<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76636_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsnotitie gebruiksvergunningen gemeente Meppel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Meppel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Meppel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Meppeler Courant, 20-09-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsnotitie gebruiksvergunningen gemeente Meppel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=ALGEMENE WET BESTUURSRECHT">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-09-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006-13893</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsnotitie gebruiksvergunningen gemeente Meppel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> augustus 2006</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Inleiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Van oudsher is de brandweerzorg een gemeentelijke verantwoordelijkheid.
                            Eén van de manieren voor de gemeente om invulling te geven aan deze
                            verantwoordelijkheid is het afgeven en controleren van
                            gebruiksvergunningen voor bouwwerken. Gebruiksvergunningen worden
                            verleend op grond van de Bouwverordening Meppel 2005.</al><al> In een gebruiksvergunning wordt het brandveilig gebruik geregeld van
                            een bouwwerk waarin een verhoogde kans op brand, dan wel een verhoogde
                            kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken brand aanwezig
                            is.</al><al> Tot 1 januari 2006 werden gebruiksvergunningen binnen de gemeente
                            Meppel afgegeven en gecontroleerd door de Brandweer. Sinds 1 januari
                            2006 is deze taak overgeheveld naar de afdeling Veiligheid, Vergunningen
                            en Handhaving.</al><al> In het proces van afgeven, controleren en handhaven van een
                            gebruiksvergunning is in 1992 besloten tot toepassen van het PREVAP
                            (PREVentie Activiteiten Plan). Vanwege personeelstekorten is uitvoering
                            nooit goed van de grond gekomen. Bovendien zijn er inmiddels nieuwe
                            inzichten gekomen en is er dringend behoefte aan het vaststellen van
                            nieuw beleid. Hoewel de gebruiksvergunning op termijn wordt vervangen
                            door het Gebruiksbesluit, kan in de overgangsperiode alleen verantwoord
                            met de bestuurlijke taak worden omgegaan wanneer er bestuurlijk
                            vastgesteld beleid aan ten grondslag ligt.</al><al> Met het in deze notitie (bestuurlijk) vast leggen van bovenstaand
                            beleid wordt een drieledig doel bereikt:</al><al> -de bestuurder krijgt inzicht in de handhavingsactiviteiten van de
                            medewerkers van de afdeling VVH en daarmee de mogelijkheid om
                            (handhavings)prioriteiten te stellen;</al><al> -de medewerkers van de afdeling VVH krijgen richtlijnen en handvatten
                            hoe in welke situatie te handelen om daarmee een bijdrage te leveren aan
                            een goede kwaliteit van de handhaving van regelgeving.</al><al> -bij uitbesteding is voor derden duidelijk wat het gemeentelijk beleid
                            wat betreft het verstrekken en controleren van gebruiksvergunningen. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>1</nr><titel>Omstandigheden waaronder een gebruiksvergunning kan worden verstrekt
                        </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Wanneer een gebruiksvergunning voor een bouwwerk moet worden afgegeven,
                            is het van belang te weten of het een nieuwbouwsituatie of een
                            verbouwsituatie betreft en of het een bestaand gebouw is met een nieuw
                            of bestaand gebruik.</al><al> Nieuw bouwwerk</al><al> Na de oplevering van het gebouw moet de gebruiker in het bezit zijn van
                            een gebruiksvergunning. Dit moet geregeld zijn voordat het gebouw in
                            gebruik wordt genomen. Bouwkundige eisen, brandveiligheidsinstallaties
                            en technische voorzieningen moeten dan goed uitgevoerd zijn. Met andere
                            woorden, er moet zijn voldaan aan de bouwvergunning.</al><al> Veranderend bouwwerk (verbouw)</al><al> Voor verbouw geldt dezelfde vergunningprocedure als voor nieuwbouw.
