<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76760_8</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergeijk 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergeijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergeijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.officielebekendmakingen.nl.">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Bergeijk 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149/geldigheidsdatum_01-01-2016">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>4i. Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergeijk 2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>4i. Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Bergeijk 2016</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergeijk 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad der gemeente Bergeijk:</al><al> gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 november
                        2015;</al><al> gezien het advies van de commissie ABZ d.d. 3 december 2015.</al><al> besluit: vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening Bergeijk
                        2016.</al><al> Aldus besloten in de openbare vergadering van 15 en 17 december 2015 van de
                        gemeenteraad.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: </al><al/><lijst><li nr="1."><al> Weg:</al></li><li nr=""><al> 1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                    Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als
                                    zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr=""><al> 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                    toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                    speelweiden, bossen en andere natuurterreinen;</al></li><li nr=""><al> 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                    portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot
                                    voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet
                                    afsluitbaar zijn;</al></li><li nr=""><al> 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                    afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en
                                    galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet
                                    door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd
                                    is, zijn afgesloten.</al></li><li nr="2."><al>Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of
                                    anderszins toegankelijk zijn.</al></li><li nr="3."><al> Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties (WOM) daaronder wordt verstaan.</al></li><li nr="4."><al> Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="5."><al>Rechthebbende: degene die over enige zaak enige zeggenschap
                                    heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="6."><al> Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al
                                    (aa el), van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens
                                    1990, met uitzondering van kruiwagens, kinderwagens en
                                    dergelijke kleine voertuigen.</al></li><li nr="7."><al>Bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Bouwverordening Bergeijk 2009.</al></li><li nr="8."><al>Gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c,
                                    van de Woningwet.</al></li><li nr="9."><al>Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage
                                    II, behorende bij artikel 18 van de Meststoffenwet.</al></li><li nr="10."><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit alsmede het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het
                                    nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning
                                    als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende
                                    omgevingsvergunning.</al></li><li nr="11."><al>Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd reageert op een melding binnen 4 weken na de datum
                                    van ontvangst van de melding</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of
                                    ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></li><li nr="3."><al> Het bevoegd gezag kan zijn beslissing op een aanvraag als
                                    bedoeld in lid 2 voor ten hoogste acht weken verdagen.</al></li><li nr="4."><al> In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
                                    wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel
                                    2.11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4.11.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Te late indiening aanvraag</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                    ingediend minder dan acht weken voor het tijdstip waarop de
                                    aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                    bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="2."><al> Indien een melding voor een categorie A evenement als bedoeld
                                    in artikel 2.24 lid 3 onder a. wordt ingediend minder dan vier
                                    weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt, kan
                                    het bevoegd gezag besluiten de melding niet te behandelen</al></li><li nr="3."><al> Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals
                                    bedoeld in artikel 2.24, lid 3 onder c wordt ingediend minder
                                    dan 26 weken vóór tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of
                                    ontheffing nodig heeft, kan het bevoegd gezag besluiten de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al> Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning, ontheffing of
                            instemming met een melding kunnen voorschriften en beperkingen worden
                            verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                            bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                            vergunning, ontheffing of instemming is vereist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing of
                                instemming</titel></kop><al> De vergunning, ontheffing of instemming is persoonsgebonden tenzij bij
                            of krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning, ontheffing of
                                instemming</titel></kop><al> De vergunning, ontheffing of instemming kan worden ingetrokken of
                            gewijzigd:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="2."><al> indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning,
                                    ontheffing of instemming, moet worden aangenomen dat intrekking
                                    of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter
                                    bescherming waarvan de vergunning, ontheffing of instemming is
                                    vereist;</al></li><li nr="3."><al> indien de aan de vergunning, ontheffing of instemming verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="4."><al> indien van de vergunning, ontheffing of instemming geen gebruik
                                    wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij
                                    gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="5."><al> indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al> Een krachtens deze verordening verleende vergunning, ontheffing of
                            instemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning,
                            ontheffing of instemming anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al> De vergunning, ontheffing of instemming kan door het daartoe bevoegd
                            gezag worden geweigerd in het belang van:</al><al/><lijst><li nr="a"><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b"><al> de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c"><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al> de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan
                                        of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende
                                        gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                        samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                        van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
                                        in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op
                                        terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of
                                        vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare
                                        veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn
                                        afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is degene aan wie dit door of namens de burgemeester in
                                        het belang van de openbare orde is bekendgemaakt, verboden
                                        zich te bevinden op of aan de in de bekendmaking aangewezen
                                        wegen en plaatsen gedurende de uren daarin genoemd.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op de
                                        persoon die in het door de burgemeester aangewezen
                                        gebied:</al></li><li nr=""><al> a. zich bevindt in een openbaar middel van vervoer;</al></li><li nr=""><al> b. aldaar werkzaam is;</al></li><li nr=""><al> c. volgens het bevolkingsregister aldaar woonachtig is en
                                        daar ook feitelijk woonachtig is, dan wel</al></li><li nr=""><al> d. een aantoonbaar redelijk belang heeft om zich in dit
                                        gebied op te houden.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt gedurende de in
                                        de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste vier
                                        weken.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betogingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                        bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                        manifestaties, moet daarvan voor de openbare aankondiging
                                        ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden,
                                        schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met
                                        inachtneming van hetgeen in lid 3 hierover is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                                tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                                samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                                treffen om een regelmatig verloop te
                                                bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                        eerste lid genoemde termijn van 48 uur verkorten en een
                                        mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                        afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk
                                        aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan
                                        door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of
                                        gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het verbod
                                        beperken tot bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of
                                        het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><structuurtekst><al> Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                                    publieke functie van de weg</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te
                                        gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan
                                        indien:</al></li><li nr=""><al> a. het beoogde gebruik schade toebrengt of kan toebrengen
                                        aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
                                        of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                        belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                        onderhoud van de weg; of</al></li><li nr=""><al> b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                        verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen
                                        van welstand.</al></li><li nr="2."><al>Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in
                                        ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang
                                        van 1,20 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m op de
                                        rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de
                                        openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels
                                        stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen en
                                        reclameborden.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het vierde lid kunnen burgemeester en
                                        wethouders een omgevingsvergunning verlenen voor het in het
                                        eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit
                                        betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="6."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al></li><li nr=""><al> a. evenementen, als bedoeld in artikel 2.24;</al></li><li nr=""><al> b. standplaatsen, als bedoeld in artikel 5.17;</al></li><li nr=""><al>c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling
                                        een vergunning voor het gebruik vand e weg is verleend.</al></li><li nr="7."><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor
                                        zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale
                                        wegenverordening.</al></li><li nr="8."><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf
                                        4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning
                                        een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken,
                                        in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning wordt verleend:</al></li><li nr=""><al> a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                        de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                        beheersverordening, exploitatieplan of
                                        voorbereidingsbesluit; </al></li><li nr=""><al> b. door burgemeester en wethouders in de overige
                                        gevallen.</al></li><li nr="3."><al> Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij
                                        het uitvoeren van hun publieke taak.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het openbreken
                                        van de verharding en het graven en spitten in de weg ten
                                        behoeve van een huisaansluiting indien deze werkzaamheden
                                        een maximale lengte hebben van 25 meter, mits die
                                        werkzaamheden schriftelijk bij het bevoegd gezag zijn gemeld
                                        en wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag gestelde
