<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76529_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Roerdalen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 28-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Roerdalen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/02/16/06</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen, uitkeringen en toeslagen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Roerdalen 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Onderwerp: Toeslagenverordening WIJ Roerdalen 2010</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Roerdalen heeft;</al><al/><al>gelet op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 13
                        april 2010,</al><al/><al>gehoord de commissie Bewonerszaken d.d. 28 april 2010;</al><al/><al>in de openbare vergadering d.d. 20 mei 2010 het navolgende besluit
                        genomen:</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen: de Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren
                        Roerdalen 2010</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 28, onderdeel d,
                                    van de wet; </al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders</al></li><li nr="d."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, als med</al></li><li nr="e."><al>een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid,
                                    Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="f."><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                            van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere,
                                alleenstaande of alleenstaande ouder, in wiens woning geen ander
                                zijn hoofdverblijf heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al> De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent van
                            de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun
                            hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt: 20 procent
                            van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de
                            jongere geen woonkosten zijn verbonden of als er geen woning wordt
                            bewoond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><al> De verlaging als bedoeld in artikel 33 van de wet bedraagt 25 procent
                            van de gehuwdennorm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21
                                        jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22
                                        jaar betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een jongere
                                op wie artikel 6 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al> De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande, </al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,
                                </al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren Roerdalen 2010.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 20-05-2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De gemeenteraad van Roerdalen,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>R.J.J. Notermans drs. C.A.M. Hanselaar – van Loevezijn</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Evenals in de toeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’
                        omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en
                        verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. </al><al>Volstaan is met een verwijzing naar artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ. De
                        daar genoemde gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm genoemd in artikel
                        21, sub a, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet
                        op de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip
                        is bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op
                        de huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als
                        zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige
                        woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                        begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene
                        Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen.
                        Het is aan het college overgelaten om de onderhoudskosten vast te stellen. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                        naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                        gelijkgesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn
                        omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze
                        verordening meerdere malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste
                        lid, WIJ omschrijft dit begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te
                        lande woonachtige Nederlander (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16
                        jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. Voor de toepassing van deze
                        verordening wordt onder jongeren echter verstaan de jongeren in de leeftijd
                        van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht
                        om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                        alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                        toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                        dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden
                        (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Hierbij is het niet van belang of er een
                        daadwerkelijke betalingsverplichting heeft. Zolang er geen sprake is van een
                        gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle
                        kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. </al><al>Evenals in de model-toeslagenverordening WWB is in deze verordening als
                        uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen
                        van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke
                        bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend
                        zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het
                        delen van kosten mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze
                        variant, omdat deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het
                        minst fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant
                        algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de
                        toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van
                        de gehuwdennorm in het geval één of meerdere in dezelfde woning zijn
                        hoofdverblijf hebben.</al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                        situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk
                        aan de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging
                        van de toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De
                        medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren,
                        waardoor er dus ook geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003,
                        00/3534 NABW en 02/3129 NABW). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                        alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10 procent als een woning gedeeld
                        wordt met een of meer anderen, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren
                        in dezelfde situatie. De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten
                        delen met een of meer anderen en daarom is een verlaging op zijn plaats.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                        bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden de
                        mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5
                        gerealiseerd. De norm of toeslag wordt met 20% verlaagd als de jongere
                        zelfstandig woont en geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij
                        krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de
                        ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als
                        de jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de
                        aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden
                        vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en
                        99/29 NABW). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 33 WIJ is blijkens de toelichting op
                        dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet
                        in een veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen
                        was op studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de WTOS. Er wordt
                        daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende
                        student. Opmerking verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater
                        zijn, de verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan 25%. Wel is
                        denkbaar, dat de periode waarover de verlaging wordt toegepast, verlengd
                        wordt, als beide partners na elkaar schoolverlater worden. </al><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast i.v.m.
                        medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg hebben dat de totale verlaging
                        te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het </al><al>individualiseringsbeginsel. Dat kan afgeleid worden uit CRvB 12 mei 2009,
                        LJN: BI5349. Als de schoolverlater voor beëindiging van de studie
                        studiefinanciering WSF2000 ontving naar de norm van uitwonende student, dan
                        moet de inkomensvoorziening minimaal op die norm worden vastgesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                        passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                        jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien
                        het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige
                        ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te
                        passen dan voor een 22-jarige. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in
                        artikel 34 WIJ- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan
                        plaatsvinden op de toeslag van artikel 33 WIJ. </al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel
                        35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te stellen dat de
                        schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de
                        verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                        schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige
                        schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige
                        schoolverlater op grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                        verschillende omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als
                        redelijk worden aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen
                        betekenen, dat het college de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop
                        dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou
                        zijn van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het college
                        op grond van artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger moeten
                        vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening
                        een absoluut minimumbedrag vast te leggen, waarop het college de norm
                        (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen. Dat
                        laat onverlet dat in concrete omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar
                        is dat de norm hoger moet worden vastgesteld. Zie bijv. de hierboven
                        beschreven jurisprudentie t.a.v. de samenloop van een verlaging i.v.m.
                        medebewoning en het </al><al>ontbreken van woonkosten (CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698) en de samenloop van
                        een schoolverlatersverlaging en een verlaging i.v.m. medebewoning (CRvB 12
                        mei 2009, LJN: BI5349). Het individualiseringsbeginsel kan dus met zich
                        meebrengen dat bij samenloop ook bij een resterende norm die boven de in dit
                        artikel genoemde percentages ligt, al aanleiding is om tot verhoging daarvan
                        over te gaan, gelet op alle omstandigheden van de jongere. </al><al>Aan de verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ, t.w. dat in de
                        Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                        (artikel 33 WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 34 WIJ) niet gelijktijdig
                        mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel
                        7 van de Toeslagenverordening.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>