                            Verbouwen is in de zin van de Woningwet immers bouwen.</al><al> Bestaand bouwwerk, nieuw gebruik</al><al> In dit geval moet het gebouw worden gecontroleerd op de eisen ten
                            aanzien van bouwkundige brandveiligheid zoals omschreven in het
                            Bouwbesluit (delen bestaande bouwwerken). Wanneer het gebouw niet aan
                            die eisen voldoet, moet het College van burgemeester en wethouders
                            aanschrijven. In de aanschrijving moet worden aangegeven welke
                            maatregelen de gebruiker moet treffen om wél aan de eisen te voldoen. De
                            aanvraag voor de gebruiksvergunning moet worden aangehouden totdat aan
                            de aanschrijving is voldaan. De toetsingsgronden voor deze aanschrijving
                            kunnen ook worden bepaald door het brandveiligheidsniveau dat het
                            College van burgemeester en wethouders voor ogen staat. De uiterste
                            grenzen van dit niveau worden bepaald door het brandveiligheidsniveau
                            conform de eisen voor bestaande bouw aan de ene kant en de eisen die
                            gelden voor nieuwbouw aan de andere kant (zie ook 3.2 e.v..</al><al> Bestaand bouwwerk, bestaand gebruik</al><al> In dit geval vindt een vergunningplichtige activiteit plaats, waarvoor
                            nog geen vergunning is verleend. Hiervoor geldt dezelfde procedure als
                            voor een bestaand bouwwerk met nieuw gebruik.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>2</nr><titel>De gemeentelijke beleidsvrijheden </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> In 1991 is het Bouwbesluit in werking getreden. Hierin staan technische
                            voorschriften omtrent het bouwen van (nieuwe) bouwwerken. Daarnaast
                            werden, als nieuw aspect, ook voorschriften voor de staat van bestaande
                            bouwwerken opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld gebouwen die niet worden
                            gebouwd of verbouwd. Het bleek echter dat de geformuleerde
                            brandveiligheidseisen voor bestaande bouw aanmerkelijk lager liggen dan
                            die voor nieuwbouw. Men kan zich hierbij afvragen of dit wel juist is.
                            Er kan immers maar één niveau van brandveiligheid zijn: het is
                            brandveilig of niet. Een brand zal namelijk geen rekening houden met het
                            gegeven of deze woedt in een nieuw of in een bestaand (oud) gebouw.
                            Sterker nog, gezien het materiaalgebruik e.d. kan het voorkomen dat een
                            brand in een bestaand gebouw heviger brandt en zich sneller uitbreidt
                            dan in een nieuw gebouw. Ook in het gewijzigde Bouwbesluit (tweede fase)
                            - dat per 1 januari 2003 van kracht is - is met dit gegeven geen
                            rekening gehouden.</al><al> Bij de beoordeling van een bouwwerk in het kader van verlening van de
                            gebruiksvergunning (voor brandveilig gebruik) zal in een groot deel van
                            de gevallen sprake zijn van bestaande bouw. De vraag dringt zich dan op
                            wat in feitelijke en procedurele zin, de waarde en het nut van het
                            niveau bestaande bouw in het Bouwbesluit is en hoe hier mee omgegaan kan
                            en moet worden.</al><al> Nieuwbouw</al><al> Met de eisen voor nieuw te bouwen gebouwen is het minimumniveau van
                            brandveiligheid vastgelegd. Met deze eisen wordt niet meer en niet
                            minder beoogd dan dat:</al><al> -Een brand niet snel zal uitbreken;</al><al> -Een eenmaal uitgebroken brand zich niet snel zal uitbreiden;</al><al> -Bij brand er zo min mogelijk ongevallen plaatsvinden;</al><al> -De belendingen geen schade oplopen.</al><al> Met deze eisen geeft de overheid invulling aan haar zorgplicht
                            betreffende de brandveiligheid en doet zij recht aan één van de
                            uitgangspunten van de herziening van de bouwregelgeving, de
                            deregulering. Er zijn dus geen eisen gesteld aan het voorkomen van
                            schade door brand in het gebouw. De overheid rekent dit niet tot haar
                            taak. (Veelal zullen verzekeringsmaatschappijen extra eisen stellen om
                            dergelijke risico s en schades tegen te gaan.) Het Bouwbesluit heeft ook
                            geen ander doel voor ogen gehad dan het realiseren van een ondergrens,
                            een vangnet. De regelgever verwacht dat door het marktmechanisme (vraag
