<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76540_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening WWB Noordoostpolder 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordoostpolder</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordoostpolder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 124, Flevopost 21-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening Wet Werk en Bijstand Noordoostpolder 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, art. 8, lid 1 sub b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011-16800</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening WWB Noordoostpolder 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Noordoostpolder,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 29 juni 2010 gelet
                        op de Wet werk en bijstand (WWB); </al><al>overwegende dat op grond van artikel 8, eerste lid onder b WWB de
                        gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen
                        van de bijstand, bedoeld in artikel 18, WWB,</al><al/><al>B E S L U I T vast te stellen de: </al><al/><al>Maatregelverordening WWB Noordoostpolder 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel
                                        18, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="g."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente.</al></li><li nr="h."><al>benadelingsbedrag: het door de gemeente ten onrechte
                                        uitbetaalde bedrag aan bijstand verhoogd met de
                                        loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de
                                        gemeente de bijstand verstrekt op grond van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is;</al></li><li nr="i."><al>recidive: het binnen 24 maanden na bekendmaking van een
                                        besluit tot het opleggen van een maatregel; het voornemen
                                        tot het opleggen van een maatregel, of een waarschuwing in
                                        de zin van artikel 6 van deze verordening, opnieuw plegen
                                        van een verwijtbare gedraging uit dezelfde of hogere
                                        categorie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien de
                                gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door
                                het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending
                                van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging
                                ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending
                                van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De wijze van oplegging van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op
                                de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de bijstand nog niet is betaald kan in afwijking van het
                                eerste lid de maatregel opgelegd worden met terugwerkende kracht. De
                                maatregel wordt niet opgelegd over een periode die ligt voor de
                                aanvang van de verwijtbare gedraging. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het opleggen van een maatregel niet mogelijk is, doordat de
                                uitkering inmiddels is beëindigd, dan kan het college besluiten de
                                uitkering over een periode die in het verleden ligt te herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur van de maatregel, recidive en cumulatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet vindt
                                plaats voor de duur van één kalendermaand, wanneer sprake is van een
                                eerste verwijtbare gedraging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, verdubbelt het college in geval
                                van recidive de duur of hoogte van de maatregel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting
                                als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het
                                bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de
                                gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan volstaan met een waarschuwing in plaats van een
                                verlaging, tenzij het een gedraging betreft als bedoeld in: artikel
                                8 zesde lid, artikel 11. artikel 13 of artikel 14 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien eerder binnen een periode van 24 maanden een waarschuwing is
                                gegeven kan niet worden volstaan met een waarschuwing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een besluit tot het opleggen van een maatregel voor een periode van
                                langer dan drie maanden wordt door het college binnen drie maanden
                                na het begin van de tenuitvoerlegging van dit besluit
                                heroverwogen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet uiterlijk twee weken na afloop van de in het eerste
                                lid genoemde termijn mededeling van zijn besluit met betrekking tot
                                de voortzetting van de verlaging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel wordt gestaakt met ingang van de vierde maand volgend
                                op de tenuitvoerlegging van het besluit tot verlaging als niet
                                binnen de eerste lid genoemde termijn een heroverweging van het
                                besluit heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden, waardoor de verplichtingen op grond van
                            artikel 9 van de wet en/of artikel 6 lid 1 en 2 van de
                            Participatieverordening Noordoostpolder 2010 niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven
                                            bij het UWV werkbedrijf;</al></li><li nr="b."><al>het later terugkeren van vakantie dan ingevolge artikel
                                            13, eerste lid, onder d, van de wet is toegestaan,
                                            terwijl men niet is vrijgesteld van de
                                            arbeidsverplichtingen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                            bestaan;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek als genoemd in artikel 5 van de
                                            Participatieverordening Noordoostpolder 2010;</al></li><li nr="a."><al>het niet dan wel niet-tijdig voldoen aan een oproep om,
                                            in verband met de inschakeling van arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="e."><al>het niet of niet langer meewerken aan een zorgtraject of
                                            het door weigeren of door eigen toedoen voortijdig
