<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76151_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 28-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Investeren in Jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/02/16/06</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen, uitkeringen en toeslagen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Onderwerp: Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Roerdalen heeft;</al><al/><al>gelet op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 13
                        april 2010,</al><al/><al>gehoord de commissie Bewonerszaken d.d. 28 april 2010;</al><al/><al>in de openbare vergadering d.d. 20 mei 2010 het navolgende besluit
                        genomen:</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen: de Afstemmingsverordening Wet Investeren in Jongeren
                        Gemeente Roerdalen 2010</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>de wet:de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere
                                    van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op
                                    grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging
                                    of verlaging en inclusief vakantietoeslag;</al></li><li nr="c."><al>maatregel:het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van
                                    artikel 41, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>jongere: de gene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
                                    betrokken;</al></li><li nr="e."><al>inlichtingenplicht:de verplichting bedoeld in artikel 44 van de
                                    wet en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="f."><al>overige verplichtingen: de verplichtingen bedoeld in artikel 45
                                    van de wet;</al></li><li nr="g."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="2."><al>zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze
                                    verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>1. Indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende
                            verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, dan wel de uit
                            artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur</al><al>uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen,
                            niet of onvoldoende nakomt,</al><al>dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt, wordt door het
                            college overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al><al>2. De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de jongere de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                            waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk
                            geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al>3. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                            daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van de jongere</titel></kop><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de gelegenheid
                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                    feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of
                                    van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11,
                                    vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het kader van de wet
                                    heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                    verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de wet; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van
                                    de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum</titel></kop><al/><al>1. De maatregel wordt toegepast op de WIJ-norm.</al><al>2. De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt bij voorkeur
                            opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de
                            datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                            jongere is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                            geldende WIJ-norm.</al><al>3. In afwijking van het tweede lid kan de maatregel met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Verjaring</titel></kop><al>Er wordt afgezien van het opleggen van een maatregel indien de
                            maatregelwaardige gedraging meer dan één jaar voor de constatering van
                            die gedraging heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending
                            van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten
                            onrechte een inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens
                            schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na vijf jaren
                            nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een jongere zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende
                            gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in
                            artikel 7 inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                            maatregel uitgegaan van de zwaarste gedraging.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Gedragingen artikel 45 WIJ</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere waardoor de overige verplichtingen van
                            artikel 45 WIJ niet of niet voldoende zijn nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het in onvoldoende mate meewerken aan activiteiten of
                                            werkzaamheden, waaronder begrepen sociale activering,
                                            gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="b."><al>het niet naar beste vermogen verrichten van opgedragen
                                            werkzaamheden of activiteiten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het in onvoldoende mate meewerken aan
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het meewerken
                                            aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een door een arts
                                            noodzakelijk geachte behandeling van medische aard;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het behoud
                                            of bevorderen van arbeidsbekwaamheid en wel in die zin
                                            dat niet of onvoldoende de verplichting wordt nagekomen
                                            gebruik te maken van een daartoe aangeboden
                                            voorziening;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het behoud
                                            of bevorderen van arbeidsbekwaamheid en wel in die zin
                                            dat niet of onvoldoende de verplichting wordt nagekomen
                                            gebruik te maken van een daartoe aangeboden voorziening,
                                            voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden
                                            of tot voortijdige beëindiging van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan
                                            activiteiten of werkzaamheden, waaronder begrepen
                                            sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, voor
                                            zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                            tot voortijdige beëindiging van die activiteiten of
                                            werkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met te
                                            verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het
                                            aanvaarden van of verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid belemmeren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel behorend bij de in artikel 7 vermelde categorieën
                                    wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>veertig procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de WIJ-norm inkomensvoorziening
