<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76266_1</dcterms:identifier><dcterms:title>CAR/UWO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.smallingerland.nl, 07-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>CAR/UWO</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 160, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47715</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47716</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47717</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47718</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47719</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47720</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47721</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47722</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47723</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47724</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47725</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47726</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47727</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47728</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47729</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47730</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47731</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47732</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47733</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47734</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47735</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47736</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47737</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47738</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47739</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47740</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47741</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47742</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47743</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47744</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47745</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47746</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47747</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47748</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47749</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47750</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47751</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47752</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47753</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47754</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47755</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47756</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47757</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47758</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47759</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47760</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47761</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47762</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47763</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47764</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47765</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47766</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47767</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47768</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47769</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47770</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47771</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47772</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47773</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47774</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47775</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47776</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47777</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47778</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47779</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47780</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47781</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47782</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47783</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47784</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>CAR/UWO</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de gemeente is
                                        aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede
                                        hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                                        aangegaan;</al></li><li nr="b"><al><vet>betrekking:</vet> het geheel van werkzaamheden dat door
                                        de ambtenaar is te verrichten;</al></li><li nr="c"><al><vet>pensioenwet:</vet> de Algemene burgerlijke pensioenwet,
                                        zoals die gold tot en met 31 december 1995;</al></li><li nr="d"><al><vet>pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="e"><al><vet>arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang van
                                        het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door
                                        de ambtenaar arbeid moet worden verricht;</al></li><li nr="f"><al><vet>arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals die
                                        voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;</al></li><li nr="g"><al><vet>formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                                        volgens de aanstelling;</al></li><li nr="h"><al><vet>feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                                        zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is
                                        vastgesteld;</al></li><li nr="i"><al><vet>seniorenarbeidsduur:</vet> de voor een ambtenaar, die
                                        in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende
                                        arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur
                                        volgens de aanstelling;</al></li><li nr="j"><al><vet>arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis herleide
                                        formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor
                                        feestdagen;</al></li><li nr="k"><al><vet>volledige betrekking:</vet> een betrekking waarbij de
                                        arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de
                                        formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;</al></li><li nr="l"><al><vet>overwerk:</vet> werkzaamheden door de ambtenaar in
                                        dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per
                                        week;</al></li><li nr="m"><al><vet>werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                        verrichten;</al></li><li nr="n"><al><vet>werktijd:</vet> de periode tussen vastgestelde
                                        tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet
                                        worden verricht;</al></li><li nr="o"><al><vet>uurloon:</vet> 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar
                                        een volledige betrekking herberekende- salaris van de
                                        ambtenaar per maand;</al></li><li nr="p"><al><vet>Zvw:</vet> de Zorgverzekeringswet;</al></li><li nr="q"><al><vet>CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor
                                        de sector gemeenten;</al></li><li nr="r"><al><vet>UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst;</al></li><li nr="s"><al><vet>functioneringstoelage:</vet> een toelage die aan de
                                        ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone
                                        bekwaamheid, geschiktheid en ijver;</al></li><li nr="t"><al><vet>waarnemingstoelage:</vet> een vergoeding die wordt
                                        toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of
                                        namens het college verstrekte opdracht volledig een andere
                                        betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere
                                        schaal geldt dan voor de eigen betrekking;</al></li><li nr="u"><al><vet>LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                        Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v"><al><vet>WAO:</vet> de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="w"><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in de
                                        zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO;</al></li><li nr="x"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de
                                        WAO;</al></li><li nr="y"><al><vet>WIA:</vet> Wet werk en inkomen naar
                                        arbeidsvermogen;</al></li><li nr="z"><al><vet>IVA:</vet> regeling inkomensvoorziening volledig
                                        arbeidsongeschikten;</al></li><li nr="aa"><al><vet>IVA-uitkering:</vet> de uitkering bij volledige en
                                        duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;</al></li><li nr="bb"><al><vet>WGA:</vet> Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                        arbeidsgeschikten;</al></li><li nr="cc"><al><vet>WGA-uitkering:</vet> de werkhervattingsuitkering
                                        gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;</al></li><li nr="dd"><al><vet>WAJONG:</vet> Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                        voor jong gehandicapten;</al></li><li nr="ee"><al><vet>WAZ:</vet> Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                        zelfstandigen;</al></li><li nr="ff"><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18381.pdf">pdf1</extref><vet> :</vet> Wet arbeid en zorg;</al></li><li nr="gg"><al><vet>SUWI:</vet> de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie
                                        Werk en Inkomen;</al></li><li nr="hh"><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> een uitvoeringsinstelling
                                        als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet
                                        sociale verzekeringen 1997;</al></li><li nr="ii"><al><vet>pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van de
                                        Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="jj"><al><vet>WPA:</vet> de Wet privatisering ABP;</al></li><li nr="kk"><al><vet>FPU-regeling:</vet> regeling flexibel pensioen en
                                        uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale
                                        Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;</al></li><li nr="ll"><al><vet>FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering:</vet>
                                        het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de
                                        Centrale Vut-overeenkomst overheids- en
                                        onderwijspersoneel;</al></li><li nr="mm"><al><vet>deeltijdbetrekking:</vet> een betrekking waarbij de
                                        arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de
                                        formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur
                                        bedraagt;</al></li><li nr="nn"><al><vet>ZW:</vet> de Ziektewet;</al></li><li nr="oo"><al><vet>ZW-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering krachtens
                                        de ZW;</al></li><li nr="pp"><al><vet>UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut
                                        Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de
                                        wet SUWI.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                bedrijven door de gemeente beheerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a"><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                        onderwijs;</al></li><li nr="b"><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                                        openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de
                                        zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c"><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                        zodanig;</al></li><li nr="d"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231,
                                        tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; </al></li><li nr="e"><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                        benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                        belastingen;</al></li><li nr="f"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                        zonder opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="g"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                        opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h"><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening
                                        en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in
                                        dienst is van de gemeente, met uitzondering van de
                                        geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader
                                        van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet
                                        sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i"><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”,
                                        van de sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de
                                ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a,
                                7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling
                                de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die
                                behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan
                                    aanbieden.</al></li><li nr="2"><al>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die
                                    tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden
                                    geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.</al></li><li nr="3"><al>De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten
                                    hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een
                                    werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring
                                    kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd
                                    als ambtenaar.</al></li><li nr="4"><al>Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate
                                    begeleiding van de werkzoekende.</al></li><li nr="5"><al>Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is
                                    kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst
                                    aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar.</al></li><li nr="6"><al>De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt
                                    bezoldigd overeenkomstig schaal 1.</al></li><li nr="7"><al>Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor
                                    adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig
                                    scholing plaats op kosten van de gemeente.</al></li><li nr="8"><al>Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO
                                    van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a
                                    en 17.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:3 Instapplan</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een
                                    instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te
                                    verkrijgen.</al></li><li nr="2"><al>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die
                                    tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden
                                    geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.</al></li><li nr="3"><al>In het kader van het instapplan biedt het college de
                                    werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een
                                    half jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3 Toepassing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden
                                ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of
                                krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor
                                zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is
                                geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op
                                ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden
                                uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de
                                eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het
                                secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                                aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3a Toepassing</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de
                            op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college,
                            indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk
                            is:</al><lijst><li nr="a"><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                    bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                    functioneren van de dienst;</al></li><li nr="b"><al>instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de
                                    vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze
                                regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen
                                welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of
                                worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het
                                vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a"><al>de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot
                                        het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging
                                        van Nederlandse Gemeenten;</al></li><li nr="b"><al>de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van
                                        gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de
                                        onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c"><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                        aanmerking komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor
                                hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter
                                uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of
                                welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven,
                                tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke
                                plaats ter inzage liggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk
                                te zijner kennis gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd
                            van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                            dragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</titel></kop><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van
                            de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een
                            decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:6 Vrijstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen
                                voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan
                                worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor
                                bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van
                                het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor
                                georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de
                                criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies
                                zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is
                                ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                                regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij
                                het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die
                                projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te
                                bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen
                                worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate
                                zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de
                                werkzaamheden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</titel></kop><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                            geschiedt de aanstelling door het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en
                                geschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na
                                een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij
                                in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten
                                van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                                gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde
                                onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in
                                het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de
                                Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het
                                gedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan
                                slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt
                                over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting
                                is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid
                                vreemdelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor
                                bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie
                                bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                                worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig
                                onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat
                                tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen
                                bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de
                                geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36
                                maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en
                                vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste
                                aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke
                                aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en
                                uniek karakter.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke
                                aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij
                                wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele
                                verlengingen daarin begrepen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke
                                aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden
                                hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen
                                inbegrepen, overschrijden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar
                                hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden,
                                geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a"><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a
                                        tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993,
                                        635);</al></li><li nr="b"><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c"><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                        aangesteld:</al><lijst><li nr="I"><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde
                                                tijd;</al></li><li nr="II"><al>voor vervulling van een betrekking bij wijze van
                                                proef;</al></li><li nr="III"><al>voor een project met een eenmalig en uniek
                                                karakter;</al></li><li nr="IV"><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke
                                                of praktische opleiding of vorming;</al></li><li nr="V"><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI"><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                                                van een door de overheid getroffen regeling, die het
                                                karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling
                                                de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                                                personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                                groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII"><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de
                                wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:2 Vacatures</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen
                                verzet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens
                                hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Door het college kan met een persoon slechts een
                                arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het
                                bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang
                                wisselend karakter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                                opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing
                                op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is
                                gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn
                            de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</titel></kop><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een
                            minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van
                            minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per
                            kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer
                            of minder uren wordt gewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen
                                    die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen,
                                    het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                    bieden;</al></li><li nr="b"><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                    daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c"><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                                    aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht
                                    kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang
                                    van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d"><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                    vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden
                                    verricht;</al></li><li nr="e"><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                    oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging
                                    respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de
                                    aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij
                                    kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de
                                    termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever
                                    gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk
                                    vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van
                                    twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig
                                    aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f"><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                                    heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste
                                    een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de
                                    oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens
                                    ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag
                                    van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de
                                oproepkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te
                                baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2
                                .</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de
                                vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge
                                hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan
                                van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het
                                kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is
                                ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in
                                belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand
                                kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende
                                een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde
                                arbeidspatroon van de oproepkracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:6 Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001
                                voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas
                                van toepassing indien een volgende aanstelling of
                                arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer
                                dan drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1
                                juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot
                                het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen
                                van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli 2001.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen
                                van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 ,
                                onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze
                                luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een
                                aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos
                                bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van
                                artikel 2:4:1 .</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van
                                werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn
                                aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2,
                                zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2
                                .</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die
                                is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die
                                is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te
                                breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij
                                zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten
                                aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit
                                in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van
                                subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die
                                is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week,
                                worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een
                                        vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="-"><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 ,
                                        tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 ,
                                        eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het
                                college dit vooraf aan de OR.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over
                                het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar
                                maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan
                                de OR.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 Salaris en vergoedingsregelingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3:1 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen
                                het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een
                                bezoldiging toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen
                                gebruikt:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>schaal:</vet> de in het kader van de
                                        bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een
                                        betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter
                                        bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van
                                        bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden
                                        ter verhoging van het salaris als gevolg van
                                        diensttijduitloop;</al></li><li nr="b"><al><vet>salaris:</vet> het bedrag van de schaal hetwelk aan de
                                        ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een
                                        vast bedrag geldt, dit bedrag;</al></li><li nr="c"><al><vet>bezoldiging:</vet> het salaris, vermeerderd met het
                                        bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en
                                        toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven
                                        in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het
                                        bedrag van de functioneringstoelage en de
                                        waarnemingstoelage.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel
                                uit bijlage IIen IIa van de CAR.</al><lijst><li nr="a"><al>Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het
                                        tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die
                                        ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot
                                        op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde
                                        onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van
                                        toepassing is.</al></li><li nr="b"><al>Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen,
                                        bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing
                                        op: </al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een
                                                betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder
                                                direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin
                                                van de CAR te hebben vervuld en</al></li><li nr="-"><al>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe
                                                betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct
                                                voorafgegaan door een andere betrekking in de zin
                                                van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een
                                                beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt
                                                een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een
                                                bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt
                                                gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te
                                                voeren taken.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid
                                worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de
                                wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de
                                ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is
                                vastgesteld op grond van bijlage II .</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de
                                afspraken:</al><lijst><li nr="-"><al>dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die
                                        voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de
                                        schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft
                                        op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat
                                        ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal
                                        ingevolge bijlage IIa ;</al></li><li nr="-"><al>en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die
                                        op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en
                                        binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere
                                        schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de
                                        schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum
                                        van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa .</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per
                                week, en uitgekeerd per maand.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of
                                ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een
                                functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een
                                dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar
                                worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een
                                lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van
                                het salaris. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:1:0:0 Bezoldiging</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk, vindt hier de Regeling bezoldiging van
                            de gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:1:1 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald
                                met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de
                                ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen
                                bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het
                                belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot
                                zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking
                                worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook
                                andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot
                                aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en
                                gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1,
                                eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen
                                met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet
                                anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per
                                maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het
                                college nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn
                                verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen,
                                wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college
                                verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt,
                                ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan
                                voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een
                                vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen
                                salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding
                                tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet
                                meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was
                                ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal,
                                hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het
                                maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van
                                deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze
                                vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van
                                zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk
                                geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen
                                heeft alsnog wordt uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college
                                verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt
                                waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking
                                gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid
                                - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel
                                3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat
                                artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste
                                zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de
                                uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd
                                ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in
                                artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer
                                dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als
                                een geval van waarneming.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door
                                de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere
                                regeling geldt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar
                                het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de
                                ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur
                                en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te
                                kennen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:2 Overwerkvergoeding</titel></kop><al>De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader
                            vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een
                            uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een
                            vergoeding, bedoeld in de eerste volzin.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan
                                het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat
                                voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid
                                bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo
                                vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover
                                de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren
                                dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van
                                het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar
                                wenst.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren
                                die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden
                                verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in
                                vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal
                                verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als
                                bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur
                                bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur
                                van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager
                                aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het
                                tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde
                                vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend
                                overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande,
                                dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
                                100.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><lijst><li nr="a"><al>Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding
                                        wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend
                                        naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit
                                        percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="-"><al>100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24
                                                uur;</al></li><li nr="-"><al>75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24
                                                uur;</al></li><li nr="-"><al>75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6
                                                uur</al></li><li nr="-"><al>50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag
                                                of vrijdag tussen 0 en 6 uur;</al></li><li nr="-"><al>50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag,
                                                donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur;</al></li><li nr="-"><al>25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag,
                                                donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1
                                        , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0
                                        en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande,
                                        onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen
                                        0 en 6 uur, bepaald.</al></li><li nr="c"><al>Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een
                                        zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde
                                        lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan
                                        wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op
                                        overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een
                                        zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid,
                                        of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien
                                        zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een
                                        regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier
                                        bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht
                                        of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een
                                        feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een
                                        zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van
                                        80%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het
                                niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor
                                overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van
                                het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in
                                bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe
                                te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college,
                                gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid
                                daarvan, redelijk is te achten.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren
                                met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende
                                betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden
                                verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze
                                ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit
                                een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college
                                regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en
                                        tussen 18.00 uur en 24.00 uur;</al></li><li nr="b"><al>zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur;</al></li><li nr="c"><al>zondag tussen 00.00 en 24.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar
                                geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één
                                aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder
                                a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar
                                zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd,
                                indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op
                                zaterdag werd vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in
                                welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering
                                geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding,
                                als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten</titel></kop><al>Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in
                            artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter
                            vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien
                            uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met
                            vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding</titel></kop><al>Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke
                            arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden,
                            anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding
                            ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer
                            recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar
                                recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de
                                oorspronkelijk vastgestelde:</al><lijst><li nr="a"><al>feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt
                                        verschoven;</al></li><li nr="b"><al>werktijd, deze werktijd wordt verschoven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in
                                geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde
                                arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd
                                plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de
                                periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de
                                betreffende week dan wel de werktijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25%
                                van het uurloon.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie</titel></kop><al>De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader
                            vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald:</al><lijst><li nr="a"><al>in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de
                                    mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in
                                    de aanhef;</al></li><li nr="b"><al>op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de
                                overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend
                                overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de
                                vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum
                                aanspraak heeft.De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk
                                vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt
                                een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele
                                bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin
                                hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt
                                ontslagen:</al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:3 ;</al></li><li nr="b"><al>op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van
                                        80% of meer;</al></li><li nr="c"><al>op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voorzover het
                                        een volledig ontslag betreft;</al></li></lijst><al>en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een
                                gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de
                                ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele
                                gratificatie toegekend.Deze proportionele gratificatie wordt
                                berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het
                                vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen
                                met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk
                                geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar
                                boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal
                                dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in
                                aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende
                                bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf
                                euro.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele
                                ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren
                                waarvoor ontslag wordt verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van
                                6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op
                                jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking
                                minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag
                                naar rato vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                                december betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de
                                ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering
                                op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de
                                eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar
                                dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7:5 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7:7 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal
                                heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend,
                                wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid
                                en ijver aanleiding bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage
                                werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van
                                oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of
                                gedeeltelijk te handhaven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week
                                vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per
                                week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag
                                hierdoor niet worden overschreden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde
                                dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het
                                eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen,
                                met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het
                                eerste lid van toepassing blijft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In een nader door het college vast te stellen regeling worden
                                algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover
                                ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor
                                een rooster opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen:</al><lijst><li nr="a"><al>dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen,
                                        tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst
                                        noodzakelijk is;</al></li><li nr="b"><al>dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de
                                        ambtenaar bekend worden gemaakt;</al></li><li nr="c"><al>dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt
                                        onderbroken;</al></li><li nr="d"><al>dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt
                                        vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te
                                        ontwijken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde
                                dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het
                                tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:1 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel
                                mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende
                                kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn
                                zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel
                                4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts
                                mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de
                                nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede
                                Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van
                                de koningin wordt gevierd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in
                                dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is
                                bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of
                                plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn
                                aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is
                                gesloten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de
                                zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe
                                strekkend verzoek heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:1:1 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><al>Aan de ambtenaar wordt verlof met behoud van bezoldiging verleend op
                            Goede Vrijdag en de nationale bevrijdingsdag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:2 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of
                            zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij
                            arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3 Spaarmogelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde
                                        verlof in het kader van de voormalige
                                        verlofspaarmogelijkheid; </al></li><li nr="b"><al>kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten
                                        van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per
                                        verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op
                                        het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door
                                het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als
                                mogelijk in een aaneengesloten periode.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                                verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden
                                voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer
                                de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het
                                gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn
                                levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                                verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de
                                wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een
                                bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden
                                gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een
                                verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde
                                verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden
                                voldaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende
                                opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de
                                opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de
                                maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de
                                ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking,
                                niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet
                                opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge
                                het bepaalde in het tiende lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 ,
                                8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om
                                voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed
                                op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen
                                opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het
                                tiende lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de
                                ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na
                                afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt
                                het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het
                                tiende lid.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 ,
                                het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
                                bepaalde in het tiende lid.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het
                                college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende
                                opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                                uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon
                                van de ambtenaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in
                                artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding
                                als bedoeld in het vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid –
                                minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een
                                formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de
                                ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in
                                artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                                als minimum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72
                                uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die
                                gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 ,
                                geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de
                                ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd
                                vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het
                                salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar
                                waarop het verzoek betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in
                                artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een
                                vergoeding als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal
                                72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die
                                gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 ,
                                geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het
                                salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer
                                verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met
                                de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het
                                kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering,
                                vakantietoelage of urenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als
                                bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in
                                artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of
                                zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen
                                voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Seniorenmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5:1 56-jarenregeling</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft
                                    geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde
                                    regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die </al><lijst><li nr="a"><al>een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren
                                        die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de
                                        vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een
                                        onderbreking van twee maanden of minder niet als een
                                        onderbreking wordt aangemerkt; en</al></li><li nr="b"><al>geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een
                                        leeftijdsgrens is bepaald wordt, tenzij het dienstbelang
                                        zich daartegen verzet, op zijn verzoek met een vijfde deel
                                        teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur onder
                                        doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal
                                        een arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de
                                diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten
                                a tot en met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt
                                uitgegaan van de met een vijfde teruggebrachte
                                seniorenarbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5:2 Pré-vut</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft
                                    geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde
                                    regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende
                                uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in
                                artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang
                                van de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De
                                uitkering wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand
                                volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De
                                pré-vut-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van
                                de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 61 jaar
                                heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de
                                bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegde uittreding van
                                kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor 1 april 1997.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het
                                inkomen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, van het
                                FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, met dien verstande
                                dat het uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd
                                volgens de salarisschalen 1 en 2, 80% van evenbedoeld inkomen
                                bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op
                                de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, is
                                ingewilligd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5:3 60-jarigenregeling</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft
                                    geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde
                                    regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de
                                seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die:</al><lijst><li nr="a"><al>een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week,
                                        en;</al></li><li nr="b"><al>een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren
                                        die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de
                                        vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een
                                        onderbreking van twee maanden of minder niet als een
                                        onderbreking wordt aangemerkt;</al></li></lijst><al>op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met
                                de helft teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur en
                                onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De bezoldiging wordt
                                voor 95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die
                                waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt; van de
                                ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen
                                gebruikmaakt van de FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang
                                van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de
                                leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50%
                                doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de
                                leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om
                                gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de
                                oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang van de
                                verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De bezoldiging
                                wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat
                                hij gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald; van de ambtenaar die
                                op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van
                                de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van
                                de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele
                                arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor
                                hem golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde
                                percentage aangepast. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts
                                worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is
                                van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde
                                het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het
                                college te weigeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><lijst><li nr="a"><al>Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur
                                        reeds met een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde
                                        in artikel 5:1, eerste lid, is het bepaalde in het eerste
                                        lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                        voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. De
                                        seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een
                                        vijfde deel is teruggebracht op grond van het bepaalde in
                                        artikel 5:1, eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht,
                                        uitgaande van de omvang van de aanstelling, zoals die gold
                                        op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de
                                        vermindering van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel
                                        5:1;</al></li><li nr="b"><al>Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur
                                        voor 1 april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in
                                        artikel 5:1, eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei
                                        1996 kan verzoeken om in aanmerking te komen voor de
                                        60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot vermindering van
                                        de seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling
                                        van de bezoldiging met ingang van 1 mei 1996 teruggebracht
                                        tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van
                                        overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
                                        "95%" gelezen dient te worden: 82,5%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de
                                diensttijd als omschreven in artikel 5:1, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt
                                uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in
                                verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering
                                krachtens de WAJONG of WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de
                                dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan
                                wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het terugbrengen
                                van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is
                                ingewilligd, worden die inkomsten in mindering gebracht op de door
                                te betalen bezoldiging over de maand waarop deze inkomsten
                                betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben met
                                dien verstande dat het percentage van de door te betalen bezoldiging
                                na vermindering nooit minder bedraagt dan 50. Onder inkomsten
                                bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op
                                grond van de FPU-regeling.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurend vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk voor
                                afgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter
                                hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
                                of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                de vermindering van de werktijd.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of
                                schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de
                                seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is
                                ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het
                                college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover
                                mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat
                                bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle
                                evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van
                                de eerstvolgende bezoldigingstermijn.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen
                                niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het
                                verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij
                                sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel
                                sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de
                                arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                                inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke
                                echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig
                                vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van
                                evenbedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al> Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur
                                wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar
                                het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor
                                de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al> Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                                het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de
                                doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager
                                percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde
                                percentage nooit minder dan 50 kan bedragen.</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al> Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet
                                minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden
                                ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5:4 Ingangsdatum seniorenmaatregelen</titel></kop><al><cursief>Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft
                                geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde
                                regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)</cursief></al><al>Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de
                            seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel
                            5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf
                            de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande
                            artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de
                            eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste
                            leeftijdwordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en
                            wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde
                            in artikel 5:1 en 5:3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5:5 Overgangsbepaling</titel></kop><al><cursief>Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft
                                geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde
                                regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)</cursief></al><al>De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is
                            gehonoreerd en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de
                            seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de
                            periode van deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor
                            hem geldende bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3, tweede lid,
                            onderdeel b, van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5:6 Slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling
                                zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de
                                in dit hoofdstuk genoemde regelingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen
                                recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde
                                regelingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5a:0:0:0 Regeling FPU</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk, vindt u hier de Regeling FPU van de
                            gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:1 Recht op uitkering</titel></kop><al>De ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a"><al>ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en</al></li><li nr="b"><al>geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in
                                    hoofdstuk 5 genoemde regelingen en</al></li><li nr="c"><al>geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen
                                    als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn
                                    gesteld,</al></li></lijst><al>heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling
                            werkgever.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de
                                pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar
                                voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van
                                de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct
                                voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling
                                werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van
                                de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de
                                betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever
                                ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als
                                berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde
                                berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de
                                deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het
                                pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het
                                recht op een Aanvulling werkgever.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de
                                berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment
                                dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand
                                van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en
                                bedraagt:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005</al></entry><entry colname="col2"><al>Aanvulling werkgever als percentage van
                                                  berekeningsgrondslag bij uittreden op
                                                  spilleeftijd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>56</al></entry><entry colname="col2"><al>6,9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>8,0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58</al></entry><entry colname="col2"><al>9,4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>11,3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>60</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61 of ouder</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal
                                herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later
                                moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><lijst><li nr="a"><al>De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                                        ambtenaar geboren</al><lijst><li nr="I"><al>vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;
                                            </al></li><li nr="II"><al>na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan
                                        genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde
                                        spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel
                                        42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal
                                        dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43
                                        jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee
                                        maanden bereikt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die
                                vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd
                                gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering
                                afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van
                                totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de
                                Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt
                                dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het
                                ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd
                                gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering
                                afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van
                                totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><lijst><li nr="a"><al>de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                                        ambtenaar geboren:</al><lijst><li nr="I"><al>vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;
                                            </al></li><li nr="II"><al>na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan
                                        genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde
                                        spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel
                                        42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal
                                        dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43
                                        jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee
                                        maanden bereikt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die
                                in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de
                                FPU Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na
                                de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op
                                FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het
                                totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen
                                naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of
                                niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de
                                Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en
                                nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de
                                spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU
                                Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen.
                                Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel
                                5a:4b eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                                ambtenaar geboren:</al><lijst><li nr="a"><al>vóór of op 1 april 1947: 60 jaar</al></li><li nr="b"><al>na 1 april 1947: 61 jaar</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die
                                vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som
                                van:</al><lijst><li nr="a"><al>de FPU-uitkering;</al></li><li nr="b"><al>de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een
                                        deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van
                                        artikel 8:11;</al></li><li nr="c"><al>de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2,
                                        eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die
                                        ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van
                                        artikel 8:11;</al></li><li nr="d"><al>de andere inkomsten uit of in verband met de resterende
                                        deeltijdbetrekking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het
                                totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de
                                berekeningsgrondslag. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de
                                berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond
                                van artikel 8:11.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft
                                buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de
                                FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals
                                geregeld in het pensioenreglement. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is
                                verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel
                                pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en
                                aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met
                                inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met
                                uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de
                                toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde
                                FPU-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling
                                werkgever</titel></kop><al>Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan
                            op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op
                            een uitkering krachtens de FPU-regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:6 Pensioenopbouw</titel></kop><al>De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU
                            Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de
                            werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20%
                            pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de
                            regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft
                            betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is
                            verleend op grond van artikel 8:11.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:7 Lokaal beleid</titel></kop><al>Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik
                            van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de
                            aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:8 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</titel></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde
                            of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie
                            met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw
                            gebaseerd op de oude inschaling.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en
                            bevallings)verlof</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6:1 Recht op vakantie</titel></kop><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                            bezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1,
                                wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen
                                verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel
                                6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt verleend door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2 Duur vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige
                                betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                                verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar
                                te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een
                                maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als
                                bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor
                                een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1 Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college
                                algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor
                                een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar
                                evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien
                                van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een
                                vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of
                                bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het
                                tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene
                                regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten
                                aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1, indien
                                regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt
                                gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1 genoemde
                                verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar
                                rust.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college
                                bijzondere regels vast.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van
                                de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van
                                artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar
                                evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van
                                vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde
                                lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de
                                ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in
                                hoofdstuk 5a.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten
                                minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen,
                                aaneensluitend verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder
                                voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste
                                lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar
                                wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële
                                feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond
                                anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 derde lid, bij het
                                huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in
                                eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden
                                verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie
                                eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de
                                vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen
                                van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel
                                mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of
                                wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato
                                van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het
                                eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking
                                vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende
                                en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid
                                verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                                vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de laatste 6 maanden van de periode van
                                        afwezigheid, wegens zwangerschap en bevalling of niet aan
                                        schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar,
                                        voorafgaand aan het herstel of het ontslag van de
                                        ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor
                                        eerste oefening;</al></li><li nr="c"><al>indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van
                                        de voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn
                                        schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn
                                        betrekking te vervullen. Deze verhindering wordt voor het
                                        bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes
                                        maanden buiten beschouwing gelaten.</al></li></lijst><al>Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de
                                betrekking wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid
                                onder a bedoelde periode van zes maanden als een voortzetting van de
                                vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet
                                nadat tenminste vier weken zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn
                                betrekking volledig heeft hervat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                                werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte
                                daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren
                                van de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal
                                vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet
                                gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, tenzij het
                                bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn
                                oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met
                                ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een
                                vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de
                                ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                                kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem
                                die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende,
                                doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de
                                vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten
                                het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het
                                college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan
                                met 1/3 worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:5 Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                                redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten
                                gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts
                                gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van
                                die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het
                                aantal genoten vakantie-uren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie
                                geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet
                                is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                        schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of</al></li><li nr="c"><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor
                                        eerste oefening,</al></li></lijst><al> wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar
                                verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de
                                andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld
                                onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie
                                minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk
                                kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren
                                verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande,
                                dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan
                                opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1
                                toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de
                                ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:6:1 Vakantie, vakantietoelage en verlof</titel></kop><al>Het gestelde in artikel 6:2:6, lid 1, onderdeel a is op de gemeente
                            Smallingerland niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit betrekking</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan
                            zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden
                            toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand
                                waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een
                                ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen
                                dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de
                                vakantietoelage over die maand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de
                                ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat
                                aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk
                                is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk
                                bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar
                                evenredigheid wordt verminderd. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per
                                kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende
                                met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking
                                van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij
                                ontslag van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><lijst><li nr="a"><al>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn
                                        niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke
                                        dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van
                                        de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting
                                        anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in
                                        werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van
                                        artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en
                                        die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft
                                        vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het
                                        verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering
                                        uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de
                                        zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en
                                        het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij
                                        zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van
                                        toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op
                                        basis van de volle aan zijn betrekking verbonden
                                        bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd
                                gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van
                                schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten
                                beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de
                                strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en
                                vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college
                                nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18382.pdf">pdf2</extref> recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
                                of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling
                                van zijn bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere
                                gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met
                                behoud van de bezoldiging kan worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid,
                                toegelaten organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als
                                bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende
                                uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is
                                verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
                                behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd
                                partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal
                                plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18383.pdf">pdf3</extref> recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren
                                dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen
                                opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                                vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op
                                zijn volledige bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof
                                geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                langdurend zorgverlof.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen,
                                wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de
                                duur van de vakantie beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend
                                zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd
                                in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen,
                                vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de
                                vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige
                                bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>Centrales van overheidspersoneel: </al><lijst><li nr="1"><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);
                                            </al></li><li nr="2"><al>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs
                                                Personeel (CCOOP); </al></li><li nr="3"><al>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen
                                                bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen
                                                (CMHF). </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Verenigingen van ambtenaren:</al><al>de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de
                                        onder a genoemde centrales van overheidspersoneel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging
                                verleend aan de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a"><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                        verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene
                                        verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren
                                        dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van
                                        algemene vergaderingen van een landelijke groep van
                                        gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het
                                        hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                        afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat
                                        van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte
                                        daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum
                                        van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; </al></li><li nr="b"><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij
                                        lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                        bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of
                                        bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid
                                        is van een landelijke groepsraad; </al></li><li nr="c"><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de
                                        centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar
                                        is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn
                                        vereniging aan die vergadering deelneemt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door
                                het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: </al><lijst><li nr="a"><al>om, indien hij daartoe door een centrale van
                                        overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of
                                        door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen,
                                        bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                        ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten
                                        vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                        apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze
                                        centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten
                                        vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste
                                        216 uren per kalenderjaar; </al></li><li nr="b"><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren
                                        - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten
                                        behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt
                                        gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee
                                        kalenderjaren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week
                                van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond
                                van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd
                                in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de
                                ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten
                                hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat
                                ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar
                                die: </al><lijst><li nr="a"><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                        overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1
                                        of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die
                                        rechtstreeks bij die centrale is aangesloten; </al></li><li nr="b"><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in
                                        het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een
                                        sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof
                                        met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is
                                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder
                                        dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van
                                        artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het verlof, bedoeld
                                        in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid
                                        verminderd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan
                                de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld
                                in het eerste lid, onder b. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij
                                lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel
                                12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging
                                verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie,
                                alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven
                                commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is
                                bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van
                                ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend
                                lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels
                                stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede,
                                derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur
                                per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond
                                van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18384.pdf">pdf4</extref>. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor
                                de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang
                                van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en
                                voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging
                                en vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft
                                op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt
                                op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat
                                artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze
                                inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                                vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                boven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                                vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het
                            genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder
                            bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die
                            welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof
                            wordt verleend voor maximaal één jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                functie voor ten hoogste twee jaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                                van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het
                                bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</titel></kop><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                            mindering gebracht op de vakantie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18385.pdf">pdf5</extref> recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover
                                lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt
                                vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten
                                hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op
                                doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het
                                daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming
                                van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar
                                die wordt bezoldigd volgens:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 1:</al></entry><entry colname="col3"><al>90%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b</al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col3"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col3"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col3"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col3"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col3"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het
                                betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht.
                                Het college kan hieromtrent nadere regels stellen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:1 Voorwaarden</titel></kop><al>De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten
                            minste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel
                            van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:2 Meerlingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op
                                betaald ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                                kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                                mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:3 Ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte
                                niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting
                                van het ouderschapsverlof plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14
                                kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                                vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak
                                op zijn volledige bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                                geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14
                                kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de
                                vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging,
                                die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14
                                kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de
                                opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige
                                bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1,
                                eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op
                                grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a"><al>het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een
                                        andere gemeente;</al></li><li nr="b"><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege
                                        werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag
                                        heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde
                                        partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken
                                        noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor
                                minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof
                                vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel
                                6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt
                                verminderd, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt,
                                dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het
                                eerste en derde lid bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende
                                bepaling</titel></kop><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid
                            voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a Overgangsrecht ouderschapsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18386.pdf">pdf6</extref> recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover
                                lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt
                                vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten
                                hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op
                                doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage
                                bepaald in het tweede en derde lid, indien:</al><lijst><li nr="a"><al>hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die
                                        jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen
                                        ouderschapsverlof is genoten, en</al></li><li nr="b"><al>hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van
                                        de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de
                                bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de
                                bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof
                                geldt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van
                                de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van
                                respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de
                                arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het
                                betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht.
                                Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet
                                wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het
                                tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale
                                uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst
                                waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a:1 Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</titel></kop><al>Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald
                            ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van
                            overeenkomstige toepassing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18387.pdf">pdf7</extref> zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft
                                gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18388.pdf">pdf8</extref>-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op
                                grond van het eerste lid recht heeft. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18389.pdf">pdf9</extref>-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                                de vrouwelijke ambtenaar de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18390.pdf">pdf10</extref>-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                                vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd,
                                danwel het recht op de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18391.pdf">pdf11</extref>-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                                aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18392.pdf">pdf12</extref>-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18393.pdf">pdf13</extref> recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft
                                gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18394.pdf">pdf14</extref>-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18395.pdf">pdf15</extref>-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                                de ambtenaar de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18396.pdf">pdf16</extref>-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                                vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd,
                                danwel het recht op de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18397.pdf">pdf17</extref>-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                                aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18398.pdf">pdf18</extref>-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                artikel 7:3, niet op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                                levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente
                                kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een
                                periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18
                                maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op
                                maximaal één periode van onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid
                                gestelde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                arbeidsduur of op een deel daarvan. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee
                                maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij
                                onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                hiermee instemmen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof
                                geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                                vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                                van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het
                                bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is,
                                eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in
                                schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake
                                is van verlof voorafgaand aan pensionering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof</titel></kop><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6a De gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling als
                                    bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b"><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                    kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                    vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c"><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                    ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                    ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d"><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door de
                                    ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                    ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e"><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een
                                    levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                    kapitaal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:2 Doel</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                            voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                            periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De
                            gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel
                            19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen
                                zoals genoemd in artikel 6a:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig
                                te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed
                                van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn
                                opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                                dienstbetrekking staat. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet
                                deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op
                                de loonbelasting 1964. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:5 Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg
                                per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6
                                genoemde bronnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:6 Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                            levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a"><al>het salaris;</al></li><li nr="b"><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c"><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d"><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e"><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                    bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f"><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3, lid 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering
                                van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd
                                met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage
                                van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op
                                jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking
                                minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar
                                rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan
                                ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen
                                recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5%
                                indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende
                                maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de
                                levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage
                                van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9,
                                eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                                december betaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de
                                ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage
                                op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de
                                levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat
                                de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het
                                eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel
                                3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7a Uitbetaling levensloopbijdrage 2008</titel></kop><al>De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het
                            kalenderjaar 2008 als gevolg van de wijziging van het uitbetalingsmoment
                            van juli naar december berekend over de maanden augustus 2007 tot en met
                            december 2008. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking
                            minimaal € 567. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                            vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                daarnaast:</al><lijst><li nr="a"><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c"><al>op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand
                                        waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:</al><lijst><li nr="a"><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een
                                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de
                                        Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6;</al></li><li nr="b"><al>ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een
                                        aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement
                                        van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale
                                        grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden
                                        overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de
                                ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het
                                college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn)
                                levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet
                                plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in
                                geval van beëindiging van het dienstverband. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                                afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als
                                voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in
                                artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde
                                verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse
                                aanbieders. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:10 Slotbepaling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk
                            9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van
                            hoofdstuk 9b van toepassing is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:11 Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in
                                een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die werkzaam is in
                            een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                            college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18399.pdf">pdf19</extref>, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7:1 Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de krachten
                                        en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                        aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                                        sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al></li><li nr="b"><al><vet>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie:</vet>
                                        loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer
                                        in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn
                                        vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9,
                                        derde lid;</al></li><li nr="c"><al><vet>scholing in het kader van de
                                        reïntegratie:</vet>scholing die gericht is op terugkeer in
                                        de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn
                                        vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9,
                                        derde lid;</al></li><li nr="d"><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                        arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in
                                        overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de
                                                bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
                                                worden verricht of;</al></li><li nr="-"><al>in een dienstongeval verband houdende met de aard
                                                van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere
                                                omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten
                                                worden verricht;</al></li></lijst><al>en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te
                                        wijten; </al></li><li nr="e"><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te
                                        stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en
                                        bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                                        verdienen;</al></li><li nr="f"><al><vet>arbodienst:</vet>een dienst als bedoeld in artikel 17,
                                        eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g"><al><vet>inactieve:</vet>de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                        aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering,
                                        WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die
                                        direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een
                                        gemeente;</al></li><li nr="h"><al><vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een uitkering
                                        functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering,
                                        ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die
                                        direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in
                                        dienst was van een gemeente of inactieve was;</al></li><li nr="i"><al><vet>geselecteerde zorgverzekeraar:</vet> Als geselecteerde
                                        zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1 januari
                                        2006 tot en met 31 december 2008 aangewezen IZA
                                        Zorgverzekeraar NV.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                            bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</titel></kop><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
                                overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt
                                door een arbo-dienst, overeenkomstig door het college te stellen
                                regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te
                            consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met
                            zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:4 Periodiek geneeskundig onderzoek</titel></kop><al>De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden
                            aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een
                            goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen
                            moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek
                            te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het college, na
                            overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:</al><lijst><li nr="a"><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                        aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede
                                        gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is
                                        gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn
                                        betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische
                                        oorzaken zijn aan te wijzen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het
                                eerste lid, te onderwerpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel
                                7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand
                                van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de
                                belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de
                                dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn
                                betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten
                                dienst gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet
                                plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke
                                of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij
                                tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor
                                zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                                toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld
                                met een verhindering wegens ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                                bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te
                                laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het
                                herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud,
                                het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg
                                van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid
                                gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn
                                volledige bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op
                                doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12
                                maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand
                                recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24
                                maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling
                                van 70% van zijn bezoldiging </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                                gebreken verstaan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                                bezoldiging over de uren waarop hij:</al><lijst><li nr="a"><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b"><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c"><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                                        verricht;</al></li><li nr="d"><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht
                                op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij
                                arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50%
                                van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid,
                                werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of
                                scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het
                                zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van
                                5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge
                                dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het
                                eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon,
                                berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is
                                als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het
                                eerste tot en met het vierde lid, op. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden
                                perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of
                                indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel
                                6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
                                geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al> De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede,
                                derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt
                                herplaatst in een andere functie.</al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al> Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht
                                op bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of
                                ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste
                                lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:4 Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een
                                seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op
                                doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien
                                verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging
                                doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben
                                gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof
                                geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in
                                artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter
                                bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij
                                doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn
                                geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst,
                                een aanvullende uitkering verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                                ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat
                                nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering,
                                vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke
                                aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de
                                bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand
                                aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van
                                arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
                                van:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>80% of meer: </al></entry><entry colname="col2"><al>95% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65 tot 80% </al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 tot 65% </al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 tot 55% </al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 tot 45% </al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het
                                        eerste lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
                                        ambtenaar 65 jaar wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van
                                dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van
                                wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of
                                bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van
                                het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
                                behandeling of verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                                voorschriften geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</titel></kop><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van
                            de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                            overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten
                            behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals
                            bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden
                            uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</titel></kop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                            lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                toepassing van artikel 2:7a</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing
                                van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot
                                aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met
                                deze feitelijke arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel
                                2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit
                                artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid
                                waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide
                                arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel
                                2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten
                                aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele
                                arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9 Verplichtingen college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te
                                treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat
                                de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat
                                wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht
                                en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid
                                voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de
                                ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan
                                van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het
                                plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
                                geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                                opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven
                                aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek-
                                en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking
                                bij ziekte</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                            noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                reïntegratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en
                                        mee te werken aan door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in
                                        artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        7:9, derde lid;</al></li><li nr="c"><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld
                                        in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking
                                te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1
                                te verrichten en hij door het college of een andere werkgever
                                daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid
                                te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                beantwoording van de vragen: </al><lijst><li nr="a"><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn
                                        betrekking wegens ziekte; </al></li><li nr="b"><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld
                                        onder a; </al></li><li nr="c"><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn
                                        betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt; </al></li><li nr="d"><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                        behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich
                                        niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende
                                        geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen
                                        voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een
                                        ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; </al></li><li nr="e"><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing
                                        wordt belemmerd of vertraagd; </al></li><li nr="f"><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het
                                        belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het
                                        belang van het behoud, het herstel of de bevordering van
                                        zijn arbeidsgeschiktheid; </al></li><li nr="g"><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan
                                        worden hervat. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van
                                medisch onderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</titel></kop><al>Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3
                            bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel
                                    7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar
                                    opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn
                                    betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op
                                    grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden
                                    gemaakt;</al></li><li nr="b"><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een
                                    half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde
                                    geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij
                                    onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft
                                    verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de
                                    verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit
                                    medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is
                                    afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te
                                    goeder trouw heeft gehandeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:2 Staken van doorbetaling van de bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt
                                gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het
                                        verlenen van medewerking aan een door of vanwege de
                                        arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te
                                        komen;</al></li><li nr="b"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte
                                        heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te
                                        stellen of te blijven stellen;</al></li><li nr="c"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                                        voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met
                                        uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een
                                        ingreep van heelkundige aard;</al></li><li nr="d"><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek
                                        schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt
                                        belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="e"><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
                                        onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet
                                        kan plaatshebben;</al></li><li nr="f"><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                        wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht,
                                        tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn
                                        genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe
                                        toestemming heeft verleend;</al></li><li nr="g"><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij
                                        heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst
                                        in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid
                                        voor zichzelf of derden;</al></li><li nr="h"><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst
                                        bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate,
                                        indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door
                                        de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft
                                        opgegeven;</al></li><li nr="i"><al>weigert om – op verzoek van het college – informatie te
                                        verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit
                                        hoofdstuk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de
                                ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan
                                worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft
                                wegens plichtsverzuim.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt
                                gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of
                                        getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste
                                        lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in
                                        staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;
                                    </al></li><li nr="b"><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        7:11, eerste lid, onder b.</al></li><li nr="c"><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe
                                        hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid,
                                vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke
                                toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in
                                het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:15:1 Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling
                                aan ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere
                                omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de
                                artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging,
                                geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de
                                artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog
                                aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de
                                second opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e,
                                f en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over
                                de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                ambtenaar opgedragen: </al><lijst><li nr="a"><al> door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke
                                        duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling;</al></li><li nr="b"><al> door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van
                                        proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling; </al></li><li nr="c"><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel
                                7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve
                                herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door
                                wijziging van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode
                                van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de
                                passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan
                                80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar
                                met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer
                                benut.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder
                                een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde
                                werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                                betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien
                                zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                                of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
                                waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden
                                voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie
                                die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:17 Terugkeer in betrekking na ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn
                                betrekking te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking
                                slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor
                                toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de
                                hervatting kan geschieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden
                                gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist
                                indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd
                                is geweest zijn betrekking te vervullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in
                            mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in
                            het kader van de reïntegratie op de bezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18:1 Inkomsten andere betrekking in mindering brengen
                                op bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van
                                zijn betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies
                                door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing
                                of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing
                                wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht,
                                worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op de
                                bezoldiging waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel
                                7:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend
                                een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van
                                het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke
                                benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid
                                bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:19 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met
                                ZW-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering,
                                wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het
                                bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW
                                gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is,
                                wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering
                                ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met
                                een volledige ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                                de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de
                                ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de
                                ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn
                                schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit
                                artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking
                                aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de
                                ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                                ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere
                                aan de ambtenaar uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:20 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een
                                WW-uitkering</titel></kop><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                            ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft
                            op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering
                            gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht
                            heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:21 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering
                                op grond van de WIA</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot
                                het vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een
                                IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering
                                gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht
                                heeft.Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel
                                een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame
                                arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een
                                bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering
                                uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering
                                naar rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in
                                mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de
                                bezoldiging wordt doorbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de
                                in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of
                                IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening
                                gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                                de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in
                                aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit
                                redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit
                                artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan
                                wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem
                                dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                                dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd
                                genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van
                                het bedrag plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking
                                aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of
                                IVA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</titel></kop><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                            aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht
                            heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het
                            Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</titel></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft
                            op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de
                            toepassing va dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van
                            de WIA.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24 Zorgverzekering</titel></kop><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren,
                            postactieven en inactieven met IZA Zorgverzekeraar NV een overeenkomst
                            als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24a Tegemoetkoming ziektekosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, die zowel de basisverzekering als <onderstreept>een
                                    aanvullende Classic- of Perfectverzekering bij IZA
                                    Zorgverzekeraar NV</onderstreept> heeft, heeft recht op een
                                tegemoetkoming in zijn ziektekosten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tegemoetkoming in ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in
                                de maand december uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft
                                de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in
                                ziektekosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24:1:1 Tegemoetkoming ziektekosten</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 7:24 lid a, wordt aan de ambtenaar, die zowel
                            een basisverzekering als een aanvullende verzekering afsluit,
                            gelijkwaardig aan het IZA Classic pakket, een tegemoetkoming in zijn
                            ziektekosten verleend. Voor de uitvoering is artikel 7:24 lid 2 tot en
                            met 4 van toepassing. Bij wijziging van artikel 7:24 als gevolg van
                            CAO-wijzigingen, wordt dit artikel eveneens aangepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                salaris van de ambtenaar maal de deeltijdfactor lager is dan of
                                gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van
                                schaal 6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen
                                wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van
                                de tijd dat hij in dienst is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt
                                is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste
                                maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</titel></kop><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een
                            tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de
                            tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De ambtenaar
                            is verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke
                            tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25b Inhouding ziektekostenpremies</titel></kop><al>Premies die de ambtenaar en/of zijn gezinsleden verschuldigd zijn aan de
                            geselecteerde zorgverzekeraar worden door het college op de bezoldiging
                            van de desbetreffende ambtenaar ingehouden en afgedragen aan de
                            geselecteerde zorgverzekeraar, tenzij de ambtenaar schriftelijk aan de
                            geselecteerde zorgverzekeraar heeft meegedeeld hiertegen bezwaar te
                            hebben, of tenzij de som van de af te dragen premies hoger is dan de
                            netto bezoldiging van de ambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
                                december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van
                                dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt,
                                blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31
                                december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de
                                betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de
                                betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                                Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem,
                                die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien
                                hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet
                                wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid
                                onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien
                                naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op
                                een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid
                                is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                                toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid
                                wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid
                                waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en
                                bekwaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van
                                aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden
                                100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de
                                bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke
                                betrekking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de
                                ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is
                                herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering,
                                invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in
                                verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de
                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die
                                kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij
                                weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk
                                inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag
                                van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde
                                of de verloren gegane inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de
                                        leeftijd van 65 jaar bereikt;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1,
                                7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van
                                toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1,
                                7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden
                                op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18400.pdf">pdf20</extref>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond
                                van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1,
                                7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1,
                                7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18401.pdf">pdf21</extref> , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21,
                                eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als
                                een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1
                                januari 2006 . </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte
                                van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring
                                van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel
                                7:3, eerste tot en met het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet
                                van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals
                                dat gold op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18402.pdf">pdf22</extref> , van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28a Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18403.pdf">pdf23</extref>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28b Overgangsartikel</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                            artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van
                            toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Ontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang
                                van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie
                                maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste
                                lid worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig
                                is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor
                                disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek
                                om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de
                                strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf
                                onherroepelijk is geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2 Ontslag wegens ouderdomspensioen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar die de volgens artikel 7.3, eerste lid van het
                                pensioenreglement voor het recht op ouderdomspensioen vereiste
                                leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de eerste dag van de
                                maand waarin hij de bedoelde leeftijd bereikt eervol ontslag
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar niet
                                (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag verleend
                                met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de
                                65-jarige leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar
                                hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2a Ontslag wegens ouderdompensioen</titel></kop><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na de
                            leeftijd van 65 jaar in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de
                            aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2, tweede
                            lid, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht.
                            Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van
                                zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het
                                dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd,
                                ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd
                            in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het
                            aan de betrokken ambtenaren medegedeeld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een IVA-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                                ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.
                                Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan
                                gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is
                                van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de
                                claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke
                                herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                                ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze
                                melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste
                                ziektedag. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                                betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan
                                vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
                                wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs
                                niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                verlengd: </al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
                                wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte
                                mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden
                                indien: </al><lijst><li nr="a"><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                        betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36
                                        maanden;</al></li><li nr="b"><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de
                                        ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op
                                        te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is
                                van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de
                                claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een
                                mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake
                                is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan
                                de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld.
                                Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de
                                eerste ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand
                                aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens
                                ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
                                minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan
                                en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel
                                a, wordt verlengd</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende
                                arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig
                                is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid
                                op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn
                                van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel
                                7:16 overeenkomstig toegepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie
                                wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij
                                zonder deugdelijke grond weigert:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee
                                        te werken aan door het college of een door hem aangewezen
                                        deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen
                                        de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in
                                        artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten
                                        waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;</al></li><li nr="c"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        25, tweede lid, van de WIA;</al></li><li nr="d"><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
                                het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend
                                advies van het UWV in.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of
                                ongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op
                                grond van dit artikel wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a"><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                                    bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij
                                    aanvaarding van de betrekking geldt;</al></li><li nr="b"><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                                    betrekking zou uitsluiten;</al></li><li nr="c"><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                    rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="d"><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                    onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e"><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                    misdrijf;</al></li><li nr="f"><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                    indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt
                                    kan worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag
                            op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet
                            eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het
                            ontslag voor het eerst aanwezig was.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op
                                een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden
                                in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel
                            8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                            vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
                            een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen
                            tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij
                            ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het
                            college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10 Ontslag wegens Pré-vut</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Behoudens het bepaalde in het volgende lid wordt aan de ambtenaar
                                op zijn verzoek eervol ontslag verleend, indien hij op de datum van
                                zijn ontslag recht heeft op een uitkering ingevolge het bepaalde in
                                artikel 5:2.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag wegens pré-vut wordt slechts verleend, indien het bestuur
                                van de Stichting pensioenfonds ABP op een desbetreffend verzoek
                                heeft beslist, dat na het te verlenen ontslag recht bestaat op een
                                uitkering op grond van het FPU-reglement basis- en aanvullende
                                uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10:1 Ontslag wegens Pré-vut</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het ontslag, bedoeld in artikel 8:10, tweede lid, gaat eerst in met
                                ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge het
                                FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 8:1:1, is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 8:10, eerste lid, geldt niet ten aanzien
                                van de ambtenaar op wie artikel 9:1:2 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11 Ontslag wegens FPU</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op
                                grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het
                                bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
                                overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting
                                pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben
                                vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een
                                uitkering op grond van die regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte
                                van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week
                                worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen
                                verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de
                                formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt
                                telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10% van de
                                oorspronkelijke formele arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11:1 Ontslag wegens FPU</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van
                                de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                                urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
                                rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien
                                na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband
                                feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is
                                verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd
                                te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                            </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan
                                ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                aanstelling leidde is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is
                                aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag
                                worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding
                                leidde, is vervallen. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan
                                niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4
                                zijn overschreden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een
                                tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling
                                of urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan
                                ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in
                                dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook
                                ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke
                                aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid,
                                wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a"><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;</al></li><li nr="b"><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter
                                        dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al></li><li nr="c"><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft
                                        geduurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de
                                bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</titel></kop><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                            worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                                vakorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>wet: Wet op de ondernemingsraden; </al></li><li nr="b"><al>ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de
                                        wet; </al></li><li nr="c"><al>ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede
                                        lid, van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a"><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst
                                        als bedoeld in artikel 9 van de wet; </al></li><li nr="b"><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c"><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel
                                        15 van de wet; </al></li><li nr="d"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                        geweest van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                        geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit
                                dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in
                                artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is
                                aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te
                                ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q.
                                binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag
                                op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene
                                schriftelijk in het ontslag toestemt. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                                toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing
                                op die secretaris. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door
                                het college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                        onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de
                                        oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b"><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van
                                        het Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                        uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c"><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                        misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d"><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het
                                        belang van de dienst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                                        ingaat;</al></li><li nr="b"><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                        omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing
                                        aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c"><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                        schorsing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b
                                of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden;
                                na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere
                                vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag
                                van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het
                                derde lid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a,
                                kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van
                                ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden
                                ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van
                                de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging
                                geheel gestaakt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de
                                ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft
                                de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan
                                het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt
                                alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de
                                strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in
                                zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.
                            </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt
                                alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de
                                ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                                aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                vervuld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld,
                                met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een
                                omschrijving of aanduiding van die datum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het
                                ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan
                                tot en met de dag van het overlijden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd
                                gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden
                                vermeerderd met de vakantietoelage. Als maatstaf bij de berekening
                                van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking
                                genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende
                                bezoldiging per maand. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar
                                of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve
                                van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken
                                ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de
                                overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen,
                                broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid,
                                nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan
                                geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten
                                van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de
                                nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten
                                ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven
                                verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar
                                plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de
                                achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin
                                zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken
                                als het college dat in het belang van de dienst noodzakelijk
                                acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een
                                vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden
                                deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning
                                behouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de
                                dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks
                                gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de
                                weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner een uitkering verstrekt.
                                Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner
                                nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige wettige,
                                natuurlijke en pleegkinderen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitkering bedraagt één jaarbezoldiging, berekend over de 12
                                kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                overlijden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                uitkering komt in geval de ambtenaar overlijdt als gevolg van een
                                ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van
                                het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft
                                verzekerd, met een minimum van één jaarbezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele
                                arbeidsduur</titel></kop><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk
                            wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan,
                            dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit
                            hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op
                            grond van artikel 7:16.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de
                                artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5
                                en 8:5a, zoals die golden op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18404.pdf">pdf24</extref>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de
                                artikelen 8:5 en 8:5a , is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die
                                op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de
                                artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5
                                en 8:5a, zoals die golden op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18405.pdf">pdf25</extref>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel
                                8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18406.pdf">pdf26</extref>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                            artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel
                            8:5 van toepassing, zoals dat gold op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18407.pdf">pdf27</extref>.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9:1 Ontslag wegens FLO</titel></kop><al>Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het
                            bepaalde in artikel 8:3, zoals bedoeld in artikel 9:15, wordt met ingang
                            van de datum van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse
                            uitkering toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:1:1 Ontslag wegens FLO</titel></kop><al>Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk
                            verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een
                            uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:1:2 Ontslag wegens FLO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De in artikel 8:3:1, eerste lid bedoeld in artikel 9:15:1, bedoelde
                                datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de ambtenaar, dan
                                wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor de duur van ten
                                hoogste een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar
                                te verlengen, worden opgeschort, indien dit door het bestuursorgaan,
                                bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het belang van de dienst
                                wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de uitslag van een
                                geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in staat kan
                                worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde
                                in het eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig
                                onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere
                                vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag worden verleend met
                                ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is
                                gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:2 Bedrag en duur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het
                                ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan
                                diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel doch
                                ten hoogste 10 malen 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal
                                volle dienstjaren geldig voor pensioen krachtens het
                                pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30 bedraagt.
                                Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met
                                dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het
                                bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben
                                indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn
                                ontslag en in aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in
                                artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken
                                van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                                bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de
                                bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de
                                vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand,
                                en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met dien verstande
                                dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning
                                slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag
                                dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan
                                het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan
                                de gewezen ambtenaar is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                                verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke
                                verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar
                                op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum
                                van in werking treden dier wijziging af het aldus gewijzigde bedrag
                                als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend
                                indien de ambtenaar na 1 januari 2006 gebruik maakt van de
                                mogelijkheid van artikel 9:1:2, eerste lid om de ingang van het
                                ontslag uit te stellen. Overschrijdt de uitkering de oude
                                bezoldiging dan wordt het meerdere omgezet in ouderdoms- en
                                nabestaandenpensioen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:3 Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector
                                Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten;
                                    </al></li><li nr="b"><al>Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel
                                        uitmaakt van de LOGA-overeenkomst met betrekking tot de
                                        financiering van het functioneel leeftijdsontslag. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling bedoelde
                                bijdrage af te dragen aan het Vereveningsfonds voor alle bij hun in
                                dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de
                                FPU-regeling moet worden afgedragen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft verhaald
                                op de bij de instellingen in dienst zijnde personen voor wie premie
                                ten behoeve van de FPU-regeling wordt afgedragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4 Samenloop met FPU</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of ouder
                                gelegen is na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht een
                                uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen. De uitkering als
                                bedoeld in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling indien de ambtenaar
                                geen toestemming verleent om de uitkering krachtens de FPU-regeling
                                via de werkgever tot uitbetaling te laten komen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet tijdig
                                de uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem dit
                                redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode waarin
                                hij dientengevolge voornoemde uitkering niet of niet volledig
                                ontvangt, voor de toepassing van lid 3 van dit artikel rekening
                                gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum zou hebben
                                genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel tijdig zou hebben
                                aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat,
                                verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de
                                FPU-regeling, met dien verstande dat buiten beschouwing blijft dat
                                gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is
                                op een individuele opbouw krachtens artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van
                                het pensioenreglement.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                in het tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering krachtens de
                                FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt verklaard dan wel
                                geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor de
                                toepassing van lid 3 van dit artikel geacht onverminderd te zijn
                                genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op
                                uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in
                                verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering
                                krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met
                                ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan, wordt op
                                de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk
                                aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering
                                krachtens artikel 9:2 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering
                                krachtens deze regeling is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste
                                lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf
                                ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die
                                inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen
                                ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn
                                van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen
                                ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij,
                                voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien
                                hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten
                                tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het
                                verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te
                                doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig
                                vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de
                                inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of
                                sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der
                                werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten
                                worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en
                                kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast
                                naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van
                                nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Dit lid
                                vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of
                                bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1, tweede en
                                derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het
                                eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen
                                dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts
                                gedeeltelijk wordt uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de
                                uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel
                                van het college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken
                                welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4:3 Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of
                                ongeval</titel></kop><al>Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en
                            die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken in
                            verband met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of
                            verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die
                            aanspraken bestaan, verminderd met het bedrag daarvan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:5 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62
                                jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het
                                pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de
                                pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting
                                gedragen door de gemeente voor zover het pensioenopbouw voor de
                                helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het
                                bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten
                                worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou
                                opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten
                                van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw
                                voor meer dan de helft plaats vindt, komen volledig ten laste van de
                                gewezen ambtenaar.</al><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag
                                schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a"><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van
                                        62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van
                                        artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b"><al>dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven
                                        mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te
                                        blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in
                                        vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de gewezen
                                        ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar bereikte als
                                        gevolg van de toepasselijkheid van artikel 9:5 lid 1;</al></li><li nr="c"><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                        gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid
                                        die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                                        moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
                                        ABP;</al></li><li nr="d"><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                                        de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de
                                        werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanschrijving bedoeld in het eerste lid wordt herhaald in de
                                drie maanden voor de dag dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar
                                bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:6:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:7:1 Verval van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering vervalt:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen
                                        ambtenaar is overleden;</al></li><li nr="b"><al>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
                                        jaren bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden verklaard
                                indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het college
                                zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn
                                ontslagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:8:1 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar
                                heeft de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die krachtens
                                het pensioenreglement recht heeft op een nabestaandenpensioen, recht
                                op een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9:2 over
                                een tijdvak van drie maanden welk bedrag in voorkomend geval wordt
                                verminderd met de uitkering bij overlijden krachtens de
                                FPU-regeling. Wordt geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner
                                als bedoeld in de vorige volzin nagelaten, dan verkrijgen de
                                minderjarige kinderen van de overledene recht op bedoelde uitkering.
                                Ontbreken ook zodanige kinderen, dan hebben, indien de overledene
                                kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of
                                zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste
                                lid recht hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan kan
                                dit bedrag door het college geheel of ten dele worden aangewend voor
                                de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de
                                lijkbezorging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:9:1 FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen</titel></kop><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald welke
                            leeftijdsgrenzen gelden voor de vervulling van de daarbij vermelde
                            betrekkingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:10:1 Ingangsdatum ontslag wegens FLO</titel></kop><al>Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1
                            genoemd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de
                            leeftijdsgrens als genoemd in dat artikel reeds heeft bereikt, wordt hem
                            eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand
                            volgende op die waarin deze regeling in werking treedt, tenzij
                            overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                            9:1:2, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:11 Tijdelijke regeling</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:12 Tijdelijke regeling</titel></kop><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag wordt verleend
                            en die recht heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk, heeft
                            totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld recht op een maandelijkse
                            uitkering waarvan het bedrag berekend wordt op basis van de bepalingen
                            van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:13 Slotbepaling</titel></kop><al>Ambtenaren aan wie op of na 1 januari 2006 FLO-ontslag is verleend en
                            die op grond van artikel 9:12 een maandelijkse uitkering hebben
                            ontvangen, worden met ingang van 1 juli 2006 geacht te zijn ontslagen op
                            grond van artikel 8:11 en worden onder de werking van hoofdstuk 9b
                            gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:14 Slotbepaling</titel></kop><al>Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofdstuk
                            geen uitkering meer verleend worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:15 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:15:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:16 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                            bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9a:1 Algemeen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006
                            in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3,
                            zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18408.pdf">pdf28</extref> .</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:2 Definities</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                    belasting door het frequent draaien van piket of het werken in
                                    roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                    werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                    gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b"><al><vet>de tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de
                                    organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de
                                    gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de
                                    bezwarende functie en die past bij de richting zoals afgesproken
                                    is in het loopbaanplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:4 Het loopbaanplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                                functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de
                                ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten
                                de gemeentelijke dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende
                                bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan
                                de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis
                                en vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen
                                opleiding en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na
                                maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in een bezwarende functie een
                                tweede loopbaan te beginnen. Het loopbaanplan omvat in ieder geval
                                die opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de
                                brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau.
                                Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend worden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen
                                aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het
                                loopbaanplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding
                                opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                                geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen
                                van het college als met de belangen van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot
                                benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het college die
                                de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te
                                voeren.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                                college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de
                                activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a"><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b"><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                        wordt;</al></li><li nr="c"><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de
                                        activiteit plaatsvindt;</al></li><li nr="d"><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e"><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de
                                        te volgen scholing;</al></li><li nr="f"><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="g"><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                        scholing;</al></li><li nr="h"><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i"><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                        ondernemen activiteit kan worden onderbroken of
                                        gestopt;</al></li><li nr="j"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:6 Terugbetaling</titel></kop><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die
                            het college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de
                            activiteiten dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed,
                            terug te betalen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke
                                dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan
                                binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief
                                plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats
                                door aanpassing van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats
                                door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende
                                functie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het
                                loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet
                                begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13
                                disciplinair ontslag verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                                wanneer:</al><lijst><li nr="a"><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het
                                        college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet
                                        nakomt;</al></li><li nr="b"><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en
                                        de ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.</al></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de
                                bezwarende functie door te werken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen
                                wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet
                                medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken,
                                geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt;
                                overbruggingsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende
                                functie door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal
                                jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is
                                geweest.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                                overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                                overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is
                                vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12
                                maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het
                                salaris.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht
                                op de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze
                                hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel
                                7:3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom
                                van:</al><lijst><li nr="a"><al> het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid,
                                        onderdeel b, </al></li><li nr="b"><al> de vakantieuitkering, </al></li><li nr="c"><al> de eindejaarsuitkering, </al></li><li nr="d"><al> de functioneringstoelage, </al></li><li nr="e"><al> de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f"><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                                        toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar
                                        zijn toegekend, berekend over een periode van 12 maanden
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het begin van de tweede
                                        loopbaan. Indien verlofopname door de ambtenaar in deze 12
                                        maanden heeft geleid tot een wijziging van de feitelijke
                                        uitbetaling van de bezoldiging, werkt die wijziging door in
                                        de oude bezoldiging. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede
                                loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het
                                negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude
                                salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging,
                                zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging
                                wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze
                                in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de
                                organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest,
                                die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een aflopende
                                afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het verschil tussen
                                de oude toelagen en vergoedingen en eventuele toelagen en
                                vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De afbouwtoelage
                                bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al> het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b"><al> het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c"><al> het derde jaar 50%; </al></li><li nr="d"><al> het vierde jaar 25%.</al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de
                                generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector
                                wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag
                                waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen,
                                behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de
                                afbouwtoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging
                                wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze
                                in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie
                                van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van
                                het verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris,
                                inclusief eventuele toelagen en vergoedingen. Het nieuwe
                                jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen, wordt
                                berekend naar het bedrag dat voor de ambtenaar bij indiensttreding
                                bij de nieuwe werkgever is vastgesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                        beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke
                                        ambulancedienst; en</al></li><li nr="b"><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door
                                        het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18409.pdf">pdf29</extref>, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft
                                        vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat
                                        luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18410.pdf">pdf30</extref>, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar
                                        of ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar
                                die</al><lijst><li nr="a"><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                                        ambulancedienst, of</al></li><li nr="b"><al>overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps,
                                        dan wel naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij
                                        bij de overstap tussen de werkgever en ambtenaar andere
                                        afspraken zijn gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de
                                functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie
                                is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18411.pdf">pdf31</extref>, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                ouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bezoldiging:</vet> de optelsom van</al><lijst><li nr="I"><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub
                                            b, </al></li><li nr="II"><al> de vakantieuitkering;</al></li><li nr="III"><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV"><al> de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V"><al> de waarnemingstoelage en </al></li><li nr="VI"><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                                            toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar
                                            zijn toegekend, met uitzondering van de
                                            levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9,
                                            berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk
                                            voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de
                                            toepassing van artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel
                                            9b:25, zesde lid, artikel 9b:26, artikel 9b:47 en
                                            artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met uitzondering
                                            van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25, na
                                            deze datum geïndexeerd met de generieke
                                            salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector
                                            wordt overeengekomen. Indien verlofopname door de
                                            ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot een
                                            wijziging van de feitelijke uitbetaling van de
                                            bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid,
                                            onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="b"><al><vet> bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                    belasting door het frequent draaien van piket of het werken in
                                    roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                    werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                    gezondheidsklachten; </al></li><li nr="c"><al><vet>dienstjaren voor brandweerpersoneel:</vet> de jaren in
                                    dienst van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren
                                    werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het
                                    stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment recht
                                    gaf op functioneel leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger
                                    bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en
                                    regelmatig in de uitruk is ingezet en men niet tegelijkertijd
                                    een aanstelling had als beroepsbrandweer. Bij twijfel over het
                                    aantal dienstjaren als vrijwilliger dient de ambtenaar
                                    aannemelijk te maken hoeveel jaren hij als vrijwilliger is
                                    ingezet; </al></li><li nr="d"><al><vet>dienstjaren voor ambulancepersoneel: </vet>de jaren
                                    werkzaam bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren
                                    werkzaam bij een ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een
                                    ambulancedienst in de particuliere sector en de jaren werkzaam
                                    als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits
                                    dit een functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel
                                    leeftijdsontslag; </al></li><li nr="e"><al><vet> FPU-uitkering:</vet> de uitkering in het kader van de
                                    FPU-regeling; </al></li><li nr="f"><al><vet> niet-bezwarende functie:</vet> een functie die niet valt
                                    onder de definitie van onderdeel b; </al></li><li nr="g"><al><vet> tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de
                                    organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de
                                    gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de
                                    bezwarende functie; </al></li><li nr="h"><al><vet> onbezoldigd volledig verlof:</vet> verlof voor de formele
                                    arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949
                            en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende
                            functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949
                                met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand
                                volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt
                                volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van 80%
                                van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Voor zover het
                                dienstbelang het toelaat, kan de ambtenaar vanaf de datum bedoeld in
                                de eerste volzin in plaats van het volledig buitengewoon verlof als
                                hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de volgende mogelijkheden: </al><lijst><li nr="a"><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt
                                        een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar
                                        geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning
                                        van de bonus; </al></li><li nr="b"><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken,
                                        tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                        bezoldiging;</al></li><li nr="c"><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus
                                        wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende
                                        jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de
                                        bonus.</al></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk
                                is en de werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel
                                als alternatief voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking
                                werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende
                                bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid
                                bedoelde datum het college door middel van een verzoek bekend naar
                                welke variant zijn voorkeur uitgaat. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18412.pdf">pdf32</extref>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a
                                en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te
                                werken. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid gestelde
                                keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een periode van
                                een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is
                                om door te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes
                                kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover
                                het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment,
                                bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat
                                de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel
                                9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als voorwaarde dat als tweede en
                                eventueel volgende keuze alleen een optie in aanmerking komt waarbij
                                minder gewerkt wordt dan bij de eerdere keuze. Het tweede lid is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari
                                2011 gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van
                                het eerste lid van dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een
                                functie bekleedde waaraan salarisschaal 6 of lager was verbonden,
                                ontvangt gedurende die periode € 500,- netto per kalenderjaar. De
                                ambtenaar die in deze periode geen volledig kalenderjaar gebruik
                                maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato.
                                Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                                betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een
                                vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het
                                totaalbedrag, waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald
                                dat hoger is dan de reeds ontvangen vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel
                                9b:4</titel></kop><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c,
                            wordt geen pensioen wordt opgebouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                                9b:4</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                            vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                            werkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin
                            en onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                            respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:8 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                artikel 9b:4</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig
                            buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor
                            de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                            ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                artikel 9b:4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4,
                                eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                                in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of
                                na de datum waarop artikel 9b:4 van kracht is geworden, wordt op de
                                doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de
                                doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4 van kracht is
                                geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:4.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt
                                en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen
                                te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel
                                die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b,
                                wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                                hij de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig verlof
                                verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18413.pdf">pdf33</extref>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het
                                vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer
                                het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18414.pdf">pdf34</extref>, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar,
                                het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum
                                daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                                onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage
                                als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage
                                als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:13 Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</titel></kop><al>In plaats van de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in artikel
                            7:24a en artikel 7:25, wordt de ambtenaar, zolang het onbezoldigd
                            volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, voortduurt, voor de premie
                            van de IZA-verzekering als postactief beschouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                            artikel 9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:15 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:16 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                            in artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd
                            volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                            9b:11, telt niet mee voor de berekening van de
                            ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar
                                valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18415.pdf">pdf35</extref>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van
                                herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel
                                9b:4 tot en met artikel 9b:18 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar
                                en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze
                                ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is, verandert deze
                                keuze in een keuze die op grond van zijn medische geschiktheid nog
                                wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4,
                                eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die
                                resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem
                                blijft artikel 9b:11 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18416.pdf">pdf36</extref>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie
                                van de gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een
                                garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude
                                bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het
                                totaalinkomen wordt de nieuwe bezoldiging gerekend, alsmede de
                                uitkeringen die de ambtenaar in verband met zijn
                                arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief
                                herplaatst wordt in een functie met een lager totaalinkomen buiten
                                de organisatie van de gemeente, maken het college en de ambtenaar
                                afspraken over een financiële regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                            college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                            op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18417.pdf">pdf37</extref>, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling
                            van hoofdstuk 9e van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53
                                jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van
                                het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                                behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde
                                loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend
                                is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend
                                dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig
                                dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP
                                Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het
                                tweede lid, het in het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                Pensioen gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt
                                berekend tot het moment van uittreden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie
                                van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg
                                met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>leeftijd </al></entry><entry colname="col2"><al>factor </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col5"><al>factor </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col8"><al>factor </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,281 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>0,438 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>48</al></entry><entry colname="col8"><al>0,682 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,290</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>34</al></entry><entry colname="col5"><al>0,451</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>49</al></entry><entry colname="col8"><al>0,703 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,298 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,464</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry><entry colname="col8"><al>0,723 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,308</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>36</al></entry><entry colname="col5"><al>0,479 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>51</al></entry><entry colname="col8"><al>0,745 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,317</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>37</al></entry><entry colname="col5"><al>0,493 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>52</al></entry><entry colname="col8"><al>0,768</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,326</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>38</al></entry><entry colname="col5"><al>0,508</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>53</al></entry><entry colname="col8"><al>0,791</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,335 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>39</al></entry><entry colname="col5"><al>0,523</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry><entry colname="col8"><al>0,814 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,346</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,539</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>55</al></entry><entry colname="col8"><al>0,839 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,356</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>41</al></entry><entry colname="col5"><al>0,555 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>56</al></entry><entry colname="col8"><al>0,864 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,366</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>42</al></entry><entry colname="col5"><al>0,572</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>57</al></entry><entry colname="col8"><al>0,891</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,378</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>43</al></entry><entry colname="col5"><al>0,588</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>58</al></entry><entry colname="col8"><al>0,916 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,389 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>44</al></entry><entry colname="col5"><al>0,606 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>59</al></entry><entry colname="col8"><al>0,944</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,400 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>45</al></entry><entry colname="col5"><al>0,624</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>0,973 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,413 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>46</al></entry><entry colname="col5"><al>0,643 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>61</al></entry><entry colname="col8"><al>1,002 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,425 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>47</al></entry><entry colname="col5"><al>0,663</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren
                                vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b: 22b Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer
                                    uit de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                    blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                            uittreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949
                            en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                            functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en
                                tenzij tweede loopbaan gestart wordt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder
                                toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam tot
                                het moment, bedoeld in artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de
                                ambtenaar in het kader van het loopbaanplan hierover andere
                                afspraken maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de
                                maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a van
                                toepassing, met inachtneming van de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18418.pdf">pdf38</extref>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede
                                loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie binnen de organisatie
                                van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een
                                procedure voor erkenning verworven competenties zijn competenties
                                laten erkennen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan
                                heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten, voor zover
                                redelijk, van een extern loopbaanadvies.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere
                                functie aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, ontvangt,
                                in afwijking van artikel 9a:11, eerste tot en met zevende lid, een
                                garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude
                                bezoldiging en de nieuwe bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het college en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan
                                afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het
                                kader van de tweede loopbaan buiten de organisatie van de gemeente
                                een functie aanvaardt met een lager totaalinkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand volgend
                                op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt 50% van de
                                voor hem geldende formele arbeidsduur werken tegen doorbetaling van
                                90% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Indien dit voor
                                het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                                werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als
                                alternatief 60% van een volledige betrekking werken tegen
                                doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18419.pdf">pdf39</extref>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld in
                                het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld
                                in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt
                                ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43, eerste lid, van toepassing.
                            </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde
                                moment later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar.
                                Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door
                                te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes
                                kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:27 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                                9b:26</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                                en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de
                            artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en
                            artikel 6:3 niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor
                                de ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren heeft,
                                wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                                hij een bepaalde leeftijd bereikt, volledig buitengewoon verlof
                                verleend, tegen doorbetaling van een bepaald percentage van de voor
                                de ambtenaar geldende bezoldiging. De leeftijd en het percentage
                                zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1 januari 2006. De
                                leeftijd waaraan de ingangsdatum van het volledig buitengewoon
                                verlof is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment wordt
                                betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a"><al> 5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75% </al></li><li nr="b"><al> 10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78% </al></li><li nr="c"><al> 15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18420.pdf">pdf40</extref>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die
                                periode, waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft
                                gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                                9b:28</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar
                            pensioen op over de volledige bezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                artikel 9b:28</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig
                            buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of 80%
                            van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening
                            van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26
                                en 9b:28</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt
                            opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de
                            ambtenaar werkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:32 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:33 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                artikel 9b:26 en artikel 9b:28</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26
                                en artikel 9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband
                                met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                datum waarop artikel 9b:26 van kracht is geworden, wordt op de
                                doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de
                                doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:26 van kracht is
                                geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:26.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt
                                en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen
                                te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van 60
                                jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18421.pdf">pdf41</extref>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van
                                het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie
                                het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18422.pdf">pdf42</extref>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later
                                laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                                ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                                functie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum
                                daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                                onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage
                                als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage
                                als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:37 Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</titel></kop><al>In plaats van de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in artikel
                            7:24a en artikel 7:25, wordt de ambtenaar, zolang het onbezoldigd
                            volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, voortduurt, voor de premie
                            van de IZA-verzekering als postactief beschouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                            artikel 9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:39 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:40 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                            in artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd
                            volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                            9b:35, telt niet mee voor de berekening van de
                            ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld
                                in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in artikel
                                9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar
                                valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18423.pdf">pdf43</extref>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum
                                van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                            college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                            op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18424.pdf">pdf44</extref>, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling
                            van hoofdstuk 9e van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende
                                dienstjaren heeft op het moment van storting, op de leeftijd van 53
                                jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van
                                het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                                behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde
                                loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend
                                is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend
                                dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig
                                dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20
                                dienstjaren heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het
                                eerste lid gedeeld door 20 en vermenigvuldigd met het aantal
                                dienstjaren dat de ambtenaar heeft op de leeftijd van 53 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de
                                bezwarende functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd van
                                59 jaar of tot een moment hiervoor, wanneer eerder 20 dienstjaren
                                bereikt zijn, een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte
                                van het inkomen in dat jaar x de deeltijdfactor in dat jaar x 2,85%
                                maal de leeftijdsafhankelijke factor, die hoort bij de leeftijd op
                                het moment van het recht op uitbetaling. De leeftijd van 59 jaar is
                                60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op 31 december
                                2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP
                                Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar
                                overgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het
                                vierde lid, het in het eerste lid genoemde of, indien van
                                toepassing, het in het tweede lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                Pensioen, gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt
                                berekend tot het moment van uittreden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken, als
                                bedoeld in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal dienstjaren
                                niet verhoogd met het aantal jaren na 59 jaar.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal dienstjaren
                                niet verhoogd met het aantal jaar na 59 jaar. De leeftijd van 59
                                jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op 31
                                december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie
                                van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg
                                met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                geboren met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>leeftijd </al></entry><entry colname="col2"><al>factor </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col5"><al>factor </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col8"><al>factor </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,281 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>0,438 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>48</al></entry><entry colname="col8"><al>0,682 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,290</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>34</al></entry><entry colname="col5"><al>0,451</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>49</al></entry><entry colname="col8"><al>0,703 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,298 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,464</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry><entry colname="col8"><al>0,723 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,308</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>36</al></entry><entry colname="col5"><al>0,479 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>51</al></entry><entry colname="col8"><al>0,745 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,317</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>37</al></entry><entry colname="col5"><al>0,493 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>52</al></entry><entry colname="col8"><al>0,768</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,326</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>38</al></entry><entry colname="col5"><al>0,508</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>53</al></entry><entry colname="col8"><al>0,791</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,335 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>39</al></entry><entry colname="col5"><al>0,523</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry><entry colname="col8"><al>0,814 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,346</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,539</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>55</al></entry><entry colname="col8"><al>0,839 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,356</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>41</al></entry><entry colname="col5"><al>0,555 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>56</al></entry><entry colname="col8"><al>0,864 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,366</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>42</al></entry><entry colname="col5"><al>0,572</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>57</al></entry><entry colname="col8"><al>0,891</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,378</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>43</al></entry><entry colname="col5"><al>0,588</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>58</al></entry><entry colname="col8"><al>0,916 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,389 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>44</al></entry><entry colname="col5"><al>0,606 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>59</al></entry><entry colname="col8"><al>0,944</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,400 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>45</al></entry><entry colname="col5"><al>0,624</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>0,973 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,413 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>46</al></entry><entry colname="col5"><al>0,643 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>61</al></entry><entry colname="col8"><al>1,002 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,425 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>47</al></entry><entry colname="col5"><al>0,663</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren
                                vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer
                                    uit de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                    blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                            uittreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:46 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een bezwarende
                            functie, die geboren is voor 1950.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:47 Aanvulling op FPU-uitkering voor de ambtenaar
                                geboren voor 1950 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt onder de voorwaarde dat hij een FPU-uitkering
                                aanvraagt en ontvangt, vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                                die waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt, volledig ontslag
                                verleend op grond van artikel 8:11. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De datum van ontslag, bedoeld in het eerste lid, gaat zoveel later
                                in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18425.pdf">pdf45</extref>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                inachtneming van het tweede lid, verzoeken om de datum van ontslag,
                                bedoeld in het eerste lid, later laten ingaan, telkens met een
                                periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De FPU-uitkering van de ambtenaar wordt tot de leeftijd van 60 jaar
                                aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna wordt de FPU-uitkering
                                aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij toepassing van het derde lid wordt de aanvulling bedoeld in het
                                vierde lid actuarieel neutraal verhoogd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:47a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62
                                jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het
                                pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de
                                pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting
                                gedragen door de gemeente voor zover het pensioenopbouw voor de
                                helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het
                                bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten
                                worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou
                                opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten
                                van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw
                                voor meer dan de helft plaats vindt, komen te allen tijde volledig
                                ten laste van de gewezen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                                ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a"><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van
                                        62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van
                                        artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b"><al>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                                        weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft
                                        pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten
                                        in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de
                                        gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar
                                        bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel
                                        9b:47 lid 1;</al></li><li nr="c"><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                        gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid
                                        die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                                        moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
                                        ABP;</al></li><li nr="d"><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                                        de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de
                                        werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanschrijving bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie maanden
                                voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar
                                bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:48 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van
                                artikel 9b:47</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten uit
                                of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van
                                of na de datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:47, wordt op
                                uitkering, bedoeld in artikel 9b:47, vierde lid, een vermindering
                                toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de
                                inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten bezoldiging te boven
                                gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt
                                en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen
                                te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:49 Ambtenaar, geboren voor 1950 in een bezwarende
                                functie, die niet voldoet aan voorwaarden voor FPU</titel></kop><al>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                            FPU-uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al>zijn de artikelen 9b:3 tot en met 9b:22 van overeenkomstige
                                    toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 20 dienstjaren of
                                    meer had;</al></li><li nr="b"><al>zijn de artikelen 9b:23 tot en met 9b:45 van overeenkomstige
                                    toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 minder dan 20
                                    dienstjaren had.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende
                            functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20
                                dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet
                                bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het college
                                krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18426.pdf">pdf46</extref> , leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een levensloopbijdrage
                                van 2% van het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over het jaar dat
                                de functie werd bekleed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die
                                direct voorafgaan aan 1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen
                                als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:52 De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet
                                bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat en onder de voorwaarde dat
                                de ambtenaar een FPU-uitkering aanvraagt en ontvangt, maakt de
                                ambtenaar een keuze uit de volgende mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a"><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:11, ingaande op de
                                        eerste dag van de maand, volgend op die waarin de ambtenaar
                                        60 jaar en drie maanden is geworden;</al></li><li nr="b"><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:11 op een latere
                                        datum dan bedoeld onder a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder b
                                moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te
                                werken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De FPU-uitkering van de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig
                                ontslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt tot de
                                leeftijd van 62 jaar aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna
                                wordt de FPU-uitkering aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig ontslag, bedoeld in
                                het eerste lid, onderdeel b, is hoofdstuk 5a van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                                FPU-uitkering is artikel 9b:51 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:52a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de gewezen ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de
                                mogelijkheid van artikel 9b:52 lid 1 onder a, bij het bereiken van
                                de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die
                                artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige
                                voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten van deze
                                vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                                pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1
                                januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever
                                afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog
                                verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen
                                ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname
                                waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt,
                                komen ten allen tijde volledig ten laste van de gewezen
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                                ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a"><al>de mogelijk om ook na het bereiken van de leeftijd van 62
                                        jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel
                                        16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b"><al>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                                        weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft
                                        pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten
                                        in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de
                                        gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar
                                        bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel
                                        9b:47 lid 1;</al></li><li nr="c"><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                        gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid
                                        die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                                        moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
                                        ABP; </al></li><li nr="d"><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                                        de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de
                                        werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie
                                maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar
                                bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:53 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van
                                artikel 9b:52</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten uit
                                of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van
                                of na de datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:52, wordt op
                                uitkering, bedoeld in artikel 9b:52, derde en vierde lid, een
                                vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag
                                waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten
                                bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt
                                en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen
                                te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn
                            in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                            college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9c:1 Algemeen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar geboren na 1949 die
                            werkzaam is in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer,
                            waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18427.pdf">pdf47</extref>, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:2 Algemeen</titel></kop><al>Aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 9c:1, wordt met ingang van de datum
                            van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse uitkering
                            toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:2:1 Algemeen</titel></kop><al>Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk
                            verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een
                            uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:2:2 Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De in artikel 8:3:1, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december
                                2005, bedoelde datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de
                                ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor de
                                duur van ten hoogste een jaar, telkens met een periode van ten
                                hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort, indien dit door
                                het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het
                                belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de
                                uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in
                                staat kan worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde
                                in het eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig
                                onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere
                                vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag worden verleend met
                                ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is
                                gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:3 Bedrag en duur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het
                                ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan
                                diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel -doch
                                ten hoogste 10 malen -0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal
                                volle dienstjaren geldig voor pensioen krachtens het
                                pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30 bedraagt.
                                Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met
                                dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het
                                bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben
                                indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn
                                ontslag en in aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in
                                artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken
                                van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                                bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de
                                bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de
                                vakantieuitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand,
                                en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met dien verstande
                                dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning
                                slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag
                                dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan
                                het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan
                                de gewezen ambtenaar is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                                verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke
                                verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar
                                op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum
                                van in werking treden dier wijziging af het aldus gewijzigde bedrag
                                als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                                bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:3:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op
                                uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in
                                verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering
                                krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met
                                ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan, wordt op
                                de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk
                                aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering
                                krachtens artikel 9c:3 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering
                                krachtens deze regeling is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste
                                lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf
                                ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die
                                inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen
                                ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn
                                van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:3:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen
                                ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij,
                                voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien
                                hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten
                                tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het
                                verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te
                                doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig
                                vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de
                                inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of
                                sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der
                                werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten
                                worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en
                                kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast
                                naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van
                                nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Dit lid
                                vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of
                                bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9c:3:1, tweede
                                en derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het
                                eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen
                                dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts
                                gedeeltelijk wordt uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de
                                uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel
                                van het college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken
                                welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:3:3 Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of
                                ongeval</titel></kop><al> Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent
                            en die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken
                            in verband met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of
                            verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die
                            aanspraken bestaan, verminderd met het bedrag daarvan. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:4 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62
                                jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.1 van het
                                pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de
                                pensioenopbouw, waardoor ook na het bereiken van de leeftijd van 62
                                jaar de pensioenopbouw voor de helft plaats vindt, worden de kosten
                                van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente, met dien
                                verstande dat 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever
                                afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog
                                verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen
                                ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname
                                waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt,
                                komen te allen tijde volledig ten laste van de gewezen
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                                ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a"><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van
                                        62 jaar de pensioenopbouw voor de helft voort te zetten op
                                        basis van artikel 16.1 van het pensioenreglement voor de
                                        gewezen ambtenaar als bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="b"><al>dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven
                                        mogelijkheid gebruik maakt dit niet leidt tot extra kosten
                                        in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de
                                        gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar
                                        bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van het eerste
                                        lid;</al></li><li nr="c"><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                        gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid
                                        die artikel 16.1 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                                        moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
                                        ABP;</al></li><li nr="d"><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                                        de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de
                                        werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie
                                maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar
                                bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:5:1 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering vervalt:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen
                                        ambtenaar is overleden;</al></li><li nr="b"><al>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
                                        jaren bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden verklaard
                                indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het college
                                zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn
                                ontslagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9c:6:1 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar
                                heeft de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die krachtens
                                het pensioenreglement recht heeft op een nabestaandenpensioen, recht
                                op een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9c:3 over
                                een tijdvak van drie maanden. Wordt geen weduwe, weduwnaar of
                                geregistreerde partner als bedoeld in de vorige volzin nagelaten,
                                dan verkrijgen de minderjarige kinderen van de overledene recht op
                                bedoelde uitkering. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan hebben,
                                indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige
                                kinderen, broers of zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste
                                lid recht hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan kan
                                dit bedrag door het college geheel of ten dele worden aangewend voor
                                de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de
                                lijkbezorging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949
                            of die geboren is voor 1950, maar...</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                            gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                            geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                            geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari
                            2006 werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens
                            artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18428.pdf">pdf48</extref> , leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31
                                december 2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of
                                daarna FLO-ontslag zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof
                                verleend met behoud van de volledige bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar
                                FLO-ontslag zou zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk
                                totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:3 Slotbepaling</titel></kop><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                            buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige
                            bezoldiging, worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van
                            hoofdstuk 9b gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:4 Slotbepaling</titel></kop><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden
                            op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9e:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3
                            van hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling
                                            FLO-overgangsrecht</vet>: een regeling als bedoeld in
                                        artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b"><al><vet>instelling</vet>: een door de ambtenaar gekozen
                                        kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                        vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c"><al><vet>levenslooprekening</vet>: een bij de instelling door de
                                        ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg
                                        van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d"><al><vet>levensloopverzekering</vet>: een bij de instelling door
                                        de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e"><al><vet>levenslooptegoed</vet>: het tegoed op een
                                        levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                        kapitaal;</al></li><li nr="f"><al><vet>netto spaarverzekering</vet>: de bij Loyalis Levensloop
                                        Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als
                                        productnaam “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="g"><al><vet>netto spaarverzekeringstegoed</vet>: het tegoed op de
                                        netto spaarverzekering;</al></li><li nr="h"><al><vet>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</vet>: het
                                        product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het
                                        FLO-overgangsrecht, dat bestaat uit een
                                        levensloopverzekering en een netto spaarverzekering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a"><al> moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                        Ambulance en,</al></li><li nr="b"><al> de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om
                                        in te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                        op het moment dat de werkgever deze levensloopbijdrage
                                        verstrekt en,</al></li><li nr="c"><al> niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                        leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer
                                        &amp; Ambulance.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:3 Doel</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                            voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                            periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De
                            gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel
                            19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen
                                zoals genoemd in artikel 9e:5.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig
                                te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed
                                van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn
                                opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                                dienstbetrekking staat. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als
                                bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:6 Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste
                                bedrag van de inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7
                                genoemde bronnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:7 Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                            levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de
                            volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a"><al> het salaris</al></li><li nr="b"><al> de vakantietoelage;</al></li><li nr="c"><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d"><al> de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;</al></li><li nr="e"><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                    bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f"><al> het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59
                                jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van
                                ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn
                                bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de
                                som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.
                                De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken
                                van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat
                                hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                                volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed
                                heeft overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                                artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed
                                en het netto spaarverzekeringstegoed.De controle hierop vindt plaats
                                binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van
                                210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                volgt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 9b:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan
                                20 dienstjaren op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59
                                jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in
                                artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het bereiken van 20
                                dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed heeft overeenkomend
                                met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij
                                is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto
                                spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                                half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat
                                hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                                volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande
                                van het bereiken van 20 dienstjaren of meer, een tegoed heeft
                                overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel
                                9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                                netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats
                                binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren
                                bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren
                                bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van
                                210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.
                            </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog
                                geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in
                                een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige
                                leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd is bereikt. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 3:1. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 9b:2. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke
                                levensloopregeling FLO-overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt daarnaast: </al><lijst><li nr="a"><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al> bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c"><al> op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand
                                        waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede
                                lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij
                                het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt,
                                bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, of 9b:35, eerste lid, heeft
                                recht op een afkoopbedrag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde
                                lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij
                                het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt,
                                bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede lid, heeft
                                recht op een afkoopbedrag. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het
                                eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed
                                heeft overeenkomend met 210% van de bezoldiging op het moment van
                                ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en
                                het netto spaarverzekeringstegoed. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het
                                tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed
                                heeft overeenkomend met 140% van de bezoldiging op het moment van
                                ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en
                                het netto spaarverzekeringstegoed. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn
                                bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige
                                leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van
                                ontslag. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij: </al><lijst><li nr="a"><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                        voorafgaand aan het moment van ontslag; </al></li><li nr="b"><al> er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                        waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c"><al> het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond
                                        op hele maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                                3:1. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                                9b:2. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                            ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer
                                    uit de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                    blijft, geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college
                                    beslist tot afkoop.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</titel></kop><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                            naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                            tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de
                            voorwaarde voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de
                            ambtenaar het afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar
                            stelt voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: </al><lijst><li nr="a"><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een
                                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de
                                        Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald
                                        volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35;</al></li><li nr="b"><al>b. ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in
                                        een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het
                                        Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor
                                        zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964
                                        niet worden overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                                tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat
                                hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het
                                college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in
                                geval van beëindiging van het dienstverband. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                                afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als
                                voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in
                                artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde
                                verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse
                                aanbieders. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Wachtgeld</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                                        artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een
                                        betrekking:</al><lijst><li nr="1"><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2"><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die
                                                aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en
                                                niet is geschied in een betrekking van kennelijk
                                                tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                                        artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij
                                        toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6,
                                        tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld
                                in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het
                                voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling
                                ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat-
                            en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die
                            met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
                            ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                            doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
                                artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
                                zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door
                                een verzoek, bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor pensioen
                                geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                        lid;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
                                        daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                        lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                                        van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders
                                dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden,
                                worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag
                                waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd
                                buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
                                bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze
                                laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                                vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze
                                regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
                                de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
                                bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
                                ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
                                aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
                                werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
                                gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op
                                wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de
                                betrokkene :</al><lijst><li nr="a"><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens
                                        het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></li><li nr="b"><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c"><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                                        bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht
                                op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het wachtgeld
                                wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                        ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                        lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                        toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen
                                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
                                        of meer mede in aanmerking wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                        ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
                                afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a,
                                recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten van
                                het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de
                                betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou
                                hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge
                                artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op de eerste dag
                                volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 11a:5,
                                onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
                                wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is
                                ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten
                                toepassing laten van het eerste lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd.
                                Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in
                                die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
                                ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
                                waarop het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
                                        bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                        geweest of</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al><lijst><li nr="-"><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al></li><li nr="-"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
                                                jaar;</al></li><li nr="-"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                                jaar;</al></li><li nr="-"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15
                                                jaar;</al></li><li nr="-"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
                                                jaar;</al></li><li nr="-"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25
                                                jaar;</al></li><li nr="-"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
                                                jaar;</al></li><li nr="-"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35
                                                jaar, en</al></li><li nr="-"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                                jaar.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van: </al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                        het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
                                        als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
                                        zijn geweest, en</al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                        betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                                        van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                                        het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
                                        een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
                                        ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
                                        toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                        de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar
                                        een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage
                                        op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                        het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur,
                                        bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden,
                                        indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                        gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
                                        aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in
                                        het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het
                                        derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor
                                de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan
                                het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                        werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                        bedoeld in het vierde lid volledig; en</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
                                        van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                        voor de helft in aanmerking genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
                                        uitkering ter zake van werkloosheid; of</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                        tijdens vakantie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
                                zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
                                lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
                                personen die zij als zodanig hebben aangewezen. In geval geen
                                verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd een van
                                hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                                moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                        onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
                                de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                                bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de
                                duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende
                                leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5%;</al></li><li nr="c"><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
                                        gelijk aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld,
                                waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid
                                van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de
                                berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid
                                mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening
                                van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende
                                duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in
                                het volgende lid, in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die
                                ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de
                                som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60
                                jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld
                                is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere
                                verlenging duurt tot de eerste dag van de kalendermaand waarin hij
                                65 jaar wordt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in
                                het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                verlenging, buiten aanmerking</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat
                                wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7,
                                        eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede
                                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
                                        arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                                        wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                vervolgwachtgeld een jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag
                                van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid
                                van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                                heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is,
                                aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel
                                10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                                bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft
                                aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende
                                wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer
                                dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen
                                maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die
                                bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb.
                                1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige volzin, met 3
                                procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter
                                niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht
                                zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
                                wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn
                                gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen,
                                en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk
                                aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien
                                verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het
                                wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23
                                jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld
                                in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet,
                                beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld
                                in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:12 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt,
                                is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband
                                met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het
                                recht op wachtgeld ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben
                                bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is
                                voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door
                                het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden
                                gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere
                                bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan
                                wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
                                of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
                                te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld
                                van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:14 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                            arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet
                            van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                            van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:15 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling
                                is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op het
                                wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die
                                inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de
                                bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
                                inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging
                                overschrijdt, wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het
                                bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, niet in aanmerking
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en
                                die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
                                wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                                gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en
                                waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden
                                inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De
                                inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het
                                ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                                wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                                betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In
                                afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
                                verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende
                                wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering,
                                in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van
                                het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter
                                hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
                                of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet
                                verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk,
                                opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal
                                verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde
                                bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                                wachtgeldtermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke
                                wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde
                                termijn</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:17 Verlenging</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                            recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld
                            komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking
                            gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de
                            duur van die betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8
                            vastgestelde duur van het wachtgeld toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:18 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte
                                aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten
                                bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband
                                met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in
                                deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die
                                aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:19 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij
                                met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
                                toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                                percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                                arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het
                                verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het
                                onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake is
                                van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende
                                bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
                                waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel
                                of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing
                                van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt gedurende de
                                termijn waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts
                                uitbetaald voor zover het evenbedoelde uitkeringen te boven
                                gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:20 Betaling</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld
                                werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:21 Afkoop</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                            regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten
                            dele wordt vervangen door een afkoopsom.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                                        eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig
                                        doet; </al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
                                        tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt,
                                        tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden
                                        gemaakt; </al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                                        in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
                                        duurzaam te verblijven; </al></li><li nr="d"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                        of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn
                                        gesteld; </al></li><li nr="e"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag
                                        zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven; </al></li><li nr="f"><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
                                        voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding
                                        zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
                                        artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten,
                                de bezoldiging te boven zou zijn gegaan. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan
                                wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld
                                wordt toegekend. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens
                                het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is
                                dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers
                                of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het
                                oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige
                                functionering van de openbare dienst. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin
                                        betrokkene 65 jaar wordt;</al></li><li nr="b"><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c"><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
                                        derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar
                                        op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
                                        instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                                        doen verlengen; </al></li><li nr="d"><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                        arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
                                        oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
                                        instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat
                                        voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk
                                        werk te aanvaarden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit
                                wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van
                                artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan
                                de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                                uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5,
                                over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering
                                ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen
                                dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen
                                dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
                                of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van
                                een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op
                                het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel
                                10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde
                                wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide
                                uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde
                                wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar
                                het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van
                                de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens
                                begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens
                                begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als
                                bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur,
                                nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december
                                1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan
                                het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
                                het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste
                                lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk
                                van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar
                                arbeidsvermogen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                                10:29 lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                            uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en
                            10:23 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:29 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
                                CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
                                december 2000.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van artikel
                                        16 van de Werkloosheidswet;</al></li><li nr="b"><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos geworden
                                        is;</al></li><li nr="c"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de
                                        Werkloosheidswet, zonder de maximering van het dagloon, als
                                        bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels
                                        werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van de
                                        Wet financiering sociale verzekeringen;</al></li><li nr="d"><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die de
                                        ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de
                                        aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit
                                        hoofdstuk en de aansluitende uitkering als omschreven in
                                        paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de
                                        gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel
                                        10a:9, lid 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot
                                        en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b"><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
                                        8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
                                recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
                                CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
                                het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
                                WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de
                                mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                                vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan
                                uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
                                aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
                                inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering:
                                berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op
                            de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht
                            op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft
                            op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende
                            uitkering wordt ontleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1
                                januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens
                                LOGA-partijen vastgestelde wijze.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag
                                van de aanvullende uitkering wijzigt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                uitkering bedragen tezamen een percentage van de
                                berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b"><al>vervolgens 70%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van
                                de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                                berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als
                                bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum
                                van ontslag</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen
                                die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                                tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode
                                van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet
                                is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor
                                mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                            2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid,
                            van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                            recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                            toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                            vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                            vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in
                                lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
                                Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                                aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen
                                komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent
                                het college een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig
                                dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag
                                waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen
                                zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen
                                komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een
                                gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de
                                duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te
                                kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen
                                komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan
                                de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een
                                aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
                                toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke
                                werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:10 Anticumulatie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:11 Scholing</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                            activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op
                            de aanvullende uitkering. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                                verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet
                                ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een
                                aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk
                                als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat
                                ziekengeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen
                                tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op
                                grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte
                                ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft
                            op een uitkering op grond van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18429.pdf">pdf49</extref>, heeft recht op een aanvulling tot het voor haar geldende
                            dagloon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge
                                een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij
                                proefplaatsing en scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op
                                een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie
                                arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een aanvullende
                                uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij
                                geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er
                                ook in dit geval recht op aanvulling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                                bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een
                                WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een
                                overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag
                                van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
                                betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13
                                weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een
                                WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
                                voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft,
                                uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland
                                woont.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a"><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens
                                        ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om
                                        arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een
                                        uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel
                                        a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering
                                        op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b"><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op
                                        een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op
                                        bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden
                                        is aan dat recht op een WW-uitkering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid
                                recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de
                                aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
                                indien hij in Nederland zou hebben gewoond. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
                                wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar
                                het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing
                                van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op
                                grond van de ZW of de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18430.pdf">pdf50</extref>. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de
                                maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of
                                de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18431.pdf">pdf51</extref>. Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk
                                aan de uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de
                                aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
                                indien hij in Nederland had gewoond. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid
                                naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in
                                mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over
                                dezelfde periode. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
                                ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een
                                bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
                                strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht
                                van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het
                                karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond
                                van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                                wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien
                                deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk
                                is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:14 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het
                                ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan
                                het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden,
                                alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn
                                verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
                                ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van
                                het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering
                                ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        jaar;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee
                                        gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens
                                        onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                        pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van
                                        de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        ingaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop
                                met suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot
                                        en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b"><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
                                        8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene
                                die door het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een
                                gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel
                                8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik
                                is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste
                                volzin biedt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag
                                van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra
                                de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het
                                recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag,
                                waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                                uitkeringsduur van de verlengde uitkering is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de
                                aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                                aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
                                recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
                                CAR.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in
                                artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                                aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als bepaald in
                                artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is ontstaan
                                uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
                                aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
                                inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
                                maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a"><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                        zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                        werkloosheid en </al></li><li nr="b"><al>twee jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                                betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan
                                van de datum van het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55
                                jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand waarin hij 65 jaar
                                wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht
                                heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003
                                maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op
                                drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5% en wordt verminderd met de duur van de
                                        loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                        zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                        werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd
                                        in artikel 10a:5a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55
                                jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die
                                waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op
                                basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de
                                aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                            2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid,
                            van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering:
                                berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag,
                                zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
                                werkloosheid nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de
                                berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                                bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum
                                van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                                gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                                aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het
                                verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op
                                een uitkering krachtens de Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
                                uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de
                                Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de
                                uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het
                                verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering,
                                berekend overeenkomstig artikel 10a:16.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18432.pdf">pdf52</extref> na aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op
                            een uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18433.pdf">pdf53</extref>, wordt deze uitkering in mindering gebracht op de
                            aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van
                                het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                                Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet
                                van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de
                                verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
                                Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:23 Anticumulatie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op
                            de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:24 Scholing</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                            activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                            overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
                                overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid,
                                Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat
                                het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
                                voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13
                                weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                                artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende
                                uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou
                                hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a,
                                tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat
                                nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke
                                werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben
                                aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn
                                aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als
                                tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                                verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming
                                in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het
                                eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                                aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of
                                        bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b"><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                                        werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de
                                        oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de
                                        uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c"><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde
                                        tijd met een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de
                                        overlegging van het arbeidscontract;</al></li><li nr="d"><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats
                                        van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen
                                        deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer
                                        moet bedragen;</al></li><li nr="e"><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen
                                        hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft
                                        als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze
                                        melding verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat
                                        de uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst
                                als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is
                                verhuisd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
                                indien:</al><lijst><li nr="a"><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet
                                        aanvaardt en</al></li><li nr="b"><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager
                                        is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                        berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                                dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is
                                dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                                reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van
                                de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van
                                tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te
                                zijn overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel
                                10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het
                                eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol
                                jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of
                                aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet
                                zou hebben verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis
                                van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog
                                recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar
                                beneden afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al></li><li nr="b"><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                        betrekking;</al></li><li nr="c"><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie
                                        maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de
                                        reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b
                                wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe
                                betrekking per kalenderweek:</al><lijst><li nr="a"><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                        kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf
                                        arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b"><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                        kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft van
                                        de arbeidsuren resteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren
                                waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan
                                naar rato uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een
                                overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
                                dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis van
                                dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een
                                reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste
                                lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer
                                herleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking
                                aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28,
                                derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe
                                betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar
                                rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
                                toegekend indien:</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                        wegens werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b"><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of
                                        bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig
                                        wordt opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient
                                uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van de
                                Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het
                                verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt
                                toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen
                                bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens
                                vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene
                                op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en
                                10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21
                                herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent
                                de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief
                                besloten op dit verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
                                maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop
                                betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe
                                dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende
                                periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op bovenwettelijke
                                uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven als dat hij is
                                op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe
                                werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van
                                de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de
                                datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen
                                invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                            berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het
                            dagloon van de betrokkene.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:35 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                            algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
                            wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes
                            maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                            gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de aanvullende en
                            aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde
                            datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan
                            zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                1.)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:38 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                                juli 2008 wordt ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO
                                moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de
                                tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10d Voorzieningen bij werkloosheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op grond van artikel
                            8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van
                            artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>aanvullende uitkering</vet>de uitkering tijdens de
                                    werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b"><al><vet>bezoldiging</vet>het gemiddelde van de bezoldiging als
                                    bedoeld in artikel 3:1, berekend over een periode van 12 maanden
                                    direct voorafgaand aan de datum van de reïntegratiefase,
                                    vermeerderd met de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering;
                                    deze bezoldiging wordt geïndexeerd met de generieke
                                    salarisverhoging in de gemeentelijke sector; </al></li><li nr="c"><al><vet>gemeentelijke sector</vet>de gemeenten en
                                    gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing hebben
                                    verklaard;</al></li><li nr="d"><al><vet>na-wettelijke uitkering</vet> de uitkering na afloop van de
                                    werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="e"><al><vet>reïntegratiefase</vet>de fase voorafgaand aan ontslag,
                                    waarin door middel van een reïntegratieplan afspraken worden
                                    gemaakt over de wijze waarop de reïntegratie van de ambtenaar
                                    het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven
                                    met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk is te
                                    voorkomen;</al></li><li nr="f"><al><vet>reïntegratieplan</vet>het plan van aanpak waarin de
                                    reïntegratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar
                                    beschreven staan, die tot doel hebben de reïntegratie van de
                                    ambtenaar te bevorderen; </al></li><li nr="g"><al><vet>werkloosheid</vet>werkloosheid als bedoeld in de
                                    Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit
                                    de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente waaruit de
                                    werkloosheid plaatsvindt;</al></li><li nr="h"><al><vet>werkloosheidsuitkering</vet>uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling
                                    of arbeidsovereenkomst met de gemeente. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:3 Samenloop met sociaal statuut en sociaal
                                plan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien lokaal ruimere afspraken gelden, dan die in dit hoofdstuk
                                zijn gesteld, bespreken college en GO of tot herziening moet worden
                                overgegaan van deze lokale afspraken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien lokaal ruimere afspraken gelden, gelden deze lokale afspraken
                                in plaats het gestelde in dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                8:8</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
                                treft het college een passende regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door
                                het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud
                                van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:5 Reïntegratiefase voor ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:3 of 8:6
                                heeft recht op een reïntegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De reïntegratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van
                                artikel 8:3 of 8:6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De reïntegratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
                                overhandiging van het besluit tot ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De reïntegratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij
                                wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van
                                indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de
                                datum van de start van de reïntegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij ontslag op grond van artikel 8:3</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>duurt de reïntegratiefase</al></entry><entry colname="col2"><al>bij een dienstverband van:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a. 7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>2 tot 10 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. 11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>10 tot 15 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. 15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>15 jaar of meer.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij ontslag op grond van artikel 8:6</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>duurt de reïntegratiefase</al></entry><entry colname="col2"><al>bij een dienstverband van:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a. 4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al> 2 tot 10 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. 8 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>10 tot 15 jaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> c. 12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>15 jaar of meer. </al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:6 Einde reïntegratiefase</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de
                                ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van
                                deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De reïntegratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                artikel 8:3 of 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens
                                de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                reïntegratieplan. Het college neemt hierbij de algemene beginselen
                                van behoorlijk bestuur in acht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de reïntegratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid
                                genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en
                                een na-wettelijke uitkering. Het college neemt hierbij de algemene
                                beginselen van behoorlijk bestuur in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:7 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens
                                de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                reïntegratieplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
                                oorspronkelijke reïntegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tijdens de verlengde reïntegratiefase herstelt het college de
                                nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Tijdens de verlengde reïntegratiefase blijven de gemaakte afspraken
                                uit het reïntegratieplan van kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase door middel van
                                levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het college verzoeken de reïntegratiefase met
                                maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
                                mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
                                tijdens de reïntegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen
                                aan zijn reïntegratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a"><al> onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                                        arbeidsduur; en</al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed
                                        opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling;
                                        en</al></li><li nr="c"><al> tijdens de verlengde reïntegratiefase activiteiten worden
                                        ondernomen of voortgezet die de reïntegratie
                                        bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reïntegratieplan,
                                tijdens de verlenging van de reïntegratiefase worden
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 10d:6 is tijdens de verlenging van de reïntegratiefase van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:9 Reïntegratieplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een
                                maand na aanvang van de reïntegratiefase een reïntegratieplan
                                op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het
                                college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In het reïntegratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                reïntegratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar
                                verlangd worden. In het reïntegratieplan staan in ieder geval
                                afspraken over:</al><lijst><li nr="-"><al> verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                                        neergelegd zijn in het reïntegratieplan;</al></li><li nr="-"><al> scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing,
                                        het begin van die scholing, het einde van die scholing, de
                                        betaling en de te behalen resultaten.</al></li><li nr="-"><al> opstellen arbeidsmarktprofiel;</al></li><li nr="-"><al> sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het reïntegratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten
                                voor de verschillende activiteiten uit het reïntegratieplan. De
                                kosten voor de activiteiten uit het reïntegratieplan komen, mits
                                redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een
                                maximum van € 7.500,=.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:10 Aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a"><al> op grond van artikel 8:3 of 8:6 is ontslagen;</al></li><li nr="b"><al> de reïntegratiefase heeft doorlopen, zonder toepassing van
                                        artikel 10d:6, tweede lid;</al></li><li nr="c"><al> recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        en deze ook daadwerkelijk ontvangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat
                                de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende
                                uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed
                                kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:11 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvullende uitkering kent twee fases.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al> voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van €
                                        4.375,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren
                                        dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="b"><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een
                                        bedrag van € 5.250,= 20% van de bezoldiging naar rato van
                                        het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="c"><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van
                                        de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de
                                        ambtenaar werkloos is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al> voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een
                                        bedrag van € 5.250,= 10% van de bezoldiging naar rato van
                                        het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="b"><al> voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een
                                        bedrag van € 6.560,= 20% van de bezoldiging naar rato van
                                        het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="c"><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van
                                        de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de
                                        ambtenaar werkloos is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:12 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen
                                vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop
                                van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                werkloosheidsuitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:13 Sancties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig
                                toegepast op de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie
                                op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                toegepast kan het college besluiten om het recht op nawettelijke
                                uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels
                                op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:14 Einde aanvullende uitkering</titel></kop><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is
                            verstreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:15 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht
                                op een na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a"><al> de werkloosheid direct aansluitend op de
                                        werkloosheidsuitkering voortduurt;</al></li><li nr="b"><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                        gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                                        van zijn na-wettelijke uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het
                                ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:16 Hoogte na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
                                heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
                                bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat
                                de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of
                                in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude
                                bezoldiging niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de
                                na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:17 Duur na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de
                            gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor
                            is</al><lijst><li nr="a"><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b"><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van
                                    50 jaar </al></li><li nr="c"><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:18 Einde na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                                verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de maand
                                volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar en 9
                                maanden bereikt heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:19 Sancties na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                            toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel
                            van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het
                            college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en
                            hoogte van de na-wettelijke uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:20 Afkoop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode,
                                op verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de
                                na-wettelijke uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de
                                voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:21 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                                herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die
                                gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid,
                                is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is
                                herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere
                                uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de
                                restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                                ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                bijzondere uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:22 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond
                                van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                                totaalinkomen uit of in verband met arbeid en de bezoldiging
                                voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                                mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:23 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
                                artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</titel></kop><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding
                            van de nieuwe arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:24 Overgangsrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 10d:17 is de duur van de na-wettelijke
                            uitkering voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke
                                    sector en</al></li><li nr="b"><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008</al></li></lijst><al>gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2)
                            jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38.
                            Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van
                            ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke
                            sector.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de
                            ambtenaar met op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Uitkeringsregeling ontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking
                                        waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling
                                        minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in
                                        een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al></li><li nr="b"><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
                                        regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag
                                        niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan eigen
                                        schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat ontslag geen
                                        recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan
                                        ontlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij
                                of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die door geheel
                                buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats
                                moet veranderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat-
                            en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die
                            met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
                            ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                            doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
                                artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
                                zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door
                                inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de
                                pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
                                blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        maand daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
                                        daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 11:8, vierde lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                                        pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                                        van de datum waarop de uitkering ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met ingang
                                van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die
                                diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
                                bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze
                                laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                                vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze
                                regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
                                de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
                                bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
                                ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
                                aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
                                werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
                                gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:6 Recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat
                                behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag
                                waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur
                                wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26
                                        weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                        Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
                                        11:7;</al></li><li nr="b"><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste
                                        drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                                        ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het bepaalde in
                                        artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding geeft ingevolge
                                        artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel
                                        11:8, vierde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden
                                waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid
                                verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft
                                verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de
                                hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste
                                lid, onder a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur
                                van de perioden van de bedoelde verhindering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking
                                genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking
                                waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of meer
                                dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de
                                plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking
                                zijn genomen voor een recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde
                                lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet
                                aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid,
                                is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de
                                inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft
                                plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                        WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                        80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                        suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze
                                        regeling;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd
                                        van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d"><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                                        wijten;</al></li><li nr="e"><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht
                                        moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
                                        werkloosheid;</al></li><li nr="f"><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                        heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem
                                        eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling
                                        een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met
                                        zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend
                                        is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op
                                uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering
                                wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                        ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                        lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                        toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen,
                                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
                                        of meer mede in aanmerking wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                        ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag
                                door de betrokkene.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                                ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
                                        bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                        geweest of;</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de duur
                                        van de uitkering verlengd met: 3 maanden bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; 1 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; 1,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en 4,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van:</al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                        het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
                                        als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
                                        zijn geweest, en; </al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                        betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                                        van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                                        het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
                                        een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
                                        ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
                                        toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                        de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar
                                        een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage
                                        op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                        het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur,
                                        bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden,
                                        indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                        gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
                                        aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in
                                        het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het
                                        derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de
                                perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                        werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                        bedoeld in het vierde lid, volledig, en;</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
                                        van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                        voor de helft in aanmerking genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
                                        uitkering ter zake van werkloosheid of;</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                        tijdens vakanties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
                                zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
                                lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
                                personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen
                                verzorgende persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van
                                hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                                moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                        onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
                                de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien
                                dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover
                                van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde
                                lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering
                                vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden,
                                gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven
                                wordt afgerond op hele maanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van
                                ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en
                                diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60
                                jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover
                                uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes
                                maanden een bijzondere verlenging verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:9 Vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die
                                uitkering recht op een vervolguitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                                        eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede
                                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
                                        arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                                        uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                vervolguitkering een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag
                                van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is
                                en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft
                                aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                                uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer
                                deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                vervolguitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3
                                procentpunten verhoogd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
                                het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste
                                lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of,
                                indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
                                leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
                                artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de
                                daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die
                                wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:12 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                            elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                            voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de
                            kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:13 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling
                                is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in
                                artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast tot het
                                bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te
                                boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering
                                vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering
                                ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en
                                die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking
                                ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht
                                op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer
                                was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in
                                het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen
                                met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de
                                betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering
                                doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand
                                waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt
                                deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
                                dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip
                                van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
                                of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                                inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave
                                van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of
                                dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in
                                alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van
                                de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke
                                uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde
                                termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in
                                artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde
                                partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld
                                in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de
                                overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
                                geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                                natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken
                                ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van
                                ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                                overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een
                                door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan
                                op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel
                                11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde
                                uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig
                                aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het
                                bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of
                                van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
                                of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
                                te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld
                                van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft
                                op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met
                                11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens
                                ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met
                                ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering
                                toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene
                                deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft
                                genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit
                                luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:18 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17,
                            eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens
                            ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de
                            artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:19 Afkoop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                            artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                            geheel of ten dele worden afgekocht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op
                                uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                                uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid,
                                vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en
                                wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw
                                toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de
                                laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake
                                van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige
                                publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                werkloosheid begrepen:</al><lijst><li nr="a"><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                        dienstbetrekking;</al></li><li nr="b"><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van
                                        een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde
                                        werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                                        dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                                        dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
                                        bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering
                                als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft
                                opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                                        ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a,
                                        arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b"><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                                        werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                        Werkloosheidswet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met
                                gewerkte weken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes
                                maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende
                                uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als
                                bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als
                                bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid,
                                niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het
                                opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:21 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt,
                                is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband
                                met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen
                                veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende
                                van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                groepen van betrokkenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich
                                te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het
                                algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot
                                het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:22 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een
                                uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband
                                met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
                                deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die
                                aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:23 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij
                                met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
                                toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                                percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                                arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de
                                verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde
                                uitkering die wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop.