                                            beëindigen van hulpverlening indien de belanghebbende
                                            geplaatst is op trede 1 van de activeringsladder als
                                            bedoeld in de Participatieverordening;</al></li><li nr="f."><al>het niet of niet langer meewerken aan een traject
                                            gericht op persoonlijke activering indien de
                                            belanghebbende geplaatst is op trede 2 van de
                                            activeringsladder als bedoeld in de
                                            Participatieverordening.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet langer meewerken aan een traject
                                            gericht op maatschappelijke activering indien de
                                            belanghebbende geplaatst is op trede 3 van de
                                            activeringsladder als bedoeld in de
                                            Participatieverordening.</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet langer meewerken aan een
                                            trajectgericht op arbeidsactivering indien de
                                            belanghebbende geplaatst is op trede 4 van de
                                            activeringsladder als bedoeld in de
                                            Participatieverordening.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet langer meewerken aan een traject of het
                                            door eigen toedoen voortijdig laten beëindigen van een
                                            traject, indien de belanghebbende geplaatst is op trede
                                            5 van de activeringsladder als bedoeld in de
                                            Participatieverordening.</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet langer meewerken aan een traject of het
                                            door eigen toedoen niet behouden van de
                                            stage/werkervaringsplaats indien de belanghebbende
                                            geplaatst is op trede 6 van de activeringsladder als
                                            bedoeld in de Participatieverordening.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet langer meewerken aan een traject
                                            waaronder begrepen het door eigen toedoen niet behouden
                                            van het werk, indien de belanghebbende geplaatst is op
                                            trede 7 van de activeringsladder als bedoeld in de
                                            Participatieverordening.</al></li><li nr="b."><al>het weigeren of door eigen toedoen niet behouden van
                                            aangeboden werk in het kader van Work First.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Zesde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid.</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen of behouden van
                                            arbeid in dienstbetrekking </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gedragingen van de eerste categorie gedurende één maand tien
                                    (10) procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="b."><al>bij gedragingen van de tweede categorie gedurende één maand
                                    twintig (20) procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="c."><al>bij gedragingen van de derde categorie gedurende één maand
                                    dertig (30) procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="d."><al>bij gedragingen van de vierde categorie gedurende één maand
                                    vijftig (50) procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="e."><al>bij gedragingen van de vijfde categorie gedurende één maand vijf
                                    en zeventig (75) procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="f."><al>bij gedragingen van de zesde categorie gedurende één maand
                                    honderd (100) procent van de bijstandsnorm.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de
                            wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                            verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door
                            het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met
                            toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van vijf
                            procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, onverminderd artikel
                            2, tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel
                                afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><al>a. bij een benadelingsbedrag tot € 1000: 10% van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand;</al><al>b. bij een benadelingsbedrag van € 1000 tot € 2000: 20% van de
                                bijstandsnorm gedurende één maand;</al><al>c. bij een benadelingsbedrag van € 2000 tot € 4000: 40% van de
                                bijstandsnorm gedurende één maand;</al><al>d. bij een benadelingsbedrag van € 4000 of meer: 100% van de
                                bijstandsnorm gedurende één maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                            bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte
                            of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel,
                            onverminderd artikel 2, tweede lid, vijf procent van de
                            bijstand gedurende één maand</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, kan een
                                maatregel worden opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de
                                belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht
                                heeft op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen,
                                        inbegrepen het doen van een schenking, voorafgaand aan of
                                        tijdens de bijstandsverlening, voorzover bijstandsverlening
                                        redelijkerwijs was te voorzien;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen schuld of toedoen geen gebruik kunnen maken
                                        van een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
                                        en</al></li><li nr="d."><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen of behouden van
                                        arbeid in dienstbetrekking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt in geval van gedragingen
                                als bedoeld in het tweede lid onder a en b de maatregel op de