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                            categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na de
                                    vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig
                                    maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                    categorie.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen de
                                    maatregel met een langere duur worden opgelegd, als de ernst van
                                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                    van de jongere daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>Het niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere waardoor de verplichtingen op grond van
                            artikel 44 van de wet en/of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet
                            structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet voldoende
                            zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet uit eigen beweging of binnen een door het
                                            college daartoe gestelde termijn mededeling doen van
                                            alle feiten en omstandigheden, waarvan de jongere
                                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed
                                            kunnen zijn op zijn recht op een werkleeraanbod en/of
                                            zijn recht op inkomensvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde
                                            termijn verlenen van medewerking die redelijkerwijs
                                            nodig is voor de uitvoering van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk mededeling doen van alle
                                            feiten en omstandigheden, waarvan de jongere
                                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed
                                            kunnen zijn op zijn recht op inkomensvoorziening, voor
                                            zover dit heeft geleid tot een ten onrechte of tot een
                                            te hoog verleend bedrag aan inkomensvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde
                                            termijn verlenen van medewerking die redelijkerwijs
                                            nodig is voor de uitvoering van de wet, waarvan de
                                            jongere redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van
                                            invloed kan zijn op zijn recht op inkomensvoorziening,
                                            voor zover dit heeft geleid tot een ten onrechte of tot
                                            een te hoog verleend bedrag aan
                                            inkomensvoorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>De hoogte en de duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel behorend bij de in artikel 9 vermelde categorieën wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel
                                        9;</al></li><li nr="b."><al>vijftien procent van het benadelingsbedrag, met een minimum
                                        van € 100,- en een maximum-bedrag van € 1000,- indien sprake
                                        is van een ten onrechte of een te hoog verleend bedrag aan
                                        inkomensvoorziening bij een gedraging van de tweede
                                        categorie als bedoeld in artikel 9;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na de
                                vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt
                                aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde (of een hogere)
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de maatregel bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de
                                beëindiging van het recht op inkomensvoorziening niet kan worden
                                opgelegd, wordt de maatregel alsnog opgelegd wanneer binnen één jaar
                                na beëindiging van de inkomensvoorziening een nieuw recht op
                                inkomensvoorziening ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</titel></kop><al>De maatregel als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, wordt
                            niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
                            ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake een</al><al>strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                            aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen
                            ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>Overige gedragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien de jongere zich jegens het college of zijn medewerkers zeer
                            ernstig misdraagt legt het college een maatregel op. </al><al>De maatregel bedraagt honderd procent van de WIJ-norm gedurende een
                            maand. In de toelichting wordt nader aangegeven wanneer onder meer
                            sprake is van zo’n zeer ernstige misdraging.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen treedt in werking op 1
                            juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de Afstemmingsverordening
                            WIJ gemeente Roerdalen.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 20-05-2010</ondertekening><ondertekening>De gemeenteraad van Roerdalen,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>R.J.J. Notermans drs. C.A.M. Hanselaar – van Loevezijn</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>De WIJ legt de nadruk op duurzame arbeidsparticipatie van jongeren van 16 tot 27
                    jaar. </al><al>Om dit te bereiken is in deze wet een recht op een werkleeraanbod opgenomen.
                    Hierop ligt de nadruk. In vergelijking met de WWB houdt dit een zogenoemde
                    Paradigmashift in; van uitkering mits (WWB) naar geen uitkering tenzij
                    (WIJ).</al><al>Wanneer het werkleeraanbod voor een jongere, gezien zijn individuele
                    omstandigheden, vooralsnog geen optie is of indien het werkleeraanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert dan kan aan deze jongere een inkomensvoorziening
                    worden verstrekt (jongeren tot 18 jaar vallen nog onder de Algemene
                    kinderbijslagwet). Bij weigering van een Werkleeraanbod of herhaaldelijk
                    onvoldoende meewerken bestaat er geen recht op een inkomensvoorziening.</al><al>Voornoemde paradigmashift brengt met zich mee dat groot belang wordt gehecht aan
                    het feit dat een jongere alles in het werk stelt om liefst duurzaam te
                    participeren op de arbeidsmarkt zodat daarmee zelfstandig in het levensonderhoud
                    kan worden voorzien. De in dit kader in de WIJ opgenomen verplichtingen zijn dan
                    ook met name op dit doel gericht.</al><al>De afstemmingsverordening WIJ 2010 regelt de sanctionering van de
                    inkomensvoorziening (inclusief eventuele toeslag) als bedoeld in artikel 41 WIJ.
                    Net als bij de Wet werk en bijstand ligt het soort gedragingen globaal vast in
                    de wet, terwijl de hoogte en duur van de verlaging onderwerp zijn van
                    gemeentelijk beleid. Uitgangspunt van de verordening vormt het beginsel dat de
                    uitkering wordt afgestemd op het nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks
                    voortvloeien uit de wet en de verplichtingen die bij beschikking aan de jongere
                    zijn opgelegd.</al><al>Het grote belang van arbeidsparticipatie via een werkleeraanbod komt in de
                    verordening tot uitdrukking in de onderverdeling in categorieën van gedragingen.
                    Aan gedragingen die arbeids-participatie rechtstreeks schaden wordt
                    overeenkomstig de strekking van de wet een relatief zwaar gewicht toegekend.