                                        nadere regels.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing voor
                                        zover:</al></li><li nr=""><al> a. er gebruik wordt gemaakt van een gestuurde boring;</al></li><li nr=""><al> b. in het tracé een wegoversteek dan wel wegkruising
                                        voorkomt;</al></li><li nr=""><al> c. er een handhole wordt geplaatst.</al></li><li nr="6."><al> Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover
                                        in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                        Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de
                                        Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                        gebaseerde Verordening ondergrondse infrastructuur.</al></li><li nr="7."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                        toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of
                                        verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                        weg:</al></li><li nr=""><al> a. indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar
                                        de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                        naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan
                                        aan burgemeester en wethouders, onder indiening van een
                                        volledig ingevuld standaard meldingformulier, een duidelijke
                                        situatieschets van de gewenste uitweg en twee foto’s van de
                                        bestaande situatie;</al></li><li nr=""><al> b. indien burgemeester en wethouders het maken of
                                        veranderen van de uitweg hebben verboden.</al></li><li nr=""><al> c. indien het maken van een uitweg in strijd is met het ter
                                        plaatse geldende bestemmingsplan.</al></li><li nr="2."><al>Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente
                                        gebruikelijke wijze van bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verbieden het maken of veranderen
                                        van een uitweg indien:</al></li><li nr=""><al> a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt
                                        gebracht;</al></li><li nr=""><al> b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een
                                        openbare parkeerplaats;</al></li><li nr=""><al> c. indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare
                                        wijze wordt aangetast;</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met
                                        betrekking tot de situering, breedte, aanleg en technische
                                        uitvoering van de uitweg alsmede het materiaal
                                        gebruik.:</al></li><li nr="5."><al>a. de uitweg kan worden aangelegd indien burgemeester en
                                        wethouders niet binnen vier weken na ontvangst van de
                                        melding als bedoeld in lid 1, onder a op de melding hebben
                                        gereageerd;</al><al>b. burgemeester en wethouders kunnen de onder a genoemde
                                        termijn verlengen met ten hoogste 4 weken.</al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al> Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                        Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het
                                        Provinciaal wegenreglement.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr><titel>Uitzichtbelemmerende beplanting of voorwerp</titel></kop><al> Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen,
                                        borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer
                                        of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders maken tevoren aan de
                                        rechthebbende als bedoeld in het eerste lid hun besluit
                                        bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van
                                        een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste
                                        lid.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                        publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met
                                        uitzondering van:</al></li><li nr=""><al> a. bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr=""><al> b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                        van de Gemeentewet;</al></li><li nr=""><al> c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr=""><al> d. het in een inrichting in de zin van de Drank‑ en
                                        Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr=""><al> e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                        de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr=""><al> f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.3 van deze
                                        verordening.</al></li><li nr=""><al>g. sportwedstrijden binnen de reguliere complete of binnen
                                        de eigen vereniging die plaatsvinden op sportterreinen, in
                                        sporthallen of sportzalen.</al></li><li nr="2."><al> Onder evenement wordt mede verstaan:</al></li><li nr=""><al> a. een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr=""><al> b. een braderie;</al></li><li nr=""><al> c. een optocht , niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                        artikel 2.3 van deze verordening, op de weg;</al></li><li nr=""><al> d. een feest, muziek of wedstrijd op of aan de weg.</al></li><li nr=""><al>e. een wedstrijd op of aan een openbare plaats voor zover in
                                        het daarin geregelde onderwerp niet wordt voorzien door
                                        artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></li><li nr=""><al>a. Regulier evenement (categorie A): kleinschalig evenement
                                        met gering risico, gebaseerd op de door het bevoegd gezag
                                        vastgestelde (regionale) risicomatrix voor evenementen;</al></li><li nr=""><al>b. Aandacht evenement (categorie B): evenement met een
                                        gemiddeld risico gebaseerd op de door het bevoegd gezag
                                        vastgestelde (regionale) risicomatrix voor evenementen.</al></li><li nr=""><al>c. Risico evenement (categorie C): grootschalig evenement
                                        met verhoogd risico gebaseerd op de door het bevoegd gezag
                                        vastgestelde (regionale) risicomatrix voor evenementen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        categorie B of C evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder geaccepteerde melding van een
                                        burgemeester een categorie A evenement te organiseren.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning of melding kan worden geweigerd op grond van
                                        artikel 1.8.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al> Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.27</nr><titel>Begripsbepalinge</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                        worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                        consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een openbare
                                        inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel,
                                        restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                                        buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt
                                        tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en
                                        andere aanhorigheden;</al></li><li nr="2."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                        inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid
                                        kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen
                                        worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                        worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="3."><al>onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
                                        een bedrijf exploiteert.</al></li><li nr="4."><al>deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:</al></li><li nr=""><al> 1. de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders
                                        wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt,
                                        in de zijlijn tot en met de derde graad;</al></li><li nr=""><al> 2. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr=""><al> 3. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.28</nr><titel>Exploitatie openbare verlichting</titel></kop><al> 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                vergunning van de burgemeester.</al><al> 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                de openbare inrichting in strijd is met het geldend
                                bestemmingsplan.</al><al> 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de
                                vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel
                                moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze nadelig wordt beïnvloed.</al><al> 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                bevindt in:</al><al> a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor
                                zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit
                                vormen van de winkelactiviteit;</al><al> b. een zorginstelling;</al><al> c. een museum; of</al><al> d. een bedrijfskantine of – restaurant.</al><al> 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling
                                van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen
                                die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en
                                Horecawet, indien:</al><al> a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van
                                deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op
                                straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de
                                inrichting, dan wel</al><al> b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen
                                weigeringgronden voordoen als bedoeld in artikel 1.8 of 2.28, tweede
                                of derde lid.</al><al> 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident
                                heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.</al><al> 7. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de
                                vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><al> 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met
                                vrijdag tussen 01.00 uur en 08.00 uur, en op zaterdag en zondag
                                tussen 02.00 uur en 08.00 uur.</al><al> 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                sluitingstijd.</al><al> 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                sluitingstijd.</al><al> 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.28, vierde
                                lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de
                                winkel.</al><al> 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing in die
                                situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                voorzien.</al><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><al> 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk
                                andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                bevelen.</al><al> 2. Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin
                                artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><al> Het is verboden in een openbare inrichting</al><al> a. de orde te verstoren;</al><al> b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de
                                inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens
                                artikel 2.30, eerste lid;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.31a</nr><titel>Zwarte lijst</titel></kop><al> 1. Het is de houder van een openbare inrichting, als bedoeld in
                                artikel 2.27 onder a, verboden in die inrichting toe te laten of te
                                laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die naar
                                het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank
                                plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk door de
                                burgemeester aan die houder zijn opgegeven.</al><al> 2. Het is aan een persoon, wiens naam ingevolge het bepaalde in lid
                                1 door de burgemeester aan de houder van een inrichting als bedoeld
                                in artikel 2.27, onder a, is opgegeven, verboden zich in een
                                dergelijke inrichting te bevinden, nadat hij schriftelijk door de
                                burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld.</al><al> 3. Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode,
                                welke niet langer is dan één jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichting</titel></kop><al> In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al> 1. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig
                                voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                overdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.33</nr><titel>Burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al> Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treden burgemeester en wethouders bij de toepassing van
                                artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd gezag.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34</nr><titel>Toegang ambtenaren van politie</titel></kop><al> De houder van een openbare inrichting is verplicht ervoor te zorgen
                                dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd
                                toegang hebben tot zijn inrichting:</al><al> a. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is;
                                dan wel</al><al> b. gedurende de tijd dat een inrichting gesloten dient te zijn en
                                indien die ambtenaren van politie, gebruikmakend van hun bevoegdheid
                                op grond van artikel 6.2, hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar
                                bezoekers aanwezig zijn.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8a</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34a</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. - Alcoholhoudende drank,</al><al> b. - Horecabedrijf,</al><al> c. - Horecalokaliteit,</al><al> d. - Inrichting,</al><al> e. - Paracommerciële rechtspersoon,</al><al> f. - Sterke drank,</al><al> g. - Slijtersbedrijf en</al><al> h. - Zwak-alcoholhoudende drank,</al><al> i. dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34b</nr><titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><al> 1. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend
                                alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met de aanvang
                                van de hoofdactiviteiten en eindigende met vier uur na beëindiging
                                van hoofdactiviteiten die passen binnen de statutaire
                                doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële
                                rechtspersoon, maar niet later dan de in artikel 2.29 APV opgenomen
                                sluitingstijd.</al><al> 2. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende
                                drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten
                                die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de
                                hoofdactiviteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken
                                zijn.</al><al> 3. Het is een paracommerciële rechtspersoon verboden de kantine en
                                / of inventaris aan derden te verhuren indien geen directe relatie
                                bestaat met de hoofdactiviteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34c</nr><titel>Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</titel></kop><al> Niet opgenomen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34d</nr><titel>Koppeling toegang aan leeftijden</titel></kop><al> Niet opgenomen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34e</nr><titel>Beperkingen voor andere detailhandel dan
                                    slijtersbedrijven</titel></kop><al> Niet opgenomen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34f</nr><titel>Verbod 'happy hours'</titel></kop><al> Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de
                                openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse
                                tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is
                                dan 60% van de prijs die in de desbetreffende horecalokaliteit of op
                                het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.35</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al> 1. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
                                uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van
                                nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;</al><al> 2. houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de
                                feitelijke leiding heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al> Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9a</nr><titel>Toezicht op smart- en growshops</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen per 1 maart 2015 in verband met strafbaarstelling in de
                                Opiumwet.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.37</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.38</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.38a</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                        publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                        geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                        inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                                        verloren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                        verbod is niet van toepassing op:</al></li><li nr=""><al> a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                        eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen vergunning
                                        is verleend;</al></li><li nr=""><al> b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                        Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                        verlenen;</al></li><li nr=""><al> c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                        het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op
                                        de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten
                                        als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                        handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op
                                        de kansspelen te verrichten.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></li><li nr=""><al> a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                        woon‑ en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid
                                        of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden
                                        beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;</al></li><li nr=""><al> b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd
                                        is met een geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.40</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr=""><al> a. Wet: de Wet op de kansspelen</al></li><li nr=""><al> b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                        a, van de Wet;</al></li><li nr=""><al> c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                        onder c, van de Wet;</al></li><li nr=""><al> d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                        artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr=""><al> e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                        artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                        toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                        toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                        geheel niet zijn toegestaan.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de
                                        Gemeentewet gesloten woning, een niet voor het publiek
                                        toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                        behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                        gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk
                                        lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een
                                        voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal
                                        behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in
                                        de woning of het lokaal wegens dringende redenen
                                        noodzakelijk is.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste of tweede
                                        lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende
                                        zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te
                                        bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                        rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een
                                        onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al></li><li nr=""><al> a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                        aanduiding aan te plakken of op andere wijze aan te
                                        brengen;</al></li><li nr=""><al> b. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                        afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.</al></li><li nr="3."><al> 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van
                                        toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk
                                        voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aanplakborden aanwijzen
                                        voor het aanbrengen van meningsuitingen en
                                        bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden
                                        te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor
                                        het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die
                                        geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
                                        meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                        toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                        diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te
                                        vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels,
                                        touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp
                                        of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang
                                        tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                        sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel
                                        van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                        voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te
                                        vervoeren of bij zich te hebben tassen of andere
                                        geprepareerde voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust
                                        om het plegen van winkeldiefstallen te
                                        vergemakkelijken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet
                                        van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen
                                        of middelen niet bestemd of gebruikt worden voor de in die
                                        leden bedoelde handelingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats:</al></li><li nr=""><al> a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                        overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                        voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair
                                        en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr=""><al> b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers
                                        of aan bewoners van nabij de openbare plaats gelegen
                                        woningen onnodig overlast of hinder berokkend.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de artikelen 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van
                                        Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van
                                        toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.48</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar
                                        hebben bereikt verboden op de weg binnen de bebouwde kom,
                                        alsmede op de weg die deel uitmaakt van een door
                                        burgemeester en wethouders aangewezen gebied:</al></li><li nr=""><al> a. alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken
                                        flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij
                                        zich te hebben;</al></li><li nr=""><al> b. drinkgerei van glas of geopende flessen van glas, die
                                        kennelijk zijn bestemd voor het bewaren van drank bij zich
                                        te hebben of met zich mee te voeren.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></li><li nr=""><al> a. een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als
                                        bedoeld in artikel 2.27, onder a;</al></li><li nr=""><al> b. de plaats, niet zijnde een openbare inrichting, als
                                        bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens
                                        artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt verder niet voor het
                                        nuttigen van alcoholhoudende drank tijdens een evenement als
                                        bedoeld in artikel 2,25, lid 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.49</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr=""><al> a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                        houden;</al></li><li nr=""><al> b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
                                        gebouw te zitten of te liggen.</al></li><li nr="2."><al> Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                        flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke
                                        meergezinshuizen en van gebouwen, die voor het publiek
                                        toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te
                                        bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde
                                        ruimte van een zodanig gebouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijk
                                    ruimten</titel></kop><al> Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor
                                de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.50a</nr><titel>Vechten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden in het openbaar te vechten.</al></li><li nr="2."><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        artikel 424 of 426bis van het Wetboek van Strafrecht van
                                        toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al> Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="2."><al> daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel
                                        een gebouw of woonwagen op te houden met de kennelijke
                                        bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw of
                                        deze woonwagen bevindende persoon, te bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig
                                        ander optisch instrument een zich in een gebouw of woonwagen
                                        bevindende persoon te bespieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.57</nr><titel>Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                        te laten verblijven of te laten lopen:</al></li><li nr=""><al> a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide
                                        of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen
                                        plaats;</al></li><li nr=""><al> b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                        aangelijnd of;</al></li><li nr=""><al>c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen
                                        plaats indien de hond niet is aangelijnd; of</al></li><li nr=""><al>d. op de weg indien die hond niet is voorzien van een
                                        halsband of een ander identificatiemerk, dat de eigenaar of
                                        houder duidelijk doen kennen.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
                                        door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van
                                        toepassing op de eigenaar of houder van een hond:</al></li><li nr=""><al> a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                        speciale hulphond laat begeleiden of</al></li><li nr=""><al> b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                        geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede hij
                                        die een hond onder zijn hoede heeft, is verplicht er zorg
                                        voor te dragen dat die hond zich, binnen de bebouwde kom,
                                        niet van uitwerpselen ontdoet op de openbare weg of op voor
                                        publiek toegankelijke plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of