                                Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op de
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
                                waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel
                                of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing
                                van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:24 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                            Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover
                            die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende
                            uitkeringen niet uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:25 Betaling</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                uitkering werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                uitkering over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:26 Verval van uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                                        bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan
                                        wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
                                        artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
                                        zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin
                                        hij een uitkering geniet, de in evengenoemde leden bedoelde
                                        inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het
                                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                        arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen
                                        verlengen;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde
                                        lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                                        redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel
                                        indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat
                                        hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al></li><li nr="d"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                                        in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
                                        duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="e"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                        of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn
                                        gesteld;</al></li><li nr="f"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag
                                        zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="g"><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
                                        voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding
                                        zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
                                        artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;</al></li><li nr="h"><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te
                                        vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau,
                                welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden,
                                vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de
                                verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                                zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen
                                van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam
                                te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid
                                of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende
                                        op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft
                                        bereikt;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
                                        is overleden;</al></li><li nr="c"><al>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze
                                uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van
                                artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                            geven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde
                                tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de
                                werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede
                                lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde
                                voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel
                                13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1
                                augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende
                                uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de
                                duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                                tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:31 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:32 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
                                CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
                                uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31
                                december 2000. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11a Suppletie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a"><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid in
                                        de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b"><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                        uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
                                        voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                        WAO;</al></li><li nr="d"><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in
                                        artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5
                                        ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                        vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten
                                        tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is,
                                        met uitzondering van degene die zijn resterende
                                        verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                        betrekkingen;</al></li><li nr="e"><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in artikel
                                        8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te
                                        verlenen;</al></li><li nr="f"><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel
                                        11a:6;</al></li><li nr="g"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de
                                        maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                                        Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het
                                        bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de Wet
                                        financiële voorzieningen privatisering ABP, en in voorkomend
                                        geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van
                                        de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten
                                        particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel
                                        1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
                                        Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h"><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het
                                        dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het
                                        ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt
                                        toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen
                                        uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt
                                        ontleend;</al></li><li nr="i"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke uitkering
                                        ter zake van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit
                                        enig dienstverband van betrokkene.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem
                                ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling
                                van zijn betrekking wegens ziekte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid
                                bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid
                                voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden
                                onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode
                                van 90 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
                                Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare
                                arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen
                                geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
                                bekwaamheden in staat is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate
                                    van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                    ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van
                                    het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                    overleden;</al></li><li nr="c"><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene
                                    de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:6 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast
                                aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                bezoldigingswijziging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b"><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:7 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan
                                het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de
                                in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de
                                periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop
                                genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze
                                vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende
                                welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24
                                maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met
                                een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:8 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18434.pdf">pdf54</extref>-uitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in
                                mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
                                als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan
                                de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is
                                toegekend, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde
                                van de desbetreffende dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een
                                dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen
                                vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan
                                hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                                laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate
                                van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het
                                bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
                                als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de
                                in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de
                                feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot
                                een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het
                                bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van
                                toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:9 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in
                                het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met
                                arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                                        waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
                                        aangezegd;</al></li><li nr="b"><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                        voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                        suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c"><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                        suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en
                                        b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid
                                        of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden
                                        genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die
                                        meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn
                                        van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
                                        het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:10 Suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                            geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg
                            van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of
                            meer werkloosheidsuitkeringen, een <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18435.pdf">pdf55</extref>-uitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op
                            grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                            overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht
                            heeft:</al><lijst><li nr="a"><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b"><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c"><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan
                                    wel;</al></li><li nr="d"><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:11 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie
                                een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit,
                                gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene
                                over een tijdvak van drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a"><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde
                                        partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere
                                        echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden leefde;</al></li><li nr="b"><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c"><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
                                        degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
                                        kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
                                        gezinsverband leefde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
                                geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van
                                verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
                                huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie
                                bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan
                                slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk
                                voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in
                                de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
                                verzorging voorzien.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar
                                aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen,
                                waarop betrokkene recht had.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit,
                                doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie
                                heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de
                                regel per maand achteraf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer
                                betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste
                                van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te
                                stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid
                                bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de
                                suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen
                                van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd
                                als een suppletie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                activiteiten</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die
                                regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels
                                te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan
                                een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen
                                aan een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan
                                noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het
                                bestuursorgaan te stellen regels het recht op suppletie bestaan
                                totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in
                                het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                activiteiten</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht
                                daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van
                                onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                bestuursorgaan nodig.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot
                                :</al><lijst><li nr="a"><al>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al></li><li nr="b"><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                                        suppletie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                artikel 11a:15.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                                uitkering wegens ziekte</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de
                                sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als
                                bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de
                                Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum,
                                en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft
                                recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een
                                op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
                                van.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="18" nameend="col2" namest="col1"><al>19 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="18" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="18" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="19" nameend="col2" namest="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="19" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="19" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="20" nameend="col2" namest="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="20" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="20" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="21" nameend="col2" namest="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="21" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="21" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="22" nameend="col2" namest="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="22" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="22" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="23" nameend="col2" namest="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="23" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="23" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="24" nameend="col2" namest="col1"><al>25 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="24" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="24" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="25" nameend="col2" namest="col1"><al>26 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="25" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="25" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="26" nameend="col2" namest="col1"><al>27 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="26" nameend="col3" namest="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry colname="col3" morerows="26" nameend="col4" namest="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="27" nameend="col2" namest="col1"><al>28 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="27" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="27" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="28" nameend="col2" namest="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="28" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="28" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="29" nameend="col2" namest="col1"><al>30 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="29" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="29" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="30" nameend="col2" namest="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="30" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="30" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="31" nameend="col2" namest="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="31" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="31" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="32" nameend="col2" namest="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="32" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="32" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="33" nameend="col2" namest="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="33" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="33" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="34" nameend="col2" namest="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="34" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="34" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="35" nameend="col2" namest="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="35" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="35" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="36" nameend="col2" namest="col1"><al>37 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="36" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="36" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="37" nameend="col2" namest="col1"><al>38 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="37" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="37" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="38" nameend="col2" namest="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="38" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="38" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="39" nameend="col2" namest="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="39" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="39" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="40" nameend="col2" namest="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="40" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="40" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="41" nameend="col2" namest="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="41" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="41" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="42" nameend="col2" namest="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="42" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="42" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="43" nameend="col2" namest="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="43" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="43" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="44" nameend="col2" namest="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="44" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="44" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="45" nameend="col2" namest="col1"><al>46 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="45" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="45" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="46" nameend="col2" namest="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="46" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="46" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="47" nameend="col2" namest="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="47" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="47" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="48" nameend="col2" namest="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="48" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="48" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="49" nameend="col2" namest="col1"><al>50 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="49" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="49" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="50" nameend="col2" namest="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="50" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="50" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="51" nameend="col2" namest="col1"><al>52 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="51" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="51" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="52" nameend="col2" namest="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="52" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="52" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="53" nameend="col2" namest="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="53" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="53" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="54" nameend="col2" namest="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="54" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="54" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="55" nameend="col2" namest="col1"><al>56 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="55" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="55" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="56" nameend="col2" namest="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="56" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="56" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="57" nameend="col2" namest="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry colname="col2" morerows="57" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="57" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="58" nameend="col2" namest="col1"><al>59 maanden </al></entry><entry colname="col2" morerows="58" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="58" nameend="col4" namest="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8,
                                11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met
                                11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer
                                als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met
                                inachtneming van het in dit artikel bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met
                                dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag
                                voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in
                                artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van
                                de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                                Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden
                                afgerond op een hele maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                                uitkering wegens ziekte</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1
                            januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken
                            arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van
                            de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn
                            algemene invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld
                            op ten minste 15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid
                            ingevolge de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid,
                            van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste
                            25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als
                            betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in
                            artikel 39, vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de
                            maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                            Sociale Verzekering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf
                            9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
                            neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen,
                            binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel
                            is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
                            doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van
                            inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes
                            maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van
                                artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op
                                grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is,
                                met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht
                                heeft op een WAO-uitkering.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde
                                        commissie voor georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b"><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de
                                        collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die
                                        werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c"><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende
                                        groeperingen van de landelijke verenigingen van
                                        overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn
                                        toegelaten tot het centraal overleg met het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld
                                uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een
                                vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale
                                van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van
                                Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van
                                Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs,
                                bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de bij deze
                                centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                                respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                                worden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in
                                de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens
                                ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van
                                ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van
                                de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal
                                leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is
                                met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van
                                de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in
                                overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                                toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden.
                                Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg
                                besproken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                                verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende
                                representatief geacht worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:1 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie,
                                bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of
                                meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing
                                geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts
                                telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
                                commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in
                                artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
                                aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties,
                                welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien
                                verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale,
                                geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties
                                gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                                bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:2 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in
                                artikel 12:1:1 , tweede lid, aan college opgaaf van het aantal der
                                op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                                aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie
                                schriftelijk aan college doet weten dat zijn aanwijzing als
                                vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze
                                gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:3 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                                Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de
                                tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de
                                commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt
                                dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
                                overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het
                                college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd
                                overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                                verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel,
                                wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen,
                                stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op
                                de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de
                                inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:</al><lijst><li nr="a"><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als
                                        bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b"><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                                        betrokken ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c"><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid,
                                vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel
                                12:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen
                                belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de
                                algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die
                                voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken
                                van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie
                                voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling
                                hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
                                overeenstemming leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden</titel></kop><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                            worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
                            daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
                            concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:1:1 Overleg met organisaties van
                                overheidspersoneel</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 12:2:1, geldt voor de gemeente
                            Smallingerland de volgende tekst:</al><al>Besluiten omtrent de onderwerpen bedoeld in artikel 12:2, eerste lid
                            worden door burgemeester en wethouders en de raad niet genomen noch
                            voorstellen daaromtrent door burgemeester en wethouders aan de raad
                            gedaan dan nadat over die voorstellen overeenstemming is bereikt met de
                            centrales van overheidspersoneel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is
                                bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde
                                onderwerpen voorstellen te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                                bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een
                                beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan
                                legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter
                                besluitvorming voor aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen
                                van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de
                                organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde
                                organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door
                                haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de
                                behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                                subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen
                                die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking
                                staan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op
                                door hem te bepalen tijdstippen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie
                                leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen
                                verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het
                                verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter
                                vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk
                                de te behandelen onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste
                                de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat twee of meer
                                leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien
                                ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de
                                organisaties is vertegenwoordigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                                vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                                onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen
                                14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die
                                onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</titel></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken
                            door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die
                            onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de
                            orde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergaderingen zijn niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                                vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                                deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten
                                bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun
                                organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda
                                binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling
                                van zaken aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte
                                van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de
                                hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:7:1 Overleg met organisaties van
                                overheidspersoneel</titel></kop><al>Het gestelde in artikel 12:2:7 lid 2 is niet op de gemeente
                            Smallingerland van toepassing. Daarvoor in de plaats treedt de volgende
                            tekst:</al><al>De voorzitter kan de vergadering door deskundigen, waaronder hoofden van
                            dienst en andere ambtenaren doen bijwonen. Deze kunnen aan de bespreking
                            deelnemen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</titel></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls
                            hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                            tijd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem
                                uit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
                                bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
                                buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van
                                de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald
                                door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke
                                organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij
                                haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met
                                dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in
                                aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere
                                organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen
                                wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
                                aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</titel></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                            notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden
                            gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is
                            bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</titel></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen
                            wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8
                            zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de
                            advies- en arbitragecommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en
                            12:3:8 wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                    gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties
                                    genoemd in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b"><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                                    ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                                    van Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van
                            toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel
                            12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de
                            rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene
                            regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg
                            tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst
                            die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben,
                            brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het
                            overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige
                            deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4,
                                schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor
                                georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen
                                zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten
                                het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de
                                vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat
                                het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing
                                van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van
                                het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en
                                arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een
                                arbitrale uitspraak van die commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van
                                alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en
                                vierde lid, bevoegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming
                                vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de
                                toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en
                                vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5,
                                wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter
                                van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend
                                door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het
                                advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de
                                inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel
                                12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan
                                het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het
                                geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie
                                op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes
                                dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van
                                de advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt
                                het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van
                                de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
                                te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b"><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                        onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                            geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                            bindende kracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college,
                            na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1:De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn
                                overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari
                                1996.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                                ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan
                                wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                                regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen,
                                waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                                opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de
                                gevolgen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                                artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23
                                tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en
                                tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende
                                kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige
                            betrekking bekleedt, geldt dat de omvang van deze betrekking per 1
                            januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft
                            verzocht om handhaving van het aantal uren van de betrekking per 31
                            december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en
                            uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997
                            geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5,
                            eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14 Medezeggenschap</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14:1 Medezeggenschap</titel></kop><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer
                            en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet
                            voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                            zittingstermijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                werknemers</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                            ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of
                            onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een
                            ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming
                            ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en
                            derde lid, van de WOR.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>15 Overige rechten en verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15:1 Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te
                            vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar
                            betaamt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1a Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet,
                            bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of
                                diensten</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of
                            namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a"><al>diensten te laten verrichten door personen in
                                    gemeentedienst;</al></li><li nr="b"><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c"><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn
                                    betrekking ter kennis is gekomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a"><al>in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften
                                    of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te
                                    nemen, anders dan met toestemming van het college;</al></li><li nr="b"><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen
                                of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te vervullen, is
                                hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                mededelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan
                                te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
                                verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
                                dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling,
                                kunnen raken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                eerste lid gedane opgaven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren
                                van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere
                                ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                                integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van
                                nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie
                                waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                koersgevoelige informatie verbonden is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op
                                een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen
                                respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de
                                belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de
                                functievervulling, kunnen raken. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het
                                tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare
                                dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de
                                ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen
                                ten behoeve van anderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:9 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en
                            met 15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:10 Plicht tot aanvaarden andere betrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht - nadat hij is gehoord - een andere
                                betrekking te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het
                                belang van de dienst is aangewezen, indien deze betrekking hem
                                redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn
                                omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden
                                opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het college dit in het dienstbelang nodig acht is de
                                ambtenaar verplicht om:</al><lijst><li nr="a"><al>tijdelijk niet tot zijn betrekking behorende werkzaamheden
                                        te verrichten, dan wel tijdelijk een andere betrekking waar
                                        te nemen;</al></li><li nr="b"><al>tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                        vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c"><al>zich buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden
                                        ter beschikking te houden. Voor het gedurende onbepaalde
                                        tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten
                                        wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze
                                        diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een
                                        periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht,
                                        hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid
                                en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden
                                redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij -
                                onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te
                                vangen - daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond
                                kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter
                                zake neemt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                                werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
                                heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te
                                verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden
                                behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks
                                met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de
                                regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt
                                zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in
                                artikel 12:1 tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het
                                college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of
                                andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te
                                verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze
                                werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in
                                die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed
                                en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college
                                wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet rampen
                                en zware ongevallen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In geval van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, sub
                                b, Wet rampen en zware ongevallen, is de ambtenaar die is aangewezen
                                op grond van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in
                                het kader van de Wet rampen en zware ongevallen te verrichten onder
                                leiding en toezicht van het college waar de ramp of het zware
                                ongeval plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is
                                te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan
                                oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide
                                taak.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                zulks redelijkerwijs toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan
                                zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding
                                daarvan op zijn bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de
                                ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of
                                mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding
                                zijn wensen kenbaar te maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                                aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate
                                hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft
                                genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit
                                een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt
                                bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen
                                van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                gedurende die tijd zijn betrekking wordt waargenomen krachtens
                                aanwijzing door of namens het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:14 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college
                                te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
                                uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en
                                omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die
                                betrekking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar
                                zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of
                                de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze
                                aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt
                                geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij
                                zijn betrekking vervult naar het oordeel van het college verbeterd
                                kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking
                                de door het college voor die betrekking of voor bepaalde
                                werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en
                                onderscheidingstekenen te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                                uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of
                                namens het college toestemming is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform
                                insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst
                                uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet
                                van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen
                                waarvan niet door het college vergunning is verleend. Dit verbod is
                                niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of
                                dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld
                                betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het
                                eerste lid bedoelde kleding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:16:0 Regeling werkkleding gemeentepersoneel</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk, vindt u hier de Regeling werkkleding
                            gemeentepersoneel van de gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:17 Standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting
                                worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan
                                wonen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met
                                name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk
                                zijn werkzaamheden verricht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde
                                nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van
                                de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die
                                daaromtrent zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn,
                                tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</titel></kop><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de
                            kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf
                            aldaar worden ontzegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met
                                een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens
                                de Infectieziektewet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt,
                                mag zijn betrekking niet vervullen en heeft geen toegang tot de
                                dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de
                                hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de
                                volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor
                                overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht
                                moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                                situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan
                                het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
                                vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                                overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn
                                betrekking te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:21 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten
                                ter zake van reizen in het belang van de dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de
                                daarvoor door het college gestelde regelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:22:0 Regeling algemene reiskosten</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk vindt u hier de Regeling algemene
                            reiskosten van de gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en
                                uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                                Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke
                                hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de
                                vervulling van zijn betrekking, voor zover die schade niet bestaat
                                uit de normale slijtage dier goederen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van
                                zijn betrekking, tenzij:</al><lijst><li nr="a"><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b"><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
                                        grenzende verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c"><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar
                                        rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een
                                        vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
                                        belastingvrije bedrag per kilometer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig
                            in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
                            vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem
                            daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze
                            toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:24:0 Regeling vergoeding eigen vervoermiddel</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk vindt u hier de Regeling vergoeding eigen
                            vervoermiddel van de gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</titel></kop><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                            schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                            volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig
                            ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan
                            het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten
                            komen ten laste van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit
                            wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet
                            verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van
                            bezoldiging verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor
                            voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor
                            leerplichtvrije jeugd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</titel></kop><al>Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de
                            betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een
                            bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van:</al><lijst><li nr="a"><al>extra verlof;</al></li><li nr="b"><al>gratificatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen</titel></kop><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
                            kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
                            voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende
                            ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven
                            haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke
                                organisatie</titel></kop><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                            plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de
                            commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten
                            vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan
                            genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt
                            benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2 Klokkenluiders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens
                                van misstanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld
                                worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:0:0 Regeling klokkenluiders</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk vindt u hier de Regeling klokkenluiders
                            van de gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>16 Disciplinaire straffen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of
                                zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij
                                herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van
                                maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de
                                tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden
                                gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
                                het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                                omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                                disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al>arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar
                                        vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
                                        lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren
                                        met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande
                                        dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de
                                        voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;</al></li><li nr="c"><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal
                                        uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
                                        kalenderjaar aanspraak heeft;</al></li><li nr="d"><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris
                                        per jaar;</al></li><li nr="e"><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
                                        bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
                                        maand;</al></li><li nr="f"><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                                        verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
                                        herwaardering van de betrekking daaronder begrepen, voor ten
                                        hoogste vier jaren;</al></li><li nr="g"><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de
                                        laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door
                                        de ambtenaar beklede betrekking geen schaal is verbonden,
                                        vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en
                                        ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;</al></li><li nr="h"><al>plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander
                                        onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en
                                        met of zonder vermindering van bezoldiging;</al></li><li nr="i"><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk
                                        genot van bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g, worden
                                opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede
                                de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het
                                bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door
                                de ambtenaar vervulde betrekking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                                uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
                                gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet
                                schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de
                                bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim
                                en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen
                                bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:3 Verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
                                schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten
                                overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De
                                verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan
                                12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze
                                termijn worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36
                                uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door
                                hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de
                                ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan
                                in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen,
                                melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de
                                ambtenaar uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in
                                de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten
                                of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten
                                betrekking hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:4 Verantwoording</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                            schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:5 Verantwoording</titel></kop><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
                            uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                            strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>17 Opleiding en ontwikkeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17:1:1 Persoonlijk ontwikkelingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk
                                ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en
                                de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in
                                dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                                activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per
                                drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in
                                de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het
                                gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het
                                college vastgestelde opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten
                                worden door het college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd
                                met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking
                                van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten
                                stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd
                                met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al>de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                                        redelijkerwijs te maken kosten;</al></li><li nr="-"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal
                                        worden;</al></li><li nr="-"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken
                                        voortgang;</al></li><li nr="-"><al>de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan
                                        worden onderbroken of gestopt;</al></li><li nr="-"><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door
                                        de ambtenaar;</al></li><li nr="-"><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst
                                        binnen een te bepalen periode na afronding van de
                                        studie;</al></li><li nr="-"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:0:0:0 Regeling studiefaciliteiten niet zijnde
                                pop</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk vindt u hier de Regeling
                            studiefaciliteiten niet zijnde pop van de gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:0:0:1 Regeling terugbetaling
                                studiefaciliteiten</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk vindt u hier de Regeling terugbetaling
                            studiefaciliteiten van de gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:2 Loopbaanadvies</titel></kop><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies
                            bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:3 Inzetbaarheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het
                                functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt
                                het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zonodig
                                worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen
                                in het individuele takenpakket.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college past voor de ambtenaar van 62 tot 65 jaar, binnen de
                                mogelijkheden van de fiscale wetgeving, een ‘premiekorting in dienst
                                hebben oudere werknemers’ toe. Het bedrag van de korting wordt
                                gebruikt voor verhoging van de inzetbaarheid van de ambtenaar. Het
                                college en de ambtenaar bepalen in overleg de besteding van het
                                bedrag.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>18 Verplaatsingskosten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar of gewezen ambtenaar in
                                        de zin van de CAR;</al></li><li nr="b"><al><vet>woongebied:</vet> een door het college aan te wijzen
                                        gebied aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c"><al><vet>standplaats:</vet> de gemeente of het met name genoemde
                                        deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                                        werkzaamheden verricht;</al></li><li nr="d"><al><vet>gezinsleden:</vet> de echtgenoot, geregistreerde
                                        partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en
                                        pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de echtgenoot,
                                        geregistreerde partner voor zover zij samenwonen;</al></li><li nr="e"><al><vet>eigen huishouding voeren:</vet> het zelfstandig en voor
                                        eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen
                                        meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van
                                        het bevoegde gezag;</al></li><li nr="f"><al><vet>berekeningsbasis:</vet> het twaalfvoud van de
                                        bezoldiging – in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen
                                        daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van
                                        toepassing is – die betrokkene geniet op het
                                        berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de
                                        vakantie-uitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd
                                        met: </al><lijst><li nr="1"><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk
                                                10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering
                                                krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2"><al>genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig
                                                hoofdstuk 9 of het FPU-reglement basis- en
                                                aanvullende uitkering;</al></li><li nr="3"><al>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12
                                                van het pensioenreglement;</al></li></lijst></li><li nr="g"><al><vet>berekeningstijdstip:</vet> 1e datum waarop de
                                        betrokkene verhuist; 2e indien de betrokkene verhuist voor
                                        de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum
                                        van ingang van de functievervulling; 3e bij het overlijden
                                        of ontslag van de betrokkene, de datum waarop laatstelijk
                                        bezoldiging werd genoten;</al></li><li nr="h"><al><vet>verplaatsen en verplaatsing:</vet> veranderen
                                        onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de
                                        betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;</al></li><li nr="i"><al><vet>verplaatsingskostenvergoeding:</vet> tegemoetkoming in
                                        de kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing
                                        voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                                        tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat
                                        de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j"><al><vet>dienstwoning:</vet> de door het bevoegde gezag aan de
                                        betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie
                                        aangewezen woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als
                                bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in
                                verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd
                                en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt
                                verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of
                                omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen,
                                dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te
                                betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst
                                van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen
                                wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in
                                verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts
                                verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een
                                verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem
                                bekend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:2:1 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><al>De belanghebbende, die zonder dat daartoe opdracht is verleend door het
                            bestuursorgaan, in verband met indiensttreding is verhuisd, wordt een
                            tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend, indien hij zich binnen een
                            straal van 10 kilometer van de plaats van tewerkstelling of binnen de
                            grenzen van de gemeente Smallingerland heeft gevestigd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan
                                in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning
                                betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag
                                op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering
                                voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan
                                betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet
                                ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een
                                gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                                overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in
                                verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in
                                de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend,
                                met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die
                                waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het
                                woongebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en
                            18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden
                            binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel
                            na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al><lijst><li nr="a"><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van
                                        de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de
                                        nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en
                                        uitpakken van breekbare zaken;</al></li><li nr="b"><al> een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de
                                        noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 279,08
                                        per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten
                                        hoogste vier maanden wordt verleend;</al></li><li nr="c"><al> een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                                        voortvloeiende kosten, met een maximum van € 5.581,13.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                                huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is
                                bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
                                berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum
                                van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met
                                dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid,
                                onderdeel c, niet overschreden wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
                                echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin
                                van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of
                                zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis
                                vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben
                                en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die
                                aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de
                                berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een
                                voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de
                                hoogste berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                                tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend.
                                Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor
                                deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van
                                de berekeningsbasis.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals
                                bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe,
                                niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het
                                dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling,
                                zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een
                                tegemoetkoming in de verhuiskosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel
                                van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen,
                                heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in
                                huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de
                                pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied
                                als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten
                                hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij
                                metterwoon nog gevestigd is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar
                                het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs
                                van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te
                                verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen
                                als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur
                                bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als
                                gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in
                                de reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel
                                een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de
                                betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks
                                heen en weer kan reizen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste
                                en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar
                                vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is voor
                                dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein gemaximeerd op het
                                bedrag van € 3.451,= per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het
                                pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst
                                mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen
                                gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat
                                station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 93,28 op
                                jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                                vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van
                                een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling
                                die niet door openbaar vervoer is te bereiken, of indien de
                                betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van
                                tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar
                                vervoer is te bereiken, € 0,15 per kilometer met een maximum van 20
                                kilometer enkele reis.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van
                                tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan
                                geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25%
                                van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7:1 Hoogte tegemoetkoming reiskosten</titel></kop><al>Het gestelde in 17:1:7 lid 2, is eveneens van toepassing op
                            belanghebbenden die recht hebben op een beschikbaarheidstoelage.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                                woon-werkverkeer</titel></kop><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een
                            betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft
                            aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar
                            vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een
                            aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de
                            opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt
                            aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een
                            vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze
                            vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:9 Pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6,
                                tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met
                                gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de
                                betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de
                                door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het
                                bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk
                                aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar
                                het tarief van de laagste klasse.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en
                                pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en
                                18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden
                                verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van
                                betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
                                bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte
                                kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in
                                geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór
                                1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het
                                bevoegde gezag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                                vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met
                                inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de
                                datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes
                                maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van
                                de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:12 Voorschot</titel></kop><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                            tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:13 Slotbepaling</titel></kop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens
                            dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin
                            deze regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar
                            redelijkheid voorzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:14 Overgangsrecht</titel></kop><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming
                            woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat
                            luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode van
                            maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning, recht op
                            een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek
                            zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals
                            die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze
                            betrokkene, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming conform de
                            laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft
                            gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de tegemoetkoming
                            woon-werkverkeer.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                            aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:2 Begripsbepaling</titel></kop><al><vet>Hoofdwerkgever:</vet> de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                            loondienst is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</titel></kop><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de
                            rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van
                            artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor
                            georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens
                            welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van
                                dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn
                                werkzaamheden heeft na te leven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk
                                zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</titel></kop><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle
                            regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de
                            vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop,
                            worden kosteloos ter beschikking gesteld aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg
                                    bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                    aanmerking komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in
                                tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze
                                van proef.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van
                                maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de
                                tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten
                                hoogste een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de
                                maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is,
                                tenzij de proef niet geslaagd is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in
                                aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel
                                veiligheidsregio’s daarvoor stelt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger
                                voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                        karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b"><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse
                                        werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om
                                        zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar behoren
                                        te vervullen;</al></li><li nr="c"><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht
                                van aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
                                        vrijwilliger;</al></li><li nr="b"><al> de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling
                                        wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo
                                        nauwkeurig mogelijk omschreven;</al></li><li nr="c"><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d"><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de
                                        vergoeding die aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig
                                mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:9 Bevordering</titel></kop><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie
                            bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel
                            veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden
                            ten minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding
                            vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:10 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                                indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en
                                informeert het college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger
                                informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer
                                informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en
                                verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het
                                tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo
                                spoedig mogelijk over wijzigingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</titel></kop><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                            indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a"><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; </al></li><li nr="b"><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor
                                    brandweerwerkzaamheden; </al></li><li nr="c"><al> de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden
                                    voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden
                                    hier rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d"><al> de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor
                                    brandweeractiviteiten tijdens werktijd; </al></li><li nr="e"><al> ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                    brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:13 Vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding
                                overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de
                                CAR-UWO.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31
                                december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam
                                is, zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de
                                regels van dit hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage,
                                genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie,
                                behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de
                                tweede kolom.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                                werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met
                                toestemming van het college, of in opdracht van het college overige
                                werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in
                                de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie
                                waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de
                                vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger voor die
                                activiteit geen recht op vergoeding. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artiklel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                                hulpverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt
                                met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt
                                hiervoor een vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in
                                de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de
                                functiecategorie, behorende bij de functie van de vrijwilliger, in
                                de vierde kolom. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer
                                ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige
                                brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige
                                aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het
                                uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld
                                achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                                vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen
                                recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt
                                over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft,
                                een cursus gevolgd heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht
                                heeft. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</titel></kop><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te
                            worden voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze
                            vergoeding bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                    bijlagen, genoemd inartikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag,
                                    tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide
                                    Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt
                                    gevierd en iedere andere dag die daarnaast door het college
                                    wordt aangewezen als feestdag; </al></li><li nr="b"><al> per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                    bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</titel></kop><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding
                            van kazerneringsdiensten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met
                                zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode
                                dat zij niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of
                                niet deelneemt aan oefeningen recht op doorbetaling van de
                                vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag
                                dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de
                                eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon
                                in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke, past het
                                college deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel
                                sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:21 Opleidingskosten</titel></kop><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een
                            cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor
                            zover deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:22 Gratificatie</titel></kop><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het
                            toekennen van een gratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</titel></kop><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                            gunstige personeelsvoorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:24 Salarismutaties</titel></kop><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het
                            LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de
                            ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in
                            bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende
                            vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding afgerond op hele
                            euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op eurocenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de
                                vrijwilliger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en
                                blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval,
                                overeenkomstig de polisvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de
                                inhoud van de verzekering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                vrijwilliger gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van
                                de polisvoorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte
                                medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval
                                en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten
                                hoogste het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft
                                verzekerd. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste
                                lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan
                                het college in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in
                                de hogere kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is
                                een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering
                                bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                dienstongeval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij
                                indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien
                                dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking
                                van de verzekering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</titel></kop><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding,
                            uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                            aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld
                            of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte
                            werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale slijtage
                            van die goederen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:29 Zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk
                                stadium bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de
                                periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor
                                repressieve brandweeractiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde
                                situaties vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de
                                bedrijfsarts.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger
                                voor de brandweerdienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en
                                cursussen die door of vanwege het college zijn georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of
                                niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet
                                daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig
                                de instructie van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:31 Verplichtingen</titel></kop><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te
                            verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:32 Eed of belofte</titel></kop><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet,
                            bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:33 Verboden</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a"><al> de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor
                                    persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend
                                    door of namens het college;</al></li><li nr="b"><al> vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                    vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor
                                    toestemming is verleend door of namens het college; </al></li><li nr="c"><al> steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van
                            de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten
                            behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door
                            het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen
                            bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het
                                college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te
                                dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college
                                kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij
                                ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
                                bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is
                                verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle,
                                wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding
                                en uitrustingsstukken. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a"><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij
                                    geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de
                                    gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend;
                                </al></li><li nr="b"><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen
                                    te geven;</al></li><li nr="c"><al> dienstkleding te dragen voorzien van:</al><lijst><li nr="I"><al> andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan
                                            de rang, behorende bij de functie die de vrijwilliger
                                            bekleedt;</al></li><li nr="II"><al> insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot
                                            het dragen daarvan door de staat of door het college
                                            toestemming is verleend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente
                                schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of
                                gedeeltelijk te vergoeden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen
                                kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de
                                schadevergoeding op zijn vergoeding. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan
                                disciplinair worden gestraft. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als
                                het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in
                                gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</titel></kop><al>De volgende disicplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a"><al> schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al> inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel
                                    19:14;</al></li><li nr="c"><al> schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van
                                    de vergoeding;</al></li><li nr="d"><al> ongevraagd ontslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</titel></kop><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a"><al> wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of
                                    hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b"><al> wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het
                                    Wetboek van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling
                                    of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;</al></li><li nr="c"><al> wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld
                                    wegens misdrijf;</al></li><li nr="d"><al> in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit
                                    noodzakelijk maakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom
                                verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste
                                een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst
                                van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag
                                aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke
                                vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de
                                vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het
                                ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter
                                onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de
                                vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond
                                van:</al><lijst><li nr="a"><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of
                                        wegens verandering van de brandweerorganisatie; </al></li><li nr="b"><al> de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn
                                        dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning
                                        geacht moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de
                                        brandweer te vervullen; </al></li><li nr="c"><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken; </al></li><li nr="d"><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of
                                        gebreken;</al></li><li nr="e"><al> onder curatelestelling;</al></li><li nr="f"><al> toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g"><al> onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                        wegens misdrijf;</al></li><li nr="h"><al> een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li><li nr="i"><al> de omstandigheid dat uit de medische keuring is gebleken
                                        dat de vrijwilliger medisch, fysiek, of psychisch niet meer
                                        geschikt is, of binnen een redelijke termijn te maken is,
                                        voor de brandweerdienst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van
                                het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van
                                dit artikel. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag
                                van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband
                                nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke
                                aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de
                                eerste dag na het verstrijken van vorenbedoelde periode in vaste
                                dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd
                                worden op een van de gronden genoemd in artikel 19:42..</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:1:14:1 Aanspraken bij ongeval</titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 19:1:14 geldt dat ook de bij de
                            gemeente aangemelde partner waarmee ongehuwd wordt samengewoond kan
                            aanspraak hebben op een uitkering bij overlijden, een en ander conform
                            de verzekeringsvoorwaarden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19a Keuringen brandweerpersoneel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19a:1 Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de
                                brandweer is aangesteld in de functie van bevelvoerder en manschap A
                                en B zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij
                                de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen
                                mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden
                                functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch
                                oogpunt geen bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals
                                opgenomen in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die
                                daartoe door het college zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is
                                aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst
                                conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb
                                van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig
                                of minimaal een half jaar na indienstreding.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een
                                leeftijd van:</al><lijst><li nr="a"><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b"><al> tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar; </al></li><li nr="c"><al> ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:4 Fysieke test</titel></kop><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld
                            in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een
                            instelling voor kunsteducatie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de
                            kunsteducatie in de functie van:</al><lijst><li nr="a"><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b"><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c"><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling:
                            een onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:3 Functie-eisen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de
                                functie van docent en consulent in het bezit is van een diploma van
                                een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de
                                OR, afwijken van het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</titel></kop><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                            functioneringsgesprek gehouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief
                                        contact is met leerlingen;</al></li><li nr="b"><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren
                                        zijn als lesgebonden uren;</al></li><li nr="c"><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                        niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
                                zijn in te delen in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="a"><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b"><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van
                                        dezelfde instelling;</al></li><li nr="c"><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere
                                        activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op
                                        peil te houden;</al></li><li nr="d"><al>algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een
                                regeling vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus
                                niet-lesgebonden uren staat. In de regeling kan per discipline een
                                afwijking op deze verhouding en de voorwaarden daarvoor worden
                                opgenomen. Voor de vaststelling van deze regeling is overeenstemming
                                vereist tussen de werkgever en de OR. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde
                                lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding
                                lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in
                                het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal
                                65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal
                                35% van zijn formele arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In plaats van bijlage II en IIa , bedoeld in artikel 3:1, derde lid,
                                past het college de salaristabel, genoemd in bijlage IV, toe bij het
                                vaststellen van het salaris van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in de bezoldigingsregeling,
                                bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, is niet van toepassing. De
                                functie van </al><lijst><li nr="a"><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b"><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c"><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering
                                en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt
                                hiervoor de functiebeschrijving vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds
                                voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of
                                vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de
                                aanloopbedragen van de bij de functie behorende salarisschaal. De
                                aanloopbedragen zijn opgenomen in de salaristabel, genoemd in
                                bijlage IV.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen
                                en voor de bevordering naar een bij de functie behorende
                                salarisschaal.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen
                                opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te
                                zijn in het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal
                                een periodieke verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens
                                vindt periodieke verhoging iedere keer na twee jaar plaats. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Artikel 3:3 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op
                                een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op
                                zondag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van
                                verlof en bedraagt 25% van de uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de
                                ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen
                                verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de
                                toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de
                                ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien </al><lijst><li nr="a"><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is
                                        aangemerkt als verplicht vrije periode of </al></li><li nr="b"><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen
                                        hebben gekregen van lessen/cursussen</al></li></lijst><al>Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar
                                rato.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes
                                en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum
                                van 36 uur per week. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar
                                verplicht vrij is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende
                                maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar
                                voor werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de
                                ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 4:1, eerste lid, is op de ambtenaar artikel
                                5.7 van de Arbeidstijdenwet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In aanvulling op artikel 4:2 verstrekt het college zo snel mogelijk
                                maar in ieder geval binnen 2 maanden na ingang van een cursusjaar
                                een rooster van de in dat cursusjaar te werken uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het
                                college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een
                                aangepast rooster.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die op 31 december
                                2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de
                                arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar
                                verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat voor de ambtenaar
                                een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar. Voor een ambtenaar met
                                een deeltijdbetrekking gelden deze verhogingen naar rato.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor
                                deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren,
                                die in dienst zijn van de instelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens
                                overgangstermijn</titel></kop><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3
                            indien en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door
                            verhoging van het aantal te werken uren als bedoeld in artikel
                            19b:13.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met
                                een verplicht vrije periode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in
                                artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                heeft de ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie
                                van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op
                                compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>3Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van
                                de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
                                daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in
                                artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:16 Overtolligheid</titel></kop><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of
                            het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie
                            overeenkomt met de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld
                                in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende
                                ontslagvolgorde gehanteerd:</al><lijst><li nr="a"><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in
                                        aanmerking wensen te komen;</al></li><li nr="b"><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;</al></li><li nr="c"><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van
                                        het afspiegelingsbeginsel in combinatie met
                                        anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste
                                lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met
                                dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen: </al><lijst><li nr="-"><al>van 15 tot 30 jaar;</al></li><li nr="-"><al>van 30 tot 45 jaar; en</al></li><li nr="-"><al>van 45 jaar en ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de
                                ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij
                                een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de
                                helft van de formele arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5
                                uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor
                                minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in
                                artikel 8:3, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet
                                bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op
                                grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een
                                zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar
                                binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende
                                werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
                                werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie
                                maanden in acht genomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij
                                        een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder
                                        dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                        ontslagen</al></li><li nr="-"><al>minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als
                                        bedoeld in de Wet minimumloon en
                                        minimumvakantiebijslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a"><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond
                                        van artikel 8:3;</al></li><li nr="b"><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in
                                        tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                        van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest;</al></li><li nr="c"><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk
                                        voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag
                                        is gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen
                                        per jaar loon heeft ontvangen;</al></li><li nr="d"><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht
                                        heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte
                                van het dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband
                                van:</al><lijst><li nr="a"><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6
                                        maanden;</al></li><li nr="b"><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12
                                        maanden;</al></li><li nr="c"><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18
                                        maanden;</al></li><li nr="d"><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24
                                        maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de
                                        dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het
                                        aantal verloren arbeidsuren, en</al></li><li nr="b"><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met
                                        het aantal verloren arbeidsuren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de
                                ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder
                                c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid, recht op
                                een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze uitkering
                                bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd met het aantal
                                verloren arbeidsuren.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is
                                verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich
                                beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden.
                                Daarnaast dient hij alle informatie te verstrekken die voor de
                                uitvoering van deze regeling noodzakelijk is. Bij het niet nakomen
                                van deze verplichtingen kan het college besluiten de
                                garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend,
                                na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de
                                garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe
                                werkzaamheden omvat.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het
                                zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de
                                werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden
                                te bestaan, herleeft het recht op de garantie-uitkering KV voor
                                zover er geen nieuwe rechten op enige uitkering uit hoofde van het
                                ontslag uit deze werkzaamheden zijn ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a"><al>als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat
                                        tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid,
                                        een andere uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
                                        waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP
                                        Keuzepensioen;</al></li><li nr="c"><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d"><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op
                                        een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>20 Vergoeding piketdiensten beroepsbrandweer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</titel></kop><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem
                            geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de
                            brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</titel></kop><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt
                            verleend zo spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het
                            tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het
                            verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking
                            moest houden, voor zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede
                            Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                            waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag,
                            die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van het aantal
                            uren waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren
                            vielen op andere dagen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</titel></kop><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet
                            tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                            vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                            voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                            zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                            Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop
                            de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die
                            daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van dat
                            salarisgedeelte voor elk uur, waarin hij zich ter beschikking moest
                            houden, indien deze uren vielen op andere dagen. De uitbetaling heeft zo
                            spoedig mogelijk plaats.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan:
                            een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het
                            oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding
                            voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht
                            volgens door het college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan
                            slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met
                                echtgenoot</titel></kop><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op
                            overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een
                            levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens
                            worden gelezen "levenspartner".</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met
                                echtgenoot</titel></kop><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid
                            voorziet, treft het college een passende voorziening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan
                                wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van
                                het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
                                verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn
                                aan de bepalingen van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit
                                verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele
                                ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt
                                overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting CAR/UWO</titel></kop><artikel><kop><titel>Begripsomschrijvingen (T)</titel></kop><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> Het eerste lid geeft onder a
                            een begripsomschrijving van de term ‘ambtenaar’, zoals deze voor de
                            toepassing van de CAR/UWO geldt. Uit de gekozen terminologie blijkt dat
                            er aansluiting is gezocht bij artikel 1, lid 1, van de Ambtenarenwet.
                            Toegevoegd aan het begrip ambtenaar volgens de Ambtenarenwet zijn de
                            woorden ‘door of vanwege de gemeente’.</al><al>Hoewel de burgemeester ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet is de
                            CAR/ UWO niet op hem van toepassing. Een burgemeester wordt immers
                            benoemd door de Kroon en dus niet door of vanwege de gemeente. De
                            rechtspositie van de burgemeester is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (KB. van 15 juni 1994, Stb.
                            462).</al><al>De wethouder is geen ambtenaar in de zin van de CAR/UWO of de
                            Ambtenarenwet. Behalve in de Gemeentewet is zijn rechtspositie geregeld
                            in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders (KB van 22 maart 1994, Stb. 243). Omdat
                            er tussen de wethouder en de gemeente geen gezagsverhouding
                            werkgever/werknemer bestaat, is er geen sprake van een
                            dienstbetrekking.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Hoewel de pensioenwet per 1
                            januari 1996 is vervallen en vervangen door een privaat
                            pensioenreglement, blijft niettemin de vermelding van de pensioenwet
                            noodzakelijk. Dit met het oog op bijvoorbeeld de vaststelling van voor
                            pensioengeldige tijd i n het kader van dewachtgeldregeling (hoofdstuk 10
                            van de CAR).</al><al><vet><cursief>Onderdeel g en h</cursief></vet> De feitelijke arbeidsduur
                            per week kan gelijk zijn aan de formele arbeidsduur per week, maar kan
                            daar door toepassing van artikel 4:1, eerste lid, ook van afwijken.</al><al><vet><cursief>Onderdeel j en k</cursief></vet> Een volledige betrekking
                            heeft een arbeidsduur van ten hoogste 1836 uur per jaar. In deze
                            berekening zijn meegenomen het aantal werkdagen verminderd met het
                            aantal, niet jaarlijks op zaterdag of zondag vallende, feestdagen per
                            jaar, gecorrigeerd met de kans dat zij periodiek op een zaterdag of
                            zondag vallen. Het gaat hier gemiddeld om 5 6/7 dag per jaar. De in
                            aanmerking genomen feestdagen zijn Nieuwjaarsdag (gemiddeld per jaar 5/7
                            dag), 2e paasdag (7/7), Koninginnedag (5/7), Hemelvaartsdag (7/7), 2e
                            pinksterdag (7/7) en de beide kerstdagen (10/7).</al><al>De berekening is dan als volgt: 365,25 dagen x 5/7 – 5 6/7 = 255 dagen.
                            255 x 7,2 uren(= 36 uren : 5) = 1836 uren.</al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen (zoals bijvoorbeeld
                            bevrijdingsdag, goede vrijdag, 1 mei, maar ook andere dagen zoals de
                            biddag voor het gewas, carnavalsmaandag en/of dinsdag, vrije dagen voor
                            de plaatselijke kermis etc.) moeten deze, op overeenkomstige wijze, in
                            mindering worden gebracht op de in dit lid genoemde maximale
                            arbeidsduur. De vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd met 7,2 uur
                            bij een feestdag die elk jaar op een andere dag van de week valt en 7,2
                            uur bij een feestdag die elk jaar op dezelfde dag van de week valt, niet
                            zijnde een zaterdag of zondag. Een volledige betrekking kent een formele
                            arbeidsduur van 36 uur per week. Door toepassing van artikel 4:1, eerste
                            lid, kan de feitelijke arbeidsduur in een bepaalde week afwijken van de
                            formele arbeidsduur.</al><al><vet><cursief>Onderdeel n</cursief></vet> De arbeidsduur kan in de vorm
                            van werktijden zowel geheel worden vastgelegd als ook gedeeltelijk.
                            Indien de werktijden gedeeltelijk zijn vastgelegd, spreekt men
                            bijvoorbeeld van bloktijden.</al><al><vet><cursief>Onderdeel o</cursief></vet> Als gevolg van de invoering
                            van de 36-urige werkweek wordt het uurloon gewijzigd van 1/165 gedeelte
                            van het salaris naar 1/156 gedeelte van het salaris. De berekening
                            hiervoor luidt als volgt: 36 x 52 weken : 12 maanden = 156 uur per
                            maand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Geen ambtenaar (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> De rechtspositie van het
                                onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs is
                                onder andere geregeld in het Rechtspositiebesluit
                                onderwijspersoneel. Grondslag voor dit besluit ligt in de diverse
                                onderwijswetten. Onderwijzend personeel bij het bij zonder onderwijs
                                is op arbeidsovereenkomst werkzaam bij die instellingen en dus
                                daarom al is de CAR/UWO niet op hen van toepassing. De gemeente
                                treedt hier immers niet als werkgever op.</al><al><vet><cursief>Onderdeel b</cursief></vet> Het onderwijsondersteunend
                                personeel is belanghebbende in de zin van het Rechtspositiebesluit
                                onderwijspersoneel als het rechtstreeks bij de school is aangesteld.
                                Wanneer bijvoorbeeld een schoolschoonmaker bij de gemeente is
                                aangesteld, is de CAR/UWO onverkort van toepassing. </al><al><vet><cursief>Onderdeel c</cursief></vet>Ook de (buitengewoon)
                                ambtenaar van de burgerlijke stand, die als zodanig optreedt, is
                                geen ambtenaar in de zin van het CAR. Wanneer het gaat om een
                                ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente werkzaam is, geldt de
                                uitzondering dus uitsluitend indien de ambtenaar - in nevenfunctie -
                                functioneert in de hoedanigheid van (buitengewoon) ambtenaar van de
                                burgerlijke stand. </al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Alle onbezoldigde
                                gemeenteambtenaren die conform artikel 231 van de Gemeentewet zijn
                                belast met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen
                                worden voor de toepassing van de CAR/UWO niet als ambtenaar
                                beschouwd. </al><al><vet><cursief>onderdeel f en g</cursief></vet>Gemeenten kunnen voor
                                de uitoefening van bepaalde taken toezichthouders aanstellen. Een
                                toezichthouder is volgens artikel 5:11 van de Awb: 'Een persoon, bij
                                of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van
                                toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig
                                wettelijk voorschrift'. Er zijn toezichthouders zonder
                                opsporingsbevoegdheid en toezichthouders met opsporingsbevoegdheid.
                                Aan deze laatste groep wordt door het Ministerie van Justitie een
                                BOA-akte verleend. </al><al>Gemeenten krijgen door het toevoegen van onderdeel g aan artikel 1:2
                                CAR/UWO de mogelijkheid om toezichthouders zonder
                                opsporingsbevoegdheid, maar die volgens wet- en regelgeving
                                aangesteld dienen te zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende
                                werkzaamheden te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder
                                dat de CAR/UWO op hen van toepassing wordt. Op basis van dit artikel
                                unnen gemeenten dus toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid
                                inhuren via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd
                                ambtenaar. </al><al>Met het toevoegen van onderdeel h aan artikel 1:2 CAR/UWO krijgen
                                gemeenten de mogelijkheid om toezichthouders met
                                opsporingsbevoegdheid aan te stellen als onbezoldigd ambtenaar
                                zonder dat de CAR/UWO op hen van toepassing wordt. Belangrijk
                                hierbij is dat dit alleen toegepast kan worden op ambtenaren in
                                functies die door het ministerie van Justitie zijn uitgezonderd van
                                de hoofdregel dat BOA-aktes alleen worden toegekend als de ambtenaar
                                in bezoldigde dienst is van de overheid. De gemeentelijke functies
                                van parkeercontroleur en APV-controleur zijn de twee uitzonderingen.
                                Dit is geregeld in een functielijst in de circulaire van het
                                ministerie van Justitie, Directoraat-Generaal Rechtshandhaving,
                                Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden, 2
                                december 2004, onderwerp: functielijst buitengewoon
                                opsporingsambtenaar, kenmerk 5324449/504 en de aanvulling daarop van
                                7 februari 2006, kenmerk 5402271/506/CBK. </al><al><cursief><vet>Onderdeel h</vet></cursief>Veelal laten gemeenten de
                                Wet sociale werkvoorziening (Wsw) uitvoeren door een
                                gemeenschappelijke regeling. Gemeenten kunnen er echter ook voor
                                kiezen om de Wet sociale werkvoorziening zelf uit te voeren en
                                geïndiceerden voor de sociale werkvoorziening zelf in dienst te
                                nemen. In het kader van de wet dienen geïndiceerden op basis van een
                                arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te worden
                                genomen. Deze mensen vallen onder de CAO sociale werkvoorziening. Op
                                grond van onderdeel i, eerste zinsdeel, worden deze personen
                                uitgezonderd van de toepassing van de CAR/UWO. Hiermee wordt
                                voorkomen dat deze personen zowel aanspraken kunnen ontlenen aan de
                                CAO sociale werkvoorziening als aan de CAR/UWO. </al><al> Uitzondering op de regel zijn degenen die werkzaam zijn bij de
                                gemeenten in het kader van begeleid werken. Zij vallen wel onder de
                                CAR/UWO. Deze uitzondering is geregeld in het tweede (en laatste
                                zinsdeel) van onderdeel i. </al><al><vet>onderdeel i </vet>Per 1 januari 2011 is voor de gehele
                                ambulancesector één arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing: de
                                sector-cao Ambulancezorg. De directe aanleiding voor de
                                totstandkoming van de cao vormt de inwerkingtreding van de Wet
                                ambulancezorg. De sector-Cao Ambulancezorg heeft geen rechtstreekse
                                doorwerking naar de publieke ambulancediensten. Dat wordt ook niet
                                gerealiseerd door de voorgenomen algemeenverbindendverklaring van de
                                sector-Cao. Tussen alle bij de Cao betrokken partijen is afgesproken
                                dat de publieke diensten de sector-Cao Ambulancezorg als
                                rechtspositionele regeling zullen vaststellen en daarin boek 7,
                                titel 10, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing
                                zullen verklaren. Deze afspraak wordt neergelegd in een apart en
                                bindend convenant dat alle betrokken ambulancediensten ondertekenen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat ambtenaren zoals genoemd in onderdeel f of g van het eerste
                                lid kunnen worden uitgesloten van de toepasselijkheid van de CAR/UWO
                                dient er overeenstemming over te zijn bereikt in het GO of met de
                                OR. Of dit in het GO of met de OR besproken moet worden is
                                afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het GO en de
                                OR. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Niet als ambtenaar in de zin van de CAR/UWO wordt beschouwd de
                                vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. De rechtspositie voor
                                deze categorie is geregeld in hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van de
                                UWO. Het personeel van de beroepsbrandweer is wel ambtenaar in de
                                zin van de CAR/UWO.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Leer-werkbaan (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen</vet> In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2004 – 2005
                                hebben LOGA-partijen afspraken gemaakt over de aanpak van
                                jeugdwerkloosheid. Door middel van het bieden van scholing en het
                                laten opdoen van werkervaring in de gemeentelijke sector willen
                                partijen zich inzetten om de arbeidsmarktpositie van jonge
                                werkzoekenden te verbeteren. Eén van de mogelijkheden om jongeren te
                                ondersteunen bij het vinden van betaald werk is het aanbieden van
                                een leer-werkbaan. Dit artikel regelt de rechtspositionele aspecten
                                van een leer-werkbaan.</al></lid><lid><lidnr>1 tot en met 3</lidnr><al> Voor een leer-werkbaan komen jongeren tussen de 16 en 25 jaar in
                                aanmerking. De jongere moet tenminste drie maanden ingeschreven
                                staan als werkzoekend bij het CWI. De duur van de uitkering of de
                                periode van werkloosheid is niet doorslaggevend maar bepalend is de
                                termijn dat een jongere is ingeschreven bij het CWI. De eerste fase
                                van een leer-werkbaan duurt drie tot zes maanden. De werkzoekende is
                                in deze periode niet aangesteld bij de gemeente, maar kan door
                                middel van een werkstage bij de gemeentelijke organisatie
                                werkzaamheden verrichten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Wanneer beide partijen vinden dat de eerste periode in de
                                leer-werkbaan goed verlopen is kan het college besluiten de
                                werkzoekende een tijdelijke aanstelling te geven. De beslissing
                                hierover ligt bij het college; overwegingen kunnen, onder meer, zijn
                                de mogelijkheden die er binnen de gemeente zijn om de werkzoekende
                                te begeleiden en de beschikbaarheid van voldoende relevante
                                werkzaamheden. De werkzoekende vervult geen reguliere betrekking.
                                Als voorwaarde voor een tijdelijke aanstelling kan dus niet de
                                beschikbaarheid van vacatureruimte gelden. De werkzoekende in
                                tijdelijke dienst wordt ingeschaald in schaal 1. Hiermee wordt ook
                                aangeduid dat het niet een reguliere betrekking betreft maar een
                                baan om werkervaring op te doen. Goede begeleiding en scholing zijn
                                belangrijk; de werkzoekende komt primair om teleren. Gedurende de
                                tijdelijke aanstelling zorgt het college voor de juiste begeleiding
                                van de werkzoekende. Afhankelijk van de individuele situatie kan het
                                college na overleg met de werkzoekende besluiten scholing aan te
                                bieden. Deze scholing vindt plaats op kosten van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Instapplan (T)</titel></kop><al>Het instapplan is bedoeld voor jongeren die op de arbeidsmarkt komen met
                            een adequate startkwalificatie. Om hen meer kans te bieden op een baan
                            wordt hen door middel van een tijdelijke aanstelling de mogelijkheid
                            geboden werkervaring op te doen binnen de gemeentelijke organisatie.
                            Aanbieding van scholing of opleiding is mogelijk. Omdat het hier
                            werkzoekenden met een startkwalificatie betreft is opleiding of scholing
                            niet verplicht gekoppeld aan een instapplan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Toepassing (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit artikel biedt de mogelijkheid de CAR/UWO of delen van deze
                                regeling, om bijzondere redenen, uit te zonderen voor ambtenaren of
                                groepen ambtenaren. Voor het uitzonderen van de CAR/UWO, of van
                                gedeelten daarvan, is een collegebesluit nodig. Omdat het hier een
                                aangelegenheid betreft die de rechtspositie van ambtenaren aangaat,
                                dient het voornemen een categorie ambtenaren van de werking van
                                CAR/UWO uit te sluiten, eerst in het lokale georganiseerd overleg
                                aan de orde te zijn geweest. Vervolgens kan een collegebesluit niet
                                genomen worden dan nadat partijen in het Landelijk Overleg
                                Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) van dit voornemen in kennis
                                zijn gesteld. Immers, het is niet de bedoeling dat op grote schaal
                                groepen werknemers van de werking van de CAR/UWO worden uitgesloten.
                                Op deze wijze kan namelijk afbreuk worden gedaan aan de bindende
                                werking van de CAR/UWO. Indien LOGA-partijen van mening zijn dat het
                                niet wenselijk is (een groep) ambtenaren van de werking van de
                                CAR/UWO – of gedeelten daarvan – uit te zonderen, wordt besloten tot
                                een verdere procedure. Het is de bedoeling dat een afvaardiging van
                                het LOGA in contact treedt met het lokale bestuur om de motieven
                                voor het voorgenomen besluit door te spreken. Vervolgens kunnen
                                LOGA-partijen oordelen dat tegen de uitzondering geen bezwaren
                                bestaan. Ingeval het LOGA zijn bezwaren handhaaft, kan het LOGA een
                                procedure in gang zetten, die ertoe leidt dat het betreffend besluit
                                onverbindend wordt verklaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Toepassing (T)</titel></kop><al>Dit artikel heeft de volgende functies:</al><lijst><li nr="a"><al>het maakt zichtbaar dat de raad bevoegd gezag is ten aanzien van
                                    de griffier en diens ambtenaren;</al></li><li nr="b"><al>het maakt duidelijk dat de CAR/UWO van toepassing is op de
                                    griffier en diens ambtenaren;</al></li><li nr="c"><al>het biedt een kapstok voor besluiten van de raad ten aanzien van
                                    de rechtspositie van de griffier.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de toepassing van de CAR/UWO op de griffier en de
                            griffiemedewerkers wordt het volgende opgemerkt. De griffier valt onder
                            de begripsomschrijving in artikel 1:1, eerste lid onder a van de CAR. In
                            de memorie van antwoord op de Wet dualisering gemeentebestuur is gesteld
                            dat de rechtspositie van het griffiepersoneel gelijk zal zijn aan die
                            van het overige gemeentepersoneel, omdat ook deze ambtenaren vallen
                            onder de algemene afspraken die de VNG met de bonden voor de sector
                            gemeenten heeft gemaakt. Dit geldt zowel voor de CAR als voor de UWO.
                            Het LOGA heeft in de ledenbrief van 30 mei 2002 geadviseerd om de lokale
                            gemeentelijke rechtspositie en de toekomstige wijzigingen daarin van
                            toepassing te laten verklaren op de griffier en de op de griffie
                            werkzame ambtenaren. Dit dient door de raad te gebeuren omdat de raad
                            bevoegd gezag is ten aanzien van de griffie.</al><al><cursief>Delegatie uitvoering rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien
                                van de griffie.</cursief> Omdat de raad bevoegd gezag is, is ook de
                            uitvoering van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de griffie
                            een zaak van de raad. In de CAR/UWO wordt in nagenoeg alle bepalingen
                            uitgegaan van of gesproken over het college als bevoegd gezag. Voor de
                            uitvoering van deze bepalingen op de griffie dient dus voor ‘het
                            college’ te worden gelezen: de raad.</al><al>De raad zal moeten bepalen hoe het werkgeverschap in de dagelijkse
                            praktijk wordt uitgeoefend. Het zal niet wenselijk geacht worden om de
                            raad zelf met de gehele uitvoering van de rechtspositie te belasten. Het
                            uitvoeren van de CAR/UWO en de lokale rechtspositieregeling ten aanzien
                            van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren, kan door de
                            raad gedelegeerd worden aan het college. Zoals gebruikelijk binnen de
                            ambtelijke organisatie, zal het college op zijn beurt een groot aantal
                            bevoegdheden hebben gemandateerd aan zijn ambtenaren, volgens het in de
                            gemeente geldende delegatie- en mandaatbesluit. De bevoegdheid tot het
                            vaststellen van een instructie, aanstelling, schorsing en ontslag leent
                            zich in het kader van het dualisme minder goed voor delegatie.</al><al>Daarnaast is er een categorie personele bevoegdheden die in het algemeen
                            aan diensthoofden is gemandateerd. Voor wat betreft het griffiepersoneel
                            is het wenselijk dat deze door of namens de raad uitgevoerd worden,
                            omdat deze in verband staan met de aansturing van de griffie. Gedacht
                            kan worden aan beloningsbeslissingen, opdracht tot overwerk,
                            verlofverlening, het verplichten tot aanvaarding van een andere
                            betrekking, het beoordelen, het verplichten tot het volgen van een
                            opleiding, het opleggen van een disciplinaire maatregel en het
                            vaststellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan. In het
                            delegatiebesluit dient bepaald te worden welke bevoegdheden door of
                            namens de raad uitgevoerd worden, en dus niet gedelegeerd worden aan het
                            college. Tevens dient bepaald te worden wie namens de raad de van
                            delegatie uitgezonderde personele bevoegdheden uitoefent. Ten aanzien
                            van de griffiemedewerkers zal de griffier gemandateerd worden. Ten
                            aanzien van de griffier zelf kan dat het seniorenconvent, het
                            raadspresidium, een raadscommissie of de burgemeester zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Voorschriften en instructies (T)</titel></kop><al>Bij de in dit artikel bedoelde voorschriften en instructies kan gedacht
                            worden aan uitvoeringsregelingen van de UWO of daarmee vergelijkbare
                            lokale regelingen. Voorbeelden daarvan zijn een uitvoeringsregeling
                            onbetaald verlof, de bijzonderverlofregeling of de
                            verplaatsingskostenregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Uitreiking van CAR en UWO (T)</titel></kop><al>De verstrekking kan ook plaatsvinden door een elektronische tekstdrager,
                            bijvoorbeeld een diskette, of door terbeschikkingstelling via een intern
                            netwerk.</al><al>Bij het tweede lid, onder d, kan onder meer gedacht worden aan de
                            ondernemingsraad. Op grond van artikel 28 van de Wet op de
                            ondernemingsraden heeft deze immers tot taak toe te zien op de naleving
                            van de rechtspositieregeling.</al><al>Noot van Driessen:Het softwarepakket RAP van Driessen HRM_Payroll is bij
                            uitstek een geschikt medium om uw personeel te informeren over
                            wijzigingen in uw arbeidsvoorwaarden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Uitreiking van CAR en UWO (T)</titel></kop><al>Hetgeen in artikel 1:4:3 is bepaald ten aanzien van de UWO, geldt ook
                            voor de lokale (uitvoerings)regels.</al></artikel><artikel><kop><titel>Voordragen van belangen (T)</titel></kop><al>Voor de volledigheid: voor iedere ambtenaar, ook de gemeentesecretaris,
                            is het bevoegd bestuursorgaan het college. Dit geldt niet voor de
                            griffier en de griffiemedewerkers. Zij dienen hun belangen bij de
                            gemeenteraad voor te dragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Omvang van de betrekking (T)</titel></kop><al>Bij het berekenen van de nieuwe deeltijdbetrekking als gevolg van de
                            invoering van de adv maar ook bij het berekenen van verlof zullen uren
                            uitgerekend worden tot meerdere decimalen achter de komma. Op grond van
                            het bepaalde in artikel 1:5 moeten uren aan het einde van de berekening
                            worden afgerond tot op twee decimalen achter de komma. Hiermee wordt
                            voorkomen dat afrondingsverschillen ontstaan die ongewenste
                            salarisverschillen met zich kunnen brengen. Op jaarbasis kan het hierbij
                            gaan om tientallen euro's.</al><al>Onder de gangbare afbreekregel wordt verstaan dat tot en met vier wordt
                            afgerond naar beneden en vanaf vijf wordt afgerond naar boven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vrijstelling (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid voor hogere functies van artikel
                                2:4 af te wijken. Dit betekent dat noch de termijn van 36 maanden
                                geldt, noch de restrictie dat de termijn van 36 maanden alleen maar
                                mag worden overschreden wanneer een aanstelling is aangegaan voor
                                een project met een eenmalig en uniek karakter. Ook geldt voor de
                                hier bedoelde hogere functies niet het principe dat de vierde
                                aanstelling een vaste aanstelling is. Daarbij kan ook worden bepaald
                                dat voor de nader aan te wijzen hogere functies wordt afgeweken van
                                de salaristabel. Tevens kunnen in de nadere regeling bepalingen
                                worden opgenomen die inhouden dat degene die een functie bekleedt
                                waarbij afwijkende afspraken worden gemaakt, niet behoort tot de
                                kring van rechthebbenden op de bovenwettelijke
                                werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d. Voordat een
                                dergelijke regeling kan worden opgesteld, dient overeenstemming te
                                zijn bereikt in het georganiseerd overleg over de criteria aan de
                                hand waarvan de functies worden aangewezen en over de functies
                                zelf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Behalve voor hogere functies kan ook voor projectmedewerkers en
                                andere tijdelijke functionarissen de algemene vrijstelling worden
                                toegepast, uiteraard onder de procedurele voorwaarden die in het
                                eerste lid zijn aangewezen. Deze mogelijkheid maakt het aantrekken
                                van interim-personeel in gemeentelijke dienst gemakkelijker. Behalve
                                van de salaristabel kan ook van de beperkte ontslaggronden uit
                                hoofdstuk 8 en van de bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen
                                krachtens hoofdstuk 10d worden afgeweken. Uiteraard dient elke
                                afwijking van de CAR in ieder individueel geval bij de aanstelling
                                te worden vastgelegd, evenals de criteria op grond waarvan de te
                                verrichten prestatie wordt beoordeeld en de voorwaarden waaronder
                                deze dient te worden verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aanstelling; het bevoegd gezag (T)</titel></kop><al>De gemeentesecretaris en de overige ambtenaren die werkzaam zijn voor
                            het college, worden benoemd door het college. De griffier en de
                            griffiemedewerkers worden benoemd door de gemeenteraad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Slechts diegenen kunnen als ambtenaar worden aangesteld van wie mag
                                worden aangenomen dat zij voldoen aan de voor de functie te stellen
                                bekwaamheids- en geschiktheidseisen. Deze bepaling vormt als het
                                ware de keerzijde van artikel 8:6 en artikel 8:7, onderdeel a. Hoe
                                duidelijker de bekwaamheids- en geschiktheidseisen zijn
                                geformuleerd, des te beter zal men de artikelen 8:6 en 8:7,
                                onderdeel a, kunnen omgaan.</al><al>Wanneer personeel van gemeenten of rechtspositievolgers van
                                gemeenten werkzaamheden verrichten die een risico geven op
                                besmetting met hepatitis B, dan moet aan de werknemers, die dit
                                risico lopen een inenting tegen hepatitis B aangeboden worden. Het
                                gaat om bij operaties betrokken personeel. In het geval dat
                                vaccinatie om principiële redenen wordt geweigerd of vaccinatie niet
                                leidt tot de gewenste bescherming, moet de medewerker wel toestaan
                                dat hij enkele malen per jaar gecontroleerd wordt. Medewerkers mogen
                                niet gedwongen worden zich te laten inenten.</al><al>Meer informatie is op te vragen bij de Commissie Preventie Iatrogene
                                Hepatitis B, Postbus 16119, 2500 BC Den Haag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aanstelling; geneeskundig onderzoek (T)</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat de aanstellingskeuring geen regel is, maar
                            uitzondering. Slechts in een beperkt aantal gevallen is het mogelijk een
                            aanstellingskeuring op te leggen. Deze gevallen doen zich voor als er
                            aan de vervulling van de betrekking bijzondere eisen op het punt van de
                            medische geschiktheid moeten worden gesteld. Deze bepaling vloeit voort
                            uit de Wet op de medische keuringen, die sinds 1 januari 1998 van kracht
                            is en ook voor de overheid van toepassing is.</al><al>De functies waarvoor een aanstellingskeuring wenselijk is, dienen in
                            overleg met de Arbo-dienst geïnventariseerd te worden. In de regel
                            zullen deze functies in een lijst worden opgenomen. Wanneer een regeling
                            wordt opgesteld, waarin criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan
                            bepaald wordt of voor een functie en aanstellingskeuring wenselijk is,
                            heeft de ondernemingsraad (OR) op grond van artikel 27, eerste lid,
                            onderdeel f, van de Wet op de ondernemingsraden instemmingsrecht omtrent
                            deze regeling.</al><al>De lijst van functies die uit deze lijst voortvloeit hoeft in dat geval
                            niet aan de OR te worden voorgelegd. Wanneer er voor gekozen wordt om
                            niet eerst een regeling te ontwerpen, maar direct een lijst op te
                            stellen, heeft de OR instemmingsrecht wat betreft deze lijst.</al><al>Het verdient aanbeveling de lijst met functies waarvoor een
                            aanstellingskeuring geldt openbaar te maken en in sollicitatieprocedures
                            met betrekking tot dergelijke functies al in het beginstadium aan te
                            geven dat de keuring deel uitmaakt van de sollicitatieprocedure. Het
                            ligt voor de hand dat de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd door de
                            geneeskundigen van de Arbo-dienst waarbij de gemeente is
                            aangesloten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Duur van de aanstelling (T)</titel></kop><al>In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste
                            of tijdelijke aanstelling. </al><al>De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of onbepaalde tijd
                            plaatsvinden. </al><al>In tegenstelling tot voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve opsomming
                            van aanstellingsgronden meer. Iedere grond mag gebruikt worden. Alleen
                            bij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd móet een
                            aanstellingsgrond genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer
                            aanwezig zijn van de aanstellingsgrond is de reden dat uit die
                            aanstelling voor onbepaalde tijd ontslag verleend kan worden (zie ook
                            artikel 8:12). Bij een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd is het
                            niet nodig om een aanstellingsgrond te noemen. Het verstrijken van de
                            termijn van aanstelling is de reden van beëindiging van die aanstelling
                            (zie artikel 8:12). </al><al>In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke
                            aanstellingen bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke
                            aanstellingen dat mag worden gegeven alvorens deze tijdelijke
                            aanstelling wordt omgezet in een vaste aanstelling. Voor deze termijnen
                            en het maximum aantal aanstellingen is aangesloten bij de systematiek
                            van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Stb. 1998, 300).</al><al>Deze restricties gelden niet voor een aanstelling voor een project met
                            een eenmalig en uniek karakter. Hierbij mag, mits dit bij aanvang van de
                            tijdelijke aanstelling is aangegeven, de termijn van 36 maanden worden
                            overschreden zonder dat de tijdelijke aanstelling wordt omgezet in een
                            vaste aanstelling. Bij de toepassing van het derde lid moet aan beide
                            criteria worden voldaan. Er moet dus sprake zijn van een project met een
                            eenmalig én uniek karakter. Een groot bouwproject valt daar bijvoorbeeld
                            niet onder, aangezien dat weliswaar een eenmalig iets kan zijn, maar
                            zeker niet uniek. Een dergelijk project zal meerdere keren
                            voorkomen.</al><al>Ook voor een aanstelling bij wijze van proef gelden andere, zij het
                            beperktere, regels. Deze aanstelling mag namelijk maximaal (inclusief
                            eventuele verlengingen) 24 maanden duren, voordat omzetting in een vaste
                            aanstelling plaatsvindt. </al><al>Overigens geldt dit artikel ook voor arbeidsovereenkomsten (zie artikel
                            2:5:1).</al></artikel><artikel><kop><titel>Bericht van aanstelling (T)</titel></kop><al>Dit artikel bevat welke gegevens een aanstellingsbesluit moet bevatten.
                            De Wet van 2 december 1993 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad
                            van de Europese Gemeenteschappen betreffende informatie van de werknemer
                            over zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993, 635)
                            stelt regels terzake. In deze wet wordt bepaald dat de
                            overheidswerkgever verplicht is de werknemer een schriftelijke opgave te
                            doen van:</al><lijst><li nr="-"><al>de identiteit van de werkgever;</al></li><li nr="-"><al>de naam en woonplaats van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de functie van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de datum van indiensttreding;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de aanstelling of de arbeidsovereenkomst, indien
                                    deze voor bepaalde duur wordt aangegaan;</al></li><li nr="-"><al>de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van deze
                                    aanspraak;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de door de werkgever en de werknemer in acht te
                                    nemen ontslag- respectievelijk opzegtermijnen;</al></li><li nr="-"><al>het salaris en de termijn van uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al>de gemiddelde wekelijkse of dagelijkse arbeidsduur;</al></li><li nr="-"><al>het toepasselijk algemeen verbindend verklaarde voorschrift,
                                    houdende regelen inzake de algemene arbeidsvoorwaarden en het
                                    salaris.</al></li></lijst><al>De LOGA-brief van 17 februari 1994 (kenmerk ARZ/401235) informeert
                            hierover. Het derde lid verwijst naar een artikel uit genoemde wet,
                            waarin is bepaald dat wijziging van salaris of gemiddelde arbeidsduur
                            kosteloos aan de werknemer wordt medegedeeld.</al><al>De elementen die een aanstellingsbesluit moet bevatten staan in het
                            algemeen een aanstelling in algemene dienst niet in de weg.
                            Gedetailleerde functiebeschrijvingen vormen hiertoe overigens wel een
                            belemmering.</al><al>In het bericht van de aanstelling moet worden opgenomen wat de grond van
                            aanstelling is indien de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is
                            aangegaan. Het vervallen van deze grond (dit is de reden van
                            aanstelling) is namelijk de reden om tot beëindiging van die aanstelling
                            over te gaan (zie ook artikel 8:12). De reden dat de overige gronden in
                            artikel 2:4:1, eerste lid, onder c, in het aanstellingsbesluit genoemd
                            moeten worden is dat voor deze categorie medewerkers bepaalde artikelen
                            en hoofdstukken van de CAR niet van toepassing zijn. Het aanstellen op
                            deze gronden heeft dus gevolgen voor de rechtspositie van deze
                            medewerkers. Zie ook artikel 1:2:1.</al></artikel><artikel><kop><titel>Arbeidsovereenkomst (T)</titel></kop><al>De CAR heeft als uitgangspunt dat de aanstelling als ambtenaar (in vaste
                            of tijdelijke dienst) regel is en het aangaan van een
                            arbeidsovereenkomst uitzondering. Daarom is het slechts mogelijk om een
                            arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aan te gaan in het geval van
                            oproepkrachten.</al><al>Op grond van Europese regelgeving (richtlijn 1999/70/EG) mag een
                            werkgever geen onderscheid maken in arbeidsvoorwaarden tussen de
                            medewerker in tijdelijke dienst en de medewerker in vaste dienst, tenzij
                            dit objectief gerechtvaardigd is (legitimiteit, doelmatigheid en
                            proportionaliteit). Voor de beoordeling bij de vraag of er sprake is van
                            gelijke behandeling is een vergelijkbare medewerker in vaste dienst het
                            ijkpunt. Met een vergelijkbare medewerker in vaste dienst wordt de
                            medewerker bedoeld die in dezelfde organisatie, hetzelfde of soortgelijk
                            werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij
                            rekening wordt gehouden met kwalificaties en bekwaamheden. </al><al>Voor medewerkers bij de overheid met een aanstelling is dit geregeld in
                            artikel 125h van de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet is echter niet van
                            toepassing op arbeidscontractanten. Daarom is in de CAR artikel 125h van
                            de Ambtenarenwet van overeenkomstige toepassing verklaard op medewerkers
                            met wie de gemeente een tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft
                            gesloten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Arbeidsovereenkomst (T)</titel></kop><al>De belangrijkste consequentie van de bepaling dat artikel 2:1 tot en met
                            2:4:2 van overeenkomstige toepassing zijn, is dat hierdoor de termijnen
                            uit artikel 2:4 ook voor arbeidsovereenkomsten gelden. Dit betekent
                            onder meer dat het bij de termijnen van artikel 2:4 niet uitmaakt of
                            sprake is geweest van een opeenvolging van slechts arbeidsovereenkomsten
                            of aanstellingen dan wel van een combinatie daarvan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Minimum-urengarantie bij oproepkrachten (T)</titel></kop><al>In dit artikel wordt de minimumomvang van de oproep gegarandeerd,
                            alsmede de minimum salarisgarantie per maand. Het aantal te werken uren
                            wordt per kwartaal bepaald, zodat eventueel te veel gewerkte uren in één
                            maand ertoe kunnen leiden dat in de volgende maand (binnen datzelfde
                            kwartaal) minder dan 15 uur hoeft te worden gewerkt. Zowel over de maand
                            dat meer dan 15 uur is gewerkt als over de dan minder dan 15 uur is
                            gewerkt hoeft slechts 15 uur te worden uitbetaald. Slechts wanneer over
                            een kwartaal meer dan 15 uur per maand gemiddeld is gewerkt, moet een
                            nabetaling plaatsvinden. Zie ook de LOGA-brief van 6 mei 1994, kenmerk
                            ARZ/403483.</al></artikel><artikel><kop><titel>Inhoud oproepovereenkomst (T)</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele afspraken die de arbeidsovereenkomst tussen de
                            werkgever en de oproepkracht moet bevatten. In de overeenkomst kan naar
                            dit artikel worden verwezen. Het gaat hier - naast de tweezijdigheid -
                            om de andere essenties die de arbeidsrelatie tussen werkgever en
                            werknemer maken tot een arbeidsovereenkomst. Beide partijen nemen
                            verplichtingen op zich en verkrijgen rechten ten opzichte van elkaar. In
                            onderdeel f is aangegeven dat ingeval de oproepkracht herhaalde malen
                            weigert aan een oproep door de werkgever gehoor te geven, terwijl er
                            geen sprake is van ziekte, dit kan leiden tot ontslag op grond van
                            artikel 8:13 (disciplinair ontslag). Daarbij is het wel noodzakelijk dat
                            het aantal malen dat de oproepkracht gedurende een bepaald tijdvak een
                            oproep kan weigeren in de overeenkomst is vastgelegd. Wederzijds is dus
                            geen sprake van vrijblijvendheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht
                                (T)</titel></kop><al>Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15
                            uur per maand. Voor die uren bestaat er dan ook een
                            loonbetalingsverplichting, ook als de oproepcontractant ziek is.
                            Aangezien hoofdstuk 7 per definitie van toepassing is (de CAR/UWO is
                            namelijk van toepassing), hoeft deze loondoorbetalingsverplichting
                            tijdens ziekte niet meer expliciet te worden opgenomen.De
                            berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door het inkomen
                            dat de oproepkracht gedurende het laatste kwartaal genoot.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsrecht (T)</titel></kop><al>Uit dit artikel blijkt dat het nieuwe hoofdstuk 2 pas gaat gelden voor
                            tijdelijke aanstellingen die ná 1 juli 2001 zijn aangegaan. Voor
                            oproepcontracten die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, de datum waarop de
                            2-uur-per-oproep-bepaling en de 15-uursgarantie zijn ingevoerd, wordt
                            een uitzondering gemaakt voor artikel 2:5:2. Uit het tweede lid blijkt
                            dat de aanstelling die volgt op de aanstelling die reeds voor 1 juli
                            2001 is aangegaan en die na 1 juli 2001 nog doorloopt, onder de nieuwe
                            regels valt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Aanpassing arbeidsduur (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen</vet>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet
                                aanpassing arbeidsduur van 1 juli 2000 (Stb. 2000, 114) wordt het
                                voor werknemers mogelijk om een verzoek in te dienen voor meer of
                                minder uren werken binnen de huidige functie. De werkgever kan een
                                verzoek van de werknemer afwijzen op basis van zwaarwegend bedrijfs-
                                of dienstbelang. </al></lid><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al>In het eerste lid worden hiermee in ieder geval problemen bedoeld
                                die ontstaan ten aanzien van de bedrijfsvoering bij de herbezetting
                                van de vrijgekomen uren, op het gebied van de veiligheid, of van
                                roostertechnische aard. In het tweede lid worden in ieder geval
                                bedoeld problemen van financiële of organisatorische aard, het niet
                                voorhanden zijn van voldoende werk, of omdat de vastgestelde
                                formatieruimte of personeelsbegroting ontoereikend is. In de wet
                                zijn enkele nadere voorwaarden opgenomen, waaronder:</al><lijst><li nr="-"><al>de werknemer moet minimaal één jaar in dienst zijn
                                        voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van de
                                        aanpassing van de arbeidsduur;</al></li><li nr="-"><al>het verzoek om aanpassing moet ten minste vier maanden voor
                                        het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk worden
                                        ingediend met daarin vermeld de gewenste omvang en spreiding
                                        over de week;</al></li><li nr="-"><al>de werkgever is verplicht overleg te plegen met de
                                        werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de werkgever dient een beslissing te hebben genomen ten
                                        minste één maand voor het beoogde tijdstip van
                                        inwerkingtreding en dit schriftelijk aan de werknemer mee te
                                        delen. Wanneer de werkgever dit nalaat, kan het verzoek door
                                        de werknemer als ingewilligd worden beschouwd;</al></li><li nr="-"><al>de werknemer kan maximaal eenmaal per twee jaar een verzoek
                                        indienen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De Wet aanpassing arbeidsduur geeft aan op welke gronden een verzoek
                                om meer of minder te gaan werken kan worden afgewezen. Bij in- en
                                doorstroombanen is sprake van een ernstig financieel probleem indien
                                het verzoek meer uren te gaan werken leidt tot het verlies van
                                subsidie ervoor. Een tekortschietende subsidie wordt gelijk gesteld
                                met een ernstig financieel probleem en vormt een grond voor
                                afwijzing. Er zijn echter gevallen denkbaar waarin een verzoek om
                                meer te gaan werken niet zou leiden tot het verlies van subsidie.
                                Dat hangt namelijk af van de wijze waarop een gemeente het totale
                                aantal in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen (Stb.
                                1999, 591) beschikbare uren over de betreffende medewerkers heeft
                                verdeeld. Daarnaast biedt het Besluit (artikel 13, zesde en zevende
                                lid) nog mogelijkheden voor compensatie. </al><al>Een verzoek kan pas gemotiveerd afgewezen worden indien over het
                                verlies van de subsidie zekerheid bestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aanpassing arbeidsduur (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen</vet> Het college kan tijdelijk, voor een vooraf vast
                                te stellen periode de formele arbeidsduur per week van een ambtenaar
                                van 36 naar maximaal 40 uur uitbreiden. Instemming van de ambtenaar
                                is hierbij vereist. De periode waarin de arbeidsduur wordt
                                uitgebreid kan na afloop eventueel worden verlengd.</al><al>Uitgangspunt is dat de formele arbeidsduur ook voor de betreffende
                                functies structureel op 1836 uur per jaar en gemiddeld 36 uur per
                                week blijft liggen. Hierop wordt voor de betreffende medewerker in
                                het jaar waarin de uitbreiding zich voordoet, een uitzondering
                                gemaakt. Het gaat dus om een tijdelijke uitbreiding van gemiddeld
                                maximaal 4 uur, die na afloop van de vastgestelde periode weer van
                                rechtswege ophoudt (zie artikel 8:12, tweede lid). De regeling
                                betekent niet dat de aanstelling zelf verandert. Als de
                                betrekkingsomvang na de bepaalde periode teruggaat naar 36 uur
                                behoudt de betrokkene derhalve een volledige betrekking en wordt hij
                                geen deeltijder. </al><al>Deze systematiek brengt met zich dat salaris, toeslagen, premies,
                                inkomensafhankelijke bijdragen en vergoedingen op grond van de Zvw,
                                afdracht loonbelasting, pensioenopbouw, minimum vakantietoelage,
                                bodembedrag van de eindejaarsuitkering en vakantie-aanspraken
                                evenredig worden aangepast gedurende de uitbreiding van de
                                arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Naast de afspraak van een tijdelijke uitbreiding van de arbeidsduur
                                kunnen niet gelijktijdig via het cafetariamodel vakantie-uren worden
                                gekocht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 2:7a is bindend en komt als zodanig niet ter discussie in de
                                OR. Wel moet een plan dat ten grondslag ligt aan de uitvoering van
                                uitbreidingsmogelijkheid naar 40 uur in de OR worden besproken.
                                Hierop is wettelijk gezien noch het adviesrecht, noch het
                                instemmingsrecht van de OR van toepassing. De bespreking van het
                                uitvoeringsplan met de OR is echter van méér dan procedurele aard.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bezoldiging (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen </vet>In artikel 3:1 wordt melding gemaakt van een
                                bezoldigingsregeling. Tevens wordt in verschillende artikelen de
                                formulering gehanteerd waarbij vermeld wordt dat zaken in een nader
                                vast te stellen regeling worden uitgewerkt. In aansluiting op het
                                regime van de Gemeentewet is ervoor gekozen uitsluitend de term
                                regeling te gebruiken in die gevallen waarbij het om een algemene
                                regeling gaat, zoals een bezoldigings- of een werktijdenregeling. In
                                dit verband wordt nog opgemerkt dat de term regeling uitsluitend een
                                modernisering inhoudt ten opzichte van de term verordening en dat
                                hiermee geen inhoudelijke wijziging wordt beoogd. In dit verband is
                                het van belang te wijzen op het onderscheid tussen de verplichting
                                danwel de mogelijkheid nadere regels te stellen. In dit hoofdstuk
                                wordt in de artikelen 3:2 tot en met 3:4 bepaald wat ten minste de
                                inhoud dient te zijn van de nader vast te stellen regeling waarin
                                voorschriften staan omtrent het aanspraak maken op bijvoorbeeld een
                                overwerkvergoeding of een toelage onregelmatige dienst. In deze
                                gevallen dient een nadere regeling te worden vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tweede lid beoogt de lokale bezoldigingsregeling in zoverre te
                                uniformeren dat de kernbegrippen van de bezoldigingsregeling
                                eensluidend zijn. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het derde lid wordt bepaald dat bijlage II (de "oude"
                                salarisstructuur) en bijlage IIa (de salarisstructuur per 1 april
                                1996) van de CAR met de schaalindeling - de salaristabellen -
                                onderdeel uitmaakt van de bezoldigingsregeling. Per 1 april 1996 is
                                bijlage II van toepassing op de ambtenaar die reeds op 31 maart 1996
                                een salaris genoot op grond van bijlage II (de lopende gevallen).
                                Bijlage IIa is van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 april
                                1996 een betrekking gaat vervullen in de zin van de CAR, zonder dat
                                betrokkene daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR
                                heeft vervuld. Bijlage IIa is ook van toepassing op degene die
                                aansluitend aan een betrekking waaraan een salaris was verbonden,
                                een nieuwe betrekking gaat vervullen waaraan een beter
                                salarisperspectief is verbonden (de nieuwe gevallen).</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het vierde lid bepaalt dat in de bezoldigingsregeling nadere regels
                                worden gesteld inzake de wijze waarop de inschaling in de nieuwe
                                salaristabel (tabel IIa) plaatsvindt van degenen die op 31 maart
                                1996 op basis van de oude salaristabel (tabel II) zijn ingeschaald.
                                Bij deze regels moet het gestelde in artikel 3:1, derde en vijfde
                                lid, in acht worden genomen. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het vijfde lid bepaalt dat:</al><lijst><li nr="-"><al>degene die voor 1 april 1997 het maximum van de geldende
                                        salarisschaal heeft bereikt en geen perspectief heeft op een
                                        hogere salarisschaal, pas per 1 april 1997 een salaris
                                        ontvangt op basis van het maximum van dezelfde schaal
                                        ingevolge bijlage IIa;</al></li><li nr="-"><al>degene met een salaris op grond van bijlage II die op of na
                                        1 april 1997 het maximum van zijn schaal ontvangt en geen
                                        perspectief heeft op een hogere schaal binnen zijn functie,
                                        op het moment dat het maximum is bereikt, een salaris
                                        ontvangt op basis van het maximum van dezelfde schaal
                                        ingevolge bijlage IIa. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Dit artikel biedt de mogelijkheid dat een ambtenaar in het kader
                                van seniorenbeleid de laatste jaren van de loopbaan een rustiger
                                functie kan aanvaarden en op die wijze de loopbaan kan afbouwen. De
                                werkgever wordt de mogelijkheid geboden het salaris op het niveau
                                van de nieuwe functie uit te betalen. Deze teruggang in salaris als
                                gevolg van ‘een stapje terug’ heeft geen gevolgen voor de
                                pensioenopbouw. Dit is geregeld in artikel 5a:9.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> In artikel 7:16, tweede lid, is de grondslag opgenomen voor
                                definitieve herplaatsing na 24 maanden van ziekte in de eigen of een
                                passende functie. Bij herplaatsing zal het salaris aangepast moeten
                                worden aan de gewijzigde functie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bezoldiging (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt geregeld dat het salaris wordt bepaald op grond
                                van functiewaardering (de aard van de betrekking) en beoordeling (de
                                wijze van functievervulling). Tevens kan uit dit artikellid worden
                                afgeleid, maar dit dient in de bezoldigingsverordening nader te
                                worden uitgewerkt, dat de ambtenaar niet vanzelfsprekend in het
                                minimum van de desbetreffende schaal dient te worden ingepast. Het
                                college (respectievelijk de gemeenteraad in het geval dat het de
                                griffier en de griffiemedewerkers betreft) kan hiervan afwijken,
                                bijvoorbeeld als de aan te stellen ambtenaar in zijn vorige
                                betrekking reeds een hogere bezoldiging genoot of als de situatie op
                                de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft (andere bekwaamheid en
                                geschiktheid, leeftijd, dienstjaren).</al><al>In de regel wordt bij aanstelling ingepast op het minimum van de
                                voor de functie geldende schaal.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in dit artikellid genoemde nadere regels kunnen bijvoorbeeld
                                betrekking hebben op de datum waarop de uitbetaling plaatsvindt en
                                de wijze hoe hiermee wordt omgegaan ingeval deze datum in het
                                weekeinde of op een feestdag valt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op grond van dit artikellid wordt de bezoldiging ingehouden als een
                                ambtenaar zijn betrekking niet vervult. Bijvoorbeeld: als een
                                ambtenaar zijn functie niet vervult vanwege het deelnemen aan een
                                collectieve actie, kan worden overwogen om zijn bezoldiging over de
                                vrijwillig nietgewerkte tijd in te houden. (Zie hierover onze
                                ledenbrief van 27 mei 1997, kenmerk ARZ/703071.) Dit is evenwel géén
                                disciplinaire straf! (Zie hiervoor hoofdstuk 16.) De opzet om het
                                werk niet te verrichten moet worden vastgesteld. Dit zal in veel
                                gevallen niet moeilijk zijn, maar er kunnen zich situaties voordoen
                                waarin twijfel kan rijzen of de ambtenaar wel verantwoordelijk kan
                                worden gesteld voor zijn nalatigheid, gelet op zijn fysieke en/of
                                psychische gesteldheid. Dit zal dan nader moeten worden
                                uitgezocht.</al><al>Voor de volledigheid verwijzen wij hier naar artikelen 7:13:1 en
                                7:13:2. Hierin staan de situaties waarin geen aanspraak op
                                doorbetaling van de bezoldiging bestaat dan wel de doorbetaling van
                                de bezoldiging wordt gestaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Waarnemingstoelage (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ingevolge dit lid ontvangt de ambtenaar die een andere betrekking
                                'volledig' waarneemt een vergoeding indien voor die betrekking een
                                hogere schaal geldt. Het is vaak moeilijk vast te stellen of een
                                waarneming 'volledig' is. In de praktijk verdient het aanbeveling om
                                met een globale benadering te volstaan. Echter: zie ook het vijfde
                                lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De waarnemingstoelage bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de
                                periode van waarneming. Niet alle ambtenaren die krachtens een
                                daartoe door het college verstrekte opdracht een betrekking
                                waarnemen waarvoor een hogere schaal geldt, kunnen aanspraak maken
                                op een waarnemingstoelage. Vanaf een bepaalde salarisschaal moet de
                                waarneming ten minste 20 volle werkdagen, in zes aaneengesloten
                                weken, hebben geduurd. Het college dient een besluit te nemen voor
                                wèlke salarisschaal dit geldt. In de praktijk is dit vaak vanaf
                                schaal 9.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Een bijzondere regeling kan bijvoorbeeld gelden voor de functie van
                                waarnemend hoofd. Uit de aard van de functie volgt dat de persoon
                                die deze functie vervult, het hoofd vervangt bij afwezigheid. In
                                voorkomend geval ontvangt het waarnemend hoofd uit dit voorbeeld
                                geen waarnemingstoelage.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de
                                ambtenaar de functie niet volledig waarneemt. Het college kan voor
                                een dergelijke situatie een vergoeding toekennen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overwerkvergoeding (T)</titel></kop><al>De artikelen 3:2 tot en met 3:5 kennen eenzelfde terminologie, in die
                            zin dat wordt bepaald dat in een nader vast te stellen regeling zaken
                            omtrent het recht op bijvoorbeeld een overwerkvergoeding worden
                            uitgewerkt. Om bij hetzelfde voorbeeld te blijven, het recht op een
                            overwerkvergoeding (artikel 3:2) vormt het uitgangspunt, in een nadere
                            regeling - in veel gevallen is dit de Uitwerkingsovereenkomst (UWO) -
                            wordt bepaald hoe hoog de vergoeding is en/of in welke gevallen een
                            uitzondering geldt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overwerkvergoeding (T)</titel></kop><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het omzetten van de verlofuren die het gevolg zijn van de
                                overwerkvergoeding in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste
                                lid, dient op hetzelfde moment plaats te vinden als de keuze voor de
                                opbouw van extra vakantie-uren als bedoeld in artikel 6:2, tweede
                                lid. Afhankelijk van de vraag of gebruik wordt gemaakt van de opbouw
                                van extravakantie-uren ls bedoeld in artikel 6:2 en zo ja voor
                                hoeveel uren, kan een inschatting worden gemaakt hoeveel uren
                                overwerkvergoeding kunnen worden omgezet in vakantie-uren.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>onderdeel a</al><al>Voorbeeld 1Een ambtenaar werkt in één week in totaal 10 uur
                                over.</al><al>De verdeling is:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>maandag</al></entry><entry colname="col2"><al>van 19.00 tot 21.00 uur (twee uur);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>dinsdag</al></entry><entry colname="col2"><al>van 17.00 tot 20.00 uur (drie uur);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zaterdag</al></entry><entry colname="col2"><al>van 9.00 tot 12.00 uur (drie uur);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zondag</al></entry><entry colname="col2"><al>van 9.00 tot 11.00 uur (twee uur).</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vergoeding bestaande uit verlof
                                en een bedrag. De vergoeding in verlof is gelijk aan het aantal uren
                                overwerk en bedraagt dus 10 uur.</al><al>Het bedrag van de vergoeding wordt als volgt bepaald:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>maandag</al></entry><entry colname="col2"><al>1 uur à 25%1 uur à 50%</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1" nameend="col2" namest="col1"><al>dinsdag:</al></entry><entry colname="col2" morerows="1" nameend="col3" namest="col2"><al>3 uur à 25%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zaterdag:</al></entry><entry colname="col2"><al>3 uur à 75%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zondag:</al></entry><entry colname="col2"><al>2 uur à 100%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief>Een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk
                                nooit op woensdag werkt, maar op een woensdag van 11:00 tot 16:00
                                moet overwerken, krijgt voor de op die woensdag gewerkte overuren
                                een overwerkvergoeding van 25%.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>onderdeel c</al><al>Indien een ambtenaar volgens rooster moet werken op een zondag of
                                een daarmee gelijkgestelde vrije dag (nadrukkelijk wordt géén lokale
                                feestdag bedoeld), en vervolgens ook nog overwerkt op die dag, dan
                                is in principe de normale overwerkvergoeding van toepassing.</al><al>Het college heeft de bevoegdheid om in plaats van bedoelde
                                vergoedingsregeling een vergoedingspercentage van 80 toe te kennen,
                                ongeacht de uren waarop overwerk werd verricht.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Dit artikellid ziet op de mogelijkheid dat het college een regeling
                                treft waardoor ambtenaren vanaf een bepaalde salarisschaal niet meer
                                in aanmerking komen voor overwerkvergoeding. In de praktijk is dit
                                vaak salarisschaal 11.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De overwerkregeling is niet van toepassing bij indienstroeping
                                vanwege oorlog, oorlogsgevaar of andere bijzondere omstandigheden,
                                of bij toepassing van de Rampenwet. Het college kan op een andere
                                wijze de vergoeding voor dergelijke werkzaamheden regelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Toelage onregelmatige dienst (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>De artikelen 3:2 tot en met
                                3:5 kennen eenzelfde terminologie, in die zin dat wordt bepaald dat
                                in een nader vast te stellen regeling zaken omtrent het recht op
                                bijvoorbeeld een overwerkvergoeding worden uitgewerkt. Om bij
                                hetzelfde voorbeeld te blijven, het recht op een overwerkvergoeding
                                (artikel 3:2) vormt het uitgangspunt, in een nadere regeling - in
                                veel gevallen is dit de Uitwerkingsovereenkomst (UWO) - wordt
                                bepaald hoe hoog de vergoeding is en/of in welke gevallen een
                                uitzondering geldt.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De regeling toelage onregelmatige dienst (TOD), die herzien is met
                                ingang van 1 januari 1997, kent als hoofdregel dat aanspraak op TOD
                                gemaakt kan worden over vastgestelde werktijden die als onregelmatig
                                kunnen worden beschouwd. Onregelmatig zijn werktijden die vallen op
                                tijdstippen buiten de periode van 8.00 uur tot en met 18.00 uur op
                                maandag tot en met vrijdag. De hoogte van de vergoeding is een
                                lokale aangelegenheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van de hoofdregel wordt, indien slechts eenmaal per
                                week werktijd wordt aangewezen in één aaneengesloten periode van ten
                                hoogste 3 uur die tussen 18.00 uur en 08.00 uur op maandag tot en
                                met vrijdag of op zaterdag valt, deze niet als onregelmatig
                                beschouwd. Er bestaat in dat geval dan ook geen recht op een
                                toelage. Indien meer werktijd wordt aangewezen (al dan niet
                                aansluitend aan de genoemde periode van ten hoogste 3 uur), die valt
                                buiten de regelmatige uren is er recht op een vergoeding (dus ook
                                over de periode van ten hoogste 3 uur).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het derde lid geeft een garantie voor degenen voor wie al voor 1
                                januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. Ook
                                na 1 januari 1997 behouden zij recht op een toelage, ook indien het
                                slechts een periode van 3 uur (of minder) betreft. Gewezen wordt nog
                                op het bepaalde in artikel 4:2, tweede lid onder d, dat beoogt
                                ontwijken van de hier neergelegde garantie te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Geeft de mogelijkheid om nader te regelen in welke gevallen geen
                                aanspraak op vergoeding bestaat. Hiervan is bijvoorbeeld in artikel
                                3:3:1 gebruikgemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Beschikbaarheidsdiensten (T)</titel></kop><al>Met dit artikel wordt duidelijk dat voor de beschikbaarheidsdiensten een
                            afzonderlijke vergoedingsregeling door het college wordt vastgesteld.
                            Voor beschikbaarheidsdiensten geldt dus niet automatisch een toelage
                            onregelmatige dienst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verschuivingsvergoeding (T)</titel></kop><al>Er ontstaat recht op een verschuivingsvergoeding indien de vooraf
                            feitelijk vastgestelde arbeidsduur en/of de vastgestelde werktijden,
                            anders dan op verzoek van de ambtenaar, worden verschoven binnen een
                            aangegeven tijdsbestek. Indien de verschuiving plaatsvindt binnen 72 uur
                            voor aanvang, ontstaat er altijd recht op de
                            verschuivingsvergoeding.</al><al>Als de verschuiving tussen een maand en 72 uur voor aanvang plaatsvindt,
                            ontstaat er alleen recht op de verschuivingsvergoeding als de
                            verschuiving plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist.
                            Bijvoorbeeld: de ambtenaar is in week 14 voor 36 uur en in week 15 voor
                            38 uur ingeroosterd. Binnen 72 uur voor aanvang, dus bijvoorbeeld op
                            zaterdag, wordt de arbeidsduur voor deze weken verschoven week 14 wordt
                            40 uur en week 15 wordt 34 uur. De ambtenaar heeft dan recht op een
                            verschuivingsvergoeding over de 4 uur die in week 14 zijn verschoven (in
                            feite verschoven van week 15 naar week 14). In deze situatie is er geen
                            sprake van overwerk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ambtsjubileumgratificatie (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum komt in
                                aanmerking de al of niet aansluitende tijd, doorgebracht in een
                                betrekking bij de overheid (voltijd en/of deeltijd). Het maakt
                                daarbij niet uit of het een aanstelling of een arbeidsovereenkomst
                                is. De nadere vaststelling van het begrip 'overheid' kan geschieden
                                in de vorm van een regeling. In de praktijk zoeken veel gemeenten
                                aansluiting bij de terzake geldende rijksregeling, zoals opgenomen
                                in de ministeriële regeling van 9 november 1989, Stcrt. 223. De tijd
                                doorgebracht als vrijwilliger bij de brandweer telt dan bijvoorbeeld
                                niet mee, evenmin onbezoldigde baantjes of stages. Militaire
                                diensttijd telt wèl mee.</al><al>Overigens is een ambtsjubileumgratificatie niet in alle gevallen
                                onbelast; het is derhalve raadzaam dit bij de Belastingdienst te
                                controleren.</al><al>NB: er zijn lokale regelingen waarin een ambtsjubileumgratificatie
                                bij een 12 1/2-jarig overheidsdienstverband wordt toegekend. Een
                                dergelijke uitkering is altijd belast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt
                                bij reorganisatieontslag, bij ontslag op grond van
                                arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer en bij ontslag wegens pré-VUT
                                en FPU, voor zover dit volledig ontslag betreft. Van deze
                                ontslaggronden is alleen ontslag op grond van artikel 8:3
                                gedeeltelijk mogelijk. Alleen in deze situatie kan het dus voorkomen
                                dat een proportionele ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet
                                worden naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag is
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Eindejaarsuitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De hoogte van de structurele eindejaarsuitkering bedraagt: 0,05 x
                                het salaris op jaarbasis. Voor degenen met een deeltijdaanstelling
                                of arbeidsovereenkomst wordt de eindejaarsuitkering conform het
                                salaris vermenigvuldigd met de deeltijdfactor. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De eindejaarsuitkering van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf
                                januari van dat jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren
                                die niet een geheel kalenderjaar in dienst zijn, wordt een
                                eindejaarsuitkering betaald over dat gedeelte van het kalenderjaar
                                dat zij in dienstverband werkzaam zijn geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vervallen (T)</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Persoonlijke toelage (T)</titel></kop><al>Dit artikel regelt de functioneringstoelage op grond van buitengewone
                            bekwaamheid, geschiktheid en ijver, wanneer de ambtenaar het maximum van
                            zijn functieschaal/uitloopschaal heeft bereikt. Deze toelage draagt een
                            structureel karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het
                            maximumsalaris en de uitoefening van de functie. Wanneer deze koppeling
                            wegvalt (bijvoorbeeld: er vindt een fuwa-ronde plaats als gevolg waarvan
                            de functie hoger wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de
                            functioneringstoelage.</al><al>Deze toelage wordt door het college toegekend, óók in het geval dat de
                            toelage voor de gemeentesecretaris is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Arbeidsduur en werktijden (T)</titel></kop><al>Dit artikel biedt de werkgever de mogelijkheid om de feitelijke
                            arbeidsduur per week van de ambtenaar in overleg met hem op een andere
                            omvang vast te stellen dan de formele arbeidsduur per week. Hierdoor
                            kunnen medewerkers in drukke tijden meer ingezet worden en in rustiger
                            tijden minder. Ook biedt deze regeling de mogelijkheid om de werktijden
                            van de ambtenaar beter aan te laten sluiten op zijn privésituatie.
                            Steeds meer werknemers moeten arbeid immers combineren met zorgtaken.
                            LOGA partijen vinden het belangrijk dat medewerkers in staat gesteld
                            worden om mantelzorg te verrichten. Daarom is afgesproken dat wanneer
                            een medewerker mantelzorg gaat verlenen, deze medewerker in overleg met
                            de werkgever afspraken maakt over de te verlenen mantelzorg zelf en de
                            indeling van de werktijden. Zo kan een medewerker bijvoorbeeld tijdelijk
                            minder werken ten behoeve van het verlenen van mantelzorg; deze uren
                            worden op een af te spreken moment weer ingehaald.</al><al>Tot aan de invoering van de CAO 2009-2011 kon afwijking van de formele
                            arbeidsduur per week slechts plaatsvinden binnen vastgestelde marges, de
                            zogeheten bandbreedtesystematiek. Deze bandbreedtesystematiek is
                            verlaten, hierdoor zijn de mogelijkheden om te differentiëren in de
                            feitelijke arbeidsduur verruimd. De grenzen staan genoemd in het eerste
                            en tweede lid. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag
                            niet overschreden worden en er gelden maxima voor de arbeidsduur per dag
                            (11) en per week (50). Deze grenzen hebben alleen betrekking op de
                            toepassing van dit artikel. Gebruikmaking van bijvoorbeeld de artikelen
                            2:7a en 6:2, tweede lid, leidt wel tot overschrijding van de voor de
                            ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar en dat is toegestaan. Het
                            opdragen van overwerk kan ertoe leiden dat de maximale arbeidsduur per
                            dag/week overschreden wordt; ook dat is toegestaan. De werkgever dient
                            er wel altijd strikt op toe te zien dat de Arbeidstijdenwet/het
                            Arbeidstijdenbesluit nageleefd wordt.</al><al>De bezoldiging van de ambtenaar ondergaat geen wijziging als gevolg van
                            toepassing van dit artikel. Wordt een ambtenaar ontslag verleend
                            gedurende het kalenderjaar dan zal zo spoedig mogelijk een berekening
                            gemaakt worden van de te veel/ te weinig gewerkte uren in relatie tot de
                            formele arbeidsduur per week. Het positieve/negatieve saldo wordt
                            gecompenseerd door in de resterende periode dat de ambtenaar in dienst
                            is bij de gemeente minder/meer te werken. Is dit niet – volledig -
                            mogelijk dan vindt bij de eindafrekening financiële verrekening
                            plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Arbeidsduur en werktijden (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet> Op grond van de
                                bepalingen in artikel 4:1 moet de arbeidsduur, indien deze afwijkt
                                van de formele arbeidsduur per week, ruim van te voren (ten minste
                                één maand voor aanvang) aan de ambtenaar worden bekend gemaakt. Op
                                grond van de bepalingen in artikel 4:2 kunnen de werktijden worden
                                vastgesteld. Indien aan de ambtenaar wisselende werktijden worden
                                opgedragen, moeten de werktijden in een rooster worden vastgesteld.
                                De werktijden moeten dan ruim van te voren (eveneens tenminste één
                                maand) aan de ambtenaar bekend gemaakt worden. Beide bepalingen
                                noodzaken een goede planning.Bij het vaststellen van de werktijden
                                hoort rekening te worden gehouden met de bepalingen van de
                                Arbeidstijdenwet (ATW) <cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>2 </lidnr><al>onder d</al><al>Het hier bepaalde moet in nadrukkelijke samenhang gezien worden met
                                het bepaalde in artikel 3:3, derde lid. Dit onderdeel beoogt slechts
                                te voorkomen dat personen die al vóór 1 januari 1997 in de regel op
                                zaterdag werkten - en die dus krachtens artikel 3:3, derde lid recht
                                zouden hebben op een toelage - tegen hun zin vervangen worden door
                                personen die vóór 1 januari 1997 niet in de regel op zaterdag
                                werkten - en dus volgens de regels van artikel 3:3, tweede lid geen
                                recht op een toelage hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Arbeidsduur en werktijden (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet
                                worden verricht, moet de ambtenaar zo veel mogelijk in de
                                gelegenheid worden gesteld de kerk te bezoeken en dient de arbeid zo
                                beperkt mogelijk te worden gehouden. Hoe moet worden omgegaan met
                                degene die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag
                                op de sabbat of de zevende dag viert, is geregeld in het vijfde lid
                                van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit
                                artikel gelijkgesteld aan het verrichten van arbeid op zondag.</al><al>In de berekening voor het vaststellen van de arbeidsduur per jaar
                                wordt rekening gehouden met de feestdagen.</al><al>Indien bijvoorbeeld op tweede paasdag toch gewerkt moet worden en de
                                werktijd wordt ingeroosterd, ontstaat er geen overwerk. Derhalve
                                komt deze tijd ook niet voor een overwerkvergoeding in aanmerking.
                                De gewerkte tijd telt wel mee voor de berekening van de arbeidsduur
                                op jaarbasis.</al><al>Moet de ambtenaar buiten de voor hem vastgestelde werktijd arbeid
                                verrichten, dan is er wel sprake van overwerk. Voor de bepaling van
                                de hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op tweede
                                paasdag geldt dat - op grond van artikel 3:2:1, vijfde lid, onder b,
                                van de UWO - deze feestdag gelijk wordt gesteld aan een zondag. Voor
                                een berekeningsvoorbeeld van de overwerkvergoeding wordt verwezen
                                naar de toelichting bij artikel 3:2:1, vijfde lid, onder a, van de
                                UWO.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Dit artikellid bepaalt dat lokale feestdagen voor de regeling van
                                de werktijd beschouwd worden als een zondag. Dat betekent dat in
                                principe op een lokale feestdag niet gewerkt wordt. Gelijkstelling
                                met een zondag betekent echter niet dat overwerk op een lokale
                                feestdag als overwerk op zondag moet worden gezien. Dat is immers
                                niet in dit artikel geregeld, maar in artikel 3:2:1.</al><al>Dergelijke aangewezen dagen moeten in de berekening van de
                                arbeidsduur op jaarbasis worden meegenomen.</al><al>Voorbeelden van bovengenoemde door het college aangewezen feestdagen
                                zijn de carnavalsmaandag, maar ook de 5-meiviering. Met betrekking
                                tot 5 mei wordt het volgende opgemerkt. 5 mei is een algemeen
                                erkende feestdag in het kader van de Algemene Termijnenwet en in
                                1990 is de dag erkend als een jaarlijkse nationale feestdag
                                (Koninklijk Besluit 24 september 1990). </al><al>Vaak wordt er gedacht dat 5 mei eens in de vijf jaar een nationaal
                                erkende dag en dus een doorbetaalde vrije dag is. Dit berust op een
                                misverstand. Vóór 1990 was 5 mei eens in de vijf jaar een erkende
                                nationale feestdag. In 1990 meende het kabinet dat de dag inmiddels
                                voldoende verankerd was in de samenleving, dat het gerechtvaardigd
                                was om het als nationale feestdag aan te wijzen. Ook in lustrumjaren
                                is 5 mei echter geen vrije dag voor gemeenteambtenaren; sociale
                                partners in de gemeentelijke sector hebben hierover immers geen
                                afspraken gemaakt. </al><al>Bevrijdingsdag, 5 mei, is dus niet een feestdag als bedoeld in het
                                derde lid. Voor gemeenteambtenaren is 5 mei dan ook een gewone
                                werkdag, tenzij lokaal anders is geregeld. In dat geval is artikel
                                4:2:1, lid 4, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Spaarmogelijkheid (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Algemeen</cursief> Vanaf 1 april 2006 is niet meer mogelijk
                                om extra uren te werken en deze uren te sparen. De medewerker die
                                deelnam aan de verlofspaarregeling behoudt zijn reeds opgebouwde
                                verloftegoed. Werkgever en werknemer bepalen in onderling overleg
                                hoe het opgebouwde spaartegoed wordt aangewend. Er zijn hierbij twee
                                scenario’s denkbaar. In het eerste scenario behoudt de medewerker
                                zijn reeds opgebouwde verloftegoed en werkgever en medewerker
                                bepalen in onderling overleg wanneer dat verlof wordt genoten. In
                                het tweede scenario wordt het verloftegoed van de medewerker
                                gekapitaliseerd en gestort in de levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Tot 1 april 2006 had de ambtenaar de mogelijkheid om gedurende een
                                afgesproken spaarperiode ten hoogste gemiddeld 1/9 deel van de voor
                                die spaarperiode geldende formele arbeidsduur per week aan spaaruren
                                op te bouwen. Vanaf 1 april 2006 vindt geen opbouw van spaarverlof
                                meer plaats. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer het opgebouwde verloftegoed wordt behouden, dienen
                                ambtenaar en college overeen te komen wanneer dit verlof wordt
                                genoten. Dit verlof kan op elk willekeurig moment worden genoten,
                                ook voorafgaand aan pensionering en een periode van
                                levensloopverlof. Voor het toekennen van het reeds opgebouwde
                                spaarverlof gelden de normale regels zoals die gelden bij het
                                toekennen van vakantieverlof. De medewerker geeft aan op welk moment
                                hij het verlof wil genieten en tenzij de belangen van de dienst zich
                                hiertegen verzetten, wordt het verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Werkgever en medewerker kunnen in onderling overleg besluiten het
                                opgebouwde verloftegoed om te zetten in een geldbedrag
                                (kapitaliseren van verlof) en dit bedrag te storten op de
                                levenslooprekening van de medewerker. De werkgever is niet verplicht
                                om in te stemmen met een verzoek tot kapitalisatie van het verlof.
                                Ook wanneer een medewerker zijn verlofspaartegoed niet wenst te
                                kapitaliseren kan hij hiertoe niet worden verplicht.</al><al>Wanneer zowel werkgever als medewerker besluiten tot het
                                kapitaliseren van verlof kan dit enkel binnen de randvoorwaarden
                                zoals die worden gesteld in hoofdstuk 6a De gemeentelijke
                                levensloopregeling en in de wettelijke bepalingen omtrent de
                                levensloopregeling. Dit houdt in dat enkel tot kapitalisatie van het
                                verloftegoed kan worden overgegaan wanneer het levensloopsaldo van
                                een medewerker aan het begin van het kalenderjaar minder bedraagt
                                dan 210% van het loon over het voorgaande kalenderjaar. De
                                wettelijke levensloopregeling bepaalt dat een medewerker niet meer
                                mag sparen wanneer het saldo op de levenslooprekening meer bedraagt
                                dan 210% van het loon over het voorgaande kalenderjaar. Ook geldt de
                                voorwaarde dat jaarlijks maximaal 12% van het loon in het
                                kalenderjaar mag worden ingelegd. Met het loon in een kalenderjaar
                                wordt het belastbare loon in de zin van de Wet op de loonbelasting
                                1964 bedoeld, m.a.w. het loon voor de loonheffing, kolom 6 (veelal
                                zal dit het brutoloon zijn dat vermeld staat op de loonstrook van de
                                medewerker). </al><al>Voor medewerkers geboren na 1949 en voor 1955 geldt dit laatste
                                maximum van 12% van het loon in het kalenderjaar niet. Zie artikel
                                61 e lid 1 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.</al><al>Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het
                                moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. Omdat dit
                                bedrag wordt gestort op de levenslooprekening van de medewerker
                                worden op dit bedrag geen loonbelasting en premies
                                volksverzekeringen ingehouden, wel premies werknemersverzekering en
                                pensioenpremie. De inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage wordt
                                niet over dit bedrag ingehouden. </al><al><onderstreept>Voorbeeld 1</onderstreept> Een medewerker die is
                                geboren in 1970 heeft een verlofspaartegoed van 352 uur. Zijn
                                salaris (schaalbedrag) bedraagt € 2000. Zijn jaarinkomen is €
                                28.000. Hij heeft nog geen tegoed op zijn levenslooprekening. </al><lijst><li nr="-"><al>De waarde van een verlofuur moet worden berekend. Dit is het
                                        schaalbedrag * 1/156 (artikel 1:1, eerste lid onder o) =
                                        2000/156 = € 12,82.</al></li><li nr="-"><al>De totale waarde van zijn verloftegoed bedraagt € 12,82 *
                                        352 = € 4512,64.</al></li><li nr="-"><al>Op basis van zijn jaarinkomen mag hij maximaal 12 % van €
                                        28.000 = € 3360 sparen op zijn levenslooprekening.</al></li><li nr="-"><al>Er kan dit jaar dus maximaal 262 uur (= 3360/12,82 afgerond)
                                        worden gekapitaliseerd. Dit komt overeen met een bedrag van
                                        € 3359. De overige uren (352-262 = 90) blijven staan als
                                        verlof en kunnen eventueel in een volgend jaar worden
                                        gekapitaliseerd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Voorbeeld 2</onderstreept> Een medewerker die is
                                geboren in 1951 heeft een verlofspaartegoed van 300 uur. Zijn
                                salaris (schaalbedrag) is € 3250. Zijn jaarinkomen bedraagt €
                                45.000. Hij heeft een saldo van € 90.000 op zijn levenslooprekening. </al><lijst><li nr="-"><al>Omdat deze persoon al een tegoed heeft op zijn
                                        levenslooprekening wordt eerst bekeken of hij nog verder mag
                                        sparen. Het saldo mag niet meer bedragen dan 210% van zijn
                                        jaarinkomen. In dit voorbeeld mag het saldo dus niet meer
                                        bedragen dan 210% * € 45.000 = € 94.500. Dit jaar mag er nog
                                        € 4.500 (94.500 – 90.000) worden gespaard. De bepaling dat
                                        jaarlijks maximaal 12% van zijn jaarinkomen mag worden
                                        ingelegd is niet van toepassing op deze ambtenaar omdat hij
                                        is geboren na 1949 en voor 1955.</al></li><li nr="-"><al>De waarde van een verlofuur bedraagt € 3250/156 = €
                                        20,83.</al></li><li nr="-"><al>De totale waarde van zijn verloftegoed bedraagt € 20,83 *
                                        300 = € 6249. Dit is meer dan het maximale dat nog kan
                                        worden gespaard. </al></li><li nr="-"><al>Er kan dit jaar dus maximaal 216 uur (= 4500/20,83) worden
                                        gekapitaliseerd. Dit komt overeen met een bedrag van € 4499.
                                        De overige uren (300-216 = 84) blijven staan als verlof en
                                        kunnen eventueel in een volgend jaar worden gekapitaliseerd
                                        indien dit binnen de gestelde voorwaarden mogelijk is.</al></li></lijst><al>De medewerker en werkgever kunnen indien zij besluiten over te gaan
                                tot kapitalisatie van het verlofspaartegoed dit op elk gewenst
                                moment doen. Wanneer dit jaar niet wordt overgegaan tot
                                kapitalisatie van het verlof kan in een volgend jaar alsnog worden
                                besloten dit wel te doen. Wanneer dit jaar wordt overgegaan tot de
                                kapitalisatie van een deel van het opgebouwde verloftegoed kan
                                eventueel in een volgend jaar het resterende verloftegoed worden
                                gekapitaliseerd. De ambtenaar dient hiertoe een verzoek in en het
                                college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan.</al></lid><lid><lidnr>4 t/m 9</lidnr><al> In het vierde tot en met negende lid is vastgelegd hoe er moet
                                worden omgegaan met het opgebouwde verloftegoed in geval van ontslag
                                of in geval van overlijden van de ambtenaar. </al><al>Wanneer een ambtenaar ontslag wordt verleend, gelden de volgende
                                regels met betrekking tot het verloftegoed. Bij ontslag op verzoek
                                (artikel 8:1 CAR) worden de verlofuren zoveel mogelijk voor de
                                ontslagdatum opgenomen. In overeenstemming met de medewerker kan
                                hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Wanneer
                                dit niet mogelijk is in verband met het aanvaarden van een andere
                                betrekking worden de verlofuren die nog resteren aan de ambtenaar
                                uitbetaald. </al><al>Als een ambtenaar wordt ontslagen wegens reorganisatie (artikel 8:3
                                CAR), onbekwaamheid of ongeschiktheid (artikel 8:6 CAR), Pré-vut
                                (artikel 8:10 CAR), FPU (artikel 8:11 CAR) of op overige
                                ontslaggronden (artikel 8:7, 8:8 CAR) wordt de medewerker in de
                                gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag de verlofuren die
                                nog resteren op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het
                                niet opgenomen verloftegoed uitbetaald.</al><al>Wanneer een medewerker wordt ontslagen in verband met het niet
                                nakomen van bepaalde verplichtingen bij ziekte (artikel 8:5a CAR) of
                                als disciplinaire straf (artikel 8:13 CAR) is de ambtenaar verplicht
                                het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de
                                dag dat het voornemen tot ontslag aan de medewerker is meegedeeld.
                                Het ontslag gaat in na de eerste dag na afloop van de opname van het
                                opgebouwde verloftegoed.</al><al>In geval van ontslag wegens arbeidsongeschiktheid (artikel 8:4 en
                                8:5 CAR) of ontslag aansluitend op politiek verlof (artikel 8:9 CAR)
                                wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald. Wanneer de
                                ambtenaar overlijdt, wordt aan de nabestaanden het resterende
                                opgebouwde verloftegoed uitbetaald.</al><al>Als het ontslag zoals hierboven beschreven gedeeltelijk ontslag
                                betreft, worden tussen de ambtenaar en werkgever nadere afspraken
                                gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.
                            </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De ambtenaar ontvangt voor ieder verlofuur een bedrag dat gelijk
                                staat aan het geldende uurloon van de ambtenaar op het moment van
                                uitbetalen. Op het uitgekeerde moet niet alleen loonbelasting en
                                sociale premies worden ingehouden maar ook de inkomensafhankelijke
                                ziektekostenbijdrage (6,5%) en de pensioenpremie. Wanneer dit bedrag
                                wordt gestort op de levenslooprekening van de medewerker worden over
                                dit bedrag geen loonbelasting en premies volksverzekeringen en
                                inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage ingehouden, wel premies
                                werknemersverzekering en pensioenpremie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vakantie-uren uitwisselen tegen geld (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het uitwisselen van vrije tijd tegen geld en omgekeerd is een van de
                                elementen van een cafetariamodel of CAO à la carte. Artikel 4a:1
                                maakt het mogelijk om vakantie-uren te verkopen en artikel 4a:2
                                maakt het mogelijk om extra vakantie-uren te kopen. Artikel 4a:3
                                maakt het mogelijk om een lokale regeling te treffen met fiscaal
                                gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>In dit artikel is geregeld dat de ambtenaar vóór 1 november (of vóór
                                een andere datum als dit op lokaal niveau is vastgesteld) een
                                verzoek kan indienen bij het college tot het verkopen van
                                vakantie-uren in het daarop volgende kalenderjaar (eerste lid). Dit
                                betekent dat de ambtenaar in 1999 een verzoek moet indienen om in
                                het kalenderjaar 2000 feitelijk uren te kunnen verkopen.</al><al>Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht, is
                                geregeld in de leden twee en drie. Als het college het verzoek
                                toewijzen (vierde lid), dan krijgt de ambtenaar een vergoeding voor
                                de verminderde vakantie-uren ter hoogte van zijn salaris per uur,
                                tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen (eerste en vijfde
                                lid).</al></lid><lid><lidnr>2 en 3</lidnr><al> Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht is 72 uur. </al><al>Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op 6 april
                                2006 (HvJ EG 6 april 2006, C-124/05) een uitspraak gedaan over de
                                verkoop van de wettelijke vakantie-uren. In de Europese richtlijn
                                over arbeidstijden (93/104/EG) is geregeld dat werknemers recht
                                hebben op een jaarlijkse vakantie van tenminste vier weken. Deze
                                minimumperiode van de jaarlijkse vakantie mag niet worden vervangen
                                door een financiële vergoeding, ook niet in volgende jaren. Bij een
                                volledige formele arbeidsduur gaat het dus om 4 x 36 uur = 144 uur
                                minimale wettelijke vakantie-uren. Een ambtenaar heeft bij een
                                volledige formele arbeidsduur recht op ten minste 158,4
                                vakantie-uren per jaar op grond van artikel 6:2, eerste lid CAR/UWO.
                                De minimum periode van de jaarlijkse vakantie op grond van de
                                CAR/UWO ligt daarmee hoger dan het aantal wettelijke vakantie-uren
                                op grond van de richtlijn want dit zijn er 144. De wettelijke
                                vakantie-uren kunnen niet afgekocht worden, ook niet in een volgend
                                jaar.</al><al><cursief>Voorbeeld 1:</cursief> Een ambtenaar treedt op 1 januari
                                2004 in dienst en heeft een volledig dienstverband. Hij heeft in dat
                                jaar recht op 158,4 vakantie-uren maar neemt 110 uur op in 2004. In
                                2005 wil hij de resterende 48,4 vakantie-uren verkopen. Dit is niet
                                toegestaan. Het wettelijk aantal vakantie-uren van de ambtenaar
                                bedraagt 144. Het verschil tussen 158,4 en 144 mag hij verkopen
                                (inzetten in het cafetariamodel) maar de overige uren moet hij
                                opnemen in 2004 of daarna. </al><al>Echter op basis van het tweede lid van artikel 6:2 CAR/UWO kan het
                                aantal vakantie-uren worden verhoogd met maximaal 50,4 uren (voor
                                voltijders) door in een kalenderjaar 50,4 uur meer te werken dan de
                                arbeidsduur per jaar. Op deze wijze wordt het aantal vakantie-uren
                                verhoogd tot 208,8 uur en kan maximaal 64,8 uur worden verkocht.
                                Verder is het mogelijk om op grond van artikel 3:2:1 lid 3
                                verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding van overwerk om te
                                zetten in vakantie-uren. Overigens is dit omzetten niet onbeperkt.