                    Hoewel de verplichtingen genoemd in artikel 45 van de wet wat anders geredigeerd
                    zijn dan die in artikel 9 van de Wet werk en bijstand, is voor wat betreft de
                    indeling in categorieën waar mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande
                    indeling van de Afstemmings-verordening WWB 2009. Dit geldt ook voor de hoogte
                    van de maatregelen. Het zou immers niet consistent zijn aan een gelijksoortige
                    gedraging van een bijstandsgerechtigde een andere maatregel toe te kennen.</al><al>De wet biedt alleen de mogelijkheid om de inkomensvoorziening te verlagen met
                    een maatregel.</al><al>Daarbij gaat het wel om de inkomensvoorziening, inclusief een eventuele toeslag
                    of verlaging en inclusief vakantiegeld (WIJ-norm). Het sanctioneren op grond van
                    het feit dat verplichtingen niet of in onvoldoende mate zijn nagekomen, wordt in
                    de terminologie van de wet aangeduid als het “afstemmen” van het bedrag van de
                    inkomensvoorziening. Deze term wordt ook gehanteerd in de toelichting bij
                    artikel 12 van de wet en komt ook tot uitdrukking in de titulatuur van deze
                    verordening. Toch wordt er de voorkeur aan gegeven het afstemmen van de
                    inkomensvoorziening aan te duiden als het opleggen van een “maatregel”. Net als
                    bij de Afstemmingsverordening WWB 2009 wordt hiermee niet alleen aangesloten bij
                    het spraakgebruik dat sinds de Wet boeten en maatregelen gangbaar is, maar wordt
                    ook het sanctionerende karakter van het “afstemmen” benadrukt.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt, hebben een
                        gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WIJ. Enkele begrippen die
                        niet zijn opgenomen in de WIJ zijn apart gedefinieerd, zoals de begrippen
                        maatregel en jongere. Voor het bepalen van het begrip “jongere” is
                        aangesloten bij artikel 2 van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Lid 1</al><al>In deze bepaling wordt voor alle duidelijkheid artikel 41, eerste lid, WIJ
                        herhaald. De WIJ legt het accent op een werkleerrecht en daarmee op
                        acceptatie van en goed uitvoering geven aan een in dit kader aangereikt
                        werkleeraanbod. Pas wanneer een dergelijk aanbod, gelet op de persoonlijke
                        omstandigheden van de jongere, geen optie is of wanneer het aanbod
                        onvoldoende inkomsten genereert, kan er een inkomensvoorziening worden
                        verstrekt.</al><al>Zowel aan het aanbod alsook aan de inkomensvoorziening zijn strikte
                        verplichtingen verbonden. Door de koppeling tussen werkleeraanbod en
                        inkomensvoorziening gelden deze vanaf datum aanvraag werkleeraanbod. Dit
                        wijkt derhalve af van de WWB, omdat het recht op WWB kan ingaan vanaf de
                        meldingsdatum. Gelet op dit verschil is het van belang jongeren in staat
                        worden gesteld de aanvraag om een werkleeraanbod zo spoedig mogelijk in te
                        dienen.</al><al>Lid 2</al><al>In deze afstemmingsverordening zijn voor de diverse gedragingen
                        standaard-maatregelen</al><al>vastgesteld. Desondanks blijft het mogelijk de op te leggen maatregel aan te
                        passen aan de ernst van het feit en de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere.</al><al>Beoordeeld dient te worden of men als gevolg van de ernst van het feit en de
                        gedraging, bijvoorbeeld afhankelijk van de zwaarte van de gedraging, omvang
                        van de gevolgen of zoveelste recidive wil afwijken van de
                        standaardmaatregel. De mate van verwijtbaarheid dient altijd in de
                        beoordeling meegenomen te worden. Hierbij dient de vraag gesteld te worden
                        in hoeverre de jongere op de hoogte was/kon zijn van zijn verplichtingen,
                        alsmede de psychische gesteldheid van de jongere. Bij het ontbreken van
                        iedere verwijtbaarheid wordt er geen maatregel opgelegd.</al><al>Bij de omstandigheden van de jongere dient overwogen te worden of de
                        individuele omstandigheden van de jongere aanleiding zijn om af te wijken
                        van de standaardmaatregel.</al><al>Als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden kan een maatregel, in
                        afwijking van de standaardmaatregel hoger worden vastgesteld (tot maximaal
                        100%) of juist lager. In het laatste geval is het in uitzonderlijke
                        situaties zelfs mogelijk de verlaging toe te passen tot 0%. Dit moet
                        overigens niet worden verward met het afzien van een maatregel om dringende
                        redenen (zie hierna).</al><al>Een maatregel kan op basis van dit tweede lid niet alleen hoger of lager
                        worden vastgesteld maar kan in voorkomende gevallen ook over een langere
                        periode worden gespreid. De standaard maatregel is dan bijvoorbeeld één
                        maand 100%, maar wordt vervolgens verdeeld over twee maanden 50%.</al><al>Lid 3</al><al>Bij het afzien van een maatregel wegens dringende redenen zijn de onder lid
                        2 genoemde criteria reeds beoordeeld en is men van mening dat er gelet op de
                        verwijtbare gedraging een maatregel dient plaats te vinden. Echter wegens de
                        dringende redenen wordt deze maatregel niet opgelegd. Wat dringende redenen
                        zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand
                        worden vastgelegd. De jongere ontvangt een beschikking dat er is afgezien
                        van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen. Een volgende
                        verwijtbare gedraging zal als recidive worden beschouwd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen.</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende, voordat een maatregel
                        wordt opgelegd, in beginsel voorgeschreven. </al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Een maatregel wordt opgelegd over de inkomensvoorziening. Hieronder wordt de
                        wettelijke norm verstaan inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                        inclusief vakantietoeslag.</al><al>Lid 2</al><al>Net als bij de WWB wordt in het kader van de WIJ een maatregel in principe
                        naar de toekomst opgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat het recht herzien
                        moet worden en de teveel verstrekte inkomensvoorziening moet worden
                        teruggevorderd. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                        kalendermaand nadat het maatregelbesluit is genomen.</al><al>Lid 3</al><al>In voorkomende situaties kan het praktisch zijn om de maatregel te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet
                        het recht op inkomensvoorziening wel worden herzien en moet worden
                        teruggevorderd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verjaring</titel></kop><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is verjaring.