                                        houder vna een hond die zich vanwege zijn handicap door een
                                        geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar
                                        het verbod genoemd in het eerste lid niet geldt.</al></li><li nr="4."><al>De eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede hij
                                        die een hond onder zijn hoede heeft, is verplicht, binnen de
                                        bebouwde kom, een deugdelijk hulpmiddel, dat gezien vorm en
                                        constructie, als zodanig is bestemd voor het verwijderen van
                                        de uitwerpselen, bij zich te dragen en dit op eerste
                                        vordering van de met de zorg voor de naleving van de
                                        bepalingen van deze verordening belaste ambtenaar, te
                                        tonen.</al></li><li nr="5."><al>De strafbaarheid wegens van het in het eerste lid gestelde
                                        gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar, houder of
                                        verzorger van een hond alsmede hij die een hond onder zijn
                                        hoede heeft, ervoor zorg draagt dat de uitwerpselen
                                        onmiddellijk worden verwijderd met het in het derde lid
                                        bedoelde hulpmiddel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag
                                        gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder
                                        van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en
                                        muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of
                                        loopt op een openbare plaats of op het terrein van een
                                        ander.</al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                        verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met
                                        een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste
                                        1,50 meter.</al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                        verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf
                                        die:</al></li><li nr=""><al> a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                        van beide stoffen;</al></li><li nr=""><al> b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                        hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de
                                        mens niet mogelijk is; en</al></li><li nr=""><al> c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                        afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de
                                        bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                        aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.57, eerste lid onder
                                        d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te
                                        zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt
                                        uniek identificatienummer door middel van een microchip die
                                        met een chipreader afleesbaar is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.60</nr><titel>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen buiten een inrichting in
                                        de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het
                                        ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de
                                        openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide
                                        dieren:</al></li><li nr=""><al> a. aanwezig te hebben;</al></li><li nr=""><al> b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                        door burgemeester en wethouders gestelde regels;</al></li><li nr=""><al> c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
                                        aanwijzing is aangegeven; of</al></li><li nr=""><al> d. te voeren.</al></li><li nr="2."><al> Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een
                                        onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid
                                        aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer
                                        verboden bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al> De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al> Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan
                                de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> Handelaar: de handelaar, als bedoeld in artikel 1 van de Algemene
                                Maatregel van Bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het
                                Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht</titel></kop><al> De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al></li><li nr=""><al> 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                        vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn
                                        onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr=""><al> 2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                        adressen;</al></li><li nr=""><al> 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer
                                        uitoefent;</al></li><li nr=""><al> 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van
                                        een misdrijf afkomstig is voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan;</al></li><li nr="2."><al>de burgemeester op de eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="3."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijke
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al> Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen, tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.70</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.71</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door
                                        het college in het belang van de voorkoming van gevaar,
                                        schade of overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats
                                        te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan
                                        veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door artikel 429 aanhef en onder 1 Wetboek van
                                        Strafrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.72</nr><titel>Carbid schieten</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie
                                        tussen calciumacetylide (carbid) en water of een gasmengsel
                                        met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te
                                        verbranden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet buiten de bebouwde
                                        kom van 31 december 18.00 uur uur tot 1 januari van het
                                        daaropvolgende jaar 02.00 uur.</al></li><li nr="3."><al>Het college is, met betrekking tot het bepaalde in het
                                        tweede lid, bevoegd nadere regels te stellen.</al></li><li nr="4."><al> Het college is bevoegd van het in het eerste lid gestelde
                                        verbod ontheffing te verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer, de Wet wapens en munitie en het Wetboek van
                                        Strafrecht.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al> Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in de artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.74a</nr><titel>Openlijk drugsgebruik</titel></kop><al> Het is verboden, op of aan de weg, op een voor het publiek
                                toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw,
                                middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te
                                gebruiken, toe te dienen dan wel voorbereidingen daartoe te
                                verrichten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, Veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al> De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel:</al><al> 2.1 (samenscholing en ongeregeldheden);</al><al> 2.10 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg);</al><al> 2.11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);</al><al> 2.25 (evenementen);</al><al> 2.47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen);</al><al> 2.48 (hinderlijk drankgebruik);</al><al> 2.49 (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen);</al><al> 2.50 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                ruimten);</al><al> 5.34 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                anderszins vuur te stoken);</al><al> van de Algemene Plaatselijke Verordening Bergeijk groepsgewijs niet
                                naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.76</nr><titel>Veiligheidsricisogebieden</titel></kop><al> De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van
                                        de gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera's
                                        voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een
                                        openbare plaats.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan ter handhaving van de openbare orde een
                                        gebied aanwijzen waarin mobiele camera's worden
                                        geplaatst.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al> prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="2."><al>prostitué(ee): degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="3."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was, prostitutie wordt verricht. Onder een
                                        seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="4."><al> escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen
                                        of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een
                                        andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                        uitgeoefend;</al></li><li nr="5."><al> sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="6."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="7."><al> beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in
                                        een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="8."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al><al>1. de exploitant;</al><al>2. de beheerder;</al><al>3. de prostitué(ee);</al><al>4. het personeel dat in de eksinrichting werkzaam is;</al><al>5. toezichthouders als bedoeld in artikel 6.2 en 6.2a;</al><al>6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Bevoegd gezag</titel></kop><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd gezag: het college
                                van burgemeester en wethouders, of voor zover het betreft voor het
                                publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet: de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al> Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kunnen
                                burgemeester en wethouders over de uitoefening de bevoegdheden in
                                dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                        exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van de
                                        burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval vermeld:</al></li><li nr=""><al> a. de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr=""><al>b. de persoonsgegevens van de beheerder;</al></li><li nr=""><al> c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al></li><li nr=""><al> a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr=""><al> b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; </al></li><li nr=""><al> c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li><li nr="2."><al> Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de
                                        exploitant en de beheerder niet</al></li><li nr=""><al> a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van
                                        Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                        toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht
                                        ter beschikking gesteld</al></li><li nr=""><al> b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                        tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of
                                        meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie
                                        openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba,
                                        Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter
                                        wegens een misdrijf waarvoor het Nederlands recht een bevel
                                        tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid
                                        van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten</al></li><li nr=""><al> c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee
                                        rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een
                                        onvoorwaardelijke geldboete van vijfhonderd euro of meer of
                                        tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste
                                        lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel
                                        mede wegens overtreding van</al></li><li nr=""><al> 1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                        Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                        vreemdelingen</al></li><li nr=""><al> 2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en
                                        met 249, 250a (oud), 252, 273f, 300 tot en met 303, 416,
                                        417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                        Strafrecht</al></li><li nr=""><al> 3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                        juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994</al></li><li nr=""><al> 4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
                                        de Wet op de Kansspelen</al></li><li nr=""><al> 5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen</al></li><li nr=""><al> 6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie;</al></li><li nr="3"><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijkgesteld:</al></li><li nr=""><al> a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                        artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                        Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene
                                        wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan
                                        driehonderd vijfenzeventig euro bedraagt</al></li><li nr=""><al> b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                        straf.</al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                        wordt</al></li><li nr=""><al> a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                        de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                        vergunning</al></li><li nr=""><al> b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                        de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li><li nr="5."><al> De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf
                                        jaar geen exploitant of beheerder geweest van een
                                        seksinrichting of escortbedrijf dat voor ten minste één
                                        maand door het bevoegd gezag is gesloten, of waarvan de
                                        vergunning als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid is
                                        ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen
                                        verwijt treft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                        verblijven:</al></li><li nr=""><al> a. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 08.00
                                        uur;</al></li><li nr=""><al> b. op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 08.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan door middel van een voorschrift als
                                        bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                        andere sluitingstijden vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin
                                        te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting
                                        krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens
                                        artikel 3.7, eerste lid, gesloten dient te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                        voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                        voorschriften van toepassing zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde
                                        belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in
                                        dit hoofdstuk kan het bevoegd gezag:</al></li><li nr=""><al> a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of
                                        tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen</al></li><li nr=""><al> b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                        tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                        bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene
                                        wet bestuursrecht, maakt het bevoegd gezag het in het eerste
                                        lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel
                                        3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning
                                        vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting
                                        aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te
                                        zien dat in de seksinrichting:</al></li><li nr=""><al> a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                        geval de feiten genoemd in de titels XVIII (misdrijven tegen
                                        de persoonlijke vrijheid), XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                        XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het
                                        Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                                        en in de Wet wapens en munitie; e</al></li><li nr=""><al> b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                        strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                        of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                        op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit
                                        te nodigen dan wel aan te lokken:</al></li><li nr=""><al> a. op of aan andere dan door burgemeester en wethouders
                                        aangewezen wegen of gebied</al></li><li nr=""><al> b. gedurende andere dan door burgemeester en wethouders
                                        vastgestelde tijden.</al></li><li nr="2."><al> Met het oog op de naleving van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden
                                        gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                        verwijderen.</al></li><li nr="3"><al>Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde
                                        belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich
                                        bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid,
                                        het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                        richting te verwijderen.</al></li><li nr="4."><al> De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.13,
                                        tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste
                                        eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid
                                        bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn,
                                        anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden
                                        op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste
                                        lid.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde
                                        verbod indien dat in verband met de persoonlijke
                                        omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</al></li><li nr="6."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                        burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al> Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door burgemeester en wethouders in het
                                belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen
                                gebieden of delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                        daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen,
                                        gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                        erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen,
                                        aan te bieden of aan te brengen:</al></li><li nr=""><al> a. indien het bevoegd gezag aan de rechthebbende heeft
                                        bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                        aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr=""><al> b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd gezag in
                                        het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                        gestelde regels.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                        opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                                        dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                        gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        van de Grondwet.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn, weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag neemt het besluit op de aanvraag om
                                        vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                        weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                                        weken verdagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De vergunning als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt
                                        geweigerd indien:</al></li><li nr=""><al> a. de exploitant en/of de beheerder niet voldoet aan de in
                                        artikel 3.5 gestelde eisen</al></li><li nr=""><al> b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                        het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                        bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan,
                                        voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of
                                        leefmilieuverordening; o</al></li><li nr=""><al> c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met
                                        artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                        of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen en de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde
                                        escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel
                                        1.8, de vergunning bedoeld in artikel 3.4. eerste lid,
                                        worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                        bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, achterwege gelaten, in
                                        het belang van:</al></li><li nr=""><al> a. het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr=""><al> b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                        en leefklimaat;</al></li><li nr=""><al> c. de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr=""><al> d. de verkeersvrijheid of –veiligheid</al></li><li nr=""><al> e. de gezondheid of zedelijkheid; of</al></li><li nr=""><al> f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie, wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.4 op de
                                        vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                        seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                        beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                        exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis
                                        aan het bevoegd gezag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid,
                                        onder b, het beheer in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant
                                        daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het
                                        beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                        indien het bevoegd gezag op aanvraag van de exploitant heeft
                                        besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging
                                        in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.13,
                                        eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                        het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder
                                        zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede
                                        lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is
                                        besloten.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al/><lijst><li nr="1."><al>besluit: activiteitenbesluit milieubeheer;</al></li><li nr="2."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="3."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="4."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="5."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De geluidsvoorschriften, als bedoeld in de artikelen 2.17,
                                        2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door
                                        burgemeester en wethouders per kalenderjaar aan te wijzen
                                        collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                        dagen of dagdelen.</al></li><li nr="2."><al> In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kunnen
                                        burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts
                                        geldt in een of meer kernen en/of wijken van de
                                        gemeente.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing zo mogelijk
                                        vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar
                                        bekend.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen wanneer een collectieve
                                        festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een
                                        festiviteit terstond als collectieve festiviteit, als
                                        bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van
                                        de inrichting van ten minste acht weken voor de aanvang van
                                        de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis
                                        heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders stellen een formulier vast voor
                                        het doen van een kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan,
                                        wanneer het formulier volledig en naar waarheid ingevuld,
                                        tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier
                                        gemeld.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht eerst dan te zijn
                                        gedaan, wanneer het formulier volledig en naar waarheid
                                        ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier
                                        gemeld.</al></li><li nr="5."><al> De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
                                        de burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van
                                        een inrichting een incidentele festiviteit, die
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat,</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al> Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in
                                de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                        milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze
                                        toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
                                        handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de
                                        omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        bepaalde ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                        Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het
                                        Vuurwerkbesluit of de Milieuverordening provincie
                                        Noord-Brabant.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6a</nr><titel>(Geluid)hinder in de open lucht</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, een
                                        (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben
                                        op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens
                                        voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        bepaalde ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen of wateren
                                        aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet
                                        van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in
                                        de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten,
                                        (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt
                                        voldaan aan de door het college vast te stellen
                                        voorschriften ter voorkoming of beperking van
