<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76903_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2010, 2</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, eerste lid, en artikel 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB09.0177</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>1. Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet
                                    nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                    werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al> algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="c."><al> bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al> bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al> bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel
                                            5, onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="f."><al> afstemming: het verlagen van de bijstand op grond van
                                            artikel 18, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="g."><al> het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Den Helder, dan wel een medewerker of
                                            organisatie, die namens het college is belast met de
                                            uitvoering van de wet;</al></li><li nr="h."><al> belanghebbende: degene van wie het belang rechtstreeks
                                            bij een besluit is betrokken;</al></li><li nr="i."><al> re-integratie-instrumenten: instrumenten die het
                                            college ter beschikking heeft voor het bieden van
                                            ondersteuning als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                            onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="j."><al> re-integratietraject: een plan, bestaande uit een
                                            geheel van re-integratie-instrumenten, dat tot doel
                                            heeft om binnen een bepaald tijdsbestek te komen tot
                                            arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke
                                            participatie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In overeenstemming met deze verordening wordt de bijstand
                                    verlaagd indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                            bestaan;</al></li><li nr="b."><al>of daarna onvoldoende heeft meegewerkt aan het
                                            verkrijgen of behouden van arbeid in
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="c."><al>of in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag,
                                            de inlichtingen- en medewerkingverplichting als bedoeld
                                            in de wet niet of onvoldoende is nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>of zich tegenover het college zeer ernstig heeft
                                            misdragen.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                    belanghebbende en kan daarom afwijken van de in deze verordening
                                    genormeerde verlagingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de voor de belanghebbende van
                                toepassing zijnde bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien de belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot toepassen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het toepassen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd alsmede het
                                    bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardverlaging en</al></li><li nr="e."><al>dat de verlaging is afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de
                                    belanghebbende verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat de verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van artikel 7 van de wet, werkzaamheden in
                                            het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een
                                            gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld
                                            in de wet; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college ziet af van het verlagen van de bijstand indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is
                                        verleend. </al></li><li nr="b."><al> het een eerste verwijtbare gedraging betreft die niet heeft
                                        geleid tot het ten onrechte verlenen van of tot een te hoog
                                        bedrag aan bijstand. Dit lid is niet van toepassing indien
                                        sprake is van het niet of niet tijdig inleveren van de
                                        inkomstenverklaring.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan afzien van het uitvoeren van de verlaging van de
                                bijstand indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
                                Omstandigheden die rechtstreeks het gevolg zijn van een als
                                verwijtbaar aan te merken gedraging, zijn geen dringende
                                redenen.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien het college afziet van het toepassen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het verlagen van de bijstand aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid vindt de verlaging van de bijstand
                                direct plaats als er sprake is van het niet of te laat inleveren van
                                een inkomstenverklaring.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tenzij het betreft het onverantwoord interen van het vermogen vindt
                                de verlaging van de bijstand plaats:</al><lijst><li nr="a."><al> voor de duur van één kalendermaand, wanneer er sprake is
                                        van een eerste verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="b."><al> voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is
                                        van een tweede verwijtbare gedraging, waarvoor hetzelfde of
                                        een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf maanden
                                        na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij een derde en volgende gedraging, waarvoor
                                hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf
                                maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de
                                bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het
                                bepaalde in artikel 2, tweede lid van deze verordening.</al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een
                                langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de
                                mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende
                                daartoe aanleiding geven.</al><al/></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging van de bijstand
                                direct worden toegepast voor zover de bijstand nog niet in die maand
                                is uitbetaald dan wel in de toekomst worden toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            bedoeld in artikel 2, eerste lid, inhouden, volgt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de verlaging dat er een stapeling optreedt van de
                            verlagingspercentages behorend bij de verschillende gedragingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college heroverweegt de verlaging van de bijstand bedoeld in
                                artikel 7, vierde en vijfde lid, als de verlaging wordt toegepast
                                voor een periode van meer dan drie maanden, binnen de termijn van
                                ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot
                                verlaging.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het
                                gedrag van de belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot
                                beëindiging of voortzetting van het toepassen van de verlaging van