                        Omwille van de effectiviteit van een maatregel is het geboden dat deze zo
                        snel mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt opgelegd (“lik
                        op stuk”). Deze verjaringstermijn wordt vastgesteld op één jaar met
                        uitzondering van de gedragingen wegens het niet of niet voldoende nakomen
                        van de inlichtingenplicht. In dat geval geldt een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Daarmee wordt aangesloten op hetgeen hieromtrent verwoord is in de
                        handreiking handhaving rechten en plichten welke in opdracht van het
                        ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is opgesteld na
                        inwerking-treding van de WWB. Een termijn van vijf jaar bij het schenden van
                        de inlichtingenlicht ligt tevens voor de hand gelet op de ernst van de
                        gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig
                        heeft om de omvang van de fraude vast te stellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Bij samenloop van meerdere verwijtbare gedragingen zijn er in beginsel 3
                        mogelijkheden: niet cumuleren van maatregelen, uitgaan van de meest ernstige
                        gedraging of de maatregelen gelijktijdig toepassen (cumuleren). Gekozen is
                        voor de tweede optie.</al><al>De bepaling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen die (min of meer) gelijkertijd plaatsvinden.
                        Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                        gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan
                        van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de overige verplichtingen
                            genoemd in artikel 45 van de wet</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen artikel 45 WIJ</titel></kop><al>De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De
                        verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën, waaraan (in
                        artikel 8) een gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage.
                        De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. </al><al>In de indeling in categorieën is uitdrukking gegeven aan het belang dat in
                        de WIJ wordt gehecht aan (duurzame) arbeidsinschakeling.</al><al>De WIJ wordt gekenmerkt door een zogenoemde paradigmawisseling. In plaats
                        van “uitkering mits” zoals nu bij de WWB nog het geval is, wordt hier
                        gesproken van “geen uitkering, tenzij”. Jongeren moeten dus of werken of
                        leren (of beiden combineren). Om dit uitgangspunt vorm te geven kent de</al><al>WIJ aan jongeren een <onderstreept>werkleerrecht</onderstreept> toe dat
                        geconcretiseerd wordt in een werkleeraanbod met (duurzame)
                        arbeidsparticipatie als doel. Alle inspanningen van de jongere en natuurlijk
                        ook van de gemeente zelf dienen hierop gericht te zijn.</al><al>Bij arbeidsparticipatie gaan ook in het kader van de WIJ de gedachten
                        allereerst uit naar het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid zonder
                        dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die
                        door de gemeente wordt aangeboden. Iedere jongere is dan ook verplicht om
                        naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden. </al><al>Er worden geen beperkende voorwaarden gesteld aan de aard en de omvang van
                        het werk en de aansluiting op opleiding en ervaring. Alle arbeid die
                        maatschappelijk aanvaard is moet worden geaccepteerd. De primaire plicht tot
                        arbeidsinschakeling komt tot uitdrukking in artikel 45 van de wet en dan met
                        name in onderdeel b.</al><al><cursief>Intrekking of sanctionering</cursief></al><al>Wat verder van belang is hier te belichten is dat de WIJ de keuze laat
                        tussen sanctioneren enerzijds en het intrekken van het werkleeraanbod en
                        daarmee tevens het beëindigen van de inkomensvoorziening anderzijds. In het
                        kader van de invoering van de WIJ is als uitgangspunt gekozen dat zoveel
                        mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaand WWB beleid. Dit geldt ook
                        voor het maatregelenbeleid. Het betekent dat bij maatregelwaardig gedrag van
                        jongeren toch zoveel mogelijk een maatregel wordt opgelegd. </al><al>Bij minder ernstige gedragingen wordt het werkleeraanbod niet ingetrokken,
                        (zie gedragingen van de eerste en tweede categorie, genoemd in artikel 7,
                        eerste en tweede lid). Het opleggen van een maatregel zal hier dus de regel
                        moeten zijn. Dat geldt ook bij recidive. Is sprake van herhaalde recidive,
                        waardoor blijkt dat het opleggen van een maatregel geen effect ressorteert,
                        dan dient alsnog tot intrekking te worden besloten.</al><al>In gevallen waarin geen inkomensvoorziening wordt verstrekt maar waarin wel
                        een werkleeraanbod van toepassing is, kan een maatregel niet worden
                        geëffectueerd. Hier moet eerst worden gewerkt met een waarschuwing. Bij
                        herhaald foutief gedrag moet dan tot intrekking worden overgegaan.</al><al>Bij ernstige gedragingen (gedragingen van de derde categorie, genoemd in
                        artikel 7, derde lid) moet in eerste instantie ook een maatregel worden
                        opgelegd. Een uitzondering vormt hier ook weer de situatie dat een maatregel
                        niet kan worden geëffectueerd omdat de jongere geen inkomens-voorziening
                        heeft. In dat geval moet het aanbod worden ingetrokken.</al><al>Het aanbod dient eveneens te worden ingetrokken bij recidive. Het gaat
                        immers opnieuw om een ernstige gedraging. Echter ook hier kan gemotiveerd
                        worden afgeweken en kan een verdubbeling van de maatregel plaatsvinden.
