlid ontvangt een tegemoetkoming in de kosten van een
                                ziektekostenverzekering van € 175 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar statenlid is
                                geweest, ontvangt de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar
                                evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar statenlid is
                                geweest.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de nominale eindejaarsuitkering van het personeel werkzaam
                                bij de sector Rijk wijziging ondergaat, wordt het in het eerste lid
                                genoemde bedrag naar evenredigheid gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Uitkering bij aftreden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een gewezen statenlid kan met ingang van de datum waarop hij
                                opgehouden is lid van Provinciale Staten te zijn aanspraak maken op
                                een uitkering ten laste van de provincie, indien hij kan bewijzen
                                als gevolg van het aanvaarden van het lidmaatschap van Provinciale
                                Staten minder inkomsten te hebben verkregen uit tot op dat moment
                                verrichte werkzaamheden. Voor gewezen statenleden, die bij hun
                                aftreden aan het eind van de Statenperiode jonger zijn dan 30 jaar,
                                en die bij hun aantreden geen inkomsten uit arbeid genoten en die
                                gedurende hun Statenlidmaatschap een deeltijd baan aannemen, wordt,
                                in aansluiting op het bovenstaande, de vaste vergoeding van
                                werkzaamheden van het statenlidmaatschap als uitgangspunt voor de
                                uitkering genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien een statenlid van zijn
                                lidmaatschap vervallen is verklaard op grond van artikel X7 van de
                                Kieswet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde aanspraak wordt uitsluitend
                                geëffectueerd indien daartoe binnen drie maanden na de datum waarop
                                het gewezen statenlid opgehouden is lid van Provinciale Staten te
                                zijn, een aanvraag wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten.
                                Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over het over te leggen
                                bewijs als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De uitkering wordt toegekend voor een periode, gelijk aan de helft
                                van het aantal volledige maanden gedurende welke het gewezen lid van
                                Provinciale Staten laatstelijk zonder onderbreking van langer dan
                                twee maanden het lidmaatschap van Provinciale Staten heeft
                                vervuld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De uitkeringsduur gaat een periode van twee jaar niet te
                                boven.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De uitkering bedraagt maandelijks een twaalfde deel van het
                                maximumbedrag, genoemd in artikel 8, tweede lid, van het
                                Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Bepalend voor de
                                hoogte van de uitkering is de vaste vergoeding voor werkzaamheden
                                als statenlid op het moment van aftreden. Indien deze vergoeding
                                voor de werkzaamheden verandert op grond van het
                                rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, wordt de in de
                                eerste volzin bedoelde uitkering, met ingang van het tijdstip van
                                ingang van die wijziging, dienovereenkomstig aangepast.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De uitkering wordt betaald in maandelijkse termijnen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al> met ingang van de dag, volgend op die waarop gewezen
                                        statenlid is overleden;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen lid wederom als
                                        statenlid is beëdigd;</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid als lid
                                        van Gedeputeerde Staten is beëdigd;</al></li><li nr="d."><al> met ingang van de maand, volgend op die waarin het gewezen
                                        statenlid de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Inkomsten welke een lid van Provinciale Staten heeft op de dag
                                waarop hij/zij ophoudt statenlid te zijn, worden niet in mindering
                                gebracht op zijn/haar uitkering als gewezen lid van Provinciale
                                Staten.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Nieuwe inkomsten of hogere inkomsten, welke het gewezen lid van
                                Provinciale Staten na de dag bedoeld in het eerste lid verwerft,
                                worden met de uitkering verrekend over de periode waarop deze
                                inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Voor de toepassing van het negende en tiende lid worden onder de
                                daar vermelde inkomsten verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> winst uit onderneming;</al></li><li nr="b."><al> inkomsten uit of in verband met arbeid of het verrichten
                                        van andere diensten of aanneming van werk;</al></li><li nr="c."><al> een periodieke uitkering wegens invaliditeit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al> Degene aan wie een uitkering is toegekend is verplicht van het
                                verkrijgen van nieuwe inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld in
                                het tiende lid, terstond mededeling te doen aan Gedeputeerde Staten
                                onder opgave, voor zover mogelijk, van de hoogte van deze
                                (verwachte) inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al> Degene aan wie een uitkering is toegekend geeft desgevraagd alle
                                informatie betreffende zijn/haar inkomen welke voor de uitvoering
                                van deze regeling nodig is aan Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al> Degene aan wie een uitkering is toegekend is gehouden zich in te
                                spannen tot het verkrijgen van nieuwe of hogere inkomsten en is
                                gehouden hierover gedurende het eerste jaar in drie gesprekken
                                informatie te geven ten behoeve van Gedeputeerde Staten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In geval van overlijden van het statenlid wordt aan de weduwe of
                                weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden
                                leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden, welke het statenlid laatstelijk
