<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76530_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nota financieel beleid</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Meppel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Meppel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">g</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nota financieel beleid</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=ALGEMENE WET BESTUURSRECHT">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-07-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-07-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-04-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007-10013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiën en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nota financieel beleid</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De gemeente stelt de Nota financieel beleid vast:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Samenvatting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al>In deze nota over het financieel beleid zijn de bestaande en de nieuwe
                            kaders en spelregels voor het financieell beleid vastgelegd. Daarnaast
                            wordt in deze nota op hoofdlijnen uitgelegd hoe de financiële
                            huishouding in elkaar zit en wat de wettelijke regelgeving daarbij
                            is.</al><al/><al>Visie en uitgangspunten</al><al>Het financieel beleid is gericht op een gezonde financiële positie voor
                            onze gemeente en transparantie in het financieel handelen. Om dat te
                            verwezenlijken wil de gemeente Meppel optimaal inzicht geven in de
                            financiële positie, zodat op de verschillende niveaus van raad, college
                            en organisatie gestuurd kan worden op een efficiënte uitvoering, op het
                            gewenste resultaat en op de gewenste dienstverlening voor de Meppeler
                            burgers. Voor de raad en het college gaat het om inzicht en (bij)sturing
                            op hoofdlijnen; voor de organisatie ook om de details. Dit in
                            transparante onderlinge samenhang.</al><al/><al>Uitgangspunten voor het financiële beleid en de financiële administratie
                            zijn:</al><al>- er wordt gewerkt volgens de wettelijke regels (o.a Besluit Begroting
                            en Verantwoording, BBV);</al><al>- financiële spelregels en procedures moeten transparant en duidelijk
                            zijn voor raad, college en organisatie;</al><al>- integrale beleidsafweging van de verschillende bestedingen vindt
                            plaats in de raad; het college bereidt deze integrale afweging met
                            ondersteuning van de ambtelijke organisatie voor;</al><al>- administratieve procedures worden beperkt tot het meest noodzakelijke
                            om te kunnen analyseren en bijsturen. Geen administratieve
                            rompslomp;</al><al>- budgetten zijn gebaseerd op realistische ramingen en niet op
                            historisch bepaalde budgetten. Zo wordt helder gemaakt wat we waar voor
                            nodig hebben. Aanpassingen in ramingen maken we transparant;</al><al>- tegenvallers worden primair binnen het product opgevangen en als dat
                            niet lukt zo veel mogelijk binnen aanverwante producten of binnen het
                            programma zoal opgenomen in de programmabegroting;</al><al>- er wordt zoveel mogelijk een meerjarig consequente gedragslijn
                            gehanteerd;</al><al>- er is één financiële administratie. Deze moet gedegen, betrouwbaar en
                            actueel zijn en aansluiten bij de sturingsbehoefte van de budgethouders.
                            Dat betekent geen dubbele systemen en geen schaduwboekhoudingen. Het
                            proces moet zo zijn ingericht dat correctieboekingen nauwelijks meer
                            nodig zijn;</al><al>- controles zijn bedoeld om vast te stellen dat werkzaamheden en
                            administraties correct zijn uitgevoerd, maar vooral ook om op basis van
                            gesignaleerde knelpunten uit het verleden structurele verbeterpunten
                            voor de toekomst te benoemen en uit te voeren; dat betekent dat controle
                            moet worden gevolgd door een analyse, evaluatie en daadwerkelijke
                            bijstelling.</al><al/><al>Procedure besluitvorming en uitvoering</al><al>Het College van B&amp;W heeft deze nota op 3 juli 2007 vastgesteld. Na
                            de zomervakantie 2007 wordt deze nota ter kennisneming aan de raad
                            aangeboden. De uitvoering van de actiepunten (zie ook bijlage 1) wordt
                            zoveel mogelijk binnen de reguliere planning &amp; control cyclus
                            opgepakt. Hiervoor wordt separaat een uitvoeringsplanning gemaakt. De
                            projectleider voor de verbetering van de financiële processen zal dit
                            bewaken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Aanleiding en achtergrond</titel></kop><al> De afgelopen jaren zijn diverse veranderingen van invloed geweest op
                            het gemeentelijke financiële beleid en de financiële administratie. Zo
                            heeft de invoering van het dualistische systeem in 2002 de verhouding en
                            de bevoegdheidsverdeling tussen raad en college veranderd en verder
                            heeft het rijk in 2003 met het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV)
                            nieuwe regels gesteld voor de gemeentelijke boekhouding. Vanaf de
                            jaarrekening 2005 is bovendien de accountantscontrole uitgebreid met de
                            controle op de financiële rechtmatigheid. De nieuwe regelgeving heeft
                            gevolgen voor de bestaande gedragslijn en spelregels op het gebied van
                            financieel beleid.</al><al/><al>Doel van deze nota is tweeledig. In de eerste plaats wordt in de nota
                            aangegeven hoe op hoofdlijnen de wettelijke verplichtingen uit de BBV en
                            de financiële huishouding van de gemeente Meppel in elkaar zitten. In de
                            tweede plaats worden hiermee de bestaande en de nieuwe kaders en
                            spelregels voor het financiële beleid vastgelegd. In deze nota zijn deze
                            bestaande en nieuwe kaders weergegeven als “afspraken” (voor bestaande
                            afspraken) of als “nieuwe afspraken”.</al><al/><al>De nota vormt een onderdeel van het actiepunt ‘verbetering financiële
                            processen’ uit de Ontwikkelingsagenda van het college. Tijdens het
                            opstellen van deze nota is de werkwijze van verschillende financiële
                            processen al verhelderd en verbeterd. Door verder duidelijkheid te
                            scheppen over de spelregels van het financieel beleid, ontstaat een
                            heldere basis om de financiële processen verder te stroomlijnen. In de
                            nota zijn daarom concrete actiepunten opgenomen om de financiële
                            processen verder te verbeteren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Relatie met andere financiële beleidsdocumenten</titel></kop><al> Deze nota is een uitwerking van de financiële verordening (ex artikel
                            212 gemeentewet) en de voorschriften uit het Besluit Begroting en
                            Verantwoording (BBV). Schematisch wordt dit als volgt weergegeven:</al><al/><al>De financiële verordeningen ex artikel 212, 213 en 213a van de
                            gemeentewet zijn door de gemeenteraad vastgesteld. Zie ook
                            http://www.meppel.digitalebalie.nl/.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Leeswijzer</titel></kop><al> Deze nota is als volgt opgebouwd. De nota begint in hoofdstuk 2 met de
                            formulering van de uitgangs­punten en visie op het gemeentelijk
                            financiële beleid. In hoofdstuk 3 wordt nader op de begroting, de
                            begrotingscyclus en de spelregels voor de begroting. Daarna komt in
                            hoofdstuk 4 ingegaan op de exploitatierekening en in hoofdstuk 5 op de
                            balans. Aangegeven is hoe de boek­houding in elkaar steekt en wat de
                            beleidsregels zijn. Ook wordt aangegeven welke actiepunten de komende
                            tijd worden opgepakt. In hoofdstuk 6 ten slotte komen nog enkele overige
                            punten aan de orde.</al><al>De nota bevat enkele bijlagen met daarin:</al><al>- overzicht van alle actiepunten;</al><al>- overzicht van de bestaande financiële beleidsstukken en
                            verordeningen;</al><al>- lijst van te hanteren afschrijvingstermijnen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>2</nr><titel>Uitgangspunten financiële beleidsregels</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Algemene uitgangspunten </titel></kop><al> Bij het vaststellen van de gemeentelijke beleidsprogramma’s vindt
                                in de begroting een integrale afweging plaats tussen financiële
                                middelen en het gewenste resultaat/kwaliteitsniveau. In veel
                                gevallen is het geld een beperkende factor en daarmee dus een
                                belangrijk middel om de gemeentelijke beleidsresultaten wel of niet
                                te bereiken. Wij vinden het van belang optimaal inzicht te geven in
                                de financiële positie, zodat op de verschillende niveaus van raad,
                                college en organisatie kan worden gestuurd op een efficiënte
                                uitvoering, alsmede op het gewenste resultaat en de gewenste
                                dienstverlening voor de burgers.</al><al/><al>Voor de raad en het college gaat het om inzicht en (bij)sturing op
                                hoofdlijnen; voor de organisatie ook om de details. Het is van
                                belang dat dit éénduidig en transparant in elkaar overloopt en dat
                                er samenhang is in het beleid tussen bestuur, organisatie en
                                financiën.</al><al/><al>De uitgangspunten voor het financiële beleid en de financiële
                                administratie zijn:</al><al>- er wordt gewerkt volgens de wettelijke regels (o.a Besluit
                                Begroting en Verantwoording, BBV);</al><al>- financiële spelregels en procedures moeten transparant en
                                duidelijk zijn voor raad, college en organisatie;</al><al>- integrale beleidsafweging van de verschillende bestedingen vindt
                                plaats in de raad; het college bereidt deze integrale afweging met
                                ondersteuning van de ambtelijke organisatie voor;</al><al>- administratieve procedures worden beperkt tot het meest
                                noodzakelijke om te kunnen analyseren en bijsturen. Geen
                                administratieve rompslomp;</al><al>- budgetten zijn gebaseerd op realistische ramingen en niet op
                                historisch bepaalde budgetten. Zo wordt helder gemaakt wat we waar
                                voor nodig hebben. Aanpassingen in ramingen maken we
                                transparant;</al><al>- tegenvallers worden primair binnen het product opgevangen en als
                                dat niet lukt zo veel mogelijk binnen aanverwante producten of
                                binnen het programma zoals opgenomen in de programma­begroting.
                                Hierbij wordt rekening gehouden met de autorisatie van de raad (voor
                                de programma’s) en van het college (voor de producten);</al><al>- er wordt zoveel mogelijk een meerjarig consequente gedragslijn
                                gehanteerd;</al><al>- er is één financiële administratie. Deze moet gedegen, betrouwbaar
                                en actueel zijn en aansluiten bij de sturingsbehoefte van de
                                budgethouders. Dat betekent geen dubbele systemen en geen
                                schaduwboekhoudingen. Het proces moet zo zijn ingericht dat
                                correctieboekingen nauwelijks meer nodig zijn;</al><al>- controles zijn niet alleen bedoeld om vast te stellen dat
                                werkzaamheden, processen en administraties correct zijn uitgevoerd,
                                maar vooral ook om op basis van gesignaleerde knelpunten uit het
                                verleden structurele verbeterpunten te benoemen en uit te voeren;
                                dat betekent dat controle moet worden gevolgd door een analyse,
                                evaluatie en daadwerkelijke bijstelling.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Achtergrondinformatie</titel></kop><al> De gemeentelijke boekhouding is net als in het bedrijfsleven
                                gebaseerd op het stelsel van baten en lasten. Jaarlijks stelt de
                                gemeente een jaarrekening op met een exploitatierekening
                                (winst/verlies-rekening) en een balans (overzicht van bezit en
                                schulden). In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de onderdelen van
                                de exploitatierekening en in hoofdstuk 4 op de onderdelen van de
                                balans. Omdat gemeentelijke huishoudens op onderdelen anders zijn
                                dan die van bedrijven heeft de rijksoverheid specifieke regels voor
                                de gemeentelijke boekhouding vastgesteld. Die regels zijn vastgelegd
                                in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV).</al><al/><al>De gemeente moet er voor zorgen dat de administratieve processen op
                                orde zijn en dat dit met interne controle goed wordt bewaakt.
                                Jaarlijks controleert de accountant het jaarverslag, de boekhouding
                                en de administratieve procedures. De accountant rapporteert over de
                                bevindingen en geeft aanbevelingen over verbeteringen. De
                                gemeenteraad is opdrachtgever van de accountant. Verder heeft de
                                provincie de taak toezicht te houden op de financiële huishouding
                                van gemeenten. Het gaat om globaal toezicht als een gemeente een
                                sluitende begroting heeft. De jaar­rekening en het jaarverslag
                                moeten ieder jaar voor 15 juli zijn ingediend bij de toezichthouder,
                                de provincie Drenthe. De begroting moet ieder jaar vóór 15 november
                                bij de provincie worden ingediend.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.3</nr><titel>Financiële beheersverordening</titel></kop><structuurtekst><al> De financiële beheersverordening ex artikel 212 Gemeentewet vormt
                                een belangrijk kader voor het financiële beheer en beleid. De
                                gemeente Meppel heeft in die verordening onder andere de volgende
                                onderwerpen opgenomen:</al><al>1. de programma-indeling wordt één keer per collegeperiode
                                vastgesteld;</al><al>2. jaarlijks wordt in juni een nota met kaders voor de komende vier
                                jaar gepresenteerd (de perspectiefnota);</al><al>3. het college zorgt voor rechtmatig, doelmatig en doeltreffende
                                uitvoering en regelt interne controle;</al><al>4. het college stelt jaarlijks twee bestuursrapportages op: over
                                eerste vier maanden en over eerste acht maanden;</al><al>5. de volgende informatie moet (o.a.) in de bestuursrapportages
                                worden opgenomen: (1) afwijkingen van lasten/baten en prestaties,
                                (2) ontwikkelingen inkomsten uit gemeentefonds, (3) ontwikkelingen
                                rente op kapitaalmarkt, (4) ontwikkelingen grondverkoop en (5)
                                realisatie begrote subsidieinkomsten;</al><al>6. het bedrag, voorzover niet in de begroting is opgenomen, waarvoor
                                het college pas verplichtingen mag aangaan ná toestemming van de
                                raad: € 10.000 voor een investering of exploitatieuitgaven en €
                                100.000 voor een extra aan te trekken lening;</al><al>7. werkwijze activering en afschrijving;</al><al>8. jaarlijks in juni wordt een (bijgestelde) nota reserves en
                                voorzieningen gepresenteerd;</al><al>9. berekeningswijze voor waardering dubieuze debiteuren en
                                vorderingen;</al><al>10. toerekening indirecte kosten</al><al>11. registratie geactiveerde en niet geactiveerde bezittingen;</al><al>12. vierjaarlijkse moet een (bijgestelde) nota lokale heffingen,
                                nota weerstandsvermogen, nota onderhoud openbare ruimte, nota
                                riolering, nota onderhoud gebouwen, nota bedrijfsvoering, nota
                                verbonden partijen, nota grondbeleid en nota verstrekking subsidies
                                worden opgesteld;</al><al>13. uitvoering van de financieringsfunctie;</al><al>14. het college stelt nadere regels vast voor administratie en
                                organisatie;</al><al>15. het college stelt regels vast voor inkoop en aanbesteding.</al><al/><al>De gemeente Meppel komt (net als veel andere gemeenten) de regels
                                uit de financiële beheers­verordening niet geheel na. Dit wordt
                                deels veroorzaakt omdat daar nog onvoldoende aan is toegekomen
                                (achterstand), deels ook omdat de regels destijds overgenomen zijn
                                vanuit het VNG-model zonder te beseffen dat de regels wellicht te
                                streng zijn geformuleerd. Bovendien sluiten niet alle regels goed
                                aan bij gangbare (en op zich goed werkbare) werkwijzen. Hierbij moet
                                gedacht worden aan de bestaande regels voor afboeken debiteuren en
                                aan enkele afschrijvingstermijnen.</al><al/><al>Inmiddels is er ook een nieuwe VNG-model voor deze verordening. Op
                                basis hiervan en op basis van de bestaande werkwijze kan de
                                verordening worden geactualiseerd.</al><al/><al>Actiepunten:</al><al>- actualiseren van de financiële beheersverordening ex art 212;</al><al>- in de begroting en de rekening een overzicht opnemen van die
                                onderdelen uit de beheersverordening die nog niet op orde zijn en
                                die op orde zijn gebracht.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>3</nr><titel>De begroting</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.1</nr><titel>Definitie van budget, krediet, product, budgethouder en
                                budgetbeschikker</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> In de budgethoudersregeling 2006 zijn enkele definities opgenomen
                                die ook in het kader van deze nota relevant zijn. Hieronder zijn de
                                belangrijkste samengevat:</al><al/><al/><al>Budget</al><al/><al>Een taakstelling die tot uitdrukking komt in een inkomsten- of
                                uitgavenbedrag dat verbonden is aan een (sub)product in de
                                productenraming, aan een (hulp)kostenplaats of een vastgesteld
                                krediet.</al><al/><al>Tot het budget wordt tevens gerekend het realiseren van de
                                prestaties, kengetallen en/of voorschriften die in de
                                productenraming of de investeringsbeslissing zijn opgenomen.</al><al/><al/><al>Krediet</al><al/><al>Een krediet is een specifiek éénmalig budget, bedoeld voor
                                bijvoorbeeld investeringen, grondverwerving of
                                voorbereidingskosten.</al><al/><al/><al>Product</al><al/><al>Een product bestaat uit een aantal bij elkaar horende
                                begrotingsposten, zoals gegroepeerd in de productenraming. Een
                                aantal producten vormt samen een programma.</al><al/><al/><al>Budgethouder</al><al/><al>De functionaris die door of namens het college is aangewezen om de
                                tot zijn organisatieonderdeel behorende taakstelling uit te voeren;
                                een budgethouder draagt zijn verantwoordelijkheden en oefent zijn
                                bevoegdheden uit onder ambtelijke verantwoordelijkheid van de
                                directeur.</al><al/><al/><al>Deelbudgethouder</al><al/><al>Er worden twee soorten deelbudgethouders onderscheiden:</al><al>a) de budgethouder die op aanwijzing van een andere budgethouder
                                specifieke ondersteuning uitvoert om daarmee de taakstelling voor
                                een deel van het budget</al><al> te realiseren;</al><al>b) een teamleider of projectleider binnen de afdeling van de
                                budgethouder die door de budgethouder expliciet is aangewezen om een
                                vastgesteld deel van de taakstelling</al><al>te realiseren dat wordt omsloten door een taakveld(deel) of een
                                specifiek project.</al><al/><al/><al>Beschikker</al><al/><al>De functionaris die door de budgethouder of de deelbudgethouder is
                                aangewezen om namens deze (een deel van) de aan het budget verbonden
                                taakstelling te realiseren.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.2</nr><titel>Programmabegroting, productenraming en beheerbegroting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> In de (meerjarige) programmabegroting wordt de verdeling van de
                                kosten en opbrengsten per programma aangegeven. Op basis daarvan
                                autoriseert de raad jaarlijks de totalen van de programmabudgetten.