                                De som van het aantal uren op grond van artikel 3:2:1 lid 3 en het
                                aantal uren op grond van artikel 6:2, tweede lid is maximaal 50,4
                                uren. Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren naar rato van de
                                deeltijdfactor. Voor medewerkers die van de seniorenmaatregel
                                gebruikmaken geldt hetzelfde principe (zie ook artikel 6:2:1 lid
                                6).</al><al><cursief>Voorbeeld 2:</cursief> Een ambtenaar treedt op 1 januari
                                2004 in dienst en heeft een volledig dienstverband. Hij heeft in dat
                                jaar recht op 158,4 vakantie-uren. Daarnaast heeft hij een verzoek
                                ingediend om 50,4 uur extra te werken en deze uren om te zetten in
                                vakantie-uren. In totaal heeft deze ambtenaar 208, 8 (158,4+ 50,4)
                                vakantie-uren in 2004. Hij neemt daarvan 130 uur op en houdt 78,8
                                (208,8-130) vakantie-uren over. De ambtenaar heeft in 2004 niet het
                                wettelijk aantal vakantie-uren (144) opgenomen. Deze 14 (144-130)
                                uren kan hij niet verkopen en neemt hij mee naar 2005. De ambtenaar
                                kan van zijn vakantieaanspraak over 2004, 64,8 (50,4+14,4) uren
                                verkopen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De werkgever wijst een verzoek toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                                dienstbelangen zich daartegen verzetten. Van zo’n belang is in ieder
                                geval sprake indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige
                                problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van financiële en organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of</al></li><li nr="c"><al>omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting
                                        daartoe geen ruimte biedt.</al></li></lijst><al>De werkgever rapporteert de toegewezen verzoeken met betrekking tot
                                vakantie voor geld en omgekeerd aan de OR, zodat deze zicht heeft op
                                het totale gebruik van de mogelijkheden. Dit is een uitvloeisel van
                                artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden, waarin is geregeld
                                dat de OR de naleving bevordert van de voor de onderneming geldende
                                voorschriften op het gebied van arbeidsvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien een medewerker vakantie-uren verkoopt, ontvangt hij per
                                vakantie-uur een vergoeding van een (bruto) uursalaris bovenop zijn
                                normale (bruto) salaris. Dit is zijn eigen uursalaris, tenzij lokaal
                                anders is overeengekomen. Door het verkopen van vakantie-uren worden
                                de grondslagen voor WAO/WIA-premie, pseudo-premie WW, UFO-premie,
                                Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting verhoogd. De
                                uitkeringen (op basis van de WAO, WIA, WW en ZW) en suppletie worden
                                tevens verhoogd. Het verkopen van vakantie-uren heeft geen gevolgen
                                voor de hoogte van de eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en
                                levensloopbijdrage. Het verkopen van vakantie-uren is op basis van
                                het Pensioenreglement pensioengevend. Het ABP hanteert echter de
                                peildatumsystematiek waardoor de pensioengrondslag gedurende een
                                jaar niet kan worden gewijzigd. De verhoging van het pensioengevend
                                inkomen vanwege het verkopen van vakantie-uren kan in het
                                pensioengevend inkomen van het volgende jaar worden verwerkt. De
                                opbrengst van de verkoop van uren kan worden ingezet voor de
                                gemeentelijke levensloopregeling zoals vastgelegd in hoofdstuk 6a.
                                De tegenwaarde van de uren wordt dan gestort op de
                                levenslooprekening van de medewerker.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Geld uitwisselen tegen vakantie-uren (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Dit artikel is de tegenhanger van artikel 4a:1. Door middel van dit
                                artikel kan de ambtenaar geld uitwisselen voor vrije uren. Een
                                werknemer met een formele arbeidsduur van 36 uur kan maximaal 72
                                vakantie-uren in een kalenderjaar kopen. Voor de deeltijder geldt
                                dit naar rato. Verrekening geschiedt door middel van inhouding van
                                een geldbedrag. Door het kopen van vakantie-uren worden de
                                grondslagen voor WAO/WIA-premie, pseudo-premie WW, UFO-premie,
                                Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting lager. In
                                tegenstelling tot bij het verkopen van uren blijven de uitkeringen
                                (op basis van de WAO, WIA, WW en ZW) en suppletie onveranderd. De
                                eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en levensloopbijdrage
                                blijven ook onveranderd. Het pensioengevend inkomen als genoemd in
                                artikel 3.1 van het Pensioenreglement wijzigt bij de aankoop van
                                vakantie-uren niet mits wordt voldaan aan de voorwaarden van het
                                besluit van 22 februari 2002, CPP2001/3047M.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zoals vermeld in lid 3
                                is in ieder geval sprake indien toewijzing van het verzoek leidt tot
                                ernstige problemen:</al><lijst><li nr="A"><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de
                                        vrijgekomen uren;</al></li><li nr="B"><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="C"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of
                                urenvergoeding (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit lid biedt de mogelijkheid om de bezoldiging,
                                eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering of de vergoeding voor extra
                                te werken uren te verlagen in ruil voor andere
                                bestedingsmogelijkheden. In 2006 zijn de bestedingsmogelijkheden
                                o.a. een fietsregeling, de vakbondscontributie of een vergoeding
                                voor de kosten van woonwerkverkeer. Dit kan een fiscaal voordeel
                                opleveren voor de ambtenaar, als aan de fiscale voorwaarden wordt
                                voldaan. In ieder geval wordt door deze bepaling aan één van de
                                voorwaarden van de belastingdienst voldaan. Voorwaarde is namelijk
                                dat er een basis in de arbeidsvoorwaardenregeling is gelegd voor het
                                inleveren van bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering
                                en vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In een lokaal te treffen regeling (bijvoorbeeld een fietsregeling,
                                de vakbondscontributie of een vergoeding voor de kosten van
                                woonwerkverkeer) kunnen de voorschriften en de voorwaarden worden
                                vastgelegd, rekening houdend met de fiscale randvoorwaarden.De
                                lokale bezoldigingsverordening mag een dergelijke tijdelijke
                                verlaging van de bezoldiging niet in de weg staan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>56-jarigenregeling (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Artikel 5:1 voorziet in de
                                mogelijkheid voor degene die de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt
                                en aan bepaalde voorwaarden voldoet, op verzoek de geldende werktijd
                                terug te brengen met een vijfde deel. Ook degene die in deeltijd
                                werkt, heeft dus de mogelijkheid van de seniorenregeling gebruik te
                                maken. De enige restrictie is dat na vermindering een werktijd van
                                7,2 uur resteert. De bezoldiging van de 'senior' wordt voor 90%
                                uitbetaald. Ten aanzien van de lopende gevallen - degenen die op 1
                                april 1996 reeds gebruikmaken van de seniorenregeling - geldt dat
                                zij de volledige bezoldiging behouden.</al><al>De bepaling bevat in het eerste lid, onderdeel b, een voorbehoud wat
                                betreft het dienstbelang. Wanneer de 'senior' binnen de
                                gemeentelijke organisatie een sleutelfunctie bekleedt waarbij een
                                voltijdse aanwezigheid vereist is en vervanging tot problemen leidt,
                                bestaat de mogelijkheid het verzoek tot terugbrengen van de werktijd
                                af te wijzen. Partijen kunnen overeenstemming bereiken over een
                                andere oplossing. Het seniorenverlof kan bijvoorbeeld worden
                                gespreid over de werkweek en in de vorm van enkele uren per dag
                                worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een ambtenaar gebruik maakt van de 56-jarigenregeling,
                                waardoor de seniorenarbeidsduur met een vijfde wordt teruggebracht,
                                moet voor het hanteren van de bandbreedte worden uitgegaan van de
                                teruggebrachte arbeidsduur. Bijvoorbeeld, voor een ambtenaar wordt
                                de formele arbeidsduur teruggebracht van 36 naar 28,8 uur. De
                                bandbreedte wijzigt hierdoor niet. Echter, wordt voor een ambtenaar
                                de seniorenarbeid teruggebracht van 25 naar 20 uur, dan wijzigt de
                                bandbreedte wel, namelijk van +/- 6 uur naar +/- 4 uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Pré-vut (T)</titel></kop><al>Het gaat hier om de mogelijkheid vervroegd uit te treden vanaf het
                            moment dat de werknemer de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De duur
                            van deze regeling is één jaar. Deze gemeentelijke pré-VUT-regeling is
                            geënt op de VUT-regeling zoals die laatstelijk luidde voor 1 april 1987.
                            Dit betekent dat aan de betrokkene - op grond van het bepaalde in
                            artikel 8:10 - ontslag wordt verleend.</al><al>De uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend
                            op die waarop betrokkene de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Vanaf
                            dat moment kan betrokkene een FPU-uitkering aanvragen.</al><al>Het recht op een pré-VUT-uitkering ontstaat op de dag waarop hij de
                            leeftijd van 60 jaar bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang van
                            de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop hij 60 jaar is
                            geworden. Een voorbeeld: een ambtenaar wordt op 15 juni 60 jaar en wil
                            gebruikmaken van de pré-VUT. Het recht op de pré-VUT-uitkering ontstaat
                            per 15 juni, de betaling van de uitkering begint echter op 1 juli (de
                            eerste dag van de volgende maand). Om de bezoldiging naadloos te laten
                            overgaan in de pré-VUT-uitkering is het raadzaam betrokkene per 30 juni
                            pré-VUT-ontslag te verlenen.</al><al>Het derde lid bepaalt dat de ambtenaar die ervoor gekozen heeft gebruik
                            te maken van de 56jarigen- of 60-jarigenregeling, niet vervroegd kan
                            uittreden op grond van de pré-VUTregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>60-jarigenregeling (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen</vet>Dit artikel voorziet in de mogelijkheid voor de
                                ambtenaar die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, de werktijd tot
                                de helft terug te brengen waarbij de bezoldiging gedurende een jaar
                                voor 95% wordt uitbetaald.</al><al>Als nadere voorwaarde geldt dat betrokkene ten minste 14,4 uur per
                                week werkzaam is en een ononderbroken diensttijd heeft van tien
                                jaar. Daarbij geldt het vereiste dat het verzoek van werkgevers- of
                                van werknemerszijde tot vermindering van de werktijd is
                                ingewilligd.</al><al>Het verzoek van de ambtenaar gebruik te kunnen maken van de
                                60-jarigenregeling kan vanuit werkgeverszijde worden geweigerd
                                wanneer er sprake is van een organisatorisch belang. Wanneer de
                                werkgever de ambtenaar verzoekt gebruik te maken van de
                                60-jarigenregeling, kan de ambtenaar om redenen die voor hem van
                                belang zijn weigeren op dit verzoek in te gaan.</al><al>Wanneer het verzoek tot arbeidsduurvermindering is gehonoreerd,
                                wordt de bezoldiging voor 95% uitbetaald waarbij de arbeidsduur met
                                de helft wordt teruggebracht. Betrokkene krijgt de bezoldiging voor
                                95% doorbetaald tot het moment dat de leeftijd van 61 jaar is
                                bereikt. Let wel, het gaat hier uitsluitend om het bereiken van de
                                leeftijd van 61 jaar. Dit betekent dat degene die reeds 40
                                dienstjaren heeft voordat de leeftijd van 61 jaar wordt bereikt of
                                op het moment dat betrokkene 60 jaar wordt, niettemin 95% van de
                                bezoldiging behoudt tot het moment van bereiken van de leeftijd van
                                61 jaar. De ambtenaar met 40 dienstjaren kan op deze wijze gedurende
                                een jaar van de 60-jarigenregeling gebruikmaken.</al><al>Indien de ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar
                                geen gebruikmaakt van de mogelijkheid van FPU dan wel niet volledig
                                uittreedt maar slechts voor een deel (deeltijd- FPU), ontstaat de
                                volgende situatie:</al><lijst><li nr="1"><al><cursief>geen FPU-ontslag</cursief>De formele arbeidsduur
                                        blijft gehandhaafd op 100%, de verminderde
                                        seniorenarbeidsduur blijft gehandhaafd op 50%; de
                                        doorbetaling van de bezoldiging wordt in overeenstemming
                                        gebracht met de omvang van de verminderde
                                        seniorenarbeidsduur en komt daarmee op 50% van de
                                        oorspronkelijke bezoldiging;</al></li><li nr="2"><al><cursief>gedeeltelijk FPU-ontslag</cursief>Van de ambtenaar
                                        die voor 50% of minder van de oorspronkelijke
                                        betrekkingsomvang uittreedt, wordt de formele arbeidsduur
                                        dienovereenkomstig aangepast. De verminderde
                                        seniorenarbeidsduur wordt echter gehandhaafd op 50% van de
                                        oorspronkelijke formele arbeidsduur. De doorbetaling van de
                                        bezoldiging wordt in overeenstemming gebracht met de omvang
                                        van de verminderde seniorenarbeidsduur. Van de ambtenaar die
                                        voor meer dan 50% uittreedt, worden de formele en de
                                        seniorenarbeidsduur teruggebracht met eenzelfde percentage.
                                        De doorbetaling van de bezoldiging komt overeen met de
                                        betrekkingsomvang die resteert.</al></li></lijst><al>Dat levert voor een ambtenaar met een aanstelling van 36 uur per
                                week het volgende beeld op:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Indien er geen sprake is van FPU-ontslag bij het
                                            bereiken van de leeftijd van 61 jaar;</cursief>De
                                        formele arbeidsduur blijft gehandhaafd op 36 uur, de
                                        seniorenarbeidsduur op 18; de bezoldiging wordt voor 50%
                                        doorbetaald, en dus gebaseerd op 18 uur.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Indien er sprake is van 50% FPU-ontslag bij 61
                                            jaar:</cursief>Als gevolg van 50% FPU-ontslag, wordt de
                                        formele arbeidsduur teruggebracht tot 18 uur, de
                                        seniorenarbeidsduur wordt gehandhaafd op 18 uur. De
                                        bezoldiging wordt voor dat gedeelte doorbetaald dat gelijk
                                        is aan de omvang van de seniorenarbeidsduur en dus gebaseerd
                                        op 18 uur. Voor het 'FPU-deel' ontvangt de ambtenaar een
                                        FPU-uitkering.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Indien er sprake is van 30% FPU-ontslag bij 61
                                            jaar:</cursief>Wanneer de ambtenaar bij het bereiken van
                                        de leeftijd van 61 jaar voor 30% uittreedt, wordt de formele
                                        arbeidsduur dienovereenkomstig aangepast. Er resteert dan
                                        een formele arbeidsduur van 70% van de oorspronkelijke. De
                                        seniorenarbeidsduur wordt echter gehandhaafd op 18 uur. De
                                        bezoldiging wordt voor dat gedeelte doorbetaald dat
                                        overeenkomstig met de omvang van de seniorenarbeidsduur en
                                        dus gebaseerd op 18 uur. De ambtenaar krijgt dus geen 70%
                                        maar 50% van zijn oorspronkelijke bezoldiging doorbetaald.
                                        Voor het 'FPU-deel' ontvangt de ambtenaar een
                                        FPU-uitkering.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Indien er sprake is van 70% FPU-ontslag bij 61
                                            jaar:</cursief>De formele arbeidsduur, de
                                        seniorenarbeidsduur en de bezoldiging worden
                                        dienovereenkomstig aangepast. Dat betekent dat de formele
                                        arbeidsduur van deze ambtenaar wordt gesteld op 30% van de
                                        oorspronkelijke; zijn bezoldiging bedraagt ook 30% van de
                                        oorspronkelijke bezoldiging. Voor het 'FPU-deel' ontvangt de
                                        ambtenaar een FPU-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tweede lid regelt de situatie van degene die reeds gebruikmaakt
                                van de 56-jarigenregeling en vervolgens voor de 60-jarigenregeling
                                in aanmerking wenst te komen. Er zijn twee categorieën te
                                onderscheiden, te weten degenen die voor 1 april reeds gebruikmaken
                                van de 56jarigenregeling en degenen die vanaf 1 april 1996 van deze
                                mogelijkheid gebruik gaan maken.</al><al>Degenen die voor 1 april reeds hun seniorenarbeidsduur met een
                                vijfde deel hebben teruggebracht, krijgen tot 1 mei 1996 de
                                mogelijkheid kenbaar te maken dat zij van de 60jarigenregeling
                                gebruik wensen te maken. Wanneer het verzoek gebruik te maken van de
                                60jarigenregeling wordt ingewilligd, wordt de bezoldiging per 1 mei
                                1996 voor 90% uitbetaald. Bij het bereiken van de 60-jarige
                                leeftijd, wordt de bezoldiging voor 82,5% uitbetaald.</al><al>T.a.v. degenen die vanaf 1 april 1996 gebruikmaken van de
                                56-jarigenregeling, geldt dat de bezoldiging voor 90% wordt
                                uitbetaald vanaf het moment dat de seniorenarbeidsduur met een
                                vijfde deel wordt teruggebracht. Wanneer vervolgens bij het bereiken
                                van de leeftijd van 60 jaar de seniorenarbeidsduur tot de helft
                                wordt teruggebracht, wordt de bezoldiging voor 82,5 uitbetaald. Dit
                                geldt dus uitsluitend voor degenen die reeds van de
                                56-jarigenregeling gebruikmaken op het moment dat zij de
                                seniorenarbeidsduur verder terugbrengen. Hierbij wordt nog opgemerkt
                                dat bij het tot de helft terugbrengen van de seniorenarbeidsduur,
                                die reeds met een vijfde deel was teruggebracht, wordt uitgegaan van
                                de oorspronkelijke betrekkingsomvang. Het is dus niet zo dat de
                                seniorenarbeidsduur van degene die van de 56jarigenregeling
                                gebruikmaakt bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar tot 0,4
                                van de oorspronkelijke betrekkingsomvang wordt teruggebracht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de 60-jarigenregeling geldt dezelfde bepaling als bij de
                                56-jarigenregeling. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 5:1,
                                derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5 e. v.</lidnr><al>Het vijfde lid en verder bepalen de wijze van verrekenen van
                                neveninkomsten. Deze worden op de bezoldiging in mindering gebracht,
                                met dien verstande dat in alle gevallen 50% van de bezoldiging
                                resteert. Onder neveninkomsten wordt niet verstaan een uitkering op
                                grond van de FPU-regeling.</al><al>Als laatste wordt ingegaan op een relevant onderscheid tussen de 56-
                                en de 60-jarigenregeling enerzijds en het sectorale preVut-regime
                                anderzijds. Bij de 56- en 60-jarigenregeling wordt betrokkene geen
                                ontslag verleend, enkel de werktijd wordt teruggebracht. De
                                bezoldiging blijft gehandhaafd, deze wordt slechts gedeeltelijk
                                uitbetaald. Het gebruikmaken van de 56- of de 60jarigenregeling
                                heeft evenmin gevolgen voor de pensioenopbouw.</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>situatie bij 61 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>formele arbeidsduur<noot id="FN5005_1"><noot.al>Het betreft hier de formele arbeidsduur
                                                  -dit is de arbeidsduur volgens de aanstelling-
                                                  zoals deze was voor het gebruik van de
                                                  60-jarigenregeling. Het percentage in de kolom
                                                  duidt dus niet op een volledige of
                                                  deeltijdaanstelling maar is een percentage van de
                                                  oorspronkelijke arbeidsduur.</noot.al></noot></al></entry><entry colname="col3"><al>bezoldiging<noot id="FN5005_2"><noot.al>De bezoldiging is altijd in
                                                  overeenstemming met de formele arbeidsduur, maar
                                                  de doorbetaling kan verminderd zijn; zie daarvoor
                                                  de laatste kolom.</noot.al></noot></al></entry><entry colname="col4"><al>FPU-uitkering<noot id="FN5005_3"><noot.al>Het in deze kolom genoemde percentage is
                                                  het percentage van het oorspronkelijke
                                                  dienstverband waarover FPU-ontslag is verleend en
                                                  derhalve een FPU-uitkering wordt gegeven. Het zegt
                                                  echter niets over de hoogte van de
                                                  uitkering.</noot.al></noot></al></entry><entry colname="col5"><al>vermindering senioren arbeisduur<noot id="FN5005_4"><noot.al>De verminderde seniorenarbeidsduur is
                                                  uitgedrukt in een percentage van de
                                                  oorspronkelijke formele arbeidsduur.</noot.al></noot></al></entry><entry colname="col6"><al>doorbetaling bezoldiging<noot id="FN5005_5"><noot.al>Na 61 jaar is de doorbetaling van de
                                                  bezoldiging altijd in overeenstemming met de
                                                  verminderde seniorenarbeidsduur.</noot.al></noot></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbeeld 1geen FPU ontslag</al></entry><entry colname="col2"><al>blijft 100%</al></entry><entry colname="col3"><al>blijft 100%</al></entry><entry colname="col4"><al>geen</al></entry><entry colname="col5"><al>blijft 50%</al></entry><entry colname="col6"><al>blijft 50%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbeeld 250% FPU ontslag</al></entry><entry colname="col2"><al>wordt 50%</al></entry><entry colname="col3"><al>wordt 50%</al></entry><entry colname="col4"><al>gebaseerd op 50% ontslag</al></entry><entry colname="col5"><al>blijft 50%</al></entry><entry colname="col6"><al>wordt 50%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbeeld 330% FPU ontslag<noot id="FN5005_6"><noot.al>Dit voorbeeld is bij een ander percentage
                                                  FPU-ontslag op gelijke wijze van toepassing zolang
                                                  het percentage niet meer bedraagt dan
                                                  50.</noot.al></noot></al></entry><entry colname="col2"><al>wordt 70%</al></entry><entry colname="col3"><al>wordt 70%</al></entry><entry colname="col4"><al>gebaseerd op 30% ontslag</al></entry><entry colname="col5"><al>blijft 50%</al></entry><entry colname="col6"><al>wordt 50%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbeeld 470% FPU ontslag<noot id="FN5005_7"><noot.al>Dit voorbeeld is bij een ander percentage
                                                  FPU-ontslag op gelijke wijze van toepassing zolang
                                                  het percentage niet meer bedraagt dan
                                                  50.</noot.al></noot></al></entry><entry colname="col2"><al>wordt 30%</al></entry><entry colname="col3"><al>wordt 30%</al></entry><entry colname="col4"><al>gebaseerd op 30% ontslag</al></entry><entry colname="col5"><al>wordt 30%</al></entry><entry colname="col6"><al>wordt 30%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ingangsdatum seniorenmaatregelen (T)</titel></kop><al>In dit artikel wordt, in navolging van hetgeen is bepaald in het
                            FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, onderscheid gemaakt
                            tussen het tijdstip waarop het recht ontstaat gebruik te maken van een
                            onderdeel van het seniorenbeleid (de 56-jarigen- of de
                            60-jarigenregeling) en het tijdstip van vermindering van de werktijd en
                            de bezoldiging danwel het tijdstip van vervroegd uittreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Slotbepalingen (T)</titel></kop><al>In dit artikel is samen met artikel 5a:1, tweede lid, het overgangsrecht
                            geregeld met betrekking tot het gebruik van de seniorenregelingen uit
                            hoofdstuk 5. Wanneer een ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de FPU
                            Gemeenten, kan hij niet deelnemen aan een seniorenregeling uit hoofdstuk
                            5. Bovendien is het recht op het gebruik van de seniorenregelingen uit
                            hoofdstuk 5 beperkt tot diegenen die vóór 1 januari 1945 geboren
                            zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Recht op uitkering (T)</titel></kop><al>In dit artikel wordt gesproken over de Aanvulling werkgever. Dit is een
                            aanvullende uitkering op de FPU-uitkering. Deze Aanvulling werkgever
                            vormt samen met de FPU-uitkering de gemeentelijke FPU-uitkering.</al><al>De Aanvulling werkgever komt volledig voor rekening van de
                            werkgever.</al><al>In dit artikel staan de voorwaarden voor een Aanvulling werkgever.</al><al>Ten eerste moet ontslag zijn verleend op grond van artikel 8:11
                            (FPU-ontslag).Dit is het geval zodra het bestuur van de Stichting fonds
                            vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel en het bestuur van de
                            Stichting pensioenfonds ABP hebben vastgesteld dat er recht bestaat op
                            een uitkering op grond van de desbetreffende regeling (basis- en
                            aanvullende uitkering, respectievelijk de FPU-uitkering). Om voor een
                            dergelijke uitkering in aanmerking te komen moet er een ononderbroken
                            diensttijd zijn van ten minste 10 jaar, direct voorafgaande aan het
                            tijdstip van vervroegde uittreding,bij een of meer werkgevers die zijn
                            aangesloten bij het ABP.Voltijd of deeltijd maakt daarbij geen verschil.
                            Een onderbreking van twee maanden is toegestaan. Wel geldt dat in de zes
                            maanden direct voorafgaande aan de FPU, de ambtenaar werknemer moet zijn
                            geweest bij een werkgever die aangesloten is bij het ABP.</al><al>De tweede voorwaarde is dat de ambtenaar niet reeds gebruikmaakt of
                            heeft gemaakt van de op 1 januari 2000 bestaande seniorenregelingen (de
                            56-jarigenregeling, de pré-VUT en de 60-jarigen-regeling). Een ambtenaar
                            die op 1 januari 2000 deelneemt aan een van de genoemde regelingen,kan
                            deze deelname gewoon voortzetten. Een ambtenaar die op de genoemde datum
                            tussen 55 en 65 jaar oud is,kan kiezen tussen de oude regelingen en de
                            nieuwe gemeentelijke FPU. Een keuze voor het een betekent dat geen recht
                            meer bestaat op het ander. De ambtenaar die op de genoemde datum jonger
                            is dan 55 jaar, heeft geen keuze en kan uitsluitend gebruikmaken van de
                            FPU Gemeenten (dit is niet in dit artikel opgenomen,maar in artikel
                            5:6)</al><al>De derde voorwaarde is dat een ambtenaar die een 'FLO-functie '
                            vervult,geen gebruik kan maken van de FPU Gemeenten.</al><al>Bij deelname aan de FPU Gemeenten vervallen de leeftijdsverlofdagen. Dit
                            is geregeld in artikel 6:2:1, zevende lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Berekeningsgrondslag (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanpassing van de berekeningsgrondslag aan de
                                salarisontwikkeling (=indexatie) vindt plaats op een overeenkomstige
                                wijze en op hetzelfde moment als de indexatie van de FPU uitkering.
                                Concreet betekent dit dat de salarisontwikkeling in de sector
                                gemeenten niet rechtstreeks doorwerkt in de berekeningsgrondslag,
                                maar via het gewogen gemiddelde van de salarisontwikkeling van alle
                                overheidssectoren. Op grond van de uitkomst van dit gewogen
                                gemiddelde indexeert het ABP jaarlijks - in beginsel per 1 januari -
                                de FPU-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Uit de definitie van berekeningsgrondslag volgt dat de
                                berekeningsgrondslag voor een voltijder even hoog is als voor een
                                deeltijder. Om te bereiken dat de toeslag voor een deeltijder een
                                naar rato percentage bedraagt van de toeslag van een voltijder is in
                                het tweede lid geregeld dat de toeslag bij een deeltijdbetrekking
                                wordt vermenigvuldigd met de desbetreffende deeltijdfactor.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte van de Aanvulling werkgever (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Anders dan bij de FPU-uitkering is de Aanvulling werkgever niet
                                afhankelijk van de mate van uittreden. Dit betekent dat wanneer een
                                ambtenaar in stapjes uittreedt de Aanvulling werkgever op het moment
                                van het eerste deeltijdontslag wordt vastgesteld en nadien niet meer
                                wijzigt (er vindt wel een indexatie plaats: zie artikel 5a:2). Per 1
                                juli 2006 zijn dit de percentages ‘Aanvulling werkgever’. Partijen
                                hebben hierover overeenstemming bereikt in de CAO 2005-2007. Voor de
                                hoogte van de Aanvulling is de leeftijd van de ambtenaar op 31
                                december 2005 én het moment van uittreden belangrijk. Het in de
                                tabel genoemde aanvullingspercentage is de Aanvulling bij uittreden
                                op spilleeftijd. Later of eerder uittreden leidt tot een hogere
                                respectievelijk lagere uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit artikel regelt de in de wetgeving inzake VUT, prepensioen en
                                levensloop voorgeschreven actuariële herrekening van een uitkering
                                bij later uittreden (Wet aanpassing fiscale behandeling
                                VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling). Ook bij eerdere
                                uittreding is afgesproken de uitkering actuarieel te herrekenen.
                                Uitgangspunt is de uitkering op de spilleeftijd (deze uitkering is
                                afhankelijk van de leeftijd van betrokkene op 31 december 2005).
                            </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De spilleeftijd van de ambtenaar is de spilleeftijd zoals bedoeld
                                in het ‘hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regelingen aan
                                VPL-wetgeving’ (zie ledenbrief ) 18 juli 2005, MARZ/CvA/U200515077).
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli
                                2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten (T)</titel></kop><al>Per 1 januari 2006 is de fiscale wetgeving voor vroegpensioenregelingen
                            (waaronder de FPU Gemeenten) gewijzigd. Onderdeel van deze wijziging is
                            dat bij uittreding na de spilleeftijd de uitkering geheel ten goede moet
                            komen aan de ambtenaar. Aftopping op 100% is mogelijk, maar het meerdere
                            wordt doorgeschoven naar het ouderdomspensioen van de ambtenaar. Wanneer
                            men uittreedt vóór het bereiken van de spilleeftijd dan kan er nog wel
                            sprake zijn van aftopping op 90%. Op ieder moment dat er sprake is van
                            uittreding (bij deeltijduittreden dus op meerdere momenten) wordt
                            bepaald of het uittreden vóór of ná de spilleeftijd is. Voorbeeld: een
                            ambtenaar gaat vóór zijn spilleeftijd 10% met FPU. Dan kan er sprake
                            zijn van een aftopping op 90%. Gaat hij vervolgens ná zijn spilleeftijd
                            voor nog 50% met FPU, dan is er geen sprake meer van een aftopping op
                            90%, maar wordt er afgetopt op 100% en wordt het meerdere doorgeschoven
                            naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. Het feit dat
                            er bij de eerste deeltijduitdiensttreding wel aftopping plaatsvond tot
                            90% is niet meer van belang. De spilleeftijd van de ambtenaar is de
                            spilleeftijd zoals bedoeld in het ‘hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing
                            ABP-regelingen aan VPL-wetgeving’ (zie ledenbrief ) 18 juli 2005,
                            MARZ/CvA/U200515077). Tot vóór 1 juli 2006 kende de FPU Gemeenten een
                            afwijkende spilleeftijd ten opzichte van de spilleeftijd in het
                            hoofdlijnenakkoord. In de CAO 2005-2007 is invulling gegeven aan het
                            overgangsrecht FPU Gemeenten. Hierbij is onder andere aangesloten bij de
                            spilleeftijd in het hoofdlijnenakkoord. </al></artikel><artikel><kop><titel>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode
                                van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten
                                (T)</titel></kop><al>Per 1 januari 2006 is de fiscale wetgeving voor vroegpensioenregelingen
                            (waaronder de FPU Gemeenten) gewijzigd. Onderdeel van deze wijziging is
                            dat bij uittreding na de spilleeftijd de uitkering geheel ten goede moet
                            komen aan de ambtenaar. Aftopping op 100% is mogelijk, maar het meerdere
                            wordt doorgeschoven naar het ouderdomspensioen van de ambtenaar. Wanneer
                            men uittreedt vóór het bereiken van de spilleeftijd dan kan er nog wel
                            sprake zijn van aftopping op 90%. </al><al>Op ieder moment dat er sprake is van uittreding (bij deeltijduittreden
                            dus op meerdere momenten) wordt bepaald of het uittreden vóór of ná de
                            spilleeftijd is. Voorbeeld: een ambtenaar gaat vóór zijn spilleeftijd
                            10% met FPU. Dan kan er sprake zijn van een aftopping op 90%. Gaat hij
                            vervolgens ná zijn spilleeftijd voor nog 50% met FPU, dan is er geen
                            sprake meer van een aftopping op 90%, maar wordt er afgetopt op 100% en
                            wordt het meerdere doorgeschoven naar het ouderdoms- en
                            nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. Het feit dat er bij de eerste
                            deeltijduitdiensttreding wel aftopping plaatsvond tot 90% is niet meer
                            van belang.</al><al>De spilleeftijd van de ambtenaar is de spilleeftijd zoals bedoeld in het
                            ‘hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regelingen aan VPL-wetgeving’
                            (zie ledenbrief ) 18 juli 2005, MARZ/CvA/U200515077). Tot vóór 1 juli
                            2006 kende de FPU Gemeenten een afwijkende spilleeftijd ten opzichte van
                            de spilleeftijd in het hoofdlijnenakkoord. In de CAO 2005-2007 is
                            invulling gegeven aan het overgangsrecht FPU Gemeenten. Hierbij is onder
                            andere aangesloten bij de spilleeftijd in het hoofdlijnenakkoord. </al></artikel><artikel><kop><titel>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1
                                januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten (T)</titel></kop><al>Dit artikel regelt de aftopping. Het af te toppen bedrag wordt voor het
                            eerst vastgesteld bij het eerste FPU-ontslag en vervolgens telkens bij
                            een nieuw FPU-ontslag. Als het totaalinkomen boven 90% van de
                            berekeningsgrondslag uitkomt, wordt het meerdere in mindering gebracht
                            op de Aanvulling werkgever. Een voorbeeld kan dit verduidelijken:</al><al>Een ambtenaar gaat op 56-jarige leeftijd met deeltijd-FPU-ontslag voor
                            20%. Hij ontvangt dan 80% bezoldiging, een FPU-uitkering van 4,6%
                            (willekeurig percentage; dit moet bij het Abp worden opgevraagd) en een
                            Aanvulling werkgever van 8,9% (uit de tabel). Totaal: 93,5%. Er vindt
                            dan een aftopping plaats tot 90%. De aftopping van 3,5% wordt in
                            mindering gebracht op de Aanvulling werkgever van 8,9% zodat een
                            Aanvulling werkgever resteert van 5,4%. In totaal bedraagt dan het
                            inkomen: 80% (bezoldiging) en 4,6% (FPU-uitkering) en 5,4% (Aanvulling
                            werkgever). Totaal: 90%. Bij een volgend ontslag op grond van artikel
                            8:11 wordt opnieuw beoordeeld of en welke aftopping aan de orde is. In
                            het vierde lid is geregeld dat een individueel bijverzekerde
                            FPU-uitkering niet wordt betrokken bij de aftopping.</al><al>In het vijfde lid is geregeld dat inkomsten die op of na het FPU-ontslag
                            worden verkregen uit verhoogde werkzaamheid (bijvoorbeeld een nieuwe
                            baan) of nog voortvloeien uit ziekte, in de betrekking voor het
                            FPU-ontslag niet van invloed zijn op de hoogte van de Aanvulling
                            werkgever. Dergelijke inkomsten kunnen krachtens het FPU-reglement
                            leiden tot een vermindering van de FPU-uitkering. Zonder lid 5 zou de
                            situatie kunnen optreden dat deze vermindering van de FPU-uitkering
                            wordt gecompenseerd door een hogere Aanvulling werkgever.</al></artikel><artikel><kop><titel>Einde van het recht op een Aanvulling werkgever (T)</titel></kop><al>Bij een ontslag om een andere reden dan FPU vervallen de
                            (resterende)aanspraken op de Aanvulling werkgever. Dit betekent dat als
                            een ambtenaar enige tijd gebruik heeft gemaakt van de FPU Gemeenten en
                            vervolgens ontslag neemt of krijgt (bijvoorbeeld vanwege een andere baan
                            of arbeidsongeschiktheid), er geen beroep kan worden gedaan op
                            uitbetaling van de resterende FPU-toeslagen.</al><al>De Aanvulling werkgever is gekoppeld aan het recht op FPU.Dit betekent
                            dat op het moment dat er geen recht meer bestaat op de FPU (bij
                            ouderdomspensioen of overlijden), de Aanvulling werkgever stopt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Pensioenopbouw (T)</titel></kop><al>Bij de invoering van de FPU Gemeenten is overeengekomen dat deelnemers
                            aan de regeling over de periode dat gebruik wordt gemaakt van de
                            regeling, pensioenopbouw moeten kunnen hebben. Deze pensioenopbouw moet
                            uiteindelijk tegen doorsneepremie en met de gebruikelijke
                            premieverdeling tussen werkgever en werknemer worden gerealiseerd. Op
                            dit moment laat het ABP-pensioenreglement dit niet toe. Tot het moment
                            waarop dit wél mogelijk is, heeft de werkgever aan de ambtenaar die
                            gebruikmaakt van de regeling recht op een Vergoeding pensioenpremie, ten
                            laste van de werkgever, die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de
                            ABP-doorsneepremie die vereist is voor 20%pensioenopbouw over de FPU
                            gedurende de periode dat van de regeling gebruik wordt gemaakt. De
                            Vergoeding pensioenpremie kan door de werknemer worden gebruikt om
                            zélf,op basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement,pensioenopbouw
                            te verzekeren. Op grond van artikel 16.3 van het pensioenreglement kan
                            de ambtenaar vier jaar lang 50% pensioenopbouw vrijwillig verzekeren. De
                            premie hiervoor komt volledig voor rekening van de werknemer (waarbij de
                            eerdergenoemde werkgeversbijdrage op de volledige premie in mindering
                            kan worden gebracht). De werknemer is niet verplicht om de
                            werkgeversbijdrage te besteden aan een pensioenvoorziening op grond van
                            artikel 16.3 van het pensioenreglement. Hij kan ook kiezen voor een
                            andere verzekeringsmaatschappij of een ander bestedingsdoel.</al><al>Een voorbeeld. Een ambtenaar treedt op 60-jarige leeftijd volledig uit
                            op grond van de FPU. Dit betekent dat er dan gedurende vijf jaar een
                            volledige FPU-uitkering is, samen met een Aanvulling werkgever. Op grond
                            van dit artikel is er een werkgeverbijdrage in de pensioenopbouw
                            gedurende die vijf jaar die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de
                            doorsneepremie bij 20% pensioenopbouw over die periode. Omdat de
                            verdeling werkgever – werknemer in de doorsneepremie 70% -30% is, komt
                            dus 70% van de benodigde premie voor rekening van de werkgever. Bij een
                            doorsneepremie van bijvoorbeeld 12% zou de werkgeversbijdrage in dit
                            geval dus 12% x 20% x 70% bedragen, derhalve 1,68%. In de situatie dat
                            er sprake is van deeltijd-FPU-ontslag, is de werkgeversbijdrage voor
                            pensioenopbouw over het FPU-deel, uiteraard naar rato van het percentage
                            FPU-ontslag. Bij een FPU-ontslag van 30% en een doorsneepremie van
                            bijvoorbeeld 12% bedraagt de werkgeversbijdrage in het kader van deze
                            regeling dan 0,504% (12% x 20% x 70% x 30%). </al></artikel><artikel><kop><titel>Lokaal beleid (T)</titel></kop><al>Gebruik maken van de FPU Gemeenten is een recht voor de ambtenaar. Op
                            lokaal niveau kan de werkgever het gebruik beïnvloeden door op maat
                            gesneden faciliteiten aan te bieden die een werknemer kan stimuleren dan
                            wel weerhouden om een beroep op de regeling te doen.Te denken valt aan
                            enerzijds scholingsfaciliteiten, taakverlichting en extra verlof of
                            anderzijds een extra financiële prikkel tot FPU-ontslag. Hiervoor is op
                            lokaal niveau 0,1% van de loonsom beschikbaar. Op lokaal niveau wordt
                            een regeling opgesteld op welke wijze de werkgever dit budget kan
                            inzetten. Hierover dient overeenstemming te bestaan in het georganiseerd
                            overleg dan wel de ondernemingsraad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Pensioenopbouw bij afloop loopbaan (T)</titel></kop><al>Dit artikel is de basis voor artikel 3.5 van het pensioenreglement. Het
                            artikel regelt dat bij teruggang in salaris na de leeftijd van 55 jaar
                            de pensioenopbouw gebaseerd blijft op de oude inschaling. Op de oude
                            salarisschaal, die voor de pensioenopbouw van de ambtenaar blijft
                            gelden, wordt de in de CAO afgesproken salarisverhoging toegepast. </al><al>Teruggang in functieschaal en mogelijk ook teruggang in salaris bij
                            afbouw van de loopbaan vanaf 55 jaar wordt, slechts in overleg met de
                            ambtenaar, mogelijk gemaakt door artikel 3:1, lid 7. </al><al>Wanneer een ambtenaar van 55 jaar of ouder in een andere gemeente een
                            functie met een lagere functieschaal betrekt en hierdoor teruggaat in
                            salaris, blijft de grondslag voor de pensioenopbouw slechts dan
                            ongewijzigd als de wisseling van functie voortkomt uit het
                            seniorenbeleid van de oude werkgever. </al><al>Wanneer een ambtenaar in het kader van seniorenbeleid naast het
                            accepteren van een lagere functie ook een (kleinere) deeltijdfactor
                            accepteert, dan wordt de pensioenopbouw naar rato gecontinueerd op basis
                            van de oude salarisschaal. </al><al>Is sprake van afbouw van de loopbaan door vermindering van de formele
                            arbeidsduur, zonder dat sprake is van een nieuwe functie, dan blijft de
                            pensioengrondslag ongewijzigd, omdat voor de ambtenaar geen lagere
                            functieschaal gaat gelden. Artikel 5a:9 is in dat geval niet van
                            toepassing. De gevolgen voor de reeds opgebouwde pensioenrechten zijn in
                            deze situatie niet aanwezig. De pensioengrondslag wijzigt namelijk niet;
                            op de pensioenberekening wordt slechts – voor de laatste jaren – een
                            deeltijdfactor losgelaten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vakantieverlening (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikellid heeft als uitgangspunt dat vakantie op verzoek van de
                                ambtenaar wordt verleend. Anders dan hetgeen in het BW is bepaald,
                                vervallen de aanspraken op niet opgenomen vakantiedagen niet. </al><al>Mede ter voorkoming van verlofstuwmeren kan het college in de
                                algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie (artikel
                                6:2:1, eerste lid) ook aangeven welke gedragslijnen worden
                                gehanteerd wanneer het vakantieverlof van enig jaar niet in zijn
                                geheel is genoten. De mogelijkheid om niet-genoten verlofuren door
                                te schuiven naar een volgend jaar zijn beperkt tot die gevallen
                                zoals genoemd in de artikelen 6:2:4, eerste lid, en 6:2:6 UWO. In
                                het geval dat het dienstbelang zich tegen het verlenen van vakantie
                                verzet en hierdoor de vakantie in dat kalenderjaar geheel of
                                gedeeltelijk niet is toegekend, wordt de niet-genoten vakantie zo
                                veel mogelijk in het eerstvolgend kalenderjaar verleend (artikel
                                6:2:4, eerste lid). Wanneer vakantie niet is verleend op gronden
                                genoemd in artikel 6:2:6 (op verzoek, wegens ziekte of
                                herhalingsoefening militaire dienst), wordt de niet-genoten vakantie
                                in principe toegekend in het volgend kalenderjaar. Op verzoek van de
                                ambtenaar kunnen over het tijdstip van opname ook andere afspraken
                                worden gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Duur vakantie (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het aantal vakantiedagen is vermenigvuldigd met de factor 7,2.</al><al>Indien de ambtenaar is ingeroosterd voor meer of minder dan 7,2 uur
                                per dag, zal het verlof met het aantal ingeroosterde uren waarop de
                                ambtenaar verlof wil genieten, worden verminderd.</al><al>De situatie kan zich voordoen dat een ambtenaar gedurende de weken
                                dat hij voor 42 uren is ingeroosterd, verlof wil. Dit kost de
                                ambtenaar relatief veel verlofuren. Daar tegenover staat dat, als de
                                ambtenaar verlof wil in weken waarbij zijn feitelijke arbeidsduur
                                slechts 30 uur bedraagt, het verlof slechts met relatief minder uren
                                wordt verminderd.</al><al>Indien, als gevolg van verlof in weken met een feitelijke
                                arbeidsduur van 42 uur, de ambtenaar bijvoorbeeld slechts weinig
                                verlofuren resteert, kan het de ambtenaar worden toegestaan om
                                gedurende de weken dat hem een feitelijke arbeidsduur van minder dan
                                36 uur is opgedragen, deze arbeidsduur te realiseren over minder dan
                                vijf dagen waardoor de ambtenaar aaneengesloten vrije tijd kan
                                creëren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op
                                jaarbasis (bij een volledige betrekking) meer te werken dan de
                                maximale arbeidsduur van 1836 uur die uit artikel 4:1 voortvloeit.
                                Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid aantal uren als
                                maximum. Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht op een
                                gelijk aantal extra vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in
                                vóór 1 november (tenzij anders geregeld) in het jaar voorafgaande
                                aan het kalenderjaar waarvoor het verzoek geldt. Niet voor niets is
                                hiervoor de zelfde formulering gekozen als in de artikelen 4a:1,
                                eerste lid, en artikel 4a:2, eerste lid (het verzoek tot verkoop dan
                                wel koop van vakantie-uren). Gelet op de samenhang met het
                                cafetariamodel ligt het voor de hand dat het college bij de
                                toewijzing van de verzoeken rekening houdt met alle mutaties van het
                                verlof, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>extra vakantie-uren op basis van dit artikel;</al></li><li nr="-"><al>verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:1;</al></li><li nr="-"><al>koop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:2.</al></li></lijst><al>Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan
                                worden bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van
                                organisatorische dan wel roostertechnische aard.</al><al>Verder is het ook mogelijk om verlofuren die op grond van artikel
                                3:2:1 het gevolg zijn van de vergoeding van overwerk om te zetten in
                                vakantie-uren. Overigens is dit omzetten niet onbeperkt. De som van
                                het aantal uren op grond van artikel 3:2:1, tweede lid, en het
                                aantal uren op grond van artikel 6:2, tweede lid is maximaal 50,4
                                uren.</al><al>Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren naar rato van de
                                deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zoals vermeld in het
                                derde lid is in ieder geval sprake indien toekenning van het verzoek
                                leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Nadere regels (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>In dit artikellid is aangegeven dat de basisverlofduur voor
                                deeltijders naar rato moet worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij
                                vormt de formele arbeidsduur op jaarbasis. Dit is de arbeidsduur
                                overeenkomstig de aanstelling. De minimale duur van de vakantie voor
                                ambtenaren met een volledige betrekking is vastgelegd in artikel 6:2
                                CAR. Dit betekent dat voor een deeltijder met een formele
                                arbeidsduur van 24 uur per week het aantal verlofuren ten minste
                                24/36 x 158,4 = 105,6 uur per kalenderjaar bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Door middel van een lokale regeling voorziet het college ten aanzien
                                van (een groep) ambtenaren in een vermeerdering van de vakantie op
                                grond van volbrachte diensttijd, bereikte leeftijd dan wel beide.
                                Per extra verlofdag dient het basisverlof voor een voltijder met 7,2
                                uur te worden vermeerderd. Een werknemer met bijvoorbeeld drie
                                leeftijdverlofdagen heeft derhalve 21,6 uur verlof bovenop het
                                basisverlof van ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Bij een
                                deeltijder wordt het extra aantal verlofdagen naar rato
                                vastgesteld.</al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997 (kenmerk ARZ/507630) is
                                het lokale overleg geadviseerd om twee leeftijdverlofdagen voor
                                nieuw indiensttredend personeel te laten vervallen. Ook in het geval
                                dat iemand de ene gemeentelijke werkgever verruilt voor een andere
                                gemeentelijke werkgever vervallen deze leeftijdverlofdagen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Dit artikellid bepaalt dat ambtenaren die op onregelmatige
                                tijdstippen werken en ambtenaren die zich buiten de voor hun
                                betrekking vastgestelde werktijden ter beschikking houden, aanspraak
                                hebben op extra verlof. Voorwaarde hierbij is wel dat het
                                onregelmatige arbeidspatroon van de ambtenaar dan wel de
                                evengenoemde plicht zich beschikbaar te houden, regelmatig en in
                                belangrijke mate geldt.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Dit artikellid geldt voor ambtenaren waarbij de seniorenarbeidsduur
                                is teruggebracht op grond van artikel 5:1 en 5:3 CAR. Bij
                                gebruikmaking van de 56- of 60-jarigenregeling wordt de duur van het
                                basisverlof naar evenredigheid verminderd. Een ambtenaar die
                                gebruikmaakt van de 56-jarigenregeling heeft derhalve aanspraak op
                                4/5 van het basisverlof en een ambtenaar die gebruikmaakt van de
                                60-jarigenregeling heeft aanspraak op de helft van het basisverlof.
                                Bij beide seniorenregelingen komen alle leeftijd- en
                                diensttijdverlofdagen te vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aaneengesloten periode (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit aan de
                                ambtenaar geeft om voor bepaalde gelegenheden verlof op te nemen,
                                mag van de ambtenaar redelijkerwijs worden verwacht dat de werkgever
                                zo vroeg mogelijk op de hoogte wordt gesteld van het voornemen om
                                verlof op deze gronden op te nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                                redenen van afwezigheid (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit artikellid richt zich op ambtenaren die niet gedurende het
                                gehele jaar een betrekking vervullen, bijvoorbeeld ten gevolge van
                                non-activiteit, (on)betaald verlof of schorsing. Vermindering van de
                                duur van de vakantie vindt plaats over het lopende kalenderjaar en
                                eventueel over een volgend kalenderjaar. Ingeval van ziekte en
                                militaire dienst geldt lid 3 van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onder a wordt bepaald dat bij afwezigheid wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de
                                ambtenaar is te wijten, geen vermindering wordt toegepast gedurende
                                de laatste zes maanden van de periode van afwezigheid. Of er een
                                vermindering plaatsvindt, kan pas na afloop van de periode van
                                afwezigheid worden vastgesteld.</al><al>Indien de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem
                                vastgestelde werktijd wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te
                                vervullen (ofwel voor 45% of meer arbeidsgeschikt), dan vindt de
                                vermindering niet plaats. Indien betrokkene gebruikmaakt van een
                                seniorenregeling, moet dit percentage genomen worden van de werktijd
                                zoals die voor hem geldt na toepassing van de seniorenregeling. Dit
                                betekent dat voor een zieke senior wordt uitgegaan van de
                                seniorenarbeidsduur.</al><al>Tijdvakken gedurende welke hieraan wordt voldaan, blijven derhalve
                                buiten beschouwing voor de vermindering. Bovendien wordt bepaald dat
                                de periode van zes maanden opnieuw gaat tellen na een periode van
                                volledig herstel gedurende ten minste vier weken.</al><al>Geadviseerd wordt om de beperking van de vakantieopbouw tijdens
                                ziekte omwille van de eenvoud zodanig toe te passen dat deze
                                vermindering wordt uitgedrukt in maanden. Enkele voorbeelden ter
                                illustratie:</al><lijst><li nr="-"><al>indien betrokkene zeven maanden volledig ziek is, vindt er
                                        gedurende zes maanden vakantieopbouw plaats, 1/12 van het
                                        aantal verlofuren wordt gekort;</al></li><li nr="-"><al>bij een ziekte van vijf maanden, gevolgd door een periode
                                        van vijf maanden gedurende welke sprake is van de
                                        arbeidsgeschiktheid van 50%, vindt gedurende de gehele
                                        periode de volledige vakantieopbouw plaats;</al></li><li nr="-"><al>indien de ziekte negen maanden duurt waarbij gedurende twee
                                        maanden sprake is van arbeidsongeschiktheid van 50%, wordt
                                        het aantal vakantiedagen met 1/12 gekort;</al></li><li nr="-"><al>bij een ziekte van twee maanden, gevolgd door een periode
                                        van volledig herstel gedurende vijf weken waarna een periode
                                        van ziekte volgt van zeven maanden, wordt het aantal
                                        vakantiedagen met 1/12 gekort.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien een ambtenaar wegens ziekte slechts gedeeltelijk werkt,
                                bijvoorbeeld voor halve dagen, en hij in deze periode vakantiedagen
                                wil opnemen, dan gelden deze dagen als volle vakantiedagen, met
                                andere woorden: er dient dan het aantal uren van zijn vakantietegoed
                                te worden afgeschreven alsof de ambtenaar volledig werkt.</al><al>Onder het gedeeltelijk hervatten van werk wordt niet het werken op
                                therapeutische basis verstaan. Therapeutisch werk wordt namelijk
                                gelijkgesteld met ziekte. Indien betrokkene bij therapeutisch werk
                                vakantie wil opnemen, dan behoeft derhalve geen verlof van de
                                verlofkaart te worden afgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de
                                ambtenaar een vergoeding. Het uurloon bedraagt 1/156 van het - voor
                                deeltijders naar een volledige betrekking herberekend - salaris van
                                de ambtenaar per maand (artikel 1:1, eerste lid, sub o van de CAR).
                                Het salaris is het bedrag van de schaal welke aan de ambtenaar is
                                toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit
                                bedrag (zie artikel 3:1, tweede lid onder b CAR).</al><al>Op de vergoedingen worden naast sociale zekerheidspremies,
                                Zvw-bijdragen en loonheffing ook ABP-premies ingehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Niet genoten vakantie wegens dienstbelang (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikellid regelt dat de toekenning van de niet-verleende
                                vakantie om redenen van dienstbelang niet op de lange baan wordt
                                geschoven. De vakantie dient uiterlijk voor het einde van het tweede
                                volgend kalenderjaar te worden verleend. Dit betekent echter niet
                                dat de vakantie na twee jaar is verjaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Intrekking (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikellid bepaalt dat indien op een bepaalde werkdag slechts
                                gedeeltelijk vakantie wordt genoten omdat de verleende vakantie
                                wordt ingetrokken, de genoten vakantie-uren als niet verleend worden
                                beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Alleen de geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van
                                vakantie wordt vergoed, er vindt derhalve geen vergoeding plaats van
                                immateriële schade.</al><al>Bij geldelijke schade kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huur
                                van een vakantiehuisje dat niet betrokken kan worden of de kosten
                                van vliegtickets waar geen gebruik van gemaakt kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Niet verleende vakantie (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het op een van de in dit lid genoemde gronden niet genoten verlof
                                wordt in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de
                                dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen
                                verzetten. Doet zich de situatie niet of niet langer voor, dan kan
                                het nog niet genoten verlof worden geëffectueerd met inachtneming
                                van de beperking zoals verwoord in lid 3.</al><al>Deze bepaling geeft overigens niet de bevoegdheid niet opgenomen
                                verlof-uren te schrappen (met uitzondering van het bepaalde in
                                artikel 6:2:3, tweede lid).</al><al>Het is mogelijk dat een ambtenaar gedurende zijn ziekte een bepaalde
                                tijd doorbrengt buiten zijn woonplaats, zonder dat daartegen uit
                                medisch oogpunt bezwaren bestaan of omdat men daarvan verwacht dat
                                dit een heilzame uitwerking zal hebben.</al><al>Als voorwaarde kan worden gesteld dat de ambtenaar moet kunnen
                                aantonen, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de
                                behandelend of controlerend arts, dat hij gedurende die periode nog
                                niet genezen was en dat er uit medisch oogpunt geen bezwaren
                                bestonden tegen zijn afwezigheid dan wel dat er een heilzame
                                uitwerking werd verwacht.</al><al>Er wordt tijdens deze periode geen verlof opgenomen. Gedurende
                                ziekte geniet de ambtenaar namelijk ziekteverlof gedurende welke
                                niet nog eens verlof uit andere hoofde kan worden opgenomen.</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte slechts een gedeelte van zijn
                                arbeid kan verrichten en vakantie opneemt, geldt artikel 6:2:3,
                                vierde lid.</al><al>Indien het aantal naar een volgend kalenderjaar over te boeken
                                verlofuren slechts een gering aantal betreft - het college dient dan
                                in een besluit te bepalen hoeveel - kan een verzoek tot overboeking
                                achterwege blijven. Het overboeken geschiedt dan automatisch.
                                Daarbij kan het college tevens stipuleren dat dit aantal verlofdagen
                                vóór een bepaalde datum moet worden opgenomen. Het spreekt vanzelf
                                dat over een dergelijke nadere regelgeving plaatselijk overleg dient
                                te worden gevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit artikellid heeft betrekking op situaties dat de ambtenaar ziek
                                wordt tijdens zijn vakantie. Het aannemelijk maken kan bestaan uit
                                het overleggen van een verklaring van een arts of van een op
                                verleende geneeskundige hulp betrekking hebbende rekening. De
                                ambtenaar moet zich zo spoedig mogelijk ziek melden. Indien het
                                onmogelijk is dit bij aanvang van de ziekte te doen, is het
                                voldoende dat hij achteraf aantoont dat hij ziek was.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit artikellid vormt een beperking op de mogelijkheid van het
                                opnemen van het op grond van lid 1 naar een volgend kalenderjaar
                                overgeboekt vakantieverlof. Een ambtenaar met bijvoorbeeld recht op
                                187,2 uren vakantieverlof kan, wanneer op zijn verzoek dit verlof in
                                zijn geheel wordt overgeboekt naar een volgend kalenderjaar, nooit
                                meer dan 1,5 x 187,2 = 280,8 uur verlof opnemen (tenzij op verzoek
                                van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist). De dan nog
                                resterende verlofuren worden vervolgens naar het volgende
                                kalenderjaar doorgeschoven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aanspraak vakantietoelage (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het eerste lid bepaalt dat de ambtenaar geen aanspraak heeft op
                                vakantietoelage gedurende de periode dat betrokkene geen aanspraak
                                heeft op bezoldiging (bijvoorbeeld tijdens een periode van
                                non-activiteit). Voor de berekening van een evenredig deel van de
                                vakantietoelage wordt de maand gesteld op 30 dagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de vakantietoelage per
                                kalendermaand wordt berekend over de in die maand geldende
                                bezoldiging. De omschrijving van het begrip bezoldiging in artikel
                                3:1, tweede lid, onderdeel c, leidt ertoe dat ook over de in de
                                bezoldigingsregeling genoemde toelagen vakantietoelage berekend
                                dient worden. Een onkostenvergoeding wordt niet gerekend tot de
                                toelagen. De minimum vakantietoelage bedraagt € 146,65 per
                                maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Uitbetaling vakantietoelage (T)</titel></kop><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit artikellid bepaalt onder andere dat indien een deel van de
                                bezoldiging wordt ingehouden in geval van een disciplinaire
                                maatregel of een schorsing, over deze periode geen vakantietoeslag
                                wordt uitbetaald. Voorwaarde is wel dat dit expliciet bij de
                                strafoplegging of schorsing is bepaald. Is dat niet dat geval, dan
                                ontvangt betrokkene een vakantietoeslag over dat deel van de
                                bezoldiging dat niet is ingehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Buitengewoon verlof (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Algemeen</cursief> De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1
                                december 2001 in werking getreden (Stb. 2001, 567) en is van
                                toepassing op werknemers en ambtenaren. Het doel van de Waz is
                                werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen betaald werk
                                te combineren met zorgtaken. In de Waz zijn daarom regels gesteld
                                omtrent diverse vormen van verlof, zoals calamiteiten- en
                                kortverzuimverlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof, verlof bij
                                adoptie en pleegzorg, kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend
                                zorgverlof. De bepalingen van de Waz zijn niet opgenomen in de CAR
                                en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                                toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen
                                die aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende
                                aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de
                                regeling een bepaling uit de Waz overgenomen. </al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In het eerste lid is, onder verwijzing naar de Waz, geregeld dat de
                                ambtenaar die calamiteiten-, ander kort verzuim- of kraamverlof
                                geniet, aanspraak heeft op doorbetaling van zijn bezoldiging.</al><al><cursief>Calamiteiten- en ander kortverzuimverlof</cursief>De
                                ambtenaar heeft op grond van de Waz recht op calamiteiten- en ander
                                kort verzuimverlof wanneer hij zijn arbeid niet kan verrichten
                                wegens:</al><lijst><li nr="a"><al>zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden;</al></li><li nr="b"><al>een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding,
                                        opgelegde verplichting, waarvan de invulling niet in zijn
                                        vrije tijd kon plaatsvinden;</al></li><li nr="c"><al>de uitoefening van het actief kiesrecht.</al></li></lijst><al>Ad a In de Waz is bepaald dat onder zeer bijzondere persoonlijke
                                omstandigheden in elk geval begrepen worden:</al><lijst><li nr="-"><al>de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner of
                                        de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;</al></li><li nr="-"><al>het overlijden en de lijkbezorging van een van zijn
                                        huisgenoten of een van zijn bloed- en aanverwanten in de
                                        rechte lijn en in de tweede graad van de zijlijn.</al></li></lijst><al>Deze opsomming is niet limitatief. Dit betekent dat onder zeer
                                bijzondere persoonlijke omstandigheden ook andere gebeurtenissen
                                kunnen worden begrepen. Een voorbeeld hiervan is plotselinge ziekte
                                van kinderen. </al><al>Ad b Hierbij kan worden gedacht aan het doen van aangifte van
                                geboorte of overlijden. </al><al><cursief>Kraamverlof</cursief>De ambtenaar heeft op grond van de Waz
                                na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de
                                persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het
                                kind erkent, recht op twee dagen verlof op dagen waarop hij
                                gewoonlijk arbeid pleegt te verrichten. Het recht op verlof bestaat
                                gedurende een tijdvak van vier weken. Dit tijdvak gaat in vanaf de
                                eerste dag dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de moeder
                                woont. De twee dagen kraamverlof hoeven niet aaneensluitend
                                opgenomen te worden.</al><al><cursief>Meldingsprocedure</cursief>In de Waz is een regeling
                                getroffen inzake de meldingsverplichting van de ambtenaar bij opname
                                van calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof. De
                                ambtenaar moet voordat hij calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
                                of kraamverlof wil opnemen de werkgever melden dát hij verlof wil
                                opnemen en waarom hij verlof wil opnemen. In geval van acute
                                noodsituaties zal dit niet altijd mogelijk zijn; in die gevallen
                                meldt de werknemer het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk
                                aan de werkgever, onder opgave van redenen. De werkgever mag
                                achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat
                                hij zijn arbeid niet heeft kunnen verrichten vanwege een calamiteit
                                of een situatie die noodzaakte tot kort verzuim of het opnemen van
                                kraamverlof. </al><al><cursief>Samenloop van calamiteiten- en kort verzuimverlof met
                                    kraamverlof</cursief>De bevalling van de partner levert een
                                grond op om kort verzuimverlof op te nemen. In beginsel zal het
                                verlof dan één dag bedragen. De ambtenaar kan dan eventueel
                                aansluitend twee dagen kraamverlof opnemen.</al><al><cursief>Samenloop van calamiteiten- en kort verzuimverlof met
                                    kortdurend zorgverlof</cursief>De Waz regelt niet precies de
                                duur van het calamiteiten – en ander kort verzuimverlof, maar
                                bepaalt dat het gaat om een korte naar billijkheid te berekenen
                                tijd. Daarom heeft de wetgever het noodzakelijk geacht om een
                                regeling te treffen over samenloop tussen de diverse verlofvormen.
                                Het is immers mogelijk dat een situatie zowel voldoet aan de
                                voorwaarden voor calamiteitenverlof als aan de voorwaarden voor
                                kortdurend zorgverlof. In dat geval zou het voor de ambtenaar
                                aantrekkelijk kunnen zijn om voor calamiteitenverlof te kiezen omdat
                                dit verlof verleend wordt met behoud van de volledige bezoldiging.
                                In artikel 5:8 Waz is daarom bepaald dat indien zowel is voldaan aan
                                de voorwaarden voor het calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden
                                voor het kortdurend zorgverlof, het calamiteitenverlof na één dag
                                eindigt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het tweede lid bepaalt dat een nadere regeling vastgesteld dient te
                                worden, inzake de mogelijkheid in andere dan in het eerde lid
                                genoemde gevallen buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging te
                                verlenen. De UWO bevat een dergelijke regeling (artikel 6:4:1).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het derde lid stelt dat er ook een regeling getroffen dient te
                                worden die aanspraak op vakbondsverlof regelt (artikel 6:4:2).</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het geval er tijdens non-activiteit elders pensioen wordt
                                opgebouwd, is het verhaal van de VUT-fonds-premie zowel het
                                werkgevers- als het werknemersaandeel. Omdat er elders pensioen
                                wordt opgebouwd, vindt er géén verhaal plaats van ABP-ouderdoms- en
                                ABP-nabestaandenpensioenpremie. Omdat betrokkene verzekerd blijft
                                voor de bovenwettelijke IP-regeling, blijft de volledige
                                invaliditeitspensioenpremie verschuldigd. Bij het verhaal van deze
                                premie wordt er van uitgegaan alsof er géén verlof is.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18437.pdf">pdf57</extref></al></entry><entry colname="col2"><al>Overzicht graden van bloed- en
                                                  aanverwantschap</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel><artikel><kop><titel>Buitengewoon verlof (T)</titel></kop><al>Onder huwelijksdag wordt verstaan de dag dat het burgerlijk huwelijk
                            wordt voltrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Langdurend zorgverlof (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet> Op 1 juni 2005 is de Wet
                                arbeid en zorg gewijzigd in verband met het tot stand brengen van
                                een recht op langdurend zorgverlof (Stb. 2005, 275). De Waz is van
                                toepassing op werknemers en op ambtenaren.</al><al>De ambtenaar heeft recht op langdurend zorgverlof voor de verzorging
                                van de volgende naasten:</al><lijst><li nr="a"><al>de echtgenoot, de geregistreerde partner, of de persoon met
                                        wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont;</al></li><li nr="b"><al>het eigen kind, een kind van de onder a genoemde personen,
                                        een pleegkind als bedoeld in 5:1 lid 1, onderdeel d van de
                                        Waz; </al></li><li nr="c"><al>een bloedverwant in de eerste graad van de ambtenaar.</al></li></lijst><al>Er is recht op langdurig zorgverlof ingeval de naaste voor wie
                                gezorgd wordt levensbedreigend ziek is. Hieronder wordt verstaan dat
                                het leven van de naaste op korte termijn ernstig in gevaar is.</al><al>Het recht op langdurend zorgverlof bedraagt in elke
                                achtereenvolgende periode van 12 kalendermaanden maximaal zes maal
                                de arbeidsduur per week. De standaardvorm voor langdurend zorgverlof
                                is dat de werknemer gedurende 12 weken verlof opneemt voor de helft
                                van zijn betrekking. De ambtenaar kan de werkgever verzoeken om meer
                                verlof per week op te nemen gedurende minder dan 12 weken. Ook is
                                spreiding van het verlof over meer weken mogelijk; hieraan is een
                                maximum verbonden van 18 weken.</al><al>De Waz bepaalt dat de aanvraag voor het verlof tenminste twee weken
                                voor de beoogde ingangsdatum schriftelijk ingediend moet worden. De
                                ambtenaar geeft hierbij aan wat de reden van het verzoek om verlof
                                is en voor wie gezorgd zal gaan worden. Bij de verlofaanvraag geeft
                                de ambtenaar ook aan hoe hij het verlof wil opnemen en wat de
                                ingangsdatum is.</al><al>De werkgever moet uiterlijk een week voor de beoogde ingangsdatum
                                van het verlof op het verzoek beslissen; laat de werkgever dit na
                                dan gaat het verlof in op de door de ambtenaar aangevraagde wijze.
                                De werkgever kan het langdurend zorgverlof weigeren ingeval van
                                zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang dat het belang van de
                                ambenaar daarvoor op grond van redelijkheid en billijkheid moet
                                wijken. Zo die situatie zich voordoet moet de werkgever in overleg
                                treden met de ambtenaar; zodoende kan bezien worden of een andere
                                invulling van het langdurig zorgverlof tot de mogelijkheden
                                behoort.</al><al>Het verlof eindigt door het verstrijken van de periode waarvoor het
                                verlof is verleend. Indien de naaste tijdens het verlof overlijdt of
                                niet meer levensbedreigend ziek is, eindigt het verlof de dag
                                volgend op de dag waarop deze omstandigheid zich heeft
                                voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het wettelijk recht op langdurend zorgverlof is onbetaald. In dit
                                lid is geregeld dat de ambtenaar recht heeft op doorbetaling van 50%
                                van zijn bezoldiging over de uren dat hij langdurend zorverlof
                                geniet. Het inkomen gedurende het langdurend zorgverlof kan worden
                                aangevuld met het opgebouwde spaartegoed uit de levensloopregeling.
                                De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6a.</al></lid><lid><lidnr>2 tot en met 7</lidnr><al> Ten aanzien van de opbouw van vakantie-uren en vakantietoelage
                                geldt een vergelijkbare regeling als bij het ouderschapsverlof.
                                Ziekte schort het langdurend zorgverlof niet op. Ingeval van
                                samenloop tussen langdurend zorgverlof en ziekte heeft de ambtenaar
                                na 7 kalenderdagen ziekte aanspraak op zijn volledige bezoldiging,
                                wordt de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd en vindt
                                de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de
                                volledige bezoldiging. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vakbondsverlof (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zie lid 5 ten aanzien van het maximum van het verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om aan 'kaderleden' van de
                                vakverenigingen van ambtenaren verloffaciliteiten te verlenen. De
                                vakverenigingen zelf bepalen wie er kaderlid is. Om van de
                                verloffaciliteiten gebruik te kunnen maken, is het dus noodzakelijk
                                dat de ambtenaar door de bond waarbij hij is aangesloten aangewezen
                                is als kaderlid. De werkgever kan verlangen dat door middel van
                                verslagen of uitnodigingen verantwoording wordt afgelegd over het
                                verlof.</al><al>Er is een maximum verbonden aan het verlof, zie ook lid 4 en 5.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Er wordt alleen verlof verleend voor de voorvergadering en de
                                vergadering zelf. Voor de voorbereiding van de vergadering en
                                werkzaamheden ten gevolge van de vergadering wordt geen verlof
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Aangezien het hier een regeling betreft met maximumaanspraken, zal
                                het nodig zijn dat in goed overleg met de vakorganisaties
                                plaatselijk in de uitvoeringsregeling inhoud wordt gegeven aan het
                                verlenen van het bijzonder verlof. Hierbij ligt het in de rede dat
                                rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden, zoals de
                                gemeentegrootte, de personeelsbezetting, het aantal in de
                                vakorganisaties actieve leden etc. Een nadere regeling kan
                                bijvoorbeeld voorkomen dat steeds (terecht of onterecht) bijzonder
                                verlof wordt geweigerd op grond van het dienstbelang.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Kortdurend zorgverlof (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen</vet> De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1 december
                                2001 in werking getreden (Stb. 2001, 567) en is van toepassing op
                                werknemers en ambtenaren. Het doel van de Waz is werknemers en
                                ambtenaren in de gelegenheid te stellen betaald werk te combineren
                                met zorgtaken. In de Waz zijn daarom regels gesteld omtrent diverse
                                vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kortverzuimverlof,
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof, verlof bij adoptie en pleegzorg,
                                kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend zorgverlof. De
                                bepalingen van de Waz zijn niet opgenomen in de CAR en de UWO; dit
                                is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van toepassing is op
                                gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die
                                aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende
                                aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de
                                regeling een bepaling uit de Waz overgenomen.</al><al>De ambtenaar heeft op grond van de Waz recht op kortdurend
                                zorgverlof wanneer hij genoodzaakt is om voor een zieke naaste te
                                zorgen. Recht op kortdurend zorgverlof bestaat voor de volgende
                                personen:</al><lijst><li nr="-"><al>de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met
                                        wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont;</al></li><li nr="-"><al>een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een
                                        familierechtelijke betrekking staat;</al></li><li nr="-"><al>een inwonend kind van de echtgenoot, de geregistreerde
                                        partner of de persoon met wie de partner ongehuwd
                                        samenwoont;</al></li><li nr="-"><al>een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
                                        basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar
                                        en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en
                                        opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in
                                        artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening;</al></li><li nr="-"><al>een bloedverwant in de eerste graad, niet zijnde een
                                        kind.</al></li></lijst><al><cursief>Meldingprocedure</cursief> In de Waz is een regeling
                                getroffen inzake de meldingsverplichting van de ambtenaar bij opname
                                van kortdurend zorgverlof. De ambtenaar moet voordat hij kortdurend
                                zorgverlof wil opnemen de werkgever melden dát hij verlof wil
                                opnemen en waarom hij verlof wil opnemen. In geval van acute
                                noodsituaties zal dit niet altijd mogelijk zijn; in die gevallen
                                meldt de werknemer het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk
                                aan de werkgever, onder opgave van redenen. De werkgever mag
                                achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat
                                hij zijn arbeid niet heeft kunnen verrichten in verband met de
                                noodzakelijke verzorging van een persoon genoemd in de Waz.</al><al>Op grond van de Waz kunnen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen
                                voor de werkgever reden zijn om het kortdurend zorgverlof te
                                beëindigen of niet te doen aanvangen. Een werkgever mag dit argument
                                niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient
                                zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor
                                naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te
                                wijken.</al><al><cursief>Samenloop met andere verlofvormen</cursief> De wetgever
                                heeft het noodzakelijk geacht om een regeling te treffen over
                                samenloop tussen de diverse verlofvormen. Het is immers mogelijk dat
                                een situatie zowel voldoet aan de voorwaarden voor
                                calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor kortdurend
                                zorgverlof. In dat geval zou het voor de ambtenaar aantrekkelijk
                                kunnen zijn om voor calamiteitenverlof te kiezen omdat dit verlof
                                verleend wordt met behoud van de volledige bezoldiging. In artikel
                                5:8 Waz is daarom bepaald dat indien zowel is voldaan aan de
                                voorwaarden voor het calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor
                                het kortdurend zorgverlof, het calamiteitenverlof na één dag
                                eindigt.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In het eerste lid is bepaald dat een ambtenaar met een volledige
                                betrekking ten hoogste 72 uur zorgverlof per jaar kan opnemen. Dit
                                betekent dat ook de ambtenaar wiens aanstelling op grond van artikel
                                2:7a verruimd is naar maximaal 40 uur per week maximaal 72 uur per
                                kalenderjaar zorgverlof kan opnemen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het tweede lid is bepaald dat het recht op kortdurend zorgverlof
                                van de ambtenaar met een betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per
                                week, naar evenredigheid wordt verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3 en 4</lidnr><al> In de leden 3 en 4 is geregeld dat het kortdurend zorgverlof voor
                                de helft voor rekening van de ambtenaar en voor de helft voor
                                rekening van de werkgever komt. Voor de verrekening van het verlof
                                kan worden gedacht aan de inlevering van regulier verlof, verlof in
                                verband met de toepassing van het cafetariamodel en verlof dat is
                                opgebouwd in het kader van de verlofspaarregeling. Ook kan de
                                mogelijkheid worden geboden om het verlof op een later moment in te
                                halen. In geval van ernstige ziekte is artikel 6:4:1 eerste lid,
                                onderdeel a van toepassing. Het college bepaalt in overleg met de
                                ambtenaar hoe de verrekening van het verlof zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Non-activiteit (T)</titel></kop><al>Ten aanzien van afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof
                            zoals bedoeld in dit artikellid wordt verwezen naar de toelichting bij
                            artikel 6:4, vierde lid van de CAR. </al></artikel><artikel><kop><titel>Overige redenen buitengewoon verlof (T)</titel></kop><al>Het is aan de gemeente om invulling te geven aan dit artikel. Het kan
                            bijvoorbeeld gaan om verlof wanneer het langdurend zorgverlof niet
                            toereikend blijkt te zijn (zie daarvoor ook artikel 6:4:1a) of om verlof
                            om het overlijden van een verwant te verwerken (rouwverlof). </al><al>Het verlof kan met behoud van gehele of gedeeltelijke bezoldiging worden
                            verleend. Wanneer er sprake is van een gedeeltelijke doorbetaling van de
                            bezoldiging kan het inkomen worden aangevuld met het opgebouwde
                            spaartegoed uit de levensloopregeling. De voorwaarden hiervoor zijn
                            opgenomen in hoofdstuk 6a. </al></artikel><artikel><kop><titel>Overige redenen buitengewoon verlof (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het
                                verlof zoals bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar de
                                toelichting bij artikel 6:10, vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ouderschapsverlof (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Algemeen</cursief> De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1
                                december 2001 in werking getreden (Stb. 2001, 567) en is van
                                toepassing op werknemers en ambtenaren. Het doel van de Waz is
                                werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen betaald werk
                                te combineren met zorgtaken. In de Waz zijn daarom regels gesteld
                                omtrent diverse vormen van verlof, zoals calamiteiten- en
                                kortverzuimverlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof, verlof bij
                                adoptie en pleegzorg, kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend
                                zorgverlof. De bepalingen van de Waz zijn niet opgenomen in de CAR
                                en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                                toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen
                                die aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende
                                aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de
                                regeling een bepaling uit de Waz overgenomen.</al><al>In dit artikel is opgenomen dat een ambtenaar, die ouderschapsverlof
                                geniet op grond van de Waz, recht heeft op een gedeeltelijke
                                doorbetaling van zijn bezoldiging over ten hoogste 13 maal de
                                formele arbeidsduur per week. Deze regeling geldt voor die gemeenten
                                waarin lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof vastgesteld is
                                of wordt of wanneer een regeling betaald ouderschapsverlof gewijzigd
                                wordt. </al><al>Hieronder wordt het recht op ouderschapsverlof volgens de Waz
                                toegelicht.</al><al><cursief>Werkingssfeer</cursief> Op grond van de Waz hebben ouders
                                recht op ouderschapsverlof voor kinderen onder de leeftijd van acht
                                jaar tot wie zij in een familierechtelijke betrekking staan of die
                                zij als hun eigen kind opvoeden en verzorgen en dat blijkens een
                                verklaring uit het bevolkingsregister op hetzelfde adres als de
                                ambtenaar woont. Voor de bepaling of de werknemer op hetzelfde adres
                                woont als het kind geldt het moment van ingang van het verlof
                                (artikel 6:1, lid 2, Waz). Ingeval bijvoorbeeld de werknemer
                                gedurende de verlofperiode verhuist en daardoor niet meer op
                                hetzelfde adres als het kind woont, heeft dit geen consequenties
                                voor het resterende verlofrecht: het verlof loopt dan gewoon door.
                                Indien het kind door gescheiden ouders gezamenlijk, maar apart,
                                wordt opgevoed, bestaat er eveneens recht op ouderschapsverlof.
                                Beide ouders staan immers in een familierechtelijke betrekking tot
                                het kind. De vereiste dat het verlof dient te zijn genoten voor het
                                kind de leeftijd van acht jaar heeft bereikt, heeft betrekking op de
                                gehele verlofperiode. Indien het kind op het moment van ingang van
                                het verlof bijvoorbeeld zeven jaar en negen maanden is, kan slechts
                                drie maanden verlof worden genoten. Het verlof vervalt dan zodra het
                                kind acht jaar is geworden (artikel 6:4 Waz).</al><al>Voordat de ambtenaar ouderschapsverlof kan opnemen, moet hij
                                tenminste een jaar in dienst zijn bij de gemeente (artikel 6:3 lid 1
                                Waz). Heeft de ambtenaar verschillende keren op tijdelijke basis bij
                                dezelfde gemeente gewerkt, dan worden deze perioden bij elkaar
                                opgeteld, voorzover zij elkaar met onderbrekingen van niet meer dan
                                drie maanden opvolgen. Hetzelfde geldt indien de ambtenaar
                                voorafgaande aan zijn indiensttreding voor dezelfde gemeente op
                                uitzend- of detacheringsbasis gewerkt heeft; deze perioden worden
                                meegeteld voor de berekening van de periode van 1 jaar, voorzover er
                                geen sprake is van een onderbreking van meer dan drie maanden.</al><al><cursief>Intrekking of wijziging aanvraag</cursief> Een ambtenaar
                                kan verzoeken het aangevraagde ouderschapsverlof niet op te nemen
                                dan wel niet voort te zetten (artikel 6:6 Waz). Het college kan een
                                dergelijk verzoek afwijzen als zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang
                                zich hiertegen verzet. Aan een dergelijk verzoek hoeft niet eerder
                                gevolg te worden gegeven dan vier weken na het verzoek. Als het
                                ouderschapsverlof is opgedeeld in meerdere perioden dan geldt dit
                                voor elke afzonderlijke periode. De CAR/UWO regelt echter expliciet
                                dat er bij ziekte geen sprake is van opschorting van het
                                ouderschapsverlof (artikel 6:5:3, eerste lid). De aanvraag van de
                                ambtenaar om wijziging van de aanvraag om die reden, kan worden
                                afgewezen.</al><al><cursief>Nieuwe werkgever</cursief> In de situatie dat een werknemer
                                bij de oude werkgever het ouderschapsverlof heeft gesplitst en de
                                arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat het totale verlof is
                                genoten, heeft de werknemer, als hij een nieuwe arbeidsovereenkomst
                                of aanstelling aangaat, tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op
                                het resterende deel van het verlof dat hij nog niet heeft genoten
                                bij zijn vorige werkgever. Het komt erop neer dat indien de oude
                                werkgever heeft ingestemd met een splitsing van het verlof en de
                                nieuwe werkgever daaraan is gebonden. Wanneer een medewerker van
                                werkgever verandert moet hij eerst een jaar in dienst zijn alvorens
                                hij aanspraak kan maken op het resterende deel van het
                                ouderschapsverlof (artikel 6:3 lid 1 Waz).</al></lid><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al>De ambtenaar die werkzaam is bij een gemeente met een regeling
                                betaald ouderschapsverlof en die op grond van de Waz
                                ouderschapsverlof opneemt, heeft recht op doorbetaling van een
                                percentage van zijn bezoldiging over dit verlof gedurende ten
                                hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week. De doorbetaling
                                bedraagt het in het tweede lid aangegeven percentage van de
                                bezoldiging minus het bedrag van de fiscale tegemoetkoming van de
                                Belastingsdienst waarop de ambtenaar, voor de uren waarvoor hij
                                betaald ouderschapsverlof krijgt, aanspraak kan maken. Met deze
                                fiscale tegemoetkoming wordt de zogeheten ouderschapsverlofkorting
                                bedoeld. Bij het vaststellen van het bedrag dat de werkgever moet
                                doorbetalen over de uren ouderschapsverlof wordt ervan uitgegaan dat
                                de ambtenaar over deze uren het maximale uurbedrag aan
                                ouderschapsverlofkorting krijgt van de Belastingdienst. Of hij dit
                                maximale bedrag daadwerkelijk krijgt, doet niet ter zake.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerker werkt fulltime (36 uur),
                                heeft maandelijks recht op een bezoldiging van € 2500 en is
                                ingeschaald in schaal 9. Deze medewerker neemt gedurende een periode
                                van één jaar (van 1 januari tot en met 31 december), 18 uur per week
                                ouderschapsverlof op. De medewerker kiest ervoor om de eerste 26
                                weken betaald ouderschapsverlof te genieten en de tweede periode van
                                26 weken onbetaald ouderschapsverlof.</al><al><onderstreept>Ouderschapsverlofkorting</onderstreept> Deze
                                medewerker neemt 52 weken x 18 uur = 936 uur ouderschapsverlof op.
                                Per uur ouderschapsverlof ontvangt deze medewerker maximaal € 3,99
                                ouderschapsverlofkorting. Van de Belastingdienst ontvangt deze
                                medewerker over 936 uur ouderschapsverlof x € 3,99 = € 3734,64. Dit
                                is 311,22 per maand.</al><al><onderstreept>Gedeeltelijk betaald versus onbetaald
                                    verlof</onderstreept> Deze medewerker neemt 936 uur
                                ouderschapsverlof op. Gedurende de eerste 26 weken bestaat recht op
                                50% van de bezoldiging. Over de laatste 26 weken van het jaar
                                bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging.</al><al><onderstreept>Berekening doorbetaling van de bezoldiging tijdens de
                                    periode van gedeeltelijk betaald
                                    ouderschapsverlof</onderstreept>Deze medewerker ontvangt van
                                zijn werkgever tijdens de periode van betaald ouderschapsverlof
                                maandelijks: 50% (18 uur) van € 2500 = € 1250 50% x 50% (18 uur
                                ouderschapsverlof) van € 2500 = € 625 Over de dag ouderschapsverlof
                                krijgt deze medewerker de helft doorbetaald omdat hij is ingeschaald
                                in schaal 9. Dit betekent dat de medewerker voor deze 18 uur
                                maximaal € 625 ontvangt. Hiervan ontvangt de medewerker van zijn
                                werkgever: € 625 - € 311,22 (ouderschapsverlofkorting) = €
                                313,78.</al><al>In totaal ontvangt deze medewerker van zijn werkgever: € 1250 +
                                313,78 = € 1563,78. Wanneer deze medewerker ook het maximale
                                uurbedrag aan ouderschapsverlofkorting van de Belastingdienst
                                krijgt, ontvangt hij in totaal: € 1573,92 + € 311,22 = € 1875.</al><al><onderstreept>Berekening doorbetaling van de bezoldiging tijdens de
                                    periode van onbetaald ouderschapsverlof</onderstreept> Deze
                                medewerker ontvangt van zijn werkgever tijdens de periode van
                                onbetaald ouderschapsverlof maandelijks: 50% (18 uur) van € 2500 = €
                                1250 Over 50% (18 uur ouderschapsverlof) is er sprake van onbetaald
                                verlof.</al><al>Wanneer deze medewerker ook het maximale uurbedrag aan
                                ouderschapsverlofkorting van de Belastingdienst krijgt (311,22 per
                                maand) ontvangt deze medewerker in totaal € 1250 (van zijn
                                werkgever) en € 311,22 (ouderschapsverlofkorting) = € 1561,22.</al><al>De berekening in dit voorbeeld is gebaseerd op het bedrag van de
                                ouderschapsverlofkorting zoals dat geldt op 1 januari 2009. Dit
                                bedrag en daarmee de berekening in dit voorbeeld kan aan verandering
                                onderhevig zijn door een wijziging van de fiscale regelgeving.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Voorwaarden (T)</titel></kop><al>Dit artikel schrijft voor dat de ambtenaar de wens tot het opnemen van
                            het verlof tijdig aan de werkgever kenbaar moet maken: minimaal drie
                            maanden vóór de geplande ingangsdatum. Als een ambtenaar ervoor kiest om
                            het verlof op te knippen in verschillende perioden dan zal hij ook
                            telkens drie maanden van te voren moeten melden dat hij weer een deel
                            van zijn verlof wenst op te nemen. Uiteraard kunnen deze perioden ook
                            vooraf vastgelegd worden, aan de driemaandentermijn is dan bij de eerste
                            verlofaanvraag al voldaan. De ambtenaar kan het verlof pas genieten
                            nadat drie maanden na de voorgeschreven melding zijn verstreken. Vanwege
                            de organisatorische gevolgen van het opnemen van ouderschapsverlof is
                            bepaald dat de melding via een aanvraagformulier dient te geschieden.
                            Deze meldingsprocedure is opgenomen met het oog op het goed functioneren
                            van de arbeidsorganisatie. De gemeente heeft op deze wijze de
                            gelegenheid tijdig de nodige voorzieningen te treffen in verband met de
                            tijdelijke (gedeeltelijke) afwezigheid van de ambtenaar.</al><al>Als de ambtenaar het ouderschapsverlof wil koppelen aan het einde van
                            het bevallingsverlof, dan mag de precieze ingangsdatum in het midden
                            gelaten worden, totdat duidelijkheid bestaat over het moment dat het
                            bevallingsverlof eindigt.</al><al><cursief>Vaderschapsverlof</cursief> Door gebruik te maken van de
                            mogelijkheid om het ouderschapsverlof te knippen kan voorzien worden in
                            de behoefte van veel vaders om rondom de geboorte van hun kind korte of
                            langere tijd verlof op te nemen. De ingangsdatum van het verlof kan
                            gekoppeld worden aan de datum van de bevalling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Meerlingen (T)</titel></kop><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op
                            betaald ouderschapsverlof. Voor de overige kinderen van de twee- of
                            meerling geldt wel het recht op ouderschapsverlof volgens de Waz, doch
                            zonder doorbetaling van de bezoldiging. Voor het ouderschapsverlof van
                            de overige kinderen zijn de bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4
                            en 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ziekte (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit artikellid bepaalt dat bij ziekte geen opschorting van het
                                ouderschapsverlof plaatsvindt. Hierbij wordt geen onderscheid
                                gemaakt tussen gehele of gedeeltelijke ziekte. Ook wordt geen
                                onderscheid gemaakt tussen betaald en onbetaald
                                ouderschapsverlof.</al><al>Als de ambtenaar zwangerschaps-, bevallingsverlof of adoptieverlof
                                op wil nemen en de periode van dit verlof valt samen met het
                                ouderschapsverlof, dan kan het ouderschapsverlof wel worden
                                opgeschort. De ambtenaar moet hiervoor een verzoek indienen. Het
                                college kan dit verzoek alleen afwijzen, indien een zwaarwegend
                                bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet (artikel 6:6 Waz).
                                De ambtenaar mag dan het onderbroken ouderschapsverlof op een latere
                                datum opnemen. Hij blijft dus recht houden op (het resterende)
                                ouderschapsverlof.</al><al>Als de ambtenaar het ouderschapsverlof om een andere reden dan
                                zwangerschap, bevalling of adoptie stopzet of onderbreekt, vervalt
                                het recht op de rest van het verlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit artikel heeft enkel betrekking op de betaling van bezoldiging
                                in geval van ziekte. Indien de ambtenaar langdurig ziek is, wordt de
                                korting van de bezoldiging vanaf de vijftiende kalenderdag
                                beëindigd. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen gehele of
                                gedeeltelijke ziekte. Het ouderschapsverlof schort echter niet op
                                (zie lid 1).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Opbouw vakantie en vakantie-toelage (T)</titel></kop><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al> De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof
                                plaats overeenkomstig de omvang en de duur van dit verlof. Geniet de
                                ambtenaar bijvoorbeeld ouderschapsverlof gedurende zes maanden voor
                                de helft van zijn arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1
                                november, dan heeft betrokkene tot en met april recht op volledig
                                verlof (4/12 x verlofaanspraak op jaarbasis), van mei tot november
                                een halve verlofopbouw (6/12 x verlofaanspraak op jaarbasis x 0,5)
                                en in november en december weer een gehele verlofopbouw (2/12 x
                                verlofaanspraak op jaarbasis).Een uitzondering wordt gemaakt voor
                                die gevallen dat het ouderschapsverlof wordt genoten en de ambtenaar
                                ziek wordt. Indien deze ziekteperiode langer duurt dan 14
                                kalenderdagen, wordt de korting van het vakantieverlof beëindigd en
                                vindt derhalve vanaf de vijftiende kalenderdag weer volledige opbouw
                                van het vakantieverlof plaats (artikel 6:5:4, tweede lid).</al></lid><lid><lidnr>3 en 4</lidnr><al>Lid 3 bepaalt dat de opbouw van de vakantietoelage tijdens
                                ouderschapsverlof plaatsvindt op basis van de bezoldiging, die
                                tijdens het ouderschapsverlof wordt doorbetaald. Bij betaald
                                ouderschapsverlof wordt dus gedeeltelijk vakantietoelage opgebouwd.
                                Bij onbetaald ouderschapsverlof wordt geen vakantietoelage
                                opgebouwd.</al><al>Wanneer sprake is van ziekte gedurende het ouderschapsverlof en deze
                                ziekte duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt de korting van de
                                bezoldiging beëindigd en vindt derhalve vanaf de vijftiende
                                kalenderdag weer opbouw van de vakantietoelage plaats over de gehele
                                bezoldiging (artikel 6:5:4, vierde lid). Dit geldt, ongeacht of er
                                sprake is van betaald of onbetaald ouderschapsverlof.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Terugbetaling (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De terugbetaling van de bezoldiging betreft de bezoldiging die is
                                betaald over de uren dat de ambtenaar het betaald ouderschapsverlof
                                heeft genoten. Dit geldt alleen bij ontslag op grond van artikel 8:1
                                (ontslag op verzoek) en artikel 8:13 (ontslag als disciplinaire
                                straf).</al><al>Als een ambtenaar het ouderschapsverlof opdeelt in meerdere perioden
                                moet voor de toepassing van artikel 6:5:5 eerste lid, elke periode
                                worden beschouwd als een afzonderlijk deel.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> De ambtenaar heeft het
                                ouderschapsverlof opgedeeld. Van 1-01-2001 tot 1-04-2001 heeft hij
                                ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn betrekking. Van
                                1-01-2002 tot 1-04-2002 heeft hij nogmaals ouderschapsverlof
                                opgenomen voor de helft van zijn betrekking. Op 1-05-2002 wordt hij
                                op eigen verzoek ontslagen. De terugbetalingsverplichting geldt dan
                                niet voor de eerste periode van ouderschapsverlof maar wel voor de
                                tweede periode van ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een uitzondering op de regel van terugbetaling bij ontslag op
                                verzoek, geldt indien de ambtenaar bij een andere gemeente gaat
                                werken of indien er recht bestaat op een uitkering wegens het volgen
                                van de echtgenoot die door geheel buiten hem of haar liggende
                                oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</al><al>Onder het regime van de Werkloosheidswet is het mogelijk dat een
                                uitkering wordt verstrekt bij werkloosheid die ontstaan is doordat
                                de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of
                                geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende
                                oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen. Als dit het
                                geval is en een WW-uitkering wordt verstrekt, wordt geen
                                terugbetaling van het ouderschapsverlof gevorderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder het aanvaarden van een betrekking voor minder uren dan hij
                                direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, wordt mede
                                begrepen een verzoek om vermindering van arbeidsduur. Sinds 1
                                januari 2001 moet dit worden vormgegeven door middel van een besluit
                                tot gedeeltelijk ontslag. Een en ander is geregeld in artikel 8:1,
                                tweede lid, en in artikel 8:17.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een werknemer heeft ouderschapsverlof
                                opgenomen voor de helft van zijn betrekking. Zijn aanstelling
                                bedraagt 36 uur en zijn feitelijke arbeidsduur bedraagt gedurende
                                het ouderschapsverlof 18 uur. De werknemer verzoekt binnen drie
                                maanden na afloop van het ouderschapsverlof om zes uur per week
                                minder te mogen werken. Zijn aanstelling wordt daarop teruggebracht
                                tot 30 uur per week. Betrokkene zal, voor die uren waarmee zijn
                                aanstelling wordt verminderd, de bezoldiging die hij genoot over de
                                arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof gold, dienen terug te
                                betalen. In dit voorbeeld betekent dit dat betrokkene over zes uur
                                deze bezoldiging dient terug te betalen; dus 6 uur x 26 weken x 75%
                                bezoldiging.Indien er ouderschapsverlof wordt opgenomen voor vier
                                uur per week en de aanstelling wordt binnen drie maanden na afloop
                                van het ouderschapsverlof op verzoek van de betrokkene met zes uur
                                verminderd, geldt dat de bezoldiging die hij genoot over de vier uur
                                ouderschapsverlof terugbetaald dient te worden; dus 4 uur x 26 weken
                                x 75% bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ingevolge het bepaalde in dit lid dient de ambtenaar die
                                ouderschapsverlof gaat genieten, zich schriftelijk akkoord te
                                verklaren met de terugbetalingsverplichting in de gevallen zoals
                                deze in de vorige leden zijn genoemd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsrecht ouderschapsverlof (T)</titel></kop><al>Deze overgangsregeling is bedoeld voor ambtenaren die op 31 december
                            2005 ten minste één jaar in dienst zijn van de gemeente en die op die
                            datum één of meer kinderen hebben die jonger zijn dan acht jaar en
                            waarvoor nog geen ouderschapsverlof genoten is. De overgangsregeling is
                            inhoudelijk een voortzetting van de regeling zoals die gold op 31
                            december 2005. De ambtenaar die gebruikmaakt van de overgangsregeling
                            betaald ouderschapsverlof komt in principe ook in aanmerking voor de
                            fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst. De ambtenaar ontvangt dan
                            over de uren dat hij betaald ouderschapsverlof geniet het percentage van
                            de bezoldiging zoals bepaald in het tweede en derde lid minus de daaraan
                            gekoppelde ouderschapsverlofkorting waarop de ambtenaar aanspraak kan
                            maken bij de Belastingdienst. Of hij dit maximale bedrag daadwerkelijk
                            krijgt, doet niet ter zake.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vervallen (T)</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Algemeen</cursief> De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1
                                december 2001 in werking getreden (Stb. 2001, 567) en is van
                                toepassing op werknemers en ambtenaren. Het doel van de Waz is
                                werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen betaald werk
                                te combineren met zorgtaken. In de Waz zijn daarom regels gesteld
                                omtrent diverse vormen van verlof, zoals calamiteiten- en
                                kortverzuimverlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof, verlof bij
                                adoptie en pleegzorg, kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend
                                zorgverlof. De bepalingen van de Waz zijn niet opgenomen in de CAR
                                en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                                toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen
                                die aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende
                                aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de
                                regeling een bepaling uit de Waz overgenomen.</al><al>In dit artikel is opgenomen dat een vrouwelijke ambtenaar recht
                                heeft op doorbetaling van de bezoldiging als zij zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof geniet op grond van de Waz. De bepalingen van Waz
                                gelden voor zover daarvan niet is afgeweken in artikel 6:7. </al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft gedurende minimaal 16 weken recht op
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het recht op zwangerschapsverlof
                                bestaat vanaf zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van
                                bevalling, zoals aangegeven in een aan de werkgever overlegde
                                schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met
                                de dag van de vermoedelijke datum van de bevalling (artikel 3:1 lid
                                2 Waz). De vrouwelijke ambtenaar meldt aan de werkgever de dag met
                                ingang waarvan zij het zwangerschapsverlof opneemt uiterlijk drie
                                weken voor de dag dat het zwangerschapsverlof aanvangt. Het
                                zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken voor de dag na de
                                vermoedelijke datum van de bevalling (artikel 3:1 lid 2 Waz). De
                                vrouwelijke ambtenaar meldt haar bevalling uiterlijk op de tweede
                                dag volgend op die van de bevalling (artikel 3:3 lid 1 en 2
                                Waz).</al><al>Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt
                                tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het
                                zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van de
                                bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen (artikel 3:1 lid 3
                                Waz). De duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof samen is
                                langer dan 16 weken als de bevalling later heeft plaatsgevonden dan
                                op de uitgerekende datum. </al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als
                                ziekte. In dit artikel is geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar
                                tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op
                                doorbetaling van haar volledige bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al> De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op volledige doorbetaling van
                                de volledige bezoldiging. Vrouwelijke ambtenaren hebben gedurende de
                                periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof aanspraak op een
                                uitkering (artikel 3:7 lid 1 Waz). De hoogte van de uitkering in
                                geval van zwangerschap en bevalling bedraagt 100% van het voor de
                                ambtenaar geldende dagloon met een vastgesteld maximum (artikel 3:13
                                Waz). Het bedrag van deze uitkering wordt in mindering gebracht op
                                de bezoldiging, waarop de betrokken ambtenaar recht heeft. </al></lid><lid><lidnr>3 en 4</lidnr><al> De werkgever dient ten tijde van het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof de bezoldiging door te betalen. De vrouwelijke
                                ambtenaar moet bij de werkgever de informatie overleggen die de
                                werkgever nodig heeft voor het ontvangen van de uitkering op grond
                                van de Waz (artikel 3:11 lid 1 Waz). Deze informatie dient uiterlijk
                                twee weken voor de datum van de ingang van het zwangerschapsverlof
                                aan de werkgever te zijn gemeld (artikel 3:11 lid 2 Waz). </al><al>De informatie betreft:</al><lijst><li nr="a"><al>de vermoedelijke datum van de bevalling, onder overlegging
                                        van de verklaring van een arts of van een verloskundige
                                        waarin die datum is aangegeven;</al></li><li nr="b"><al>de datum waarop het zwangerschapsverlof ingaat.</al></li></lijst><al>Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen uitkering wordt
                                verstrekt kan dit geheel of gedeeltelijk in mindering worden
                                gebracht op de bezoldiging. Er wordt dan een fictieve uitkering ter
                                hoogte van 100% van het dagloon in mindering gebracht. Om
                                verrekening van de bezoldiging met de uitkering wegens
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof praktisch mogelijk te maken, is
                                de ambtenaar verplicht mee te werken aan de uitbetaling van de
                                Waz-uitkering door het UWV aan de gemeentelijke werkgever.</al><al><cursief>Ziekte voor zwangerschapsverlof</cursief> Er kan sprake
                                zijn van een situatie dat de vrouwelijke ambtenaar een bepaalde
                                periode voor ingang van haar zwangerschapsverlof haar werkzaamheden
                                niet kan verrichten wegens gehele of gedeeltelijke ziekte. Voor
                                zover deze ziekte plaatsvindt vanaf zes weken voor de vermoedelijke
                                bevallingsdatum, wordt deze ziekte aangemerkt als
                                zwangerschapsverlof, ongeacht de keuze van de vrouwelijke ambtenaar
                                ten aanzien van de duur van het zwangerschapsverlof (artikel 3:1 lid
                                4 Waz). Dit kan betekenen dat het zwangerschapsverlof langer duurt
                                dan van tevoren was gekozen. De periode van het bevallingsverlof
                                wordt in dat geval evenredig verkort. </al><al>Bij deze samenloop van zwangerschapsverlof en ziekte doet het niet
                                ter zake of een medewerker geheel of gedeeltelijk ziek is. Ook bij
                                gedeeltelijke ziekte wordt het zwangerschapsverlof geacht in te
                                gaan. Duidelijk is dan wel dat de vrouwelijke ambtenaar, die
                                gedeeltelijk ziek is, vanaf zes weken voor de vermoedelijke
                                bevallingsdatum niet meer hoeft te werken.</al><al>Hier zijn enkele voorbeelden ter verduidelijking.</al><al>Een vrouw kiest ervoor vier weken voor de bevalling met
                                zwangerschapsverlof te gaan en dus 12 weken bevallingsverlof te
                                genieten. Zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum wordt zij
                                volledig ziek. Op dit moment gaat haar zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof in. In principe heeft zij dus recht op zes weken
                                zwangerschapsverlof (er worden twee weken bij de gemaakte keuze
                                opgeteld) en tien weken bevallingsverlof (er vindt een korting van
                                twee weken plaats ten opzichte van de keuze).</al><lijst><li nr="A"><al>Vijf weken voor de uitgerekende datum vindt de bevalling
                                        plaats. Haar zwangerschapsverlof heeft slechts 1 week
                                        geduurd. De vijf resterende weken worden bij het
                                        bevallingsverlof opgeteld. Zij heeft dus nog recht op 15
                                        weken bevallingsverlof. In totaal is betrokkene 16 weken
                                        afwezig wegens haar zwangerschap en bevalling</al></li><li nr="B"><al>De bevalling vindt plaats drie weken na de uitgerekende
                                        datum. Dit betekent dat de betrokken ambtenaar 9
                                        zwangerschapsverlof heeft gehad. Vervolgens heeft zij nog
                                        recht op 10 weken bevallingsverlof. In totaal is de
                                        betrokken ambtenaar 19 weken afwezig (negen weken
                                        zwangerschapsverlof en 10 weken bevallingsverlof). </al></li></lijst><al>Een vrouw kiest ervoor vier weken voor de bevalling met
                                zwangerschapsverlof te gaan. Op het moment dat ze vijf maanden
                                zwanger is, werkt zij wegens ziekte halve dagen.</al><lijst><li nr="C"><al>Het zwangerschaps- en bevallingsverlof gaat zes weken voor
                                        de vermoedelijke bevallingsdatum in. In principe heeft zij
                                        dus recht op zes weken zwangerschapsverlof en 10 weken
                                        bevallingsverlof. De datum van de bevalling bepaalt hoe lang
                                        het zwangerschapsverlof en het bevallingsverlof uiteindelijk
                                        duurt (zie voorbeelden A en B hiervoor)</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Adoptie- en pleegzorgverlof (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Algemeen</cursief> De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1
                                december 2001 in werking getreden (Stb. 2001, 567) en is van
                                toepassing op werknemers en ambtenaren. Een onderdeel van deze wet
                                is het recht op adoptie- en pleegzorgverlof. Het doel van de Waz is
                                werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen betaald werk
                                te combineren met zorgtaken. In de Waz zijn daarom regels gesteld
                                omtrent diverse vormen van verlof, zoals calamiteiten- en
                                kortverzuimverlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof, verlof bij
                                adoptie en pleegzorg, kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend
                                zorgverlof. De bepalingen van de Waz zijn niet opgenomen in de CAR
                                en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                                toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen
                                die aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende
                                aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de
                                regeling een bepaling uit de Waz overgenomen.</al><al>Het recht op adoptie- en pleegzorgverlof bestaat gedurende een
                                tijdvak van 18 weken en bedraagt ten hoogste 4 aaneengesloten weken.
                                Het recht bestaat vanaf 2 weken vóór de eerste dag dat de feitelijke
                                opneming ter adoptie of pleegzorg een aanvang heeft genomen of zal
                                nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het
                                bevoegd gezag overlegd document waaruit blijkt dat een kind ter
                                adoptie of pleegzorg is of zal worden opgenomen (artikel 3:2 lid 2
                                Waz). </al><al>Indien als gevolg van adoptie- of pleegzorg tegelijkertijd meerdere
                                kinderen worden opgenomen, bestaat het recht op verlof slechts ten
                                aanzien van één van die kinderen (artikel 3:2 lid 3 Waz). De
                                ambtenaar meldt aan de werkgever het opnemen van het verlof in
                                verband met adoptie of pleegzorg zo mogelijk uiterlijk drie weken
                                voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van
                                het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt
                                dat een kind ter adoptie of pleegzorg is of zal worden opgenomen
                                (artikel 3:3 lid 2 Waz).</al></lid><lid><lidnr>2, 3 en 4</lidnr><al> Er bestaat aanspraak op volledige loondoorbetaling, daarom wordt de
                                uitkering aangevraagd via de werkgever. De werkgever vraagt
                                uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het verlof een
                                uitkering bij het UWV aan (artikel 3:11 lid 2). De uitkering wordt
                                gestort op rekening van de werkgever en de werkgever betaalt de
                                volledige bezoldiging door. De ambtenaar verleent op verzoek van de
                                werkgever alle medewerking aan het via de werkgever tot uitbetaling
                                laten komen van de uitkering ter zake het adoptie- en
                                pleegzorgverlof. Wanneer een ambtenaar geen volledige medewerking
                                verleent ten aanzien van de aanvraag van de uitkering kan dit leiden
                                tot een korting op de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het tijdvak waarover adoptie- en pleegzorgverlof wordt genoten,
                                schort de termijn van 18 maanden van artikel 7:3 gedurende welke
                                termijn het recht bestaat op doorbetaling van de volledige
                                bezoldiging niet op. Dit betekent dat indien een ambtenaar ziek is
                                en tijdens de ziekte adoptie- en pleegzorgverlof geniet, het verlof
                                onderdeel uitmaakt van de 18 maanden termijn.</al><al><cursief>Samenloop adoptie- en pleegzorgverlof met zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof</cursief> Wanneer een vrouw over dezelfde
                                periode zowel recht heeft op een uitkering in verband met
                                zwangerschap en bevallingsverlof als op een uitkering in verband met
                                adoptie of pleegzorg, vervalt de uitkering voor adoptie of
                                pleegzorg. Wanneer een werknemer in een zelfde periode zowel recht
                                heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een uitkering
                                in verband met pleegzorg krijgt de werknemer de uitkering in verband
                                met pleegzorg evenmin uitbetaald. Er is dus in de wet een hiërarchie
                                aangebracht tussen de verschillende uitkeringsrechten in het geval
                                zij samenlopen (artikel 3:29 Waz).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                                levensloopregeling (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De periode van verlof voor een ambtenaar bedraagt minimaal 1 maand
                                en maximaal 18 maanden. Voor de maximale duur van het verlof is
                                aansluiting gezocht bij de sociale zekerheidswetgeving. In deze
                                wetgeving is bepaald dat het normale voor ingang van het verlof
                                geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van
                                het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18
                                maanden.</al><al>Indien de ambtenaar heeft deelgenomen aan de levensloopregeling van
                                hoofdstuk 6a CAR kan hij gedurende deze periode van onbetaald verlof
                                beschikken over zijn levenslooptegoed. Voor meer informatie over de
                                opname van het levenslooptegoed wordt verwezen naar artikel 6a:9 CAR
                                en de toelichting op dit artikel.</al><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die
                                hij voor aanvang van dat verlof vervulde tenzij er zwaarwegende
                                omstandigheden zijn aan te voeren die terugkeer naar deze functie
                                belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als college en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de
                                voorwaarden zoals die worden genoemd in het eerste en tweede lid, is
                                dat op basis van dit artikellid mogelijk. Er kan hierbij
                                bijvoorbeeld worden gedacht aan het toekennen van verlof dat korter
                                dan een maand duurt. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De termijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die geldt voor
                                het beschikken over het levenslooptegoed (artikel 6a:9, tweede lid
                                CAR). De aanvraag voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en
                                het verzoek om onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er
                                kan uiteindelijk slechts tot uitkering van het levenslooptegoed
                                worden overgegaan wanneer het verlof wordt toegekend. </al><al>Het verzoek van de ambtenaar wordt ingewilligd tenzij dienstbelang
                                zich daartegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien
                                honorering van het verzoek zou leiden tot een dusdanige kleine
                                aanstelling dat dit leidt tot bijvoorbeeld roostertechnische
                                problemen.</al><al>Indien het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden,
                                komen partijen in onderling overleg tot een oplossing die zoveel
                                mogelijk recht doet aan de belangen van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Dit artikellid houdt niet in dat het college het verlof automatisch
                                intrekt wanneer een ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren
                                dat hij onbetaald verlof geniet. Het biedt het college enkel de
                                mogelijkheid. In sommige gevallen is het denkbaar dat ook de
                                werkgever een belang heeft bij of geen nadeel ondervindt van
                                betaalde activiteiten van de ambtenaar. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een
                                periode van drie jaar direct voorafgaand aan pensionering kan
                                slechts worden geweigerd als een zwaarwegend bedrijfs- of
                                dienstbelang zich daartegen verzet. Het college mag dit argument
                                niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient
                                zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor
                                naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te
                                wijken.</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval
                                sprake indien toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige
                                problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de
                                        vrijgekomen uren;</al></li><li nr="b"><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="c"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aanspraken tijdens het verlof (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van
                                onbetaald verlof geen opbouw van vakantie-uren plaatsvindt. </al><al>Omdat een eventuele maandelijkse uitkering van het levenslooptegoed
                                van artikel 6a:9 CAR niet kan worden aangemerkt als salaris noch als
                                bezoldiging vindt over de opgenomen uren van onbetaald verlof ook
                                geen opbouw van de vakantietoelage, levensloopbijdrage en
                                eindejaarsuitkering plaats. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar heeft gedurende de periode van verlof geen recht op
                                uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                (kosten)vergoedingen. Hierbij moet ook gedacht worden aan een
                                kinderopvangvergoeding, kostenvergoeding en een verstrekking in
                                natura zoals bijvoorbeeld een telefoon. Het college draagt zorg voor
                                de aanpassing van de lokale regelingen op dit punt.</al><al>Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de
                                uitkeringsrechten van de ambtenaar na de periode van verlof. In de
                                sociale zekerheidswetgeving is immers bepaald dat het normale voor
                                ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft
                                voor de vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof
                                niet langer duurt dan 18 maanden.</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de ambtenaar geen recht heeft op
                                uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                (kosten)vergoedingen. Echter wanneer het college gedurende de
                                periode van onbetaald verlof van de ambtenaar een vergoeding voor
                                bijvoorbeeld het volgen van een studie of een opleiding wil
                                verstrekken dan sluit dit artikellid dat niet uit. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het vierde lid regelt dat de ambtenaar de pensioen- en FPU-premies
                                in de situatie van onbetaald verlof voor zijn eigen rekening neemt.
                                De ambtenaar betaalt zowel het werkgeversdeel als het
                                werknemersdeel. Het college draagt zorg voor de afdracht van de
                                premies maar verhaalt deze afdracht gedurende de gehele periode van
                                verlof op de ambtenaar. Enkel wanneer het verlof slechts een periode
                                van maximaal drie maanden behelst, geldt dit niet. Dan betaalt de
                                ambtenaar enkel het werknemersdeel, het werkgeversdeel wordt bij
                                verlof van maximaal drie maanden door het college betaald. Bij
                                deeltijdverlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. De mate van
                                opbouw van pensioen tijdens onbetaald verlof is geregeld in het
                                pensioenreglement. Artikel 6:10, vierde lid, regelt de
                                premieverdeling tussen het college en de ambtenaar. Hieronder wordt
                                aangegeven in welke mate pensioen wordt opgebouwd, hoe de
                                premieverdeling is geregeld en hoe het college de premie moet
                                verhalen op de ambtenaar.</al><lijst><li nr="1"><al>Pensioen opbouwen</al><al><cursief> Onbetaald verlof zonder
                                            levensloopuitkering</cursief> Bij onbetaald verlof
                                        zonder levensloopuitkering vindt gedurende de gehele
                                        verlofperiode de pensioenopbouw plaats alsof er geen sprake
                                        van verlof is (artikel 3:4, eerste lid, van het
                                        pensioenreglement). De ambtenaar blijft dus ongewijzigd
                                        pensioen opbouwen.</al><al><cursief>Onbetaald verlof met levensloopuitkering</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Als de levensloopuitkering hoger of gelijk is aan
                                                70% van het inkomen dat zou zijn genoten als de
                                                ambtenaar niet met verlof was gegaan, wordt de
                                                pensioenopbouw gebaseerd op het inkomen dat zou zijn
                                                genoten als de ambtenaar niet met verlof was gegaan.
                                                Dit is alleen in het eerste jaar. Daarna stopt de
                                                opbouw. De ambtenaar heeft dan wel de keuze om nog
                                                pensioen op te bouwen op basis van een individueel
                                                vastgestelde premie.</al></li><li nr="-"><al> Bij een levensloopuitkering van minder dan 70% van
                                                het inkomen dat zou zijn genoten als de ambtenaar
                                                niet met verlof was gegaan, wordt de pensioenopbouw
                                                gebaseerd op de levensloopuitkering die de
                                                medewerker geniet. Ook in deze situatie geldt dat na
                                                één jaar de ambtenaar kan kiezen voor voortzetting
                                                van pensioenopbouw op basis van een individuele
                                                premie. Dit is bepaald in artikel 3.4, tweede lid,
                                                van het pensioenreglement.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Premieafdracht pensioen</al><al>Als een ambtenaar onbetaald verlof opneemt (ongeacht of het
                                        wordt gefinancierd door levenloop) voor een periode korter
                                        dan drie maanden dan blijft de premieafdracht ongewijzigd.
                                        Het college betaalt dus 70% van de premie en de ambtenaar
                                        30% (voor de FPU-premie geldt 50%-50%).</al><al>Als de ambtenaar onbetaald verlof wil opnemen voor langer
                                        dan drie maanden betaalt hij vanaf de eerste verlofdag de
                                        volledige pensioenpremies zelf. Als de ambtenaar het verlof
                                        financiert met levenloop dan stopt de pensioenopbouw op
                                        basis van de doorsneepremie van het ABP na één jaar. De
                                        ambtenaar kan ervoor kiezen om de opbouw voort te zetten.
                                        Hij betaalt dan zelf de volledige individuele premie.</al><al> Financiert de ambtenaar het onbetaalde verlof niet met
                                        levensloop dan loopt de pensioenopbouw ook na één jaar door
                                        op basis van de doorsneepremie van het ABP. De ambtenaar
                                        betaalt de volledige premie zelf.</al><al> Voor de pensioenvormen ANW, AAOP
                                        (arbeidsongeschiktheidspensioen) en FPU (VUTfondsbijdrage)
                                        vindt geen opbouw plaats. Er moet wel premie worden
                                        afgedragen. Met die premie worden de uitkeringen
                                        gefinancierd van (ex)-deelnemers van het ABP die recht
                                        hebben op die uitkering. Hieraan kunnen de premiebetalers
                                        geen rechten ontlenen.</al></li><li nr="3"><al>Verhalen premie</al><al>Het verhaal van de premie op de ambtenaar moet op een van de
                                        volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar een levensloopuitkering geniet
                                                tijdens het onbezoldigd verlof houdt het college
                                                daar de door de ambtenaar verschuldigde
                                                pensioenpremie direct op in.</al></li><li nr="-"><al> Als de ambtenaar geen levensloopuitkering geniet
                                                tijdens het onbezoldigd verlof kan het bedrag dat
                                                het college moet verhalen op de ambtenaar niet
                                                verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente
                                                aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de
                                                gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient
                                                afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze
                                                vordering ingelost wordt.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop met ziekte (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is men in beginsel niet
                                verzekerd voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar
                                arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                aangezien er in die periode geen loon en daardoor ook geen sociale
                                zekerheidspremies worden betaald. De werknemer ondervindt na afloop
                                van de verlofperiode geen nadeel voor de toepassing van de
                                Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op
                                de arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits dit verlof maximaal 18
                                maanden duurt.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij gedeeltelijk verlof stopt de periode van verlof bij ziekte na
                                twee weken. Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag de dag
                                dat de ambtenaar zijn dienstbetrekking niet meer kan vervullen wegen
                                ziekte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien er sprake is van volledig verlof kan het college bij ziekte
                                van de ambtenaar die langer dan 14 kalenderdagen duurt, besluiten om
                                in schrijnende gevallen de periode van verlof te beëindigen. Hiervan
                                kan enkel sprake zijn wanneer een ambtenaar tussentijds verlof
                                geniet, d.w.z. verlof dat niet voorafgaand aan pensionering wordt
                                genoten. </al><al>Uitgangspunt echter bij volledig verlof is dat de periode van verlof
                                niet stopt bij ziekte. </al><al>Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag bij volledig verlof
                                de dag dat de ambtenaar zijn arbeid weer zou kunnen gaan vervullen
                                na de periode van verlof als hij niet ziek zou zijn geweest. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</titel></kop><al>Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een
                            onaantastbaar recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In verband
                            met het bijzondere karakter van dat verlof is bepaald dat het onbetaalde
                            verlof eindigt bij samenloop van dat verlof. Indien de ambtenaar
                            gedurende de periode van het verlof een uitkering geniet uit zijn
                            levenslooptegoed zoals bedoeld in artikel 6a:9 CAR wordt deze uitkering
                            bij aanvang van het zwangerschaps- of bevallingsverlof stopgezet. De
                            reden hiervoor is dat het levenslooptegoed op grond van artikel 61h
                            Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet mag worden opgenomen voor
                            zover de uitkering uit dit tegoed samen met het daarnaast van de
                            werkgever genoten loon uitgaat boven het laatstgenoten loon. Aan de
                            ambtenaar die met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt op grond van
                            artikel 6:6 CAR de volledige bezoldiging doorbetaald zodat deze grens
                            wordt overschreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>De gemeentelijke levensloopregeling (T)</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting voor hoofdstuk 6a De gemeentelijke
                                levensloopregeling.</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief> De levensloopregeling zoals die is
                            opgenomen in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 en
                            hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg is per 1 januari 2006 in werking
                            getreden. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is een nieuw
                            hoofdstuk 5A opgenomen waarin nadere uitvoeringsbepalingen met
                            betrekking tot de levensloopregeling zijn gegeven. Daarin is onder meer
                            verplicht gesteld dat de werkgever een schriftelijk vastgelegde
                            levensloopregeling heeft. Aan deze wettelijke verplichting is door het
                            LOGA uitvoering gegeven met de invoering van hoofdstuk 6a CAR. Tevens is
                            in artikel 6a:7 CAR de zogenaamde levensloopbijdrage opgenomen, een
                            werkgeversbijdrage die de ambtenaar kan sparen in het kader van de
                            gemeentelijke levensloopregeling.</al><al>De wettelijke bepalingen over de levensloopregeling zijn niet opgenomen
                            in de CAR. Dit is niet nodig omdat de wettelijke bepalingen over de
                            levensloopregeling rechtstreeks van toepassing zijn op
                            gemeenteambtenaren. In de CAR zijn alleen die aangelegenheden geregeld
                            die wettelijk verplicht zijn of aanvullende afspraken bieden. Van dit
                            principe wordt enkel afgeweken wanneer dat ten goede komt van de
                            leesbaarheid en begrijpelijkheid van de regeling. Hieronder een globaal
                            overzicht van de levensloopregeling zoals die is vastgelegd in de
                            bovenstaande wettelijke regelingen. </al><al><cursief>Hoofdlijnen levensloopregeling</cursief> Het doel van de
                            wettelijke levensloopregeling is werknemers de mogelijkheid te bieden om
                            op individuele basis een voorziening op te bouwen - het levenslooptegoed
                            - om eerder met pensioen te gaan of (meerdere) periodes van onbetaald
                            verlof te financieren. Elke vorm van onbetaald verlof is toegestaan. De
                            voorziening kan bestaan uit een saldo op een bankrekening of een
                            afgesloten levensloopverzekering. </al><al>Het wettelijke recht om deel te nemen aan de levensloopregeling is
                            opgenomen in de Wet arbeid en zorg. Het recht op deelname aan de
                            regeling houdt overigens niet automatisch in dat er recht op verlof
                            bestaat. De werkgever zal toestemming voor het verlof moeten geven in
                            overeenstemming met de bestaande rechtspositieregeling en met
                            inachtneming van de bestaande wettelijke regelingen inzake verlof zoals
                            de Wet arbeid en zorg. In hoofdstuk 6 van de CAR/UWO is opgenomen
                            wanneer en onder welke voorwaarden de ambtenaar recht heeft op onbetaald
                            verlof. In artikel 6:9 CAR is het recht op niet doelgebonden onbetaald
                            verlof opgenomen.</al><al><cursief>Maximum levenslooptegoed</cursief> De hoogte van het
                            levenslooptegoed is gebonden aan een wettelijk maximum. De ambtenaar mag
                            maximaal 210% van zijn bruto jaarloon sparen. Zolang dit maximum nog
                            niet is bereikt mag de werknemer jaarlijks maximaal 12% sparen van het
                            bruto jaarloon dat in dat jaar door hem wordt verdiend. Zelfs als het
                            tegoed daardoor in de loop van het jaar uitstijgt boven 210% van het
                            bruto jaarloon. Bepalend is de hoogte van het levenslooptegoed per 1
                            januari. </al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 1</cursief> Ambtenaar A heeft een volledige
                            aanstelling en een bruto jaarloon van € 25.000. Op 1 januari van jaar x
                            bedraagt zijn levenslooptegoed, inclusief de daarop gekweekte inkomsten
                            en behaalde vermogenswinsten, € 52.000. Dit is minder dan 210% van het
                            bruto jaarloon in jaar x-/-1. Daarom mag A in jaar x nog 12% van zijn
                            jaarloon in jaar x sparen binnen de levensloopregeling. In jaar x spaart
                            A € 3.000 (12% * € 25.000).</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 2</cursief> Per 31 december van jaar x bedraagt
                            het levenslooptegoed van ambtenaar A € 52.000 + (stel 4% rente) € 2.080
                            + € 3.000 (spaarbedrag jaar x)= € 57.080. Dit tegoed is hoger dan 210%
                            van het jaarloon zoals A dat in jaar x genoot. A mag in jaar x+1 daarom
                            geen additionele bedragen meer sparen. Ook niet als hij een
                            salarisverhoging ontvangt in jaar x+1.</al><al>Nadat het maximum is bereikt mogen – totdat het levenslooptegoed weer
                            lager is dan het maximum – geen stortingen meer plaatsvinden. Het
                            maximum mag in die periode wel verder worden overschreden door oprenting
                            of toename van de waarde van de levensloopverzekering.</al><al>Let op: uitzondering in het geval van demotie Als in het voorafgaande
                            kalenderjaar een salarisvermindering heeft plaatsgevonden mag op grond
                            van de wet bij de beoordeling of nog kan worden doorgespaard van het
                            niet verminderde salaris worden uitgegaan, mits die salarisvermindering
                            het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of het
                            terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die
                            aanvangt 10 jaar direct voor de ingangsdatum van het pensioen. Daarbij
                            geldt als extra eis dat het dienstverband na het aanvaarden van een
                            deeltijdfunctie niet minder mag zijn dan 50% van de omvang van het
                            dienstverband op de laatste dag voor de dag die 10 jaar voor de
                            pensioendatum ligt. </al><al><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                                spaarperiode</cursief> De werkgever houdt bij deelname van de
                            werknemer aan de levensloopregeling maximaal 12% in op het brutoloon van
                            de werknemer. Dit bedrag wordt door de werkgever gestort op een
                            geblokkeerde levenslooprekening of levensloopverzekering naar keuze en
                            op naam van de ambtenaar. Over deze stortingen is geen loonheffing
                            (loonbelasting en premies volksverzekeringen) verschuldigd. Bij de
                            levensloopregeling is namelijk de omkeerregel van toepassing. Deze houdt
                            in dat over de bedragen die worden gespaard geen loonheffing
                            verschuldigd is en dat heffing pas plaatsvindt op het moment dat deze
                            bijdragen tot uitkering komen. Ook is over deze bedragen geen
                            inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage verschuldigd zoals bedoeld in
                            artikel 41 Zorgverzekeringswet. Over de stortingen zijn wel de
                            gebruikelijke premies werknemersverzekeringen verschuldigd.</al><al><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                                verlofperiode</cursief> Zoals gezegd kan het levenslooptegoed worden
                            gebruikt om eerder met pensioen te gaan of om periodes van onbetaald
                            verlof te financieren. Op dat moment maakt de instelling waar het
                            levenslooptegoed is ondergebracht het tegoed (periodiek) over naar de
                            werkgever. De werkgever houdt de verschuldigde loonheffing en de
                            inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in en maakt het resterende
                            tegoed (periodiek) aan de werknemer over. De werkgever is op grond van
                            de wet verplicht de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage te
                            vergoeden aan de werknemer.</al><al>Bij opname van het levenslooptegoed voor verlof bestaat recht op een
                            heffingskorting van € 183 (2006) per gespaard jaar. Een werknemer die
                            bijvoorbeeld 10 jaar heeft gespaard, heeft bij opname van het tegoed
                            recht op een bedrag van € 1.830 aan levensloopverlofkorting. De
                            levensloopverlofkorting moet door de werkgever in mindering worden
                            gebracht op de verschuldigde loonheffing. De korting is nooit hoger dan
                            het bedrag dat wordt opgenomen van het levenslooptegoed. De werknemer
                            heeft alleen recht op de korting bij opname van verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Begripsomschrijvingen (T)</titel></kop><al>Verzekeraars, banken, dochters van pensioenfondsen of
                            pensioenuitvoeringsbedrijven en beleggingsinstellingen mogen de
                            levensloopregeling uitvoeren. De ambtenaar bepaalt zelf bij welke
                            instelling hij de levenslooprekening (of –verzekering) wil
                            onderbrengen.</al><al>Onder levenslooptegoed valt niet alleen het levenslooptegoed dat de
                            ambtenaar in zijn ambtelijke dienstbetrekking opbouwt maar ook elk ander
                            levenslooptegoed opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige. </al></artikel><artikel><kop><titel>Verzoek tot deelname levensloopregeling (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit artikel regelt dat wanneer de ambtenaar deel wil nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling hij dit bij het college meldt. Het
                                college kan de deelname enkel weigeren als niet wordt voldaan aan de
                                eisen zoals die zijn gesteld in artikel 6a:4 CAR. </al><al>Indien het college gevolg geeft aan de melding blijft de ambtenaar
                                deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling tot dat de
                                deelname wordt beëindigd op grond van artikel 6a:8 CAR. Het college
                                heeft wel de wettelijke mogelijkheid om inhoudingen op het loon ten
                                behoeve van de levensloopregeling te corrigeren als blijkt dat de
                                grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 worden
                                overschreden.</al><al>De termijn genoemd in dit lid is wettelijk voorgeschreven op grond
                                van artikel 7:2 van de Wet arbeid en zorg.</al><al>Op grond van de Wet arbeid en zorg kan de werknemer slechts een keer
                                per jaar melden aan de werkgever dat hij wil deelnemen aan de
                                levensloopregeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Voorwaarden deelname levensloopregeling (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit artikel regelt dat de ambtenaar schriftelijk moet verklaren aan
                                het college of hij bij een of meer gewezen
                                werkgevers/inhoudingsplichtigen een levenslooptegoed heeft
                                opgebouwd. </al><al>Indien de ambtenaar meerdere dienstbetrekkingen tegelijkertijd
                                vervult, hoeft hij het levenslooptegoed dat wordt opgebouwd bij
                                andere inhoudingsplichtigen niet door te geven aan het college. </al><al><cursief>Algemeen</cursief> De werkgever bij wie het
                                levenslooptegoed is opgebouwd, is ook inhoudingsplichtig met
                                betrekking tot de over het levenslooptegoed verschuldigde
                                loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage op grond
                                van artikel 41 Zorgverzekeringswet. Dit geldt in beginsel ook indien
                                de werknemer niet meer in dienst is bij deze inhoudingsplichtige.