                        Vandaar dat ook voor gedragingen van de derde categorie de</al><al>recidivebepaling blijft bestaan.</al><al><cursief>Dus samengevat</cursief></al><lijst><li nr="Ø"><al>Bij gedragingen van de eerste en tweede categorie, genoemd in
                                artikel 7, eerste en tweede lid, volgt dat in de regel een maatregel
                                wordt opgelegd, ook bij een eerste recidive. Er kan gemotiveerd
                                worden afgeweken bijvoorbeeld indien een maatregel niet kan worden
                                geëffectueerd, bij herhaald foutief gedrag of bij schendingen van
                                meerdere verplichtingen tegelijkertijd;</al></li><li nr="Ø"><al>bij gedragingen van de derde categorie, genoemd in artikel 7, derde
                                lid, volgt eveneens een maatregel, namelijk van 100%. Er kan
                                gemotiveerd worden afgeweken bijvoorbeeld indien een maatregel niet
                                kan worden geëffectueerd.</al></li></lijst><lijst><li nr="Ø."><al>Bij recidive dient tot intrekking te worden overgegaan. Ook hier kan
                                echter gemotiveerd worden afgeweken en worden gekozen voor het
                                toepassen van een zware maatregel voor langere duur.</al></li></lijst><al>Lid 1</al><al>Eerste categorie sub a</al><al>Het meewerken aan de arbeidsinschakeling en het traject er naar toe neemt
                        binnen de WIJ een belangrijke plaats in. Werkt een jongere in het geheel
                        niet mee dan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, vijfde lid WIJ
                        géén werkleeraanbod gedaan. Ook bestaat er dan géén recht op een
                        inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid onderdeel c WIJ). Is sprake van
                        een minder ernstige schending van de meewerkverplichting, in die zin dat
                        onvoldoende medewerking wordt verleend, dan kan wel een werkleeraanbod
                        worden gedaan, maar dan is een maatregel op zijn plaats.</al><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar
                        weigert hij het aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan
                        het werkleeraanbod alsnog worden ingetrokken (artikel 21, onderdeel b WIJ).
                        Door de weigering is er dan ook geen recht op een inkomensvoorziening
                        (artikel 42, eerste lid, onderdeel a WIJ).</al><al>Eerste categorie sub b</al><al>Bij de gedraging bedoeld in onderdeel b is er ook sprake van voorzetting van
                        de werkzaamheden of activiteiten.</al><al>Lid 2</al><al>Tweede categorie</al><al>Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de jongere niet op
                        afspraken bij het re-integratiebedrijf of het LWI/Werkplein verschijnt. Het
                        LWI/Werkplein vormt wat dit laatste betreft een bijzondere plek. Binnen deze
                        setting gelden bepaalde huisregels die ertoe moeten bijdragen dat het
                        diagnostisch onderzoek zo goed mogelijk kan verlopen. Overtreding van die
                        regels zou kunnen worden opgevat als een gedraging van de tweede categorie.
                        Het zonder meer toepassen van de daarbij behorende maatregel (één maand 40%)
                        kan, afhankelijk van de overtreding en de omstandigheden een te zware
                        sanctie zijn. Het is dan toch mogelijk om een maatregel te baseren op
                        artikel 7, tweede lid, maar vervolgens de hoogte te matigen met toepassing
                        van artikel 2, tweede lid van de verordening.</al><al>Ook het niet meewerken aan een noodzakelijk geacht medisch onderzoek of een
                        door een arts noodzakelijk geachte behandeling van medische aard is aan te
                        merken als een maatregelwaardige gedraging. Dit zal met name zo zijn indien
                        het niet meewerken van invloed is op het leerwerktraject of het verwerven
                        van loonvormende arbeid.</al><al>In andere gevallen worden meestal meerdere verplichtingen tegelijkertijd
                        geschonden. Er kan dan op grond daarvan een zwaardere maatregel worden
                        opgelegd. Ook kan afhankelijk van de situatie in een individueel tot
                        intrekking of uitsluiting van het werkleeraanbod worden overgegaan.</al><al>Wanneer de gedraging in onderdeel b bij herhaling plaatsvindt, kan op basis
                        van “recidive” de duur van de maatregel worden verdubbeld. Is daarna weer
                        sprake van herhaald foutief gedrag dan dient tot intrekking van het
                        werkleeraanbod te worden besloten.</al><al>Lid 3</al><al>Derde Categorie</al><al>In onderdeel a en b hebben de gedragingen tot gevolg dat een aangeboden
                        voorziening definitief geen doorgang kan vinden of vroegtijdig moet worden
                        beëindigd. De gedragingen worden daarmee gekwalificeerd als ernstig. Het
                        stopzetten van de voorziening heeft immers tot gevolg dat inschakeling in de
                        arbeid weer voor langere tijd niet mogelijk is. Gelet op de uitgangspunten
                        van de WIJ ligt een zwaardere sanctionering in deze dan ook voor de
                        hand.</al><al>Zoals hiervoor in de inleidende toelichting bij artikel 7 al is aangegeven,
                        is het ook bij ernstige gedragingen regel dat een maatregel wordt opgelegd.
