<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76520_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening langdurigheidstoeslag 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2010, 47</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening langdurigheidstoeslag 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, eerste lid, en artikel 36.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB10.0137</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening langdurigheidstoeslag 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="c."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="d."><al>WSF 2000: Wet Studiefinanciering;</al></li><li nr="e."><al>WIJ: Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="f."><al>bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c van
                                    de wet;</al></li><li nr="g."><al>referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                    peildatum;</al></li><li nr="h."><al>peildatum: de datum waartegen de langdurigheidstoeslag wordt
                                    aangevraagd;</al></li><li nr="i."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet,
                                    waarbij voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op
                                    bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de referteperiode’.
                                    Een bijstandsuitkering wordt in afwijking van artikel 32 van de
                                    wet voor beoordeling van het recht op een langdurigheidstoeslag
                                    als inkomen aangemerkt;</al></li><li nr="j."><al>gehuwdennorm: de norm van artikel 21 aanhef en onderdeel c van
                                    de wet k uitkeringsgerechtigde: persoon bedoeld in artikel 1
                                    onder o van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen;</al></li><li nr="k."><al>zelfstandige: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de
                                    voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen
                                    bedrijf of zelfstandige beroep en voldoet aan het gestelde in
                                    artikel 1 onderdeel b Besluit bijstandsverlening zelfstandigen
                                    2004.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Recht op langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de wet verleent het college
                                op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan</al><al>een persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>van 21 jaar of ouder, maar jonger dan 65 jaar;</al></li><li nr="b."><al>die langdurig een laag inkomen heeft;</al></li><li nr="c."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in
                                        artikel 34 van de wet; en</al></li><li nr="d."><al>geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Niet voor langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de
                                belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, of
                                een studie volgt als genoemd in de WSF 2000.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de
                                belanghebbende die gedurende de referteperiode een inkomen heeft
                                ontvangen dat hoger was dan 100 procent van de WWB-norm of de van
                                toepassing zijnde norm van de inkomensvoorziening van de WIJ.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> In afwijking van het 3<sup>e</sup> lid wordt een
                                langdurigheidstoeslag verstrekt als:</al><lijst><li nr="a."><al> het gezamenlijke inkomen van de belanghebbende en eventuele
                                        partner gedurende de referteperiode onder het sociale
                                        minimum ligt en in verband daarmee wordt aangevuld met een
                                        toeslag op grond van de Toeslagenwet;</al></li><li nr="b."><al> op de toeslag, zoals genoemd in artikel 3 lid 1, wordt in
                                        mindering gebracht het bedrag op jaarbasis waarmee de
                                        uitkering (inclusief aanvulling Toeslagenwet) van de
                                        belanghebbende, de van toepassing zijnde bijstandsnorm of
                                        inkomensvoorziening WIJ overschrijdt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De langdurigheids toestal bedraagt per jaar:</al><lijst><li nr="a."><al> voor gehuwden: € 501,00;</al></li><li nr="b."><al> voor een alleenstaande ouder: € 449,00; en</al></li><li nr="c."><al> voor een alleenstaande: € 351,00.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend. </al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het
                                recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 13, eerste lid van
                                de wet en artikel 42 van de WIJ, komt de rechthebbende echtgenoot
                                in</al><al>aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor
                                hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1
                                januari aangepast met een percentage dat overeenkomt met het
                                procentuele verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van dat
                                jaar en de</al><al>gehuwdennorm van het daar aan voorafgaande jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan aangehaald worden als: Verordening
                            langdurigheidstoeslag 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De Verordening treedt in werking met ingang van de dag van de
                            vaststelling en werkt terug tot 1 januari 2010.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 15 november 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel d WWB dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen met betrekking tot het verlenen van een
                    langdurigheidstoeslag. Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op
                    de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt
                    gegeven aan het begrip langdurig, laag inkomen, zoals dat in artikel 36 lid 1
                    WWB worden gebruikt.</al><al>In deze verordening is gekozen voor invulling die rekening houdt met de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de in de huidige regeling en
                    uitvoeringspraktijk gesignaleerde tekortkomingen. Voorts is gekozen voor een
                    invulling die zo veel mogelijk ongewenste armoedevaleffecten voorkomen.</al><al>Onder lid k is opgenomen de begripsomschrijving zelfstandige. In het Bijstands
                    besluit zelfstandigen (Bbz) is in artikel 1 onder b omschreven aan welke
                    criteria moet worden voldaan om als zelfstandige aangemerkt te worden. In
                    artikel 2 lid 1 wordt een opsomming gegeven van de soorten zelfstandigen die een
                    beroep kunnen doen op algemene bijstand. De zelfstandige die een uitkering
                    levensonderhoud ogv. het Bbz ontvangt kan, in aanmerking komen voor een
                    langdurigheidstoeslag. Het inkomen dient dan te voldoen aan de inkomens- en
                    vermogenseis genoemd in de Wet en de verordening. Dit wordt vastgesteld aan de
                    hand van de jaarcijfers. Bekend is dat bijvoorbeeld zzp-ers een inkomen hebben
                    dat onder de bijstandsnorm ligt. Wordt een beroep gedaan op een
                    langdurigheidstoeslag en aan de voorwaarden voldaan, dan kan een toeslag worden
                    verstrekt.</al><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>Begripsomschrijving</tussenkop><al>Voor zover de begrippen uit deze verordening niet nader zijn gedefinieerd,
                    hebben deze dezelfde betekenis als bedoeld in de wet of in de WIJ. </al><al>Met de invulling van het begrip peildatum als datum waartegen is aangevraagd
                    wordt aangesloten bij de jurisprudentie van de CRvB, waarin besloten ligt dat
                    niet van belang is de datum waaróp is aangevraagd (zie CRvB 22-07-2008, nr.