                                Echter, indien de werknemer een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt,
                                wordt het levenslooptegoed geacht te zijn opgebouwd bij de nieuwe
                                werkgever. Met andere woorden, de nieuwe werkgever wordt ook
                                inhoudingsplichtig ten aanzien van het bij de oude werkgever
                                opgebouwde levenslooptegoed. Dit is slechts anders indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de werknemer niet gaat deelnemen aan de levensloopregeling
                                        van de nieuwe werkgever; of,</al></li><li nr="-"><al>het levenslooptegoed al wordt geacht te zijn opgebouwd bij
                                        een andere inhoudingsplichtige bij wie de werknemer op dat
                                        moment in dienstbetrekking staat. Dit kan het geval zijn als
                                        de werknemer al in dienst is bij een andere werkgever.</al></li></lijst><al>De inhoudingsplichtige moet toetsen of het levenslooptegoed van de
                                werknemer binnen de 210% grens blijft. Hierbij telt ook het
                                levenslooptegoed mee waarvoor hij geacht wordt inhoudingsplichtig te
                                zijn. Indien de werknemer aan de levensloopregeling van meerdere
                                werkgevers tegelijk deelneemt, geldt de 210% grens per
                                dienstbetrekking.</al><al>Voorbeeld 1 Ambtenaar X heeft bij werkgever A een levenslooptegoed
                                opgebouwd van € 30.000. Hij neemt ontslag bij werkgever A en
                                aanvaardt een nieuwe dienstbetrekking bij werkgever B. Ambtenaar X
                                neemt geen deel aan de levensloopregeling bij werkgever B. Werkgever
                                A blijft inhoudingsplichtig ten aanzien van het levenslooptegoed van
                                € 30.000. In dit geval is overigens uitsluitend een uitkering ineens
                                toegestaan zoals bij afkoop het geval is (zie artikel 6a:9 derde lid
                                CAR). Immers, werkgever A kan de ambtenaar geen verlof meer
                                verlenen.</al><al>Voorbeeld 2 Ambtenaar X neemt ontslag bij werkgever A en aanvaardt
                                een nieuwe dienstbetrekking bij werkgever B. Ambtenaar X gaat ook
                                bij de nieuwe werkgever deelnemen aan de levensloopregeling. Het
                                levenslooptegoed van € 30.000 wordt nu geacht te zijn opgebouwd bij
                                werkgever B. Werkgever B is inhoudingsplichtig ten aanzien van dit
                                levenslooptegoed en moet toetsen of het totale levenslooptegoed van
                                de ambtenaar binnen de 210% grens blijft. Het levenslooptegoed kan
                                blijven staan bij de eerder gekozen levensloopinstelling waar het is
                                opgebouwd.</al><al>Voorbeeld 3 Ambtenaar X gaat naast zijn dienstbetrekking met
                                werkgever B een tweede dienstbetrekking aan met werkgever C. Ook bij
                                deze werkgever gaat de ambtenaar deelnemen aan de
                                levensloopregeling. Omdat werkgever B al inhoudingsplichtig is ten
                                aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000 hoeft werkgever C geen
                                rekening te houden met dit levenslooptegoed. De ambtenaar hoeft
                                werkgever C ook niet te informeren over dit levenslooptegoed.</al><al>Voorbeeld 4 Ambtenaar X neemt deel aan zowel de levensloopregeling
                                van werkgever B als werkgever C. Zijn inkomen van werkgever B
                                bedraagt € 15.000, zijn inkomen bij werkgever C bedraagt € 20.000.
                                Beide werkgevers moeten ieder kalenderjaar toetsen of het maximum is
                                bereikt om te bepalen of de werknemer nog mag sparen in het
                                betreffende kalenderjaar. Bij werkgever B bedraagt het
                                levenslooptegoed op 1 januari € 30.000. Dit is minder dan 210% van
                                het bruto jaarloon zijnde € 15.000. Daarom mag X in het aankomende
                                kalenderjaar nog 12% van € 15.000 sparen binnen de
                                levensloopregeling bij werkgever B. Bij werkgever C heeft de
                                ambtenaar nog geen levenslooptegoed opgebouwd. Bij werkgever C mag
                                de ambtenaar daarom in het aankomende kalenderjaar 12% van € 20.000
                                sparen binnen de levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Om een relatie met de levensloopinstelling te waarborgen dient de
                                instelling na afloop van elk kalenderjaar een overzicht van het
                                levenslooptegoed van de ambtenaar te verstrekken aan het college. De
                                reden hiervoor is dat het college moet toetsen of het
                                levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens blijft. De
                                verklaring geldt niet voor levenslooptegoed waarvoor het college
                                niet inhoudingsplichtig is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als
                                de ambtenaar bij meerdere werkgevers tegelijk deelneemt aan een
                                levensloopregeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Inleg (T)</titel></kop><al>Ambtenaren mogen op grond van de wet maximaal 12% per jaar van hun
                            brutoloon sparen. Hierbij mag worden uitgegaan van het fiscale loon
                            zoals vermeld op de jaaropgave. Als de werknemer meerdere
                            dienstbetrekkingen naast elkaar heeft, geldt het maximum per
                            dienstbetrekking. Het wettelijke maximum van 12% geldt niet voor de
                            ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet de
                            leeftijd van 56 jaar heeft bereikt.</al><al>De inleg wordt door het college gestort op de levenslooprekening dan wel
                            overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in
                            de maand waarin de door de ambtenaar aangewezen bronnen zouden zijn
                            uitbetaald. </al></artikel><artikel><kop><titel>Bronnen (T)</titel></kop><al>Dit artikel somt de bronnen op die de ambtenaar kan inzetten. Ter
                            beperking van de uitvoeringslast zijn niet alle bestanddelen die onder
                            het fiscale loon vallen als bron aangewezen. </al><al>Het opgebouwde verloftegoed van artikel 4.3 zoals dat luidde voor 1
                            april 2006 kan alleen worden ingezet indien het college in samenspraak
                            met de ambtenaar tot het besluit is gekomen dat het verloftegoed wordt
                            omgezet in een geldbedrag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Levensloopbijdrage (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Alle ambtenaren zoals genoemd in het eerste lid hebben recht op de
                                levensloopbijdrage, ongeacht of er wordt deelgenomen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling. De ambtenaar kan er voor kiezen om
                                de bijdrage niet voor de levensloopregeling aan te wenden. De
                                bijdrage wordt in dat geval, na inhouding van de verschuldigde
                                loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de
                                inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage, uitbetaald tegelijk met
                                het salaris.</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage bedraagt 1,5% x het salaris op
                                jaarbasis. Voor degenen met een deeltijdaanstelling of
                                arbeidsovereenkomst wordt de levensloopbijdrage conform het salaris
                                vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.</al><al>De levensloopbijdrage wordt niet aangemerkt als bezoldiging en
                                behoort daarom niet tot de grondslag voor de berekening van de
                                vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in
                                artikel 7:24a CAR. Ook behoort de bijdrage niet tot de grondslag
                                voor de eindejaarsuitkering omdat de uitkering niet kan worden
                                aangemerkt als salaris zoals bedoeld in artikel 3:1, lid 2, sub
                                b.</al><al>De werkgeversbijdrage voor de levensloop geldt als vervanging van de
                                FPU Gemeenten. De ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die
                                in deeltijd met FPU is gegaan heeft recht op de FPU Gemeenten en
                                blijft dit recht houden. Daarom hebben zij geen recht op de
                                werkgeversbijdrage voor de levensloop.</al></lid><lid><lidnr>2 en 3</lidnr><al> Deze leden gelden voor de ambtenaar die op of na 1 januari 2006 in
                                dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december
                                2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18438.pdf">pdf58</extref>, zoals dat luidde op 31 december 2005.</al><al>Wanneer de ambtenaar binnen 20 jaar een andere, niet bezwarende,
                                functie aanvaardt, is hoofdstuk 9a niet meer van toepassing en valt
                                deze ambtenaar onder de reguliere levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De levensloopbijdrage van 2,5% eindigt in ieder geval na 20
                                jaar.</al><al>Wanneer het college en de ambtenaar gezamenlijk besluiten dat de
                                tweede loopbaan na 20 jaar nog niet begonnen wordt (conform artikel
                                9a:9, eerste lid, onderdeel b), kan de levensloopbijdrage van 2,5%
                                worden voortgezet. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De levensloopbijdrage van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf
                                augustus van dat jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan
                                ambtenaren die niet het gehele kalenderjaar in dienst zijn, wordt
                                een levensloopbijdrage betaald over dat gedeelte van het
                                kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP is opgenomen dat de werkgeversbijdrage
                                voor levensloop van 0,8% van het salaris ingevolge het
                                Hoofdlijnenakkoord van 5 juli 2005 niet pensioengevend is, tenzij de
                                sector anders besluit. Als de werkgeversbijdrage in de levensloop de
                                0,8% te boven gaat is het meerdere wel pensioengevend, tenzij de
                                sector anders besluit. In het CAO-onderhandelaarsakkoord 2005-2007
                                heeft het LOGA ten aanzien van ambtenaren in niet-bezwarende
                                functies afgesproken dat de 0,8% ook pensioengevend is. Voor de
                                sector Gemeenten geldt dus voor ambtenaren in niet-bezwarende
                                functies dat de gehele levensloopbijdrage in de levensloopregeling
                                tot de pensioengrondslag behoort en hierover pensioen wordt
                                opgebouwd. Of de medewerker deze bijdrage daadwerkelijk laat
                                inleggen in zijn individuele levensloopregeling of laat uitbetalen
                                door de werkgever is hierbij niet relevant.</al><al>Voor ambtenaren die op of na 1 januari 2006 in dienst zijn getreden
                                op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op
                                functioneel leeftijdsontslag op grond van <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18439.pdf">pdf59</extref>, zoals dat luidde op 31 december 2005, is – in het tweede
                                lid - een afwijkende levensloopbijdrage vastgesteld. Hiervan is dat
                                percentage pensioengevend, dat ambtenaren in niet-bezwarende
                                functies ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Beëindiging deelname levensloopregeling (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit artikel regelt op welke wijze de ambtenaar zijn deelname aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling kan beëindigen. Wil de ambtenaar na
                                verloop van tijd weer verder sparen dan moet hij dit opnieuw melden
                                (zie artikel 6a:3 CAR). De ambtenaar kan op grond van de wet slechts
                                eenmaal per jaar een melden dat hij wil deelnemen aan de
                                levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit artikel geeft aan wanneer deelname aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling in ieder geval beëindigd wordt. </al><al>Op grond van artikel 8:2 CAR eindigt het dienstverband van de
                                werknemer op de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt.
                                Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt om die
                                reden op de dag voordat zijn dienstverband eindigt. Als de ambtenaar
                                het levenslooptegoed nog niet heeft opgenomen voor die datum, keert
                                het college het tegoed uit onder inhouding van de verschuldigde
                                loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage. Zie ook de
                                toelichting op artikel 6a:9 CAR.</al><al>De deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling wordt tevens
                                beëindigd als de bronnen die de ambtenaar kan inzetten niet meer
                                toereikend zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er
                                beslag wordt gelegd op de bezoldiging van de ambtenaar of indien een
                                wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard op
                                de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Opname levenslooptegoed (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit artikel is geregeld dat het levenslooptegoed alleen mag
                                worden opgenomen als er echt sprake is van verlof van de ambtenaar
                                (dus niet van bijvoorbeeld de partner). Het is niet mogelijk dat het
                                spaarsaldo wordt opgenomen als aanvulling op het reguliere salaris,
                                ook niet indien er sprake is van een teruggang in inkomen zoals bij
                                bijvoorbeeld demotie en ziekte het geval is. </al><al>Verder is in dit artikel geregeld op welke wijze het
                                levenslooptegoed geheel of gedeeltelijk kan worden aangewend voor
                                extra pensioen. Omzetting van (een deel van) het levenslooptegoed in
                                extra pensioen kan op elk willekeurig moment plaatsvinden zolang na
                                die omzetting de totale pensioenaanspraken binnen de grenzen van
                                hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 blijft. De
                                omzetting mag bijvoorbeeld niet leiden tot een ouderdomspensioen dat
                                hoger is dan 100% van het pensioengevend loon dat geldt op het
                                tijdstip waarop dat ouderdomspensioen ingaat.</al><al>Op het moment dat een ambtenaar met pensioen gaat en nog een
                                levenslooptegoed heeft, biedt de wet twee mogelijkheden. In de
                                eerste plaats kan het levenslooptegoed contant worden opgenomen door
                                de ambtenaar onder inhouding van de verschuldigde loonheffing en
                                inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage (als loon uit vroegere
                                dienstbetrekking). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het tegoed
                                te besteden aan het verbeteren van het ouderdomspensioen, mits
                                hiervoor nog fiscale ruimte is zoals bedoeld in dit artikel.</al><al>De hoogte van de uitkering bij overlijden, hangt af van de
                                voorwaarden die de instelling hanteert waarbij het levenslooptegoed
                                is ondergebracht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college moet op verzoek van de ambtenaar het levenslooptegoed
                                (periodiek) uitkeren aan de ambtenaar gedurende een periode van
                                verlof dan wel het tegoed omzetten in een extra pensioenaanspraak.
                                Op de uitkering bij verlof wordt de eventueel verschuldigde
                                loonheffing, de inkomensafhankelijke bijdrage, pensioenpremies en
                                premies aan de geselecteerde zorgverzekeraar op grond van artikel
                                7:25b CAR ingehouden. </al><al>De ambtenaar meldt het college drie maanden voor de gewenste
                                ingangsdatum dat hij over (een deel van) zijn levenslooptegoed wil
                                beschikken. Deze termijn sluit aan bij de termijn die geldt voor de
                                aanvraag van onbetaald verlof (artikel 6:9, vijfde lid CAR). De
                                aanvraag voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het
                                verzoek om onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan
                                uiteindelijk slechts tot uitkering van het levenslooptegoed worden
                                overgegaan wanneer het verlof wordt toegekend. </al><al>De instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht maakt het
                                tegoed alleen over naar het college voorzover het college en de
                                ambtenaar samen daarvoor toestemming hebben verleend. </al><al>Aan de hoeveelheid levenslooptegoed die een werknemer per maand kan
                                opnemen is een limiet gesteld. Het opgenomen bedrag mag niet meer
                                zijn dan het loon dat de werknemer direct voorafgaand aan de
                                verlofperiode per maand ontving. Dus: een werknemer die in juli €
                                1.000 verdiende, mag in augustus niet meer dan € 1.000 aan
                                levenslooptegoed opnemen voor de financiering van 1 maand onbetaald
                                verlof. Er moet daarbij ook rekening worden gehouden met een
                                eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Krijgt deze werknemer
                                tijdens het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mag hij nog maar
                                € 500 van zijn levenslooptegoed opnemen.</al><al>Het laatstgenoten loon is het reguliere loon dat voorafgaand aan de
                                verlofperiode van de werkgever werd ontvangen. Hierbij mag rekening
                                gehouden worden met inmiddels opgetreden algemene salarisstijgingen.
                                Bij de toetsing of niet meer wordt opgenomen dat het laatstgenoten
                                loon hoeft op grond van de wet geen rekening te worden gehouden met
                                genoten loon van een andere inhoudingsplichtige.</al><al>De opname van het levenslooptegoed kan niet worden aangemerkt als
                                bezoldiging. Daarom behoort de opname van het levenslooptegoed niet
                                tot de grondslag voor de berekening van de vakantietoelage en de
                                ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR. Ook
                                behoort de opname niet tot de grondslag voor de eindejaarsuitkering
                                omdat de uitkering niet kan worden aangemerkt als salaris zoals
                                bedoeld in artikel 3:1, lid 2, sub b CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De werkgever mag op grond van de wet geheel of gedeeltelijke afkoop
                                wel toestaan bij het beëindigen van de dienstbetrekking. Indien de
                                ambtenaar hiervoor kiest wordt het levenslooptegoed door het college
                                op dat moment ineens uitgekeerd aan de ambtenaar (als loon uit
                                vroegere dienstbetrekking). Bij afkoop van het levenslooptegoed
                                heeft de ambtenaar geen recht op de levensloopverlofkorting. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het opnemen van dit artikel is wettelijk voorgeschreven. Indien het
                                levenslooptegoed op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk voor een
                                ander doel zou kunnen worden ingezet dan als genoemd in lid 1, is de
                                levensloopregeling in strijd met de wet en kan geen gebruik worden
                                gemaakt van de fiscale faciliteit. De enige uitzondering die is
                                gemaakt is voor de verpanding als bedoeld in artikel 61k
                                Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 ten behoeve van buitenlandse
                                aanbieders die door de fiscus zijn aangewezen als instelling in de
                                zin van artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Slotbepaling (T)</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaren die vallen onder
                            hoofdstuk 9 en 9b.</al><al>Voor zover hier van belang, wordt hoofdstuk 9 (Uitkering functioneel
                            leeftijdsontslag) tot 1 juli 2006 nog toegepast op de ambtenaar die op
                            grond van artikel 9:11 buitengewoon verlof wordt verleend, dan wel
                            FLO-ontslag wordt verleend. Omdat voor deze ambtenaren in het kader van
                            het overgangsrecht personeel in bezwarende functies afwijkende afspraken
                            zijn gemaakt, hebben zij geen recht op de levensloopbijdrage van
                            1,5%.</al><al>Hoofdstuk 9b (overgangsrecht) is van toepassing op de ambtenaar
                            die:</al><lijst><li nr="-"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een beroepsbrandweerkorps
                                    of bij een ambulancedienst; en</al></li><li nr="-"><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het
                                    college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                                    2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="-"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken een betrekking heeft
                                    vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd
                                    van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst><al>Voor deze ambtenaren is een afwijkende levensloopbijdrage afgesproken.
                            Zij hebben dus geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De ambtenaar die onder paragraaf 5 van hoofdstuk 9b valt (dat is de
                            ambtenaar die op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor een
                            leeftijdsgrens was bepaald, maar die feitelijk niet bezwarend was), valt
                            wel onder hoofdstuk 6a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een
                                betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer (T)</titel></kop><al>In de CAO 2005-2007 is afgesproken dat nog onderhandeld zal worden over
                            de hervorming van het functioneel leeftijdsontslag voor ambtenaren
                            werkzaam bij het gemeentelijk stadsvervoer. In de CAO-tekst 2005-2007
                            staat hierover het volgende: Tot het moment dat partijen overeenstemming
                            hebben bereikt over een nieuwe regeling, blijft de huidige FLO-regeling
                            60 van kracht. Bij de onderhandelingen zullen onder meer de
                            levensloopregeling en de werkgeversbijdrage daarin betrokken worden.
                            Deze onderhandelingen zijn nog niet afgerond. Later in 2006 zal hier
                            meer duidelijkheid over verschaft worden.</al><al>Zolang de onderhandelingen over deze groep ambtenaren nog niet zijn
                            afgerond, vallen zij niet onder de reguliere levensloopregeling. </al></artikel><artikel><kop><titel>Definities (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief> Sub a</cursief>De definitie van passende arbeid komt
                                overeen met de definitie die sinds de invoering van de Wet
                                Verbetering Poortwachter in artikel 658a van boek 7, titel 10, van
                                het Burgerlijk Wetboek is opgenomen.</al><al>In zijn algemeenheid dient de vraag wat passende arbeid is in elk
                                concreet geval aan de hand van de omstandigheden te worden
                                beantwoord. Als leidraad geldt dat het bij passende arbeid moet gaan
                                om arbeid die in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden
                                opgedragen, gelet op onder meer het arbeidsverleden, de opleiding,
                                de gezondheidstoestand, de afstand tot het werk, de bezoldiging en
                                hetgeen waartoe de ambtenaar nog in staat is. Hierbij geldt dat
                                naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, een bredere
                                oriëntatie ten aanzien van de te verrichten arbeid mag worden
                                verwacht. Naarmate de duur van de gedeeltelijke
                                arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar worden
                                verlangd dat hij concessies doet met betrekking tot de door hem te
                                verrichten werkzaamheden, als reïntegratie in de eigen functie niet
                                tot de mogelijkheden behoort. Dit leidt ertoe dat arbeid die in
                                eerste instantie niet als passend moet worden aangemerkt, op een
                                later moment -door wijziging van de omstandigheden- wel als passend
                                kan worden aangemerkt.</al><al>Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met
                                aanpassingen, of een andere organisatie van het werk, naar
                                verwachting nog zal kunnen worden verricht. Als dat het geval is,
                                dan ligt het in de rede dat werkgever en ambtenaar hun inspanningen
                                daarop richten. Dit sluit niet uit dat de ambtenaar tijdelijk ander
                                werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit niet
                                belemmerend is voor het herstelproces en voor zover dit werk ook
                                overigens in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen,
                                gelet op onder meer diens arbeidsverleden en werkervaring. Behoort
                                terugkeer naar de eigen werkplek niet meer tot de reële
                                mogelijkheden, is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet in
                                eerste instantie zo dicht mogelijk worden aangesloten bij de laatst
                                overeengekomen functie. Als (binnen een redelijke termijn)
                                dergelijke arbeid noch bij de eigen werkgever, noch bij een derde
                                voorhanden is, mag van de ambtenaar worden verlangd, dat hij zich
                                wat betreft door hem te aanvaarden arbeid ruimer opstelt. In de
                                jurisprudentie is dit betreffende het begrip passende arbeid een
                                algemeen aanvaard uitgangspunt.</al><al> De vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in
                                eerste instantie ter beoordeling van de werkgever, die de eigen
                                bedrijfsarts kan raadplegen om te kunnen beoordelen wat (gegeven de
                                gezondheidssituatie) van een ambtenaar mag worden gevraagd. Als de
                                werkgever twijfelt over de vraag of de arbeid die hij voornemens is
                                aan te bieden wel als passend kan worden aangemerkt, kan hij
                                daarover ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI,
                                een oordeel vragen aan het UWV, als onafhankelijke deskundige. Ook
                                de ambtenaar heeft deze mogelijkheid. Voor de rechtsbescherming van
                                de werknemer is relevant dat wanneer de werkgever besluit op grond
                                van artikel 7:14, tweede lid, onder b, de bezoldiging niet uit te
                                betalen, de bezoldiging alsnog aan de ambtenaar moet worden
                                uitbetaald als de ambtenaar op grond van de second opinion ingevolge
                                artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI in het gelijk wordt
                                gesteld.</al><al>Het begrip passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de
                                werkgever – als de ambtenaar ziek is – te zoeken naar passende
                                arbeid (artikel 7:9). Daarnaast is de ambtenaar verplicht passende
                                arbeid te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden (artikel 7:11).
                                Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering van een
                                ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te sanctioneren.</al><al><cursief>Sub b</cursief> De ambtenaar die tijdens zijn ziekte
                                werkzaamheden verricht met oog op terugkeer in zijn eigen of
                                passende arbeid, heeft over die uren ingevolge artikel 7:3, zesde
                                lid, onder c, recht op 100% doorbetaling van zijn bezoldiging. Deze
                                werkzaamheden kunnen lager bezoldigd zijn dan de eigen arbeid. Over
                                de invulling van deze werkzaamheden maakt de werkgever heldere
                                afspraken met de ambtenaar. De werkgever laat zich bijstaan door een
                                ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de
                                arbo-dienst. Bij het maken van de afspraken tussen de werkgever en
                                ambtenaar kan worden gedacht aan het aantal uren dat een ambtenaar
                                op bepaalde dagen moet gaan werken, wat de aanvangs- en
                                vertrektijden zijn, welke taken de ambtenaar moet gaan uitvoeren en
                                wie zijn werkzaamheden aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in
                                het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer
                                deze worden aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken
                                het mogelijk de weigering van een ambtenaar werkzaamheden in het
                                kader van de reïntegratie te aanvaarden te sanctioneren.</al><al><cursief>Sub c</cursief> De ambtenaar die tijdens zijn ziekte
                                scholing volgt met het oog op terugkeer in zijn eigen of passende
                                arbeid, heeft ingevolge artikel 7:3, zesde lid, onder d, over deze
                                uren recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.
                                Gedacht kan worden aan scholing die het mogelijk maakt dat de
                                ambtenaar op een andere wijze zijn eigen functie weer volledig kan
                                verrichten. Ook kan scholing worden gezocht die de ambtenaar in
                                staat stelt een passende functie uit te kunnen oefenen. Over de
                                specifieke scholing moeten de ambtenaar en de werkgever afspraken
                                maken. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake deskundige,
                                bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. De afspraken
                                worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel
                                7:9.</al><al>De ambtenaar verplicht de scholing te aanvaarden, wanneer deze wordt
                                aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk
                                de weigering van een ambtenaar scholing in het kader van de
                                reïntegratie te aanvaarden te sanctioneren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt eraan herinnerd dat
                                artikel 7:24a, 7:25, 7:25a en 7:25b niet van toepassing zijn op de
                                ambtenaar met een arbeidsovereenkomst en dat hoofdstuk 7 niet van
                                toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                                behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                vorming.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek
                                (T)</titel></kop><al>Artikel 7:2 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp
                            bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek nader
                            regelen. Dat betekent dat voor UWO-gemeenten de bedrijfsgeneeskundige
                            begeleiding in de artikelen 7:2:1 tot en met 7:2:7 inhoudelijk volledig
                            is uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere
                            regels aan deze UWO-artikelen toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere
                            uitvoeringsregels vaststellen ter uitvoering van de UWO-artikelen voor
                            zover noodzakelijk.</al><al>Voor alle gemeenten is in artikel 7:12 het geneeskundig onderzoek nader
                            uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Arbo-dienst (T)</titel></kop><al>Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de gemeente verplicht om
                            zich bij de begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat
                            zijn hun arbeid te verrichten te laten bijstaan door een deskundige die
                            gecertificeerd is op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde
                            of een arbo-dienst. Dit houdt onder andere in dat de gemeente bij de
                            uitvoering van de reintegratieverplichtingen ingevolge de WIA de
                            bovengenoemde deskundige of de arbo-dienst na 6 weken van ziekte moet
                            vragen om een probleemanalyse en een advies, die de basis vormen van het
                            plan van aanpak, dat na 8 weken ziekte opgesteld moet zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Geneeskundig onderzoek (T)</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid de ambtenaar te onderwerpen
                            aan een geneeskundig onderzoek. Deze bevoegdheid kan van belang zijn
                            wanneer bijvoorbeeld het gedrag van een ambtenaar op de werkplek
                            aanleiding vormt voor de werkgever zich af te vragen of betrokkene een
                            goede gezondheid geniet. Het kan voor de werkgever ook van belang zijn
                            te weten of de ongeschiktheid voor een functie een medische oorzaak
                            heeft.</al><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 7:12 is de ambtenaar verplicht zich
                            aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen, in artikel 7:13:2 is de
                            sanctie neergelegd indien de ambtenaar weigert zich te onderwerpen aan
                            een dergelijk onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
                                (T)</titel></kop><al>Artikel 7:2:7 heeft betrekking op subsidies die de gemeente kan
                            aanvragen, bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de (re)integratie
                            arbeidsgehandicapten. De brochure ‘Slim omgaan met subsidies voor
                            arbeidsgehandicapten’ van het A+Ofonds geeft hierover uitgebreide
                            informatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Recht op bezoldiging (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Inleiding</vet> Voor een omschrijving van het begrip ziekte
                                wordt aangesloten bij de jurisprudentie zoals die door de Centrale
                                Raad van Beroep is gevormd op basis van artikel 19 van de Ziektewet.
                                Voor een recht op ziekengeld moet een verzekerde ongeschikt zijn
                                voor het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Onder het begrip
                                ‘ongeschiktheid tot werken’ verstaat de Centrale Raad het op
                                medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of
                                mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Vervolgens
                                hanteert de Centrale Raad een medisch ziektebegrip. Er moet, naar
                                het oordeel van de Centrale Raad, sprake zijn van een ‘de
                                gezondheidstoestand ongunstig beïnvloedend procesmatig gebeuren’.
                            </al></lid><lid><lidnr>1, 2, 3 en 4</lidnr><al> In het eerste tot en met het vierde lid wordt de hoofdlijn van het
                                regime van de hoogte van de loondoorbetaling tijdens ziekte
                                weergegeven. Met ingang van de eerste ziektedag wordt de bezoldiging
                                gedurende zes maanden volledig doorbetaald. Hierna heeft de
                                ambtenaar gedurende de zevende maand tot en met de twaalfde maand
                                recht op 90% van zijn bezoldiging. Na twaalf maanden van ziekte
                                heeft de ambtenaar recht op 75% van zijn bezoldiging. Na 24 maanden
                                van ziekte heeft de ambtenaar recht op 70% van zijn bezoldiging tot
                                het einde van zijn dienstverband.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als
                                ziekte. De leden 1, 2, 3 en 4, die de hoogte van de doorbetaling van
                                de bezoldiging bepalen tijdens ziekte zijn hier niet van toepassing.
                                In artikel 6:7 is geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar tijdens haar
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op de doorbetaling
                                van haar volledige bezoldiging. Dit geldt ook als de ambtenaar ziek
                                is tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft met andere woorden voorrang
                                boven de financiële aanspraken die gelden tijdens ziekte. </al><al>Op grond van artikel 29a van de Ziektewet heeft de medewerkster
                                recht op ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon over de
                                perioden van zwangerschapsgerelateerde ziekte voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en daarna.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en
                                scholing in het kader van de reïntegratie zijn opgenomen in artikel
                                7:1, eerste lid, onderdelen a, b en c. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Wanneer de ziekte is veroorzaakt door een dienstongeval blijft
                                aanspraak bestaan op de gehele bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het tweede ziektejaar en daarna voor ten
                                minste 50% van zijn arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid of
                                werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of
                                scholing volgt als genoemd in het zesde lid, heeft recht op een
                                bonus van 5%, berekend over de bezoldiging waarop hij recht heeft
                                ingevolge dit artikel. Deze bonus geeft naast de betaling van 100%
                                over de gewerkte uren en uren van scholing in het kader van de
                                reïntegratie een extra reïntegratiestimulans voor de ambtenaar. Een
                                ambtenaar heeft in het eerste ziektejaar geen recht op de bonus.
                            </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt (CRvB 25
                                februari 2005, vindplaats: LJN AS9294, 02/3044 AW) dat uit het recht
                                op gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen voortvloeit dat de
                                periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof waarin de zwangerschap gepaard
                                gaat met stoornissen en complicaties niet meegeteld mag worden voor
                                de berekening van de termijn als bedoeld in het eerste tot en met
                                het vierde lid. Indien dat wel het geval zou zijn, zou de
                                medewerkster die zwangerschapsgerelateerd ziek is, eerder
                                geconfronteerd worden met een verlaging van haar bezoldiging. Deze
                                verlaging kan alleen vrouwen treffen en is daarom strijdig met het
                                gelijke behandelingsrecht. In het tiende lid is daarom geregeld dat
                                de periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte de termijnen als
                                bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid opschort. Dit houdt
                                in dat het langer duurt voordat de bezoldiging van betrokkene op een
                                lager niveau gesteld wordt. </al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster is met ingang van 1
                                februari 2006 ziek vanwege een hernia. Zij wordt hersteld verklaard
                                op 1 mei 2006 (zij is dan 3 maanden ziek). Op 15 mei 2006 valt zij
                                uit wegens zwangerschapsklachten (minder dan 4 weken van herstel) en
                                herstelt hiervan met ingang van 15 juni 2006 (1 maand ziek). Met
                                ingang van 1 juli 2006 valt zij voor 4 maanden uit wegens een hernia
                                (minder dan 4 weken van herstel). Als gevolg van de samentelregeling
                                uit het elfde lid, worden ziekteperioden samengeteld als er minder
                                dan 4 weken van herstel tussenligt. Ingevolge lid 2 zou de
                                medewerkster dan met ingang van 1 september 2006 (dan zijn in totaal
                                – de korte periodes van herstel niet meegerekend – 6 maanden van
                                ziekte verstreken), recht hebben op 90% van haar bezoldiging. De
                                periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de periode van
                                de hoogte van de loondoorbetaling echter op. De medewerkster is 1
                                maand zwangerschapsgerelateerd ziek geweest. Als gevolg hiervan
                                wordt haar bezoldiging met ingang van 1 oktober 2006 naar 90%
                                bijgesteld. </al><al>Let wel, het tiende lid ziet alleen op een opschorting van de
                                periode bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid. Als een
                                medewerker 7 maanden ziek is en na 3 weken herstel
                                zwangerschapsgerelateerd ziek wordt, dan heeft zij op grond van het
                                tweede lid van dit artikel recht op 90% doorbetaling van haar
                                bezoldiging tijdens de zwangerschapsgerelateerde ziekte. De periode
                                van de zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de berekening van de
                                periode waarover de hoogte van de loondoorbetaling wordt bepaald,
                                op. Ingevolge artikel 29a van de Ziektewet heeft de vrouwelijke
                                ambtenaar over de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte recht
                                op ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon. In artikel 7:19
                                is de samenloop van bezoldiging bij ziekte met het ziekengeld
                                geregeld.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Volgens het elfde lid worden ziekteperioden samengeteld als zij
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit
                                het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat de periode van
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als
                                ziekte. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die onderbroken
                                worden door het zwangerschaps- en bevallingsverlof in principe niet
                                mogen worden samengeteld aangezien er door het verlof een
                                onderbreking van vier weken of meer plaatsvindt tussen de
                                ziekteperioden. Indien de ziekte echter direct voorafgaat aan en
                                direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de
                                ziekte moet redelijkerwijs worden geacht voort te vloeien uit
                                dezelfde oorzaak, worden deze perioden samengeteld. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1
                                januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 29 maart
                                2006 (na 2 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft
                                korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari 2006 als eerste
                                ziektedag. Dit betekent dat de bezoldiging op 15 juli 2006 (dit is
                                zes maanden + 2 weken na 1 januari 2006) wordt teruggebracht naar
                                90%. Op 15 januari 2007 wordt de bezoldiging vervolgens
                                teruggebracht naar 75 % en per 15 januari 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1
                                januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 26 april
                                2006 (na 6 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft
                                langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 26 april 2006 als eerste
                                ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen van de bezoldiging
                                begint te lopen. Dit betekent dat de bezoldiging op 26 oktober 2006
                                (dit is 6 maanden na 26 april 2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op
                                26 april 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar 75%
                                en per 26 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1
                                januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat
                                zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij zou op 19 juli 2006
                                weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter ziek. Omdat de
                                medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                                onderbreking van 4 weken of meer. Daardoor geldt 19 juli 2006 als
                                eerste ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de
                                bezoldiging begint te lopen. Dit betekent dat op 19 januari 2007
                                (dit is 6 maanden na 20 juli 2006) de bezoldiging wordt
                                teruggebracht tot 90%. Op 19 juli 2007 wordt de bezoldiging
                                vervolgens teruggebracht naar 75% en per 19 juli 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1
                                januari 2006. Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof tot en met 20 augustus 2006. Op 21 augustus 2006
                                zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog
                                ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat
                                verlof. In dit geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag,
                                waarop de termijn voor terugbrengen van de bezoldiging begint te
                                lopen. Dit betekent dat de bezoldiging op 21 oktober 2006 (dit is 6
                                maanden + 16 weken na 1 januari 2006) wordt teruggebracht naar 90%.
                                Op 21 april 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar
                                75% en per 21 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat
                                verlof. In dit geval geldt 21 augustus 2006 als eerste ziektedag,
                                waarop de termijn voor het terugbrengen van de bezoldiging begint te
                                lopen. Dit betekent dat op 21 februari 2007 (dit is 6 maanden na 21
                                augustus 2006) de bezoldiging wordt teruggebracht tot 90%. Op 21
                                augustus 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar 75%
                                en per 21 augustus 2008 naar 70%.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al> Indien de ambtenaar na 24 maanden van ziekte definitief wordt
                                herplaatst in een andere betrekking door middel van een wijziging
                                van de aanstelling (artikel 7:16, tweede lid), ontstaat op de
                                ingangsdatum van de wijziging van de aanstelling een nieuwe
                                situatie. Als de ambtenaar weer ziek wordt in deze aanstelling
                                beginnen de termijnen van dit artikel opnieuw te lopen. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al> Het dertiende lid geeft de basis voor artikelen die het onderwerp
                                recht op bezoldiging nader regelen. In de artikelen 7:8 tot en met
                                7:8:3 is hieraan uitdrukking gegeven. Ook de artikelen 7:13:1,
                                7:13:2, 7:14 en 7:15:1 bevatten bepalingen met betrekking tot het
                                niet uitbetalen van en het tussentijds stopzetten van de
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al>Het college kan in bepaalde gevallen van oordeel zijn dat een
                                korting op de bezoldiging niet redelijk is en besluiten tot
                                doorbetaling van de volledige bezoldiging. Deze afweging wordt in
                                ieder geval gemaakt als er sprake is van een zodanige
                                gezondheidssituatie dat het levenseinde van de ambtenaar, volgens
                                objectieve medische maatstaven, nabij is. Voordat het college een
                                besluit neemt, kan advies worden gevraagd aan de bedrijfsarts of de
                                gezondheidssituatie van de ambtenaar levensbedreigend is en of zijn
                                leven op korte termijn ernstig gevaar loopt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
                                (T)</titel></kop><al>Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de
                            arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in een
                            dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is aan betrokkene. De WGA-
                            of IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling
                            op grond van het pensioenreglement van het ABP, wordt aangevuld tot een
                            bepaald percentage van de bezoldiging, genoten in het jaar voorafgaand
                            aan het ontslag. De percentages zijn afhankelijk van de mate van
                            arbeidsongeschiktheid. </al></artikel><artikel><kop><titel>Vervallen (T)</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Vaststelling referte-tijdvak toelagen (T)</titel></kop><al>Volgens dit artikel dient het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen
                            voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage
                            onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede
                            de prestatiebeloning in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.
                            Het ligt voor de hand om dit in de lokale bezoldigingsverordening te
                            regelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Periodieke salarisverhoging (T)</titel></kop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient volgens
                            dit artikel in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Gelet op
                            de aard van het onderwerp ligt het voor de hand om hiervoor de lokale
                            bezoldigingsverordening te gebruiken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                                artikel 2:7a (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als een ambtenaar van de seniorenregeling uit hoofdstuk 5 gebruik
                                maakt en op grond daarvan zijn feitelijke arbeidstijd is
                                teruggebracht, kan hij niet verplicht worden tot aanvaarding van een
                                functie met zijn oude betrekkingsomvang. De ambtenaar wiens
                                arbeidstijd is teruggebracht, kan dus alleen verplicht worden een
                                baan te accepteren voor die verminderde betrekkingsomvang.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als een ambtenaar met toepassing van artikel 2:7a tijdelijk
                                (maximaal) 40 uur werkt, kan hij verplicht worden tot aanvaarding
                                van een functie voor (maximaal) 40 uur, voor zover en zolang artikel
                                2:7a op hem van toepassing is. Na afloop van deze periode kan de
                                ambtenaar verplicht worden een functie te accepteren voor de formele
                                arbeidsduur van 36 uur. Na afloop van deze periode wordt de
                                bezoldiging ook teruggebracht naar een bezoldiging voor 36 uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen college (T)</titel></kop><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al> Onder het treffen van maatregelen moeten ook het verrichten van
                                werkzaamheden in het kader van de reïntegratie en het volgen van
                                noodzakelijke scholing in het kader van de reïntegratie, bedoeld in
                                artikel 7:1, eerste lid, onder b en c, worden begrepen. Doel van
                                deze maatregelen is terugkeer in de eigen arbeid dan wel plaatsing
                                in een passende functie. </al><al>Op grond van de Wet verbetering poortwachter is in artikel 7:9 voor
                                de werkgever de verplichting opgenomen om er, zover als mogelijk,
                                voor te zorgen dat de ambtenaar bij de eigen organisatie arbeid kan
                                verrichten (eerste spoor). Als bij de eigen organisatie geen
                                passende arbeid te vinden is, moet de werkgever (laten) zoeken naar
                                passende arbeid bij een andere werkgever (tweede spoor). De tekst
                                van artikel 7:9 komt overeen met de tekst van artikel 658a van boek
                                7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het is mogelijk dat de werkgever en de werknemer van mening
                                verschillen over de aanwezigheid van passende arbeid. Artikel 30,
                                eerste lid, onder f, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                werk en inkomen bepaalt dat de werknemer of de werkgever UWV kan
                                verzoeken een onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven
                                over de aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer
                                voor de werkgever in staat is te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de WIA zijn, naast de aanspraken van de werknemers, ook
                                verplichtingen voor werkgever en werknemer opgenomen. Een van de
                                verplichtingen betreft het opstellen van een plan van aanpak, dat
                                opgesteld moet worden op het moment dat sprake is van dreigend
                                langdurig ziekteverzuim. Dit plan van aanpak moet volgen op een
                                probleemanalyse en advies van de arbo-dienst, dat na 6 weken ziekte
                                moet worden opgesteld. Binnen twee weken daarna moet het plan van
                                aanpak zijn opgesteld. Hierin moet worden opgenomen welke
                                maatregelen in het kader van het herstel van de ambtenaar getroffen
                                worden. </al><al>Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen
                                scholing moeten worden neergelegd in het plan van aanpak. De
                                werkgever laat zich bij het maken van de afspraken bijstaan door een
                                ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de
                                arbo-dienst.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In de CAO 2002-2003 is de verplichting opgenomen dat de werkgever
                                een verzuimprotocol vaststelt. In diezelfde CAO zijn enkele
                                verplichte elementen van dat verzuimprotocol vastgesteld. In de
                                ledenbrief van 26 november 2002, Lbr. 02/167 is een handreiking
                                gedaan voor een verzuimprotocol. De verplichte elementen maken daar
                                onderdeel van uit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte
                                (T)</titel></kop><al>Het niet naleven van artikel 7:10 kan leiden tot staking van de
                            bezoldiging. Dit is bepaald in artikel 7:13:2, eerste lid, onder i.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>In artikel 7:11 zijn de algemene verplichtingen opgenomen die, ook
                                in het derde ziektejaar, in het kader van ziekteverzuim en
                                reïntegratie voor de ambtenaar gelden.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In het kader van de Wet verbetering poortwachter is in het eerste
                                lid, onderdeel a en b, voor de werknemer de verplichting opgenomen
                                medewerking te verlenen aan zijn reïntegratie. Dit artikel is
                                opgenomen in de CAR om hiermee uitdrukking te geven aan de nieuwe en
                                strengere regelgeving in het kader van preventie ziekteverzuim en
                                reïntegratie en de invoering van de Wet verbetering poortwachter,
                                die op 1 april 2002 in werking is getreden. De tekst van het eerste
                                lid komt overeen met artikel 660a, boek 7, titel 10, van het
                                Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het eerste lid is ook de tegenhanger van de verplichtingen die in
                                het kader van preventie ziekteverzuim en reïntegratie aan de
                                werkgever worden opgelegd (zie artikel 7:9). Het artikel verplicht
                                de ambtenaar actief mee te werken aan het reïntegratieproces, zowel
                                in het eerste begin van de ziekte als lopende het
                                reïntegratietraject. Onder de maatregelen waaraan de ambtenaar
                                gevolg moet geven moeten onder andere werkzaamheden en scholing in
                                het kader van de reïntegratie worden verstaan (zie artikel 7:9,
                                tweede lid). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht om aangeboden passende arbeid te
                                aanvaarden. De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet
                                aanvaarden van deze arbeid is neergelegd in artikel 7:14 (inhouding
                                bezoldiging) en artikel 8:5a (ontslag binnen dan wel na 24 maanden
                                na de eerste ziektedag bij het zonder deugdelijke grond niet
                                aanvaarden van passende arbeid).</al><al>Artikel 30, eerste lid, onder f, SUWI bepaalt dat werkgever of
                                werknemer UWV kan verzoeken een onderzoek in te stellen naar dan wel
                                een oordeel te geven over de aanwezigheid van passende arbeid, die
                                de zieke werknemer voor de werkgever in staat is te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek (T)</titel></kop><al>De ambtenaar dient mee te werken aan een medisch onderzoek door of
                            vanwege de bedrijfsgezondheidsdienst om bepaalde in het eerste lid
                            omschreven vragen te kunnen beantwoorden. De geneeskundige die het
                            medisch onderzoek verricht, deelt de uitkomst daarvan schriftelijk mee
                            aan betrokkene en aan het college. </al><al>Op overtreding van deze verplichting staat een sanctie, evenals wanneer
                            het onderzoek wel heeft plaatsgevonden, maar daaruit blijkt van
                            verwijtbaar gedrag van de ambtenaar. De sancties zijn opgenomen in
                            artikel 7:13:1 en 7:13:2.</al></artikel><artikel><kop><titel>Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging (T)</titel></kop><al>Artikel 7:13:1 bepaalt in welke gevallen geen recht bestaat op
                            doorbetaling van de bezoldiging. Het gaat hierbij om situaties waarin al
                            vrij snel na de eerste ziektedag bekend is dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van de betrekking
                                    opzettelijk heeft veroorzaakt en dit gedrag betrokkene
                                    verwijtbaar is;</al></li><li nr="-"><al>de ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de geneeskundige
                                    keuring, waarbij blijkt dat de ambtenaar willens en wetens
                                    onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft
                                    verstrekt, zodanig dat de verklaring dat tegen de vervulling van
                                    de betrekking geen medische bezwaren bestaan, niet afgegeven zou
                                    zijn.</al></li></lijst><al>De in dit artikel beschreven situaties zijn geen situaties die hersteld
                            kunnen worden. Als de situatie zoals beschreven zich voordoet, bestaat
                            er vanaf de eerste dag van ziekte geen recht op doorbetaling van de
                            bezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Staken van doorbetaling van de bezoldiging (T)</titel></kop><al>Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op
                            overtreding van de verplichtingen als genoemd in artikel 7:10, 7:11 en
                            7:12, alsmede de conclusies die uit het onderzoek als bedoeld in artikel
                            7:12 getrokken kunnen worden. </al><al>De in deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit
                            houdt in dat artikel 7:13:2 en 7:14 ook tussentijds kunnen worden
                            toegepast. Wanneer de situatie weer hersteld is, wordt de betaling van
                            de bezoldiging weer gestart.</al><al>Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn
                            opgelegd in artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen
                            die op grond van artikel 7:11 aan de ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde
                            informatie te verstrekken. De andere sancties van artikel 7:13:2
                            betreffen gedrag van de ambtenaar, waarbij de arbo-dienst een rol speelt
                            in de beoordeling van dat gedrag.</al><al>De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de
                            doorbetaling van de bezoldiging wordt gestaakt wanneer bijvoorbeeld de
                            ambtenaar nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of zich
                            niet houdt aan voorschriften van behandelende geneeskundigen.</al><al>Als van het gedrag van de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op
                            grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van de
                            bezoldiging wel plaats. De gemeente moet zich voor het besluit om de
                            bezoldiging te staken dus vergewissen van de geestestoestand van de
                            ambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>De in dit artikel beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit
                                houdt in dat artikel 7:14 ook tussentijds kan worden toegepast.
                                Wanneer de situatie weer hersteld is, wordt de betaling van de
                                bezoldiging weer gestart.</al><al>Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11
                                aan de ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>UWO-gemeenten worden verwezen naar artikel 7:13:2 en de toelichting
                                daarop.</al><al>Artikel 7:14 sanctioneert de ambtenaar die zich niet houdt aan de
                                volgende verplichtingen, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet naleven van het ziekteverzuimprotocol;</al></li><li nr="-"><al>het niet naleven van de voorschriften en maatregelen (zoals
                                        het verrichten van werkzaamheden en scholing in het kader
                                        van de reïntegratie als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid,
                                        onderdelen b en c) die door het college gesteld kunnen
                                        worden;</al></li><li nr="-"><al>het niet meewerken aan het plan van aanpak en </al></li><li nr="-"><al>het weigeren van passende arbeid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In de CAO 2002-2003 is overeengekomen dat overtreding van de regels
                                uit het verzuimprotocol uiteindelijk kan leiden tot zware
                                disciplinaire maatregelen. Dit is uitgewerkt in de zin dat
                                overtreding van de regels uit het verzuimprotocol als plichtsverzuim
                                wordt aangemerkt en via de procedure van hoofdstuk 16 gesanctioneerd
                                kan worden. De op te leggen sanctie moet overeenkomen met de ernst
                                van de gedraging. Ook de verwijtbaarheid van de gedragingen maakt
                                deel uit van de afwegingen, die leiden tot de keuze voor de
                                sanctie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die zonder deugdelijke grond weigert zich te houden
                                aan de voorschriften en maatregelen, die door de gemeente zijn
                                gesteld, weigert passende arbeid te verrichten of die weigert
                                medewerking te verlenen aan de totstandkoming, evaluatie en –
                                eventueel – bijstelling van het plan van aanpak, kan bestraft worden
                                met inhouding van de bezoldiging. Daarnaast bestaat ook de
                                mogelijkheid van bestraffing met ontslag na 24 maanden dan wel
                                binnen 24 maanden na de eerste ziektedag (artikel 8:5a).</al><al>De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de
                                opstelling, evaluatie en – eventueel – bijstelling van het plan van
                                aanpak en de sanctie op het weigeren van passende of gangbare arbeid
                                is gelijk aan de sanctie die sinds de inwerkingtreding van de Wet
                                verbetering poortwachter in artikel 629, boek 7, titel 10, van het
                                Burgerlijk wetboek is opgenomen.</al><al>De sancties op de overtredingen die in het tweede lid genoemd zijn,
                                zijn imperatief: de doorbetaling van de bezoldiging wordt gestaakt
                                wanneer de ambtenaar het beschreven gedrag betoont.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als van het gedrag van de ambtenaar, als genoemd in het tweede lid,
                                geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke
                                toestand, vindt doorbetaling van de bezoldiging wel plaats. De
                                gemeente moet zich voor het besluit om de bezoldiging te staken dus
                                vergewissen van de geestestoestand van de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar
                                (T)</titel></kop><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid de op grond van artikel 7:13:1,
                            7:13:2 of 7:14 niet-uitbetaalde bezoldiging aan anderen dan aan de
                            ambtenaar te betalen. Het kan hierbij gaan om betalingen die aan
                            familieleden worden gedaan. </al><al>Ingevolge het tweede lid wordt de niet-uitbetaalde bezoldiging alsnog
                            uitbetaald wanneer de ambtenaar na een door hem aangevraagde second
                            opinion door het UWV in het gelijk gesteld wordt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Herplaatsing in passende arbeid (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt dat de ambtenaar passende
                                arbeid moet verrichten. Gedurende de eerste 24 maanden kan de
                                ambtenaar niet definitief worden herplaatst in deze passende arbeid.
                                Na 24 maanden gebeurt dat wel. Hieraan worden echter in de 12
                                maanden na afloop van de eerste 24 maanden voorwaarden verbonden.
                                Deze voorwaarde is voor de medewerker die minder dan 35%
                                arbeidsongeschikt is, dat hij met de passende arbeid zijn volledige
                                restverdiencapaciteit benut. Voorwaarde voor definitieve
                                herplaatsing van de ambtenaar die 35% tot 80% arbeidsongeschikt is,
                                is dat hij met de passende arbeid 50% of meer van zijn
                                restverdiencapaciteit benut. Zie verder lid 3 en 4. </al><al>Voor definitieve herplaatsing na het derde ziektejaar gelden de
                                voorwaarden van lid 3 en 4 niet meer. De ambtenaar hoeft met de
                                passende arbeid dan niet meer zijn volledige restverdiencapaciteit
                                te benutten (minder dan 35% arbeidsongeschikt) of 50% of meer van
                                zijn restverdiencapaciteit te benutten (35% tot 80%
                                arbeidsongeschikt).</al><al>Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden
                                onderscheiden: </al><lijst><li nr="1"><al>de situatie waarin de aanstelling in de oude betrekking
                                        gehandhaafd blijft, maar waarbij de ambtenaar tijdelijk
                                        andere arbeid wordt opgedragen;</al></li><li nr="2"><al>de situatie waarin de aanstelling na 24 maanden van ziekte
                                        wordt gewijzigd; de oude betrekking van de ambtenaar komt te
                                        vervallen en deze krijgt een nieuwe betrekking in passende
                                        arbeid.</al></li></lijst><al><cursief> ad 1</cursief> De situatie beschreven onder 1) zal zich
                                vooral voordoen in die gevallen waarbij:</al><lijst><li nr="a"><al>terugkeer in de oude betrekking nog mogelijk wordt geacht en
                                        de ambtenaar bijvoorbeeld passende arbeid verricht,</al></li><li nr="b"><al>(volledige) terugkeer in de oude betrekking niet mogelijk
                                        wordt geacht en de ambtenaar tijdelijk een andere betrekking
                                        vervult, bijvoorbeeld bij wijze van proef voorafgaand aan
                                        een definitieve herplaatsing.</al></li></lijst><al> Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid,
                                ook zonder aanpassing van de aanstelling, aan de ambtenaar wordt
                                opgedragen, wordt voor de ambtenaar en de werkgever inzichtelijk wat
                                van de ambtenaar verlangd wordt. Ook is het mogelijk dat de
                                ambtenaar terugkeert in zijn eigenlijke functie. Over de uren dat de
                                ambtenaar deze werkzaamheden verricht, heeft hij recht op de
                                doorbetaling van zijn bezoldiging (artikel 7:3, zesde lid, onderdeel
                                b). </al><al><cursief>ad 2</cursief>Voordat de medewerker aanspraak kan maken op
                                een uitkering ingevolge de WIA, geldt voor hem een wachttijd van 104
                                weken (de wachttijd voor een WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Indien
                                het mogelijk zou zijn de zieke medewerker definitief te herplaatsen
                                binnen twee jaar in een passende functie, zou de situatie ontstaan
                                dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen recht heeft op een uitkering
                                op grond van de WIA. De betrokken medewerker is voor zijn nieuwe
                                functie namelijk niet ziek. Dit is de reden geweest dat een
                                wijziging van de aanstelling pas plaatsvindt nadat er twee jaren van
                                ziekte zijn verstreken.</al><al> In het derde en vierde lid van artikel 7:16 zijn aanvullende
                                voorwaarden opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat de ambtenaar
                                in het derde ziektejaar definitief wordt herplaatst via een
                                wijziging van zijn aanstelling. Er zijn twee voorwaarden waaraan
                                moet zijn voldaan:</al><lijst><li nr="1"><al>de herplaatsing moet plaatsvinden in een passende functie
                                    </al></li><li nr="2"><al>waarbij rekening moet worden gehouden met het
                                        restverdiencapaciteit van de ambtenaar die afhankelijk is
                                        van de mate van arbeidsgeschiktheid:</al><lijst><li nr="a"><al>volledige invulling restverdiencapaciteit bij 35% of
                                                minder arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr="b"><al>ten minste 50% invulling restverdiencapaciteit bij
                                                arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%
                                                arbeidsongeschiktheid</al></li></lijst></li></lijst><al> De definitieve herplaatsing kan eventueel vooraf worden gegaan door
                                een herplaatsing bij wijze van proef. Een belangrijk verschil met de
                                situatie onder 1) is dat bij een definitieve herplaatsing door
                                middel van een wijziging in de aanstelling de bezoldiging van de
                                ambtenaar wordt aangepast aan het niveau en de omvang van de nieuwe
                                betrekking. Dit is mogelijk op grond van artikel 3:1, achtste lid. </al><al>Indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere
                                betrekking door middel van een wijziging van de aanstelling,
                                ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de aanstelling een
                                nieuwe situatie. Als de ambtenaar ziek wordt in deze functie
                                beginnen de termijnen ingevolge artikel 7:3 opnieuw te lopen. Indien
                                de ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor de doorbetaling
                                van de bezoldiging altijd uitgegaan van de bezoldiging die geldt
                                voor die nieuwe betrekking. </al><al>Naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag een bredere
                                oriëntatie ten aanzien van de te verrichten passende arbeid worden
                                verwacht. Naarmate de duur van de gedeeltelijke
                                arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar worden
                                verlangd dat deze concessies doet met betrekking tot door hem te
                                verrichten passende arbeid als reïntegratie in de eigen arbeid niet
                                tot de mogelijkheden behoort. </al><al>Artikel 7:14 biedt de mogelijkheid om de bezoldiging te staken,
                                wanneer de ambtenaar zonder deugdelijke grond de aangeboden passende
                                arbeid weigert. Bij de beoordeling van de 'deugdelijkheid' van de
                                weigeringgrond zal worden meegewogen of de arbeid wel voldoet aan
                                het criterium 'passend'. De ultieme sanctie op het zonder
                                deugdelijke reden weigeren van passende arbeid is ontslag. Dit kan
                                binnen 24 maanden, maar ook in de periode van 12 maanden daarna
                                plaatsvinden. Artikel 8:5a biedt daartoe de mogelijkheid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is
                                geworden op of na 1 juli 2007. Lid 3 geeft speciale eisen aan de aan
                                te bieden functie in het geval er sprake is van
                                arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. In het derde ziektejaar
                                moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee de volledige
                                restverdiencapaciteit wordt ingevuld. Als aan deze voorwaarde wordt
                                voldaan, ontvangt de ambtenaar een hogere uitkering (zie paragraaf 7
                                van hoofdstuk 10d). </al><al>In beginsel is sprake van een ontslagverbod binnen 36 maanden na de
                                eerste ziektedag. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de
                                gemeente een functie gevonden is voor de volledige
                                restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst
                                worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt
                                dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden als
                                er in het derde ziektejaar buiten de gemeente een passende functie
                                gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is
                                geworden op of na 1 juli 2007. Lid 4 geeft speciale eisen aan de aan
                                te bieden functie in het geval er sprake is van
                                arbeidsongeschiktheid 35% of meer, maar minder dan 80%. In het derde
                                ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee
                                ten minste 50% van de restverdiencapaciteit vervuld wordt. De
                                uitkeringsrechten van de ambtenaar op grond van de WIA en het ABP
                                Arbeidsongeschiktheidspensioen zijn in dit geval groter, dan wanneer
                                de ambtenaar een functie aanvaardt voor minder dan 50% van zijn
                                restverdiencapaciteit. Als de ambtenaar gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt is, is het niet mogelijk hem wegens
                                arbeidsongeschiktheid te ontslaan voordat er 36 maanden zijn
                                verstreken. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de
                                gemeente een functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                                restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst
                                worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt
                                dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden als
                                er in het derde ziektejaar buiten de gemeente een passende functie
                                gevonden is voor ten minste 50% van de restverdiencapaciteit. </al><al><cursief>Situationele arbeidsongeschiktheid</cursief>In het geval de
                                ambtenaar situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel geen
                                sprake zijn van verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van de
                                WIA. Als de ambtenaar arbeid wordt aangeboden, die gelijk of
                                nagenoeg gelijk is aan de functie die hij bekleedde, zij het bij een
                                ander organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze arbeid in
                                principe niet mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de situatie
                                waarin de ambtenaar zijn werk moest verrichten, is dan immers
                                weggenomen. Weigert de ambtenaar deze arbeid wel, dan kan besloten
                                worden tot toepassing van artikel 7:14 en kan de bezoldiging
                                gestaakt worden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie
                                inzake gelijke behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening
                                van de ontslagtermijn wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de
                                zwangerschap als gevolg van de zwangerschap en het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof zelf, niet worden meegeteld. Het Europees Hof heeft
                                in zijn jurisprudentie een onderscheid aangebracht tussen enerzijds
                                ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt met zwangerschap en
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die verband
                                houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof.
                                Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening
                                van de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. Hetzelfde geldt
                                voor ziekte tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door
                                de zwangerschap; ook deze periode mag meegerekend worden voor de
                                termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt
                                tijdens haar zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde
                                klachten. Zij blijft ziek tot de ingangsdatum van het
                                zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij
                                zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                                zwangerschap. Voor berekening van de termijn van 24 dan wel 12
                                maanden mag niet meegeteld worden de periode dat de medewerkster
                                tijdens de zwangerschap ziek is wegens zwangerschapsgerelateerde
                                klachten; hetzelfde geldt voor de periode van het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid aansluitend op
                                het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de termijn
                                van 24 dan wel 12 maanden, onafhankelijk van de vraag of deze
                                veroorzaakt zijn door de zwangerschap of de bevalling. De termijn
                                van 24 dan wel 12 maanden start in dit voorbeeld dus op de dag
                                aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Volgens het zevende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit
                                het zesde lid vloeit voort dat de periode van
                                zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24
                                en 12 maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die
                                worden onderbroken door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken
                                of langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in
                                principe niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een
                                onderbreking van vier weken of langer. Indien de ziekte (die zijn
                                oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat
                                aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                                de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde
                                oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van
                                de ontslagtermijn. </al><al>Zie de toelichting op artikel 8:5 voor enkele voorbeelden. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De termijn van 24 maanden wordt verlengd in de volgende gevallen. </al><al><cursief>Ad a </cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de
                                verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken
                                heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze
                                melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van
                                de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. </al><al><cursief>Ad b</cursief>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is
                                bepaald dat de wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer
                                gezamenlijk verlengd kan worden. </al><al><cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge
                                de WIA moet een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV
                                van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn
                                verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende
                                reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                                gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De
                                termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk
                                gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze
                                sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de
                                WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de
                                ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond
                                van artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op
                                70% van zijn bezoldiging. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die
                                eigenrisicodrager zijn voor de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen
                                namelijk vrij van de 13e weeks melding van artikel 38 Ziektewet.
                                Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste artikel uiterlijk
                                acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn verstreken,
                                aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                                deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn
                                van 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Onder de informatie die de medewerker moet verstrekken valt onder
                                meer een kopie van het arbeidskundige rapport. De gemeente ontvangt
                                als belanghebbende een kopie van de WIA-beschikking, waarin de mate
                                van arbeidsongeschiktheid en het resterend verdienvermogen genoemd
                                worden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Inkomsten uit of in verband met arbeid (T)</titel></kop><al>Artikel 7:18 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp het
                            in mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden
                            in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging nader regelen. Dat
                            betekent dat voor UWO-gemeenten het in mindering brengen van inkomsten
                            uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op
                            de bezoldiging inhoudelijk in artikel 7:18:1 volledig is uitgewerkt.
                            UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan dit
                            UWO-artikel toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                            vaststellen ter uitvoering van een UWO-artikelen voor zover
                            noodzakelijk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging
                                (T)</titel></kop><al>Als de zieke ambtenaar in het belang van zijn genezing, reïntegratie of
                            herplaatsing werkzaamheden verricht voor zichzelf of voor derden
                            (bijvoorbeeld bij een andere werkgever), moeten de verkregen inkomsten
                            in mindering gebracht worden op de bezoldiging waarop hij ingevolge
                            artikel 7:3 aanspraak op heeft. Deze verrekening vindt als volgt plaats.
                            In overleg met de ambtenaar wordt vastgesteld hoeveel uren hij besteedt
                            aan de betreffende werkzaamheden. Op basis hiervan wordt de hoogte van
                            de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3, vastgesteld. De inkomsten
                            die de ambtenaar verwerft, worden op de bezoldiging in mindering
                            gebracht. </al></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De Ziektewet bepaalt wanneer recht op ziekengeld bestaat. De
                                hoofdregel is dat er geen recht op ziekengeld bestaat wanneer er
                                aanspraak gemaakt kan worden op een loondoorbetaling. Hierin
                                voorziet artikel 7:3 CAR. In de ZW wordt evenwel een uitzondering
                                gemaakt voor de volgende categorie‘n werknemers in actieve
                                dienst:</al><lijst><li nr="-"><al>vrouwelijke ambtenaren die op basis van artikel 29a ZW recht
                                        op een uitkering hebben;</al></li><li nr="-"><al>medewerkers die wegens orgaandonatie ongeschikt zijn hun
                                        betrekking te vervullen;</al></li><li nr="-"><al>arbeidsgehandicapten in de zin van de Wet REA, die in de
                                        eerste vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking
                                        ongeschikt worden hun betrekking te vervullen.</al></li></lijst><al>Deze categorieën actieve werknemers krijgen dus wel recht op een
                                ziekengeld krachtens de Ziektewet. Artikel 7:19 CAR bepaalt dat de
                                ZW-uitkering in mindering gebracht wordt op de bezoldiging, waarop
                                de betrokken ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft rond de periode van zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof recht op een uitkering krachtens artikel 29A ZW
                                indien:</al><lijst><li nr="a"><al>zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op een
                                        uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Waz
                                        (dus voor de ingang van het zwangerschapsverlof) ongeschikt
                                        wordt tot het verrichten van haar arbeid en die
                                        ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap;</al></li><li nr="b"><al>zij in de periode waarin zij recht had kunnen hebben op een
                                        uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Waz,
                                        doch die uitkering nog niet is aangevangen, wegens ziekte
                                        ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid Dit betreft
                                        de periode tussen de zes en vier weken voor de vermoedelijke
                                        bevallingsdatum. Indien de ingang van het
                                        zwangerschapsverlof bepaald is op bijvoorbeeld vier weken
                                        voor de vermoedelijke bevallingsdatum en zes weken voor de
                                        vermoedelijke bevallingsdatum wordt de vrouwelijke ambtenaar
                                        ziek (ongeacht of deze ziekte te maken heeft met de
                                        zwangerschap), dan gaat het verlof op basis van de Waz in
                                        vanaf die zes weken. Tijdens de periode van zes tot vier
                                        weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum heeft de
                                        vrouwelijke ambtenaar recht op een ZW-uitkering. Daarna
                                        heeft de vrouwelijke ambtenaar gedurende veertien weken
                                        recht op een Waz-uitkering;</al></li><li nr="c"><al>zij nadat het recht op een uitkering op grond van artikel
                                        3:7, eerste lid, van de Waz is geëindigd (dus na de afloop
                                        van het bevallingsverlof), aansluitend ongeschikt is tot het
                                        verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar
                                        oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande
                                        zwangerschap. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen ZW-uitkering
                                wordt verstrekt, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld
                                in het eerste lid gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige ZW
                                uitkering ontvangt. Er wordt dan een fictieve uitkering ter hoogte
                                van 70% van het dagloon in mindering gebracht in geval van
                                arbeidsgehandicapten en orgaandonoren en 100% van het dagloon in
                                geval van vrouwelijke ambtenaren die op basis van 29a ZW recht op
                                een uitkering hebben. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ZW-uitkering door schuld of toedoen van de ambtenaar
                                vermindering ondergaat, geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt of
                                aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, wordt in het kader van de
                                vermindering als bedoeld in het eerste lid gehandeld alsof de
                                ambtenaar wel een volledige uitkering ontvangt. Er wordt dan een
                                fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                                gebracht. Sancties en boetes die in het kader van de ZW aan de
                                ambtenaar worden opgelegd, leiden niet tot aanpassing van de
                                vermindering. Sancties en boetes in het kader van de ZW worden dus
                                niet gecompenseerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Om verrekening van de bezoldiging met de ZW-uitkering praktisch
                                mogelijk te maken, moet de ambtenaar de ZW-uitkering cederen aan de
                                gemeentelijke werkgever.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De medewerker die zwangerschapsgerelateerde ziek is, heeft
                                ingevolge de Ziektewet recht op een uitkering. De uitkering is
                                gecedeerd aan de werkgever ingevolge het vierde lid. Als het bedrag
                                van de uitkering hoger ligt dan het bedrag waar de ambtenaar recht
                                op heeft op grond van artikel 7:3, wordt het meerdere uitbetaald aan
                                de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering
                                (T)</titel></kop><al>Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én 6 (voor
                            ziektegevallen van voor 1 januari 2004 moet hier 18 maanden gelezen
                            worden) maanden na de eerste ziektedag verstreken zijn, kan het zijn dat
                            de Werkloosheidswet (WW) op grond van urenverlies én verlies van loon
                            recht geeft recht op een uitkering. Wanneer dat het geval is, heeft de
                            ambtenaar het recht een WW-uitkering aan te vragen. Indien hij een
                            WW-uitkering aanvraagt, wordt deze uitkering in mindering gebracht op de
                            bezoldiging, waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel 7:3
                            recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een medewerker dubbele
                            inkomsten ontvangt. Om de werknemer niet te veel te belasten wordt deze
                            op grond van de CAR/UWO niet verplicht een WW-uitkering aan te vragen.
                            Het is echter wel mogelijk dat deze verplichting uit de WW voortvloeit.
                            Eventuele kortingen op de WW-uitkering worden echter niet in mindering
                            gebracht op de doorbetaling van de bezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van
                                de WIA (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>In artikel 76a van de Ziektewet is bepaald dat de wachttijd voor een
                                uitkering ingevolge de WIA in drie gevallen kan worden verlengd en
                                wel:</al><lijst><li nr="a"><al>met de duur van de vertraging indien de werkgever de
                                        aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW,
                                        later doet dan op grond van dat artikel is
                                        voorgeschreven;</al></li><li nr="b"><al>met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht
                                        bestaat op bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid,
                                        van de WIA;</al></li><li nr="c"><al>met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel
                                        25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>ad a Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk
                                op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te
                                melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet,
                                wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging
                                verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. </al><al>ad b In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                                WIA-wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk
                                verlengd kan worden. </al><al>ad c Bij de aanvraag van een WIA-uitkering moet een
                                reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat
                                de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is
                                nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht,
                                kan het UWV de termijn gedurende welke de werkgever het loon moet
                                doorbetalen verlengen. Dit komt neer op een verlenging van de
                                WIA-wachttijd. De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en
                                wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze
                                sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de
                                WIA.</al><al>Als om de drie hiervoor genoemde redenen de uitkering op grond van
                                de WIA pas op een later tijdstip ingaat dan na 104 weken ziekte, kan
                                op de door te betalen bezoldiging na 104 weken ziekte geen WGA- of
                                IVA-uitkering in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de
                                werkgever feitelijk na 104 weken ziekte een zwaardere financiële
                                last draagt. In het geval genoemd onder b hiervoor is sprake van een
                                bewuste keuze. Deze keuze kan voor werkgever én werknemer gunstig
                                zijn als reïntegratie aanstaande is. De werknemer krijgt dan niet te
                                maken met een uitkering op grond van de WIA; de werkgever heeft als
                                voordeel dat de Pemba-premie niet verhoogd wordt als gevolg van het
                                feit dat een medewerker een uitkering op grond van de WIA heeft. In
                                de gevallen a en c hiervoor kan dit worden beschouwd als een sanctie
                                voor de werkgever voor het niet naleven van de
                                reïntegratieverplichtingen.</al><al>De medewerker merkt financieel dus niets van de verlenging van de
                                wachttijd op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                                artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70%
                                van zijn bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of
                                IVA-uitkering in mindering wordt gebracht op de doorbetaling van
                                bezoldiging.</al><al>Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht
                                op de door te betalen bezoldiging indien deze kan worden toegerekend
                                aan één en dezelfde betrekking. In het geval de betrokkene
                                ondertussen definitief herplaatst is in een andere functie door
                                middel van een wijziging van de aanstelling wordt de WGA-uitkering,
                                voor zover die voortvloeit uit die oude betrekking, niet in
                                mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging tijdens
                                ziekte.</al><al>Iemand die recht heeft op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering in
                                verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid,
                                krijgt een uitkering ter hoogte van 75% van zijn laatste loon.
                                Wanneer dit hoger is dan de doorbetaling van de bezoldiging, waarop
                                op grond van artikel 7:3 recht bestaat, heeft de ambtenaar ten
                                minste recht op het bedrag van de IVAof WGA-uitkering. Dit is het
                                geval na 24 maanden van ziekte, waarna recht op doorbetaling van 70%
                                van de bezoldiging bestaat. </al><al>Niet altijd zal er sprake van zijn dat de door te betalen
                                bezoldiging lager is dan de IVA- of WGA-uitkering bij volledige maar
                                niet duurzame arbeidsongeschiktheid. Hiervan is geen sprake iemand
                                eerder voor een IVA-uitkering in aanmerking komt (verkorte wachttijd
                                op grond van artikel 23, zesde lid, WIA). Deze eerdere ingang van de
                                IVA-uitkering is al mogelijk vanaf 13 weken na de eerste ziektedag.
                                Op dat moment (na 13 weken) is er zelfs nog sprake van 100%
                                loondoorbetaling. Op dat moment vindt dus wel volledige verrekening
                                van de uitkering met de loondoorbetaling plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is
                                van een zieke ambtenaar die meer dan één baan heeft. Indien
                                betrokkene voor beide betrekkingen arbeidsongeschikt wordt, zal
                                slechts één uitkering op grond van de WIA worden toegekend die
                                betrekking heeft op beide banen. Op doorbetaling van bezoldiging
                                voor één van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel van
                                de uitkering ingevolge de WIA in mindering moeten brengen dat
                                verband houdt met de arbeidsongeschiktheid uit die functie. Dit
                                dient naar rato van de bezoldiging uit de beide betrekkingen te
                                worden bepaald. </al></lid><lid><lidnr>3 t/m 5</lidnr><al> In het derde tot en met vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop
                                van een uitkering op grond van de WIA en doorbetaling van
                                bezoldiging tijdens ziekte wordt uitgegaan van een WGA- of een
                                IVA-uitkering, als sprake is van gedrag dat verwijtbaar is aan
                                betrokkene. Hiermee wordt voorkomen dat de ontstane meerlasten
                                kunnen worden afgewenteld op de werkgever die immers een hoger
                                bedrag aan bezoldiging dient door te betalen ingeval de WGA- of
                                IVA-uitkering niet of niet volledig tot uitbetaling komt en dit
                                betrokkene te verwijten is. Omdat dit gevolg ongewenst is, geven
                                genoemde leden de werkgever de mogelijkheid in dergelijke gevallen
                                toch een korting op de bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement (T)</titel></kop><al>Indien betrokkene recht heeft op een aanvulling op de WIA-uitkering op
                            grond van het pensioenreglement van het ABP, wordt deze aanvulling
                            verrekend met de loondoorbetaling op grond van artikel 7:3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Zorgverzekering (T)</titel></kop><al>De VNG heeft in overleg met de bonden een contract met IZA
                            Zorgverzekeraar NV voor de periode 1 januari 2009 tot 1 januari 2012.
                            Het contract is een exclusief collectief zorgverzekeringscontract voor
                            gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven. De definitie van
                            postactieven en inactieven staat in artikel 7:1, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Tegemoetkoming ziektekosten (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in ziektekosten is een onkostenvergoeding en
                                maakt daarom geen onderdeel uit van de bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte tegemoetkoming (T)</titel></kop><al>Op grond van dit artikel zijn er twee mogelijke tegemoetkomingen in de
                            ziektekosten, namelijk € 168,= per jaar of € 296,= per jaar. In de maand
                            december wordt het salaris van de medewerker in die maand maal zijn
                            deeltijdfactor in die maand vergeleken met het in december geldende
                            bedrag van het maximum van schaal 6. De maand december is dus de
                            peildatum voor de beoordeling of de medewerker de lage of de hoge
                            tegemoetkoming in de ziektekosten ontvangt. Is het salaris van de
                            medewerker in december meer dan het maximum van schaal 6, dan ontvangt
                            hij de lage tegemoetkoming. Is het salaris van de medewerker in december
                            gelijk aan of minder dan het maximum van schaal 6, dan ontvangt hij de
                            hoge tegemoetkoming.</al><al>Voorbeeld toepassing hoge tegemoetkoming ziektekosten Jan heeft een
                            aanstelling voor 18 uur per week. Zijn salaris is schaal 8. Hij is
                            ingedeeld in periodiek 4. Het bedrag van de salarisschaal maal de
                            deeltijdfactor bedraagt in de maand december € 2423,= x 18/36 = €
                            1211,50. Dit is minder dan het maximum van schaal 6 (€ 2438,=). Jan
                            ontvangt dus de hoge tegemoetkoming in de ziektekosten.</al><al>Voorbeeld toepassing lage tegemoetkoming ziektekosten Marieke heeft op 1
                            januari 2010 een aanstelling van 18 uur per week. Marieke is ingeschaald
                            in salarisschaal 10, periodiek 9. Vanaf 1 juli 2010 gaat zij 28,8 uur
                            per week werken. In december krijgt Marieke de lage tegemoetkoming in de
                            ziektekosten. Haar salarisschaal maal de deeltijdfactor in december is
                            namelijk 28,8/36 * € 3564; dat is € 2851,20. Dat is meer dan het maximum
                            van schaal 6. Was de aanstelling van Marieke ongewijzigd gebleven en was
                            zij dus 18 uur blijven werken, dan had zij in december de hoge
                            tegemoetkoming in de ziektekosten gekregen.</al><al>Voorbeeld peildatum bij gedeelte van een jaar in dienst Lies is op 1
                            januari 2009 in dienst getreden bij de gemeente X. Lies treedt op 15
                            oktober 2010 uit dienst. Lies heeft een aanstelling van 36 uur per week.
                            Haar salarisschaal is schaal 10. Lies krijgt in oktober 9,5/12 maal de
                            lage tegemoetkoming in de ziektekosten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Inhouding ziektekostenpremies (T)</titel></kop><al>De premies voor de basis- en/of aanvullende verzekering worden door de
                            gemeente in beginsel ingehouden op de netto bezoldiging. De
                            geselecteerde zorgverzekeraar voorziet de gemeenten van de benodigde
                            informatie. Indien de ambtenaar bezwaar aantekent tegen de inhouding van
                            de premies op zijn salaris kan de ambtenaar verwachten dat hij een
                            aantal voordelen kwijtraakt van het collectieve arrangement met de
                            geselecteerde zorgverzekeraar. Hij kan dan geconfronteerd worden met
                            zaken als het door de zorgverzekeraar in rekening brengen van extra
                            kosten voor de premieheffing en eisen als premiebetaling vooraf. Ook in
                            het geval de netto bezoldiging lager is dan de som van de af te dragen
                            premies (zoals het geval kan zijn bij kleine deeltijders) hoeft de
                            werkgever de premies niet in te houden op het salaris.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepaling (T)</titel></kop><al>Ten aanzien van sommige lopende gevallen (op 31 december 2000 én 1
                            januari 2001 ziek) is bepaald dat de ZW met terugwerkende kracht ingaat.
                            Dit geldt voor ambtenaren wier vastgestelde zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof eindigt ná 31 januari 2001 en de zieken die op 15
                            februari 2001 nog ziek zijn (ziekte in verband met zwangerschap en/of
                            bevalling daaronder begrepen). Hierbij is voorts bepaald dat als een
                            ziekte eindigt en binnen vier weken weer herleeft, dit als een nieuw
                            ziektegeval wordt beschouwd.</al><al>Wanneer de ZW niet van toepassing wordt of de ZW niet tot uitkering
                            komt, moet gegarandeerd worden dat de op 1 januari 2001 lopende
                            uitkering blijft bestaan en dat de bepalingen van hoofdstuk 7, zoals dat
                            gold op 31 december 2001, blijven gelden. Met het eerste lid van artikel
                            7:26 wordt dit gerealiseerd.</al><al>Bij sommige lopende gevallen die met terugwerkende kracht onder de ZW
                            vallen, komt de ZW ook daadwerkelijk tot uitbetaling. De uitkeringen op
                            grond van hoofdstuk 7 (van voor 1 januari 2001) zijn dan onverschuldigd
                            betaald. Lid 2 van artikel 7:26 voorziet in een terugbetaling
                            daarvan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Garantie-uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Door de invoering van de WW kan de ambtenaar die verminderd
                                arbeidsongeschikt raakt en geen aanvullende werkzaamheden krijgt
                                aangeboden - en derhalve werkloos wordt - in tegenstelling tot de
                                situatie voor 1 januari 2001 aanspraak maken op een WW-uitkering.
                                Derhalve is de garantie-uitkering overbodig geworden voor nieuwe
                                gevallen die optreden na 1 januari 2001. Door wijziging van het
                                eerste lid blijven de bestaande garantie-uitkeringen gegarandeerd.
                                De algemene opmerkingen en de voorbeelden die hierna zijn opgenomen
                                gelden voor de uitkeringen, die voor 1 januari 2001 zijn
                                ingegaan.</al><al><cursief>Algemeen</cursief>Dit artikel biedt een inkomensvoorziening
                                voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar die na definitief
                                herplaatst te zijn in een nieuwe betrekking wordt afgeschat en zijn
                                toegenomen restverdiencapaciteit niet volledig kan benutten, omdat
                                hem geen aanvullende werkzaamheden worden aangeboden.</al><al>Definitieve herplaatsing van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                dient op grond van artikel 7:16, lid 1, onder c plaats te vinden
                                door middel van een wijziging van de aanstelling. Herplaatsing gaat
                                met andere woorden niet gepaard met ontslag, maar slechts met een
                                wijzigingsbesluit. Niet alleen artikel 7:16 sluit ontslag uit, maar
                                ook artikel 8:5, dat expliciet bepaalt dat
                                arbeidsongeschiktheidsontslag alleen dan kan plaats vinden, indien
                                het niet mogelijk is om de betrokkene te herplaatsen in
                                passende/gangbare arbeid. Omdat geen ontslag plaatsvindt, heeft de
                                betrokkene ook geen recht op een uitkering gebaseerd op die
                                oorspronkelijke betrekking, een suppletie-uitkering, waar
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaren die niet herplaatst
                                kunnen worden wel recht op hebben. Dit gemis aan uitkering kan in de
                                situatie dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte wordt afgeschat,
                                maar hem geen aanvullende arbeid kan worden aangeboden (en waardoor
                                de betrokkene in feite gedeeltelijk werkloos raakt), vervelende
                                inkomensgevolgen hebben, waardoor de betrokkene in een slechtere
                                situatie zou kunnen komen dan de ambtenaar die niet herplaatst wordt
                                en suppletie krijgt. De garantie-uitkering biedt een
                                inkomensvoorziening in deze gevallen van werkloosheid en zorgt er
                                voor dat een ambtenaar die meewerkt aan reïntegratie een
                                vergelijkbare inkomenssituatie kent als iemand die niet kan worden
                                herplaatst.</al><al>Bij afschatting van de arbeidsongeschiktheidsklasse en dus verlaging
                                van de WAO-uitkering kan een WW-uitkering aangevraagd worden.</al><al><cursief>Situatieschets</cursief>Een ambtenaar met een bezoldiging
                                van € 2.500,- wordt op 1 januari 1998 ziek. Op 1 januari 1999 wordt
                                hem een WAO-uitkering toegekend gebaseerd op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering van 45 tot 55%. Na 14 maanden, op 1
                                maart 1999, wordt hij definitief herplaatst in een betrekking waarin
                                hij zijn volledige restverdiencapaciteit benut. De bezoldiging in de
                                nieuwe betrekking bedraagt € 1.250,-. Omdat hij zijn volledige
                                restverdiencapaciteit benut, heeft hij tevens recht op
                                herplaatsingstoelage (HPT).</al><al>Het totale inkomen van de ambtenaar ziet er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>bezoldiging uit nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 875,-</al></entry><entry colname="col3"><al>(35% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 375,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De ambtenaar wordt op 1 januari 2000 afgeschat, zijn
                                arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 15 tot 25%. De
                                werkgever is niet in staat om de ambtenaar aanvullende werkzaamheden
                                te bieden, waardoor de ambtenaar zijn toegenomen
                                restverdiencapaciteit kan benutten. Hierdoor krijgt de ambtenaar
                                niet alleen te maken met een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering,
                                maar wordt hij ook geconfronteerd met het verlies van zijn
                                herplaatsingstoelage.Zonder garantie-uitkering ziet het totale
                                inkomen van de ambtenaar er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>bezoldiging uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 350,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(14% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.600,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 7:27 bepaalt dat er in deze gevallen recht bestaat op een
                                garantie-uitkering waardoor de inkomensgevolgen veel beperkter
                                blijven. Op grond van het pensioenreglement van het ABP vindt over
                                deze garantie-uitkering volledige pensioenopbouw plaats.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op grond van artikel 7:27, lid 1, heeft de ambtenaar die wordt
                                afgeschat, nadat hij is herplaatst op grond van artikel 7:6, lid 2,
                                onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, recht op een
                                garantie-uitkering indien hem geen aanvullende arbeid wordt
                                aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                                toegenomen restverdiencapaciteit volledig te benutten en daardoor
                                zijn herplaatsingstoelage verliest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Lid 2 bepaalt de termijn en de hoogte van de uitkering. Bij de
                                bepaling van de termijn en de fasering in de percentages wordt
                                uitgegaan van de begindatum van de ziekte in de oorspronkelijke
                                betrekking. Verder is de hoogte van de garantie-uitkering gebaseerd
                                op de bezoldiging in de oorspronkelijke betrekking.Toegepast op de
                                bovenstaande situatieschets zou de betrokkene met ingang van 1
                                januari 2000 recht krijgt op een garantie-uitkering, tot uiterlijk
                                7,5 jaar na aanvang ziekte in de oorspronkelijke betrekking (1
                                januari 1998), dus tot uiterlijk 1 juli 2005. De hoogte bedraagt €
                                2.000,- (80% van de oorspronkelijke bezoldiging van € 2.500,-) in de
                                periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002. In de periode 1 oktober
                                2002 tot 1 juli 2005 bedraagt de uitkering € 1.750,- (70% van €
                                2.500,-).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Lid 3bepaalt dat op de garantie-uitkering de bezoldiging uit de
                                betrekking waarin de ambtenaar is herplaatst, de WAO-uitkering, het
                                invaliditeitspensioen en de herplaatsingstoelage in mindering worden
                                gebracht. Ook nieuwe inkomsten verworven op of na de datum dat de
                                ambtenaar is afgeschat worden op de garantie-uitkering in mindering
                                gebracht.Toegepast op de bovenstaande situatie zou dat bijvoorbeeld
                                betekenen dit het volgende betekenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                                  2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2" nameend="col2" namest="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2" morerows="2" nameend="col3" namest="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry colname="col3" morerows="2" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 400,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350=400)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>·</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 oktober 2002 tot 1 juli
                                                  2005</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2" nameend="col2" namest="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2" morerows="2" nameend="col3" namest="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry colname="col3" morerows="2" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 150,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(1750-1250-350=150)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.750,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief>Indien de ambtenaar naderhand
                                aanvullende arbeid krijgt aangeboden ter waarde van € 300,- zou dit
                                ter illustratie leiden tot de volgende situatie (alleen de situatie
                                tot 1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                                  2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2" nameend="col2" namest="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2" morerows="2" nameend="col3" namest="col2"><al>€ 300,-</al></entry><entry colname="col3" morerows="2" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3" nameend="col2" namest="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2" morerows="3" nameend="col3" namest="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry colname="col3" morerows="3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 100,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350-300=100)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief>Indien de ambtenaar naderhand
                                aanvullende arbeid zou zijn aangeboden ter waarde van € 750,- (en
                                daardoor zijn volledige restverdiencapaciteit weer kan benutten zou
                                dit tot de volgende situatie leiden (alleen de situatie tot 1
                                oktober 2002 wordt weergegeven).</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                                  2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2" nameend="col2" namest="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2" morerows="2" nameend="col3" namest="col2"><al>€ 750,-</al></entry><entry colname="col3" morerows="2" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3" nameend="col2" namest="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2" morerows="3" nameend="col3" namest="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry colname="col3" morerows="3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4" nameend="col2" namest="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry colname="col2" morerows="4" nameend="col3" namest="col2"><al>€ 150,-</al></entry><entry colname="col3" morerows="4" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="5" nameend="col2" namest="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2" morerows="5" nameend="col3" namest="col2"><al><onderstreept>€ 0,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3" morerows="5" nameend="col4" namest="col3"><al>(2500-1250-750-350-150=0)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Lid 4 bepaalt de sanctie indien de ambtenaar gangbare arbeid
                                weigert, verloren laat gaan of geen gebruik maakt van gelegenheden
                                tot het verkrijgen daarvan. De sanctie is gelijk aan de omvang van
                                de inkomsten die de ambtenaar uit deze gangbare arbeid had kunnen
                                krijgen. Indien de werkgever de ambtenaar bijvoorbeeld arbeid
                                aanbiedt ter waarde van bijvoorbeeld € 500,- en de ambtenaar weigert
                                deze arbeid, dan wordt dit bedrag van € 500,- toch in mindering
                                gebracht op de garantie-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsartikel (T)</titel></kop><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al> Het overgangsartikel heeft de volgende strekking. De artikelen
                                gelden met ingang van 1 januari 2006 en zijn van toepassing op de
                                lopende ziektegevallen van op of na 1 januari 2004. Dit betekent
                                niet dat de artikelen terugwerken tot 1 januari 2004. Er wordt door
                                middel van dit artikel een onderverdeling gemaakt in twee groepen
                                van ziektegevallen. De groep van wie de ziekte ligt voor 1 januari
                                2004, hiervoor gelden de bepalingen genoemd in artikel 7:28 zoals
                                die golden op 31 december 2005. De groep van wie de eerste ziektedag
                                lag op of na 1 januari 2004 valt met ingang van 1 januari 2006 onder
                                de huidige bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>3 en 4</lidnr><al> De WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na beeindiging
                                van de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw
                                aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever
                                heeft ervoor gekozen bij de invoering van de WIA het recht op een
                                WAO-uitkering voor deze personen in stand te laten. Dit betekent dat
                                wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn eerste ziektedag
                                op grond van de CAR/UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking kan
                                komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond
                                van de WIA. De leden 3 en 4 voorzien in een overgangsbepaling voor
                                deze groep medewerkers. De belangrijkste hiervan zijn de bepaling
                                die ziet op definitieve herplaatsing in passende of gangbare arbeid
                                voordat 2 jaar van ziekte is verstreken en de bepalingen die zien op
                                verrekening van een WAO-uitkering met de loondoorbetaling tijdens de
                                periode van ziekte.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De hoogte van de loondoorbetaling als bedoeld in de leden een tot
                                en met vier van artikel 7:3 gelden vanaf 1 januari 2006 voor
                                medewerkers die op of na 1 januari 2004 ziek zijn geworden. Voor de
                                ambtenaar van wie de eerste ziektedag lag voor 1 januari 2004, vangt
                                een nieuwe ziekteperiode ingevolge artikel 7:3, vierde lid (zoals
                                dat artikel gold op 31 december) aan, als sprake is geweest van een
                                onderbreking in 2004 van 4 weken of langer. Er is sprake van een
                                nieuwe ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari 2004. Hetzelfde
                                geldt voor de zieke medewerker van voor 1 januari 2004, die in 2004
                                definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, eerste lid,
                                onder c (zoals dat artikel gold op 31 december 2005 ). Als de
                                medewerker in de gewijzigde aanstelling opnieuw ziek wordt, is
                                sprake van een ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari
                                2004.</al><al>Dit betekent voor een medewerker van wie bijvoorbeeld de eerste
                                ziektedag lag op 1 maart 2005, dat hij op 1 januari 2006 10 maanden
                                ziek is. Op grond van artikel 7:3, tweede lid, heeft hij met ingang
                                van 1 januari 2006 recht op doorbetaling van 90% van zijn
                                bezoldiging. Met ingang van 1 maart 2006 is de ambtenaar 12 maanden
                                ziek en heeft hij ingevolge artikel 7:3, derde lid, recht op
                                doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</al><al>Op doorlopende ziektegevallen van voor 1 januari 2004 blijven de
                                percentages van de loondoorbetaling gelden, die zijn opgenomen in
                                artikel 7:3, zoals die bepaling gold op 31 december 2005 (eerste 18
                                maanden 100%, daarna 80% van de bezoldiging).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsartikel (T)</titel></kop><al>Voor de strekking van dit overgangsartikel zij verwezen naar de
                            toelichting bij artikel 7:28, eerste en tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsartikel (T)</titel></kop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden
                            van ziekte definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus
                            niet een derde ziektejaar, zoals opgenomen is in artikel 7:16, derde en
                            vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsartikel (T)</titel></kop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 7:16, achtste lid,
                            onderdeel a van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus
                            2008 ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1
                            augustus 2008 ziek zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op
                            uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de
                            ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze 13e weeksmelding te
                            laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging
                            verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De periode waarna
                            definitieve herplaatsing kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur
                            verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                            medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op
                            uiterlijk de eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte
                            te melden bij het UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager
                            is voor de WAO en/of WGA. Als de werkgever deze melding te laat doet
                            loopt hij de kans een boete te krijgen. De vertraging heeft geen
                            gevolgen meer voor de loondoorbetalingsverplichting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag op verzoek (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat
                                de ambtenaar geen ontslag kan nemen. Hem moet dat verleend worden.
                                Behoudens andersluidend voorschrift dient een verzoek om ontslag
                                ingewilligd te worden.</al><al>Het verzoek om ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk
                                gebeuren. Indien een ambtenaar op een dergelijk verzoek wenst terug
                                te komen, en het college heeft nog niet beslist, dan kan de
                                betrokken ambtenaar volstaan met de schriftelijke mededeling dat men
                                het desbetreffende verzoek als niet gedaan dient te beschouwen.</al><al>Indien echter het college reeds een ontslagbesluit hebben genomen,
                                is het college niet verplicht op dat besluit terug te komen. Het
                                college heeft wel die bevoegdheid. Een en ander kan afhankelijk zijn
                                van bepaalde factoren zoals de stand van zaken in de
                                vacaturevoorziening en het tijdstip waarop de ambtenaar het verzoek
                                intrekt. Het belang van betrokkene dient zorgvuldig tegen dat van de
                                organisatie afgewogen te worden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een ambtenaar
                                zélf een verzoek om ontslag indient omdat strafontslag dreigt, hem
                                dit ontslag eervol zou moeten worden verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag op verzoek (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit artikellid bepaalt dat de opzegtermijn bij ontslag op eigen
                                verzoek tussen één en drie maanden ligt. Deze open periode betekent
                                dat de medewerker niet koste wat kost vast mag houden aan één maand
                                en de werkgever niet aan drie maanden. Na overleg zal de
                                ontslagdatum vastgesteld worden door de werkgever. Hierbij moet
                                zowel het belang van de medewerker als het belang van de gemeente
                                worden afgewogen. </al><al>Overigens is de gemeente niet gehouden aan een opzegtermijn per de
                                eerste dag van de maand. Opzegging kan ook tegen andere dagen
                                plaatsvinden.</al><al>Een werknemer die ondanks de vastgestelde opzegtermijn toch eerder
                                weg gaat, handelt opzettelijk in strijd met zijn verplichtingen zijn
                                betrekking nauwgezet te vervullen (artikel 3:1:1, vierde lid).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikellid biedt de mogelijkheid om een
                                ontslagverzoek vooralsnog niet in te willigen wanneer een
                                strafrechtelijke vervolging aanhangig is of een disciplinaire straf
                                wordt overwogen en het niet wenselijk is om deze procedure te moeten
                                staken omdat de ambtenaar inmiddels ontslag heeft genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens ouderdomspensioen (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dient de
                                ambtenaar eervol ontslag te worden verleend. Het ontslag gaat in op
                                de eerste dag van de maand waarin betrokkene 65 jaar wordt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar die volledig gebruik maakt van de FPU-regeling heeft
                                reeds voor zijn 65ste ontslag gekregen op grond van artikel 8:11.
                                Ambtenaren met recht op een FPU-uitkering, maar daar niet of niet
                                geheel gebruik van maken hebben op hun 65ste nog een (resterende)
                                betrekking. Voor deelnemers met FPU-rechten regelt het ABP dat het
                                pensioen niet eerder kan ingaan dan op de dag dat de deelnemer 65
                                wordt. Er moet dan ontslag wegens ouderdomspensioen worden verleend.
                                De CAR regelt dat dat ontslag ingaat op de eerste van de maand
                                volgend op die waarin de ambtenaar 65 is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In bijzondere situaties, bijvoorbeeld tijdens een herindeling, kan
                                het wenselijk zijn dat een bepaalde ambtenaar nà zijn 65-jarige
                                leeftijd tijdelijk doorwerkt. Als betrokkene hiermee instemt, wordt
                                hem op een latere datum eervol ontslag verleend. Een tweede
                                mogelijkheid is betrokkene na zijn ontslag een nieuwe aanstelling te
                                verlenen op grond van artikel 2:4.</al><al>In het eerste geval zal betrokkene, op grond van het
                                pensioenreglement, ook langer pensioen opbouwen: inhouding van
                                pensioenpremie op zijn bezoldiging is derhalve dan ook aan de orde.
                                In het tweede geval, waarbij een nieuw dienstverband wordt aangegaan
                                na de 65-jarige leeftijd, heeft de ambtenaar de keuze of er verder
                                pensioenopbouw plaatsvindt. Dit is geregeld in artikel 16.1 van het
                                pensioenreglement.</al><al>Wordt gekozen voor de mogelijkheid om geen pensioen op te bouwen na
                                65 jaar, dan kan de nieuwe aanstelling niet plaatsvinden aansluitend
                                aan het ontslag op grond van het eerste lid van dit artikel. Het
                                ontslag zou dan namelijk ingaan op de eerste dag van de maand waarin
                                de ambetnaar 65 wordt. Als dan vervolgens de nieuwe aanstelling
                                direct ingaat dan wordt de ambtenaar vóór zijn 65ste aangesteld en
                                is er wel sprake van verplichte pensioenopbouw. De nieuwe
                                aanstelling moet dus ingaan op een later moment dan 65 jaar.
                                Uiteraard kan een kleine maand gewacht worden met het aanstellen van
                                de ambtenaar. Maar het college kan dan ook gebruik maken van de
                                mogelijkheid voor een afwijkende ontslagdatum en kiezen voor de
                                eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar 65 is
                                geworden. Als de betrokkene op diezelfde dag aangesteld wordt, is
                                geen sprake meer van verplichte pensioenopbouw en – dus – inhouding
                                van pensioenpremies.</al><al>Door het verkrijgen van het recht op ouderdomspensioen worden
                                financiële belemmeringen weggenomen bij ambtenaar en werkgever om
                                een dienstverband aan te gaan dat geheel en al aansluit bij de wens
                                van beide partijen. Zo kan de ambtenaar de wens hebben een minder
                                belastende functie te krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van minder
                                uren en/of lager functieniveau met bijbehorende lagere
                                betaling.</al><al>Bij voortzetting van het dienstverband verschilt het bruto-netto
                                traject en de premieafdrachten van de situatie waarin na de leeftijd
                                van 65 jaar een nieuw dienstverband is aangegaan. Het aangaan van
                                een nieuw dienstverband is voor zowel werkgever als werknemer
                                voordeliger in financieel opzicht. Wel heeft het niet langer betalen
                                van pensioenpremies natuurlijk gevolgen voor de pensioenopbouw.
                                Tijdens het nieuwe dienstverband wordt geen pensioen meer opgebouwd.
                                In het navolgende schema vindt u een overzicht met de gevolgen.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Continuering dienstverband (art. 8:2 CAR)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuw dienstverband (art. 2:4 CAR, met
                                                  toepassing 8:2, derde lid)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ingangsdatum OP</al></entry><entry colname="col2"><al>Na afloop dienstverband</al></entry><entry colname="col3"><al>M.i.v. eerste van de maand volgend op die waarin
                                                  betrokkene 65 jaar wordt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opbouw OP/NP</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot einde dienstverband</al></entry><entry colname="col3"><al>Stopt op eerste van de maand volgend op die
                                                  waarin betrokkene 65 jaar wordt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie AAOP</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie OP</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie NP</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie FPU</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Pseudopremie WW</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie WAO</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens ouderdomspensioen (T)</titel></kop><al>Op twee manieren kunnen mensen na de leeftijd van 65 jaar in dienst zijn
                            van de gemeente. De eerste mogelijkheid is dat iemand na de leeftijd van
                            65 jaar in dienst treedt van de gemeente. Dit is mogelijk op grond van
                            artikel 2:4. De tweede mogelijkheid is dat iemand al in dienst is, maar
                            dat zijn aanstelling of arbeidsovereenkomst door toepassing van artikel
                            8:2, tweede lid, na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is
                            voortgezet. Bij dit soort aanstellingen is de wens van een van de
                            partijen voldoende om de aanstelling te beëindigen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens reorganisatie (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit lid worden drie ontslaggronden genoemd: wegens opheffing van
                                de betrekking, wegens verandering in de inrichting van het
                                dienstonderdeel danwel wegens een verminderde behoefte aan
                                arbeidskrachten.</al><al>De opgenomen zinsnede ‘of van andere dienstonderdelen’ impliceert
                                dat ontslag in principe ook mogelijk is bij een reorganisatie van
                                een ander dienstonderdeel dan dat waar de ambtenaar werkzaam is.
                                Afgezien van de vraag of zulks niet in strijd is met de
                                redelijkheid, zal ontslag niet vaak mogelijk zijn. De reden voor het
                                ontslag moet immers zijn de overbodigheid en niet slechts het feit
                                van de reorganisatie.</al><al>Uit de jurisprudentie komt naar voren dat aan het besluit tot
                                opheffing van een betrekking of tot reorganisatie zakelijke motieven
                                ten grondslag dienen te liggen en niet de wens voor een bepaalde
                                ambtenaar een ontslaggrond te creëren.</al><al>Indien niet duidelijk is welk van de genoemde drie ontslaggronden in
                                een voorkomend geval gehanteerd moet worden, heeft men in principe
                                de vrije keus, mits rekening is gehouden met de belangen van de
                                ambtenaar.</al><al>Alvorens tot ontslag op grond van artikel 8:3 over te gaan moet,
                                individuele gevallen uitgezonderd, overeenstemming zijn bereikt over
                                het sociaal statuut. Op het moment dat het sociaal plan gereed is en
                                duidelijk is dat de functie van betrokkene na reorganisatie niet
                                meer terugkomt, dan wel als duidelijk is dat de betrokken medewerker
                                niet meer terugkomt op zijn functie, kan het ontslagbesluit genomen
                                worden. Van dit laatste is sprake als bijvoorbeeld van de vijf
                                beleidsmedewerkers er na de reorganisatie maar drie terugkeren. Op
                                grond van lokale regels wordt dan bepaald welke twee medewerkers
                                niet kunnen terugkeren. Als ook geen andere passende functie
                                beschikbaar is, kan het ontslagbesluit worden genomen. </al><al>Als er geen sociaal plan is, kan het ontslagbesluit worden genomen,
                                zodra duidelijk is dat de functie van de medewerker of de functies
                                van een kleine groep medewerkers worden opgeheven, als duidelijk is
                                dat de betrokken medewerker(s) niet meer terugkomt op zijn functie
                                en als duidelijk is dat er ook geen andere passende functie
                                beschikbaar is. </al><al>Ingeval hoofdstuk 10d van toepassing is, vindt, nadat het
                                ontslagbesluit genomen is, intern en extern een onderzoek plaats
                                naar een andere functie voor de medewerker. Dit onderzoek vindt dan
                                plaats tijdens de re-integratiefase op grond van hoofdstuk 10d. </al><al>Na ontslag kan op grond van hoofdstuk 10d recht bestaan op een
                                aanvullende en nawettelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het plan van afvloeiing moet op grond van artikel 12:2 met
                                vakorganisaties worden besproken en vooraf aan de betrokken
                                ambtenaren bekend worden gemaakt. Het maken van een dergelijk plan
                                is reeds noodzakelijk wanneer het gaat om het ontslag van meer dan
                                één ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Aan de ambtenaar die volledig ongeschikt is voor de eigen arbeid kan
                                ontslag worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die
                                ongeschiktheid ten minste 24 maanden heeft geduurd. Eerder kan
                                ontslag op deze grond niet plaatsvinden. Ontslag op andere gronden
                                dan wegens ziekte kan binnen die termijn wel worden verleend. Met
                                deze termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de situatie in de
                                marktsector, waar ook een dergelijke ontslagbescherming geldt. </al><al>Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als de ambtenaar: </al><lijst><li nr="1"><al>Volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot
                                        100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een
                                        WGA-uitkering</al></li><li nr="2"><al>Volledig én duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden door
                                        UWV (80% tot 100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een
                                        IVA-uitkering. </al></li></lijst><al> Ontslagverlening wegens volledige arbeidsongeschiktheid is slechts
                                mogelijk wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel
                                8:4, derde lid. Het college betrekt hierbij de uitkomst van de
                                claimbeoordeling op grond van de WIA. Deze voorwaarden komen
                                namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag van
                                een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand)
                                als UWV de ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering
                                toestuurt en UWV bij de werkgever gegevens opvraagt voor de
                                vaststelling van de uitkering. De werkgever kan vanaf dit moment
                                zijn voornemen tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid schriftelijk
                                aan de ambtenaar kenbaar maken. </al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                                arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de
                                claimbeoordeling op grond van de WIA betrokken wordt, is geen
                                besluit in de zin van de Awb en daarmee geen besluit dat vatbaar is
                                voor bezwaar en beroep. Het feitelijk ontslagbesluit is uiteraard
                                wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. </al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de
                                WIA. Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                                WIA-beschikking zijn genomen. Het college moet in zijn
                                ontslagbesluit naar deze WIA-beschikking verwijzen. Mocht de
                                ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens
                                onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze maatregel in
                                zijn ontslagbesluit. </al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag
                                of als de ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan
                                het college een deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van
                                artikel 30 SUWI. UWV geeft een oordeel over de vragen of de
                                medewerker ziek is voor de vervulling van zijn betrekking en of er
                                binnen de gemeentelijke dienst een passende functie voorhanden is
                                (zie lid 2). </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake
                                gelijke behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de
                                ontslagtermijn wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de
                                zwangerschap als gevolg van de zwangerschap en het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof zelf, niet worden meegeteld. Het Europees Hof heeft
                                in zijn jurisprudentie een onderscheid aangebracht tussen enerzijds
                                ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt met zwangerschap en
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die verband
                                houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof.
                                Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening
                                van de ontslagtermijn van 24 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte
                                tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de
                                zwangerschap; ook deze periode mag meegerekend worden voor de
                                ontslagtermijn van 24 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt
                                tijdens haar zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde
                                klachten. Zij blijft ziek tot de ingangsdatum van het
                                zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij
                                zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                                zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden
                                mag niet meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de
                                zwangerschap ziek is wegens zwangerschapsgerelateerde klachten;
                                hetzelfde geldt voor de periode van het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid aansluitend op
                                het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                                ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn
                                door de zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24
                                maanden start in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de
                                laatste dag van het bevallingsverlof. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Volgens het negende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit
                                het achtste lid vloeit voort dat de periode van
                                zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24
                                maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden
                                onderbroken door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of
                                langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in
                                principe niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een
                                onderbreking van vier weken of langer. Indien de ziekte (die zijn
                                oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat
                                aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                                de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde
                                oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van
                                de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari
                                2006. Op 15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2006 (na
                                2 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft korter
                                geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari 2006 als eerste
                                ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                                betekent dat de medewerker op 14 januari 2008 (dit is 24 maanden + 2
                                weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1
                                januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 26 april
                                2006 (na 6 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft
                                langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2006 als eerste
                                ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                                betekent dat de medewerker op 27 april 2008 (dit is 24 maanden na 27
                                april 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1
                                januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat
                                zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2006
                                weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter ziek. Omdat de
                                medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                                onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2006 als
                                eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen.
                                Dit betekent dat de medewerkster op 20 juli 2008 (dit is 24 maanden
                                na 20 juli 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1
                                januari 2006. Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof tot 21 augustus 2006. Op 22 augustus 2006 zou zij
                                weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog ziek. Er
                                zijn twee mogelijkheden. </al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat
                                verlof. In dit geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag,
                                waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                                medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24 maanden + 16 weken na 1
                                januari 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat
                                verlof. In dit geval geldt 22 augustus 2006 als eerste ziektedag,
                                waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                                medewerkster op 22 augustus 2008 (dit is 24 maanden na 22 augustus
                                2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief>Een zwangere medewerkster is ziek
                                vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 krijgt zij
                                zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren tot 26 april 2006 (6
                                weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde klachten en
                                wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                                zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken.
                                Daardoor geldt 27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn
                                voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18
                                augustus 2008 (dit is 24 maanden +16 weken na 27 april 2006) kan
                                worden ontslagen. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>In het tiende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte
                                loondoorbetaling van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van
                                de wachttijd voor een uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in de volgende gevallen.
                                    <cursief>Ad a</cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de
                                verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken
                                heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze
                                melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van
                                de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                                    <cursief>Ad b</cursief> In artikel 24, eerste lid, van de WIA is
                                bepaald dat de wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer
                                gezamenlijk verlengd kan worden. <cursief>Ad c</cursief>Bij de
                                aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                                reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat
                                de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is
                                nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht,
                                kan het UWV de termijn gedurende de werkgever het loon moet
                                doorbetalen verlengen. De termijn van de verlenging is maximaal 52
                                weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het
                                verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                                negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de
                                verlenging van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde
                                redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden
                                ziekte recht op 70% van zijn bezoldiging. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die
                                eigenrisicodrager zijn voor de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen
                                namelijk vrij van de 13e weeks melding van artikel 38 Ziektewet.
                                Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste artikel uiterlijk
                                acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn verstreken,
                                aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                                deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn
                                van 24 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Aan de ambtenaar die gedeeltelijk ongeschikt is voor de eigen arbeid
                                kan ontslag worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra
                                die ongeschiktheid ten minste 36 maanden heeft geduurd. Eerder
                                ontslag kan op deze grond slechts plaatsvinden indien er een
                                passende functie voorhanden is na 24 maanden ziekte buiten de
                                gemeentelijke dienst. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte
                                kan wel binnen de genoemde termijnen worden verleend. </al><al>De bepaling ’gedeeltelijk’ houdt in dat dit artikel de mogelijkheid
                                van volledig ontslag geeft voor medewerkers die gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt zijn (minder dan 80% arbeidsongeschikt). Deze
                                mogelijkheid geldt dus ook voor de mensen die minder dan 35%
                                arbeidsongeschikt zijn. Let wel, dit artikel ziet op volledig
                                ontslag en niet op gedeeltelijk ontslag uit de functie. Indien er
                                binnen de gemeentelijke dienst na 24 maanden van ziekte een passende
                                functie voorhanden is, kan de ambtenaar onder de voorwaarden die
                                zijn genoemd in artikel 7:16, derde en vierde lid, namelijk
                                definitief worden herplaatst. </al><al>Ontslagverlening wegens gedeeltelijke ongeschiktheid is slechts
                                mogelijk wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel
                                8:5, tweede lid. Het college betrekt hierbij de uitkomst van de
                                claimbeoordeling op grond van de WIA. Deze voorwaarden komen
                                namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag van
                                een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand)
                                als UWV de ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering
                                toestuurt en UWV bij de werkgever gegevens opvraagt voor de
                                vaststelling van de uitkering.</al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                                arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de
                                claimbeoordeling op grond van de WIA betrokken wordt, is geen
                                besluit in de zin van de Awb en daarmee geen besluit dat vatbaar is
                                voor bezwaar en beroep. Het feitelijk ontslagbesluit is uiteraard
                                wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. </al><al>Tussen week 87 en 91 stellen de werkgever en de ambtenaar
                                gezamenlijk in overleg met de bedrijfsarts of de arbodienst het
                                reïntegratieverslag op. Het door UWV (als onderdeel van de
                                WIA-beschikking) beoordeelde reïntegratieverslag is basis voor de
                                oordeel van de werkgever of het mogelijk is de ambtenaar binnen de
                                gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen (onderdeel b). In
                                week 91 stuurt de ambtenaar het aanvraagformulier WIA-uitkering op,
                                tezamen met het reïntegratieverslag. UWV beoordeelt eerst de
                                reïntegratie-inspanningen van de werkgever en de ambtenaar. </al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende
                                zijn geweest wordt de ontslagtermijn verlengd (zie lid 9, onder b).
                                Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende
                                zijn beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt
                                in dit kader de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel
                                van UWV terzake (als onderdeel van de WIA-beschikking) is basis voor
                                het oordeel van de werkgever of voldaan is aan de voorwaarden die
                                zijn genoemd in lid 2. </al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de
                                WIA. Medewerkers van wie het loonverlies minder dan 35% is, worden
                                niet arbeidsongeschikt bevonden. Dit is ook een WIA-beschikking. Het
                                ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                                WIA-beschikking zijn genomen. Het college moet in zijn
                                ontslagbesluit naar deze meest recente WIA-beschikking verwijzen.
                                Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen
                                wegens onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze
                                maatregel in zijn ontslagbesluit. </al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag
                                of als de ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan
                                het college een deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van
                                artikel 30 SUWI. UWV geeft een oordeel over de vragen of de
                                medewerker ziek is voor de vervulling van zijn betrekking en of er
                                binnen de gemeentelijke dienst een passende functie voorhanden is
                                (zie lid 2). </al><al><cursief>Herplaatsing in het derde ziektejaar </cursief>In artikel
                                7:16 zijn specifieke bepalingen opgenomen over herplaatsing in het
                                derde ziektejaar. </al></lid><lid><lidnr>3, 4 en 5</lidnr><al> UWV beoordeelt tussen de 21e en 24e maand of de medewerker recht
                                heeft op een WIA-uitkering. De medewerker die 35% of meer
                                arbeidsongeschikt wordt verklaard, wordt vervolgens jaarlijks
                                herkeurd. Deze herkeuring kan dus liggen binnen de ontslagtermijn
                                van 36 maanden. Daarom moet de werkgever ook de resultaten van de
                                herbeoordeling betrekken bij het uiteindelijke ontslagbesluit. De
                                herkeuring kan gevolgen hebben voor de inspanningen van werkgever en
                                werknemer in de loop van de 36 maanden. En dus ook voor de
                                beoordeling of de ambtenaar binnen de gemeente herplaatst kan
                                worden. Verminderde arbeidsongeschiktheid leidt tot grotere
                                herplaatsingsmogelijkheden, terwijl verhoogde arbeidsongeschiktheid
                                leidt tot mindere herplaatsingsmogelijkheden. </al><al>Wanneer sprake is van de situatie als bedoeld in het tweede lid, en
                                er dus 36 maanden van ziekte verstrijken zonder dat er een
                                mogelijkheid is om de ambtenaar te herplaatsen, wordt de ambtenaar
                                33 maanden na ingang ziekte (dus 3 maanden voor de beoogde
                                ontslagdatum bij ontslag na 36 maanden) op de hoogte gesteld van het
                                feit dat de ontslagprocedure in gang is gezet. Deze melding is dus
                                niet aan de orde als de ambtenaar gedurende het derde ziektejaar
                                wordt herplaatst op grond van artikel 7:16, dan wel ontslagen wordt
                                op grond van het tiende lid van dit artikel. </al><al>Dit laat overigens onverlet dat de WIA-aanvraag wel in de 21e maand
                                moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie
                                inzake gelijke behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening
                                van de ontslagtermijn wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de
                                zwangerschap als gevolg van de zwangerschap en het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof zelf, niet worden meegeteld. Het Europees Hof heeft
                                in zijn jurisprudentie een onderscheid aangebracht tussen enerzijds
                                ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt met zwangerschap en
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die verband
                                houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof.
                                Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening
                                van de ontslagtermijn van 36 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte
                                tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de
                                zwangerschap; ook deze periode mag meegerekend worden voor de
                                ontslagtermijn van 36 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster van de gemeente valt
                                tijdens haar zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde
                                klachten. Zij blijft ziek tot de ingangsdatum van het
                                zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij
                                zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                                zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden
                                mag niet meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de
                                zwangerschap ziek is wegens zwangerschapsgerelateerde klachten;
                                hetzelfde geldt voor de periode van het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid aansluitend op
                                het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                                ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn
                                door de zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 36
                                maanden start in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de
                                laatste dag van het bevallingsverlof. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Volgens het achtste lid worden ziekteperioden samengeteld als zij
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit
                                het zevende lid vloeit voort dat de periode van
                                zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 36
                                maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden
                                onderbroken door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of
                                langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in
                                principe niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een
                                onderbreking van vier weken of langer. Indien de ziekte (die zijn
                                oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat
                                aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                                de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde
                                oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van
                                de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al>Voorbeeld I Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart
                                2009 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2009 (na 2 weken) weer
                                ziek wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken.
                                Daardoor geldt 1 januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de
                                termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerker
                                op 14 januari 2012 (dit is 36 maanden + 2 weken na 1 januari 2009)
                                kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld IIEen medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart
                                2009 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2009 (na 6 weken) weer
                                ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken.
                                Daardoor geldt 27 april 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn
                                voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27
                                april 2012 (dit is 36 maanden na 27 april 2009) kan worden
                                ontslagen.</al><al>Voorbeeld III Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15
                                maart 2008 herstelt zij. Op 29 maart 2008 gaat zij met
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2008 weer
                                moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter ziek. Omdat de
                                medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                                onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2008 als
                                eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen.
                                Dit betekent dat de medewerkster op 20 juli 2011 (dit is 36 maanden
                                na 20 juli 2008) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld IV Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 1 mei
                                2009 gaat zij met zwangerschapsen bevallingsverlof tot 21 augustus
                                2009. Op 22 augustus 2009 zou zij weer moeten gaan werken. Echter,
                                zij is op dat moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al>Mogelijkheid ADe ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit geval
                                geldt 1 januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                                ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23
                                april 2012 (dit is 36 maanden + 16 weken na 1 januari 2009) kan
                                worden ontslagen.</al><al>Mogelijkheid BDe ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit geval
                                geldt 22 augustus 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                                ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22
                                augustus 2012 (dit is 36maanden na 22 augustus 2009) kan worden
                                ontslagen. </al><al>Voorbeeld V Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008.
                                Op 15 maart 2008 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die
                                duren tot 26 april 2008 (6 weken). Daarna stoppen de
                                zwangerschapsgerelateerde klachten en wordt zij weer gewoon ziek.
                                Deze ziekte duurt voort. De zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft
                                langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2008 als eerste
                                ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                                betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2011 (dit is 36 maanden
                                + 16 weken na 27 april 2008) kan worden ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> In het negende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte
                                loondoorbetaling van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van
                                de wachttijd voor een uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in drie gevallen. <cursief>Ad
                                    a</cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op
                                uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de
                                ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat
                                doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging
                                verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. Deze verlenging
                                schort eveneens de periode van 36 maanden op. <cursief>Ad b
                                </cursief>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                                wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd
                                kan worden. Deze verlenging schort de periode van 36 maanden op. </al><al><cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge
                                de WIA moet een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV
                                van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn
                                verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende
                                reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                                gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De
                                termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk
                                gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze
                                sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de
                                WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de
                                ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond
                                van artikel 7:3 heeft de medewerker na 36 maanden ziekte recht op
                                70% van zijn bezoldiging. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die
                                eigenrisicodrager zijn voor de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen
                                namelijk vrij van de 13e weeks melding van artikel 38 Ziektewet.