                                Binnen dat kader stelt het college de productenraming vast. In het
                                budgethoudersprotocol zijn verder de spelregels tussen college en
                                organisatie vastgelegd.</al><al/><al>Afspraken:</al><al>- het college autoriseert met de vaststelling van de productenraming
                                de totaalbedragen per product, zoals het budget voor het product
                                wegenonderhoud, voor het product huishoudelijk afval of voor het
                                product minimabeleid.</al><al>- de organisatie regelt vervolgens binnen het totaalbudget per
                                product dat de werkzaamheden adequaat worden uitgevoerd.
                                Budgetverschuiving tussen deelproducten en kostensoorten is onder
                                voorwaarden toegestaan, mits de prestatie wordt geleverd. Eventuele
                                voordelen op de doorberekening aan (hulp)kostenplaatsen (waar ook de
                                personeelskosten onder vallen) en op kapitaallasten vallen buiten de
                                schuifruimte. In de budgethoudersregeling is dit nader
                                gespecificeerd. De budgetten voor deze kostensoorten worden namelijk
                                centraal beheerd en afstemming is dus nodig om delen van die
                                budgetten voor andere doeleinden te benutten.</al><al>- Binnen de planning &amp; control cyclus wordt transparant per
                                product gerapporteerd over budgetoverschrijdingen en
                                –onderschrijdingen en in ieder geval ook over de
                                kostenontwikkelingen op de kostensoorten personeelskosten, kosten
                                overige goederen en diensten, subsidies en kapitaallasten.</al><al/><al>De begroting bestaat uit drie onderdelen die transparant in elkaar
                                overlopen:</al><al>- Programmabegroting (meerjarig) voor de raad;</al><al>- Productenraming (meerjarig) voor het college;</al><al>- Gedetailleerde onderliggende beheersbegroting voor de
                                organisatie.</al><al/><al>In Meppel is de beheersbegroting in hetzelfde boekwerk opgenomen als
                                de productenraming en in de afdelingsplannen zijn onderdelen
                                (waaronder urenverdelingen naar medewerkers) nader verdeeld.</al><al/><al>Voor de beheersbegroting (zie details uit productenraming en
                                afdelingsplannen) dienen de volgende uitgangspunten te worden
                                gehanteerd:</al><al>- Voor financiële ramingen en realisaties wordt alleen de financiële
                                administratie gebruikt of een professionele financiële
                                subadministratie (zoals bij sociale zaken en de kas bij
                                burgerzaken). Deze administraties zijn leidend. Het is daarbij
                                ongewenst dat budgethouders separaat hun eigen financiële
                                (schaduw)administratie bijhouden;</al><al>- Bij gebruik van een financiële subadministratie wordt gewerkt
                                volgens een duidelijk protocol met afdoende controles om 100% te
                                garanderen dat de financiële subadministratie continu aansluit bij
                                de centrale financiële administratie;</al><al>- Niet-financiële gegevens worden niet in de financiële boekhouding
                                bijgehouden. Per beleidsveld zal hiervoor een eigen oplossing worden
                                gezocht met waar nodig een aansluiting met de financiële
                                boekhouding.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.3</nr><titel>Begrotingscyclus</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Voor de sturing en beheersing van de werkzaamheden en budgetten
                                wordt een vaste begrotingscyclus gehanteerd. In het volgende schema
                                is dat weergegeven:</al><al/><al>De begrotingscyclus bestaat uit twee cyclische onderdelen: de
                                bestuurlijke cyclus (weergegeven door de buitenring) en de
                                organisatorische cyclus (weergegeven door de binnenring). Voor een
                                goed functioneren is het van belang dat beide cycli nauw en logisch
                                met elkaar in verband staan.</al><al/><al>Hieronder wordt de bestuurlijke cyclus (de buitenring) nader
                                toegelicht</al><al/><al>De begrotingscyclus start met de perspectiefnota in juni voorafgaand
                                aan het begrotingsjaar. Doel van de perspectiefnota is
                                tweeledig:</al><al>- de raad maakt voorafgaand aan de uitwerking van de begroting op
                                hoofdlijnen keuzes over de gewenste beleidsrichting in
                                meerjarenperspectief;</al><al>- de raad stelt de richtlijnen vast voor het opstellen van de
                                meerjarenbegroting.</al><al/><al>Met de perspectiefnota wordt uiteindelijk beoogd dat de raad een
                                integrale afweging kan maken voor nieuwe beleidsvoornemens; de
                                begroting zelf wordt vervolgens meer een uitwerking van de keuzes
                                uit de perspectiefnota. De raad beoordeelt dan in hoeverre het
                                college er in is geslaagd de wensen/opdrachten van de raad te
                                vertalen naar de begroting en de raad autoriseert de
                                programmabudgetten voor het nieuwe begrotingsjaar. Hiermee
                                verschuift het zwaartepunt van de politieke discussie zich van het
                                najaar (begroting) naar het voorjaar (perspectiefnota).</al><al/><al>De begrotingscyclus doorloopt van perspectiefnota tot jaarverslag
                                ongeveer twee jaar. Dit betekent dat in één jaar stukken over
                                meerdere boekjaren aan de orde komen (zie onderstaand overzicht).
                                Uiteraard zullen we de resultaten van de realisatie betrekken bij
                                het opstellen van de nieuwe plannen.</al><al/><al/><al>jaarcyclus</al><al/><al>over 2006</al><al/><al>over 2007</al><al/><al>over 2008</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>juni</al><al/><al>rekening</al><al/><al>1e bestuursrapportage</al><al/><al>perspectiefnota</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>november</al><al/><al/><al/><al>2e bestuursrapportage</al><al/><al>begroting</al><al/><al/><al/><al>De planning &amp; control cyclus van de organisatie sluit
                                (uiteraard) aan op de bestuurlijke begrotingscyclus. Voor de
                                beheersing van de producten en processen werken de gemeentelijke
                                afdelingen met afdelingsplannen en tussentijdse
                                managementrapportages.</al><al/><al>De afstemming tussen de verschillende rapportagemomenten kan
                                efficiënter. Dit geldt met name voor het eerste half jaar waarin de
                                onderdelen jaarrekening, 1e marap/1e berap en perspectiefnota
                                vrijwel tegelijkertijd aan de orde komen.</al><al/><al>Actiepunten:</al><al>- Uniformeren tussentijdse managementrapportages (2007 en
                                2008);</al><al>- Uniformeren opmaak voor afdelingsplannen;</al><al>- Processen voor jaarrekening, 1emarap/berap en perspectiefnota
                                beter op elkaar afstemmen.</al><al/><al>De onderdelen uit de cyclus voor de organisatie (de binnenste
                                cyclus) vormen de input voor de informatie in de bestuurlijke
                                cyclus. Zo is afgesproken dat managers in managementrapportages de
                                voortgang van hun werkzaamheden rapporteren aan de algemeen
                                directeur. Op basis daarvan kan dan bijstelling of verschuiving
                                plaatsvinden, waarover in de bestuursrapportages of de nieuwe
                                programmabegroting voorstellen worden gedaan als het gaat om
                                verschuivingen buiten de producten om.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.4</nr><titel>Begrotingsregels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Begrotingswijzigingen</titel></kop><al> Het wijzigen van de programmabegroting is een taak van de raad. In
                                de BBV wordt deze budgettoewijzende taak van de raad vastgesteld op
                                het niveau van de programmabegroting, terwijl het college binnen de
                                vastgestelde kaders van de raad verantwoordelijk is voor de
                                begroting op productniveau. Gedurende het jaar doen zich allerlei
                                situaties voor die in het kader van de begrotingsrechtmatigheid
                                kunnen leiden tot aanpassing van de begroting. In de
                                bestuursrapportages wordt een totaaloverzicht gegeven van de
                                product-overstijgende begrotingswijzigingen, waarbij de raad wordt
                                gevraagd in te stemmen met de programma-overstijgende
                                begrotingswijzigingen:</al><al/><al>Via een verzamelbesluit (kort toegelicht):</al><al>- administratief/technische wijzigingen, gemeentebreed budgettair
                                neutraal;</al><al>- verschuiven in uren-inzet tussen producten onderling en
                                programma’s (op termijn);</al><al>- veranderingen in rijksbudgetten bij het uitvoeren van medebewind
                                taken, mits budgettair neutraal;</al><al>- toewijzing van budgetten voor onvoorzien aan de juiste
                                programma’s;</al><al>- doorwerking van rijkswijzigingen in de algemene uitkering.</al><al/><al>Via een afzonderlijk raadsvoorstel (uitgebreid toegelicht):</al><al>- beleidsinhoudelijke begrotingswijzigingen</al><al/><al>De begrotingswijzigingen via het verzamelbesluit bevatten geen
                                inhoudelijke wijzigingen, worden daarom kort toegelicht per
                                wijziging op programmaniveau en vormen in principe een hamerstuk.
                                Opgemerkt moet worden dat begrotingswijzigingen als gevolg van
                                urenverschuivingen niet op korte termijn kan worden
                                gerealiseerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Procedure verlening (investerings)kredieten en nieuwe
                                    budgetten</titel></kop><al> In de perspectiefnota wordt een overzicht opgenomen van nieuw
                                beleid en nieuwe investeringen en de daaraan verbonden budgetten en
                                investeringskredieten.</al><al/><al>Afspraken</al><al>- De behandeling van de perspectiefnota is het centrale moment in
                                het jaar waarop de raad integrale keuzes maakt over het beschikbaar
                                stellen van financiële middelen voor nieuwe beleidsvoorstellen; bij
                                de perspectiefnota worden (op hoofdlijnen) de financiële afwegingen
                                gemaakt. Dat betekent dat er naar gestreefd wordt nieuwe
                                beleidsvoorstellen met financiële gevolgen zo weinig mogelijk op
                                andere momenten in het jaar aan de orde te laten komen;</al><al>- Bij de vaststelling van de begroting autoriseert de raad tevens de
                                daarin opgenomen lasten voor nieuw beleid en de daarvoor in te
                                zetten dekking, alsmede de investeringsuitgaven voor reguliere
                                (vervangings)investeringen.</al><al>- Voor investeringen waarvoor eerst de plannen nog verder uitgewerkt
                                moeten worden, worden in de begroting raamkredieten opgenomen. De
                                raad autoriseert deze kredieten op het moment van vaststelling van
                                de betreffende plannen in de raad.</al><al>- Bij ieder raadsvoorstel met financiële consequenties wordt tevens
                                een begrotingswijziging gevoegd en bij een investeringsvoorstel
                                tevens een autorisatievoorstel. Zo blijft de begroting up-to-date.
                                In de bestuursrapportages wordt een overzicht gegeven van de
                                begrotingswijzigingen over de betreffende periode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.3</nr><titel>Budgetoverheveling</titel></kop><al> Alle kosten voor diensten die in het boekjaar zijn geleverd, worden
                                in het boekjaar verantwoord en in de jaarrekening opgenomen. Als de
                                diensten wel zijn geleverd, maar nog niet zijn betaald, worden de
                                kosten op de balans onder ‘nog te betalen’ ondergebracht. Kosten
                                voor diensten die niet zijn geleverd, mogen niet in het boekjaar
                                worden verantwoord. Het maakt daarbij niet uit of er wel of geen
                                verplichting is aangegaan. Het niet bestede budget valt daarbij vrij
                                in het jaarrekeningsaldo.</al><al/><al>Om werkzaamheden rondom de jaarwisseling onverkort doorgang te laten
                                vinden, is het soms zinvol om bij de afsluiting van het boekjaar een
                                budget over te hevelen naar het volgende boekjaar. Dit mag door een
                                deel van het rekeningresultaat (ná bestemming) in een tijdelijke
                                reserve budgetoverheveling te storten. Hiertoe is alleen de raad
                                bevoegd. Hiervoor wordt onderscheid gemaakt in incidentele en
                                structurele budgetten.</al><al/><al>Afspraken:</al><al>· Bij de jaarrekening vindt geen overheveling van niet-bestede
                                structurele budgetten plaats. Indien al wel een financiële
                                verplichting is aangegaan, wordt dit gedekt uit het budget van het
                                komend jaar (= jaar van levering/uitvoering);</al><al>· Als van te voren blijkt dat werkzaamheden gedekt uit structurele
                                budgetten niet voor de jaarwisseling kunnen worden uitgevoerd en
                                budgetoverheveling naar het volgende boekjaar gewenst is, dan wordt
                                budgetoverheveling vooraf rond de jaarwisseling bij de raad
                                aangevraagd. Na instemming van de raad wordt deze budgetoverheveling
                                dan als volgt verwerkt: (1) bij de jaarrekening wordt een deel van
                                het “rekeningsaldo vóór bestemming” toegevoegd aan de tijdelijke
                                reserve budgetoverheveling en (2) in de begroting voor het nieuwe
                                dienstjaar wordt deze reserve weer beschikbaar gesteld. In de
                                tussentijd wordt de uitvoering onverkort voortgezet.</al><al>· Overige voorstellen voor het opnieuw beschikbaar stellen van een
                                niet besteed structureel budget worden in de toelichting van de
                                jaarrekening al wel gemeld, maar worden separaat (bijvoorbeeld in de
                                1e bestuursrapportage) formeel aan de raad aangevraagd.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Aan de raad voorstellen om bij het vaststellen van een incidenteel
                                budget voor een éénmalig project, er tevens mee in te stemmen dat
                                het budget voor nog niet uitgevoerd werk één jaar mag worden
                                overgeheveld naar het nieuwe boekjaar, mits het project nog actueel
                                is.</al><al/><al>Op deze manier kunnen ook incidentele projecten rond de wisseling
                                van boekjaar onverkort worden voortgezet. In de jaarrekening wordt
                                dit dan verder toegelicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.4</nr><titel>Jaarlijkse budgetaanpassing</titel></kop><al> Bij de perspectiefnota worden aanvragen voor nieuwe budgetten en
                                nieuwe investeringskredieten voor de komende jaarschijven in beeld
                                gebracht. Hierdoor wordt steeds beter inzicht gekregen in de
                                begroting in meerjarig perspectief in relatie tot de
                                prestaties.</al><al/><al>Afspraken jaarlijkse budgetaanpassingen bestaand beleid</al><al>1. De ramingen van de baten en lasten voor het nieuwe jaar worden
                                aangepast met een percentage prijscorrectie op basis van een vaste
                                CBS-index. De ramingen worden realistisch onderbouwd met
                                onderliggende contracten, prijsafspraken en subsidieafspraken en de
                                realisatie van de afgelopen jaarrekening. Als er geen contractuele
                                prijsafspraken liggen, wordt een door het college vastgesteld
                                percentage prijscorrectie gehanteerd;</al><al>2. De overdrachten aan Gemeenschappelijke Regelingen wordt de finale
                                besluitvorming van het bestuur van de GR gevolgd;</al><al>3. Alle bedragen in de meerjarenbegroting zijn gebaseerd op het
                                prijspeil van het vast te stellen begrotingsjaar;</al><al>4. Noodzakelijk geachte extra prijscompensatie wordt afzonderlijk
                                toegelicht;</al><al>5. Het percentage voor de prijscorrectie geldt ook voor de bepaling
                                van subsidieplafonds, zoals deze zijn gedefinieerd in de geldende
                                subsidieverordening. Dit uitgangspunt wordt ook gehanteerd voor
                                (exploitatie)subsidies van instellingen die regionaal werken;</al><al>6. Op het gecalculeerde percentage prijscompensatie wordt in
                                principe geen nacalculatie toegepast voor het lopende
                                begrotingsjaar;</al><al>7. De salarissom wordt geraamd op basis van de in het voorjaar
                                voorafgaand aan het begrotingsjaar goedgekeurde formatieplannen en
                                de te verwachten CAO-stijgingen;</al><al>8. Voor nieuwe subsidieovereenkomsten geldt als uitgangspunt dat de
                                gemeentelijke prijsontwikkeling wordt gevolgd en de lonen volgens de
                                CAO van de desbetreffende bedrijfstak.</al><al/><al>Het investeringsprogramma zoals dat in de lopende begroting en
                                meerjarenraming is vastgesteld, wordt beschouwd als bestaand beleid.