                                de bijstand.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan bij een besluit tot voortzetting van het toepassen
                                van de verlaging van de bijstand het percentage van de verlaging
                                verdubbelen, rekening houdend met het gestelde in artikel 2, tweede
                                lid van deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF
                            BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de WWB (plicht tot arbeidsinschakeling) niet of niet
                            voldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><al/><lijst><li nr="1."><al> Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                            bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven
                                            bij het UWVWerkbedrijf.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                            bestaan;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting
                                            gebruik te maken van geboden re-integratie-instrumenten,
                                            waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan
                                            een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing, zelfstandige
                                            maatschappelijke participatie, of
                                            inburgeringsvoorzieningen, voor zover dit niet heeft
                                            geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van het re-integratietraject.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting
                                            gebruik te maken van geboden re-integratie-instrumenten,
                                            waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan
                                            een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing, zelfstandige
                                            maatschappelijke participatie, of
                                            inburgeringsvoorzieningen, voor zover dit heeft geleid
                                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van het re-integratietraject.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De verlagingspercentages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het percentage van de verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al> vijf procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                        eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al> tien procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                        tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al> twintig procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                        derde categorie;</al></li><li nr="d."><al> honderd procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                        vierde categorie.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan, in afwijking van het eerste lid, het percentage
                                van de verlaging hoger of lager vaststellen, rekening houdend met
                                het gestelde in artikel 2, tweede lid van deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet niet of niet behoorlijk is nagekomen door informatie die
                                van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand niet,
                                niet tijdig of onvolledig te verstrekken, dan wel anderszins
                                onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek van het college
                                met betrekking tot het recht op bijstand, wordt het recht op
                                bijstand opgeschort (artikel 54, eerste lid van de wet). Op grond
                                van artikel 54, tweede lid van de wet wordt aan de belanghebbende
                                mededeling gedaan van de opschorting en wordt aangegeven binnen
                                welke termijn het verzuim hersteld dient te worden. Bij het
                                herstellen van het verzuim binnen de gestelde hersteltermijn wordt
                                een verlaging toegepast. </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht als
                                bedoeld in het eerste lid en heeft deze niet geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de
                                verlaging vastgesteld op 5% van de bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet niet of niet behoorlijk is nagekomen door informatie die
                                van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand niet,
                                niet tijdig of onvolledig te verstrekken, dan wel anderszins
                                onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek van het college
                                met betrekking tot het recht op bijstand, wordt het recht op
                                bijstand opgeschort (artikel 54, eerste lid van de wet). Op grond
                                van artikel 54, tweede lid, van de wet wordt aan de belanghebbende
                                mededeling gedaan van de opschorting en wordt aangegeven binnen
                                welke termijn het verzuim hersteld dient te worden. Bij het
                                herstellen van het verzuim binnen de gestelde hersteltermijn wordt
                                een verlaging toegepast.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht als
                                bedoeld in het eerste lid en heeft deze geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de verlaging
                                vastgesteld op 10% van de bijstandsnorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de belanghebbende zich tegenover het college en de in zijn
                                opdracht werkende ambtenaren en medewerkers zeer ernstig misdraagt
                                als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt,
                                onverminderd artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast van 100%
                                van de bijstandsnorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Mandaatverlening Sociale Verzekeringsbank</titel></kop><al>In afwijking van de vorige artikelen is op de uitkeringsgerechtigden die
                            op grond van mandaatregeling (collegebesluit 6 mei 2009, nr. a09.00364)
                            van de Sociale verzekeringsbank (SVB) een uitkering ingevolge de WWB
                            ontvangen, het maatregelenbeleid van de SVB (Staatscourant 2006, 121)
                            van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><al>Het college kan, in verband met de uitvoering van deze verordening,
                            nadere regels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.</al><al>De Afstemmingsverordening 2009 wordt hierbij ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening WWB
                            2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus besloten in de raadsvergadering van 14 december 2009.</ondertekening><ondertekening> ir. C.J. Vriesman, voorzitter</ondertekening><ondertekening> mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>De WWB kent één soort afstemming van bijstand, namelijk het verlagen van de
                    uitkering. Uitgangspunten in deze verordening zijn dat het college op grond van
                    artikel 18 WWB verplicht is de bijstand te verlagen bij het niet nakomen van de
                    verplichtingen zoals opgenomen in de verordening (en uitgewerkt in
                    beleidsregels) en dat maatwerk geleverd wordt bij het verlagen van de bijstand. </al><al>Het college moet in elke individuele situatie bepalen welke verplichtingen van
                    toepassing zijn en wat de verlaging is als die verplichtingen niet of niet
                    voldoende worden nagekomen. Het college dient daarbij de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en
                    middelen van de belanghebbenden. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt, ziet het college af van een verlaging van de uitkering. </al><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>Begripsomschrijving</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB. Tevens wordt in de verordening