                                genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen
                                weduwe of weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam
                                gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de
                                minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige
                                kinderen over wie de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
                                pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de
                                opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van
                                enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
                                daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de
                                uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren
                                van het inkomen van het statenlid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar
                                mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede
                                degene met wie het overleden statenlid ongehuwd samenleefde en een
                                gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3,
                                derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dit artikel is niet van toepassing op een statenlid dat is benoemd
                                in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk
                                ontslag van een statenlid wegens zwangerschap en bevalling of
                                ziekte, ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De artikelen 2 tot en met 4, 7 tot en met 15, 34 en 36 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het statenlid aan wie ingevolge
                                artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat de
                                onkostenvergoe-ding die dit statenlid op grond van artikel 3, eerste
                                of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op
                                grond van die bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet
                                wordt niet aangemerkt als een aftreden als bedoeld in artikel
                                14.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Voorzieningen bij ongevallen en
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Er bestaat voor statenleden aanspraak op een uitkering bij
                                invaliditeit als gevolg van een ongeval, hun overkomen tijdens de
                                uitoefening van het statenlidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tevens bestaat er voor gewezen statenleden die naast het
                                statenlidmaatschap geen hoofdbetrekking hadden of die in verband met
                                het statenlidmaatschap hun hoofdbetrekking hadden beperkt en
                                derhalve daaruit minder inkomsten verkregen dan daarvoor,
                                aansluitend op de in artikel 14 bedoelde uitkering, aanspraak op een
                                maandelijkse vervolguitkering van 70% van het geldende maandbedrag
                                van de vergoeding voor de werkzaamheden als statenlid ingeval zij
                                als gevolg van arbeidsongeschiktheid tussentijds zijn afgetreden als
                                statenlid. Het statenlid meldt zo spoedig mogelijk aan Gedeputeerde
                                Staten het van toepassing zijn of worden van de in dit lid bedoelde
                                omstandigheden ten aanzien van de hoofdbetrekking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het tweede lid bedoelde uitkering duurt ten langste voort tot
                                en met de statenperiode aansluitend aan die waarin het aftreden
                                plaatsvond.</al><al></al><al> De uitkering eindigt tevens: </al><lijst><li nr="a."><al> met ingang van de dag, volgend op die waarop belanghebbende
                                        is overleden;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen lid wederom als
                                        statenlid is beëdigd;</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de maand, volgend op die waarin de leeftijd
                                        van 65 jaar wordt bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten dragen, zo mogelijk door middel van af te
                                sluiten verzekeringen, zorg voor de in dit artikel bedoelde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Voorzieningen voor gedeputeerden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19. Reis-, pension- en verhuiskosten in verband met
                                benoeming</titel></kop><al>Aan de gedeputeerde die bij zijn benoeming nog niet over woonruimte in
                            de provincie beschikt, wordt een vergoeding van reis- en pensionkosten
                            en een vergoeding van verhuiskosten in verband met de benoeming
                            toegekend overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 18 van
                            het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De gedeputeerde heeft voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats
                            van tewerkstelling aanspraak op:</al><lijst><li nr="a."><al> een openbaarvervoerjaarkaart eerste of tweede klasse of;</al></li><li nr="b."><al> een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van het
                                    Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Zakelijke reis- en verblijfskosten</titel></kop><al>De gedeputeerde heeft aanspraak op een vergoeding van reis- en
                            verblijfskosten voor reizen gemaakt voor de uitoefening van het ambt,
                            overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 19
                            Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22. Dienstauto</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een gedeputeerde kan voor reizen ten behoeve van de provincie
                                gebruikmaken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder
                                dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan
                                een door de provincie ingehuurde auto. De dienstauto met of zonder
                                chauffeur kan door de gedeputeerde ook worden gebruikt voor reizen
                                ten behoeve van nevenfuncties die de gedeputeerde vervult uit hoofde
                                van zijn ambt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gedeputeerden kunnen gebruikmaken van de dienstauto met of
                                zonder chauffeur voor het reizen tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling: </al><lijst><li nr="a."><al> Indien de reizen ten behoeve van de provincie zoals bedoeld
                                        in het eerst lid bij de woning beginnen of eindigen, of</al></li><li nr="b."><al> Indien sprake is van bijzondere gevallen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een bijzonder geval bedoeld in het vorige lid onder b wordt