                                        (geluid)hinder.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                                        betreffen:</al><al>- het maximale geluidsniveau;</al><al>- de situering van geluidsbronnen;</al><al>- de frequentie en tijden van gebruik</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6b</nr><titel>(Geluid)hinder door dieren</titel></kop><al> Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                                veroorzaakt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al> Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel/></kop><al> Op deze afdeling zijn de uitvoeringsregels opgesteld in
                                "Uitvoeringsregels behorende bij: Hoofdstuk 4 Bescherming van milieu
                                en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente. Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden" van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders een houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt uitsluitend voor:</al></li><li nr=""><al> a. Houtopstanden opgenomen in “Lijst waardevolle bomen
                                        gemeente Bergeijk”;</al></li><li nr=""><al> b. Houtopstanden die geplant zijn in het kader van de
                                        herplantplicht zoals genoemd in 2.3 herplant-/
                                        instandhoudingsplicht van het in artikel 4.10 genoemd
                                        document (vellen zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders)</al></li><li nr=""><al> c. Houtopstanden in het buitengebied (buiten bebouwde kom
                                        Wegenverkeerswet) welke een stamdiameter van 40 cm
                                        (stamomtrek 126 cm) of meer gemeten op 1,30 meter boven
                                        maaiveld.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor</al></li><li nr=""><al> a. Houtopstand, die moet worden geveld krachtens artikel 7
                                        van de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of
                                        last van burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het
                                        bepaalde in 2.3 herplant-/instandhoudingsplicht van het in
                                        artikel 4.10 genoemd document</al></li><li nr=""><al> b. Het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van
                                        regulier onderhoud</al></li><li nr=""><al> c. Het periodiek knotten of kandelaberen als
                                        cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten, mits de
                                        betreffende boom of bomen deze cultuurvorm al hebben</al></li><li nr=""><al> d. Houtopstanden gelegen in een waardevol vlak, zoals
                                        bedoeld in lid 2 onder a, die worden geveld volgens een door
                                        of namens burgemeester en wethouders goedgekeurd beheerplan
                                        en/of door of namens burgemeester en wethouders verleende
                                        omgevingsvergunning voor bouwen.</al></li><li nr=""><al>e. indien het vellen van een houtopstand nar het oordeel van
                                        de burgemeester in verband met een spoedeisend belang voor
                                        de openbare orde of in verband met een direct gevaar voor
                                        personen of goederen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> Een vergunning als bedoeld in artikel 4.11 van deze
                                        verordening dient te worden aangevraagd door of namens dan
                                        wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht
                                        of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid
                                        gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.</al></li><li nr="2."><al> Wanneer door of namens de Minister van Economische Zaken
                                        aan burgemeester en wethouders een afschrift is toegezonden
                                        van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de
                                        Boswet, beschouwen burgemeester en wethouders dit afschrift
                                        mede als een vergunningaanvraag.</al></li><li nr="3."><al> Op de aanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictie beschikking bij niet tijdig
                                        beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12a</nr><titel>Openbaarmaking</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> Van een aanvraag wordt de ontvangst daarvan door
                                        burgemeester en wethouders kennis gegeven in een weekblad en
                                        de website van de gemeente Bergeijk.</al></li><li nr="2."><al> Van een besluit op een aanvraag voor een vergunning wordt
                                        kennis gegeven in een weekblad en website van de gemeente
                                        Bergeijk.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom, alsmede andere door
                                        burgemeester en wethouders aan te wijzen plaatsen buiten een
                                        inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open
                                        lucht, buiten de weg gelegen plaatsen, één of meer van de
                                        volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op
                                        te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met
                                        inachtneming van de door hen gestelde regels, ter voorkoming
                                        of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan
                                        de openbare gezondheid:</al></li><li nr=""><al> a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                        onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr=""><al> b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                        daarvan;</al></li><li nr=""><al> c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.17 of
                                        onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben
                                        daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor
                                        een commercieel doel; of</al></li><li nr=""><al> d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van
                                        vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                        ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                        metalen;</al></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen
                                        daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom, alsmede op een door
                                        burgemeester en wethouders krachtens het eerste lid
                                        aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of
                                        stof:</al></li><li nr=""><al> a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben dan
                                        wel</al></li><li nr=""><al> b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders
                                        dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.</al></li><li nr="4."><al>Het opslaan van vaste meststoffen (dierlijke meststoffen en
                                        andere meststoffen van organische oorsprong voor zover die
                                        meststoffen niet verpompbaar zijn) mag maximaal één kubieke
                                        meter bedragen en moet op zodanige wijze plaatsvinden dat
                                        geen hinder of overlast wordt veroorzaakt. Het opslaan moet
                                        in elk geval plaatsvinden op ten minste:</al></li><li nr=""><al> a. vijf meter afstand van de erfscheiding;</al></li><li nr=""><al> b. blijvend voorzien zijn van een bovenafdekking, behoudens
                                        tijdens het aanbrengen of wegnemen van meststoffen.</al></li><li nr="5."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
                                        Provinciale wegenverordening van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al> Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Aanschrijving</titel></kop><al> Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld
                                in artikel 4.15, dan wel aangebracht voor een ander doel dan
                                handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt
                                gebracht of ernstig hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, zijn
                                burgemeester en wethouders bevoegd de rechthebbende
                                onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van het onroerende goed aan te
                                schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter
                                beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot
                                wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is
                                verplicht deze aanschrijving op te volgen</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bescherming van flora en fauna</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16a</nr><titel>Bescherming groenvoorzieningen</titel></kop><al> Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij
                                de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een
                                bloem- of heesterperk dan wel aldaar bloemen te plukken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16b</nr><titel>Beschermde planten en hout sprokkelen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Ter bescherming van natuur en landschap is op het
                                        grondgebied gelegen buiten de bebouwde kom verboden de door
                                        het college nader aangeduide paddenstoelen, bloemen of
                                        planten te plukken of bij zich te hebben en of hout te
                                        sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het
                                        verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd
                                        dan wel uitdrogend dood hout.</al></li><li nr="3."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet:</al></li><li nr=""><al> a. ten aanzien van paddenstoelen, bloemen of planten
                                        gekweekt in particuliere tuinen, tuincentra of
                                        kwekerijen;</al></li><li nr=""><al> b. indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden
                                        verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden en
                                        of exploitatie van terreinen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer, de Flora en faunawet of het Wetboek van
                                        strafrecht.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al> In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan:</al><al> Een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor
                                het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist,, dat bestemd of
                                opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor
                                recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.18</nr><titel>(Recreatief) nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van (recreatief) nachtverblijf
                                        kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten
                                        een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan,
                                        de beheerverordening, exploitatieplan of een
                                        voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt ook voor het plaatsen van kampeermiddelen
                                        voor eigen gebruik door de rechthebbende op een
                                        terrein.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het verbod in het eerste en tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8, kan de ontheffing
                                        worden geweigerd in eht belang van:</al></li><li nr=""><al> a. de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr=""><al> b. de bescherming van het stadsgezicht.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen (niet van toepassing).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waarop
                                        het verbod van artikel 4.18, eerste lid, niet geldt.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen daarbij nadere regels
                                        stellen in het belang van de gronden genoemd in artikel
                                        4.18, vierde lid.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                        van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="2."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al></li><li nr=""><al> 1. treinen en trams;</al></li><li nr=""><al> 2. tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;</al></li><li nr=""><al> 3. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                        Verkeersregels en Verkeerstekens 1990;</al></li><li nr=""><al> 4. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen
                                        en rolstoelen;</al></li><li nr="3."><al> parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                                        het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                        gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                        slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></li><li nr=""><al> a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                        toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met
                                        een straal van 25 meter met als middelpunt één dezer
                                        voertuigen, dan wel</al></li><li nr=""><al> b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan:</al></li><li nr=""><al> a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen</al></li><li nr=""><al> b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al></li><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                        gerekend voertuigen, gebezigd voor persoonlijk gebruik van
                                        de in het eerste lid genoemde persoon.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="5."><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al> Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al> Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                        rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in
                                        een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.</al></li><li nr="3."><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wet milieubeheer van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan,
                                        magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk
                                        voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins
                                        uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                        gebezigd:</al></li><li nr=""><al> a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te parkeren
                                        op de weg binnen de bebouwde kom, alsmede op een door
                                        burgemeester en wethouders aangewezen weg, waarbij
                                        buitensporig gebruik wordt gemaakt van de verdeling van
                                        beschikbare parkeerruimte of waarbij het schadelijk is voor