                                volgend wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een periode van 3 maanden of korter: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een periode van 3 tot 6 maanden: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende drie maanden;</al></li><li nr="c."><al>bij een periode van 6 maanden en langer: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende zes maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt in geval van gedragingen
                                als bedoeld in het tweede lid onder c en d de maatregel op de
                                volgend wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een periode van 3 maanden of korter: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een periode van 3 tot 6 maanden: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand en aansluitend 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende 2 maanden;</al></li><li nr="c."><al>bij een periode van 6 maanden en langer: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende twee maanden en aansluitend 10% van
                                        de bijstandsnorm gedurende 4 maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan,
                                welke betrekking heeft op bijzondere noodzakelijke kosten ontstaan
                                door onderverzekerdheid ingevolge de Zorgverzekeringswet wordt de
                                maatregel bepaald op het bedrag dat zou zijn vergoed op basis van de
                                collectieve ziektekostenverzekering voor minima in de gemeente
                                Noordoostpolder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een
                            maatregel opgelegd van minimaal twintigprocent van de
                            bijstandsnorm gedurende één maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            nadere regels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009 zoals deze
                                luidde op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van
                                deze verordening, blijft van toepassing op gedragingen zoals genoemd
                                in de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009, die
                                plaatsvinden voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Lid 1 is niet van toepassing indien op grond van deze verordening
                                een lagere maatregel zou moeten worden opgelegd dan op grond van de
                                Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de Maatregelverordening Wet
                            Werk en Bijstand Noordoostpolder 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 september 2010 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Afstemmingsverordening Wet werk en
                            bijstand 2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>van 9 september 2010</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING MAATREGELVERORDENING WWB NOORDOOSTPOLDER 2010</tussenkop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al/><tussenkop><cursief><vet>De regeling in de Wet werk en
                    bijstand</vet></cursief></tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB is het systeem van boeten en maatregelen van
                    de Algemene bijstandswet vervallen. In plaats daarvan geven gemeenten hun
                    sanctiebeleid zelf vorm. De WWB kent één soort sanctie: het verlagen van de
                    uitkering.</al><al/><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een
                    verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen
                            28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                            niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de
                            verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand
                            of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien
                            elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin.</al><al/></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    van uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                    tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college
                    tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van
                    een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke
                    verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden in overeenstemming met een door de
                    gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de maatregelverordening. </al><al/><tussenkop>De term ‘maatregel’</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate
                    waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip
                    ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en plichten
                    elk één kant van dezelfde medaille vormen.</al><al>Zonder dat uitgangspunt los te laten, gebruiken wij in deze verordening de term
                    “het opleggen van een maatregel” om het verlagen van de bijstand vanwege het
                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aan te duiden. Daarmee wordt niet
                    alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen
                    gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter ervan benadrukt.</al><al/><tussenkop>De relatie met de participatieverordening</tussenkop><al>Gelijktijdig met deze verordening is ook de participatieverordening vastgesteld.
                    In deze verordening is vastgelegd hoe wij de burgers ondersteunen bij de
                    arbeidsinschakeling en hoe wij omgaan met het aanbieden van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling. De algemene verplichting staat in de wet
                    genoemd. Gemeenten kunnen deze verplichting echter ook nader specificeren
                    (invullen met specifieke voorzieningen) en de specificaties in de beschikking
                    vastleggen. In de participatieverordening is aandacht geschonken aan de
                    voorzieningen die de gemeente kan inzetten. De vertaling daarvan vindt plaats in
                    de individuele beschikking. Indien een WWB gerechtigde de verplichtingen niet
                    nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in
                    de afstemmingsverordening.</al><al/><tussenkop><onderstreept>De relatie met de
                    handhavingsverordening</onderstreept></tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel gaat vaak gepaard met het ten onrechte verstrekt
                    hebben van bijstand. Ten onrechte verstrekte bijstand dient in beginsel door de
                    cliënt te worden terugbetaald. Deze verordening heeft geen betrekking op
                    terugbetaling van ten onrechte ontvangen bijstand, maar uitsluitend op de
                    sanctie die wordt opgelegd. Terugvordering is nader geregeld in de
                    handhavingsverordening.</al><al/><al>In 2009 is de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009 vastgesteld.