                                Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste artikel uiterlijk
                                acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn verstreken,
                                aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                                deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn
                                van 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Artikel 7:16 bepaalt dat definitieve herplaatsing pas na 24 maanden
                                ziekte mogelijk is. Voor de periode van 24 tot 36 maanden na de
                                eerste ziektedag is deze definitieve herplaatsing aan bepaalde
                                voorwaarden verbonden. Definitieve herplaatsing is slechts mogelijk
                                indien:</al><lijst><li nr="-"><al>voor medewerkers die 35% of meer, maar minder dan 80%
                                        arbeidsongeschikt zijn met de aangeboden arbeid ten minste
                                        50% van de restverdiencapaciteit wordt vervuld of</al></li><li nr="-"><al>voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn
                                        met de aangeboden arbeid ten minste 100% van de
                                        restverdiencapaciteit wordt vervuld.</al></li></lijst><al> Definitieve herplaatsing kan ook buiten de gemeentelijke dienst
                                plaatsvinden. Hiervoor is echter wel ontslag nodig. Het tiende lid
                                van artikel 8:5 bepaalt dat in dat geval ook ontslag na 24 maanden
                                mag plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Artikel 8:5a betekent dat een ambtenaar, die wegens ziekte
                                ongeschikt is zijn betrekking te vervullen, ook binnen 24 maanden na
                                de eerste ziektedag kan worden ontslagen, wanneer hij niet meewerkt
                                aan zijn reïntegratie. Concreet uitgewerkt gaat het erom dat zowel
                                binnen als na 24 maanden ontslag gegeven kan worden, indien de
                                ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al>zich zonder goede reden niet houdt aan redelijke
                                        voorschriften en maatregelen (zoals het verrichten van
                                        werkzaamheden in het kader van de reïntegratie en het volgen
                                        van scholing in het kader van de reïntegratie als bedoeld in
                                        artikel 7:1, eerste lid, onderdeel b en c) die hem in het
                                        kader van zijn reïntegratie worden opgedragen;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden passende arbeid bij de eigen werkgever
                                        dan wel een andere werkgever weigert te aanvaarden;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden niet meewerkt aan de opstelling,
                                        evaluatie en bijstelling van het plan van aanpak;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden geen aanvraag op grond van de WIA
                                        indient.</al></li></lijst><al>Deze – ultieme – sanctie is gelijk aan de sanctie die sinds de
                                inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter in artikel
                                670b, boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek is
                                opgenomen.</al><al>Als de ambtenaar zonder goede reden geen aanvraag op grond van de
                                WIA indient, kan de claimbeoordeling voor de WIA niet plaatsvinden
                                en kan de werkgever het resultaat van deze claimbeoordeling niet bij
                                het ontslagbesluit betrekken, terwijl dit verplicht is op grond van
                                artikel 8:4 en 8:5. Als dit de reden is dat geen ontslag op grond
                                van artikel 8:4 en 8:5 kan plaatsvinden, mag het college de
                                ambtenaar ontslag verlenen op grond van artikel 8:5a.</al><al>Gedurende het gehele periode van ziekte moet de ambtenaar passende
                                arbeid aanvaarden. Gedurende de gehele periode gaat het hierbij om
                                een functie, waarin de ambtenaar tijdelijk herplaatst kan worden. In
                                het derde ziektejaar kan definitieve herplaatsing alleen
                                plaatsvinden als de arbeid voldoet aan de voorwaarden, genoemd in
                                artikel 7:16, derde of vierde lid. Daarna gelden deze specifieke
                                voorwaarden voor definitieve herplaatsing niet meer. </al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt echter dat de ambtenaar,
                                in ieder geval tijdelijk, passende arbeid moet aanvaarden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Alvorens tot ontslag over te gaan, moet het UWV toetsen of van de
                                situatie als hiervoor bedoeld sprake is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Concrete feiten en omstandigheden dienen te worden genoemd die de
                                conclusie wettigen dat de ambtenaar zodanige eigenschappen van
                                karakter, geest of gemoed vertoont (ongeschiktheid) dan wel een
                                zodanig gebrek aan kennis, vaardigheden, niveau heeft
                                (onbekwaamheid) dat hij redelijkerwijs niet in zijn functie kan
                                worden gehandhaafd. Vage aanduidingen als ‘past niet in het team’
                                zijn niet voldoende. Voorts is niet slechts de eigenschap die een
                                bepaald gedrag tot gevolg heeft voldoende, maar dient er ook een
                                relatie te zijn tussen dat gedrag en de door de ambtenaar uit te
                                oefenen betrekking. Overigens kan, ondanks gebleken ongeschiktheid,
                                naar het oordeel van de Centrale raad van beroep de
                                ontslagbevoegdheid beperking ondergaan wanneer het disfunctioneren
                                van de betrokken ambtenaar (mede) zijn oorzaak vindt in
                                omstandigheden tot het ontstaan en voortbestaan waaraan de gemeente
                                zelf heeft bijgedragen. Tolereert men bijvoorbeeld gedurende langere
                                tijd bepaalde gedragingen zonder van afkeuring te doen blijken, dan
                                kan men niet van de een op de andere dag dat gedrag aangrijpen voor
                                een ongeschiktheidsontslag. Vanzelfsprekend dient de betrokken
                                ambtenaar er op te worden gewezen dat een dergelijk gedrag in de
                                toekomst niet meer wordt getolereerd.</al><al>In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en
                                onbekwaamheid vaak moeilijk te maken en kan men een keuze vaak beter
                                vermijden. Zoals reeds vermeld verwacht de administratieve rechter
                                een dossier (beoordelingen, gespreksverslagen, vastlegging van
                                afspraken, verslagen, brieven met klachten; alles wat als bewijs kan
                                dienen).</al><al>De ongeschiktheid mag haar oorzaak niet vinden in of het gevolg zijn
                                van ziekten of gebreken. Of dat al dan niet het geval is, kan soms
                                alleen maar worden vastgesteld via een voorafgaand medisch
                                onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek moet een gerede aanleiding
                                zijn.</al><al>(Zie voor een eventuele aanspraak op wachtgeld artikel 10:1).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de
                                ontslaggrond bepalend is, maar de ontslaggrond wél bepalend is voor
                                het recht op een aanvullende dan wel aansluitende uitkering, moet
                                ook in de CAR worden voorzien in de mogelijkheid tot gedeeltelijk
                                ontslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overige ontslaggronden (T)</titel></kop><al><cursief><vet>Onderdeel a</vet></cursief>Deze bepaling vindt zelden
                            toepassing. Het is moeilijk aan te geven wanneer een vereiste alleen bij
                            het aanvaarden van de betrekking geldt. De geneeskundige verklaring,
                            genoemd in artikel 2:3, en de verklaring omtrent gedrag, artikel 2:2 het
                            derde lid, zijn hier voorbeelden van. Een voorbeeld van een blijvend
                            vereiste is het bezit van de rijbevoegdheid voor een chauffeur. Het is
                            echter geen automatisme dat, als deze chauffeur tijdelijk zijn
                            rijbevoegdheid verliest, ontslag op grond van het bepaalde in dit
                            artikel wordt gegeven. Ontslag kán worden gegeven, getoetst kán dus
                            worden of een ontslagbesluit in redelijkheid kon worden genomen.</al><al>In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het
                            ontslag aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11.</al><al><cursief><vet>Onderdeel b</vet></cursief>Onder ‘zwagerschap’ wordt hier
                            ‘aanverwantschap’ bedoeld die door huwelijk ontstaat. Het woord
                            ‘aangaan’ duidt op een actieve betrokkenheid; de ambtenaar die het
                            huwelijk aangaat waardoor de verboden aanverwantschap ontstaat, kan in
                            aanmerking komen voor ontslag.</al><al>Over deze ontslaggrond is geen jurisprudentie bekend.</al><al><cursief><vet>Onderdeel c</vet></cursief>Ook hierover zijn geen gevallen
                            uit de praktijk bekend. </al><al>In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het
                            ontslag aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11.</al><al><cursief><vet>Onderdeel d</vet></cursief>Bedoeld wordt gijzeling. Ook
                            deze ontslaggrond wordt in de praktijk niet gebruikt.</al><al><vet><cursief>Onderdeel e</cursief></vet>Ook een voorwaardelijke
                            veroordeling tot vrijheidsstraf valt in principe onder deze
                            bepaling.</al><al>Ontslag zal, vanwege de ernst, veelal op zijn plaats zijn maar er mag
                            geen sprake zijn van een automatisme. Het is geen strafontslag. Er moet
                            een zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden; volgens de Centrale
                            raad van beroep in dezelfde mate als bij besluiten tot ontslag van
                            ambtenaren in het algemeen. In een dergelijke afweging van belangen
                            moeten bijvoorbeeld naast de ernst van het begane misdrijf worden
                            betrokken het verband van dat misdrijf met het ambtenaarschap van
                            betrokkene en met de aard van zijn werkzaamheden, de wijze waarop hij in
                            zijn betrekking heeft gefunctioneerd en met name de vraag of, en zo ja
                            welke, bezwaren zouden zijn verbonden aan voortzetting van het
                            dienstverband, hetzij in de oude betrekking, voor zover die na het
                            ondergaan van de straf nog bestaat, hetzij in een andere
                            betrekking.</al><al><vet><cursief>Onderdeel f</cursief></vet>Ontslag kan worden verleend als
                            tijdens de medische keuring onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel
                            relevante gegevens zijn verzwegen. Deze gegevens moeten relevant zijn in
                            die zin dat betrokkene niet zou zijn aangesteld als die gegevens
                            volledig bekend zouden zijn geweest. Van een en ander moet betrokkene
                            redelijkerwijs een verwijt kunnen worden gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overige ontslaggronden (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel wordt veelal gebruikt als er sprake is van een zodanig
                                verschillende persoonlijkheidsstructuur tussen twee mensen die
                                gezien hun taak nauw met elkaar moeten samenwerken, dat een
                                vruchtbare samenwerking tussen hen niet mogelijk blijkt, terwijl zij
                                met een ander wel zouden kunnen samenwerken (onverenigbaarheid van
                                karakter of incompatibilité d'humeur). Het bestuursorgaan is vrij in
                                de keuze wie van beiden ontslagen dient te worden, als het ten
                                minste in redelijkheid van oordeel kan zijn dat het ontslag voor de
                                gerezen moeilijkheden een afdoende oplossing biedt en degene die
                                niet ontslagen wordt wel met een ander zal kunnen samenwerken.</al><al> De raad kan ten aanzien van het te voeren financiële beleid bij de
                                uitoefening van de werkgeverstaak bij de begroting aan het college
                                een budgettaire ruimte toekennen om aan medewerkers waarvan om
                                bijzondere redenen de aanstelling wordt beëindigd een uitkering te
                                verstrekken. De raad kan daarover ook beleidsafspraken maken.
                                Immers, ook in het dualistisch stelsel is het vaststellen van een
                                uitkering die afwijkt van de normale aanspraken of een
                                vaststellingsovereenkomst, een besluit waarop de raad invloed zal
                                moeten kunnen uitoefenen. Achteraf wordt bij de jaarrekening
                                gerapporteerd over de feitelijke consequenties daarvan.</al><al>Voorts geldt een actieve inlichtingenplicht van het college naar de
                                raad. Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet,
                                de raad alle inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van
                                zijn taak nodig heeft. Daarnaast kan de raad, als zich een incident
                                voordoet of dreigt voor te doen het college met de aan de raad ten
                                dienste staande middelen ter verantwoording roepen. </al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het
                                volgende opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat
                                het college de raad inlicht over een voornemen tot ontslag en
                                uitkering op grond van artikel 8:8. Criteria daarvoor kunnen zijn de
                                politieke relevantie of de bijzondere financiële consequenties. Is
                                er sprake van een overeenkomst met de betrokken ambtenaar, dan geldt
                                bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet. Hierin wordt
                                bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                                privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan
                                hebben voor de gemeente. </al><al> In ‘lichtere’ gevallen, of indien een voorgenomen besluit past
                                binnen gemaakte beleidsafspraken, zal het college tot de afweging
                                kunnen komen dat het niet nodig is de raad te informeren. De
                                concrete invulling van de inlichtingenplicht zal dus variëren
                                afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. Raad en college kunnen
                                daarover zelf afspraken maken. Indien het nodig zou kunnen zijn om
                                de raad te informeren over het voorgenomen besluit, dient dit tijdig
                                kenbaar gemaakt te worden door middel van een voorbehoud. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overige ontslaggronden (T)</titel></kop><al>Een ambtenaar die een openbare functie bekleedt, maakt gebruik van de
                            non-activiteitsregeling. Op grond van dit artikel kan een ambtenaar die
                            na afloop van de non-activiteit, ondanks de inspanningen van de
                            werkgever om een passende functie aan te bieden, niet terug kan keren
                            naar een passende functie binnen de gemeente, eervol worden
                            ontslagen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens Pré-vut (T)</titel></kop><al>Een ambtenaar die met de Vut gaat krijgt eervol ontslag mits het bestuur
                            van het Abp heeft beslist dat na het ontslag recht bestaat op een
                            uitkering op basis van de Vut-wet. Het ontslag gaat in met ingang van de
                            dag waarop het recht op een Vut-uitkering bestaat.</al><al>Een ambtenaar die met de pre-VUT gaat, krijgt eervol ontslag mits het
                            bestuur van het Vutfonds heeft beslist dat na het ontslag recht bestaat
                            op een uitkering op basis van het FPUreglement basis- en aanvullende
                            uitkering. Het ontslag gaat in principe in met ingang van de dag waarop
                            het recht op de uitkering bestaat. Omdat de uitkering pas ingaat op de
                            eerste dag van de maand volgend op die waarin het recht op de uitkering
                            ontstaat, kan worden overwogen om het ontslag uit te stellen tot het
                            moment waarop de uitkering ingaat.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag wegens FPU (T)</titel></kop><al>Per 1 januari 2006 is de FPU-regeling van het ABP komen te vervallen.
                            Een bepaalde groep medewerkers kan nog gebruik maken van een aangepaste
                            FPU-regeling. Dit zijn degenen die geboren zijn vóór 1950 én op 1 april
                            1997 deelnemer waren bij het ABP én dat sindsdien zijn gebleven. Voor
                            hen geldt dat zij nog kunnen worden ontslagen op grond van dit artikel
                            en nog recht hebben op een aanvulling van de FPU volgens hoofdstuk 5a.
                            Voor degenen die niet onder het overgangsrecht van de FPU vallen, geldt
                            dat zij (onder voorwaarden) extra ouderdomspensioen opbouwen hetgeen zij
                            eerder kunnen laten ingaan dan op 65 jaar. Ontslag vindt dan plaats op
                            grond van 8:2. Gemeenten zijn over de afschaffing van de FPU en het
                            overgangsrecht geïnformeerd middels de ledenbrief van 18 juli 2005, Lbr.
                            05/74.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                                urenuitbreiding (T)</titel></kop><al>Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke
                            aanstelling voor bepaalde tijd in de gaten houdt. Immers, als er niet
                            tijdig onderkend wordt dat de tijdelijke aanstelling moet eindigen en
                            betrokkene blijft op de datum waarop de tijdelijke aanstelling eindigt
                            en daarna feitelijk zijn werk verrichten, dan wordt hij geacht met
                            ingang van die datum te zijn aangesteld voor een gelijke periode. Na
                            afloop van deze periode kan de aanstelling wederom van rechtswege
                            beëindigd worden. Uiteraard moeten hierbij de voorwaarden uit artikel
                            2:4 wel in de gaten gehouden worden. Als een tijdelijke aanstelling voor
                            bepaalde tijd zonder mededeling zo vaak verlengd wordt, dat de termijn
                            van 36 maanden wordt overschreden, mag het ontslag niet meer
                            plaatsvinden. Ditzelfde geldt als voor de tijdelijke aanstelling voor de
                            vierde maal verlengd wordt. Dit is in het nieuwe vijfde lid van artikel
                            8:12 verwoord.</al><al> Ook is in artikel 8:12 opgenomen wanneer een tijdelijke aanstelling
                            voor onbepaalde tijd kan worden beëindigd. Dit is het geval, wanneer de
                            grond voor het aangaan van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde
                            tijd is komen te vervallen. </al><al>Artikel 8:12 bevat ook de redenen en wijze van beëindiging van de
                            tijdelijke urenuitbreiding. Wanneer er sprake is van een tijdelijke
                            urenuitbreiding voor bepaalde tijd, gelden gelijke regels als voor de
                            tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd. Dit betekent dus ook dat
                            overschrijding van de termijn, zonder dat een nieuwe tijdelijke
                            urenuitbreiding is afgesproken, leidt tot een nieuwe urenuitbreiding met
                            dezelfde duur als de eerste urenuitbreiding. Is er sprake van een
                            tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd, dan gelden de regels
                            voor beëindiging van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd.
                            Door deze bepalingen is tevens bepaald dat het ook aangaan van een
                            tijdelijke urenuitbreiding voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd kan
                            plaatsvinden. Bij een urenuitbreiding voor bepaalde tijd hoeft geen
                            reden te worden genoemd; verstrijken van de termijn is reden voor
                            beëindiging van de tijdelijke urenuitbreiding. Bij een urenuitbreiding
                            voor onbepaalde tijd moet wel een grond worden aangegeven, aangezien het
                            vervallen van die reden tegelijkertijd de reden van beëindiging is.</al><al> Tot slot geldt dat ook bij een urenuitbreiding de termijnen van artikel
                            2:4 in de gaten moeten worden gehouden. Wordt een termijn van 36 maanden
                            overschreden of wordt voor de vierde maal een tijdelijke urenuitbreiding
                            aangegaan, dan geldt deze urenuitbreiding als een vaste
                            aanstelling.</al><al> Voor de aanspraak op een eventuele aanvullende uitkering: zie hoofdstuk
                            10a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Tijdelijk ontslag en tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding
                                (T)</titel></kop><al>In artikel 8:12:1 is expliciet opgenomen dat een ambtenaar met een
                            tijdelijke aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd dan wel een
                            tijdelijke urenuitbreiding voor bepaalde of onbepaalde tijd ook ontslag
                            verleend kan worden op grond van een van de andere bepalingen van
                            hoofdstuk 8. Dit ontslag zal dan uiteraard in het algemeen plaatsvinden
                            voor de beëindiging conform artikel 8:12. Wanneer de einddatum reeds
                            genaderd is, lijkt het praktischer om de einddatum af te wachten en de
                            tijdelijke aanstelling van rechtswege te beëindigen. In een eventuele
                            procedure zal deze vorm van beëindiging namelijk veel terughoudender
                            worden getoetst dan een ontslag op basis van een andere
                            ontslaggrond.</al></artikel><artikel><kop><titel>Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                                urenuitbreiding voor onbepaalde tijd (T)</titel></kop><al>In dit artikel staan de opzegtermijnen voor een tijdelijke aanstelling
                            voor onbepaalde tijd, dan wel een tijdelijke urenuitbreiding voor
                            onbepaalde tijd. Bij de formulering van de opzegtermijnen wordt
                            gesproken van ‘maanden’: dit hoeven dus geen kalendermaanden te
                            zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ontslag als disciplinaire straf (T)</titel></kop><al>Er dient sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en
                            het geconstateerde plichtsverzuim. Criteria voor wat wel of niet als
                            evenredig valt aan te merken, zijn niet te geven. De Centrale raad van
                            beroep komt niet verder dan overwegingen in de zin dat de opgelegde
                            straf naar zijn oordeel in overeenstemming is met het gepleegde
                            plichtsverzuim, of dat de disciplinaire straf in overeenstemming is met
                            de ernst van het geconstateerde plichtsverzuim.</al><al>UWV beoordeelt of recht bestaat op een WW-uitkering. Bij ontslag op
                            grond van artikel 8:13 wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een
                            uitkering op grond van hoofdstuk 10a in aanmerking te komen. Zie artikel
                            10a:2.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit lid regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-)
                                OR-leden en -commissieleden. Bedoelde ontslagbescherming dient in de
                                rechtspositie te worden opgenomen omdat de Wet op de
                                ondernemingsraden alleen voorziet in ontslagbescherming voor
                                bedoelde werknemers met een arbeidsovereenkomst. De bescherming voor
                                werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling dient in de
                                rechtspositieregeling te worden opgenomen. De bescherming in dit
                                artikellid is overigens gelijk aan die welke voor werknemers met een
                                arbeidsovereenkomst geldt op grond van artikel 21, tweede tot en met
                                vijfde lid, van de WOR.</al><al>Alhoewel in de CAR sprake is van een gesloten ontslagsysteem, biedt
                                artikel 8:8 de mogelijkheid andere ontslaggronden te gebruiken dan
                                in de overige artikelen genoemd. De in artikel 8:14, tweede lid,
                                aangegeven ontslagbescherming brengt met zich dat er slechts van
                                ontslagbescherming sprake is in het geval er een causaal verband
                                bestaat tussen het ontslag en de omstandigheden hier genoemd. Als er
                                geen verband is tussen het ‘OR-werk’ en het ontslag, is ontslag op
                                een van de gronden zoals genoemd in de CAR, wèl mogelijk.</al><al>De bescherming tegen benadeling als bedoeld in het eerste lid van
                                genoemd wetsartikel, is weer wèl van toepassing op werknemers met
                                een publiekrechtelijke aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Hierin wordt geregeld dat ambtenaren niet kunnen worden ontslagen op
                                grond van het feit dat zij activiteiten als vakbondskaderlid
                                uitoefenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1998,
                                Stb. 1998, 107, tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en
                                titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek,
                                is de ontslagbescherming voor kandidaat-, oud en zittende OR-leden
                                en overeenkomstige leden van OR-commissies ook van toepassing
                                geworden op de eventueel aan de OR toegevoegde (ambtelijke)
                                secretaris. Aangezien de artikelleden 2 t/m 5 van artikel 21 van de
                                WOR geen rechtstreekse werking hebben naar de overheid, is deze
                                ontslagbescherming voor de sector gemeenten geregeld in de CAR. Het
                                nieuwe vijfde lid van artikel 8:14 voorziet in een overeenkomstige
                                ontslagbescherming voor de ambtelijk secretaris. Het eerste lid van
                                artikel 21 WOR, ter zake van benadeling, heeft wel rechtstreekse
                                werking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Schorsing als ordemaatregel (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De schorsing in dit artikel is een ordemaatregel, bijvoorbeeld om de
                                organisatie de gelegenheid te geven eventuele interne onderzoeken te
                                (doen) houden, of om rust binnen de organisatie te krijgen. Het
                                besluit om een ambtenaar van zijn werkplek te verwijderen dient te
                                berusten op een behoorlijke afweging van de daarvoor in aanmerking
                                komende belangen. (Zie TAR 1991/184, TAR 1995/236, TAR 1994/195). De
                                hier bedoelde schorsing kan gevolgd worden door een schorsing zoals
                                bedoeld in 16:1:2: de disciplinaire straf.</al><al>Een besluit tot schorsing is een besluit in de zin van de Awb: de
                                ambtenaar dient derhalve vooraf gehoord te worden.</al><al>In onderdeel d wordt gesproken over ‘het belang van de dienst’: de
                                rechter zal zich hierover een oordeel moeten vormen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In dit lid zijn een aantal vormvereisten van het schorsingsbesluit
                                geformuleerd. De woorden in onderdeel c – ‘zo nauwkeurig mogelijke
                                aanduiding’ – impliceren reeds dat een exact aangeven van de duur
                                van de schorsing vaak niet mogelijk is. De duur van de schorsing kan
                                dan ook worden verlengd. De schorsing kan uiteraard door ontslag of
                                anderszins binnen de gestelde duur worden opgeheven. Schorsing
                                ontslaat de ambtenaar niet van zijn ambtelijke verplichtingen. Zo
                                zal hij dus bijvoorbeeld moeten meewerken aan een tijdens de
                                schorsing te houden geneeskundig onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Schorsing als ordemaatregel (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Uit dit artikellid volgt dat het niet automatisch zo is dat als er
                                niet gewerkt wordt, er geen bezoldiging wordt uitbetaald: hiervoor
                                is een apart besluit nodig. Dit betekent dus dat als er geen besluit
                                wordt genomen, de bezoldiging normaal wordt doorbetaald. De
                                ambtenaar behoudt in ieder geval het op hem te verhalen deel van de
                                pensioen- en ziektekostenpremie (zie het derde lid).</al><al>Er kan géén inhouding van de bezoldiging plaatsvinden wanneer er
                                sprake is van een schorsing op grond van het dienstbelang.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij een schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk
                                strafontslag is meteen inhouding van meer dan eenderde deel
                                mogelijk. Echter, de ambtenaar behoudt in ieder geval het op hem te
                                verhalen deel van de pensioen- en ziektekostenpremie (zie het derde
                                lid).</al><al>In principe dient bij de inhouding van bezoldiging te worden
                                aangesloten bij titel II van de Ambtenarenwet. Het is gebruikelijk
                                een zodanige inhouding op de bezoldiging toe te passen dat de
                                ambtenaar ten minste een bedrag behoudt dat overeenkomt met 90% van
                                een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tijdens de schorsing kan de niet-ingehouden bezoldiging aan anderen
                                worden uitbetaald. Onder ‘anderen’ dienen in dit verband te worden
                                verstaan de personen die door de ambtenaar geheel of gedeeltelijk in
                                hun levensonderhoud worden voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bevoegdheid tot ontslagverlening (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling, is eveneens
                                bevoegd tot ontslag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het schriftelijk vastleggen en het (doen) uitreiken van het
                                ontslagbesluit zijn uitvoeringshandelingen. Ten aanzien van het
                                ontslagbesluit is in dit artikellid geregeld dat de (omschrijving
                                van de) ingangsdatum van het ontslag in ieder geval in dit
                                ontslagbesluit dient te worden vermeld. Uit de andere artikelen van
                                dit hoofdstuk is voorts af te leiden dat de volgende aspecten in het
                                ontslagbesluit (kunnen) staan:</al><lijst><li nr="-"><al>de grond van het ontslag (bij ontslag op grond van artikel
                                        8:8 en ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor
                                        onbepaalde tijd, gebeurt dit slechts op verzoek van
                                        betrokkene);</al></li><li nr="-"><al>ontslagdatum;</al></li><li nr="-"><al>of er eervol ontslag wordt verleend (of niet);</al></li><li nr="-"><al>welke uitkering betrokkene na het ontslag ontvangt: een
                                        FLO-uitkering, een pensioenuitkering, een wachtgeld,
                                        etc.;</al></li><li nr="-"><al>het ontslagbesluit is een besluit in de zin van de Awb;
                                        betrokkene kan binnen zes weken bezwaar aantekenen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vervallen (T)</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Overlijdensuitkering (T)</titel></kop><al>Hier wordt nadrukkelijk van ‘bezoldiging’ gesproken en niet van salaris.
                            Dit betekent dat eventuele toelagen moeten worden meegenomen in het uit
                            te keren bedrag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overlijdensuitkering (T)</titel></kop><al>Het feit dat een huis ‘dienstwoning’ wordt genoemd, betekent nog niet
                            dat dit huis ook een dienstwoning in de zin van dit artikel is. Slechts
                            als het voor een goede vervulling van zijn werkzaamheden noodzakelijk is
                            dat de ambtenaar in een bepaald huis woont, is er sprake van een
                            dienstwoning in eigenlijke zin. Te denken valt aan een portierswoning of
                            een conciërgewoning. Beëindiging van het dienstverband brengt dan de
                            verplichting met zich mee de dienstwoning te verlaten. De woning die
                            door een gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt gesteld zonder
                            dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet verrichten en het
                            gebruik van de woning een duidelijk verband bestaat, wordt in het
                            spraakgebruik ook wel dienstwoning genoemd, maar is in feite een normale
                            huurwoning. Einde van het dienstverband betekent dan niet automatisch
                            einde van de huurovereenkomst. In die gevallen geldt de normale
                            huurbescherming.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst
                                (T)</titel></kop><al>Nabestaanden van medewerkers die als gevolg van een ongeval in en door
                            de dienst overlijden krijgen deze overlijdensuitkering bij een ongeval
                            in en door de dienst naast de overlijdensuitkering van artikel 8:16:2
                            CAR-UWO.</al><al>De hoogte van de uitkering is één jaarbezoldiging waarbij de 12
                            kalendermaanden direct voorafgaand aan de maand van overlijden de
                            referteperiode is. Ziekte van de medewerker in die referteperiode
                            waarbij zijn bezoldiging gekort is onder toepassing van de regels
                            omtrent loondoorbetaling bij ziekte, heeft geen invloed op hoogte van
                            deze overlijdensuitkering. Voor de jaarbezoldiging wordt gerekend met de
                            ongekorte bezoldiging. Ook bij toepassing van lid 3 zijn de 12
                            kalendermaanden voorafgaand aan de maand van overlijden de
                            referteperiode voor vaststelling van de jaarbezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele arbeidsduur
                                (T)</titel></kop><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering
                            krachtens de Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de
                            ontslaggrond bepalend is, maar de ontslaggrond wél bepalend is voor het
                            recht op een aanvullende dan wel aansluitende uitkering, moet ook in de
                            CAR worden voorzien in de mogelijkheid tot gedeeltelijk ontslag.</al><al>Bij een aanpassing van de aanstelling op basis van artikel 7:16 kan
                            sprake zijn van vermindering van de omvang van de betrekking. In deze
                            situatie is echter een formeel gedeeltelijk ontslag niet toegestaan,
                            maar dient de vermindering van de omvang van de betrekking te worden
                            vormgegeven door middel van een wijziging van de aanstelling. Dit omdat
                            bij een formeel ontslag recht ontstaat op suppletie krachtens hoofdstuk
                            11a. Conform de oorspronkelijke doelstelling van de suppletieregeling
                            heeft een ambtenaar alleen recht op suppletie indien hij in het geheel
                            niet herplaatst kan worden bij zijn werkgever en derhalve volledig
                            ontslagen is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepaling (T)</titel></kop><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al> Dit artikel is van toepassing op de medewerker van wie de eerste
                                ziektedag lag voor 1 januari 2004. Deze medewerkers kunnen in
                                aanmerking komen voor een uitkering op grond van de WAO. De oude
                                artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, is op hen
                                van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3 en 4</lidnr><al> Daarnaast kent de WAO een aantal bepalingen op grond waarvan na
                                beëindiging van de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan
                                wel opnieuw aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De
                                wetgever heeft ervoor gekozen bij de invoering van de WIA het recht
                                op een WAO-uitkering voor deze personen in stand te laten. Dit
                                betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                                eerste ziektedag op grond van de CAR/UWO op of na 1 januari 2004, in
                                aanmerking kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een
                                uitkering op grond van de WIA. De oude artikelen 8:5 en 8:5a zoals
                                die golden op 30 juni 2006, is op hen van toepassing. </al><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24
                                maanden van ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen.
                                Voor hen geldt dus niet dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag
                                plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepaling (T)</titel></kop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden
                            van ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen
                            geldt dus niet dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag
                            plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepaling (T)</titel></kop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 8:4, tiende lid, of
                            artikel 8:5, negende lid, toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1
                            augustus 2008 ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die
                            voor 1 augustus 2008 ziek zijn geworden, aan een werkgever de
                            verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken
                            heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze 13e
                            weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur
                            van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De
                            periode waarna ontslag kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur
                            verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                            medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op
                            uiterlijk de eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte
                            te melden bij het UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager
                            is voor de WAO en/of WGA. Als de werkgever deze melding te laat doet
                            loopt hij de kans een boete te krijgen. De vertraging heeft geen
                            gevolgen meer voor de loondoorbetalingsverplichting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bedrag en duur (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De FLO-uitkering bedraagt gedurende de eerste 60 maanden minimaal
                                80% van de laatstelijk genoten bezoldiging. Dit percentage kan
                                oplopen, als het aantal pensioengeldige jaren ten minste meer dan 30
                                bedraagt, tot maximaal 85%. Na deze 60 maanden bedraagt de uitkering
                                70% van de laatstgenoten bezoldiging, tot aan de pensioendatum.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de bezoldiging tellen, overeenkomstig artikel 3:1, de vaste
                                toelagen mee waarbij de toelage onregelmatige dienst en de
                                prestatiebeloning worden vastgesteld op basis van de gemiddelde
                                vergoeding per maand, berekend over de laatste 12 maanden
                                voorafgaand aan het ontslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten (T)</titel></kop><al>Er is tussen LOGA-partijen een akkoord gesloten over de financiering van
                            het functioneel leeftijdsontslag. Dit akkoord voorziet in een tijdelijke
                            en een structurele voorziening. De tijdelijke voorziening geldt
                            uitsluitend voor FLOÕers die met 55 jaar ontslag krijgen, niet onder
                            FPU-regeling vallen en op of vóór 1 april 1997 zijn ontslagen. De kosten
                            daarvan worden door werkgevers en werknemers gezamenlijk gedragen in de
                            vorm van een opslag op de FPU-premie (de VSG-premie). De verplichting om
                            deze premie te betalen is in artikel 9:3 geformaliseerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop met FPU (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Dit artikel regelt de
                                samenloop van een FLO-uitkering met een FPU-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar van 55 jaar en ouder die FLO-ontslag krijgt na 1 april
                                1997 is verplicht een FPU-uitkering aan te vragen. Tevens moet hij
                                toestemming verlenen om deze FPU-uitkering via de werkgever te laten
                                uitbetalen. Indien hij geen toestemming verleent, komt de
                                FLO-uitkering niet tot uitbetaling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid de FPU-uitkering
                                verwijtbaar niet of te laat aanvraagt wordt voor de periode waarin
                                hij geen FPU-uitkering ontvangt wel rekening gehouden met de
                                FPU-uitkering die hij had ontvangen als hij de FPU-uitkering wel
                                tijdig had aangevraagt. Het bedrag aan FPU-uitkering dat de
                                betrokkene had kunnen ontvangen wordt dus met in achtneming van het
                                derde lid wel in mindering gebracht op de FLO-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op grond van het derde lid wordt het bedrag van de FPU-uitkering in
                                mindering gebracht op de FLO-uitkering. Indien de FPU-uitkering is
                                verminderd in verband met de samenloop met inkomsten uit of in
                                verband met arbeid wordt niet de totale FPU-uitkering, maar deze
                                verminderde FPU-uitkering in mindering gebracht op de
                                FLOuitkering.</al><al><cursief><vet>Let op:</vet></cursief> Indien de ambtenaar op
                                vrijwillige basis met gebruikmaking van artikel 16.2, 16.3 of 16.4
                                een hogere FPU-uitkering ontvangt dan hij normaliter ontvangen zou
                                hebben wordt dit op vrijwillige basis bijeengespaarde bedrag aan
                                FPU-uitkering niet in mindering gebracht op de FLO-uitkering.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief>Situatie: Een ambtenaar krijgt
                                FLO-ontslag wegens het bereiken van de leeftijd van 55 jaar. Op de
                                ontslagdatum heeft de betrokkene een diensttijd geldig voor pensioen
                                van 33 jaar. Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2
                                heeft de betrokkene bij 33 pensioenjaren recht op een uitkering van
                                81,5% van zijn laatste bezoldiging. De bezoldiging van de
                                betrokkene, vermeerderd met de vakantietoelage, bedraagt € 3.000,-
                                per maand. De betrokkene wordt in dit voorbeeld ontslagen op een
                                datum gelegen na 1 mei 1997 en heeft tevens recht op een
                                FPU-uitkering, in dit voorbeeld bestaande uit twee componenten: een
                                basisuitkering en een flexibel pensioen. De betrokkene heeft in dit
                                voorbeeld geen recht op een mogelijk derde component, de aanvullende
                                uitkering. De uitkering op grond van de regeling FPU bedraagt €
                                605,- per maand, te weten € 331,50 basisuitkering en € 273,50
                                flexibel pensioen (fictieve bedragen).</al><al>De betrokkene heeft geen inkomsten uit arbeid.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de
                                betrokkene recht op een FLO-uitkering van € 2.445,-. Dit bedrag van
                                € 2.445,- moet op grond van artikel 9:4, derde lid, worden
                                verminderd met de uitkering krachtens de regeling FPU, te weten €
                                605,- (€ 331,50 plus € 273,50), waardoor voor de betrokkene een
                                bedrag aan FLO-uitkering resteert van € 1.840,-. </al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 2.445,-:
                                FLO € 1.840,- FPU € 605,- (€ 331,50 basisuitkering + € 273,50
                                flexibel pensioen)</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief>Als in voorbeeld 1, maar nu is € 50,-
                                van de totale FPU-uitkering van € 605,- op vrijwillige basis
                                bijeengespaard met gebruikmaking van artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van
                                het pensioenreglement.</al><al>Op grond van 9:1 in combinatie met 9:2 heeft de betrokkene recht op
                                een FLO-uitkering van € 2.445,-. Dit bedrag van € 2.445,- moet op
                                grond van artikel 9:4, derde lid, worden verminderd met € 555,-,
                                waardoor voor de betrokkene een bedrag aan FLO-uitkering resteert
                                van € 1.890,-.</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 2.495,-:
                                FLO € 1.890,- FPU € 605,- (€ 331,50 basisuitkering + € 223,50
                                flexibel pensioen + € 50,- vrijwillige opbouw)</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit lid regelt de vermindering van de uitkering in verband met
                                inkomsten uit of in verband met arbeid ter hand genomen op of na de
                                dag van ontslag. Benadrukt zij dat voor de berekening van het bedrag
                                van de vermindering wordt uitgegaan van de onverminderde
                                FLO-uitkering, dus het bedrag van de FLO-uitkering voordat dit in
                                voorkomend geval reeds is verminderd in verband met samenloop met
                                een FPU-uitkering (artikel 9:4). Het bedrag van de vermindering dat
                                op die wijze wordt verkregen door toepassing van het eerste lid van
                                artikel 9:4:1 wordt vervolgens in mindering gebracht op het bedrag
                                van de FLO-uitkering dat resteert na toepassing van artikel 9:4.
                                Hoewel inkomsten uit of in verband met arbeid in principe ook in
                                mindering worden gebracht op enkele onderdelen van de FPU-uitkering,
                                leidt de in dit artikel neergelegde samenloopbepaling niet tot een
                                dubbele verrekening van inkomsten uit of in verband met arbeid.
                                Immers, een verlaagde FPU-uitkering als gevolg van inkomsten uit of
                                in verband met arbeid leidt, door de redactie van artikel 9:4, derde
                                lid, weer tot een navenant hogere FLO-uitkering. Onderstaande
                                rekenvoorbeelden zijn ook vermeld in bijlage 6 bij de LOGA-brief van
                                17 januari 1997, kenmerk LOGA 96/36.</al><al><cursief><vet>Voorbeeld 1</vet></cursief>Situatie Een ambtenaar
                                krijgt FLO-ontslag wegens het bereiken van de leeftijd van 55 jaar.
                                Op de ontslagdatum heeft de betrokkene een diensttijd geldig voor
                                pensioen van 33 jaar. Op grond van artikel 9:1 in combinatie met
                                artikel 9:2 heeft de betrokkene bij 33 pensioenjaren recht op een
                                uitkering van 81,5% van zijn laatste bezoldiging. De bezoldiging van
                                de betrokkene, vermeerderd met de vakantietoelage, bedraagt €
                                3.000,- per maand. De betrokkene wordt in dit voorbeeld ontslagen op
                                een datum gelegen na 1 mei 1997 en heeft tevens recht op een
                                FPU-uitkering, in dit voorbeeld bestaande uit twee componenten: een
                                basisuitkering en een flexibel pensioen. De betrokkene heeft in dit
                                voorbeeld geen recht op een mogelijk derde component, de aanvullende
                                uitkering. De uitkering op grond van de regeling FPU bedraagt €
                                605,- per maand, te weten € 331,50 basisuitkering en € 273,50
                                flexibel pensioen (fictieve bedragen). De betrokkene heeft inkomsten
                                uit arbeid ter grootte van € 1.500,- per maand.</al><al>Op grond van de regeling FPU wordt het bedrag van de basisuitkering
                                verminderd met het bedrag waarmee de inkomsten uit arbeid, de
                                basisuitkering, de aanvullende uitkering en het flexibel pensioen
                                tezamen het oude inkomen van de betrokkene te boven gaan.</al><al>In het onderhavige geval is de som van de inkomsten uit arbeid en de
                                totale uitkering FPU lager dan de oude bezoldiging, waardoor het
                                bedrag van de basisuitkering niet wordt verminderd. Dientengevolge
                                bedraagt de totale uitkering op grond van de regeling FPU € 605,-
                                per maand, te weten € 331,50 basisuitkering en € 273,50 flexibel
                                pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de
                                betrokkene recht op een FLO-uitkering van € 2.445,-. Op grond van
                                artikel 9:4, derde lid moet dit bedrag van € 2.445,- worden
                                verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de regeling
                                FPU, te weten € 605,- (€ 331,50 plus € 273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid, moet eveneens
                                toepassing worden gegeven aan artikel 9:4:1, eerste lid.
                                Vermindering vindt dan plaats voorzover de inkomsten en de
                                onverminderde uitkering samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaat.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid, leidt tot de volgende
                                vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit
                                arbeid - oude bezoldiging</al><al>In cijfers: bedrag vermindering = 2445 + 1500 - 3000 bedrag
                                vermindering = 945</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot
                                een uit te keren bedrag aan FLO van € 895,- (2445 - 605 - 945 =
                                895).</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.000,-:
                                FLO € 895,- FPU € 605,- Inkomsten uit arbeid € 1.500,-</al><al><cursief><vet>Voorbeeld 2</vet></cursief>Als voorbeeld 1, maar nu
                                heeft de betrokkene inkomsten uit arbeid ter grootte van € 2.500,-
                                per maand. Op grond van het Reglement FPU wordt het bedrag van de
                                basisuitkering verminderd met het bedrag waarmee de inkomsten uit
                                arbeid, de basisuitkering, de aanvullende uitkering en het flexibel
                                pensioen tezamen het oude inkomen van de betrokkene te boven
                                gaan.</al><al>In het onderhavige geval bedraagt de som van de inkomsten uit arbeid
                                en de totale uitkering FPU € 3.105,-, waarmee de oude bezoldiging
                                met € 105,- wordt overschreden en welk bedrag dientengevolge in
                                mindering wordt gebracht op de basisuitkering.</al><al>Dientengevolge bedraagt de totale uitkering op grond van de regeling
                                FPU € 500,- per maand, te weten € 226,50 basisuitkering (331,50 -
                                105 = 226,50) en € 273,50 flexibel pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de
                                betrokkene recht op een FLO-uitkering van € 2.445,-. Op grond van
                                artikel 9:4, derde lid, moet dit bedrag van € 2.445,- worden
                                verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de regeling
                                FPU, te weten € 500,- (€ 226,50 plus € 273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid moet eveneens toepassing
                                worden gegeven aan artikel 9:4:1, eerste lid.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid, leidt tot de volgende
                                vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit
                                arbeid - oude bezoldiging</al><al>In cijfers: bedrag vermindering = 2445 + 2500 - 3000 bedrag
                                vermindering = 1945</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot
                                een uit te keren bedrag aan FLO van € 0 (2245 - 500 - 1945 =
                                0).</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.000,-:
                                FLO € 0 FPU € 500,- Inkomsten uit arbeid € 2.500,-</al><al><cursief><vet>Voorbeeld 3</vet></cursief>Als voorbeeld 1, maar nu
                                heeft de betrokkene inkomsten uit arbeid ter grootte van € 3.000,-
                                per maand.</al><al>Op grond van het Reglement FPU wordt het bedrag van de
                                basisuitkering verminderd met het bedrag waarmee de inkomsten uit
                                arbeid, de basisuitkering, de aanvullende uitkering en het flexibel
                                pensioen tezamen het oude inkomen van de betrokkene te boven
                                gaan.</al><al>In het onderhavige geval bedraagt de som van de inkomsten uit arbeid
                                en de totale uitkering FPU € 3.605,-, waarmee de oude bezoldiging
                                met € 605,- wordt overschreden en welk bedrag in principe geheel in
                                mindering wordt gebracht op de basisuitkering. Daar de
                                basisuitkering slechts € 331,50 bedraagt, kan deze echter met
                                maximaal € 331,50 worden verminderd.</al><al>Dientengevolge bedraagt de totale uitkering op grond van de regeling
                                FPU € 273,50 per maand, te weten € 0 basisuitkering (331,50 – 331,50
                                = 0) en € 273,50 flexibel pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de
                                betrokkene recht op een FLO-uitkering van € 2.445,-. Op grond van
                                artikel 9:4, derde lid, moet dit bedrag van € 2.445,- worden
                                verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de regeling
                                FPU, te weten € 273,50 (€ 0 plus € 273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid, moet eveneens
                                toepassing worden gegeven aan artikel 9:4:1, eerste lid.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid, leidt tot de volgende
                                vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit
                                arbeid – oude bezoldiging</al><al>In cijfers: bedrag vermindering = 2445 + 3000 - 3000 bedrag
                                vermindering = 2445</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot
                                een uit te keren bedrag aan FLO van € 0 (2445- 273,50 - 2445).</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.273,50:
                                FLO € 0 FPU € 273,50 Inkomsten uit arbeid € 3.000,-</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op grond van artikel 16.3 van het pensioenreglement kan, na afloop
                                van de periode van verplichte opbouw van de helft van het pensioen,
                                de ambtenaar op eigen kosten en tegen een individueel vast te
                                stellen premie zijn pensioenopbouw op vrijwillige basis gedurende
                                een bepaalde periode voortzetten. Lid 1 bepaalt dat de kosten van
                                deze individuele premie voor zover zij 30% van de doorsneepremie (de
                                premie die geldt bij verplichte pensioenopbouw) te boven gaan,
                                worden gedragen door de gemeente. Hiermee wordt feitelijk geregeld
                                dat de ambtenaar die FLO-ontslag heeft gekregen ook tussen zijn
                                62-ste en 65-ste levensjaar pensioen kan opbouwen tegen dezelfde
                                kosten als die hij zou hebben gehad indien hij nog verplicht
                                pensioen zou opbouwen. Artikel 16.3 geeft ook de mogelijkheid tot
                                een aanvullende pensioenopbouw (100% i.p.v. 50%). De kosten van deze
                                aanvullende pensioenopbouw komen ten alle tijde volledig ten laste
                                van de werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Tijdelijke regeling (T)</titel></kop><al>LOGA-partijen zijn op 6 december 2005 overeengekomen om het functioneel
                            leeftijdsontslag per 1 januari 2006 af te schaffen en een nieuw stelsel
                            in te voeren, inclusief overgangsrecht. Artikel 9:12 is een tijdelijke
                            regeling die ertoe dient om de periode waarin het overgangsrecht nog
                            niet door LOGA-partijen is vastgesteld te overbruggen. Aangezien het
                            overgangsrecht op 1 juli 2006 van kracht is geworden, kan artikel 9:12
                            vanaf 1 juli 2006 niet meer worden toegepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Slotbepaling (T)</titel></kop><al>In de CAO 2005-2007 is de FLO afgeschaft en is overgangsrecht
                            afgesproken voor mensen die op 31 december 2005 al in een bezwarende
                            functie bij de brandweer of ambulance bekleedden. Per 1 juli 2006 is het
                            overeengekomen overgangsrecht in CAR-tekst omgezet. Omdat het kon
                            voorkomen dat mensen tussen 1 januari 2006 en 1 juli 2006 op grond van
                            de CAO bepaalde rechten hadden, die op dat moment nog niet in
                            regelgeving was omgezet, was een tijdelijke voorziening getroffen
                            (artikel 9:11 en 9:12). Vanaf 1 juli 2006 kan er geen uitkering meer
                            worden verleend op grond van hoofdstuk 9. Ambtenaren die recht hebben op
                            FLO-overgangsrecht, vallen onder één van de paragrafen van hoofdstuk
                            9b.</al></artikel><artikel><kop><titel>Definities (T)</titel></kop><al>De functie, waarop de ambtenaar uiteindelijk geplaatst wordt, moet
                            aansluiten bij de richting die in het loopbaanplan is afgesproken. Bij
                            het bepalen van die richting worden de interesses en competenties van de
                            ambtenaar betrokken (artikel 9a:5, lid 9, onderdeel b).</al><al>De ambtenaar mag een aangeboden functie weigeren, wanneer deze meer dan
                            2 salarisschalen verschilt van het salaris van de functie die de
                            ambtenaar vervulde, tenzij deze functie met medeweten van de ambtenaar
                            is gezocht en hierover in het kader van het loopbaanplan afspraken zijn
                            gemaakt.</al><al>Wanneer de ambtenaar een betrekking aanvaardt met een lager inkomen dan
                            het inkomen dat hij met de bezwarende functie verdiende, heeft hij op
                            grond van artikel 9a:11 recht op een salarisgarantie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vervallen (T)</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Het loopbaanplan (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het loopbaangesprek kan onderdeel uitmaken van het
                                functioneringsgesprek of het beoordelingsgesprek. De gemeentelijke
                                werkgever kan er ook voor kiezen om het loopbaantraject afzonderlijk
                                te benaderen. Welke keuze ook gemaakt wordt, er moet een goed
                                dossier zijn van de afspraken, de voortgang en de resultaten. Ook
                                moet duidelijk zijn wie het aanspreekpunt is. Dit kan de direct
                                leidinggevende zijn, maar kan ook een andere functionaris zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Brandweermedewerkers in bezwarende functies moeten worden opgeleid
                                tot MBO-niveau voor zover ze dit nog niet hebben. Daarbij moet het
                                gaan om extern erkende opleidingen. De reden van deze opleiding tot
                                MBO-niveau is dat het gewenst is dat ambtenaren uiteindelijk zo
                                breed mogelijk inzetbaar zijn. Een brede opleiding vergroot de
                                kansen van ambtenaren in bezwarende functies op de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Deze belangen zijn onder andere het arbeidsmarktperspectief van de
                                opleiding die gewenst is. Ook de capaciteiten van de ambtenaar
                                spelen een rol in de opleiding die hij wenst. De opleiding moet
                                derhalve aansluiten bij de capaciteiten van de ambtenaar. Verder kan
                                ook de Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO) een rol spelen
                                bij de belangen van de gemeentelijke werkgever en ambtenaar. Als de
                                PPMO uitwijst dat bepaalde aspecten van de bezwarende functie niet
                                meer uitgeoefend kunnen worden, kan dat van invloed zijn op de
                                tweede loopbaan na afloop van het uitoefenen van de bezwarende
                                functie.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>onderdeel b</al><al> Vastgelegd moet worden in welke richting de tweede loopbaan gezocht
                                wordt. Dit is namelijk medebepalend voor de activiteiten en
                                opleidingen die gedaan, respectievelijk gevolgd moeten worden. Bij
                                het bepalen van de richting van de tweede loopbaan wordt rekening
                                gehouden met de competenties en interesses van de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Terugbetaling (T)</titel></kop><al>Bij het afbreken van de opleiding zonder geldige reden kan sprake zijn
                            van evident misbruik.</al><al>De ambtenaar moet er op het moment dat de loopbaanfaciliteiten bekostigd
                            worden op gewezen worden dat hij bij evident misbruik de kosten moet
                            terugbetalen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Disciplinaire straf (T)</titel></kop><al>Als de ambtenaar zich niet houdt aan de verplichtingen uit het
                            loopbaanplan, wordt een disciplinaire straf opgelegd. Hierbij gelden de
                            bepalingen van hoofdstuk 16. De zwaarte van de straf moet overeenkomen
                            met de ernst van de gedragingen. </al><al>Van de voortgang van het loopbaanplan moet een dossier bijgehouden
                            worden. Hiermee kan beoordeeld worden of het niet kunnen starten van de
                            tweede loopbaan van de medewerker aan het einde van het loopbaantraject
                            aan de medewerker te wijten is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Gevolgen niet starten tweede loopbaan (T)</titel></kop><al>Wanneer het college zijn inspanningen uit het loopbaanplan niet nakomt
                            en de tweede loopbaan om die reden niet begonnen kan worden, blijft de
                            ambtenaar in de bezwarende functie doorwerken. De tweede reden dat de
                            ambtenaar werkzaam kan blijven in de bezwarende functie is als het
                            college en de ambtenaar gezamenlijk daartoe besluiten. </al><al>Uiteraard moet de ambtenaar medisch geschikt zijn om in de functie te
                            kunnen doorwerken. Of de ambtenaar medisch geschikt is, kan blijken uit
                            de PPMO, maar kan ook aan de orde worden gesteld door de ambtenaar zelf
                            die zich heeft ziek gemeld. Op dat moment wordt hoofdstuk 7 van
                            toepassing en geldt het ziekteverzuimprotocol. Ook kan het college op
                            grond van hoofdstuk 7 besluiten de ambtenaar aan een medisch onderzoek
                            te onderwerpen, wanneer getwijfeld wordt aan de medische geschiktheid om
                            de functie uit te oefenen.</al><al>Het feit dat de tweede loopbaan na 20 jaar nog niet gestart heeft kunnen
                            worden, betekent niet dat van een tweede loopbaan helemaal geen sprake
                            meer is. Het loopbaanplan wordt voortgezet. Feitelijk betekent dit dus
                            dat de termijn van 20 jaar wordt opgerekt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Vanaf het moment van ziekmelding begint de normale procedure te
                                lopen, die voor een zieke medewerker geldt. Hoofdstuk 7 CAR is dus
                                gewoon van toepassing. Vanaf het eerste moment van ziekte moeten
                                college en ambtenaar werken aan reïntegratie. Dat de medewerker niet
                                meer geschikt is om in zijn bezwarende functie door te werken
                                betekent dus dat gezocht moet worden naar ander werk binnen dan wel
                                buiten de gemeentelijke dienst.</al><al>Dat hoofdstuk 7 van toepassing is, betekent ook dat de ambtenaar na
                                verloop van tijd minder hoge eisen mag stellen aan de nieuwe
                                functie. Zie verder de toelichting bij hoofdstuk 7.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het feit dat gekozen is voor de terminologie " <vet>een</vet>
                                bezwarende functie ” betekent dat ook bij overstap van de ene naar
                                de andere gemeente of van de ene bezwarende functie naar de andere
                                bezwarende functie de opbouw van de overbruggingsuitkering geldt. De
                                gemeente, van waaruit de ambtenaar arbeidsongeschikt raakt, betaalt
                                de overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De overbruggingsuitkering wordt gedurende maximaal 20 jaar
                                opgebouwd. Dit resulteert in een totale maximale duur van 24
                                maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Garantiesalaris en afbouw toelagen (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij ledenbrief van 4 september 2006 (Marz/CvA/U200601402; CvA/LOGA
                                06/35) is een uitputtende definitie gegeven van het begrip
                                bezoldiging. Ook is in die ledenbrief bevestigd dat de
                                garantietoelagen uit artikel 9a:11 uitgaan van bevroren bedragen
                                (zie hierna de toelichting op overige leden van artikel 9a:11). </al><al>De nieuwe definitie van het begrip bezoldiging is in lid 1
                                vastgelegd. De limitatieve opsomming houdt in dat bijvoorbeeld de
                                overwerkvergoeding niet meegenomen wordt in de
                                berekeningsgrondslag.</al><al>De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de datum die
                                bepalend is voor de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en
                                generieke salarisstijgingen omgerekend worden naar een periode van
                                12 maanden.</al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren gebruik
                                maken van diverse verlofvormen. Bijvoorbeeld ouderschapsverlof of
                                kort- of langdurend zorgverlof. Deze verlofopname kan ook
                                plaatsvinden in de 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het
                                begin van de tweede loopbaan. Als verlofopname door de ambtenaar
                                leidt tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de
                                bezoldiging, werkt die wijziging door in de oude bezoldiging.</al><al>Een wijziging van de bezoldiging als gevolg van keuzes in het kader
                                van het cafetariamodel heeft geen gevolgen voor de oude
                                bezoldiging.</al><al>VoorbeeldDe tweede loopbaan van Pieter start op 1 augustus 2009.
                                Pieter geniet van 1 januari tot 1 april 2009 drie maanden fulltime
                                ouderschapsverlof. Stel Pieter krijgt in deze periode van
                                ouderschapsverlof, gelet op de ouderschapsverlofkorting, 35% van de
                                bezoldiging doorbetaald vanuit de werkgever. Deze daling van de
                                feitelijke uitbetaling van de bezoldiging in de 12 maanden
                                voorafgaand aan de tweede loopbaan werkt door in de oude
                                bezoldiging. De oude bezoldiging van Pieter is uiteindelijk (9
                                maanden 100% en 3 maanden 35% =) 83,75% van de oude bezoldiging die
                                Pieter gehad zou hebben als hij geen ouderschapsverlof had
                                opgenomen.</al><al>Alleen als verlofopname in de 12 maanden voorafgaand aan het begin
                                van de tweede loopbaan heeft geleid tot een wijziging van de
                                feitelijke uitbetaling van de bezoldiging, werkt die wijziging door
                                in de oude bezoldiging. Andere invloeden, bijvoorbeeld ziekte of
                                gebruikmaking van het cafetariamodel, hebben geen effect op de oude
                                bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tweede lid biedt een salarisgarantie, waarbij sprake is van een
                                bevriezing van het oude salarisbedrag. Het gaat daarbij om een
                                garantie van het salarisbedrag dat betrokkene maandelijks ontving.
                                Als iemand een functie had in schaal 6 en betaald werd naar
                                periodiek 5 (bedrag: € 1856) en zijn nieuwe functie is een functie
                                in schaal 5, waarbij hij ingedeeld wordt in periodiek 7 (bedrag: €
                                1891), dan ontvangt hij geen garantietoelage. De hoogte van de
                                toelage kan veranderen als sprake is van een algemene
                                salariswijziging. De toelage bedraagt het verschil tussen het oude
                                en het nieuwe salaris. Dit betekent dat als het nieuwe salaris
                                stijgt, de toelage minder groot en uiteindelijk wellicht nihil
                                wordt.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Voorbeeld </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 28.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 2 geeft recht op een garantietoelage van 2.000.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de
                                oude bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren
                                bezoldigingsbedrag.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Voorbeeld </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 25.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 10.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3 geeft recht op een garantietoelage van 5.000. Maar omdat het
                                nieuwe salaris samen met de nieuwe toelagen én de op grond van het
                                tweede lid berekende garantie hoger is dan de oude bezoldiging,
                                wordt de garantietoelage verminderd met een bedrag van 2.000. De
                                garantietoelage bedraagt daarom 3.000. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot een aflopend
                                percentage van de oude toelagen, waarbij sprake is van bevroren
                                bedragen.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Voorbeeld </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 28.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 4 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en
                                1.000. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de
                                oude bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren
                                bezoldigingsbedrag.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Voorbeeld </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 32.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 5 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en
                                1.000. Maar omdat het nieuwe salaris, samen met de nieuwe toelagen
                                én de afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar leiden tot een
                                hoger totaalinkomen dan de oude bezoldiging, komt de afbouwtoelage
                                in het eerste en tweede jaar niet geheel tot uitbetaling. In het
                                eerste jaar wordt de afbouwtoelage verminderd met een bedrag van
                                2.000 en bedraagt de afbouwtoelage dus 2.000. In het tweede jaar
                                wordt de afbouwtoelage verminderd met een bedrag van 1.000 en
                                bedraagt de afbouwtoelage dus 2.000. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het percentage van 175% is als volgt opgebouwd. Gedurende vier jaar
                                lang wordt een aflopende compensatie gegeven van het
                                inkomensverschil, waarbij het eerste jaar 100% van het
                                inkomensverschil wordt vergoed, het tweede jaar 75%, het derde jaar
                                50% en het vierde jaar 25% van het inkomensverschil. In totaal wordt
                                dus 250% van het inkomensverschil vergoed. Vervolgens wordt dit
                                bedrag met 70% vermenigvuldigd. Het percentage van 70% heeft te
                                maken met het voordeel dat de medewerker heeft doordat een bedrag
                                ineens wordt verstrekt. Wanneer deze percentages met elkaar
                                vermenigvuldigd worden, wordt 70% * 250% = 175% van het
                                inkomensverschil vergoed. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Voorbeeld </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude functie</al></entry><entry colname="col2"><al>Nieuwe functie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Salaris 30.000</al></entry><entry colname="col2"><al>salaris 28.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>Toelagen 6.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De medewerker zakt in totaalinkomen van 38.000 naar 34.000. De
                                medewerker ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van (38.000-34.000)
                                * 250% * 70% = 7.000. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005
                                recht gaf op functioneel leeftijdsontslag (T)</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting voor hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in
                                een functie die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                                leeftijdsontslag.</vet></al><al>De toelichting op de koptekst van hoofdstuk 9b komt als volgt te
                            luiden:</al><al>Hoofdstuk 9b</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op 31 december 2005
                            een functie bekleed heeft die – op 31 december 2005 – recht gaf op
                            functioneel leeftijdsontslag op grond van <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18440.pdf">pdf60</extref>, zoals dat luidde op 31 december 2005. Ook moet hij sinds die
                            datum onafgebroken in een dergelijke functie gewerkt hebben. Dit hoeft
                            niet bij een en dezelfde organisatie te zijn geweest.</al><al>De tekst van <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18441.pdf">pdf61</extref>, zoals dat luidde op 31 december 2005, luidt:“Indien door het
                            college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn bepaald voor de
                            vervulling van in die regeling vermelde en voor zover nodig nader
                            omschreven betrekkingen, wordt de ambtenaar die een zodanige betrekking
                            vervult en de daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft overschreden,
                            eervol ontslag verleend.”</al><al>De rechten die deze ambtenaren hebben, zijn vervolgens afhankelijk
                            van:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal dienstjaren dat de ambtenaar op 1 januari 2006 in een
                                    functie werkzaam is geweest, die recht gaf op functioneel
                                    leeftijdsontslag.</al></li><li nr="-"><al>het feit of de functie bezwarend was.</al></li><li nr="-"><al>de geboortedatum van de ambtenaar: is de ambtenaar voor 1950 of
                                    na 1949 geboren.</al></li></lijst><al>In aparte paragrafen worden deze rechten verder uitgewerkt.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="0" nameend="col2" namest="col1"><al>Paragraafnummer</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" nameend="col3" namest="col2"><al>Omschrijving</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" nameend="col4" namest="col3"><al>Opgenomen artikelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 1</al></entry><entry colname="col2" morerows="1" nameend="col3" namest="col2"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3"><al>9b:1 en 9b:2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 2</al></entry><entry colname="col2" morerows="2" nameend="col3" namest="col2"><al>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                                meer in een bezwarende functie op 1 januari
                                                2006</al></entry><entry colname="col3"><al>9b:3 tot en met 9b:22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 3</al></entry><entry colname="col2" morerows="3" nameend="col3" namest="col2"><al>De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                                                dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari
                                                2006</al></entry><entry colname="col3"><al>9b:23 tot en met 9b:45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 4</al></entry><entry colname="col2" morerows="4" nameend="col3" namest="col2"><al>De ambtenaar in een bezwarende functie geboren voor
                                                1950</al></entry><entry colname="col3"><al>9b:46 tot en met 9b:49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 5</al></entry><entry colname="col2" morerows="5" nameend="col3" namest="col2"><al>De ambtenaar in een niet bezwarende functie</al></entry><entry colname="col3"><al>9b:50 tot en met 9b:53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De rechten komen ten laste van de gemeente, van waaruit betrokkene van
                            de in dit hoofdstuk bepaalde rechten gebruik maakt en het college de
                            plichten aan de betrokkene oplegt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar moet op 31 december 2005 bij een gemeentelijk
                                beroepsbrandweerkorps of een gemeentelijke ambulancedienst een
                                functie bekleed hebben die - op 31 december 2005 - recht gaf op
                                functioneel leeftijdsontslag op grond van <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18442.pdf">pdf62</extref>, zoals dat luidde op 31 december 2005. Ook moet hij sinds
                                die datum onafgebroken in deze functie gewerkt hebben. Onder
                                onafgebrokenheid genoemd in lid 1 onder c wordt ook verstaan een
                                overstap naar een andere functie binnen dezelfde gemeente of
                                ambulancedienst of naar een functie bij een ander gemeentelijk
                                beroepsbrandweerkorps beroepsbrandweerkorps of andere gemeentelijke
                                ambulancedienst. Voorwaarde voor de functie waarnaar wordt
                                overgestapt is dat ook die functie - op 31 december 2005 - recht gaf
                                op functioneel leeftijdsontslag op grond van <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18443.pdf">pdf63</extref>, zoals dat luidde op 31 december 2005. Het overgangsrecht
                                bij wijziging van functie of wijziging van werkgever loopt dus door,
                                mits dit een overstap is van de ene naar de andere bezwarende
                                functie.</al><al>Doorlopen van het overgangsrecht betekent dat ook bij de nieuwe
                                werkgever de rechten ontstaan op grond van paragraaf 2 of 3 van dit
                                hoofdstuk. Of paragraaf 2 of 3 van toepassing is, blijft afhankelijk
                                van het aantal dienstjaren op 1 januari 2006.</al><al>Er is een uitzondering op het doorlopen van het overgangsrecht en
                                dat is als de nieuwe werkgever met de medewerker afspreekt dat het
                                overgangsrecht niet wordt voortgezet. De medewerker kan namelijk ook
                                anderszins voordeel hebben van de overstap op grond waarvan het voor
                                hem minder belangrijk is dat het overgangsrecht wordt
                                voortgezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Begripsbepalingen (T)</titel></kop><al><vet>Onderdeel a</vet>De in onderdeel a gegeven definitie van
                            bezoldiging geldt alleen voor de in dit artikel genoemde artikelen. Dat
                            betekent dat in de andere gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>de definitie van artikel 3:1 geldt (artikel 9b:20, eerste lid,
                                    eerste maal en artikel 9b:25, zesde lid, eerste maal); of </al></li><li nr="-"><al>de nieuwe definitie wel geldt, maar dit via een inhoudelijke
                                    koppeling met een van de wel genoemde artikelen geregeld is (zo
                                    wordt in artikel 9b:10 verwezen naar artikel 9b:4; het is dus
                                    niet nodig om artikel 9b:10 in de opsomming in onderdeel a op te
                                    nemen); of </al></li><li nr="-"><al>dat de definitie van bezoldiging niet ter zake doet, omdat het
                                    begrip bezoldiging daar slechts gekoppeld is aan een periode en
                                    niet inhoudelijk van betekenis is (bijvoorbeeld artikel 9b:9).
                                </al></li></lijst><al>De limitatieve opsomming van de elementen die onder het begrip
                            bezoldiging vallen houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet
                            meegenomen wordt in de berekeningsgrondslag.</al><al>De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de datum die bepalend
                            is voor de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en generieke
                            salarisstijgingen omgerekend worden naar deze periode van 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Iemand wordt op 1 juni 2007 55 jaar. Op dat
                            moment wil hij 50% gaan werken tegen doorbetaling van 90% van de
                            bezoldiging. Op 1 februari 2007 is een generieke salarisverhoging
                            afgesproken van 0,8%. Deze telt voor de gemiddelde bezoldiging van de 12
                            maanden voorafgaand aan 1 juni 2007 voor 4/12 mee, omdat deze slechts
                            over 4 van de 12 voorafgaande maanden is genoten. </al><al>In de definitie van bezoldiging wordt verwezen naar de datum die
                                <cursief>“voortvloeit uit de toepassing van …”</cursief> bepaalde
                            artikelen. Hiermee wordt het volgende bedoeld. Artikel 9b:4 geeft de
                            ambtenaar de keuze om op de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken,
                            tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging. Als hij dat daadwerkelijk
                            doet, wordt uitgegaan van de gemiddelde bezoldiging die hij in de
                            periode 54 tot 55 jaar ontving. Maakt hij echter gebruik van de
                            mogelijkheid tot opschuiven (lid 5) en schuift hij de ingangsdatum van
                            de keuzemogelijkheden op met 2 jaar, dan stopt hij pas op 57-jarige
                            leeftijd met werken en geldt de bezoldiging in de periode 56 tot 57
                            jaar. </al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren gebruik
                            maken van diverse verlofvormen. Bijvoorbeeld ouderschapsverlof of kort-
                            of langdurend zorgverlof. Deze verlofopname kan ook plaatsvinden in de
                            referteperiode van het begrip bezoldiging (12 maanden voorafgaand aan de
                            datum bedoeld in het eerste lid). Als verlofopname door de ambtenaar in
                            deze referteperiode leidt tot een wijziging van de feitelijke
                            uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel
                            c, werkt die wijziging door in de bezoldiging. </al><al>Een wijziging van de bezoldiging als gevolg van keuzes in het kader van
                            het cafetariamodel heeft geen gevolgen voor de bezoldiging. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Henk heeft 20 dienstjaren en kan op zijn
                            55-ste verjaardag, op 1 augustus 2009, met volledig buitengewoon verlof.
                            Henk geniet van 1 januari tot 1 april 2009 drie maanden fulltime
                            ouderschapsverlof. Stel Henk krijgt in deze periode van
                            ouderschapsverlof, gelet op de ouderschapsverlofkorting, 35% van de
                            bezoldiging doorbetaald vanuit de werkgever. Deze daling van de
                            feitelijke uitbetaling van de bezoldiging in de referteperiode werkt
                            door in de bezoldiging. De bezoldiging van Henk is uiteindelijk (9
                            maanden 100% en 3 maanden 35% =) 83,75% van de bezoldiging die Henk
                            gehad zou hebben als hij geen ouderschapsverlof had opgenomen. </al><al>Alleen als verlofopname in de 12 maanden van de referteperiode heeft
                            geleid tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de
                            bezoldiging genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die
                            wijziging door in de bezoldiging. Andere invloeden, bijvoorbeeld ziekte
                            of gebruikmaking van het cafetariamodel, hebben geen effect op de
                            bezoldiging.</al><al>Onderdeel b en f In artikel 9b:1 is vastgesteld dat het moet gaan om een
                            betrekking die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                            leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18444.pdf">pdf64</extref>. Deze eis geldt zowel bij de bezwarende als bij de
                            niet-bezwarende functie. </al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                            onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december
                            2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals
                                dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18445.pdf">pdf65</extref>, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld
                                van 55 jaar. Dit betekent dat de keuze in principe 4 jaar lang
                                geldt. Op eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de
                                medewerker 59 jaar wordt, gaat namelijk het onbezoldigd volledig
                                verlof in. Was de zogeheten FLO-leeftijd bepaald op een hogere
                                leeftijd, dan is de periode van de keuze korter dan 4 jaar. Lid 7
                                biedt overigens de mogelijkheid om na ingang van de keuzeperiode
                                over te stappen naar een andere keuze. Zie ook de toelichting bij
                                lid 7.</al></lid><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is
                                gebaseerd op de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. </al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling
                                tot het verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden
                                voor maximaal 4 jaar. Het buitengewoon verlof wordt gezien als een
                                vroegpensioenregeling. Daarom wordt dit fiscaal extra belast. </al><al>De overige keuzes gelden voor zover het dienstbelang dit toelaat.
                                Het dienstbelang houdt onder meer in dat er voldoende werk
                                voorhanden moet zijn om de ambtenaar van de eerste twee opties
                                gebruik te laten maken. </al><al>Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel
                                als alternatief geldt voor 50% werken tegen 90% van de bezoldiging
                                heeft met de mogelijkheid te maken dat ambulancepersoneel in verband
                                met vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een volledige betrekking
                                (= 60% van 36 uur per week) moet werken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar
                                een FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, gelden de keuzes van het
                                eerste lid pas vanaf de eerste van de maand waarin de ambtenaar 56
                                jaar wordt. Ditzelfde geldt naar analogie bij een FLO-leeftijd van
                                57 en 58. </al><al>In al deze gevallen geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig
                                verlof ingaat vanaf de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar
                                59 jaar wordt. </al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was
                                vastgesteld van 59 of 60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd
                                volledig verlof. Op hen is artikel 9b:4 feitelijk niet van
                                toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig verlof
                                gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:4.
                                Zie voor een toelichting op ambtenaren met een functie, waarvoor een
                                FLO-leeftijd gold van 59 jaar, de toelichting op lid 5. Voor de
                                toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie, waarvoor een
                                FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, het tweede lid van artikel
                                9b:11. </al><al>De duur van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus korter
                                naarmate een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de
                                arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit
                                het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd
                                wordt. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Men kan er ook voor kiezen om later dan bij het bereiken van de
                                leeftijd van 55 jaar het overgangsrecht in te laten gaan. In dit
                                geval gaat ook het onbezoldigd volledig verlof van artikel 9b:11
                                later in. </al><al>Als iemand hiervoor kiest, kan hij ook het ouderdomspensioen later
                                laten ingaan. Het ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren
                                gespreid, waardoor de uitkering per jaar hoger wordt. Zie verder de
                                toelichting op artikel 9b:11. </al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31
                                december 2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft
                                geen andere keuze dan onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de
                                eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de ambtenaar 59
                                jaar wordt. In artikel 9b:11 is opgenomen dat de ingangsdatum van
                                dit onbezoldigd volledig verlof opgeschoven kan worden. Het
                                onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende
                                functie, waarvoor het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd
                                van 60 jaar had vastgesteld, gaat in vanaf de leeftijd van 60 jaar.
                                Ook hij kan de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof
                                opschuiven. </al><al>Ten aanzien van de medische geschiktheid wordt verwezen naar de
                                toelichting op lid 4. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8
                                weken op het verzoek van de ambtenaar beslissen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In lid 7 wordt het mogelijk gemaakt om gedurende de periode van 55
                                tot 59 jaar de gemaakte keuze te herzien. Het dienstbelang moet deze
                                herziening toelaten. Een van de andere voorwaarden is dat alleen
                                minder gewerkt kan worden dan de in eerste instantie gemaakte keuze.
                                Dit betekent dat als de ambtenaar gekozen had om 50% te gaan werken
                                tegen 90% van de bezoldiging, hij na herziening alleen nog kan
                                kiezen voor stoppen met werken tegen doorbetaling van 80% van de
                                bezoldiging dan wel ontslag nemen tegen uitbetaling van een bonus
                                van een jaarsalaris. Deze bonus wordt berekend naar rato van de tijd
                                die resteert tot betrokkene de leeftijd van 59 jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het FLO-overgangsrecht ondervindt gevolgen van onder andere
                                wijzigingen in pensioenregels en het ziektekostenstelsel. Hierdoor
                                bestaat er verschil in inkomen van ambtenaren die gebruik konden
                                maken van het oude FLO en medewerkers met 20 dienstjaren of meer op
                                1 januari 2006 die na die datum gebruik hebben gemaakt van de
                                mogelijkheid in het FLO-overgangsrecht om volledig te stoppen met
                                werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging. In de CAO
                                sector Gemeenten 2007-2009 is een compensatie afgesproken voor
                                ambtenaren met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 die in
                                schaal 6 of lager zaten en die gebruik maken van de mogelijkheid om
                                volledig te stoppen met werken tegen 80% bezoldiging. Deze
                                ambtenaren hebben, als zij in de jaren 2006 tot en met 2010 gebruik
                                maken van deze mogelijkheid, recht op een netto bedrag van € 500,-
                                per jaar. Als zij niet een volledig kalenderjaar gebruik hebben
                                gemaakt van genoemde regeling dan ontvangen zij het bedrag naar
                                rato.</al><al>VoorbeeldenIemand die vanaf 1 juli 2006 in het kader van FLO
                                overgangsrecht van voornoemde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt,
                                heeft dus in 2006 recht op een vergoeding van € 250, in 2007 tot en
                                met 2009 jaarlijks recht op een netto vergoeding van € 500 en in
                                2010 een vergoeding van € 250. Op 1 juli 2010 wordt de medewerker 59
                                jaar en gaat hij met onbezoldigd volledig verlof. Iemand die vanaf 1
                                juli 2007 in het kader van FLO overgangsrecht van voornoemde
                                mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft in 2007 recht op een
                                vergoeding van € 250 en in 2008 tot en met 2010 jaarlijks recht op
                                een netto vergoeding van € 500. Iemand die vanaf 1 april 2008 in het
                                kader van FLO overgangsrecht van voornoemde mogelijkheid gebruik
                                maakt, heeft in 2008 recht op een netto vergoeding van 9/12 maal €
                                500 en in 2009 en 2010 jaarlijks recht op een netto vergoeding van €
                                500. </al><al>Wanneer er lokaal al een compensatie van de betreffende medewerkers
                                heeft plaatsgevonden, bestaat slechts recht op de bovenstaande netto
                                vergoeding voor dat gedeelte dat hoger is dan wat de gemeente al aan
                                de betrokken medewerker netto heeft uitbetaald dan wel heeft
                                toegezegd. Dit wordt berekend over de gehele periode van 1 januari
                                2006 tot 1 januari 2011. (zie voorbeeld 1 en 2) </al><al>Er kan ook sprake van zijn dat medewerkers om andere redenen de
                                bovengenoemde inkomensachteruitgang niet of slechts gedeeltelijk
                                ondervonden. Wanneer geen sprake is geweest van een achteruitgang in
                                inkomen, bestaat uiteraard geen recht op vergoeding op basis van de
                                CAR. Wanneer de inkomensachteruitgang niet of slechts gedeeltelijk
                                heeft plaatsgevonden bestaat slechts aanspraak op de vergoeding op
                                basis van de CAR voor dat deel dat er minder is ontvangen dan de
                                netto vergoeding van € 500 per jaar. Dit wordt berekend over de
                                gehele periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 (zie voorbeeld
                                3).</al><al>Voorbeeld 1 Een gemeente heeft voorafgaand aan de CAO lokaal al
                                toegezegd om in de jaren 2006 tot en met 2008 een netto compensatie
                                te verlenen van € 250 netto per jaar. Een medewerker die op 1
                                januari 2007 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de
                                oud FLO-leeftijd te stoppen met werken tegen uitbetaling van 80% van
                                de bezoldiging heeft op basis van de CAR nog recht op een nabetaling
                                van € 250 netto per jaar over 2007. In 2008 heeft hij recht op een
                                netto uitkering van € 500 (€ 250 op basis van de lokaal gemaakte
                                afspraak en € 250 op basis van de CAR). In 2009 en 2010 heeft hij
                                recht op de compensatie van € 500 netto per jaar (op basis van de
                                CAR).</al><al>Voorbeeld 2 Een medewerker heeft op 1 januari 2006 gebruik gemaakt
                                van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met
                                werken tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging. De gemeente
                                heeft in 2006 en 2007 een compensatie verleend voor de
                                inkomensachteruitgang van € 1000 netto per jaar. Dit betekent dat
                                deze medewerker in de periode 2006-2007 al een compensatie heeft
                                ontvangen van € 2000 netto. Omdat dit gelijk is aan 4<noot id="FN5663_1"><noot.al> Een medewerker heeft maximaal 4 jaar recht op de
                                        compensatie, immers vanaf het moment dat de medewerker 59
                                        jaar is gaat hij met onbezoldigd volledig verlof
                                        (levensloop).</noot.al></noot> x € 500 waarop op basis van de CAR recht bestaat, bestaat
                                geen recht meer op extra compensatie.</al><al>Voorbeeld 3 Een medewerker heeft per 1 januari 2006 gebruik gemaakt
                                van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met
                                werken. Deze medewerker is vanaf dat moment niet meer oproepbaar. Op
                                basis van de CAR moet dit tegen uitbetaling van 80% van de
                                bezoldiging. Echter om administratieve redenen is deze medewerker
                                het hele jaar 2006 volledig doorbetaald (100% van de bezoldiging).
                                Pas vanaf 1 januari 2007 is de doorbetaling van de bezoldiging
                                verlaagd naar 80%. De uitbetaling in 2006 bedroeg hierdoor € 2000
                                netto per maand terwijl dit € 1600 netto per maand was geweest
                                wanneer de CAR was toegepast. De medewerker heeft hierdoor in 2006 €
                                4800 (12*(2000-1600)) ontvangen. In totaal zou hij op grond van de
                                CAR maximaal € 2000 kunnen ontvangen. Omdat hij in feite al meer
                                heeft ontvangen dan dat bedrag, heeft deze medewerker geen recht
                                meer op de compensatie bruto-netto FLO.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4 (T)</titel></kop><al>De opbouw van pensioen is geregeld in het ABP-reglement. Tijdens de
                            periode van (gedeeltelijk) betaald verlof is de pensioenopbouw als ware
                            er geen sprake van verlof. In de periode van artikel 9b:4 bouwt de
                            medewerker dus pensioen op over de volledige bezoldiging. In het
                            pensioenreglement is wel ruimte gelaten om in de CAO afspraken te maken
                            over de pensioenopbouw van (hoge) bonussen. Er is voor gekozen om de
                            bonussen in artikel 9b:4 niet tot de pensieongrondslag te laten behoren.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</titel></kop><al>Als de ambtenaar ervoor kiest om volledig door te werken, bouwt hij ook
                            volledig vakantie op. Kiest hij ervoor om niet te werken, tegen
                            doorbetaling van 80% van de bezoldiging, dan bouwt hij geen
                            vakantie-uren op. Uiteraard wordt bij 50% werken (respectievelijk 60%
                            voor ambulancepersoneel) voor 50, respectievelijk 60% vakantie
                            opgebouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</titel></kop><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de
                            bezoldiging, die grondslag is voor de betaling die op grond van artikel
                            9b:4 gedaan wordt, bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige
                            dienst. Deze toelage zou dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde
                            geldt voor de eindejaarsuitkering en de vakantietoelage.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4
                                (T)</titel></kop><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                            bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                            tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of
                            uitkering. Dit is bij ambtenaren met, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren
                            of meer tijdens de periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 80% van de
                                    bezoldiging (artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin);</al></li><li nr="-"><al>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60%
                                    werken tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel
                                    9b:4, eerste lid, onderdeel b).</al></li></lijst><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:11),
                            wordt ten laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan.
                            Tijdens die periode is dan ook geen sprake van verrekening van
                            inkomsten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                                20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen</vet> Betrokkene kan zijn verlof financieren door
                                gebruik te maken van de levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen
                                dat de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt waaraan een
                                FLO-leeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar was gekoppeld, drie jaar
                                kan overbruggen, zorgt het college voor een zodanige bijdrage in de
                                levensloopvoorziening, dat betrokkene - bij het volgen van het
                                LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de eerste dag van de maand
                                volgend op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt gedurende
                                3 jaar in een inkomen kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging
                                per jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende functie bekleden,
                                waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het college
                                zorgt voor een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee - bij
                                het volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de eerste dag
                                van de maand, volgend op die, waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                bereikt, gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70%
                                van de oude bezoldiging. Dit is geregeld in artikel 9b:21. </al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik
                                van de levensloopvoorziening, dan verlaagt hij daarmee de mogelijke
                                opname van de levensloopvoorziening tijdens de periode van
                                onbezoldigd volledig verlof of verkort hij de periode dat zijn
                                opname uit de levensloopvoorziening 70% van de oude bezoldiging
                                bedraagt. </al><al>Vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de
                                leeftijd van 62 jaar bereikt, kan betrokkene zijn OP laten ingaan
                                (dit is het naar voren halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat
                                wil, moet hem op dat moment ontslag verleend worden op grond van
                                artikel 8:2. </al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te
                                laten ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou
                                ontvangen, wordt actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat.
                                Als betrokkene een eigen financieringsbron heeft voor een lange
                                periode van onbezoldigd volledig verlof, kan dit gunstig zijn. </al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het
                                vijfde lid van artikel 9b:4, gaat het onbezoldigd volledig verlof
                                zoveel later in als de keuze van artikel 9b:4 later is ingegaan. </al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4
                                betekent dat een kortere periode overbrugd moet worden tot de
                                pensioengerechtigde leeftijd. De ambtenaar is vrij in de manier
                                waarop hij deze periode financiert. De ambtenaar kan bijvoorbeeld
                                minder lang gebruik maken van de levensloopregeling (bijvoorbeeld
                                omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft gemaakt
                                of omdat hij gedurende kortere tijd een hogere uitkering wil uit de
                                levensloopregeling). Ook kan de ambtenaar er voor kiezen om zijn
                                ouderdomspensioen later dan vanaf 62 jaar te laten ingaan (het
                                versterkt OP wordt dan minder ver naar voren gehaald). Omdat het
                                ouderdomspensioen daardoor over een kortere periode wordt verspreid,
                                resulteert dit in een hoger ouderdomspensioen. Voor ambtenaren met
                                een lage OP-opbouw kan dit een interessante optie zijn.</al><al> Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4
                                betekent dat over een langere periode ouderdomspensioen wordt
                                opgebouwd.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het
                                verlof, bedoeld in artikel 6:9, is dat de werkgever deze vorm van
                                verlof kan opleggen. Omdat sprake is van een nieuwe vorm van
                                onbezoldigd verlof, is ook artikel 6:10 lid 4 niet van toepassing.
                                Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk dat de pensioenopbouw tijdens
                                de periode van verlof volledig voor rekening komt van de ambtenaar,
                                tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend. Bij de
                                vorm van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                                volgt de premie gedurende de gehele periode van verlof met een
                                maximum van drie, respectievelijk twee jaar de normale
                                werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:12. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar
                                een FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd
                                volledig verlof in op de eerste van de maand volgend op de maand
                                waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij ambtenaren op wie artikel 9b:4 feitelijk van toepassing is en
                                die hebben gekozen voor het vijfde lid van artikel 9b:4 schuift de
                                datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof automatisch op.
                                Op de ambtenaar met een functie, waaraan het college op 31 december
                                2005 een FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of 60 jaar, is artikel
                                9b:4 feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop onbezoldigd
                                volledig verlof wordt verleend, ligt namelijk op hetzelfde moment
                                (bij FLO-leeftijd 59 jaar) of komt eerder (bij FLO-leeftijd 60 jaar)
                                dan het moment, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid. Om ook deze
                                ambtenaren de mogelijkheid te bieden langer ouderdomspensioen op te
                                bouwen door langer door te werken tegen de normale bezoldiging, is
                                de keuzevrijheid voor het later laten ingaan van het onbezoldigd
                                volledig verlof in dit artikel opgenomen.</al><al>Het voordeel van langer doorwerken is dat de ambtenaar langer
                                ouderdomspensioen opbouwt.</al><al>De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door
                                te werken. De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de
                                mening van de arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt
                                ingeschakeld, als uit het periodiek arbeidsgezondheidskundig
                                onderzoek, dat opgelegd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De periode dat de dienstbetrekking voortduurt, kan ook korter zijn,
                                wanneer de ambtenaar eerder dan na 3 jaar ontslag neemt. De periode
                                van 3 respectievelijk 2 jaar is gekoppeld aan de verwachte deelname
                                aan de levensloopregeling voor 3 respectievelijk 2 jaar tegen een
                                uitkering van 70%. Het college zorgt namelijk voor een zodanige
                                bijdrage in de levensloopvoorziening, dat ambtenaren die een
                                bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd was gekoppeld
                                van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar vanaf de leeftijd van 59 jaar - bij
                                het volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - gedurende 3 jaar in
                                een inkomen kunnen voorzien van 70% van de oude bezoldiging per
                                jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende functie bekleden, waaraan
                                een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het college zorgt
                                voor een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee - bij het
                                volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de leeftijd van
                                60 jaar gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70%
                                van de oude bezoldiging. </al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8
                                weken op het verzoek van de ambtenaar beslissen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof (T)</titel></kop><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                            Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter
                            niets over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling
                            tussen werkgever en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                            volledig verlof, voor zover dit verlof langer is dan drie,
                            respectievelijk twee jaar. Voor de volledigheid wordt het complete beeld
                            geschetst van:</al><lijst><li nr="-"><al>de grondslag voor pensioenopbouw</al></li><li nr="-"><al>de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al></li><li nr="-"><al>de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van
                                    pensioenopbouw binnen het FLO-overgangsrecht</al></li></lijst><al><cursief>De grondslag voor pensioenopbouw</cursief> In het
                            Pensioenreglement wordt verschil gemaakt in de grondslag voor
                            pensioenopbouw bij onbezoldigd volledig verlof</al><lijst><li nr="-"><al> met opname van levenslooptegoed en </al></li><li nr="-"><al> zonder opname van levenslooptegoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof met opname van
                                levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in
                            een situatie van onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed
                            pensioen wordt opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname
                            uit de levenslooppot minder bedraagt dan 70%. In dat laatste geval wordt
                            pensioen opgebouwd over dat lagere percentage.</al><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van
                                levenslooptegoed</onderstreept>Het Pensioenreglement bepaalt dat in
                            een situatie van onbetaald verlof zonder opname van levenslooptegoed
                            pensioenopbouw plaatsvindt over zijn oude inkomen, als ware er geen
                            sprake van onbetaald verlof. Er vindt dus pensioenopbouw plaats over de
                            volledige bezoldiging.</al><al><cursief>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</cursief> In
                            het Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens
                            onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar
                            pensioen op kunnen bouwen tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met
                            FLO-overgangsrecht maakt het Pensioenreglement een uitzondering. Zij
                            bouwen tijdens het onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed voor
                            een onbeperkte periode pensioen op tegen de doorsneepremie. Voorwaarde
                            daarbij is wel dat zij dat onbetaald verlof direct voorafgaand aan het
                            ouderdomspensioen genieten.</al><al>Bij onbezoldigd volledig verlof zonder opname van levenslooptegoed
                            bouwen ambtenaren met FLO-overgangsrecht net als andere ambtenaren voor
                            onbeperkte duur pensioen op tegen doorsneepremie.</al><al><cursief>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van
                                pensioenopbouw binnen het FLO-overgangsrecht</cursief> In de
                            Pensioenovereenkomst wordt geregeld dat de normale
                            werkgevers-werknemerspremieverdeling gelijk is aan 70%-30%. Dit betekent
                            dat de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk het
                            werknemersdeel) op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd
                            gedurende de eerste drie, respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd
                            volledig verlof.</al><al>Na deze drie respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de
                            ambtenaar verschuldigde premies ten laste van die ambtenaar zelf. De
                            werkgever, die de verschuldigde premies afdraagt aan het ABP verhaalt na
                            drie respectievelijk twee jaar 100% op de ambtenaar. Dit regelt artikel
                            9b:12.</al><al>Het verhaal van de premie (30% in de eerste drie/twee jaar, 100% daarna)
                            kan op de volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al> Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan de werkgever het werknemersdeel van de
                                    pensioenpremie direct inhouden op de uitbetaling van de
                                    levensloopuitkering.</al></li><li nr="-"><al> Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen
                                    op de medewerker niet verrekend worden met een betaling vanuit
                                    de gemeente aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de
                                    gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient afspraken te maken
                                    met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt. Vast staat
                                    wel dat er feitelijke betaling van de ambtenaar aan de gemeente
                                    dient plaats te vinden. Er volgen immers geen perioden meer
                                    waarin de gemeente de vordering kan verrekenen met betalingen
                                    aan de ambtenaar; het onbezoldigd volledig verlof duurt voort
                                    totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig verlof
                                (T)</titel></kop><al>Vanaf het moment dat de ambtenaar onbezoldigd volledig verlof geniet,
                            wordt hij voor de premie van de IZA-verzekering beschouwd als
                            postactieve. In de ledenbrief van 21 december 2005 (lbr. 05/132),
                            bijlage 5, wordt omschreven onder welke voorwaarden en op welke manier
                            de IZA-premie voor postactieven wordt berekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50
                                jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op
                                1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                                arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene
                                en college zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging
                                de reguliere regels van loondoorbetaling bij ziekte.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dat artikel 8:4 en artikel 8:5 niet van toepassing zijn, betekent
                                dat, anders dan bij ‘reguliere’ gedeeltelijk arbeidsongeschikten, er
                                na een periode van 24 maanden (bij volledig maar niet duurzaam
                                arbeidsongeschikten), dan wel 36 maanden (bij gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikten), geen sprake mag zijn van ontslag. Definitieve
                                herplaatsing is wel mogelijk. Deze regels gelden ook voor ambtenaren
                                die volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Omdat zij
                                echter – tijdelijk – geen restverdiencapaciteit hebben, heeft bij
                                hen het zoeken naar een andere functie geen nut en zal om die reden
                                ook geen sprake zijn van definitieve herplaatsing. Als deze
                                ambtenaren herstellen, gaan de regels gelden, zoals deze gelden voor
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikten.</al><al>De ambtenaar die tussen de leeftijd van 50 en 55 jaar volledig en
                                duurzaam arbeidsongeschikt raakt, mag 24 maanden na
                                arbeidsongeschiktheid (of zoveel eerder als UWV daar toestemming
                                voor geeft) ontslag verleend worden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Om te realiseren dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte of de
                                volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikte vanaf zijn 55e
                                gelijke rechten heeft als iemand die niet (gedeeltelijk)
                                arbeidsongeschikt is, moet de betrokken ambtenaar indien hij niet
                                herplaatst is, beter gemeld worden op de eerste dag van de maand
                                volgend op die waarin hij 55 wordt. Hij heeft vanaf dat moment
                                dezelfde keuzes als een ambtenaar die niet ziek is, zij het dat 50%
                                doorwerken tegen 90% salaris wegens ziekte waarschijnlijk niet
                                mogelijk is voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten, dat 50% werken
                                tegen 90% salaris zeker niet mogelijk is voor volledig, maar niet
                                duurzaam arbeidsongeschikten en dat 100% doorwerken met een bonus
                                voor beide categorieën in ieder geval niet mogelijk is. </al><al>Omdat de betrokken ambtenaren beter gemeld zijn, is artikel 7:3 (de
                                regels rond loondoorbetaling bij ziekte) vanaf dat moment niet meer
                                van toepassing. De bezoldiging van betrokkene wordt uitbetaald
                                conform de regels van het overgangsrecht. </al><al>Vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar
                                59 wordt, krijgen deze ambtenaren onbezoldigd volledig verlof,
                                waarvan zij de eerste periode gebruik kunnen maken van de
                                levensloopregeling en de leeftijd van 62 jaar van het versterkt OP.
                            </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, wordt de
                                ambtenaar op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij
                                die leeftijd bereikt, hersteld verklaard.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar die ziek wordt tussen zijn 50e en zijn 55e jaar,
                                blijven artikel 9b:4 tot en met 9b:18 van toepassing. Artikel 9b:4
                                blijft van toepassing, voor zover de keuzes die daarin worden
                                genoemd, gezien de medische geschiktheid nog mogelijk zijn. Dat kan
                                betekenen dat alleen de opties niet werken met doorbetaling van 80%
                                van de bezoldiging of ontslag onder toekenning van een bonus nog
                                mogelijk zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Uitgangspunt hierbij is een FLO-leeftijd van 55 jaar. Dat betekent
                                dat hij vanaf zijn 55e al gebruik maakt van de keuzes van artikel
                                9b:4. In het zesde lid is opgenomen dat een hogere leeftijd geldt,
                                als een hogere FLO-leeftijd was vastgesteld.</al><al>De ambtenaar die vanaf zijn 55e jaar arbeidsongeschikt raakt, wordt
                                niet ziek gemeld. Hij blijft gebruik maken van de keuzes van artikel
                                9b:4, voor zover dat medisch gezien mogelijk is. </al><al>Als de ambtenaar gekozen had om 100% door te werken met een bonus,
                                en hij dat wegens ziekte niet meer kan, moet hij een van de andere
                                opties van artikel 9b:4, eerste lid, kiezen. Als hij vanwege ziekte
                                ook niet meer de keuze heeft om 50% te werken tegen 90% van het
                                salaris, resteren voor hem alleen nog de keuze van volledig
                                buitengewoon verlof, tegen doorbetaling van 80% van de voor de
                                ambtenaar geldende bezoldiging en de keuze van volledig ontslag op
                                grond van artikel 8:1, waarbij een bonus wordt verstrekt van 100%
                                van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar
                                voorafgaande aan toekenning van de bonus. Deze bonus wordt berekend
                                naar rato van de tijd die resteert tot het moment, bedoeld in
                                artikel 9b:11, eerste lid. </al><al>Het is niet eenduidig vast te stellen na hoeveel tijd van ziekte
                                vast staat dat de ambtenaar de door hem gemaakte keuze niet meer kan
                                voortzetten. Dat zal per ziektegeval verschillen. De arbo-arts
                                speelt hierin een rol.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt het
                                vijfde lid bij het bereiken van die hogere leeftijd. Het vijfde lid
                                is dus pas van toepassing als de keuze op grond van artikel 9b:4
                                daadwerkelijk geëffectueerd is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In het eerste lid is de salarisbevriezing geregeld voor de
                                ambtenaar die ziek is geworden en in het kader van deze ziekte
                                herplaatst wordt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen)
                                in de nieuwe functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is,
                                maken gemeente en medewerker afspraken over een financiële
                                regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                                of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</titel></kop><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht,
                            is onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige
                            levensloopbijdrage ontvangt dat hij op de leeftijd waarop het
                            onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard op de eerste dag van de
                            maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar
                            bereikt) een tegoed kan bereiken overeenkomend met 210% van zijn
                            bezoldiging. Voor een ambtenaar die een FLO-functie bekleedde waaraan
                            een FLO-leeftijd van 60 was verbonden, geldt dat hij op de leeftijd
                            waarop het onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard op de eerste
                            dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60
                            jaar bereikt) een tegoed bereikt kan hebben overeenkomend met 140%.</al></artikel><artikel><kop><titel>Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>In ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop
                                pensioen) is uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra
                                ouderdomspensioen.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel
                                9b:2.</al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen
                                die op 1 januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende
                                functie hebben gewerkt. Omdat dit artikel onderdeel is van de
                                paragraaf die deze “overgangsgroep” behandelt, is dit niet expliciet
                                in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever
                                aangegeven jaren aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was.
                                Hierop wordt het bedrag gebaseerd dat op 53-jarige leeftijd wordt
                                gestort. Het streven van deze storting is dat de medewerker op de
                                leeftijd van 62 jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden x 76%
                                van het gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of
                                ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het uiteindelijke pensioen
                                van de medewerker is, is van veel factoren afhankelijk (dienstjaren,
                                deeltijdfactoren, moment van uittreden etc). LOGA-partijen hebben
                                hierover dus geen individuele garanties afgesproken. Goed om te
                                weten is dat ABP over de jaren tot 2004 het loon doorgeeft van 2004.
                                Voor die tijd hanteerde ABP het eindloonsysteem en zijn geen
                                loongegevens bewaard van voorliggende jaren. </al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                                vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente
                                (zie definitie van artikel 9b:2), moet de medewerker aantonen wat
                                het inkomen is geweest, zodat een berekening gemaakt kan worden van
                                de storting die op 53-jarige leeftijd wordt gedaan. Als de
                                medewerker dit niet kan aantonen en dat inkomen is ook niet (meer)
                                bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente de volgende leidraad
                                hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan van het
                                inkomen van een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de
                                storting voor een vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te
                                worden geïndexeerd. Daarbij geldt het inkomen dat hoort bij de rang
                                die de betreffende medewerker als vrijwilliger had. Voor medewerkers
                                die werkzaam waren bij een ambulancedienst in de particuliere sector
                                kan de gemeente het salaris uit het jaar voorafgaand aan de storting
                                hanteren dat gekoppeld was aan een vergelijkbare functie binnen de
                                gemeentelijke ambulancedienst. Ook dit bedrag hoeft niet meer te
                                worden geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in
                                de formule uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar
                                analogie van artikel 3.1 van het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van
                                toepassing. Dit betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting,
                                premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en
                                premies zorgverzekeringswet worden ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De
                                werkgever vraagt de indexatiefactoren op bij het ABP.</al><al><cursief>Wat moet de werkgever doen? </cursief>Als de medewerker 53
                                jaar wordt, berekent de werkgever het bedrag dat moet worden gestort
                                in AEP. De gegevens die de werkgever nodig heeft voor de berekening
                                kunnen worden opgevraagd bij het ABP. </al><lijst><li nr="1"><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker
                                        binnenkort 53 jaar wordt.</al></li><li nr="2"><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee
                                        de medewerker toestemming geeft aan het ABP om de benodigde
                                        gegevens aan de werkgever te verstrekken. Geeft de
                                        medewerker geen toestemming dan kan de werkgever het
                                        ouderdomspensioen van die medewerker niet versterken. Er
                                        vindt dan geen storting van de werkgever plaats. De
                                        werkgever heeft de toestemming nodig om de gegevens op te
                                        vragen die nodig zijn om de benodigde storting te kunnen
                                        berekenen. Bij de ledenbrief van 27 november 2008
                                        (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief
                                        opgenomen waarmee de werkgever de werknemer om toestemming
                                        kan verzoeken.</al></li><li nr="3"><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens
                                        en deeltijdfactoren per jaar op van dienstjaren van
                                        betrokken medewerker bij de brandweer of ambulance. Ook
                                        vraagt de werkgever de indexatiefactoren over de betreffende
                                        dienstjaren op. Hiertoe neemt de werkgever contact op met de
                                        BU-SV, Verstrekken Informatie Klantgroepen (VIK) van het
                                        ABP, postbus 4806, 6401 JL Heerlen. </al></li><li nr="4"><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met
                                        de deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze
                                        bedragen bij elkaar op en deelt ze door het totaal aantal
                                        jaar. Tenslotte vermenigvuldigt hij dit bedrag met 57%.
                                        Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de
                                        leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij
                                        leeftijd 53 geldt.</al></li><li nr="5"><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het
                                        bedrag wordt gestort op de rekening van het ABP Extra
                                        Pensioen (59.34.95.004, ABN/AMRO in Heerlen) onder
                                        vermelding van 81, direct gevolgd met het klantnummer van de
                                        medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker klantnummer
                                        123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP
                                bekend is, over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen
                                van peildatum 1 januari 2004. Dit houdt verband met de wijziging van
                                eindloonstelsel naar middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is
                                ingevoerd. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de
                                gehele storting uit lid 1 gedaan kan worden. ABP controleert
                                jaarlijks eenmaal, in november, of de medewerker voldoende fiscale
                                ruimte heeft. Het kan zijn dat de werkgever de storting in ABP Extra
                                Pensioen al voor die tijd heeft gedaan, omdat de medewerker al voor
                                november 53 jaar is geworden. Blijkt dat er onvoldoende fiscale
                                ruimte was om de volledige storting in ABP Extra Pensioen te doen,
                                dan stort ABP het teveel na de controle terug naar de werkgever, die
                                dat op zijn beurt doorstort naar de medewerker. Wanneer een bedrag
                                aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het reguliere
                                bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er
                                loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies
                                werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringswet over worden
                                betaald en ingehouden. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de
                                leeftijd van 53 jaar, heeft ook recht op het bedrag dat in lid 1
                                genoemd is. Dat bedrag wordt bij uitdiensttreden in AEP gestort.
                                Omdat dat bedrag dus langer kan renderen, wordt een andere
                                leeftijdsafhankelijke factor toegepast (zie artikel 9b:22a),
                                namelijk die factor die bij de leeftijd van uittreden hoort. Lid 2
                                is hierbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens
                                onvoldoende ruimte aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet
                                tot het pensioengevend inkomen. Hierover wordt dus geen pensioen
                                opgebouwd en worden dus geen pensioenpremies afgedragen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens
                                onvoldoende ruimte aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet
                                tot de bezoldiging. Dit betekent dat hierover geen vakantietoeslag
                                wordt betaald. Omdat het tevens geen salaris is, wordt hierover ook
                                geen eindejaarsuitkering berekend.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te
                                weten wat het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in
                                ABP Extra Pensioen is gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op
                                de vraag of hij zijn keuzemoment wil uitstellen. Daarom kan de
                                medewerker zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie te
                                geven van het verwachte stortingsbedrag. Met een rekentool op abp.nl
                                kan de medewerker dan berekenen wat dit bedrag zou betekenen voor de
                                verwachte hoogte van zijn pensioen. Het college bepaalt in overleg
                                met de medewerker het geschikte moment voor de eenmalige indicatie.
                                Hierbij wordt geadviseerd rekening te houden met mogelijke
                                carrièrestappen van de medewerker. Als die nog worden verwacht dan
                                is het geven van een indicatie niet zinvol. De berekening van dat
                                bedrag is namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt met
                                eventuele carrièrestappen geen rekening. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na 1949
                                met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie (T)</titel></kop><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële
                            tarieven die ABP hanteert. Vanaf 2010 hanteert ABP een tarief van 3,25%
                            voor OP/NP en 3,0% voor ABP Extra Pensioen. Hieruit vloeit een
                            leeftijdsafhankelijke factor op leeftijd 53 jaar voort van 0.791. In de
                            tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren genoemd. Welke factor
                            gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar
                            heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen
                            doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er zijn
                            uitzonderingen denkbaar dat de storting op een andere leeftijd
                            geschiedt. Voor meer informatie over de diverse uitzonderingen zie
                            ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen). </al><al>Voorbeeld Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag gegenereerd
                            moet zijn van € 10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet, bij de
                            rendementen die ABP verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van €
                            7.910 gestort worden (€ 10.000 x 0,791). Als er op een later moment dan
                            op 53-jarige wordt gestort, dan wordt het te storten bedrag ieder jaar
                            hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                            leeftijdsafhankelijke factor.</al></artikel><artikel><kop><titel>Inkoop OP bij regionalisering (T)</titel></kop><al>In artikel 9b:22, lid 3, is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP
                            Extra Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit
                            de bezwarende functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar
                            uit de bezwarende functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze
                            regionalisering jonger is dan 53 jaar, zou de werkgever dus op dat
                            moment een storting moeten doen. Deze storting op een eerder moment dan
                            53 jaar heeft gevolgen voor de uiteindelijke hoogte van het pensioen.
                            Deze gevolgen kunnen positief of negatief zijn, afhankelijk van het
                            rendement dat het gestorte bedrag oplevert. Door de eerdere storting
                            wordt het rendementsrisico dus bij de ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van
                            het FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te
                            blijven, is geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie
                            vanwege de regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt
                            in de afspraak over het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de
                            storting nog steeds op 53 jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een
                            storting naar rato van het totaal aantal dienstjaren in de bezwarende
                            functie, dus zowel die bij de nieuwe werkgever, als die bij de gemeente
                            en diens voorgangers. De gemeente en de nieuwe werkgever moeten samen
                            tot afspraken komen hoe de kosten van inkoop OP verdeeld worden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat ambtenaren vanaf 31 december 2005
                            onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december
                            2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                                loopbaan gestart wordt (T)</titel></kop><al>Zolang het medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar werkzaam in de
                            bezwarende functie tot het moment dat hij op grond van artikel 9b:28
                            buitengewoon verlof verleend wordt, onder doorbetaling van 75%,
                            respectievelijk 78% of 80% van de bezoldiging. Dit doorwerken gebeurt
                            vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de
                            leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, voor 50% werken onder doorbetaling
                            van 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel kan dit zijn 60%
                            werken tegen doorbetaling van 95% van de bezoldiging).</al><al>Dit doorwerken geldt niet als ambtenaren in het kader van het
                            loopbaanplan op grond van artikel 9b:25 een andere functie aanvaarden of
                            als er anderszins in het kader van het loopbaanplan hierover andere
                            afspraken gemaakt worden. In artikel 9b:25 wordt hoofdstuk 9a van
                            toepassing verklaard op ambtenaren in een bezwarende functie, die op 1
                            januari 2006 minder dan 20 dienstjaren hadden. Hoofdstuk 9a verplicht
                            hen mee te werken aan de tweede loopbaan.</al><al>Het toewerken naar deze tweede loopbaan is onder meer van belang om
                            hiermee voortijdige uitval wegens arbeidsongeschiktheid te voorkomen.
                            Uit het rapport van het Coronel-instituut van 2004 blijkt dat
                            gezondheidsrisico’s vaak al ver voor het bereiken van de 55-jarige
                            leeftijd ontstaan. Een aanzienlijk percentage van de medewerkers kan om
                            die reden niet tot de leeftijd van 55 jaar doorwerken in de bezwarende
                            functie. Om die reden moet met al deze ambtenaren tijdig een
                            loopbaanplan worden opgesteld, waarin afspraken worden gemaakt over
                            opleiding en begeleiding naar een aangepaste functie-invulling of een
                            andere functie voorafgaand aan het moment dat het uitoefenen van de
                            bezwarende functie om gezondheidsredenen niet langer verantwoord is.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren
                                op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ambtenaren met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie moeten meewerken aan een tweede loopbaan. Deze
                                plicht geldt tot de eerste van de maand volgend op de maand waarin
                                zij de leeftijd van 55 jaar bereiken. Gedurende deze periode gelden
                                alle bepalingen uit hoofdstuk 9a, voor zover daar in dit artikel
                                niet van is afgeweken. </al><al>Als de ambtenaar op de leeftijd van 55 jaar niet is begonnen aan een
                                tweede loopbaan, gelden de artikelen 9b:26 tot en met 9b:43. Deze
                                ambtenaar gaat op de eerste dag van de maand volgend op die waarin
                                hij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, 50% werken tegen 90%
                                bezoldiging (of, voor ambulancepersoneel 60% werken tegen 95% van de
                                bezoldiging). Vervolgens gaat hij op een latere leeftijd met
                                gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof en gaat hij op de eerste
                                dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar
                                heeft bereikt met onbezoldigd verlof. Wanneer de ambtenaar voor de
                                leeftijd van 55 jaar in het kader van de tweede loopbaan een functie
                                heeft aanvaard, geldt vanaf dat moment de gewone rechtspositie en
                                vallen zij niet meer onder dit hoofdstuk. </al><al>In de leden 3 tot en met 7 zijn bepalingen opgenomen die afwijken
                                van de bepalingen van hoofdstuk 9a.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt de
                                plicht om mee te werken aan de tweede loopbaan tot het bereiken van
                                die hogere leeftijd. Als de tweede loopbaan op die leeftijd niet is
                                begonnen, gelden de artikelen 9b:26 tot en met 9b:43 vanaf dat
                                moment.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dit recht geldt alleen voor brandweerpersoneel. De verwachting is
                                dat ambulancepersoneel extern meer geschikte functies zal kunnen
                                vinden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Deze salarisbevriezing is ruimer dan de salarisgarantie van artikel
                                9a:11.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen)
                                in de nieuwe functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is,
                                maken gemeente en medewerker in het kader van het loopbaanplan
                                afspraken over een financiële regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                januari 2006 in een bezwarende functie (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals
                                dat luidde op <extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18446.pdf">pdf66</extref>, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld
                                van 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is
                                gebaseerd op de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>De duur van de periode dat 50% gewerkt wordt tegen doorbetaling van
                                90% van het salaris is afhankelijk van net aantal dienstjaren dat
                                betrokkene op 1 januari 2006 had. De duur is namelijk tot het moment
                                dat betrokkene gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof wordt
                                verleend (artikel 9b:28).</al><al>Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel
                                als alternatief geldt voor 50% werken tegen 90% van de bezoldiging
                                heeft met de mogelijkheid te maken dat ambulancepersoneel in verband
                                met vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een volledige betrekking
                                (= 60% van 36 uur per week) moet werken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als in een gemeente op 31 december 2005 voor de functie van de
                                betreffende ambtenaar een FLO-leeftijd van 56 of ouder gold, geldt
                                het recht pas vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                                waarin de ambtenaar die leeftijd bereikt. Het overgangsrecht gaat
                                dus op een later moment in dan vanaf 55 jaar. Ook het moment van
                                gedeeltelijk doorbetaald verlof van artikel 9b:28 schuift dan op. </al><al>In al deze gevallen geldt wel dat het onbezoldigd volledig verlof
                                ingaat vanaf de leeftijd van 59 jaar (artikel 9b:35). </al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was
                                vastgesteld van 59 of 60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd
                                volledig verlof. Op hen is artikel 9b:26 (net als artikel 9b:28; zie
                                de toelichting op artikel 9b:28, lid 2) feitelijk niet van
                                toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig verlof
                                gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:26
                                voor 50% gaan werken tegen 90% bezoldiging, respectievelijk 60%
                                werken tegen 95% bezoldiging. Voor de toelichting op ambtenaren,
                                werkzaam in een functie, waarvoor een FLO-leeftijd van 59 jaar was
                                gesteld, zie de toelichting op lid 5. Voor de toelichting op
                                ambtenaren, werkzaam in een functie, waarvoor een FLO-leeftijd van
                                60 jaar was gesteld, zie het tweede lid van artikel 9b:35.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de
                                arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit
                                het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd
                                wordt. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Zie toelichting op artikel 9b:43.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan met 55 jaar het
                                overgangsrecht in te laten gaan. In dit geval gaat ook het
                                onbezoldigd volledig verlof van artikel 9b:35 later in. Als iemand
                                hiervoor kiest kan hij het ouderdomspensioen later laten ingaan. Het
                                ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren gespreid, waardoor de
                                uitkering per jaar hoger wordt.</al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31
                                december 2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft
                                geen andere keuze dan onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de
                                eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 59
                                jaar heeft bereikt. In artikel 9b:35 is opgenomen dat de
                                ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opgeschoven kan
                                worden. Het onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een
                                bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december 2005 een
                                FLO-leeftijd van 60 jaar had vastgesteld, gaat in op de eerste dag
                                van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60
                                jaar heeft bereikt. Ook hij kan de ingangsdatum van dit onbezoldigd
                                volledig verlof opschuiven. </al><al>Zie verder ook de toelichting op artikel 9b:35.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8
                                weken op het verzoek van de ambtenaar beslissen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26 (T)</titel></kop><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de
                            bezoldiging, die grondslag is voor de betaling die op grond van artikel
                            9b:26 gedaan wordt, bestaat geen apart recht op een toelage
                            onregelmatige dienst. Deze toelage zou dan namelijk dubbel betaald
                            worden. Ditzelfde geldt voor de eindejaarsuitkering en de
                            vakantietoelage.</al></artikel><artikel><kop><titel>Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op 31 december 2005 een
                                FLO-leeftijd was vastgesteld van 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in
                                tegenstelling tot het verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend
                                kan worden voor maximaal 3 jaar. De duur van het verlof is
                                afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1 januari 2006 en wordt
                                bepaald op de wijze zoals aangegeven in het eerste lid. Het
                                buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling.
                                Daarom wordt dit fiscaal extra belast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorbeeld Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende
                                ambtenaar een FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, en deze ambtenaar
                                had op 1 januari 2006 11 dienstjaren, geldt dat hij tot de leeftijd
                                van 58 jaar (57 + 1) moet doorwerken. Vanaf dat moment wordt, tot
                                het moment van onbezoldigd volledig verlof (59 jaar) 78% van zijn
                                bezoldiging doorbetaald. Ook als een hogere FLO-leeftijd was
                                vastgesteld, geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig verlof
                                ingaat vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarin de
                                ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt.</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was
                                vastgesteld van 59 of 60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd
                                volledig verlof (vanaf de eerste dag van de maand, volgend op die
                                waarin de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar, is bereikt). Op
                                hen is artikel 9b:28 (net als artikel 9b:26, zie de toelichting op
                                artikel 9b:26, lid 2) feitelijk niet van toepassing. De leeftijd
                                waarop zij met onbezoldigd volledig verlof gaan, komt namelijk
                                eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:28 (gedeeltelijk
                                doorbetaald buitengewoon verlof). Voor hen is in artikel 9b:35
                                bepaald dat zij de ingangsdatum van het onbezoldigd volledig verlof
                                kunnen opschuiven. </al><al>De duur van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus korter
                                naarmate een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold. </al><al>Zie verder de toelichting op artikel 9b:35.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28 (T)</titel></kop><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent
                            dat de gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar
                            verhaalt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en 9b:28
                                (T)</titel></kop><al>Gedurende de periode dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor
                            50% werkt (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel), bouwt hij voor
                            50%, respectievelijk 60% vakantie op. Gedurende de periode dat op grond
                            van artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof verleend
                            wordt, wordt geen vakantie opgebouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                artikel 9b:28 (T)</titel></kop><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                            bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                            tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of
                            uitkering. Dit is bij ambtenaren met, op 1 januari 2006, minder dan 20
                            dienstjaren tijdens de periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60%
                                    werken tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel
                                    9b:26);</al></li><li nr="-"><al>volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 75%,
                                    respectievelijk 78% of 80% van de bezoldiging (artikel
                                    9b:28).</al></li></lijst><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:35),
                            wordt ten laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan.
                            Tijdens die periode is dan ook geen sprake van verrekening van
                            inkomsten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                                minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen</vet>Betrokkene kan zijn verlof financieren door
                                gebruik te maken van de levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen
                                dat de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt waaraan een
                                FLO-leeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar was gekoppeld, drie jaar
                                kan overbruggen, zorgt het college voor een zodanige bijdrage in de
                                levensloopvoorziening, dat betrokkene – uitgaande van het bereiken
                                van 20 dienstjaren of meer op het moment van onbezoldigd volledige
                                verlof – onder voorwaarden<noot id="FN5649_1"><noot.al>Op het moment van verschijnen van deze teksten (juni
                                        2006) zijn deze voorwaarden nog niet bekend. Deze
                                        voorwaarden worden uitgewerkt bij de uitwerking van de
                                        inkoop levensloop (artikel 9b:44) en volgen in de tweede
                                        helft van 2006.</noot.al></noot>vanaf zijn 59e jaar gedurende 3 jaar in een inkomen kan
                                voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren
                                die een bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60
                                was gekoppeld, geldt dat het college zorgt voor een bijdrage in de
                                levensloopvoorziening, waarmee – uitgaande van het bereiken van 20
                                dienstjaren op het moment van onbezoldigd volledig verlof – onder
                                    voorwaarden<noot id="FN5649_2"><noot.al>Zie noot 1</noot.al></noot>vanaf de leeftijd van 60 jaar gedurende 2 jaar in een inkomen
                                kan worden voorzien van 70% van de oude bezoldiging. Dit is geregeld
                                in artikel 9b:44.</al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik
                                van de levensloopvoorziening of heeft hij geen 20 dienstjaren op het
                                moment van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, dan verlaagt
                                hij daarmee de mogelijke opname van de levensloopvoorziening tijdens
                                de periode van onbezoldigd volledig verlof of verkort hij de periode
                                dat zijn opname uit de levensloopvoorziening 70% van de oude
                                bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de leeftijd van 62 jaar kan betrokkene zijn OP laten ingaan
                                (dit is het naar voren halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat
                                wil, moet hem op dat moment ontslag verleend worden op grond van
                                artikel 8:2.</al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te
                                laten ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou
                                ontvangen, wordt actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat.
                                Als betrokkene een eigen financieringsbron heeft voor een lange
                                periode van onbezoldigd volledig verlof, kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het
                                vijfde lid van artikel 9b:26, gaat het onbezoldigd volledig verlof
                                zoveel later in als het moment van artikel 9b:26 later is
                                ingegaan.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat
                                een kortere periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde
                                leeftijd. De ambtenaar is vrij in de manier waarop hij deze periode
                                financiert. De ambtenaar kan bijvoorbeeld minder lang gebruik maken
                                van de levensloopregeling (bijvoorbeeld omdat hij al eerder van de
                                levensloopregeling gebruik heeft gemaakt of omdat hij gedurende
                                kortere tijd een hogere uitkering wil uit de levensloopregeling).
                                Ook kan de ambtenaar er voor kiezen om zijn ouderdomspensioen later
                                dan vanaf de leeftijd van 62 jaar te laten ingaan (het versterkt OP
                                wordt dan minder ver naar voren gehaald). Omdat het
                                ouderdomspensioen daardoor over een kortere periode wordt verspreid,
                                resulteert dit in een hoger ouderdomspensioen. Voor ambtenaren met
                                een lage OP-opbouw kan dit een interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat
                                over een langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het
                                verlof, bedoeld in artikel 6:9, is de werkgever deze vorm van verlof
                                kan opleggen. Omdat sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd
                                verlof, is ook artikel 6:10 lid 4 niet van toepassing. Artikel 6:10,
                                lid 4, regelt namelijk dat de pensioenopbouw tijdens de periode van
                                verlof volledig voor rekening komt van de ambtenaar, tenzij het
                                verlof voor ten hoogste drie maanden wordt verleend. Bij de vorm van
                                onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, volgt de
                                premie gedurende de gehele periode van verlof met een maximum van
                                drie, respectievelijk twee jaar de normale werkgevers-
                                werknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:36.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar
                                een FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd
                                volledig verlof in bij het bereiken van de leeftijd van 60
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar met een functie, waaraan het college op 31 december
                                2005 een FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of 60 jaar, heeft de
                                keuze om het moment van het onbezoldigd volledig verlof later te
                                laten ingaan. Deze ambtenaar moet dan langer doorwerken tegen een
                                volledig salaris. Deze ambtenaren hebben niet het recht, dat artikel
                                9b:26 biedt. Het moment van onbezoldigd volledig verlof komt
                                namelijk eerder dan of valt gelijk met het moment, bedoeld in
                                artikel 9b:26. De vrijheid die artikel 9b:26, vijfde lid, biedt om
                                het recht later te laten ingaan en daarmee het moment van
                                onbezoldigd volledig verlof later te laten ingaan, is voor
                                ambtenaren in een functie met een FLO-leeftijd van 59 of 60 jaar dus
                                geen automatisme. Daarom is de keuzevrijheid voor het later laten
                                ingaan van het onbezoldigd volledig verlof in dit artikellid
                                opgenomen.</al><al>Het voordeel voor de ambtenaar is, dat hij langer ouderdomspensioen
                                opbouwt.</al><al>De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door
                                te werken. De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de
                                mening van de arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt
                                ingeschakeld, als uit het periodiek arbeidsgezondheidskundig
                                onderzoek, dat opgelegd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8
                                weken op het verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Combinatie van artikel 9b:26, 9b;28 en 9b:35.Artikel 9b:26, 9b:28 en
                                9b:35 samen betekenen, uitgaande van een FLO-leeftijd van 55 jaar,
                                het volgende:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>B</al></entry><entry colname="col3"><al>C</al></entry><entry colname="col4"><al>D</al></entry><entry colname="col5"><al>E</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dienstjaren op 1 januari 2006</al></entry><entry colname="col2"><al>leeftijd ingang 50% werken tegen 90%
                                                  bezoldiging</al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd ingang gedeeltelijk betaald verlof</al></entry><entry colname="col4"><al>percentage bezoldiging bij gedeeltelijk betaald
                                                  verlof</al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd ingang onbezoldigd volledig verlof</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15-20</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>56 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>80%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10-15</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>57 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>78%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5-10</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>58 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>75%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 5</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>59 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>--</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar schuift de datum van kolom B
                                en C op terwijl de datum van kolom E gelijk blijven.</al><al>Als de ambtenaar er zelf voor kiest om de datum waarop hij 50% gaat
                                werken tegen 90% van de bezoldiging op te schuiven (hij maakt dan
                                gebruik van het vijfde lid van artikel 9b:26), schuift de datum van
                                kolom B, C en E op.</al><al>Op de ambtenaar, waarvoor het college op 31 december 2005, op grond
                                van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                                leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, is alleen kolom E
                                van toepassing. Zij kunnen dit moment opschuiven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof (T)</titel></kop><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                            Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter
                            niets over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling
                            tussen werkgever en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                            volledig verlof, voor zover dit verlof langer is dan drie,
                            respectievelijk twee jaar.</al><al>Voor de volledigheid wordt het complete beeld geschetst van:</al><lijst><li nr="-"><al> de grondslag voor pensioenopbouw</al></li><li nr="-"><al> de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al></li><li nr="-"><al> de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van
                                    pensioenopbouw binnen het FLO-overgangsrecht</al></li></lijst><al><cursief>De grondslag voor pensioenopbouw</cursief> In het
                            Pensioenreglement wordt verschil gemaakt in de grondslag voor
                            pensioenopbouw bij onbezoldigd volledig verlof</al><lijst><li nr="-"><al>met opname van levenslooptegoed en</al></li><li nr="-"><al>zonder opname van levenslooptegoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof met opname van
                                levenslooptegoed </onderstreept>Het Pensioenreglement bepaalt dat in
                            een situatie van onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed
                            pensioen wordt opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname
                            uit de levenslooppot minder bedraagt dan 70%. In dat laatste geval wordt
                            pensioen opgebouwd over dat lagere percentage.</al><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van
                                levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in
                            een situatie van onbetaald verlof zonder opname van levenslooptegoed
                            pensioenopbouw plaatsvindt over zijn oude inkomen, als ware er geen
                            sprake van onbetaald verlof. Er vindt dus pensioenopbouw plaats over de
                            volledige bezoldiging.</al><al><cursief>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</cursief> In
                            het Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens
                            onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar
                            pensioen op kunnen bouwen tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met
                            FLO-overgangsrecht maakt het Pensioenreglement een uitzondering. Zij
                            bouwen tijdens het onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed voor
                            een onbeperkte periode pensioen op tegen de doorsneepremie. Voorwaarde
                            daarbij is wel dat zij dat onbetaald verlof direct voorafgaand aan het
                            ouderdomspensioen genieten.</al><al>Bij onbezoldigd volledig verlof zonder opname van levenslooptegoed
                            bouwen ambtenaren met FLO-overgangsrecht net als andere ambtenaren voor
                            onbeperkte duur pensioen op tegen doorsneepremie.</al><al><cursief>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van
                                pensioenopbouw binnen het FLO-overgangsrecht</cursief> In de
                            Pensioenovereenkomst wordt geregeld dat de normale
                            werkgevers-werknemerspremieverdeling gelijk is aan 70%-30%. Dit betekent
                            dat de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk het
                            werknemersdeel) op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd
                            gedurende de eerste drie, respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd
                            volledig verlof.</al><al>Na deze drie respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de
                            ambtenaar verschuldigde premies ten laste van die ambtenaar zelf. De
                            werkgever, die de verschuldigde premies afdraagt aan het ABP verhaalt na
                            drie respectievelijk twee jaar 100% op de ambtenaar. Dit regelt artikel
                            9b:36.</al><al>Het verhaal van de premie (30% in de eerste drie/twee jaar, 100% daarna)
                            kan op de volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al> Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan de werkgever het werknemersdeel van de
                                    pensioenpremie direct inhouden op de uitbetaling van de
                                    levensloopuitkering.</al></li><li nr="-"><al> Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen
                                    op de medewerker niet verrekend worden met een betaling vanuit
                                    de gemeente aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de
                                    gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient afspraken te maken
                                    met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt. Vast staat
                                    wel dat er feitelijke betaling van de ambtenaar aan de gemeente
                                    dient plaats te vinden. Er volgen immers geen perioden meer
                                    waarin de gemeente de vordering kan verrekenen met betalingen
                                    aan de ambtenaar; het onbezoldigd volledig verlof duurt voort
                                    totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig verlof
                                (T)</titel></kop><al>Vanaf het moment dat de ambtenaar onbezoldigd volledig verlof geniet,
                            wordt hij voor de premie van de IZA-verzekering beschouwd als
                            postactieve. In de ledenbrief van 21 december 2005 (lbr. 05/132),
                            bijlage 5, wordt omschreven op welke manier de IZA-premie voor
                            postactieven wordt berekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                                arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene
                                en werkgever zoeken naar een andere functie. Ook volgt de
                                bezoldiging de reguliere regels van loondoorbetaling bij
                                ziekte.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Lid 1 gaat over de ambtenaar die op grond van ziekte niet conform
                                artikel 9b:26 (50% werken tegen 90% bezoldiging respectievelijk voor
                                ambulancepersoneel 60% werken tegen 95% van de bezoldiging) kan
                                werken. Op hem blijft hoofdstuk 7 van toepassing tot het moment dat
                                de datum bereikt wordt, waarop conform artikel 9b:28 gedeeltelijk
                                betaald verlof verleend wordt. Op dat moment wordt hij hersteld
                                verklaard en wordt hem gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof
                                verleend. Op grond van artikel 9b:35 wordt hem vervolgens
                                onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2, 3 en 5</lidnr><al> De ambtenaar die ziek wordt na de leeftijd van 50 jaar wordt op het
                                moment, bedoeld in artikel 9b:26 hersteld verklaard. Op hem is
                                artikel 9b:26 van toepassing, voor zover zijn medische geschiktheid
                                het mogelijk maakt dat hij 50% werkt tegen 90% van de bezoldiging
                                (voor ambulancepersoneel 60% werkt tegen 95% van de bezoldiging). Is
                                dat niet mogelijk dan is op hem het vierde lid van artikel 9b:26 van
                                toepassing, waarin wordt verwezen naar het eerste lid van dit
                                artikel. Dat betekent dat deze ambtenaar toch weer ziek gemeld wordt
                                en pas beter gemeld wordt op het moment dat op grond van artikel
                                9b:28 gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof verleend wordt.
