<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76402_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-07-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2009, 29</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, artikel 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-07-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB09.0077</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de Verordening Wet inburgering gemeente Den Helder 2007</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            Den Helder;</al><al>de wet: de Wet inburgering;</al><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende regelingen
                            zijn van toepassing op de begrippen die in deze verordening worden
                            gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt er voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen binnen de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan
                                inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                middelen:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke informatieverstrekking;</al></li><li nr="b."><al>informatieverstrekking aan nieuwkomers vindt in elk geval
                                        plaats bij inschrijving in de Gemeentelijke
                                        Basisadministratie, in schriftelijke vorm;</al></li><li nr="c."><al>telefonische en/of mondelinge informatie via het Bureau
                                        Inburgering van de gemeente (afdeling Werk, Inkomen en
                                        Zorg);</al></li><li nr="d."><al>informatie via de gemeentelijke website;</al></li><li nr="e."><al>overige relevante gemeentelijke loketten;</al></li><li nr="f."><al>in ieder geval op aanvraag van de
                                        inburgeringsplichtige.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste jaarlijks de doeltreffendheid en de
                                doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waarvoor hij bij
                            voorrang een inburgeringsvoorziening kan aanbieden op basis van de
                            volgende criteria: </al><al>a. de belanghebbende die algemene bijstand of een uitkering op grond van
                            een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen sociale
                            zekerheidswetten of sociale zekerheidsregelingen ontvangt, of</al><al>b. de belanghebbende die oudkomer is en zelf geen inkomsten uit
                            tegenwoordige arbeid, algemene bijstand of uitkering ontvangt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><al>1. Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van de </al><al>inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, of de
                            taalkennisvoorziening af op het startniveau en de vaardigheden, de
                            persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                            inburgeringsplichtige.</al><al/><al>2. Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg voor
                            dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling wordt afgestemd. </al><al/><al>3. Een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening kan, naast
                            datgene dat in de wet is geregeld, één of meer van de volgende
                            onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>Nederlandse taalles;</al></li><li nr="b."><al>kennis van de Nederlandse samenleving;</al></li><li nr="c."><al>voorbereiding op en één maal kosteloze deelname aan het
                                    inburgeringsexamen;</al></li><li nr="d."><al>individuele begeleiding door een
                                    consulent/trajectbegeleider;</al></li><li nr="e."><al>maatschappelijke begeleiding;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten gericht op arbeid of de verwerving daarvan;</al></li><li nr="g."><al>activiteiten gericht op een vervolgopleiding en/of voorbereiding
                                    daarop;</al></li><li nr="h."><al>activiteiten gericht op participatie en gezin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste 12 termijnen betaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Indien het
                                college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt
                                dat in de beschikking vastgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt
                                aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan
                                die voorziening worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen twee weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al
                                dan niet aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen vier tot zes weken na ontvangst van deze mededeling
                                het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening overeenkomstig het gedane aanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het vaststellen van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling; en</al></li><li nr="e."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>1. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                            inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op
                            redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtige is, geen
                            of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in
                            artikel 25, vierde lid, van de wet.</al><al/><al>Bij deze bestuurlijke boete gelden de volgende schema’s voor de
                            opbouw:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gedraging</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete / maximaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer niet verschijnen</al><al>Artikel 25, eerste of tweede lid WI</al></entry><entry colname="col2"><al>Waarschuwingsbrief + nieuwe afspraak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 250</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gedraging</al></entry><entry colname="col2"><al>Handhaving / maximaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Geen of onvoldoende medewerking </al><al>verlenen aan de uitvoering van het</al><al>onderzoek: 1<sup>e</sup> keer</al><al>Artikel 25, vierde lid WI </al></entry><entry colname="col2"><al>Waarschuwingsbrief + nieuwe afspraak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 250</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                            inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de
                            uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld
                            in artikel 23, eerste lid en derde lid, van de wet of aan de