                                De investeringsramingen worden in de begroting aangepast aan en
                                geactualiseerd op het voor dat jaar geldende prijsniveau.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.5</nr><titel>Voorbereidingsbudget grote projecten</titel></kop><al> Voor het ontwikkelen van visies en projecten voor mogelijk nieuwe
                                projecten is tot nu toe geen apart budget opgenomen. Om nieuwe
                                projecten te starten, is wel de nodige voorbereiding nodig en daar
                                zijn (voorbereidings)kosten mee gemoeid, waarbij à priori niet zeker
                                is of dit wordt terugverdiend. Als dat leidt tot een concreet
                                (investerings)project, dan kunnen de voorbereidingskosten ten laste
                                van het krediet voor dit project (bijvoorbeeld een grondexploitatie)
                                worden gebracht. Als dat niet leidt tot een (investerings)project,
                                dan moeten de kosten sowieso ten laste van de exploitatie worden
                                gebracht.</al><al/><al>Afspraken:</al><al>- In de begroting en perspectiefnota wordt jaarlijks aangegeven
                                welke visies en projecten het college wil uitvoeren en welk
                                voorbereidingsbudget daarvoor nodig is;</al><al>- jaarlijks verstrekt het college in de jaarrekening aan de raad een
                                overzicht met verantwoording van de besteding van het
                                voorbereidingsbudget;</al><al>- voorbereidingskosten worden (met inachtneming van artikel 60 BBV
                                en de afschrijvingstermijn voor immateriële vaste activa) óf
                                afgeboekt óf als voorziening opgenomen ten laste van de
                                grondexploitatie als</al><al> - de plannen voor de investering al redelijk omlijnd en uitvoerbaar
                                zijn; - er sprake is van potentiële dekking uit de nieuwe
                                grondexploitatie; - de voorbereidingskosten vijf jaar of langer op
                                het krediet staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.6</nr><titel>Begroting en realisatie van winst grondexploitatie</titel></kop><al> De grondexploitatie wordt voor de gemeente Meppel als
                                bedrijfsmatige activiteit aangemerkt. Met winst en verliezen van de
                                grondexploitatie wordt als volgt omgegaan:</al><al>· Jaarlijks wordt uiterlijk bij de jaarrekening een (bijgestelde)
                                raming van ieder complex van de grondexploitatie opgesteld met een
                                analyse van de risico’s met daarin een kostenraming van de nog uit
                                te voeren werkzaamheden en een opbrengstraming van de nog te
                                verkopen gronden.</al><al>· Tussentijds wordt winst genomen op het gerealiseerde deel van het
                                in exploitatie zijnde complex, gebaseerd op:</al><al>o De al gerealiseerde kosten en de gerealiseerde opbrengsten;</al><al>o Gerelateerd aan het aantal verkochte m2 grond per ultimo van het
                                jaar;</al><al>o Bij de nog niet afgesloten complexen, waarvan alle uitgeefbare
                                grond is verkocht, wordt 10% van het totaal te verwachten resultaat
                                in de exploitatie gelaten.</al><al>· Voor verwachte verliezen wordt een voorziening getroffen. Salderen
                                van verwachte winsten met de te vormen voorzieningen is daarbij niet
                                toegestaan;</al><al>· In de begroting wordt de verwachte winst of verlies van de
                                grondexploitaties opgenomen als incidentele opbrengst in de
                                exploitatie. Bij de afwikkeling komt de winst / verlies ten
                                gunste/laste van de algemene reserve.</al><al/><al>Actiepunten:</al><al>· opstellen (afronden) van het handboek grondexploitatie waarin ook
                                de financiële beleidsuitgangspunten worden vastgelegd voor de
                                bestaande en toekomstige grondvoorraad en de hierin vastgelegde of
                                vast te leggen financiële middelen;</al><al>· Opstellen nota grondbeleid;</al><al>· Jaarlijks opstellen van een bijgestelde raming van de
                                verschillende complexen grondexploitatie (vertrouwelijk) en
                                vaststellen van de gewijzigde grondexploitaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.7</nr><titel>Begroting overgehevelde rijkstaken</titel></kop><al> Het komt regelmatig voor dat het rijk taken overhevelt naar de
                                gemeente. In de regel wordt daarbij ook het budget overgeheveld al
                                dan niet met een bezuinigingstaakstelling. De eerste jaren gebeurt
                                dat vaak met een doeluitkering, waarna het budget in de algemene
                                uitkering wordt verdisconteerd. Vervolgens kan de raad de integrale
                                afweging maken welk budget aan de taak wordt toegekend.</al><al/><al>Afspraken:</al><al>· Indien de algemene uitkering voor een bepaalde taak wordt verhoogd
                                (of verlaagd), kent de raad dit budget in het eerste jaar van
                                invoering in principe ook aan die taak toe. De raad heeft echter wel
                                de keuze hiervan af te wijken. Het toekennen (verhogen of verlagen)
                                van het budget verloopt via een (raads)begrotingswijziging;</al><al>· Vanaf 2007 is de WMO in werking getreden. Het rijk heeft hiervoor
                                een integratieuitkering verstrekt. Vooralsnog is het uitgangspunt
                                dat de extra kosten voor de WMO gedekt worden uit deze
                                integratieuitkering.</al><al>· Bij de periodieke bijstand is de rijksbijdrage nog niet integraal
                                in de algemene uitkering opgenomen. Uitgangspunt voor de begroting
                                is een gesloten systeem tussen de rijksinkomsten, de te verstrekken
                                uitkeringen voor de periodieke bijstand en de terugontvangen
                                bedragen in verband met terugvordering en verhaal.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>4</nr><titel>De exploitatierekening</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.1</nr><titel>Inkomsten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Om de gemeentelijke organisatie en de uitvoering van taken te
                                kunnen bekostigen, heeft de gemeente structurele financiële
                                inkomsten nodig. Die inkomsten bestaan uit (cijfers jaarrekening
                                2006):</al><al>· Een algemene rijksuitkering gemeentefonds (€ 28 miljoen); dit is
                                bedoeld voor de uitvoering van alle wettelijke taken en de vrije
                                keuzetaken. De gemeente mag dit naar eigen inzicht besteden;</al><al>· Eigen inkomsten uit lokale belastingen (€ 13 miljoen). Dit betreft
                                met name OZB, rioolrecht, afvalstoffenheffing en leges;</al><al>· Specifieke rijksuitkeringen voor bijvoorbeeld de Wet Werk en
                                Bijstand (WWB);</al><al>· Overige eigen inkomsten, zoals huur, dividend en winst op
                                grondexploitaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Inkomsten uit het gemeentefonds</titel></kop><al> De algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt berekend aan de
                                hand van een 40-tal maatstaven, zoals het aantal inwoners, het
                                aantal woonruimten, de lengte van het wegennet, de oppervlakte en de
                                OZB-capaciteit. Dit is een globaal verdeelstelsel dat aansluit bij
                                de kostenverdeling tussen groepen van gemeenten. De omvang van de
                                algemene uitkering is gekoppeld aan de rijksuitgaven. Onder het
                                motto “samen de trap op, samen de trap af” wordt het gemeentefonds
                                bij hogere rijksuitgaven hoger en bij lagere rijksuitgaven lager. De
                                afgelopen jaren was er sprake van een afnemende algemene uitkering.
                                Inmiddels is er weer sprake van een stijging.</al><al>Om bij tegenvallende rijksuitgaven negatieve gevolgen voor gemeenten
                                te beperken, houdt het rijk een deel van de algemene uitkering
                                achter en keert dit later geheel of gedeeltelijk uit. Dit wordt de
                                behoedzaamheidsreserve genoemd. Dit betreft voor Meppel ongeveer €
                                360.000 op jaarbasis.</al><al/><al>Bestaande afspraak:</al><al>· In de begroting wordt meerjarig structureel rekening gehouden met
                                een uitkering van 50% van de behoedzaamheidsreserve; de andere 50%
                                van de behoedzaamheidsreserve wordt niet in de begroting opgenomen.
                                Alleen bij specifieke externe redenen kan hiervan onderbouwd worden
                                afgeweken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Inkomsten uit gemeentelijke heffingen</titel></kop><al> De gemeentelijke heffingen worden onderscheiden in:</al><al>· Belastingen waarvan de opbrengst in de begroting als algemeen
                                dekkingsmiddel wordt aangewend. In Meppel zijn dat alleen de
                                onroerend zaakbelasting, precarioheffing en de parkeerbelasting.
                                Hondenbelasting, toeristenbelasting, forensenbelasting en roerende
                                zaakbelasting worden niet geheven omdat de baten niet opwegen tegen
                                de inningskosten.</al><al>· Heffingen in verband met het verhalen van de kosten die de
                                gemeente heeft gemaakt. Hieronder vallen onder andere de
                                afvalstoffenheffing, het rioolrecht, havengelden, marktgelden,
                                begraafrechten en leges. De opbrengsten hiervan zijn bedoeld ter
                                dekking van de kosten voor de geleverde dienst of prestatie.</al><al/><al>Bestaande beleidsregels:</al><al>- De OZB-opbrengst wordt jaarlijks aangepast, rekening houdend met
                                volumestijgingen, reguliere prijsstijgingen en eventuele toegestane
                                extra prijsstijging.</al><al>- De gemiddelde OZB-belastingdruk neemt in beginsel niet toe of af
                                als gevolg van de jaarlijkse hertaxatie van het onroerend goed. Dat
                                betekent dat hogere WOZ-waarden (afgezien van prijsstijging) worden
                                gecompenseerd door lagere OZB-tarieven..</al><al>- Voor de afvalstoffenheffing, rioolrecht, leges, begraafrechten,
                                scheepvaartrechten en marktgelden wordt uitgegaan van een 100%
                                kostendekkend tarief. Verhogingen zijn echter geen automatisme. Hier
                                kan gemotiveerd en onderbouwd in de begroting van worden
                                afgeweken.</al><al/><al>Nieuwe beleidsregel</al><al>- De OZB-opbrengst (en daarmee de tarieven) wordt eveneens aangepast
                                als blijkt dat een hogere (of lagere) WOZ-stijging in Meppel ten
                                opzichte van het landelijk gemiddelde leidt tot een lagere (of
                                hogere) uitkering uit het gemeentefonds.</al><al/><al>Als vergoeding voor de geleverde diensten of prestaties mag de
                                gemeente maximaal een kostendekkend tarief doorberekenen. Dit geldt
                                niet voor iedere heffing afzonderlijk, maar voor alle heffingen
                                binnen een verordening. In het kostendekkend tarief worden de
                                volgende kosten opgenomen:</al><al>· de interne apparaatskosten (rechtstreeks of via uurtarieven
                                doorberekend);</al><al>· de externe kosten exclusief BTW, vermeerderd met het BTW-bedrag
                                waarvoor de gemeente in het verleden is gekort op de algemene
                                uitkering uit het gemeentefonds;</al><al>· het bedrag aan kwijtscheldingen.</al><al/><al>De producten huishoudelijk afval en riolering worden gezien als een
                                gesloten financiële huishouding. Voor beide producten is het
                                uitgangspunt dat de kosten geheel bij de burger / gebruiker in
                                rekening worden gebracht. Eventuele tegen- of meevallers worden in
                                de tarieven voor de volgende jaren doorberekend. Om de
                                tariefsontwikkeling gelijkmatig te laten verlopen, wordt voor beide
                                producten gebruik gemaakt van een egalisatievoorziening. Beide
                                voorzieningen dienen goed te worden onderbouwd. De
                                egalisatievoorziening voor huishoudelijk afval dient beperkt van
                                omvang te zijn.</al><al/><al>Eind 2004 is een tussenrapportage kostendekkendheid tarieven
                                opgesteld.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Opstellen standaardberekening voor iedere heffing; deze jaarlijks
                                actualiseren als bijlage bij de productenraming (vaststelling
                                college) en de samenvattende resultaten opnemen in de paragraaf
                                lokale heffingen. In het bijzonder aandacht voor bedrijfsafval.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Verhuur gemeentelijke eigendommen</titel></kop><al> De gemeente bezit verschillende panden, gronden en
                                (sport)accommodaties die worden verhuurd aan derden. Voor de
                                huurprijzen (of rechten) heeft de gemeente (nog) geen richtlijnen
                                vastgelegd. Het ligt bij verhuur aan commerciële partijen voor de
                                hand marktconforme verhuurtarieven te hanteren met een jaarlijkse
                                indexering. Bij de verhuur van onroerend goed aan maatschappelijke
                                organisaties als de bibliotheek en de muziekschool ligt er een
                                verband tussen de te ontvangen huur en de subsidie. Voor het gebruik
                                van sport­accommodaties en multifunctionele accommodaties zijn de
                                tarieven veelal historisch bepaald en is er geen directe relatie met
                                de gemaakte kosten. K+V heeft hier onlangs onderzoek naar
                                gedaan.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· uitwerken richtlijnen voor nieuwe (wel of niet marktconforme)
                                huurtarieven en voor de berekening van verhuurtarieven van
                                sportaccommodaties, muziekschool en multifunctionele gebouwen,
                                waarbij ook een relatie wordt gelegd met de gemaakte kosten (incl
                                beheerskosten) en het subsidie-instrumentarium.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Verkoop van gemeentelijk onroerend goed</titel></kop><al> De gemeente Meppel bezit een aanzienlijke hoeveelheid gronden en
                                gebouwen. De behoefte hieraan is echter aan verandering onderhevig
                                en soms zijn er kansen voor herontwikkeling of verkoop. Een
                                voorbeeld is dat de ondergrond van een afgebroken school wordt
                                bestemd voor de bouw van een sporthal of woningen. In dat geval
                                worden het beheer en de beheerkosten overgeheveld van het programma
                                onderwijs naar het programma sport of naar de grondexploitatie. Voor
                                de gemeente als totaal verandert er daardoor niets, maar per
                                programma kan wel sprake zijn van een (verwacht) voordeel of een
                                (verwacht) nadeel.</al><al>Voor de (boekhoudkundige) verrekening tussen de programma’s wordt de
                                volgende richtlijn gehanteerd:</al><al>· De overdracht wordt administratief verrekend op basis van de
                                boekwaarde (en niet op basis van de geschatte waarde of de