                            en aanbod) in de praktijk een hoger niveau wordt gerealiseerd. De markt
                            moet uitmaken of een gebouw dat aan de minimumeisen van het Bouwbesluit
                            voldoet te verkopen, verhuren of exploiteren is.</al><al> Bestaande bouw</al><al> Zoals gezegd zijn de eisen voor bestaande gebouwen van een ander
                            (lager) niveau dan de eisen voor nieuw te bouwen gebouwen. De
                            doelstelling van dit niveau heeft niets te maken met brandveiligheid,
                            hoewel de toelichting op deze artikelen in het Bouwbesluit vaak anders
                            doen vermoeden. Deze toelichting geeft immers het volgende aan over een
                            brandveiligheidseis voor bestaande gebouwen: ’Het niveau van deze
                            voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit oogpunt van brandveiligheid
                            nog juist als ondergrens worden geaccepteerd’.</al><al> Dit is in de meeste gevallen onjuist en is ook strijdig met het gegeven
                            dat de nieuwbouweisen juist een minimumniveau aangeven. De vaststelling
                            van het niveau bestaande bouw heeft louter betrekking gehad op
                            economische motieven. Het niveau is ongeveer het niveau waarop omstreeks
                            1930 gebouwd werd. Het is dus niet meer dan een geaccepteerd niveau en
                            in veel gevallen allerminst een acceptabel niveau.</al><al> Als voorbeeld kan hiervoor dienen het onderverdelen van een
                            kantoorgebouw in brandcompartimenten. De nieuwbouweis is dat zo’n
                            compartiment niet groter is dan 1000 m2 en de weerstand tegen
                            branddoorslag en brandoverslag van de scheidingsconstructies van een
                            dergelijk compartiment minimaal 60 minuten bedraagt. Deze waarden zijn
                            gebaseerd op het beheersbaar kunnen houden van een brand door de
                            brandweer en de tijd die de brandweer nodig heeft om de brand te kunnen
                            blussen. Bij een bestaand kantoorgebouw is de compartimentsgrootte
                            verdubbeld en daarbij de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
                            verlaagd naar 20 minuten. Iedere relatie met beheersbaarheid en
                            inzettijd is dus volledig zoek. In de praktijk zal een brand zelfs niet
                            tot de 2000 m2 beperkt blijven.</al><al> De vraag dringt zich nu op wat de waarde van het niveau bestaand bouw
                            is en wat de mogelijkheden van de gemeente zijn om hier in de praktijk
                            anders mee om te gaan. Daarvoor moet eerst duidelijk zijn voor welke
                            gebouwen dit niveau bestemd is. Een bestaand gebouw is in dit kader een
                            gebouw dat niet verbouwd wordt. Veelal zullen dit gebouwen zijn die al
                            wel in gebruik zijn, maar nog niet over de reeds genoemde
                            gebruiksvergunning in het kader van de brandveiligheid beschikken.</al><al> Aanschrijven</al><al> Indien een tot bewoning bestemd gebouw niet (meer) voldoet aan de eisen
                            voor de bestaande bouw, is de gemeente verplicht de eigenaar aan te
                            schrijven. Bij een niet tot bewoning bestemd gebouw heeft de gemeente
                            het recht een dergelijke aanschrijving te plegen. De in zo’n
                            aanschrijving vermelde prestatieeisen hoeven niet louter tot doel te
                            hebben dat het niveau bestaande bouw weer gerealiseerd wordt, maar mag
                            verder gaan. Maximaal kunnen eisen gesteld worden tot het niveau
                            nieuwbouw. De artikelen 14 en 17 van de Woningwet geven hiervoor de
                            mogelijkheden.</al><al> Het is dus mogelijk een bestaand gebouw aan de nieuwbouwvoorschriften
                            te laten voldoen. De enige restrictie die de regelgever heeft gesteld is
                            dat alle eisen die boven het niveau bestaande bouw uitstijgen, moeten
                            worden gemotiveerd. Gezien het op het gebied van brandveiligheid veelal
                            zeer lage niveau voor bestaande bouw, is dit in de praktijk niet
                            moeilijk te motiveren.</al><al> Het is ook mogelijk (dus niet verplicht) zowel tot bewoning bestemde
                            als niet tot bewoning bestemde gebouwen aan te schrijven tot het treffen
                            van brandveiligheidsvoorzieningen indien deze gebouwen nog wel voldoen
                            aan het niveau bestaande bouw, maar niet meer aan het niveau nieuwbouw.
