<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR763308_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelbeleidsregels Participatiewet Beverwijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:type scheme="overheidop:Rubriek">beleidsregel</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beverwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2026-06-26</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-298859">gmb-2026-298859</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelbeleidsregels Participatiewet Beverwijk </dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005537&amp;artikel=4%3A81&amp;lid=1&amp;g=2026-01-01">artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=31&amp;lid=2&amp;g=2026-04-03">artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=41&amp;lid=11&amp;g=2026-04-03">artikel 41, 11e lid, van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=43a&amp;lid=1&amp;g=2026-04-03">artikel 43a, eerste lid, van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=44&amp;lid=5&amp;g=2026-04-03">artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=15a&amp;lid=1&amp;g=2026-02-04">artikel 15a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=16a&amp;lid=4&amp;g=2026-02-04">artikel 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;artikel=16a&amp;g=2026-02-04">artikel 16a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2026-04-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2026-06-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z-26-202680</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Beleidsregels vrijlating giften Participatiewet 2022.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verzamelbeleidsregels Participatiewet Beverwijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk over:</vet></al><lijst><li nr="-"><al>het op basis van de Participatiewet vrijlaten van giften in individuele gevallen; </al></li><li nr="-"><al>het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn; </al></li><li nr="-"><al>het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure; </al></li><li nr="-"><al>het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht;</al></li></lijst><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk; </al><al/><al>gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 16a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende beleidsregel:</al><al/><al><vet>Verzamelbeleidsregels Participatiewet Beverwijk </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk;</al></li><li nr="-"><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="-"><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="-"><al>gift: een ontvangst van geld of goederen uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of door een instelling waarvoor niets wordt terugverlangd;</al></li><li nr="-"><al>belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een uitkering of andere voorziening op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="-"><al>jongere: de belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Participatiewet; </al></li><li nr="-"><al>melding: het moment waarop belanghebbende bij de gemeente kenbaar maakt een bijstandsuitkering te willen aanvragen, dit contactmoment geldt als officiële start van de aanvraagprocedure.</al></li><li nr="-"><al>problematische schulden: een situatie waarin niet binnen een afgesproken termijn (18 maanden) alle schulden kunnen worden betaald, of wanneer betalingen al gestopt zijn.</al></li><li nr="-"><al>schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;</al></li><li nr="-"><al>de Wet: Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>WMO 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; </al></li><li nr="-"><al>zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>BELEIDSREGELS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vrijlaten van giften in individuele gevallen</titel></kop><al>Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord: </al><lijst><li nr="a."><al>giften die worden ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;</al></li><li nr="b."><al>giften die worden ingezet voor medisch noodzakelijke kosten; </al></li><li nr="c."><al>giften die worden ingezet voor het aflossen van schulden voor huur, energielasten, zorgverzekering of ter beschikking worden gesteld van een schuldregeling;</al></li><li nr="d."><al>giften die worden ingezet voor scholing en opleiding die bijdragen aan de arbeidsinschakeling, waaronder het behalen van het rijbewijs;</al></li><li nr="e."><al>giften in natura die worden verstrekt door charitatieve instellingen, zoals de voedselbank, sociale fondsen en hulporganisaties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn</titel></kop><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Overeenkomstig artikel 41, vierde lid, van de Wet neemt het college een aanvraag voor algemene bijstand vóór het verstrijken van de zoektermijn in behandeling wanneer de jongere behoort tot één van de hieronder genoemde categorieën, waarvoor de zoektermijn op grond van de wet niet geldt: </al><lijst><li nr="a."><al>de jongere stond recent ingeschreven bij het praktijkonderwijs (PRO) of het voortgezet speciaal onderwijs (VSO); </al></li><li nr="b."><al>de jongere heeft een medische urenbeperking, of behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.</al></li></lijst><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Het college maakt gebruik van de bevoegdheid op grond van artikel 41, elfde lid, van de Wet om een aanvraag voor algemene bijstand vóór het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen wanneer sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:</al><lijst><li nr="a."><al>de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:</al><lijst><li nr="1."><al>in een inrichting verbleven;</al></li><li nr="2."><al>opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; of</al></li><li nr="3."><al>bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>voor de jongere gold uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Jeugdwet; of</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een kwetsbare positie of omstandigheden van de jongere of diens gezin, die onevenredige nadelige gevolgen heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het hoofdverblijf;</al></li><li nr="b."><al>de gezinssituatie; en</al></li><li nr="c."><al>het inkomen en het vermogen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de IOAW en artikel 15 van de IOAZ. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe kunnen noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet mits maar niet uitsluitend, : </al><lijst><li nr="a."><al>er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, en</al></li><li nr="b."><al>er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het onevenredig nadelige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW en artikel 16a, derde lid, van de IOAZ.