                                WOZ-waarde).</al><al>· Als er bij de overdracht sprake is van een voor- of nadeel voor de
                                exploitatie van één van de programma’s wordt aan de raad voorgesteld
                                de exploitatie-budgetten te herzien, waarbij tevens een voorstel
                                wordt gedaan voor de bestemming van het (verwachte) voordeel en/of
                                de dekking van het (verwachte) nadeel. Uitgangspunt daarbij is dat
                                de boekwinst (of boekverlies) ten gunste (of ten laste) komt van het
                                rekeningresultaat. In specifiek gevallen kan het college de raad
                                voorstellen de boekwinst (of boekverlies) ten gunste (of ten laste)
                                van een specifieke bestemming te brengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Verkoop van gemeentelijke roerende goederen </titel></kop><al> Roerende goederen worden meestal verkocht bij vervanging. Dit komt
                                onder andere voor bij de aanschaf van een nieuw voertuig. Het oude
                                voertuig wordt dan ingeruild. Administratief wordt dit als volgt
                                verwerkt:</al><al>· De volledige aanschafkosten van het nieuwe voertuig worden
                                geactiveerd</al><al>· De inruilwaarde wordt na verrekening met de oude boekwaarde als
                                opbrengst in de exploitatie opgenomen en maakt als zodanig onderdeel
                                uit van het rekeningsaldo.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.6</nr><titel>Inkomsten uit dividend en rente</titel></kop><al> De gemeente is aandeelhouder van de volgende vennootschappen:
                                Vitens, Wadinko (voorheen WMO-beheer), Essent, Rendo, Rova en de
                                Bank Nederlandse Gemeenten. Deze vennootschappen keren jaarlijks
                                dividend uit. Conform de voorschriften wordt dit dividend pas
                                ingeboekt op het moment dat de gemeente het bedrag daadwerkelijk is
                                toegezegd.</al><al/><al>Daarnaast ontvangt de gemeente Meppel rente op een aantal uitgezette
                                leningen. Dit betreft vier leningen aan deelnemingen in de
                                vennootschappen Rova, Vitens, Essent en BNG (ivm overdracht
                                preferente aandelen Rendo). Deze leningen hebben hun oorsprong in de
                                omzetting van aandelen in leningen.</al><al/><al>Verder ontvangt de gemeente nog rente op uitgezette leningen aan
                                woningbouw­verenigingen en rente op uitgezette hypothecaire leningen
                                aan eigen personeel, alsmede rente op leningen aan enkele lokale
                                maatschappelijke organisaties ter financiering van investeringen
                                door die organisaties. De ontvangen rente-inkomsten compenseren
                                grosso modo de rente-uitgaven op de geldleningen die de gemeente
                                Meppel hiervoor heeft aangetrokken.</al><al/><al>Het (budget)beheer van de geldleningen vindt door verschillende
                                functionarissen en op verschillende afdelingen in de organisatie
                                plaats. Een koppeling aan de inhoudelijke beleidsvelden heeft echter
                                voor langlopende leningen geen meerwaarde.</al><al/><al>Afspraak:</al><al>· Voor het administratief beheer van geldleningen is de afdeling BMO
                                verantwoordelijk. Voor advisering over nieuw uit te zetten leningen
                                (bijvoorbeeld aan lokale maatschappelijke organisaties) of voor
                                inhoudelijke wijzigingen zijn de vakwethouder en de vakafdeling
                                verantwoordelijk.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Administratief beheer van alle geldleningen centraal bij één
                                (financiële) functionaris onderbrengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.7</nr><titel>Bespaarde rente</titel></kop><al> De gemeente heeft als opbrengst in de exploitatiebegroting
                                opgenomen dat (administratief) rente-inkomsten worden toegerekend
                                over het vermogen in de reserves en voorzieningen. Dit heet de
                                bespaarde rente omdat de gemeente vanwege het bezit van de reserves
                                en voorzieningen minder geld op de kapitaalmarkt hoeft te lenen om
                                investeringen te kunnen financieren en daardoor dus rente bespaart.
                                Dit is geen echte, maar een administratieve inkomstenbron. De
                                bespaarde rente ontstaat als inkomstenbron omdat aan de
                                investeringen wél de volledige rente wordt toegerekend. De bespaarde
                                rente kan voor een gedeelte als dekkingsmiddel in de
                                exploitatiebegroting worden opgenomen en voor een gedeelte kan het
                                worden toegevoegd aan de bestaande reserves. Consequentie van deze
                                methode is dat het gedeelte van de reserves waarvan de bespaarde
                                rente structureel in de exploitatie is opgenomen niet vrij kan
                                worden besteed. Vrije besteding is pas mogelijk als er een
                                alternatieve dekking voor de bespaarde rente in de
                                exploitatiebegroting wordt gevonden.</al><al/><al>In de perspectiefnota en in de begroting wordt duidelijk aangegeven
                                welk deel van de reserves vrij beschikbaar is en welk deel is
                                beklemd door de bespaarde rente in de exploitatie.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.2</nr><titel>Uitgaven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> De gemeentelijke jaarlijkse uitgaven bestaan grofweg uit de
                                volgende onderdelen:</al><al>· Personeelskosten;</al><al>· Overdracht aan Gemeenschappelijke Regelingen. Dit betreft taken
                                die de gemeente aan samenwerkingsverbanden met andere gemeenten
                                heeft opgedragen; deze samenwerkings­verbanden voeren de taken voor
                                de gemeente(n) uit. Voorbeelden zijn de GGD, de Regionale Brandweer
                                Drenthe en het Regionaal Instituut voor Musische Vorming;</al><al>· Subsidies aan organisaties als bibliotheek, stichting welzijn en
                                sportclubs;</al><al>· Uitgaven overige goederen en diensten voor bijvoorbeeld energie,
                                papier, materiaal, aannemers en uitbesteed advieswerk;</al><al>· Uitkeringen sociale zaken, maatschappelijke ondersteuning,
                                etc.;</al><al>· Kapitaallasten. Investeringen worden op de balans geactiveerd en
                                hierop wordt jaarlijks afgeschreven. In de jaarlijkse
                                exploitatierekening worden jaarlijks de afschrijvingskosten
                                opgenomen en de toegerekende rente.</al><al/><al>De kosten voor de producten, projecten en programma’s zijn opgebouwd
                                uit deze kostensoorten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Onvoorziene uitgaven</titel></kop><al> Om extra lasten in de loop van het jaar te kunnen opvangen, is het
                                verplicht een bedrag in de begroting op te nemen voor onvoorziene
                                incidentele uitgaven (artikel 8 lid 2 BBV). Het staat de gemeente
                                vrij hiervoor een eigen norm te hanteren. In de begroting 2007 is
                                een bedrag van € 100.000 opgenomen. In de financiële
                                beheersverordening (ex art 212) heeft de raad verder geen
                                beperkingen gesteld aan de besteding van deze post onvoorzien.</al><al/><al>Tot nu toe is het gebruikelijk dat het saldo van de
                                begrotingswijzigingen in de 1e en 2e bestuurs­rapportage werd
                                verrekend met de post onvoorzien. Daarmee wordt de post onvoorzien
                                gebruikt als een saldopost voor het te verwachten jaarresultaat,
                                terwijl het budget voor onvoorzien verder niet wordt benut.</al><al/><al>(Nieuwe) afspraken:</al><al>· In de begroting wordt voor de post onvoorzien jaarlijks een bedrag
                                van € 100.000 opgenomen.</al><al>· Structurele meeruitgaven komen niet ten laste van de post
                                onvoorzien, maar hiervoor moet bij het opstellen van de nieuwe
                                begroting een structurele dekking worden gevonden;</al><al>· Uitgaven ten laste van onvoorzien moeten worden geboekt op het
                                juiste product en programma. Via de bestuursrapportages en de
                                jaarrekening legt het college daarover verantwoording af (inclusief
                                een begrotingswijziging van de post onvoorzien naar het betreffende
                                programma).</al><al>· In geval van calamiteiten neemt het college direct actie en legt
                                daarover achteraf verantwoording af aan de raad. In de
                                budgethoudersregeling is dat nader uitgewerkt.</al><al>· Het saldo van begrotingswijzigingen wordt (conform de
                                BBV-uitgangspunten) niet meer op de post onvoorzien zichtbaar
                                gemaakt, maar op de begrotingsposten ‘saldo vóór bestemming’ en
                                ‘saldo ná bestemming’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2</nr><titel>Doorberekening apparaatskosten</titel></kop><al> De apparaatskosten bestaan uit alle kosten die nodig zijn voor het
                                functioneren van de ambtelijke organisatie. Hieronder vallen
                                personeelskosten en de kosten voor de interne dienstverlening die
                                door ondersteunende afdelingen wordt geleverd ter ondersteuning aan
                                de medewerkers van de organisatie. Interne dienstverlening betreft
                                onder andere:</al><al>· Facilitaire zaken (huisvesting, kantine, schoonmaak, porto,
                                repro)</al><al>· Personeel en organisatie</al><al>· Algemene juridische control</al><al>· Financiële planning &amp; control</al><al>· Financiële administratie</al><al>· Communicatieadvies</al><al>· Archief</al><al>· Automatisering</al><al/><al>De apparaatskosten worden via productieve uren over de producten en
                                investeringsprojecten versleuteld en via die weg over de
                                beleidsprogramma’s. In de uurtarieven is rekening gehouden met een
                                opslag voor overhead (zoals leiding en secretariële ondersteuning),
                                improductiviteit (zoals ziekte, afwezigheid en uitje) en indirect
                                productiviteit (zoals overleg en cursus).</al><al/><al>Doorberekening van apparaatskosten verloopt in zijn algemeenheid als
                                volgt:</al><al>a. Alle apparaatskosten (=totaal van interne producten plus
                                afdelingskostenplaatsen) worden uiteindelijk (direct of indirect)
                                aan de externe producten en projecten toegerekend;</al><al>b. Waar mogelijk worden externe facturen rechtstreeks op de externe
                                producten geboekt; deze kosten vallen dan buiten de
                                apparaatskosten;</al><al>c. De afdelingskosten (vooral bestaand uit personeelskosten) worden
                                via uurtarieven aan de producten en projecten doorberekend. In
                                specifieke gevallen (zoals bij de vrijwilligers van de brandweer)
                                worden de kosten voor personeel rechtstreeks op de externe producten
                                of projecten verantwoord;</al><al>d. Waar sprake is van interne producten of dienstverlening die
                                direct en zonder administratieve rompslomp aan producten of
                                projecten kunnen worden toegerekend, wordt deze ook direct
                                toegerekend. Zo worden voor zover praktisch uitvoerbaar de kosten
                                van specifieke automatiseringsapplicaties direct doorbelast aan de
                                betreffende producten of projecten en worden de huisvestingskosten
                                van de bestuursorganen op basis van een realistisch ingeschat
                                percentage aan de bestuursorganen (college en raad) rechtstreeks
                                doorbelast;</al><al>e. De overige lasten voor de interne producten/interne
                                dienstverlening worden via een opslagpercentage op de uurtarieven
                                aan de producten en projecten doorberekend.</al><al/><al>In de bestaande begroting (2007) wordt voor de afdelingen BMO en FO
                                geen onderscheid gemaakt in de interne producten van die afdelingen
                                en hun afdelingskostenplaatsen. Voor zowel de afdeling BMO als de
                                afdeling FO zijn de afdelingskostenplaatsen samengevoegd met de
                                interne producten van die afdelingen en voor deze afdelingen worden
                                de kosten niet via uurtarieven doorberekend. Het gevolg hiervan is
                                dat er geen uurkosten van BMO en FO rechtstreeks aan producten of
                                projecten wordt toegerekend, ook al wordt er wel rechtstreeks voor
                                zo´n product of project gewerkt. Voor zover dat declarabele
                                producten of subsidiabele projecten betreft, is er dus sprake van
                                inkomstenderving. Verder wordt niet inzichtelijk wat de interne
                                dienstverlening kost.</al><al/><al>Actiepunten:</al><al>· Opnieuw vaststellen van de verdeelsleutels voor de interne
                                producten aan de externe producten en afdelingskostenplaatsen, deze
                                verdeelsleutel jaarlijks actualiseren en vastleggen in een bijlage
                                bij de productenraming;</al><al>· Uitwerken hoe bij declarabele projecten wél met een uurtarief in
                                de begroting duidelijk onderscheid kan worden gemaakt in interne
                                producten en afdelingskostenplaatsen, waarbij voor alle afdelingen
                                (óók voor BMO en FO) dezelfde systematiek van urendoorbelasting
                                wordt gehanteerd;</al><al>· Vastleggen hoe de niet-compensabele BTW uiteindelijk via
                                mengpercentages wordt verdeeld over de producten en projecten.
                                Jaarlijks actualiseren als bijlage bij de productenraming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3</nr><titel>Tijdverantwoording</titel></kop><al> De gemeente Meppel heeft twee systemen voor tijdregistratie: een
                                aanwezigheidsregistratie (electronische prikklok- verlofkaart) en
                                een systeem van urenverantwoording (TIM). Beide systemen staan los
                                van elkaar. Het systeem van urenverantwoording (TIM) is relevant
                                voor de financiële doorberekening. Dit wordt hieronder nader
                                toegelicht.</al><al/><al>Momenteel werkt TIM als volgt: medewerkers registreren in dit
                                systeem hoeveel uren aan verschillende producten en projecten is
                                gewerkt. Vervolgens wordt dit financieel doorberekend (via uren x
                                tarief) aan de producten en projecten. Met het systeem kunnen
                                managementoverzichten worden gemaakt van a) de tijdsbesteding per
                                product en b) de financiële doorbelasting per product.</al><al/><al>Het blijkt dat de urenverantwoording niet volledig is. Sommige
                                medewerkers schrijven wel tijd, sommige niet en sommigen deels. In
                                alle gevallen kan de volledigheid niet worden gecheckt omdat
                                afwezigheid (ziekte, verlof, feestdagen) niet wordt geregistreerd.
                                Verder vindt er geen accordering van de tijdverantwoording plaats.