                    “belanghebbende” gebruikt. Dit begrip is in artikel 1:2 van de Algemene wet
                    bestuursrecht gedefinieerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><tussenkop>Het toepassen van een verlaging</tussenkop><al/><tussenkop>lid 1</tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering zes soorten
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan.</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="3."><al>De informatieplicht.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingplicht.</al></li><li nr="5."><al>Aanvullende verplichtingen.</al></li><li nr="6."><al>De identificatieplicht.</al></li></lijst><al/><al>Ad 1. Voldoende besef van verantwoordelijkheid tonen voor de voorziening in het
                    bestaan.</al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond,
                    waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het
                    bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd, het college bij de toekenning hiermee rekening dient te houden en
                    de bijstand afstemt op het betoonde besef. </al><al/><al>Ad 2. De plicht tot arbeidsinschakeling.</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling is neergelegd in artikel 9 WWB en bestaat uit
                    twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te aanvaarden en te behouden;</al></li><li nr="2."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                            verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                            verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                            de belanghebbende. De re-integratieverordening van de gemeente Den
                            Helder vormt de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke
                            verplichtingen. Deze verplichtingen dienen in het </al><al>besluit tot het verlenen van bijstand te worden neergelegd.</al></li></lijst><al/><al>Ad 3. De informatieplicht.</al><al>Artikel 17, eerste lid WWB bepaalt dat de belanghebbende aan het college op
                    verzoek of direct uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten of
                    omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en/of het recht op
                    bijstand.</al><al/><al>Ad 4. De medewerkingplicht.</al><al>De plicht van belanghebbenden om desgevraagd het college de medewerking te
                    verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet is neergelegd
                    in artikel 17, tweede lid WWB. De medewerkingplicht bestaat uit allerlei
                    concrete verplichtingen zoals het toestaan van een huisbezoek of het meewerken
                    aan een psychologisch onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid WWB noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                    van de medewerkingplicht inhoudt: het zich tegenover het college zeer ernstig
                        misdragen<cursief>.</cursief></al><al>Hiertoe behoort ook agressief gedrag, zij het dat er in dat geval sprake moet
                    zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                    alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>In het veiligheidsprotocol van de gemeente Den Helder is agressief gedrag als
                    volgt gedefinieerd: “voorvallen waarbij een medewerker psychisch of fysiek wordt
                    lastig gevallen, bedreigd of aangevallen, onder omstandigheden die rechtstreeks
                    verband houden met het uitoefenen van de functie of de taken van de
                    afdeling”.</al><al/><al>Ad 5. Aanvullende verplichtingen </al><al>Naast de algemene voor iedere belanghebbende geldende uitkeringsverplichtingen,
                    kent de WWB de bevoegdheid aan het college toe om aanvullende verplichtingen aan
                    een belanghebbende op te leggen. Het betreft verplichtingen die strekken tot
                    arbeidsinschakeling, of verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                    vorm van bijstand of strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand,
                    zoals het aanvragen van kinderalimentatie, of dat bepaalde betalingen voor
                    noodzakelijke kosten van het bestaan rechtstreeks worden voldaan door het
                    college, of akkoord te gaan met betaling van bijstand in natura (artikel 55 tot
                    en met 57 WWB).</al><al/><al>Ad 6. De identificatieplicht</al><al>Artikel 17, vierde lid WWB bepaalt dat een ieder desgevraagd verplicht is aan
                    het college informatie te verstrekken over zijn identiteit, voor zover dit
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. </al><al>Bij de invoering van de WWB is het daardoor mogelijk geworden bij een nader
                    onderzoek, in het kader van handhaving, bij het betreden van de plaats waar het
                    onderzoek plaatsvindt te vragen naar identiteitsbewijzen. </al><al/><tussenkop>lid 2</tussenkop><al>In de verordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een
                    verplichting betekenen, standaard verlagingen vastgesteld in de vorm van een
                    vaste procentuele verlaging van de bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat het college de verlaging dient
                    af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate
                    van verwijtbaarheid. </al><al>Behoudens de in deze verordening opgenomen uitzonderingen, brengt deze bepaling
                    met zich mee dat het college bij afstemming zal moeten nagaan of, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de belanghebbende, afwijking van de hoogte en de
                    duur van de voorgeschreven standaard verlaging geboden is. Afwijking van de
                    standaard verlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>De berekeningsgrondslag</tussenkop><al/><tussenkop>lid 1</tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat de verlaging plaats vindt op de
                    bijstandsnorm. Mogelijk ten overvloede wordt hierbij nogmaals gesteld dat onder
                    de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke
                    toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><al/><tussenkop>lid 2</tussenkop><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op die lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. </al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><tussenkop>Het besluit tot het toepassen van een verlaging</tussenkop><al>Het afstemmen van de bijstand vindt plaats door middel van een besluit. Wanneer
                    de verlaging op een lopende uitkering wordt toegepast, wordt een besluit tot
                    vaststelling van de algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen. Wordt
                    de verlaging met terugwerkende kracht toegepast, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid WWB). Tegen
                    beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. </al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder gevalmoet
                    worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan in het
                    bijzonder het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in
                    dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><tussenkop>Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb).</al><al>In het kader van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel (zoals
                    geformuleerd in artikel 3:2 en 3:4 Awb) wordt in het eerste lid het horen van de
                    belanghebbende voordat verlaging van bijstand plaats vindt, in beginsel
                    voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de hoorplicht. </al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><tussenkop>Afzien van het toepassen van een verlaging</tussenkop><al/><tussenkop>lid 1</tussenkop><al>De WWB bepaalt dat het college moet afzien van het verlagen van de bijstand
                    indien iedere verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al/><tussenkop>lid 2</tussenkop><al>Deze bepaling regelt de schriftelijke waarschuwing en geeft de mogelijkheid om
                    bij een eerste verwijtbare gedraging met een waarschuwing te volstaan.