                                        het uiterlijk aanzien van de gemeente;</al></li><li nr=""><al> b. op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats
                                        te parkeren, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor
                                        het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde
                                        verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Provinciale caravan- en tentenverordening, het
                                        Provinciaal Wegenreglement of de Provinciale
                                        landschapsverordening van toepassing is.</al></li><li nr="4."><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                        aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
                                        kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte
                                        van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door burgemeester
                                        en wethouders aangewezen plaats waar dit - naar hun oordeel
                                        - schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                        gemeente.</al></li><li nr="2."><al> Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op
                                        de weg binnen de bebouwde kom met uitzondering van door
                                        burgemeester en wethouders aan te wijzen wegen op
                                        bedrijfsterreinen, alsmede op een door burgemeester en
                                        wethouders aangewezen weg(en) buiten de bebouwde kom waar
                                        dit - naar hun oordeel - buitensporig is met het oog op de
                                        verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op
                                        werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van
                                        08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing
                                        op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor
                                        zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende
                                        dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</al></li><li nr="5."><al> Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en
                                        tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading,
                                        een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer
                                        dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning
                                        of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze
                                        dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit
                                        dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen
                                        anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende
                                        de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het
                                        uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het
                                        voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen
                                        te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van
                                        nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of
                                        overlast kunnen ondervinden.</al></li><li nr="2."><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wet milieubeheer van toepassing is.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><structuurtekst><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te
                                        rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een
                                        park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde
                                        beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                        toepassing:</al></li><li nr=""><al> a. op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1. onder a;</al></li><li nr=""><al> b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                        uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                        overheid;</al></li><li nr=""><al> c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                        op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn
                                        bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><structuurtekst><al/><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen op de weg gelegen plaatsen
                                        aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien
                                        van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                        dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare
                                        gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                        buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                        staan.</al></li><li nr="2."><al> Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in
                                        onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde
                                        toestand verkeren, op de weg te laten staan.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders een openbare inzameling van geld of goederen te
                                        houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                        verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook
                                        geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij
                                        het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen,
                                        indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt
                                        gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een
                                        liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten
                                        kring gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                        uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden,
                                        verkopen of leveren van goederen op of aan de weg, aan huis
                                        dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke en in
                                        de openlucht gelegen plaats, dan wel diensten aan te
                                        bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></li><li nr=""><al> a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                        degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                        bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr=""><al> b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                        goederen als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en
                                        markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr=""><al> c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                        goederen als bedoeld in het eerste lid op een standplaats
                                        als bedoeld in artikel 5.17 van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde,
                                        de openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar
                                        komt.</al></li><li nr="2."><al> Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met
                                        zaterdag tussen 21.00 en 09.00 uur.</al></li><li nr="3."><al> Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen en uitstallingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het
                                        vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere
                                        voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen
                                        plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan
                                        niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam,
                                        een wagen, een tafel of enig ander middel.</al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></li><li nr=""><al> a. vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in
                                        artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr=""><al> b. vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel
                                        2.25;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders een standplaats in te nemen of te hebben of
                                        anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd:</al></li><li nr=""><al> a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                        verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke
                                        welstand;</al></li><li nr=""><al> b. vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr=""><al> c. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                        gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                        verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een
                                        redelijk verzorgingniveau voor de consument ter plaatse in
                                        gevaar komt.</al></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.19</nr><titel>Toestemming van rechthebbende</titel></kop><al> Het is de rechthebbende verboden toe te staan dat daarop zonder
                                vergunning van burgemeester en wethouders standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5.18, eerste lid geldt niet voor
                                        zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                        wegenreglement.</al></li><li nr="2."><al>De weigeringsgrond overlast geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="3."><al>De weigeringsgrond van artikel 5.18, tweede lid, onder b,
                                        geldt niet voor bouwwerken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al> Burgemeester en wethouders houden de aanvraag om een
                                standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft
                                waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
                                milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven
                                aan het tweede lid, tot de dag waarop is beslist op de aanvraag om
                                een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
                                milieubeheer.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Crossterreinen, gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor het publiek
                                        toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor
                                        recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten
                                        aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een
                                        motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z van het
                                        Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 of een
                                        bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i van het
                                        Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 of met een
                                        paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan
                                        berokkenen aan milieuwaarden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen
                                        plaatsen:</al></li><li nr=""><al> a. zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld
                                        in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden,
                                        dan wel</al></li><li nr=""><al> b. zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een
                                        fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing
                                        aangeduid tijdstip.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen en voor fietsen
                                        of berijders van paarden:</al></li><li nr=""><al> a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                        hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid
                                        van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door
                                        de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                        hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr=""><al> b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                        exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                        bedoeld;</al></li><li nr=""><al> c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                        wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr=""><al> d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van
                                        percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                        eerste lid bedoeld;</al></li><li nr=""><al> e. voor het verkeer ten behoeve van het bezoek en van de
                                        verzorging van de onder d. bedoelde personen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts
                                        niet:</al></li><li nr=""><al> a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b
                                        van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr=""><al> b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                        "Stiltegebieden" aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                        motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                        aangewezen als "toestel".</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het tweede lid gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                        buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                        anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al></li><li nr=""><al> a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                        dergelijke;</al></li><li nr=""><al> b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                        geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr=""><al> c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen
                                        gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing
                                        verlenen.</al></li><li nr=""><al> 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de
                                        ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en
                                        fauna.</al></li><li nr="8."><al> 5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1
                                        of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                        milieuverordening.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.35</nr><titel>Nieuw Artikel</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></li><li nr=""><al> a. verharde delen van de weg;</al></li><li nr=""><al> b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen
                                        met uitzondering van de gemeentelijke begraafplaats De
                                        Kapelakker te Luyksgestel</al></li><li nr=""><al> c. het openbare water.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een besluit nemen waarin