                    Thans is er de Maatregelverordening Wet werk en bijstand 2010. Deze versie is
                    met name tot stand gekomen doordat de oude verordening niet voorzag in de
                    mogelijkheid om een sanctie op te leggen als iemand door eigen schuld of toedoen
                    of onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid een bijstandsuitkering
                    moet aanvragen. Denk hierbij aan het door eigen toedoen niet krijgen of houden
                    van arbeid in loondienst, het versneld interen op eigen vermogen.</al><al/><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al/><al>Artikel 1</al><al/><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB en AWB.</al><al/><al>Artikel 2</al><al/><al>Eerste lid</al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="·"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze aanvaarden; en</al></li><li nr="·"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    participatieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="·"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="·"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen’.</al><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                    door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op
                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
                    delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
                    het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de
                    bijstand.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                    Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen.</al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals hoge
                            woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard
                            waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 3</al><al/><al>Eerste lid</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. De
                    maatregel heeft als doel het gedrag van betrokkene te corrigeren. Indien
                    verwijtbaarheid ontbreekt kan een dergelijk middel dan ook niet aan de orde
                    zijn. Het college kan in beleidsregels neerleggen hoe het van plan is om te gaan
                    met de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke
                    gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in
                    beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen
                    sprake is of kan zijn van verzachtende omstandigheden. Omdat in de WWB zelf is
                    bepaald dat van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, hoeft dit niet in de Afstemmingsverordening te worden
                    geregeld.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt in lid 1
                    geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan
                    één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn is aangesloten bij de termijn die staat in artikel 14e
                    van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens
                    niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                    hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de
                    gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>Soms kunnen er zwaarwegende argumenten zijn om van de tenuitvoerlegging van een
                    overigens gerechtvaardigde verlaging af te zien. Het betreft dan argumenten die
                    met de reden van de verlaging niets van doen hebben. Deze zijn immers bij de
                    vaststelling van de hoogte en de duur van de verlaging al meegewogen.</al><al>Men kan hierbij denken aan situaties waarin sprake is van een zodanige samenloop
                    van omstandigheden dat deze, als de verlaging wel zou worden uitgevoerd, tot
                    gevolg hebben dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging in een ernstige
                    financiële noodsituatie komt, waardoor bijvoorbeeld onmiddellijke huisuitzetting
                    dreigt of een pas begonnen schuldsaneringstraject wordt gefrustreerd. Het moet
                    als gezegd gaan om een noodsituatie die het gevolg is van de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende. Het ontstaan van een betaling- of
                    huurachterstand of een tijdelijke opschorting van een schuldsanering zijn op
                    zichzelf geen redenen om van het opleggen van een verlaging af te zien. Evenmin
                    kan het enkele feit dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging tijdelijk
                    een inkomen lager dan de beslagvrije voet ontvangt voldoende reden zijn om van
                    de tenuitvoerlegging van een verlaging af te zien. De financiële noodsituatie
                    mag ook niet het gevolg zijn van de verwijtbare gedraging. Als iemand door
                    verwijtbaar ontslag in ernstige financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit
                    een reden zijn om van de oplegging van de verlaging af te zien. De
                    omstandigheden zijn immers het gevolg van het verwijtbare gedrag.</al><al>Afzien van de uitvoering van een verlaging kan ook plaatsvinden als er sprake is
                    van een verlaging wegens herhaald verwijtbaar gedrag. Bij elke nieuwe verlaging
                    of heroverweging moet dus opnieuw worden beoordeeld of zich dringende redenen
                    voordoen.</al><al>In de beschikking worden wel hoogte en duur van de verlaging vastgesteld en
                    wordt meegedeeld om welke dringende redenen van tenuitvoerlegging wordt
                    afgezien. De verlaging telt bij de vaststelling van eventuele recidive en
                    volharding dus gewoon mee.</al><al/><al>Derde lid </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al/><al>Artikel 4</al><al/><al>Eerste lid</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="·"><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of</al></li><li nr="·"><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en).</al><al/></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. De gemeente hoeft in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te
                    vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                    met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de
                    voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>Indien de bijstand nog niet is uitbetaald kan de maatregel worden opgelegd met
                    terugwerkende kracht. Hiermee wordt zoveel mogelijk vorm gegeven aan een lik op
                    stuk beleid, waarbij de “overtreding” en de “maatregel” nog direct aan elkaar
                    gekoppeld kunnen worden.</al><al/><al>Derde lid</al><al>Indien na beëindiging van de bijstand blijkt dat alsnog een maatregel moet
                    worden opgelegd kan de gemeente de bijstand verlagen door deze met terugwerkende
                    kracht te herzien. Het teveel betaalde bedrag moet dan worden
                    teruggevorderd.</al><al/><al>Artikel 5</al><al/><al>Tweede lid</al><al>Een maatregel wordt opgelegd voor de duur van één maand. Indien er sprake is van
                    recidive dan kan gekozen worden voor een hogere maatregel gedurende één maand of
                    een maatregel gedurende meerdere maanden. Hierbij wordt de mogelijkheid geboden
                    om een keuze te maken die recht doet aan de ernst van de misdragingen en de
                    individuele afstemming op de situatie van de klant.</al><al/><al>Derde lid</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt.</al><al/><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging,
                    dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.</al><al/><al>Artikel 6</al><al>In bepaalde situaties kan het opleggen van een maatregel contra productief
                    werken. In verband daarmee is in dit artikel de mogelijkheid geschapen om een
                    waarschuwing af te geven. Een waarschuwing wordt altijd schriftelijk vastgelegd.