                        Daarbij is ook vermeld dat van deze regel kan worden afgeweken, bijvoorbeeld
                        wanneer een maatregel niet kan worden geëffectueerd. Dan is intrekking van
                        het werkleeraanbod geboden. Is sprake van recidive dan volgt intrekking van
                        het werkleeraanbod. </al><al>Onder onderdeel c. gaat het om ernstige gedragingen als “het niet aanvaarden
                        van algemeen geaccepteerde arbeid”,“gedragingen die de inschakeling in
                        arbeid belemmeren” en “het niet naar vermogen trachten algemeen
                        geaccepteerde arbeid te verkrijgen”. Voor wat betreft het begrip “algemeen
                        geaccepteerde arbeid” wordt erop gewezen dat het hierbij om allerlei soorten
                        arbeid kan gaan. Gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk
                        of voor onbepaalde duur. </al><al>Essentieel voor onderdeel c is dat de jongere door het stellen van
                        onredelijke eisen in verband met te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid
                        afziet van een concrete kans om, geheel of gedeeltelijk, in zijn
                        levensonderhoud te voorzien. Tot “het stellen van onredelijke eisen” kan ook
                        worden gerekend het kortweg weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid en
                        het blijk geven van negatieve gedragingen bij sollicitaties. Daarnaast valt
                        ook het onvoldoende solliciteren hieronder. De jongere moet zich immers zo
                        opstellen dat hij algemeen geaccepteerde arbeid kan en wil aanvaarden. In
                        het plan en in het aanbod zal tot uitdrukking worden gebracht dat de jongere
                        een minimaal aantal sollicitaties moet verrichten en hiervan op verzoek de
                        bewijsstukken moet tonen. Het exacte minimum aantal verplichte sollicitaties
                        zal onder andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid.
                        Met de enkele mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen
                        genoegen genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk
                        hebben plaatsgevonden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Conform de Afstemmingsverordening WWB is hier aan de categorieën een bepaald
                        wegings-percentage gekoppeld, al naar gelang de zwaarte van de gedraging.
                        Dit percentage dient als uitgangspunt bij de uiteindelijke vaststelling van
                        de maatregel, waarbij te allen tijde de ernst van de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden moeten worden meegewogen.
                        Vooral bij toepassing van een zware maatregel (zoals een 100% maatregel)
                        speelt artikel 2, tweede lid een belangrijke rol. Er moet dan met name goed
                        gekeken worden naar de individuele omstandigheden.</al><al>Ook in de beoordeling van overtredingen van de huisregels van het LWI
                        Roermond vormt het in artikel 2, tweede lid geschetste toetsingskader een
                        belangrijk element. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 7, tweede
                        lid van de verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Indien er binnen één jaar na een vorige verwijtbare gedraging sprake is van
                        herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                        uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Er
                        moet hier echter op worden gewezen dat bij recidive in de regel tot</al><al>intrekking van het werkleeraanbod (en daarmee ook van de
                        inkomensvoorziening) moet worden overgegaan. In het individuele geval kan
                        hier gemotiveerd van worden afgeweken en kan een zware maatregel voor
                        langere duur worden opgelegd.</al><al>Onder eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                        aanleiding is geweest een maatregel toe te passen, ook indien de maatregel
                        wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Een gedraging kan overigens
                        pas als “verwijtbaar” worden aangemerkt indien deze is beoordeeld en in een
                        beslissing aan de jongere kenbaar is gemaakt.</al><al>Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip waarop de
                        eerste verwijtbare gedraging zich feitelijk heeft voorgedaan. Het is daarom
                        van belang dit goed weer te geven in het maatregelbesluit en dat vervolgens
                        adequaat te registreren.</al><al>Lid 3</al><al>Met deze bepaling wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om ook bij een
                        eerste of tweede gedraging de maatregel voor een langere periode op te
                        leggen als de situatie daartoe aanleiding geeft. Ook hier geldt het beginsel
                        dat in een concreet geval maatwerk mogelijk moet zijn. Hieraan</al><al>moet met name gedacht worden indien de kansen van de jongere op uitstroom
                        ernstig worden bemoeilijkt door het afbreken van een traject. In dergelijke
                        gevallen moet het mogelijk zijn om, rekening houdend met de betrekkelijk