                                        voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere
                                        plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                        plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al> Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de
                                        nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van
                                        bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod
                                        uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke
                                        begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></li><li nr="4."><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al> Incidentele asverstrooiing is verboden, indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al> Onverminderd het bepaalde in hogere regelingen, wordt overtreding van
                            de artikelen in deze verordening en de krachtens deze artikelen gegeven
                            voorschriften en beperkingen gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                            maanden of een geldboete van de tweede categorie. Bovendien kan worden
                            gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al> Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="-"><al>de bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde
                                    strafbare feiten belaste personen, en</al></li><li nr="-"><al>de bij besluit van burgemeester en wethouders dan wel de
                                    burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2a</nr><titel>Bijzondere toezichthouders</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al> Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
                                    hoofdstuk 3 van deze verordening bepaalde zijn belast de
                                    ambtenaren van het Prostitutie Controle Team.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing, mandatering en de registratie van leden van het
                                    Prostitutie Controle Team worden geregeld in de “Centrale
                                    Mandaatregeling Prostitutie Controle team”.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al> Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften, die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend
                                    krachtens de verordening als bedoeld in artikel 6.6, tweede lid
                                    blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de
                                    vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze
                                    verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                                    ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn
                                    opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Voorschriften en beperkingen, opgelegd krachtens de verordening
                                    als bedoeld in artikel 6.6, tweede lid blijven - indien en voor
                                    zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en
                                    bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en
                                    voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van
                                    kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken
                                    of totdat zij worden ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe
                                    ook genaamd - op grond van de verordening als bedoeld in artikel
                                    6.6, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van
                                    inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag
                                    is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de
                                    onderhavige verordening toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                    vergunning of ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, dan wel
                                    een voorschrift of beperking als bedoeld in het tweede lid dat
                                    voor of na het tijdstip als bedoeld in artikel 6.6, eerste lid,
                                    is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt
                                    beslist met toepassing van de verordening als bedoeld in artikel
                                    6.6, tweede lid.</al></li><li nr="5."><al> In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                    vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                    onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens
                                    een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod
                                    vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten
                                    minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde
                                    termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></li><li nr="6."><al>Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of
                                    ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet
                                    voorkomend in de verordening als bedoeld in artikel 6.6, tweede
                                    lid, zijn niet van toepassing:</al></li><li nr=""><al> a. gedurende drie maanden na het in werking treden van deze
                                    verordening;</al></li><li nr=""><al> b. ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die
                                    de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een
                                    aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag
                                    is beslist.</al></li><li nr="7."><al>De intrekking van de verordening als bedoeld in artikel 6.6,
                                    tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis
                                    van die verordening genomen nadere regels en
                                    aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop
                                    de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                    verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel "Algemene
                            Plaatselijke Verordening Gemeente Bergeijk 2016".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet>INHOUDSOPGAVE</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al> Artikel 1.1 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 1.2 Beslissingstermijn</al><al> Artikel 1.3 Te late indiening aanvraag</al><al> Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</al><al> Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al> Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al> Artikel 1.7 Termijnen</al><al> Artikel 1.8 Weigeringgronden</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Openbare orde</vet></al><al> Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden</al><al> Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden</al><al> Artikel 2.2 Verblijfsontzeggingen</al><al> Afdeling 2. Betogingen</al><al> Artikel 2.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</al><al> Afdeling 3. Verspreiden van stukken</al><al/><al> Artikel 2.6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                    afbeeldingen</al><al> Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg</al><al> Vervallen</al><al> Afdeling 5. Bruikbaarheid van de weg</al><al> Artikel 2.10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                    publieke functie van de weg</al><al> Artikel 2.11 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen
                    van de weg</al><al> Artikel 2.12 Maken en veranderen van een uitweg</al><al> Afdeling 6. Veiligheid van de weg</al><al> Artikel 2.15 Uitzichtbelemmerende beplanting of voorwerp</al><al> Artikel 2.21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><al> Afdeling 7. Toezicht op evenementen</al><al> Artikel 2.24 Begripsbepaling</al><al> Artikel 2.25 Evenement</al><al> Artikel 2.26 Ordeverstoring</al><al> Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</al><al> Artikel 2.27 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting</al><al> Artikel 2.29 Sluitingstijd</al><al> Artikel 2.30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</al><al> Artikel 2.31 Verboden gedragingen</al><al> Artikel 2.32 Handel in openbare inrichtingen</al><al> Artikel 2.33 Burgemeester en wethouders als bevoegd orgaan</al><al> Artikel 2.34 Toegang ambtenaren van politie</al><al> Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                    Drank- en Horecawet</al><al> Artikel 2.34a Begripsbepaling</al><al> Artikel 2.34b Regulering paracommerciële rechtspersonen</al><al> Artikel 2.34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</al><al> Artikel 2.34d Koppeling toegang aan leeftijden</al><al> Artikel 2.34e Beperkingen voor andere detailhandel en slijtersbedrijven</al><al> Artikel 2.34f Verbod 'happy hours'</al><al> Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</al><al> Artikel 2.35 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 2.36 Kennisgeving exploitatie</al><al> Afdeling 9a. Toezicht op smart- en growshops (vervallen)</al><al> Artikel 2.37 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 2.38 Vergunningplicht</al><al> Artikel 2.38a Beslistermijn</al><al> Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</al><al> Artikel 2.39 Speelgelegenheden</al><al> Artikel 2.40 Speelautomaten</al><al> Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</al><al> Artikel 2.41 Betreden gesloten woning of lokaal</al><al> Artikel 2.42 Plakken en kladden</al><al> Artikel 2.44 Vervoer inbrekerswerktuig</al><al> Artikel 2.47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al><al> Artikel 2.48 Hinderlijk drankgebruik</al><al> Artikel 2.49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</al><al> Artikel 2.50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</al><al> Artikel 2.50a Vechten</al><al> Artikel 2.51 Neerzetten van fietsen e.d.</al><al> Artikel 2.53 Bespieden van personen</al><al> Artikel 2.57 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie</al><al> Artikel 2.58 Verontreiniging door honden</al><al> Artikel 2.59 Gevaarlijke honden</al><al> Artikel 2.60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</al><al> Artikel 2.62 Loslopend vee</al><al> Artikel 2.65 Bedelarij</al><al> Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</al><al> Artikel 2.66 Begripsbepaling</al><al> Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid van het
                    Wetboek van Strafrecht</al><al> Artikel 2.69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</al><al> Afdeling 13. Vuurwerk</al><al> Artikel 2.70 Begripsbepaling</al><al> Artikel 2.71 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</al><al> Artikel 2.72 Carbid schieten</al><al> Afdeling 14. Drugsoverlast</al><al> Artikel 2.74 Drugshandel op straat</al><al> Artikel 2.74a Openlijk drugsgebruik</al><al> Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                    cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al> Artikel 2.75 Bestuurlijke ophouding</al><al> Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebieden</al><al> Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</vet></al><al> Afdeling 1. Begripsomschrijvingen</al><al> Artikel 3.1 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 3.2 Bevoegd gezag</al><al> Artikel 3.3 Nadere regels</al><al> Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke</al><al> Artikel 3.4 Seksinrichtingen</al><al> Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder</al><al> Artikel 3.6 Sluitingstijden</al><al> Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</al><al> Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</al><al> Artikel 3.9 Straatprostitutie</al><al> Artikel 3.10 Sekswinkels</al><al> Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><al> Afdeling 3. Beslissingstermijn, weigeringsgronden</al><al> Artikel 3.12 Beslissingstermijn</al><al> Artikel 3.13 Weigeringsgronden</al><al> Afdeling 4. Beëindiging exploitatie, wijziging beheer</al><al> Artikel 3.14 Beëindiging exploitatie</al><al> Artikel 3.15 Wijziging beheer</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                        uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></al><al> Afdeling 1. Geluid- en lichthinder</al><al> Artikel 4.1 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</al><al> Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</al><al> Artikel 4.4 Verboden incidentele festiviteiten</al><al> Artikel 4.6 Overige geluidhinder</al><al> Artikel 4.6a (Geluid) hinder in de open lucht</al><al> Artikel 4.6b (Geluid) hinder door dieren</al><al> Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</al><al> Artikel 4.8 Natuurlijke behoefte doen</al><al> Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</al><al> Artikel 4.10 Uitvoeringsregels</al><al> Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</al><al> Artikel 4.12 Aanvraag vergunning</al><al> Artikel 4.12a Openbaarmaking</al><al> Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</al><al> Artikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</al><al> Artikel 4.15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al><al> Artikel 4.16 Aanschrijving</al><al> Afdeling 5. Bescherming van flora en fauna</al><al> Artikel 4.16a Bescherming groenvoorzieningen</al><al> Artikel 4.16b Beschermde planten en hout sprokkelen</al><al> Afdeling 6. Kamperen buiten kampeerterreinen</al><al> Artikel 4.17 Begripsbepaling</al><al> Artikel 4.18 (Recreatief) nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><al> Artikel 4.19 Aanwijzing kampeerplaatsen</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de
                        gemeente</vet></al><al> Afdeling 1. Parkeerexcessen</al><al> Artikel 5.1 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</al><al> Artikel 5.4 Defecte voertuigen</al><al> Artikel 5.5 Voertuigwrakken</al><al> Artikel 5.6 Kampeermiddelen e.a.</al><al> Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen</al><al> Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen</al><al> Artikel 5.9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</al><al> Artikel 5.10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</al><al> Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al><al> Artikel 5.12 Overlast van fiets of bromfiets</al><al> Afdeling 2. Collecteren</al><al> Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen</al><al> Afdeling 3. Venten e.d.</al><al> Artikel 5.14 Begripsbepaling</al><al> Artikel 5.15 Ventverbod</al><al> Artikel 4. Standplaatsen en uitstallingen</al><al> Artikel 5.17 Begripsbepaling</al><al> Artikel 5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al><al> Artikel 5.19 Toestemming van rechthebbenden</al><al> Artikel 5.20 Afbakeningsbepaling</al><al> Artikel 5.21 Aanhoudingsplicht</al><al> Afdeling 5. Openbaar water</al><al> Vervallen</al><al> Afdeling 6. Crossterreinen, gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                    natuurgebieden</al><al> Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden</al><al> Afdeling 7. Verbod vuur te stoken</al><al> Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                    anderszins vuur te stoken</al><al> Afdeling 8. Verstrooiing van as</al><al> Artikel 5.35 Begripsbepaling</al><al> Artikel 5.36 Verboden plaatsen</al><al> Artikel 5.37 Hinder of overlast</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al> Artikel 6.1 Strafbepaling</al><al> Artikel 6.2 Toezichthouders</al><al> Artikel 6.2a Bijzondere toezichthouders</al><al> Artikel 6.3 Binnentreden woningen</al><al> Artikel 6.5 Overgangsbepaling</al><al> Artikel 6.6 Inwerkingtreding</al><al> Artikel 6.7 Citeertitel</al></bijlage></regeling></body></cvdr>