                            Ook hier geldt dan dat al deze eisen gemotiveerd dienen te worden.</al><al> Als een gebruiksvergunningsplichtig gebouw wél aan de eisen van het
                            Bouwbesluit bestaande bouw voldoet, kan de aanvraag voor een
                            gebruiksvergunning - ondanks de aanschrijving - niet worden aangehouden.
                            Als nog niet aan de aanschrijving is voldaan voordat de beslistermijn
                            voor de aanvraag is verlopen, zijn er twee mogelijkheden: de
                            gebruiksvergunning wordt verleend met beperkende voorwaarden of de
                            vergunning wordt geweigerd.</al><al> Gemeentelijk beleid</al><al> Het op deze wijze ophogen van de eisen voor bestaande gebouwen kan
                            leiden tot verschillende niveaus voor dezelfde gebouwtypen, als het
                            niveau niet vastligt. Ook de rechter vindt dat de gemeente dit beleid
                            vastgelegd moet hebben om rechtsongelijkheid te voorkomen. Het verdient
                            dan ook aanbeveling om een dergelijk gemeentelijk beleid vast te stellen
                            en vast te leggen, zoals nu met deze notitie gebeurd.</al><al> Ook bij het verlenen van vrijstelling bij verbouw dient rekening
                            gehouden te worden met dit gemeentelijk beleid omdat er in sommige
                            gevallen vrijstelling verleend kan worden tot het niveau bestaande bouw.
                            Het is immers onjuist om bij vrijstelling naar een lager niveau te gaan
                            dan bij een aanschrijving het geval is. Vrijstelling wordt dan dus
                            beperkt tot het niveau van het gemeentelijk beleid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>3</nr><titel>De categorisering van de gebouwfuncties </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Voor het vaststellen van de gebouwfuncties waarvoor gemeentelijk beleid
                            noodzakelijk is, is aansluiting gezocht met de tweede fase Bouwbesluit.
                            Deze fase is op 1 januari 2003 in werking getreden en bevat
                            prestatie-eisen op het niveau nieuwbouw en op het niveau bestaande bouw
                            voor alle soorten woongebouwen en utiliteitsgebouwen. De tweede fase
                            Bouwbesluit onderscheidt elf gebruiksfuncties, te weten:</al><al> -bijeenkomstfunctie</al><al> -celfunctie</al><al> -gezondheidszorgfunctie</al><al> -logiesfunctie</al><al> -kantoorfunctie</al><al> -onderwijsfunctie</al><al> -winkelfunctie</al><al> -sportfunctie</al><al> -woonfunctie</al><al> -industriefunctie</al><al> -overige gebruiksfuncties </al><al> Van iedere gebruiksfunctie is afgewogen of hiervoor een gemeentelijk
                            beleidsniveau noodzakelijk is. Immers, de gebruiksfuncties kennen geen
                            relatie met de gebruiksvergunningplicht zoals deze is opgenomen in de
                            Bouwverordening.</al><al> Overeenkomstig de Handreiking brandpreventiebeleid bestaande bouw,
                            Aanschrijvingseisen (Nibra, februari 2002) is voor negen
                            gebruiksfuncties een gemeentelijk beleidsniveau vervaardigd. Voor de
                            industriefunctie en de overige gebruiksfuncties is dit achterwege
                            gelaten omdat hier maatwerk geboden is. Voor de woonfunctie is de
                            subfunctie ’voor minder zelfredzame personen’ (in algemene zin
                            toepasbaar voor alle ’bijzondere’ woonfuncties) uitgewerkt, zodat voor
                            negen gebruiksfuncties beleidspakketten zijn ontwikkeld. In onderstaande
                            tabel zijn deze gebruiksfuncties weergegeven, en daarbij is aangegeven
                            wat de relatie is met de in de bouwverordening vermelde
                            gebruiksvergunningsplichtige bouwwerken en welke soorten bouwwerken bij
                            deze gebruiksfuncties behoren. Deze laatste zijn slechts ter indicatie