                                Alles wat een medewerker invult, wordt ‘automatisch’ financieel
                                doorberekend naar de producten en projecten.</al><al/><al>Het gevolg van deze ‘halfbakken’ manier van tijdschrijven is dat bij
                                de jaarrekening 2006 een groot nadelig saldo op de
                                afdelings­kostenplaatsen is blijven staan. Dit saldo wordt dan
                                gecompenseerd door een voordeel op de producten en projecten. Een
                                ander nadeel is dat voor subsidiabele projecten (zoals bij sociale
                                zaken) een aparte sluitende tijdregistratie wordt bijgehouden.</al><al/><al>Afspraken</al><al>· Alle medewerkers dienen hun tijd volledig in het
                                tijdschrijfsysteem te verantwoorden, ook de afwezigheidsuren. De
                                manager ziet daarop toe. Aparte tijdregistraties worden dan
                                overbodig.</al><al>· De manager kan voor sommige specifieke functies bepalen dat
                                tijdschrijven niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat medewerkers altijd
                                dezelfde soort werkzaamheden uitvoeren (zoals secretariaat of
                                management). In dat geval zorgt de manager voor een
                                overboekingsopdracht zodat de kosten van de betreffende medewerker
                                wel op het juiste product terecht komen.</al><al>· In managementrapportages wordt verslag gedaan van relevante
                                verschillen in urenrealisatie.</al><al/><al>Actiepunt</al><al>· Ontwikkelen organisatiebrede richtlijnen voor de centrale
                                tijdregistratie en de financiële doorbelasting van de uurkosten van
                                eigen personeel en ingehuurd personeel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4</nr><titel>Dekking urendoorbelasting </titel></kop><al> In de bestaande systematiek worden de werkelijke geboekte uren van
                                de ambtelijke organisatie in het tijdschrijfsysteem doorberekend
                                aan:</al><al>· investeringsprojecten</al><al>· exploitatieproducten, onder te verdelen in:</al><al>o producten met een tarief (tariefproducten)</al><al>o diensten aan derden</al><al>o overige (reguliere) exploitatieproducten</al><al/><al>In de begroting 2007 is voor iedere afdeling een eigen
                                afdelingsuurtarief gehanteerd met een apart uurtarief voor de
                                buitendienst en voor de reinigingsdienst. Administratief redelijk
                                eenvoudig, maar nadeel van deze methode is dat er dan er niet altijd
                                sprake is van een redelijke kostendoorbelasting omdat het
                                gehanteerde uurtarief voor een medewerker in een lage salarisschaal
                                even hoog is als het gehanteerde uurtarief voor een medewerker in
                                een hoge salarisschaal. Dit is met name van belang bij
                                gesubsidieerde projecten, bij kostendekkende werkzaamheden en bij
                                investeringsprojecten.</al><al/><al>Op de producten ontstaan (soms grote) verschillen tussen de geraamde
                                uurkosten en de werkelijk doorberekende uurkosten. Het betreft
                                veelal verschuivingen tussen producten en kostenplaatsen. De
                                doorbelasting van uren aan het ene product is hoger en aan het
                                andere product lager. Deze verschillen en verschuivingen zijn ook in
                                de programma’s zichtbaar. Oorzaken hiervan zijn:</al><al>· de verdeling van de uren (en de uurkosten) over de producten en
                                programma’s zijn nog onvoldoende realistisch in de begroting
                                opgenomen;</al><al>· De uren worden nog onvoldoende realistisch en niet volledig
                                geboekt;</al><al>· Tussendoor worden er geen aanpassingen in de urenbegroting
                                doorgevoerd.</al><al/><al>Er is een verbeterslag nodig in de doorbelasting van uren, zowel in
                                de begroting als in de realisatie. Dit met het doel om realistische
                                cijfers te krijgen waarmee daadwerkelijk wordt gestuurd. Van belang
                                daarbij is vooral helder te krijgen welke uurkosten toegerekend
                                kunnen worden aan investeringsprojecten en welke uurkosten
                                declarabel zijn bij derden (dit geldt voor diensten aan derden en
                                voor tariefproducten). In dit kader moeten budgethouders ook sturen
                                op:</al><al>· De realisatie van het geraamde aantal uren (de formatie);</al><al>· De realisatie van het geraamde aantal productieve uren;</al><al>· De realisatie van het geraamde aantal uren dat extern kan worden
                                doorbelast (bijvoorbeeld via leges terug te verdienen of aan
                                projecten in rekening te brengen).</al><al/><al>Bedoeling is om met prioriteit helder te krijgen welk deel van de
                                formatiekosten ten laste van de investeringsprojecten en welk
                                aandeel aan de producten in de exploitatie wordt gebracht. Immers,
                                bij het verminderen van projecten, vermindert ook de dekking voor de
                                personele uurlasten; er dan sprake is van personele overcapaciteit.
                                Dit leidt in de exploitatie tot een dekkingstekort (frictie genoemd)
                                als er niet tegelijkertijd op het personeelsbudget wordt bezuinigd.
                                Het is dus nodig om ófwel op het personeel te bezuinigen ófwel
                                nieuwe dekking te zoeken om de frictiekosten in de exploitatie te
                                beperken. Een soortgelijke redenering geldt in het geval van
                                uitbreiding van projecten, waarbij ofwel nieuw personeel moet worden
                                aangetrokken, ofwel ingehuurd moet worden.</al><al/><al>In de productenbegroting en in de afdelingsplannen is rekening
                                gehouden met het aantal productieve uren per fulltime medewerker. In
                                de productenbegroting 2007 betrof de centrale raming afgerond 1300
                                uur. Hierin is per fulltime medewerker rekening gehouden met 72 uur
                                ziekte, 72 uur cursus, 100 uur werkoverleg en 80 uur aftrek voor
                                leiding. In afdelingsplannen zijn afwijkende urenramingen opgenomen.
                                Dat is niet consistent. Bovendien wordt geen rekening gehouden met
                                diverse soorten verlof voor senioren, ouderschap en
                                leeftijdsdagen.</al><al/><al>Afspraken</al><al>· in elke aanvraag voor een budget of een (investerings)krediet moet
                                expliciet het bedrag aan intern toe te rekenen apparaatskosten
                                zichtbaar gemaakt worden, alsmede de verwachte verdeling daarvan
                                over verschillende boekjaren;</al><al>· in de aanvraag wordt tevens aangegeven welk deel van de
                                (uren)apparaatskosten ten laste van de reguliere budgetten uit de
                                exploitatie wordt gebracht en welk deel met de investering wordt
                                geactiveerd;.</al><al>· In de productenraming wordt jaarlijks aangegeven hoeveel
                                productieve uren voor een fulltime mede­werker wordt geraamd. Er
                                wordt naar gestreefd om de methodiek van afdelingen op elkaar aan te
                                sluiten. In ieder geval dient er voor te worden gezorgd dat de
                                centrale en decentrale ramingen op elkaar aansluiten.</al><al/><al>Actiepunten:</al><al>· Bij de uitwerking van de begroting 2008 ontwikkelen van nieuwe
                                berekeningswijze voor de uurtarieven, waarin zo mogelijk onderscheid
                                wordt gemaakt in salarisgroep en binnendienst/ buitendienst;</al><al>· verbeterslag werkwijze urenboeking en urendoorberekening. Hierbij
                                keuze maken of kosten worden doorberekend op basis van werkelijke
                                uren of op basis van begrote uren;</al><al>· in de urenbegroting onderscheid maken in formatieuren voor
                                regulier werk en formatie die kan worden doorberekend (aan
                                projecten, aan tariefproducten of aan derden);</al><al>· Standaardraming opzetten voor berekening productieve uren;</al><al>· Ontwikkelen format voor investeringskrediet, waarbij duidelijk
                                wordt hoe eigen uurkosten en de externe kosten over de jaren worden
                                verdeeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5</nr><titel>Kostenplaatsen kapitaallasten, tractiekosten en
                                    sportaccommodaties</titel></kop><al> De kapitaallasten, de tractiekosten en de sportaccommodaties vormen
                                drie bijzondere (hulp)kosten­plaatsen. De kostenplaats
                                kapitaallasten is ingesteld om de rente en afschrijving over de
                                producten te verdelen. De kostenplaats tractiekosten is ingesteld om
                                de kosten voor de voertuigen op uurbasis door te belasten. Deze
                                kostenplaats wordt alleen gebruikt voor het doorbelasten van de
                                uurkosten van de reinigingsvoertuigen (vuilniswagens, kolkenzuiger,
                                veegmachines). Het ligt voor de hand hier ook de andere
                                gemeentelijke voertuigen onder te brengen, zodat het geheel beter
                                kan worden beheerd.</al><al/><al>De hulpkostenplaats sportaccommodaties wordt gebruikt om de kosten
                                voor sportaccommodaties te verdelen over de producten onderwijs en
                                sport. In het verleden was dit zinvol omdat de kosten voor het
                                gebruik van de sporthallen voor gymnastiekonderwijs met het rijk
                                konden worden verrekend. Door de overheveling van de rijksbudgetten
                                voor schoolgebouwen vanaf 1997 is deze verrekening niet meer
                                nodig.</al><al/><al>Actiepunten:</al><al>· De hulpkostenplaats sportaccommodaties samenvoegen met het
                                exploitatieproduct sportaccommodaties met tevens de interne
                                verrekening tussen de producten sportaccommodaties en onderwijs
                                vereenvoudigen.</al><al>· Kostenplaats tractiekosten ombouwen tot kostenplaats wagenpark. Op
                                die kostenplaats worden alle gemeentelijke voertuigen ondergebracht.
                                Er wordt gewerkt met een eenvoudige verdeelsystematiek en een
                                beperkt aantal gedifferentieerde uurtarieven.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>5</nr><titel>De balans</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Bij de jaarrekening wordt ook de financiële balans opgesteld. De
                                structuur van die balans moet voldoen aan wettelijke voorschriften.
                                Hieronder staat de balans in enigszins vereenvoudigde vorm vermeld.
                                Daarna worden in deze paragraaf de belangrijkste onderdelen en
                                boekhoudregels toegelicht.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.1</nr><titel>Investeringen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> De gemeente heeft allerlei investeringen gedaan met een meerjarig
                                nut die op de balans worden geactiveerd en die worden afgeschreven
                                over de economische levensduur. Het betreft investeringen in
                                concrete niet-verhandelbare goederen met een maatschappelijk nut
                                (zoals de aanleg of reconstructie van wegen, parken en bruggen) en
                                investeringen in concrete wél verhandelbare of opbrengst-genererende
                                goederen met een economisch nut (zoals riolering en gebouwen). Op
                                grond van de BBV mogen investeringen in (groot) onderhoud niet
                                worden geactiveerd. Investeringen in immateriële goederen (zoals
                                bestemmingsplannen en onderzoeken die over meerdere jaren betrekking
                                hebben) mogen onder bepaalde voorwaarden wél worden geactiveerd,
                                maar Meppel heeft dat niet altijd gedaan.</al><al/><al>In de exploitatierekening worden jaarlijks over de investeringen
                                kosten voor rente en afschrijving (kapitaallasten) doorberekend. In
                                de financiële verordening (ex artikel 212 gemeentewet) is hierover
                                het volgende opgenomen:</al><al>1. Alle investeringen met een economisch nut worden geactiveerd, met
                                uitzondering van kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde.
                                Bijdragen en subsidies van derden worden direct op de investering in
                                mindering gebracht;</al><al>2. Investeringen worden afgeschreven overeenkomstig de technische
                                en/of economische levensduur. De afschrijvingstermijnen zijn in de
                                financiële verordening opgenomen (zie bijlage 3);</al><al>3. Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut
                                (zoals de aanleg of een reconstructie van een weg of een plantsoen)
                                worden bij voorkeur niet geactiveerd, maar kúnnen wel geactiveerd
                                worden als de raad op voorstel van het college daartoe besluit. Hier
                                zijn verder nog geen richtlijnen voor vastgelegd;</al><al>4. Investeringen kleiner dan €10.000 worden niet geactiveerd;</al><al>5. Gronden en terreinen worden altijd op de balans geactiveerd.</al><al/><al>Investering met een economisch nut mogen volgens de
                                BBV-voorschriften boekhoudkundig niet meer rechtstreeks uit een
                                bestemmingsreserve worden afgeschreven, zoals in het verleden vaak
                                gebruikelijk was. Dit betekent dat door de stelselwijziging in 2004
                                een deel van de reserves nieuwbouw gemeentehuis en bouw Cultureel
                                Centrum Meppel niet meer met de investering kan worden verrekend,
                                terwijl dit bij de besluitvorming destijds (vóór de
                                stelselwijziging) wél de bedoeling was. Dit leidt tot structureel
                                hogere exploitatielasten, gecompenseerd door een hogere
                                reserve­stand. Een alternatief is versneld af te boeken op (andere)
                                investeringen met maat­schappelijk nut. Dit heeft per saldo ook het
                                effect dat de exploitatielasten dalen. Bovendien kunnen met deze
                                balanssanering allerlei kleine geactiveerde investeringen worden
                                opgeschoond.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Keuzevoorstel aan de raad doen om het restant van de reserve CCM
                                en de reserve Nieuwbouw Stadhuis toe te voegen aan de algemene
                                reserve, ofwel deze reserves benutten voor balanssanering.</al><al>· Raadsvoorstel uitwerken om kleine geactiveerde investeringen op te
                                schonen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Afschrijving</titel></kop><al> Investeringen worden afgeschreven volgens een vaste vooraf bepaalde
                                afschrijvingstermijn. De hoogte van de afschrijving is conform
                                artikel 64 BBV onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Op
                                investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut mag
                                echter wél extra worden afgeschreven.</al><al/><al>Voor de afschrijving worden de volgende afspraken gehanteerd:</al><al>· Alle investeringen worden (onder aftrek van bijdragen van derden)
                                lineair afgeschreven; in uitzondering daarop worden de bestaande
                                investeringen die aanvankelijk annuïtair werden afgeschreven (zoals
                                investeringen in riolering) volgens deze annuïtaire methode voor de
                                rest van hun levensduur volgens deze afschrijvingsmethode
                                afgewikkeld;</al><al>· Voor nieuwe investeringen die gedurende het jaar in gebruik worden
                                genomen, wordt over het eerste boekjaar 50% van de jaarlijkse rente-
                                en afschrijvingslast begroot, omdat nieuwe investeringen in het
                                eerste jaar gemiddeld voor een half jaar worden gebruikt. Bij
                                vertraging van de investering wordt de begroting van de
                                kapitaallasten bijgesteld;</al><al>· Periodiek worden de rentelasten op basis van het
                                omslagrentepercentage over de investeringen berekend en als last in
                                de exploitatie opgenomen. Er wordt dus voor normale investeringen
                                geen “bouwrente” aan de investeringen toegevoegd, maar de rentelast
                                wordt direct genomen; voor complexen uit de grondexploitaties wordt
                                de bouwrente wél aan de investering toegevoegd, omdat het hier gaat
                                om een bedrijfsmatige activiteit;</al><al>· Voor bestaande investeringen worden de afschrijvingslasten
                                berekend op basis van de werkelijk uitgevoerde investeringen;</al><al>· Bij nieuwe investeringen start de afschrijvingstermijn vanaf het
                                moment van ingebruikname;</al><al>· Als afschrijvingstermijn wordt de realistisch in te schatten
                                gebruiksduur gehanteerd. In bijlage 3 staat een lijst met te
                                hanteren afschrijvingstermijnen, zoals opgenomen in de financiële
                                verordening ex artikel 212 gemeentewet;</al><al>· Investeringen die minder lang mee gaan dan begroot, worden bij de
                                jaarrekening als desinvestering ten laste van het jaarresultaat
                                afgeboekt en verantwoord.</al><al/><al>Investeringen in de openbare ruimte met een meerjarig
                                maatschappelijk nut zoals wegen en bruggen worden wél direct met de
                                betreffende bestemmingsreserve of met incidentele middelen
                                verrekend. Het restant investeringsbedrag (onder aftrek van
                                bijdragen van derden) mag conform de financiële verordening ex
                                artikel 212 na specifieke instemming van de raad op de balans worden
                                geactiveerd. De raad heeft hier geen afschrijvingstermijnen voor
                                vastgelegd. In het BBV is aangegeven dat activa met maatschappelijk
                                nut bij voorkeur niet worden geactiveerd. Groot onderhoud (zoals het
                                vernieuwen van een dekleg van een weg) mag niet worden geactiveerd.