                            verplichtingen, bedoelt in artikel 5 van deze verordening.</al><al/><al>Bij deze bestuurlijke boete gelden de volgende schema’s voor de
                            opbouw:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gedraging</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete / maximaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onvoldoende medewerking aan uitvoering </al><al>vastgestelde inburgeringsvoorziening:</al><al>1<sup>e</sup> keer </al><al>Artikel 23, eerste en derde lid WI en artikel 5
                                                verordening</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 150</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 300</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 500 en beëindigen van het traject</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de
                            wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel
                            31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het
                            inburgeringsexamen heeft behaald.</al><al/><al>Bij deze bestuurlijke boete geldt het volgende schema: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gedraging</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete / maximaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inburgeringsexamen:</al><al>niet binnen de wet bedoelde termijn of de </al><al>door het college gegeven verlengde termijn</al><al>behaald.</al><al>Artikel 7, eerste lid of artikel 31, tweede lid
                                                onder a WI</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 250</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>4. Bij herhaling van de overtreding wordt de bestuurlijke boete verhoogd
                            en bedraagt ten hoogste € 1.000,00indien de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                            artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                            heeft behaald.</al><al/><al>Bij deze bestuurlijke boete gelden de volgende schema’s voor de
                            opbouw:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gedraging</al></entry><entry colname="col2"><al>Handhaving</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer en volgende keren</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Afstemming van de bestuurlijke boete</titel></kop><al>Er wordt geen bestuurlijke boete, zoals bedoeld in artikel 9 van deze
                            verordening, opgelegd voor zover de overtreding niet aan de overtreder
                            kan worden verweten. </al><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 9 van deze
                            verordening wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate
                            waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.</al><al>Bij de afstemming bedoeld in het tweede lid wordt zo nodig rekening
                            gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaats
                            gevonden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van vaststelling door de
                            raad en werkt terug tot 1 januari 2009.</al><al/><al>De verordening Wet inburgering gemeente Den Helder 2007 wordt hierbij
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            2009</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 1 juli 2009.</ondertekening><ondertekening> ir. C.J. Vriesman , voorzitter</ondertekening><ondertekening> F.V.A. Hoogervorst , plv. griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2009 is de Wet inburgering (WI) gewijzigd. Het gaat om
                    de volgende wijzigingen: </al><lijst><li nr="a."><al>Het college van burgemeester en wethouders krijgt de bevoegdheid om aan
                            iedere inburgeringsplichtige een inburgeringsvoorziening aan te bieden.
                            Deze wijziging heeft een terugwerkende kracht tot en met 1 november
                            2007. </al></li><li nr="b."><al>Het college krijgt de mogelijkheid om een inburgeringsprogramma aan te
                            bieden dat gericht is op het staatsexamen Nederlands als tweede taal.
                            Deze wijziging heeft een terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2008.
                        </al></li><li nr="c."><al>Het college krijgt de bevoegdheid om in plaats van een
                            inburgeringsvoorziening een taalkennisvoorziening aan te bieden aan een
                            inburgeringsplichtige die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgt of
                            gaat volgen. Deze wijziging werkt terug tot en met </al><al>1 september 2008. </al></li><li nr="d."><al>De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat het college een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan vaststellen, zonder
                            dat daar een procedure van aanbieden van een inburgeringsvoorziening
                            door het college en aanvaarding door de inburgeringsplichtige aan vooraf
                            hoeft te gaan. De inburgeringsplichtige is verplicht medewerking te
                            verlenen aan de uitvoering van de vastgestelde voorziening. </al><al/></li></lijst><al>De Verordening Wet inburgering 2009 is aangepast aan de gewijzigde wet. </al><al>De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van
                    derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen
                    verblijven. Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de
                    eigen verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                    centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich
                    wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de inburgeringsverplichting is
                    voldaan wanneer het inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben
                    gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. </al><al>Daarnaast hebben gemeenten de taak aan inburgeringsplichtigen die daarvoor op
                    grond van de wet of het gemeentelijke beleid in aanmerking komen een
                    inburgeringsvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt
                    inburgeringsplichtigen toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                    Nederlands als tweede taal. In plaats van een inburgeringsvoorziening mogen
                    gemeenten aan inburgeringsplichtigen die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2
                    volgen of gaan volgen een taalkennisvoorziening aanbieden. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven.