                    Uitgangspunt blijft echter dat verwijtbaar gedrag in beginsel tot verlaging van
                    de bijstand leidt. Als wordt overwogen om met een waarschuwing te volstaan, moet
                    dit uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Een waarschuwing bij een eerste gedraging
                    is dus geen automatisme. Het zal in vrijwel alle gevallen gaan om relatief
                    onbeduidende gedragingen met geen
                    voor het recht op, of de hoogte van de bijstand directe gevolgen (zoals het
                    laten verlopen van inschrijving UWV WERKbedrijf met enkele dagen e.d.) en / of
                    van een geringe mate van verwijtbaarheid. De feitelijke gedraging moet wel
                    worden omschreven in een waarschuwingsbeschikking en telt gewoon mee bij
                    recidive. </al><al>Bij iedere categorie gedragingen kan, met inachtneming van het bovenstaande, in
                    beginsel met een waarschuwing worden volstaan. </al><al>Een andere reden om af te zien van het verlagen van de bijstand is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). In verband met de
                    effectiviteit, het zogenaamde lik-op-stuk, is het nodig dat de verlaging spoedig
                    nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, plaats vindt. Om deze reden is dan ook
                    geregeld dat er geen verlaging plaats vindt voor gedragingen die langer dan één
                    jaar hebben plaatsgevonden. Om de verwijtbare gedraging toch niet als
                    onopgemerkt voorbij te laten gaan, wordt volstaan met een schriftelijke
                    waarschuwing. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Een termijn van
                    vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet
                    op het feit dat het college tijd nodig heeft om de omvang van de fraude (het
                    benadelingbedrag) vast te stellen. </al><al>Er wordt geen waarschuwingsbrief gestuurd als het gaat om het te laat inleveren
                    van de inkomstenverklaring.</al><al/><tussenkop>lid 3</tussenkop><al>Soms kunnen er zwaarwegende argumenten zijn om van de tenuitvoerlegging van een
                    overigens gerechtvaardigde verlaging van bijstand af te zien. Het betreft dan
                    argumenten die met de reden van de verlaging niets te maken hebben. Deze zijn
                    immers bij de vaststelling van de hoogte en de duur van de verlaging al
                    meegewogen. </al><al>Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarin sprake is van een zodanige
                    samenloop van omstandigheden dat deze, als de verlaging wel zou worden
                    toegepast, tot gevolg heeft dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging in
                    een ernstige financiële noodsituatie komt, waardoor bijvoorbeeld onmiddellijke
                    huisuitzetting dreigt of een pas begonnen schuldsaneringstraject wordt
                    gefrustreerd. Het moet, zoals aangegeven, gaan om een noodsituatie die het
                    gevolg is van de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Het ontstaan
                    van een betalings- of huurachterstand of een tijdelijke opschorting van een
                    schuldsanering is op zichzelf geen reden om van het verlagen van bijstand af te
                    zien. Evenmin kan het enkele feit dat de belanghebbende als gevolg van de
                    verlaging tijdelijk een inkomen lager dan de beslagvrije voet ontvangt voldoende
                    reden zijn om van de tenuitvoerlegging van de verlaging af te zien. </al><al>De financiële noodsituatie mag ook niet het gevolg zijn van de verwijtbare
                    gedraging. Als iemand door verwijtbaar ontslag in ernstige financiële nood komt
                    te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van de afstemming van bijstand af
                    te zien. De omstandigheden zijn immers het gevolg van het verwijtbare gedrag. </al><al>Afzien van de uitvoering van een verlaging kan ook plaatsvinden als er sprake is
                    van een verlaging wegens herhaald verwijtbaar gedrag. Bij elke nieuwe afstemming
                    of heroverweging moet dus opnieuw worden beoordeeld of zich dringende redenen
                    voordoen. </al><al/><tussenkop>lid 4</tussenkop><al>In de beschikking worden wel hoogte en duur van de verlaging van bijstand
                    vastgesteld en wordt meegedeeld om welke dringende redenen van tenuitvoerlegging
                    wordt afgezien. De verlaging telt bij de vaststelling van eventuele recidive en
                    volharding dus gewoon mee. </al><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><tussenkop>Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><al/><tussenkop>lid 1</tussenkop><al>Het afstemmen van de bijstand vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlagen van de bijstand kan in beginsel op twee manieren, te weten: met