                                In geval van reconstructies (zoals het geheel vervangen van een weg
                                bij rioolvernieuwing) mág wél worden geactiveerd (zie vraag 7,
                                vragen &amp; antwoordenrubriek Commissie BBV).</al><al/><al>Afspraak</al><al>· Investeringen in de openbare ruimte worden (na verrekening met de
                                bestemmingsreserve en onder aftrek van bijdragen van derden) op de
                                balans geactiveerd tegen maximaal de volgende
                                afschrijvingstermijnen. Dit is in overeenstemming met de gangbare
                                berekeningswijze.</al><al>o 15 jaar aanleg en reconstructie wegen</al><al>o 15 jaar houten bruggen</al><al>o 25 jaar herinrichting parken</al><al>o 40 jaar betonnen/ijzeren bruggen en viaducten</al><al>o 10 jaar verkeersregelinstallaties, openbare verlichting</al><al>Actiepunten:</al><al>· in de nieuwe begroting en bestuursrapportages opnemen welk deel
                                van de kapitaallasten naar verwachting incidenteel vrijvalt door
                                vertragingen in de investeringen;</al><al>· Nieuwe afschrijvingstermijnen en het afschrijvingsbeleid
                                vastleggen in de te wijzigen financiële verordening ex artikel 212
                                gemeentewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Vrijvallen kapitaallasten</titel></kop><al> Bij toepassing van de lineaire afschrijvingsmethode wordt de
                                rentelast ieder jaar lager. En indien de investering geheel
                                financieel is afgeschreven, valt ook de afschrijving vrij. Dit geeft
                                financiële ruimte in de begroting. Bij vervangingsinvesteringen is
                                deze financiële ruimte echter tijdelijk, want bij vervanging is
                                veelal een hoger vervangingsbudget als gevolg van prijsontwikkeling
                                nodig.</al><al/><al>Bij afgeschreven kapitaalgoederen is wel alertheid geboden in
                                verband met eventueel extra onderhoud. Het voordeel op de
                                kapitaallasten kan dan te niet worden gedaan door een nadeel op de
                                onderhoudskosten.</al><al/><al>Afspraak:</al><al>De jaarlijkse vrijval van kapitaallasten wordt bestemd voor nieuwe
                                investeringen of vervangings­investeringen in gemeentelijke
                                basisvoorzieningen en gebouwen. De vrijval in de begroting is
                                daarmee beschikbaar als budget voor kapitaallasten van
                                herinvesteringen.</al><al/><al>Actiepunten:</al><al>· opstellen meerjarig investeringsplan met onderscheid in nieuwe en
                                vervangings­investering en waarin ook meerjarig de kapitaallasten
                                zijn opgenomen (onderdeel voor onderdeel uitwerken);</al><al>· opstellen spelregels in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen
                                hoe wordt omgegaan met kapitaallasten in relatie tot de
                                onderhoudskosten voor kapitaalgoederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Financiering van investeringen</titel></kop><al> Ter financiering van investeringen gebruikt de gemeente een mix van
                                het beschikbare eigen vermogen (de reserves) en vreemd vermogen
                                (aangetrokken geldleningen, bankkrediet, voorzieningen). Daarbij
                                wordt gekeken naar de rente op de geldmarkt (kortlopende
                                financiering) en de kapitaalmarkt (langlopende
                                financieringsmiddelen) om te bepalen welke financieringsmethodiek op
                                dat moment de gunstigste is. De spelregels hiervoor zijn in het
                                treasurystatuut (2001) vastgelegd.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Opstellen uitvoeringsplanning treasury, waarin rekening is
                                gehouden met de pieken in de inkomsten en uitgaven en het meerjarige
                                investeringsschema, inclusief uitgaven van gronden;</al><al>· In de paragraaf financiering bij de begroting de verwachte
                                financieringsbehoefte aangegeven en hoe dat zal worden
                                ingevuld.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.2</nr><titel>Investeringen in aandelen/ leningen en langlopende
                                schulden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Per 31 december 2006 had Meppel voor € 34 miljoen uitstaan aan
                                aandelen en leningen. Het betreft rentedragende leningen van circa €
                                9,6 miljoen aan woningbouwcorporaties, bijna € 10 miljoen aan eigen
                                personeel voor hypotheek en PC-regelingen, circa € 11 miljoen aan
                                nutsbedrijven en € 4,7 miljoen aan het Nat industrieterrein, alsmede
                                een aantal overige leningen aan scholen en instellingen van in
                                totaal ruim € 1 miljoen). Daarnaast bezit Meppel aandelen van de
                                Bank Nederlandse Gemeenten, Essent, Wadinko (voorheen WMO-beheer),
                                Rendo, Rova en Vitens. Deze aandelen zijn conform de
                                BBV-voorschriften tegen aanschafwaarde op de balans gewaardeerd, ook
                                al is de werkelijke (markt)waarde hoger. In de jaarrekening wordt
                                aangegeven wat de realistische waarde van deze aandelen is (stille
                                reserves).</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.3</nr><titel>Eigen vermogen: reserves</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Op de eindbalans 2006 staat onder de passiva voor ruim € 53 miljoen
                                aan reserves (inclusief bestemming rekeningresultaat 2006). Reserves
                                vormen het eigen vermogen en hebben het volgende doel:</al><al>· Bufferfunctie: om onverwachte tegenvallers in de exploitatie op te
                                kunnen vangen</al><al>· Financieringsfunctie: om investeringen deels met eigen geld te
                                kunnen financieren</al><al>· Bestedingsfunctie: om geld te reserveren voor een specifieke
                                activiteit of doel</al><al>· Egalisatiefunctie: om over meerdere jaren bepaalde kosten tarieven
                                te egaliseren</al><al>· Inkomensfunctie: het bezit van reserves levert (bespaarde) rente
                                als inkomst.</al><al/><al>Reserves op de balans worden onderscheiden naar:</al><al/><al>a. algemene reserves</al><al> - vrije reserve - bufferreserve b.
                                Bestemmingsreservesegalisatiereserves: - bestemmingsreserves die
                                dienen om ongewenste schommelingen op te vangen in de tarieven die
                                aan derden in rekening worden gebracht; - Overige
                                bestemmingsreserves, bedoeld voor specifieke activiteiten. De
                                gemeenteraad heeft de bestemming van deze reserves bepaald. Het is
                                de raad ook vrij de bestemming te wijzigen. In de reguliere
                                budgetcyclus wordt waar nodig de raad voorgesteld een
                                bestemmingsreserve op te heffen of in te stellen. Bij de
                                jaarrekening wordt bekeken welke bestemmingsreserves nog actueel
                                zijn voor het doel waarvoor ze zijn ingesteld. In de perspectiefnota
                                en de begroting komt aan de orde of nieuwe reserves moeten worden
                                gevormd of dat reserves op basis van nieuwe keuzes moeten worden
                                verhoogd of verlaagd.</al><al>afspraak</al><al>· De raad kan het college toestaan specifieke bestemmingsreserves
                                binnen vooraf aangegeven en vastgestelde marges te benutten voor de
                                vastgestelde bestemming met een verantwoording achteraf. De raad zal
                                dit dan per bestemmingsreserve aangeven. Bij de resultaatbestemming
                                zal de raad dit achteraf formeel vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Onderbouwing van reserves</titel></kop><al> De omvang (vorming, vrijval) van de algemene reserve, de
                                bestemmingsreserves en voorzieningen wordt jaarlijks in de begroting
                                en jaarrekening onderbouwd. Voor een goede afweging voor de
                                besluitvorming door de raad worden bij de vorming en bepaling van de
                                omvang van reserves minimaal de volgende aspecten vermeld:</al><al>a. het doel van de reserve (bestemming, egalisatie);</al><al>b. de gewenste minimale en maximale omvang;</al><al>c. omvang van de stortingen (structureel of incidenteel), inclusief
                                onderbouwing daarvan;</al><al>d. omvang en tijdstip/periode van de onttrekkingen inclusief
                                onderbouwing daarvan;</al><al>e. motivering waarom het gestelde doel via een reserve dient te
                                worden gerealiseerd in plaats van via een reguliere
                                begrotingspost;</al><al>f. mandatering/ ruimte aan college.</al><al/><al>Actiepunt</al><al>· bestaande reserves nader onderbouwen en beheren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Algemene bufferreserve</titel></kop><al> De algemene reserve moet minimaal een bedrag bevatten dat dient als
                                bufferreserve om eventuele tegenvallers op te kunnen vangen. Dit
                                minimumbedrag van het eigen vermogen mag niet worden aangewend voor
                                bestedingen. Het staat iedere gemeente vrij hiervoor een eigen
                                minimumnorm te hanteren. Deloitte heeft in oktober 2006 het
                                risicoprofiel van Meppel in kaart gebracht en op basis daarvan een
                                advies opgesteld over het weerstandsvermogen. Deloitte heeft
                                geadviseerd om de algemene reserve te splitsen in een vrij
                                beschikbare reserve en een algemene bufferreserve. Op basis van de
                                risico-analyse heeft de raad op 4 april 2007 besloten € 24 miljoen
                                als risicobuffer aan te houden. Hierbij is rekening gehouden met €
                                10 miljoen aan buffer voor het achterstallig onderhoud in de
                                openbare ruimte en circa € 8 miljoen vanwege de risico’s in de
                                grondexploitatie van de Nieuwveense landen.</al><al/><al>In de risicoberekening is rekening gehouden met de belangrijkste
                                inkomstenbronnen uit het gemeentefonds en de inkomensmaatstaf OZB,
                                de totale jaarlijkse exploitatieomzet, de boekwaarde van de
                                grondexploitaties en de onderhanden investeringen en de
                                risicodragende verstrekte geldleningen. Aanvullend is specifiek
                                rekening gehouden met de risico’s in verband met het achterstallig
                                onderhoud en met de risico’s voor de grondexploitatie
                                Nieuwveenselanden.</al><al/><al>Voor de berekening van de risicobuffer is als norm een
                                risicopercentage van 3,5% gehanteerd op grond van het door Deloitte
                                genoemde risicoprofiel hoger dan gemiddeld.</al><al/><al>De risicobuffer is ook bedoeld om risico’s in de grondexploitatie op
                                te vangen. Voorkomende risico’s zijn:</al><al>- de nog te maken kosten bedragen meer dan gecalculeerd;</al><al>- de opbrengsten worden niet gerealiseerd;</al><al>- de rente wordt hoger dan waarmee in de exploitaties rekening is
                                gehouden;</al><al>- de opbrengsten worden vertraagd gerealiseerd met als gevolg
                                renteverlies op de boekwaarde van de gronden.</al><al/><al>Hiertegenover staan nog zogenaamde stille reserves. Dat zijn
                                reserves die niet op de balans zichtbaar zijn. De verwachte winst
                                van de grondexploitatie is zo’n stille reserve.</al><al/><al>Afspraken</al><al>· Voor de berekening van de risicobuffer wordt de rekenmethode van
                                Deloitte gevolgd. Jaarlijks wordt deze risicobuffer bij de begroting
                                geactualiseerd;</al><al>· Jaarlijks wordt vertrouwelijk een herziene raming van de nog te
                                verwachten winst of verlies per project van de grondexploitatie
                                gemaakt. De verwachte winst op een complex grondexploitatie wordt
                                echter pas genomen als deze werkelijk is gerealiseerd. Voor te
                                verwachten tekorten op een complex grondexploitatie wordt een
                                voorziening getroffen (verplicht op grond van de BBV). Deze
                                voorziening wordt, gesaldeerd met de boekwaarde van de betreffende
                                grondexploitatie, op de balans gepresenteerd.</al><al/><al>Actiepunt</al><al>· De berekening van het weerstandsvermogen en de toelichting daarop
                                in de paragraaf weerstandsvemogen geleidelijk uitbreiden tot een
                                systeem van risicomanagement;</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.4</nr><titel>Vreemd vermogen: voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen. Voorzieningen moeten
                                worden gevormd voor:</al><al>a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum
                                onzeker is, maar redelijkerwijs wel is in te schatten;</al><al>b. kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt,
                                mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het
                                begrotingsjaar of in een voorgaand begrotingsjaar en de voorziening
                                strekt tot een gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal
                                begrotingsjaren.</al><al>c. middelen die derden beschikbaar hebben gesteld voor een specifiek
                                doel en waarop een terugbetalingsverplichting geldt als ze niet voor
                                dat doel worden besteed.</al><al/><al>In afwijking van het bedrijfsleven mag de gemeente geen voorziening
                                vormen voor jaarlijks terugkerende aan arbeidskosten gerelateerde
                                verplichtingen van vergelijkbaar volume, zoals de
                                vakantiegeldverplichtingen.</al><al/><al>De vorming van een voorziening geschiedt onafhankelijk van het
                                exploitatieresultaat. Stortingen in voorzieningen en vrijval van
                                voorzieningen worden berekend op basis van de redelijkerwijs in te
                                schatten verplichting, gebaseerd op een berekening van het risico
                                waarvoor de voorziening is gevormd of gebaseerd op een meerjarig
                                gelijkmatige verdeling van de lasten voor bijvoorbeeld
                                onderhoudsvoorzieningen.</al><al>Voorzieningen worden gevormd door stortingen ten laste van het
                                rekeningresultaat en zijn dus onderdeel van de resultaatbepaling.
                                Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan.</al><al/><al>Net als bij de reserves wordt jaarlijks van iedere voorziening het
                                volgende bijgehouden. Hierover wordt in de begroting en jaarrekening
                                op hoofdlijnen gerapporteerd.</al><al>· het doel van de voorziening</al><al>· onderbouwing van de omvang</al><al>· omvang en tijdstip/periode van de onttrekkingen en stortingen
                                inclusief onderbouwing daarvan;</al><al>· dekking van de stortingen</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.5</nr><titel>Classificatie reserves en voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Er is verschil tussen reserves en voorzieningen. De reserves
                                bepalen het eigen vermogen, terwijl voorzieningen vallen onder het
                                vreemd vermogen. Met de instelling van de BBV is dat onderscheid
                                scherper gemaakt.</al><al/><al>In de adviesnota reserves van Deloitte van oktober 2006 is een
                                gedetailleerd overzicht van de reserves gegeven. Op basis van die
                                nota heeft de raad in april 2007 besloten tot opschoning van een
                                aantal reserves. De voorzieningen zijn niet apart doorgelicht. Omdat
                                de instandhouding van een voorziening aan wettelijke regels is
                                gebonden, vindt hierop bij de jaarrekening controle plaats.</al><al/><al>Afspraak:</al><al>· Ieder jaar wordt een voorstel gedaan voor actualisering van de
                                reserves en voorzieningen met een voorstel in de jaarrekening voor
                                opschoning.</al><al/><al/><al>Actiepunten:</al><al>· Regelen van het structureel beheer van reserves en
                                voorzieningen</al><al>· Opstellen van een nota inventarisatie en opschoning
                                voorzieningen</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.6</nr><titel>Resultaatbepaling en resultaatbestemming </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Net als in het bedrijfsleven stelt de gemeenteraad eerst het
                                rekeningresultaat vast, waarna de raad vervolgens de bestemming
                                daarvan bepaalt. In de oude gemeentelijke systematiek (tot 2004) was
                                het gebruikelijk om stortingen in de reserves en rentetoevoegingen
                                aan de reserves vooraf ten laste van het rekeningresultaat te
                                brengen. Dit is niet meer toegestaan. De raad kan er overigens net
                                als voorheen voor kiezen om bestemmingsreserves op te bouwen.</al><al/><al>De begrote storting in de reserves gebeurt echter niet meer
                                automatisch, maar vraagt een expliciet besluit van de raad.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.7</nr><titel>Rentetoerekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> De gemeente heeft geldleningen voor investeringen aangetrokken.