                            en niet uitputtend.<plaatje><illustratie id="id487db3c-b505-4afc-b4ac-6cbf59331c6a" naam="i18808id487db3c-b505-4afc-b4ac-6cbf59331c6a.png" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="17.0cm"/></plaatje></al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>4</nr><titel>De categorisering van de brandveiligheidseisen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Systematiek heeft zwaar gewogen bij het samenstellen van het
                            Bouwbesluit. Bij het groeperen van de brandveiligheidseisen is het
                            verloop van een brand en de gevolgen daarvan aangehouden. Op zich lijkt
                            dit een logische en duidelijke opbouw. Het probleem is echter dat dit
                            niet strookt met het logisch en systematisch toetsen van een gebouw op
                            de brandveiligheidsvoorzieningen. Omdat dit laatste voor een goede
                            toetsing het uitgangspunt dient te zijn, zijn voor het beschrijven van
                            het gemeentelijke beleidsniveau de diverse te stellen
                            brandveiligheidseisen gegroepeerd in zeven clusters.</al><al> De (her)indeling leidt tot de volgende zeven clusters:</al><al> 1. Brandcompartimenten</al><al> 2. Rookcompartimenten</al><al> 3. Ontvluchten</al><al> 4. Constructieve veiligheid</al><al> 5. Materiaalgebruik</al><al> 6. Brandbeveiligingsinstallaties</al><al> 7. Overige bepalingen</al><al> Ad. 1 Brandcompartimenten</al><al> Een gebouw wordt allereerst verdeeld in brandcompartimenten.
                            Brandcompartimenten hebben tot doel een brand te beperken tot een vooraf
                            vastgesteld gebied. Hiermee kan worden voorkomen dat er te veel van het
                            gebouw in brand raakt, waardoor de schade te groot wordt en de brand
                            onbeheersbaar wordt en daardoor niet meer effectief kan worden
                            bestreden.</al><al> Ad. 2 Rookcompartimenten</al><al> Als de brandcompartimenten bekend zijn worden deze onderverdeeld in één
                            of meer rookcompartimenten. Rookcompartimenten hebben tot doel de
                            rookverspreiding te beperken waardoor de bij brand vluchtende mensen
                            niet te lang door de rook moeten vluchten. Rookcompartimenten kunnen
                            gerealiseerd worden door bouwkundige maatregelen (rookscheidingen) of
                            door installatietechnische voorzieningen (bijvoorbeeld door middel van
                            rookafvoer via een rook- en warmte-afvoerinstallatie).</al><al> Ad. 3 Ontvluchten</al><al> Nadat de aanwezige personen een rookcompartiment hebben verlaten,
                            moeten zij via van rook gevrijwaarde vluchtroutes naar buiten kunnen
                            vluchten. Bij het dimensioneren van deze routes moet rekening gehouden
                            worden met de onderlinge onafhankelijkheid van de vluchtroutes en het
                            maximaal aantal personen dat van deze routes gebruik zal maken. Tevens
                            zijn voor een veilige ontvluchting de inrichting van deze routes van
                            belang.</al><al> Ad. 4 Constructieve veiligheid</al><al> De hoofddraagconstructie en overige constructieonderdelen van een
                            gebouw dienen een van tevoren vastgestelde tijd weerstand te bieden
                            tegen bezwijken in geval van brand.</al><al> Ad. 5 Materiaalgebruik</al><al> Om brandontwikkeling, brandvoortplanting en rookproductie tegen te gaan
                            of te beperken, worden eisen gesteld aan de toepassing van
                            (bouw)materialen.</al><al> Ad. 6 Brandbeveiligingsinstallaties</al><al> Deze installaties zijn noodzakelijk om er voor te zorgen dat het
                            ontdekken of bestrijden van brand en het veilig ontvluchten in geval van
                            brand effectief plaats kan vinden. Daarnaast zijn een aantal
                            brandbeveiligingsinstallaties noodzakelijk om de brandbestrijding te
                            ondersteunen.</al><al> Ad. 7 Overige bepalingen</al><al> In het Bouwbesluit zit een omissie met betrekking tot de aanwezigheid
                            van blusmiddelen in (een aantal) gebouwfuncties kleiner dan 500 m2.
