<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR77114_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Neder-Betuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Neder-Betuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Rhenense Betuwse Courant 16-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=BRANDWEERWET 1985">Brandweerwet 1985, art. 12</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-05-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RAAD/11/01160</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit</al><al>Datum besluit: 3 februari 2005</al><al>De raad van de gemeente Neder-Betuwe;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, d.d. 18 januari
                        2005;</al><al>gelet op het bepaalde in:</al><al>artikel 12 van de Brandweerwet 1985 (Stb. 87)</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de Brandbeveiligingsverordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke
                                ruimtelijk begrensde plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in
                                de Woningwet en de bouwverordening.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><titel/></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Vergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik inrichting</titel></kop><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben
                                    of te houden, waarin:</al><al>A meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn,
                                    anders dan in één- of</al><al>meergezinshuis;</al><al>B bedrijfsmatig de stoffen zullen worden opgeslagen die in de
                                    Regeling Bouwbesluit materialen zijn omschreven als brandbaar,
                                    brandbevorderend en bij brand gevaar opleverend;</al><al>C aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                    verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al><al>D meer dan vier ouderen gehuisvest en verzorgt worden;</al><al>E aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer
                                    dan tien lichamelijk en / of geestelijk gehandicapten
                                    dagverblijf zal worden verschaft;</al><al>F aan meer dan vier personen bedrijfsmatig in een
                                    seksinrichting, dag- en/of nachtverblijf zal worden
                                    verschaft;</al><al>G aan meer dan vier personen bedrijfsmatig woonverblijf zal
                                    worden verschaft, anders dan één huishouden per woning;</al><al>H brandcompartimenten zijn opgenomen waarvan de afmetingen zijn
                                    bepaald met toepassing van het brandbeveiligingsconcept
                                    "beheersbaarheid van brand".</al><al>2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning
                                    voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al><al>3. Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                    vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of
                                    verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,
                                    opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen
                                    burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe
                                    voorschriften verbinden en gestelde voorschriften wijzigen of
                                    intrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Weigeren vergunning</titel></kop><al>Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag
                                    vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de
                                    beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig
                                    gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen
                                    voldoende brandveilig gebruik kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken
                                    indien:</al><al>a. blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                    onvolledige gegevens hebben verleend;</al><al>b. blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan
                                    een voorschrift van de vergunning;</al><al>c. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken
                                    na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de datum
                                    of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor
                                    de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde
                                    activiteit heeft plaatsgevonden;</al><al>d. van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                    langer geen gebruik is gemaakt;</al><al>e. het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                    grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van
                                    de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door
                                    het stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende
                                    te beschermen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                    vergunning betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn, en
                                    moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de
                                    naleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                    brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor inrichtingen</titel></kop><al>1. Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze
                                    van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                                    gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik
                                    te zijn.</al><al>2. Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de
                                    bouwverordening.</al><al>3. Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden
                                    een inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een
                                    woonschip waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van
                                    bewoners in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel
                                    en begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de
                                    bouwverordening.</al><al>4. Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van
                                    artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><al>1. Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling
                                    Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede
                                    artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188)
                                    in, op of nabij een inrichting aanwezig te hebben.</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><al>a. het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het andere
                                    niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste lid bedoelde
                                    stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de bouwverordening
                                    aangegeven maximum hoeveelheden niet overschrijdt;</al><al>b. het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde
                                    stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning overeenkomstig
                                    artikel 2.1.1 is verleend;</al><al>c. de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen of
                                    afleveren van vloeibare brandstoffen, dat voldoet aan de eisen
                                    gesteld bij of krachtens de Verordening opslag gas, huisbrand en
                                    stookolie;</al><al>d. de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor;</al><al>e. de brandstof in een verlichtings, een verwarmings of een
                                    ander warmte-ontwikkelend toestel.</al><al>3. Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede
                                    lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat
                                    gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid
                                    volledig meegerekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid
                                    (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot
                                    wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen
                                    volgens de in bijlage 6 van de bouwverordening aangegeven
                                    wijze.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                    brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                                    bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te
                                    onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater
                                    kan worden beschikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te
                                    plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of
                                    de zichtbaarheid wordt belemmerd van:</al><al>a. middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                    bestrijding van brand;</al><al>b. middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                    personen en dieren bij brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-,
                                    herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij
                                    stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid
                                    (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot
                                    wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188), of gereedschappen worden
                                    gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het
                                    ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen
                                    tegen het ontstaan van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Verbod open vuur en roken</titel></kop><al>1. Het is verboden te roken of vuur te hebben:</al><al>a. in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of meer van
                                    de stoffen genoemd in de regeling Bouwbesluit brandveiligheid
                                    (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot
                                    wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188), onder a tot met h;</al><al>b. bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                                    brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen veroorzaken;</al><al>c. bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare
                                    vloeistof of een brandbaar gas.</al><al>2. Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester
                                    en wethouders ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6</nr><titel>Verboden handelingen met stoffen</titel></kop><al>1. Het is verboden een brandbaar gas of gasmengels uit een vat
                                    te doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of
                                    ingericht is om dat gas of gasmengsel te bevatten.</al><al>2. Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in
                                    leidingen te verwarmen.</al><al>3. Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen
                                    van speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan
                                    luchtvaartuigen bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde
                                    luchtvaartuigen opstijgen van en landen op alsmede het inrichten
                                    van niet als luchtvaartterreinen aangewezen terreinen (Stb.