                                daarvan, zo mogelijk vooraf, melding gemaakt aan het college van
                                Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de gedeputeerde op grond van artikel 20 een tegemoetkoming
                                ontvangt in de reiskosten tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling, wordt een korting op die tegemoetkoming toegepast
                                ter grootte van: </al><lijst><li nr="a."><al> 1/20 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand
                                        voor elke dag waarop zowel van de woning naar de plaats van
                                        tewerkstelling als omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto;</al></li><li nr="b."><al> 1/40 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand
                                        voor elke dag waarop alleen hetzij van de woning naar de
                                        plaats van tewerkstelling hetzij omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de gedeputeerde ingevolge artikel 20 een
                                openbaarvervoerjaarkaart is verstrekt, wordt bij gebruik van een
                                dienstauto voor het reizen tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling een korting op zijn bezoldiging toegepast
                                overeenkomstig het bepaalde in de onderdelen a en b van het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de gedeputeerde voor reizen ten behoeve van in het eerste
                                lid bedoelde nevenfuncties gebruikmaakt van de provinciale
                                dienstauto en daarvoor van een derde ook een vergoeding van
                                reiskosten ontvangt, wordt die vergoeding in de provinciale kas
                                gestort.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Computer en communicatieapperatuur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor zover er sprake is van een vergoeding voor de aanschaf of het
                                gebruik van de eigen computerapperatuur , bijbehorende apperatuur en
                                software als bedoeld in artikel 22a, tweede lid, van het
                                Rechtspositiebesluit gedeputeerden, ontvangt de gedeputeerde ten
                                laste van de provincie op aanvraag per jaar een tegemoetkoming van
                                30% van de aanschafwaarde van deze apperatuur en software voor de
                                periode van maximaal drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanleg- en abonnementskosten van de internetverbinding ten
                                behoeve van het gebruik van de computer komen ten laste van de
                                provincie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen voor het ter beschikking stellen van
                                apperatuur als bedoeld in artikel 22a van het Rechtspositiebesluit
                                gedeputeerden een model van een bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24</titel></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25</titel></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29</titel></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 31 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 13 van het
                                Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks ingevolge artikel 13 voornoemd wordt herzien. Indien een
                                fractievolger, als bedoeld in artikel 54 onder f Reglement van Orde
                                Provinciale Staten en reglement op de Statencommissies, op dezelfde
                                dag meerdere vergaderingen van één of meerdere commissies bijwoont,
                                bestaat de vergoeding voor alle vergaderingen tezamen uit twee maal
                                het hiervoor genoemde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een comissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 94 van de Provinciewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie </al><lijst><li nr="a."><al> als statenlid of gedeputeerde;</al></li><li nr="b."><al> uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al> als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het provinciaal belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het bepaalde in het
                                eerste lid een hogere vergoeding vaststellen ten aanzien van: </al><lijst><li nr="a."><al> een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al> een lid van een commissie ten aanzien van wie de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het lid van een commissie dat geen statenlid of gedeputeerde is
                                en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie
                                is benoemd, worden de reiskosten voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van de commissie of andere in verband met het
                                commissielidmaatschap noodzakelijke reiskosten vergoed. De
                                vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        (trein)taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                        Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij meerdere vergaderingen op één en dezelfde dag in de provinciale
                                gebouwen wordt aan het lid van een commissie als bedoeld in het
                                eerste lid, slechts ten behoeve van één reis naar de provinciale
                                gebouwen vice versa een vergoeding als bedoeld in het eerste lid
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aan het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie worden
                                vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het bijwonen
                                van de vergaderingen van de commissie of in verband met andere in
                                verband met het commissielidmaatschap noodzakelijk geachte reizen,
                                tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens de
                                Dienstreisregeling voor de provincie Gelderland.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor het bijwonen van vergaderingen in de provinciale gebouwen
                                wordt de in artikel 7 van de Dienstreisregeling voor de provincie
                                Gelderland genoemde vergoeding niet genoten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Aan het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie wordt op
                                zijn verzoek vanwege de provincie een parkeersticker, -kaart of
                                anderszins verstrekt, waarmee hij ingeval hij in zijn hoedanigheid
                                van lid van de commissie in de provinciale gebouwen aanwezig dient
                                te zijn, zijn auto gratis op de Markt te Arnhem kan parkeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten kunnen een commissie uit Provinciale Staten
                                toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland.