                            Derhalve is aan de hierboven genoemde zes clusters een zevende
                            toegevoegd. Met het beleidsmatig vastleggen van de noodzakelijke
                            aanwezigheid van (kleine) blusmiddelen in kleine gebouwfuncties, wordt
                            een aspect dat in het Bouwbesluit niet of niet goed is geregeld
                            rechtgezet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>5</nr><titel>Beleid gemeente Meppel voor bestaande gebouwen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Stand van zaken </titel></kop><al> Uit het onderzoek van de commissie onderzoek cafébrand nieuwjaarsnacht
                            (commissie Alders) blijkt dat van alle onderzochte gemeenten, geen
                            enkele gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het
                            brandveiligheidsniveau voor bestaande bouwwerken in de gemeente op te
                            hogen én bestuurlijk heeft laten vast leggen. Een aantal van de
                            onderzochte gemeenten gaan uit van het niveau bestaande bouw met in
                            sommige gevallen adhoc beleid voor een eventuele ophoging van de eisen.
                            Van de onderzochte gemeenten gaan er ook een aantal uit van het niveau
                            nieuwbouw voor bestaande bouwwerken, waarbij het niveau naar beneden
                            wordt bijgesteld tot een compromisniveau als de betrokkene
                            tegensputtert.</al><al> Het in de gemeente Meppel in de praktijk gehanteerde
                            brandveiligheidsniveau ligt ergens tussen het niveau voor bestaande bouw
                            en het niveau voor nieuwbouw. Bij de brandweer is een goed beeld
                            ontstaan van wat een redelijk minimaal brandveiligheidsniveau is.
                            Echter, ook voor de gemeente Meppel geldt: nog (te) weinig staat op
                            papier en is (bestuurlijk) vastgelegd.</al><al> Bij het op papier zetten van dit beleid is gebruik gemaakt van de
                            Handreiking Brandpreventiebeleid bestaande bouw, Aanschrijvingseisen.
                            Deze handreiking is in februari 2002 opgesteld in opdracht van de
                            gemeente Amsterdam door het Nederlands Instituut voor Brandweer en
                            Rampenbestrijding (Nibra). De handreiking is getoetst op landelijke
                            bruikbaarheid door het Landelijk Netwerk voor de Brandpreventie van de
                            Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding en het
                            Preventie Overleg Drenthe. Beide groepen deskundigen zijn van mening dat
                            de handreiking een goede referentie biedt voor het vormgeven van het
                            gemeentelijk brandpreventiebeleid. Het beschikbaar stellen van de
                            handreiking aan alle gemeenten is mogelijk gemaakt door ondersteuning
                            van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.</al><al> Omdat de in de gemeente Meppel gehanteerde uitgangspunten met
                            betrekking tot een redelijk minimaal brandveiligheidsniveau voor
                            bestaande bouwwerken nagenoeg dezelfde zijn als de bij het opstellen van
                            de handreiking gehanteerde uitgangspunten, kan min of meer geconcludeerd
                            worden dat het in dit hoofdstuk op papier gezette beleid een
                            formalisering is van de reeds bestaande praktijk.</al><al> Het beleid is opgesteld met als voornaamste input de benodigde
                            brandveiligheid. Toch is zoveel mogelijk rekening gehouden met de
                            gevolgen van beleid voor (extra) investeringen, technische uitvoering en
                            eventuele stopzetting van bedrijfsvoering c.q. sluiting van het
                            gebouw.</al><al> In paragraaf 3.5.2 wordt een algemene toelichting gegeven op de
                            uitgangspunten en keuzes van de beleidsniveaus. In paragraaf 3.5.3 is in
                            een matrix een overzicht weergegeven van de beleidsniveaus. Op deze
                            wijze is eenvoudig te zien welke beleidsniveaus zijn aangehouden en hoe
                            deze zich verhouden tot de niveaus nieuwbouw en bestaande bouw. Ook is
                            snel de relatie te zien tussen de beleidsniveaus van de verschillende
                            gebouwfuncties. Voor een volledig overzicht van de (beleidspakketten
                            met) brandveiligheidseisen per gebouwfunctie, wordt verwezen naar
                            Bijlage 1.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Algemene toelichting eisen </titel></kop><al> Ad.1. Brandcompartimenten</al><al> Uitgangspunt voor de eisen met betrekking tot brandcompartimentering
                            zijn de eisen voor de bestaande bouw. Het probleem dat zich voordoet bij
                            het volgen van dit niveau is de waarde van de brandwerendheid op
                            branddoorslag en brandoverslag van de brandcompartimenten. Deze is bij
                            bestaande gebouwen 20 minuten. Dat is onvoldoende om de brandweer de
                            kans te geven de brand binnen het brandcompartiment tegen te houden,
                            zodat een verdere branduitbreiding over het gehele gebouw mogelijk is.