                    In een periode van 24 maanden kan slechts één maal een waarschuwing worden
                    gegeven, ook als er sprake is van verschillende vormen van maatregelwaardig
                    gedrag.</al><al/><al>Artikel 7</al><al/><al>Eerste lid</al><al>Artikel 18, derde lid, WWB schrijft voor dat het college een verlaging moet
                    heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging kan achterwege
                    blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie maanden is
                    opgelegd.</al><al>Binnen drie maanden na de beschikking tot verlaging voor onbepaalde duur moet
                    het college beginnen met het onderzoek in het kader van de heroverweging. Dit
                    onderzoek kan in sommige gevallen schriftelijk plaatsvinden, afhankelijk van de
                    aard van de verplichting of gedraging. Zo kan, bijvoorbeeld wanneer het gaat om
                    het al dan niet nakomen van de sollicitatieplicht, worden volstaan met het
                    opvragen van schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat de belanghebbende
                    inmiddels aan de sollicitatieplicht is gaan voldoen. In andere gevallen zal het
                    noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te roepen. Als de belanghebbende de
                    gevraagde gegevens niet overlegt of geen gehoor geeft aan oproepen, dan vindt
                    heroverweging plaats op basis van de dan bekende gegevens.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>De heroverweging resulteert in een beschikking. Het resultaat van de
                    heroverweging kan zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>de belanghebbende laat blijken zich inmiddels niet langer schuldig te
                            maken aan de verwijtbare gedraging waarvoor de verlaging was opgelegd.
                            In dat geval zal de verlaging worden herzien met ingang van het moment
                            waarop van verder verwijtbaar gedrag geen sprake meer is;</al></li><li nr="·"><al>de belanghebbende maakt aannemelijk dat hij zich voortaan aan de
                            opgelegde verplichtingen zal houden. In dat geval wordt niet langer een
                            maatregel opgelegd;</al></li><li nr="·"><al>de maatregel wordt voortgezet als de belanghebbende zich ook ten tijde
                            van de heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig
                            maakt. De voortzetting kan, afhankelijk van de omstandigheden, mate van
                            verwijtbaarheid en ernst van de gedraging, plaatsvinden voor bepaalde of
                            onbepaalde duur. Bij voortzetting voor onbepaalde duur moet binnen
                            uiterlijk drie maanden opnieuw heroverweging plaatsvinden.</al><al/></li></lijst><al>Derde lid</al><al>Indien er niet tijdig een heroverweging plaatsvindt vervalt de maatregel.
                    Hiermee wordt voor de belanghebbende rechtszekerheid ingebouwd, dat tijdig een
                    heroverweging plaatsvindt.</al><al/><al>Artikel 8</al><al/><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan een re-integratietraject en/of het verkrijgen of behouden van
                    reguliere arbeid, worden in zes categorieën onderscheiden. De eerste en tweede
                    categorie hebben vooral betrekking op algemene verplichtingen. Bij de volgende
                    categorieën is direct een koppeling gelegd met het in de participatieverordening
                    opgenomen premiebeleid. Een re-integratietraject wordt in stappen uitgevoerd. De
                    stappen zijn weergegeven in de activeringsladder. Hoe hoger op de ladder, hoe
                    dichter bij regulier werk. Daarbij geldt ook dat hoger op de ladder betekent
                    meer verantwoordelijkheid bij de uitkeringsgerechtigde. Het niet of onvoldoende
                    meewerken aan een traject c.q. het behouden van arbeid wordt vanuit deze
                    filosofie strenger bestraft naarmate iemand hoger op de ladder staat.</al><al/><al>Eerste categorie:</al><al>Onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te
                    schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven.</al><al>Onderdeel b, betreft de verplichting om niet langer dan binnen de wet is
                    toegestaan in het buitenland te verblijven.</al><al/><al>Tweede categorie:</al><al>Onderdeel a heeft betrekking op de verplichting om voldoende besef van
                    verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="·"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="·"><al>het niet nakomen van aan de bijstand verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="·"><al>het verspelen van het recht op een voorliggende voorziening.
                            bijvoorbeeld een WW uitkering, door de daaraan verbonden verplichtingen
                            niet of niet voldoende na te komen. In deze situatie moet onderzocht
                            worden waarom het recht op de voorliggende voorziening is vervallen. De
                            maatregel die vervolgens opgelegd wordt is gelijk aan de maatregel die
                            volgt als iemand aan de bijstand verbonden verplichtingen niet nakomt.