                                Provinciale Staten kunnen aan de toestemming voorwaarden
                                verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of
                                vanwege de provincie georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de provincie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 34 Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door</al><lijst><li nr="a."><al> betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al> rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie;
                                    of</al></li><li nr="c."><al> een provinciale creditcard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 Declaratie van vooruitbetaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 20,
                                22, 24, 25 en 32, wordt gebruikgemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, indien
                                deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het declaratieformulier wordt, volledig ingevuld en ondertekend,
                                onder bijvoeging van de originele bewijsstukken, binnen één maand
                                ingediend bij de griffier door staten- en commissieleden of bij de
                                secretaris van Gedeputeerde Staten door gedeputeerden dan wel bij
                                een daarvoor aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36 Rechtstreekse facturering bij de provincie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 20, 22, 24, 25
                                en 26, kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door
                                het statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde voor akkoord
                                ondertekende factuur aan de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het begeleidingsfomulier en de factuur worden binnen één maand
                                ingediend bij de griffier door statenleden of bij de secretaris van
                                Gedeputeerde Staten door gedeputeerden dan wel bij een daarvoor
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37 Gebruik creditcard</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergoeding van kosten als bedoeld in de artikelen 22, 24 en 25,
                                kan plaatsvinden door gebruikmaking van de provinciale
                                creditcard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een provinciale creditcard wordt de gedeputeerde op aanvraag in
                                bruikleen ter beschikking gesteld voor het doen van uitgaven die
                                voor vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de provincie in
                                aanmerking komen. Aan de verstrekking van de creditcard kunnen
                                voorwaarden worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De secretaris van Gedeputeerde Staten draagt zorg voor de aanvraag,
                                verstrekking en intrekking van provinciale creditcards. Bij de
                                aanvraag wordt aangegeven of een persoonlijke pincode voor het
                                opnemen van contant geld gewenst wordt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen één maand
                                ingediend bij de secretaris van Gedeputeerde Staten of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij beëindiging van het ambt van gedeputeerde wordt de creditcard
                                onverwijld ingeleverd.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Verlies of diefstal van de creditcard wordt direct gemeld bij de
                                betreffende creditcardmaatschappij en zo spoedig mogelijk ook bij de
                                provincie. Het eigen risico bij verlies en diefstal komt, mits is
                                voldaan aan de daarvoor geldende regels, voor rekening van de
                                provincie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VI Hardheidsclausule, citeertitel, intrekking,
                            overgangsrecht en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 38 Hardheidsclausule</titel></kop><al>In bijzondere gevallen waarin deze verordening niet voorziet of waarin
                            de toepassing van deze verordening naar het oordeel van Gedeputeerde
                            Staten tot een onredelijke uitkomst leidt, wordt, binnen de grenzen
                            zoals die zijn gesteld in de in artikel 1 bedoelde
                            rechtspositiebesluiten, door Gedeputeerde Staten naar billijkheid
                            beslist.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie
                            gedeputeerden, staten- en commissieleden Gelderland 2007.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 40 Intrekking diverse regelingen en
                                inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en
                                commissieleden Gelderland wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deze verordening, met uitzondering van artikel 18, zesde lid,
                                treedt in werking op de dag na die van uitgifte van het provinciaal
                                blad waarin de verordening is geplaatst en werkt terug tot en met 1
                                maart 2007.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Artikel 12 werkt terug tot en met 12 maart 2003.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Artikel 13 werkt terug tot 1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 18, zesde lid, treedt in werking op een door Provinciale
                                Staten te bepalen tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Artikel 21 werkt terug tot en met 1 januari 2004.</al><al></al><al></al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Provinciale Staten van Gelderland </al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>