                    Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringsplichtige
                    zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. </al><al/><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, evenals van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 WI).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen en
                            over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld (artikel
                            19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Regels over de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>Artikel 8 WI bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over
                    de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen. Het gaat
                    dan om informatie over de rechten en plichten uit hoofde van de WI en informatie
                    over het aanbod van inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die
                    voorzieningen. </al><al/><tussenkop>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                    inburgeringsvoorzieningen</tussenkop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door
                    het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.
                    Aanvankelijk konden gemeenten uitsluitend een aanbod doen aan bepaalde
                    categorieën inburgeringsplichtigen. Met ingang van 1 november 2007 kunnen
                    gemeenten aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod doen. Gemeenten zijn wel
                    verplicht een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te bieden aan
                    alle asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- en nieuwkomers) en een
                    inburgeringsvoorziening aan te bieden aan nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn
                    als geestelijke bedienaar (artikel 19, tweede lid, WI). </al><al>Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal gratis
                    afleggen van dat examen Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving
                    van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen
                    afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid,
                    WI).</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening
                    of een taalkennisvoorziening ook uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19,
                    zesde lid, WI). </al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een
                    taalkennisvoorziening. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in
                    ieder geval regels moeten worden gesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                            WI).</al></li><li nr="·"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="·"><al>De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de
                            totstandkoming en de samenstelling van die voorziening (artikel 19,
                            vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="·"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld. Deze
                            regels hebben in ieder geval betrekking op de inning van de eigen
                            bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                            (artikel 23, derde lid, WI). </al></li></lijst><al/><tussenkop>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete </tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke
                    boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden
                    opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 De informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                    bepaalt artikel 8 WI dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over
                    de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake
                    van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, evenals van het aanbod van
                    en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al><al/><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                    Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders vast te
                    stellen voor een adequate informatievoorziening door het college aan de
                    inburgeringsplichtigen. In dat geval kan met opnemen van het eerste en derde lid
                    in de verordening worden volstaan. Er kan ook voor worden gekozen om in de
                    verordening vast te leggen welke middelen het college (in ieder geval) moet
                    aanwenden om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen te organiseren.
                    In dat geval moet het tweede lid in de verordening worden opgenomen, waarbij
                    tevens een keuze moet worden gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden
                    ingezet. </al><al/><al>In overeenstemming met de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in
                    dit artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
                    informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af aan de
                    raad. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren
                    worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart informatiepunt inrichten (het
                    inburgeringsloket) al dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het is ook
                    mogelijk om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen
                    bij een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen
                    gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen,
                    bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                    informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen. </al><al/><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval) een
                    aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen vorm te geven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan: </al><lijst><li nr="-"><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="-"><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan personen ten
                            aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens uit het Bestand
                            Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs kan worden aangenomen
                            dat zij inburgeringsplichtig zijn;</al></li><li nr="-"><al>het vertrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om
                            uitkeringen;</al></li><li nr="-"><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="-"><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                            website.</al></li></lijst><al/><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                    doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                    inburgeringsplichtigen. Om aan deze verplichting efficiënt te kunnen voldoen,
                    zou een informatieplan kunnen worden opgesteld waarvan de informatieverstrekking
                    onderdeel is. Een dergelijk informatieplan zou vervolgens door de raad getoetst
                    kunnen worden waarbij eventuele verbeteringen kunnen worden opgenomen. Om
                    efficiënt aan de verplichting van het tweede lid te kunnen voldoen, is wellicht
                    ook aansluiting mogelijk bij de uitvoering van de actieve informatieplicht van
                    het college aan de raad op grond van artikel 169, tweede lid, van de
                    Gemeentewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>Het college kan aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod doen voor een
                    inburgeringsvoorziening (artikel 19, eerste lid, WI). Het college is echter
                    verplicht een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening aan te bieden
                    aan asielgerechtigden en een inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren. </al><al>Op grond van artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI moet de gemeenteraad bij
                    verordening regels stellen met betrekking tot de criteria die worden gehanteerd
                    bij het doen van een aanbod aan inburgeringsplichtigen. Dit artikel vorm de
                    uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het college opgedragen om
                    vast te stellen aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een
                    inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel
                    vastgelegd binnen welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet
                    komen. Het is van belang dat deze kaders (in casu het aanwijzen van groepen
                    waaraan een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden) niet te eng te definiëren.