                                    1988, 511).</al><al>4. Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                    gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                    wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al><al>5. Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te
                                    vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand
                                    ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>leder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht
                                    dit onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.8</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>1. De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of
                                    een ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                                    verplicht -na een van burgemeester en wethouders ontvangen
                                    aangetekende brief- de voorschriften op te volgen, die
                                    burgemeester en wethouders in die brief geven tot het voorkomen
                                    van brand en het beperken van de gevolgen van brand</al><al>2. Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt
                                    verstaan elke aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand,
                                    die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout.</al></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><titel/></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Straf- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Toezicht op de naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening
                                wordt opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door
                                burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                                gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de
                                derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking op de dag waarop zij is
                                afgekondigd</al><al>2. Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                Brandbeveiligingsverordening.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><titel>Ondertekening</titel></kop></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Besloten in de raadsvergadering van 17 maart 2005,</ondertekening><ondertekening> de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening> AJ.D. Fukkink ir. A.P. Heidema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Toelichting op de Brandsbeveiligingsverordening van de gemeente
                        Neder-Betuwe (vastgesteld 17maart 2005)</titel></kop><al> A Algemene toelichting</al><al> De brandbeveiligingsverordening regelt het brandveilig gebruik van
                    inrichtingen. De werkingssfeer is in artikel 12 van de Brandweerwet 1985
                    aangegeven: de brandbeveiligingsverordening is van toepassing voor zover in
                    hetgeen zij regelt niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige
                    andere wet. Bouwwerken zijn daaronder niet begrepen, omdat regeling van het
                    brandveilig gebruik daarvan ingevolge de Woningwet 1991 verplicht in de
                    bouwverordening is opgenomen. Als gevolg hiervan is de
                    brandbeveiligingsverordening ingrijpend gewijzigd. De
                    brandbeveiligingsverordening kan slechts regelen voor zover niet in de
                    brandveiligheid is voorzien bij of krachtens het bepaalde in andere wettelijke
                    regelingen. Rest derhalve thans die ’voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                    begrensde plaatsen’, die geen bouwwerk zijn (zie ook de toelichting op artikel
                    1). De vergunningsplicht is evenwel pas van toepassing, wanneer aan de criteria,
                    genoemd in artikel 2.1.1 wordt voldaan. De verordening bevat geen voorschriften
                    over het aanvragen, het voorbereiden en het beslissen op een verzoek om een
                    vergunning. Die onderwerpen zijn geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Stb.
                    1992, 315). De artikelen 4:1 tot en met 4:6 van de Awb zijn op de
                    vergunningaanvraag van toepassing. De voorschriften hebben onder andere
                    betrekking op: bij wie de aanvraag moet worden ingediend, welke gegevens
                    tenminste op de aanvraag moeten staan en wanneer de aanvraag in behandeling kan
                    worden genomen. De artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb geven aan binnen
                    welke termijn een aanvraag om een vergunning moet worden afgewikkeld. De Awb
                    geeft geen vaste termijn in weken, maar geeft aan dat de aanvraag binnen een
                    redelijke termijn tot een beschikking moet leiden. Die redelijke termijn is in
                    ieder geval verstreken als niet binnen acht weken na het in ontvangst nemen van
                    de aanvraag een beslissing is genomen of aan de aanvrager is medegedeeld binnen
                    welke redelijke termijn hij een beslissing op zijn aanvraag krijgt. Door het
                    hanteren van de artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb kan afhankelijk van de
                    inhoud van de aanvraag aangegeven worden binnen welke termijn de aanvraag wordt
                    afgehandeld. Derhalve is in de verordening geen artikel opgenomen dat een vaste
                    termijn voor een vergunningaanvraag voorschrijft. Artikelsgewijs toelichting
                    Artikel 1.2 Werkingssfeer</al><al> De in artikel 1.1 bedoelde ’voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                    plaatsen’ is een ruime omschrijving. Bouwwerken vallen daar niet onder, het
                    gebruik hiervan vindt immers regeling in de bouwverordening. In dit verband ware
                    te denken aan alle ’bouwwerken’ die op het water drijven en los met de wal
                    verbonden zijn, zoals hotelboten, opslagschepen en drijvende restaurants. Deze
                    zijn namelijk geen bouwwerken in de zin van de Woningwet 1991 en vallen derhalve
                    niet onder de werking van het Bouwbesluit en de bouwverordening. Er bestaat een
                    in dit kader relevante uitspraak van het Hof Arnhem d.d. 6 juni 1972, NJ 73,
                    209. Daarin werd uitgemaakt ’dat een op het water drijvend bouwsel niet valt
                    onder het begrip "gebouw" en evenmin onder de definitie in de gemeentelijke
                    bouwverordening, omdat het niet in de geest van die verordening met de grond
                    verbonden is noch steun vindt in of op de grond’. Er was hier sprake van het
                    aanmeren middels twee lijnen aan in de grond geplaatste meerpalen, teneinde
                    afdrijven te voorkomen. Het valt te verwachten dat bij een ’minder losse
                    verbinding’ de bouwsels onder de werking van de Woningwet zullen vallen.