                    terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering of door
                    middel van verlaging van de bijstandsnorm in de eerstvolgende maand(en). In deze
                    verordening is bewust gekozen voor de tweede manier, omdat in dat geval niet
                    overgegaan hoeft te worden tot herziening en terugvordering van de bijstand. Om
                    die reden is in dit lid vastgelegd dat de verlaging ingaat per de eerstvolgende
                    kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm. </al><al/><tussenkop>lid 2</tussenkop><al>Verlaging van de bijstand vindt direct plaats als, na afgeven hersteltermijn, de
                    inkomstenverklaring nog niet is ingeleverd.</al><al/><tussenkop>lid 3</tussenkop><al>Voornamelijk met betrekking tot de duur van de verlaging zijn door het college
                    beleidsregels opgesteld die specifiek betrekking hebben op de op onverantwoorde
                    wijze interen van vermogen. Deze “categorie” van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan vormt daarom een
                    uitzondering voor wat betreft de duur van de verlaging. </al><al>Het derde lid regelt de duur van de verlaging bij een eerste gedraging (sub a)
                    en bij recidive binnen twaalf maanden (sub b). Een eerste gedraging kan
                    hoogstens leiden tot een verlaging voor de duur van één kalendermaand, een
                    tweede gedraging tot maximaal twee kalendermaanden. Bepalend voor recidive is de
                    datum waarop de eerste gedraging als verwijtbaar is aangemerkt en de
                    belanghebbende hiervan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, dus de
                    verzenddatum van de beschikking naar aanleiding van de eerste gedraging. </al><al/><tussenkop>lid 4</tussenkop><al>Het vierde lid regelt de duur van de verlaging bij volharding. Van volharding is
                    in beginsel sprake bij een derde en volgende gedraging van gelijke of hogere
                    categorie, binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare gedraging. Omdat een
                    verlaging voor onbepaalde duur relatief grote gevolgen heeft voor de
                    belanghebbende, geldt hier bij uitstek het vereiste van een zorgvuldige
                    belangenafweging. Overigens blijft het mogelijk om ook bij volharding opnieuw
                    een verlaging voor bepaalde duur (tot maximaal drie maanden) op te leggen. In de
                    meeste gevallen zal echter de verlaging voor onbepaalde duur moeten worden
                    vastgesteld en zal de belanghebbende bij de in artikel 9 tweede lid van deze
                    verordening bedoelde heroverweging aannemelijk moeten maken van verder
                    verwijtbaar gedrag af te zien. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het
                    niet nakomen van de sollicitatieplicht. Het is aan de belanghebbende om door
                    middel van bewijsstukken aan te tonen dat hij inmiddels weer volledig aan de
                    sollicitatieplicht voldoet. </al><al/><tussenkop>lid 5</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om ook bij een
                    eerste of tweede gedraging de verlaging van de bijstand voor een langere periode
                    vast te stellen als de situatie daartoe aanleiding geeft. Ook hier geldt het
                    beginsel dat in een concreet geval maatwerk mogelijk moet zijn. Hierbij moet
                    vooral gedacht worden aan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (anders
                    dan onverantwoord interen op vermogen) waardoor de belanghebbende eerder in
                    bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren, bijvoorbeeld door het nemen
                    van ontslag of door het afbreken van een traject waardoor de kansen op uitstroom
                    ernstig bemoeilijkt worden. In dergelijke gevallen moet het mogelijk zijn om,
                    rekening houdend met de betrekkelijk ernstige gevolgen van de gedraging, al bij
                    een eerste of tweede gedraging de verlaging voor langere of voor onbepaalde duur
                    op te leggen. </al><al/><tussenkop>lid 6</tussenkop><al>Hierin is opgenomen de bepaling voor het geval de bijstand al dan niet beëindigd
                    is, maar nog niet is uitbetaald aan de belanghebbende. Er is dan sprake van
                    terugwerkende kracht. Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om de verlaging
                    in de toekomst toe te passen als de belanghebbende weer een beroep doet op de
                    bijstand.</al><al/><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><tussenkop>Samenloop van gedragingen</tussenkop><al>Het toepassen van meerdere verlagingen tegelijkertijd is mogelijk. Het moet dan
                    echter wel gaan om verschillende gedragingen waarvoor een verlaging mogelijk is.