                        ernstige gevolgen van de gedraging, reeds bij een eerste of</al><al>tweede gedraging deze voor langere duur op te leggen.</al><al>Net als bij het tweede lid moet hier worden opgemerkt dat in voorkomende
                        gevallen redenen zijn om geen maatregel op te leggen maar over te gaan tot
                        intrekking van het werkleeraanbod.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>het niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De artikelen 9 en 10 moeten ook in onderling verband worden gezien. Het
                        betreft de verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen met
                        betrekking tot het recht op een werkleeraanbod en/of het recht op een
                        inkomensvoorziening alsmede de medewerkingsverplichting van de jongere.</al><al>De jongere is ook verplicht om inlichtingen te verstrekken met betrekking
                        tot zijn recht op een werkleeraanbod wanneer van hem vooralsnog niet kan
                        worden gevergd dat hij uitvoering geeft aan een werkleeraanbod. Die
                        inlichtingplicht geldt ook indien de jongere wel een werkleeraanbod</al><al>heeft ontvangen maar nog niet onmiddellijk uitvoering aan dat aanbod kan
                        worden gegeven.</al><al>De inlichtingenverplichting is vastgelegd in artikel 44 van de wet. In
                        artikel 44 lid 1 van de wet is bepaald dat de jongere op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen</al><al>zijn op zijn recht op een werkleeraanbod of het recht
                        inkomensvoorziening.</al><al>Om ongestructureerde meldingen te voorkomen, wordt -afhankelijk van de
                        situatie van de jongere- in de uitvoering gewerkt met een status- en
                        wijzigingsformulier. Voor het begrip ‘onverwijld’ geld dat bij wijzigingen
                        die van belang zijn voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening direct
                        gebruik maakt van het formulier dat op hem van toepassing is.</al><al>Lid 1</al><al>De eerste categorie, onderdeel a en b, heeft betrekking op het te laat
                        voldoen aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht. Veel voorkomende
                        gedragingen ten aanzien van de inlichtingenplicht zijn onder meer het niet
                        verschijnen op een ingelast rechtmatigheidsonderzoek of het niet inleveren
                        van status en wijzigingsformulier. </al><al>Voorbeelden van het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting zijn het
                        niet tonen van het identiteitsbewijs, niet meewerken aan een huisbezoek en
                        niet meewerken aan een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de
                        verstrekte gegevens. Indien de jongere niet in de daartoe gestelde termijn
                        de informatie verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent,
                        wordt het recht op inkomensvoorziening op grond van artikel 40 van de wet
                        opgeschort en wordt de jongere verzocht het verzuim binnen een gestelde
                        termijn te herstellen (hersteltermijn). Indien de informatie of medewerking
                        alsnog wordt verstrekt of verleend, wordt een maatregel toegepast. Indien de
                        jongere het verzuim niet herstelt, wordt het recht op inkomensvoorziening
                        beëindigd met ingang van de eerste dag waarover dat recht is
                        opgeschort.</al><al>Een bijzondere vorm van schending van de medewerkingsplicht is het in
                        onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                        arbeidsinschakeling. Omdat het hier gaat om het niet nakomen van een
                        verplichting in het kader van het recht op een werkleeraanbod, wordt deze
                        specifieke gedraging niet gesanctioneerd op basis van dit artikel maar op
                        grond van artikel 7, tweede categorie onder a. De gedraging kan overigens
                        wel nog steeds als een schending van de medewerkingsplicht ex artikel 44,
                        tweede lid van de wet worden gezien, waardoor -althans ten aanzien van
                        jongeren aan wie al een inkomensvoorziening is toegekend- ná de</al><al>maatregelwaardige gedraging, de hierboven geschetste weg van artikel 40 van
                        de wet kan worden gevolgd. </al><al>In gevallen waarin de jongere helemaal niet voldoet aan de hier bedoelde
                        medewerkingsplicht, volgt toepassing van artikel 17, vijfde lid van de wet
                        en moet er geen werkleeraanbod worden gedaan, of wordt dit ingetrokken.</al><al>Daarnaast omvat de eerste categorie, onderdeel a, het schenden van de
                        inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot een teveel of ten onrechte
                        verstrekt bedrag aan uitkering, de zogenaamde nulfraude. Voorbeelden van
                        zogenaamde nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogens-bestanddeel
                        onder de vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk.
                        Rekeninghoudend met de gedraging van de eerste categorie (te late
                        verstrekking van gegevens) dient hier ook een maatregel te worden opgelegd.