                            Anderzijds is hier pas indirect sprake van een risico voor personen
                            omdat een veilige ontvluchting met andere eisen gerealiseerd wordt. Het
                            nieuwbouwniveau van 60 minuten lijkt de enige juiste eis, maar is
                            verhoudingsgewijs zwaar bij bestaande gebouwen. Om deze reden is gekozen
                            voor een tussenliggend niveau van 30 minuten, waarbij de brandweer in
                            veel gevallen (niet te groot of hoog gebouw en/of een snelle
                            brandmelding) de uitbreiding van de brand tot staan kan brengen.</al><al> Ad. 2 Rookcompartimenten</al><al> Uitgangspunt bij het formuleren van de eisen voor de rookcompartimenten
                            is het niveau nieuwbouw. De zwaarte van deze eisen is afhankelijk van de
                            bezetting van het gebouw. Hoe meer mensen per gebruiksoppervlakte, hoe
                            zwaarder de eisen. In het Bouwbesluit wordt dit aangeduid met
                            bezettingsklassen. Om voor de bestaande bouw toch enige verlichting te
                            geven, is de toepassing van bezettingsklasse 1 buiten beschouwing
                            gelaten. Dat wil zeggen als een bestaand gebouw een bezetting heeft
                            conform klasse 1, worden de (lagere) eisen voor klasse 2 toegepast.
                            Uiteraard gelden bij een bezetting die valt in de klassen 2, 3 of 4
                            gewoon de eisen die daarvoor gelden. Deze uitzondering geldt alleen niet
                            bij gebouwen met een bijeenkomstfunctie.</al><al> Ad. 3 Ontvluchten</al><al> Voor nagenoeg alle eisen die te maken hebben met een veilige
                            ontvluchting geldt het niveau nieuwbouw. Voor wat betreft de
                            draairichting van voordeuren geldt de nuancering dat nadrukkelijk
                            rekening wordt gehouden met de praktische (on)mogelijkheden van
                            eventuele aanpassing van de draairichting. Ook geldt bij het ontvluchten
                            dat, analoog aan het gestelde onder ad. 2, bezettingsklasse 1 (met
                            uitzondering van bijeenkomstgebouwen) buiten toepassing is gelaten.</al><al> Ad. 4 Constructieve veiligheid</al><al> Voor de constructies is gekozen voor het niveau bestaande bouw, omdat
                            dit uit oogmerk van brandveiligheid acceptabel is en omdat investeringen
                            die veelal nodig zijn om de constructieve veiligheid op het niveau
                            nieuwbouw te brengen in geen verhouding staan met de te verwachten
                            ’winst’ aan brandveiligheid.</al><al> Ad. 5 Materiaalgebruik</al><al> De eisen ten aanzien van de te gebruiken materialen zijn allen conform
                            het niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens gelijk aan de eisen
                            voor nieuwbouw. Voor het niveau nieuwbouw gelden echter nog een aantal
                            extra eisen die niet van toepassing zijn voor het niveau bestaande bouw.