                    Indien meerdere gedragingen schending van één of meerdere verplichtingen tot
                    gevolg hebben, is het niet de bedoeling dat alleen de verlaging met het hoogste
                    percentage wordt toegepast. Bij samenloop van verschillende verwijtbare
                    gedragingen dient het college de percentages dus bij elkaar op te tellen (de
                    zogenaamde stapeling). Bij de beoordeling van de ernst van het feit en de mate
                    van verwijtbaarheid kunnen de verschillende gedragingen uiteraard wel in hun
                    onderlinge samenhang worden bezien. Dit kan reden zijn om voor het geheel aan
                    gedragingen een verlaging met een lager percentage toe te passen.</al><al/><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><tussenkop>Heroverweging</tussenkop><al/><tussenkop>lid 1</tussenkop><al>Artikel 18, derde lid WWB schrijft voor dat het college de verlaging van de
                    bijstand moet heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging kan
                    achterwege blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie
                    maanden is opgelegd. </al><al>Binnen drie maanden na het besluit tot verlaging van bijstand voor onbepaalde
                    duur moet het college beginnen met het onderzoek in het kader van de
                    heroverweging. Dit onderzoek kan in sommige gevallen schriftelijk plaatsvinden,
                    afhankelijk van de aard van de verplichting of gedraging. Zo kan, bijvoorbeeld
                    wanneer het gaat om het al dan niet nakomen van de sollicitatieplicht, worden
                    volstaan met het opvragen van schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat de
                    belanghebbende inmiddels aan de sollicitatieplicht is gaan voldoen. In andere
                    gevallen kan het noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te roepen. Als de
                    belanghebbende de gevraagde gegevens niet overlegt of geen gehoor geeft aan
                    oproepen, dan vindt de heroverweging plaats op basis van de dan bekende gegevens
                    wat veelal tot voortzetting van de verlaging zal leiden. De heroverweging
                    resulteert in een beschikking. </al><al/><tussenkop>lid 2</tussenkop><al>Het resultaat van de heroverweging kan tweeledig zijn. Beëindiging van de
                    verlaging na drie maanden vindt plaats als de belanghebbende laat blijken zich
                    inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare gedraging waarvoor de
                    verlaging was toegepast of aannemelijk maakt dat hij zich voortaan aan de
                    opgelegde verplichtingen zal houden. </al><al>Van voortzetting zal sprake zijn als de belanghebbende zich ook ten tijde van de
                    heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt. De
                    voortzetting kan, afhankelijk van omstandigheden, mate van verwijtbaarheid en
                    ernst van de gedraging, plaatsvinden voor bepaalde of onbepaalde duur. Bij
                    voortzetting voor onbepaalde duur moet binnen uiterlijk drie maanden opnieuw een
                    heroverweging plaatsvinden. Heroverweging kan overigens leiden tot voortzetting
                    met vaststelling van een lager percentage als de belanghebbende blijk geeft zijn
                    gedrag enigszins, maar onvoldoende, te hebben verbeterd. </al><al/><tussenkop>lid 3</tussenkop><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharding het percentage van de
                    verlaging te verdubbelen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld de
                    weigerachtigheid om mee te werken aan een traject. Als hiervoor een verlaging is
                    toegepast en de belanghebbende blijft medewerking weigeren, ook na een tweede
                    verlaging van bijstand voor twee maanden en na een derde voor onbepaalde duur,
                    dan kan bij de voortzetting het percentage worden verdubbeld. Ook hierbij staat
                    een zorgvuldige belangenafweging voorop. </al><al/><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><tussenkop>Indeling in categorieën</tussenkop><al/><tussenkop>lid 1 </tussenkop><tussenkop>Eerste categorie</tussenkop><al>a.Deze bepaling doelt op relatief lichte schendingen van de algemene, uit de wet
                    voortvloeiende inlichtingen- en medewerkingsplicht, zoals het niet tijdig of het
                    niet naar behoren verstrekken van inlichtingen die van belang kunnen zijn bij de
                    arbeidsinschakeling. In deze categorie valt eveneens de weigering te voldoen aan
                    de op grond van de artikelen 55 en 57 van de wet opgelegde nadere
                    verplichtingen.</al><al>De aanvullende verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden opgelegd.