                    07/2304 WWB). De aanvraag wordt steeds geacht te zijn gedaan tegen de eerst
                    mogelijke datum na afloop van een referteperiode. Met betrekking tot het begrip
                    ‘inkomen’ is een van de wet afwijkende definitie opgenomen. Nu de wetgever de
                    gemeenteraad opdracht heeft gegeven om in de verordening regels op te nemen over
                    het begrip ‘langdurig, laag inkomen’, ontstaat voor de gemeenteraad tevens de
                    bevoegdheid om dit begrip voor de toepassing van artikel 36, eerste lid, van de
                    wet nader te omschrijven. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in
                    de bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde, en tevens door de wetgever
                    bedoelde, invulling van het begrip inkomen in artikel 36, eerste lid, van de
                    wet, maar wordt de wettechnische imperfectie weggenomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><tussenkop>Langdurig laag inkomen</tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In de wet is ervoor gekozen om de ondergrens op 21 jaar te stellen omdat dit de
                    leeftijd is waarop de ouderlijke onderhoudsplicht vervalt. Daarom is deze
                    leeftijdsgrens ook in de verordening aangehouden.</al><al>Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat
                    gemiddeld niet hoger is dan 100% van de bijstandsnorm, beoordeeld naar de 36
                    maanden voorafgaande aan de aanvraag tot en met de dag van aanvraag. Marginale
                    overschrijdingen van deze 100%-grens dienen genegeerd te worden (zie CRvB
                    19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a.).</al><al>Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe
                    kennen bij een inkomen boven bijstandsniveau. Van deze bevoegdheid wordt om twee
                    redenen geen gebruik gemaakt:</al><lijst><li nr="-"><al>Ten eerste omdat deze ongewenste armoedeval effecten in zich heeft.
                            Weliswaar doen de armoedeval effecten zich ook voor bij de grens van 100
                            procent van de bijstandsnorm, maar zullen belanghebbenden die uitstromen
                            over het algemeen een hoger inkomen ontvangen, waardoor het verlies van
                            de langdurigheidstoeslag feitelijk minder wordt gevoeld. Bij een hogere
                            inkomensgrens bestaat er een risico dat belanghebbenden als het ware
                            blijven steken bij een inkomen tot bijvoorbeeld 120 procent van de
                            bijstandsnorm. Als alternatief voor de grens van 100 procent zou
                            overigens ook de door de wetgever gesuggereerde differentiatie in hoogte
                            van de langdurigheidstoeslag gekozen kunnen worden.</al></li><li nr="-"><al>Ten tweede omdat het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met
                            een inkomen van bijvoorbeeld 110 procent van de bijstand niet valt te
                            rijmen met de wettelijke uitsluiting van belanghebbenden van 65 jaar of
                            ouder. Zij zijn immers uitgesloten van het recht op
                            langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al voldoende hoger zou zijn dan
                            de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar. Het verschil is
                            echter maar ongeveer 5 tot 9 procent (precieze percentage is afhankelijk
                            van de vraag of iemand een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde
                            is). Het hanteren van een grens van 110 procent zou daarom maken dat de
                            uitsluiting van 65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op
                            leeftijdsdiscriminatie zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van het
                            Internationaal Verdrag betreffende Burgerrechten en Politieke Rechten.