                        Immers het niet sanctioneren van nulfraude zou anders positiever beoordeeld
                        worden dan het alsnog na herhaald verzoek verstrekken van gegevens.</al><al>Lid 2</al><al>De tweede categorie betreft het schenden van de inlichtingenplicht welke wel
                        heeft geleid tot een ten onrechte verstrekt bedrag. Er kan in deze situaties
                        sprake zijn van fraude als betrokkene de bedoelde inlichtingen bewust heeft
                        verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de
                        inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager
                        vaststellen van het recht op inkomensvoorziening of tot beëindiging van de
                        inkomensvoorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Bij gedragingen van de eerste categorie, onderdeel a, kan er sprake zijn van
                        vroegtijdig constateren van inlichtingenfraude waardoor is voorkomen dat er
                        ten onrechte inkomensvoorziening wordt verstrekt. Bijvoorbeeld constatering
                        gedurende de aanvraagprocedure voor de eerste uitbetaling.</al><al>Ook bij gedragingen van de tweede categorie dient de maatregel te worden
                        afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de jongere de
                        gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit
                        kan betekenen dat -zeker vanuit het oogpunt van hoogwaardig handhaven- in
                        bepaalde situaties een hogere maatregel kan worden opgelegd. </al><al>Toepassing geven aan artikel 2, tweede lid kan echter ook inhouden dat -met
                        name bij een zware standaard maatregel- deze bijvoorbeeld over een langere
                        periode wordt gespreid. Maatwerk is dus mogelijk.</al><al>Lid 2</al><al>Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                        herhaald verwijtbaar gedrag, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                        uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel.</al><al>Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                        aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                        dringende redenen niet is geëffectueerd.</al><al>Een gedraging kan overigens pas als “verwijtbaar” worden aangemerkt indien
                        deze is beoordeeld en in een beslissing aan de jongere kenbaar is
                        gemaakt.</al><al>Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip waarop de
                        eerste verwijtbare gedraging zich feitelijk heeft voorgedaan. Het is daarom
                        van belang dit goed weer te geven in de beslissing en die vervolgens
                        adequaat te registreren.</al><al>Lid 3</al><al>Indien na de constatering van de schending van de inlichtingenplicht de
                        uitkering wordt beëindigd, biedt deze bepaling de mogelijkheid om de
                        maatregel alsnog te effectueren wanneer binnen één jaar na beëindiging van
                        de inkomensvoorziening een nieuw recht op inkomensvoorziening ontstaat.</al><al>Er is gekozen voor deze termijn omdat de verwachting is dat dan het effect
                        van de maatregel, namelijk het bewerkstelligen van een gedragsverandering
                        bij de jongere, groot is.</al><al>Voor het bepalen van de ingangsdatum van de termijn, dient de datum van
                            <onderstreept>feitelijke beëindiging</onderstreept> van de
                        inkomensvoorziening te worden genomen. Deze hoeft niet samen te vallen met
                        de formele beëindiging. Die kan immers vanwege fraude met terugwerkende
                        kracht zijn bepaald.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</titel></kop><al>In principe dient er bij fraude vanaf € 10.000,00 (bruto bedrag inclusief de
                        af te dragen of afgedragen loonheffing en premies en geldend per 1 januari
                        2009) aangifte te worden gedaan bij het Openbaar Ministerie (OM) en dient er
                        een proces-verbaal opgemaakt te worden. Als het OM een zaak in termen van
                        strafrechtelijke bewijsbaarheid niet accepteert, bijvoorbeeld omdat er
                        vormfouten zijn gemaakt, of dit nadeel becijfert op minder dan € 10.000,00,
                        wordt de gemeente geïnformeerd en zal er alsnog een maatregel opgelegd
                        dienen te worden.</al><al>Indien er ter zake van hetzelfde feit een strafvervolging is ingesteld,
                        wordt het opleggen van de maatregel opgeschort zolang het OM de gedraging
                        onderzoekt. Indien er strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd
                        dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel er
                        een schikking heeft plaatsgevonden op grond van art. 74 Sr, blijft de
                        maatregel definitief achterwege.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen</titel></kop><al>Een groot verschil tussen WIJ en WWB is dat de inkomensvoorziening niet kan
                        worden verlaagd wanneer de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend
                        besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan
                        in de vorm van schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde
                        verplichtingen. Zo kan de inkomensvoorziening niet worden verlaagd in geval
                        van onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid.</al><al>Voor wat betreft de onverantwoorde vermogensintering moet er wel op worden
                        gewezen dat in het</al><al>kader van een aanvraag voor een werkleeraanbod en voor de ambtshalve
                        beoordeling of er ook een inkomensvoorziening moet worden verstrekt de
                        hoogte van het vermogen moet worden vastgesteld. De jongere moet op dit punt
                        dus gewoon aan zijn inlichtingenplicht voldoen en derhalve volledige
                        openheid van zaken geven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Een maatregelwaardige gedraging die in artikel 41 van de wet expliciet
                        omschreven staat, is het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.
                        Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, waarbij sprake is van gedrag dat in het normale
                        menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. In de
                        verordening is aangegeven dat agressief gedrag van een jongere aanleiding
                        vormt voor het opleggen van een maatregel. Een nadere uitwerking van wat
                        onder “het zeer ernstig misdragen” kan worden verstaan, volgt
                        hieronder.</al><al>Zeer ernstige misdragingen:</al><al>Onder ernstige misdragingen wordt verstaan agressie en (verbaal) geweld
                        waarbij een medewerker psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd
                        of aangevallen, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        te vervullen functie van de medewerker (van de eigen organisatie of van de
                        ketenpartners).</al><al>Let op: indien de jongere zich meermaals zeer ernstig misdraagt volgt er
                        geen verlaging conform deze verordening maar is artikel 22 van de wet van
                        toepassing. Daarin is bepaald dat de jongere dan kan worden uitgesloten van
                        het recht op het werkleeraanbod en dus van het recht op een
                        inkomensvoorziening: de gedragingen zijn te rubriceren onder de gedragingen
                        bedoeld in artikel 42, eerste lid onder c). Wel moet het besluit tot
                        uitsluiting binnen ten hoogste een maand worden heroverwogen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>De artikelen 13 en 14 van de verordening betreffende respectievelijk de
                        datum van inwerkingtreding en de citeertitel spreken voor zich. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>