                                Over deze geldleningen wordt werkelijke rente betaald. Verder kan de
                                gemeente de eigen reserves en voorzieningen inzetten voor de
                                financiering van investeringen. Hierdoor hoeft er minder geld op de
                                kapitaalmarkt te worden geleend en is er dus sprake van besparing op
                                de werkelijke rentelasten. Dit wordt de bespaarde rente
                                genoemd.</al><al/><al>Via de kostenplaats kapitaallasten wordt aan de producten en
                                kostenplaatsen in de exploitatie een percentage kapitaalrente
                                toegerekend over de investeringen en op de balans wordt rente
                                toegerekend aan onderhanden werk en de voorraden van de
                                grondexploitaties. In de begroting wordt hiervoor jaarlijks het
                                omslag­rentepercentage vastgesteld. In 2007 bedraagt dat
                                omslagpercentage 4,3% voor de exploitatie en verder wordt een vast
                                percentage van 5,5% toegerekend aan het onderhanden werk op de
                                grond­exploitatie. Voor de grondexploitatie wordt uit praktisch
                                oogpunt een verschillend rentepercentage gehanteerd om aan te
                                sluiten bij het langjarige rentepercentage in de berekeningen van de
                                grondexploitatie. Het verschil (in 2007 een voordeel van 1,2%) wordt
                                toegevoegd aan de algemene reserve.</al><al/><al>De gemeente heeft ook enkele leningen aan derden verstrekt. Voor die
                                leningen worden renteper­centages gehanteerd die met die derden zijn
                                afgesproken.</al><al/><al>In de administratie wordt de bespaarde rente ten laste van de
                                kostenplaats kapitaallasten als opbrengst toegerekend aan het
                                product algemene dekkingsmiddelen. Het opnemen van bespaarde rente
                                is conform de BBV toegestaan, maar niet verplicht. In de begroting
                                2007 wordt € 700.000 van de toegerekende bespaarde rente als
                                algemeen dekkingmiddel ingezet, wordt € 340.000 (via de
                                resultaat­bestemming) als rentebijschrijving aan de reserves
                                toegevoegd en wordt € 66.000 via de exploitatie toegevoegd aan de
                                voorziening wachtgelden bestuur/personeel (dat laatste is niet
                                conform BBV en moet dus worden veranderd). Aangezien tot nu toe bij
                                de berekening van het percentage renteomslag niet volledig rekening
                                werd gehouden met de aanwezigheid van bestemmingsreserves en
                                voorzieningen, gaf dit jaarlijks bij de jaarrekening een fors
                                voordeel op het saldo van de kostenplaats kapitaallasten ten
                                opzichte va de begroting. Vanaf de begroting 2008 wordt dit
                                realistischer begroot.</al><al/><al>In onderstaand schema is weergegeven hoe de kosten van rente en
                                afschrijving administratief worden verrekend. Een eventueel positief
                                of negatief saldo op de kostenplaats kapitaallasten komt ten gunste
                                of laste van het product algemene dekkingsmiddelen.</al><al/><al>De huidige werkwijze is dat de bespaarde rente op de algemene
                                reserve (zowel de bufferreserve als de algemene vrije reserve)
                                structureel wordt ingezet als algemeen dekkingsmiddel in de
                                exploitatie. Dat betekent dat deze reserve pas kan worden ingezet
                                als er een andere structurele dekking komt voor de in de begroting
                                opgenomen rente-inkomsten. In de begroting 2007 is op die manier
                                ongeveer € 27 miljoen geblokkeerd, inclusief ruim € 11 miljoen aan
                                leningen bij nutsbedrijven.</al><al/><al>Door de toename van de algemene bufferreserve en algemene vrije
                                reserve als gevolg van de opschoning van de reserves en de extra
                                dividenduitkeringen in 2006, wordt bij dezelfde systematiek de
                                opbrengst van de bespaarde (en toegerekende) rente aan het product
                                algemene middelen in de exploitatie weliswaar hoger, maar wordt
                                daarmee tevens een groter deel van de reserves voor rente
                                geblokkeerd. Bij het opstellen van de begroting moet daarom worden
                                afgewogen welk deel van de reserves vrij beschikbaar moet
                                blijven.</al><al/><al>Nieuwe afspraken:</al><al>· In de begroting wordt de bespaarde rente jaarlijks geraamd over de
                                te verwachten gemiddelde stand van alle reserves en
                                voorzieningen;</al><al>· In de begroting wordt een realistische inschatting gemaakt van de
                                te verwachten rente­percentages voor lange en korte geldleningen,
                                alsmede voor de te verwachten financieringsbehoefte. Dit wordt in de
                                paragraaf financiering helder aangegeven en bij de jaarrekening
                                wordt dit vergeleken met de werkelijke rente en de werkelijke
                                rentepercentages;</al><al>· In de begroting 2007 en 2008 wordt een percentage aan bespaarde
                                rente gehanteerd van 4,5%. Bij grote wijzigingen van de marktrente
                                wordt dit percentage aangepast;</al><al>· Bij de jaarrekening worden dezelfde rentepercentages voor de
                                bespaarde rente en de omslag­rente gehanteerd als bij de begroting.
                                Voor- en nadelen op de betaalde en ontvangen rente worden zichtbaar
                                op het saldo van de kostenplaats kapitaallasten;</al><al>· Bij de resultaatbestemming wordt geen rente toegevoegd aan de
                                reserves en voorzieningen;</al><al>· De bespaarde rente op reserves en voorzieningen en het saldo op de
                                kostenplaats kapitaallasten worden als dekkingsmiddel in de
                                begroting opgenomen.</al><al/><al>Actiepunten:</al><al>· Onderbouwing van het financierings­tekort, de renteberekening en
                                het financieringstekort/ overschot opnemen in de paragraaf
                                financiering en in een bijlage van de productenraming;</al><al>· Bij de opstelling van de perspectiefnota en de begroting afwegen
                                welk deel van de reserve vrij inzetbaar moet blijven en waarvan (na
                                bestemming) de rente moet worden toegevoegd aan de reserves.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>6</nr><titel>Overig</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.1</nr><titel>Garantieverlening en verstrekking geldleningen aan derden
                            </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al>De gemeente verleent garanties aan diverse in de gemeente werkzame
                                instellingen voor het afsluiten van geldleningen. De gemeenteraad
                                van de (toenmalige) gemeente Meppel heeft hierover in 1994
                                beleidsregels vastgesteld. Een groot deel van deze beleidsregels is
                                inmiddels niet meer actueel. De nota kan daarom het beste worden
                                ingetrokken met inachtneming van nieuwe afspraken (zie onder).</al><al/><al>De reden waarom instellingen vragen om een lening of
                                gemeentegarantie is tweeledig:</al><al>a. Banken willen geen of onvoldoende geld ter beschikking stellen
                                als de gemeente niet garandeert;</al><al>b. De rente van gegarandeerde geldleningen is lager.</al><al/><al>Door de komst van de diverse waarborgfondsen is inmiddels de
                                noodzaak bij de gemeente garantie te vragen minder nodig en door de
                                wet Fido is het gemeentelijk bankieren aanmerkelijk aan banden
                                gelegd. Aangaan en verstrekken van geldleningen alsmede verlenen van
                                garanties is nu uitsluitend toegestaan in de uitoefening van de
                                publieke taak. Wat tot de publieke taak behoort bepaalt het
                                gemeentebestuur. Eind 2006 is nog voor € 1,8 miljoen garanties
                                afgegeven aan woningbouw­corporaties en € 200.000 aan
                                sportverenigingen. Verder is er nog een achtervangfunctie voor het
                                Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).</al><al/><al>Daarnaast heeft de gemeente Meppel nog enkele geldleningen aan
                                derden verstrekt. Dit betreft leningen aan organisaties die
                                beleidsmatig voor de gemeente relevant zijn. Omdat als gevolg van
                                gewijzigde regelgeving de woningcorporaties een zelfstandiger
                                positie ten opzichte van de gemeente hebben gekregen, worden aan
                                woningcorporaties geen nieuwe geldleningen meer verstrekt.</al><al/><al>Afspraken</al><al>· Terughoudendheid betrachten bij het verstrekken van leningen aan
                                derden en bij het afgeven van garanties aan derden voor door deze
                                derden aangegane geldleningen;</al><al>· Terughoudendheid betrachten bij het verstrekken van een geldlening
                                aan derden; nieuwe geldleningen worden alleen verstrekt aan
                                instellingen en organisaties die beleidsmatig relevant voor de
                                gemeente zijn. In beginsel wordt op de lening een opslagpercentage
                                gehanteerd van 0,2% voor risico en administratie en worden
                                zekerheden zo goed mogelijk geregeld (bijvoorbeeld via een 1e
                                hypotheek);</al><al>· Voor financiering van woningbouwprojecten worden geen geldleningen
                                meer verstrekt;</al><al>· Het administratief beheer van aangetrokken en uitgezette
                                geldleningen wordt centraal binnen de organisatie geregeld; voor het
                                inhoudelijk beheer is de vakwethouder en de vakafdeling
                                verantwoordelijk.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· De raad voorstellen nieuwe beleidsafspraken over
                                geldverstrekkingen en garantiestellingen vast te stellen en de
                                verouderde nota gemeentelijke financiële medewerkingen (uit 1994) in
                                te trekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.2</nr><titel>Verstrekken hypothecaire geldleningen aan ambtenaren </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Op grond van de Financieringsregeling huisvesting ambtenaren uit
                                1998 verstrekt de gemeente hypothecaire geldleningen aan ambtenaren.
                                De situatie is in 2007 gewijzigd ten opzichte van de situatie in
                                1994. In een tijd met hoge rente voor hypothecaire geldleningen is
                                als secundaire arbeidsvoorwaarde de mogelijkheid geschapen dat
                                ambtenaren “goedkoop” geld konden lenen via hun werkgever, de
                                gemeente. De gemeente treedt daarbij op als bankier. Het is nog maar
                                de vraag of de gemeente nog steeds als bank op moet treden, ook al
                                is het voor het eigen personeel.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Keuzenotitie opstellen over hypothecaire geldleningen aan
                                ambtenaren (op termijn).</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.3</nr><titel>Arbeidskosten gerelateerde verplichtingen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Voor arbeidskosten die jaarlijks van vergelijkbaar volume zijn, is
                                het niet toegestaan een voorziening te treffen (art 44 lid 3 BBV).
                                Dit geldt onder andere voor de vakantiegeldverplichtingen. Maar er
                                zijn ook arbeidskosten gerelateerde verplichtingen, die jaarlijks
                                niet van vergelijkbaar volume zijn, zoals wachtgeldverplichtingen
                                van ambtenaren (bij personele krimp), pensioen en wachtgelden
                                wethouders, aanspraken in het kader van spaarverlof, ontslagen
                                arbeidsongeschikten en kosten op non-actief gestelde ambtenaren, die
                                nog wel op de loonlijst staan. In alle gevallen zal de gemeente op
                                basis van wegingsfactoren, die los staan van de budgettaire
                                situatie, zelf moeten bepalen of bij een arbeidskosten gerelateerde
                                verplichting sprake is van een jaarlijks vergelijkbaar volume. De
                                eerste ervaringen in pilotgemeenten met de weging van arbeidskosten
                                gerelateerde verplichtingen met een niet vergelijkbaar volume geven
                                aan dat dit vermoedelijk voor veel gemeenten het treffen van een
                                behoorlijke voorziening zal vergen. In Meppel is deze weging nog
                                niet gemaakt.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Opstellen van een inventarisatie van de arbeidskosten gerelateerde
                                verplichtingen en nagaan of de getroffen voorziening toereikend
                                is.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.4</nr><titel>Informatievoorziening aan derden (Iv3)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> De gemeente is ook verplicht inzicht aan het rijk en de Europese
                                Unie te verschaffen in de baten en lasten en financiële positie van
                                de gemeenten. Voor de vergelijkbaarheid van de aangeleverde cijfers
                                stellen het rijk en de EU eisen aan de (functionele) indeling van de
                                aangeleverde cijfers. Het rijk verlangt gegevens op basis van de
                                functionele indeling; de EU verlangt informatie op kwartaal- en
                                jaarbasis ter bepaling van onder meer het EMU-saldo en de
                                EMU-schuld.</al><al>Dit betekent dat de gemeente de gegevens van de eigen begroting en
                                producten via conversietabellen moet omzetten naar de voorgeschreven
                                indelingen van het rijk en de EU. De financiële administratie heeft
                                dit geautomatiseerd, maar deze automatisering behoeft nog wel een
                                aantal aanpassingen.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Aanpassen financiële administratie zodat de informatie aan derden
                                ieder kwartaal snel, goed en betrouwbaar kan worden opgeleverd.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.5</nr><titel>Baten en lasten voorgaande dienstjaren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> In de jaarrekening wordt zo goed mogelijk en onderbouwd een
                                inschatting gemaakt van nog te verwachten kosten in de exploitatie.