                                Vervolgens wordt ook hem op grond van artikel 9b:35 onbezoldigd
                                volledig verlof verleend. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Als een hogere FLO-leeftijd was gesteld, wordt de ambtenaar bij het
                                bereiken van die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                januari 2006 (T)</titel></kop><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht,
                            is onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige
                            levensloopbijdrage ontvangt dat hij bij het bereiken van 20 dienstjaren
                            op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof ingaat (dit is
                            standaard op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                            ambtenaar de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt) een tegoed kan bereiken
                            overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Voor een ambtenaar die een
                            FLO-functie bekleedde waaraan een FLO-leeftijd van 60 was verbonden,
                            geldt dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof
                            ingaat (standaard op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                            ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt) een tegoed bereikt kan
                            hebben overeenkomend met 140%. Als de ambtenaar minder dan 20
                            dienstjaren bereikt, gelden de 210% of 140% naar rato van het aantal
                            bereikte dienstjaren. </al></artikel><artikel><kop><titel>Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                januari 2006 (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>In de ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop
                                pensioen) is uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra
                                ouderdomspensioen.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2. </al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen
                                die op 1 januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende
                                functie hebben gewerkt. Omdat dit artikel onderdeel is van de
                                paragraaf die deze “overgangsgroep” behandelt, is dit niet expliciet
                                in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever
                                aangegeven jaren aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was.
                                Hierop wordt het bedrag gebaseerd dat op 53-jarige leeftijd wordt
                                gestort. Het streven van deze storting is dat de medewerker, in het
                                geval hij op 59 jaar 20 dienstjaren heeft, op de leeftijd van 62
                                jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden x 76% van het
                                gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of
                                ambulancemedewerker tot 53 jaar. Als het gaat om een medewerker, die
                                een functie had, waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd was
                                verbonden van 60 jaar, is het streven om op 60 jaar een bedrag te
                                hebben ter hoogte van 9 maanden x 76% x het gemiddelde loon over de
                                dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe
                                hoog het uiteindelijke pensioen van de medewerker is, is van veel
                                factoren afhankelijk (dienstjaren, deeltijdfactoren, moment van
                                uittreden etc). LOGA-partijen hebben hierover dus geen individuele
                                garanties afgesproken. Goed om te weten is dat ABP over de jaren tot
                                2004 het loon doorgeeft van 2004. Voor die tijd hanteerde ABP het
                                eindloonsysteem en zijn geen loongegevens bewaard van voorliggende
                                jaren. </al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                                vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente
                                (zie definitie 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is
                                geweest, zodat een berekening gemaakt kan worden van de storting die
                                op 53-jarige leeftijd wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan
                                aantonen en dat inkomen is ook niet (meer) bekend bij de gemeente,
                                dan kan de gemeente de volgende leidraad hanteren. Voor
                                vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan van het inkomen van een
                                vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de storting voor een
                                vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd.
                                Daarbij geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de betreffende
                                medewerker als vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam waren
                                bij een ambulancedienst in de particuliere sector kan de gemeente
                                het salaris uit het jaar voorafgaand aan de storting hanteren dat
                                gekoppeld was aan een vergelijkbare functie binnen de gemeentelijke
                                ambulancedienst. Ook dit bedrag hoeft niet meer te worden
                                geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in
                                de formule uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar
                                analogie van artikel 3.1 van het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van
                                toepassing. Dit betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting,
                                premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en
                                premies zorgverzekeringswet worden ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De
                                werkgever vraagt de indexatiefactoren bij het ABP op. </al><al><cursief>Wat moet de werkgever doen? </cursief>Als de medewerker,
                                die onder het overgangsrecht valt, 53 jaar wordt, berekent de
                                werkgever het bedrag dat moet worden gestort in AEP. De gegevens die
                                de werkgever nodig heeft voor de berekening kunnen worden opgevraagd
                                bij het ABP. </al><lijst><li nr="1"><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker
                                        binnenkort 53 jaar wordt.</al></li><li nr="2"><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee
                                        de medewerker toestemming geeft aan het ABP om de benodigde
                                        gegevens aan de werkgever te verstrekken. Geeft de
                                        medewerker geen toestemming dan kan de werkgever het
                                        ouderdomspensioen van die medewerker niet versterken. Er
                                        vindt dan geen storting van de werkgever plaats. De
                                        werkgever heeft de toestemming nodig om de gegevens op te
                                        vragen die nodig zijn om de benodigde storting te kunnen
                                        berekenen. Bij de ledenbrief van 27 november 2008
                                        (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief
                                        opgenomen waarmee de werkgever de medewerker om toestemming
                                        kan verzoeken.</al></li><li nr="3"><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens
                                        en deeltijdfactoren per jaar op van de dienstjaren van
                                        betrokken medewerker bij de brandweer of ambulance. Ook
                                        vraagt de werkgever de indexatiefactoren over de betreffende
                                        dienstjaren op. Hiertoe neemt de werkgever contact op met de
                                        BU-SV, Special Services van het ABP, postbus 4806, 6401 JL
                                        Heerlen. Het ABP levert de werkgever de pensioengevende
                                        inkomens van de dienstjaren, de bijbehorende
                                        deeltijdfactoren en de indexatiefactoren. Zie de toelichting
                                        op lid 2 en 3 voor het geval de medewerker nog geen 20
                                        dienstjaren heeft.</al></li><li nr="4"><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met
                                        de deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze
                                        bedragen bij elkaar op en deelt ze door het totaal aantal
                                        jaar. Tenslotte vermenigvuldigt hij dit bedrag met 57%, als
                                        de medewerker op 53 jarige leeftijd al 20 dienstjaren heeft.
                                        Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de
                                        leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij
                                        leeftijd 53 geldt.</al></li><li nr="5"><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het
                                        bedrag wordt gestort op de rekening van het ABP Extra
                                        Pensioen (59.34.95.004, ABN/AMRO in Heerlen) onder
                                        vermelding van 81, direct gevolgd met het klantnummer van de
                                        medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker klantnummer
                                        123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP
                                bekend is, over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen
                                van peildatum 1 januari 2004. Dit houdt verband met de wijziging van
                                eindloonstelsel naar middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is
                                ingevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2 en 3</lidnr><al>Het kan zijn dat mensen op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20
                                dienstjaren hebben. Dan hebben zij nog geen recht op een storting
                                van 57% van het gemiddeld loon. Het percentage wat van dit
                                gemiddelde loon wordt gestort is het aantal dienstjaren op het
                                moment van storting gedeeld door 20 maal 57%. Dus als een medewerker
                                15 dienstjaren heeft op 53 jaar dan stort de werkgever een bedrag
                                van het gemiddelde loon over die 15 jaar maal 15/20ste van 57%.</al><al>Bij doorwerken in een bezwarende functie na de leeftijd van 53 jaar
                                wordt ieder jaar een extra bedrag gestort. Het recht op deze
                                stortingen ontstaat bij het bereiken van de eerstvolgende leeftijd.
                                De stortingen stoppen op 59-jarige leeftijd of bij het bereiken van
                                20 dienstjaren. Het streven van de stortingen is dat, bij het
                                bereiken van 20 dienstjaren op of voor 59-jarige leeftijd, op de
                                leeftijd van 62 jaar een bedrag beschikbaar is van 9 maanden x 76% x
                                het gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of
                                ambulancemedewerker. Heeft de medewerker op 59-jarige leeftijd
                                minder dan 20 dienstjaren, dan geldt dit streven naar rato van het
                                aantal dienstjaren op 59 jaar. </al><al>Voor mensen die op 31 december 2005 een functie bekleedden, waarin
                                een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden, geldt dat de stortingen
                                doorgaan tot 60 jaar, dan wel tot het bereiken van 20
                                dienstjaren.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de
                                gehele storting uit lid 1 of lid 3 gedaan kan worden. ABP
                                controleert jaarlijks eenmaal, in november, of de medewerker
                                voldoende fiscale ruimte heeft. Het kan zijn dat de werkgever de
                                storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd heeft gedaan, omdat
                                de medewerker al voor november 53 jaar is geworden. Blijkt dat er
                                onvoldoende fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP Extra
                                Pensioen te doen, dan stort ABP het teveel na de controle terug naar
                                de werkgever, die dat op zijn beurt doorstort naar de
                                medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het
                                reguliere bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er
                                loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies
                                werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringswet over worden
                                betaald en ingehouden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de
                                leeftijd van 53 jaar, heeft ook recht op het bedrag genoemd in lid 1
                                of lid 2 (lid 2 wordt toegepast wanneer de ambtenaar op 53-jarige
                                leeftijd nog geen 20 dienstjaren heeft). Dat bedrag wordt bij
                                uitdiensttreden in AEP gestort.Maar omdat dat bedrag langer kan
                                renderen, wordt een andere leeftijdsafhankelijke factor toegepast
                                (zie artikel 9b:45a), namelijk die factor die bij de leeftijd van
                                uittreden hoort. Lid 4 is hierbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan
                                de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het pensioengevend
                                inkomen. Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden dus
                                geen pensioenpremies afgedragen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan
                                de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging.
                                Dit betekent dat hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat
                                het tevens geen salaris is, wordt hierover ook geen
                                eindejaarsuitkering berekend.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Iemand kan de werkgever vragen om het moment waarop hij 50% gaat
                                werken tegen doorbetaling van 90% van de bezoldiging
                                (respectievelijk 60% gaat werken tegen doorbetaling van 95% van de
                                bezoldiging) op te schuiven (artikel 9b:26 lid 5). Als hij dit doet,
                                wordt het aantal dienstjaren voor de toepassing van dit artikel niet
                                hoger dan het op 59-jarige leeftijd is.Dus als de medewerker op
                                59-jarige leeftijd 15 dienstjaren heeft in een bezwarende functie,
                                is het streven van de storting die op 53-jarige leeftijd en daarna
                                tot 59 jaar wordt gedaan een bedrag van 9 maanden x 76% x het
                                gemiddelde loon van de 15 dienstjaren. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De medewerker met een functie, waaraan op 31 december 2005 een
                                FLO-leeftijd van 59 of 60 was verbonden, gaat direct met onbezoldigd
                                volledig verlof. Voor hem is er dus geen periode van gedeeltelijk
                                betaald verlof. Op hem is artikel 9b:25, lid 5, dus niet van
                                toepassing (zie de toelichting op lid 8). Hij kan wel verzoeken om
                                het moment van onbezoldigd volledig verlof op te schuiven (artikel
                                9b:35, lid 4). Als dit verzoek gehonoreerd wordt, wordt het aantal
                                dienstjaren voor de toepassing van dit artikel niet hoger dan het
                                was op 59-jarige respectievelijk 60-jarige leeftijd.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te
                                weten wat het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in
                                ABP Extra Pensioen is gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op
                                de vraag of hij moment van minder gaan werken wil uitstellen. Daarom
                                kan de medewerker zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie
                                te geven van het verwachte stortingsbedrag. Met een rekentool op
                                abp.nl kan de medewerker dan berekenen wat dit bedrag zou betekenen
                                voor de verwachte hoogte van zijn pensioen. Het college bepaalt in
                                overleg met de medewerker het geschikte moment voor de eenmalige
                                indicatie. Hierbij wordt geadviseerd rekening te houden met
                                mogelijke carrièrestappen van de medewerker. Als die nog worden
                                verwacht dan is het geven van een indicatie niet zinvol. De
                                berekening van dat bedrag is namelijk gebaseerd op de huidige
                                situatie en houdt met eventuele carrièrestappen geen rekening. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren met minder
                                dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006(T)</titel></kop><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële
                            tarieven die ABP hanteert. Vanaf 2010 hanteert ABP een tarief van 3,25%
                            voor OP/NP en 3,0% voor ABP Extra Pensioen. Hieruit vloeit een
                            leeftijdsafhankelijke factor op leeftijd 53 jaar voort van 0.791. In de
                            tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren genoemd. Welke factor
                            gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar
                            heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen
                            doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er zijn
                            uitzonderingen denkbaar dat de storting op een andere leeftijd
                            geschiedt. Voor meer informatie over de diverse uitzonderingen zie
                            ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen). </al><al>Voorbeeld Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag gegenereerd
                            moet zijn van € 10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet, bij de
                            rendementen die ABP verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van €
                            7.910 gestort worden (€ 10.000 x 0,791). Als er op een later moment dan
                            op 53-jarige wordt gestort, dan wordt het te storten bedrag ieder jaar
                            hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                            leeftijdsafhankelijke factor.</al></artikel><artikel><kop><titel>Inkoop OP bij regionalisering (T)</titel></kop><al>In artikel 9b:45 lid 5 is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP
                            Extra Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit
                            de bezwarende functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar
                            uit de bezwarende functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze
                            regionalisering jonger is dan 53 jaar, zou de werkgever dus op dat
                            moment een storting moeten doen. Deze storting op een eerder moment dan
                            53 jaar heeft gevolgen voor de uiteindelijke hoogte van het pensioen.
                            Deze gevolgen kunnen positief of negatief zijn, afhankelijk van het
                            rendement dat het gestorte bedrag oplevert. Door de eerdere storting
                            wordt het rendementsrisico dus bij de ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van
                            het FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te
                            blijven, is geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie
                            vanwege de regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt
                            in de afspraak over het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de
                            storting nog steeds op 53 jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een
                            storting naar rato van het totaal aantal dienstjaren in de bezwarende
                            functie, dus zowel die bij de nieuwe werkgever, als die bij de gemeente
                            en diens voorgangers. De gemeente en de nieuwe werkgever moeten samen
                            tot afspraken komen hoe de kosten van inkoop OP verdeeld worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                            onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december
                            2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Aanvulling op FPU-uitkering voor de ambtenaar geboren voor 1950
                                in een bezwarende functie (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is
                                gebaseerd op de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de
                                arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit
                                het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd
                                wordt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Als de FPU-uitkering verlaagd wordt in verband met inkomsten, wordt
                                de aanvulling hoger.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Dit artikel regelt de in de wetgeving inzake VUT, prepensioen en
                                levensloop voorgeschreven actuariële neutrale herrekening van een
                                uitkering bij later uittreden dan op de oude FLO-leeftijd. Dit
                                betekent dat de uitkering wordt verhoogd als de ambtenaar langer
                                doorwerkt. Op die wijze ontvangt de ambtenaar alsnog de totale som
                                aan uitkering waar hij recht op heeft. Hierdoor wordt het langer
                                doorwerken gestimuleerd. Het ABP verzorgt de actuariële
                                herrekening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op grond van artikel 16.3 van het pensioenreglement heeft, na
                                afloop van de periode van verplichte opbouw van de helft van het
                                pensioen, de ambtenaar de mogelijkheid om zijn pensioenopbouw op
                                vrijwillige basis gedurende een bepaalde periode voortzetten.
                                Ambtenaren geboren vóór 2 april 1947 betalen de doorsneepremie.
                                Ambtenaren die later geboren zijn betalen een individuele premie.
                                Lid 1 bepaalt dat de kosten van deze premie voor zover zij 30% van
                                de doorsneepremie (de premie die geldt bij verplichte
                                pensioenopbouw) te boven gaan, worden gedragen door de gemeente.
                                Artikel 16.3 geeft ook de mogelijkheid tot een aanvullende
                                pensioenopbouw (100% i.p.v. 50%). De kosten van deze aanvullende
                                pensioenopbouw komen ten alle tijde volledig ten laste van de
                                werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel 9b:47
                                (T)</titel></kop><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                            bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                            tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of
                            uitkering. Dit is bij ambtenaar in een bezwarende functie, die geboren
                            is voor 1950, tijdens de periode na ontslag, wanneer op de FPU-uitkering
                            een aanvulling wordt gegeven (artikel 9b:47). </al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                            onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december
                            2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al><al>Artikel 9b:50, 9b:51 en 9b:52 gelden voor de ambtenaar, die ondanks het
                            feit dat een FLO-leeftijd was vastgesteld, geen bezwarende functie
                            vervulde. </al></artikel><artikel><kop><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                                januari 2006, in een niet bezwarende functie (T)</titel></kop><al>Vanaf 1 januari 2006 ontvangen de ambtenaren, geboren na 1949, met 20
                            dienstjaren of meer op 1 januari 2006 de reguliere levensloopbijdrage
                            van 1,5%.</al></artikel><artikel><kop><titel>De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet bezwarende functie
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft de keuze om </al><lijst><li nr="-"><al>op de leeftijd van 60 jaar en 3 maanden FPU-ontslag te
                                        krijgen tegen een aanvulling van de FPU-uitkering tot 80%
                                        respectievelijk 70% van de bezoldiging; </al></li><li nr="-"><al>na de leeftijd van 60 jaar en 3 maanden FPU-ontslag te
                                        krijgen tegen een FPU- en FPU-Gemeenten-uitkering.</al></li></lijst><al>Per individuele ambtenaar verschilt welke keuze financieel gunstiger
                                is. Dit is met name afhankelijk van de spilleeftijd voor de FPU cq.
                                FPU-Gemeenten. Daarnaast is van belang of de ambtenaar eerder wil
                                stoppen met werken tegen een lagere uitkering of langer door wil
                                werken tegen daarna een hogere uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de
                                arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit
                                het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd
                                wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als de FPU-uitkering verlaagd wordt in verband met inkomsten, wordt
                                de aanvulling hoger.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op grond van artikel 16.3 van het pensioenreglement heeft, na afloop
                                van de periode van verplichte opbouw van de helft van het pensioen,
                                de ambtenaar de mogelijkheid om zijn pensioenopbouw op vrijwillige
                                basis gedurende een bepaalde periode voortzetten. Ambtenaren geboren
                                vóór 2 april 1947 betalen de doorsneepremie. Ambtenaren die later
                                geboren zijn betalen een individuele premie. Lid 1 bepaalt dat de
                                kosten van deze premie voor zover zij 30% van de doorsneepremie (de
                                premie die geldt bij verplichte pensioenopbouw) te boven gaan,
                                worden gedragen door de gemeente. Artikel 16.3 geeft ook de
                                mogelijkheid tot een aanvullende pensioenopbouw (100% i.p.v. 50%).
                                De kosten van deze aanvullende pensioenopbouw komen ten alle tijde
                                volledig ten laste van de werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel 9b:52
                                (T)</titel></kop><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                            bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                            tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of
                            uitkering. Dit is bij ambtenaar in een niet bezwarende functie, die
                            geboren is voor 1950, tijdens de periode na ontslag, wanneer op de
                            FPU-uitkering een aanvulling wordt gegeven (artikel 9b:52).</al></artikel><artikel><kop><titel>Algemeen (T)</titel></kop><al>In de CAO 2005-2007 is het FLO afgeschaft voor alle functies, behalve de
                            FLO-functies in het gemeentelijke stadsvervoer. Partijen hebben
                            afgesproken dat de oude FLO-regeling op hen van kracht blijft totdat zij
                            een akkoord hebben bereikt over een nieuwe regeling. Vanwege nieuwe
                            fiscale regels is het echter wel noodzakelijk een aanpassing te doen in
                            de bestaande regeling. De regeling valt voor medewerkers geboren vóór
                            1950 nog onder de oude fiscaal gunstige regels als deze regeling niet
                            openstaat voor jongere medewerkers. Om die reden is er een splitising
                            aangebracht tussen de regeling voor medewerkers geboren voor 1950 en
                            medewerkers geboren na 1949. In artikelen 9:15 en 9:16 is de regeling
                            opgenomen voor ambtenaren geboren vóór 1950 die werkzaam zijn in een
                            betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor de gemeente
                            leeftijdsgrenzen heeft vastgesteld. De regeling voor ambtenaren geboren
                            na 1949 werkzaam in oud-FLO-betrekkeningen is in dit hoofdstuk geregeld.
                            Beide regelingen zullen wijzigen op het moment dat betrokken partijen
                            een akkoord hebben bereikt op dit punt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Geen Toelichting (T)</titel></kop><al><vet>Hoofdstuk 9d</vet></al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><al>Dit hoofdstuk geldt alleen voor ambtenaren die op 31 december 2005 een
                            FLO-functie bekleedden bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of
                            gemeentelijke ambulancedienst en die vanaf 1 januari 2006 onafgebroken
                            een bezwarende functie bekleden, waaraan op 31 december 2005 op grond
                            van artikel 8:3 leeftijdsgrenzen waren verbonden. </al><al>De ambtenaar op wie artikel 9b:49 van toepassing is, is de ambtenaar in
                            een bezwarende oud FLO-functie, die geboren is voor 1950, maar die niet
                            voldoet aan de voorwaarden voor FPU. Hij krijgt dezelfde rechten als
                            ambtenaren in bezwarende oud FLO-functies, die geboren zijn na 1949.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Begripsomschrijvingen (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance bestaat uit een
                                levensloopverzekering en een netto spaarverzekering. Storting op de
                                netto-spaarverzekering van Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance kan nodig zijn omdat de levensloopbijdrage die verstrekt
                                wordt uitstijgt boven het maximale bedrag dat fiscaal gunstig op een
                                levensloopverzekering gestort mag worden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>LOGA-partijen zijn met Loyalis een levensloopproduct overeengekomen,
                                Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance. Dit levensloopproduct
                                biedt onder voorwaarden de garantie dat de individuele ambtenaar op
                                de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar een tegoed heeft
                                overeenkomend met 210%, respectievelijk 140% van hun bezoldiging als
                                bedoeld in artikel 9b:2 (zie hierna artikel 9e:8 en 9e:9).</al><al>Voorwaarde voor deze garantie is dat de ambtenaar </al><lijst><li nr="-"><al> daadwerkelijk deelneemt aan Loyalis Levensloop Brandweer
                                        &amp; Ambulance, </al></li><li nr="-"><al> de werkgever verzoekt om de complete levensloopbijdrage
                                        beschikbaar te stellen voor inleg in Loyalis Levensloop
                                        Brandweer &amp; Ambulance</al></li><li nr="-"><al> deze complete levensloopbijdrage ook daadwerkelijk inlegt
                                        op het moment dat de werkgever deze bijdrage verstrekt</al></li><li nr="-"><al> niet tussentijds tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop
                                        Brandweer &amp; Ambulance.</al></li></lijst><al>De genoemde voorwaarden samen vormen het LOGA-pad. Alleen wanneer
                                ambtenaren dit LOGA-pad volgen, hebben zij de garanties, bedoeld in
                                artikel 9e:8 en 9e:9. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Inleg (T)</titel></kop><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al>Onderdeel van het formulier waarop de ambtenaar zijn melding doet is
                                de optie dat hij het LOGA-pad wil volgen en dat hij zijn complete
                                levensloopbijdrage wil inleggen (tot aan de fiscale grens van 12% op
                                de levensloopverzekering plus het eventueel meerdere op de netto
                                spaarverzekering). Hij weet dan niet het exacte bedrag noch de
                                hoogte van het voor hem door Loyalis bepaalde maatwerkpercentage. </al><al>Als Loyalis een nieuw maatwerkpercentage doorgeeft, wijzigt het
                                bedrag dat de ambtenaar inlegt op Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance, tenzij de ambtenaar aangeeft dat hij een ander bedrag wil
                                inleggen. Legt hij een lager bedrag in, dan wijkt hij daarmee af van
                                het LOGA-pad en vervallen zijn garanties. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer
                                op 1 januari 2006 (T)</titel></kop><lid><lidnr>1, 2 en 3</lidnr><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer in een oud
                                FLO-functie. Hij moet vanaf 1 januari 2006 onafgebroken een
                                bezwarende oud FLO-functie bekleden. </al><al>Deze ambtenaar heeft, als hij tot 59-jarige leeftijd in een
                                bezwarende oud FLO-functie blijft werken en als hij een functie
                                bekleedt met een FLO-leeftijd van 55 tot en met 59 jaar, op
                                59-jarige leeftijd recht op een tegoed overeenkomend met 210% van
                                zijn bezoldiging. Bekleedt hij een FLO-functie waaraan een
                                FLO-leeftijd van 60 was verbonden, dan geldt een maximum van 140% op
                                60-jarige leeftijd. De levensloopbijdrage, die – mits het LOGA-pad
                                gevolgd wordt – leidt tot dit tegoed overeenkomend met 210%
                                respectievelijk 140%, ontvangt hij van de werkgever. </al><al>Lid 1 en 2 spreken over een tegoed overeenkomend met 210%,
                                respectievelijk 140% van de bezoldiging. De woorden ‘overeenkomend
                                met’ zien op het feit dat de ambtenaar zowel in de
                                levensloopverzekering als in de netto spaarverzekering kan hebben
                                ingelegd. Genoemde percentages zijn bruto bedragen. De inleg in de
                                levensloopverzekering is ook bruto. De inleg in de netto
                                spaarverzekering is echter netto; hier zijn de loonheffingen
                                (waaronder loonbelasting) al vanaf gehaald. Als sprake is van een
                                combinatie van levenslooptegoed en netto spaarverzekeringstegoed kan
                                dit dus niet worden opgeteld tot 210%, respectievelijk 140%. Voor
                                medewerkers die bij het volgen van het LOGA-pad geen gebruik hebben
                                hoeven maken van de netto spaarverzekering gelden wel de percentages
                                van 210% respectievelijk 140% aan opgebouwd levenslooptegoed. </al><al>Het percentage van 210% wordt gebaseerd op de bezoldiging die de
                                grondslag vormt voor de keuzes die de ambtenaar eerder op grond van
                                artikel 9b:4 heeft kunnen maken. Had de ambtenaar een functie met
                                een oud FLO-leeftijd van 55 jaar, dan geldt het keuzemoment op
                                55-jarige leeftijd en geldt als grondslag de bezoldiging die
                                betrokkene gemiddeld ontving in de 12 maanden voorafgaande aan zijn
                                55e. </al><al>Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 57 jaar,
                                dan geldt het keuzemoment op 57-jarige leeftijd en geldt als
                                grondslag voor de 210% dus de bezoldiging die betrokkene gemiddeld
                                ontving in de 12 maanden voorafgaand aan zijn 57e. Deze bezoldiging
                                wordt na de leeftijd waarop de keuzes zijn ingegaan geïndexeerd met
                                de generieke salarisverhoging die in de gemeentelijke sector wordt
                                afgesproken. Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd
                                van 60 jaar, dan geldt geen keuzemoment en gaat betrokkene op de
                                leeftijd van 60 jaar met onbezoldigd volledig verlof. De grondslag
                                voor het percentage van 140% is dan de bezoldiging, die de ambtenaar
                                gemiddeld ontving in de 12 maanden voordat hij 60 werd. </al><al>De levensloopbijdrage stopt op de leeftijd van 59, respectievelijk
                                60 jaar. Opschuiven van het keuzemoment van artikel 9b:4 leidt tot
                                niet tot langer doorbetalen van de levensloopbijdrage. </al><al><cursief>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60
                                    jaar</cursief> In het halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is
                                geworden controleert Loyalis of op de leeftijd van 59 jaar
                                daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                                LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de periode
                                na de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><lijst><li nr="-"><al>de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte
                                        rendementen ten tijde van de vaststelling van het laatste
                                        maatwerkpercentage of</al></li><li nr="-"><al>de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de
                                        verwachte bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de
                                        vaststelling van het laatste maatwerkpercentage.</al></li></lijst><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop
                                Brandweer &amp; Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de
                                medewerker het LOGA-pad heeft gevolgd, verstrekt de werkgever een
                                nabetaling waarmee dit tekort wordt opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vindt plaats in het
                                halfjaar nadat de ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud
                                FLO-leeftijd van 60 jaar was vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het LOGA-pad is gedefinieerd in artikel 9e:2. Loyalis bepaalt voor
                                alle ambtenaren op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing
                                is de hoogte van de levensloopbijdrage. De hoogte is gebaseerd op de
                                rente die Loyalis reeds behaald heeft op Loyalis Levensloop
                                Brandweer &amp; Ambulance en die voor de toekomst verwacht wordt op
                                Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance. Jaarlijks wordt de
                                werkgeversbijdrage bijgesteld op grond van onder meer de rentestand
                                en de ontwikkelingen in de bezoldiging van de individuele ambtenaar.
                            </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend.</al></lid><lid><lidnr>6 en 7</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in
                                artikel 3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt
                                uitgekeerd. Er wordt ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd,
                                omdat de eindejaarsuitkering alleen over het salaris wordt berekend. </al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als
                                bedoeld in artikel 9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet
                                meetelt voor het bepalen van de bezoldiging, waarop de betalingen na
                                de oud FLO-leeftijd gebaseerd zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006 (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Zie de toelichting op artikel 9e:8. </al><al>Het verschil met 9e:8 is dat het hier gaat om ambtenaren die op 1
                                januari 2006 (nog) geen 20 dienstjaren hadden bereikt. Het kan zijn
                                dat deze ambtenaren ook op 59-jarige leeftijd nog geen 20
                                dienstjaren hebben in een oud FLO-functie. </al></lid><lid><lidnr>2 en 3</lidnr><al><cursief>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar
                                </cursief>In het halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden
                                controleert Loyalis of op de leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk
                                voldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het LOGA-pad heeft
                                gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de periode na de
                                vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><lijst><li nr="-"><al>de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte
                                        rendementen ten tijde van de vaststelling van het laatste
                                        maatwerkpercentage of</al></li><li nr="-"><al>de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de
                                        verwachte bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de
                                        vaststelling van het laatste maatwerkpercentage.</al></li></lijst><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop
                                Brandweer &amp; Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de
                                medewerker het LOGA-pad heeft gevolgd, verstrekt de werkgever een
                                nabetaling waarmee dit tekort wordt opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vind plaats in het
                                halfjaar nadat de ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud
                                FLO-leeftijd van 60 jaar was vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4 en 5</lidnr><al>Van belang is hier dat alle jaren tot 59 jaar respectievelijk tot 60
                                jaar meetellen. Voor de ambtenaren met een functie met een oud
                                FLO-leeftijd tussen 55 en 59 jaar is dit van belang. Het derde lid
                                impliceert namelijk dat ook de jaren dat zij gedeeltelijk betaald,
                                maar wel volledig verlof hebben ook meetellen als dienstjaren.
                                Opschuiven van het moment waarop de ambtenaar 50% respectievelijk
                                60% gaat werken tegen 90% respectievelijk 95% van zijn bezoldiging
                                leidt niet tot opschuiven van het moment tot welk het aantal
                                dienstjaren “geteld wordt”. Dat moment blijft staan op 59 jaar. </al><al>De ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd van 60,
                                moeten tot hun 60e volledig doorwerken. Daarna krijgen zij
                                onbezoldigd volledig verlof. Uiteraard tellen alle jaren tot 60 jaar
                                als dienstjaar mee. Opschuiven van het moment waarop ambtenaren met
                                onbezoldigd volledig verlof gaan leidt niet tot opschuiven van het
                                moment tot welk het aantal dienstjaren “geteld wordt”. Dat moment
                                blijft staan op 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Als de ambtenaar inderdaad minder dan 20 dienstjaren heeft op
                                59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd, geldt dat de
                                levensloopbijdrage leidt tot een tegoed naar rato van het aantal
                                dienstjaren op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige
                                leeftijd. Als betrokkene een oud FLO-leeftijd had van 55 jaar en op
                                59-jarige leeftijd 18 dienstjaren heeft bereikt, heeft hij op
                                59-jarige leeftijd recht op een tegoed overeenkomend met 18/20 x
                                210% van zijn bezoldiging. Hetgeen vermeld is in de toelichting op
                                lid 2 en 3 is hierop van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend. </al></lid><lid><lidnr>9 en 10</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in
                                artikel 3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt
                                uitgekeerd. Er wordt ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd,
                                omdat de eindejaarsuitkering alleen over het salaris wordt
                                berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als
                                bedoeld in artikel 9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet
                                meetelt voor het bepalen van de bezoldiging, waarop de betalingen na
                                de oud FLO-leeftijd gebaseerd zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                                FLO-overgangsrecht (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>onderdeel a</al><al>Wanneer de ambtenaar overlijdt voordat het eerste moment is bereikt
                                waarop hij onbezoldigd volledig verlof kan opnemen, stopt de
                                levensloopbijdrage. Hiermee wordt gedoeld op de leeftijd van 59 jaar
                                (bij een oud FLO-leeftijd van 55 tot en met 59 jaar) respectievelijk
                                60 jaar (bij een oud FLO-leeftijd van 60 jaar.</al><al>Wat er gebeurt met het levenslooptegoed en het netto
                                spaarverzekeringstegoed dat tot dat moment is opgebouwd, is
                                afhankelijk van de polis die de ambtenaar heeft afgesloten.
                                Uitgaande van Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance geldt het
                                volgende: heeft de ambtenaar direct voorafgaand aan het overlijden
                                een dekking voor restitutie bij overlijden lopen bij Loyalis, dan
                                ontvangen de nabestaanden 90% van het opgebouwde tegoed waarvoor de
                                ambtenaar zich verzekerd heeft. Heeft de ambtenaar direct
                                voorafgaand aan het overlijden geen dekking voor restitutie bij
                                overlijden, dan komt het tegoed ten goede aan Loyalis.</al><al>In geval de ambtenaar geen gebruik maakt van Loyalis Levensloop
                                Brandweer &amp; Ambulance maar de levensloopbijdrage heeft
                                ondergebracht op een ander verzekerings- of spaarproduct, dan gelden
                                bij overlijden de voorwaarden van de desbetreffende bank of
                                verzekeraar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>onderdeel b</al><al>De beëindiging van de bezwarende functie kan gelegen zijn in
                                ontslag, maar het is ook mogelijk dat herplaatsing daarvan de
                                oorzaak is.</al><al> Het is mogelijk dat de medewerker ontslagen wordt uit zijn
                                bezwarende functie en vervolgens conform artikel 9b:1, tweede lid
                                opnieuw werkzaam wordt in een andere bezwarende ex-FLO-functie. Bij
                                de oud-werkgever stopt de deelname aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling FLO-overgangsrecht. Indien het FLO-overgangsrecht
                                bij de nieuwe werkgever doorloopt, dan valt de medewerker bij die
                                nieuwe werkgever opnieuw onder de gemeentelijke levensloopregeling
                                FLO-overgangsrecht.</al><al> Indien een ambtenaar herplaatst wordt en hij niet langer aangesteld
                                is in zijn bezwarende functie, stopt deelname aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling FLO-overgangsrecht. Daarbij maakt het niet uit
                                wat de reden van herplaatsing (wegens ziekte, tweede loopbaan of
                                anderszins) is. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Afkoop levensloopbijdrage (T)</titel></kop><lid><lidnr>1 tot en met 5</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar uit de bezwarende functie ontslag wordt
                                verleend voordat hij met onbezoldigd volledig verlof gaat (dat is op
                                59-jarige leeftijd of op 60-jarige leeftijd) wordt de
                                levensloopbijdrage afgekocht naar rato van het aantal dienstjaren op
                                het moment van ontslag. </al><al>Had iemand op 1 januari 2006 al 20 dienstjaren of meer in een oud
                                FLO-functie, dan heeft hij op dat moment al recht gekregen op een
                                tegoed overeenkomend met 210% respectievelijk 140% op 59-
                                respectievelijk 60-jarige leeftijd. De afkoop van deze rechten bij
                                ontslag voor de 59- of 60-jarige leeftijd moet dan ook kunnen leiden
                                tot een bedrag overeenkomend met 210% respectievelijk 140% van de
                                bezoldiging op het moment van ontslag op die leeftijd. </al><al>Had iemand op 1 januari 2006 echter minder dan 20 dienstjaren in een
                                oud FLO-functie, dan is het daadwerkelijke aantal dienstjaren op het
                                moment van ontslag bepalend voor het afkoopbedrag. </al><al>Heeft betrokkene op het moment van ontslag 10 dienstjaren in een oud
                                FLO-functie, dan krijgt hij een afkoopbedrag dat in de jaren tot aan
                                de leeftijd van 59 of 60 jaar volgens de uitgangspunten die zijn
                                vastgesteld in het LOGA kan renderen tot 10/20 x 210% van de
                                bezoldiging op het moment van ontslag (respectievelijk 10/20 x 140%
                                van de bezoldiging op het moment van ontslag). </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald. Loyalis
                                moet dus door de werkgever geïnformeerd worden over het aanstaande
                                ontslag van de medewerker.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Levensloopbijdrage bij regionalisering (T)</titel></kop><al>Op basis van het eerste of tweede lid van artikel 9e:11 hebben
                            medewerkers recht op een afkoopbedrag als zij de bezwarende functie
                            verlaten. Artikel 9e:11a regelt hierop een uitzondering voor medewerkers
                            die ontslag krijgen uit de bezwarende functie wegens regionalisering
                            (bijvoorbeeld door het vormen van veiligheidsregio’s). Zij hebben geen
                            recht op afkoop van de levensloopbijdrage. Voorwaarde voor die
                            uitzondering is dat de medewerkers ook bij de nieuwe werkgever recht
                            hebben op FLO-overgangsrecht.</al><al>Wanneer de nieuwe werkgever het FLO-overgangsrecht van toepassing
                            verklaart, betekent regionalisering geen einde van het
                            FLO-overgangsrecht. Dit houdt in dat ook bij de nieuwe werkgever recht
                            bestaat op een levensloopbijdrage. Deze levensloopbijdragen dragen bij
                            aan hetzelfde doel (zie hierna: Garantie) als de levensloopbijdragen die
                            de gemeente verstrekte.</al><al>Anders dan bij individuele gevallen van ontslag, gaat het bij
                            regionalisering vaak om een groot aantal medewerkers dat ineens overgaat
                            naar de nieuwe werkgever. Zou de gemeente verplicht tot afkoop moeten
                            overgaan, dan zou die geconfronteerd worden met afkoopbedragen voor al
                            deze medewerkers. De gemeente zou in een keer dus veel geld moeten
                            uitkeren. Om dit te voorkomen hoeft de gemeente niet tot afkoop over te
                            gaan. De gemeente en de nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken
                            komen hoe de kosten van toekomstige levensloopbijdragen verdeeld worden. </al><al><cursief>Garantie</cursief> Of de werkgever nu voor afkoop kiest of voor
                            declaratiestructuur met de nieuwe werkgever, de medewerker behoudt bij
                            het volgen van het LOGA-pad in beide gevallen de garantie dat hij bij
                            het bereiken van 20 dienstjaren op de leeftijd van 59, respectievelijk
                            60 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 210%, respectievelijk 140%
                            van zijn bezoldiging (zie artikel 9e:8 en 9e:9). Bij minder dan 20
                            dienstjaren geldt een garantie naar rato. </al></artikel><artikel><kop><titel>Afkoop bij voortzetting overgangsrecht (T)</titel></kop><al>In artikel 9b:1, tweede lid is bepaald dat het FLO-overgangsrecht wordt
                            voortgezet, wanneer de ambtenaar uit de ene bezwarende oud FLO-functie
                            overstapt naar de andere bezwarende oud FLO-functie. Ook in dat geval
                            worden de rechten tot het moment van overstap afgekocht door de “oude
                            werkgever”. De nieuwe werkgever betaalt dan weer de levensloopbijdrage,
                            waarbij de hoogte door Loyalis bepaald wordt. Loyalis houdt er hierbij
                            rekening mee dat de afkoop volgens het LOGA-pad gestort is. Dit betekent
                            dat het afkoopbedrag van de “oude werkgever” dus ingelegd is in Loyalis
                            Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment van uitbetaling door
                            de werkgever en dat er geen tegoed is opgenomen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Betrokkene (T)</titel></kop><al>In de CAR is het belanghebbende-begrip (de Algemene wet bestuursrecht
                            noodzaakt tot de invoering van de term betrokkene) zodanig omschreven
                            dat dit begrip erin voorziet dat alle gevallen waarbij
                            wachtgeldaanspraken kunnen ontstaan nu in één artikel in het hoofdstuk
                            wachtgeld bij elkaar staan.</al><al>Op grond van het bepaalde in het tweede lid heeft ook degene recht op
                            wachtgeld die zelf ontslag gevraagd heeft, nadat schriftelijk aan
                            betrokkene kenbaar is gemaakt dat het bestuursorgaan voornemens is
                            ontslag te verlenen wegens reorganisatie danwel wegens
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Diensttijd (T)</titel></kop><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van het hoofdstuk
                            wachtgeld de tijd is, doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het
                            ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden,
                            alsmede de tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking
                            en uitbreiding ambtenaarschap in de zin van de pensioenwet (Stcrt. 1994,
                            98) bovengenoemd ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij
                            bijvoorbeeld om diensttijd doorgebracht als seizoenswerker of als
                            deelnemer aan een werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden
                            aangeduid.</al><al>In de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking
                            van meer dan een jaar niet mee voor de berekening van de wachtgeldduur.
                            Deze tijd doorgebracht in overheidsdienst, voorafgaand aan een
                            onderbreking van langer dan een jaar, telt – op grond van het bepaalde
                            in artikel 10:3, onderdeel a – wel mee bij de beoordeling of betrokkene
                            een diensttijd heeft van ten minste tien jaar, dan wel voor het
                            beoordelen of aanspraak bestaat op een bijzonder verlengd wachtgeld
                            (leeftijd en diensttijd bedraagt meer dan 60).</al><al>Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van
                            een recht op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt in de regel niet
                            nogmaals mee bij de vaststelling van wachtgeldaanspraken. Ook deze
                            hoofdregel kent weer uitzonderingen. Deze diensttijd telt namelijk wel
                            weer mee bij de beoordeling of betrokkene aan tien dienstjaren komt, dan
                            wel of de som van leeftijd en diensttijd op de ontslagdatum meer
                            bedraagt dan 60. Deze diensttijd telt ook nogmaals mee wanneer de
                            betrekking waaruit ontslag volgde, werd aanvaard op het moment dat
                            betrokkene wachtgelder was (in het kader van de bijzondere verlenging,
                            artikel 10:8, derde lid). Tijd doorgebracht als wachtgelder wordt dan
                            wel in mindering gebracht op de duur van een nieuw wachtgeld.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat
                            waardeoverdracht van pensioenopbouw bij een private werkgever naar de
                            Stichting Pensioenfonds ABP niet leidt tot bijtelling van diensttijd
                            voor de opbouw van wachtgeldaanspraken. Het betreft hier tijd die
                            uitsluitend meetelt voor de opbouw van ouderdoms- en
                            nabestaandenpensioen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Dienstbetrekking (T)</titel></kop><al>Voor de omschrijving van het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten
                            bij het begrip dienstbetrekking uit de WW. Door de verwijzing naar de
                            artikelen 4, 5 en 6 van de WW wordt bereikt dat de reikwijdte van het
                            begrip dienstbetrekking gelijk is aan die ingevolge de WW.</al></artikel><artikel><kop><titel>Recht op wachtgeld (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Sinds de Wet terugdringing
                                beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) kent het
                                wachtgeldregime de mogelijkheid van samenloop van een WAO-uitkering
                                (tot 1 januari 1996 een invaliditeitspensioen) naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% en een wachtgeld. In een
                                situatie van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is immers tevens
                                sprake van werkloosheid, voor zover betrokken ambtenaar zijn
                                restcapaciteit niet kan benutten.</al><al>Hierdoor wordt de kring van rechthebbenden op een wachtgeld
                                verruimd.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het eerste lid bepaalt in welke gevallen geen recht op een wachtgeld
                                bestaat. In onderdeel b wordt bepaald dat dit het geval is wanneer
                                aanspraak bestaat op een WAO-conforme uitkering naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Betrokkene is in dat geval
                                volledig arbeidsongeschikt en als gevolg daarvan niet in staat
                                arbeid te verrichten. Onderdeel c bepaalt dat er geen recht bestaat
                                op wachtgeld gedurende de periode dat aanspraak op suppletie geldend
                                gemaakt kan worden (zie hoofdstuk 11a).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid aanspraak op wachtgeld te
                                maken ingeval op de ontslagdatum sprake is van een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, maar waarvan de
                                arbeidsongeschiktheid nadien op een lager percentage wordt
                                vastgesteld. De hoogte en duur van dit alsnog toegekende wachtgeld
                                worden vastgesteld, te rekenen vanaf de ontslagdatum. Het wachtgeld
                                eindigt in beginsel op hetzelfde tijdstip als wanneer het zou
                                eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn
                                toegekend. Hierbij geldt echter een uitzondering.</al><al><cursief><vet>Onderdeel a</vet></cursief>Onderdeel a van het tweede
                                lid bepaalt dat de duur van het wachtgeld vanaf de datum van de
                                afschatting wordt berekend op basis van de WW-bodembepalingen
                                (artikel 10:7). Ter bepaling van het arbeidsverleden dient daarbij
                                voor de toepassing van artikel 10:7, vierde lid, onderdeel a, tevens
                                te worden begrepen een invaliditeitspensioen vastgesteld naar een
                                mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Daarmee wordt
                                bereikt dat ingeval van afschatting de ambtenaar qua hoogte en duur
                                niet minder uitkering ontvangt dan een verzekerde in de zin van de
                                WW.</al><al><cursief><vet>Onderdeel b</vet></cursief>Onderdeel b van het tweede
                                lid bepaalt dat voor de berekening van de duur van het wachtgeld
                                vanaf de datum van afschatting op basis van de omvang van de
                                ambtelijke diensttijd de datum op grond waarvan het recht op
                                pensioen is ontstaan het uitgangspunt blijft. Artikel 10:8 wordt dus
                                in die zin toegepast dat hierbij wordt uitgegaan van de
                                oorspronkelijke ontslagdatum. De duur van het wachtgeld vanaf de
                                datum van afschatting wordt uiteindelijk vastgesteld volgens de
                                berekeningswijze die de langste duur oplevert.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het derde lid bepaalt dat na afloop van de suppletie nog aanspraak
                                op wachtgeld gemaakt kan worden. Dit is uitsluitend het geval indien
                                de duur van het wachtgeld meer bedraagt dan de periode van 5,5 jaar
                                (2 x 33 maanden) suppletie. Een dergelijke wachtgeldduur kan alleen
                                worden vastgesteld op basis van de omvang van de diensttijd.</al><al>Dit wachtgeld begint op de eerste dag nadat de aanspraak op
                                suppletie is geëindigd en duurt tot het moment waarop het zou
                                eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn
                                toegekend. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld op zodanige
                                wijze dat gerekend wordt vanaf de oorspronkelijke ontslagdatum.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Duur van het wachtgeld (T)</titel></kop><al>De basisduur van het wachtgeld bedraagt 6 maanden. Degenen die in de
                            periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag gedurende
                            ten minste 3 jaar in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                            werkzaam zijn geweest, komen in aanmerking voor een verlengd wachtgeld.
                            Het gaat hier om de zogenaamde ‘arbeidsverleden-eis’, een eis uit de op
                            dit punt inmiddels gewijzigde WW. (Ingevolge de WW dient betrokkene
                            sinds 1 maart 1995 gedurende een periode van 5 jaar ten minste 4 jaar
                            gewerkt te hebben om voor een verlengde uitkering – met een duur die
                            meer dan zes maanden bedraagt – in aanmerking te komen. Voor het recht
                            op een WW-uitkering is het in de eerste plaats noodzakelijk dat
                            betrokkene, voorafgaand aan de ontslagdatum, in een periode van 39 weken
                            ten minste gedurende 26 weken werkzaam is geweest). Met het oog op 1
                            januari 1998, de datum waarop de WW beoogd wordt integraal van
                            toepassing te zijn op overheidspersoneel, is ervoor gekozen deze
                            verzwaarde eis nog niet in ambtelijke regelingen op te nemen. Een
                            uitzondering geldt voor degenen die onmiddellijk voorafgaand aan het
                            ontslag een uitkering genieten op grond van de Algemene
                            Arbeidsongeschiktheidswet. Zij komen, zonder dat zij aan de
                            ‘arbeidsverleden-eis’ behoeven te voldoen, voor een verlengd wachtgeld
                            in aanmerking. De duur van het verlengde wachtgeld is afhankelijk van de
                            omvang van het arbeidsverleden, dat bestaat uit een feitelijk en een
                            fictief deel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Duur van het wachtgeld (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgeldduur berekend wordt op twee
                                wijzen, op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en op
                                basis van de omvang van het arbeidsverleden. De wachtgeldduur wordt
                                uiteindelijk vastgesteld op basis van de berekeningswijze die de
                                langste duur oplevert. Bij de vergelijking blijft de duur van het
                                vervolgwachtgeld buiten beschouwing. Dit volgt uit de formulering
                                van het eerste lid, waarbij uitsluitend wordt verwezen naar het
                                bepaalde in artikel 10:7. De verlenging van het wachtgeld op basis
                                van de som van leeftijd en diensttijd (de bijzondere verlenging van
                                het wachtgeld) telt wel mee bij de vergelijking.</al><al>De wachtgeldduur op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd
                                wordt uitgedrukt in een percentage van de ambtelijke diensttijd. Hoe
                                hoger de leeftijd op de ontslagdatum, des te hoger het percentage
                                waarin de diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van het wachtgeld.
                                Het percentage van de diensttijd is minimaal 18 bij een leeftijd van
                                20 jaar. Daarna neemt het met 1,5% per jaar toe tot maximaal
                                78%.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het derde lid bepaalt op welke wijze de diensttijd die bij een
                                eerder toegekend wachtgeld of toegekende uitkering in aanmerking is
                                genomen, nogmaals meetelt voor de berekening van een wachtgeldduur.
                                Diensttijd wordt uitsluitend nogmaals in aanmerking genomen bij de
                                vaststelling van een wachtgeldduur, ingeval betrokkene de
                                dienstbetrekking waaruit ontslag volgde aanvaardde terwijl aanspraak
                                op een wachtgeld bestond. Daarbij geldt als vereiste dat beide
                                wachtgelden moeten zijn toegekend op basis van een wachtgeldduur,
                                berekend op basis van de omvang van de diensttijd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het vierde lid bepaalt dat, wanneer op de ontslagdatum de som van
                                leeftijd en diensttijd 60 of meer bedraagt en een diensttijd van ten
                                minste tien jaar is doorgebracht, de duur van het wachtgeld wordt
                                verlengd tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze fase van
                                bijzondere verlenging gaat in na afloop van de wachtgeldduur,
                                vastgesteld op grond van het bepaalde in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vervolgwachtgeld (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Na afloop van het verlengde wachtgeld, als bedoeld in artikel 10:7,
                                tweede lid, bestaat aanspraak op een vervolgwachtgeld. Wanneer de
                                ontslagen ambtenaar voldoet aan de arbeidsverleden-eis, maar vanwege
                                de leeftijd op de ontslagdatum geen aanspraak heeft op een verlengd
                                wachtgeld, bestaat na afloop van de basisduur van zes maanden
                                aanspraak op een vervolgwachtgeld. Deze situatie is geregeld in het
                                tweede lid, onderdeel b, waarbij het arbeidsverleden minder dan vijf
                                jaar dient te omvatten. Een dergelijke situatie zal zich zelden
                                voordoen, namelijk alleen in die gevallen waarbij de wachtgelder op
                                de ontslagdatum jonger is dan 23 jaar.</al><al><vet>Leden 5 en 6</vet></al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de situatie waarbij sprake is van
                                recht op een vervolgwachtgeld met een kortere duur dan een jaar,
                                respectievelijk 3,5 jaar. Deze situatie kan zich voordoen wanneer de
                                wachtgeldduur wordt vastgesteld op basis van de omvang van de
                                ambtelijke diensttijd en het verschil tussen deze duurberekening en
                                die op basis van de omvang van het arbeidsverleden minder bedraagt
                                dan een jaar. In dat geval ontstaat aanspraak op een
                                vervolgwachtgeld met een duur die korter is dan de gebruikelijke
                                duur. Uiteindelijk betekent dit dat het wachtgeld van degene die
                                aanspraak heeft op een wachtgeld op basis van de omvang van de
                                diensttijd met inbegrip van een stukje vervolgwachtgeld, op
                                hetzelfde tijdstip eindigt als wanneer het wachtgeld met inbegrip
                                van het vervolgwachtgeld, geëindigd zou zijn, wanneer het zou zijn
                                toegekend op basis van de omvang van het arbeidsverleden.</al><al>Het volgende voorbeeld dient als toelichting.</al><al>berekeningswijze van de wachtgeldduur op basis van artikel
                                10:7basisduur verlengde duur vervolgwachtgeld</al><al>berekeningswijze van de wachtgeldduur op basis van artikel
                                10:8vervolgwachtgeld</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bedrag van het wachtgeld (T)</titel></kop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldpercentages (90, 80 en 70%) met 3
                            procentpunten verlaagd. Omdat ingevolge het bepaalde in de
                            ‘Procentenwet’ (wet van 20 december 1984, Stb. 1984, 657) de
                            uitkeringshoogten met 3 procentpunten worden verhoogd, betekent het dat
                            de hoogte van het wachtgeld 90%, 80% en 70% bedraagt (respectievelijk
                            87%, 77% en 67% vermeerderd met 3%) gehandhaafd blijft. Bij een mogelijk
                            intrekken van de Procentenwet van een concreet beleidsvoornemen is
                            momenteel nog geen sprake zullen de percentages met hetzelfde aantal
                            procentpunten verhoogd worden. </al><al>Het bedrag aan wachtgeld bedraagt ten minste het bedrag aan
                            ouderdomspensioen dat op de ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de
                            bijzondere verlenging (op basis van artikel 10:8, vierde lid) bedraagt
                            het wachtgeld het eerste jaar van deze verlenging ten minste 40% van de
                            bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan ouderdomspensioen wanneer dat
                            lager is dan 40%. De gewezen ambtenaar die bijvoorbeeld 20 pensioenjaren
                            heeft, ontvangt gedurende het eerste jaar van de verlenging 40% van zijn
                            bezoldiging en daarna 35% van zijn bezoldiging (20 maal 1,75%).</al></artikel><artikel><kop><titel>Bedrag van het vervolgwachtgeld (T)</titel></kop><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld bedraagt het minimumloon, behalve in
                            die gevallen waarbij het minimumloon meer zou bedragen dan 70% van de
                            bezoldiging. Deze laatste toevoeging voorkomt dat bijvoorbeeld degene
                            die uit een deeltijdbetrekking is ontslagen, gedurende de fase van het
                            vervolgwachtgeld met een inkomensvooruitgang geconfronteerd zou worden.
                            In dat geval kan het minimumloon meer bedragen dan 70% van de
                            bezoldiging en wordt het vervolgwachtgeld vastgesteld op evengenoemd
                            percentage. Het bedrag aan minimumloon wordt niet aangevuld met 3% op
                            grond van de Procentenwet. Dit geldt ook ingeval het vervolgwachtgeld
                            70% van de bezoldiging bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen (T)</titel></kop><al>In het kader van privatiseringen van onderdelen van de gemeentelijke
                            organisatie levert de leeftijd van 55 jaar, die als maximum geldt voor
                            de verplichting passende werkzaamheden te aanvaarden, nog wel eens
                            onduidelijkheden op. Degenen van 55 jaar en ouder wiens ambtelijke
                            betrekking wordt omgezet in een private betrekking, zijn op grond van
                            deze bepaling namelijk niet verplicht deze betrekking te aanvaarden. Een
                            vergelijkbaar regime is overigens in de private sector zeer
                            gebruikelijk. Dit in de vorm van regelingen die erin voorzien dat
                            werkloze werknemers die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, niet
                            gehouden zijn passende arbeid te aanvaarden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen bij ziekte (T)</titel></kop><al>Ook de zieke ambtenaar die in het genot is van een wachtgeld, moet
                            voldoen aan verplichtingen die voor de actieve zieke ambtenaar gelden.
                            Immers, ook de zieke wachtgelder komt in aanmerking voor geneeskundige
                            begeleiding. Daarbij komt dat vastgesteld moet worden of en wanneer
                            recht op een WAO-uitkering ontstaat. Het eerste lid bepaalt dat de
                            wachtgelder die ziek is en daardoor geen werkzaamheden kan verrichten en
                            de wachtgelder die weer beter is als gevolg waarvan betrokkene weer
                            werkzaam kan zijn, verplicht is het college daarvan op de hoogte te
                            stellen. In de praktijk zal het de afdeling zijn die de wachtgelden
                            uitvoert (doorgaans de afdeling P&amp;O), die in dat geval geïnformeerd
                            dient te worden.</al><al>Bij het vaststellen van nadere voorschriften met betrekking tot de
                            geneeskundige begeleiding bij ziekte kan worden aangesloten bij de
                            bepalingen van hoofdstuk 7 van de UWO (voor zover de gemeente daarbij is
                            aangesloten).</al><al>Het derde lid regelt de verplichting van een wachtgelder om een
                            WAO-uitkering aan te vragen. In het vierde en vijfde lid zijn sancties
                            opgenomen, ingeval de wachtgelder verwijtbaar verzuimt een WAO-conforme
                            uitkering aan te vragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vermindering (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Bij de wijze van verrekening
                                van neveninkomsten wordt het uitgangspunt gehanteerd dat het
                                oorspronkelijke niveau van de bezoldiging behouden blijft. Immers,
                                de wachtgelder mag bijverdienen zonder dat er gekort wordt op het
                                wachtgeld, voor zover het gezamenlijke bedrag aan wachtgeld en
                                neveninkomsten de oorspronkelijke bezoldiging niet teboven gaat. Het
                                wachtgeld wordt dus niet opgeschort ingeval er wordt bijverdiend, de
                                einddatum van het wachtgeld blijft ongewijzigd.</al><al>Inkomsten wegens arbeid, bijvoorbeeld een loondervingsuitkering,
                                worden op dezelfde wijze verrekend. Dit is van belang voor een
                                gemeente die een wachtgeld uitbetaalt aan een gewezen werknemer, die
                                elders weer gaat werken. De inkomsten uit arbeid, alsmede de
                                uitkering die daar mogelijk uit voorkomt, worden verrekend op
                                bovengenoemde wijze.</al><al>Hoofdregel is dat neveninkomsten, die reeds werden genoten op de dag
                                voorafgaand aan de ontslagdatum, buiten verrekening blijven.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Artikel 10:15, eerste lid, laatste volzin, bepaalt dat voor de
                                verrekening van neveninkomsten wordt uitgegaan van het bedrag aan
                                wachtgeld, waarbij de vermindering van het wachtgeld als gevolg van
                                het feit dat de wachtgelder gedeeltelijk arbeidsongeschikt is
                                verklaard, buiten beschouwing blijft. Indien zou worden uitgegaan
                                van het verminderde bedrag aan wachtgeld, zou dit er immers toe
                                leiden dat het ‘vrije’ bedrag (het bedrag dat kan worden bijverdiend
                                zonder dat een korting op het wachtgeld plaatsvindt) hoger wordt.
                                Het totale bedrag aan wachtgeld, neveninkomsten en
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hierdoor het bedrag van de
                                laatstgenoten bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid heeft betrekking op een
                                uitkeringssituatie die zich zelden zal voordoen. Het gaat hierbij om
                                de wachtgelder die tijdens de wachtgeldperiode een nieuwe betrekking
                                heeft aanvaard, waaruit hij arbeidsongeschikt wordt. Als gevolg
                                hiervan wordt betrokkene ontslagen. Er ontstaat aanspraak op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering eventueel aangevuld met een tweede
                                ambtelijke uitkering. De wachtgelder in deze situatie gaat
                                vervolgens bijverdienen. In een dergelijke situatie zal betrokkene,
                                die arbeidsongeschikt is verklaard voor de betrekking die vervuld
                                werd als wachtgelder in de regel namelijk eveneens arbeidsongeschikt
                                zijn voor de oorspronkelijke betrekking waarin men werkzaam
                                was.</al><al>Uitgangspunt bij de verrekening van neveninkomsten in deze situatie
                                is dat deze inkomsten eerst in de wachtgeldsfeer gevolgen hebben,
                                waarbij het niveau van de oorspronkelijke bezoldiging de bovengrens
                                blijft. Wanneer de som van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld,
                                de arbeidsongeschiktheidsuitkering al dan niet aangevuld met een
                                tweede ontslaguitkering en de neveninkomsten meer bedraagt dan de
                                oorspronkelijk genoten bezoldiging (uit de functie waaruit het
                                eerste wachtgeld werd toegekend), wordt eerst het oorspronkelijk
                                toegekende wachtgeld verminderd met het overschrijdende bedrag.
                                Indien na deze vermindering nog een bedrag aan overschrijding
                                overblijft, wordt de eventueel toegekende (tweede) ontslaguitkering
                                verminderd met het bedrag aan overschrijding.</al><al>In het kader van dit artikel wordt tot slot kort ingegaan op de
                                wijze van verrekenen van neveninkomsten in een situatie waarbij
                                sprake is van samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en
                                een wachtgeld. In dat geval dienen twee verschillende regimes van
                                anti-cumulatie (die ingevolge het pensioenreglement en die ingevolge
                                de hoofdstukken wachtgeld en uitkering) op elkaar aan te sluiten.
                                Neveninkomsten worden eerst in de wachtgeldsfeer verrekend, en
                                nadien in de sfeer van de arbeidsongeschiktheidsregeling. Dit
                                betekent dat neveninkomsten op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in
                                mindering worden gebracht, ingeval de neveninkomsten een zodanig
                                bedrag vormen dat het wachtgeld volledig wordt weggekort. Het
                                pensioenreglement bepaalt dat inkomsten uit of in verband met arbeid
                                in mindering worden gebracht op het invaliditeitspensioen, voorzover
                                de som van invaliditeitspensioen, arbeidsongeschiktheidsuitkering en
                                neveninkomsten meer bedraagt dat de berekeningsgrondslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verlenging (T)</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat de duur van een dienstbetrekking wordt
                            toegevoegd aan de toegekende wachtgeldduur, indien de wachtgelder binnen
                            drie maanden na het ontslag een soortgelijke betrekking gaat vervullen
                            bij de gemeente die het wachtgeld betaalt. Het wachtgeld wordt niet
                            opgeschort, maar verlengd. Tijdens het vervullen van de nieuwe
                            betrekking, loopt het wachtgeld dus gewoon door en worden de inkomsten
                            verrekend.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Twee maanden na een reorganisatie-ontslag
                            krijgt betrokkene gedurende zes maanden een vergelijkbare betrekking
                            aangeboden als die waaruit ontslag volgde. De duur van het dienstverband
                            van zes maanden wordt toegevoegd aan de totaal toegekende wachtgeldduur
                            van bijvoorbeeld drie jaar.</al><al>De ratio van dit artikel is hierin gelegen dat de werkgever ‘gestraft’
                            wordt met relatief zware wachtgeldlasten, indien de werkgever korte tijd
                            na een gegeven ontslag met recht op wachtgeld betrokkene soortgelijke
                            werkzaamheden kan aanbieden, als die waaruit het ontslag werd verleend.
                            In dat geval doet zich de vraag voor of het ontslag op dat moment strikt
                            noodzakelijk was.</al></artikel><artikel><kop><titel>Opschorting (T)</titel></kop><al>In de situatie waarbij ziekte optreedt binnen een maand na de
                            ontslagdatum – waardoor ingevolge artikel 7:6, eerste lid, zoals dat
                            luidde op 1 januari 2003 aanspraak ontstaat op doorbetaling van de
                            bezoldiging – wordt de uitvoering van dit hoofdstuk opgeschort. Dit
                            betekent dat het recht op wachtgeld ingaat per de datum dat de ontslagen
                            ambtenaar weer arbeidsgeschikt is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Algemeen</cursief>Dit artikel regelt de samenloop van een
                                wachtgeld en een uitkering op grond van de WAO, dan wel een
                                WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                minder dan 80%. Wanneer een ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt
                                wordt verklaard, wordt het geldende bedrag aan wachtgeld verminderd
                                met een percentage, afhankelijk van de mate van
                                arbeidsongeschiktheid. Deze vermindering wordt toegepast met ingang
                                van de ontslagdatum indien per die datum aanspraak ontstaat op zowel
                                een uitkering op grond van de WAO, danwel een WAO-conforme uitkering
                                al dan niet vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                                een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. De
                                vermindering kan ook plaatsvinden vanaf een latere datum, namelijk
                                het moment waarop gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid optreedt. Door
                                deze vermindering resteert een bedrag aan wachtgeld dat afhankelijk
                                is van de mate waarin betrokkene in staat wordt geacht inkomsten te
                                verwerven. Het resterend bedrag aan wachtgeld wordt hierdoor
                                evenredig aan de mate van werkloosheid.</al><al>Tevens wordt in dit artikel bepaald dat het totale bedrag aan
                                uitkering op grond van de WAO, dan wel het totale bedrag aan
                                WAO-conforme uitkering, al dan niet vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, en het verminderde wachtgeld nooit meer kan
                                bedragen dan het volledige bedrag aan wachtgeld dat ontvangen zou
                                zijn, wanneer geen uitkering zou zijn toegekend. Als dat wel het
                                geval is (bijvoorbeeld bij een hoog bedrag aan inverdiend pensioen),
                                wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering
                                gebracht. Het hanteren van de bovengrens van het volledige wachtgeld
                                leidt ertoe dat al degenen aan wie een wachtgeld is toegekend gelijk
                                behandeld worden. De inkomenspositie van de ontslagen ambtenaar met
                                aanspraak op wachtgeld is hierdoor gelijk aan de positie van degene
                                aan wie naast een wachtgeld tevens een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van gedeeltelijke
                                arbeidsongeschiktheid is toegekend. Anderzijds voorkomt deze
                                bovengrens dat ingeval aan wachtgelders een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, er een onbedoelde
                                inkomensstijging plaats vindt.</al></lid><lid><lidnr>2 en 3</lidnr><al>In het nieuwe tweede en derde lid is het element verwijtbaarheid
                                ingebracht, in de situatie waarbij geen
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangevraagd of wanneer de
                                uitkering niet volledig tot uitbetaling komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Afkoop (T)</titel></kop><al>Het college kan een verzoek van betrokkene het wachtgeld af te kopen,
                            honoreren. Over de hoogte van de afkoopsom dient te worden onderhandeld.
                            Indien wordt overwogen een verzoek inzake afkoop van wachtgeld te
                            honoreren, is het raadzaam vooraf de gemeenteraad hierover te
                            raadplegen. De raad moet immers een krediet beschikbaar stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verval van wachtgeld (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het wachtgeld vervalt voor het
                                deel waarmee het tezamen met de neveninkomsten die verdiend zouden
                                kunnen worden, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan. Een
                                rekenvoorbeeld moge dit verduidelijken. Betrokkene wordt ontslagen
                                uit een betrekking waarin € 2.000,- werd verdiend. Het wachtgeld
                                bedraagt (70% van € 2.000,-) € 1.400,-. Betrokkene weigert een
                                betrekking te aanvaarden waarin € 1.500,- verdiend zou kunnen
                                worden. Bij het aanvaarden van deze betrekking zou het wachtgeld
                                gekort worden met € 900,- (€ 1.400,- + € 1.500,- = € 2.900,-) de
                                bezoldig wordt met € 900,- overschreden), met dit bedrag wordt het
                                wachtgeld verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verval van wachtgeld (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tweede lid regelt de situatie waarbij het wachtgeld eindigt
                                vanwege het feit dat de wachtgelder voor 80% of meer
                                arbeidsongeschiktheid wordt verklaard. In dat geval is geen sprake
                                van werkloosheid. De verwijzing naar het tweede lid van artikel 10:6
                                slaat op de gevallen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid, die
                                aanvankelijk op 80% of meer werd vastgesteld, nadien op een lager
                                percentage wordt vastgesteld. In dat geval herleeft het reeds
                                toegekende recht op wachtgeld.</al><al>Indien zich een situatie voordoet van een ontslag uit een
                                dienstbetrekking als wachtgelder bekleed, waarbij sprake is van een
                                mate van arbeidsongeschiktheid naar een geringer percentage dan 80%,
                                voorziet artikel 10:19 daarin. Wanneer in een dergelijke situatie
                                neveninkomsten worden verdiend, is artikel 10:15, tweede lid, van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepalingen (T)</titel></kop><al>Per 1 augustus 1991 is de zogenaamde WW-bodem ingevoerd in ambtelijke
                            ontslaguitkeringsregelingen. Dit betekent dat de duur van een ambtelijke
                            ontslaguitkering ten minste de duur bedraagt die zou zijn toegekend
                            wanneer de Werkloosheidswet van toepassing zou zijn geweest. De
                            invoering van de WW-bodem ging gepaard met een overgangsregime dat erin
                            voorzag dat van alle lopende wachtgelden op 31 juli 1991 de duur is
                            herberekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepalingen (T)</titel></kop><al>Het overgangsrecht als gevolg van de invoering van de WW-bodem voorziet
                            in een overgangsuitkering voor een bepaalde categorie wachtgelders. Het
                            gaat hierbij om degenen waarvan de duur van het wachtgeld afloopt in de
                            periode 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1995. In aansluiting
                            hebben zij recht op een overgangsuitkering. De hoogte van deze uitkering
                            bedraagt het minimumloon. Dit bedrag kan echter nooit meer bedragen dan
                            70% van de bezoldiging. De duur bedraagt een jaar. In alle gevallen
                            eindigt de overgangsuitkering op 31 december 1995.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepalingen (T)</titel></kop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldhoogten met 3 procentpunten
                            verlaagd. In dit artikel wordt bepaald dat deze verlaging niet wordt
                            toegepast ten aanzien van de wachtgelden die voor 1 januari 1995 zijn
                            toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Algemene bepalingen (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bovenwettelijke uitkering kan bestaan uit een aanvullende
                                uitkering, die tegelijk met de uitkering op basis van de
                                Werkloosheidswet (WW) wordt uitgekeerd en een aansluitende
                                uitkering, die na afloop van de uitkering op basis van de WW tot
                                uitkering komt.</al><al>Artikel 16 van de WW spreekt over een situatie waarin sprake is van
                                het verlies van vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per
                                kalenderweek, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van
                                het loon over die uren. Ook moet er sprake zijn van beschikbaarheid
                                om arbeid te verrichten. Het cruciale begrip is hier dus ‘verlies
                                van arbeidsuren’, terwijl in de wachtgeld- en uitkeringsregeling het
                                begrip ‘ontslag’ essentieel was. Dit verschil komt heel duidelijk
                                naar voren in de situatie dat een tijdelijke uitbreiding van het
                                aantal arbeidsuren weer ongedaan wordt gemaakt. In de systematiek
                                van de wachtgeld- en uitkeringsregeling kon dit niet tot een recht
                                op uitkering leiden, omdat niet aan het vereiste van een ontslag
                                wordt voldaan. In de systematiek van de WW kan er wel sprake zijn
                                van een recht op een uitkering, omdat er sprake is van verlies van
                                arbeidsuren.</al><al>In tegenstelling tot de WW kent de bovenwettelijke regeling geen
                                maximum dagloon.</al><al>Overigens hebben zaken als het deelnemen aan een spaarloonregeling
                                of aan een PC-privéproject invloed op de hoogte van het dagloon. De
                                verlaging hiervan werkt dus door in de hoogte van zowel de
                                wettelijke als de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De Coördinatiewet Sociale Verzekering kent een maximum dagloon. Dit
                                maximum is opgenomen in artikel 9, eerste lid, van deze wet. Voor de
                                toepassing van de bovenwettelijke regeling bij werkloosheid is dit
                                maximum niet van toepassing. Dit betekent dat de
                                berekeningsgrondslag niet wordt afgetopt. Een eventueel hoger
                                inkomen wordt toch meegerekend voor de bovenwettelijke uitkering. </al><al>De aansluiting bij de dagloonbepalingen van de WW (artikelen 44 tot
                                en met 46 WW) betekent tevens, dat de Wet van 20 december 1984,
                                houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings-
                                en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel,
                                onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657)
                                niet van toepassing is op de bovenwettelijke regeling bij
                                werkloosheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat
                                hoofdstuk 10a niet van toepassing is op de ambtenaar die is
                                aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                                praktische opleiding of vorming, de vakantiekracht en de ambtenaar
                                die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                                van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt
                                door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces
                                te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                groepen van werklozen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW zijn de voorwaarden
                                opgenomen, waaraan voldaan moet worden voordat er sprake is van een
                                recht op een loongerelateerde WW-uitkering. Wil men in aanmerking
                                komen voor een (bovenwettelijke) aanvullende uitkering, dan moet men
                                in ieder geval voldoen aan de vereisten voor deze loongerelateerde
                                WW-uitkering. Wanneer er geen recht is op een loongerelateerde
                                uitkering, is er (dus) geen recht op een aanvullende uitkering.</al><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW gaat het om zaken
                                als:</al><lijst><li nr="-"><al>het verlies van arbeidsuren, en;</al></li><li nr="-"><al>een referte-eis van het gewerkt hebben in 26 weken in de 39
                                        weken voorafgaande aan het ontslag en in vier jaar in de
                                        vijf jaar voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag over
                                        52 of meer dagen loon te hebben ontvangen.</al></li></lijst><al>Ook is vastgelegd dat er in bepaalde situaties geen sprake is van
                                een recht op WW. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gevallen waarin de
                                betrokkene:</al><lijst><li nr="-"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet
                                        (ZW);</al></li><li nr="-"><al>volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO;</al></li><li nr="-"><al>rechtens van zijn vrijheid is beroofd;</al></li><li nr="-"><al>de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.</al></li></lijst><al>Naast het feit dat de WW een aantal voorwaarden kent, waaraan
                                voldaan moet worden voordat er sprake is van een recht op WW, leidt
                                ook niet elke ontslaggrond in de CAR/UWO tot een recht op een
                                aanvullende uitkering. De relevante ontslaggronden worden expliciet
                                genoemd. </al><al>Het kan voorkomen dat iemand gelijktijdig uit twee betrekkingen
                                werkloos wordt. Het recht op WW-uitkering zal dan worden beoordeeld
                                naar de totale omvang van de werkloosheid. Het recht op een
                                aanvullende uitkering bestaat (echter) alleen voor de omvang van de
                                werkloosheid die is ontstaan uit een dienstbetrekking bij de
                                gemeente. Dus alleen aan een WW-recht voortkomend uit een
                                arbeidsurenverlies als betrokkene in de zin van deze regeling kan
                                een aanspraak op een aanvullende uitkering gekoppeld zijn.</al><al>Voorbeeld: iemand werkt zowel bij een gemeente (20 uur) als bij een
                                andere werkgever (16 uur). Wanneer hij uit beide betrekkingen wordt
                                ontslagen, wordt de aanvullende uitkering gerelateerd aan de 20 uur
                                waarvoor er ontslag bij de gemeente wordt gegeven. De 16 uur bij de
                                andere werkgever blijven voor het recht op aanvullende uitkering
                                buiten beeld.</al><al>Nu in artikel 8:12 ook het ontslag uit een tijdelijke aanstelling
                                voor onbepaalde tijd is opgenomen, is vastgelegd dat ook ontslag uit
                                een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd recht kan geven op
                                een aanvullende uitkering. Verder is, nu in artikel 8:12 ook de
                                beëindiging van een tijdelijke urenuitbreiding is opgenomen,
                                vastgelegd dat beëindiging van een tijdelijke urenuitbreiding recht
                                kan geven op een aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Hier wordt geregeld dat de aanvullende uitkering niet tot uitkering
                                komt in de situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer
                                recht heeft op een suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. </al><al>De doelgroep van de suppletieregeling wordt gevormd door de
                                overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij
                                de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot het verrichten
                                van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder
                                dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de Wet op de
                                Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) en die in het genot is van een
                                WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van
                                80% of meer, heeft, nadat de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                lager percentage is gesteld (afschatting) en hij recht heeft op een
                                WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering. Het recht op een
                                aanvullende uitkering heeft betrekking op de gehele duur van de
                                WW-uitkering. In artikel 10a:5, lid 4, is bepaald dat voor de
                                berekening van de hoogte van de aanvullende uitkering wordt
                                uitgegaan van de datum van ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen
                                naar de toelichting bij de artikelen 10a:5, lid 4 en 10a:16, lid
                                3.</al><al>Het recht op de bovenwettelijke uitkering ingevolge dit hoofdstuk is
                                ook van toepassing op medewerkers die wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid zijn ontslagen voor 2001. Dit vloeit voort uit
                                de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juni 2005. De
                                Raad heeft in deze uitspraak bepaald dat een gewezen
                                overheids-werknemer die ontslagen was voor 2001 en in 2003 was
                                afgeschat, recht op een WW-uitkering heeft en niet op een
                                wachtgelduitkering. De uitspraak heeft geen terug-werkende kracht;
                                dit betekent dat medewerkers die vanwege arbeids-ongeschiktheid zijn
                                ontslagen voor 2001 en die na de datum van de afspraak zijn
                                afgeschat op hun WAO-uitkering (gebaseerd op een
                                arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer) recht hebben op
                                een WW-uitkering en daarmee een bovenwettelijke uitkering. </al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA
                                vallen. Mensen die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt
                                waren en een IVA-uitkering ontvingen en daarna worden afgeschat,
                                hebben namelijk geen recht op een WW-uitkering, maar op een
                                WGA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag (T)</titel></kop><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering geldt
                            dat de berekeningssystematiek van het dagloon WW wordt gevolgd, echter
                            zonder dat de maximum dagloongrens wordt toegepast. Er zijn verschillen
                            tussen de grondslag ‘bezoldiging’ en de grondslag ‘dagloon’. Zoals al
                            bij de toelichting op artikel 10a:1 werd aangeduid, is het spaarloon
                            hiervan een duidelijk voorbeeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de eerste 15 maanden van de periode dat er recht op een
                                bovenwettelijke uitkering bestaat, is de berekeningsgrondslag van
                                deze uitkering hoger dan die van de loongerelateerde uitkering in de
                                WW. Artikel 47 van de WW stelt dat de hoogte van de loongerelateerde
                                uitkering 70% van het (gemaximeerde) dagloon bedraagt, terwijl de
                                aanvullende uitkering uitgaat van 80% van het (ongemaximeerde)
                                dagloon.</al><al>Na 15 maanden zijn de percentages in de WW en in de regeling voor de
                                aanvullende uitkering gelijk, namelijk 70%. Veelal zal dit betekenen
                                dat er geen aanvullende uitkering tot uitbetaling zal komen. Omdat
                                er bij de berekening van de aanvullende uitkering echter wordt
                                uitgegaan van het ongemaximeerde dagloon, kan er een verschil
                                optreden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het recht op een loongerelateerde WW-uitkering kan op een aantal
                                gronden eindigen. Zie artikel 20 WW. Veelal zal het recht eindigen
                                omdat er geen sprake meer is van werkloosheid. Op het moment dat er
                                weer sprake is van werkloosheid, zonder dat er nieuwe WW-rechten
                                zijn opgebouwd, herleeft het recht op uitkering op grond van artikel
                                21 WW. Op het moment dat er sprake is van een dergelijke herleving
                                van het recht op WW na een gehele eindiging, eindigt het recht op WW
                                zoveel later (dan in de oorspronkelijke berekening) als de periode
                                heeft geduurd dat de uitkering beëindigd is geweest. Het gaat hier
                                om een verlenging van de WW-uitkering op basis van artikel 43 of 50
                                WW.</al><al>Deze verlenging heeft echter geen invloed op de periode van 15
                                maanden dat er recht bestaat op een uitkering van in totaal 80% van
                                het ongemaximeerde dagloon. </al><al>Voorbeeld: er vindt ontslag plaats per 1 januari 2005. Het recht op
                                de loongerelateerde uitkering krachtens de WW eindigt op 1 januari
                                2007. Per 1 maart 2005 wordt de werkloosheid gedurende drie maanden
                                geheel beëindigd. In dit geval eindigt het recht op een aanvullende
                                uitkering ter hoogte van 80% van het ongemaximeerde dagloon, ondanks
                                de verlenging van de uitkering, op 1 april 2006. Uiteraard eindigt
                                de WW-uitkering (en daarmee de bovenwettelijke aanvullende uitkering
                                tot 70%) wel drie maanden later, dus op 1 maart 2007.</al><al>Zie ook de toelichting op de artikelen 10a:7 en 10a:8.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) en die in het genot is van een
                                WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeids-ongeschiktheidspercentage
                                van 80% of meer, heeft, nadat de mate van arbeids-ongeschiktheid op
                                een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij recht heeft op
                                een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering gedurende de
                                WW-uitkering.</al><al>Voor de hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de
                                datum van ontslag. Is het ontslag wegens arbeidsongeschiktheid
                                minder dan 15 maanden geleden, heeft betrokkene gedurende een
                                periode tot 15 maanden na ontslag recht op een aanvullende uitkering
                                tot 80% van het ongemaximeerde dagloon. Hierna heeft betrokkene
                                recht op een aansluitende uitkering tot 70% van het ongemaximeerde
                                dagloon.</al><al>Een voorbeeld kan dit verduidelijken.Een medewerker is op 1 januari
                                2002 ontslag verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De
                                medewerker heeft recht op een WAO-uitkering gebaseerd op een
                                arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer. Op 1 januari 2004
                                wordt betrokkene afgeschat. Betrokkene heeft na afschatting 3 jaar
                                recht op een WW-uitkering. Gedurende de WW heeft betrokkene recht op
                                een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde
                                dagloon omdat het ontslag langer dan 15 maanden geleden heeft
                                plaatsgevonden. Zie ook de voorbeelden die zijn opgenomen bij de
                                toelichting op artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA
                                vallen. Mensen die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt
                                waren en een IVA-uitkering ontvingen en daarna worden afgeschat,
                                hebben namelijk geen recht op een WW-uitkering, maar op een
                                WGA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11
                                augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Algemeen</cursief> In verband met de afschaffing
                                vervolguitkering WW per 11 augustus 2003 is op 7 juli 2004 in het
                                LOGA een akkoord bereikt over de wijze waarop deze wetswijziging WW
                                doorwerkt in de bovenwettelijke werkloosheidsregeling (LOGA-brief
                                van 21 juli 2004, Lbr. 04/107; CvA/LOGA 04/19). Een van de afspraken
                                is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                                ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering niet
                                is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van zowel de
                                vervolguitkering als de aanvulling daarop gecompenseerd
                                worden.Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor zover het gaat om de
                                aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin voor zover
                                het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen
                                dus onder artikel 10a:5.</al><al>Om het onderscheid met de aanvullende uitkering van artikel 10a:5 te
                                houden, wordt deze overgangsuitkering de verlengde uitkering
                                genoemd.</al></lid><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al> De oude vervolguitkering op grond van de WW had een vaste duur van
                                twee jaar voor diegenen die op de dag van ontslag jonger waren dan
                                57,5 en van 3,5 jaar voor diegenen die op de dag van ontslag ouder
                                waren dan 57,5.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het derde lid regelt de hoogte van de verlengde uitkering. Dit is
                                nodig, omdat een WW-uitkering korter kan zijn dan 15 maanden. De
                                verlengde uitkering moet vervolgens nog wel tot 15 maanden na de
                                eerste werkloosheidsdag recht geven op een uitkering ter hoogte van
                                80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze in artikel 10a:3 is
                                gedefinieerd.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18448.pdf">pdf68</extref></al></entry><entry colname="col2"><al>Schema aanvullende uitkering</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het vierde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van
                                hoofdstuk 10a van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover
                                toepasbaar. “Voor zover toepasbaar”, omdat de bepalingen van de
                                aansluitende uitkering uiteraard niet van toepassing zijn. Door te
                                verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt echter voorkomen dat bij
                                wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten benoeming
                                blijven.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat
                                mensen van wie het recht op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet is ingegaan voor 11 augustus 2003, welke uitkering
                                wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde werkloosheid
                                slechter af zijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                                gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na
                                afloop van de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een
                                vervolguitkering wordt toegekend, die uiterlijk eindigt op het
                                moment waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd
                                bij voortdurende werkloosheid. Het vijfde lid van artikel 10a:5a
                                bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, WW
                                verrekend wordt met de verlengde uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                                dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                                artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
                                (T)</titel></kop><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin
                            de vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet – vanwege de
                            snelheid van invoering – overeengekomen dat er een overgangsrecht is
                            voor onder meer diegenen van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003
                            was aangezegd. Voor deze groep mensen is in artikel 130h, eerste lid,
                            van de Werkloosheidswet bepaald dat de oude bepalingen van de WW blijven
                            gelden en dat zij dus op grond van de oude bepalingen van de WW een
                            vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is, bestaat gedurende
                            die vervolguitkering op grond van de bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals
                            deze luidden voor 1 augustus 2004, ook recht op een aanvullende
                            uitkering. Artikel 10a:5b voorziet hierin. Op deze groep is artikel
                            10a:5a dus niet van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Beëindiging van het recht op uitkering (T)</titel></kop><al>Wanneer het recht op WW geheel of gedeeltelijk eindigt, betekent dit dat
                            ook het recht op een aanvullende uitkering geheel of gedeeltelijk
                            eindigt. Voor de toepassing van deze bepaling is met name artikel 20 van
                            de WW van belang. Hierin zijn gronden voor beëindiging van het recht op
                            een WW-uitkering opgenomen. Het gaat hierbij om zaken als het niet meer
                            werkloos zijn, het verstrijken van de uitkeringsduur en het in
                            aanmerking komen voor een uitkering krachtens de ZW.</al><al>Het van toepassing verklaren van de bepalingen van de WW betreffende de
                            gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering
                            impliceert dat achterliggende regels en systematiek (zoals UWV-beleid en
                            jurisprudentie) ook worden gevolgd.</al><al>Let wel: oud recht op aanvullende uitkering kan niet meer herleven,
                            indien de betrokkene als werknemer nieuwe werkzaamheden ter hand neemt
                            en daarmee een nieuw recht op WW opbouwt voor hetzelfde aantal uren als
                            waarop het recht op aanvullende uitkering gebaseerd was. </al><al>Dit zou reïntegratiebelemmerend zou kunnen werken. Hierin is voorzien
                            door artikel 10a:32 de reïntegratiepremie. </al></artikel><artikel><kop><titel>Herleving van het recht op uitkering (T)</titel></kop><al>Ook bij deze bepaling is er een duidelijk verband tussen het recht op
                            een WW-uitkering en het recht op een aanvullende uitkering. Hierbij is
                            artikel 21 van de WW van belang. Indien na gehele of gedeeltelijke
                            beëindiging van het recht, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid of
                            ziekte, na afloop van die arbeid of ziekte geen nieuw recht op een
                            WW-uitkering is ontstaan, herleeft het recht op de oude WW-uitkering en
                            de aanvullende uitkering. </al><al>Herleving houdt in, dat de hoogte en de duur van de uitkering nog steeds
                            worden bepaald door de eerste werkloosheidsdag van de ‘oorspronkelijke’
                            werkloosheid (de ‘WW-klok’ loopt dus gewoon door). Herleving is dus iets
                            anders dan opschorting. Bij opschorting wordt de uitkering tijdens de
                            onderbreking stopgezet en wordt na de onderbreking de uitkering
                            voortgezet alsof er geen onderbreking is geweest. Zie ook de toelichting
                            op artikel 10a:8.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verlenging van het recht op uitkering (T)</titel></kop><al>Het gaat hier om de toepassing van de artikelen 43 en 50 WW, die van
                            overeenkomstige toepassing zijn op artikel 10a:8. De WW-uitkering
                            eindigt, indien na een tijdelijke gehele beëindiging van het recht op
                            een WW-uitkering het recht op WW-uitkering herleeft, zoveel later als de
                            onderbreking heeft geduurd. Dit betekent in feite dat, gerekend vanaf de
                            eerste dag van de werkloosheid, de WW-uitkering met zoveel tijd wordt
                            verlengd als de tijdelijk onderbreking duurt. Het effect van die
                            verlenging komt er praktisch gezien op neer dat de duur van de uitkering
                            wordt opgeschort.</al><al>Let wel: de uitkeringshoogte wordt niet opgeschort.</al><al>Deze verlenging van de WW-duur en daarmee van de duur van de aanvullende
                            uitkering biedt compensatie voor het feit dat in de wachtgeld- en
                            uitkeringsregelingen de aanspraak op een wachtgeld of uitkering, bij
                            goed gedrag, in feite alleen eindigde door afloop van de berekende
                            uitkeringsduur. Dit in tegenstelling tot de WW, waarin ook het einde van
                            de werkloosheid tot beëindiging van de uitkering kan leiden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen en sancties (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In beginsel is het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van
                                toepassing. Dat betekent dat ook de Wet boeten, maatregelen en
                                terug- en invordering sociale zekerheid van toepassing is. Het
                                eerste lid van artikel 10a:9 regelt dat een boete in de zin van de
                                WW niet overeenkomstig wordt toegepast ten aanzien van de
                                aanvullende uitkering. Dus een boete op basis van de WW betekent
                                niet dat er ook een boete wordt toegepast op de aanvullende
                                uitkering. Anderzijds wordt een in het kader van de WW opgelegde
                                boete niet gecompenseerd in de aanvullende uitkering. Een boete in
                                de WW leidt dus niet tot een hogere aanvullende uitkering.</al><al>Daarentegen werkt een maatregel in de zin van de Werkloosheidswet
                                wel door in de aanvullende uitkering. Bij een maatregel moet worden
                                gedacht aan een besluit van de uitvoeringsinstelling om de WW
                                uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend
                                gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.</al><al>Indien voor de WW een maatregel wordt opgelegd van 10%, wordt het
                                uitkeringspercentage van de WW verlaagd van 70% naar 60%. Er is dan
                                dus sprake van een verlaging met 10 procentpunten. Bij de
                                overeenkomstige toepassing van het verplichtingen- en sanctieregime
                                wordt een systematiek gehanteerd die aansluit bij de WW. In deze
                                systematiek wordt gekozen voor een methode waarbij de aanvulling tot
                                de berekeningsgrondslag met eenzelfde deel wordt verminderd. Een
                                sanctie van 10% bij een aanvulling tot 80% van de
                                berekeningsgrondslag leidt dus tot een vermindering van de
                                aanvulling met 10/80 deel.</al><al><cursief>Voorbeeld:</cursief>Dagloon: € 50,- Berekeningsgrondslag
                                (ongemaximeerd dagloon): € 75,- Aanvulling: 80% van de grondslag.
                                Sanctie: 10%.</al><al>Normaliter zou de WW-uitkering 70% van de het gemaximeerde dagloon
                                zijn, dus € 35,-. De aanvullende uitkering zou de WW-uitkering
                                aanvullen tot 80% van het (ongemaximeerde) dagloon, dus tot € 60,-.
                                De aanvulling is in dit geval € 25,-.</al><al>Met een sanctie van 10% is de WW-uitkering 60% van € 50,-, dus €
                                30,-. De aanvullende uitkering wordt nu (€ 25,- minus 10/80 x €
                                25,-) € 21,88. De totale uitkering bedraagt dan € 51,88.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij
                                het einde van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer
                                is gebracht, wordt het restant van de sanctie toegepast op de
                                aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2 en 3</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de WW kan bij een ontslag
                                op basis van artikel 8:4 CAR ongewenste consequenties opleveren.
                                Artikel 8:4:1, tweede lid UWO geeft een rangorde aan voor het
                                ontslag van bij een reorganisatie betrokken ambtenaren. De
                                ambtenaren die ontslag wensen, worden als eerste ontslagen.</al><al>Degenen die ontslagen wensen te worden, zijn (echter) verwijtbaar
                                werkloos in de zin van artikel 24, lid 1, onderdeel a WW. Op grond
                                van artikel 27 kan een sanctie worden getroffen. De meest voor de
                                hand liggende sanctie is een (al dan niet blijvende) gedeeltelijke,
                                dan wel een gehele weigering van de uitkering.</al><al>In het geval van de gedeeltelijke weigering wordt er een aanvulling
                                op de aanvullende uitkering toegekend. Per saldo wordt dan hetzelfde
                                effect bereikt als wanneer de WW-uitkering niet zou zijn
                                gekort.</al><al>In het geval van de gehele weigering kan de WW-uitkering niet worden
                                aangevuld. De uitkering is immers nihil. In dat geval wordt een
                                gemeentelijke werkloosheidsuitkering toegekend, eventueel aangevuld
                                met de aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke
                                werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de WW van
                                overeenkomstige toepassing. Er geldt dus bijvoorbeeld eenzelfde
                                verplichtingen- en sanctieregime.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Anticumulatie (T)</titel></kop><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien arbeid wordt verricht voor
                            minder dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren
                            gegane arbeidsuren, de WW-uitkering wordt verminderd met 70% van hetgeen
                            er met die arbeid wordt verricht. Pas als de WW volledig is ‘weggekort’,
                            wordt het restant van de te verrekenen inkomsten op de aanvullende
                            uitkering gekort. </al><al>Dit soort gevallen zal sporadisch voorkomen, tenzij het gaat om
                            deeltijders met een klein dienstverband.</al><al>De situatie dat arbeid wordt verricht voor vijf uren of meer of voor ten
                            minste de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, leidt in de
                            systematiek van de WW tot vermindering van de werkloosheid en aldus tot
                            een uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Scholing (T)</titel></kop><al>De artikelen 75 tot en met 78 van de WW zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de aanvullende uitkering. Dit betekent dat na toestemming
                            en onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76,
                            werklozen kunnen studeren met behoud van uitkering. </al><al>De jurisprudentie en het beleid van het UWV inzake scholing en
                            onbeloonde activiteiten zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Indien het recht op WW wordt verlengd als gevolg van een noodzakelijk
                            geachte scholing, bestaat er over deze verlengde duur ook recht op een
                            aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Aanvulling op ziekengeld (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer er sprake is van ziekte ontstaan vóór het ontslag of ziekte
                                die optreedt vóór de eerste dag van werkloosheid in de zin van de
                                WW, ontstaat er geen recht op WW (en aanvullende uitkering).
                                Niettemin is dan artikel 10a:12 (toch) van toepassing. Bepalend is
                                of de betrokkene recht zou hebben op aanvullende uitkering als hij
                                niet ziek was geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op het ziekengeld wordt een aanvulling toegekend, waardoor de totale
                                uitkering gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op basis van
                                artikel 10a:5 zou ontvangen als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Ziekte kan ertoe leiden dat de einddatum van de WW-uitkering
                                opschuift. Zie onder andere (de toelichting op) artikel 10a:8. In
                                artikel 43, tweede en derde lid WW, is (echter) vastgelegd dat de
                                einddatum van een WW-uitkering in geval van een onderbreking door
                                ziekte alleen opschuift voorzover het ziektegeval langer dan drie
                                maanden geduurd heeft. Wanneer de betrokkene in de laatste drie
                                maanden van de WW-uitkering ziek wordt, ‘verbruikt’ hij dus de
                                WW-duur. Wanneer hij ziek blijft tot na de datum waarop de WW zou
                                zijn verstreken, kan het WW-recht bij herstel dus niet meer
                                herleven.</al><al>Wanneer de ziekte valt in de laatste drie maanden van de
                                WW-uitkering, bestaat er recht op aanvulling van de ZW-uitkering tot
                                aan het moment waarop WW-uitkering beëindigd zou worden als de
                                betrokkene niet ziek zou zijn geweest (de zogenaamde max datum).
                                Wanneer de betrokkene geen recht heeft op een aansluitende
                                uitkering, ontvangt hij dus een uitkering krachtens de ZW van 70%
                                van het gemaximeerde ZW-dagloon, zonder aanvulling. In het geval er
                                wel recht bestaat op een aansluitende uitkering, gaat de
                                aansluitende uitkering direct in na het bereiken van de max datum.
                                De uitkering krachtens de ZW wordt dan in mindering gebracht op de
                                aansluitende uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aanvulling op Waz-uitkering (T)</titel></kop><al>De Waz geeft ook aan oud-werknemers die een WW-uitkering hebben recht op
                            een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. Tijdens deze
                            uitkering wordt de aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10a CAR
                            verhoogd tot het voor betrokkene geldende dagloon. De aanvulling op de
                            uitkering die ‘in verband met zwangerschap’ genoten wordt, geldt ook
                            voor ziekte die verband houdt met zwangerschap en/of bevalling. Deze
                            uitkering op grond van de Waz heeft geen opschortende werking en heeft
                            dus geen gevolgen voor de einddatum van de WW-uitkering en de
                            aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Aanvulling op REA-uitkering (T)</titel></kop><al>Om de arbeidsgehandicapte werknemer te stimuleren gebruik te maken van
                            de mogelijkheid om ‘op proef’ een nieuwe functie bij een nieuwe
                            werkgever te aanvaarden, bestaat de mogelijkheid van een
                            reïntegratie-uitkering; zie hiervoor artikel 23 tot en met 27 van de Wet
                            op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Deze proefplaatsing geeft
                            overigens geen recht op een vaste aanstelling.</al><al>Aan het recht op een reïntegratie-uitkering is een aantal voorwaarden
                            verbonden. Zo moet de werknemer recht hebben op een WW-uitkering, heeft
                            de proefaanstelling een duur van maximaal zes maanden en moet het gaan
                            om onbeloonde werkzaamheden. De werknemer ontvangt dus geen bezoldiging,
                            maar krijgt een reïntegratie-uitkering in plaats van zijn WW-uitkering.
                            De reïntegratie van arbeidsgehandicapten wordt bevorderd, wanneer de
                            REA-uitkering gelijkgesteld wordt met de WW-uitkering. Dit betekent
                            namelijk dat het recht op een aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering
                            blijft bestaan.</al><al>De hoogte van de reïntegratie-uitkering tezamen met de aanvulling is
                            gelijk aan de hoogte van de WW-uitkering tezamen met de bovenwettelijke
                            aanvulling wanneer de werknemer geen proefaanstelling zou hebben
                            aanvaard.</al></artikel><artikel><kop><titel>Uitkering bij overlijden (T)</titel></kop><al>De wettelijke overlijdensuitkering volgt niet vanuit de WW, maar is ook
                            voor werkloze werknemers neergelegd in de ZW. Op basis van artikel 36
                            juncto artikel 35 van de ZW hebben de nabestaanden van de overleden
                            werkloze werknemer aanspraak op een overlijdensuitkering. </al><al>Deze overlijdensuitkering in de ZW is gelijk aan het bedrag van het
                            ziekengeld over één maand. De bovenwettelijke overlijdensuitkering
                            bestaat eruit dat de uitkering krachtens de ZW wordt aangevuld tot 100%
                            van het voor de betrokkene geldende dagloon en wel over een periode van
                            dertien weken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Grensarbeiders (T)</titel></kop><al>Op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening
                            1408/71 hebben grensarbeiders die in Nederland bij de gemeente werken en
                            die bij aanvang van werkloosheid in het buitenland wonen, bij deze
                            werkloosheid recht op een uitkering alsof zij in Nederland zouden wonen.
                            Dit geldt ook als zij op grond van deze verordening hun wettelijke
                            werkloosheidsuitkering in hun woonland moeten aanvragen, en dus geen
                            recht hebben op Nederlandse WW. Voor de invoering van de WW voor
                            overheidspersoneel hadden grensarbeiders rechtspositioneel recht op een
                            wachtgeld of uitkering. Sinds de invoering van de WW sinds 1 januari
                            2001 geldt echter ook voor overheidspersoneel dat grensarbeiders geen
                            recht meer hebben op de wettelijke werkloosheidsuitkering in het
                            werkland (voor de WW geldt namelijk het woonlandprincipe). Zij hebben
                            echter rechtspositioneel wel recht op de bovenwettelijke
                            werkloosheidsuitkering. Daarom is met de centrales van overheids- en
                            onderwijspersoneel overeenstemming bereikt over een aanpassing van de
                            regels voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene geen
                            recht op uitkering op grond van de WW heeft. Het artikel houdt het
                            volgende in.</al><al>Bij werkloosheid ontvangt de betrokkene wat hij zou hebben ontvangen als
                            hij in Nederland had gewoond. Dat wil zeggen een uitkering ter hoogte
                            van de WW- en bovenwettelijke uitkering, minus de eventuele buitenlandse
                            werkloosheidsuitkering. De betrokkene moet Nederlandse werkbriefjes
                            blijven insturen. Veranderingen in de omstandigheden, bijvoorbeeld
                            werkhervatting of overtreding van verplichtingen, hebben hetzelfde
                            effect dat ze zouden hebben gehad als de betrokkene in Nederland woonde.
                            Beoordeling vindt dus plaats op grond van de Nederlandse regels. In
                            geval van ziekte, zwangerschap of bevalling loopt de bovenwettelijke
                            uitkering door. In deze situatie zijn er twee mogelijkheden.</al><lijst><li nr="1"><al>Als de betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte,
                                    zwangerschap of bevalling heeft en dit aantoont, verandert de
                                    bovenwettelijke uitkering in een aanvulling op de (fictieve)
                                    uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Dit
                                    betekent dat – voor maximaal de duur van deze Nederlandse
                                    equivalent – de uitkering van het woonland wordt aangevuld tot
                                    het niveau dat betrokkene zou krijgen als hij in Nederland had
                                    gewoond. Ingeval een buitenlandse uitkering wegens zwangerschap
                                    of bevalling wordt genoten, ontvangt de grensarbeider zolang de
                                    buitenlandse uitkering duurt, maar maximaal voor de duur van de
                                    Nederlandse uitkering wegens zwangerschap en bevalling, conform
                                    de Nederlandse vergelijkbare gevallen (artikel 10a:12a), een
                                    aanvulling tot 100% van de oude bezoldiging. De einddatum van de
                                    totale uitkering kan hierdoor opschuiven. (In geval van ziekte
                                    gebeurt dat alleen als de ziekte meer dan 3 maanden duurt.) In
                                    de fase van de aansluitende uitkering geldt dit alleen als op de
                                    betrokkene, als hij in Nederland had gewoond, de
                                    nawerkingsbepalingen van de ZW of de Wet arbeid en zorg nog van
                                    toepassing zouden zijn geweest. Dit komt overeen met wat geldt
                                    in puur Nederlandse gevallen.</al></li><li nr="2"><al>Meldt de betrokkene zich ziek, zwanger etc. maar levert hij geen
                                    bewijs van een buitenlandse uitkering daarvoor, dan loopt de
                                    bovenwettelijke uitkering door zoals bij werkloosheid, dus
                                    zonder opschuiving van de einddatum. Dit geldt, net als in puur
                                    Nederlandse gevallen, ook in alle gevallen van ziekte etc. in de
                                    fase van de aansluitende uitkering na afloop van de
                                    nawerkingsperiode van de ZW en de Wet arbeid en zorg. Als de
                                    betrokken grensarbeider een Nederlandse (bovenwettelijke)
                                    uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling of uitkering op
                                    grond van de Wet arbeid en zorg ontvangt, verandert de
                                    bovenwettelijke uitkering, volgens de samenloopregel van het
                                    zesde lid, in een aanvulling op deze Nederlandse uitkering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Diensttijd (T)</titel></kop><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van paragraaf 3 de tijd
                            is, doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het deelnemerschap in de
                            zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP is
                            verbonden, alsmede de tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling
                            beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet
                            Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap niet is verbonden.
                            Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd doorgebracht als deelnemer
                            aan een werkgelegenheidsverruimende maatregel. </al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden
                            aangeduid. In de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een
                            onderbreking van meer dan een jaar niet mee voor de berekening van de
                            duur van de aansluitende uitkering. Diensttijd die reeds in aanmerking
                            is genomen bij de vaststelling van een recht op wachtgeld of een
                            ontslaguitkering, telt niet nogmaals mee bij de vaststelling van de duur
                            van de aansluitende uitkering.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat
                            waardeoverdracht van pensioenopbouw bij een private werkgever naar de
                            Stichting Pensioenfonds ABP niet leidt tot bijtelling van diensttijd
                            voor de opbouw van aanspraken op een aansluitende uitkering. Het betreft
                            hier tijd die uitsluitend meetelt voor de opbouw van ouderdoms- en
                            nabestaandenpensioen. Afgekochte tijd dient (eveneens) niet te worden
                            meegenomen als diensttijd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met suppletie
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zoals ook al bij artikel 10a:2 is vermeld, is er niet in alle
                                gevallen waarin er ontslag plaatsvindt, recht op WW. Bovendien kent
                                de CAR/UWO een gesloten systeem van ontslaggronden. De relevante
                                ontslaggronden worden expliciet genoemd. </al><al>Zie ook de toelichting op artikel 10a:2.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer door de uitvoeringsinstelling als sanctie de uitkering op
                                basis van de WW wordt geweigerd na een reorganisatie-ontslag en er
                                krachtens artikel 10a:9, derde lid een gemeentelijke
                                werkloosheidsuitkering wordt toegekend, is er recht op een
                                aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In geval van ontslag op basis van artikel 8:6 is er alleen recht op
                                een aansluitende uitkering als daartoe expliciet besloten is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Of er recht bestaat op een aansluitende uitkering, wordt bepaald aan
                                de hand van het eerste tot en met het derde lid. Het recht gaat in
                                op de eerste dag van de werkloosheid. Dit recht komt niet tot
                                uitbetaling zolang er recht op een uitkering op basis van de WW
                                bestaat. Lid 4 bevat het moment van ingang van de aansluitende
                                uitkering voor die mensen die op of na 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die
                                mensen, op wie artikel 10a:5a van toepassing is. De aansluitende
                                uitkering gaat dan pas in op het moment dat de duur van de verlengde
                                uitkering van 10a:5a is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die
                                mensen, op wie artikel 130h, eerste lid, van toepassing is. Deze
                                mensen ontvangen nog een uitkering conform de oude regels van de WW.
                                Deze mensen ontvangen dus nog een vervolguitkering. De aansluitende
                                uitkering gaat dan pas in op het moment dat de duur van de
                                vervolguitkering is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Hier wordt geregeld dat de aansluitende uitkering niet tot uitkering
                                komt in de situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer
                                recht heeft op een suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de
                                CAR.</al><al>De doelgroep van de suppletieregeling wordt gevormd door de
                                overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij
                                de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot het verrichten
                                van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder
                                dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO.</al><al>Na afloop van de suppletieregeling ontstaat aanspraak op een
                                aansluitende uitkering indien en voor zolang de duur van de
                                aansluitende uitkering, bepaald krachtens artikel 10a:16 van deze
                                regeling, de duur van de suppletie overtreft. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) en die in het genot is van een
                                WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                                arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate
                                van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld
                                (afschatting) in aanmerking komen voor een aansluitende uitkering
                                nadat de WW-uitkering is beëindigd. Of betrokkene voor een
                                aansluitende uitkering in aanmerking komt hangt af van de berekening
                                van de duur van de aansluitende uitkering vanaf de datum van
                                ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij
                                artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA
                                vallen. Mensen die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt
                                waren en een IVA-uitkering ontvingen en daarna worden afgeschat,
                                hebben namelijk geen recht op een WW-uitkering, maar op een
                                WGA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Duur van de uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering wordt uitgedrukt in een
                                percentage van de ambtelijke diensttijd. De wijze van berekenen is
                                gelijk aan die van de oude wachtgeldregeling. Hoe hoger de leeftijd
                                op de ontslagdatum, des te hoger het percentage waarin de diensttijd
                                wordt uitgedrukt in de duur van de aansluitende uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering ligt vast. Voor mensen van
                                wie de eerste dag na ontslag ligt op of na 1 augustus 2004 (dit zijn
                                de mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen), geldt
                                dat hiervan niet alleen de duur van de loongerelateerde WW-uitkering
                                wordt afgetrokken, maar ook een periode van twee jaar. Dit heeft te
                                maken met wijziging van de Werkloosheidswet, waarin per 11 augustus
                                2003 de vervolgutikering WW is afgeschaft. Op 7 juli 2004 is over de
                                wijze waarop deze wetswijziging WW doorwerking in de bovenwettelijke
                                regeling een akkoord gesloten. Zie hiervoor de ledenbrief van 21
                                juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA 04/19).</al><al><vet>Voorbeeld</vet> Iemand is op de dag van ontslag 35 jaar oud.
                                Hij is sinds zijn 18e in dienst van de overheid. <onderstreept>In de
                                        <vet>oude</vet> situatie (ontslag voor 1 augustus
                                    2004)</onderstreept> was de duur van zijn aansluitende uitkering
                                als volgt: 3 maanden + [19,5% + (35 – 21 = 14)*1,5%]*de diensttijd =
                                3 maanden + 6,885 jaar = 7,135 jaar na de dag van ontslag. </al><al><onderstreept>In de <vet>nieuwe</vet> situatie (ontslag na 1
                                    augustus 2004)</onderstreept> is de basis-duurberekening
                                hetzelfde. Hiervan wordt echter nog 2 jaar extra afgetrokken,
                                waardoor de duur van de aansluitende uitkering op 5,135 jaar na de
                                dag van ontslag uitkomt. Dat in deze nieuwe situatie geen
                                vervolguitkering meer bestaat, doet in deze berekening van de
                                einddatum van de aansluitende uitkering niet ter zake.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18450.pdf">pdf70</extref></al></entry><entry colname="col2"><al>Schema aanvullende uitkering</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Er kan, in tegenstelling tot de situatie bij de aanvullende
                                uitkering, in beginsel geen opschorting plaatsvinden. Een
                                uitzondering wordt gevormd door artikel 10a:24 scholing. Zie ook de
                                toelichting op artikel 10a:21, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) en die in het genot is van een
                                WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van
                                80% of meer, kan, nadat de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                lager percentage is gesteld (afschatting) en hij recht heeft gehad
                                op een WW-uitkering, in aanmerking komen voor een aansluitende
                                uitkering na afloop van de WW-uitkering. Of betrokkene voor een
                                aansluitende uitkering in aanmerking komt hangt af van de
                                duurberekening van de aansluitende uitkering vanaf de datum van
                                ontslag in relatie tot de duur van het recht op WW na de
                                afschatting. Is het recht op WW na afschatting geëindigd voor de
                                einddatum van het recht op een aansluitende uitkering, heeft
                                betrokkene na afloop van zijn WW-uitkering recht op een aansluitende
                                uitkering. Voor de berekening van de hoogte van de aanvullende en
                                aansluitende uitkering moet eveneens de datum van ontslag als
                                vertrekpunt genomen worden. </al><al>Hieronder zijn twee voorbeelden opgenomen ter verduidelijking. </al><al>Voorbeeld 1 Een medewerker is op 1 oktober 2001 ontslag verleend
                                wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht
                                op een WAO-uitkering gebaseerd op een
                                arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De ex-medewerker valt niet
                                onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                                werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De medewerker wordt op
                                1 april 2006 afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een
                                WW-uitkering voor de duur van 2,5 jaar (omdat het arbeidsverleden
                                bijna vijf jaar langer is geworden duurt de WW langer dan die zou
                                hebben geduurd als betrokkene direct na ontslag WW had ontvangen).
                                De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum van
                                ontslag is 7 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Dit betekent
                                dat betrokkene recht heeft op een aanvullende uitkering gedurende de
                                periode dat er recht bestaat op WW (tot 1 oktober 2006) ter hoogte
                                van 70% van het ongemaximeerde dagloon. Met ingang van 1 oktober
                                2006 tot 1 oktober 2008 heeft betrokkene recht op een aansluitende
                                uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde dagloon. </al><al>Voorbeeld 2 Een medewerker is op 1 oktober 2003 ontslag verleend
                                wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht
                                op een WAO-uitkering gebaseerd op een
                                arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De ex-medewerker valt niet
                                onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                                werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De ex-medewerker wordt
                                op 1 april 2006 afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een
                                WW-uitkering voor de duur van 4 jaar. De duur van zijn aansluitende
                                uitkering berekend vanaf de datum van ontslag is 5 jaar (einddatum
                                ligt op 1 oktober 2008). Gedurende zijn WW-uitkering heeft hij recht
                                op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het
                                ongemaximeerde dagloon. Het recht op WW eindigt op 1 april 2010.
                                Betrokkene heeft gedurende zijn WW-uitkering recht op een
                                aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde
                                dagloon. De aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling daar de
                                einddatum is bepaald op 1 oktober 2008.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA
                                vallen. Mensen die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt
                                waren en een IVA-uitkering ontvingen en daarna worden afgeschat,
                                hebben namelijk geen recht op een WW-uitkering, maar op een
                                WGA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op
                                de ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt het
                                eerste lid niet. Deze persoon heeft namelijk recht op een
                                aansluitende uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd. Let wel:
                                degene die op het moment van ontslag 55 jaar of ouder is en die geen
                                recht heeft op een aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15),
                                heeft alleen recht op de aanvullende uitkering in § 2 (mits hij aan
                                de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet). De bijzondere verlenging,
                                zoals die in de wachtgeldregeling was opgenomen (recht op een
                                uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd
                                en diensttijd groter of gelijk was aan 60), is komen te vervallen.
                                Wanneer onverkort de systematiek van de WW gevolgd zou worden, zou
                                dit tot gevolg hebben dat het recht op aansluitende uitkering,
                                conform artikel 19, eerste lid, onderdeel i, van de WW zou eindigen
                                op het moment dat de betrokkene de eerste dag van de maand waarin
                                hij 65 jaar wordt heeft bereikt. Dit is niet te rijmen met de inhoud
                                van het tweede lid van artikel 10a:16. Voor die situatie geldt een
                                uitzondering ten opzichte van de WW-systematiek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen
                                11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Algemeen</cursief>In verband met de afschaffing
                                vervolguitkering WW per 11 augustus 2003 is op 7 juli 2004 in het
                                LOGA een akkoord bereikt over de wijze waarop deze wetswijziging WW
                                doorwerkt in de bovenwettelijke werkloosheidsregeling (LOGA-brief
                                van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA 04/19). Een van de afspraken
                                is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                                ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering niet
                                is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van én de
                                vervolguitkering én de aanvulling daarop gecompenseerd
                                worden.Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor zover het gaat om de
                                aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin voor zover
                                het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 zijn ontslagen
                                hebben na de loongerelateerde uitkering op grond van de WW geen
                                recht meer op een vervolguitkering krachtens de WW. Deze is per 11
                                augustus 2003 afgeschaft. Aangezien in artikel 10a:5a echter is
                                geregeld dat de afschaffing van deze vervolguitkering wordt
                                gecompenseerd door een verlengde uitkering, moet ook deze uitkering
                                worden afgetrokken van de duur van de aansluitende uitkering. Dit is
                                geregeld in het laatste onderdeel van het eerste lid onder b.</al><al>Artikel 10a:15, vierde lid, regelt wanneer de aansluitende uitkering
                                ingaat. Deze bepaling blijft van toepassing op deze
                                overgangssituatie.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen
                                onder het nieuwe artikel 10a:16.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18452.pdf">pdf72</extref></al></entry><entry colname="col2"><al>Schema ontslag voor 11-08-03</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op
                                de ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt hetgeen
                                in het eerste lid is opgenomen niet. Deze persoon heeft recht op een
                                aansluitende uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd. Let wel:
                                degene die op het moment van ontslag 55 jaar of ouder is en die geen
                                recht heeft op een aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15),
                                heeft alleen recht op de aanvullende uitkering in § 2 (mits hij aan
                                de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet). De bijzondere verlenging,
                                zoals die in de wachtgeldregeling was opgenomen (recht op een
                                uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd
                                en diensttijd groter of gelijk was aan 60), is komen te vervallen.
                                Wanneer onverkort de systematiek van de WW gevolgd zou worden, zou
                                dit tot gevolg hebben dat het recht op aansluitende uitkering,
                                conform artikel 19, eerste lid, onderdeel i, van de WW zou eindigen
                                op het moment dat de betrokkene de eerste dag van de maand waarin
                                hij 65 jaar wordt heeft bereikt. Dit is niet te rijmen met de inhoud
                                van het tweede lid van artikel 10a:16. Voor die situatie geldt een
                                uitzondering ten opzichte van de WW-systematiek. Het recht op een
                                uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) gaat in op de
                                eerste dag van de kalendermaand, waarin de 65-jarige leeftijd wordt
                                bereikt. Er vindt dus in voorkomende gevallen samenloop plaats
                                tussen de aansluitende uitkering en de uitkering krachtens de AOW.
                                De AOW-uitkering wordt in mindering gebracht op de aansluitende
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het derde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van
                                hoofdstuk 10a van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover
                                toepasbaar. “Voor zover toepasbaar”, omdat bij sommige bepalingen
                                nadere voorwaarden gelden, waaraan uiteraard ook voldaan moet
                                worden. Om die reden is het mogelijk dat sommige artikelen buiten
                                toepassing moeten blijven. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a
                                wordt voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen
                                onbedoeld buiten benoeming blijven.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat
                                mensen van wie het recht op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet is ingegaan voor 11 augustus 2003, welke uitkering
                                wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde werkloosheid
                                slechter af zijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                                gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na
                                afloop van de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een
                                vervolguitkering wordt toegekend, die uiterlijk eindigt op het
                                moment waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd
                                bij voortdurende werkloosheid. Het vierde lid van artikel 10a:16a
                                bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, WW
                                verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt
                                voorkomen dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                                artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
                                (T)</titel></kop><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin
                            de vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet – vanwege de
                            snelheid van invoering – overeengekomen dat er een overgangsrecht is
                            voor onder meer diegenen van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003
                            was aangezegd. Voor deze groep mensen is in artikel 130h, eerste lid,
                            van de Werkloosheidswet bepaald dat de oude bepalingen van de WW blijven
                            gelden en dat zij dus op grond van de oude bepalingen van de WW een
                            vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is, bestaat gedurende
                            die vervolguitkering ook recht op een aanvullende uitkering. Pas na deze
                            aanvullende uitkering gaat de aansluitende uitkering in. Artikel 10a:16b
                            voorziet hierin.</al></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag (T)</titel></kop><al>Ook voor de aansluitende uitkering is de berekeningsgrondslag het
                            dagloon WW, echter zonder dat de maximum dagloongrens wordt toegepast.
                            Zie ook de toelichting op artikel 10a:3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte van de uitkering: indexering (T)</titel></kop><al>Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de
                            berekeningsgrondslag voor de aansluitende uitkering dienovereenkomstig
                            wordt aangepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit lid regelt de hoogte van de aansluitende uitkering. Als de
                                WW-uitkering korter is dan 15 maanden, moet geregeld worden dat de
                                aansluitende uitkering tot 15 maanden na de eerste werkloosheidsdag
                                recht geeft op een uitkering ter hoogte van 80% van de
                                berekeningsgrondslag, zoals deze gedefinieerd is in artikel 10a:17
                                juncto 10a:3. Dit lid voorziet daarin.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) en die in het genot is van een
                                WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                                arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate
                                van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld
                                (afschatting), in aanmerking komen voor een aansluitende uitkering
                                nadat de WW-uitkering is beëindigd. Of betrokkene voor een
                                aansluitende uitkering in aanmerking komt hangt af van de
                                duurberekening van de aansluitende uitkering vanaf de datum van
                                ontslag in relatie tot de duur van de WW-uitkering. Voor voorbeelden
                                wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Voor de hoogte van de aansluitende uitkering wordt uitgegaan van de
                                datum van ontslag. Indien de periode na ontslag wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid samen met de duur van de WW-uitkering na
                                afschatting langer duurt dan 15 maanden, bedraagt de hoogte van de
                                aansluitende uitkering 70% van het ongemaximeerde dagloon.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat
                                mensen van wie het recht op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet is ingegaan voor 11 augustus 2003, welke uitkering
                                wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde werkloosheid
                                slechter af zijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                                gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na
                                afloop van de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een
                                vervolguitkering wordt toegekend, die uiterlijk eindigt op het
                                moment waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd
                                bij voortdurende werkloosheid. Het derde lid van artikel 10a:19
                                bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, WW
                                verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt
                                voorkomen dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Beëindiging van het recht op uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tijdens de fase van de aansluitende uitkering is er geen recht meer
                                op WW. Niettemin zijn de bepalingen in de WW betreffende de gehele
                                of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering analoog van
                                toepassing. Dit betekent dat een recht op aansluitende uitkering om
                                dezelfde reden kan eindigen als een WW-uitkering (bijvoorbeeld op
                                grond van artikel 20 WW) geëindigd zou zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer er tijdens de periode dat er recht bestaat op WW sprake is
                                van ziekte, ontstaat er recht op een uitkering krachtens de ZW. Zie
                                artikel 7, onderdeel a van de ZW. Op grond van artikel 19 WW heeft
                                de betrokkene die een uitkering krachtens de ZW ontvangt, geen recht
                                op een uitkering krachtens de WW. Op zich logisch, want anders zou
                                de betrokkene recht hebben op zowel een uitkering krachtens de ZW
                                als een uitkering krachtens de WW.</al><al>Tijdens de aansluitende uitkering is er in de regel geen recht meer
                                op een uitkering krachtens de ZW. Dus artikel 19 WW heeft in dat
                                geval geen rechtstreekse werking. Echter: wanneer er sprake is van
                                ziekte, is men niet beschikbaar om arbeid te verrichten en dus ook
                                niet werkloos in de zin van de WW. Op grond van artikel 20 WW (dat
                                van overeenkomstige toepassing is, volgens het eerste lid van
                                artikel 10a:20) zou dan het recht op uitkering eindigen, wat
                                krachtens het eerste lid van artikel 10a:20 zou betekenen dat de
                                aansluitende uitkering ook zou eindigen. Dit is niet de bedoeling.
                                Derhalve blijft het recht op aansluitende uitkering bestaan.</al><al>Bij ziekte gedurende de aansluitende uitkering blijft de
                                oorspronkelijke uitkeringsduur gehandhaafd. Bij ziekte wordt het
                                recht op aansluitende uitkering dus ‘verbruikt’. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Nawerking Ziektewet en Waz (T)</titel></kop><al>Volgens de Ziektewet kan er in een bepaald geval recht ontstaan op een
                            ZW-uitkering, ook al is de uitkeringsgerechtigde geen betrokkene meer in
                            de zin van de ZW (bijvoorbeeld omdat de duur van de WW-uitkering is
                            verstreken). Op grond van artikel 46 van de ZW kan er namelijk sprake
                            zijn van nawerking. Zo kan de situatie zich voordoen dat een betrokkene
                            binnen een maand na het begin van de aansluitende uitkering ziek wordt
                            en op grond van de nawerking nog recht heeft op een ZW-uitkering.