                    Dat kan zowel plaatsvinden bij aanvang van de bijstand als in een later stadium,
                    zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven.</al><al>Het gaat hier om de aanvullende verplichtingen als genoemd in de artikelen 55 en
                    57 van de wet, die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het
                    recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of verband houden
                    met de aard en het doel van de bijstand. Het kan hierbij </al><al>bijvoorbeeld gaan om de verplichting mee te werken aan een
                    schuldhulpverleningstraject of de verplichting een medische behandeling te
                    ondergaan.</al><al/><tussenkop>lid 2 </tussenkop><tussenkop>Tweede categorie</tussenkop><al>De WWB hecht een groot belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9
                    WWB). Om voor actieve bemiddeling door het UWV WERKbedrijf in aanmerking te
                    komen is registratie onontbeerlijk. Het is bovendien een eerste, betrekkelijk
                    eenvoudige stap op weg naar re-integratie in het arbeidsproces.</al><al>Het niet ingeschreven staan bij het UWV WERKbedrijf betekent onvermijdelijk een
                    vertraging van de re-integratie, in het bijzonder voor de doelgroep die geacht
                    wordt op eigen kracht naar reguliere arbeid uit te stromen. Juist omdat
                    registratie bij het UWV WERKbedrijf veelal onmisbaar is voor een succesvolle
                    re-integratie, is deze gedraging in een hogere categorie geplaatst.</al><al/><tussenkop>lid 3 </tussenkop><tussenkop>Derde categorie</tussenkop><al>a. Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft direct
                    gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand, bijvoorbeeld
                    wanneer iemand door eigen schuld het recht op een voorliggende voorziening
                    verspeelt en daardoor (eerder) in bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te
                    verkeren. Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld
                    sprake als iemand door eigen toedoen het recht op WW verliest (door niet tijdig
                    na ontslag WW aan te vragen).</al><al>Bij het op onverantwoorde wijze interen van vermogen zijn door het college
                    beleidsregels opgesteld. </al><al>b. Deze gedraging heeft betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                    belanghebbende is verplicht naar vermogen sollicitaties te verrichten en hiervan
                    op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het naar vermogen solliciteren, zal onder
                    andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele
                    mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen,
                    tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben
                    plaatsgevonden.</al><al>c. Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de
                    belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                    levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee te werken
                    aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                    re-integratie-instrumenten of om deel te nemen aan een concreet aangeboden
                    traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige
                    maatschappelijk participatie. Hieronder worden ook de voorzieningen begrepen in
                    het kader van de inburgering. </al><al>De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de
                    belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, wat gevolgen kan
                    hebben voor de duur van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende
                    verlenen van medewerking aan een traject zal immers leiden tot vertraging van
                    dat traject. De gedragingen in deze subcategorie hebben echter niet tot gevolg
                    dat het traject (definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van
                    onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op
                    afspraken bij het re-integratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van
                    een scholing niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten
                    aanzien van een diagnostisch onderzoek</al><al/><tussenkop>lid 4 </tussenkop><tussenkop>Vierde categorie</tussenkop><al>a. In deze categorie gedragingen gaat het om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld
                    een ontslag op staande voet wegens diefstal of werkweigering. In deze gevallen
                    wordt een eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Het
                    college heeft een eigen onderzoeksplicht, zodat de constatering van de (mate
                    van) verwijtbaarheid door het UWV niet klakkeloos overgenomen kan worden.</al><al>b. Deze gedraging heeft betrekking op het weigeren van een aangeboden
                    dienstverband. Het kan om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of
                    regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Essentieel is
                    dat de belanghebbende door de werkweigering afziet van een concrete kans om
                    geheel of gedeeltelijk uit de bijstand te komen.</al><al>c. Het gaat hier om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de derde categorie
                    onder c, maar met dit belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het
                    geen doorgang vinden of afbreken van een traject. In de praktijk zal beëindiging
                    van een traject veelal pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag
                    herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen werken aan instrumenten
                    gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan
                    een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing,
                    tot beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen
                    die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder
                    traject is inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende
                    immers niet mogelijk.</al><al/><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><tussenkop>De verlagingspercentages</tussenkop><al/><tussenkop>lid 1</tussenkop><al>Aan de categorieën is een bepaald wegingspercentage gekoppeld al naar gelang de
                    zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de
                    uiteindelijke vaststelling van de verlaging, waarbij altijd de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden moeten
                    worden meegewogen. Het laatste wordt nader uitgewerkt in de toelichting bij het
                    tweede lid. </al><al/><tussenkop>lid 2</tussenkop><al>Met deze bepaling is beoogd de mogelijkheid te creëren de verlaging van de
                    bijstand zoveel mogelijk toe te snijden op het concrete geval, dus maatwerk