                            Uit oogpunt van rechtsgelijkheid dienen bijstandsgerechtigden gelijk te
                            worden behandeld. Het enkele feit dat een andere instantie een andere
                            (=zwaardere) maatregel hanteert dan de gemeente is geen reden voor het
                            opleggen van een zwaardere maatregel.</al><al/></li></lijst><al>Onderdeel b en c betreffen de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep of mee te
                    werken aan een onderzoek.</al><al/><al>Onderdeel e en f hebben betrekking op uitkeringsgerechtigden die zijn ingedeeld
                    op de eerste of tweede trede van de activeringsladder.</al><al/><al>De derde tot en met de vijfde categorie hebben betrekking op
                    uitkeringsgerechtigden die zich bevinden op de derde en volgende treden van de
                    activeringsladder. Onder de vijfde categorie valt tevens de
                    uitkeringsgerechtigde die aangeboden werk in het kader van Work First weigert of
                    door eigen toedoen het aangeboden werk in het kader van Work First
                    kwijtraakt.</al><al/><al>Zesde categorie</al><al>Hierbij gaat het om het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid
                    alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde
                    arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet
                    behouden.</al><al/><al>Artikel 9</al><al/><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de zes categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De percentages
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd, zijn voor een deel overgenomen uit het
                    Maatregelenbesluit. In een aantal situaties is een hoger percentage vastgesteld
                    om meer aan te sluiten bij het uitgangspunt van de WWB, werk boven inkomen.
                    Daarnaast komt in de percentages tot uitdrukking dat, hoe hoger de
                    uitkeringsgerechtigde zich op de activeringsladder bevindt, hoe hoger de op te
                    leggen maatregel is.</al><al/><al>Artikel 10</al><al/><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het
                    recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het college geeft de
                    cliënt vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                    hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                    verstrekt, dan kan het college bijstand stopzetten (het intrekken van het
                    besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen
                    de hersteltermijn verstrekt, wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens een
                    maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de maatregel.</al><al/><al>Artikel 11</al><al/><al>Eerste lid</al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De ernst van de gedraging
                    komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de
                    gemeente te veel betaalde bedrag aan bijstand.</al><al/><al>Tweede lid </al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending van
                    die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald.</al><al/><al>De maatregel wordt in principe toegepast op de toekomstige bijstandsuitkering
                    van de belanghebbende.</al><al/><al>Artikel 12</al><al/><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk.</al><al/><al>Artikel 13</al><al/><al>Een ieder is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de voorziening in de
                    kosten van het bestaan. Indien die verantwoordelijkheid onvoldoende wordt
                    genomen en iemand daardoor afhankelijk is of wordt van een bijstandsuitkering,
                    dan is er sprake van maatregelwaardig gedrag. In artikel 8 van deze verordening
                    is vastgelegd hoe een maatregel wordt opgelegd aan iemand die al een
                    bijstandsuitkering heeft en onvoldoende besef van verantwoordelijkheid betoont
                    voor de voorziening in het bestaan.</al><al>Artikel 13 voorziet in de mogelijkheid om een maatregel op te leggen als de
                    bijstandsaanvraag het gevolg is van voorafgaand aan de bijstandsverlening
                    onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid. Dit betekent dat wanneer
                    iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt
                    over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg
                    daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de
                    bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.</al><al/><al>De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende
                    als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.</al><al/><al>Artikel 14</al><al/><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen uitsluitend een maatregel opleggen indien er een verband
                    bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de
                    gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit
                    artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                    plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van WWB.</al><al/><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een
                    klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf). Het is dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel
                    op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling (artikel 7, tweede lid, van deze
                    verordening).</al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="·"><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="·"><al>discriminatie;</al></li><li nr="·"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="·"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="·"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="·"><al>combinatie van agressievormen.</al><al/></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al>Het college kan nadere regels opstellen voor de uitvoering van dit artikel.
                    Hierbij zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij een (nog op te stellen)
                    agressieprotocol.</al><al/><al>Artikel 15 t/m 17</al><al/><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al><al/><al>Artikel 18</al><al/><al>In deze bepaling is geregeld dat de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand
                    2009 van toepassing blijft op gedragingen die zich hebben voorgedaan voordat
                    deze nieuwe verordening in werking treedt. Dit is anders indien op grond van
                    deze nieuwe verordening voor een gedraging een lagere maatregel zou zijn
                    opgelegd dan op grond van de oude verordening het geval zou zijn geweest.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>