                            Betrokkene heeft dan zowel recht op een aansluitende uitkering als op
                            een ZW-uitkering. In dat geval loopt het recht op aansluitende uitkering
                            door en wordt de ZW-uitkering hierop verminderd. </al><al>Ook de Waz kent een nawerkingsbepaling. Artikel 3:10 van deze wet
                            bepaalt dat werknemers die korter dan 10 weken na afloop van de
                            verplichte verzekering (dit is na afloop van de WW-uitkering) bevallen,
                            een kind ter adoptie aannemen of een pleegkind aannemen, recht hebben op
                            een uitkering op grond van de Waz.</al></artikel><artikel><kop><titel>Herleving van het recht op uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr> 1</lidnr><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien na gehele of gedeeltelijke
                                beëindiging van het recht op aansluitende uitkering, bijvoorbeeld
                                door kortdurende arbeid, na afloop van die arbeid geen nieuw recht
                                op een WW-uitkering is ontstaan, het recht op de aansluitende
                                uitkering herleeft. </al><al>Zie voor een verdere toelichting op het begrip herleving de
                                toelichting op artikel 10a:7.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                                Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet
                                van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, is in feite een verlenging van
                                de duur van de WW-uitkering opgenomen. In de toelichting op artikel
                                10a:8 is hierover het een en ander opgenomen. Deze WW-bepalingen
                                zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                uitkering. De aansluitende uitkering kan niet opschorten als
                                gedurende de aansluitende uitkering sprake is van herleving na een
                                beëindiging. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen en sancties (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze bepaling betekent dat, hoewel de WW formeel niet meer van
                                kracht is, niettemin het verplichtingen- en sanctieregime van de WW
                                van toepassing is. Dit betekent dat de betrokkene gedurende deze
                                fase dezelfde verplichtingen heeft als toen de WW nog wel van
                                toepassing was en dat er ook sancties kunnen worden getroffen
                                wanneer de betrokkene zich niet aan zijn verplichtingen houdt.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij
                                het einde van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer
                                is gebracht, wordt het restant van de sanctie toegepast op de
                                aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op grond van deze bepaling wordt het ZW-regime doorgetrokken naar de
                                situatie waarin de betrokkene op grond van nawerking alsnog in de
                                aansluitende fase van de uitkering recht heeft op ZW.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Anticumulatie (T)</titel></kop><al>Normaliter leidt het verrichten van arbeid tot vermindering van de
                            werkloosheid en aldus tot een uitkering die op die lagere werkloosheid
                            wordt gebaseerd. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er arbeid
                            wordt verricht voor minder dan vijf uren en minder dan de helft van het
                            aantal verloren gegane arbeidsuren. De aansluitende uitkering wordt in
                            dergelijke gevallen verminderd met 70% van hetgeen er met die arbeid
                            wordt verdiend. Dit soort gevallen zal sporadisch voorkomen, tenzij het
                            gaat om deeltijders met een klein dienstverband.</al></artikel><artikel><kop><titel>Scholing (T)</titel></kop><al>Hoewel de WW niet meer van toepassing is, kan er toepassing worden
                            gegeven aan de artikelen 75 tot en met 78 van de WW. Dit betekent dat na
                            toestemming en onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel
                            75 en 76, werklozen kunnen studeren met behoud van aansluitende
                            uitkering. </al><al>De jurisprudentie en het beleid van het UWV inzake scholing en
                            onbeloonde activiteiten zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>In geval van noodzakelijk geachte scholing is er een duurdoorbreking van
                            toepassing (krachtens artikel 76, eerste lid WW) en ligt de duur van de
                            aansluitende uitkering niet vast. Dit betekent dat hier een uitzondering
                            wordt gemaakt op artikel 10a:16, eerste lid, waarin bepaald is dat de
                            duur van de aansluitende uitkering éénmaal wordt berekend en vervolgens
                            vastligt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Uitkering bij overlijden (T)</titel></kop><al>In artikel 10a:13 is de overlijdensuitkering geregeld in de periode dat
                            er recht is op een aanvullende uitkering. In artikel 10a:25 is
                            vastgelegd dat er een gelijkwaardig recht op overlijdensuitkering
                            bestaat in geval van overlijden tijdens de aansluitende uitkering, maar
                            na afloop van de WW-uitkering. De ZW-uitkering is geëindigd. Behoudens
                            nawerking op grond van artikel 46 ZW, in welk geval artikel 10a:13 nog
                            van toepassing is, bestaat er dan geen aanspraak meer op een
                            ZW-overlijdensuitkering. De overlijdensuitkering is in dit geval geheel
                            bovenwettelijk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Grensarbeiders (T)</titel></kop><al>Deze bepaling regelt dat grensarbeiders die hun baan verliezen, in
                            Nederland recht hebben op dezelfde Nederlandse (bovenwettelijke)
                            werkloosheidsuitkering als een werknemer die in Nederland woont en
                            ontslagen wordt. Dit geldt niet alleen voor de periode van de
                            aanvullende uitkering (waarvoor artikel 10a:13a geldt), maar ook voor de
                            periode van de aansluitende uitkering. </al><al>Zie voor een verdere toelichting de toelichting op artikel 10a:13a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de betrokkene die buiten de gemeentelijke organisatie arbeid ter
                                hand gaat nemen, kan ter zake van de kosten die voor hem aan een
                                daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een tegemoetkoming worden
                                toegekend van € 2.270,- onder verrekening van een tegemoetkoming in
                                de verhuiskosten uit anderen hoofde. Het gaat hier om een
                                discretionaire bevoegdheid.</al><al>Het recht op een verhuiskostenvergoeding kan alleen worden
                                geëffectueerd, indien de vergoeding bij de uitvoeringsinstelling
                                wordt aangevraagd. Betrokkene zal de noodzakelijke informatie aan de
                                uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten indien de betrokkene elders
                                buiten de gemeentelijke organisatie werk heeft gevonden, is een
                                instrument dat kan bijdragen aan zijn reïntegratie in het
                                arbeidsproces. Hiermee wordt een eventuele belemmering gelegen in de
                                hoge verhuiskosten bij aanvaarding van een functie elders
                                weggenomen.</al><al>Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de gewezen ambtenaar een verhuiskostenvergoeding van zijn
                                nieuwe werkgever ontvangt, kan hem slechts een tegemoetkoming in de
                                verhuiskosten worden toegekend voor het gedeelte van de vergoeding
                                dat uit zou gaan boven de door de nieuwe werkgever verstrekte
                                tegemoetkoming.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel zijn de nadere voorwaarden opgenomen, waaronder de
                                tegemoetkoming in de verhuiskosten toegekend kan worden. De
                                opsomming is cumulatief: er moet aan alle gestelde voorwaarden
                                worden voldaan.</al><al>Er bestaat geen mogelijkheid tot terugvordering in het geval van
                                beëindiging werkhervatting door eigen schuld of toedoen en/of in het
                                geval van fraude.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Om te voorkomen dat er verrekeningsactie moet worden ondernomen
                                wanneer blijkt dat de betrokkene (toch) niet verhuisd is, is
                                vastgelegd dat de vergoeding achteraf wordt toegekend. Voordat de
                                vergoeding wordt toegekend, moet komen vast te staan dat de
                                betrokkene daadwerkelijk is verhuisd. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Reïntegratietoeslag (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De reïntegratietoeslag is in het leven geroepen om degenen met recht
                                op een WW- en bovenwettelijke uitkering te stimuleren niet alleen
                                een functie van een gelijk niveau als de oude betrekking te
                                aanvaarden, maar ook een functie die lager wordt beloond. Per saldo
                                zal dit tot lagere uitkeringslasten voor de gemeente leiden. </al><al>Er moet minimaal 10% verschil zijn tussen het dagloon in de oude
                                betrekking en dat in de nieuwe betrekking.</al><al>Net als bij de verhuiskostenvergoeding kan het recht op een
                                reïntegratietoeslag alleen worden geëffectueerd, indien de toeslag
                                bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd. Betrokkene zal de
                                noodzakelijke informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten
                                overleggen.</al><al>Er kan alleen recht op een reïntegratietoeslag ontstaan als een
                                betrokkene tijdens het recht op een bovenwettelijke uitkering een
                                dienstbetrekking in de zin van de WW aanvaardt. Wanneer de
                                betrokkene aansluitend aan het ontslag als betrokkene een
                                dienstverband aanvaardt voordat het recht op bovenwettelijke
                                uitkering ontstaat, is er geen recht op een
                                reïntegratietoeslag.</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag kan alleen worden geëffectueerd,
                                indien het wordt aangevraagd. Betrokkene zal de benodigde gegevens
                                aan de uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Om te voorkomen dat er langdurige berekeningen met terugwerkende
                                kracht moeten worden gemaakt, is de termijn voor aanvraag van de
                                reïntegratietoeslag vrij kort gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer er sprake is van een lager dagloon, vloeit daar niet in alle
                                gevallen recht op een reïntegratietoeslag uit voort. Het lagere
                                dagloon kan een gevolg zijn van een kleinere omvang van de nieuwe
                                betrekking. Wanneer er sprake is van een kleinere omvang, wordt het
                                dagloon in de oude betrekking omgerekend naar het dagloon in de
                                nieuwe betrekking. Als het verschil tussen het oude (omgerekende)
                                dagloon en het nieuwe minstens 10% bedraagt, ontstaat er recht op
                                een reïntegratietoeslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Er dient ten minste een dienstverband van één jaar te zijn
                                overeengekomen. Normaliter zal er bij de beëindiging van deze
                                dienstbetrekking sprake zijn van een nieuw recht op WW. Maar dat
                                hoeft niet altijd het geval te zijn. Wanneer bijvoorbeeld de
                                betrokkene met een tijdelijke dienstbetrekking van minimaal één jaar
                                tussentijds toch weer werkloos wordt (bijvoorbeeld als gevolg van
                                ontslag in de proeftijd), zal het eerste WW-recht, inclusief
                                bovenwettelijke uitkering, weer herleven.</al><al>De duur van de reïntegratietoeslag wordt elke keer opnieuw berekend
                                bij het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking waaraan een
                                aanspraak op reïntegratietoeslag kan worden ontleend.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De WW kent in artikel 35 een systematiek van verrekenen van
                                inkomsten die alleen van belang is in situaties waarin er voor een
                                gering aantal uren nieuw werk wordt gevonden. Het gaat dan om een
                                dienstverband van minder dan vijf uur en minder dan de helft van het
                                aantal verloren gegane arbeidsuren. In zo’n geval is er geen sprake
                                van een gedeeltelijke beëindiging van de uitkering, zoals op basis
                                van artikel 20, eerste lid, onderdeel b van de WW verwacht kan
                                worden, maar wordt het totaal van de WW-uitkering en de
                                bovenwettelijke uitkering verminderd met 70% van hetgeen er met die
                                nieuwe werkzaamheden wordt verdiend. Er is in zulke gevallen geen
                                recht op een reïntegratietoeslag.</al><al>Ook wanneer aan de betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend
                                (artikel 10a:32), is er geen recht op een reïntegratietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Reïntegratietoeslag (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De duur waarvoor de reïntegratietoeslag wordt toegekend, is niet
                                gelijk aan de periode die de betrokkene nog recht zou hebben op een
                                aanvullende en/of aansluitende uitkering als hij geen andere functie
                                aanvaard zou hebben. Het gaat in dit geval om driekwart van het
                                aantal gehele jaren dat de betrokkene nog recht gehad zou hebben op
                                een bovenwettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Reïntegratietoeslag (T)</titel></kop><lid><lidnr>4</lidnr><al>In deze bepaling wordt de betrokkene verplicht om de
                                uitvoeringsinstelling van bepaalde informatie te voorzien. Deze
                                informatie moet maandelijks worden gegeven. Wanneer de betrokkene
                                deze verplichting niet nakomt, kan het recht op reïntegratietoeslag
                                niet worden vastgesteld, en kan dit recht derhalve niet tot
                                uitkering komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Reïntegratietoeslag (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het recht op reïntegratietoeslag blijft bestaan als de betrokkene
                                binnen zijn nieuwe dienstbetrekking niet feitelijk werkt, maar wel
                                recht op zijn loon behoudt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitgegaan van de stelling
                                ‘fulltime is fulltime’. Met andere woorden: een fulltime
                                dienstverband van 36 uur wordt qua omvang gelijkgesteld aan een
                                fulltime dienstverband van 38 uur. Hierdoor zijn omrekeningen niet
                                nodig.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Reïntegratiepremie (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De reïntegratiepremie is een instrument om opname in het
                                arbeidsproces te stimuleren. Een soortgelijke bepaling kwam eveneens
                                voor in de oude wachtgeld- en uitkeringsregeling. De
                                reïntegratiepremie beoogt de gewezen ambtenaar in de gelegenheid te
                                stellen om door middel van een bedrag ineens zijn werkloosheid
                                geheel op te heffen. Als algemene norm voor de inwilliging van het
                                verzoek geldt derhalve dat de bestemming van het afkoopbedrag kansen
                                moet bieden op een blijvende opheffing van de bestaande
                                werkloosheid.</al><al>De betrokkene die nog geen recht op een bovenwettelijke uitkering
                                heeft, kan geen recht verkrijgen op een reïntegratiepremie. Dit
                                betekent dat de ambtenaar die aansluitend aan het ontslag gaat
                                werken, niet voor deze premie in aanmerking komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Reïntegratiepremie (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze bepaling hanteert het criterium ‘in dezelfde mate werkloos zou
                                zijn gebleven’ als dat hij is op de dag voorafgaande aan de
                                indiensttreding bij de nieuwe werkgever. De zinsnede ‘in dezelfde
                                mate’ impliceert dat de omstandigheden op de dag voor de
                                werkhervatting bepalend zijn voor de berekeningsbasis. De
                                berekeningsgrondslag kan verminderd zijn. Als de betrokkene al
                                gedeeltelijk werkt, heeft dit invloed op de berekeningsbasis.
                                Hetzelfde geldt voor een verminderde beschikbaarheid voor de
                                arbeidsmarkt. Daarentegen heeft een sanctie geen invloed.</al><al>Wanneer op de dag voor de werkhervatting een uitsluitingsgrond voor
                                het recht op WW van toepassing is (bijvoorbeeld ziekte of vakantie),
                                waardoor het recht op WW en bovenwettelijke uitkering geheel
                                eindigt, kan de reïntegratiepremie pas worden vastgesteld en tot
                                uitbetaling komen als de uitsluitingsgrond is opgeheven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Voorzieningen bij werkloosheid (T)</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting voor hoofdstuk 10d Voorzieningen bij
                                werkloosheid.</vet></al><al>In dit hoofdstuk worden de voorzieningen bij werkloosheid geregeld zoals
                            deze gelden per 1 juli 2008. </al><al>Dit hoofdstuk bevat bepalingen voor ambtenaren die op grond van artikel
                            8:3 (reorganisatie) of 8:6 (ongeschiktheid/onbekwaamheid) ontslagen
                            worden. Daarnaast is er een kaderbepaling opgenomen voor ambtenaren die
                            op grond van artikel 8:8 (overige ontslaggronden) ontslagen worden. Ten
                            derde is in dit hoofdstuk een bijzondere uitkeringsregeling opgenomen
                            voor ambtenaren die op grond van artikel 8:5 (gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid) ontslagen worden, waarbij sprake is van
                            gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. </al><al>Dit betekent dat voor de overige ontslaggronden van hoofdstuk 8 (de
                            artikelen 8:1, 8:2, 8:4, 8:7, 8:9, 8:10, 8:11, 8:12 en 8:13) geen
                            bovenwettelijke (uitkerings)rechten gelden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><al>In artikel 10d:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ontslagen
                                <cursief>worden</cursief> en ontslagen <cursief>zijn</cursief> op
                            grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Het onderscheid tussen “worden”
                            en “zijn” ziet op de reïntegratiefase voor ontslag (als medewerkers
                                <cursief>worden</cursief> ontslagen) en de (uitkerings)rechten na
                            ontslag (als medewerkers <cursief>zijn</cursief> ontslagen).</al></artikel><artikel><kop><titel>Begripsbepalingen (T)</titel></kop><al>Ad werkloosheidsuitkering Wanneer ambtenaren na ingang van de
                            werkloosheidsuitkering een baan krijgen, eindigt hun werkloosheid.
                            Wanneer ook deze baan weer eindigt, kunnen ambtenaren in aanmerking
                            komen voor een herleving van de werkloosheidsuitkering. Waar in dit
                            hoofdstuk gesproken wordt over de werkloosheidsuitkering, wordt ook
                            gedoeld op deze herleefde uitkering. </al></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop met sociaal statuut en sociaal plan (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit hoofdstuk is de basis neergelegd voor een regeling bij
                                werkloosheid. Lokaal kunnen ruimere afspraken gelden. Deze afspraken
                                zullen in het algemeen zijn neergelegd in lokale sociale statuten en
                                sociaal plannen, die zijn opgesteld in het kader van reorganisaties.
                                Als dit het geval is, leidt invoering van dit hoofdstuk tot overleg
                                tussen college en GO. In dit overleg bespreken college en GO of tot
                                herziening moet worden overgegaan van deze lokale afspraken. Wanneer
                                de lokale afspraken, het lokale sociaal statuut of het lokale
                                sociaal plan op grond van het eerste lid worden herzien, is
                                hoofdstuk 10d richtinggevend voor de nieuwe lokale afspraken. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer lokaal, in de lokale sociale statuten of sociaal plannen
                                ruimere afspraken zijn opgenomen, gelden deze ruimere afspraken in
                                plaats van de bepalingen uit dit hoofdstuk. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8 (T)</titel></kop><al>Het college treft een passende regeling voor de ambtenaar die ontslagen
                            wordt op grond van artikel 8:8. LOGA-partijen hebben niet willen
                            vastleggen welke inhoud een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor
                            zijn de omstandigheden rond het ontslag te divers. Het ligt echter wel
                            in de rede dat de inhoud, voorzover dat redelijk en billijk is,
                            gebaseerd wordt op de rechten die gelden voor ambtenaren die op grond
                            van artikel 8:3 of 8:6 ontslagen worden. Afhankelijk van de
                            omstandigheden ligt opschorting van het ontslag wellicht minder voor de
                            hand. Maar ook voor deze groep ontslagenen geldt dat overstappen van
                            werk naar werk het primaire doel is van de ontslagregeling. Het ter
                            beschikking stellen van faciliteiten (financieel of anderszins) om de
                            reïntegratie te stimuleren zal daarom vaak onderdeel uitmaken van de
                            ontslagregeling. Mocht werkloosheid niet te voorkomen zijn, dan geldt de
                            mogelijkheid om, onder gelijke voorwaarden als voor de ambtenaren die
                            ontslagen worden op grond van artikel 8:3 of 8:6, afspraken te maken
                            over een aanvulling op de WW-uitkering en een na-wettelijke uitkering na
                            afloop van de WW-uitkering. De exacte hoogte en duur van deze
                            uitkeringen zijn mede afhankelijk van de overige afspraken die rond het
                            ontslag gemaakt zijn. </al></artikel><artikel><kop><titel>Reïntegratiefase voor ontslag (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het doel van de reïntegratiefase is het voorkomen van werkloosheid.
                            </al></lid><lid><lidnr>2 en 3</lidnr><al>Het ontslagbesluit bevat de datum waarop het ontslag ingaat. Doordat
                                eerst nog de reïntegratiefase doorlopen moet worden, is dit een
                                datum die in de toekomst ligt. Deze ontslagdatum wordt bepaald op de
                                eerstvolgende datum die, gelet op de duur van de reïntegratiefase
                                die voor de ambtenaar geldt, mogelijk is. Wanneer voor de ambtenaar
                                een reïntegratiefase van 4 maanden geldt, bevat het ontslagbesluit
                                een datum, gelegen 4 maanden na de verzending/overhandiging van het
                                ontslagbesluit. In artikel 10d:6 worden de mogelijkheden genoemd, op
                                grond waarvan het ontslag al eerder dan na afloop van de
                                reïntegratiefase kan eindigen. Om die reden moet in het
                                ontslagbesluit worden opgenomen dat het ontslag eerder kan eindigen,
                                indien dat op grond van artikel 10d:6 aan de orde is. </al><al>Als met inachtneming van artikel 10d:8 de reïntegratiefase verlengd
                                wordt, moet het oorspronkelijke ontslagbesluit worden ingetrokken en
                                worden vervangen door een nieuw ontslagbesluit met een ontslagdatum
                                die verder ligt dan de oorspronkelijke ontslagdatum. </al></lid><lid><lidnr>5 en 6</lidnr><al>Het besluit tot ontslag, inclusief ontslagdatum, kan worden genomen
                                als aan de noodzakelijke voorwaarden voor het ontslag op grond van
                                artikel 8:3 of 8:6 voldaan is. </al><al>Voor ontslag op grond van artikel 8:3 betekent dit dat, individuele
                                gevallen uitgezonderd, overeenstemming is bereikt over het sociaal
                                statuut. Op het moment dat het sociaal statuut gereed is en
                                duidelijk is dat de functie van betrokkene na de reorganisatie niet
                                terugkomt dan wel als duidelijk is dat de betrokken medewerker niet
                                meer terugkomt op zijn functie, kan het ontslagbesluit worden
                                genomen. Van dit laatste is sprake als bijvoorbeeld van de vijf
                                beleidsmedewerkers er na de reorganisatie maar drie terugkeren. Op
                                grond van lokale regels wordt dan bepaald welke twee medewerkers
                                niet kunnen terugkeren. Als ook geen andere passende functie
                                beschikbaar is, kan het ontslagbesluit worden genomen. Pas daarna
                                vindt, als hoofdstuk 10d van toepassing is, tijdens de
                                reintegratiefase intern en extern een onderzoek plaats naar een
                                andere functie voor de medewerker.</al><al>Als er geen sociaal plan is, kan het ontslagbesluit worden genomen,
                                zodra duidelijk is dat de functie van de medewerker of de functies
                                van een kleine groep medewerkers worden opgeheven, als duidelijk is
                                dat de betrokken medewerker niet meer terugkomt op zijn functie en
                                als duidelijk is dat er ook geen andere passende functie beschikbaar
                                is.</al><al>Vanaf het moment dat het ontslagbesluit genomen is, geldt een
                                reïntegratiefase van 7, 11 of 15 maanden. Tijdens deze
                                reïntegratiefase wordt intern en extern gezocht naar een nieuwe baan
                                voor de medewerker. </al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 moet een dossier zijn
                                opgebouwd, waaruit het college de conclusie heeft getrokken dat de
                                ambtenaar ongeschikt of onbekwaam is om zijn functie te blijven
                                uitoefenen. Als dit dossier voldoende is, kan het besluit tot
                                ontslag genomen worden. </al><al>Bezwaar tegen een ontslagbesluit schort de werking van het
                                ontslagbesluit en de intreding van de reïntegratiefase niet op.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Einde reïntegratiefase (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ook bij het aanvaarden van een deeltijdbetrekking eindigt de
                                reïntegratiefase. Op grond van artikel 72a WW heeft de gemeente voor
                                zijn oud-medewerkers een plicht om de reïntegratie in de arbeid te
                                bevorderen. Zolang de reïntegratie nog niet volledig is gelukt en
                                heeft geleid tot volledige opheffing van de werkloosheid (minder dan
                                5 uur werkloos), blijft deze plicht van de gemeente bestaan. In dat
                                verband kan het zinvol zijn om afspraken uit het reïntegratieplan
                                voort te zetten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tijdens de reïntegratiefase worden afspraken gemaakt over de
                                inspanningen die van de gemeente en de ambtenaar verlangd worden.
                                Deze afspraken worden door het college vastgesteld en vastgelegd in
                                het reïntegratieplan. Dit kunnen onder meer afspraken zijn over
                                sollicitatieactiviteiten, opleidingen en outplacementtraject (zie
                                artikel 10d:9). Wanneer de ambtenaar zich niet houdt aan de gemaakte
                                afspraken, zoals het niet starten van een cursus of onvoldoende
                                sollicitaties verrichten, gaat het ontslag op grond van artikel 8:3
                                of 8:6 eerder in dan pas na afloop van de reïntegratiefase.
                                Uiteraard gelden hierbij de algemene beginselen van behoorlijk
                                bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel (belangenafweging) en
                                proportionaliteitsbeginsel (de sanctie moet niet zwaarder zijn dan
                                op grond van het gedrag te rechtvaardigen is). De medewerker kan het
                                stopzetten van de reïntegratiefase aan de rechter voorleggen. De
                                rechter beoordeelt de redelijkheid en billijkheid hiervan. Ook kan
                                disciplinair ontslag plaatsvinden op grond van artikel 8:13 (de
                                nalatigheid moet dan voldoen aan de eisen die bij disciplinair
                                ontslag horen). In beide gevallen moet een besluit genomen worden
                                waarin, gemotiveerd en onder verwijzing naar artikel 10d:6, de
                                nieuwe ontslagdatum is opgenomen. </al><al>Onderdeel van de afspraken kan bij ontslag op grond van artikel 8:3
                                en 8:6 ook zijn welke eisen de ambtenaar mag stellen aan de
                                aangeboden functie. Als de ambtenaar een functie die aan dergelijke
                                eisen voldoet, niet accepteert, kan eveneens vóór het aflopen van de
                                reïntegratietermijn ontslag plaatsvinden op grond van artikel 8:3 of
                                8:6. Naarmate de reïntegratiefase langer duurt, mag een bredere
                                oriëntatie op arbeid verwacht worden. Op grond van jurisprudentie
                                kan dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, betekenen
                                dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet aanvaarden,
                                waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Eerdere beëindiging van de reïntegratiefase leidt tot het vervallen
                                van het recht op een aanvullende uitkering en na-wettelijke
                                uitkering. Ook hierbij moet het college de algemene beginselen van
                                behoorlijk bestuur in acht nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente (T)</titel></kop><al>De sanctie voor de medewerker op nalatigheid is beëindiging van de
                            reïntegratiefase en het vervallen van het recht op de aanvullende
                            uitkering en de na-wettelijke uitkering. Ook het college moet zich aan
                            de acties uit het reïntegratieplan houden. Doet het college dit niet,
                            dan wordt de reïntegratiefase verlengd met minimaal één maand en
                            maximaal de helft van de oorspronkelijke reïntegratiefase verlengd,
                            binnen welke termijn geprobeerd wordt de nalatigheid te herstellen, voor
                            zover dit naar redelijkheid en billijkheid mogelijk is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Verlenging reïntegratiefase door middel van levensloop
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr>1 en 2</lidnr><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige
                                arbeidsduur, kan zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent
                                in ieder geval dat zijn WW pas later ingaat. Belangrijker is dat hij
                                van werk naar werk kan overstappen, wat het vinden van een baan over
                                het algemeen makkelijker maakt. De verlenging van de
                                reïntegratiefase wordt slechts toegestaan, wanneer de ambtenaar
                                tijdens die fase aan zijn reïntegratie blijft werken. </al><al>Het college stemt alleen in met een verzoek tot verlenging van de
                                reïntegratiefase, wanneer de ambtenaar de reïntegratiefase niet
                                volledig heeft kunnen benutten aan reïntegratie. De oorzaak hiervoor
                                moet redelijk zijn. Dit kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig
                                zieke partner zijn. Hierdoor kan het voor de ambtenaar onmogelijk
                                zijn geweest om tijdens de reïntegratiefase aan zijn
                                reïntegratieverplichtingen te voldoen. Het college kan dan instemmen
                                met een verlenging Een langdurige vakantie wordt niet als redelijk
                                beschouwd. </al><al>Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de reïntegratiefase
                                niet meer aan de voorwaarde dat aan reïntegratie gewerkt moet
                                worden, dan wordt de verlenging gestopt en gaat het oorspronkelijke
                                ontslag alsnog in. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige
                                arbeidsduur, kan zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent
                                in ieder geval dat zijn WW pas later ingaat. Belangrijker is dat hij
                                van werk naar werk kan overstappen, wat het vinden van een baan over
                                het algemeen makkelijker maakt. De verlenging van de
                                reïntegratiefase wordt slechts toegestaan, wanneer de ambtenaar
                                tijdens die fase aan zijn reïntegratie blijft werken. Het college
                                stemt alleen in met een verzoek tot verlenging van de
                                reïntegratiefase, wanneer de ambtenaar de reïntegratiefase niet
                                volledig heeft kunnen benutten aan reïntegratie. De oorzaak hiervoor
                                moet redelijk zijn. Dit kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig
                                zieke partner zijn. Hierdoor kan het voor de ambtenaar onmogelijk
                                zijn geweest om tijdens de reïntegratiefase aan zijn
                                reïntegratieverplichtingen te voldoen. Het college kan dan instemmen
                                met een verlenging Een langdurige vakantie wordt niet als redelijk
                                beschouwd. Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de
                                reïntegratiefase niet meer aan de voorwaarde dat aan reïntegratie
                                gewerkt moet worden, dan wordt de verlenging gestopt en gaat het
                                oorspronkelijke ontslag alsnog in. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Reïntegratieplan (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Tijdens de reïntegratiefase geldt de reguliere
                                rechtspositieregeling. Dit houdt onder meer in dat de ambtenaar
                                gewoon verlof opbouwt, zoals hij dat eerder opbouwde. Wanneer hij
                                tijdens de reïntegratiefase geen werkzaamheden verricht, betekent
                                dit dat hij in principe geen verlof nodig heeft voor activiteiten
                                die in het kader van het reïntegratieplan zijn afgesproken. </al><al>Als bij de start van de reïntegratiefase al duidelijk is dat direct
                                na de beoogde ontslagdatum een functie voorhanden is, bestaat het
                                reïntegratieplan uit het benoemen van die functie en de datum vanaf
                                wanneer de ambtenaar deze functie gaat bekleden. Het
                                reïntegratieplan hoeft dan niet verder uitgewerkt te worden. </al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is zinvol om te beginnen met het opstellen van het
                                reïntegratieplan, zodra duidelijk is dat de ambtenaar ontslagen gaat
                                worden op grond van artikel 8:3 of artikel 8:6 en daarmee dus niet
                                te wachten tot het ontslagbesluit genomen is. Gemeente noch
                                ambtenaar zijn hiertoe overigens verplicht. Medewerking van beide
                                partijen kan echter de mogelijkheden op het vinden van een baan
                                bespoedigen en dus de kans op het voorkomen van werkloosheid
                                vergroten. </al><al>Het reïntegratieplan moet in ieder geval binnen 1 maand na ingang
                                van de reïntegratiefase zijn opgesteld. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De gemeente maakt een kosten-batenanalyse van de voorgenomen
                                reïntegratieactiviteiten. De gemeente stelt vast welke kosten
                                redelijkerwijs voor rekening van de gemeente komen (de wensen van de
                                ambtenaar kunnen verder gaan dan op grond van reïntegratie
                                noodzakelijk zijn, waardoor de gemeente niet de volledige kosten
                                vergoedt). </al><al>Wanneer besloten wordt dat volledige vergoeding van de kosten door
                                de gemeente niet redelijk is of wanneer de kosten uitstijgen boven
                                het bedrag van € 7.500,=, kan van de ambtenaar verlangd kan worden
                                dat hij zelf ook financieel bijdraagt aan de activiteiten uit het
                                reïntegratieplan. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aanvullende uitkering bij ontslag (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>sub b</al><al>Wanneer de reïntegratiefase eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar
                                zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in het
                                reïntegratieplan zijn neergelegd, vervalt het recht op de
                                aanvullende uitkering. In artikel 10d:6, tweede lid, is al
                                aangegeven dat het college bij dit besluit de algemene beginselen
                                van behoorlijk bestuur in acht neemt.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>sub c</al><al>De ambtenaar moet niet alleen in principe recht hebben op een
                                werkloosheidsuitkering, maar deze ook daadwerkelijk ontvangen. Het
                                kan bijvoorbeeld zo zijn dat de ambtenaar alleen vanwege het feit
                                dat hij met vakantie is nog geen WW-uitkering ontvangt. Dan ontvangt
                                hij ook geen aanvullende uitkering. De WW-uitkering, en de
                                aanvullende uitkering, vangen dan tegelijk aan, na de vakantie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedacht kan worden aan de betalingsberichten van UWV, gegevens over
                                werkhervatting (ter bepaling van het aantal uren dat iemand werkloos
                                is) of sanctiebesluiten van UWV. Hiervoor wordt zoveel mogelijk
                                aangesloten bij de procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV
                                geldt (zie voor meer informatie www.uwv.nl; zoeken op
                                poortwachtertoets). Deze voorwaarde geldt ter bepaling van de hoogte
                                van de aanvullende uitkering (artikel 10d:11) en ter controle van
                                sancties, die door UWV kunnen zijn opgelegd (artikel 10d:13).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag (T)</titel></kop><al>In artikel 10d:2 is de bezoldiging gedefinieerd als de bezoldiging die
                            iemand in de 12 maanden voorafgaand aan de reïntegratiefase gemiddeld
                            ontving. </al><al>De hoogte van de uitkering is gedurende de twee fases verschillend. </al><al>De genoemde bedragen zijn feitelijke bezoldigingsbedragen. Hiermee wordt
                            dus niet de voltijdsbezoldiging bedoeld, die omgerekend moet worden naar
                            de deeltijdfactor van de medewerker. Dus ook een medewerker die met een
                            functie voor 30 uur per week een bezoldiging van € 5.500,= ontvangt,
                            krijgt gedurende de eerste fase een aanvullende uitkering van 30% van
                            deze bezoldiging en gedurende de tweede fase een aanvullende uitkering
                            van 20% van deze bezoldiging. </al><al>De zinsnede “naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is”
                            houdt in dat indien iemand een arbeidsduur had van 36 uur, waaruit hij
                            voor 18 uur is ontslagen hij een aanvullende uitkering ontvangt van 10%,
                            respectievelijk 20% of 30% maal 18/36. Als deze persoon vervolgens een
                            baan aanvaardt van 10 uur per week, ontvangt hij een aanvullende
                            uitkering van 10% (respectievelijk 20% of 30%) maal 8/36 van zijn
                            bezoldiging. </al></artikel><artikel><kop><titel>Duur aanvullende uitkering bij ontslag (T)</titel></kop><al>Het kan voorkomen dat een medewerker, bijvoorbeeld vanwege vakantie rond
                            de datum van ontslag, nog geen WW-uitkering ontvangt (hij is dan
                            namelijk niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt). Ook dan eindigt het
                            recht op de aanvullende uitkering 12 maanden na de dag van ontslag en
                            niet 12 maanden na dag van ingang van de WW-uitkering</al></artikel><artikel><kop><titel>Sancties (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Iedere sanctie die door UWV wordt opgelegd, leidt tot een evenredige
                                sanctie op de aanvullende uitkering. Dit betekent dat als UWV voor
                                de duur van 3 maanden een sanctie oplegt van 10%, ook de aanvullende
                                uitkering voor de duur van 3 maanden gekort wordt met 10%.
                                Beëindiging van de WW-uitkering voor bijvoorbeeld 6 maanden leidt
                                ook tot beëindiging van de aanvullende uitkering voor 6 maanden.
                                Hiermee wordt de ambtenaar gestimuleerd om zijn verplichtingen (die
                                grotendeels gericht zijn op werkhervatting) op grond van de
                                Werkloosheidswet na te komen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een sanctie die door UWV wordt opgelegd, kán leiden tot het
                                vervallen van het recht op een na-wettelijke uitkering. Dit is een
                                facultatieve bepaling en is afhankelijk van de aard en ernst van het
                                gedrag dat heeft geleid tot de sanctie die door UWV is opgelegd.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Einde aanvullende uitkering (T)</titel></kop><al>Omdat de aanvullende uitkering gekoppeld is aan de uitkering op grond
                            van de Werkloosheidswet, eindigt de aanvullende uitkering sowieso als de
                            WW-uitkering eindigt.</al><al><cursief>Herleving aanvullende uitkering</cursief>Omdat de
                            werkloosheidsuitkering gedefinieerd is als uitkering op grond van de
                            Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                            arbeidsovereenkomst met de gemeente, herleeft de aanvullende uitkering,
                            wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft. Omdat de duur van de
                            aanvullende uitkering van één jaar gekoppeld is aan de dag van ontslag,
                            geldt de herleving van de eerste fase van de aanvullende uitkering
                            alleen wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft binnen 12 maanden na
                            de ingangsdatum van ontslag. Deze eerste fase wordt dus niet opgeschort
                            met de periode, waarin geen werkloosheidsuitkering is ontvangen.
                            Gedurende de resterende tijd van de werkloosheidsuitkering wordt de
                            hoogte van de tweede fase uitbetaald. </al></artikel><artikel><kop><titel>Na-wettelijke uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onderdeel a</al><al>Ook na afloop van de werkloosheidsuitkering moet sprake zijn van
                                werkloosheid, zoals gedefinieerd in artikel 10d:1. Zowel deze
                                verwijzing naar werkloosheid, als naar de definitie van
                                werkloosheidsuitkering geven aan dat het moet gaan om een uitkering
                                die voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onderdeel b</al><al>Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van
                                gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie
                                www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze gegevens zijn nodig
                                ter bepaling van de hoogte van de na-wettelijke uitkering (artikel
                                10d:16) en het door de gemeente te voeren sanctiebeleid (zie artikel
                                10d:19).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij 8:6-ontslag ontstaat alleen recht op een na-wettelijke uitkering
                                als het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.
                                Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen schuld heeft aan de
                                ongeschiktheid of onbekwaamheid. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Hoogte na-wettelijke uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>In lid 2 is opgenomen dat als iemand voor minder dan 36 uur werkloos
                                is, zijn na-wettelijke uitkering naar evenredigheid wordt bepaald.
                                De na-wettelijke uitkering wordt namelijk gebaseerd op de mate van
                                werkloosheid. </al><al>Als uit een arbeidsovereenkomst of aanstelling blijkt dat iemand een
                                functie van 20 uur in de week heeft, ontvangen hij een na-wettelijke
                                uitkering voor de resterende 16 uur. Als door een nieuwe baan een
                                werkloosheid resteert van minder dan 5 uur, is de werkloosheid
                                beëindigd en eindigt de na-wettelijke uitkering (zie definitie
                                werkloosheid en artikel 10d:18). </al><al>Gedeeltelijke werkhervatting, maar ook werkzaamheden als
                                zelfstandige verminderen de werkloosheid. </al><al>Als uit een arbeidsovereenkomst of aanstelling blijkt dat iemand een
                                functie van 20 uur in de week heeft, ontvangen hij een na-wettelijke
                                uitkering voor de resterende 16 uur. Als door een nieuwe baan een
                                werkloosheid resteert van minder dan 5 uur, is de werkloosheid
                                beëindigd en eindigt de na-wettelijke uitkering (zie definitie
                                werkloosheid en artikel 10d:18). Gedeeltelijke werkhervatting, maar
                                ook werkzaamheden als zelfstandige verminderen de werkloosheid.
                            </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is mogelijk dat iemand met het aantal uren werkhervatting meer
                                verdient dat hij in de oude situatie deed. Daarom is in lid 3 een
                                bepaling opgenomen, waaruit voortvloeit dat het nieuwe inkomen en de
                                na-wettelijke uitkering nooit meer kan bedragen dan 90% van de oude
                                bezoldiging. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Iemand werkte 36 uur en verdiende €
                                2000,=. De na-wettelijke uitkering bedraagt 70% hiervan; dit is €
                                1400,=. Hij krijgt tijdens de periode van de na-wettelijke uitkering
                                een baan voor 18 uur. Hiermee resteert een werkloosheid voor 18 uur.
                                Met zijn nieuwe baan gaat hij € 1500,= verdienen. Zijn uitkering
                                zou, gebaseerd op 18 uur werkloosheid, € 700,= bedragen. Samen met
                                de inkomsten van € 1500,= komt zijn totaal inkomen uit op € 2200,=.
                                Het totaalinkomen is gemaximeerd op 90% van € 2000,=; dit is €
                                1800,=. Zijn uitkering wordt dus gekort met € 300,=. Hij ontvangt
                                nog een na-wettelijke uitkering van € 400,=. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Duur na-wettelijke uitkering (T)</titel></kop><al>Als iemand 45 is op de dag van ontslag en hij heeft vanaf zijn 25e in de
                            gemeentelijke sector gewerkt, ontvangt hij een na-wettelijke uitkering
                            voor de duur van (15 x 1,4) + (5 x 2) = 31 maanden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Einde na-wettelijke uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Recht op een werkloosheidsuitkering bestaat als iemand meer dan 5
                                uur of meer dan de helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per
                                week verliest. Als door werkhervatting een werkloosheid resteert van
                                minder dan 5 uur (of minder dan de helft van zijn oorspronkelijke
                                arbeidsduur per week) eindigt de werkloosheid en eindigt de
                                na-wettelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering eindigt altijd op 62 jaar en 9 maanden.
                                De ambtenaar kan dan zijn ouderdomspensioen laten ingaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Afkoop (T)</titel></kop><al>Er bestaat geen recht op afkoop van de na-wettelijke uitkering. Het
                            college kan echter op verzoek van de ambtenaar besluiten tot afkoop van
                            de na-wettelijke uitkering. Het college bepaalt daarbij de voorwaarden
                            en de hoogte van het afkoopbedrag. </al><al>Als partijen het niet eens worden over de hoogte van het afkoopbedrag,
                            vallen partijen terug op de normale regels over hoogte en duur van de
                            na-wettelijke uitkering. </al></artikel><artikel><kop><titel>Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                                ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid (T)</titel></kop><al>De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan in het derde
                            ziektejaar definitief worden herplaatst, wanneer hij een functie
                            aanvaardt, waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit,
                            zoals deze door UWV is vastgesteld, kan voorzien. Wanneer een dergelijke
                            functie buiten de organisatie van de gemeente wordt gevonden, kan
                            ontslag op grond van artikel 8:5 plaatsvinden. Is dat het geval dan
                            ontvangt de ambtenaar, zolang hij arbeid heeft waarmee hij ten minste in
                            100% van de restverdiencapaciteit kan voorzien, een bijzondere
                            uitkering. </al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsrecht (T)</titel></kop><al>In de CAO 2007-2008 is overgangsrecht overeengekomen voor de ambtenaar
                            die</al><lijst><li nr="-"><al>op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 10d (1 juli 2008)
                                    20 dienstjaren of meer heeft in de gemeentelijke sector en</al></li><li nr="-"><al>die binnen 10 jaar daarna daadwerkelijk ontslag verleend
                                    wordt.</al></li></lijst><al>Het overgangsrecht houdt in dat de duur van de nawettelijke uitkering op
                            grond van het overgangsrecht overeenkomt met de aansluitende uitkering
                            uit hoofdstuk 10a, zoals dit hoofdstuk tot 1 juli 2008 luidde. Wel is
                            afgesproken dat de berekening hiervan voor gemeenten gemakkelijker wordt
                            gemaakt. Daarom is de oude berekeningsduur van de aansluitende uitkering
                            omgezet in een formule.</al><al>Vanaf 1 juli 2008 valt iedereen onder hoofdstuk 10d. Alle ambtenaren die
                            op grond van artikel 8:3 en 8:6 ontslagen worden, krijgen dus recht op
                            een reïntegratiefase. Mocht daarna sprake zijn van werkloosheid, dan
                            geldt slechts ten aanzien van de duur van de uitkering na afloop van de
                            WW een uitzondering voor de ambtenaren, voor wie dit overgangsrecht is
                            overeengekomen.</al><al>De na-wettelijke uitkering op grond van het overgangsrecht eindigt op de
                            leeftijd van 62 jaar en 9 maanden (artikel 10d:18). Vanwege deze
                            beëindiging op 62 jaar en 9 maanden komt de potentiële uitkeringsduur
                            bij ontslag op de leeftijd van 50 jaar en ouder niet volledig tot
                            uitkering. Samen met een WW van minimaal 20 maanden (het overgangsrecht
                            is voor mensen die op 1 juli 2008 minstens 20 dienstjaren hadden) komt
                            deze uitkering namelijk boven de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden
                            uit.</al><al>De formule is gebaseerd op het oude artikel 10a:16. Het oude artikel
                            10a:16 (duur aansluitende uitkering in de BWW-regeling tot 1 juli 2008)
                            luidde als volgt:</al><al>Artikel 10a:16</al><lijst><li nr="1"><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
                                    maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a"><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                            zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                            werkloosheid en</al></li><li nr="b"><al> twee jaar.</al></li></lijst></li></lijst><al>Dit artikel is omgezet in een formule. In deze formule staat </al><lijst><li nr="-"><al>X voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; </al></li><li nr="-"><al>Y voor indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.</al></li></lijst><al>Lid 1 eerste zin: 3 maanden = 0,25 Lid 1, onderdeel b: (0,195 + 0,015 *
                            (X-21)) * (X -Y) Lid 2, onderdeel a: - (X-18) / 12, waarbij X-18
                            gemaximeerd is op 38 Lid 2, onderdeel b: - 2</al><al>Alles bij elkaar is de duur van de na-wettelijke uitkering op grond van
                            het overgangsrecht gelijk aan: 0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y)
                            - (X-18) / 12 -2, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd
                            wordt op 38 (dit is de maximumduur van de WW).</al><al>NOTA BENE: Op www.car-uwo.nl staat een rekenmodule, waarin gemeenten
                            alleen de factoren X en Y hoeven in te vullen. De duur van de
                            na-wettelijke uitkering op grond van het overgangsrecht verschijnt dan
                            op het scherm.</al><al>De na-wettelijke uitkering op grond van het overgangsrecht gaat in na
                            afloop van de WW-uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Geen Toelichting (T)</titel></kop><al><vet>Hoofdstuk 10e</vet></al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Betrokkene (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>De omschrijving dat aan de
                                ambtenaar ontslag moet zijn verleend, impliceert dat het einde van
                                een tijdelijke urenuitbreiding geen recht geeft op een uitkering.
                                Immers, er is geen sprake van ontslag. Dit is anders wanneer deze
                                urenuitbreiding, die in de vorm van een brief kan worden meegedeeld,
                                de vorm krijgt van een tijdelijke aanstelling. Na afloop van deze
                                aanstelling ontstaat wel recht op een uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid een ambtenaar een recht op
                                uitkering toe te kennen die ontslag heeft gevraagd omdat betrokkene
                                de echtgenoot (en eventueel de levenspartner) wil volgen die
                                genoodzaakt is elders een betrekking te aanvaarden. Interessant is
                                vaste jurisprudentie van de Centrale raad van beroep die uitwijst
                                dat de weigering in dergelijke situaties een recht op uitkering toe
                                te kennen, in alle gevallen is gesanctioneerd. Wanneer de verhuizing
                                medisch noodzakelijk is in verband met de gezondheid van de
                                echtgenoot, is er aanleiding een uitkering toe te kennen. Dit is een
                                omstandigheid waarop betrokkenen geen invloed kunnen
                                uitoefenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Recht op uitkering (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het eerste lid bepaalt dat recht op een uitkering bestaat indien
                                voldaan is aan de zogenaamde toegangseis. In het jaar voorafgaand
                                aan het ontslag dient betrokkene tenminste gedurende 26 weken
                                werkzaam te zijn geweest als werknemer in de zin van de WW.
                                Werkzaamheden, verricht als zelfstandige, tellen dus niet mee. In
                                dit verband wordt een week als een gewerkte week aangemerkt, indien
                                ten minste op n dag per week is gewerkt, ongeacht het aantal uren.
                                Deze toegangseis, afkomstig uit de WW, is in de WW inmiddels per 1
                                maart 1995 verzwaard, maar die verzwaring wordt in ieder geval voor
                                1 januari 2000 niet overgenomen in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het derde lid vermeldt welke werkzaamheden in aanmerking worden
                                genomen bij het vaststellen of aan de toegangseis is voldaan. Het
                                gaat hierbij niet alleen om werkzaamheden verricht in de
                                dienstbetrekking waaruit ontslag volgt, maar ook om werkzaamheden
                                die zijn verricht in een dienstbetrekking waarvoor de betrekking
                                waaruit ontslag volgt, in de plaats is gekomen. Let wel, hierbij kan
                                het ook gaan om werkzaamheden die in de private sector zijn verricht
                                voorafgaand aan indiensttreding bij de gemeente.</al><al>Dat er een duidelijke relatie ligt tussen het ontslag en de
                                dienstbetrekking waaruit ontslag volgt voor het bepalen of aan de
                                toegangseis is voldaan, moge het volgende voorbeeld illustreren. Een
                                ambtenaar gaat een deeltijdbaan vervullen van 20 uur voor de termijn
                                van een jaar. Na zes maanden gaat betrokkene een tweede deeltijdbaan
                                vervullen van 16 uur voor de duur van drie maanden. Aan deze baan is
                                geen andere voorafgegaan. Na het verstrijken van de termijn van drie
                                maanden ontstaat geen recht op een uitkering, betrokkene is in deze
                                functie immers geen 26 weken werkzaam geweest. De weken waarin is
                                gewerkt in de betrekking die blijft voortbestaan, tellen niet mee.
                                Deze tijd telt uitsluitend mee voor de beoordeling of aan de
                                toegangseis voldaan is op het tijdstip dat de deeltijdbetrekking van
                                20 uur eindigt. Gewerkte weken tellen dus slechts eenmaal mee.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Uitkering bij ziekte (T)</titel></kop><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ook al vervalt hoofdstuk 11 per 1 januari 2001 voor de gevallen van
                                werkloosheid, die zijn ontstaan op of ná 1 januari 2001, de
                                verwijzing naar hoofdstuk 7 kan nog gedurende 2 jaren van toepassing
                                zijn. Hierbij gaat het om de status quo op 31 december 2000.
                                Gemeenten doen er verstandig aan de tekst van hoofdstuk 7, zoals dat
                                luidde op 31 december 2000, apart te bewaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop (T)</titel></kop><al>De ziekte-uitkering op grond van artikel 11:17 (gedurende maximaal een
                            jaar, ter hoogte van 80% van de bezoldiging) schort het recht op
                            uitkering op. Dit betekent dat de periode gedurende welke een
                            ziekte-uitkering is genoten, bij de oorspronkelijke uitkeringsduur wordt
                            opgeteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
                                (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Dit artikel geldt slechts ten
                                aanzien van degene aan wie uitsluitend een uitkering voor de periode
                                van zes maanden is toegekend. In afwijking van het reguliere systeem
                                van de verrekening van neveninkomsten, geldt in dit geval dat het
                                recht op uitkering vervalt en herleeft in de situatie dat spoedig
                                opnieuw werkloosheid optreedt nadat betrokkene bijvoorbeeld als
                                uitzendkracht heeft gewerkt. </al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>In het eerste lid wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt
                                met ingang van de dag dat de werkloosheid eindigt, en dat het recht
                                opnieuw voor de resterende duur wordt toegekend met ingang van de
                                dag dat opnieuw werkloosheid ontstaat. Van belang is dat het begrip
                                beëindiging van de werkloosheid zodanig is omschreven dat bij het
                                aanvaarden van een tijdelijke dienstbetrekking eerst van beindiging
                                van de werkloosheid sprake is indien gedurende een periode van een
                                maand gewerkt is. Daarbij moet het gaan om een betrekking bij
                                eenzelfde werkgever en met ten minste de omvang van de betrekking
                                waaruit ontslag volgde. Dit betekent dat gedurende de eerste maand
                                waarin de gewezen ambtenaar met een uitkering een tijdelijke
                                betrekking vervult, de inkomsten met de uitkering worden verrekend.
                                Pas na een periode van een maand vervalt de uitkering. Hiermee wordt
                                voorkomen dat meerdere malen het recht op uitkering vervalt en weer
                                herleeft wanneer bijvoorbeeld op uitzendbasis wordt gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het derde lid voorziet in een aangepaste toegangseis wanneer na
                                afloop van de uitkeringsduur van zes maanden nog steeds sprake is
                                van een situatie van werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Begripsomschrijvingen (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al><vet><cursief>Sub b</cursief></vet>Artikel 11a:1 bevat de
                                definitiebepalingen.</al><al>Met het begrip ‘arbeidsongeschiktheidsuitkering’ is in deze
                                suppletieregeling elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter
                                zake van arbeidsongeschiktheid bedoeld. Voorbeelden hiervan zijn de
                                WAO-uitkering, de uitkering op grond van de WAZ en de uitkering op
                                grond van de WAJONG. Ook uitkeringen van buitenlandse mogendheden of
                                van de Nederlandse Antillen of Aruba kunnen onder dit begrip
                                vallen.</al><al><cursief><vet>Sub d</vet></cursief>De doelgroep van deze
                                suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers die zijn
                                ontslagen uit een dienstbetrekking bij een gemeente op grond van
                                ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en
                                die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn
                                in de zin van de WAO.</al><al>Van suppletie is echter uitgezonderd degene die zijn resterende
                                verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                betrekkingen. Ingevolge de systematiek van de WAO wordt namelijk de
                                mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond van het
                                resterend verdienvermogen dat de betrokkene heeft. Wanneer de
                                betrokkene één of meer aangehouden betrekkingen heeft, is hij
                                ingevolge die systematiek dus altijd minder dan 80%
                                arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. De suppletie is echter
                                bedoeld voor degenen die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn voor
                                de dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van
                                ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens
                                ziekte.</al><al>De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die
                                toen minder dan 15% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op
                                de definiëring, eveneens recht op suppletie. Met de omschrijving dat
                                de betrokkene overheidswerknemer is, bedoeld in artikel 2 van de
                                WPA, wordt niet beoogd een andere omschrijving te geven dan die van
                                het ambtenaarschap in de zin van de Abp-wet, zoals die luidde op 31
                                december 1995.</al><al><cursief><vet>Sub g en h</vet></cursief>Het dagloon in de zin van de
                                suppletie is het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO met een
                                bepaalde correctie. Allereerst wordt het dagloon in de zin van de
                                WAO vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal.</al><al>Daarnaast wordt in die gemeenten waar overheidswerknemers tegen
                                ziektekosten verzekerd zijn ingevolge een particuliere
                                ziektekostenverzekering de werkgeversbijdrage in die
                                ziektekostenverzekering in mindering gebracht op het ongemaximeerde
                                dagloon in de zin van de WAO. Deze tegemoetkoming van de werkgever
                                dient van het WAO-dagloon te worden afgetrokken, omdat de
                                berekeningsgrondslag van de suppletie anders niet gelijk zou zijn
                                aan de berekeningsgrondslag van het vroegere herplaatsingswachtgeld,
                                de laatstgenoten bezoldiging.</al><al>In gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd
                                zijn ingevolge een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering, is
                                het niet nodig om bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie, het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO te
                                verminderen met de tegemoetkoming van de werkgever in een
                                particuliere ziektekostenverzekering van betrokkene. In deze
                                gevallen wordt bij de vaststelling van het dagloon in de zin van de
                                WAO reeds rekening gehouden met de werkgeversbijdrage.</al><al><cursief><vet>Sub h</vet></cursief>Het dagloon wordt uitsluitend in
                                aanmerking genomen voor zover het toegerekend kan worden aan de
                                betrekking waaruit betrokkene met recht op suppletie is ontslagen.
                                In tegenstelling tot de WAO-conforme uitkering ingevolge de WPA, is
                                het recht op suppletie immers aan die enkele betrekking
                                gekoppeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat
                                hoofdstuk 11a niet van toepassing is op de ambtenaar die is
                                aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                                praktische opleiding of vorming en de ambtenaar die is aangesteld
                                voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de
                                overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                                tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                groepen van werklozen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Recht op suppletie (T)</titel></kop><al>Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid
                            voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Aangezien ontslag
                            op genoemde grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid (zie
                            artikel 8:5, tweede lid), kan het recht op suppletie derhalve niet
                            eerder ingaan dan na die 24 maanden.</al><al>De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel
                            11a:6. Zoals bij dat artikel wordt toegelicht, is de maximale
                            uitkeringsduur 66 maanden, te rekenen vanaf het einde van genoemde
                            periode van 24 maanden. Na ommekomst van de maximale uitkeringsduur
                            eindigt het recht op suppletie. Dat is nadat 90 maanden zijn verstreken
                            sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens ziekte. Vergelijk artikel
                            11a:5, onderdeel a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Recht op suppletie (T) </titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Ten aanzien van de
                                suppletieregeling geldt een verplichtingen en sanctieregime dat
                                overeenkomt met de WW. De toepassing van dat sanctieregime ten
                                aanzien van de suppletie geschiedt door of namens het
                                bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het tweede lid is de reikwijdte van het begrip ‘passende arbeid’
                                in de zin van de WW voor de toepassing van de suppletie zodanig
                                uitgebreid dat het mede gangbare arbeid omvat. De definitie van
                                gangbare arbeid is eveneens in dit lid gegeven, namelijk: alle
                                algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn
                                krachten en bekwaamheden in staat is. Deze uitbreiding is een gevolg
                                van het volgende.</al><al>De werkgever dient, voordat hij tot ontslag overgaat, een zorgvuldig
                                onderzoek te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden voor degene die
                                ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
                                Hiertoe onderzoekt de werkgever eerst of de mogelijkheid bestaat van
                                plaatsing in een functie met passende arbeid. Indien die
                                mogelijkheid zich niet voordoet doch minimaal na afloop van het
                                eerste ziektejaar onderzoekt hij of de mogelijkheid bestaat van
                                plaatsing in een functie met gangbare arbeid. Dit uitgangspunt
                                betekent dat de betrokkene op het moment dat het recht op suppletie
                                op zijn vroegst zou kunnen ontstaan, reeds een jaar lang verplicht
                                is geweest aangeboden gangbare arbeid te accepteren.</al><al>Ingevolge het verplichtingen- en sanctieregime van de WW zijn grote
                                groepen betrokkenen die een beroep kunnen doen op de WW, op genoemd
                                moment (nog) niet verplicht gangbare arbeid te aanvaarden. Zonder
                                bovengenoemde uitbreiding van het begrip ‘passende arbeid’ zou de
                                ongewenste situatie kunnen ontstaan dat een betrokkene na afloop van
                                het eerste ziektejaar, maar vóór zijn ontslag, gehouden is gangbare
                                arbeid te aanvaarden en dat hij zich, als hij vervolgens na zijn
                                ontslag suppletie geniet, in mindere mate beschikbaar hoeft te
                                houden voor de arbeidsmarkt.</al><al>Een ander effect van deze gelijkstelling van gangbare arbeid met
                                passende arbeid in de zin van de WW is dat de suppletiegerechtigde,
                                bij eventuele weigering van gangbare arbeid vóór zijn ontslag, ook
                                onder het sanctieregime van de WW, en dus suppletieregeling, valt.
                                De weigering van gangbare arbeid wordt derhalve betrokken bij het
                                bepalen van het recht op suppletie. Wanneer er op deze wijze sprake
                                is van verwijtbare werkloosheid, kan de suppletie blijvend geheel
                                danwel tijdelijk of blijvend gedeeltelijk worden geweigerd of kan de
                                suppletieduur worden beperkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel> Recht op suppletie (T)</titel></kop><al>Het verschil tussen het niet tot uitbetaling komen van het recht op
                            suppletie ingevolge artikel 11a:4 en het be‘indigen van dat recht op
                            grond van artikel 11a:5, is het volgende. Het recht op suppletie loopt
                            in het eerstgenoemde geval nog door en er kan weer tot betaling van de
                            suppletie worden overgegaan, zodra de in artikel 11a:4, onderdeel a of b
                            genoemde omstandigheid zich niet meer voordoet en er op dat moment nog
                            suppletieduur resteert.</al><al>Beïndiging van het recht op suppletie zou in het geval, bedoeld in
                            artikel 11a:4, onderdeel a, tot onredelijke resultaten kunnen leiden.
                            Ingevolge de systematiek van de WAO(conforme) uitkering kan iemand ook
                            bij een arbeidsongeschiktheid met een kennelijk tijdelijk karakter,
                            tijdelijk een verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen,
                            berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
                            Wanneer die mate van arbeidsongeschiktheid vervolgens weer wordt
                            vastgesteld op een lagere klasse, zou de betrokkene zijn recht op
                            suppletie zijn kwijtgeraakt. Dit wordt onredelijk geacht.</al><al>Wat betreft de betrokkenen, bedoeld in onderdeel b, geldt dat zij in de
                            huidige situatie terug kunnen vallen op het herplaatsingswachtgeld
                            wanneer de herplaatsingstoelage wordt be‘indigd. Die vangnetfunctie
                            wordt nu voortgezet in artikel 11a:4, onderdeel b, van de
                            suppletieregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Suppletie (T)</titel></kop><al>Artikel 11a:7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De
                            ‘klok’ van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop
                            de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte
                            24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen
                            ontslag heeft plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag
                            wordt verleend op een latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen
                            die data gelegen periode in mindering gebracht op de totale
                            uitkeringsduur van de suppletie. De betrokkene geniet in een dergelijke
                            situatie in ieder geval gedurende een kortere periode 80% van de
                            berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn ontslagen
                            op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt
                            was voor de vervulling van zijn betrekking. Wordt betrokkene ontslagen
                            op een moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden heeft geduurd dan
                            heeft hij geen recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de
                            suppletie, maar alleen nog op 70% van die berekeningsgrondslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Suppletie (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>In artikel 11a:8, eerste lid,
                                komt tot uiting dat de suppletieregeling een aanvullend karakter
                                heeft. Indien de betrokkene gedurende de periode dat de suppletie
                                tot uitbetaling komt, ter zake van het dienstverband waaruit hij is
                                ontslagen recht heeft op één of meer wettelijke of bovenwettelijke
                                uitkeringen ter zake van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid,
                                wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in mindering gebracht op
                                het bedrag van de suppletie. Ditzelfde geldt wanneer betrokkene een
                                Waz-uitkering ontvangt. De suppletie komt derhalve tot uitbetaling
                                wanneer en voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan de van
                                toepassing zijnde wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen. Dus ook
                                in geval van het zogenaamde TBA-hiaat in de vervolguitkeringsfase
                                van de WAO (-conforme) uitkering of bij expiratie van de
                                uitkeringsduur van de WW tijdens de duur van de
                                suppletieregeling.</al><al>De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen
                                wanneer de betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat
                                niveau komt. Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij
                                aanspraak had op suppletie, worden daarentegen niet meegerekend.
                                Wanneer de betrokkene echter later meer inkomsten gaat genereren uit
                                die ‘oude’ inkomstenbronnen dan ligt het in de rede dat meerdere
                                wordt verrekend met de suppletie, ook wat betreft inkomsten uit of
                                in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen in artikel
                                11a:9.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 11a:8 ziet op de situatie dat de
                                betrokkene op het ingangsmoment van de suppletie reeds een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Het
                                arbeidsongeschiktheidspercentage van die
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie
                                worden verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de
                                dienstbetrekking ter zake waarvan suppletie is toegekend. Door die
                                verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt ook het
                                bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 11a:8,
                                tweede lid, dient dat meerdere, die verhoging van inkomsten, in
                                mindering te worden gebracht op het bedrag van de suppletie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Suppletie (T)</titel></kop><al>Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of
                            in verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 11a:9,
                            eerste lid, opgenomen anticumulatieregeling.</al><al>Betrokkene heeft bij inactiviteit een garantieniveau van 80%
                            onderscheidenlijk 70% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.
                            Indien betrokkene er in slaagt door middel van arbeid of bedrijf
                            inkomsten te verwerven, heft hij zijn (resterende) werkloosheid op.
                            Wanneer hij zijn werkloosheid geheel opheft doordat hij zijn resterend
                            verdienvermogen volledig benut, heeft hij recht op een
                            herplaatsingstoelage van de Stichting Pensioenfonds ABP. Zolang hij die
                            herplaatsingstoelage ontvangt, komt zijn recht op suppletie niet meer
                            tot uitbetaling (zie artikel 11a:4, onderdeel b). Wanneer hij zijn
                            werkloosheid gedeeltelijk opheft, behoeft de suppletiegarantie niet meer
                            voor dat gedeelte te gelden. De suppletiegarantie wordt alsdan lager en
                            wel op de volgende wijze:</al><al>(berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) * 80% [70%] =
                            X.</al><al>Het verschil met artikel 11a:8 is dus dat de te anticumuleren inkomsten
                            ingevolge artikel 11a:9 niet in mindering worden gebracht op het bedrag
                            van de suppletie, maar op de berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al>Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden
                            sprake kan zijn, in welk geval artikel 11a:9, derde lid, van toepassing
                            zou kunnen zijn, is het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid
                            of bedrijf, welke in de plaats komen van inkomsten uit of in verband met
                            arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór de dag van het ontslag, anders
                            dan bedoeld in het eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Suppletie (T)</titel></kop><al>Een vermindering in het niveau van de onderlinge wettelijke en/of
                            bovenwettelijke uitkeringen leidt door het aanvullende karakter van de
                            suppletieregeling tot een groter bedrag aan suppletie.Dit effect is
                            echter ongewenst indien de verlaging van het niveau van de onderliggende
                            uitkeringen wordt veroorzaakt door sancties. In artikel 11a:10 is daarom
                            vastgelegd dat sancties genomen ten aanzien van wettelijke en/of
                            bovenwettelijke uitkeringen niet leiden tot een groter bedrag aan
                            suppletie.In geval van sancties worden de wettelijke en bovenwettelijke
                            uitkeringen voor de toepassing van de artikelen 11a:8 en 11a:9 steeds
                            geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Betaling van suppletie (T)</titel></kop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de
                            OOW-operatie zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige
                            bepalingen zijn geredigeerd conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Dit geldt ook voor de artikelen 11a:13, 11a:14 en 11a:15.</al></artikel><artikel><kop><titel>Uitvoeringsvoorschriften (T)</titel></kop><al>De uitvoeringsvoorschriften die het bestuursorgaan ingevolge artikel
                            11a:16 eerste lid dient vast te stellen zijn nadere regels terzake van
                            een doelmatige controle ten aanzien van de betrokkenen. Voorbeelden van
                            dit soort regels zijn regels met betrekking tot de wijze waarop de
                            betrokkene het bestuursorgaan dient te informeren over neveninkomsten,
                            sollicitaties en inschrijving bij het RBA, alsmede met betrekking tot de
                            wijze waarop de betrokkene zich ziek dan wel hersteld dient te melden.
                            Onder deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld ook regels worden gevat die
                            de betrokkene voorschrijven om gedurende de ziekteperiode tijdens de
                            duur van de suppletie op bepaalde tijdstippen thuis te zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                                wegens ziekte (T)</titel></kop><al>In artikel 11a:17 is het overgangsrecht opgenomen voor diegenen die op
                            31 december 1995 reeds in het genot waren van een herplaatsingswachtgeld
                            in de zin van de ABP-wet. De systematiek van dit overgangsrecht is dat
                            de duur van het door de betreffende persoon genoten
                            herplaatsingswachtgeld wordt omgezet in een nog resterende duur van het
                            recht op suppletie. Dit is vastgelegd in het eerste en tweede lid.</al><al>Herplaatsingswachtgeld en suppletie zijn twee ongelijksoortige eenheden.
                            Om het herplaatsingswachtgeld desalniettemin zo veel mogelijk
                            gelijkwaardig te converteren naar de suppletie, is een afweging gemaakt
                            voor wat betreft hoogte, duur en pensioenopbouw. Zoals blijkt uit de in
                            het tweede lid opgenomen tabel betreffende de hoogte en de duur, heeft
                            genoemde ongelijksoortigheid er onder andere toe geleid dat de tabel op
                            drie plaatsen niet lineair verloopt. Daar staat tegenover dat de
                            pensioenopbouw gedurende de duur van de suppletie 100% is, terwijl dit
                            bij het herplaatsingswachtgeld 25% en onder bepaalde voorwaarden 50%
                            was.</al></artikel><artikel><kop><titel>Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                                wegens ziekte (T)</titel></kop><al>In de WPA is in artikel 39, vierde en vijfde lid, bepaald hoe op 1
                            januari 1996 de conversie dient plaats te vinden van de
                            berekeningsgrondslag van de bezoldiging of uitkering wegens ziekte van
                            degene die op dat moment 52 weken of langer onafgebroken
                            arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en wiens mate van algemene
                            invaliditeit op grond van de Abp-wet is vastgesteld op ten minste 15
                            procent dan wel wiens mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de
                            ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de AAW is
                            vastgesteld op ten minste 25 procent. In artikel 11a:18 van de
                            suppletieregeling is bepaald dat voor degene die op 1 januari 1996 recht
                            had op een dergelijke bezoldiging of uitkering wegens ziekte, dat
                            ‘geconverteerde’ dagloon zal gelden als berekeningsgrondslag voor de
                            suppletie, in het geval dat hij binnen een periode van zes maanden
                            aanspraak krijgt op suppletie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overige en slotbepalingen (T)</titel></kop><al>In artikel 11a:19 is vastgelegd dat LOGA-partijen met elkaar in overleg
                            treden indien het niveau van de WAO-conforme uitkering anders dan door
                            wijziging als gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen
                            neerwaartse wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag
                            centraal staan op welke wijze LOGA-partijen in de arbeidsvoorwaardelijke
                            sfeer zullen omgaan met die algemeen neerwaartse wijzigingen.</al><al>Voor het geval dat overleg niet tot overeenstemming heeft geleid binnen
                            een periode van zes maanden na de datum van publikatie in het Staatsblad
                            van de maatregel, houdende die algemeen neerwaartse wijzigingen, geldt
                            het volgende. In dat geval worden die algemeen neerwaartse wijzigingen
                            effectief ten aanzien van de suppletieregeling vanaf de in het
                            Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel,
                            doch niet eerder.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overige en slotbepalingen (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die recht heeft op een WGA-uitkering valt na ontslag
                                wegens arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) op of na 1 januari 2007
                                onder de bovenwettelijke regeling op grond van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Indien betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft hij na
                                ontslag wegens arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2007 recht
                                op een WW-uitkering en bovenwettelijke WW op grond van hoofdstuk
                                10a.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Algemene bepalingen (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Van belang bij dit artikel is dat hierin is opgenomen dat de
                                commissie G.O. niet alleen bevoegd is voor alle ambtenaren, maar
                                evenzeer voor de mensen die werkzaam zijn op basis van een
                                arbeidsovereenkomst. </al><al>Het al dan niet representatief zijn is een beslissing die op lokaal
                                niveau genomen wordt. Op deze wijze kan rekening gehouden worden met
                                lokale organisaties van ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De tekst van het vierde lid voorziet in een overgangsbepaling die
                                het - in afwijking van de reguliere bepalingen over de samenstelling
                                - mogelijk maakt om de vertegenwoordigers van genoemde organisaties
                                die op 1 juli 1998 zitting hebben in persoon nog maximaal vier jaar
                                in de commissie te laten deelnemen. Deze tijdelijke
                                oververtegenwoordiging heeft geen gevolgen voor de stemverhouding in
                                de commissie, die immers gebaseerd is op de aantallen
                                vertegenwoordigde personeelsleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Samenstelling (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college wijst uit zijn midden vrijwel altijd de
                                portefeuillehouder personeel en organisatie aan. Het is ook mogelijk
                                dat naast deze vertegenwoordiger van de werkgever een tweede
                                collegelid wordt toegevoegd. In artikel 12:1:3 en 12:1:7 is de
                                ambtelijke ondersteuning geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling moet het minimumaantal
                                ambtenaren worden bepaald dat lid van een organisatie moet zijn om
                                die organisatie tot het overleg toe te laten. Het gaat hier om de
                                representativiteit van de organisatie. Voor de bepaling van het
                                minimum zijn geen vaste regels te geven. Het kan, behalve van lokale
                                omstandigheden, afhankelijk zijn van het aantal medewerkers en van
                                hun organisatiegraad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Samenstelling (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar die gedetacheerd wordt buiten de gemeente, behoeft in
                                formele zin zijn lidmaatschap niet op te geven. Indien de
                                detachering langer duurt dan bijvoorbeeld zes maanden, ligt het voor
                                de hand het lidmaatschap op te geven. Een dergelijke handelwijze zou
                                op lokaal niveau als spelregel kunnen worden afgesproken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Samenstelling (T)</titel></kop><al>Het verdient aanbeveling om het hoofd personeel en organisatie als
                            secretaris aan te wijzen of anders de medewerker die met die taken is
                            belast. Het valt af te raden de gemeentesecretaris aan te wijzen omdat
                            die immers de voorzitter is van het overleg met de ondernemingsraad. Het
                            is beter om die rollen te scheiden.</al><al>De secretaris van het overleg kan voorzitter zijn van het zogenaamde
                            informeel of technisch overleg, dat het georganiseerd overleg
                            voorbereidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</titel></kop><al>Gemeenten zijn gehouden de CAR te volgen, hetzelfde geldt voor de UWO
                            indien gemeenten zich daarvoor hebben aangemeld. Omdat op lokaal niveau
                            van een in het LOGA afgesproken wijziging niet kan worden afgeweken,
                            volstaat een mededeling van de wijziging.</al><al>Voor een gemeente die de hoorbepaling volgt (zie bijlage III bij CAR en
                            UWO) geldt dat wijzigingen van CAR en/of UWO niet ter kennis van de
                            centrales behoeven te worden gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Mededeling omtrent CAR en UWO (T) </titel></kop><al>De vraag is of bij reorganisaties het primaat bij het GO of bij de
                            ondernemingsraad ligt. Het besluit tot reorganiseren moet in eerste
                            instantie, conform artikel 25 van de WOR, voor advies aan de
                            ondernemingsraad worden voorgelegd. Nadat het advies is uitgebracht en
                            het gemeentebestuur een besluit heeft genomen, komt het GO in beeld. Het
                            GO spreekt zich uit over de personele gevolgen van het besluit. Als
                            regel zijn die gevolgen neergelegd in een sociaal statuut. Het toezicht
                            op de uitvoering van het sociaal statuut is weer een zaak voor de
                            ondernemingsraad.</al><al>Deze formele taakafbakening neemt overigens niet weg dat het bevoegd
                            gezag er verstandig aan doet om beide organen in alle fasen te
                            informeren over zijn voornemens. Dat maakt het mogelijk dat GO en de
                            ondernemingsraad elkaar beïnvloeden en hun opvattingen op elkaar
                            afstemmen. Dat kan de kwaliteit van het proces en het draagvlak van de
                            besluiten alleen maar vergroten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Taak en bevoegdheden (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Uit het eerste lid volgt dat die onderwerpen die op sectoraal niveau
                                worden besproken, niet voor overleg in de commissie G.O. in
                                aanmerking komen. Dit spreekt voor zich: de CAR is onderwerp van
                                overleg op sectoraal (=LOGA-)niveau en hierover hoeft derhalve niet
                                opnieuw overleg op gemeentelijk niveau plaats te vinden (de grootste
                                vier gemeenten hebben een afwijkende rechtspositie). Voldoende is om
                                het G.O. te informeren. In het geval een gemeente zich heeft
                                aangemeld voor de UWO, geldt hetzelfde: afspraken hierover worden op
                                LOGA-niveau gemaakt en niet in de commissie G.O. Voor een gemeente
                                die zich daarentegen niet voor de UWO heeft aangemeld, geldt dat de
                                onderwerpen in de UWO behoren tot het ‘lokale domein’: in de
                                commissie G.O. dient over deze onderwerpen overleg plaats te
                                vinden.</al><al>Uit het eerste lid volgt tevens dat in de commissie G.O. nooit over
                                individuele kwesties wordt gesproken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn voor de
                                ‘UWO-gemeenten’ opgenomen in de UWO (bijvoorbeeld in artikel 12:2:1
                                waarin het overeenstemmingsvereiste aan de orde komt) en voor de
                                ‘niet-UWO-gemeenten’ dienen deze in de commissie G.O. aan de orde te
                                komen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde nadere bepalingen over een
                                geschillenregeling zijn in de UWO in artikel 12:3:1 e.v. opgenomen.
                                Een ‘niet-UWO-gemeente’ dient over deze nadere regels in de
                                commissie G.O. overleg te voeren. In de commissie G.O. dient in dat
                                geval tevens gesproken te worden over het al dan niet deelnemen aan
                                de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (L.A.A.C.).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Taak en bevoegdheden (T)</titel></kop><al>In het LOGA zijn partijen het niet eens geworden over een eenduidige
                            formulering van het overeenstemmingsvereiste. Lokaal moet een
                            formulering voor het overeenstemmingsvereiste zijn vastgelegd. Hiermee
                            wordt invulling gegeven aan het begrip “gevoelen” uit het artikel. In de
                            LOGA-brief van 7 juni 1994, Lbr. 94/152, is aangegeven dat, wanneer het
                            in de gemeente van toepassing zijnde overeenstemmingsvereiste
                            bevredigend functioneert, dit gehandhaafd kan worden. Waar het
                            overeenstemmingsvereiste niet is geformuleerd of waar het niet
                            bevredigend functioneert, is aan de gemeenten in de genoemde LOGA-brief
                            een keuze voorgelegd uit twee formuleringen, die respectievelijk een
                            brede (voorkeur van de vakbonden) en een beperktere (voorkeur van het
                            College voor Arbeidszaken) invulling aan het vereiste geven.</al><al>Formulering 1 luidt als volgt: ‘invoering of wijziging van
                            aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van
                            ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                            personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt niet plaats dan nadat
                            daarover overeenstemming is bereikt met de centrales van
                            overheidspersoneel’.</al><al>Formulering 2 luidt: ‘Invoering, intrekking of wijziging van een
                            regeling welke verplichtingen schept voor individuele ambtenaren, dan
                            wel waaraan individuele ambtenaren rechten kunnen ontlenen, vindt niet
                            plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de centrales
                            van overheidspersoneel’.</al><al>Het verschil tussen de beide formuleringen zit erin dat in formulering 1
                            ‘de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                            gevoerd’ wel onder het overeenstemmingsvereiste valt en in formulering 2
                            niet.</al><al>Concreet betekent dit verschil dat in formulering 2 onderwerpen als de
                            inrichting van het personeelsbeleid als zodanig, de werving en selectie,
                            het personeelsregistratiesysteem en het opleidingsbeleid niet onder het
                            overeenstemmingsvereiste vallen. Dat is wel het geval met de uit deze
                            regelingen voortvloeiende rechten en plichten voor individuele
                            ambtenaren.</al><al>In formulering 1 vallen de onderwerpen als zodanig onder het
                            overeenstemmingsvereiste, en natuurlijk de regelingen die daaruit
                            voortvloeien.</al><al>Besluiten of voorstellen die specifiek de rechtstoestand van de griffie
                            en de griffiemedewerkers betreffen, moeten nog steeds door de
                            gemeenteraad worden genomen respectievelijk aan de gemeenteraad worden
                            voorgelegd. Alleen in de situatie dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid
                            heeft gedelegeerd aan het college, is het college het bevoegde
                            orgaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Taak en bevoegdheden (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al> De besluiten in de tweede zin betreffen aangelegenheden van
                                algemeen belang die specifiek de rechtstoestand van de griffie en de
                                griffiemedewerkers betreffen. De griffier kan op grond van artikel
                                12:2:7, tweede lid, de vergadering bijwonen en deelnemen aan de
                                besprekingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het gaat hier onder meer over de bevoegdheden van de
                                overlegpartijen. Besluiten moeten passen binnen het mandaat dat men
                                heeft; dat geldt voor beide zijden. Wanneer het mandaat onvoldoende
                                is om tot overeenstemming te komen, moeten partijen terug naar hun
                                achterban.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vergaderingen (T)</titel></kop><lid><lidnr>2 en 3</lidnr><al>Soms wordt door een van beide partijen bewust aangestuurd op
                                onvoltalligheid teneinde gevoelens van onvrede tot uitdrukking te
                                brengen. Een voorbeeld hiervan was dat tijdens de acties in 1993 de
                                centrales het overleg in alle GO's opschortten. Dit betekent
                                uiteraard niet dat in zo'n geval in het geheel geen besluiten meer
                                genomen kunnen worden. Wanneer ook bij een tweede vergadering niet
                                ten minste de helft van de werknemersvertegenwoordiging aanwezig is,
                                kunnen de geagendeerde onderwerpen behandeld en van een standpunt
                                voorzien worden. Indien behandeling geweigerd wordt, kan niettemin
                                besluitvorming plaatsvinden. Uiteraard gebeurt dat alleen in
                                gevallen waarin uitstel niet mogelijk is en de andere partij
                                nadrukkelijk op de gevolgen van hun handelwijze gewezen is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vergaderingen (T)</titel></kop><lid><lidnr>4</lidnr><al> Ook in gedualiseerde verhoudingen moet het te allen tijde mogelijk
                                zijn om de raad op de hoogte te brengen van hetgeen in het GO ter
                                bespreking voorligt, met name als dit raakt aan door de raad
                                gestelde beleidsmatige of financiële kaders.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vergaderingen (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het tweede lid zegt dat de stem van de werkgeversvertegenwoordiging
                                wordt bepaald door hoofdelijke stemming van de leden in of buiten de
                                vergadering. Voor het geval dat meer werkgeversvertegenwoordigers
                                zijn aangewezen is deze bepaling noodzakelijk.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op basis van dit lid vindt een weging van de stemmen plaats zodanig
                                dat geen enkele organisatie bij een stemming de absolute meerderheid
                                heeft, ook niet in de situatie waarin een organisatie meer leden in
                                de gemeente heeft dan de andere organisaties gezamenlijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Advies- en arbitragecommissie (T)</titel></kop><al>Bij de advies- en arbitragecommissie hadden zich per 1 januari 1997
                            circa 400 gemeenten aangemeld. De Lokale advies- en arbitragecommissie
                            (LAAC) is te bereiken via het secretariaat van het College voor
                            Arbeidszaken, Postbus 30435, 2500 GK Den Haag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Advies- en arbitragecommissie (T)</titel></kop><al>De helft van de (plaatsvervangend) leden van de advies- en
                            arbitragecommissie wordt aangewezen door het College voor Arbeidszaken,
                            gehoord het Interprovinciaal Overlegorgaan en de Unie van Waterschappen.
                            De andere helft wordt aangewezen door de centrales van
                            overheidspersoneel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overgangs- en slotbepaling CAR (T)</titel></kop><al>De berekeningsbasis van wachtgelden en (FLO-)uitkeringen wordt
                            uitgebreid met de eindejaarsuitkering. De invoering van de
                            eindejaarsuitkering per 1 januari 1997 betekent dat deze uitkering per
                            genoemde datum maandelijks wordt opgebouwd. Deze ingangsdatum van de
                            eindejaarsuitkering brengt met zich dat, nu de berekeningsbasis van de
                            wachtgelden en (FLO)uitkeringen met deze uitkering wordt uitgebreid,
                            deze uitbreiding betrekking heeft op alle op 1 januari 1997 toegekende
                            wachtgelden en (FLO-)uitkeringen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers (T)</titel></kop><al>Het bepaalde uit de artikelen 17, 18 en 34 van de Wet op de
                            Ondernemingsraden wordt in acht genomen. Conform artikel 18 van de Wet
                            op de ondernemingsraden (WOR) wordt de tijd vastgesteld die (C)OR en
                            commissieleden redelijkerwijs nodig hebben voor hun
                            medezeggenschapswerk. In het convenant spreken WOR-bestuurder en OR af
                            hoe de individuele leden in staat worden gesteld deze tijdsbesteding te
                            combineren met hun functie. Hierbij geldt dat OR-werk ook regulier werk
                            is. Mogelijkheden hiertoe zijn onder meer herverdeling van werkzaamheden
                            indien noodzakelijk in combinatie met een tijdelijke uitbreiding van de
                            formatie van de organisatorische eenheid waar het OR-lid werkzaam is.
                            Een andere mogelijkheid is met gebruikmaking van artikel 2:7a CAR het
                            verruimen van de arbeidsduur van individuele OR-leden tot maximaal 40
                            uur per week, als de bezetting van de afdeling in relatie tot het werk
                            dat nodig maakt. </al><al>De bedoeling van LOGA-partijen is dat lokaal overleg wordt gevoerd over
                            het (maximaal) aantal zittingstermijnen. Afspraken hierover worden
                            opgenomen in het convenant. In zijn algemeenheid is het niet wenselijk
                            om voor lange tijd achtereen OR werk te doen. Er zijn
                            uitzonderingsgevallen mogelijk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers (T)</titel></kop><al>Op grond van artikel 5a van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan de
                            verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad (OR) bij een
                            collectieve arbeidsvoorwaardenregeling of een publiekrechtelijke
                            regeling van arbeidsvoorwaarden op een lager getal worden vastgesteld
                            dan in artikel 2 van de WOR is bepaald. Deze verplichting geldt ook voor
                            onderdelen van gemeenten, waar met toepassing van artikel 4 van de WOR
                            is besloten in het belang van een goede toepassing van de WOR voor die
                            onderdelen een eigen OR in te stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen (T)</titel></kop><al>Dit in algemene bewoordingen gestelde artikel (een zogenaamd
                            kapstokartikel) heeft naast artikel 16:1:1 nauwelijks enige zelfstandige
                            betekenis. Overtreding ervan levert immers plichtsverzuim op en daarvan
                            geeft artikel 16:1:1, lid 2, de definitie.</al><al>De jurisprudentie is dan ook geheel gericht op de interpretatie van het
                            begrip ‘plichtsverzuim’, zodat hier verwezen kan worden naar de
                            toelichting bij artikel 16:1:1.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen (T)</titel></kop><al>Sinds maart 2006 is de overheidwerkgever wettelijk verplicht om nieuw
                            aan te stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Veel
                            gemeenten hebben naar aanleiding van deze verplichting de bestaande
                            ambtseed heringevoerd of een nieuwe tekst vastgesteld. Indien een
                            ambtseed- of belofte of een integriteitverklaring slechts één van de
                            formaliteiten bij indiensttreding is, zal deze niet het bedoelde effect
                            van bewustwording van integriteitaspecten hebben. Wil de betekenis van
                            eedaflegging beklijven dan dient het moment de nodige lading te krijgen:
                            door de inhoud actief uit te spreken, door de ceremonie erom heen, door
                            de keuze van de persoon ten overstaan van wie de eed wordt afgelegd,
                            door de keuze van tijdstip en plaats. </al></artikel><artikel><kop><titel>Persoonlijk gebruik van goederen of diensten (T)</titel></kop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden
                            kan zijn tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk
                            zijn. Enkele voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van
                            Beroep d.d. 13 juli 1995, TAR 1995, nr. 206 (gebruik van
                            gemeente-eigendommen bij een verhuizing en aannemen van een geldbedrag)
                            en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993, TAR 1994, nr.44
                            (aannemen van een geldbedrag).</al></artikel><artikel><kop><titel>Aannemen van geschenken en gelden (T)</titel></kop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden
                            kan zijn tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk
                            zijn. Enkele voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van
                            Beroep d.d. 13 juli 1995, TAR 1995, nr. 206 (gebruik van
                            gemeente-eigendommen bij een verhuizing en aannemen van een geldbedrag)
                            en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993, TAR 1994, nr.44
                            (aannemen van een geldbedrag).</al></artikel><artikel><kop><titel>Nevenwerkzaamheden (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>De term ‘nevenwerkzaamheden’ dient ruim te worden opgevat. Hieronder
                                worden verschillende werkzaamheden verstaan, zoals het lidmaatschap
                                van het bestuur van een vereniging of stichting, het zijn van
                                commissaris, bestuurder, vennoot of aandeelhouder. Hierbij wordt
                                geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en onbetaalde
                                nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen of buiten de
                                normale diensttijd worden verricht.</al><al>Een gedane melding dient getoetst te worden aan het tot de ambtenaar
                                gerichte verbod, dat in het derde lid is geformuleerd. De ambtenaar
                                zal zich een oordeel moeten vormen over de vraag of door een
                                nevenwerkzaamheid de goede functievervulling of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                staat met de functievervulling, niet in redelijkheid is
                                verzekerd.</al><al>De constatering dat een nevenwerkzaamheid zich niet goed verdraagt
                                met de ambtelijke functie, hoeft niet zonder meer te leiden tot het
                                opleggen van een verbod. Er kunnen ook zodanige nadere afspraken
                                worden gemaakt dat de mogelijkheid van belangenverstrengeling of
                                anderszins zich niet meer voordoet. Jurisprudentie van de Centrale
                                Raad van Beroep over dit onderwerp geeft eenzelfde richting
                                aan.</al><al>De registratie van nevenwerkzaamheden kan op verschillende wijzen
                                worden ingericht. In elk geval dient de registratie te voldoen aan
                                de regels die gesteld zijn op grond van de Wet persoonsregistraties
                                en de op deze wet gebaseerde verordening, voorzover deze in de
                                gemeente is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die
                                overheidswerkgevers verplicht om voorschriften vast te stellen over
                                de openbaarmaking van nevenwerkzaamheden verricht door
                                topambtenaren. In artikel 15:1e, vierde lid, zijn twee functies
                                genoemd waaraan een verplichte openbaarmaking van nevenwerkzaamheden
                                gekoppeld is: de gemeentesecretaris en de directeur van een
                                gemeentelijke dienst of bedrijf (dan wel functionarissen in functies
                                die daarmee op één lijn staan maar in het gemeentelijk
                                organisatiemodel een andere benaming hebben). Lokaal dient bepaald
                                te worden of er daarnaast nog sprake is van ‘andere ambtenaren
                                aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                                integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van de
                                nevenwerkzaamheden noodzakelijk is’. Gedacht kan worden aan de
                                functies waaraan het plaatsvervangend directeurschap is verbonden.
                                Daarnaast kunnen in aanmerking komen de stadsdeelsecretaris en
                                functies zoals directeur van een projectorganisatie, concern- of
                                dienstcontroller, afdelingshoofd, commandant van de brandweer. </al><al>Het LOGA verstaat onder openbaar te maken gegevens het
                                volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>hoofdfunctie (dus niet de persoonsnaam van de
                                        ambtenaar);</al></li><li nr="-"><al>de nevenfunctie die de functionaris verricht, voorzover het
                                        een nevenfunctie betreft die de belangen van de dienst,
                                        voorzover deze in verband staan met de functievervulling,
                                        kunnen raken;</al></li><li nr="-"><al>de organisatie waarbinnen de nevenfunctie wordt
                                        vervuld;</al></li><li nr="-"><al>de eventuele beperkingen die het college heeft gesteld aan
                                        de uitoefening van de nevenfunctie.</al></li></lijst><al>Tevens verdient het aanbeveling om openbaar te maken met ingang van
                                welke datum de nevenwerkzaamheid wordt verricht.De openbaarmaking
                                kan geschieden door ter inzage legging van de gegevens op het
                                gemeentehuis zoals dat is voorgeschreven voor de openbaarmaking van
                                nevenfuncties van politieke ambtsdragers.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Melding financiële belangen (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die
                                overheidswerkgevers verplicht om voorschriften vast te stellen over
                                het melden van financiële belangen door ambtenaren die een functie
                                uitoefenen waarin risico bestaat op financiële
                                belangenverstrengeling. Het begrip financieel belang is zeer divers.
                                Het kan gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend
                                goed, bouwgrond alsook om financiële deelneming in ondernemingen.
                                Het college dient ambtenaren aan te wijzen die zijn aangesteld in
                                een functie (dan wel feitelijke werkzaamheden verrichten) waaraan
                                een bijzonder risico op financiële belangenverstrengeling is
                                verbonden. Bij de gemeentelijke overheid kan gedacht worden aan
                                ambtenaren die betrokken zijn bij grondzaken, subsidieverstrekking,
                                sponsoring, verstrekking van leningen, verstrekking van garanties,
                                inkoop en aanbesteding zoals bijvoorbeeld het gunnen van onderzoeks-
                                en adviesopdrachten. Ambtenaren die deze taken verrichten zouden in
                                de verleiding kunnen komen zich bij het nemen van functionele
                                beslissingen te laten leiden door niet-functionele belangen zoals
                                een persoonlijk financieel belang. Of er inderdaad sprake is van een
                                bijzonder risico hangt af van de feitelijke werkzaamheden en
                                bevoegdheden van de ambtenaar en dient lokaal bepaald te worden. Ook
                                ambtenaren die uit hoofde van hun functie (dan wel hun feitelijke
                                werkzaamheden) beschikken of kunnen beschikken over koersgevoelige
                                informatie zullen een meldplicht opgelegd moeten krijgen. Zij hebben
                                immers de mogelijkheid deze informatie oneigenlijk te gebruiken of
                                lopen het risico de schijn van oneigenlijk gebruik op te wekken. De
                                inschatting is dat zich bij de gemeenten niet of nauwelijks
                                bijzondere risico’s zullen voordoen met betrekking tot oneigenlijk
                                gebruik van koersgevoelige informatie.</al></lid><lid><lidnr>2 en lid 3</lidnr><al> Het college bepaalt op welke wijze financiële belangen worden
                                gemeld. Nadere regels kunnen betrekking hebben op de volgende
                                elementen.</al><lijst><li nr="-"><al>Het gebruik van een formulier voor de melding.</al></li><li nr="-"><al>De functionaris aan wie de melding gedaan moet worden. </al></li><li nr="-"><al>De wijze van registratie in verband met de bescherming van
                                        de persoonlijke levenssfeer. </al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de actualiteit van de registratie
                                        gewaarborgd wordt. </al></li><li nr="-"><al>De plicht van de ambtenaar tot het verstrekken van nadere
                                        gegevens over het financiële belang of het bezit van (of de
                                        transactie in) effecten. </al></li></lijst><al>Met betrekking tot de plicht tot verstrekking van gegevens wordt
                                opgemerkt dat het bevoegd gezag in de gelegenheid moet zijn om te
                                beoordelen of de gemelde belangen en bezittingen een risico
                                opleveren in de werkzaamheden van de ambtenaar. De ambtenaar dient
                                alle informatie te verschaffen die voor deze beoordeling nodig is.
                                Is er sprake van een risico dan dient beoordeeld te worden hoe dit
                                risico voorkomen of verkleind kan worden. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ambtenaar
                                om te voorkomen dat hij in (de schijn van) een situatie terecht komt
                                dat hij in zijn functievervulling wordt beïnvloed door persoonlijke
                                financiële belangen. Dat vloeit voort uit de algemene norm van goed
                                ambtenaarschap en is nu uitdrukkelijk bepaald in artikel 15:1f,
                                vierde lid. De vraag of een financieel belang toelaatbaar is kan
                                niet eenduidig beantwoord worden. Bezien moet worden of het concrete
                                financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich meebrengt bij het
                                uitoefenen door de ambtenaar van zijn bevoegdheden en werkzaamheden.
                                Wordt het financiële belang of effectenbezit niet toelaatbaar geacht
                                dan zal de werkgever op basis van de verbodsbepaling maatregelen
                                moeten nemen om een risico op financiële belangenverstrengeling of
                                misbruik het hoofd te bieden. Daarbij dient eerst naar de minst
                                ingrijpende oplossing gezocht te worden. Gedacht kan worden aan
                                aanpassing van de taakinhoud of overplaatsing in een andere functie.
                                Is een dergelijke oplossing niet mogelijk dan is de ambtenaar
                                verplicht het financieel belang af te stoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Plicht tot aanvaarden andere betrekking (T) </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer is er sprake van ‘een andere betrekking’ in de zin van het
                                eerste lid? Artikel 1:1 van de CAR definieert betrekking als ‘het
                                geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te
                                verrichten’.</al><al>De Centrale Raad van Beroep verstaat onder betrekking: ‘Het
                                samenstel van werkzaamheden waarmee de ambtenaar is belast en dat
                                hij feitelijk verricht en hetwelk zich van enig ander samenstel van
                                werkzaamheden in voldoende mate als kenbare eenheid onderscheidt
                                hetzij door de aard van de werkzaamheden hetzij door enige andere
                                omstandigheid zoals de plaats in de organisatie of de plek waar het
                                werk wordt verricht’.</al><al>Voor de toepassing van artikel 15:1:10 prevaleert evenwel de
                                definitie van artikel 1:1 van de CAR als zijnde het toepasselijke
                                algemeen verbindende voorschrift. Wanneer er in het geheel van
                                werkzaamheden niets verandert, doet het er voor de vaststelling of
                                er sprake is van een andere betrekking niet toe of er verandering
                                komt in de omstandigheden waaronder het werk moet worden verricht of
                                dat het werk op een andere plaats moet worden verricht. Uiteraard
                                zal - zoals altijd - een besluit tot verandering in de
                                omstandigheden of van de plaats van het werk met de nodige
                                zorgvuldigheid moeten worden genomen.</al><al>De definitie van de Centrale Raad van Beroep is - ondanks artikel
                                1:1 van de CAR - toch wel van belang. Immers, niet elke geringe
                                verandering in de werkzaamheden mag leiden tot de conclusie dat er
                                sprake is van een andere betrekking. Van een andere betrekking kan
                                eerst worden gesproken als deze zich ‘in voldoende mate als kenbare
                                eenheid onderscheidt’ van de oude betrekking.</al><al>Een chef moet bevoegd worden geacht bepaalde wijzigingen in de
                                werkzaamheden van zijn medewerkers aan te brengen. Een betrekking
                                kan zo heel geleidelijk van karakter veranderen zonder dat nu
                                precies valt aan te geven wanneer die verandering tot stand is
                                gekomen. Pas wanneer er sprake is van een - bij wijze van spreken
                                van de ene dag op de andere optredende - ingrijpende wijziging zodat
                                er een ander samenstel van werkzaamheden ontstaat dat zich in
                                voldoende mate onderscheidt van het samenstel van werkzaamheden dat
                                de ambtenaar tot dan toe verrichtte, is er een andere betrekking in
                                de zin van artikel 15:1:10.</al><al>Wanneer daarvan in concreto sprake is, moet natuurlijk van geval tot
                                geval worden bezien. Verschillen in aard, niveau en/of omvang van de
                                werkzaamheden dienen bij die beoordeling te worden betrokken.</al><al>Het ‘horen’ van de ambtenaar moet niet als een formaliteit worden
                                beschouwd. Uit de besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de
                                argumenten van de ambtenaar rekening is gehouden.</al><al>Het belang van de dienst moet de reden zijn voor de aanwijzing van
                                een andere betrekking. Het dienstbelang is hier geen subjectief
                                gegeven. Het gaat er dus niet om of naar het oordeel van het bevoegd
                                gezag een dienstbelang aanwezig is, maar of er gemeten met
                                objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake is. De rechter kan
                                dan elk besluit ter zake op dit punt inhoudelijk toetsen.</al><al>De nieuwe betrekking moet ‘passend’ zijn in die zin dat deze hem
                                redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn
                                omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden
                                opgedragen. In elk concreet geval zal dit nauwkeurig moeten worden
                                overwogen. De overgang naar de nieuwe betrekking mag, in
                                vergelijking met de oude betrekking, in ieder geval niet een zodanig
                                grensoverschrijdende achteruitgang in functieniveau betekenen dat
                                tot de conclusie zou moeten worden gekomen dat de betrekking om die
                                reden niet passend is te noemen. Jurisprudentie wijst uit dat een
                                achteruitgang tot twee schaalniveaus aanvaardbaar is, op voorwaarde
                                dat het oorspronkelijke salarisniveau en eventuele uitloop
                                gehandhaafd blijft (zie uitspraak van de CRvB van 14 mei 1992, nr.
                                AW 1990/562).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende
                                werkzaamheden is een veel minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden
                                van een andere betrekking. De voorwaarden waaraan moet worden
                                voldaan om de opdracht daartoe te kunnen geven zijn dan ook minder
                                stringent. Het dienstbelang moet - in tegenstelling tot het bepaalde
                                in het eerste lid - al aanwezig worden geacht als dat naar het
                                oordeel van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal slechts
                                kunnen toetsen of het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel
                                is gekomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar moet met werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid
                                direct beginnen, ook als hij daartegen bezwaren heeft in verband met
                                zijn persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort de
                                werking van het besluit niet op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aanvaarden andere werkzaamheden (T)</titel></kop><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op grond van dit artikellid valt een ambtenaar die op grond van
                                artikel 15:1:11, tweede lid, is aangewezen om taken te verrichten in
                                het kader van de Wet rampen en zware ongevallen voor wat betreft die
                                werkzaamheden onder leiding en toezicht van het college van de
                                gemeente waar een ramp of zwaar ongeval plaatsvindt. Daartoe zijn
                                dus geen individuele detacheringsovereenkomsten nodig. Het college
                                van de gemeente waar de ambtenaar is aangesteld, blijft de formele
                                werkgever van desbetreffende ambtenaar en de rechtspositie van die
                                gemeente blijft, ook voor onderhavige werkzaamheden in het kader van
                                de Wrzo, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vergoeding van schade (T)</titel></kop><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op
                            de schuldige of nalatige ambtenaar te verhalen. Bij elk schadegeval zal
                            daarover door het college een beslissing moeten worden genomen, met name
                            over de vraag of de schuld of nalatigheid van de ambtenaar van dien aard
                            is dat zij geheel op hem kan worden verhaald of dat met een
                            gedeeltelijke schadevergoeding kan worden volstaan. Overigens moet men
                            natuurlijk niet voor elk wissewasje naar dit artikel grijpen. In elke
                            organisatie komen ‘bedrijfsongevalletjes’ voor die inherent zijn aan
                            menselijk handelen. Deze zijn meestal wel aan iemand toe te rekenen,
                            maar de woorden ‘schuld’ en ‘nalatigheid’ wijzen er toch wel op dat het
                            moet gaan om zaken waarover men de ambtenaar echt een verwijt kan
                            maken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Plichten rekenplichtige ambtenaar (T)</titel></kop><al>Hierbij gaat het om iedere ambtenaar die beroepshalve geld int en/of
                            uitgeeft, bijvoorbeeld via een loketkas of op andere wijze financiële
                            waarden beheert. Het betreft hier dus niet alleen degenen die
                            ontvangersfuncties bekleden op grond van het bepaalde in artikel 212 van
                            de Gemeentewet. Genoemd artikel bepaalt dat de administratie en het
                            beheer van vermogenswaarden van de gemeente worden verricht door de bij
                            de in dat lid bedoelde regels aan te wijzen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Beoordeling van de ambtenaar (T) </titel></kop><al>De aan dit artikel ten grondslag liggende beoordelingsregeling behoeft
                            de instemming van de ondernemingsraad, dit op grond van het bepaalde in
                            artikel 27, eerste lid, onderdeel g van de Wet op de
                            ondernemingsraden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Dragen van uniform of dienstkleding (T)</titel></kop><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid kan bijvoorbeeld een
                            collegebesluit worden opgesteld waarin wordt bepaald dat het niet
                            geoorloofd is voor ambtenaren die baliewerkzaamheden verrichten of
                            anderszins regelmatig in contact treden met burgers, in een korte broek
                            op de werkplek te verschijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Standplaats (T)</titel></kop><al>Wat betreft de verplichting voor de ambtenaar in of nabij de standplaats
                            te wonen, dient rekening gehouden te worden met het vierde Protocol bij
                            het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                            fundamentele vrijheden. In artikel 2, eerste lid van dat Protocol is
                            immers het volgende individuele grondrecht van elke burger - dus ook van
                            die burger die in een arbeidsrelatie tot de overheid staat -
                            geformuleerd: ‘een ieder die zich wettig op het grondgebied van een
                            (verdragsluitende) staat bevindt, heeft het recht zich daar vrij te
                            verplaatsen en er in vrijheid plaats van verblijf te kiezen’. Op dit
                            grondrecht kan ingevolge artikel 2, derde lid van hetzelfde Protocol
                            slechts inbreuk worden gemaakt bij wet en indien de daarin op te leggen
                            beperkingen ‘in een democratische samenleving nodig zijn in het belang
                            van ’s lands veiligheid of de openbare veiligheid, ter handhaving van de
                            openbare orde, ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming
                            van de gezondheid of ter bescherming van de rechten en vrijheden van
                            anderen’.</al><al>De beperking op het individuele grondrecht is neergelegd in artikel
                            15:1:17. Een relevante uitspraak in dit verband is de uitspraak van de
                            Centrale Raad van Beroep van 20 april 1990 (TAR 1990, nr. 139). In deze
                            zaak is geoordeeld dat de relevante verdragsartikelen verdragspartijen
                            niet verbieden aan de vervulling van een ambtelijke betrekking te
                            verbinden dat de ambtenaar in de omgeving van zijn werkplek dient te
                            wonen, op voorwaarde dat die begrenzing van de woonomgeving in een
                            functionele relatie tot die betrekking staat. Aan die voorwaarde is
                            volgens de Centrale Raad voldaan indien de grenzen van dit woongebied
                            zodanig zijn vastgesteld dat in redelijkheid kan worden gezegd dat,
                            wanneer de ambtenaar buiten dat gebied gaat wonen, de goede vervulling
                            van zijn functie te zeer in het gedrang komt. Dit laatste kan zich
                            bijvoorbeeld voordoen wanneer de reistijden excessief lang zijn of
                            wanneer de ambtenaar in verband met de aard van zijn functie niet snel
                            genoeg op zijn werkplek aanwezig kan zijn. Hierbij valt te denken aan
                            bijvoorbeeld de brandweercommandant, het hoofd interne zaken of de
                            gemeentesecretaris. Het aspect van calamiteiten die zich in een gemeente
                            kunnen voordoen speelt hierbij een rol.</al></artikel><artikel><kop><titel>Dienstwoning (T)</titel></kop><al>Een huis is pas een dienstwoning in de zin van dit artikel als het voor
                            een goede vervulling van zijn werkzaamheden noodzakelijk is dat de
                            ambtenaar in een bepaald huis woont (zie artikel 18:1:3). Te denken valt
                            aan portiers- of conciërgewoningen. Einde van het dienstverband brengt
                            dan de verplichting met zich mee de dienstwoning te verlaten.</al><al>De woning die door de gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt
                            gesteld zonder dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet
                            verrichten en het gebruik van de woning een duidelijk verband bestaat,
                            wordt ook wel ‘dienstwoning’ genoemd, maar is in feite een normale
                            huurwoning. Einde van het dienstverband betekent dan niet automatisch
                            het einde van de huurovereenkomst. In die gevallen geldt de normale
                            huurbescherming.</al></artikel><artikel><kop><titel>Reis- en verblijfkosten (T)</titel></kop><al>De vergoeding van reis- en verblijfkosten van reizen in het belang van
                            de dienst is een onderdeel van de rechtspositie dat onderwerp uitmaakt
                            van het lokale domein. Hetzelfde geldt overigens voor de kosten
                            woon-werkverkeer voor de niet-verhuisplichtige ambtenaar. Hiermee wordt
                            bedoeld dat het hier een zaak betreft die niet is geregeld in CAR of
                            UWO. In veel gemeenten wordt het Besluit van 1 maart 1993, houdende
                            vaststelling van het Reisbesluit binnenland voor het burgerlijk
                            rijkspersoneel (Reisbesluit binnenland, Stbl. 1993, 144), van
                            overeenkomstige toepassing verklaard.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18454.pdf">pdf74</extref></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Reisregeling binnenland</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Vergoeden van schade (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De schade die hier bedoeld wordt, moet zijn geleden als gevolg van
                                de vervulling van zijn betrekking. Deze beperking betekent niet dat
                                alleen schade die het directe gevolg is van het werk dat de
                                ambtenaar verricht, vergoed wordt. Er moet een zodanig verband zijn
                                met de betrekking, dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan
                                (althans niet op die tijd en plaats) als de ambtenaar niet aan het
                                werk zou zijn geweest. Bij het bepalen van de hoogte van de
                                schadevergoeding mag rekening worden gehouden met normale slijtage.
                                Voorkomen moet worden dat de ambtenaar ongerechtvaardigd voordeel
                                geniet, wat het geval zou zijn wanneer als schadevergoeding de
                                nieuwwaarde van een goed wordt betaald, terwijl het goed deze
                                waarden niet meer had op het moment van de schade. In het algemeen
                                zal geen schade vergoed hoeven worden bij diefstal van een fiets uit
                                een fietsenstalling of diefstal van een jas uit een garderobe, omdat
                                deze goederen doorgaans niet nodig zijn voor de uitoefening van de
                                functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld in welke gevallen
                                de schade aan een eigen auto wordt vergoed, die is opgelopen tijdens
                                een dienstreis. Deze bepaling is opgenomen als gevolg van een
                                uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 1995 waar in
                                een ledenbrief van het College voor Arbeidszaken van 27 juli 1995
                                (kenmerk ARZ/505527) nader op wordt ingegaan. Er wordt niets
                                geregeld over de hoogte van de vergoeding die betaald dient te
                                worden. Dit kan de schade aan de eigen auto zijn, dan wel het
                                verlies aan no-claimkorting. Er is bewust voor gekozen af te zien
                                van de verplichting voor de ambtenaar een all-riskverzekering af te
                                sluiten omdat dit niet in alle gevallen in redelijkheid kan worden
                                opgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Gebruik van motorrijtuig (T)</titel></kop><al>Het gebruik van de eigen auto ten behoeve van de dienst is gebonden aan
                            toestemming van het college ter voorkoming van een ongelimiteerd
                            gebruik. Wanneer toestemming is verleend, mag de ambtenaar verwachten
                            dat de gemaakte kosten die voortvloeien uit het gebruik van de eigen
                            auto worden vergoed. De juridische basis hiervoor is gelegen in artikel
                            15:1:22. Als voorwaarde verbonden aan de toestemming de eigen auto te
                            gebruiken ten behoeve van dienstreizen, kan bijvoorbeeld het afsluiten
                            van een all-riskverzekering worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Schadeloosstelling (T)</titel></kop><al>Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad
                            alle inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak
                            nodig heeft. Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of
                            dreigt voor te doen het college met de aan de raad ten dienste staande
                            middelen ter verantwoording roepen. </al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                            opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de
                            raad inlicht over een voornemen tot een schadeloosstelling of vergoeding
                            van kosten. Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de
                            bijzondere financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst
                            met de betrokken ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van
                            artikel 169 Gemeentewet. Hierin wordt bepaald dat het college de raad
                            vooraf inlicht over een besluit tot privaatrechtelijk handelen indien
                            dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. </al></artikel><artikel><kop><titel>Borstvoeding (T)</titel></kop><al>Ingevolge dit artikel dient de werkgever een ruimte beschikbaar te
                            stellen waar de ambtenaar borstvoeding kan kolven of kan zogen. Deze
                            voorziening kan in de plaats komen van de gelegenheid die de ambtenaar
                            krijgt haar kind zelf te voeden. Bij dit alles speelt de redelijkheid
                            een belangrijke rol.</al></artikel><artikel><kop><titel>Benadeling positie gemeentelijke organisatie (T)</titel></kop><al>Dit artikel bevat een zorgplicht voor de gemeente voor de werknemers in
                            de zin van artikel 2:4 (aanstelling) en 2:5 (arbeidsovereenkomst) die
                            (plaatsvervangend) lid zijn van de commissie voor georganiseerd overleg.
                            Dezelfde plicht ligt er ten aanzien van de werknemers die anderszins
                            door de vakorganisaties zijn aangewezen om vakbondsactiviteiten te
                            vervullen. Het gaat daarbij om de activiteiten waarvoor zij op grond van
                            artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kunnen genieten.</al><al>De zorgplicht is te vergelijken met die voor de ondernemingsraadsleden,
                            opgenomen in artikel 21, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden.
                            Omdat zij door de uitoefening van hun taak kwetsbaarder zijn dan andere
                            werknemers, is deze extra rechtsbescherming in de CAR/UWO opgenomen.
                            Daardoor wordt gewaarborgd dat zij onafhankelijk in de onderneming
                            kunnen optreden zolang zij door hun vakorganisatie daarvoor een
                            aanwijzing hebben gekregen. Het gaat daarbij om benadeling in
                            promotiekansen, verslechtering van werkomstandigheden, gedwongen
                            overplaatsing, schorsing vanwege vakbondsactiviteiten en het niet
                            verlengen van een aanstelling/arbeidsovereenkomst. De feitelijke
                            handelwijze van de gemeente moet gelijk zijn aan het handelen wanneer
                            betrokkene de vakbondsactiviteiten niet zou vervullen. De werknemer die
                            zich desondanks benadeeld voelt, kan zich wenden tot de administratieve
                            kamer van de arrondissementsrechtbank (aanstelling) of de kantonrechter
                            (arbeidsovereenkomst).</al></artikel><artikel><kop><titel>Klokkenluiders (T)</titel></kop><al>Het verdient aanbeveling dat het college de raad informeert over de
                            vaststelling van de klokkenluidersregeling en de wijzigingen daarin. De
                            raad kan het college ter verantwoording roepen over het gevoerde beleid
                            ter zake van de meldingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Plichtsverzuim (T)</titel></kop><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een ambtenaar te
                            straffen. Deze zeer ruime formulering van de strafbaarstelling brengt
                            met zich dat het bestuursorgaan zeer zorgvuldig te werk moet gaan
                            alvorens een straf op te leggen. In de eerste plaats moeten feiten in
                            die zin bewezen worden dat zij in rechte kunnen worden aangetoond.
                            Daarbij moeten bepaalde gedragingen van betrokkene als verwijtbaar
                            worden aangemerkt. Het aspect van de verwijtbaarheid speelt nogal eens
                            een rol wanneer een bestuursorgaan tot strafontslag wil overgaan in een
                            geval waarbij de ambtenaar zich niet bereid toont op het spreekuur van
                            de bedrijfsarts te komen. Uiteraard moet het hierbij om een zwaar
                            dossier gaan; dit vergt dossieropbouw. Met het opleggen van een
                            dergelijke sanctie loopt het bestuursorgaan het risico dat het
                            strafontslag ongedaan wordt gemaakt op grond van het feit dat de
                            gedragingen de betrokkene niet kunnen worden verweten. In dit verband
                            speelt artikel 15:1:1 een rol; dit artikel bepaalt onder meer dat de
                            ambtenaar gehouden is zich te gedragen als een goed ambtenaar
                            betaamt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Disciplinaire straffen (T)</titel></kop><al>In het eerste lid worden de disciplinaire straffen limitatief opgesomd.
                            De straffen lopen uiteen van een schriftelijke berisping tot een
                            strafontslag. In dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor artikel
                            8:15:1, dat gaat over de schorsing als ordemaatregel. Wat betreft
                            onderdeel e dient te worden opgemerkt dat het niet-uitbetalen van het
                            salaris - ten hoogste tot een bedrag overeenkomend met het salaris over
                            een halve maand - slechts eenmaal kan worden opgelegd.</al><al>Het is mogelijk een combinatie van straffen op te leggen. De op te
                            leggen straf dient in overeenstemming te zijn met het plichtsverzuim.
                            Het besluit een straf toe te passen, zoals genoemd in artikel 16:1:2,
                            eerste lid, is een besluit ingevolge de Awb.</al><al>Het derde lid biedt de mogelijkheid om een voorwaardelijke straf op te
                            leggen. De voorwaarden dienen redelijk te zijn; er dient rekening te
                            worden gehouden met de belangen van de organisatie en die van de
                            ambtenaar. Ook de termijn waarbinnen de voorwaarde kan worden vervuld,
                            dient redelijk te zijn. Wanneer een ambtenaar bijvoorbeeld geruime tijd
                            heeft gefraudeerd met het tijdsregistratiesysteem, kan worden
                            afgesproken dat betrokkene strafontslag wordt verleend wanneer hij
                            binnen enkele maanden na een afgesproken tijdstip zich wederom schuldig
                            maakt aan hetzelfde feit. Wanneer aan een voorwaarde is voldaan, wordt
                            de straf ten uitvoer gelegd. Een dergelijk uitvoeringsbesluit is een
                            besluit in de zin van de Awb, hetgeen betekent dat de betreffende
                            ambtenaar vooraf gehoord dient te worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verantwoording (T)</titel></kop><al>Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot
                            strafoplegging de ambtenaar schriftelijk meegedeeld. Betrokkene dient
                            allereerst te worden gehoord om zijn zienswijze kenbaar te kunnen maken.
                            Het gaat hier immers om een besluit waar de ambtenaar niet om gevraagd
                            heeft en waar hij naar verwachting bezwaar tegen zal hebben, waarbij de
                            beschikking zal steunen op gegevens of feiten die de ambtenaar betreffen
                            en die hij niet zelf heeft verstrekt. Artikel 16:1:3 kan begrepen worden
                            als een uitwerking van de hoorprocedure ingevolge de Awb (artikel
                            4:8).</al><al>Dit horen kan pas plaatsvinden na een afkoelingsperiode van zes dagen en
                            kan niet later gebeuren dan na 12 dagen na ontvangst van de
                            schriftelijke mededeling waarin het voornemen tot het opleggen van een
                            disciplinaire straf wordt aangekondigd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Persoonlijk ontwikkelingsplan (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het persoonlijk ontwikkelingsplan is de basis van de
                                loopbaanontwikkeling en van de ontwikkeling van de kennis en
                                vaardigheden van de medewerker. Vorm en inhoud zijn in beginsel
                                vrij, dat wil zeggen dat het plan zowel kan bestaan uit een korte
                                feitelijke aanduiding van een opleidingsafspraak als uit een meer
                                uitgebreide afspraak over – door beide partijen – te ondernemen
                                ontwikkelingsactiviteiten in brede zin. Ook kan het accent liggen op
                                activiteiten die alleen de medewerker zal ondernemen of op
                                inspanningen die beide partijen zich zullen getroosten. Ook de mate
                                waarin het initiatief voor het doen van voorstellen voor de inhoud
                                van het persoonlijk ontwikkelingsplan bij de medewerker dan wel bij
                                de leidinggevende ligt, kan van geval tot geval uiteenlopen.</al><al>Essentieel is, dat het persoonlijk ontwikkelingsplan gezamenlijk
                                wordt vastgesteld door leidinggevende en medewerker. Bij ontbreken
                                van overeenstemming is uiteindelijk de beslissing van de
                                leidinggevende namens de werkgever een voor beroep vatbaar
                                besluit.</al><al>Bij dit laatste dient bedacht te worden dat het in het algemeen niet
                                of nauwelijks denkbaar is, dat de werkgever meer aan
                                opleidingsinspanningen van de medewerker kan eisen dan waartoe deze
                                bereid is, afgezien van de opleidingen die krachtens artikel 15:1:26
                                in het kader van een goede functie-uitoefening noodzakelijk zijn te
                                achten. Een besluit dat voor beroep vatbaar is, zal doorgaans alleen
                                in de omgekeerde situatie kunnen voorkomen: de medewerker wil meer
                                dan de werkgever wil of kan toestaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten minste een maal per drie jaar dient een persoonlijk
                                ontwikkelingsplan te worden vastgesteld.</al><al>De medewerker heeft daar recht op. Overigens kunnen partijen in
                                onderling overleg concluderen dat er bijvoorbeeld in een bepaalde
                                periode geen reden is voor bijzondere inspanningen of
                                afspraken.</al><al>Het is in de praktijk ook denkbaar dat er vaker, bijvoorbeeld
                                jaarlijks, een gesprek plaatsvindt tussen leidinggevende en
                                medewerker over onderwerpen die van belang zijn voor de ontwikkeling
                                van kennis en vaardigheden en de loopbaan van de medewerker. De
                                voortgang van de eerdere afspraken kan aan de orde komen. Het
                                vastleggen van de afspraken in een dergelijk gesprek kan worden
                                gezien als een nieuw persoonlijk ontwikkelingsplan. Het ligt in de
                                rede dat deze gesprekken in het kader van het functioneringsgesprek
                                en/of beoordelingsgesprek plaatsvinden, maar noodzakelijk is dat
                                niet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan dient te passen in
                                het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals dat is neergelegd in het
                                gemeentelijk opleidingsplan.</al><al>De verplichting van het college om een opleidingsplan vast te
                                stellen is niet met zoveel woorden in de tekst opgenomen, omdat het
                                hier niet gaat om een deel van de persoonlijke rechtspositie. De
                                individuele medewerker heeft dus niet het recht om een
                                opleidingsplan te eisen en hij kan er ook niet direct rechten aan
                                ontlenen of tegen in beroep komen. De Ondernemingsraad kan er om
                                vragen en heeft conform de Wet op de ondernemingsraden
                                instemmingsrecht met het opleidingsplan. Dit plan kan voor de gehele
                                gemeente tegelijk worden vastgesteld, maar uiteraard is het ook
                                mogelijk, en in veel situaties zelfs meer voor de handliggend, dat
                                het per sector of dienstonderdeel wordt vastgesteld. Ook de
                                frequentie waarmee het wordt vastgesteld kan verschillen.</al><al>Behalve inhoudelijke doelen en criteria voor de gewenste opleidingen
                                waarmee het beoogde profiel van de organisatie als geheel of het
                                betrokken onderdeel kan worden bereikt, kan het opleidingsplan ook
                                budgettaire en organisatorische randvoorwaarden bevatten. </al><al>Ook kan in het opleidingsplan worden geformuleerd of en zo ja tot
                                welke grenzen of onder welke voorwaarden de werkgever bereid is in
                                het kader van goed werkgeverschap of stimulering van mobiliteit mee
                                te werken aan opleidingen, die primair het persoonlijke
                                loopbaanbelang van medewerkers dienen en maar ten dele het directe
                                dienstbelang.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Studies en andere ontwikkelingsactiviteiten die in het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan staan en passen in het gemeentelijk opleidingsplan
                                worden volledig bekostigd. Indien ze niet in die termen vallen, kan
                                er wellicht wel enige faciliteit worden verstrekt, maar dat valt
                                buiten de formeel geregelde rechten van medewerkers.</al><al>Bij de kostenvergoeding wordt niet langer verschil gemaakt tussen
                                een deeltijder en een voltijder. Beiden hebben bij gelijke afspraken
                                ook gelijke aanspraken op vergoeding van kosten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Naast de vergoeding van kosten wordt ook het noodzakelijke verlof
                                door de werkgever verleend. Verlof met behoud van bezoldiging, maar
                                ook andere vormen van medewerking door de werkgever worden
                                vastgelegd. Te denken valt aan afspraken over de inroostering van
                                werktijden, inzet op een bepaald project dat directe relatie heeft
                                met de gevolgde opleiding en het ter beschikking stellen van
                                technische hulpmiddelen. Er is geen vast stramien vastgelegd hoeveel
                                verlof noodzakelijk is. Van geval tot geval zullen partijen samen
                                dienen te bepalen wat het begrip noodzakelijk in redelijkheid dient
                                in te houden. Uiteraard mag er een beroep op de betrokken medewerker
                                worden gedaan om ook eigen tijd in de ontwikkeling van zijn loopbaan
                                te investeren, maar andersom is het redelijk dat de werkgever
                                rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden en de zwaarte van
                                de studie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken gemaakt over
                                de concrete keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding
                                zal worden gevolgd, de voorwaarden waaronder de opleiding of andere
                                activiteiten worden uitgevoerd, wat de consequenties zijn van
                                tussentijdse complicaties zoals voortijdige beëindiging of
                                onderbreking, verandering van functie of ontslag. Of en zo ja welke
                                afspraken er over eventuele terugbetaling van de vergoeding worden
                                vastgelegd is een zaak van lokaal beleid. Uiteraard kan daarbij
                                worden betrokken wat het niveau van de kosten is, in wiens primaire
                                belang de kosten zijn gemaakt en wat de reden en termijn is van het
                                ontslag.</al><al>Aard en omvang van de te maken kosten worden in redelijkheid
                                vastgesteld. Doorgaans zal de kostenkwestie al bij de keuze van de
                                opleiding aan de orde komen. Minstens zal het gaan om de kosten van
                                de opleiding zelf, de kosten van studiemateriaal en de kosten van
                                reizen en eventueel verblijf. Voor de verdere activiteiten die
                                worden afgesproken is moeilijk eenduidig een indicatie te geven van
                                de relevante kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Begripsomschrijvingen (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel zijn de verschillende begrippen gedefinieerd. Bij de
                                definitie van het begrip ‘eigen huishouding voeren’ is de eis
                                opgenomen dat het gaat om het zelfstandig bewonen van woonruimte.
                                Iemand die bij zijn ouders inwoont komt dus niet in aanmerking voor
                                een volledige verhuiskostenvergoeding.</al><al>De drie inkomsten die bij punt f onder 1 tot en met 3 vermeld
                                worden, worden slechts meegenomen bij de berekeningsbasis voorzover
                                zij naast de bezoldiging worden genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat
                                hoofdstuk 18 niet van toepassing is op de oproepkracht.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i18456.pdf">pdf76</extref></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Verplaatsingskostenregeling 1989</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel><artikel><kop><titel>Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel regelt de aanspraak op tegemoetkoming in verhuiskosten
                                voor ambtenaren die in verband met een verplaatsing of
                                indiensttreding moeten verhuizen. Zie ook de toelichting bij artikel
                                15:1:17.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit lid is bedoeld om te voorkomen dat een betrokkene niet op de
                                hoogte is van de terugbetalingsverplichting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een werknemer die een dienstwoning betrekt, heeft recht op dezelfde
                                tegemoetkoming in de verhuiskosten als een werknemer die vanwege
                                dienstbelang dient te verhuizen naar een huur- of koopwoning. Zie
                                artikel 15:1:18.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De kosten voor het in- en uitpakken van breekbare zaken worden
                                vergoed; dit is expliciet geregeld. Het inpakken van andere goederen
                                door de transporteur dient door de betrokkene zelf te worden
                                betaald.</al><al>De bedragen voor transportkosten en dubbele woonkosten worden
                                vastgesteld op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Het maakt
                                niet uit of de dubbele woonkosten betrekking hebben op huishuur,
                                hypotheeklasten of beide.</al><al>Het bedrag voor de andere kosten (onderdeel C) beoogt niet
                                kostendekkend te zijn.</al><al>De Belastingdienst hanteert maxima voor de bedragen die fiscaal
                                onbelast kunnen worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wie zelfstandig, dus niet als alleenstaande bij de ouders inwonend,
                                woonruimte bewoont met eigen inboedel en stoffering komt in
                                aanmerking voor de vergoeding. Het is aan te nemen dat een
                                kamerbewoner lagere verhuiskosten maakt dan iemand die een groot
                                huis achterlaat. Daarom is er een differentiatie naar het aantal
                                achter te laten kamers. Dit voorkomt dat de gemeente gaat meebetalen
                                aan de inrichting van een groter huis. De differentiatie naar
                                bezoldiging is gebaseerd op de gedachte dat er tussen de waarde van
                                de inboedel en het inkomen een zekere relatie bestaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij een verhuizing waarbij beide levenspartners zijn betrokken,
                                wordt voor beide personen de berekeningsbasis vastgesteld. De
                                tegemoetkoming wordt vervolgens toegekend op grond van de hoogste
                                berekeningsbasis. Voor deeltijders wordt de berekeningsbasis
                                vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking (tenzij die
                                deeltijder tevens een andere betrekking heeft die eveneens aanspraak
                                geeft op een vergoeding).</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Om te voorkomen dat een betrokkene die geen eigen huishouding
                                voerde, en dus een nieuwe inrichting moet kopen, zich op kosten van
                                de gemeente gaat inrichten, is geregeld dat hij niet voor een
                                vergoeding in aanmerking komt. In bijzondere omstandigheden kan
                                hierop een uitzondering worden gemaakt. Bijvoorbeeld in de situatie
                                dat een werknemer tijdelijk elders wordt geplaatst en dus tijdelijk
                                andere woonruimte moet betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Tegemoetkoming woon- werkverkeer (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In principe komen alleen werknemers die verhuisplichtig zijn in
                                aanmerking voor een tegemoetkoming in de reiskosten.</al><al>Omdat de reiskosten voor verhuisplichtigen relatief hoog kunnen
                                zijn, is het van belang om in het oog te houden of er wel voldoende
                                inspanningen worden verricht om aan de verhuisverplichting te
                                voldoen. De tegemoetkoming in de reis- en pensionkosten komt
                                automatisch te vervallen als de werknemer niet binnen twee jaar na
                                het ontstaan van de verhuisverplichting is verhuisd (zie art.