                            De feitelijke ruimte is dus beperkt tot een grens van maximaal ongeveer
                            105 procent van de bijstandsnorm. Door uit te gaan van een maximaal
                            inkomen van 100 procent wordt al voldoende gebruik gemaakt van deze
                            ruimte. Voorts dient bij het beoordelen van de aanvraag het vermogen van
                            de aanvrager te worden getoetst. Hierbij dienen de vermogensgrenzen als
                            bedoeld in artikel 34 van de wet in acht te worden genomen. </al></li></lijst><al/><al>Tot slot dient bij het beoordelen van de aanvraag te worden bepaald of de
                    aanvrager uitzicht heeft op inkomensverbetering. Beschikt de aanvrager over
                    uitzicht op inkomensverbetering, dan ontbreekt het recht op
                    langdurigheidstoeslag. De intentie van de wetgever was om met deze voorwaarde
                    vast te leggen dat bepaalde groepen met een goed arbeidsmarktperspectief niet in
                    aanmerking zouden kunnen komen voor de langdurigheidstoeslag. In deze
                    verordening wordt de beperkte, tevens door de wetgever, aanbevolen uitleg van
                    het begrip ‘’inkomensverbetering’’ gehanteerd; slechts studenten en scholieren
                    hebben uitzicht op inkomensverbetering en voldoen daarom niet aan het vereiste
                    dat er géén uitzicht mag zijn op inkomensverbetering.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Lid 2 haakt aan op de beperkte toepassing van het begrip
                    ‘’inkomensverbetering’’, als omschreven in het voorgaande lid. Daarmee is de
                    belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een
                    studie volgt als genoemd in de WSF 2000 uitgesloten van het recht op
                    langdurigheidstoeslag</al><al/><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die
                    gedurende de referteperiode een inkomen heeft ontvangen welke hoger was dan 100
                    procent van de van toepassing zijnde norm en de inkomensvoorziening van de WIJ.
                    Wanneer niet aan dit inkomenscriterium is voldaan, is daarmee niet voldaan aan
                    het vereiste dat er sprake moet zijn van een langdurig laag inkomen als bedoeld
                    in artikel 36 van de wet en artikel 2 lid 1 van deze verordening.</al><al>Voorts is de toelichting van artikel 2 lid 1 van deze verordening van
                    overeenkomstige toepassing voor degene die gedurende de referteperiode een
                    inkomen heeft gehad welke hoger is dan 100 procent van de van toepassing zijnde
                    norm en de inkomensvoorziening van de WIJ.</al><al/><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Dit artikel is toegevoegd omdat door wijziging van de Toeslagenwet (2010)
                    personen met een uitkering onder het sociale minimum en een aanvulling ogv.
                    voornoemde wet, iets boven de bijstandsnorm uitkomen waardoor er een afwijzing
                    volgt. Voor 2010 deed die situatie (uitkering + TW) zich niet voor.</al><al>In voorkomende gevallen kan een langdurigheidstoeslag worden verstrekt onder
                    aftrek van het bedrag waarmee de WWB-norm of inkomensvoorziening WIJ wordt
                    overschreden.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>Hoogte van de toeslag</tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag is gebaseerd op de huidige hoogte. Om
                    niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte
                    jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de
                    bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de
                    langdurigheidstoeslag maar eenmaal, wordt steeds de vergelijking gemaakt met de
                    bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Bij het toekennen van de langdurigheidstoeslag is de datum waartegen de
                    langdurigheidstoeslag is</al><al>aangevraagd bepalend.</al><al/><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In het derde lid wordt een regeling overeenkomstig artikel 24 van de wet gegeven
                    voor situaties waarin bij gehuwden één van beide partners is uitgesloten van het
                    recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 13, eerste lid, van de wet en
                    artikel 42 van de WIJ. De wet voorziet immers niet in een afwijzingsgrond voor
                    de rechthebbende echtgenoot, terwijl echter het toekennen van het bedrag voor
                    gehuwden in dergelijke situaties ook niet opportuun is.</al><al>Opgemerkt dient te worden dat dit derde lid uitsluitend ziet op de situatie dat
                    er bij een echtgenoot sprake is van een uitsluitingsgrond op grond van artikel
                    13, eerste lid, van de wet en artikel 42 van de WIJ. Indien één van beide
                    gehuwden niet in aanmerking komt voor het recht op langdurigheidstoeslag wegens
                    het niet voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 36 van de wet of in
                    deze verordening, hebben beide echtgenoten geen recht op langdurigheidstoeslag.
                    Het recht op langdurigheidstoeslag komt gehuwden immers gezamenlijk toe. Zij
                    moeten daarom ook allebei, zowel afzonderlijk als gezamenlijk aan de voorwaarden
                    voldoen.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><tussenkop>Onvoorziene gevallen</tussenkop><al>In situaties waarin deze verordening niet voorziet, is het oordeel van het
                    college doorslaggevend.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>