                    Het college zal binnen deze kaders gedurende een aantal jaren groepen moeten
                    kunnen aanwijzen. Het alternatief is dat de verordening op dit onderdeel steeds
                    opnieuw moet worden gewijzigd. Een andere reden om de kaders niet te strak vast
                    te stellen is dat gemeenten op dit moment geen duidelijk zicht hebben op de
                    precieze omvang van bepaalde mogelijk doelgroepen (oudkomers zonder werk of
                    uitkering). Te strenge criteria zouden wel eens kunnen leiden tot het niet
                    benutten van de beschikbare middelen voor het aanbieden van
                    inburgeringsvoorzieningen. </al><al/><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij voorrang
                    </cursief>een inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden. Dit betekent dat het
                    college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een inburgeringsvoorziening
                    aan te bieden aan inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of
                    groepen die hij heeft aangewezen Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die
                    behoren tot de groep of groepen die het college heeft aangewezen aan deze
                    aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit
                    artikel dat het college aan de groepen die hij aanwijst een
                    inburgeringsvoorziening <cursief>kan</cursief> aanbieden. </al><al>Voorbeelden van criteria die in verordening kunnen worden neergelegd en op basis
                    waarvan het college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="-"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="-"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="-"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="-"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="-"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al></li></lijst><al/><al>Gemeenten zouden er ook voor kunnen kiezen om geen voorrang te geven aan
                    specifieke groepen, maar in plaats daarvan prioriteit te geven aan oud- en
                    nieuwkomers die graag voor een inburgeringsvoorziening in aanmerking willen
                    komen (bijvoorbeeld voorrang op basis van eigen aanmelding of gemotiveerdheid).
                    Criteria op basis waarvan het college doelgroepen aanwijst, kunnen ook worden
                    ontleend aan andere beleidsterreinen, zoals ‘leefbaar, sociaal en veilig’.
                    Daarmee kan de uitvoering van de WI een onderdeel vormen van een integrale
                    aanpak van sociaal beleid. </al><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad (artikel
                    169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het college zijn besluit
                    aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een aanbod zal worden
                    gedaan ter kennisname aan de raad aanbiedt. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening</tussenkop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening, met in begrip van de totstandkoming en samenstelling van
                    de die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel
                    worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor
                    iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                    toegesneden inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet vaststellen. Bij het
                    bepalen van de passendheid van een voorziening kunnen de volgende factoren een
                    rol spelen:</al><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de Nederlandse
                    samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat vervullen
                    in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan het verrichten van
                    betaalde arbeid of het opvoeden van kinderen.</al><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan bijvoorbeeld
                    worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de inburgeringsplichtige moet
                    vervullen. </al><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al/><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is wel, zo blijkt
                    uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet
                    wordt gedaan, indien dat diens arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd
                        <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling (re-integratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening
                    wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een
                    uitkering ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of sociale
                    zekerheidsregeling <onderstreept>én</onderstreept> die verplicht is om arbeid te
                    verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Indien in deze
                    specifieke situatie geen re-integratievoorziening wordt aangeboden, kan de
                    gemeente dan ook geen inburgeringsvoorziening aanbieden. Het college is
                    verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde inburgeringsvoorziening
                    (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van artikel 4 van de verordening
                    draagt het college op om er voor te zorgen dat de inburgeringsvoorziening wordt
                    afgestemd op de re-integratievoorziening. Omdat deze voorzieningen in het kader
                    van de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –
                    regelingen ook door andere partijen dan het college (kunnen) worden verstrekt,
                    zal het college afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van
                    de socialezekerheidswet of – regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 WI). </al><al/><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan opnemen. In de wet
                    is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: </al><al>een cursus die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                    Nederlands als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos afleggen van het
                    desbetreffende examen (artikel 19, derde lid, WI). </al><al/><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook
                    maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de
                    inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening (artikel 19, zesde lid, WI).