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Beleidsregels vrijlating giften Participatiewet 2022 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze beleidsregel treedt in werking de dag na bekendmaking;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist, tenzij dit onevenredig nadelig is voor belanghebbende. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al/></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op 1 januari 2026 is de Wet gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026 (Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid). De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel richt zich op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:</al><lijst><li nr="i."><al>vrijgelaten giften te verruimen;</al></li><li nr="ii."><al>de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten;</al></li><li nr="iii."><al>bij het college berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en,</al></li><li nr="iv."><al>met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding. </al></li></lijst><al>Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt bovendien dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Dit komt in de beleidsregel ook tot uiting in de artikelen 4, derde lid, en 5, derde lid. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al>In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.</al><al/><al><vet>Artikel 1. Definities</vet></al><al>In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Wet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.</al><al/><al><cursief>Probleemschulden</cursief></al><al>In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:</al><al/><al><cursief>‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’</cursief></al><al/><al>Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie van de Wsnp zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact boekhoudkundige controle uit te voeren bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is binnen de Wsnp beoordeling voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen. </al><al/><al><cursief>Schuldregeling </cursief></al><al>Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. Het college kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na succesvolle afronding belanghebbende overblijvende, erkende schulden niet meer hoeft te betalen. Ook wel een ‘schone lei’ genoemd.</al><al/><al><cursief>Zoektermijn</cursief></al><al>Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet). </al><al/><al><vet>Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen</vet></al><al>In artikel 2 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. </al><al/><al>Als het gaat om giften <cursief>in natura</cursief> die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid, van de Wet). Deze zogenaamde besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van op dit moment maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Maar, zij vallen <cursief>niet</cursief> onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden <cursief>bovenop</cursief> de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.</al><al/><al>In de Wet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval <cursief>niet</cursief> tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen. </al><al/><al>Het is aan het college om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om giften vrij te laten. Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuldregeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt. </al><al/><al>Naast de categoriale vrijlatingsregeling kan het college verder invullen onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn aanknopingspunten gegeven op basis waarvan giften in het individuele geval door het college in elk geval buiten beschouwing worden gelaten. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn</vet></al><al>Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen. </al><al/><al>Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd: </al><al/><al><cursief>‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’</cursief></al><al/><al>Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.</al><al/><al>Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten. </al><al/><al>In artikel 3 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure</vet></al><al>De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a: </al><al/><lijst><li nr="'1."><al><cursief>Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag. </cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’</cursief></al></li></lijst><al>Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.</al><al/><al><cursief>IOAW en IOAZ</cursief></al><al>De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15 van de IOAW en IOAZ. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de IOAW en IOAZ op dit punt een andere koers te varen dan voor de Wet. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht </vet></al><al>Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (artikel 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:</al><al/><al><cursief>‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’ </cursief></al><al/><al>Met dit nieuwe lid (als kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden. </al></li><li nr="2."><al>De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend <cursief>en</cursief> waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen. </al><al/><al><cursief>Situatie 1</cursief></al><al>Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5<noot><noot.nr>1</noot.nr><noot.al><cursief>"Het vermogen om goed gebruik te maken van alle dienstverlening van overheden of aan alle bijbehorende verplichtingen te voldoen. Specifiek gaat het over het vermogen om: - een plan te kunnen maken; - in actie te komen; - acties vol te houden en met tegenslag om te gaan" zoals omgeschreven door Bovens, M., Keizer, A.-G., </cursief><cursief>&amp; Tiemeijer, W. (2017). Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid (WRR-rapport nr. 97). Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)</cursief></noot.al><noot.al/></noot> geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’￼). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening. </al><al/><al><cursief>Situatie 2</cursief></al><al>Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 44, vijfde lid, van de Wet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de IOAW en IOAZ. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW en de IOAZ. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de IOAW en IOAZ op dit punt een andere koers te varen dan voor de Wet. </al><al/><al><vet>Artikel 8. Inwerkingtreding en overgangsrecht</vet></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Besluiten die na 1 januari 2026 zijn genomen op grond van de oude beleidsregels blijven van kracht, tenzij dit gelet op de nieuwe beleidsregels nadelig is voor de ontvanger </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>