                    [“artikelsgewijs” moet zijn “artikelsgewijs”] Ook allerlei terreinen vallen
                    onder het begrip inrichting, evenals (feest)tenten e.d. Artikel 2.1.1 Vergunning
                    gebruik bouwwerk</al><al> Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden,
                    zoals voorschriften met betrekking tot:</al><al> - Stoffering en versiering;</al><al> - Uitgangen en vluchtwegen;</al><al> - Installaties;</al><al> - Standbouw, podia, kramen e.d.;</al><al> - Verbrandingsmotoren;</al><al> - Verbod voor open vuur en vuurwerk;</al><al> - Bewaking en controle;</al><al> - Ventilatie en werkzaamheden;</al><al> - Brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen;</al><al> - Opstellingsplannen;</al><al> - Afval;</al><al> - Doorlopend toezicht;</al><al> - Brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande
                    interne organisatie;</al><al> - Het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een inrichting of
                    in een inrichting met het oog op de brandveiligheid. Ook zijn voorschriften van
                    bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde bouwsels niet onder de
                    werking van de Woningwet vallen. Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning</al><al> Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2 niet expliciet genoemd. Toetsingsgrond
                    voor een vergunning kunnen zijn: a. voor de constructies - het Bouwbesluit en de
                    bouwverordening;</al><al> b. voor het gebruik - de bijlagen van bouwverordening en van de toelichting op
                    de bouwverordening.</al><al> c. De situaties a en b betreffen uiteraard uitsluitend de brandveiligheid. Een
                    andere goede basis voor de beoordeling van de vergunningsplichtige inrichtingen
                    zijn de boeken die de NBF uitgeeft in de serie ’Een brandveilig gebouw .......’.
                    Een nadere omschrijving van de toetsingscriteria is gezien de diversiteit van de
                    inrichtingen (tenten, hotelboten, kampeerterreinen e.d.) niet mogelijk. Artikel
                    2.2.1 Gebruikseisen inrichtingen</al><al> Alleen de in artikel 2.1.1 genoemde inrichtingen zijn vergunningsplichtig. In
                    artikel 2.2.1 vindt de brandveiligheid van niet vergunningsplichtige
                    inrichtingen regeling. Artikel 3.1 Toezicht op de naleving</al><al> Burgemeester en wethouders wijzen in verband met de bij de gemeentelijke
                    organisatie verordening (ex artikel 1 van de Brandweerwet 1985) opgedragen taken
                    in ieder geval de brandweer aan als de gemeentelijke dienst belast met het
                    toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening. In de toelichting
                    op de bouwverordening vermelden wij dat de brandweer de deskundige dienst is om
                    te adviseren over brandpreventie voorschriften. Tevens kunnen ook andere
                    personen met de naleving ervan worden belast, zoals bijvoorbeeld van het bouw-
                    en woningtoezicht. Het verdient in elk geval aanbeveling bij de uitvoering van
                    deze verordening en van andere verordeningen een coördinatie tot stand te
                    brengen. voor de opsporing van (onder meer) de in de
                    brandbeveiligingsverordening aangegeven strafbare feiten zijn door de
                    staatssecretaris van Binnenlandse Zaken uitsluitend aangewezen de commandanten
                    en het personeel van gemeentelijke brandweren in de rang van
                    adjunct-hoofdbrandmeester of hoger. Beschikkingen van de staatssecretaris van 24
                    maart 1986, nr. EB 85/V4828 (Stb. 1986, 84) en van 5 december 1986, nr. EB
                    86/V2859 (Stb. 1986, 247). Artikel 3.2 Strafbepaling</al><al> Op grond van het facultatieve karakter van de in artikel 23 van de Brandweerwet
                    1985 genoemde strafbepaling is het ook mogelijk dat op overtreding van de regels
                    van de brandbeveiligingsverordening een lagere hechtenis of geldboete van de
                    eerste of tweede categorie in de verordening gesteld worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>