                    Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel van de
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                    opnemen, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van
                    voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan
                    een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                    maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het verwerven van
                    kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al/><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                    belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen inburgeringsvoorziening in
                    combinatie met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten al
                    een vast onderdeel. </al><al/><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                    praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                    getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                    inburgeringsvoorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze
                    vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een belangrijke rol
                    vervullen.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Dit
                    artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het
                    artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening op te leggen. Het college legt
                    in de beschikking tot de vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening deze verplichtingen vast. taalkennisvoorziening. </al><al/><tussenkop>Artikel 6 De inning van de eigen bijdrage </tussenkop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte
                    van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt </al><al>€ 270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd
                    (artikel 23, tweede lid, WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Artikel
                    24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene bijstand
                    ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze
                    uitkering. Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat worden
                    vastgelegd in de beschikking tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening. </al><al/><tussenkop>Artikel 7 De procedure van het doen van een
                    aanbod</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    een dergelijk aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt
                    tot een besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van
                    een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan de
                    inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt
                    toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in
                    de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het feit dat het
                    college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens
                    worden opgevat als instemming met de beschikking tot het vaststellen van de
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (die eenzijdig door de gemeente
                    wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het
                    aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                    mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                    inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld. </al><al/><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wil, maar dat
                    hij gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in
                    het aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het
                    gedane aanbod moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen
                    termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen
                    moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het college in een dergelijke
                    situatie een handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26
                    WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moeten hebben behaald (vijf jaar na aanvang van deze
                    termijn). Het verdient de aanbeveling dat het college deze handelwijze vastlegt
                    in beleidsregels, zodat tevoren voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen
                    zijn) wat de gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. </al><al/><tussenkop>Artikel 8 De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                    inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en
                    beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval
                    in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al/><al>In de beschikking zullen de toegekende inburgeringsvoorziening en de daaraan
                    verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten
                    worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening
                    (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de
                    verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de
                    betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al/><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, WI). In de
                    beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                    (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering).
                    Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening.</al><al/><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het college
                    een inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in
                    de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van handhaving
                    van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel
                    26 WI). Binnen vijf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het
                    inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer de
                    termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor
                    de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen
                    aan de datum waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat). De precieze
                    datum waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat, zal niet altijd bekend
                    zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het vaststellen van
                    een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht, onafhankelijk
                    van het moment waarop met de inburgeringsvoorziening kan worden begonnen bij het
                    uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer
                    inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het behalen
                    van het inburgeringsexamen. </al><al/><tussenkop>Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de
                    verschillende overtredingen</tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen. </al><al/><al>De boetebedragen die in deze verordening zijn opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook
                    zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                    gepleegd (artikel 38, tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete
                    passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                    inburgeringsplichtige. </al><al/><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van
                    een andere scocialezekerheidswet of –regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                    voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                    géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al><al/><al>4<sup>e</sup> lid: Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding.</al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 9,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het college in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het eerste lid van artikel 10 het mogelijk dat het college
                    een hogere boete vaststelt. Het wettelijke maximum bedraagt € 1000 (artikel 34,
                    onderdeel d, WI). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn
                    moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moet behalen. </al><al/><tussenkop>Artikel 10 Afstemming van de bestuurlijke
                    boete</tussenkop><al>Hierin is opgenomen dat onderzoek gedaan moet worden naar de omstandigheden
                    waardoor aan bepaalde verplichtingen niet is voldaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><tussenkop>Artikel 12 Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>