                                18:1:4). De verplichting om te verhuizen blijft overigens wel
                                bestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vervallen (T)</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming woon-werkverkeer
                                (T)</titel></kop><al>Dit artikel regelt een vergoeding voor de betrokkene wiens plaats van
                            tewerkstelling door het bevoegde gezag is aangewezen als een plaats van
                            tewerkstelling die niet per openbaar vervoer is te bereiken of wiens
                            plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen tijden niet per openbaar
                            vervoer is te bereiken. Ondanks het feit dat de betrokkene niet de
                            verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan
                            wonen, heeft de betrokkene toch op grond van de rechtspositieregeling
                            recht op een kilometervergoeding voor woon-werkverkeer. De hoogte van
                            deze vergoeding wordt bepaald door het bevoegde gezag en geldt voor de
                            gehele duur van de dienstbetrekking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Pensionkosten (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wat onder redelijk gemaakte pensionkosten verstaan moet worden is
                                niet zonder meer te zeggen; dit zal regionaal en per seizoen kunnen
                                verschillen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze bepaling is opgenomen om er op toe te kunnen zien of betrokkene
                                wel genoeg inspanningen verricht om snel te verhuizen (opdat
                                onnodige kosten worden voorkomen).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Procedure tegemoetkoming verhuiskosten (T)</titel></kop><al>Het is aan te raden de in dit artikel genoemde termijnen strikt te
                            hanteren: bij overschrijding van de termijnen zal het namelijk niet
                            altijd meer mogelijk zijn de aanvraag respectievelijk de bedragen te
                            toetsen. Vanzelfsprekend dient de werknemer over deze termijnen te
                            worden geïnformeerd. Het niet voldoen aan de voorwaarden leidt tot het
                            vervallen van de aanspraken op vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Slotbepaling (T)</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij wijze van
                            uitzondering van de gestelde regels af te wijken, zowel in individuele
                            gevallen als voor groepen van personen. Bijvoorbeeld bij ingrijpende
                            reorganisaties en daarmee gepaard gaande verplaatsingen kan op grond van
                            dit artikel een aanvullend sociaal beleid gevoerd worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><al>Vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer zijn ambtenaren. Daarom
                            moet het college op grond van artikel 125 van de Ambtenarenwet een
                            rechtspositieregeling voor hen vaststellen. De rechtspositie van de
                            vrijwilligers bij de brandweer wordt in dit hoofdstuk geregeld. De
                            overige hoofdstukken van de CAR/UWO zijn niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Overleg met vakorganisaties (T)</titel></kop><al>In artikel 125 van de Ambtenarenwet wordt bepaald dat het bevoegd gezag
                            van een gemeente voorschriften vaststelt over de wijze waarop met de
                            daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel
                            overleg wordt gepleegd. Dit artikel is een uitwerking van die bepaling.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst (T)</titel></kop><al>Een vrijwilliger kan in vaste of in tijdelijke dienst aangesteld worden.
                            Een tijdelijke aanstelling kan alleen bij wijze van proef, dus om te
                            beoordelen of de vrijwilliger goed functioneert en geschikt is voor de
                            brandweerdienst. Een aanstelling op proef ligt vooral voor de hand als
                            de vrijwilliger nog in opleiding is. De tijdelijke aanstelling wordt
                            altijd aangegaan voor een van te voren omschreven periode. Deze periode
                            wordt vermeld in de aanstelling. Een eerste tijdelijke aanstelling kan
                            verleend worden voor ten hoogste twee jaren. Uitgangspunt is dat in die
                            periode bekeken wordt of de vrijwilliger in aanmerking kan komen voor
                            een vaste aanstelling, is dat niet het geval dan eindigt het
                            dienstverband. Na afloop van de eerste tijdelijke aanstelling kan er ook
                            nog onduidelijkheid zijn over het functioneren van de vrijwilliger;
                            bijvoorbeeld omdat de vrijwilliger lange tijd ziek is geweest. Daarom is
                            het mogelijk om in bijzondere situaties een tweede tijdelijke
                            aanstelling te verlenen. De maximale termijn voor een tijdelijke
                            proefaanstelling is drie jaar en er kunnen maximaal twee tijdelijke
                            aanstellingen verleend worden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Voorwaarden voor aanstelling (T)</titel></kop><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt een aantal eisen aan de
                            vrijwilliger. Een belangrijke voorwaarde is dat de vrijwilliger blijkens
                            een geneeskundig onderzoek in staat geacht kan worden de op te dragen
                            werkzaamheden naar behoren te verrichten. Dit betekent dat een
                            vrijwilliger voordat hij aangesteld kan worden een keuring moet
                            ondergaan. Daarna wordt de vrijwilliger periodiek gekeurd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vervallen (T)</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bevordering (T)</titel></kop><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt opleidingseisen aan de
                            verschillende rangen. Bevordering naar een volgende rang kan alleen
                            plaatsvinden indien de vrijwilliger het daarvoor benodigde diploma heeft
                            behaald. Het is overigens niet zo dat het behalen van een diploma recht
                            geeft op bevordering; hierover beslist het college. Dit artikel beoogt
                            niet in te grijpen in lokale aanstellings- en
                            bevorderingsbesluiten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vervallen (T)</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Informatie aan hoofdwerkgever (T)</titel></kop><al>De meeste vrijwilligers hebben een baan in loondienst. Om als
                            vrijwilliger goed inzetbaar te zijn is het van belang dat de
                            hoofdwerkgever medewerking hieraan verleent. Het kan immers voorkomen
                            dat een vrijwilliger onder werktijd werkzaamheden voor de brandweer moet
                            verrichten. Ook dienen zowel de gemeente als de hoofdwerkgever bij het
                            vaststellen van de werktijden rekening te houden met de
                            Arbeidstijdenwet; de werkzaamheden voor de brandweer worden namelijk
                            meegeteld als arbeidstijd in het kader van de Arbeidstijdenwet. </al><al>De vrijwilliger moet de gemeente informatie geven over zijn
                            hoofdwerkgever die er, onder meer, toe strekt dat de gemeente in contact
                            kan komen met de hoofdwerkgever. De vrijwilliger heeft daarnaast de
                            plicht om zijn hoofdwerkgever te informeren over een aantal praktische
                            zaken die bij het vrijwilligerschap horen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Vergoeding (T)</titel></kop><al>Voor een zeer beperkte groep vrijwilligers geldt een aangepaste
                            vergoedingentabel. De aangepaste tabel geldt voor de zeer beperkte
                            categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot
                            het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het
                            gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden
                            als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde
                            voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke
                            Pensioenwet (ABP). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt
                            gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                            uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de
                            wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat
                            vrijwilligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het
                            ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding
                            werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu nog
                            vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen
                            opbouwen bij het ABP. </al><al>Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen
                            ABP-deelnemer. Voor hen is deze aparte vergoedingentabel niet van
                            belang, maar geldt de reguliere vergoedingentabel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Jaarvergoeding en vergoeding voor oefeningen, cursussen en
                                overige werkzaamheden (T)</titel></kop><al>In deze paragraaf worden de vergoedingen geregeld. De vergoeding valt
                            uiteen in een jaarvergoeding en een aantal vergoedingen per activiteit.
                            De hoogte van de vergoeding verschilt per rang en per activiteit; zie
                            hiervoor de bijlage. </al><al>Een deel van de vergoeding wordt door de fiscus aangemerkt als
                            onkostenvergoeding. Omdat de mogelijkheid om een deel van de vergoeding
                            onbelast te verstrekken gebaseerd is op fiscale wetgeving is dit niet in
                            de artikelen nogmaals geregeld. </al><al>De systematiek is als volgt. In de jaarvergoeding is een bedrag begrepen
                            ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de
                            beroepsuitoefening. Deze vergoeding bedraagt voor alle vrijwilligers €
                            136,- per jaar. In de jaarvergoeding voor officieren is een
                            onkostenvergoeding begrepen van € 2,- per activiteit die in het kader
                            van de beroepsuitoefening is verricht, niet zijnde daadwerkelijke
                            brandbestrijding en hulpverlening. </al><al>Voor de vrijwilligers beneden de rang van adjunct-hoofdbrandmeester
                            (niet zijnde de brandmeester, tevens ondercommandant) werkt het iets
                            anders. Voor elke betaalde activiteit is in de vergoeding daarvoor een
                            onkostenvergoeding begrepen van € 2,-. </al></artikel><artikel><kop><titel>Vergoeding voor langdurige aanwezigheid (T)</titel></kop><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is bedoeld voor activiteiten
                            die een groot tijdsbeslag leggen op de agenda van de vrijwilliger of
                            waarvoor de vrijwilliger verlof moet opnemen in zijn hoofdbetrekking.
                            Als voorbeeld kan dienen het deelnemen aan oefeningen in het buitenland;
                            dit neemt vaak meerdere dagen in beslag. Als de vrijwilliger recht heeft
                            op de langdurigheidstoeslag komt deze in de plaats van de vergoeding uit
                            kolom twee, de vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                            werkzaamheden.</al><al>De vrijwilliger ontvangt een vergoeding voor langdurige aanwezigheid
                            wanneer hij vijf uur of langer ingezet wordt. De vergoeding geldt voor
                            alle uren van de inzet; duurt de inzet bijvoorbeeld zes uur dan ontvangt
                            de vrijwilliger over alle zes uren de vergoeding voor langdurige
                            aanwezigheid. De vergoeding wordt alleen verstrekt over die uren waarin
                            daadwerkelijk geoefend wordt of een cursus gevolgd wordt; de reistijd
                            bijvoorbeeld telt dus niet mee voor de berekening van de vijf uren en
                            over deze tijd wordt ook geen vergoeding verstrekt. De vergoeding voor
                            langdurige aanwezigheid is evenmin bedoeld als vergoeding voor
                            kazerneringsdiensten. Wanneer een gemeente werkt met
                            kazerneringsdiensten voor vrijwilligers dan moet hiervoor op grond van
                            artikel 19:19 lokaal een vergoedingsregeling vastgesteld worden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Consignatievergoeding (T)</titel></kop><al>Deze vergoeding wordt alleen verstrekt wanneer een vrijwilliger zich
                            buiten de kazerne ter beschikking moet houden om opgeroepen te
                            worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Kazerneringsdienst (T)</titel></kop><al>LOGA-partijen hebben in het onderhandelingsakkoord over de vrijwilligers
                            bij de brandweer, d.d. 15 mei 2009, afgesproken dat onderzoek verricht
                            zal worden naar de in het land gebruikte bedrijfsvoeringsmodellen voor
                            de inzet van brandweervrijwilligers. Naar aanleiding van de uitkomsten
                            van het onderzoek treden LOGA-partijen opnieuw met elkaar in overleg
                            over de rechtspositie van de vrijwilliger. De mogelijkheid om lokaal een
                            regeling te treffen over vergoeding van kazerneringsdiensten is daardoor
                            van tijdelijke aard.</al></artikel><artikel><kop><titel>Gratificatie (T)</titel></kop><al>Het toekennen van een gratificatie is alleen mogelijk als hiertoe lokaal
                            een regeling is opgesteld. Deze regeling moet specifiek betrekking
                            hebben op vrijwilligers bij de brandweer. </al><al>De lokale regeling over gratificaties en andere vormen van flexibele
                            beloning is niet van toepassing op de vrijwilligers.</al></artikel><artikel><kop><titel>Fiscaal aantrekkelijke regelingen (T)</titel></kop><al>Artikel 4a:3 van de CAR/UWO maakt het mogelijk om een lokale regeling te
                            treffen met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Als een gemeente
                            een dergelijke regeling heeft dan mag de vrijwilliger hier ook gebruik
                            van maken. Of de vrijwilliger ook daadwerkelijk fiscaal voordeel geniet
                            hangt van individuele factoren en of de vrijwilliger voldoet aan de
                            eisen die de fiscus stelt aan gebruikmaking van de regeling. Het
                            openstellen van deze regelingen voor vrijwilligers betekent dus niet
                            automatisch dat de vrijwilliger hier ook gebruik van kan maken.</al><al>De voorwaarden die in de lokale regeling gesteld zijn ten aanzien van
                            deelname zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwilliger. Biedt
                            de lokale regeling ook andere aanspraken dan alleen de mogelijkheid van
                            gebruikmaking van fiscaal gunstige voorzieningen, dan zijn deze andere
                            aanspraken niet van toepassing op de vrijwilliger. Dit artikel voorziet
                            enkel in de mogelijkheid om de vrijwilliger de mogelijkheid te geven om
                            binnen de fiscale randvoorwaarden gebruik te maken van fiscaal gunstige
                            regelingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ongevallenverzekering (T)</titel></kop><al>Het college is verplicht om een ongevallenverzekering voor de
                            vrijwilliger af te sluiten. Deze verzekering voorziet in een financiële
                            uitkering wanneer de vrijwilliger overlijdt of tijdelijk of blijvend
                            arbeidsongeschikt raakt als gevolg van een ongeval tijdens de
                            brandweerdienst. Een goede informatievoorziening over de inhoud van de
                            verzekering is van groot belang; daarom heeft de werkgever de plicht om
                            de vrijwilliger bij indiensttreding te informeren en relevante
                            wijzigingen te melden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Vergoeding geneeskundige kosten (T)</titel></kop><al>De medische kosten van een vrijwilliger zullen grotendeels vergoed
                            worden door de zorgverzekeraar. Een deel van de kosten kan echter voor
                            rekening blijven van de vrijwilliger; de ongevallen verzekering biedt
                            hiervoor een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verzekering zelfstandig ondernemers (T)</titel></kop><al>De gevolgen van een dienstongeval zijn voor vrijwilligers die
                            zelfstandig ondernemer zijn vaak groter dan voor vrijwilligers in
                            loondienst. De vrijwilliger in loondienst heeft vanuit zijn
                            hoofdbetrekking immers recht op loondoorbetaling gedurende twee jaar.
                            Voor de zelfstandig ondernemer is dit afhankelijk van de verzekering die
                            hij zelf tegen arbeidsongeschiktheid heeft afgesloten. Om die reden
                            geven LOGA-partijen gemeenten het advies om een aanvullende verzekering
                            af te sluiten. Deze aanvullende verzekering is echter niet
                            verplicht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Schade aan kleding en uitrusting (T)</titel></kop><al>Als de vrijwilliger schade lijdt als gevolg van zijn werkzaamheden wordt
                            dit in onder voorwaarden vergoed door het college. Dit artikel beperkt
                            zich tot de schade aan kleding en uitrusting en schade aan het voertuig
                            waarmee de vrijwilliger een dienstreis maakt. Voor de duidelijkheid
                            wordt opgemerkt dat de vrijwilliger voorafgaand toestemming nodig heeft
                            van het college om bij een dienstreis gebruik te maken van de eigen
                            auto. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding mag de
                            werkgever rekening houden met normale slijtage. Het is niet de bedoeling
                            dat de medewerker een onrechtvaardig voordeel geniet door standaard de
                            schade te vergoeden op basis van de nieuwwaarde van een goed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Zwangerschap(T)</titel></kop><al>De werkgever is wettelijk verplicht om ervoor te zorgen dat een vrouw
                            veilig en gezond kan werken tijdens de zwangerschap; hierover zijn
                            regels vastgelegd in wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden en
                            arbeidstijden. De eisen die aan de werkgever gesteld worden, in
                            combinatie met de aard van het brandweerwerk zijn van dien aard dat
                            ervoor gekozen is om zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven
                            uit de repressieve brandweerdienst te halen. Dit geldt ook voor vrouwen
                            die korter dan zes maanden geleden zijn bevallen. Deelname aan
                            brandweeroefeningen is alleen toegestaan nadat voorafgaand overleg is
                            geweest met de bedrijfsarts en toestemming verleend is. Om deze regeling
                            goed uit te kunnen voeren is het belangrijk dat een vrouwelijke
                            vrijwilliger in een zo vroeg mogelijk stadium haar zwangerschap
                            meldt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Beschikbaarheid van de vrijwilliger (T)</titel></kop><al>De organisatie van de vrijwillige brandweer verschilt per korps. Veel
                            korpsen werken met het vrije instroomprofiel, anderen werken met
                            consignatie- of kazerneringsdiensten voor vrijwilligers. In alle
                            gevallen is het van belang dat de vrijwilliger voldoende beschikbaar is
                            voor de brandweerdienst en dat de korpsleiding ervan op de hoogte is wie
                            wel en wie niet beschikbaar is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Verplichtingen (T)</titel></kop><al>Dit artikel legt een verband met de plichten die een vrijwilliger heeft
                            op grond van zijn aanstelling. Het biedt de grondslag om een
                            disciplinaire maatregel op te leggen wegens plichtsverzuim.</al></artikel><artikel><kop><titel>Eed of belofte (T)</titel></kop><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw
                            aan te stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Dit is
                            een van de middelen om bewuster om te gaan met integriteit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verboden (T)</titel></kop><al>Overtreding van deze artikelen levert plichtsverzuim op; dit kan leiden
                            tot een disciplinaire straf. Bij persoonlijk gebruik van goederen van de
                            gemeente kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het gebruik van een
                            brandweervoertuig voor een privéverhuizing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Gebruik van motorrijtuig (T)</titel></kop><al>Gebruik van de eigen auto voor dienstreizen is alleen toegestaan wanneer
                            het college daarvoor toestemming heeft verleend. Indien de vrijwilliger
                            zonder toestemming van het college toch de eigen auto gebruikt dan zal
                            ingeval van eventuele schade het college niet gehouden zijn tot
                            vergoeding daarvan.</al><al>Het al dan niet verlenen van toestemming is niet van invloed op de
                            aansprakelijkheid van het college jegens derden ex artikel 6:170 van het
                            Burgerlijk Wetboek. Dit artikel stelt dat de werkgever aansprakelijk is
                            voor schade die aan een derde wordt toegebracht door één van de
                            werknemers.</al></artikel><artikel><kop><titel>Kledingvoorschrift (T)</titel></kop><al>Vrijwilligers dragen dezelfde uniformen en onderscheidingstekenen als de
                            beroepsbrandweerlieden. De bij de rangen behorende
                            onderscheidingstekenen zijn te vinden in de Regeling uniformkleding en
                            onderscheidingstekenen rijksbrandweerpersoneel. Grondslag voor deze
                            regeling is Artikel 65, eerste lid, Algemeen Rijksambtenarenreglement.
                            Hierin staat dat de ambtenaar verplicht is de dienstkleding en de
                            onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister is
                            voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Disciplinaire straffen (T)</titel></kop><al>Tijdens de periode van schorsing als disciplinaire straf wordt als regel
                            de vergoeding ingehouden. Het gaat hier om zowel de vaste als de
                            variabele vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Algemeen (T)</titel></kop><al>In dit hoofdstuk is de aanstellingskeuring en de periodieke medische
                            keuring voor repressief brandweerpersoneel geregeld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Algemeen (T)</titel></kop><al>Omdat het werk in repressieve dienst bijzondere eisen stelt aan de
                            medische geschiktheid van de medewerker en gevaren met zich mee kan
                            brengen voor de medewerker zelf en voor derden die zijn betrokken bij
                            zijn werkzaamheden, wordt de medewerker in repressieve dienst
                            onderworpen aan een aanstellingskeuring en een periodiek medische
                            keuring. De keuringen zijn verplicht voor medewerkers (beroeps en
                            vrijwilligers) in een functie van manschap a en b of bevelvoerder zoals
                            vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. Het college heeft
                            de mogelijkheid andere functies aan te wijzen waarvoor de
                            aanstellingskeuring en periodieke medische keuring wordt verplicht.
                            Uitgangspunt hierbij moet wel zijn dat het uitoefenen van de functie
                            belastend is voor de gezondheid van de medewerker, danwel risico’s voor
                            derden met zich meebrengt. Hierbij dient de Wet op de medische keuringen
                            in acht te worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Aanstellingskeuring (T)</titel></kop><al>Al het brandweerpersoneel dat in dienst treedt in een functie van
                            manschap A en B of bevelvoerder moet gekeurd worden. Dit zijn de
                            functies binnen de brandweer waarbij aan medewerkers bijzondere eisen
                            aan de medische geschiktheid worden gesteld. Dit geldt zowel voor
                            beroepspersoneel als voor vrijwilligers. Lokaal kan worden vastgesteld
                            bij welke andere functies ook gekeurd moet worden. </al><al>Hierbij moet rekening worden gehouden met de Wet op de medische
                            keuringen. Deze staat een aanstellingskeuring alleen toe als aan de
                            vervulling van de functie, waarop de aanstelling betrekking heeft,
                            bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden
                            gesteld. Onder medische geschiktheid voor de functie wordt begrepen de
                            bescherming van de gezondheid en veiligheid van degene die gekeurd wordt
                            en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid. </al><al>De inhoud van de aanstellingskeuring is vastgelegd in bijlage VIIa van
                            de CAR. Deze aanstellingskeuring is in opdracht van het LOGA door het
                            Coronel instituut ontwikkeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vanwege bescherming van de gezondheid en veiligheid van de
                                brandweermedewerker en vanwege de bescherming van de gezondheid en
                                veiligheid van derden bij de uitvoering van de arbeid is het
                                noodzakelijk om de medische geschiktheid van de medewerker ook na
                                aanstelling te blijven toetsen. Daarom zijn regels gesteld over het
                                Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). Uit het PPMO volgt
                                een oordeel over de medische geschiktheid van de medewerker voor de
                                uitoefening van zijn functie. Het PPMO geeft daarnaast een prognose
                                over de belastbaarheid van de medewerker in de nabije toekomst.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De inhoud van het PPMO is ontwikkeld door het Coronel Instituut in
                                samenwerking met de sociale partners en mensen uit de
                                brandweerbranche. Het PPMO geeft inzicht in de ontwikkeling van de
                                belastbaarheid. Met de keuring is beoogd in te schatten of de
                                medewerker voldoet aan de bijzondere eisen aan medische geschiktheid
                                die de functie vereist. Dit ter bescherming van de gezondheid van de
                                medewerker en ter bescherming van derden die betrokken zijn bij het
                                werk van de medewerkers. Als uit het PPMO blijkt dat de medewerker
                                nu of op termijn zijn werkzaamheden niet meer kan uitvoeren dan
                                ondernemen de werkgever en de medewerker gezamenlijk actie. Doel
                                hierbij is de medewerker klaar te stomen voor een andere functie.
                                Het LOGA zal in overleg met de NVBR een handreiking maken over hoe
                                omgegaan kan worden met keuringresultaten en welke stappen er
                                genomen kunnen worden. Naar verwachting is deze handreiking in het
                                voorjaar van 2011 gereed. </al></lid><lid><lidnr>3 en 4</lidnr><al>De frequentie van het PPMO is gekoppeld aan de leeftijd van de
                                medewerker. Bij indiensttreding wordt het PPMO afgenomen als
                                nulmeting. Vervolgens wordt iedere medewerker die jonger is dan 40
                                jaar eenmaal per 4 jaar getest. Medewerkers tussen de 40 en 50 jaar,
                                eens per twee jaar en medewerkers ouder dan 50 worden ieder jaar
                                getest. Met deze frequentie is aangesloten bij het oude besluit
                                brandweerpersoneel en dus bij de frequenties van de oude medische
                                testen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Fysieke test (T)</titel></kop><al>De functie van manschap a en b en bevelvoerder stelt bijzondere eisen
                            aan de fysieke conditie van de medewerker. Jaarlijks wordt de fysieke
                            conditie daarom getoetst. De functiespecifieke test van het PPMO kan
                            hiervoor gebruikt worden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Werkingssfeer (T)</titel></kop><al>Alle genoemde functies, zonder onderscheid in junior of senior, behoren
                            tot de doelgroep van dit hoofdstuk. </al></artikel><artikel><kop><titel>Begripsbepaling (T)</titel></kop><al>Een instelling kan zowel kunsteducatie aanbieden als ondersteuning
                            hierbij leveren. Ook een combinatie van het aanbieden en het leveren van
                            ondersteuning is mogelijk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Verdeling van werkzaamheden (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>De werkgever moet een regeling vaststellen waarin per discipline de
                                verhouding wordt vastgesteld van de verschillende soorten
                                werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren. Het
                                sjabloon, opgenomen in bijlage IVa, waarin de werkzaamheden binnen
                                lesgebonden en niet-lesgebonden uren worden opgesomd, is het handvat
                                voor de lokale regeling. Aan de hand van kenmerken van de instelling
                                en de discipline worden onderdelen uit het sjabloon opgenomen in de
                                lokale regeling. </al><al>Zo zal in instellingen die uit meerdere vestigingen bestaan de
                                reistijd die nodig is om tussen de verschillende vestigingen te
                                reizen van invloed zijn op de verhouding lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren. Wanneer bepaalde werkzaamheden worden
                                verricht op verschillende locaties zullen meer niet-lesgebonden uren
                                nodig zijn dan wanneer dezelfde werkzaamheden op één locatie worden
                                uitgevoerd. </al><al>In de regeling kan per discipline een afwijking op de verhouding
                                lesgebonden versus niet-lesgebonden uren worden opgenomen. De
                                voorwaarden voor deze afwijking, die ook in de regeling zijn
                                opgenomen, bepalen welke verhouding voor de individuele ambtenaar
                                geldt. </al><al>Voorbeeld: Voor de discipline gitaardocent is in de lokale regeling
                                vastgelegd dat de standaardverhouding X% lesgebonden uren en Y%
                                niet-lesgebonden uren is. Als afwijking is in de regeling opgenomen
                                dat een gitaardocent met minder dan 3 jaar ervaring 5% meer
                                niet-lesgebonden uren krijgt voor de voorbereiding van lessen. Voor
                                hem geldt dan een verhouding van X – 5% lesgebonden uren en Y + 5%
                                niet-lesgebonden uren. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt de regeling vast. Maar het college doet dat niet
                                voordat er via open en reëel overleg overeenstemming over is bereikt
                                tussen de werkgever en de OR. Wanneer een van de partijen vindt dat
                                het overleg over deze lokale regeling niet juist heeft
                                plaatsgevonden, legt het college de regeling op basis van de WOR ter
                                instemming voor aan de OR. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Uitloopbedragen (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De uitloopbedragen gelden voor alle ambtenaren in de kunsteducatie
                                en zijn erop gericht om wat langer financieel perspectief te bieden.
                            </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorbeeld De heer Van de Wel heeft op 1 augustus 2009 zijn
                                periodieke verhoging gehad naar periodiek 15 van schaal 8 (dit is de
                                maximumperiodiek). De eerstvolgende verhoging naar uitloopbedrag 1
                                van schaal 8 vindt pas na 2 jaar plaats: per 1 augustus 2011. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Recht op toelage onregelmatige dienst (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het werken op onregelmatige tijden (de tijden buiten de reguliere
                                kantoortijden) is gebruikelijk in de kunsteducatie. Voor het werken
                                op zondag wordt een toelage onregelmatige dienst verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>2 en 4</lidnr><al>Hoofdregel is dat de compensatie voor het werken op zondag wordt
                                verstrekt in de vorm van extra vrije tijd. Mochten zowel het college
                                als de ambtenaar dat wensen dan kan de compensatie ook in geld in
                                plaats van vrije tijd worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De extra vrije tijd die de ambtenaar krijgt voor het werken op
                                zondag, wordt niet, zoals bij vakantie-uren het geval is,
                                ingeroosterd in de verplicht vrije periode conform artikel 19b:11,
                                lid 1. Deze extra vrije tijd wordt op verzoek van de ambtenaar
                                verleend. Dit verzoek dient te worden getoetst aan de algemene
                                regels over de duur van de vakantie van artikel 6:2:1, eerste
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Algemene toelichting op paragraaf 3 (T)</titel></kop><al>Ambtenaren die onder de werking van dit hoofdstuk vallen, hebben meer
                            vrij dan een reguliere gemeenteambtenaar. Dit resulteert in een lager
                            aantal te werken uur per jaar. Een reguliere ambtenaar werkt 1.677,6 uur
                            per jaar op basis van een fulltime betrekking (1.836 uur -/- 158,4
                            vakantie-uren). Een ambtenaar die onder de werking van dit hoofdstuk
                            valt, werkt 1656 uur per jaar.</al><al>Deze 1656 uur per jaar komen als volgt tot stand:</al><lijst><li nr="-"><al>een volledige betrekking bedraagt 1836 uur per jaar </al></li><li nr="-"><al>aftrek van het standaard aantal vakantie-uren van 158,4 uur per
                                    jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van extra vakantie-uren van 21,6 uur per jaar.</al><al>Hier wordt gefaseerd naar toe gewerkt (zie artikel 19b:13).</al></li></lijst><al>De extra vakantie-uren van 21,6 uur per jaar worden toegekend omdat
                            cursorisch onderwijs in de sector met zich meebrengt dat het
                            onderwijzend personeel beperkter is in de vakantieopname dan reguliere
                            gemeenteambtenaren. Voorwaarde voor het krijgen van deze extra
                            vakantie-uren is dat voor de ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al>een deel van het jaar is aangemerkt als verplichte
                                    vakantieperiode, of</al></li><li nr="-"><al>een deel van het jaar geen vakantie kan worden opgenomen door
                                    toewijzing van lessen/cursussen.</al><al>Deze 21,6 uur geldt voor fulltimers. Voor parttimers is dat naar
                                    rato. Wanneer een ambtenaar voldoet aan bovenstaande voorwaarden
                                    is de totale hoeveelheid vakantieverlof 180 uur per jaar (158,4
                                    + 21,6).</al></li></lijst><al>Hoewel kortdurend cursorisch onderwijs in opkomst is, komt langlopend
                            cursorisch onderwijs nog steeds erg veel voor. Bij het vaststellen van
                            de perioden voor langlopend cursorisch onderwijs houdt de werkgever
                            rekening met 12 lokale schoolvakantieweken, waarvan de ambtenaar zich
                            gedurende 1 week beschikbaar moet houden voor werkzaamheden van
                            organisatorische aard. Onderwijzend personeel heeft daarom vakantie in
                            de perioden dat er geen cursorisch onderwijs is ingepland. Dit betekent
                            dat onderwijzend personeel verplicht vrij is in de 12 lokaal
                            vastgestelde vakantieweken. Hiervan kan worden afgeweken: </al><lijst><li nr="-"><al>met instemming van de ondernemingsraad of </al></li><li nr="-"><al>na overeenstemming daarover tussen de werkgever en de
                                    individuele ambtenaar.</al></li></lijst><al>De te werken uren moeten worden verdeeld over het jaar, afhankelijk van
                            het aantal verplicht vrije weken, dat lokaal is vastgesteld. Hieronder
                            wordt in een aantal voorbeelden toegelicht hoe de feitelijke arbeidsduur
                            per week bepaald wordt. Overigens hoeft de instelling niet voor alle
                            ambtenaren die werkzaam zijn binnen de instelling dezelfde verdeling te
                            hanteren. Het is mogelijk dat voor een deel van het personeel alle
                            vakantie-uren opgenomen moeten worden in de 12 verplichte vrije weken
                            terwijl voor een ander deel van het personeel (een deel van) de
                            vakantie-uren vrij opneembaar zijn. </al><al>Hieronder volgt een aantal voorbeelden waarbij telkens:</al><lijst><li nr="-"><al>bij bullet 1 wordt aangegeven hoe men vanuit 1656 uur per jaar
                                    komt tot het aantal te werken uren per dag en</al></li><li nr="-"><al>bij bullet 2 wordt aangegeven hoeveel uur verlof de ambtenaar
                                    (rekentechnisch) opneemt per verlofdag. Dit is relevant te weten
                                    bij samenloopsituaties van verplicht vrije perioden met
                                    bijvoorbeeld ziekte, zwangerschaps- of bevallingsverlof en
                                    ouderschapsverlof.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 1: Een instelling hanteert 12 verplicht vrije weken. Er zijn
                            dan: </al><lijst><li nr="-"><al>40 werkweken (52 – 12 verplicht vrije weken) met een feitelijke
                                    arbeidsduur van 41,4 uur (1656 / 40) per week. Dit is 8,28 uur
                                    per dag. </al></li><li nr="-"><al>12 weken verplicht vrij waarin de ambtenaar 180 (158,4 + 21,6) /
                                    12 = 15 uur per week = 3 uur per dag verlof opneemt. Per
                                    verplicht vrije dag worden dus 3 vakantie-uren ingeleverd.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 2: Een instelling hanteert 12 verplicht vrije weken, maar
                            medewerkers moeten 1 week hiervan werkzaamheden voor de instelling
                            verrichten. Er zijn dan: </al><lijst><li nr="-"><al>41 werkweken (52 – 11 verplicht vrije weken) met een feitelijke
                                    arbeidsduur van 40,39 uur (1656 / 41) per week. Dit is 8,08 uur
                                    per dag. </al></li><li nr="-"><al>11 weken verplicht vrij waarin de ambtenaar 180 (158,4 + 21,6) /
                                    11 = 16,36 uur per week = 3,27 uur per dag verlof opneemt. Per
                                    verplicht vrije dag worden dus 3,27 vakantie-uren
                                    ingeleverd.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 3 (bij artikel 19b:10 lid 2): Een instelling kiest met
                            instemming van de OR of in overeenstemming met de individuele ambtenaar
                            voor een combinatie van verplicht vrije periodes met vrij opneembare
                            vakantie-uren. De instelling kiest voor 1 week vrij opneembare vakantie
                            en 6 verplicht vrije weken. Er zijn dan: </al><lijst><li nr="-"><al>45 werkweken (52 – 7 vrije weken) met een feitelijke arbeidsduur
                                    van 36,8 uur (1656 / 45) per week. Dit is 7,36 uur per dag.
                                </al></li><li nr="-"><al>6 weken verplicht vrij + 1 week vrij opneembaar vakantie waarin
                                    de ambtenaar (180 (158,4 + 21,6) / 7 = 25,71 uur per week = 5,14
                                    uur per dag verlof opneemt. Per verplicht vrije dag en vrij
                                    opneembare dag worden dus 5,14 vakantie-uren ingeleverd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Vaststellen van het rooster (T)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>De werkgever maakt zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2
                                maanden na ingang van het cursusjaar, een rooster van de in dat
                                cursusjaar te werken uren. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als een geplande cursus niet doorgaat, moet de werkgever bekijken of
                                een nieuw rooster moet worden gemaakt. Op die manier wordt voorkomen
                                dat een ambtenaar, van wie een cursus niet doorgaat, aan het eind
                                van een cursusjaar nog veel uren extra moet werken om het
                                voorgeschreven aantal te werken uren per jaar te behalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsrecht (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Afgesproken is dat het aantal daadwerkelijk te werken uren 1656 uur
                                per jaar bedraagt op basis van een volledige betrekking. Deze 1656
                                uur komt als volgt tot stand:</al><lijst><li nr="-"><al>een volledige betrekking bedraagt 1836 uur per jaar </al></li><li nr="-"><al>aftrek van het standaard vakantieverlof van 158,4 uur per
                                        jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van extra vakantieverlof van 21,6 uur per jaar.</al></li></lijst><al>Omdat ambtenaren in veel instellingen tot 1 januari 2009 een lager
                                aantal te werken uren per jaar kennen is overgangsrecht
                                overeengekomen. Het overgangsrecht houdt in dat de ambtenaar vanaf 1
                                januari 2009 elk jaar 72 uur meer gaat werken totdat men het te
                                werken aantal uren van 1656 bereikt. Voor instellingen die minder
                                dan 72 uur van de 1656 uur af zitten, wordt het aantal te werken
                                uren verhoogd tot 1656 uur.</al><al>Voorbeeld: In instelling A werkt het onderwijzend personeel
                                momenteel na aftrek van het standaard aantal vakantie-uren 1440 uren
                                per jaar. De werkgever van deze instelling werkt in stappen van 72
                                uur per jaar toe naar 1656 werkuren per jaar:</al><lijst><li nr="-"><al>per 1 januari 2009: 1440 + 72 = 1512 uur per jaar
                                        werken;</al></li><li nr="-"><al>per 1 januari 2010: 1512 + 72 = 1584 uur per jaar
                                        werken;</al></li><li nr="-"><al>per 1 januari 2011: 1584 + 72 = 1656 uur per jaar
                                        werken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien tijdens de overgangsfase nieuwe ambtenaren worden aangesteld,
                                geldt voor deze nieuwe ambtenaren het aantal te werken uur zoals op
                                dat moment geldt voor de al in dienst zijnde ambtenaren. Het aantal
                                te werken uren van deze nieuwe ambtenaren wordt vervolgens op
                                gelijke wijze verhoogd als bij de in dienst zijnde ambtenaren. </al><al>Voorbeeld: In instelling A (dezelfde instelling als in het vorige
                                voorbeeld) wordt op 1 januari 2010 een nieuwe ambtenaar aangesteld.
                                Deze ambtenaar met een volledige betrekking werkt in 2010 1584 uur.
                                Vanaf 1 januari 2011 werkt deze ambtenaar 1656 uur per jaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn (T)</titel></kop><al>Bij het verhogen van het aantal te werken uren per jaar geldt tot 2012
                            een ontslagverbod als er te weinig werk voorhanden is om de meer te
                            werken uren per jaar in te vullen. Het ontslagverbod geldt alleen als de
                            verhoging van het aantal te werken uren uitsluitend oorzaak is voor
                            overtolligheid. Ontslag op een andere grond wel is geoorloofd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een verplicht
                                vrije periode (T)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Conform artikel 19b:11, eerste lid, kan een ambtenaar een verplicht
                                vrije periode worden opgelegd in bepaalde weken van het jaar. Die
                                verplichte vrije periode kan samenlopen met een periode van
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof. Daarnaast wordt deze ambtenaar
                                geacht in die verplicht vrije periode vakantie te genieten. Omdat er
                                slechts sprake kan zijn van één verlofvorm tegelijkertijd en in dit
                                geval zwangerschaps- en bevallingsverlof voorgaat op vakantie,
                                geniet de ambtenaar geen vakantie in die verplichte vrije periode.
                                Dit artikel regelt dat de ambtenaar bij deze samenloop een
                                compensatie krijgt voor de niet genoten vakantie-uren tot 144 uur
                                (het geldende minimum volgens de uitspraak van het Hof van Justitie
                                van de Europese Gemeenschappen van 6 april 2006 (C-124/05)). Het
                                aantal vakantie-uren dat gecompenseerd wordt, is afhankelijk van de
                                feitelijke arbeidsduur in de verplicht vrije periode (zie artikel
                                19b:10, lid 2 en de toelichting op paragraaf 3).</al><al>Voorbeeld 1:Een fulltime ambtenaar gaat eind 2009 3 weken
                                voorafgaand aan de jaarwisseling met zwangerschaps- of
                                bevallingsverlof. Haar verlof duurt tot en met week 13 van 2010. </al><al>De instelling werkt met 12 verplicht vrije weken per jaar,
                                waarvan</al><lijst><li nr="-"><al>de laatste week van 2009 vrij is in verband met de
                                        kerstvakantie, </al></li><li nr="-"><al>de eerste anderhalve week (8 werkdagen) van 2010 vrij is in
                                        verband met de kerstvakantie en</al></li><li nr="-"><al>week 8 van 2010 vrij is in verband met de voorjaarsvakantie.
                                    </al></li></lijst><al>Het vaststellen van 12 verplicht vrije weken per jaar. Hierdoor zijn
                                de 180 vakantie-uren verspreid over 12 weken, zijnde 60 (werk)dagen.
                                Per (werk)dag in de verplicht vrije periode genieten medewerkers dus
                                3 uur vakantie.</al><al><cursief>Berekening 2009</cursief>In 2009 loopt de periode van
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof dus samen met 1 week verplicht
                                vrij. </al><al>Betrokkene geniet 11 van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps-
                                en bevallingsverlof. In 11 verplicht vrije weken geniet betrokkene
                                wel vakantie met een totale omvang van 11 x 5 x 3 = 165 uren. Omdat
                                dit aantal hoger is dan 144 uur per jaar, krijgt betrokkene in 2009
                                geen compensatie. </al><al><cursief>Berekening 2010</cursief>In 2010 loopt de periode van
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof dus samen met 2 en een halve week
                                (13 werkdagen) verplicht vrij. </al><al>Betrokkene geniet op 13 werkdagen van de 12 verplicht vrije weken
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof. In 9 weken en 2 dagen verplicht
                                vrij geniet betrokkene wel vakantie met een totale omvang van (9 x 5
                                + 2) x 3 = 141 uren. Het aantal vakantie-uren dat gecompenseerd
                                wordt is daarom gelijk aan 144 – 141 = 3 uur.</al><al>Voorbeeld 2:Een fulltime ambtenaar is zwanger in 2013. Voor haar
                                zijn 12 verplicht vrije weken vastgesteld. De periode van
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof loopt samen met 5 weken verplicht
                                vrij in de zomer. </al><al>De 180 vakantie-uren zijn verspreid over 12 weken, zijnde 60
                                (werk)dagen. Per (werk)dag in de verplicht vrije periode geniet men
                                dus 3 uur vakantie. </al><al>Betrokkene geniet 5 van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps-
                                en bevallingsverlof. In 7 verplicht vrije weken geniet betrokkene
                                wel vakantie met een totale omvang van 7 x 5 x 3 = 105 uren. Het
                                aantal vakantie-uren dat gecompenseerd wordt is daarom gelijk aan
                                144 – 105 = 39 uur. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vakantie-uren die de ambtenaar gecompenseerd krijgt, worden niet,
                                zoals bij de normale vakantie-uren het geval is, ingeroosterd in de
                                verplicht vrije periode conform artikel 19b:11, lid 1. De
                                gecompenseerde vakantie-uren worden op verzoek van de ambtenaar
                                verleend. Dit verzoek dient te worden getoetst aan de algemene
                                regels over de duur van de vakantie van artikel 6:2:1, eerste
                                lid.</al><al>Voorbeeld:De ambtenaar uit het voorbeeld bij het eerste lid krijgt
                                39 uur gecompenseerd. Omdat deze ambtenaar in de te werken weken een
                                arbeidsduur heeft van 41,4 uur per week, kan deze ambtenaar 39 /
                                41,4 uur = 0,94 weken vakantie opnemen. </al><al>NOTA BENE Samenloop ziekte met een verplicht vrije periode Bij
                                samenloop tussen een verplicht vrije periode en ziekte geldt
                                dezelfde uitvoering als hiervoor is aangegeven, echter zonder het
                                maximum van 144 uur. De ambtenaar krijgt dus alle wegens ziekte niet
                                genoten vakantie-uren gecompenseerd. Dit is gelijk aan de regeling
                                voor de reguliere ambtenaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Toelichting paragraaf 4 (T)</titel></kop><al>Reorganisatieontslag kan verschillende redenen hebben. Een van de
                            redenen is dat uit de actie van het college als bedoeld in artikel
                            19b:16 blijkt dat er in het lopende cursusjaar minder ambtenaren met een
                            bepaalde functie nodig zijn voor het aantal cursussen en overige
                            werkzaamheden binnen de instelling dan de totale aanstellingsomvang van
                            deze ambtenaren met dezelfde functie. In dat geval kan (deeltijd)ontslag
                            worden aangezegd op grond van artikel 8:3. Een andere reden kan zijn dat
                            er door vermindering van subsidie minder arbeidsplaatsen mogelijk
                            zijn.</al><al>In deze paragraaf wordt geregeld welke rechten gelden bij
                            reorganisatieontslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>In navolging op de CAO-afspraak 2005-2007 voor reguliere
                                gemeenteambtenaren zijn partijen overeengekomen de vaststelling van
                                de ontslagvolgorde bij reorganisaties ook over te laten aan het
                                lokale overleg.</al><al>Mocht het lokale overleg nog niet tot een ontslagvolgorde zijn
                                gekomen voor ambtenaren in de instelling, dan geldt een
                                ontslagvolgorde die achtereenvolgens uitgaat van de drie genoemde
                                criteria. </al><al>Onderdeel cHet afspiegelingsbeginsel in combinatie met het
                                anciënniteitsbeginsel houdt in dat medewerkers die het kortst in
                                dienst zijn per leeftijdsgroep het eerst voor ontslag in aanmerking
                                komen. Bij het bepalen van het aantal medewerkers dat per
                                leeftijdsgroep voor ontslag in aanmerking wordt gebracht, wordt
                                getracht om de onderlinge verhouding van het aantal medewerkers in
                                elk van de leeftijdsgroepen gelijk te houden. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het achtereenvolgens hanteren van de in lid 2 genoemde criteria kan
                                in sommige gevallen onredelijk zijn. In uitzonderlijke gevallen kan
                                het college afwijken van deze ontslagvolgorde. Dit is het geval als
                                een bepaalde ambtenaar beschikt over zodanige kennis of
                                bekwaamheden, dat zijn ontslag voor het functioneren van de
                                instelling bezwaarlijk is. Zo kan het college bijvoorbeeld beslissen
                                dat een pianoleraar die als tweede bevoegdheid harp heeft, niet
                                ontslagen wordt ook al komt hij voor ontslag in aanmerking bij
                                toepassing van het afspiegelingsbeginsel. De kwalificatie van deze
                                docent, dat hij ook harplessen kan geven, maakt hem uniek voor de
                                instelling. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een formele
                                arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
                                formele arbeidsduur (T)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Dit artikel regelt de afwijkingen en de rechten voor onderwijzend
                                personeel in de kunstzinnige vorming in geval van
                                reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een formele
                                arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn
                                formele arbeidsduur. De reden van de afwijking is dat LOGA-partijen
                                vinden dat de langdurige verplichtingen voor zowel werkgever als
                                medewerker van hoofdstuk 10d niet in verhouding staan tot het
                                geringe verlies van arbeidsuren voor de medewerker. Daarom hebben
                                LOGA-partijen besloten dat hoofdstuk 10d in zijn geheel niet van
                                toepassing is.</al><al>Net als voor ambtenaren in de kunstzinnige vorming die voor 5 uur of
                                meer of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor de
                                helft of meer van hun oorspronkelijke arbeidsduur ontslagen worden,
                                geldt voor deze medewerkers bij ontslag op grond van artikel 8:3 de
                                ontslagvolgorde uit het vooraf vastgesteld plan. Zolang dat plan nog
                                niet is opgesteld, geldt ook voor hen de ontslagvolgorde die als
                                vangnetbepaling in artikel 19b:17 is opgenomen. </al><al>Los van wat individueel wordt afgesproken, geldt voor deze
                                ambtenaren een opzegtermijn van 3 maanden, waarbinnen zorgvuldig
                                onderzoek plaatsvindt om te beoordelen of de ambtenaar binnen de
                                openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op
                                te dragen zijn. Ontslag kan ook plaatsvinden als de ambtenaar deze
                                werkzaamheden weigert te aanvaarden. </al><al>Overigens kunnen ambtenaren met klein reorganisatieontslag als
                                bedoeld in dit artikel in plaats van de bovenwettelijke uitkeringen
                                uit hoofdstuk 10d recht hebben op de garantie-uitkering KV van
                                artikel 19b:19.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ontslagvolgorde uit het vooraf vastgesteld plan, of als dat nog
                                niet bestaat, de ontslagvolgorde uit artikel 19b:17 is van
                                toepassing op de ambtenaar. Al het andere uit het vooraf vastgesteld
                                plan geldt voor deze ambtenaren niet, tenzij voor deze ambtenaren op
                                individueel niveau nadere afspraken worden gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Garantie-uitkering KV (T)</titel></kop><lid><lidnr>9</lidnr><al>Onderdeel a</al><al>Dit onderdeel heeft onder meer betrekking op het recht op een
                                werkloosheidsuitkering dat kan ontstaan indien de ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>minder dan 5 uren of, bij een formele arbeidsduur van minder
                                        dan 10 uur, minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur
                                        verliest en</al></li><li nr="-"><al>binnen 12 maanden wederom minder dan 5 uren of, bij een
                                        formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, minder dan de
                                        helft van zijn formele arbeidsduur verliest</al></li></lijst><al>waardoor in die 12 maanden sprake is van een totaal verlies van
                                minimaal 5 uren of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10
                                uur, minimaal de helft van die oorspronkelijke arbeidsduur. De
                                ambtenaar moet wel zelf om de samentelling van de uren verzoeken om
                                een WW-uitkering te ontvangen. Dit is in aanvulling op de
                                Werkloosheidswet geregeld in het Besluit nadere regeling verlies van
                                arbeidsuren. In deze situatie ontstaat het recht op WW dus niet
                                automatisch. Indien het recht op een werkloosheidsuitkering kan
                                ontstaan, dus als de ambtenaar een verzoek om samentelling van zijn
                                arbeidsurenverlies kan doen, eindigt de garantie-uitkering. Dit
                                betekent dat als de ambtenaar geen verzoek indient voor een
                                WW-uitkering, maar hij er wel recht op heeft, de garantie-uitkering
                                KV ook stopt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Geen Toelichting (T)</titel></kop><al><vet>Hoofdstuk 20</vet></al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Begripsomschrijving (T)</titel></kop><al>Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling
                            van levenspartners aan echtgenoten van gehuwde ambtenaren. Artikel
                            21:1:1 bepaalt onder welke voorwaarden een levenspartner van een
                            ambtenaar gelijk wordt gesteld aan een echtgeno(o)t(e). </al><al>Het gaat daarbij om:</al><lijst><li nr="-"><al>de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde
                                    regelingen met betrekking tot</al><lijst><li nr="a"><al>aanspraken op bezoldiging tijdens militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>het verlof met behoud van bezoldiging wegens
                                            persoonlijke of familieomstandigheden;</al></li><li nr="c"><al>de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij
                                            voor de toepassing van artikel 8:16:3 de levenspartner
                                            als gezinslid wordt aangemerkt;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering
                                    bij overlijden van de wachtgelder;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>het recht op een uitkering;</al></li><li nr="b"><al>de uitkering bij overlijden van betrokkene;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de
                                    verhuiskosten-, de reiskosten- en de
                                    pensionkostenvergoeding;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering
                                    bij overlijden van de gewezen ambtenaar.</al></li></lijst><al>Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon
                            verlof regelt bij een huwelijk, kan er geen sprake zijn van het verlenen
                            van buitengewoon verlof bij het ondertekenen van een
                            samenlevingscontract.</al></artikel><artikel><kop><titel>Geen Toelichting (T)</titel></kop><al><vet>Hoofdstuk 22</vet></al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><artikel><kop><titel>Bijlage I Salarisverhoging</titel></kop><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                            bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin
                            opgenomen schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            1,25%, behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij
                            gemeentelijke zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1
                            augustus 1995 werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke
                            verpleegtehuizen of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat
                            zij in januari 1996 een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van
                            1,25% van de grondslag. De grondslag bestaat uit de over de maanden
                            augustus tot en met december 1995 genoten bezoldiging, vermeerderd met
                            8% vakantietoeslag. Deze uitkering wordt niet verstrekt aan personeel
                            dat voor 1 januari 1996 uit dienst is getreden en in de periode van 1
                            augustus tot en met 31 december 1995 minder dan 100 uur bij één
                            instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                            personeel van zorginstellingen van toepassing. </al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3%
                            van het jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            2,25%.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            1,0%.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in
                            die maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                            betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                            vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in
                            die maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                            betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                            vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig
                            verhoogd met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale
                            bedrag met ƒ 250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering
                            van 1,3% met een minimaal bedrag van ƒ 650,-.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met
                            1,9% met een maximum van ƒ 1.745,-.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd
                            naar 1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ
                            400,- naar ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering
                            eenmalig opgehoogd met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag
                            van € 511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3
                            %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5
                            %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt
                            verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag
                            verhoogd van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van
                            de eindejaarsuitkering het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2
                            %.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                            verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd
                            van € 611,- naar € 836,- bruto. </al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in
                            die maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige
                            betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                            vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de
                            uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft
                            opbouw als indexatie. </al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1
                            %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6
                            %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                            0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.
                            In 2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                            procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De
                            bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft €
                            836,-.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.
                            In 2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5
                            procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem
                            van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                            procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De
                            bodem in de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar €
                            1.750, -. Degenen die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn
                            van de gemeente ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een
                            eenmalige uitkering van 0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden
                            berekend over het salaris dat de medewerker ontvangen heeft in de maand
                            april 2010 vermenigvuldigd met de factor 12. Voor medewerkers met een
                            deeltijdbetrekking worden de twee eenmalige uitkeringen vastgesteld naar
                            rato van de betrekkingsomvang. De eenmalige uitkeringen zijn
                            pensioengevend en hebben geen invloed op de hoogte van bovenwettelijke
                            uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid (uitkeringen op grond
                            van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a, 10d, 11 en 11a van de CAR). </al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5%
                            en wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                            procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De
                            bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750,
                            -.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage II Schaalindeling</titel></kop><al><vet>Salaristabellen</vet></al><al>Deze bijlage bevat de schaalindeling, als onderdeel van de
                            bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid.</al><al>Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 januari 2011, oude structuur
                            (bijlage II)</al><al>Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 januari 2011, nieuwe structuur
                            (bijlage IIa)</al><table><tgroup cols="22"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth=""/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth=""/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth=""/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth=""/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth=""/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth=""/><colspec colname="col14" colnum="14" colwidth=""/><colspec colname="col15" colnum="15" colwidth=""/><colspec colname="col16" colnum="16" colwidth=""/><colspec colname="col17" colnum="17" colwidth=""/><colspec colname="col18" colnum="18" colwidth=""/><colspec colname="col19" colnum="19" colwidth=""/><colspec colname="col20" colnum="20" colwidth=""/><colspec colname="col21" colnum="21" colwidth=""/><colspec colname="col22" colnum="22" colwidth=""/><thead><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><vet>Nr.</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al><vet>Salaris 1-6-2008</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="1"><al><vet>Salaris 1-1-2011</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col23" namest="col4"><al><vet>Schaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col4"><al><vet>A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col12"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col13"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col14"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col15"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col16"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col17"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col18"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col19"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col20"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col21"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col22"><al><vet>18</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>A1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1351</al></entry><entry colname="col3"><al>1357</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>A2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1400</al></entry><entry colname="col3"><al>1407</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1451</al></entry><entry colname="col3"><al>1458</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>0</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1482</al></entry><entry colname="col3"><al>1490</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>0</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1515</al></entry><entry colname="col3"><al>1522</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1548</al></entry><entry colname="col3"><al>1556</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1579</al></entry><entry colname="col3"><al>1587</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1609</al></entry><entry colname="col3"><al>1617</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry><entry colname="col7"><al>2</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>0</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1621</al></entry><entry colname="col3"><al>1629</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>3</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1643</al></entry><entry colname="col3"><al>1651</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>6</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>2</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1679</al></entry><entry colname="col3"><al>1687</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>3</al></entry><entry colname="col7"><al>3</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1724</al></entry><entry colname="col3"><al>1733</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>4</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>3</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>0</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1733</al></entry><entry colname="col3"><al>1741</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>10</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1777</al></entry><entry colname="col3"><al>1786</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>7</al></entry><entry colname="col7"><al>4</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>1</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1840</al></entry><entry colname="col3"><al>1849</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>5</al></entry><entry colname="col8"><al>4</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1901</al></entry><entry colname="col3"><al>1911</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>6</al></entry><entry colname="col8"><al>5</al></entry><entry colname="col9"><al>3</al></entry><entry colname="col10"><al>2</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1911</al></entry><entry colname="col3"><al>1921</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>11</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1960</al></entry><entry colname="col3"><al>1970</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>9</al></entry><entry colname="col8"><al>6</al></entry><entry colname="col9"><al>4</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>0</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2019</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>11</al></entry><entry colname="col8"><al>7</al></entry><entry colname="col9"><al>5</al></entry><entry colname="col10"><al>3</al></entry><entry colname="col11"><al>1</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2075</al></entry><entry colname="col3"><al>2085</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>10</al></entry><entry colname="col9"><al>6</al></entry><entry colname="col10"><al>4</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>15a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2085</al></entry><entry colname="col3"><al>2096</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>13</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2132</al></entry><entry colname="col3"><al>2143</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>12</al></entry><entry colname="col9"><al>7</al></entry><entry colname="col10"><al>5</al></entry><entry colname="col11"><al>2</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2187</al></entry><entry colname="col3"><al>2198</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>8</al></entry><entry colname="col10"><al>6</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>17a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2202</al></entry><entry colname="col3"><al>2213</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>14</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>18</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2242</al></entry><entry colname="col3"><al>2253</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>11</al></entry><entry colname="col10"><al>7</al></entry><entry colname="col11"><al>3</al></entry><entry colname="col12"><al>0</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>19</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2300</al></entry><entry colname="col3"><al>2312</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>8</al></entry><entry colname="col11"><al>4</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>19a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2320</al></entry><entry colname="col3"><al>2331</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>13</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>20</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2356</al></entry><entry colname="col3"><al>2368</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>9</al></entry><entry colname="col11"><al>5</al></entry><entry colname="col12"><al>1</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>0</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>21</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2410</al></entry><entry colname="col3"><al>2422</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>6</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>21a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2438</al></entry><entry colname="col3"><al>2450</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>10</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>22</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2468</al></entry><entry colname="col3"><al>2480</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>7</al></entry><entry colname="col12"><al>2</al></entry><entry colname="col13"><al>0</al></entry><entry colname="col14"><al>1</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>23</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2527</al></entry><entry colname="col3"><al>2540</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>8</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>24</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2589</al></entry><entry colname="col3"><al>2601</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>9</al></entry><entry colname="col12"><al>3</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>2</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>25</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2658</al></entry><entry colname="col3"><al>2672</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>4</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>25a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2672</al></entry><entry colname="col3"><al>2685</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>10</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>26</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2722</al></entry><entry colname="col3"><al>2736</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>5</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>3</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>27</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2778</al></entry><entry colname="col3"><al>2791</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>6</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>28</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2838</al></entry><entry colname="col3"><al>2852</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>7</al></entry><entry colname="col13"><al>3</al></entry><entry colname="col14"><al>4</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>29</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2900</al></entry><entry colname="col3"><al>2914</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>8</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>30</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2958</al></entry><entry colname="col3"><al>2972</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>9</al></entry><entry colname="col13"><al>4</al></entry><entry colname="col14"><al>5</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>31</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3011</al></entry><entry colname="col3"><al>3026</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>31a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3027</al></entry><entry colname="col3"><al>3042</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>10</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>32</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3064</al></entry><entry colname="col3"><al>3080</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>5</al></entry><entry colname="col14"><al>6</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>34</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3173</al></entry><entry colname="col3"><al>3189</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>6</al></entry><entry colname="col14"><al>7</al></entry><entry colname="col15"><al>0</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>36</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3294</al></entry><entry colname="col3"><al>3310</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>7</al></entry><entry colname="col14"><al>8</al></entry><entry colname="col15"><al>1</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>38</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3401</al></entry><entry colname="col3"><al>3418</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>9</al></entry><entry colname="col15"><al>2</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>38a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3418</al></entry><entry colname="col3"><al>3436</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>8</al></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>40</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3508</al></entry><entry colname="col3"><al>3526</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>10</al></entry><entry colname="col15"><al>3</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>42</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3615</al></entry><entry colname="col3"><al>3633</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>11</al></entry><entry colname="col15"><al>4</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>44</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3736</al></entry><entry colname="col3"><al>3754</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>5</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>44a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3800</al></entry><entry colname="col3"><al>3819</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>12</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>46</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3854</al></entry><entry colname="col3"><al>3873</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>6</al></entry><entry colname="col16"><al>0</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>48</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3966</al></entry><entry colname="col3"><al>3986</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>7</al></entry><entry colname="col16"><al>1</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>50</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4078</al></entry><entry colname="col3"><al>4099</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>8</al></entry><entry colname="col16"><al>2</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>52</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4191</al></entry><entry colname="col3"><al>4211</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>9</al></entry><entry colname="col16"><al>3</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>54</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4299</al></entry><entry colname="col3"><al>4320</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>10</al></entry><entry colname="col16"><al>4</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>55</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4357</al></entry><entry colname="col3"><al>4379</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>55a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4378</al></entry><entry colname="col3"><al>4400</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>11</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>56</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4413</al></entry><entry colname="col3"><al>4435</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>5</al></entry><entry colname="col17"><al>0</al></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>58</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4525</al></entry><entry colname="col3"><al>4548</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>6</al></entry><entry colname="col17"><al>1</al></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>60</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4633</al></entry><entry colname="col3"><al>4657</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>7</al></entry><entry colname="col17"><al>2</al></entry><entry colname="col18"><al>0</al></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>62</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4746</al></entry><entry colname="col3"><al>4770</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>8</al></entry><entry colname="col17"><al>3</al></entry><entry colname="col18"><al>1</al></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>64</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4887</al></entry><entry colname="col3"><al>4911</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>9</al></entry><entry colname="col17"><al>4</al></entry><entry colname="col18"><al>2</al></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>65</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4956</al></entry><entry colname="col3"><al>4980</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>65a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4980</al></entry><entry colname="col3"><al>5005</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>10</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>66</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5026</al></entry><entry colname="col3"><al>5051</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al>5</al></entry><entry colname="col18"><al>3</al></entry><entry colname="col19"><al>0</al></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>68</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5167</al></entry><entry colname="col3"><al>5193</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al>6</al></entry><entry colname="col18"><al>4</al></entry><entry colname="col19"><al>1</al></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>70</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5308</al></entry><entry colname="col3"><al>5335</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al>7</al></entry><entry colname="col18"><al>5</al></entry><entry colname="col19"><al>2</al></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>71</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5376</al></entry><entry colname="col3"><al>5402</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>71a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5403</al></entry><entry colname="col3"><al>5430</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al>8</al></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>72</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5448</al></entry><entry colname="col3"><al>5476</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al>6</al></entry><entry colname="col19"><al>3</al></entry><entry colname="col20"><al>0</al></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>74</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5597</al></entry><entry colname="col3"><al>5625</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al>7</al></entry><entry colname="col19"><al>4</al></entry><entry colname="col20"><al>1</al></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>76</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5749</al></entry><entry colname="col3"><al>5778</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al>8</al></entry><entry colname="col19"><al>5</al></entry><entry colname="col20"><al>2</al></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>78</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5906</al></entry><entry colname="col3"><al>5936</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al>6</al></entry><entry colname="col20"><al>3</al></entry><entry colname="col21"><al>0</al></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>78a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5941</al></entry><entry colname="col3"><al>5970</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al>9</al></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>80</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6094</al></entry><entry colname="col3"><al>6125</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al>7</al></entry><entry colname="col20"><al>4</al></entry><entry colname="col21"><al>1</al></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>82</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6289</al></entry><entry colname="col3"><al>6320</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al>8</al></entry><entry colname="col20"><al>5</al></entry><entry colname="col21"><al>2</al></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>84</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6489</al></entry><entry colname="col3"><al>6522</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al>6</al></entry><entry colname="col21"><al>3</al></entry><entry colname="col22"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>84a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6524</al></entry><entry colname="col3"><al>6557</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al>9</al></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>86</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6696</al></entry><entry colname="col3"><al>6730</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al>7</al></entry><entry colname="col21"><al>4</al></entry><entry colname="col22"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>88</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6910</al></entry><entry colname="col3"><al>6944</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al>8</al></entry><entry colname="col21"><al>5</al></entry><entry colname="col22"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>90</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7131</al></entry><entry colname="col3"><al>7166</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al>6</al></entry><entry colname="col22"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>90a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7167</al></entry><entry colname="col3"><al>7203</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al>9</al></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>92</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7358</al></entry><entry colname="col3"><al>7395</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al>7</al></entry><entry colname="col22"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>94</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7593</al></entry><entry colname="col3"><al>7631</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al>8</al></entry><entry colname="col22"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>96 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7836</al></entry><entry colname="col3"><al>7875</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>96a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7875</al></entry><entry colname="col3"><al>7914</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al>9</al></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>98</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8086</al></entry><entry colname="col3"><al>8127</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>100</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8345</al></entry><entry colname="col3"><al>8387</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>102</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8612</al></entry><entry colname="col3"><al>8655</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>102a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8654</al></entry><entry colname="col3"><al>8697</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al>9</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth=""/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth=""/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth=""/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>periodiek</al></entry><entry colname="col2" nameend="col12" namest="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1357</al></entry><entry colname="col3"><al>1390</al></entry><entry colname="col4"><al>1426</al></entry><entry colname="col5"><al>1468</al></entry><entry colname="col6"><al>1512</al></entry><entry colname="col7"><al>1616</al></entry><entry colname="col8"><al>1819</al></entry><entry colname="col9"><al>2089</al></entry><entry colname="col10"><al>2324</al></entry><entry colname="col11"><al>2510</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1390</al></entry><entry colname="col3"><al>1438</al></entry><entry colname="col4"><al>1487</al></entry><entry colname="col5"><al>1536</al></entry><entry colname="col6"><al>1587</al></entry><entry colname="col7"><al>1692</al></entry><entry colname="col8"><al>1898</al></entry><entry colname="col9"><al>2176</al></entry><entry colname="col10"><al>2425</al></entry><entry colname="col11"><al>2629</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1425</al></entry><entry colname="col3"><al>1487</al></entry><entry colname="col4"><al>1548</al></entry><entry colname="col5"><al>1604</al></entry><entry colname="col6"><al>1661</al></entry><entry colname="col7"><al>1768</al></entry><entry colname="col8"><al>1977</al></entry><entry colname="col9"><al>2262</al></entry><entry colname="col10"><al>2526</al></entry><entry colname="col11"><al>2748</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1460</al></entry><entry colname="col3"><al>1535</al></entry><entry colname="col4"><al>1609</al></entry><entry colname="col5"><al>1671</al></entry><entry colname="col6"><al>1736</al></entry><entry colname="col7"><al>1844</al></entry><entry colname="col8"><al>2055</al></entry><entry colname="col9"><al>2349</al></entry><entry colname="col10"><al>2627</al></entry><entry colname="col11"><al>2867</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1495</al></entry><entry colname="col3"><al>1583</al></entry><entry colname="col4"><al>1670</al></entry><entry colname="col5"><al>1739</al></entry><entry colname="col6"><al>1810</al></entry><entry colname="col7"><al>1920</al></entry><entry colname="col8"><al>2134</al></entry><entry colname="col9"><al>2435</al></entry><entry colname="col10"><al>2728</al></entry><entry colname="col11"><al>2986</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1530</al></entry><entry colname="col3"><al>1631</al></entry><entry colname="col4"><al>1731</al></entry><entry colname="col5"><al>1807</al></entry><entry colname="col6"><al>1884</al></entry><entry colname="col7"><al>1995</al></entry><entry colname="col8"><al>2213</al></entry><entry colname="col9"><al>2522</al></entry><entry colname="col10"><al>2829</al></entry><entry colname="col11"><al>3105</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1566</al></entry><entry colname="col3"><al>1679</al></entry><entry colname="col4"><al>1792</al></entry><entry colname="col5"><al>1874</al></entry><entry colname="col6"><al>1959</al></entry><entry colname="col7"><al>2071</al></entry><entry colname="col8"><al>2292</al></entry><entry colname="col9"><al>2609</al></entry><entry colname="col10"><al>2930</al></entry><entry colname="col11"><al>3224</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1601</al></entry><entry colname="col3"><al>1727</al></entry><entry colname="col4"><al>1852</al></entry><entry colname="col5"><al>1942</al></entry><entry colname="col6"><al>2033</al></entry><entry colname="col7"><al>2147</al></entry><entry colname="col8"><al>2370</al></entry><entry colname="col9"><al>2696</al></entry><entry colname="col10"><al>3031</al></entry><entry colname="col11"><al>3343</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1636</al></entry><entry colname="col3"><al>1776</al></entry><entry colname="col4"><al>1913</al></entry><entry colname="col5"><al>2010</al></entry><entry colname="col6"><al>2108</al></entry><entry colname="col7"><al>2223</al></entry><entry colname="col8"><al>2449</al></entry><entry colname="col9"><al>2782</al></entry><entry colname="col10"><al>3132</al></entry><entry colname="col11"><al>3463</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1671</al></entry><entry colname="col3"><al>1824</al></entry><entry colname="col4"><al>1974</al></entry><entry colname="col5"><al>2077</al></entry><entry colname="col6"><al>2182</al></entry><entry colname="col7"><al>2299</al></entry><entry colname="col8"><al>2528</al></entry><entry colname="col9"><al>2869</al></entry><entry colname="col10"><al>3233</al></entry><entry colname="col11"><al>3582</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1706</al></entry><entry colname="col3"><al>1872</al></entry><entry colname="col4"><al>2035</al></entry><entry colname="col5"><al>2145</al></entry><entry colname="col6"><al>2256</al></entry><entry colname="col7"><al>2374</al></entry><entry colname="col8"><al>2607</al></entry><entry colname="col9"><al>2956</al></entry><entry colname="col10"><al>3335</al></entry><entry colname="col11"><al>3700</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1741</al></entry><entry colname="col3"><al>1921</al></entry><entry colname="col4"><al>2096</al></entry><entry colname="col5"><al>2213</al></entry><entry colname="col6"><al>2331</al></entry><entry colname="col7"><al>2450</al></entry><entry colname="col8"><al>2685</al></entry><entry colname="col9"><al>3042</al></entry><entry colname="col10"><al>3436</al></entry><entry colname="col11"><al>3819</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth=""/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth=""/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth=""/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>periodiek</al></entry><entry colname="col2" nameend="col12" namest="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>2772</al></entry><entry colname="col3"><al>3016</al></entry><entry colname="col4"><al>3325</al></entry><entry colname="col5"><al>3634</al></entry><entry colname="col6"><al>4063</al></entry><entry colname="col7"><al>4319</al></entry><entry colname="col8"><al>4648</al></entry><entry colname="col9"><al>4980</al></entry><entry colname="col10"><al>5516</al></entry><entry colname="col11"><al>6119</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>2894</al></entry><entry colname="col3"><al>3143</al></entry><entry colname="col4"><al>3452</al></entry><entry colname="col5"><al>3761</al></entry><entry colname="col6"><al>4187</al></entry><entry colname="col7"><al>4469</al></entry><entry colname="col8"><al>4821</al></entry><entry colname="col9"><al>5182</al></entry><entry colname="col10"><al>5734</al></entry><entry colname="col11"><al>6354</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3016</al></entry><entry colname="col3"><al>3270</al></entry><entry colname="col4"><al>3579</al></entry><entry colname="col5"><al>3886</al></entry><entry colname="col6"><al>4311</al></entry><entry colname="col7"><al>4619</al></entry><entry colname="col8"><al>4995</al></entry><entry colname="col9"><al>5384</al></entry><entry colname="col10"><al>5952</al></entry><entry colname="col11"><al>6588</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3138</al></entry><entry colname="col3"><al>3397</al></entry><entry colname="col4"><al>3705</al></entry><entry colname="col5"><al>4010</al></entry><entry colname="col6"><al>4435</al></entry><entry colname="col7"><al>4769</al></entry><entry colname="col8"><al>5168</al></entry><entry colname="col9"><al>5587</al></entry><entry colname="col10"><al>6170</al></entry><entry colname="col11"><al>6823</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3260</al></entry><entry colname="col3"><al>3523</al></entry><entry colname="col4"><al>3831</al></entry><entry colname="col5"><al>4135</al></entry><entry colname="col6"><al>4560</al></entry><entry colname="col7"><al>4919</al></entry><entry colname="col8"><al>5342</al></entry><entry colname="col9"><al>5789</al></entry><entry colname="col10"><al>6388</al></entry><entry colname="col11"><al>7057</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3382</al></entry><entry colname="col3"><al>3650</al></entry><entry colname="col4"><al>3956</al></entry><entry colname="col5"><al>4259</al></entry><entry colname="col6"><al>4684</al></entry><entry colname="col7"><al>5070</al></entry><entry colname="col8"><al>5515</al></entry><entry colname="col9"><al>5991</al></entry><entry colname="col10"><al>6606</al></entry><entry colname="col11"><al>7291</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3504</al></entry><entry colname="col3"><al>3778</al></entry><entry colname="col4"><al>4080</al></entry><entry colname="col5"><al>4383</al></entry><entry colname="col6"><al>4808</al></entry><entry colname="col7"><al>5220</al></entry><entry colname="col8"><al>5689</al></entry><entry colname="col9"><al>6193</al></entry><entry colname="col10"><al>6824</al></entry><entry colname="col11"><al>7525</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3626</al></entry><entry colname="col3"><al>3903</al></entry><entry colname="col4"><al>4204</al></entry><entry colname="col5"><al>4507</al></entry><entry colname="col6"><al>4933</al></entry><entry colname="col7"><al>5370</al></entry><entry colname="col8"><al>5863</al></entry><entry colname="col9"><al>6395</al></entry><entry colname="col10"><al>7042</al></entry><entry colname="col11"><al>7760</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3748</al></entry><entry colname="col3"><al>4027</al></entry><entry colname="col4"><al>4329</al></entry><entry colname="col5"><al>4632</al></entry><entry colname="col6"><al>5057</al></entry><entry colname="col7"><al>5520</al></entry><entry colname="col8"><al>6036</al></entry><entry colname="col9"><al>6597</al></entry><entry colname="col10"><al>7260</al></entry><entry colname="col11"><al>7994</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>3869</al></entry><entry colname="col3"><al>4151</al></entry><entry colname="col4"><al>4453</al></entry><entry colname="col5"><al>4756</al></entry><entry colname="col6"><al>5181</al></entry><entry colname="col7"><al>5670</al></entry><entry colname="col8"><al>6209</al></entry><entry colname="col9"><al>6799</al></entry><entry colname="col10"><al>7478</al></entry><entry colname="col11"><al>8229</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>3989</al></entry><entry colname="col3"><al>4276</al></entry><entry colname="col4"><al>4577</al></entry><entry colname="col5"><al>4880</al></entry><entry colname="col6"><al>5305</al></entry><entry colname="col7"><al>5820</al></entry><entry colname="col8"><al>6383</al></entry><entry colname="col9"><al>7001</al></entry><entry colname="col10"><al>7696</al></entry><entry colname="col11"><al>8463</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4109</al></entry><entry colname="col3"><al>4400</al></entry><entry colname="col4"><al>4701</al></entry><entry colname="col5"><al>5005</al></entry><entry colname="col6"><al>5430</al></entry><entry colname="col7"><al>5970</al></entry><entry colname="col8"><al>6557</al></entry><entry colname="col9"><al>7203</al></entry><entry colname="col10"><al>7914</al></entry><entry colname="col11"><al>8697</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                                gemeentelijke brandweer</titel></kop><al><vet>Vergoedingentabellen</vet></al><al>Bijlage IIb: Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer per 1 januari 2011.</al><al>Bijlage IIc: Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                            gemeentelijke brandweer per 1 januari 2011.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>jaarvergoeding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                  hulpverlening</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>uurbedrag voor langdurige aanwezigheid</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. aspirant manschap a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>316,00</al></entry><entry colname="col3"><al>9,76 </al></entry><entry colname="col4"><al>18,26 </al></entry><entry colname="col5"><al>12,17 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. manschap a, chauffeur, voertuigbediener,
                                                  gaspakdrager, brandweerduiker, verkenner
                                                  gevaarlijke stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>316,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,23 </al></entry><entry colname="col4"><al>21,09 </al></entry><entry colname="col5"><al>14,06 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3. manschap b, duikploegleider, langer dan 5
                                                  jaar manschap a, manschap a en ten minste twee
                                                  specialisaties uit categorie 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>316,00</al></entry><entry colname="col3"><al>12,44 </al></entry><entry colname="col4"><al>23,33 </al></entry><entry colname="col5"><al>15,55 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4. bevelvoerder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>473,00</al></entry><entry colname="col3"><al>15,58 </al></entry><entry colname="col4"><al>29,30 </al></entry><entry colname="col5"><al>19,53 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5. officier van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3735,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>37,35 </al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 hoofdofficier van dienst, adviseur
                                                  gevaarlijke stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5363,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>53,63 </al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7.commandant van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7978,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>59,85 </al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>jaarvergoeding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                  hulpverlening</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>uurbedrag voor langdurige aanwezigheid</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. aspirant manschap a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>320,00</al></entry><entry colname="col3"><al>9,90</al></entry><entry colname="col4"><al>18,56</al></entry><entry colname="col5"><al>12,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. manschap a, chauffeur, voertuigbediener,
                                                  gaspakdrager, brandweerduiker, verkenner
                                                  gevaarlijke stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>320,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,43</al></entry><entry colname="col4"><al>21,51</al></entry><entry colname="col5"><al>14,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3. manschap b, duikploegleider, langer dan 5
                                                  jaar manschap a, manschap a en ten minste twee
                                                  specialisaties uit categorie 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>320,00</al></entry><entry colname="col3"><al>12,66</al></entry><entry colname="col4"><al>23,71</al></entry><entry colname="col5"><al>15,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4. bevelvoerder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>481,00</al></entry><entry colname="col3"><al>15,85</al></entry><entry colname="col4"><al>29,75</al></entry><entry colname="col5"><al>19,83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5. officier van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3807,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>38,07</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 hoofdofficier van dienst, adviseur
                                                  gevaarlijke stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5459,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>54,59</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7.commandant van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8128,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>60,91</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage III Hoorbepaling</titel></kop><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                            gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is
                            ingesteld.</al><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                            plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de
                            rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                            volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin
                            niet wordt voorzien door het LOGA-overleg tussen het College voor
                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales
                            van overheidspersoneel.</al><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de
                            landelijke verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de
                            centrales van overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het
                            vorige lid bedoeld.</al><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                            voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek
                            binnen een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien
                            dagen zal zijn, vermeldt het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar
                            te maken. Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge
                            toelichting toegelaten. </al><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien
                            de organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid
                            bedoelde termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                            bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van
                            het besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake. </al><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel
                            besluit van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                            organisaties. </al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IV Salarisschalen kunsteducatie per 1 januari
                                2011</titel></kop><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>1633</al></entry><entry colname="col3"><al>1668</al></entry><entry colname="col4"><al>1704</al></entry><entry colname="col5"><al>1750</al></entry><entry colname="col6"><al>1990</al></entry><entry colname="col7"><al>2335</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1750</al></entry><entry colname="col4"><al>1804</al></entry><entry colname="col5"><al>1867</al></entry><entry colname="col6"><al>2106</al></entry><entry colname="col7"><al>2446</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1990</al></entry><entry colname="col6"><al>2220</al></entry><entry colname="col7"><al>2565</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1704</al></entry><entry colname="col3"><al>1867</al></entry><entry colname="col4"><al>1930</al></entry><entry colname="col5"><al>2106</al></entry><entry colname="col6"><al>2335</al></entry><entry colname="col7"><al>2627</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1750</al></entry><entry colname="col3"><al>1930</al></entry><entry colname="col4"><al>1990</al></entry><entry colname="col5"><al>2164</al></entry><entry colname="col6"><al>2392</al></entry><entry colname="col7"><al>2698</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1804</al></entry><entry colname="col3"><al>1990</al></entry><entry colname="col4"><al>2049</al></entry><entry colname="col5"><al>2220</al></entry><entry colname="col6"><al>2446</al></entry><entry colname="col7"><al>2763</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1867</al></entry><entry colname="col3"><al>2049</al></entry><entry colname="col4"><al>2106</al></entry><entry colname="col5"><al>2276</al></entry><entry colname="col6"><al>2505</al></entry><entry colname="col7"><al>2819</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1930</al></entry><entry colname="col3"><al>2106</al></entry><entry colname="col4"><al>2164</al></entry><entry colname="col5"><al>2335</al></entry><entry colname="col6"><al>2565</al></entry><entry colname="col7"><al>2881</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1990</al></entry><entry colname="col3"><al>2164</al></entry><entry colname="col4"><al>2220</al></entry><entry colname="col5"><al>2392</al></entry><entry colname="col6"><al>2627</al></entry><entry colname="col7"><al>2943</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2049</al></entry><entry colname="col3"><al>2220</al></entry><entry colname="col4"><al>2276</al></entry><entry colname="col5"><al>2446</al></entry><entry colname="col6"><al>2698</al></entry><entry colname="col7"><al>3002</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>2106</al></entry><entry colname="col3"><al>2276</al></entry><entry colname="col4"><al>2335</al></entry><entry colname="col5"><al>2505</al></entry><entry colname="col6"><al>2763</al></entry><entry colname="col7"><al>3056</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>2164</al></entry><entry colname="col3"><al>2335</al></entry><entry colname="col4"><al>2392</al></entry><entry colname="col5"><al>2565</al></entry><entry colname="col6"><al>2819</al></entry><entry colname="col7"><al>3110</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>2220</al></entry><entry colname="col3"><al>2392</al></entry><entry colname="col4"><al>2446</al></entry><entry colname="col5"><al>2627</al></entry><entry colname="col6"><al>2881</al></entry><entry colname="col7"><al>3165</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>2276</al></entry><entry colname="col3"><al>2446</al></entry><entry colname="col4"><al>2505</al></entry><entry colname="col5"><al>2698</al></entry><entry colname="col6"><al>2943</al></entry><entry colname="col7"><al>3221</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>2505</al></entry><entry colname="col4"><al>2565</al></entry><entry colname="col5"><al>2763</al></entry><entry colname="col6"><al>3002</al></entry><entry colname="col7"><al>3283</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>2627</al></entry><entry colname="col5"><al>2819</al></entry><entry colname="col6"><al>3056</al></entry><entry colname="col7"><al>3343</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>2698</al></entry><entry colname="col5"><al>2881</al></entry><entry colname="col6"><al>3110</al></entry><entry colname="col7"><al>3399</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>2763</al></entry><entry colname="col5"><al>2943</al></entry><entry colname="col6"><al>3165</al></entry><entry colname="col7"><al>3452</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>2819</al></entry><entry colname="col5"><al>3002</al></entry><entry colname="col6"><al>3221</al></entry><entry colname="col7"><al>3504</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>2392</al></entry><entry colname="col3"><al>2627</al></entry><entry colname="col4"><al>2943</al></entry><entry colname="col5"><al>3165</al></entry><entry colname="col6"><al>3343</al></entry><entry colname="col7"><al>3614</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>2763</al></entry><entry colname="col4"><al>3056</al></entry><entry colname="col5"><al>3343</al></entry><entry colname="col6"><al>3452</al></entry><entry colname="col7"><al>3729</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>3452</al></entry><entry colname="col6"><al>3561</al></entry><entry colname="col7"><al>3851</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel> Bijlage IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor
                                onderwijzend personeel in de kunsteducatie</titel></kop><lijst><li nr=""><al><vet>Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor
                                        onderwijzend personeel in de
                                    kunsteducatie</vet>LOGA-partijen vinden dat bij de verhouding
                                    lesgebonden versus niet-lesgebonden uren binnen de aanstelling
                                    lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel 19b:5
                                    vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de
                                    ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin
                                    per discipline de verhouding wordt vastgesteld van de
                                    verschillende soorten werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                    niet-lesgebonden uren. <vet>Van een vaste verhouding naar een
                                        lokale regeling</vet>Tot 1 januari 2009 kende de aanvullende
                                    rechtspositieregeling voor onderwijzend personeel een vaste
                                    maximale verhouding van 26 lesgebonden uren en 10 overige
                                    niet-lesgebonden uren. Per 1 januari 2009 wordt deze vaste
                                    maximale verhouding losgelaten. Reden daarvoor is dat een
                                    centraal voorgeschreven verhouding geen recht kan doen aan
                                    verschillen per discipline, per instelling of per onderwijzend
                                    personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden
                                    op deze specifieke kenmerken. <vet>Status sjabloon</vet>In dit
                                    sjabloon worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                    niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet
                                    limitatief. In een instelling kan worden vastgesteld dat
                                    bepaalde in het sjabloon genoemde werkzaamheden niet binnen de
                                    instelling voorkomen en dus niet in de lokale regeling worden
                                    opgenomen. Daarentegen kan ook worden vastgesteld dat er
                                    instellingsspecifieke werkzaamheden zijn die niet in het
                                    sjabloon voorkomen, maar die wel in de lokale regeling moeten
                                    worden genoemd. Het sjabloon is dus een handvat voor de lokale
                                    regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden met</al><lijst><li nr="-"><al>de ervaring van de ambtenaar,</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat de ambtenaar geeft en </al></li><li nr="-"><al>de discipline van de ambtenaar.</al></li></lijst><al><vet>Opbouw Sjabloon</vet>Schematisch is de opbouw van het
                                    sjabloon als volgt: <plaatje><illustratie id="i0f7f65e9-9e6b-44b4-8835-24ebf6daf8a1" naam="i18457i0f7f65e9-9e6b-44b4-8835-24ebf6daf8a1.jpg" type="foto" breedte="14.5cm" hoogte="7.1cm"/></plaatje><vet>Categorieën van werkzaamheden </vet>Dit sjabloon
                                    onderscheidt als hoofdcategorieën:</al><lijst><li nr="1"><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2"><al>niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer
                                    opgedeeld worden in drie subcategorieën: </al><lijst><li nr=""><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren. </vet></cursief>Deze
                                            subcategorie <onderstreept>hangt direct samen
                                                met</onderstreept> de lesgebonden uren. </al></li><li nr=""><al><cursief><vet>2b. Algemene
                                            werkzaamheden</vet></cursief>Deze subcategorie staat los
                                            van het aantal lesgebonden uren. </al></li><li nr=""><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                                werkzaamheden</cursief></vet>Deze subcategorie staat
                                            los van het aantal lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt: </al><lijst><li nr="1"><al><vet>Lesgebonden uren in uren per
                                                schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet>Het gaat in deze
                                            categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op
                                            jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te
                                            voeren les- of cursuswerkzaamheden, al of niet te
                                            onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Type lessen/cursussen: individuele lessen,
                                                  combinatielessen, groepslessen, klassikale
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Homogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Heterogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Koren</al></li><li nr="-"><al>Orkesten</al></li><li nr="-"><al>Regulier onderwijs</al></li><li nr="-"><al>Speciaal onderwijs</al></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>Niet-lesgebonden uren in uren per
                                                schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet></al><lijst><li nr=""><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></cursief>Het gaat in deze
                                                  subcategorie om de werkzaamheden van elke
                                                  discipline in een bepaalde verhouding tot het
                                                  aantal lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van
                                                  het type instelling en het type
                                                  lessen/werkzaamheden. Deze uren worden ook wel
                                                  “aanstellingsafhankelijke of leerling- of
                                                  cursistafhankelijke uren” genoemd. Het betreft
                                                  bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Roosterwerkzaamheden </al></li><li nr="-"><al>Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten,
                                                  leerlingvolgsysteem en dergelijke</al></li><li nr="-"><al>Administratieve afwikkeling van de
                                                  lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                                                  presentielijsten)</al></li><li nr="-"><al>Rapporten/studieverslagen voor van de
                                                  leerlingen/cursisten </al></li><li nr="-"><al>(Voortgangs)gesprekken met
                                                  ouders/verzorgers/leerlingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de pedagogische, methodische en
                                                  didactische ontwikkelingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van vakliteratuur<noot id="FN13554_1"><noot.al>Elke medewerker wordt geacht ook zelf te
                                                  investeren in het bijhouden van
                                                  pedagogisch-didactische ontwikkelingen, het lezen
                                                  van vakliteratuur en het onderhouden van de
                                                  artistieke vaardigheden. Niettemin zijn er
                                                  situaties voorstelbaar (bijvoorbeeld indien het
                                                  onderwijzend personeelslid een
                                                  onderwijsvernieuwende werkzaamheid heeft) waar
                                                  toedeling van tijd voor dergelijke werkzaamheden
                                                  geboden is.</noot.al></noot></al></li><li nr="-"><al>Onderhouden van de direct aan de lespraktijk
                                                  verbonden artistieke vaardigheden</al></li><li nr="-"><al>Examens/toetsen</al></li></lijst></li><li nr=""><al><vet><cursief>2b. Algemene
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                  subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het
                                                  aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel
                                                  “organisatiegebonden uren” genoemd. Het betreft
                                                  bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Personeelsvergaderingen,
                                                  afdelingsvergaderingen, sector- en
                                                  sectievergaderingen</al></li><li nr="-"><al>Collegiaal overleg (intern en extern)</al></li><li nr="-"><al>Voorbereiding en deelname aan open dagen</al></li><li nr="-"><al>Functioneringsgesprekken,
                                                  ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                                                  ontwikkelingsplan</al></li><li nr="-"><al>Overleg over het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids </al></li><li nr="-"><al>Zorg voor het instrumentarium van de
                                                  instelling en (indien gebruik door de werkgever
                                                  verplicht is gesteld) van het eigen
                                                  instrument/gereedschap</al></li></lijst></li><li nr=""><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                  subcategorie om specifieke werkzaamheden die
                                                  losstaan van het aantal lesgebonden uren. Deze
                                                  uren worden ook wel “persoonsgebonden uren”
                                                  genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling
                                                  in relatie tot de lessen en lesmaterialen</al></li><li nr="-"><al>Materiële voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Lidmaatschap van de ondernemingsraad of
                                                  personeelsvertegenwoordiging</al></li><li nr="-"><al>Stagebegeleiding</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  leerlingenuitvoeringen/-concerten (intern en/of
                                                  extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van concerten
                                                  speciaal voor onderwijzend personeelsleden (intern
                                                  en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van exposities
                                                  (intern en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  instellingspresentaties (intern en/of extern)
                                                  </al></li><li nr="-"><al>Deelname aan activiteiten en evenementen voor
                                                  zover niet genoemd onder subcategorie 2b.</al></li><li nr="-"><al>Organiseren van kunstuitingen van cursisten,
                                                  zoals voorspeelavonden en tentoonstellingen</al></li><li nr="-"><al>Begeleiden van een collega bij een
                                                  voorspeelavond</al></li><li nr="-"><al>Coördinatiewerkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>Algemene organisatiewerkzaamheden,
                                                  bijvoorbeeld voor nieuwsbrief/schoolkrant van de
                                                  instelling</al></li><li nr="-"><al>Adviseren van leerlingen ten aanzien van
                                                  instrument- of materiaalkeuzes</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van
                                                  de instelling</al></li><li nr="-"><al>Bijdragen aan het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="-"><al>Opleiding en ontwikkeling, of andere
                                                  activiteiten die ertoe bijdragen de eigen
                                                  vakbekwaamheid op peil te houden</al></li><li nr="-"><al>Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld
                                                  beroepsverenigingen, vakgroepen, mits de werkgever
                                                  toestemming heeft verleend </al></li><li nr="-"><al>Het in opdracht van de werkgever reizen tussen
                                                  locaties van dezelfde instelling voor
                                                  kunsteducatie.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Van sjabloon naar lokale regeling</vet>Om een beeld
                                            te geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale
                                            regeling tot stand kan komen geeft het LOGA een
                                            voorbeeld. U dient dit voorbeeld niet op te vatten als
                                            een door het LOGA gewenste verdeling van de verhouding
                                            lesgebonden uren versus niet-lesgebonden uren. Het gaat
                                            om de wijze waarop aan de hand van het sjabloon een
                                            lokale regeling kan worden opgesteld.Binnen instelling X
                                            is onderwijzend personeel werkzaam in drie verschillende
                                            disciplines:</al><lijst><li nr="1"><al>Discipline A</al></li><li nr="2"><al>Discipline B</al></li><li nr="3"><al>Discipline C</al></li></lijst><al>Binnen instelling X geldt per discipline de volgende
                                            verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Discipline</al></entry><entry colname="col2"><al>1. Lesgebonden uren </al></entry><entry colname="col3"><al>2. Niet-lesgebonden uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline A </al></entry><entry colname="col2"><al>65%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline B </al></entry><entry colname="col2"><al>60%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline C</al></entry><entry colname="col2"><al>70%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het
                                            onderwijzend personeel in omvang zeer verschillend.
                                            Daarom wordt er in instelling X voor gekozen om binnen
                                            de categorie niet-lesgebonden uren per
                                            aanstellingsomvang een uitsplitsing te maken in de
                                            subcategorieën. Die uitsplitsing is als volgt: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col5" namest="col1"><al>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                                  subcategorieën</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Aanstellingsomvang</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2c. Variabele werkzaamheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meer dan 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>30%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 tot en met 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>35%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry><entry colname="col4"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7,2 tot en met 18 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tot en met 7,2 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>47%</al></entry><entry colname="col3"><al>47% </al></entry><entry colname="col4"><al>6%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden
                                            uren over de subcategorieën voor alle disciplines
                                            gelijk. Het is ook mogelijk om elke discipline een
                                            aparte verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                            subcategorieën te maken. <vet>Individuele
                                                afwijkmogelijkheden op de verhouding per
                                                discipline</vet>Er zijn individuele omstandigheden
                                            voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te houden aan
                                            de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die
                                            per discipline is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te
                                            houden met:</al><lijst><li nr="-"><al>zeer veel of zeer weinig ervaring van het
                                                  onderwijzend personeellid of</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat het onderwijzend
                                                  personeelslid geeft (groepslessen versus
                                                  individuele lessen)</al></li></lijst><al>In de lokale regeling kunnen individuele
                                            afwijkingsmogelijkheden op de verhouding die per
                                            discipline is vastgelegd worden opgenomen. De
                                            voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat
                                            individuele afwijking is toegestaan, dienen in de lokale
                                            regeling te worden opgenomen. Deze individuele
                                            afwijkmogelijkheden bepalen tezamen met de verhouding
                                            lesgebonden versus niet-lesgebonden uren die voor de
                                            discipline van de ambtenaar is vastgelegd, welke
                                            verhouding voor de individuele ambtenaar
                                            geldt.Voorbeeld: Voor discipline D staat in de lokale
                                            regeling dat de verhouding 70% lesgebonden uren en 30%
                                            niet-lesgebonden uren geldt. In de lokale regeling is
                                            ook vastgelegd dat voor discipline D een individuele
                                            afwijkmogelijkheid bestaat voor ambtenaren met minder
                                            dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren krijgen ten koste
                                            van het aantal lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden
                                            uren voor de voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                            uren. Het college stelt bij toepassing van de lokale
                                            regeling voor een ambtenaar met discipline D en minder
                                            dan 3 jaar ervaring de verhouding vast op 65%
                                            lesgebonden en 35% niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra
                                            voor niet-lesgebonden uren wordt binnen de
                                            subcategorieën geheel toegeschreven aan subcategorie 2a.
                                                <vet>Tot slot </vet>Te overwegen valt om een beperkt
                                            percentage van de tijd niet toe te wijzen aan specifieke
                                            activiteiten. Niet alles valt namelijk op voorhand te
                                            plannen. Aan een aantal kleinere werkzaamheden uit de
                                            eerder genoemde (sub)categorieën hoeft dan eveneens niet
                                            specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de
                                            vrij in te delen tijd worden gerekend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de
                                kunsteducatie</titel></kop><lijst><li nr=""><al><vet>Functiebeschrijvingen</vet><vet>1. Consulent</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming: consulent
                                            Functie-eisen:
                                                HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                                  steunfunctie-activiteitenplan </al></li><li nr="2"><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten </al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid,
                                                  producten en programma’s </al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li nr=""><al><onderstreept> B.1 Het in overleg met cliënten
                                                  opstellen van een
                                                  steunfunctie-activiteitenplan</onderstreept>Informeert
                                                  en adviseert (potentiële) cliënten over de
                                                  mogelijkheden van steunfunctieactiviteiten.
                                                  Overlegt met (de leiding van) potentiële cliënten
                                                  over wensen en verwachtingen. Stelt een
                                                  activiteiten- of begeleidingsplan op of
                                                  ondersteunt de cliënt daarbij. Overlegt waar nodig
                                                  met externe instanties.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.2 Het verzorgen van
                                                  steunfunctieactiviteiten</onderstreept> Geeft
                                                  informatie en adviezen over methoden en
                                                  leermiddelen. Verzorgt teamtrainingen en
                                                  individuele begeleiding van docenten. Adviseert
                                                  bij de aanschaf van leermiddelen en ontwikkelt,
                                                  waar nodig, zelf leermiddelen en methodieken.
                                                  Organiseert met de cliënt producties,
                                                  tentoonstellingen en andere evenementen. Begeleidt
                                                  bij de opstelling van werkplannen. Bewaakt de
                                                  afspraken met betrekking tot begroting, planning
                                                  en inzet.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de
                                                  ontwikkeling van beleid, producten en programma’s
                                                  </onderstreept>Volgt en signaleert relevante
                                                  ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                                                  vorming. Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling,
                                                  marktanalyses en aan de ontwikkeling van nieuw
                                                  aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                  opdrachtgevers en andere instanties over
                                                  organisatie en uitvoering van projecten. Werkt
                                                  voorstellen uit in projectbeschrijvingen. </al></li></lijst><al><vet>2. Docent</vet></al><lijst><li nr="A"><al> Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                  docentFunctie-eisen:
                                                  HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het verzorgen van de inhoud van
                                                  onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2"><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van
                                                  KV-producten en -programma’s</al></li><li nr="4"><al> Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li nr=""><al><onderstreept>B.1 Het verzorgen van de inhoud
                                                  van onderwijsactiviteiten</onderstreept> Verzorgt
                                                  het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met
                                                  leiding en collega’s. Bepaalt vanuit het leerplan
                                                  de inhoud van de onderwijsactiviteiten. Zorgt voor
                                                  les- en documentatiemateriaal.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.2 Het geven van de
                                                  onderwijsactiviteit </onderstreept>Bereidt de
                                                  activiteit voor; stemt af op het niveau van de
                                                  groep. Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en
                                                  stuurt bij. Zorgt voor variatie in presentatie en
                                                  lesvorm. Houdt rekening met persoonlijkheid en
                                                  doelstelling deelnemers. Bespreekt regelmatig de
                                                  vorderingen met (ouders van) deelnemers en
                                                  evalueert de onderwijsactiviteit; stelt eventueel
                                                  leerdoelstellingen bij. Organiseert kunstuitingen
                                                  van en voor deelnemers.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de
                                                  ontwikkeling van KV-producten en
                                                  -programma’s</onderstreept>Volgt en signaleert
                                                  relevante ontwikkelingen op het terrein van de
                                                  kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan
                                                  marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                                                  marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                  opdrachtgevers en andere instanties over
                                                  organisatie en uitvoering van projecten. Werkt
                                                  voorstellen uit in projectbeschrijvingen. </al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.4 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamheden</onderstreept>Woont diverse
                                                  overlegvormen bij. Houdt ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied bij; neemt deel aan na- en bijscholing.
                                                  Levert bijdragen aan
                                                  evenementen/instellingsactiviteiten.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>3. Balletbegeleider</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                  BalletbegeleiderFunctie-eisen:
                                                  MBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2"><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied</al></li><li nr="3"><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li nr=""><al><onderstreept>B.1 Het instrumentaal begeleiden
                                                  van lessen</onderstreept>Begeleidt klassieke
                                                  balletlessen en andere lesvormen op piano en
                                                  andere instrumenten. Zorgt waar nodig voor
                                                  improvisatie en zorgt ervoor dat het karakter van
                                                  de oefening muzikaal wordt ondersteund. Past
                                                  gedurende de oefening tempo en sfeer aan en legt
                                                  andere accenten als de docent dit aangeeft.
                                                  Verzorgt de instrumentale begeleiding van
                                                  uitvoeringen.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.2 Het bijhouden van
                                                  ontwikkelingen op het vakgebied</onderstreept>
                                                  Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij.
                                                  </al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.3 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamhede</onderstreept>n Voert periodiek
                                                  overleg met de docent over het afstemmen van het
                                                  spel op de oefeningen en de samenwerking tussen
                                                  docent en begeleider.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige
                                vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar
                                behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige
                                vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten,
                                consulenten en Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige
                                Vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VI Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                                signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de
                                aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van
                                onderstaande onderdelen is vastgelegd in de aanstellingskeuring
                                zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze uitwerking
                                is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                                keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- bekendheid met aanpassingsprobleem bij
                                                onregelmatige diensten,</al><al>- ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie,
                                                epilepsie</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5
                                                jaar</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie
                                                van de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter
                                                detectie van:</al><al>- hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie
                                                van de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                                (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                                huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie
                                                van de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                                toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                                afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                                indruk geeft van het piek-anaerobe
                                                inspanningsvermogen.
                                                (aanstellingsbrandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                                aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                                aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te
                                                horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                                dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige
                                                huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                                luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                                aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                                (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- geldige inentingen</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis,
                                                Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven
                                                armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag
                                                test (tijdens
                                                aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk
                                                test (tijdens
                                                aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                                test (laddertest) (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen
                            verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van
                            het werk te kunnen aantonen: </al><lijst><li nr="-"><al>longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al></li><li nr="-"><al> audiogram afname </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                                signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het
                                Periodiek Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De
                                uitwerking van onderstaande onderdelen is vastgelegd in het PPMO
                                zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze uitwerking
                                is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                                keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- aanpassingsprobleem door onregelmatige
                                                diensten,</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige
                                                keuring</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt
                                                sinds vorige keuring</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie
                                                van de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>- hoge werkgerelateerde vermoeidheid
                                                (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie
                                                van de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                  worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                                (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                                huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie
                                                van de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                                toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                                afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                                indruk geeft van het piek-anaerobe
                                                inspanningsvermogen. (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens
                                                werk</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                                aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorvermogen tijdens
                                                werk</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                                aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te
                                                horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                  worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                                dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige
                                                huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                                luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                                aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                                (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten die een
                                                gevaar voor anderen kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven
                                                armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag
                                                test (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk
                                                test (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                                test (tijdens brandbestrijdingstest en
                                                brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1-11 met als doel signalering voor begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling):</al><al>Is sinds de vorige keuring een nieuwe ziekte of
                                                gezondheidsklachten opgelopen die van invloed
                                                (kunnen) zijn op de uitvoering van uw werk? </al><al>Signaalvraag (schriftelijk) naar:</al><al>1 Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling,
                                                psychisch, bewegingsapparaat, hart- en
                                                vaataandoeningen, urinewegen/geslachtsorganen,
                                                spijsverteringsorganen, tumoren, luchtwegen,
                                                huidaandoeningen)</al><al>2 Ingeschat eigen werkvermogen nu</al><al>3 Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de
                                                fysieke en psychologische taakeisen</al><al>4 doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen
                                                periode</al><al>5 doorgemaakte expositie aan hard geluid in
                                                afgelopen periode met acute oorsuizingen of
                                                tijdelijke gehoorsvermindering als gevolg</al><al>6 doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of
                                                dampen in afgelopen periode</al><al>Inzet testen ter monitoring indien aanleiding
                                                bestaat om achteruitgang in longfunctie of gehoor
                                                aan te kunnen tonen:</al><al>- longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>- audiogram afname </al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 januari 2011 oude
                                structuur</titel></kop><table><tgroup cols="22"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth=""/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth=""/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth=""/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth=""/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth=""/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth=""/><colspec colname="col14" colnum="14" colwidth=""/><colspec colname="col15" colnum="15" colwidth=""/><colspec colname="col16" colnum="16" colwidth=""/><colspec colname="col17" colnum="17" colwidth=""/><colspec colname="col18" colnum="18" colwidth=""/><colspec colname="col19" colnum="19" colwidth=""/><colspec colname="col20" colnum="20" colwidth=""/><colspec colname="col21" colnum="21" colwidth=""/><colspec colname="col22" colnum="22" colwidth=""/><thead><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><vet>Nr.</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al><vet>Salaris 1-6-2008</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="1"><al><vet>Salaris 1-1-2011</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col23" namest="col4"><al><vet>Schaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col4"><al><vet>A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col12"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col13"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col14"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col15"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col16"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col17"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col18"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col19"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col20"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col21"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col22"><al><vet>18</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>A1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1351</al></entry><entry colname="col3"><al>1357</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>A2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1400</al></entry><entry colname="col3"><al>1407</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1451</al></entry><entry colname="col3"><al>1458</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>0</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1482</al></entry><entry colname="col3"><al>1490</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>0</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1515</al></entry><entry colname="col3"><al>1522</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1548</al></entry><entry colname="col3"><al>1556</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1579</al></entry><entry colname="col3"><al>1587</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1609</al></entry><entry colname="col3"><al>1617</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry><entry colname="col7"><al>2</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>0</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1621</al></entry><entry colname="col3"><al>1629</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>3</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1643</al></entry><entry colname="col3"><al>1651</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>6</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>2</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1679</al></entry><entry colname="col3"><al>1687</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>3</al></entry><entry colname="col7"><al>3</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1724</al></entry><entry colname="col3"><al>1733</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>4</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>3</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>0</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1733</al></entry><entry colname="col3"><al>1741</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>10</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1777</al></entry><entry colname="col3"><al>1786</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>7</al></entry><entry colname="col7"><al>4</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>1</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1840</al></entry><entry colname="col3"><al>1849</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>5</al></entry><entry colname="col8"><al>4</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1901</al></entry><entry colname="col3"><al>1911</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>6</al></entry><entry colname="col8"><al>5</al></entry><entry colname="col9"><al>3</al></entry><entry colname="col10"><al>2</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1911</al></entry><entry colname="col3"><al>1921</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>11</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1960</al></entry><entry colname="col3"><al>1970</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>9</al></entry><entry colname="col8"><al>6</al></entry><entry colname="col9"><al>4</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>0</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2019</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>11</al></entry><entry colname="col8"><al>7</al></entry><entry colname="col9"><al>5</al></entry><entry colname="col10"><al>3</al></entry><entry colname="col11"><al>1</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2075</al></entry><entry colname="col3"><al>2085</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>10</al></entry><entry colname="col9"><al>6</al></entry><entry colname="col10"><al>4</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>15a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2085</al></entry><entry colname="col3"><al>2096</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>13</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2132</al></entry><entry colname="col3"><al>2143</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>12</al></entry><entry colname="col9"><al>7</al></entry><entry colname="col10"><al>5</al></entry><entry colname="col11"><al>2</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2187</al></entry><entry colname="col3"><al>2198</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>8</al></entry><entry colname="col10"><al>6</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>17a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2202</al></entry><entry colname="col3"><al>2213</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>14</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>18</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2242</al></entry><entry colname="col3"><al>2253</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>11</al></entry><entry colname="col10"><al>7</al></entry><entry colname="col11"><al>3</al></entry><entry colname="col12"><al>0</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>19</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2300</al></entry><entry colname="col3"><al>2312</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>8</al></entry><entry colname="col11"><al>4</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>19a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2320</al></entry><entry colname="col3"><al>2331</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>13</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>20</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2356</al></entry><entry colname="col3"><al>2368</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>9</al></entry><entry colname="col11"><al>5</al></entry><entry colname="col12"><al>1</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>0</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>21</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2410</al></entry><entry colname="col3"><al>2422</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>6</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>21a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2438</al></entry><entry colname="col3"><al>2450</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>10</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>22</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2468</al></entry><entry colname="col3"><al>2480</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>7</al></entry><entry colname="col12"><al>2</al></entry><entry colname="col13"><al>0</al></entry><entry colname="col14"><al>1</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>23</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2527</al></entry><entry colname="col3"><al>2540</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>8</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>24</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2589</al></entry><entry colname="col3"><al>2601</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>9</al></entry><entry colname="col12"><al>3</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>2</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>25</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2658</al></entry><entry colname="col3"><al>2672</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>4</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>25a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2672</al></entry><entry colname="col3"><al>2685</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>10</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>26</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2722</al></entry><entry colname="col3"><al>2736</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>5</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>3</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>27</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2778</al></entry><entry colname="col3"><al>2791</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>6</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>28</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2838</al></entry><entry colname="col3"><al>2852</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>7</al></entry><entry colname="col13"><al>3</al></entry><entry colname="col14"><al>4</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>29</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2900</al></entry><entry colname="col3"><al>2914</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>8</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>30</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2958</al></entry><entry colname="col3"><al>2972</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>9</al></entry><entry colname="col13"><al>4</al></entry><entry colname="col14"><al>5</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>31</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3011</al></entry><entry colname="col3"><al>3026</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>31a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3027</al></entry><entry colname="col3"><al>3042</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al>10</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>32</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3064</al></entry><entry colname="col3"><al>3080</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>5</al></entry><entry colname="col14"><al>6</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>34</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3173</al></entry><entry colname="col3"><al>3189</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>6</al></entry><entry colname="col14"><al>7</al></entry><entry colname="col15"><al>0</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>36</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3294</al></entry><entry colname="col3"><al>3310</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>7</al></entry><entry colname="col14"><al>8</al></entry><entry colname="col15"><al>1</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>38</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3401</al></entry><entry colname="col3"><al>3418</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>9</al></entry><entry colname="col15"><al>2</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>38a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3418</al></entry><entry colname="col3"><al>3436</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>8</al></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>40</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3508</al></entry><entry colname="col3"><al>3526</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>10</al></entry><entry colname="col15"><al>3</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>42</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3615</al></entry><entry colname="col3"><al>3633</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>11</al></entry><entry colname="col15"><al>4</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>44</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3736</al></entry><entry colname="col3"><al>3754</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>5</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>44a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3800</al></entry><entry colname="col3"><al>3819</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al>12</al></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>46</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3854</al></entry><entry colname="col3"><al>3873</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>6</al></entry><entry colname="col16"><al>0</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>48</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3966</al></entry><entry colname="col3"><al>3986</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>7</al></entry><entry colname="col16"><al>1</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>50</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4078</al></entry><entry colname="col3"><al>4099</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>8</al></entry><entry colname="col16"><al>2</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>52</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4191</al></entry><entry colname="col3"><al>4211</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>9</al></entry><entry colname="col16"><al>3</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>54</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4299</al></entry><entry colname="col3"><al>4320</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>10</al></entry><entry colname="col16"><al>4</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>55</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4357</al></entry><entry colname="col3"><al>4379</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>55a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4378</al></entry><entry colname="col3"><al>4400</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>11</al></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>56</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4413</al></entry><entry colname="col3"><al>4435</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>5</al></entry><entry colname="col17"><al>0</al></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>58</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4525</al></entry><entry colname="col3"><al>4548</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>6</al></entry><entry colname="col17"><al>1</al></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>60</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4633</al></entry><entry colname="col3"><al>4657</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>7</al></entry><entry colname="col17"><al>2</al></entry><entry colname="col18"><al>0</al></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>62</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4746</al></entry><entry colname="col3"><al>4770</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>8</al></entry><entry colname="col17"><al>3</al></entry><entry colname="col18"><al>1</al></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>64</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4887</al></entry><entry colname="col3"><al>4911</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>9</al></entry><entry colname="col17"><al>4</al></entry><entry colname="col18"><al>2</al></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>65</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4956</al></entry><entry colname="col3"><al>4980</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>65a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4980</al></entry><entry colname="col3"><al>5005</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al>10</al></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>66</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5026</al></entry><entry colname="col3"><al>5051</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al>5</al></entry><entry colname="col18"><al>3</al></entry><entry colname="col19"><al>0</al></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>68</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5167</al></entry><entry colname="col3"><al>5193</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al>6</al></entry><entry colname="col18"><al>4</al></entry><entry colname="col19"><al>1</al></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>70</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5308</al></entry><entry colname="col3"><al>5335</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al>7</al></entry><entry colname="col18"><al>5</al></entry><entry colname="col19"><al>2</al></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>71</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5376</al></entry><entry colname="col3"><al>5402</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>71a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5403</al></entry><entry colname="col3"><al>5430</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al>8</al></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>72</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5448</al></entry><entry colname="col3"><al>5476</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al>6</al></entry><entry colname="col19"><al>3</al></entry><entry colname="col20"><al>0</al></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>74</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5597</al></entry><entry colname="col3"><al>5625</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al>7</al></entry><entry colname="col19"><al>4</al></entry><entry colname="col20"><al>1</al></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>76</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5749</al></entry><entry colname="col3"><al>5778</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al>8</al></entry><entry colname="col19"><al>5</al></entry><entry colname="col20"><al>2</al></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>78</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5906</al></entry><entry colname="col3"><al>5936</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al>6</al></entry><entry colname="col20"><al>3</al></entry><entry colname="col21"><al>0</al></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>78a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5941</al></entry><entry colname="col3"><al>5970</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al>9</al></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>80</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6094</al></entry><entry colname="col3"><al>6125</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al>7</al></entry><entry colname="col20"><al>4</al></entry><entry colname="col21"><al>1</al></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>82</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6289</al></entry><entry colname="col3"><al>6320</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al>8</al></entry><entry colname="col20"><al>5</al></entry><entry colname="col21"><al>2</al></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>84</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6489</al></entry><entry colname="col3"><al>6522</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al>6</al></entry><entry colname="col21"><al>3</al></entry><entry colname="col22"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>84a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6524</al></entry><entry colname="col3"><al>6557</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al>9</al></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>86</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6696</al></entry><entry colname="col3"><al>6730</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al>7</al></entry><entry colname="col21"><al>4</al></entry><entry colname="col22"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>88</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6910</al></entry><entry colname="col3"><al>6944</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al>8</al></entry><entry colname="col21"><al>5</al></entry><entry colname="col22"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>90</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7131</al></entry><entry colname="col3"><al>7166</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al>6</al></entry><entry colname="col22"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>90a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7167</al></entry><entry colname="col3"><al>7203</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al>9</al></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>92</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7358</al></entry><entry colname="col3"><al>7395</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al>7</al></entry><entry colname="col22"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>94</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7593</al></entry><entry colname="col3"><al>7631</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al>8</al></entry><entry colname="col22"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>96 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7836</al></entry><entry colname="col3"><al>7875</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>96a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7875</al></entry><entry colname="col3"><al>7914</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al>9</al></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>98</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8086</al></entry><entry colname="col3"><al>8127</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>100</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8345</al></entry><entry colname="col3"><al>8387</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>102</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8612</al></entry><entry colname="col3"><al>8655</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>102a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8654</al></entry><entry colname="col3"><al>8697</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry><entry colname="col18"><al/></entry><entry colname="col19"><al/></entry><entry colname="col20"><al/></entry><entry colname="col21"><al/></entry><entry colname="col22"><al>9</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 januari 2011, nieuwe
                                structuur</titel></kop><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth=""/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth=""/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth=""/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>periodiek</al></entry><entry colname="col2" nameend="col12" namest="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1357</al></entry><entry colname="col3"><al>1390</al></entry><entry colname="col4"><al>1426</al></entry><entry colname="col5"><al>1468</al></entry><entry colname="col6"><al>1512</al></entry><entry colname="col7"><al>1616</al></entry><entry colname="col8"><al>1819</al></entry><entry colname="col9"><al>2089</al></entry><entry colname="col10"><al>2324</al></entry><entry colname="col11"><al>2510</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1390</al></entry><entry colname="col3"><al>1438</al></entry><entry colname="col4"><al>1487</al></entry><entry colname="col5"><al>1536</al></entry><entry colname="col6"><al>1587</al></entry><entry colname="col7"><al>1692</al></entry><entry colname="col8"><al>1898</al></entry><entry colname="col9"><al>2176</al></entry><entry colname="col10"><al>2425</al></entry><entry colname="col11"><al>2629</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1425</al></entry><entry colname="col3"><al>1487</al></entry><entry colname="col4"><al>1548</al></entry><entry colname="col5"><al>1604</al></entry><entry colname="col6"><al>1661</al></entry><entry colname="col7"><al>1768</al></entry><entry colname="col8"><al>1977</al></entry><entry colname="col9"><al>2262</al></entry><entry colname="col10"><al>2526</al></entry><entry colname="col11"><al>2748</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1460</al></entry><entry colname="col3"><al>1535</al></entry><entry colname="col4"><al>1609</al></entry><entry colname="col5"><al>1671</al></entry><entry colname="col6"><al>1736</al></entry><entry colname="col7"><al>1844</al></entry><entry colname="col8"><al>2055</al></entry><entry colname="col9"><al>2349</al></entry><entry colname="col10"><al>2627</al></entry><entry colname="col11"><al>2867</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1495</al></entry><entry colname="col3"><al>1583</al></entry><entry colname="col4"><al>1670</al></entry><entry colname="col5"><al>1739</al></entry><entry colname="col6"><al>1810</al></entry><entry colname="col7"><al>1920</al></entry><entry colname="col8"><al>2134</al></entry><entry colname="col9"><al>2435</al></entry><entry colname="col10"><al>2728</al></entry><entry colname="col11"><al>2986</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1530</al></entry><entry colname="col3"><al>1631</al></entry><entry colname="col4"><al>1731</al></entry><entry colname="col5"><al>1807</al></entry><entry colname="col6"><al>1884</al></entry><entry colname="col7"><al>1995</al></entry><entry colname="col8"><al>2213</al></entry><entry colname="col9"><al>2522</al></entry><entry colname="col10"><al>2829</al></entry><entry colname="col11"><al>3105</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1566</al></entry><entry colname="col3"><al>1679</al></entry><entry colname="col4"><al>1792</al></entry><entry colname="col5"><al>1874</al></entry><entry colname="col6"><al>1959</al></entry><entry colname="col7"><al>2071</al></entry><entry colname="col8"><al>2292</al></entry><entry colname="col9"><al>2609</al></entry><entry colname="col10"><al>2930</al></entry><entry colname="col11"><al>3224</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1601</al></entry><entry colname="col3"><al>1727</al></entry><entry colname="col4"><al>1852</al></entry><entry colname="col5"><al>1942</al></entry><entry colname="col6"><al>2033</al></entry><entry colname="col7"><al>2147</al></entry><entry colname="col8"><al>2370</al></entry><entry colname="col9"><al>2696</al></entry><entry colname="col10"><al>3031</al></entry><entry colname="col11"><al>3343</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1636</al></entry><entry colname="col3"><al>1776</al></entry><entry colname="col4"><al>1913</al></entry><entry colname="col5"><al>2010</al></entry><entry colname="col6"><al>2108</al></entry><entry colname="col7"><al>2223</al></entry><entry colname="col8"><al>2449</al></entry><entry colname="col9"><al>2782</al></entry><entry colname="col10"><al>3132</al></entry><entry colname="col11"><al>3463</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1671</al></entry><entry colname="col3"><al>1824</al></entry><entry colname="col4"><al>1974</al></entry><entry colname="col5"><al>2077</al></entry><entry colname="col6"><al>2182</al></entry><entry colname="col7"><al>2299</al></entry><entry colname="col8"><al>2528</al></entry><entry colname="col9"><al>2869</al></entry><entry colname="col10"><al>3233</al></entry><entry colname="col11"><al>3582</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1706</al></entry><entry colname="col3"><al>1872</al></entry><entry colname="col4"><al>2035</al></entry><entry colname="col5"><al>2145</al></entry><entry colname="col6"><al>2256</al></entry><entry colname="col7"><al>2374</al></entry><entry colname="col8"><al>2607</al></entry><entry colname="col9"><al>2956</al></entry><entry colname="col10"><al>3335</al></entry><entry colname="col11"><al>3700</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1741</al></entry><entry colname="col3"><al>1921</al></entry><entry colname="col4"><al>2096</al></entry><entry colname="col5"><al>2213</al></entry><entry colname="col6"><al>2331</al></entry><entry colname="col7"><al>2450</al></entry><entry colname="col8"><al>2685</al></entry><entry colname="col9"><al>3042</al></entry><entry colname="col10"><al>3436</al></entry><entry colname="col11"><al>3819</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth=""/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth=""/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth=""/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth=""/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth=""/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth=""/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth=""/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth=""/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth=""/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth=""/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth=""/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>periodiek</al></entry><entry colname="col2" nameend="col12" namest="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>2772</al></entry><entry colname="col3"><al>3016</al></entry><entry colname="col4"><al>3325</al></entry><entry colname="col5"><al>3634</al></entry><entry colname="col6"><al>4063</al></entry><entry colname="col7"><al>4319</al></entry><entry colname="col8"><al>4648</al></entry><entry colname="col9"><al>4980</al></entry><entry colname="col10"><al>5516</al></entry><entry colname="col11"><al>6119</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>2894</al></entry><entry colname="col3"><al>3143</al></entry><entry colname="col4"><al>3452</al></entry><entry colname="col5"><al>3761</al></entry><entry colname="col6"><al>4187</al></entry><entry colname="col7"><al>4469</al></entry><entry colname="col8"><al>4821</al></entry><entry colname="col9"><al>5182</al></entry><entry colname="col10"><al>5734</al></entry><entry colname="col11"><al>6354</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3016</al></entry><entry colname="col3"><al>3270</al></entry><entry colname="col4"><al>3579</al></entry><entry colname="col5"><al>3886</al></entry><entry colname="col6"><al>4311</al></entry><entry colname="col7"><al>4619</al></entry><entry colname="col8"><al>4995</al></entry><entry colname="col9"><al>5384</al></entry><entry colname="col10"><al>5952</al></entry><entry colname="col11"><al>6588</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3138</al></entry><entry colname="col3"><al>3397</al></entry><entry colname="col4"><al>3705</al></entry><entry colname="col5"><al>4010</al></entry><entry colname="col6"><al>4435</al></entry><entry colname="col7"><al>4769</al></entry><entry colname="col8"><al>5168</al></entry><entry colname="col9"><al>5587</al></entry><entry colname="col10"><al>6170</al></entry><entry colname="col11"><al>6823</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3260</al></entry><entry colname="col3"><al>3523</al></entry><entry colname="col4"><al>3831</al></entry><entry colname="col5"><al>4135</al></entry><entry colname="col6"><al>4560</al></entry><entry colname="col7"><al>4919</al></entry><entry colname="col8"><al>5342</al></entry><entry colname="col9"><al>5789</al></entry><entry colname="col10"><al>6388</al></entry><entry colname="col11"><al>7057</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3382</al></entry><entry colname="col3"><al>3650</al></entry><entry colname="col4"><al>3956</al></entry><entry colname="col5"><al>4259</al></entry><entry colname="col6"><al>4684</al></entry><entry colname="col7"><al>5070</al></entry><entry colname="col8"><al>5515</al></entry><entry colname="col9"><al>5991</al></entry><entry colname="col10"><al>6606</al></entry><entry colname="col11"><al>7291</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3504</al></entry><entry colname="col3"><al>3778</al></entry><entry colname="col4"><al>4080</al></entry><entry colname="col5"><al>4383</al></entry><entry colname="col6"><al>4808</al></entry><entry colname="col7"><al>5220</al></entry><entry colname="col8"><al>5689</al></entry><entry colname="col9"><al>6193</al></entry><entry colname="col10"><al>6824</al></entry><entry colname="col11"><al>7525</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3626</al></entry><entry colname="col3"><al>3903</al></entry><entry colname="col4"><al>4204</al></entry><entry colname="col5"><al>4507</al></entry><entry colname="col6"><al>4933</al></entry><entry colname="col7"><al>5370</al></entry><entry colname="col8"><al>5863</al></entry><entry colname="col9"><al>6395</al></entry><entry colname="col10"><al>7042</al></entry><entry colname="col11"><al>7760</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3748</al></entry><entry colname="col3"><al>4027</al></entry><entry colname="col4"><al>4329</al></entry><entry colname="col5"><al>4632</al></entry><entry colname="col6"><al>5057</al></entry><entry colname="col7"><al>5520</al></entry><entry colname="col8"><al>6036</al></entry><entry colname="col9"><al>6597</al></entry><entry colname="col10"><al>7260</al></entry><entry colname="col11"><al>7994</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>3869</al></entry><entry colname="col3"><al>4151</al></entry><entry colname="col4"><al>4453</al></entry><entry colname="col5"><al>4756</al></entry><entry colname="col6"><al>5181</al></entry><entry colname="col7"><al>5670</al></entry><entry colname="col8"><al>6209</al></entry><entry colname="col9"><al>6799</al></entry><entry colname="col10"><al>7478</al></entry><entry colname="col11"><al>8229</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>3989</al></entry><entry colname="col3"><al>4276</al></entry><entry colname="col4"><al>4577</al></entry><entry colname="col5"><al>4880</al></entry><entry colname="col6"><al>5305</al></entry><entry colname="col7"><al>5820</al></entry><entry colname="col8"><al>6383</al></entry><entry colname="col9"><al>7001</al></entry><entry colname="col10"><al>7696</al></entry><entry colname="col11"><al>8463</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4109</al></entry><entry colname="col3"><al>4400</al></entry><entry colname="col4"><al>4701</al></entry><entry colname="col5"><al>5005</al></entry><entry colname="col6"><al>5430</al></entry><entry colname="col7"><al>5970</al></entry><entry colname="col8"><al>6557</al></entry><entry colname="col9"><al>7203</al></entry><entry colname="col10"><al>7914</al></entry><entry colname="col11"><al>8697</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>