                                Hiervoor wordt een verplichting ‘nog te betalen’ opgenomen. Als een
                                factuur dan in het komende boekjaar wordt ontvangen en moet worden
                                betaald, verloopt dit via het reguliere budget op de
                                exploitatierekening. In praktijk komt het voor dat er nog andere
                                kosten (of opbrengsten) uit voorgaande dienstjaren moeten worden
                                betaald (of worden ontvangen). Tot nu toe werden die kosten centraal
                                geadministreerd.</al><al/><al>Afspraak:</al><al>· De baten en lasten van voorgaande dienstjaren worden (conform de
                                BBV) geboekt op de functionele producten. Mee- en tegenvallers uit
                                voorgaande jaren worden dan per product (en dus per programma) in de
                                reguliere cyclus verantwoord.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.6</nr><titel>Grootboekbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> Een overzichtelijk ingericht grootboek is van belang voor het
                                voeren van een goede en betrouwbare administratie. Op onderdelen is
                                daar nog het nodige aan te verbeteren. Zie hiervoor ok de audit op
                                de financiële processen van mei 2007. Enerzijds dient tegemoet te
                                worden gekomen aan de behoeften van de budgethouders, anderzijds
                                moet voorkomen worden dat een ratjetoe aan tussenrekeningen en
                                incidentele exploitatierekeningen ontstaat.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Opstellen van duidelijke richtlijnen voor uniform grootboekbeheer
                                met verduidelijking van de naamgevingen, het omgaan met verschillen
                                op tussenrekeningen en duidelijke voorschriften voor het aanleveren
                                van gewone en memoboekingen .</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.7</nr><titel>Bezittingenregistratie </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al> In de financiële administratie zijn die bezittingen opgenomen die
                                zijn geactiveerd. Eind 2006 is hiervoor een nieuwe activamodule
                                ingericht. Bedoeling is om deze activamodule ook te gebruiken als
                                bezittingenregistratie voor goederen die niet op de balans zijn
                                geactiveerd. Hierbij valt te denken aan onroerend goed zonder
                                boekwaarde of aan kunstbezittingen. In de financiële
                                beheersverordening is opgenomen dat er een bezittingenregistratie
                                moet worden opgezet.</al><al/><al>Actiepunt:</al><al>· Inventariseren van de gemeentelijke bezittingen die niet op de
                                balans zijn geactiveerd en dit opnemen in de bezittingenregistratie
                                (op termijn als onderdeel van de activamodule)</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al> Besloten in de vergadering van 03-07-2007.</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel/></kop><al> Bijlage 1 Overzicht actiepunten nota financieel beleid 2007</al><al/><al>hfst</al><al/><al>Omschrijving</al><al/><al>planning</al><al/><al>2.3</al><al/><al>1. actualiseren van de financiële beheersverordening ex art 212</al><al>2. in de begroting en de rekening een overzicht opnemen van de onderdelen uit de
                    beheersverordening die nog niet op orde zijn en die op orde zijn gebracht.</al><al/><al/><al>Nog bepalen</al><al>Sept 07</al><al/><al>3.3</al><al/><al>3. Uniformeren tussentijdse managementrapportages (2007 en 2008)</al><al>4. Uniformeren opmaak voor afdelingsplannen</al><al>5. Processen voor jaarrekening, 1e marap/berap en perspectiefnota beter op
                    elkaar afstemmen</al><al/><al/><al>2e helft 2007</al><al>2e helft 2007</al><al>2008</al><al/><al>3.4.3</al><al/><al>6. Aan de raad voorstellen om bij het vaststellen van een incidenteel budget
                    voor een éénmalig project, er tevens mee in te stemmen dat het budget voor nog
                    niet uitgevoerd werk één jaar mag worden overgeheveld naar het nieuwe boekjaar,
                    mits het project nog actueel is..</al><al/><al/><al>Opnemen in raadbesluit bij deze nota</al><al/><al>3.4.6</al><al/><al>7. opstellen (afronden) van het handboek grondexploitatie waarin ook de
                    financiële beleidsuitgangspunten worden vastgelegd voor de bestaande en
                    toekomstige grondvoorraad en de hierin vastgelegde of vast te leggen financiële
                    middelen.</al><al>8. opstellen nota grondbeleid</al><al>9. Jaarlijks opstellen van een bijgestelde raming van de verschillende complexen
                    grondexploitatie (vertrouwelijk).</al><al/><al/><al>2007</al><al/><al/><al/><al>2007</al><al>zomer 2007</al><al/><al>4.1.2</al><al/><al>10. Opstellen standaardberekening voor iedere heffing; deze jaarlijks
                    actualiseren als bijlage bij de productenraming (vaststelling college) en de
                    samenvattende resultaten opnemen in de paragraaf lokale heffingen. In het
                    bijzonder aandacht voor bedrijfsafval.</al><al/><al/><al>In begr 08 (PUZA, vakafdeling)</al><al/><al>4.1.3</al><al/><al>11. uitwerken richtlijnen voor nieuwe (wel of niet marktconforme) huurtarieven
                    en voor de berekening van verhuurtarieven van sportaccommodaties, muziekschool
                    en multifunctionele gebouwen, waarbij ook een relatie wordt gelegd met de
                    gemaakte kosten en het subsidie-instrumentarium.</al><al/><al/><al>2008 (MAZA)</al><al/><al>4.1.5</al><al/><al>12. Administratief beheer van alle geldleningen centraal bij één (financiële)
                    functionaris onderbrengen, rekening houdend met functiescheiding..</al><al/><al/><al>Juni-juli 07</al><al/><al>4.2.2</al><al/><al>13. Opnieuw vaststellen van de verdeelsleutels voor de interne producten aan de
                    externe producten en afdelingskostenplaatsen, deze verdeelsleutel jaarlijks
                    actualiseren en vastleggen in een bijlage bij de productenraming.</al><al>14. Uitwerken hoe bij declarabele projecten duidelijk onderscheid kan worden
                    gemaakt in interne producten en afdelingskostenplaatsen, waarbij voor alle
                    afdelingen(óók voor BMO en FO) dezelfde systematiek van urendoorbelasting wordt
                    gehanteerd.</al><al>15. Vastleggen hoe de niet-compensabele BTW uiteindelijk via meng­percentages
                    wordt verdeeld over de producten en projecten. Jaarlijks actualiseren als
                    bijlage bij de productenraming.</al><al/><al/><al>Juni – sept 07</al><al/><al/><al/><al>Inbegr 08 (BMO)</al><al/><al/><al/><al/><al>Juni – sept 07</al><al/><al/><al/><al/><al>4.2.3</al><al/><al>16. Ontwikkelen organisatiebrede richtlijnen voor de centrale tijdregistratie en
                    de financiële doorbelasting van de uurkosten van eigen personeel en ingehuurd
                    personeel.</al><al/><al/><al>2e helft 2007</al><al/><al/><al/><al>17. Bij de uitwerking van de begroting 2008 ontwikkelen van nieuwe
                    berekeningswijze voor de uurtarieven, waarin zo mogelijk onderscheid wordt
                    gemaakt in salarisgroep en binnendienst/ buitendienst;</al><al>18. verbeterslag werkwijze urenboeking en urendoorberekening;</al><al>19. in de urenbegroting onderscheid maken in formatieuren voor regulier werk en
                    formatie die kan worden doorberekend (aan projecten, aan tariefproducten of aan
                    derden);</al><al>20. Standaardraming opzetten voor berekening productieve uren;.</al><al>21. Ontwikkelen format voor investeringskrediet, waarbij duidelijk wordt hoe
                    eigen uurkosten en de externe kosten over de jaren worden verdeeld.</al><al/><al/><al>In begr 08</al><al/><al/><al>2e helft 2007</al><al>productbegr 08</al><al/><al/><al>In begr 08</al><al>aug – sept 08</al><al/><al>4.2.5</al><al/><al>22. De hulpkostenplaats sportaccommodaties samenvoegen met het
                    exploitatieproduct sportaccommodaties met tevens de interne verrekening tussen
                    de producten sportaccommodaties en onderwijs vereenvoudigen.</al><al>23. Kostenplaats tractiekosten ombouwen tot kostenplaats wagenpark. Op die
                    kostenplaats worden alle gemeentelijke voertuigen ondergebracht. Er wordt
                    gewerkt met een beperkt aantal gedifferentieerde uurtarieven.</al><al/><al/><al>In begr 08</al><al/><al/><al/><al>In begr 08</al><al/><al>5.1</al><al/><al>24. Keuzevoorstel aan de raad doen om het restant van de reserve CCM en de
                    reserve Nieuwbouw Stadhuis toe te voegen aan de algemene reserve, ofwel deze
                    reserves benutten voor balanssanering.</al><al>25. Raadsvoorstel uitwerken om kleine geactiveerde investeringen op te
                    schonen.</al><al/><al/><al>1e + 2e berap 07</al><al/><al/><al>najaar 2007</al><al/><al>5.1.1</al><al/><al>26. in de nieuwe begroting en bestuursrapportages opnemen welk deel van de
                    kapitaallasten naar verwachting incidenteel vrijvalt door vertragingen in de
                    investeringen;</al><al>27. Nieuwe afschrijvingstermijnen en het afschrijvingsbeleid vastleggen in de te
                    wijzigen financiële verordening ex artikel 212 gemeentewet.</al><al/><al/><al>Vanaf begr 08 en 1e berap 07</al><al/><al>Zie 1</al><al/><al>5.1.2</al><al/><al>28. opstellen van een meerjarig investeringsplan met onderscheid in incidentele
                    en vervangings­investering en waarin ook meerjarig de kapitaallasten en de
                    prijsindexering zijn opgenomen;</al><al>29. opstellen spelregels in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen hoe in de
                    begroting wordt omgegaan met kapitaallasten in relatie tot de onderhoudskosten
                    voor kapitaalgoederen.</al><al/><al/><al>In begr 08</al><al/><al/><al>2008</al><al/><al>5.1.3</al><al/><al>30. Opstellen uitvoeringsplanning treasury, waarin rekening is gehouden met de
                    pieken in de inkomsten en uitgaven en het meerjarige investeringsschema,
                    inclusief uitgaven van gronden;</al><al>31. In de paragraaf financiering bij de begroting de verwachte
                    financieringsbehoefte aangegeven en hoe dat zal worden ingevuld.</al><al/><al/><al>Start 2e helft 2007</al><al/><al/><al>In begr 08</al><al/><al>5.3.1</al><al/><al>32. Bestaande reserves nader onderbouwen en beheren.</al><al/><al/><al>Juli 07</al><al/><al>5.3.2</al><al/><al>33. De berekening van het weerstandsvermogen en de toelichting daarop in de
                    paragraaf weerstandsvemogen geleidelijk uitbreiden tot een systeem van
                    risicomanagement.</al><al/><al/><al>Eind 2008</al><al/><al>5.5</al><al/><al>34. Regelen van het structureel beheer van reserves en voorzieningen</al><al>35. Opstellen van een nota inventarisatie en opschoning voorzieningen</al><al/><al/><al>Juni 07</al><al/><al/><al>5.7</al><al/><al>36. Onderbouwing van het financierings­tekort, de renteberekening en het
                    financieringstekort/ overschot opnemen in de paragraaf financiering en in de
                    productenraming;</al><al>37. Bij de opstelling van de perspectiefnota en de begroting afwegen welk deel
                    van de reserve vrij inzetbaar moet blijven en waarvan (na bestemming) de rente
                    moet worden toegevoegd aan de reserves.</al><al/><al/><al>In begr 08</al><al/><al/><al>In begr 08</al><al/><al>6.1</al><al/><al>38. De raad voorstellen nieuwe beleidsafspraken over geldverstrekkingen en
                    garantiestellingen vast te stellen en de verouderde nota gemeentelijke
                    financiële medewerkingen (uit 1994) in te trekken.</al><al/><al/><al>In raadsbeluit bij deze nota</al><al/><al>6.2</al><al/><al>39. Notitie opstellen over hypothecaire geldleningen aan ambtenaren.</al><al/><al/><al>Op termijn</al><al/><al>6.3</al><al/><al>40. Opstellen van een inventarisatie van de arbeidskosten gerelateerde
                    verplichtingen en nagaan of de getroffen voorziening toereikend is.</al><al/><al/><al>Nov 07</al><al/><al>6.4</al><al/><al>41. Aanpassen financiële administratie zodat de informatie aan derden ieder
                    kwartaal snel, goed en betrouwbaar kan worden opgeleverd.</al><al/><al/><al>Loopt</al><al/><al>6.6</al><al/><al>42. Opstellen van duidelijke richtlijnen voor uniform grootboekbeheer met
                    verduidelijking van de naamgevingen, het omgaan met verschillen op
                    tussenrekeningen en duidelijke voorschriften voor het aanleveren van gewone en
                    memoboekingen .</al><al/><al/><al>Sep-okt 2007</al><al/><al>6.7</al><al/><al>43. Inventariseren van de gemeentelijke bezittingen die niet op de balans zijn
                    geactiveerd en dit opnemen in de bezittingenregistratie (als onderdeel van de
                    activamodule)</al><al/><al>Start eind 2007 (OW, FO, BMO)</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Bijlage 2</al><al> Relevante bestaande verordeningen en beleidsnota’s</al><al>Zie voor actuele stand en voor exacte omschrijving
                    http://www.meppel.digitalebalie.nl/</al><al/><al/><al/><al>OMSCHRIJVING</al><al/><al>actueel</al><al/><al>planning</al><al/><al>Organisatiebesluit</al><al/><al/><al>Niet aanwezig</al><al/><al/><al/><al>Financiële beheersverordening, ex artikel 212</al><al/><al/><al>Aanpassing gewenst, o.a. ivm afschrijvings­beleid</al><al/><al/><al/><al>Controleverordening, ex artikel 213</al><al/><al/><al>Actueel</al><al/><al/><al/><al>Verordening onderzoeken doelmatigheid en doeltreffendheid, ex artikel 213a</al><al/><al/><al>Actueel</al><al/><al/><al/><al>Budgethoudersregeling gemeente Meppel 2006</al><al/><al/><al>Actueel, 22 mei 2006</al><al/><al/><al/><al>Mandaatbesluit 2005</al><al/><al/><al>Wordt momenteel geactualiseerd</al><al/><al/><al/><al>Treasury statuut 2001</al><al/><al/><al>heroverwegen</al><al/><al/><al/><al>Algemene subsidieverordening Meppel</al><al/><al/><al>heroverwegen</al><al/><al/><al/><al>Diverse subsidieverordeningen en beleidsregels welzijnssubsidies</al><al/><al/><al>Veelal verouderd, heroverwegen</al><al/><al/><al/><al>Diverse verordeningen voor heffing en invordering van belastingen en leges</al><al/><al/><al>Verschilt per verordening</al><al/><al>Overwegen om tarieven te vereenvoudigen</al><al/><al>Instructie voor kassiers en voor comptabele</al><al/><al/><al>Van 1998</al><al/><al/><al/><al>Financieringsregeling huisvesting ambtenaren</al><al/><al/><al>van 1998</al><al/><al/><al/><al>Notitie reserves en weerstandsvermogen (2006)</al><al/><al/><al>Oktober 2006</al><al/><al>Jaarlijks bijstellen en resultaten in jaarrekening opnemen</al><al/><al>Tussenrapportage kostendekkendheid tarieven (intern stuk van 8 december
                    2004)</al><al/><al/><al>nee</al><al/><al>Behoeft nadere uitwerking</al><al/><al>Notitie kredieten (intern stuk van begin 2007)</al><al/><al>nee</al><al/><al>Behoeft nadere uitwerking</al><al/><al>Nota gemeentelijke financiële medewerkingen</al><al/><al/><al>24 november 1994</al><al/><al>Laten intrekken door raad en aangepaste</al><al>beleidsregels laten vaststellen</al><al/><al>Inkoop- en aanbestedingsbesluit 2006</al><al/><al/><al>2006</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Algemene en aanvullende inkoopvoorwaarden</al><al/><al/><al>2005</al><al/><al/><al/><al>Nota aanbestedingsbeleid</al><al/><al>In voorbereiding</al><al/><al/><al/><al>Audit financiële processen (ivm rechtmatigheid)</al><al/><al>Mei 2007</al><al/><al/><al/><al>Nota aanbestedingsbeleid</al><al/><al/><al>In voorbereiding</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al> Bijlage 3</al><al/><al>Overzicht afschrijvingstermijnen</al><al/><al>Investering</al><al>Conform financiële beheersverordening ex artikel 212</al><al/><al>Afschrijvingstermijn</al><al/><al>opmerking</al><al/><al>Kosten onderzoek en ontwikkeling (immateriële vaste activa)</al><al/><al/><al>Max 5 jaar</al><al/><al/><al/><al>Kosten geldleningen</al><al/><al/><al>Direct afboeken</al><al/><al/><al/><al>Riolering</al><al/><al/><al>35 jaar</al><al/><al>Overwegen om termijn aan te passen</al><al/><al>nieuwbouw woonruimten, bedrijfsgebouwen, (permanente bouw)</al><al/><al/><al>40 jaar</al><al/><al/><al/><al>renovatie, restauratie, aankoop woonruimten en bedrijfsgebouwen</al><al/><al/><al>25 jaar</al><al/><al/><al/><al>Bodemsaneringen</al><al/><al/><al>40 jaar</al><al/><al/><al/><al>Renovatie, restauratie en aankoop van bedrijfsgebouwen en woonruimten</al><al/><al>25 jaar</al><al/><al/><al/><al>Nieuwbouw bedrijfsgebouwen en woonruimten (semi permanent)</al><al/><al/><al>25 jaar</al><al/><al/><al/><al>Vervanging daken en dakbedekkingen</al><al/><al>20 jaar</al><al/><al/><al/><al>technische installaties bedrijfsgebouwen (lift, cv)</al><al/><al/><al>15 jaar</al><al/><al/><al/><al>Veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen, telefooninstallaties,
                    kantoormeubilair, school-meubilair, aanleg tijdelijke terreinwerken</al><al/><al>10 jaar</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Hard- en software (geen PC’s)</al><al/><al/><al>5 jaar</al><al/><al/><al/><al/><al>Bouw tijdelijke bedrijfsgebouwen</al><al/><al>10 jaar</al><al/><al/><al/><al>Zware transportmiddelen (tractoren, vuilniswagens, sneeuwploegen, schaftwagens,
                    maaimachines)</al><al/><al>7 jaar</al><al/><al/><al/><al>Aanhangwagens, schuiten, lichte bedrijfsvoertuigen en PC’s</al><al/><al/><al>1 jaar</al><al/><al>Overwegen om termijn aan te passen</al><al/><al>gronden en terreinen.</al><al/><al>Niet</al><al/><al/><al/><al/><al/><al>Nieuwe afspraak (nog niet in financiële beheersverordening opgenomen):</al><al>Investeringen in de openbare ruimte worden (na verrekening met de
                    bestemmingsreserve en onder aftrek van bijdragen van derden) op de balans
                    geactiveerd tegen maximaal de volgende afschrijvingstermijnen. Dit is in
                    overeenstemming met de gangbare berekeningswijze.</al><al>- 15 jaar aanleg en reconstructie wegen</al><al>- 15 jaar houten bruggen</al><al>- 25 jaar herinrichting parken</al><al>- 40 jaar betonnen/ijzeren bruggen en viaducten</al><al>- 10 jaar verkeersregelinstallaties, openbare verlichting</al><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>