                            Deze eisen hebben betrekking op de onbrandbaarheid van de binnenzijde
                            van een schacht, de brandgevaarlijkheid van een dak en de bijdrage tot
                            brandvoortplanting van (delen van) een buitengevel. Het niet-voldoen aan
                            deze eisen staat een veilige ontvluchting echter niet in de weg.
                            Derhalve kan volstaan worden met de eisen zoals deze gelden voor het
                            niveau bestaande bouw.</al><al> Ad. 6 Brandbeveiligingsinstallaties</al><al> Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid over de
                            brandbeveiligingsinstallaties is het niveau bestaande bouw. Hierop zijn
                            twee uitzonderingen. Voor de toepassing van zowel brandslanghaspels als
                            noodverlichting is het niveau nieuwbouw aangehouden. Met betrekking tot
                            ontruimingsalarminstallaties, brandmeldinstallaties en
                            transparantverlichting met vluchtroute aanduiding gelden de eisen zoals
                            gesteld in de bouwverordening. Omdat de bouwverordening geen onderscheid
                            maakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw, gelden voor beiden dezelfde
                            eisen met betrekking tot ontruimingsalarminstallaties,
                            brandmeldinstallaties en transparantverlichting met vluchtroute
                            aanduiding</al><al> Ad. 7 Overige bepalingen</al><al> Bij een aantal gebruiksfuncties geldt geen eis voor toepassing van
                            brandslanghaspels of pas vanaf een gebruiksoppervlakte van 500 m2. Bij
                            een kleinere gebruiksoppervlakte kan een brandblusmiddel echter ook zeer
                            effectief zijn. Ook is de kosten/baten-analyse voor een blusmiddel
                            gunstig en is het niet acceptabel (en aan het publiek moeilijk uit te
                            leggen) dat er wel investeringen in bijvoorbeeld rookwerende scheidingen
                            gedaan moeten worden, maar dat uit oogpunt van brandveiligheid een
                            blusmiddel niet noodzakelijk is. Om deze redenen is in die gevallen dat
                            er geen of pas vanaf 500 m2 een brandslanghaspel noodzakelijk is, de
                            toepassing van een blusmiddel opgenomen:</al><al> -Gebruiksoppervlakte tussen 0 en 100 m2: draagbaar blustoestel met een
                            inhoud van 6 kg en geschikt voor het blussen van klasse A- en
                            B-branden</al><al> -Gebruiksoppervlakte tussen 100 en 200 m2: minibrandslanghaspel met een
                            slanglengte van 15 m</al><al> -Gebruiksoppervlakte groter dan 200 m2: brandslanghaspel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Matrix beleidsniveaus</titel></kop><al><plaatje><illustratie id="i6a5407ab-382a-4066-9e3d-95ded5a15f8a" naam="i18809i6a5407ab-382a-4066-9e3d-95ded5a15f8a.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="22.8cm"/></plaatje> BB = niveau bestaande bouw uit het Bouwbesluit</al><al> NB = niveau nieuw bouw uit het Bouwbesluit</al><al> BV = bouwverordening</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Vereisten vergunningaanvraag en procedures </titel></kop><al> Een aanvraag om vergunning moet voldoen aan de eisen die gesteld zijn
                            in bijlage 2 van de Bouwverordening Meppel 2005. Dat betekent onder
                            andere dat de aanvraag moet zijn voorzien van een situatietekening
                            (schaal 1:1000), een bouwkundige plattegrondtekening (schaal 1:100), en
                            (indien van toepassing) een plattegrond met daarop aangegeven vrij te
                            houden gang- en looppaden en de opstelling van zitplaatsen.</al><al> In deze notitie is aangegeven aan welke bouwkundige voorwaarden moet
                            worden voldaan alvorens een gebruiksvergunning kan worden afgegeven. De
                            voorwaarden die aan de vergunning worden verbonden zijn afkomstig uit de
                            bijlagen 3 en 4 van de Bouwverordening.</al><al> De aanvraag wordt overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 4 van de
                            Algemene wet bestuursrecht afgehandeld.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al> Besloten in de vergadering van 12-09-2006.</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>