                    leveren. Bij de feitelijke vaststelling van de verlaging van de bijstand moet
                    het college vanzelfsprekend rekening houden met de individuele situatie van de
                    belanghebbende, maar daarnaast ook met de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid. Zo kan een gedraging naar de zwaarte ervan aanleiding zijn voor
                    een bepaald verlagingspercentage, maar als de belanghebbende blijk heeft gegeven
                    van verder verwijtbaar gedrag af te zien zou het onevenredig hard kunnen zijn om
                    het volle percentage toe te passen. </al><al>Ook hebben de categorieën een zekere “bandbreedte”. Niet elke gedraging binnen
                    dezelfde categorie is even ernstig of heeft even grote gevolgen. Ook dit aspect
                    zal in de afweging moeten worden betrokken. In het bijzonder zal daarbij moeten
                    worden overwogen of de belanghebbende de gevolgen van zijn gedrag redelijkerwijs
                    had kunnen voorzien. </al><al/><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><tussenkop>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</tussenkop><al>Essentieel is dat het moet gaan om inlichtingen die, als ze wel tijdig zouden </al><al>zijn verstrekt, geen consequenties hebben voor (de hoogte van) het recht op
                    bijstand. Overigens kan het niet verstrekken van bepaalde inlichtingen er
                    natuurlijk wel toe leiden dat het recht niet kan worden vastgesteld,
                    bijvoorbeeld in de situatie waarin de belanghebbende ook na het verstrijken van
                    de hersteltermijn geen inkomstenverklaring inlevert of niet verschijnt op een
                    oproep voor een periodiek heronderzoek.</al><al/><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><tussenkop>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</tussenkop><al>De hier genoemde gedragingen zijn vergelijkbaar met die als bedoeld in artikel
                    12, maar met dit verschil dat het in deze categorie gaat om inlichtingen die
                    direct van invloed zijn op het recht op bijstand. </al><al>Daarbij moet vooral gedacht worden aan gegevens over de woonsituatie of over de
                    hoogte van ontvangen inkomsten of middelen die tot het vermogen worden gerekend,
                    waarvan de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat deze van
                    invloed zijn op het recht op bijstand. Er kan in deze situaties sprake zijn van
                    fraude als de belanghebbende de bedoelde inlichtingen bewust heeft verzwegen met
                    de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de inlichtingen wel (tijdig)
                    verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager vaststellen van het recht op
                    bijstand of tot beëindiging van de bijstand.</al><al/><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><tussenkop>Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Met zich zeer ernstig misdragen, wordt vooral bedoeld agressief gedrag. Onder
                    “het college en de in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers” wordt
                    niet alleen de consulent verstaan, maar ook de medewerker van de receptie, de
                    telefonist en iedere andere medewerker die namens de afdeling Werk, Inkomen en
                    Zorg met de belanghebbende in contact treedt. </al><al>Onder agressief gedrag wordt verstaan: alle vormen van fysiek geweld, van
                    dreiging met geweld, van intimidatie, stalking, discriminatie naar geslacht,
                    geloof of ras, seksuele intimidatie, vernieling en het dragen van wapens of
                    gevaarlijke voorwerpen. Als er sprake is van agressief gedrag, moet uitvoerig
                    worden gerapporteerd over de exacte aard van het gedrag en de omstandigheden
                    waarin het zich heeft voorgedaan.</al><al>Voor de vaststelling van de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid (en daarmee dus ook voor de hoogte van het percentage van de
                    verlaging) vormen de omschrijvingen van agressief gedrag in het gemeentelijke
                    veiligheidsprotocol het uitgangspunt. In dit protocol worden de diverse
                    gedragingen omschreven en is een onderverdeling gemaakt naar ernst van de
                    gedragingen. Het verlagen van de bijstand wegens ernstig wangedrag laat de
                    bevoegdheid van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg om de pleger gedurende een
                    periode de toegang tot het gebouw te ontzeggen onverlet.</al><al>Vooral bij agressie is er sprake van een breed scala aan feitelijke gedragingen,
                    van relatief “onschuldig” (beledigen of schelden) tot zeer ernstig (fysiek
                    geweld). Deze gedragingen zijn in een concrete situatie ook niet altijd even
                    gemakkelijk van elkaar te onderscheiden en lopen, in geval van escalatie, min of
                    meer in elkaar over. Bij dit type verwijtbaar gedrag zullen de ernst en de
                    gevolgen (bijvoorbeeld geestelijk of lichamelijk letsel) in de overweging of het
                    maximale verlagingspercentage moeten worden opgelegd, moeten meewegen. Daarbij
                    is ook van belang of de belanghebbende zich voor de eerste maal schuldig maakt
                    aan dergelijk gedrag of dat hiervoor al eerder de bijstand is verlaagd (en dus
                    op de hoogte kon zijn van de mogelijke consequenties) en welke persoonlijke
                    omstandigheden meespelen. Voorop staat echter dat het in beginsel mogelijk moet
                    zijn om bij ernstig wangedrag het hoogste percentage van verlaging van bijstand
                    toe te passen en dat vooral agressie niet getolereerd wordt. Zoals reeds eerder
                    is aangegeven, dienen de omschrijvingen in het gemeentelijke veiligheidsprotocol
                    als uitgangspunt voor de vaststelling van het feitelijke percentage. </al><al/><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><tussenkop>Mandaat SVB</tussenkop><al>Met ingang van 1 juni 2009 zal de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de uitkering
                    WWB uitbetalen aan cliënten van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg die een
                    gekorte AOW ontvangen. Met ingang van 1 januari 2010 is deze overdracht een
                    wettelijke verplichting.</al><al>Eventuele toe te passen verlagingen worden opgelegd op grond van het
                    maatregelenbesluit van de SVB. </al><al/><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><tussenkop>Bevoegdheid college</tussenkop><al>Het college kan eventueel beleidsregels opstellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><tussenkop>Inwerkingtreding</tussenkop><al>Spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><tussenkop>Citeertitel</tussenkop><al>Spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>