<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR77271_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WIJ 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Maasgouw</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Maasgouw</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maasgouw Nieuws, 01-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0026054&amp;artikel=12">Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0026054&amp;artikel=35">Wet investeren in jongeren, art. 35, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R08.0315c</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR257767_1">Toeslagenverordening WWB 2013</extref>.</al><al>Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 juli 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WIJ 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Maasgouw</al><al> gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van Maasgouw</al><al> gelet op artikel 147 van de Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste lid,
                        onderdeel e, en 35, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren;</al><al> overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan
                        27 jaar bij verordening te regelen;</al><al> BESLUIT</al><al> vast te stellen de Toeslagenverordening WIJ 2010</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 28, onderdeel d, van de
                            wet;</al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders</al></li><li nr="d."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de
                            huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel
                            3, zesde lid, Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="e."><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="-"><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs,
                            bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="-"><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                            omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met
                            het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                            bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere, alleenstaande
                            of alleenstaande ouder, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                            heeft;</al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                            procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of meer anderen
                            zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of toeslag </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden </titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent van de
                            gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun hoofdverblijf
                            in dezelfde woning hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie </titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt: 20 procent
                            van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de
                            jongere geen woonkosten zijn verbonden of als er geen woning wordt
                            bewoond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters </titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 33 van de wet bedraagt 25 procent
                            van de gehuwdennorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21 jaar
                            betreft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22 jaar
                            betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                            van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze toeslag
                            minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid 1 zou
                            leiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een jongere
                            op wie artikel 6 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling </titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,</al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding </titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking 3 dagen na publicatie en werkt terug
                            tot 1 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel </titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van 8 juli
                        2010.</ondertekening><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening> de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening> S.B.J. Backus S.H.M. Strous</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>ARTIKELSGEWIJZE </titel></kop><al>Artikel 1</al><al> Evenals in de toeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’ omschreven,
                    omdat het</al><al> uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en verlagingen, voor 21- tot
                    27-jarigen daaraan is gerelateerd.</al><al> Volstaan is met een verwijzing naar artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ. De daar
                    genoemde gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub
                    a, WWB. Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven.
                    Gelet op de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde
                    begrip is bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet
                    op de huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als
                    zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte
                    is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden”. Het begrip ‘woonkosten’ is
                    nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de toepassing van artikel 5
                    (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen
                    onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering
                    (tot 1996) was opgenomen. Het is aan het college overgelaten om de
                    onderhoudskosten vast te stellen. Omdat een woning ook een woonwagen of
                    woonschip kan zijn, is tevens verwezen naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin
                    deze woonruimtes met een woning worden gelijkgesteld.</al><al> Artikel 2</al><al> Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze verordening meerdere
                    malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid, WIJ omschrijft dit
                    begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27
                    jaar.</al><al/><al> Artikel 3</al><al> Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht om
                    te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1.</al><al> Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                    dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld
                    huur en stookkosten). Hierbij is het niet van belang of er een daadwerkelijke
                    betalingsverplichting heeft. Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke
                    huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld
                    kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. Evenals in de
                    model-toeslagenverordening WWB is in deze verordening als uitgangspunt gekozen
                    voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van de
                    toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate
                    waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte van de
                    toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is. De
                    meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat deze de meest
                    efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de
                    jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld
                    CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de toeslagenverordening is daarom gekozen
                    voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één of meerdere
                    in dezelfde woning zijn hoofdverblijf hebben.Volledigheidshalve moet hier nog
                    worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke situatie dat de medebewoner over geen
                    enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan de niet rechthebbende partner of
                    inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de toeslag vanwege medebewoning niet
                    kan worden toegepast. De medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen bijdrage
                    in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor de betrokkene
                    (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129 NABW).</al><al> Artikel 4</al><al> Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10 procent als een woning gedeeld wordt
                    met een of meer anderen, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in
                    dezelfde situatie. De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met
                    een of meer anderen en daarom is een verlaging op zijn plaats.</al><al> Artikel 5</al><al> Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden de
                    mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5
                    gerealiseerd. De norm of toeslag wordt met 20% verlaagd als de jongere
                    zelfstandig woont en geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij krakers,
                    of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ex-partner. Onder
                    woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de jongere een eigen
                    woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden
                    zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                    onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW).</al><al> Artikel 6</al><al> De schoolverlatersverlaging van artikel 33 WIJ is blijkens de toelichting op
                    dat artikel bedoeld om de</al><al> schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een veel betere
                    financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de WTOS. Er wordt daarbij
                    geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende student.
                    Opmerking verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater zijn, de
                    verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan 25%. Wel is denkbaar, dat de
                    periode waarover de verlaging wordt toegepast, verlengd wordt, als beide
                    partners na elkaar schoolverlater worden. Wordt naast de
                    schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast i.v.m. medebewoning dan kan
                    dit spoedig tot gevolg hebben dat de totale verlaging te groot is en aanpassing
                    behoeft, gelet op het individualiseringsbeginsel. Dat kan afgeleid worden uit
                    CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349. Als de schoolverlater voor beëindiging van de
                    studie studiefinanciering WSF2000 ontving naar de norm van uitwonende student,
                    dan moet de inkomensvoorziening minimaal op die norm worden vastgesteld.</al><al> Artikel 7</al><al> Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige.
                    In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 34
                    WIJ- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag van artikel 33 WIJ. In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de
                    verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te
                    stellen dat de schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast
                    met de verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige schoolverlater
                    niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op
                    grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening.</al><al> Artikel 8</al><al> De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                    aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college
                    de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 35,
                    vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger moeten vaststellen. Daarom is er
                    voor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast
                    te leggen, waarop het college de norm (inclusief eventuele toeslag en
                    verlagingen) tenminste moet vaststellen. Dat laat onverlet dat in concrete
                    omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar is dat de norm hoger moet worden
                    vastgesteld. Zie bijv. de hierboven beschreven jurisprudentie t.a.v. de
                    samenloop van een verlaging i.v.m. medebewoning en het ontbreken van woonkosten
                    (CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698) en de samenloop van een schoolverlatersverlaging
                    en een verlaging i.v.m. medebewoning (CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349). Het
                    individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop ook bij
                    een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde percentages ligt, al
                    aanleiding is om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle
                    omstandigheden van de jongere. Aan de verplichting van artikel 35, tweede lid,
                    sub b, WIJ, t.w. dat in de Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de
                    schoolverlatersverlaging (artikel 33 WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 34
                    WIJ) niet gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de
                    formulering van artikel 7 van de Toeslagenverordening.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>